Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2033(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0266/2012

Ingediende teksten :

A7-0266/2012

Debatten :

PV 10/09/2012 - 23
CRE 10/09/2012 - 23

Stemmingen :

PV 11/09/2012 - 10.6
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0309

Aangenomen teksten
PDF 194kWORD 105k
Dinsdag 11 september 2012 - Straatsburg
Verondersteld vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen in Europese landen door de CIA
P7_TA(2012)0309A7-0266/2012

Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over het veronderstelde vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen in Europese landen door de CIA: follow-up bij het verslag van de Commissie TDIP van het Europees Parlement (2012/2033(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en met name de artikelen 2, 3, 4, 6, 7 en 21,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name de artikelen 1, 2, 3, 4, 18 en 19,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de protocollen daarbij,

–  gezien de relevante VN-mensenrechtenverdragen, met name het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 10 december 1984 en de relevante protocollen daarbij, en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning van 20 december 2006,

–  gezien artikel 5 van het Noord-Atlantische Verdrag van 1949,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad van 27 juni 2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing(1),

–  gezien het programma van Stockholm - Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger(2), en de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economische en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 20 april 2010 over „Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor de burgers van Europa: Actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm” (COM(2010)0171),

–  gezien de richtsnoeren voor een EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf,

–  gezien de Verklaring van Brussel van 1 oktober 2010, aangenomen op de zesde conferentie van de parlementaire commissies voor het toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de lidstaten van de Europese Unie,

–  gezien de gezamenlijke VN-studie inzake wereldwijde praktijken met betrekking tot geheime detentie in de context van terrorismebestrijding, opgesteld door: Martin Scheinin, speciaal rapporteur voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden bij terrorismebestrijding; Manfred Nowak, speciaal rapporteur voor foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing; de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie, vertegenwoordigd door diens vicevoorzitter Shaheen Sardar Ali; en de VN-werkgroep inzake gedwongen en onvrijwillige verdwijningen, vertegenwoordigd door diens voorzitter Jeremy Sarkin(3),

–  gezien het verslag van de VN-Raad voor de mensenrechten door de speciale rapporteur voor foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing inzake onderzoekscommissies als reactie op systematische of sporadische gevallen van foltering of andere vormen van mishandeling(4),

–  gezien het verslag van Martin Scheinin, speciaal rapporteur voor de bevordering en bescherming van mensenrechten en fundamentele vrijheden bij terrorismebestrijding, getiteld „Overzicht van goede praktijken inzake de juridische en institutionele kaders en maatregelen die waarborgen dat de inlichtingendiensten de mensenrechten respecteren bij terrorismebestrijding, alsmede inzake het toezicht hierop”(5),

–  gezien de bijdragen van de Raad van Europa, met name de stukken van Thomas Hammarberg, voormalig commissaris voor de mensenrechten, en van het Europees Comité inzake de voorkoming van foltering, alsmede de desbetreffende resoluties van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, met name de resoluties „Veronderstelde geheime detentie en illegaal grensoverschrijdend vervoer van gevangenen waarbij lidstaten van de Raad van Europa betrokken zijn”(6)en „Geheime detentie en illegaal grensoverschrijdend vervoer van gevangenen waarbij lidstaten van de Raad van Europa betrokken zijn: tweede verslag”(7), en het verslag van de Commissie juridische zaken en mensenrechten van de Parlementaire Vergadering, getiteld „Misbruik van staatsgeheim en nationale veiligheid: belemmeringen bij de parlementaire en juridische controle op mensenrechtenschendingen”(8),

–  gezien de bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanhangig gemaakte zaken al-Nashiri tegen Polen, Abu Zubaydah tegen Litouwen, Abu Zubaydah tegen Polen en el-Masri tegen de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, die op 16 mei 2012 in de Grote Kamer bepleit is,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2009 over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld „Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht ten dienste van de burger – programma van Stockholm”(9),

–  gezien zijn resoluties van 14 februari 2007(10) en 19 februari 2009(11) inzake het verondersteld gebruik door de CIA van Europese landen voor het vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen,

–  gezien zijn resoluties met betrekking tot Guantánamo, met name die van 9 juni 2011 over Guantánamo: ophanden zijnde beslissing over doodstraf(12), van 4 februari 2009 over de repatriëring en hervestiging van de gedetineerden van Guantánamo(13) en van 13 juni 2006 over de toestand van de gevangenen in Guantánamo(14), en zijn aanbeveling van 10 maart 2004 aan de Raad betreffende het recht van de gedetineerden in Guantánamo Bay op een eerlijk proces(15),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2010 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2009) – effectieve tenuitvoerlegging na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon(16),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2011 over het EU-beleid inzake terrorismebestrijding: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen(17),

–  gezien de op 17 september 2008 in Straatsburg gehouden lezing van Jacques Barrot, voormalig vicevoorzitter van de Commissie(18),

–  gezien de verklaringen van de Commissie inzake de noodzaak voor de betrokken lidstaten om een onderzoek in te stellen naar de beschuldigingen van betrokkenheid bij de uitleverings- en geheime detentieprogramma's van de CIA, en de stukken die door de Commissie aan de rapporteur ter hand zijn gesteld, waaronder vier brieven aan Polen, vier aan Roemenië en twee aan Litouwen in de periode 2007-2010,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 15 oktober 2003 over artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie: Eerbiediging en bevordering van de waarden waarop de Unie gegrondvest is (COM(2003)0606),

–  gezien de brief van 29 november 2005 van het EU-voorzitterschap aan Condoleezza Rice, minister van Buitenlandse Zaken van de VS, waarin wordt gevraagd of „de VS opheldering kunnen verschaffen over deze berichten [inzake veronderstelde detentie of vervoer van terrorismeverdachten in of door sommige EU-lidstaten] hopende dat hierdoor de bezorgdheid onder burgers en binnen het Parlement kan worden weggenomen”,

–  gezien de 2748e/2749e zitting van de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen van 15 september 2006, waarin het onderwerp „Strijd tegen terrorisme – Geheime detentiecentra” werd behandeld,

–  gezien de EU-verklaring van 7 maart 2011 op de 16e zitting van de VN-Raad voor de mensenrechten inzake de voornoemde VN-studie over geheime detentie,

–  gezien het artikel „Counter-terrorism and human rights” van Villy Sovndal, Gilles de Kerchove en Ben Emmerson, gepubliceerd in de European Voice van 19 maart 2012,

–  gezien het antwoord van Condoleezza Rice, minister van Buitenlandse Zaken van de VS, van 5 december 2005 op de brief van het EU-voorzitterschap van 29 november 2005, waarin staat dat „[...] uitlevering (rendition) een cruciaal onderdeel vormt van terrorismebestrijding. Toepassing ervan gebeurt niet alleen door de VS of door de huidige regering”. Verder worden in de brief beschuldigingen van rechtstreekse betrokkenheid van de VS bij martelingen van de hand gewezen en wordt benadrukt dat de uitleveringen niet het „doel” hadden om de uitgeleverde persoon te martelen, en de verklaring van minister Condoleezza Rice dat „wij [de Verenigde Staten] de soevereiniteit van onze partners eerbiedigen”(19),

–  gezien de erkenning van de voormalige president van de VS, George W. Bush, in zijn lezing op 6 september 2006 in de East Room van het Witte Huis, van het bestaan van een door de CIA geleid programma voor uitlevering en geheime detentie, dat onder andere operaties in het buitenland omvatte,

–  gezien de memoires van George W. Bush, die op 9 november 2010 werden gepubliceerd,

–  gezien de in augustus 2009 gepubliceerde openbare versie van het rapport uit 2004 van inspecteur-generaal van de CIA John Helgerson over de verhoorpraktijken van de CIA in het tijdperk-Bush,

–  gezien het rapport uit 2007 van het Internationale Rode Kruis inzake de behandeling van 14 topverdachten in CIA-detentie, dat in 2009 openbaar werd,

–  gezien de verschillende initiatieven op nationaal niveau om de betrokkenheid van lidstaten bij het CIA-programma voor uitlevering en geheime detentie te onderzoeken, zoals het lopende onderzoek in Denemarken en de onderzoeken die zijn uitgevoerd in Zweden, de lopende strafrechtelijke onderzoeken in Polen en het Verenigd Koninkrijk, de afgeronde strafrechtelijke onderzoeken in Italië, Duitsland, Litouwen, Portugal en Spanje, het parlementaire onderzoek door alle partijen in het Verenigd Koninkrijk en de afgeronde parlementaire onderzoeken in Duitsland, Litouwen, Polen en Roemenië,

–  gezien het gerechtelijk onderzoek in Portugal, dat in 2009 na twee jaar plotseling werd afgesloten,

–  gezien de conclusies van de nationale onderzoeken die al in bepaalde lidstaten zijn uitgevoerd,

–  gezien de talloze berichten in de media en van onderzoeksjournalisten, onder meer in ABC News in 2005(20) en 2009(21) , en de Washington Post in 2005(22) , die bepalend zijn geweest voor het blootleggen van de praktijk van uitleveringen en detentie, die anders voor altijd geheim zou zijn gebleven,

–  gezien de onderzoeken die sinds 2005 door onafhankelijke onderzoekers, maatschappelijke organisaties en nationale en internationale niet-gouvernementele organisaties zijn uitgevoerd en de daarover gepubliceerde verslagen, met name van Human Rights Watch(23), Amnesty International en Reprieve,

–  gezien de hoorzittingen van zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (LIBE) van 27 maart 2012 en haar Subcommissie mensenrechten van 12 april 2012, het werkbezoek van LIBE aan Litouwen van 25 tot en met 27 april 2012, het bezoek van de rapporteur aan Polen op 16 mei 2012 en alle schriftelijke en mondelinge bijdragen die de rapporteur heeft ontvangen,

–  gezien het gezamenlijke verzoek om vluchtgegevens dat op 16 april 2012 bij de directeur van Eurocontrol werd ingediend door de voorzitter van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de rapporteur, en gezien het uitvoerige antwoord van Eurocontrol op 26 april 2012,

–  gezien de nota van DG IPOL getiteld „The results of the inquiries into the CIA's programme of extraordinary rendition and secret prisons in European states in light of the new legal framework following the Lisbon Treaty” (PE462.456),

–  gezien de artikelen 48 en 50 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0266/2012),

A.  overwegende dat het Parlement zijn verorrdeling heeft uitgesproken over het onder leiding van de VS uitgevoerde uitleverings- en geheime detentieprogramma van de CIA, waarbij meerdere mensenrechten werden geschonden door onder andere illegale en willekeurige detentie, foltering en andere vormen van mishandeling, schending van het beginsel van „non-refoulement” en gedwongen verdwijning; overwegende dat zijn Tijdelijke Commissie verondersteld gebruik door de CIA van Europese landen voor het vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen („Tijdelijke Commissie”) het gebruik door de CIA van het Europese luchtruim en grondgebied heeft aangetoond, en overwegende dat het Parlement sindsdien opnieuw heeft aangedrongen op een volledig onderzoek naar de samenwerking tussen nationale regeringen en organen enerzijds, en de CIA anderzijds;

B.  overwegende dat het Parlement er herhaaldelijk toe heeft opgeroepen om bij de terrorismebestrijding de menselijke waardigheid, de mensenrechten en de grondrechten volledig te eerbiedigen, ook in het kader van internationale samenwerking op dat vlak, op basis van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, het EU-Handvest van de grondrechten en de nationale grondwetten en wetgeving inzake grondrechten, en overwegende dat het deze oproep onlangs nog herhaald heeft in zijn verslag over het antiterrorismebeleid van de EU, waarin het eveneens verklaard heeft dat de eerbiediging van de mensenrechten absoluut noodzakelijk is om de doeltreffendheid van het beleid te verzekeren;

C.  overwegende dat het Parlement illegale praktijken, waaronder „buitengewone uitlevering” (extraordinary rendition), ontvoering, detentie zonder proces, verdwijning, geheime gevangenissen en foltering, herhaaldelijk ten stelligste heeft veroordeeld, en op een volledig onderzoek heeft aangedrongen naar de mogelijke betrokkenheid van een aantal lidstaten bij samenwerking met instanties van de Verenigde Staten, met name de CIA, waaronder betrokkenheid op het grondgebied van de EU;

D.  overwegende dat deze resolutie ten doel heeft om „politiek voort te bouwen op de bevindingen van de Tijdelijke Commissie en de ontwikkelingen in het oog te houden, en met name ingeval de Raad en/of de Commissie geen passende maatregelen nemen, na te gaan of er geen sprake is van een duidelijk risico van ernstige schending van de beginselen en waarden waarop de EU gegrondvest is, en het Parlement zo nodig aan te bevelen een resolutie op basis van de artikelen 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aan te nemen”(24);

E.  overwegende dat de EU gegrondvest is op verknochtheid aan de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de grondrechten en de eerbiediging van de menselijke waardigheid en het internationale recht, niet alleen in haar interne beleid, maar ook naar buiten toe; overwegende dat de verknochtheid van de EU aan de mensenrechten, ondersteund door de inwerkingtreding van het Handvest van de grondrechten van de EU en het proces van toetreding tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, in alle beleidsterreinen weerspiegeld moet worden om het mensenrechtenbeleid van de Unie doeltreffend en geloofwaardig te maken;

F.  overwegende dat een degelijk verantwoordingsproces cruciaal is om het vertrouwen van de burger in het democratische bestel van de EU te behouden, om de mensenrechten in het interne en externe beleid van de EU doeltreffend te beschermen en bevorderen, en om een legitiem en doeltreffend rechtsstatelijk veiligheidsbeleid te garanderen;

G.  overwegende dat geen enkele lidstaat tot dusver volledig voldaan heeft aan zijn verplichtingen om de internationale mensenrechten te beschermen, handhaven en eerbiedigen en te voorkomen dat ze worden geschonden;

H.  overwegende dat het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) van de EU stoelt op instrumenten als de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) en de twee facultatieve protocollen daarbij, en het Verdrag tegen foltering en het bijbehorende facultatief protocol, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, het Handvest van de grondrechten van de EU en het Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, die tezamen niet alleen een absoluut verbod op foltering opleggen, maar ook een positieve verplichting inhouden om onderzoek naar beschuldigingen van foltering te doen en om rechtsmiddelen en schadevergoedingen aan te reiken; overwegende dat de richtsnoeren voor een EU-beleid inzake foltering het raamwerk vormen van de inspanningen van de EU „om foltering en mishandeling overal ter wereld te voorkomen en uit te bannen”;

I.  overwegende dat alle associatie-, handels- en samenwerkingsovereenkomsten mensenrechtenclausules bevatten om zo bevordering van het internationaal recht en naleving van de mensenrechten te garanderen, en overwegende dat de EU ook politiek in dialoog is met derde landen op basis van de mensenrechtenrichtsnoeren, die ook de bestrijding van de doodstraf en foltering omvatten; overwegende dat de EU in het kader van het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) maatschappelijke organisaties ondersteunt die strijden tegen foltering en zich inzetten voor de herintegratie van slachtoffers van foltering;

J.  overwegende dat geheime detentie, wat een vorm is van gedwongen verdwijning, beschouwd kan worden als misdrijf tegen de menselijkheid als het op grote schaal of systematisch wordt toegepast; overwegende dat de noodtoestand en terreurbestrijding een klimaat creëren dat geheime detentie mogelijk maakt;

K.  overwegende dat, hoewel de EU de verbintenis is aangegaan om collusie bij foltering te vermijden via Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad(25), zoals laatstelijk gewijzigd in december 2011(26), waarin de uitvoer of invoer van goederen die enkel gebruikt kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing verboden wordt, er nog steeds inspanningen nodig zijn om ervoor te zorgen dat deze verordening een zo ruim mogelijk gebied afdekt;

L.  overwegende dat louter vertrouwen op diplomatieke garanties om de uitlevering of uitzetting toe te staan van personen aan of naar een land wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de persoon in kwestie daar gevaar loopt om aan foltering of mishandeling te worden blootgesteld niet strookt met het absolute verbod op foltering in het internationale recht, het EU-recht en de nationale grondwetten en wetten van de lidstaten(27);

M.  overwegende dat de Raad op 15 september 2006 heeft toegegeven dat „het bestaan van geheime detentiecentra waar gevangenen in een rechtsvacuüm worden vastgehouden, [ingaat] tegen het internationaal humanitair recht en het recht inzake mensenrechten”, maar tot dusver de betrokkenheid van lidstaten bij het CIA-programma niet heeft erkend of veroordeeld, ofschoon het gebruik door de CIA van het Europese luchtruim en grondgebied door politieke en juridische autoriteiten van de lidstaten is bevestigd;

N.  overwegende dat de mensenrechtenschendingen als gevolg van het CIA-programma nog steeds niet zijn gestopt, zoals wordt aangetoond door de nog voortdurende detentie in Guantánamo Bay van Abu Zubaydah en Abd al-Rahim al-Nashiri, aan wie tijdens het Poolse strafonderzoek inzake de geheime gevangenissen van de CIA de status van slachtoffer is toegekend;

O.  overwegende dat onderzoek door de VN, de Raad van Europa, de nationale en internationale media, onderzoeksjournalisten en de maatschappelijke organisaties nieuwe concrete informatie heeft opgeleverd over de locatie van geheime CIA-detentiecentra in Europa, uitleveringsvluchten door het Europese luchtruim en het vervoer of vasthouden van personen;

P.  overwegende dat illegale handelingen op EU-grondgebied kunnen hebben plaatsgevonden in de context van multilaterale NAVO-regelingen of bilaterale overeenkomsten;

Q.  overwegende dat door nationale onderzoeken en internationaal onderzoek is aangetoond dat leden van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) ingestemd hebben met maatregelen in de strijd tegen terrorisme die geheim luchtverkeer en het gebruik van het grondgebied van EU-lidstaten in het kader van het CIA-programma voor uitleveringen mogelijk maakten, wat erop wijst dat lidstaten die tevens lid zijn van de NAVO, collectief op de hoogte waren van het programma;

R.  overwegende dat in de gezamenlijke studie van de VN inzake mondiale praktijken met betrekking tot geheime detentie (A/HRC/13/42), die in de context van de strijd tegen terrorisme werd opgesteld door de speciale rapporteur voor bevordering en bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden bij de terrorismebestrijding, de speciale rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling, de werkgroep inzake willekeurige detentie en de werkgroep inzake gedwongen en onvrijwillige verdwijningen, beschreven wordt hoe geheime detentiecentra op het grondgebied van de lidstaten van de EU deel uitmaakten van het CIA-programma en er naar aanleiding daarvan brieven zijn geschreven naar de lidstaten met de vraag om aanvullende informatie, zoals beschreven in de communicatieverslagen van de speciale procedures, waaronder het verslag van 23 februari 2012(28);

S.  overwegende dat in het verslag van de Raad van Europa van 2011 wordt vermeld dat op basis van in 2009 en 2010 van de Poolse diensten verkregen gegevens „onomstotelijk is bewezen” dat zeven aan de CIA gelieerde vliegtuigen in Polen zijn geland, en overwegende dat er volgens de Poolse media beschuldigingen zijn ingebracht tegen voormalige chefs van de Poolse inlichtingendienst en er sprake was van mogelijke contacten tussen ambtenaren van de inlichtingendienst en de Poolse regering met betrekking tot het gebruik van een CIA-detentiecentrum op Pools grondgebied; overwegende dat Roemeense onderzoeksjournalisten in 2011 een „zwarte locatie” in het Roemeense registratiekantoor voor geheime inlichtingen probeerden te achterhalen op basis van gegevens afkomstig van voormalige CIA-medewerkers(29); overwegende dat het bestaan van deze „zwarte locatie” door de Roemeense autoriteiten werd ontkend en door het onderzoek van het Roemeense parlement niet is aangetoond; overwegende dat voormalige Libische dissidenten juridische procedures zijn begonnen tegen het Verenigd Koninkrijk vanwege rechtstreekse betrokkenheid van MI6 bij de uitlevering, geheime detentie en marteling van henzelf en hun familieleden;

T.  overwegende dat de Litouwse autoriteiten door middel van parlementaire en gerechtelijke onderzoeken hebben geprobeerd opheldering te verschaffen over de betrokkenheid van Litouwen bij het CIA-programma; overwegende dat er in het parlementaire onderzoek van de Seimas-commissie voor nationale veiligheid en defensie naar het veronderstelde vervoer en vasthouden van personen door de CIA op Litouws grondgebied werd vastgesteld dat er tussen 2003 en 2005 vijf CIA-vluchten in Litouwen zijn geland en dat er in Litouwen twee speciale detentiecentra op verzoek van de CIA gereed waren gemaakt (projecten nr. 1 en 2); overwegende dat de LIBE-delegatie de Litouwse autoriteiten dankt voor de ontvangst van de leden van het Europees Parlement in Vilnius in april 2012 en voor het feit dat de leden van de LIBE-delegatie toegang hebben gekregen tot project nr. 2; overwegende dat de indeling van de gebouwen en faciliteiten geschikt lijkt te zijn voor het vasthouden van gevangenen; overwegende dat vele vragen over de CIA-activiteiten in Litouwen nog steeds onbeantwoord zijn, ondanks het daaropvolgende gerechtelijke onderzoek dat werd uitgevoerd in 2010 en werd afgerond in januari 2011; overwegende dat de Litouwse autoriteiten zich bereid hebben getoond om het onderzoek opnieuw te openen als er nieuwe informatie aan het licht komt en overwegende dat het openbaar ministerie naar aanleiding van een schriftelijk verzoek van het Parlement heeft aangeboden nadere informatie over het strafrechtelijk onderzoek te verschaffen;

U.  overwegende dat de Portugese autoriteiten nog steeds geen opheldering hebben verschaft over het grote aantal aanwijzingen voor vele vluchten die bedoeld waren voor vervoer tussen Bagram, Diego Garcia, geheime gevangenissen en Guantánamo, zoals ook door de Tijdelijke Commissie is vastgesteld.;

V.  overwegende dat onderzoek en gerechtelijke bevindingen over de logistiek om deze illegale operaties te dekken, zoals valse vluchtschema's, vluchten met civiele en militaire vliegtuigen die te boek stonden als staatsvluchten en het gebruik van commerciële luchtvaartondernemingen voor de CIA-uitleveringen, de systematische aard en de omvang van de Europese betrokkenheid bij het CIA-programma verder hebben blootgelegd; overwegende dat een analyse van de nieuwe gegevens die door Eurocontrol werden verstrekt met name het argument onderbouwt dat de contractanten die uitleveringsmissies uitvoerden halverwege het traject van vliegtuig wisselden om de herkomst en bestemming van de overgebrachte gevangenen te verhullen;

W.  overwegende dat de EU een intern beleid heeft ontwikkeld voor veiligheid en terrorismebestrijding dat gebaseerd is op politie- en justitiesamenwerking en bevordering van informatie-uitwisseling; overwegende dat dit beleid gestoeld dient te zijn op eerbiediging van de grondrechten en de rechtsstaat en effectieve parlementaire controle op de inlichtingendiensten;

X.  overwegende dat volgens het Europees Comité inzake de voorkoming van foltering „de ondervragingstechnieken die in de buitenlandse detentiecentra van de CIA werden toegepast stellig hebben geleid tot schendingen van het verbod op foltering en onmenselijke of onterende behandeling”(30);

Y.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en de VS gebaseerd zijn op een sterk partnerschap en samenwerking op velerlei gebied, op basis van gemeenschappelijke waarden als democratie, rechtsstaat en grondrechten; overwegende dat de EU en de VS hun inzet in de strijd tegen terreur sinds de aanslagen van 11 september 2001 hebben opgevoerd, met name met de gezamenlijke verklaring inzake terrorismebestrijding van 3 juni 2010, doch dat de gedane beloften in de praktijk moeten worden nagekomen en dat de verschillen tussen het EU- en het VS-beleid in de strijd tegen het terrorisme overbrugd moeten worden;

Z.  overwegende dat in de VS in december 2011 de National Defense Authorization Act (NDAA) is goedgekeurd, die de wettelijke mogelijkheid schept personen die verdacht worden van betrokkenheid bij terroristische activiteiten in de VS voor onbepaalde tijd vast te houden, waarmee het recht op een behoorlijke rechtsgang en een eerlijk proces wordt ondermijnd; overwegende dat de reikwijdte van deze wet momenteel door de rechter wordt getoetst;

AA.  overwegende dat president Obama op 22 januari 2009 drie uitvoeringsbesluiten heeft ondertekend houdende een verbod op foltering bij ondervragingen, tot oprichting van een overkoepelende taskforce voor toetsing van het detentiebeleid en de detentieprocedures en herziening van alle individuele zaken, en tot sluiting van het detentiecentrum Guantánamo Bay;

AB.  overwegende dat het detentiecentrum Guantánamo Bay evenwel nog steeds niet gesloten is vanwege de sterke tegenstand van het Amerikaanse Congres; overwegende dat de VS de lidstaten van de EU verzocht hebben om gedetineerden uit Guantánamo op te nemen om sluiting te bespoedigen; overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten bijzonder teleurgesteld is over het feit dat het niet gelukt is om het detentiecentrum Guantánamo Bay te sluiten en dat het systeem van willekeurige detentie verder verankerd is;

AC.  overwegende dat gedetineerden van Guantánamo Bay nog steeds voor militaire rechtbanken gebracht worden, met name sinds de beslissing van de Amerikaanse president van 7 maart 2011 om het uitvoeringsbesluit te tekenen waarmee de tweejarige opschorting van nieuwe militaire processen werd opgeheven en de wet van 7 januari 2012 houdende een verbod op het overbrengen van gedetineerden uit Guantánamo Bay naar de VS voor berechting;

Algemeen

1.  herinnert eraan dat terrorismebestrijdingsstrategieën slechts dan doeltreffend kunnen zijn indien ze worden uitgevoerd in strikte overeenstemming met mensenrechtenverplichtingen en met name met het recht op een eerlijk proces;

2.  wijst er nogmaals op dat doeltreffende terrorismebestrijding en de eerbiediging van de mensenrechten elkaar niet uitsluiten maar complementaire en elkaar versterkende doelstellingen zijn; wijst erop dat de eerbiediging van de grondrechten van essentieel belang is voor een geslaagd terrorismebestrijdingsbeleid;

3.  wijst erop dat de strijd tegen terrorisme bijzonder gevoelig ligt; is van mening dat het staatsgeheim enkel om gegronde redenen van nationale veiligheid ingeroepen mag worden; wijst er evenwel op dat het staatsgeheim in geen geval kan prevaleren boven onvervreemdbare grondrechten en dat het dus nooit als argument kan worden aangevoerd voor inperking van de wettelijke verplichting van de overheid om ernstige schendingen van de mensenrechten te onderzoeken; is van mening dat de definities van als geheim aan te merken informatie en van het staatsgeheim niet al te ruim mogen zijn en dat misbruik van het staatsgeheim een ernstige belemmering van de democratische controle vormt;

4.  wijst erop dat terrorismeverdachten niet onderworpen horen te worden aan bijzondere procedures; wijst erop dat eenieder alle garanties moet kunnen genieten die vallen onder het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens;

5.  herhaalt zijn veroordeling van de praktijk van buitengewone uitlevering (extraordinary rendition), geheime gevangenissen en foltering, die bij het nationaal en internationaal recht inzake de rechten van de mens verboden is en onder meer een inbreuk betekent op het recht op vrijheid, veiligheid, een humane behandeling, vrijwaring van foltering, non-refoulement, het vermoeden van onschuld, een eerlijk proces, rechtsbijstand en gelijke rechtsbescherming;

6.  wijst erop dat er garanties ingebouwd moeten worden om schendingen van de grondrechten bij de tenuitvoerlegging van het terrorismebestrijdingsbeleid in de toekomst te vermijden;

7.  stelt dat de lidstaten zich bereid verklaard hebben het internationaal recht te eerbiedigen, maar dat ze vooralsnog niet afdoende hebben voldaan aan hun positieve verplichting krachtens het internationaal recht om ernstige mensenrechtenschendingen gerelateerd aan het CIA-programma te onderzoeken, en betreurt dat er zo langzaam klaarheid in deze zaak komt, waarna de slachtoffers zo spoedig mogelijk volledige schadeloos kunnen worden gesteld en eventueel ook verontschuldigingen aangeboden krijgen;

8.  is ervan overtuigd dat de moeilijkheden die de lidstaten ondervinden bij het uitvoeren van onderzoek ertoe leiden dat ze niet volledig aan hun internationale verplichtingen voldoen, zodat het wederzijdse vertrouwen in de bescherming van de grondrechten wordt geschaad en de EU als geheel de verantwoordelijkheid krijgt;

9.  onderstreept nogmaals dat de belofte van de lidstaten en de EU om de Europese betrokkenheid bij het CIA-programma te onderzoeken, in overeenstemming is met het beginsel van loyale samenwerking als neergelegd in artikel 4, lid 3, van het VEU;

Verantwoordingsproces in de lidstaten

10.  toont zich bezorgd over de belemmeringen bij nationale parlementaire en gerechtelijke onderzoeken naar de betrokkenheid van bepaalde lidstaten bij het CIA-programma, zoals in detail is aangetoond in het verslag van 2011 van de Raad van Europa inzake het misbruik van het staatsgeheim en de nationale veiligheid, zoals een gebrek aan transparantie, het als geheim aanmerken van documenten, het vooropstellen van nationale en politieke belangen, beperkte onderzoeksopdrachten, inperkingen van het recht van slachtoffers op effectieve participatie en verdediging, en het gebrek aan gedegen onderzoekstechnieken en aan samenwerking tussen de onderzoeksautoriteiten in de EU; verzoekt de lidstaten om hun nationale strafprocedures niet te baseren op een rechtsgrond die het mogelijk maakt om strafprocedures stop te zetten door verjaringsclausules in te roepen en die leidt tot straffeloosheid, en om het beginsel van het internationale gewoonterecht in te roepen waarin erkend wordt dat verjaring niet kan of mag worden toegepast in geval van ernstige schendingen van de mensenrechten;

11.  dringt er bij de lidstaten die nog niet aan de verplichting tot onafhankelijk en effectief onderzoek hebben voldaan, op aan dat ze de schendingen van de mensenrechten alsnog onderzoeken, met inachtneming van al het nieuwe bewijsmateriaal dat aan het licht is gekomen; verzoekt de lidstaten met name te onderzoeken of er geheime detentiecentra op hun grondgebied zijn en of er operaties hebben plaatsgevonden waarbij mensen in het kader van het CIA-programma in centra op hun grondgebied vastgehouden werden;

12.  merkt op dat uit het in Roemenië uitgevoerde parlementaire onderzoek geconcludeerd werd dat er geen aanwijzingen waren voor de aanwezigheid van een geheim detentiecentrum van de CIA op Roemeens grondgebied; verzoekt de gerechtelijke autoriteiten een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de vermoedelijke geheime detentiecentra van de CIA in Roemenië, met name in het licht van de nieuwe gegevens omtrent vluchten tussen Roemenië en Litouwen;

13.  spoort Polen aan om het lopende strafrechtelijk onderzoek naar geheime detentie voort te zetten, maar betreurt het gebrek aan officiële communicatie over het onderzoeksveld, het verloop en de stand van zaken van het onderzoek; roept de Poolse autoriteiten op om het onderzoek doortastend en met de nodige transparantie uit te voeren, en om ervoor te zorgen dat de slachtoffers en hun advocaten daadwerkelijk aan dit onderzoek kunnen deelnemen;

14.  neemt er nota van dat de parlementaire en gerechtelijke onderzoeken in Litouwen van 2009 tot 2011 niet hebben kunnen aantonen dat er in Litouwen in het geheim gedetineerden werden ondergebracht; verzoekt de Litouwse autoriteiten om hun belofte na te komen om het strafrechtelijk onderzoek naar de betrokkenheid van Litouwen bij het CIA-programma te heropenen, mocht er nieuwe informatie beschikbaar komen, in het licht van de nieuwe gegevens van Eurocontrol, waaruit blijkt dat vliegtuig N787WH, waarvan wordt vermoed dat het Abu Zubaydah vervoerde, op 18 februari 2005 op weg naar Roemenië en Litouwen een tussenstop in Marokko heeft gemaakt; wijst erop dat bij de analyse van de gegevens van Eurocontrol nieuwe informatie naar voren is gekomen uit vluchtschema's voor vluchten tussen Roemenië en Litouwen, via een vliegtuigwissel in Tirana (Albanië) op 5 oktober 2005, en tussen Litouwen en Afghanistan, via Caïro (Egypte) op 26 maart 2006; acht het van essentieel belang dat bij nieuw onderzoek niet alleen naar machtsmisbruik door ambtenaren wordt gekeken, maar ook naar eventuele onwettige detentie en mishandeling van personen op Litouws grondgebied; spoort het openbaar ministerie aan om documenten aan te voeren ter onderbouwing van de tijdens het werkbezoek van de Commissie LIBE gedane uitspraken die inhielden dat uit het gerechtelijk onderzoek „afdoende” gebleken wass dat er „in de gebouwen van projecten nr. 1 en 2 in Litouwen geen gedetineerden ondergebracht zijn geweest”;

15.  neemt kennis van het in het Verenigd Koninkrijk gestarte strafrechtelijk onderzoek inzake de uitleveringen aan Libië en is verheugd over het besluit om na beëindiging hiervan een breder onderzoek in te stellen naar de verantwoordelijkheid van het Verenigd Koninkrijk bij het CIA-programma; verzoekt het Verenigd Koninkrijk het onderzoek met de nodige transparantie uit te voeren, en ervoor te zorgen dat de slachtoffers en maatschappelijke organisaties daadwerkelijk aan dit onderzoek kunnen deelnemen;

16.  erkent dat de onderzoeken van de lidstaten gebaseerd moeten zijn op sluitend juridisch bewijsmateriaal en op eerbiediging van de nationale rechtsstelsels en het EU-recht, en niet enkel op speculaties bij de media en de publieke opinie;

17.  verzoekt lidstaten als Finland, Denemarken, Portugal, Italië, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Spanje, Ierland, Griekenland, Cyprus, Roemenië en Polen, die in het verslag van de Tijdelijke Commissie genoemd werden, alle nodige informatie vrij te geven over alle verdachte vliegtuigen waarbij een verband met de CIA en hun grondgebied bestaat; roept alle lidstaten ertoe op om het recht op toegang tot informatie te eerbiedigen en adequaat op verzoeken om informatie te reageren; geeft in dit verband uiting aan zijn bezorgdheid over het feit dat de meeste lidstaten, met uitzondering van Denemarken, Finland, Duitsland, Ierland en Litouwen, niet adequaat hebben gereageerd op verzoeken van Reprieve en Access Info Europe om toegang tot informatie voor hun onderzoek naar gevallen van buitengewone uitlevering;

18.  dringt bij de lidstaten aan op herziening van bepalingen of interpretaties die al te inschikkelijk tegenover foltering staan, zoals het juridisch advies van Michael Wood (waarvan sprake is in de EP-resolutie van 14 februari 2007), waarin in strijd met de internationale jurisprudentie wordt gesteld dat het legitiem is om met behulp van foltering verkregen informatie te aanvaarden en gebruiken mits degene die de informatie gebruikt niet rechtstreeks verantwoordelijk is (wat het „outsourcen” van foltering stimuleert en rechtvaardigt);

19.  verzoekt alle EU-lidstaten het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning te ondertekenen en te ratificeren;

20.  verzoekt de lidstaten in het licht van de versterkte samenwerking en de uitwisseling van informatie over hun geheime inlichtingen- en veiligheidsdiensten te zorgen voor volledige democratische controle op die diensten en hun activiteiten via passend intern, uitvoerend, gerechtelijk en onafhankelijk parlementair toezicht, dat bij voorkeur wordt uitgeoefend door gespecialiseerde parlementaire commissies met een ruim mandaat en uitgebreide bevoegdheden, waaronder de bevoegdheid om informatie op te vragen, die over voldoende onderzoeksmiddelen beschikken zodat ze niet alleen het beleid, het beheer en de financiën, maar ook de operationele activiteiten van die diensten kunnen onderzoeken;

Reactie van de EU-instellingen

21.  acht het van wezenlijk belang dat de EU elk misbruik bij de terrorismebestrijding veroordeelt, ook wanneer dit op haar eigen grondgebied plaatsvindt, en wel zodanig dat zij haar eigen waarden kan naleven maar deze ook op een geloofwaardige manier kan verdedigen tegenover haar externe partners;

22.  herinnert eraan dat de Raad nooit formeel zijn verontschuldigingen heeft aangeboden voor de schending van het in de Verdragen vastgelegde beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de EU, toen hij het Europees Parlement misleidde door met opzet ingekorte versies voor te leggen van de notulen van het overleg van COJUR (Groep internationaal publiekrecht van de Raad) en COTRA (Groep trans-Atlantische betrekkingen van de Raad) met hoge Noord-Amerikaanse ambtenaren; verwacht van de Raad dat hij zijn verontschuldigingen aanbiedt;

23.  verwacht dat de Raad eindelijk een verklaring zal afleggen waarin hij erkent dat er lidstaten bij het CIA-programma betrokken waren en dat ze moeilijkheden hebben ondervonden in het kader van de onderzoeken;

24.  roept de Raad op om de lidstaten ten volle te steunen bij het achterhalen van de waarheid en bij het nemen van hun verantwoordelijkheid door deze kwestie formeel ter sprake te brengen op JBZ-zittingen, alle informatie te delen, hulp te bieden bij onderzoeken en in het bijzonder verzoeken om inzage in stukken in te willigen;

25.  verzoekt de Raad hoorzittingen te houden met relevante veiligheidsinstanties van de EU, met name Europol, Eurojust en de EU-coördinator voor terrorismebestrijding, om na te gaan wat ze weten over de betrokkenheid van lidstaten bij het CIA-programma en de reacties van de EU; verzoekt de Raad tevens voorstellen te doen voor waarborgen met het oog op de eerbiediging van de mensenrechten bij het uitwisselen van inlichtingen en voor een strikte afbakening van taken op het gebied van inlichtingen en wetshandhaving, zodat inlichtingendiensten geen bevoegdheid krijgen om personen aan te houden of vast te houden, en verzoekt hem binnen een jaar daarover aan het Parlement verslag uit te brengen;

26.  verzoekt de Raad de uitwisseling van beste praktijken ten aanzien van het parlementaire en gerechtelijke toezicht op inlichtingendiensten tussen de lidstaten te stimuleren, en de nationale parlementen en het Europees Parlement daarbij te betrekken;

27.  herhaalt zijn oproep aan de Raad en de lidstaten om niet langer te vertrouwen op niet-afdwingbare diplomatieke garanties van derde landen als basis voor uitlevering of uitzetting van personen die een bedreiging van de nationale veiligheid zouden vormen wanneer het risico bestaat van foltering of mishandeling dan wel berechting met behulp van bewijs dat daarmee verkregen is;

28.  verlangt dat de overheid geen beroep doet op het staatsgeheim in verband met internationale samenwerking op het gebied van inlichtingen om de verantwoordingsplicht en de mogelijkheid van beroep te blokkeren, en benadrukt met klem dat alleen echte nationale veiligheidsredenen een grond kunnen vormen voor geheimhouding, die hoe dan ook ondergeschikt is aan onvervreemdbare grondrechtelijke verplichtingen, zoals het absolute verbod op foltering;

29.  verlangt van de autoriteiten dat zij een strikt onderscheid maken tussen activiteiten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten enerzijds en activiteiten van wetshandhavingsinstanties anderzijds, om te garanderen dat het algemene beginsel van „nemo iudex in sua causa” geëerbiedigd wordt;

30.  benadrukt dat de Tijdelijke Commissie die het onderzoek heeft uitgevoerd dat de basis vormde voor de EP-resoluties van 14 februari 2007 en 19 februari 2009, aan het licht gebracht heeft dat de procedures voor toestemming voor en toezicht op burgerluchtvaartuigen die door het luchtruim van lidstaten vliegen of op hun grondgebied landen, uiterst gebrekkig waren, en dus niet alleen misbruikt konden worden in het kader van de „buitengewone uitleveringen” van de CIA, maar ook eenvoudig omzeild konden worden door de georganiseerde misdaad of terreurnetwerken; wijst voorts op de bevoegdheid van de Unie wat de veiligheid en beveiliging van het vervoer betreft en op de aanbevelingen van het Parlement aan de Commissie om het beheer van het luchtruim, luchthavens en de niet-commerciële luchtvaart in de EU te reglementeren en aan toezicht te onderwerpen; verzoekt de EU en de lidstaten daarom onverwijld een grondige evaluatie van hun tenuitvoerlegging van het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart uit te voeren ten aanzien van toestemming voor en inspectie van burgerluchtvaartuigen die door het luchtruim van lidstaten vliegen of op hun grondgebied landen, zodat de veiligheid wordt vergroot en er systematische controles worden uitgevoerd, wat betekent dat de passagiers en bemanningsleden eerst moeten worden geïdentificeerd, en zodat vluchten die worden aangemerkt als „staatsvluchten” (die niet onder het Verdrag van Chicago vallen) vooraf de nodige toestemming krijgen; herinnert voorts aan de aanbeveling van het Parlement dat het Verdrag van Tokio inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen daadwerkelijk door de lidstaten moet worden gehandhaafd;

31.  neemt kennis van de initiatieven van de Commissie naar aanleiding van de aanbevelingen van het Parlement; acht het echter betreurenswaardig dat deze geen onderdeel uitmaken van een bredere agenda en strategie om te waarborgen dat er verantwoordelijkheid wordt genomen voor de mensenrechtenschendingen die in de context van het CIA-programma zijn begaan en dat de slachtoffers de nodige schadeloosstelling en compensaties krijgen;

32.  verzoekt de Commissie na te gaan of er sprake is van schending van EU-bepalingen door de samenwerking met de CIA in het kader van zijn programma, met name van de bepalingen inzake asiel en justitiële samenwerking;

33.  verzoekt de Commissie om de wederzijdse rechtsbijstand overeenkomstig de mensenrechten en de justitiële samenwerking tussen onderzoeksautoriteiten en de samenwerking tussen advocaten die betrokken zijn bij de verantwoordingsactiviteiten in de lidstaten te bevorderen en te ondersteunen, en met name te bereiken dat belangrijke informatie wordt uitgewisseld en het effectieve gebruik van alle EU-instrumenten en -middelen te bevorderen;

34.  verzoekt de Commissie binnen een jaar een raamwerk vast te stellen, dat onder meer rapportageverplichtingen voor de lidstaten omvat, om nationale verantwoordingsprocessen te volgen en ondersteunen, alsmede richtsnoeren voor onderzoeken naar naleving van de mensenrechten, gebaseerd op door de Raad van Europa en de VN opgestelde normen;

35.  verzoekt de Commissie om, in het licht van de institutionele tekortkomingen die in de context van het CIA-programma aan het licht zijn gekomen, maatregelen te treffen gericht op versterking van de capaciteiten van de EU om mensenrechtenschendingen op EU-niveau te voorkomen en recht te zetten en om voor een versterking van de rol van het Parlement te zorgen;

36.  verzoekt de Commissie te overwegen maatregelen voor te stellen voor permanente samenwerking en informatie-uitwisseling tussen het Europees Parlement en de parlementaire commissies voor het toezicht op inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de EU-lidstaten ingeval de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de lidstaten op het grondgebied van de Europese Unie gezamenlijke activiteiten hebben ondernomen;

37.  verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen om regelingen te treffen voor democratische controle op grensoverschrijdende inlichtingenactiviteiten in de context van het terrorismebestrijdingsbeleid van de EU; is voornemens zijn eigen parlementaire bevoegdheden om toezicht uit te oefenen op het terrorismebestrijdingsbeleid volledig uit te oefenen, overeenkomstig de aanbevelingen die zijn geformuleerd door de Studiedienst van het Europees Parlement (PE 453.207);

38.  verzoekt de Europese Ombudsman om een onderzoek te verrichten naar het verzuim van de Commissie, de Raad en de veiligheidsinstanties van de EU, met name Europol en Eurojust, om de grondrechten en de beginselen van behoorlijk bestuur en loyale samenwerking bij hun reactie op de aanbevelingen van de Commissie TDIP na te leven;

39.  verlangt dat de EU haar internationale verplichtingen volledig nakomt en dat het EU-beleid en de instrumenten van het buitenlands beleid, zoals de richtsnoeren inzake foltering en de mensenrechtendialogen, volledig worden toegepast, zodat de EU sterker staat als zij oproept tot strikte tenuitvoerlegging van de mensenrechtenclausules in alle internationale overeenkomsten die zij ondertekent, en haar belangrijkste bondgenoten, zoals de Verenigde Staten, aanspoort hun eigen wetgeving en het internationaal recht na te leven;

40.  wijst er nogmaals op dat de internationale strijd tegen het terrorisme en de bilaterale en multilaterale internationale samenwerking op dat vlak, bijvoorbeeld in NAVO-verband of tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten, alleen onder volledige eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden en onder passend democratisch en gerechtelijk toezicht mogen worden uitgevoerd; verzoekt de lidstaten, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Raad ervoor te zorgen dat deze beginselen in hun buitenlandse betrekkingen worden toegepast, en dringt erop aan dat zij pas nieuwe overeenkomsten aangaan als de staat van dienst van hun partners op het gebied van de mensenrechten, met name inzake de samenwerking op het gebied van inlichtingen en informatie-uitwisseling, aan een diepgaande beoordeling is onderworpen en dat zij bestaande overeenkomsten herzien indien de tegenpartij de mensenrechten niet eerbiedigt, en dat zij het Parlement in kennis stellen van de conclusies van dergelijke beoordelingen en herzieningen;

41.  verlangt dat inmenging van buitenlandse speciale diensten in de aangelegenheden van soevereine lidstaten van de EU in de toekomst niet nogmaals voorkomt, en dat de strijd tegen het terrorisme wordt gevoerd met volledige eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden, de democratie en de rechtsstaat;

42.  herinnert eraan dat het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering vereist dat er monitoringstelsels worden ingesteld voor alle gevallen van vrijheidsberoving, en wijst er uitdrukkelijk op dat dit internationale instrument een extra beschermingsniveau biedt; dringt er met klem bij de partnerlanden van de EU op aan dat zij het Facultatief Protocol ratificeren, onafhankelijke nationale preventiemechanismen opzetten die voldoen aan de beginselen van Parijs, en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning ratificeren;

43.  herhaalt zijn oproep aan alle staten waartegen geloofwaardige beschuldigingen zijn ingebracht om, zoals vereist door internationale wetgeving en met name artikel 12 van het Verdrag ter voorkoming van foltering, alles in het werk te stellen om de nodige opheldering te verschaffen en om, wanneer de aanwijzingen steekhoudend blijken, grondig onderzoek te doen naar en inlichtingen in te winnen over alle veronderstelde buitengewone uitleveringen, geheime gevangenissen, gevallen van foltering en andere ernstige mensenrechtenschendingen, om zo tot waarheidsvinding te komen en zo nodig de verantwoordelijkheid te vast te stellen, de verantwoordingsplicht te waarborgen en straffeloosheid te voorkomen, wat tevens inhoudt dat in geval van aantoonbare strafrechtelijke aansprakelijkheid ook berechting dient plaats vinden; verzoekt de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter en de lidstaten in dit verband de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de gezamenlijke studie van de VN inzake mondiale praktijken met betrekking tot geheime detentie een toereikende follow-up krijgt, met name wat betreft de follow-upbrief die op 21 oktober 2011 door de houders van speciale mandaten naar 59 landen werd gestuurd en waarin de respectieve regeringen verzocht werden om actuele informatie te verschaffen over de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen uit die studie;

44.  verzoekt de EU erop toe te zien dat haar lidstaten, bondgenoten en partners (met name in het kader van de Overeenkomst van Cotonou) die ermee ingestemd hebben om voormalige gedetineerden uit Guantánamo op te nemen, hun daadwerkelijk volledige steun verlenen met betrekking tot hun levensomstandigheden, hun integratie in de maatschappij, medische zorg, waaronder psychologische bijstand, verkrijging van identiteits- en reisdocumenten, het recht op gezinshereniging en alle andere grondrechten die mensen die politiek asiel gekregen hebben ook genieten;

45.  is bijzonder verontrust over het proces dat door een Amerikaanse militaire commissie wordt gevoerd tegen Abd al-Rahim al-Nashiri, die de doodstraf riskeert als hij veroordeeld wordt; verzoekt de Amerikaanse overheid om de mogelijkheid van de doodstraf voor Abd al-Rahim al-Nashiri uit te sluiten en wijst er nogmaals op dat het zich altijd verzet heeft tegen de doodstraf, in alle gevallen en in alle omstandigheden; merkt op dat de zaak van Abd al-Rahim al-Nashiri sinds 6 mei 2011 bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in behandeling is; verzoekt de autoriteiten van alle landen waar Abd al-Rahim al-Nashiri gedetineerd is geweest alle beschikbare middelen aan te wenden om ervoor te zorgen dat hij niet ter dood veroordeeld wordt; dringt er bij de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter op aan dat zij de zaak van Abd al-Rahim al-Nashiri onverwijld bij de VS aan de orde stelt, overeenkomstig de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf;

46.  wijst er nogmaals op dat de volledige toepassing van de mensenrechtenclausule in overeenkomsten met derde landen van fundamenteel belang is in de betrekkingen van de Europese Unie en de lidstaten met die landen, en dat het nu tijd is voor een herbezinning op de manier waarop Europese regeringen, met het argument van terrorismebestrijding, hun medewerking hebben verleend aan het repressieapparaat van dictaturen; is in dat verband van mening dat het onlangs herziene Europees nabuurschapsbeleid de hervorming van de veiligheidssector terdege moet ondersteunen, waarbij met name een duidelijke scheiding tussen inlichtingen- en wetshandhavingstaken verzekerd moet worden; verzoekt de EDEO, de Raad en de Commissie om hun samenwerking met het Comité inzake de voorkoming van foltering en andere relevante mechanismen van de Raad van Europa op te voeren bij het plannen en uitvoeren van projecten in samenwerking met derde landen ter ondersteuning van terrorismebestrijding en bij alle vormen van dialoog inzake terrorismebestrijding met derde landen;

47.  verzoekt de regering van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM) om de verantwoordelijkheid te bepalen en de verantwoordingsplicht te waarborgen voor de ontvoering, kennelijk ten gevolge van een persoonsverwisseling, van Khaled el-Masri, die geleid heeft tot zijn illegale detentie en naar verluidt foltering; betreurt het feit dat het openbaar ministerie van Skopje geen stappen heeft ondernomen om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar aanleiding van de klacht van Khaled el-Masri; merkt op dat de zaak van Khaled el-Masri bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in behandeling is en dat de Grote Kamer op 16 mei 2012 een eerste hoorzitting heeft gehouden; is van mening dat het veronderstelde optreden van de regering van FYROM in de zaak van de Khaled el-Masri niet strookt met de grondbeginselen van de EU op het vlak van de grondrechten en de rechtsstaat en dat de Commissie deze zaak moet onderzoeken in verband met het verzoek van FYROM om lid van de EU te worden;

48.  verzoekt de NAVO en de autoriteiten van de VS hun eigen onderzoek in te stellen, volledige medewerking te verlenen aan parlementaire of gerechtelijke onderzoeken van de EU of de lidstaten naar deze kwesties(31), onder meer door zo nodig snel te reageren op verzoeken om wederzijdse rechtshulp, informatie ten aanzien van buitengewoneuitleveringsprogramma's en andere praktijken die de mensenrechten en de fundamentele vrijheden aantasten vrij te geven, en de raadslieden van de verdachten alle informatie te verschaffen die zij nodig hebben om hun cliënten te verdedigen; verlangt een bevestiging dat alle NAVO-overeenkomsten en NAVO-EU- en andere trans-Atlantische regelingen de grondrechten eerbiedigen;

49.  looft de initiatieven van het Amerikaanse maatschappelijke middenveld om in 2010 een onafhankelijke tweepartijen-taskforce op te richten om het beleid en de maatregelen van de Amerikaanse regering ten aanzien van de gevangenneming, detentie en vervolging van „terrorismeverdachten” en het in hechtenis houden van verdachten in de VS tijdens de ambtstermijnen van de presidenten Clinton, Bush en Obama te onderzoeken;

50.  verzoekt de Verenigde Staten, gelet op de cruciale rol van het trans-Atlantische partnerschap en het leiderschap van de VS op dit gebied, alle schendingen die zij hebben begaan volledig te onderzoeken en er de verantwoordelijkheid voor te nemen, te waarborgen dat alle binnenlandse en internationale wetgeving op dit gebied volledig wordt toegepast om de mazen in de wet te dichten, de militaire processen te staken, het strafrecht volledig van toepassing te laten zijn op terrorismeverdachten en de toetsing van detentie en habeas corpus, een behoorlijke rechtsgang, vrijwaring van foltering en non-discriminatie tussen buitenlanders en Amerikaanse staatsburgers weer in ere te herstellen;

51.  roept president Obama op zijn in januari 2009 gedane belofte na te komen en het detentiecentrum Guantánamo Bay te sluiten, iedere gedetineerde wie niets ten laste gelegd is zo spoedig mogelijk naar zijn of haar eigen land te laten terugkeren of naar een ander veilig land te laten gaan, gedetineerden uit Guantánamo tegen wie voldoende toelaatbaar bewijs bestaat onverwijld in een eerlijke en openbare zitting te laten berechten door een onafhankelijke, onpartijdige rechtbank en te waarborgen dat zij, indien zij worden veroordeeld, in de VS gevangen worden gezet in overeenstemming met de toepasselijke internationale normen en beginselen; verlangt evenzo dat de schendingen van de mensenrechten die in Guantánamo hebben plaatsgevonden, onderzocht worden en dat bepaald wordt wie ervoor verantwoordelijk was;

52.  dringt erop aan dat gedetineerden wie niets ten laste wordt gelegd maar die niet gerepatrieerd kunnen worden vanwege een reëel risico op foltering of vervolging in hun eigen land, de gelegenheid zal worden gegeven tot hervestiging in de VS met humanitaire bescherming en schadevergoeding(32), en spoort ook de lidstaten aan om aan te bieden dergelijke voormalige gedetineerden uit Guantánamo op te nemen;

53.  dringt bij de Amerikaanse overheid aan op intrekking van de bevoegdheid om personen op grond van de National Defense Authorization Act voor onbepaalde duur zonder tenlastelegging of proces vast te houden;

54.  verzoekt de Conferentie van delegatievoorzitters ervoor te zorgen dat er parlementaire dialogen worden gestart over bescherming van de grondrechten bij terrorismebestrijding, op basis van en als follow-up van de bevindingen van de gezamenlijke studie van de VN inzake mondiale praktijken met betrekking tot geheime detentie en van het overzicht van goede praktijken inzake de juridische en institutionele kaders en maatregelen die waarborgen dat de inlichtingendiensten de mensenrechten respecteren bij terrorismebestrijding, alsmede inzake het toezicht hierop van de VN;

55.  is van plan om, met vertegenwoordigers van de relevante nationale overheden en EU-instellingen en -instanties, de volgende gezamenlijke parlementaire bijeenkomst te wijden aan de herziening van de rol van de parlementen op het gebied van verantwoording voor de mensenrechtenschendingen in de context van het CIA-programma, en aan het bevorderen van nauwere samenwerking en regelmatige gegevensuitwisseling tussen de nationale instanties voor het toezicht op de inlichtingendiensten;

56.  blijft zich inzetten voor de uitvoering van het mandaat van de Tijdelijke Commissie overeenkomstig de artikelen 2, 6 en 7 van het VEU; draagt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, alsmede de Subcommissie mensenrechten op om een jaar na de aanneming van onderhavige resolutie het Parlement in een plenaire vergadering over dit onderwerp in te lichten; acht het van essentieel belang dat nu wordt vastgesteld in hoeverre de door het Parlement aangenomen aanbevelingen opgevolgd zijn, en zo niet, waarom niet;

57.  verzoekt de Raad, de Commissie, de Europese Ombudsman, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de kandidaat-lidstaten en de geassocieerde landen, de Raad van Europa, de NAVO, de Verenigde Naties en de regering en beide kamers van het Amerikaanse Congres het Parlement op de hoogte te houden van de eventuele ontwikkelingen op de gebieden die onderwerp van dit verslag zijn;

o
o   o

58.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Ombudsman, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de kandidaat-lidstaten en de geassocieerde landen, alsmede aan de Raad van Europa, de NAVO, de Verenigde Naties en de regering en beide kamers van het Amerikaanse Congres.

(1) PB L 200 van 30.7.2005, blz. 1.
(2) PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.
(3) A/HRC/13/42, 19.2.2010.
(4) A/HRC/19/61, 18.1.2012.
(5) A/HRC/14/46, 17.5.2010.
(6) Resolutie 1507 (2006).
(7) Resolutie 1562 (2007).
(8) Doc. 12714 van 16.9.2011.
(9) PB C 285E van 21.10.2010, blz. 12.
(10) PB C 287E van 29.11.2007, blz. 309.
(11) PB C 76E van 25.3.2010, blz. 51.
(12) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0271.
(13) PB C 67E van 18.3.2010, blz. 91.
(14) PB C 300E van 9.12.2006, blz. 136.
(15) PB C 102 van 28.4.2004, blz. 640.
(16) PB C 169E van 15.6.2012, blz. 49.
(17) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0577.
(18) SPEECH/08/716, „Une politique visant à assurer l'effectivité des droits fondamentaux sur le terrain”.
(19) „Remarks en route to Germany”, gesprek met de pers van Condoleezza Rice, Berlijn, 5 december 2005, en „Press Availability at the Meeting of the North Atlantic Council”, Brussel, 8 december 2005.
(20) „Sources Tell ABC News Top Al Qaeda Figures Held in Secret CIA Prisons”, ABC News, 5.12.2005.
(21) „Lithuania Hosted Secret CIA Prison to Get ”Our Ear'„, ABC News, 20.8.2009.
(22) ”CIA Holds Terror Suspects in Secret Prisons„, 2.11.2005, en ”Europeans Probe Secret CIA Flights„, Washington Post, 17.11.2005.
(23) Onder meer: verklaring van Human Rights Watch van 6.11.2005: „U.S. Secret Detention Facilities in Europe”; rapport van Amnesty International Europe getiteld „Open secret: Mounting evidence of Europe's complicity in rendition and secret detention”, 15.11.2010; rapport van Reprieve getiteld „Rendition on Record: Using the Right of Access to Information to Unveil the Paths of Illegal Prisoner Transfer Flights”, 15.12.2011.
(24) Paragraaf 232 van de EP-resolutie van 14 februari 2007.
(25) PB L 200 van 30.7.2005, blz. 1.
(26) PB L 338 van 21.12.2011, blz. 31.
(27) Artikel 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en de daaraan gerelateerde jurisprudentie, en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
(28) A/HRC/19/44.
(29) „Inside Romania's secret CIA prison”, The Independent, 9.12.2011.
(30) Verslag van het Comité inzake de voorkoming van foltering van zijn bezoek aan Litouwen van 14 tot 18 juni 2010 (19 mei 2011).
(31) Zie o.a. paragraaf 232 van de EP-resolutie van 9 juni 2011.
(32) Zie paragraaf 3 van de EP-resolutie van 4 februari 2009.

Juridische mededeling - Privacybeleid