Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2011/2291(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0225/2012

Ingediende teksten :

A7-0225/2012

Debatten :

PV 11/09/2012 - 20
CRE 11/09/2012 - 20

Stemmingen :

PV 12/09/2012 - 7.9
CRE 12/09/2012 - 7.9
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0335

Aangenomen teksten
PDF 222kWORD 54k
Woensdag 12 september 2012 - Straatsburg
Instandhouding en duurzame exploitatie van de visbestanden
P7_TA(2012)0335A7-0225/2012

Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2012 over de rapportageverplichtingen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2371/2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (2011/2291(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over verslagleggingsverplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2371/2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2011)0418),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid,

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 22 april 2009 betreffende de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2009)0163),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 13 juli 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2011)0425),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 5 februari 2007 over de verbetering van de vangstcapaciteits- en visserijinspanningsindicatoren in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2007)0039),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 mei 2011 betreffende een raadpleging over de vangstmogelijkheden (COM(2011)0298),

–  gezien het speciaal verslag nr. 12/2011 van de Europese Rekenkamer over de vraag of EU-maatregelen hebben bijgedragen tot aanpassing van de capaciteit van de vissersvloten aan de beschikbare vangstmogelijkheden,

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2006 over de evaluatie van bepaalde toegangsbeperkingen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (Shetlandbox en scholbox)(1),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A7-0225/2012),

A.  overwegende dat bovengenoemd verslag van de Commissie wederom aantoont dat het huidige gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) er niet in is geslaagd de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding en de duurzame exploitatie van de beschikbare visbestanden te verwezenlijken;

B.  overwegende dat meer dan 60% van de visbestanden in de Europese wateren zwaarder bevist wordt dan de maximale duurzame opbrengst, en dat er voor talloze soorten sprake is van een gebrek aan wetenschappelijke gegevens;

C.  overwegende dat het stelsel van totaal toegestane vangsten (TAC's) en quota op zich niet heeft geleid tot een duurzaam beheer van de visbestanden en dat beheersplannen voor de lange termijn van cruciaal belang zijn voor een dergelijk duurzaam beheer;

D.  overwegende dat wetenschappelijke gegevens soms niet beschikbaar of onbetrouwbaar zijn, en dat de mate van onzekerheid over de modellen voor het vaststellen van dergelijke gegevens een ernstig probleem blijft vormen voor de verwezenlijking van een duurzaam beheer van veel visbestanden;

E.  overwegende dat de in een aantal delen van de EU snel groeiende zeevogel- en zeehondenpopulaties de reeds sterk uitgedunde visbestanden nog verder onder druk zetten;

F.   overwegende dat het duurzame behoud van de visbestanden eveneens wordt beïnvloed door klimaatveranderingen, zoals de opwarming van de aarde, en door menselijke factoren, zoals vervuiling;

G.  overwegende dat er in de Europese visindustrie de afgelopen tien jaar veel arbeidsplaatsen verloren zijn gegaan als gevolg van de deplorabele staat van de visbestanden, stijgende productiekosten, door goedkope invoer veroorzaakte prijsdalingen en technologische vooruitgang; overwegende dat dankzij die technologische vooruitgang de vangstcapaciteit van de vissersvloten in bepaalde gevallen aanzienlijk is gestegen;

H.  overwegende dat de beschikbare gegevens over de huidige capaciteit van de Europese vissersvloot onvoldoende betrouwbaar zijn, doordat er geen rekening wordt gehouden met de technologische ontwikkelingen en de lidstaten niet altijd goede gegevens verstrekken over de capaciteit van hun vloot;

I.  overwegende dat de voorgenomen herziening van de raamwerken van technische maatregelen een belangrijk wetgevingsmoment is, in het kader waarvan instandhoudingsmaatregelen kunnen worden aangescherpt en gebundeld;

1.  stelt vast dat de Commissie inmiddels voldaan heeft aan haar plichten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad, waarin de Commissie wordt opgedragen het Parlement en de Raad voor het einde van 2012 verslag uit te brengen over de werking van het gemeenschappelijk visserijbeleid voor wat betreft hoofdstuk II (Instandhouding en duurzaamheid) en III (Aanpassing van de vangstcapaciteit) van die verordening;

2.  stelt vast dat de Commissie ook heeft voldaan aan haar verplichting uit hoofde van bovengenoemde verordening om uiterlijk op 31 december 2011 verslag uit te brengen over de in artikel 17, lid 2, uiteengezette regeling inzake vangstbeperkingen in wateren tot 12 zeemijl;

Instandhouding en duurzaamheid (hoofdstuk II)

3.   verzoekt de Commissie om langetermijnbeheersplannen op te stellen voor alle commerciële visgronden in de Europese Unie binnen een zeer gedecentraliseerd beheerstelsel waarbij alle belanghebbenden ten volste worden betrokken; legt de nadruk op de mogelijkheid om visgronden te groeperen in geografische visregio's door het gemeenschappelijk visserijbeleid te regionaliseren, waarbij dan gedegen rekening zou moeten worden gehouden met zowel de specifieke kenmerken van de verschillende Europese zeeën als met de situatie van de kleinschalige visserij in verschillende regio's, om de beheersmaatregelen zo goed mogelijk af te stemmen op de reële situatie van de vloten;

4.   verzoekt de Commissie om zich, met het oog op het behouden van de levende rijkdommen en het verzekeren van de duurzaamheid op lange termijn van het milieu, te verdiepen in de mogelijkheden voor het opzetten van een netwerk van afgesloten gebieden waar alle visserijactiviteiten voor een bepaalde periode zijn verboden, om de visproductiviteit te verhogen en de levende aquatische rijkdommen en het mariene ecosysteem in stand te houden;

5.   is van mening dat de beleidsmaatregelen in kwestie, als onderdeel van de duurzaamheidsdoelstelling, gericht moeten zijn op de toekomst van de visserijsector en, bijgevolg, op het vergemakkelijken van de intrede van een nieuwe generatie vissers;

6.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale adviesraden om alle langetermijnbeheersplannen voortaan te stoelen op de ecosysteembenadering; is van mening dat deze beheersplannen de kern moeten vormen voor het toekomstig GVB en duidelijk omschreven doelstellingen moeten omvatten voor het opstellen van regels ter vaststelling van de jaarlijkse visserijinspanning, daarbij rekening houdend met het verschil tussen de huidige omvang van het visbestand en de structuur van de visgronden enerzijds en de beoogde omvang van het visbestand anderzijds, evenals de criteria met betrekking tot het teruggooien en vangstregulering; roept de Raad in dit verband op zich zonder enige uitzondering te laten leiden door de doelstellingen van de langetermijnbeheersplannen;

7.  geeft uiting aan zijn teleurstelling over de huidige interinstitutionele impasse ten aanzien van een aantal ter goedkeuring ingediende meerjarenplannen, aangezien dit gevolgen heeft voor alle andere langetermijnbeheersplannen;

8.  onderstreept dat er sprake moet zijn van evenwicht tussen de ecologische aspecten van de verschillende soorten visserij enerzijds en de economische en sociale aspecten ervan anderzijds, rekening houdend met het feit dat er zonder overvloedige visbestanden geen rendabele visindustrie kan bestaan; benadrukt het grote belang van een goede acceptatie van de vangstregelingen onder de Europese vissers en dringt aan op brede deelname van vertegenwoordigers van regionale adviesraden en andere belanghebbenden aan de totstandkoming van de beheersplannen; is van mening dat die partijen een veel grotere rol moeten krijgen in dit proces; vraagt daarom om daadwerkelijke regionalisering; stelt voor dat de regionale adviesraden een verplichte kennisgeving uitsturen aan de Commissie omtrent alle beheersplannen vóór deze worden voorgesteld;

9.  wijst op het directe verband tussen teruggooi, bijvangsten en overbevissing alsook op de noodzaak een doeltreffend 'geen teruggooi'-beleid op Europees niveau te ontwikkelen, waarbij het Communautair Bureau voor visserijcontrole grotere bevoegdheden krijgt om te kunnen zorgen voor een billijk systeem van regels en sancties, uitgaande van het beginsel van gelijke behandeling; is van mening dat het verbod op teruggooien geleidelijk en voor elke visserijgrond afzonderlijk moet worden ingevoerd, deel moet uitmaken van de verschillende beheersplannen en niet verbonden mag zijn aan visbestanden; pleit voor de bevordering van het gebruik van specifiek vistuig en andere hulpmiddelen die de bijvangst van niet-beoogde soorten of van jonge exemplaren van beoogde soorten beperken, evenals voor de ondersteuning van andere duurzame vistechnieken; benadrukt dat het essentieel is om bij de vaststelling van een beheerssysteem voor de Europese Unie rekening te houden met het belang van gemengde visserij in de Europese wateren, wat vraagt om aanpassingen en een specifieke aanpak, afhankelijk van de desbetreffende regio;

10.  is van oordeel dat op regionale basis samenwerkende lidstaten in het kader van het hervormde GVB moeten worden aangemoedigd om samen met de visindustrie en andere belanghebbenden op zoek te gaan naar innovatieve methoden om het teruggooien op de voor iedere regio en visserijtak meest passende manier een halt toe te roepen;

11.  dringt er bij de Commissie op aan met onmiddellijke ingang iets te doen aan het gebrek aan voldoende betrouwbare informatie ten behoeve van degelijk wetenschappelijk advies over dit onderwerp; roept de Commissie op om een systeem in te richten voor de bestraffing van lidstaten die niet voldoen aan hun respectieve plichten in het kader van het Europese programma met betrekking tot het vergaren en overdragen van gegevens over de visserij; benadrukt de tegenstrijdigheid tussen de klachten van de Commissie met betrekking tot het gebrek aan gegevens en het kleine budget dat is gereserveerd voor het verzamelen van die gegevens, en onderstreept dat voldoende middelen moeten worden toegekend voor gegevensverzameling en daaraan gerelateerd wetenschappelijk onderzoek op het niveau van de lidstaten; dringt er tegelijkertijd bij de Commissie op aan een kader op te stellen voor de besluitvorming ingeval er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, zowel voor de beheersplannen en de maximaal toegestane vangsten als voor de vaststelling van quota, op grond van de voorzorgsbenadering;

12.  benadrukt dat wetenschappelijk visserijonderzoek een essentieel instrument is voor het beheer van de visserij, dat onmisbaar is voor het identificeren van de factoren die van invloed zijn op de evolutie van de visbestanden – met het oog op het uitvoeren van een kwantitatieve evaluatie van de visbestanden en het ontwikkelen van modellen die hun evolutie kunnen voorspellen – maar ook voor de verbetering van vistuigen, boten en de werk- en veiligheidsomstandigheden van de vissers, in lijn met hun kennis en ervaring; is in dit verband van mening dat er plaats moet zijn voor investeringen in de vorming van menselijk kapitaal, voor het beschikbaar stellen van voldoende financiële middelen en voor het bevorderen van samenwerking tussen de verschillende openbare organisaties van de lidstaten;

13.  verzoekt de Commissie met klem maatregelen te treffen ter vermindering van de negatieve invloed van zeehonden en bepaalde zeevogels op de visbestanden, zeker als het gaat om voor bepaalde regio's uitheemse soorten;

Aanpassing van de vangstcapaciteit (hoofdstuk III)

14.  bemerkt het ontbreken van een exacte en gekwantificeerde definitie van overcapaciteit; verzoekt de Commissie op EU-niveau een definitie vast te stellen van overcapaciteit, waarbij regionale definities met elkaar in overeenstemming worden gebracht en rekening wordt gehouden met specifieke lokale omstandigheden; verzoekt de Commissie bovendien de vangstcapaciteit dusdanig te herdefiniëren dat deze gebaseerd is op zowel de vangstcapaciteit van de vloot als de werkelijk geleverde visserijinspanning; onderstreept bovendien de behoefte aan een definitie voor kleinschalige visserij, aangezien daarvoor geen algemeen toepasselijke definitie bestaat, en benadrukt dat deze moet worden afgestemd op de doelstellingen van het nieuwe GVB;

15.  roept de Commissie op om, in overeenstemming met de aanbevelingen van het technisch overleg van de FAO in 1999, de capaciteit van de Europese vloten voor eind 2013 te meten om vast te stellen of er sprake is van overcapaciteit ten opzichte van de beschikbare visbestanden en welke verminderingen of hervormingen noodzakelijk zijn; dringt erop aan dat de capaciteitsmaatregelen niet beperkt blijven tot tonnage en motorvermogen, maar zich ook richten op de types en kwantiteit van de gebruikte vistuigen en alle andere parameters die aan de vangstcapaciteit bijdragen;

16.  verzoekt de Commissie om de vlootcapaciteitsmaxima van de lidstaten tegen het licht te houden en zo nodig dusdanig te wijzigen dat deze in lijn zijn met betrouwbare gegevens en rekening houden met de technische vooruitgang;

17.  dringt er bij de lidstaten op aan om waar nodig aanpassingen door te voeren, op grond van gerichte metingen van de huidige vlootcapaciteit, waaronder de motor- en vangstcapaciteit, om zo de doelstellingen voor de vooraf bepaalde duurzame capaciteitsniveaus voor iedere visserijtak te behalen, en op die manier de nog altijd grote overcapaciteit van bepaalde visserijvloten terug te dringen, met sancties voor het niet behalen van de doelstellingen, d.w.z. bevriezing van middelen uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij;

18.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie om een stelsel van individueel overdraagbare visserijquota in te voeren, dat strikte voorwaarden omvat en de kleinschalige visserij ontziet, en vraagt om de invoering van een speciale regeling voor de kleinschalige en de kustvisserij en een voorkeursbehandeling voor milieuvriendelijke vissersvloten, waarbij specifieke voorwaarden worden gesteld, de kwestie van concentratie van rechten wordt aangepakt en in de mogelijkheid tot intrekking van visserijconcessies wordt voorzien; is van mening dat een vrijwillig stelsel van overdraagbare visserijconcessies slechts een van de verschillende modellen is die de lidstaten kunnen toepassen om de overcapaciteit te verminderen;

19.  onderstreept dat het stelsel van overdraagbare visserijconcessies niet mag worden beschouwd als enige maatregel ter bestrijding van de overbevissing en, indien aangetoond, overcapaciteit, maar dat het een van meerdere beschikbare, onderling aanvullende beheersmaatregelen moet zijn waarvan de lidstaten naar keuze gebruik kunnen maken, en waarvoor de Commissie – samen met de twee andere wetgevende instanties – het bredere kader opzet, toezicht houdt op de uitvoering ervan op nationaal niveau (indien de lidstaat hiervoor heeft gekozen) en periodiek verslag uitbrengt aan de wetgevers over de resultaten van het stelsel; onderstreept in dit verband dat daarnaast moet worden ingezet op aanvullende maatregelen als de ontwikkeling van een passende reeks technische maatregelen ter bevordering van selectief vistuig, het sluiten van specifieke zones of het beperken van toegang tot maritieme zones die geregistreerd staan als biogeografisch kwetsbaar tot regionale vloten die milieuvriendelijke visserijtechnieken gebruiken;

20.  wijst erop dat het toekomstig EFMZV rekening moet houden met de sociaaleconomische gevolgen van maatregelen ter vermindering van de overcapaciteit – wanneer deze is aangetoond – en ter aanpassing van de omvang en inspanningen van de vissersvloten overeenkomstig de vangstmogelijkheden en de doelstelling van duurzaamheid op de lange termijn, en daarom in de benodigde financiering moet voorzien om het hoofd te kunnen bieden aan dergelijke gevolgen; is van mening dat bredere deelname tot duidelijkere doelstellingen zal leiden, en dat de verschillende beheersmaatregelen voor visbestanden beter begrepen, geaccepteerd en toegepast zullen worden naarmate er meer economische en sociale ondersteuning wordt geboden aan de getroffen vissers;

21.  wijst erop dat er duidelijke termijnen moeten worden gesteld en dat er zo snel mogelijk stappen moeten worden genomen om de vloot aan te passen; benadrukt dat er voorrang moet worden gegeven aan systemen die aanzetten tot de aanpassing van de vloot aan de daadwerkelijke situatie van de visserijgronden, en verzoekt de Commissie om een sanctieregeling in te stellen voor lidstaten die niet binnen de gestelde tijd aan hun verplichtingen voldoen, alsook om het concept van ecologische en sociale voorwaardelijkheid verder uit te werken ten aanzien van de toegang tot visserijhulpbronnen en het financieel belonen van het gebruik van duurzame vangstmethoden;

22.  neemt nota van het voorstel van de Commissie om de goedkeuring voor specifieke vangstbeperkingen tot 31 december 2022 te handhaven; is het eens met de Commissie dat het aanpassen van de bepalingen met betrekking tot de toegangsregeling tot 12 mijl het evenwicht dat sinds de invoering van die regeling is ontstaan, zou kunnen aantasten; herinnert er anderzijds aan dat de doelstellingen van de toegangsregeling tot 12 mijl volledig verschillen van de doelstellingen die door andere beperkingen worden nagestreefd;

23.  verzoekt de Commissie om een resultaatgericht beheerstelsel tot stand te brengen voor de toekenning van toegangsrechten waarbij de bewijslast wat betreft de toepassing van duurzame vangstmethodes bij de visserijsector ligt;

24.  is van mening dat de speciale toegangsregeling voor kleinschalige visserij in wateren tot 12 zeemijl vooralsnog moet worden gehandhaafd, evenals de specifieke beperkingen voor boten die geregistreerd staan in de havens van de Azoren, Madeira en de Canarische eilanden ten aanzien van de wateren rond deze eilandengroepen, in het bijzonder in de biogeografisch kwetsbare gebieden die momenteel onder Verordening (EG) nr. 1954/2003 van de Raad(2) vallen;

25.  merkt op dat in het verslag van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) over de „Shetlandbox” wordt gesteld dat het opheffen van de box zou kunnen leiden tot een toename in visserijinspanningen in dat gebied, en dat het WTECV daarom heeft aanbevolen dat de box wordt gehandhaafd;

26.  is van mening dat de classificatie van beperkte visserijzones, zoals in het geval van de Shetlandbox, in de toekomst breed moet worden onderbouwd door wetenschappelijke criteria die de noodzaak van de classificatie van de zone als biogeografisch kwetsbaar gebied aantonen, met name indien dergelijke beperkingen deel moeten uitmaken van het regelgevend kader van het gemeenschappelijke visserijbeleid, vertegenwoordigd door het basisreglement;

27.  is van mening dat de rol van biologische rustperiodes moet worden erkend en ondersteund als een belangrijk middel voor de handhaving van visbestanden, gezien de bewezen doeltreffendheid, en als essentieel instrument voor het duurzame beheer van de visserij; gelooft dat de invoering van biologische rustperiodes tijdens bepaalde fases van de levenscyclus van de soorten, de visbestanden in staat stelt te groeien, zodat de visserijactiviteiten buiten de rustperiodes om kunnen worden voortgezet;

o
o   o

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Sociaal en Economisch Comité, het Comité van de Regio's en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB C 290E van 29.11.2006, blz. 113.
(2) PB L 289 van 7.11.2003, blz. 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid