Index 
Aangenomen teksten
Vrijdag 20 april 2012 - Straatsburg
Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2012: financiering van ITER
 Modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen
 Een concurrerende digitale interne markt - e-overheid als speerpunt
 Situatie in Mali
 Situatie in Birma/Myanmar
 Rechtszekerheid van Europese investeringen buiten de Europese Unie
 Impact op de steunverlening van de deconcentratie van het externesteunbeheer van de Commissie
 Vrouwen en klimaatverandering
 Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020
 Herziening van het zesde milieuactieprogramma en vaststelling van prioriteiten voor het zevende milieuactieprogramma

Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2012: financiering van ITER
PDF 198kWORD 32k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 april 2012 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2012 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, afdeling III – Commissie (08136/2012 – C7-0088/2012 – 2012/2011(BUD))
P7_TA(2012)0138A7-0097/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 314, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, met name artikel 106 bis,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(1), en met name op de artikelen 37 en 38 daarvan,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, definitief vastgesteld op 1 december 2011(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2012 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, ingediend door de Commissie op 27 januari 2012 (COM(2012)0031),

–  gezien het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2012, goedgekeurd door de Raad op 26 maart 2012 (08136/2012 – C7-0088/2012),

–  gezien de artikelen 75 ter en 75 sexies van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7-0097/2012),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2012 tot doel heeft om op de begroting 2012 een bedrag van 650 miljoen EUR aan vastleggingskredieten toe te wijzen aan artikel 08 20 02: Euratom – Europese Gemeenschappelijke Onderneming voor ITER – Fusie voor energie (F4E);

B.  overwegende dat deze aanpassing van de begroting volledig aansluit bij de overeenstemming die het Parlement en de Raad in december 2011 hebben bereikt om de bijkomende kosten voor het ITER-project in 2012-2013 ter hoogte van 1 300 miljoen EUR te dekken;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2012;

2.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2012 zonder wijzigingen goed en verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 1/2012 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

(1) PB L 248 van 16.9.2002, blz.. 1.
(2) PB L 56 van 29.2.2012.
(3) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


Modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen
PDF 158kWORD 75k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 april 2012 over de modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen (2011/2294(INI))
P7_TA(2012)0139A7-0057/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 met als titel „Ondersteuning van groei en werkgelegenheid - een agenda voor de modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen” (COM(2011)0567) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie over recente ontwikkelingen in Europese hogeronderwijssystemen (SEC(2011)1063),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 juni 2011 met als titel „Een begroting voor Europa 2020” (COM(2011)0500),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2010 met als titel „Europa 2020-kerninitiatief Innovatie-Unie” (COM(2010)0546),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 september 2010 over „Jeugd in beweging - Een initiatief om jongeren ten volle te betrekken bij het realiseren van slimme, duurzame en inclusieve groei in de Europese Unie” (COM(2010)0477),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010, met als titel „Europa 2020 - Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 mei 2006 met als titel „Invulling van de moderniseringsagenda voor de universiteiten - Onderwijs, onderzoek en innovatie” (COM(2006)0208),

–  gezien de conclusies van de Raad van 28 november 2011 over de modernisering van het hoger onderwijs(1),

–  gezien de Aanbeveling van de Raad van 28 juni 2011 inzake het bevorderen van de leermobiliteit van jongeren(2),

–  gezien de conclusies van de Raad van 14 februari 2011 over de rol van onderwijs en opleiding in de uitvoering van de Europa 2020-strategie(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 11 mei 2010 over de sociale dimensie van onderwijs en opleiding(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 11 mei 2010 over de internationalisering van het hoger onderwijs(5),

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding („ET 2020”)(6),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 17 juni 2010, met name het gedeelte getiteld „Een nieuwe Europese strategie voor werkgelegenheid en groei”(7),

–  gezien de resolutie van 26 oktober 2011 over de agenda voor nieuwe vaardigheden en werkgelegenheid(8),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over Jeugd in beweging: - een kader voor de verbetering van de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels in Europa(9),

–   gezien zijn resolutie van 18 mei 2010, getiteld „Een EU-strategie voor jongeren – Investeringen en empowerment”(10),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over mobiliteit en integratie van gehandicapten en de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020(11),

–   gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over de EU-strategie voor de integratie van de Roma(12),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de dialoog tussen universiteiten en bedrijven: een nieuw partnerschap voor de modernisering van de Europese universiteiten(13),

–  gezien zijn resolutie van 23 september 2008 over het Bologna-proces en studentenmobiliteit(14),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2012 over de bijdrage van de Europese instellingen aan de versteviging en de uitbouw van het Bologna-proces(15)

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0057/2012),

A.  overwegende dat de economische crisis, en de gevolgen ervan in termen van het opleggen van besparingsmaatregelen en begrotingsbesnoeiingen, demografische veranderingen, snelle technologische veranderingen en de daaruit voortvloeiende vraag naar nieuwe vaardigheden veel hogere eisen stellen aan en vragen om veel verdergaande hervormingen in hogeronderwijssystemen van Europa die geen afbreuk doen aan de kwaliteit van het onderwijs;

B.  overwegende dat, in een op kennis gebaseerde maatschappij, de toekomst afhangt van onderwijs, onderzoek en innovatie;

C.  overwegende dat studenten steun moeten krijgen bij de heroverweging van hun loopbaan en hun vaardigheden en kennis op een nog sneller tempo moeten verbreden en actualiseren om de uitdagingen op de arbeidsmarkt te kunnen aangaan, ermee rekening houdend dat er een verschil is tussen beroepsopleidingen, waarvoor Europese harmonisatie haalbaar en wenselijk is, en studies geesteswetenschappen, waarbij de substantiële vrijheid en autonomie moet worden behouden in studie- en onderzoeksprogramma's die betrekking hebben op de historische en culturele verschillen van de lidstaten van de Europese Unie, en instellingen voor hoger onderwijs hun verscheidenheid op het gebied van onderwijs en hun specifieke taken moeten kunnen behouden;

D.  overwegende dat volgens de Europa 2020-strategie tegen 2020, 40% van 30- tot 34-jarigen in Europa hoger onderwijs of equivalente studies zal hebben afgerond, gezien de schatting dat voor 35% van alle banen in de EU dergelijke kwalificaties nodig zijn; merkt evenwel op dat in 2010 slechts 26% van de beroepsbevolking in de EU een dergelijk opleidingsniveau had bereikt;

E.  overwegende dat meer dan 21% van de jongeren in de EU werkloos is;

F.  overwegende dat in de EU in 2010 16,5% van de jongeren geen opleiding volgde, noch werkte;

G.  overwegende dat in 2010 in de EU de werkloosheid van afgestudeerden van tertiair onderwijs 5,4% bedroeg, vergeleken met meer dan 15% onder diegenen die alleen lager secundair onderwijs genoten; overwegende dat de meeste afgestudeerden er anderzijds steeds langer over doen om een vaste baan te vinden;

H.  overwegende dat meer dan 60% van de aan een universiteit afgestudeerden vrouw is, maar dat het merendeel van de hoge posten (bijv. van postdoc, hoogleraar) nog steeds door mannen wordt bezet;

I.  overwegende dat slechts 13% van de instellingen voor hoger onderwijs wordt geleid door vrouwen en dat slechts 9% van de universiteiten een vrouwelijke personeelsdirecteur had, waardoor vrouwen aanzienlijk minder invloed hebben op de besluitvorming over onderzoek;

J.  overwegende dat 75 van de top 200-universiteiten zich in de EU-lidstaten bevinden;

K.  overwegende dat slechts 200 van de 4.000 instellingen in het hoger onderwijs van Europa voorkomen in de top 500 van de wereld;

L.  overwegende dat universiteiten al bijna een millennium een belangrijke hulpbron in Europa zijn, overwegende dat het belang van hun rol in de vooruitgang van de maatschappij niet mag worden beperkt tot hun bijdrage aan de economie, en overwegende dat hun ontwikkeling niet uitsluitend mag afhangen van hun vermogen om zich aan de economische behoeften van het huidige economische model aan te passen;

M.  overwegende dat gelijke toegang voor alle jongeren tot hoger onderwijs en opleidingen moet worden aangemoedigd;

N.  overwegende dat universiteiten individuele autonomie en creativiteit aanmoedigen en een heel belangrijke rol spelen in kennisbevordering; overwegende dat de lidstaten derhalve alles in het werk moeten stellen om te zorgen dat hoger onderwijs algemeen toegankelijk is zonder discriminatie, met name op sociale, economische, culturele, raciale of politieke gronden;

O.  overwegende dat onderwijs, in het bijzonder hoger onderwijs en tertiair onderwijs, bepalend is voor de attitudes en waarden van het maatschappelijk middenveld;

P.  overwegende dat hoger onderwijs in de nationale wetgeving van de respectieve lidstaten wordt beschouwd als een cruciaal instrument voor het bepalen van de toekomst van EU-burgers;

Q.  overwegende dat onderwijs de verantwoordelijkheid van lidstaten is en overwegende dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat instellingen voor hoger onderwijs financiële steun ontvangen, in de eerste plaats via passende overheidsfinanciering;

R.  overwegende dat het creëren van een Europese Ruimte voor hoger onderwijs (ERHO) een belangrijke ontwikkeling is die kan bijdragen tot Europese integratie en tegelijkertijd rekening houdt met de diversiteit van het onderwijs in de verschillende EU-lidstaten, en met de maatschappelijke doelstellingen van hoger onderwijs;

S.  overwegende dat de Europese Unie een belangrijke rol speelt bij de versterking van deze ruimte en daarbij steunt op de inspanningen van en de samenwerking tussen de lidstaten op dit gebied;

De veranderende rol van instellingen in het hoger onderwijs

1.  doet een beroep op instellingen voor hoger onderwijs om met behulp van economische steun en met verschillende studieprogramma's levenslang leren op te nemen in hun curricula en zich in te stellen op een studentenkern die bestaat uit volwassenen, niet-traditionele studenten en voltijdstudenten die naast hun studie moeten werken, alsook mensen met een handicap, en verzoekt daarom instellingen in het hoger onderwijs om programma's uit te voeren die de huidige obstakels en hinderpalen wegnemen;

2.  verzoekt instellingen voor hoger onderwijs rekening te houden met de behoeften van professionals die, in het kader van een leven lang leren, hun vaardigheden regelmatig moeten opfrissen en uitbreiden, waarbij de organisatie en afstemming van opfriscursussen hoort die voor alle sociale groeperingen toegankelijk zijn, alsook nauwe samenwerking met werkgevers en de ontwikkeling van cursussen die beantwoorden aan de vraag op de arbeidsmarkt en die het voor werklozen gemakkelijker maken om terug te keren naar het onderwijs;

3.  verzoekt instellingen voor hoger onderwijs hun autonomie op het gebied van onderwijs en onderzoek te behouden wanneer ze specifieke studieprogramma's aanbieden om tegemoet te komen aan de behoeften van professionals die hun vaardigheden willen opfrissen;

4.  herhaalt dat hoger onderwijs de potentie heeft om sociale insluiting, verbetering van de maatschappelijke positie en opwaartse sociale mobiliteit te bevorderen; verzoekt de lidstaten, regionale en lokale overheden en instellingen voor hoger onderwijs om, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, nog meer inspanningen te leveren om het onderwijs open te stellen voor iedereen, ongeacht geslacht, etnische herkomst, taal, godsdienst, handicap of sociale achtergrond, onder meer door een adequaat systeem voor financiële steun te ontwikkelen en alle vormen van discriminatie te bestrijden, en daarbij multiculturalisme en meertaligheid, waaronder gebarentalen, te erkennen als fundamentele waarden van de EU die moeten worden gekoesterd;

5.  roept de lidstaten op meer aandacht te besteden en steun te verlenen aan instellingen voor hoger onderwijs die traditionele nationale, etnische of taalkundige minderheden bedienen en zich speciaal richten op bedreigde talen en culturen;

6.  verzoekt instellingen voor hoger onderwijs studenten te stimuleren tot sporten;

7.  onderstreept dat de complementaire rol van hoger onderwijs van staatswege en private of religieuze vormen van hoger onderwijs;

8.  benadrukt hoe belangrijk het is democratische waarden te bevorderen en gefundeerde kennis van de Europese integratie op te doen, en onderstreept dat de vroegere totalitaire regimes in Europa als deel van haar gemeenschappelijke geschiedenis moeten worden gezien;

9.  benadrukt tevens de noodzaak het traditionele wetenschappelijk onderwijs voort te zetten en niet toe te laten dat het onderwijsstelsel volledig ondergeschikt wordt gemaakt aan de arbeidsmarkt, aangezien het doorgeven van ethische en morele waarden aan studenten tegelijkertijd met de academische vooruitgang moet plaatsvinden;

10.  verzoekt de lidstaten en de instellingen voor hoger onderwijs een algemeen kader vast te stellen voor de regels, verantwoordelijkheden, beleids- en onderwijsdoelstellingen, de kwaliteit en prioriteit van opleiding en onderzoek, waarmee goede praktijken worden bevorderd en ingespeeld wordt op de uitdagingen van de communicatiemaatschappij;

11.  benadrukt dat academisch personeel en studenten, alsook hun organisaties en verenigingen, moeten worden betrokken bij de modernisering van instellingen voor hoger onderwijs; stelt voorop dat zowel uitmuntend onderzoek in de brede zin van het woord als uitmuntend onderwijs en wetenschappelijke prestaties moeten worden beloond, zonder hierbij de instellingen voor hoger onderwijs – zoals de faculteiten geesteswetenschappen – te benadelen die niet passen in het schema van beoordelings- en prestatiecriteria die uitsluitend van toepassing zijn op door de markteconomie gevraagde kwalificaties;

Informatie over instellingen voor hoger onderwijs

12.  benadrukt dat de kwaliteit en relevantie van het hoger onderwijs essentiële voorwaarden zijn om het intellectueel kapitaal van Europa maximaal te benutten;

13.  stelt voor duidelijke en uniforme criteria in te voeren voor een pan-Europees rangschikkingssysteem van instellingen in het hoger onderwijs zodat toekomstige studenten goed geïnformeerd voor een universiteit kunnen kiezen en uitgebreide informatie over de universiteit beschikbaar is;

14.  steunt het initiatief van de Commissie om in samenwerking met alle instellingen, studenten en andere belanghebbenden een meerdimensionaal instrument te ontwikkelen voor gedifferentieerde classificatie en rangschikking van instellingen voor hoger onderwijs aan de hand van kenmerken als een lange traditie van hoger onderwijs in Europa, de kwaliteit van het onderwijs, ondersteuning van studenten (onder meer via beurzen, advisering en huisvesting), toegang zonder fysieke barrières en barrières op het gebied van communicatie en informatie, regionale betrokkenheid en kennisoverdracht; is anderzijds gekant tegen de ontwikkeling van een classificatiesysteem voor hogeronderwijsinstellingen op basis van niet-homogene prestatie-indicatoren die de diversiteit van onderwijstrajecten, programma's en taalkundige diversiteit op Europese universiteiten buiten beschouwing laten;

15.  benadrukt eveneens dat dit instrument niet uitsluitend een bundeling mag zijn van traditionele rangschikkingen en dat in de resultaten de nodige aandacht moet worden besteed aan de specifieke kenmerken van de betrokken instellingen;

16.  stelt voor na te gaan of een geharmoniseerd mechanisme voor controle en evaluatie van de naleving van academische normen in zowel publieke als private instellingen voor hoger onderwijs mogelijk is;

Financiering van hogeronderwijsstelsels

17.  stelt voorop dat hoger onderwijs een openbaar goed is dat cultuur, diversiteit en democratische waarden bevordert en studenten voorbereidt om actieve burgers te worden die de Europese cohesie ondersteunen;

18.  onderstreept nogmaals dat de lidstaten de doelstelling moeten halen om 2% van het bbp in onderwijs te investeren;

19.  wijst erop dat vooral publieke en private financiering van groot belang is voor het moderniseren van de hogeronderwijsstelsels; benadrukt dat investeren in hoger onderwijs in Europa cruciaal is om de huidige economische crisis het hoofd te kunnen bieden; doet een beroep op de lidstaten en de instellingen voor hoger onderwijs om beurzen- en financieringsprogramma's voor deze instellingen uit te breiden en innovatieve financieringsmethoden te ontwikkelen die kunnen bijdragen aan een efficiëntere werking van de instellingen voor hoger onderwijs en overheidsfinanciering kunnen aanvullen zonder de druk op de huishoudens te vergroten, en die ervoor kunnen zorgen dat hoger onderwijs voor iedereen toegankelijk is; betreurt derhalve de hoge bezuinigingen op de onderwijsbegrotingen van diverse lidstaten, alsook de constante stijging van de collegegelden, hetgeen leidt tot een aanzienlijke groei van het aantal kwetsbare studenten;

20.  verzoekt in de EU-begroting 2014-2020 in het kader van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds uitgaven op te nemen voor hoger onderwijs in verband met investeringen in universiteitsinfrastructuur en academisch personeel;

De overgang van hoger onderwijs naar de arbeidsmarkt

21.  verzoekt instellingen voor hoger onderwijs zich aan te passen aan nieuwe uitdagingen door nieuwe studiegebieden in te voeren die beantwoorden aan de vraag op de arbeidsmarkt, en hierbij rekening te houden met wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen door een goed evenwicht te bewaren tussen theoretische kennis en praktische vaardigheden;

22.  verlangt dat goede praktijken worden bevorderd om instellingen voor hoger onderwijs te helpen door betrokkenheid van studenten het onderwijs en onderzoek op alle vakgebieden te versterken en aanvullende kwalificaties te bieden die belangrijk zijn voor de arbeidsmarkt, waarmee de overgang van jongeren van het hoger onderwijs naar de arbeidsmarkt gemakkelijker wordt;

23.  roept de instellingen voor hoger onderwijs op om zich verder open te stellen en zowel voortgezette beroepsopleiding aan te bieden als passende cursussen voor werknemers zonder hoger middelbareschooldiploma en zo extra potentieel voor het behalen van de academische quota aan te boren;

24.  dringt er bij de Commissie op aan dat zij haar voorstel voor het kwaliteitskader voor stages indient, benadrukt hoe succesvol de Erasmusstages zijn die studenten de kans geven om werkervaring op te doen in het buitenland, en staat erop dat deze actie onder het nieuwe programma wordt voortgezet en met passende financiering wordt versterkt;

25.  verzoekt de instellingen voor hoger onderwijs en de regionale, nationale en Europese instellingen die bevoegd zijn voor de onderwijssector om trends in de eisen van de arbeidsmarkt te volgen teneinde het onderwijsaanbod beter te kunnen afstemmen op de toekomstige behoeften;

26.  benadrukt dat de prestaties van afgestudeerden op de arbeidsmarkt bijgehouden moeten worden om te kunnen meten in hoeverre het hoger onderwijs aansluit bij de vraag op de arbeidsmarkt; is daarom ingenomen met de toezegging van de Commissie om de beschikbaarheid van dergelijke gegevens te verbeteren met het voornaamste doel studenten noodzakelijke en nuttige informatie te geven ter begeleiding van hun studiekeuze, en tegelijkertijd de instellingen voor hoger onderwijs en de onderzoeksinstellingen van informatie te voorzien aan de hand waarvan zij studieprogramma's kunnen vaststellen en ontwikkelen die zowel op algemene kennis zijn gericht als op specifieke beroepsvaardigheden in het kader van een leven lang leren, en wel in voortdurende samenspraak met degenen die betrokken zijn bij het produceren van kennis, met de maatschappij als geheel en met de overheid;

27.  dringt erop aan dat de lidstaten statistische gegevens vergaren en publiceren over het verband tussen de verschillende hogeronderwijsdiploma's en de mogelijkheden op de arbeidsmarkt;

28.  roept op tot ontwikkeling van een met AlmaLaurea vergelijkbare internationale gegevensbank, die afgestudeerden helpt om passende arbeids-, opleidings-, studie- en onderzoeksmogelijkheden te vinden, economische belemmeringen uit de weg ruimt door verstrekking van studiebeurzen en studentenleningen zodat echte gelijkheid tussen studenten tot stand komt, en daarmee de mobiliteit en het bijeenbrengen van vaardigheden en banen stimuleert; herhaalt dat duidelijke communicatie belangrijk is om deze informatie goed toegankelijk te maken voor studenten, pas afgestudeerden, werklozen, werkzoekenden en werkgevers;

29.  meent dat de „Youth Guarantee Schemes” een waardevol instrument ter vergemakkelijking van de overgang van het hoger onderwijs naar de arbeidsmarkt, en verzoekt de lidstaten deze op te nemen in hun nationale overgangsstrategieën;

30.  wijst erop dat de structuurfondsen op dit gebied een belangrijke rol kunnen spelen; is ingenomen met de toezegging in de mededeling over het Initiatief „Kansen voor jongeren” (COM(2011)0933) omtrent de volledige inzet van de beschikbare middelen en roept de instellingen voor hoger onderwijs en de lokale autoriteiten op deze kans aan te grijpen om de studenten die de arbeidsmarkt betreden meer steun en begeleiding te bieden;

Evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in het hoger onderwijs

31.  stelt vast dat binnen de Europese onderwijssystemen nog steeds ongelijkheid bestaat tussen mannen en vrouwen, ook al hebben vrijwel alle landen inmiddels politieke tegenmaatregelen getroffen, en dat deze ongelijkheid schoolprestaties en studie- en beroepskeuzes beïnvloeden, en negatieve gevolgen hebben voor de economische groei en de welvaartsstaat;

32.  wijst erop dat veel vrouwelijke leerlingen aan beroepsopleidingen en middelbare scholen nog altijd kiezen voor loopbanen die de traditionele rolpatronen weerspiegelen; wijst er derhalve op dat een betere beroepskeuzebegeleiding noodzakelijk is om de nog aanwezige stereotypen te bestrijden;

33.  herinnert eraan dat vrouwen als gevolg van het feit dat hun hogeronderwijsdiploma geen goede kansen biedt op de arbeidsmarkt vaak overgekwalificeerd zijn voor hun baan en onderbetaald worden, en dat zij vaak terecht komen in een onzekere baan of werkloos raken, waardoor zij aan het begin van hun loopbaan extra nadeel op de arbeidsmarkt ondervinden en de vicieuze cirkel van ongelijke bezoldiging in stand blijft;

34.  herinnert eraan dat in alle lidstaten nog maar weinig initiatieven zijn genomen tot het verspreiden van informatie over de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de bevordering daarvan in het onderwijs; stelt voor docenten specifiek bij te scholen op het gebied van gelijkheid tussen mannen en vrouwen;

35.  wijst erop dat een gedeelde verantwoordelijkheid voor huishouden en gezin tussen mannen en vrouwen een essentiële voorwaarde is voor de bevordering en verwezenlijking van gelijkheid tussen mannen en vrouwen; verzoekt universiteiten en instellingen voor hoger onderwijs te onderkennen dat vrouwelijke studenten specifieke extra verantwoordelijkheden naast hun studie kunnen hebben, bijvoorbeeld de zorg voor jonge kinderen of oudere familieleden; benadrukt dat universiteiten ouders, in het bijzonder vrouwen, voldoende hoogwaardige, betaalbare en toegankelijke mogelijkheden voor kinderopvang moeten bieden, waaronder gemeenschapscentra, zodat de gelijkwaardige deelname aan studie en onderzoek gemakkelijker wordt; stelt tevens voor een grotere verscheidenheid aan studieprogramma's aan te bieden, zoals deeltijd- en afstandsonderwijs, en herinnert de lidstaten en de EU-instellingen er in dit verband aan dat zij meer financiële steun moeten uittrekken voor een leven lang leren zodat vrouwen hun studie kunnen voortzetten, terug kunnen keren op de arbeidsmarkt en hun beroeps- en privéverplichtingen in evenwicht kunnen brengen;

Betrokken instellingen voor hoger onderwijs

36.  moedigt instellingen voor hoger onderwijs aan tot intensievere betrokkenheid bij hun regio's en tot het aangaan van samenwerkingsverbanden met regionale overheden, lokale raden, overheidsinstanties, niet-gouvernementele organisaties en het midden- en kleinbedrijf ter bevordering van de regionale ontwikkeling; wijst erop dat dit tevens de wisselwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs en werkgevers moet versterken;

37.  roept de lidstaten, hun centrale en regionale overheden op om instellingen voor hoger onderwijs te betrekken bij grensoverschrijdende samenwerking en hen hierin te steunen;

38.  moedigt de lidstaten aan de interactie tussen de zijden van de kennisdriehoek (onderwijs, onderzoek, innovatie) te intensiveren, aangezien deze interactie een belangrijk element voor groei en het scheppen van werkgelegenheid is;

39.  wijst erop dat de ontwikkeling van curricula en onderzoeksprogramma's voor het hoger onderwijs een taak van universiteiten moet blijven, waarbij rekening wordt gehouden met de eisen die de arbeidsmarkt stelt op het gebied van inzetbaarheid;

40.  is ingenomen met de steun van de Commissie voor „Kennisovereenkomsten” en „Overeenkomsten voor sectorvaardigheden” waarbij instellingen voor hoger onderwijs informatie uitwisselen met bedrijven terwijl ze leerplannen opstellen om tekorten aan bepaalde vaardigheden aan te pakken; doet een beroep op bedrijven en ondernemers, waaronder het midden- en kleinbedrijf, om actief partnerschappen aan te gaan met instellingen voor hoger onderwijs en studenten en docenten hoogwaardige stages te bieden en door gebruik te maken van de algemeen overdraagbare vaardigheden van docenten; herhaalt echter dat instellingen voor hoger onderwijs culturele inhoud creëren die niet alleen beroepsvaardigheden voortbrengen maar ook algemene kennis op het gebied van intellectuele ervaring van de werkelijkheid en gemeenschappelijke waarden die het leven van mensen vormgeven;

41.  vraagt om inzet voor flexibelere en innovatieve benaderingen van het leren en voor stimuleringsmethoden die telkens gericht zijn op de behoeften van studenten;

42.  stelt vast dat grensoverschrijdende instellingen voor hoger onderwijs en bedrijven behoefte hebben aan samenwerking op het gebied van praktijkprogramma's en bij de vormgeving van de toekomstige loopbaan van studenten door in kaart te brengen welke specifieke ontwikkelingstrajecten, verwachtingen en uitdagingen hen op de arbeidsmarkt te wachten staan;

43.  benadrukt dat het nuttig is methoden en managementstrategieën te ontwikkelen die de overdracht van innovatieve ideeën en onderzoeksresultaten aan de maatschappij en het bedrijfsleven bevorderen en de maatschappij en bedrijven in staat stellen om het hoger onderwijs te wijzen op de huidige en te verwachten vraag naar vaardigheden en innovatie, waarbij de beste praktijken uit de hele wereld in aanmerking worden genomen; wijst erop dat zo'n relatie wellicht alleen de in innovatie en techniek gespecialiseerde onderzoeksinstellingen en de instellingen voor hoger onderwijs financieel voordeel oplevert ten koste van zuiver geesteswetenschappelijk georiënteerd onderwijs;

44.  bevestigt opnieuw de waarde van democratisch bestuur als een fundamentele methode ter waarborging van academische vrijheid en ter bevordering van de actieve deelname van alle betrokkenen bij de dagelijkse gang van zaken bij een instelling voor hoger onderwijs;

45.  beklemtoont dat bij de samenwerking transparantie, de gelijke verdeling van rechten en plichten tussen de samenwerkingspartners en de instellingen voor hoger onderwijs, en een evenwichtig vertegenwoordigingsbeginsel in acht genomen moeten worden zodat de instellingen voor hoger onderwijs in staat zijn zich volgens academische beginselen onafhankelijk te organiseren en te ontwikkelen als openbare voorzieningen;

46.  benadrukt eveneens dat het beginsel van democratie en zelfbestuur bij instellingen voor hoger onderwijs en hun personeel en studenten moet worden geëerbiedigd en gehandhaafd in alle samenwerkingsprojecten;

47.  verlangt daarom dat instellingen voor hoger onderwijs en hun verschillende organen verplicht worden samenwerkingsovereenkomsten met derden te sluiten;

48.  onderstreept het belang van samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs, ngo's en Europese vrijwilligersorganisaties ter bevordering van actief burgerschap en de actieve deelname van studenten via hun werk bij ngo's;

49.  benadrukt dat sport belangrijk is in het onderwijsproces; verzoekt de lidstaten sportieve activiteiten van studenten te steunen en aan te moedigen en de steun voor basissportprogramma's te verhogen;

50.  wijst erop dat de omvang en intensiteit van de samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs en hun partners in het bedrijfsleven en de maatschappij sterk kunnen variëren tussen lidstaten, instellingen en academische disciplines;

51.  stelt voorop dat voortdurend moet worden geïnvesteerd in contacten tussen onderwijs, cultuur, onderzoek en innovatie; onderstreept hoe belangrijk verdere ondersteuning en ontwikkeling van het Europees instituut voor innovatie en technologie met de bijbehorende kennis- en innovatiegemeenschappen is;

52.  benadrukt het belang van cultuur in het hoger onderwijs en verlangt dat bijzondere criteria voor de geesteswetenschappen in zowel innovatie als onderzoek worden opgenomen;

53.  beklemtoont dat instellingen voor hoger onderwijs betrokken moeten worden bij de ondersteuning van studenteninitiatieven en bij de coördinatie van de samenwerking met andere instellingen voor hoger onderwijs, ondernemingen en lokale overheden van verschillende lidstaten;

Wederzijdse erkenning van kwalificaties

54.  erkent dat de grote variëteit van instellingen voor hoger onderwijs in Europa rijkdom biedt; verzoekt de lidstaten en deze instellingen heldere, geïntegreerde studiepaden te ontwikkelen die het mogelijk maken dat studenten uit andere soorten onderwijs doorstromen naar het hoger onderwijs en wisselen van studierichting en soort instelling;

55.  benadrukt echter dat de diversiteit van studiepaden en programma's, onderwijsmethodes en universitaire stelsels in de Europese Unie behouden moet blijven; is van mening dat het daarom noodzakelijk is een nationaal kwalificatiekader te ontwikkelen, maar dat ook de wederzijdse erkenning van graden en kwalificaties door alle lidstaten moet worden bevorderd;

56.  verzoekt alle EU-lidstaten nationale kwalificatiekaders in te voeren die verbonden zijn met het EHOR-kwalificatiekader, en wederzijdse erkenning te ontwikkelen en financieel te steunen;

57.  benadrukt dat de mobiliteit van studenten, en bovenal het studeren aan andere universiteiten in het kader van het Erasmusprogramma, bijdraagt aan de uitwisseling van goede praktijken en daarmee aan de harmonisering van het hoger onderwijs; wijst er daarom op dat de alma mater de aan andere universiteiten behaalde studieresultaten moet erkennen;

58.  steunt het voorstel van de Commissie om de erkenning van in het buitenland gevolgd onderwijs te verbeteren door het Europees systeem voor studiepuntenoverdracht (ECTS) te consolideren; roept de EU en de lidstaten op zich extra in te spannen voor doeltreffender erkenning en meer harmonisatie, ook van academische kwalificaties;

Meer mobiliteit in de EHOR en daarbuiten

59.  herhaalt dat hoger onderwijs een gemeenschappelijk Europees publiek goed is en dat de lidstaten, regionale en lokale overheden en de EU gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling en versterking van de EHOR, de Europese onderzoeksruimte (EOR) en het Bolognaproces;

60.  benadrukt dat meer coördinatie tussen de lidstaten op het gebied van hoger onderwijs – ook door middel van sterke financiële en beleidsmatige ondersteuning van overeenkomsten over gemeenschappelijke basiscurricula en duidelijk geformuleerde leerresultaten - een voorwaarde is voor het halen van de doelstellingen van inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en groei in Europa; verzoekt de lidstaten de samenwerking tussen de betrokken ministeries te intensiveren en de huidige curricula te actualiseren zodat deze beantwoorden aan de vraag op de arbeidsmarkt;

61.  wijst op de noodzaak van samenwerking tussen de EHOR en de EOR om universitaire onderzoeksprogramma's op het gebied van natuurwetenschappen geesteswetenschappen te ondersteunen;

62.  verlangt dat de aantrekkelijkheid van de EHOR voor studenten en onderzoekers overal ter wereld wordt bevorderd en dat de samenwerking met landen buiten de EU op het gebied van onderwijsaangelegenheden en mobiliteit op personeels- en studentenniveau wordt versterkt, vooral met landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen of die rechtstreeks grenzen aan de Europese Unie, zodat de EHOR een macroregionaal en globaal centrum voor opleiding en kennis wordt, in het bijzonder op het gebied van uitwisselings- en beroepsopleidingsprogramma's;

63.  verzoekt de Commissie een voorstel te doen tot instelling van Euromediterrane Erasmus- en Leonardo da Vinci-programma's, teneinde de grensoverschrijdende mobiliteit van studenten aan beide zijden van de Middellandse Zee te bevorderen;

64.  verlangt dat programma's voor mobiliteit, uitwisseling, onderzoek en werkervaring opengesteld worden voor studenten uit landen die deel uitmaken van het oostelijk partnerschap;

65.  wijst er nogmaals op hoe belangrijk mobiliteit van zowel studenten als docenten is, en vraagt de Commissie te streven naar voortgang bij de EU-visumcode;

66.  herinnert aan de doelstelling dat 20% van de afgestudeerden in Europa tegen het jaar 2020 mobiel moet zijn en benadrukt het belang van taalvaardigheden als een vereiste voor grotere mobiliteit binnen de EHOR en de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt;

67.  ondersteunt de versterking van taalonderwijs, het onderwijs in gebarentaal en het onderwijs in en de ontwikkeling van lokale en regionale talen binnen de EHOR als voorwaarde voor de ontwikkeling van echt, op multiculturalisme en taalkundig pluralisme gebaseerd Europees burgerschap.

68.  benadrukt hoe belangrijk het is dat het hogeronderwijssysteem in iedere lidstaat hoogwaardiger onderwijs aanbiedt, zodat de groeiende mogelijkheden voor studenten op het gebied van mobiliteit niet gepaard gaan met een verscherpte „brain drain”, die in sommige EU-lidstaten inmiddels een echt maatschappelijk probleem is geworden;

69.  wijst erop dat de hardnekkige ongelijkheden tussen westerse en Midden- en Oost-Europese hogeronderwijssystemen moeten worden aangepakt door middel van echte integratiemaatregelen die de grensoverschrijdende samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs bevorderen en ondersteunen; verzoekt de Commissie derhalve een strategie te ontwikkelen en een professioneel financieel actieplan op te stellen voor het terugdringen van deze sterke regionale verschillen;

70.  roept de lidstaten, de EU en de Europese hogeronderwijssystemen op de mogelijkheid te onderzoeken of in het kader van de studie een verplichte opleidingsperiode aan een universiteit in een andere lidstaat dan die van de student bevorderd kan worden;

71.  herhaalt het beginsel dat leningen geen vervangmiddel mogen zijn voor de beurzen die ingesteld zijn om toegang tot onderwijs te ondersteunen voor alle studenten ongeacht hun sociale achtergrond;

72.  vraagt de Commissie om nadere toelichting van haar voorstel tot instelling van een financieringsinstrument waarmee studenten worden geholpen om ongeacht hun sociale achtergrond en financiële mogelijkheden een masteropleiding buiten hun eigen lidstaat te bekostigen; verlangt eerlijke en transparante toegang tot het programma in alle lidstaten;

73.  onderschrijft het voorstel van de Commissie om binnen het volgende meerjarig financieel kader meer middelen uit de EU-begroting beschikbaar te stellen voor onderwijs, opleiding, onderzoek en jongeren en zo de door de lidstaten getroffen maatregelen aan te vullen, aangezien investeringen in onderwijs, opleiding en onderzoek cruciaal zijn voor het halen van de EU 2020- doelstellingen en voor het realiseren van slimme, duurzame en inclusieve groei in Europa;

o
o   o

74.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_Data/docs/pressdata/en/educ/126375.pdf.
(2) PB C 199 van 7.7.2011, blz. 1.
(3) PB C 70 van 4.3.2011, blz. 1.
(4) PB C 135 van 26.5.2010, blz. 2.
(5) PB C 135 van 26.5.2010, blz. 12.
(6) PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.
(7) http://ec.europa.eu/eu2020/pdf/council_conclusion_17_june_en.pdf.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0466.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0230.
(10) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 21.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0453.
(12) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0092.
(13) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 95.
(14) PB C 8 E van 14.1.2010, blz. 18.
(15) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0072.


Een concurrerende digitale interne markt - e-overheid als speerpunt
PDF 249kWORD 78k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 april 2012 over een concurrerende digitale interne markt – e-overheid als speerpunt (2011/2178(INI))
P7_TA(2012)0140A7-0083/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien het acquis communautaire inzake de interne markt en de informatiemaatschappij,

–  gezien de mededeling van de Commissie „Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Een digitale agenda voor Europa” (COM(2010)0245),

  gezien zijn resolutie van 5 mei 2010 over een nieuwe digitale agenda voor Europa: 2015.eu(1),

–   gezien zijn resolutie van 21 september 2010 over voltooiing van de interne markt voor e-handel(2),

  gezien de conclusies van de Europese Raad van 31 mei 2010 over een digitale agenda voor Europa,

  gezien de conclusies van de Europese Raad van 17 juni 2010 over de Europa 2020-strategie, met inbegrip van de digitale agenda (punt 7),

–  gezien de gids voor openbare aanbestedingen voor op normen gebaseerde ICT – elementen van goede praktijken, die op 23 december 2011 door de Commissie gepubliceerd werd,

–  gezien de mededeling van de Commissie „De voordelen van elektronische facturering voor Europa benutten” (COM(2010)0712),

–  gezien Besluit nr. 922/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake interoperabiliteitsoplossingen voor Europese overheidsdiensten (ISA)(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Het Europese actieplan inzake e-overheid 2011-2015 – Benutten van de ICT om een slimme, duurzame en innovatieve overheid te bevorderen” (COM(2010)0743),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Naar interoperabele Europese overheidsdiensten, met name Europese interoperabiliteitsstrategie (EIS) voor Europese overheidsdiensten (bijlage 1) en het Europees interoperabiliteitskader (EIF) voor Europese overheidsdiensten (bijlage 2)” (COM(2010)0744),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Het i2010-actieplan voor de elektronische overheid – Versnelde invoering van de elektronische overheid voor het nut van iedereen” (COM(2006)0173),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Akte voor de interne markt: Twaalf hefbomen voor het stimuleren van de groei en het versterken van het vertrouwen: Samen werk maken van een nieuwe groei” (COM(2011)0206),

  gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 2011 betreffende de bescherming van kritieke informatie-infrastructuur – Bereikte resultaten en volgende stappen: naar mondiale cyberveiligheid (COM(2011)0163),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 maart 2009 betreffende de bescherming van kritieke informatie-infrastructuur – Europa beschermen tegen grootschalige cyberaanvallen en verstoringen: verbeteren van de paraatheid, beveiliging en veerkracht (COM(2009)0149),

–  gezien het pakket betreffende open gegevens van de Commissie, gepubliceerd in december 2011, dat bestaat uit: de mededeling van de Commissie „Open gegevens – Motor voor innovatie, groei en transparante governance”, het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/98/EG inzake het hergebruik van overheidsinformatie (COM(2011)0877) en Besluit 2011/833/EU van de Commissie van 12 december 2011 betreffende het hergebruik van documenten van de Commissie,

–  gezien de in 2011 door de Commissie uitgevoerde studie naar de economische impact van informatie van de overheidssector (Vickery),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een gemeenschappelijk Europees kooprecht (COM(2011)0635),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Een coherent kader voor een groter vertrouwen in de digitale eengemaakte markt voor elektronische handel en onlinediensten” (COM(2011)0942),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Groenboek – naar een geïntegreerde Europese markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen” (COM(2011)0941),

–  gezien het jaarlijks voortgangsverslag over de digitale agenda van 2011, gepubliceerd op 22 december 2011,

–  gezien de mededeling van de Commissie „Verslag over het digitale concurrentievermogen van Europa – Voornaamste successen van de i2010-strategie 2005-2009” (COM(2009)0390),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2011 over breedband in Europa: investeren in digitale groei(4),

–  gezien de studie over de impact van ICT op de maatschappij – SMART 2007/0068, gepubliceerd op 30 april 2010,

–  gezien het verslag over de economische impact van ICT – SMART 2007/0020, gepubliceerd in januari 2010,

–  gezien het voor de Commissie opgestelde verslag „i2010 eGovernment Action Plan – Progress Study (SMART 2008/0042)”, gepubliceerd in november 2009,

–  gezien de conclusies van het Zweedse voorzitterschap van 10 november 2009 van de conferentie in Visby over het creëren van impact voor een e-Unie 2015,

  gezien het verslag van het Zweedse voorzitterschap „A Green Knowledge Society – An ICT policy agenda to 2015 for Europe's future knowledge society”, gepubliceerd in september 2009,

–  gezien het verslag van de Commissie „Cloud computing: Public Consultation Report”, gepubliceerd op 5 december 2011,

–  gezien de mededeling van de Commissie „Actieplan inzake elektronische handtekeningen en elektronische identificatie voor het bevorderen van de grensoverschrijdende publieke dienstverlening op de interne markt” (COM(2008)0798),

–  gezien Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt(5),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie juridische zaken (A7-0083/2012),

A.  overwegende dat de informatie- en communicatietechnologie (ICT) een ingrijpende rechtstreekse en indirecte invloed heeft op politiek, economie, samenleving, cultuur en op het dagelijkse leven van de burgers van de EU; overwegende dat een concurrerende digitale interne markt die alle belemmeringen voor grensoverschrijdende e-diensten zou wegwerken en waar geen verstoring van de mededinging zou plaatsvinden, aanzienlijke voordelen zou bieden voor de burgers van de EU;

B.  overwegende dat e-overheid alle technologieën en alle gebruik omvat in verband met informatieverstrekking, voorlichting en administratieve formaliteiten via internet;

C.  overwegende dat de ICT-sector, met een marktwaarde van 660 miljard EUR per jaar, rechtstreeks 5% van het Europese bbp levert, maar nog aanzienlijk meer bijdraagt tot de algemene productiviteitstoename (20% rechtstreeks van de ICT-sector en 30% uit ICT-investeringen);

D.  overwegende dat de regels voor elektronische facturering niet uniform zijn en dat de voordelen ervan zwaar onderbenut blijven;

E.  overwegende dat ICT een aanzienlijke bijdrage kan leveren aan de Europa 2020-strategie, met name op het vlak van werkgelegenheid, duurzame economische en productiviteitsgroei, de versterking van de inspraakmogelijkheden van de burgers, O&O, energie, innovatie en het milieu;

F.  overwegende dat het mkb een bijzonder belangrijke rol speelt op de digitale markt;

G.  overwegende dat „cloud computing” een goedkoop en milieuvriendelijk middel is om de ICT-prestaties van overheidsbedrijven en particuliere ondernemingen te verbeteren, de verwerkingskosten terug te dringen en de opslagkosten te beperken, en dus heel wat voordelen biedt, maar dat daarbij de verbinding tussen gebruiker en server onvoldoende beveiligd is en de gebruiker voor een stuk de controle verliest;

H.  overwegende dat het scorebord voor de digitale agenda 2011 aangeeft dat er vooruitgang is geboekt, maar dat 26% van de Europese burgers nog nooit het internet gebruikt heeft en dat slechts 48% van de mensen die tot een kansarme bevolkingsgroep behoren, het gebruikt;

I.  overwegende dat de digitale kloof zowel met het oog op de toegang tot het internet als met het oog op de digitale geletterdheid directe gevolgen heeft voor de aanvaarding van e-overheidsdiensten en de deelname van burgers aan het openbare leven en aan de democratie zou kunnen belemmeren;

J.  overwegende dat een concurrerende digitale interne markt de succesvolle uitrol van supersnelle breedband- en telecommunicatienetwerken in alle EU-regio's zou waarborgen en de infrastructuurontwikkeling in en tussen de verschillende EU-lidstaten op eenzelfde niveau zou brengen, teneinde de demografische duurzaamheid van dunbevolkte regio's te garanderen;

1.  is zich ervan bewust dat de ICT-sector een grote bijdrage levert aan het industrieel beleid, aan de innovatie, de groei, het mededingingsvermogen en de handelsbalans van de EU;

2.  onderstreept dat gebruikers een sleutelrol spelen in de digitale strategie en dat het daarom dringend noodzakelijk is hen hiervan bewust te maken en hun rol, betrokkenheid, perspectief en vertrouwen in veiligheid en bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de informatiemaatschappij te versterken en het menselijk kapitaal in het ICT-domein te vergroten;

3.  bevestigt opnieuw dat e-overheidsdiensten de Europese burgers meer zeggenschap geven en de overheidsadministratie helpen hervormen en moderniseren door de transparantie en verantwoordingsplicht van overheidsdiensten te doen toenemen en de kosten ervan te doen dalen;

4.  benadrukt dat de aanvaarding van e-overheidsdiensten niet alleen door technische, maar ook door organisatorische, politieke, juridische en culturele hinderpalen wordt bemoeilijkt en dat succesvolle oplossingen en processen doorgaans in belangrijke mate van de omstandigheden ter plaatse afhankelijk zijn;

5.  onderstreept dat de totstandkoming van een Europese e-overheidsruimte potentieel een belangrijk onderdeel van het Horizon 2020-programma kan vormen, aangezien daardoor economische en sociale groei kunnen worden bevorderd, innovatie en de ontwikkeling van menselijk kapitaal kunnen worden gestimuleerd, wat kan bijdragen tot het beheersen van de maatschappelijke en politieke uitdagingen waarvoor de EU zich gesteld ziet;

6.  benadrukt dat de digitale kloof in aanmerking moet worden genomen en moet worden gedicht;

7.  stelt vast dat „cloud computing” toegang biedt tot een gemeenschappelijk reservoir van IT-middelen die snel kunnen worden doorgegeven met een minimale beheersinspanning en een minimale interactie van de dienstenaanbieder, en dat de efficiëntie van de „cloud” te danken is aan de flexibiliteit ervan, de hogere productiviteit die eruit resulteert en de rol ervan bij de bescherming van het milieu, maar dat „cloud computing” vooral technisch betrouwbaar en op zijn taak berekend moet zijn;

Actieplan voor e-overheid

8.  juicht de aanname toe van het Europese actieplan inzake e-overheid 2011-2015, de Europese interoperabiliteitsstrategie (EIS) en het Europese interoperabiliteitskader (EIF) voor Europese overheidsdiensten (EOD's); spoort de lidstaten ertoe aan spoedig maatregelen te nemen om hun nationale strategieën af te stemmen op bovenvermelde beleidsmaatregelen;

9.  steunt de algemene streefdoelen om het gebruik van e-overheidsdiensten tegen 2015 uit te breiden naar 50% van de burgers (van 41%) en 80% van de ondernemingen (van 75%), maar verzoekt de Commissie en de lidstaten om deze streefdoelen te beschouwen als minimumdrempels;

10.  dringt erop aan dat er speciale programma's en e-overheidplatforms worden ontwikkeld om plaatselijke, regionale, etnische en taaldiversiteit te beschermen en te bevorderen;

11.  betreurt dat volgens het scorebord voor de digitale agenda 2011 slechts 50% van de gebruikers van e-overheid formulieren online invult;

12.  stelt de samenhang tussen het bbp en de beschikbaarheid van e-overheidsdiensten vast en verlangt een passende financiering van de uitbreiding van e-overheidsdiensten zowel op het niveau van de lidstaten als op dat van de EU;

13.  onderstreept dat steeds meer burgers en ondernemingen gebruikmaken van het internet op mobiele toestellen en verzoekt om ervoor te zorgen dat e-overheidsdiensten toegankelijk zijn via en aangepast zijn aan meerdere leveringskanalen, met inbegrip van belcentrales en mobiel internet (m-government);

14.  wijst erop dat e-overheid pas kan slagen met een brede integratie en optimalisering van bestuursprocessen, met inachtneming van het recht op gemeentelijk zelfbestuur op alle bestuursniveaus en op overkoepelend niveau;

15.  benadrukt dat e-overheidsdiensten voor de Europese burgers en ondernemingen, en met name het mkb, voordelen bieden, aangezien ze de administratieve uitgaven en kosten verlagen, de productiviteit, de doeltreffendheid, het concurrentievermogen, de transparantie en de openheid verbeteren, de doelmatigheid van beleidsmaatregelen versterken en de procedures beter toegankelijk maken en stroomlijnen, en aangezien ze de totstandkoming van synergieën en het ondernemingsoverschrijdende gemeenschappelijke gebruik van middelen en capaciteit vereenvoudigen en een meer op samenwerking gericht bedrijfsklimaat voor het mkb mogelijk maken;

16.  roept de lidstaten en de Commissie op door de overheid gefinancierde informatie in een machineleesbaar formaat (en in real time) te publiceren via open vergunningen, om mogelijk te maken dat overheidsinformatie op innovatieve wijze hergebruikt wordt door de academische wereld, inclusief studenten, en het grote publiek en ten behoeve van onderzoek en bedrijfsontwikkeling, en aldus tevens de transparantie te bevorderen;

17.  wijst erop dat er tot dusver geen eenduidige definitie van „open bestuursinformatie” bestaat en dat het voor een scherpere afbakening dringend gewenst is dat er via een openbare discussie consensus over wordt bereikt;

18.  dringt er bij de Commissie op aan al het mogelijke te doen om onderwijsinstellingen en culturele instellingen buiten de werkingssfeer van Richtlijn 2003/98/EG te houden;

19.  merkt op dat vooral het gebruik van e-identificatie en e-handtekeningen de grensoverschrijdende toegang tot e-diensten van overheidsadministraties belemmert en dat er een gebrek aan interoperabiliteit op EU-niveau bestaat;

20.  is van mening dat er een duidelijk en samenhangend EU-rechtskader voor wederzijdse erkenning van e-authenticatie, e-identificatie en e-handtekeningen nodig is om doeltreffende grensoverschrijdende e-overheidsdiensten in heel de EU te garanderen die een wederzijdse en/of geautomatiseerde interactie tussen overheden en burgers en/of ondernemingen mogelijk maken;

21.  verzoekt de Commissie en de lidstaten burgers voortdurend over de bestaande EU-portals, zoals SOLVIT en Your Europe, te informeren, aangezien het huidige tekort aan informatie de ontwikkeling van een bedrijfsvriendelijk klimaat en regelingen betreffende consumentenbescherming, met name op grensoverschrijdend vlak, verder vertraagt;

22.  verzoekt de Commissie een overzicht bij te houden van alle bestaande, door de Commissie zelf en door de lidstaten aangeboden online-instrumenten voor geschilbeslechting en informatieportals, en deze daar waar mogelijk met elkaar te verbinden of te consolideren; beveelt aan alleen nieuwe onlineportals te ontwikkelen wanneer integratie in bestaande oplossingen niet mogelijk is;

23.  juicht de aanname van het actieplan voor e-handtekeningen en e-identificatie en het STORK-proefproject toe en de bijdrage die zij leveren aan de interoperabiliteit van grensoverschrijdende overheidsdiensten; verzoekt de Commissie om de e-handtekeningenrichtlijn te herzien en verzoekt om een beschikking die de wederzijdse erkenning van e-identificatie en e-authenticatie garandeert;

24.  beklemtoont dat in alle situaties waarin persoonsgegevens bij culturele en onderwijsinstellingen voorwerp van gegevensverwerkingsprocedures zijn, individuele toegangsrechten moeten gelden om de gegevens tegen ongeoorloofde inzage te beschermen;

25.  is van mening dat de interoperabiliteit van e-handtekeningen vanuit het standpunt van e-overheidsdiensten juridische aspecten omvat (aanwending van e-handtekeningen in het openbaar domein – artikel 3, lid 7, van de e-handtekeningenrichtlijn, dilemma van de relatie tussen handtekening en authentificatie en tussen bewaking en accreditatie, de standpunten van de afzonderlijke lidstaten, beveiligingsniveaus en kwalificering van handtekeningen), maar daarnaast ook technische aspecten (identificator in certificaten, handtekeningtype en -vorm, validering van de handtekening); acht het voor de ontwikkeling van applicaties met het oog op een volledig interoperabele Europese e-handtekeningdienst voor de validering van handtekeningen aanbevelenswaardig dat er zo spoedig mogelijk een vereniging van valideringsbureaus (Federation of Validation Authorities, FVA) wordt opgericht om de nationale valideringsbureaus van de lidstaten te coördineren(6);

26.  neemt nota van het feit dat de Commissie CEN, CENELEC en ETSI de opdracht heeft gegeven om het Europese normaliseringskader voor e-handtekeningen bij te werken en te rationaliseren; verzoekt de Commissie jaarlijks een voortgangsverslag bij het Parlement in te dienen op basis van de verslagen die twee keer per jaar door de Europese normaliseringsorganen worden ingediend;

27.  roept de lidstaten op in Europese onderwijsinstellingen open educatieve software te ontwikkelen, best practices uit te wisselen en onlineplatforms op te zetten voor samenwerking op het gebied van onderwijsmateriaal en -hulpmiddelen die gratis zijn voor de leerlingen en waarbij terdege rekening wordt gehouden met de regelgeving inzake gegevensbescherming en copyright;

28.  onderstreept dat e-overheidstoepassingen herzien moeten worden en indien nodig aangepast moeten worden om ze eveneens open te stellen voor gebruikers die geen ingezetene zijn; benadrukt dat er interoperabiliteit nodig is op zowel lokaal, regionaal, nationaal als op EU-niveau;

29.  is van mening dat de interoperabiliteit van e-overheidstoepassingen impliceert dat ook de nationale Private Key Infrastructures (PKI) interoperabel moeten zijn, via een Europese valideringsdienst („European Bridge”);

30.  juicht de openbare raadpleging toe over de ontwerprichtsnoeren voor koppelingen tussen ICT-normalisering en openbare aanbestedingen en verzoekt om een voorstel daaromtrent;

31.  nodigt de lidstaten uit om nationale e-overheidsstrategieën uit te werken, in overeenstemming met de doelstellingen en de streefdoelen van het actieplan inzake e-overheid en van de digitale agenda, die de opbouw van de Europese digitale interne markt en de Europese e-governanceruimte dienen te bevorderen;

32.  wijst erop dat bij de ontwikkeling van het actieplan inzake e-overheid, de infrastructuur en de dienstverlening op alle niveaus aan veiligheidstechnische eisen moet worden voldaan en dat de beste haalbare bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van persoonsgegevens en financiële gegevens moet worden gewaarborgd om eender welke onwettige controle te verhinderen;

33.  verzoekt de lidstaten om gebruik te maken van ICT-instrumenten om de transparantie, de rekenplichtigheid en de burgerparticipatie te verbeteren, om de doeltreffendheid en het concurrentievermogen te verhogen, om de administratieve lasten evenals de tijd en kosten te verlagen, om de administratieve procedures te verbeteren, om de CO2-uitstoot te verminderen, zuiniger om te springen met openbare middelen en bij te dragen tot een meer participatieve democratie en tegelijkertijd vertrouwen en geloof op te bouwen;

34.  verzoekt de lidstaten met klem publieke entiteiten te verplichten gegevens openbaar te maken door middel van het bijhouden van registers en catalogi van publieke gegevens, en middels het vaststellen van regels inzake openbaarmaking en hergebruik, met inachtneming van de auteursrechtwetgeving en de wetgeving betreffende de bescherming van gegevensbanken;

35.  dringt er bij de lidstaten op aan om centrale aanspreekpunten in te richten en tussenliggende contactpunten te gebruiken om een vlot, geïntegreerd en gemakkelijk toegankelijk systeem van contactpunten beschikbaar te stellen voor de gebruikers van nationale en grensoverschrijdende e-overheidsdiensten;

36.  onderstreept dat e-overheidsdiensten de kwaliteit van onze democratieën kunnen verbeteren en in belangrijke mate kunnen bijdragen tot een actievere deelname van burgers – met name jongeren – en ondernemingen aan het openbare en politieke leven en de democratische processen; merkt in dit verband op dat proefraadplegingen en referenda, vooral op lokaal niveau, moeten worden aangemoedigd;

37.  is verheugd over de invoering van OCS (Online Collection Software), die op initiatief van de Commissie is ontwikkeld in het kader van het ISA-programma en bedoeld is om ondertekenaars vanaf 1 april 2012 in staat te stellen online hun steun te geven aan een voorgesteld burgerinitiatief, en dat ook door organisatoren van petities kan worden gebruikt om de verzameling, opslag en indiening van handtekeningen te beheren; wenst dan ook dat de e-overheidsstrategieën zo spoedig mogelijk worden uitgevoerd;

38.  onderstreept dat interoperabele grensoverschrijdende e-overheidsdiensten moeten kunnen steunen op innovatieve architectuur en technologieën (openbare clouddiensten en Service Oriented Architecture) en verzoekt om de IPv6-relevante e-overheidsinfrastructuur en onlinediensten van openbaar belang te upgraden;

39.  erkent het enorme potentieel van cloud computing voor zowel ondernemingen als particulieren; benadrukt echter dat nu clouddiensten steeds meer ingang vinden, de verplaatsing van de IT-middelen geregeld en de toegang tot de servers en de gegevens grondig gecontroleerd moet worden, onder meer om ongeoorloofd commercieel gebruik door andere partijen te voorkomen, en dat deze kwesties aan de orde moeten komen bij de hervorming van de EU-regelgeving inzake gegevensbescherming die de Commissie heeft voorgesteld (COM(2012)0011 en COM(2012)0010);

40.  benadrukt dat een beveiligd grensoverschrijdend systeem voor e-overheid integraal deel uitmaakt van het Europese programma voor de bescherming van kritieke infrastructuur; verzoekt om afdoende maatregelen te treffen om de gegevensbescherming en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te garanderen en de kwetsbaarheid voor cyberaanvallen tot een minimum te beperken; erkent het grote belang van het Enisa voor de ondersteuning van de EU en de lidstaten bij hun inspanningen om veilige en stabiele e-overheidsdiensten aan te bieden; dringt aan op de invoering van werkelijk democratische vormen van controle van het gegevensgebruik en de toepassingsmethoden;

41.  juicht de bijdragen toe van de IDA-, IDABC- en ISA-programma's, de grootschalige CIP-proefprojecten en het ePractice-forum aan het ontwerpen en toepassen van grensoverschrijdende interoperabiliteitsoplossingen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de duurzaamheid van deze acties op lange termijn te garanderen;

42.  juicht het voorstel toe voor de „Connecting Europe Facility” (CEF), waarin bijna 9,2 miljard EUR worden uitgetrokken om investeringen in snelle en supersnelle breedbandnetwerken en pan-Europese digitale diensten te ondersteunen en steunt dit voorstel; de CEF zal subsidies verlenen voor de opbouw van infrastructuur die nodig is voor de invoering van e-ID, e-identificatie, e-overheidsdiensten, e-gezondheid, e-justitie en douanegerelateerde diensten, zal bijdragen tot de totstandkoming van interoperabiliteit en zal mede de kosten dekken voor de exploitatie van de infrastructuur op Europees niveau en voor de aansluiting van de respectieve infrastructuur van de lidstaten onderling;

43.  is van mening dat het projectobligatie-initiatief in het kader van Europa 2020 particuliere middelen zal vrijmaken voor projectgerichte investeringen in de toekomstige sleutelinfrastructuur van de EU, zoals straten, spoorwegen, intelligente energienetten en pijpleidingen alsook breedbandnetten;

44.  wijst opnieuw op het belang van toekomstige hogesnelheidsdiensten die de EU zullen helpen voorzien van energie-efficiëntie, veiligheidsdoelstellingen en andere communicatiemogelijkheden (bijvoorbeeld efficiënte en intelligente vervoerssystemen en systemen voor communicatie tussen mens en machine);

45.  juicht de aanname toe van het pakket betreffende open gegevens en verzoekt de lidstaten het hergebruik van overheidsinformatie (niet-persoonlijke informatie) op innovatieve manieren te ondersteunen; verzoekt om een nauwere betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij het verschaffen van toegang tot overheidsinformatie om de informatieverstrekking aan de bevolking, ondernemingen en instellingen te verbeteren en het scheppen van nieuwe banen en de ontwikkeling op lokaal en regionaal niveau te stimuleren;

46.  onderstreept het belang van (kwalitatieve en kwantitatieve) meetmethoden gericht op de doeltreffendheid en doelmatigheid in termen van e-overheid en democratie, waarbij SMART(7)-streefdoelen gehanteerd moeten worden, die actief toegepast moeten worden door alle regeringen;

47.  betreurt dat de lidstaten het nog niet eens geworden zijn over de lijst met alle belangrijke grensoverschrijdende overheidsdiensten die tegen 2015 online beschikbaar gesteld moet worden; roept de Commissie daarom op om haar inspanningen voor het behalen van dit doel te versterken;

48.  verzoekt de Commissie en de lidstaten specifieke ICT-instrumenten – zoals gemeenschappelijke regelingen voor elektronische verzoekschriften – te ontwikkelen en in te voeren om elektronische participatie te vergemakkelijken, met als doel de burgers van de EU en vertegenwoordigende organisaties de mogelijkheid te geven daadwerkelijk gebruik te maken van hun recht in het kader van het burgerinitiatief zoals bedoeld in artikel 11 VEU;

49.  herinnert aan de fundamentele verplichting om het gebrek aan digitale geletterdheid en vaardigheden tegen 2015 met de helft te verminderen en juicht in dat verband de voorstellen toe om de digitale geletterdheid, vaardigheden en e-insluiting te bevorderen, in het bijzonder het voorstel om van digitale geletterdheid en andere aspecten die daarmee verband houden een prioriteit te maken voor de verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds (2014-2020); bevestigt de noodzaak om te handelen volgens het devies „Toegang voor alle burgers – inclusie van bij het ontwerp” en wijst met nadruk op de nood aan de opbouw van e-overheidsdiensten die de gebruikers en burgers centraal stellen;

50.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om digitale scholingsprogramma's ter bevordering van het omvattende gebruik van e-overheidsdiensten in te voeren, de digitale geletterdheid te verbeteren en de „e-barrières” uit de weg te ruimen waarmee het mkb alsook kansarme bevolkingsgroepen zoals ouderen, mensen met een handicap, minderheden, immigranten, werklozen en mensen die in afgelegen gebieden van de EU wonen, te kampen hebben; daartoe moet onderwijs met elektronische hulpmiddelen („e-learning”) in het nationale onderwijs- en opleidingsbeleid van de lidstaten worden opgenomen – dit vereist de vaststelling van de programma's, de evaluatie van de opleidingsresultaten en de beroepsontwikkeling van leerkrachten en opleiders;

51.  betreurt dat het wetgevingsvoorstel om te garanderen dat websites van de overheidssector tegen 2015 volledig toegankelijk zijn vertraging heeft opgelopen; juicht het stappenplan toe voor digitale insluiting en verzoekt om de tenuitvoerlegging van het Web Accessibility Initiative (WAI), met inbegrip van de Web Content Accessibility Guidelines voor e-overheidsportaalsites evenals beschikbare en betaalbare aangepaste eindapparatuur voor mensen met een handicap;

52.  beveelt voor de waarborging van de kwaliteit bij de beschikbaarstelling van deze diensten aan dat ze worden aangepast aan standaarden, normen en richtsnoeren inzake good practice op internationaal vlak, zoals ISO 27001 met het oog op de informatieveiligheid of ISO 20000 met het oog op IT-servicemanagementprocessen;

E-aanbestedingen

53.  benadrukt dat e-aanbestedingen EU-aanbestedingen mogelijk maken en overheidsinstanties een zo groot mogelijke keuze bieden, wat leidt tot een efficiënte besteding van middelen, transparantie, rekenplichtigheid, tot meer openlijk vertrouwen en tot het versterken van de interne markt en mededinging;

54.  onderstreept dat overheidsuitgaven in de 27 lidstaten van de EU 16% van het bbp uitmaken en dringt aan op het gebruik van e-aanbesteding voor alle openbare aanbestedingen tegen 2015; verzoekt om e-aanbesteding ook te gebruiken voor concessies;

55.  betreurt dat slechts 13% van de Europese ondernemingen in 2010 gebruikmaakte van het internet om een voorstel in te dienen bij de overheid via een openbaar elektronisch systeem voor inschrijvingen; verzoekt de lidstaten de participatie van het mkb in e-aanbesteding aan te moedigen;

56.  benadrukt dat e-aanbesteding uit twee fases bestaat: de fase vóór de gunning(8) en de fase na de gunning(9); verzoekt de lidstaten beide fases volledig uit te voeren en op te nemen in hun e-aanbestedingportaalsite tegen 2015;

57.  roept de Commissie en de lidstaten ertoe op het kwaliteitsniveau van de ICT-projecten van nationale overheidsdiensten te verhogen om enerzijds naar de strategische innovatiedoelstellingen van de administratie te streven en anderzijds de algemene kwaliteitsnormen van aanbestedingen te verbeteren en tijd en kosten te besparen;

58.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten nadrukkelijk op aan om bij de centrale en lokale overheidsdiensten het model van de precommerciële inkoop (pre-commercial procurement, PCP) te bevorderen, waardoor het voor opdrachtgevers van de overheid mogelijk wordt om met de leveranciers de risico's en voordelen van de planning, vervaardiging van prototypen en beproeving van nieuwe producten en diensten te bespreken, de middelen van verschillende opdrachtgevers samen te voegen, optimale voorwaarden te scheppen voor een breed opgevatte afzet en verspreiding van de resultaten van O&O-activiteiten, en dergelijke projecten binnen de toegemeten begroting te houden;

59.  onderstreept de succesvolle activiteiten van PEPPOL en van de grootschalige proefprojecten van e-CERTIS e-aanbesteding;

60.  onderstreept dat de nationale systemen voor e-aanbesteding verder ontwikkeld moeten worden om grensoverschrijdende diensten mogelijk te maken en de dienstenrichtlijn volledig ten uitvoer te leggen;

61.  dringt er bij de Commissie op aan om het witboek over de interconnectie van de e-aanbestedingscapaciteit in de EU – een strategie voor e-aanbesteding in te dienen;

62.  dringt er bij de Commissie op aan een mechanisme in te stellen voor het toezicht op de uitvoering van de met e-aanbestedingen samenhangende voortgang, hinderpalen en corrigerende maatregelen bij de invoering van het systeem van e-aanbestedingen in de lidstaten;

63.  is van mening dat de Commissie in haar leidinggevende positie het voorbeeld dient te geven en in al haar organen een systeem voor e-aanbestedingen dient in te voeren;

E-facturatie

64.  juicht het e-facturatie-initiatief toe, dat erop gericht is van elektronische facturatie de meest gebruikte vorm van facturatie in de EU te maken tegen 2020, en de beschikking van de Commissie tot oprichting van het Europese multi-stakeholderforum over elektronische facturatie (EMSFEI);

65.  onderstreept de aanzienlijke voordelen die e-facturatie biedt als middel voor een doeltreffender en voordeliger beheer van alle klant-leverancierrelaties in de openbare en de particuliere sector, die blijken uit kortere betaaltermijnen, minder fouten, betere inning van btw, lagere kosten voor afdrukken en verzenden en integratie van bedrijfprocessen; stelt bovendien vast dat dit instrument een grotere transparantie mogelijk maakt van de gegevens- en handelsstromen die tot de opstelling van de factuur leiden,

66.  is zich bewust van de versnippering van de markt ten gevolge van nationale voorschriften over e-facturatie; betreurt dat slechts 22% van het mkb elektronische facturen ontvangt of verstuurt;

67.  juicht de nieuwe btw-voorschriften(10) ten aanzien van e-facturatie, die papieren en elektronische facturen op gelijke voet plaatsten, toe;

68.  onderstreept het belang van centrale aanspreekpunten voor de omzetbelasting om de grensoverschrijdende elektronische handel voor het mkb te vereenvoudigen en e-facturatie te bevorderen;

69.  wijst op het belang van rechtszekerheid, een eenduidige technische omgeving en open en interoperabele oplossingen voor e-facturatie die gebaseerd zijn op gemeenschappelijke wettelijke vereisten, bedrijfsprocessen en technische normen opdat ze massaal toegepast kunnen worden;

70.  nodigt de sector en de Europese normaliseringsorganisaties uit om hun inspanningen ter bevordering van convergentie naar een gezamenlijk e-facturatiegegevensmodel voort te zetten;

71.  stelt de initiatieven van Denemarken, Finland, Italië, Spanje en Zweden om elektronische facturatie verplicht te maken voor overheden op prijs en verzoekt om e-facturatie verplicht te maken voor alle openbare aanbestedingen tegen 2016;

72.  neemt nota van het feit dat grensoverschrijdende interoperabiliteitsproblemen met e-handtekeningen de goedkeuring van grensoverschrijdende oplossingen voor e-facturatie vertragen;

73.  nodigt de Commissie uit om het EMSFEI te benutten om de juridische aspecten te bestuderen en de nationale initiatieven te coördineren; verzoekt de Commissie om jaarlijks verslag uit te brengen en EP-leden uit te nodigen om deel te nemen aan de vergaderingen van het EMSFEI;

74.  moedigt de lidstaten aan om nationale fora over e-facturatie op te richten waarin de belanghebbenden evenwichtig vertegenwoordigd zijn;

75.  is van mening dat consumenten met beperkte of zonder internettoegang niet aan hun lot mogen worden overgelaten en dat consumenten altijd om een papieren factuur moeten kunnen verzoeken;

Algemene opmerkingen

76.  erkent de toegevoegde waarde van de 132 projecten in het kader van de strategische prioriteiten van CIP ICT PSP en onderstreept het belang van O&O en innovatie voor het ontwikkelen en verbeteren van grensoverschrijdende diensten; verzoekt om steun voor „eenvoudige en snelle” toegang tot Europese O&O-middelen voor ICT en om een verhoging van de financiële toewijzingen aan grensoverschrijdende e-overheidsdiensten en -infrastructuur voor 2014-2020;

77.  erkent de bijdrage en de overkoepelende rol van het ISA-programma bij de vaststelling, bevordering en ondersteuning van de invoering van interoperabiliteitsoplossingen en kaders voor Europese openbare besturen bij de totstandkoming van synergieën en de bevordering van het hergebruik van infrastructuur, digitale diensten en softwareoplossingen en bij de verwezenlijking van eisen van openbare besturen in verband met de interoperabiliteit in specificaties en normen voor digitale dienstverlening en vraagt de financiële bijdragen voor interoperabiliteitsoplossingen tussen de EU en openbare besturen (ISA-programma) voor de periode 2014-2020 te verhogen;

78.  beklemtoont dat het Europese actieplan inzake e-overheid 2011-2015 een unieke gelegenheid biedt om de Europese en nationale openbare besturen te moderniseren en hun kosten te verlagen, hen in staat te stellen om het potentieel van een voortschrijdende Europese integratie ten volle te benutten en groei, innovatie, mobiliteit van de burgers en zakelijke mogelijkheden van ondernemingen, met name van het mkb, te bevorderen en de deelname van het publiek aan de beleidsvorming te ondersteunen; onderstreept het belang van partnerschappen tussen de particuliere en de openbare sector bij de beschikbaarstelling van innovatieve oplossingen, aanwendingen en dienstverlening voor de ontwikkeling van een EU-brede interoperabele e-overheidsinfrastructuur en voor de doeltreffende aanwending van de beschikbare middelen;

79.  verzoekt de Commissie om de doelstellingen van de digitale agenda jaarlijks te beoordelen, in het bijzonder de doelstellingen die betrekking hebben op het actieplan inzake e-overheid, en om jaarlijks verslag uit te brengen aan het Parlement;

80.  verwelkomt de hoge plaats die het Zweedse, Spaanse, Poolse en Deense voorzitterschap van de Raad aan de onderwerpen e-overheid en digitale markten hebben toegekend en onderstreept de positieve bijdragen van de e-overheidsconferenties van Malmö, Posen en Madrid; is van mening dat de periode 2012-2013 van beslissende betekenis is voor de grensoverschrijdende interoperabiliteit van e-overheidsdiensten en wacht daarom met belangstelling op de conferentierapporten en conclusies van de conferentie over het thema „e-overheid” die in maart 2012 in Kopenhagen plaatsvindt;

o
o   o

81.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 45.
(2) PB C 50 E van 21.2.2012, blz. 1.
(3) PB L 260 van 3.10.2009, blz. 20.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0322.
(5) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36.
(6) IDABC- Preliminary Study on Mutual Recognition of eSignatures for eGovernment applications, 2007.
(7) SMART: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden.
(8) e-aankondiging, e-aanbesteding, e-inschrijving, aanvaarding van e-handtekeningen.
(9) e-bestelling, e-facturering, e-betaling, gebruik van e-hantekeningen.
(10) Richtlijn 2010/45/EU.


Situatie in Mali
PDF 132kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 april 2012 over de situatie in Mali (2012/2603(RSP))
P7_TA(2012)0141RC-B7-0201/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de in maart 2011 goedgekeurde strategie voor veiligheid en ontwikkeling in de Sahel,

–  gezien de verklaringen van de VN-Veiligheidsraad over Mali van 22 maart(1), 26 maart(2), 4 april(3) en 9 april(4) 2012,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 22 maart, 26 maart en 7 april 2012 over de situatie in Mali,

–  gezien de kaderovereenkomst van 6 april 2012 tussen de militaire junta en de ECOWAS,

–  gezien de conclusies van de Raad van 22 en 23 maart 2012 over het Sahelgebied,

–  gezien de akkoorden van Algiers uit 2006 over ontwikkeling en vrede in Noord-Mali,

–  gezien de verklaring van 12 april 2012 van de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten, Navi Pillay(5),

–  gezien de verklaring van de dienst Humanitaire Hulp van de Commissie over het voorkomen van een humanitaire crisis in Mali,

–  gezien de oproep van diverse VN-organen – UNICEF, UNHCR en de WHO – van 10 april 2012 om extra geld ter beschikking te stellen voor de miljoenen mensen in het Sahelgebied die te maken hebben met een onzekere voedselsituatie,

–  gezien het verzoek van UNICEF om 26 miljoen USD, waarmee deze organisatie tot het eind van het jaar kan voorzien in de gezondheids- en voedselbehoeften van de kinderen in Mali,

–  gezien het verzoek van het Vluchtelingenagentschap van de Verenigde Naties van 23 februari 2012 om 35,6 miljoen USD voor de aanpak van de toenemende humanitaire crisis in Mali,

–  gezien zijn eerdere resoluties over West-Afrika,

–  gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in de nacht op 21 op 22 maart 2012 de president van Mali, Amadou Toumani Touré, is afgezet bij een staatsgreep die een einde maakte aan een lang democratisch proces dat meer dan twee decennia eerder was begonnen;

B.  overwegende dat in de dagen na de staatsgreep de internationale druk en de bemiddelingspogingen, met name van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS), op 6 april 2012 hebben geleid tot de sluiting van een kaderovereenkomst tussen het Comité national pour le redressement et la démocratie (CNRDE) en de ECOWAS, waardoor Dioncounda Traoré als interim-president kon worden geïnstalleerd, met de opdracht binnen 40 dagen nationale verkiezingen te organiseren;

C.  overwegende dat in overeenstemming met de grondwet van 1992 de voorzitter van de nationale vergadering tot interim-president is benoemd;

D.  gezien de golf van arrestaties op 16 en 17 april 2012 waarbij zonder enige gerechtelijke procedure politieke leiders zijn vastgezet, onder wie twee kandidaten bij de presidentsverkiezingen, alsmede hoge militaire officieren, die gevangen worden gehouden in het militaire kamp van de plegers van de staatsgreep;

E.  overwegende dat in het noorden van het land opnieuw gevechten zijn uitgebroken tussen regeringstroepen en rebellen, waardoor sinds januari meer dan 200 000 mensen zijn verdreven; overwegende dat het aantal interne ontheemden op meer dan 100 000 wordt geschat en dat ongeveer 136 000 mensen naar buurlanden zijn gevlucht (Algerije, Mauritanië, Niger en Burkina Faso), waar de afgelopen jaren als gevolg van de ernstige droogte al grote voedseltekorten zijn ontstaan;

F.  overwegende dat Toearegrebellen, die voornamelijk zijn aangesloten bij de MNLA (Nationale Beweging voor de Bevrijding van Azawad), na de militaire staatsgreep door het noorden van Mali zijn getrokken, de regeringstroepen uit de drie noordelijke regio's van Mali (Kidal, Gao en Timboektoe) hebben verdreven en op 6 april 2012 eenzijdig de onafhankelijkheid van de nieuwe staat „Azawad” hebben uitgeroepen;

G.  overwegende dat Ansar Dine, een islamitische groepering die nauwe banden onderhoudt met Al-Qaida in de islamitische Maghreb (AQIM), beweert Timboektoe onder controle te hebben en in Mali de sharia wil opleggen;

H.  overwegende dat de regio in haar geheel mede wordt gedestabiliseerd door de verspreiding van wapens uit Libië, drugshandel, hoge werkloosheid en armoede;

I.  overwegende dat er onmiskenbaar banden bestaan tussen de terreurgroepen uit het Sahel-Sahara-gebied en de drugs-, wapen-, sigaretten- en mensensmokkelaars, met name bij gijzelingsacties voor losgeld;

J.  overwegende dat er in het noorden van Mali nog diverse andere extremistische bewegingen bestaan, zoals Al-Qaida in de islamitische Maghreb (AQIM), de Beweging voor de Eenheid en Jihad in West-Afrika (MUJAO) en Boko Haram met thuisbasis in Nigeria;

K.  overwegende dat de Toearegs in Mali meer dan eens in opstand zijn gekomen, namelijk in 1963, 1990 en 2006, in een poging hun levensomstandigheden te verbeteren, en dat bepaalde niet-ingeloste beloften aan de Toearegs, in het bijzonder in de context van het „Nationaal Pact” van 1992, tot een gevoel van frustratie hebben bijgedragen;

L.  overwegende dat de uitgestrektheid van het dunbevolkte Mali en de lengte van zijn, overigens onduidelijk afgebakende grenzen een goede regionale coördinatie van de informatievoorziening en van het optreden vereisen;

M.  overwegende dat de EU een vitaal belang heeft bij de veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling van het gehele Sahelgebied, vooral nu er een ernstig voedseltekort heerst waarmee miljoenen mensen daar te kampen hebben; overwegende dat door het recente geweld de voedselnood nog verder zal toenemen in Noord-Mali en in de buurlanden, waar vluchtelingen naar gebieden stromen die een acute voedselcrisis kennen; overwegende dat er een EU-strategie voor veiligheid en ontwikkeling in de Sahel bestaat; overwegende dat de Sahel met de ergste humanitaire crisis van de afgelopen 20 jaar wordt geconfronteerd;

N.  overwegende dat het terrorisme in de Sahel o.a. moet worden bestreden door middel van een actief beleid van ontwikkeling, sociale rechtvaardigheid, versterking van de rechtstaat en integratie; overwegende dat de lokale bevolking economische perspectieven moeten worden geboden die buiten de criminele economie liggen;

O.  overwegende dat de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor kinderen en gewapende conflicten, Radhika Coomaraswamy, op 16 april 2012 haar ernstige bezorgdheid heeft uitgesproken over berichten dat er kindsoldaten worden geronseld;

P.  overwegende dat er berichten zijn binnengekomen van ernstige schendingen van de mensenrechten van de Malinese bevolking, met name in de door rebellen beheerste noordelijke gebieden;

Q.  overwegende dat veel Malinesen in de noordelijke regio's vastzitten en slechts beperkt toegang hebben tot voedsel en andere basisbenodigdheden, terwijl de hulpoperaties grotendeels opgeschort blijven wegens de onveilige situatie en omdat in veel gevallen de apparatuur, de voertuigen en de voorraden van de hulporganisaties zijn gestolen;

R.  overwegende dat de ontheemden in extreme armoede leven, waardoor zij niet kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften en de sociale spanningen toenemen; overwegende dat meer dan 50% van de ontheemden vrouwen zijn, die het zonder enige bescherming moeten stellen en daardoor een bijzonder kwetsbare groep vormen;

S.  overwegende dat de meeste humanitaire organisaties de noordelijke gebieden hebben verlaten omdat hun faciliteiten en opslagplaatsen zijn geplunderd;

T.  overwegende dat de EU nog eens 9 miljoen euro beschikbaar heeft gesteld voor de naar schatting 1,4 miljoen Malinesen die voedselhulp nodig hebben;

U.  overwegende dat dit jaar 175 000 tot 220 000 kinderen onder ernstige ondervoeding te lijden zullen hebben en dat de toegang tot Noord-Mali en de grensgebieden waar de vluchtelingen wonen, steeds problematische wordt;

1.  veroordeelt de militaire staatsgreep in Mali en de buitenwerkingstelling van „s lands republikeinse instellingen;

2.  is verheugd over de ondertekening van het kaderakkoord met een stappenplan voor het herstel van de grondwettelijke orde; dringt er bij alle betrokken Malinese partijen op aan om dit akkoord onmiddellijk uit te voeren;

3.  looft het optreden van de ECOWAS, de Afrikaanse Unie, de Verenigde Naties en de buurlanden om Mali te helpen bij een snel herstel van de grondwettelijke orde en concrete stappen te ondernemen ter bescherming van de soevereiniteit, de eenheid en de territoriale integriteit van Mali; neemt kennis van de uitkomst van de conferentie die op 14 en 15 april 2012 in Ouagadougou is gehouden onder auspiciën van de Burkinese president Blaise Compaoré, de door de ECOWAS benoemde bemiddelaar, en hoopt dat het tijdpad en de modaliteiten van de overgang spoedig nader zullen worden uitgewerkt;

4.  bevestigt dat de soevereiniteit, de eenheid en de territoriale integriteit van Mali moeten worden bewaard en geëerbiedigd; roept de Malinese autoriteiten en de Toearegbevrijdingsbeweging op via een constructieve dialoog een vreedzame en duurzame oplossing te zoeken;

5.  doet een beroep op alle partijen om matiging te betrachten met het oog op het herstel van het gezag van de gekozen vertegenwoordigers, en samen te werken zodat op korte termijn verkiezingen onder internationaal toezicht kunnen worden gehouden en een snelle terugkeer naar de democratie kan worden bewerkstelligd;

6.  is van mening dat er geen militaire oplossing voor het conflict in het noorden bestaat en dat er een oplossing aan de onderhandelingstafel moet worden gevonden;

7.  verzoekt de EU en haar lidstaten actief steun te verlenen aan de volgende stappen in het overgangsproces, o.a. door verkiezingswaarnemers te sturen die de verkiezingen moeten volgen; dringt bij de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger aan op een snellere uitvoering van de diverse onderdelen van de EU-strategie voor veiligheid en ontwikkeling in de Sahel;

8.  dringt aan op onmiddellijke vrijlating van de personen die willekeurig worden vastgehouden door de militairen die verantwoordelijk zijn voor de staatsgreep;

9.  roept op tot de onmiddellijke vrijlating van alle ontvoerden en de onmiddellijke beëindiging van al het geweld, en herhaalt zijn oproep aan alle partijen in Mali om via een passende politieke dialoog naar een vreedzame oplossing te streven;

10.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de toegenomen terroristische bedreiging in het noorden van Mali doordat zich onder de rebellen ook leden van Al-Qaida in de islamitische Maghreb en extremistische elementen bevinden; veroordeelt in dit verband alle gewelddaden en plunderingen, ook wanneer deze tegen humanitaire medewerkers gericht zijn, en de ontvoering van Algerijns diplomatiek personeel in Gao;

11.  veroordeelt alle gewelddaden die door gewapende groeperingen worden gepleegd;

12.  veroordeelt met name de gruweldaden tegen de burgerbevolking, waarvan vrouwen vaker dan anderen het slachtoffer zijn, en veroordeelt in het bijzonder het gebruik van ontvoering en verkrachting als strijdmiddelen; dringt aan op een onderzoek naar de gruweldaden die de afgelopen maanden in Mali zijn gepleegd;

13.  verzoekt de EU en haar lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan de situatie van vrouwen en meisjes in het Sahelgebied en alle maatregelen te nemen die nodig zijn om hen te beschermen tegen elke vorm van geweld en schendingen van hun mensenrechten;

14.  dringt er bij de Malinese autoriteiten op aan krachtig tegen alle maffieuze praktijken op te treden;

15.  veroordeelt het plunderen en roven van het cultureel erfgoed;

16.  verzoekt de Europese Unie en haar lidstaten bij hun inspanningen steun te verlenen aan regionale coördinatie;

17.  verzoekt de Europese Unie en haar lidstaten steun te verlenen aan de inspanningen om de capaciteiten van de landen in de regio te versterken en alle beschikbare middelen te mobiliseren met het oog op de bescherming van de mensen en de bevordering van de veiligheid en ontwikkeling, dit in samenwerking met de landen in de regio en de internationale organisaties ECOWAS en WAEMU;

18.  wenst dat de mogelijkheid wordt onderzocht, enerzijds, van een Europese missie in het kader van het EVDB en onder mandaat van de VN-Veiligheidsraad, met als doel logistieke steun te verlenen aan het Malinese leger als de Malinese regering daarom verzoekt, en anderzijds, van een ECOWAS-strijdmacht of een gezamenlijke strijdmacht van de ECOWAS, de Afrikaanse Unie en de Verenigde Naties om de veiligheid te garanderen in de zones van Mali die niet zijn ingenomen door illegale gewapende groepen;

19.  spreekt de hoop uit dat de EVDB-missie de landen uit de subregio helpt hun grenzen beter te controleren, in het bijzonder om de wapen-, drugs- en mensensmokkel te bestrijden;

20.  veroordeelt eveneens de ontvoering op 24 en 25 november 2011 van twee Fransen, een Zweed, een Nederlander en een Zuid-Afrikaan met een Brits paspoort, alsmede de moord op een Duitser die zich tegen de ontvoerders verzette; merkt op dat daarmee het aantal gijzelaars uit de EU in het Sahelgebied op twaalf komt, omdat Al-Qaida in de islamitische Maghreb nog steeds twee Spanjaarden en een Italiaan vasthoudt die in oktober 2011 in het westen van Algerije zijn ontvoerd, en vier Fransen die in september 2010 in Niger zijn ontvoerd; dat verder op 15 april 2012 in Timboektoe een Zwitserse christelijke missionaris is ontvoerd;

21.  spreekt opnieuw zijn ernstige bezorgdheid uit over de snel verergerende humanitaire en voedselcrisis en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de levering van humanitaire hulp aan de noodlijdende bevolking uit te breiden en te versnellen; neemt er kennis van dat de Commissie naar aanleiding van de nieuwe humanitaire behoeften in Noord-Mali nog eens 9 miljoen euro beschikbaar stelt; wijst erop dat er dringend moet worden opgetreden om ruimte te creëren voor de humanitaire hulpverlening, zodat voedsel en medicijnen het noorden van Mali kunnen bereiken; is bang dat zich, als dergelijke maatregelen niet snel worden genomen, een grote humanitaire crisis kan voltrekken, die ook negatieve gevolgen voor de buurlanden zou kunnen hebben;

22.  dringt aan op het openen van een humanitaire corridor ten behoeve van de tienduizenden mensen die vanwege de gevechten in Mali ontheemd zijn en van wie er velen hun toevlucht hebben gezocht in buurlanden als Niger, Mauritanië en Burkina Faso; dringt ook aan op een alomvattend en snel antwoord op de humanitaire crisis in het Sahelgebied in zijn geheel;

23.  wijst erop dat de huidige crisis in Mali zijn oorsprong heeft in de sociaal-economische problemen van het land en dat dringend moet worden voorzien in de behoefte van de bevolking aan toegang tot werk, gezondheidszorg, huisvesting en openbare diensten, waarbij iedereen gelijk moet worden behandeld en de fundamentele mensenrechten, waaronder ook de rechten van minderheden, moeten worden gewaarborgd;

24.  verzoekt de Europese Unie haar hulpverlening aan de mensen in de regio te intensiveren en hun toegang tot water, openbaar onderwijs en gezondheidsdiensten te verbeteren, alsmede voor een betere infrastructuur te zorgen om de regio sterker te ontsluiten;

25.  dringt aan op een gedetailleerde beoordeling van de steun die de Europese Unie aan de regio verleent;

26.  is ervan overtuigd dat een duurzame oplossing voor de regio erop gericht moet zijn de overheidsinstellingen te versterken, de burgers actief bij de besluitvorming te betrekken en de grondslag te leggen voor een duurzame en billijke economische ontwikkeling;

27.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de instellingen van de ECOWAS en de Afrikaanse Unie, de interim-president van Mali en de VN-Veiligheidsraad.

(1) SC/10590.
(2) SC/10592.
(3) SC/10600.
(4) SC/10603.
(5) http://www.unhcr.org/refworld/docid/4e9bd7382.html


Situatie in Birma/Myanmar
PDF 127kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 april 2012 over de situatie in Birma/Myanma (2012/2604(RSP))
P7_TA(2012)0142RC-B7-0202/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 18 tot en met 21 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien artikel 25 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien de verklaring van het EU-voorzitterschap van 23 februari 2009, waarin wordt opgeroepen tot een allesomvattende dialoog tussen de overheid en de democratische krachten van Birma/Myanmar,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Birma/Myanmar, met name die van 25 november 2010(1) en 20 mei 2010(2),

–  gezien de beperkende maatregelen van de Europese Unie die zijn neergelegd in Besluit 2010/232/GBVB van de Raad van 26 april 2010 en laatstelijk gewijzigd zijn bij Verordening (EU) nr. 1083/2011 van de Raad van 27 oktober 2011,

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 april 2011 inzake opheffing van de opschorting van vergaderingen op hoog niveau en opschorting van het visumverbod voor burgerleden van de regering (Besluit 2011/239/GBVB van de Raad),

–  gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van 28 april 2011,

–  gezien het verslag van 12 maart 2012 van de speciale rapporteur van de VN over de mensenrechtensituatie in Birma/Myanmar,

–  gezien de verklaring van de secretaris-generaal van de VN van 2 april 2012 over de verkiezingen in Birma/Myanmar,

–  gezien het besluit van de ASEAN-top van november 2011 om het voorzitterschap van de ASEAN in 2014 aan Birma/Myanmar toe te laten vallen,

–  gezien de verklaring van de voorzitter van de Europese Raad van 30 januari 2012 over het pad van de hervorming in Birma/Myanmar,

–  gezien de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger van 28 april 2011 en 14 oktober 2011 betreffende de aanpassing van bepaalde derde landen aan Besluit 2011/239/GBVB van de Raad en Besluit 2011/504/GBVB van de Raad inzake beperkende maatregelen tegen Birma/Myanmar,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van de EU van 23 januari 2012 over Birma/Myanmar,

–  gezien het bezoek van de commissaris voor ontwikkelingssamenwerking, Andris Piebalgs, aan Birma/Myanmar van 12 tot14 februari 2012,

–  gezien de resultaten van de eerste interparlementaire vergadering EU-Birma/Myanmar van 26 februari tot 2 maart 2012,

–  gezien de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger, met name die van 13 november 2010 over de vrijlating van Aung San Suu Kyi, van 13 januari 2011 en 12 oktober 2011 over de vrijlating van politieke gevangenen en van 2 april 2012 over het houden van tussentijdse verkiezingen,

–  gezien de verklaring van de ASEAN-Top van 3 april 2012 over de uitslag van de tussentijdse verkiezingen van 1 april 2012, waarin wordt opgeroepen tot opheffing van de sancties,

–  gezien de verschillende ontmoetingen die sinds augustus 2011 tussen president Thein Sein van Birma/Myanmar en Daw Aung San Suu Kyi hebben plaatsgevonden,

–  gezien de Staat van de Unie van president Thein Sein ter gelegenheid van de eerste verjaardag van zijn regering op 1 maart 2012, waarin hij erkende dat er ondanks alle inspanningen nog een lange weg te gaan is,

–  gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 1 april 2012 in Birma tussentijdse verkiezingen zijn gehouden voor meer dan 40 zetels in het Lagerhuis van het parlement (Pyithu Hluttaw) en dat de Nationale Liga voor Democratie (NLD), de partij van Aung San Suu Kyi, hieraan volledig heeft kunnen deelnemen; dat deze tussentijdse verkiezingen, die door de internationale gemeenschap algemeen zijn beoordeeld als vrij en eerlijk, een aanwijzing vormen dat Birma/Myanmar de weg naar democratische verandering is ingeslagen;

B.  overwegende dat de regering van president Thein Sein in haar eerste regeringsjaar meer vorderingen op de weg naar democratie en vrede heeft geboekt dan wat er in de laatste decennia was verwezenlijkt;

C.  overwegende dat de oppositie momenteel slechts 6,6% van de zetels in het parlement bekleedt (42 van de 659), terwijl de overgrote meerderheid van de zetels gecontroleerd wordt door de regerende Union Solidarity and Development Party (USDP), met inbegrip van de 25% die voor legerofficieren zijn gereserveerd;

D.  overwegende dat bij de volgende algemene verkiezingen, die voor 2015 zijn gepland en waarbij het om 75% van de zetels zal gaan, pas zal blijken of de Birmese autoriteiten het land echt willen democratiseren;

E.  overwegende dat de tussentijdse verkiezingen die op 1 april 2012 werden gehouden en het feit dat daarbij buitenlandse waarnemers uitgenodigd en aanwezig waren, waaronder ook een vertegenwoordiger van het Europees Parlement, het bewijs vormen dat de regering van Birma/Myanmar bereid is het hervormingsproces door te zetten, dat duurzaam en onomkeerbaar moet worden;

F.  overwegende dat deze veranderingen die zich nu voltrekken, belangrijke nieuwe mogelijkheden kunnen scheppen voor het ontwikkelen van veel betere betrekkingen tussen de Europese Unie en Birma/Myanmar;

G.  overwegende dat er voorzichtigheid moet worden betracht, in de wetenschap dat de mensenrechtensituatie volgens het verslag van de Speciale Rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Birma/Myanmar nog steeds zeer zorgwekkend is, dat er nog steeds honderden gewetensgevangenen in de gevangenis zitten en dat degenen die niet langer vastzitten in vele gevallen slechts voorwaardelijk zijn vrijgelaten;

H.  overwegende dat de regering bezig is met het aanpakken van de erfenis van tientallen jaren van burgeroorlog en gewapende onrust, hetgeen heeft geleid tot een staakt-het-vuren met de meeste gewapende etnische groepen, met uitzondering van de situatie in Kachin, maar dat anderzijds de humanitaire hulpverlening aan tienduizenden ontheemde burgers geblokkeerd wordt en het discriminatiebeleid ten aanzien van de Rohingya-minderheid onverminderd wordt voortgezet;

I.  overwegende dat de regering heeft laten weten dat zij een driestappenplan voor vredesopbouw wil volgen: eerst een staakt-het-vuren, vervolgens sociaal-economische, culturele en politieke processen en tot slot een alomvattende overeenkomst - onder meer met grondwetswijzigingen - over etnische kwesties, met inbegrip van demobilisatie en herintegratie van voormalige strijders, gemeenschappelijk gebruik van middelen en grotere autonomie;

J.  overwegende dat er een kloof bestaat tussen de politieke besluiten die op het hoogste niveau worden genomen en de beperkte institutionele en technische capaciteiten in de praktijk, en dat de veranderingen slechts zeer langzaam voelbaar zijn in het leven van de meeste Birmaanse burgers, die nog steeds gebukt gaan onder bittere armoede, hoge schuldenlast en gebrek aan werkgelegenheid en sociale diensten;

K.  overwegende dat in het verleden talrijke sectoren van de Birmese economie, zoals de mijnbouw, de houtkap, de olie-industrie, de gasindustrie en de dambouw, rechtstreeks in verband zijn gebracht met ernstige schendingen van de mensenrechten en vernietiging van het milieu, en dat die sectoren tevens de belangrijkste inkomstenbronnen van de militaire regering vormden;

L.  overwegende dat de regering stappen heeft ondernomen om de burgerlijke vrijheden in het land uit te breiden: er is meer vrijheid van informatie en meningsuiting is, het verbod op talrijke internetsites en publicaties is opgeheven, er is nu vrijheid van vergadering, er is een nationale mensenrechtencommissie ingesteld en de censuurraad zal voor eind 2012 worden opgeheven;

M.  overwegende dat mevrouw Ashton, de hoge vertegenwoordiger van de EU voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, kort na de vergadering van de Raad van 23 april 2012 een bezoek zal brengen aan Birma/Myanmar;

N.  overwegende dat een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke macht een eerste voorwaarde is voor rechtsstatelijkheid en recht in Birma/Myanmar; dat de regering van Birma/Myanmar juridische hervormingen moet starten om een werkelijk onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke macht te waarborgen;

O.  overwegende dat de regering eindelijk kennis neemt van de bezorgdheid over projecten die het milieu en de maatschappij ernstig kunnen verstoren;

P.  overwegende dat de beperkende maatregelen van de EU tegen Birma/Myanmar opnieuw zullen worden bezien op de volgende vergadering van de Algemene Raad op 23 april 2012;

1.  noemt het verheugend dat de tussentijdse verkiezingen van 1 april 2012 een transparant en geloofwaardig verloop hebben gekend en door internationale waarnemers als vrij zijn beoordeeld, ofschoon er wel onregelmatigheden zijn gemeld in de aanloopperiode naar de stembusgang; vertrouwt erop dat de nieuwgekozen parlementsleden zo spoedig mogelijk een aanvang kunnen maken met hun taken; steunt de autoriteiten in hun streven om dit proces blijvend en onomkeerbaar te maken;

2.  geeft uiting aan zijn diepe respect voor de decennialange strijd van oppositieleidster en Sacharovprijswinnares Aung San Suu Kyi, feliciteert haar met de overwinning van haar partij in de tussentijdse verkiezingen van april en prijst haar om haar moed en vasthoudendheid, waarmee zij een voorbeeld is van onzelfzuchtige moed en van de strijd voor vrijheid en democratie en tegen de tirannie;

3.  erkent de stappen die president Thein Sein en andere hervormers in het Birmese regime het laatste jaar hebben ondernomen om democratische hervormingen door te voeren en moedigt hen aan dit proces bij wijze van urgentie voort te zetten, zodat de verandering onomkeerbaar wordt;

4.  verwelkomt van harte de inspanningen van de regering, het parlement en de legerleiding om een einde te maken aan decennialange interne gewapende conflicten, en dringt aan op een snelle afronding van vredesonderhandelingen met de Kachins;

5.  dringt er bij de Birmese regering op aan om voor de verkiezingen van 2015 wijzigingen aan te brengen in de grondwet van 2008, zodat het leger geen rol meer kan spelen in het burgerlijk beleid en met name haar zetels in beide kamers van het parlement moet inleveren;

6.  is ingenomen met de wederzijdse toenadering tussen president U Thein Sein en Daw Aung San Suu Kyi en met de dialoog tussen regering en oppositie;

7.  verwelkomt de inspanningen op hoog niveau om democratische veranderingen in Birma/Myanmar aan te moedigen, neemt nota van het bezoek van de Britse premier David Cameron na de tussentijdse verkiezingen in april en is verheugd over de vruchtbare gesprekken die hij met president Thein Sein en Aung San Suu Kyi heeft gehad;

8.  verwelkomt de vrijlating van een aanzienlijk aantal politieke gevangenen en de veel grotere vrijheid van de media en op internet, maar spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat er nog steeds censuur en restricties worden toegepast; is ingenomen met de nieuwe wetgeving inzake vrijheid van vergadering en over de gerapporteerde vooruitgang met betrekking tot veranderingen in de wetgeving en in de praktijk waarmee dwangarbeid moet worden uitgebannen;

9.  verzoekt de regering van Birma/Myanmar alle resterende politieke gevangenen onverwijld en onvoorwaardelijk vrij te laten en het Internationale Rode Kruis en internationale mensenrechtenorganisaties vrije toegang te verlenen tot de gevangenissen in het land; doet tevens een beroep op de Nationale Mensenrechtencommissie om intensiever te werken aan de bevordering en bescherming van de grondrechten van de burgers;

10.  dringt aan op veranderingen in de burgerschapswet van 1982, opdat het recht op burgerschap van de Rohingya-minderheid wordt erkend;

11.  verzoekt de autoriteiten van Birma/Myanmar vrije en onafhankelijke media te garanderen en te waarborgen dat de nieuwe mediawet voor onbeperkte toegang tot communicatie- en informatietechnologie zorgt;

12.  roept de regering van Birma/Myanmar op om hervormingen van het rechtsstelsel te starten om een werkelijk onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke macht te waarborgen en ervoor te zorgen dat degenen die verantwoordelijk zijn voor in het verleden gepleegde schendingen van de mensenrechten ter verantwoording worden geroepen en worden berecht;

13.  is ingenomen met het resultaat van de 19e vergadering van de Mensenrechtenraad van de VN, dat inhoudt dat het mandaat van de Speciale Rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Birma/Myanmar met een jaar wordt verlengd;

14.  vraagt president Thein Sein een onderzoek in te stellen naar de beschuldigingen van seksuele geweldpleging door het Birmese leger en de soldaten te vervolgen die zich daaraan schuldig hebben gemaakt; verzoekt de regering van Birma/Myanmar met aandrang om onmiddellijk een einde te maken aan het rekruteren en inzetten van kindsoldaten, krachtigere maatregelen te nemen om kinderen tegen gewapende conflicten te beschermen en haar samenwerking met de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor kinderen in gewapende conflicten voort te zetten;

15.  vraagt president Thein Sein om de betrokken plaatselijke gemeenschappen te raadplegen over geplande damprojecten en om onafhankelijke milieueffectbeoordelingen te laten verrichten;

16.  is ingenomen met de positieve gebaren van de EU ter ondersteuning van de start van de politieke overgang in het land, waaronder de toewijzing van een bedrag van 150 miljoen euro voor humanitaire bijstand, dat vooral bedoeld is voor de ontwikkeling van de onderwijs- en gezondheidszorgfaciliteiten in het land en voor de hulpverlening aan de ontheemden;

17.  verwelkomt de maatregelen van de Birmese autoriteiten met betrekking tot de wisselkoers van de Birmese valuta;

18.  verzoekt de Raad de momenteel geldende beperkende maatregelen, met uitzondering van het wapenembargo, op te schorten voor een eerste periode van een jaar en de situatie in het land nauwlettend te volgen;

19.  vraagt de Commissie en de Raad om duidelijke tijdslijnen en ijkpunten vast te stellen voor de evaluatie van de lopende politieke en economische hervormingen in Birma/Myanmar;

20.  beseft dat verantwoorde en duurzame handelscontacten en investeringen – ook met en vanuit de Europese Unie – de inspanningen van Birma/Myanmar op het gebied van de armoedebestrijding zullen steunen en ervoor zullen zorgen dat de maatregelen aan een groter deel van de bevolking ten goede komen, en vraagt de Raad en de Commissie te overwegen om Birma/Myanmar geprivilegieerde markttoegang tot de Europese Unie te verlenen;

21.  verwelkomt de toezegging van de EU om de hulp aan door conflicten getroffen bevolkingsgroepen te verhogen, en roept de regering van Birma/Myanmar op toe te staan dat hulporganisaties en de Verenigde Naties etnische staten binnengaan, of ervoor te zorgen dat er vanuit plaatselijke gemeenschappen of over de grenzen heen hulp wordt geboden om deze kwetsbare bevolkingsgroepen te bereiken;

22.  is ingenomen met het aanstaande bezoek van mevrouw Ashton, de hoge vertegenwoordiger van de EU voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, alsook met haar besluit een diplomatieke vertegenwoordiging in het land te vestigen en het EU-kantoor te Yangon bij die gelegenheid in te wijden;

23.  nodigt Sacharovprijswinnares Daw Aung San Suu Kyi opnieuw uit voor een bezoek aan het Europees Parlement om officieel de Sacharovprijs in ontvangst te komen nemen die haar in 1991 werd toegekend voor alles wat zij voor democratie en vrijheid in Birma/Myanmar heeft gedaan;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de ASEAN en het parlement en de regering van Birma/Myanmar.

(1) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 120.
(2) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 154.


Rechtszekerheid van Europese investeringen buiten de Europese Unie
PDF 126kWORD 46k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 april 2012 over rechtszekerheid rond Europese investeringen buiten de Europese Unie (2012/2619(RSP))
P7_TA(2012)0143RC-B7-0214/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn resolutie van 6 april 2011 over het toekomstig Europees internationaal investeringsbeleid(1),

–  gezien zijn resolutie van 21 oktober 2010 over de handelsbetrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika(2),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2011 over handels- en investeringsbelemmeringen(3),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening tot vaststelling van overgangsregelingen voor bilaterale investeringsovereenkomsten tussen lidstaten en derde landen (de „grandfathering”-verordening) (COM(2010)0344),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 juli 2010 „Naar een algemeen Europees internationaal investeringsbeleid” (COM(2010)0343),

–  gezien de resolutie van EUROLAT van 19 mei 2011 over de vooruitzichten voor de handelsbetrekkingen tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika(4),

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de WTO van 30 maart 2012 over de invoerbeperkende beleidsmaatregelen en praktijken in Argentinië(5),

–  gezien de verklaringen van de G20 in Washington (15 november 2008), Londen (2 april 2009), Pittsburgh (25 september 2009), Toronto (26 juni 2010), Seoel (12 november 2010) en Cannes (4 november 2011), waarin wordt toegezegd protectionisme te bestrijden,

–  gezien de tussen Argentinië en Spanje, en een aantal andere EU-lidstaten, gesloten overeenkomsten inzake wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen,

–  gezien de onderhandelingen over een interregionale associatieovereenkomst tussen de EU en MERCOSUR, en met name de vrijhandelsovereenkomst,

–  gezien zijn resolutie van 5 mei 2010 over de strategie van de EU voor de betrekkingen met Latijns-Amerika(6),

–  gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in artikel 207 van het Verdrag wordt bepaald dat Europese investeringen in derde landen een fundamenteel bestanddeel van het gemeenschappelijke handelspolitiek van de Europese Unie zijn en dus een wezenlijk onderdeel vormen van het externe optreden, dat de EU sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon exclusief bevoegd is op het gebied van buitenlandse directe investeringen, zoals vastgelegd in artikel 3, lid 1, onder e), artikel 206 en artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU;

B.  overwegende dat de EU van die nieuwe bevoegdheid gebruik heeft gemaakt om (nog steeds lopende) onderhandelingen te voeren over investeringsovereenkomsten met India, Singapore en Canada en om voorstellen in te dienen om onderhandelingen aan te knopen met Marokko, Tunesië, Jordanië en Egypte;

C.  overwegende dat investeringen als centraal punt op de agenda staan van de eerstvolgende Top EU-LAC die in januari 2013 in Santiago de Chile zal plaatsvinden;

D.  overwegende dat investeringen vanuit de EU in Argentinië worden beschermd door bilaterale investeringsovereenkomsten met lidstaten voor zover die bestaan; op dit moment zijn er achttien lidstaten waarmee zo'n bilaterale overeenkomst met Argentinië van kracht is;

E.  overwegende dat de regering van de Republiek Argentinië heeft aangekondigd een wetsvoorstel bij haar Congres te zullen indienen om de nationalisering te bekrachtigen van 51% van de aandelen van het olieconcern YPF, dat voor het grootste deel in handen is van een Europese onderneming wier meerderheidsbelang in YPF volgens het wetsvoorstel nu dus moet worden genationaliseerd;

F.  overwegende dat de aankondiging in kwestie gepaard ging met een onmiddellijke overname van de hoofdkantoren van het bedrijf door de autoriteiten van de Argentijnse federale regering, waarbij de rechtmatige bedrijfsleiding en het aangestelde personeel gedwongen werden de gebouwen te verlaten;

G.  overwegende dat de onderneming gedurende de laatste maanden heeft blootgestaan aan een publieke hetzecampagne die tezamen met een groot aantal besluiten van overheidsinstanties, haar aandelen in waarde heeft doen verminderen met alle gevolgen van dien voor haar aandeelhouders en de met haar verbonden ondernemingen;

H.  overwegende dat de Spaanse regering en YPF-Repsol voor de aankondiging in kwestie hadden geprobeerd te onderhandelen over een oplossing, maar dat de Argentijnse regering hier niet voor openstond;

I.  overwegende dat andere Europese ondernemingen door soortgelijk optreden of politiek ingrijpen op de vrije markt door de Argentijnse overheid kunnen worden getroffen;

J.  overwegende dat de Republiek Argentinië als lid van MERCOSUR op dit moment onderhandelingen voert over een associatieovereenkomst met de EU;

K.  overwegende dat de Commissie in haar verslagen over handels- en investeringsbelemmeringen desondanks heeft vastgesteld dat Argentinië een aantal protectionistische maatregelen heeft genomen die voor een verstoring hebben gezorgd van het ondernemingsklimaat voor EU-investeerders in Argentinië ;

L.  overwegende dat de Europese Commissie bij tal van gelegenheden in de WTO haar bezorgdheid heeft uitgesproken over de aard en de toepassing van beperkende maatregelen die de Argentijnse regering toepast op de import en waarvan een steeds groter aantal landen die deel uitmaken van de Wereldhandelsorganisatie te lijden hebben;

M.  overwegende dat de Republiek Argentinië altijd profijt heeft gehad van het stelsel van algemene preferenties (SAP) dat de EU haar unilateraal heeft aangeboden;

N.  overwegende dat Argentinië als lid van de G20 op iedere top van die groep heeft toegezegd te zullen strijden tegen protectionisme en voor het openhouden van de markten voor handel en investeringen;

1.  betreurt het besluit van de Argentijnse regering om zonder enige onderhandelingsbereidheid de nationalisering van een meerderheidsbelang in handen van een Europees bedrijf door te zetten; houdt dit voor een unilateraal en willekeurig besluit dat in feite neerkomt op een aantasting van de vrijheid van onderneming en het beginsel van rechtszekerheid, waardoor het investeringsklimaat voor EU-ondernemers in Argentinië zal verslechteren;

2.  merkt op dat dit besluit slechts één onderneming in de sector treft, en slechts een deel van de aandelen daarvan, hetgeen als discriminerend aan te merken is;

3.  toont zich uiterst bezorgd over deze situatie, aangezien het gaat om de niet-naleving van in het kader van internationale overeenkomsten aangegane verplichtingen; waarschuwt voor de negatieve gevolgen die dergelijke maatregelen kunnen hebben, zoals buitenlandse desinvestering en ongunstige consequenties voor Argentinië in de internationale gemeenschap;

4.  herinnert eraan dat de lopende onderhandelingen over de associatieovereenkomst tussen de EU en MERCOSUR tot doel hebben een kader van economische integratie en politieke dialoog tussen beide blokken tot stand te brengen om zo een zo hoog mogelijk peil van vooruitgang en welvaart voor beide regio's te bewerkstelligen, en meent dat dergelijke onderhandelingen slechts kunnen slagen wanneer beide partijen te werk gaan in een sfeer van openheid en wederzijds vertrouwen; wijst erop dat besluiten als dat van de Argentijnse autoriteiten het klimaat van begrip en vriendschap kunnen belasten dat nodig is om zo'n overeenkomst te bereiken;

5.  betreurt het dat Argentinië dit beginsel niet heeft geëerbiedigd en dat het land verschillende handels- en investeringsbeperkende maatregelen heeft genomen, zoals niet-tarifaire belemmeringen, die het bedrijfsleven in de EU en de wereldhandel met Argentinië schade hebben berokkend;

6.  verzoekt de Commissie op deze beperkende maatregelen te reageren met behulp van alle relevante instrumenten voor geschillenbeslechting waarover de Wereldhandelsorganisatie en de G20 beschikken, en samen te werken met andere landen die met soortgelijke discriminatoire handels- en investeringsbelemmeringen worden geconfronteerd;

7.  verzoekt de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de EU voor buitenlands en veiligheidsbeleid stappen te ondernemen bij de Argentijnse autoriteiten om de belangen van de Unie te verdedigen en het beginsel van rechtszekerheid te bewaren, dat de Europese aanwezigheid en de Europese investeringen in dit Zuid-Amerikaanse land waarborgt, door hen te bewegen tot terugkeer naar de weg van onderhandelingen;

8.  verzoekt de Europese Commissie dringend naar maatregelen om te zien c.q. maatregelen te nemen om de Europese belangen te beschermen, teneinde te vermijden dat dergelijke situaties zich nogmaals voordoen, waaronder ook mogelijke gedeeltelijke opschorting van de unilaterale tariefpreferenties in het kader van het SAP-stelsel;

9.  herinnert aan de hechte vriendschap tussen de EU en de Republiek Argentinië, die waarden en beginselen gemeen hebben, en verzoekt de Argentijnse autoriteiten met klem terug te keren naar de weg van dialoog en onderhandelingen, aangezien dat de beste manier is om mogelijke meningsverschillen tussen strategische handelspartners en vanouds bevriende landen op te lossen;

10.  is verheugd over de verklaring van hoge vertegenwoordiger Ashton die het optreden van de Argentijnse regering veroordeelt, en over de afgelasting van de vergadering van het gemengd samenwerkingscomité EU-Argentinië; verzoekt commissaris De Gucht en hoge vertegenwoordiger Ashton om alle mogelijke diplomatieke instrumenten te gebruiken om deze zaak samen met hun Argentijnse gesprekspartners op te lossen, vraagt de Commissie en de lidstaten nauw samen te werken met hun collega's op internationale fora als de G20 en de WTO, zodat ze het eens kunnen worden over een gemeenschappelijke reactie op het optreden van de Argentijnse regering;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de regering en het parlement van de Argentijnse Republiek en de leden van de Raad van de Mercosur.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0141.
(2) PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 79.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0565.
(4) http://www.europarl.europa.eu/intcoop/eurolat/assembly/plenary_sessions/montevideo_2011/resolutions/trade_en.pdf
(5) http://eeas.europa.eu/delegations/wto/documents/press_corner/2012_03_30_joint_statement_argentina.pdf
(6) PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 54.


Impact op de steunverlening van de deconcentratie van het externesteunbeheer van de Commissie
PDF 130kWORD 46k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 april 2012 over de impact op de steunverlening van de deconcentratie van het externesteunbeheer van de Commissie van het hoofdkantoor naar de delegaties (2011/2192(INI))
P7_TA(2012)0144A7-0056/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat bepaalt: „Hoofddoel van het beleid van de Unie op dit gebied is de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen. De Unie houdt bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking.”,

–  gezien de Millenniumverklaring 2000 van de VN en inzonderheid de achtste millenniumdoelstelling voor ontwikkeling,

–  gezien het werkdocument van de Commissie „Evaluatie van het deconcentratieproces, eindverslag” (SEC(2004)0561),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering” (COM(2011)0637),

–  gezien de conclusies van de Raad van 30 juni 2005 over de deconcentratie(1),

–  gezien de conclusies van de Raad van 28 juni 2011 over speciaal verslag nr. 1/2011 „Heeft de deconcentratie van het externesteunbeheer van de Commissie van het hoofdkantoor naar de delegaties geleid tot een betere steunverlening”?(2),

–  gezien de conclusies van de Raad over het gemeenschappelijk standpunt van de EU voor het vierde forum op hoog niveau inzake de doeltreffendheid van steun (HLF-4, Busan, 29 november - 1 december 2011),

–  gezien speciaal verslag van de Europese Rekenkamer nr. 1/2011 „Heeft de deconcentratie van het externesteunbeheer van de Commissie van het hoofdkantoor naar de delegaties geleid tot een betere steunverlening?”,

–  gezien de paragrafen 122 en 123 van de Europese consensus inzake ontwikkeling over de vooruitgang van de hervormingen in het externesteunbeheer van de EU,

–  gezien de EU-gedragscode inzake complementariteit en taakverdeling in het ontwikkelingsbeleid,

–  gezien de Verklaring van Parijs van 2005 over doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, de agenda voor actie van Accra van 2008 en het Partnerschap van Busan voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking van 2011,

–  gezien de Peer Review 2007 over de Europese Gemeenschap van de OESO-Commissie voor ontwikkelingsbijstand (DAC),

–  gezien het OESO/DAC-verslag van 2008 „Doeltreffend steunbeheer: twaalf lessen uit DAC-peer reviews”,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie begrotingscontrole (A7-0056/2012),

A.  overwegende dat een gedecentraliseerde aanpak van de steunverlening de besluitvorming dichter bij de realiteit van de hulpverlening brengt, waar plaats is voor een doeltreffender coördinatie en harmonisatie van de steun, en tegelijk ook terdege rekening houdt met de behoefte aan plaatselijke zeggenschap;

B.  overwegende dat het einddoel van de deconcentratie en de ruimere hervorming van de door de Commissie beheerde externe steun erin bestaat de snelheid en de betrouwbaarheid van de financiële beheersprocedures en de kwaliteit van de steun in partnerlanden te verbeteren;

C.  overwegende dat de algemene conclusie van het verslag van de Rekenkamer is dat deconcentratie heeft geleid tot een betere steunverlening en dat de snelheid van de steunverlening en de betrouwbaarheid van de financiële procedures is verbeterd, maar dat nog aanzienlijk meer vooruitgang kan worden geboekt;

D.  overwegende dat in de drie jaar tot de MDG-termijn een aanzienlijke verhoging van de EU-steunverleningscapaciteit en het absorptievermogen van de ontvangende landen vereist is;

E.  overwegende dat 74% van de externe steun uit de EU-begroting en het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) rechtstreeks wordt beheerd door de 136 EU-delegaties;

F.  overwegende dat de Agenda voor verandering de noodzaak van een betere coördinatie tussen de EU, de lidstaten en de partnerlanden erkende, en tevens pleitte voor coördinatie en harmonisatie, alsook een grotere efficiëntie en doeltreffendheid van ontwikkelingsacties;

G.  overwegende dat de recente reorganisatie binnen de Commissie en de oprichting van de EDEO na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon nog niet hebben geleid tot de verwachte verbetering in de efficiëntie en samenhang van de EU-ontwikkelingssteun;

H.  overwegende dat delegaties er door de oprichting van de EDEO extra bevoegdheden hebben moeten bijnemen zoals diplomatie, informatie/communicatie en vrijheids-, veiligheids- en justitioneel beleid, terwijl zij ook nog steeds het hoofd moeten bieden aan de bestaande uitdagingen inzake coördinatie, samenhang en middelentekorten;

I.  overwegende dat de in afzonderlijke delegaties beheerde steun een breed scala aan gebieden blijft bestrijken, wat de druk op de middelen in de delegaties opvoert;

J.  overwegende dat omslachtige voorschriften en procedures het gebruik van nationale systemen en gezamenlijke programmering kunnen ondergraven, en dat het nuttig zou zijn om in de internationale ontwikkelingssamenwerking gebruik te maken van meerjarenprogrammeringskaders;

K.  overwegende dat algemene en sectorale begrotingssteun de beste methode is om de transactiekosten voor partnerlanden te beperken, aangezien hierbij meer aandacht uitgaat naar de kwaliteit van de steun, de aard van de partnerschappen en de behoeften van de partnerlanden;

L.  overwegende dat het deconcentratieproces vergezeld moet gaan van maatregelen op nationaal niveau om alle nuttige informatie te verkrijgen over waar hulporganisaties hun budget willen besteden, zodat de steunverlening gerichter wordt en financieringstekorten en -mogelijkheden in individuele landen beter kunnen worden geïdentificeerd;

M.  overwegende dat de hervorming van de externe steunverlening van de EU moet worden benut om aan te tonen hoe deze steun het leven van arme mensen verbetert, zowel als antwoord op de toenemende steun van de Europese burgers voor officiële ontwikkelingshulp als middel om de armoede uit te roeien en de MDG's te bereiken, als in het licht van de feitelijke situatie, die het scepticisme ten aanzien van de doeltreffendheid van de steun tegenspreekt;

N.  overwegende dat bij bezoeken ter plaatse in het kader van de OESO/DAC-peer reviews regelmatig blijkt dat lokale medewerkers het gevoel hebben dat hun bekwaamheden onvoldoende worden benut of dat zij niet volledig geïntegreerd zijn in het plaatselijke hulpverleningsteam;

1.  verwelkomt de algemene conclusies van het verslag van de Rekenkamer en verzoekt de Commissie haar inspanningen ter verbetering van de doeltreffendheid van de steunverlening voort te zetten;

2.  toont zich tevreden over het zeer uitgebreide en analytische verslag van de Europese Rekenkamer en over de uitstekende timing van de beoordeling van de resultaten van het deconcentratieproces;

3.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het hoofdkantoor over voldoende middelen en personeel beschikt om via het Directoraat kwaliteitsbeheer de delegaties te ondersteunen;

4.  merkt op dat, volgens het verslag van de Rekenkamer, de Commissie extra inspanningen moet doen om de manier waarop ze de kwaliteit en de resultaten van haar steunverlening evalueert, te verbeteren; is van mening dat dit zal resulteren in betere verantwoordelijkheid voor de financiële interventies van de EU en zal leiden tot een grotere zichtbaarheid van haar acties;

5.  moedigt de Commissie aan om bijkomende criteria en strengere procedures voor de kwaliteitsbeoordeling van gefinancierde projecten vast te stellen, teneinde de kwaliteit van de steun te verhogen en het aantal niet-effectieve projecten verder te verlagen; merkt op dat de effectiviteit van steunuitgaven van primordiaal belang is voor het Parlement;

6.  is verontrust dat de personeelsbezetting bij de delegaties tussen 2005 en 2008 steeds meer is geëvolueerd naar politieke en handelsgerichte functies, en verzoekt de Commissie in de personeelsformatie te streven naar een passend evenwicht tussen steunbeheer en andere taken;

7.  vindt het hoge personeelsverloop bij delegaties onaanvaardbaar (het Commissiepersoneel bestaat voor 40% uit contractanten), aangezien dit het institutionele geheugen verzwakt en de efficiëntie van de werkzaamheden vermindert;

8.  merkt op dat 6 % van de in het kader van de begroting voor 2006 gedane vastleggingen niet voor het einde van 2009 werden uitgevoerd, en dus overeenkomstig de D+3-regel verloren gingen; dring erop aan dat dit percentage wordt verlaagd en wenst op de hoogte te worden gehouden van de overeenkomstige percentages en bedragen voor 2010 en 2011;

9.  verzoekt de Commissie en de EDEO specifiek de terreinen aan te pakken die in de audit zijn aangewezen, met name de werklast binnen de delegaties, een adequate verdeling van personeel over de delegaties en een evenwichtige verdeling van het delegatiepersoneel over steunbeheer en andere taken;

10.  verzoekt de Commissie te overwegen om bij de besluitvorming over steunprojecten en bij het toezicht op de voortgang ervan waar mogelijk plaatselijke actoren te betrekken;

11.  meent dat de Commissiediensten binnen de EU-delegaties moeten bijdragen aan de beleidsvorming en de tenuitvoerlegging van ontwikkelingshulp moeten aansturen, teneinde de samenhang en doeltreffendheid van het EU-ontwikkelingsbeleid te verbeteren; herhaalt de vraag aan de Commissie om binnen elke delegatie contactpunten voor de beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) aan te stellen om de impact van het EU-beleid op het niveau van de partnerlanden te volgen;

12.  wijst erop dat voldoende ruimte moet worden gegeven aan plaatselijke expertise en dat het bestaande personeel van EU-delegaties moet streven naar een grotere betrokkenheid in de lokale samenlevingen om de kenniskloof te overbruggen en een beter inzicht te krijgen in de lokale omgeving waarin zij werken;

13.  verzoekt de Commissie de juridische en financiële opleiding van plaatselijke functionarissen op een meer structurele manier aan te bieden en te verzorgen om het beheer van EU-steun te verbeteren en op middellange termijn goed bestuur bij plaatselijke overheden te garanderen;

14.  is van oordeel dat het mandaat en de bevoegdheden van de EDEO op het gebied van ontwikkelingssamenwerking nog steeds niet duidelijk zijn, en verzoekt de Raad en de Commissie het nodige te doen om deze situatie te verhelpen; constateert in dit verband met bezorgdheid dat de afbakening van de politieke en administratieve taken van de EDEO en de taken van de Commissie inzake steunbeheer een bron kunnen zijn van tegenstrijdigheden in de tenuitvoerlegging van de beginselen van de Verklaring van Parijs;

15.  benadrukt dat, in overeenstemming met het besluit tot oprichting van de EDEO, alle personeelsleden die werkzaam zijn bij een delegatie onder de bevoegdheid van het delegatiehoofd vallen, aangezien dit de enige manier is om, conform het Verdrag van Lissabon, de coherentie van het externe optreden van de EU in een bepaald land te waarborgen;

16.  verzoekt de Commissie en de Raad verder te werken aan de vermindering van het aantal steunverleningsgebieden, in overeenstemming met de EU-gedragscode inzake complementariteit en arbeidsverdeling en de Agenda voor verandering;

17.  meent dat in de desbetreffende EU-financieringsinstrumenten en het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) meer aandacht moet uitgaan naar armoede en dat moet worden gestreefd naar een soepeler aanpak en uitvoering; meent ook dat een grotere verantwoordelijkheid en transparantie en een betere kostenefficiëntie door het bereiken van duidelijke resultaten moeten worden aangemoedigd;

18.  verwacht dat de Commissie in navolging van de bevindingen van de Rekenkamer alle nodige maatregelen zal nemen om de tekortkomingen in de toezicht- en controlesystemen, met name op het niveau van de delegaties, weg te werken; vraagt de Commissie om de bevoegde commissies van het Parlement uiterlijk eind 2012 mee te delen welke maatregelen zij getroffen heeft;

19.  neemt nota van de kritiek van de Rekenkamer(3) ten aanzien van de bevoegdheidsverdeling tussen het hoofdkantoor van de Commissie en haar delegaties voor het beheer van externe steun; pleit voor herziening en vereenvoudiging van de betrokken regelingen om de interne bureaucratie te verminderen, en vraagt dat hierover verslag wordt uitgebracht bij het Parlement;

20.  verzoekt de Commissie om van de delegaties te eisen dat zij projecten systematisch aan een technische en financiële controle onderwerpen, en dat zij in hun interne verslagen meer aandacht schenken aan de resultaten van de steunacties;

21.  verzoekt de Commissie om in nauw overleg met de delegaties te onderzoeken en aan te geven op welke manier er kan worden samengewerkt met Europese nationale en internationale instellingen die ontwikkeling financieren en met de EIB om de steunprogramma's in de partnerlanden te stroomlijnen;

22.  verzoekt de Commissie te verduidelijken hoe een verdere deconcentratie van financiële en personele verantwoordelijkheden van het Commissiehoofdkantoor naar de delegaties meerwaarde biedt door een verbeterde dialoog, coördinatie en programmering van EU-steun op het terrein;

23.  onderstreept dat noch de Commissie, noch de lidstaten de huidige economische en financiële crisis mogen aangrijpen als excuus voor een „more with less”-aanpak, waarbij de personeelssterkte van bilaterale hulporganisaties wordt bevroren of verminderd;

24.  benadrukt het belang van de professionalisering van het personeel dat zich bezighoudt met ontwikkelingssamenwerking, zowel bij de Commissie als bij de EU-delegaties en de bilaterale agentschappen voor ontwikkelingshulp;

25.  gelooft dat delegatiehoofden het beheer van de administratieve uitgaven van de delegatie in het belang van een soepele uitvoering van het EU-budget aan hun adjuncten moeten kunnen delegeren, en dat het Financieel Reglement indien nodig dienovereenkomstig moet worden herzien;

26.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een grotere inspanning te doen om de betrekkingen tussen EU-delegaties en bilaterale hulporganisaties, partnerregeringen en andere ontwikkelingsorganisaties zoals denktanks, universiteiten, stichtingen, NGO's en regionale of lokale autoriteiten te verbeteren, aangezien nauwere betrekkingen de relatieve voordelen van het deconcentratieproces en voor de verschillende actoren op nationaal niveau nog zullen vergroten, en tegelijk onnodig dubbel werk voorkomen;

27.  dringt erop aan dat de toezichts- en controlebevoegdheden van het Europees Parlement bij de deconcentratie van het beheer van de externe ontwikkelingshulp van de EU van de centrale diensten naar de delegaties steeds worden gehandhaafd;

28.  verwelkomt de opmerking van de Rekenkamer dat de rol van de EDEO op het gebied van consulaire bescherming verder moet worden onderzocht;

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de EDEO.

(1) Doc. 10749/2005.
(2) Doc. 12255/2011.
(3) Speciaal verslag nr. 1/2011 van de Rekenkamer, figuur 1.


Vrouwen en klimaatverandering
PDF 238kWORD 71k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 april 2012 over vrouwen en klimaatverandering (2011/2197(INI))
P7_TA(2012)0145A7-0049/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2011, met de titel „Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050” (COM(2011)0112),

–  gezien de in september 1995 in Peking gehouden vierde Wereldvrouwenconferentie, de Verklaring van Peking en het in Peking onderschreven actieprogramma (Platform for Action), alsmede de daaropvolgende slotdocumenten betreffende verdere acties en initiatieven voor de uitvoering van de Verklaring van Peking en het actieprogramma die tijdens de speciale VN-vergaderingen Peking +5, Peking +10 en Peking +15 op respectievelijk 9 juni 2000, 11 maart 2005 en 2 maart 2010 werden aangenomen,

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien UNFCCC-Besluit 36/CP.7 van 9 november 2001 over het verbeteren van de participatie van vrouwen in de vertegenwoordiging van partijen in organen die zijn opgericht in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en het Kyoto-protocol,

–  gezien de millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 18 september 2000,

–  gezien het VN-Verdrag van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien zijn resolutie van 17 november 2011 over gendermainstreaming in de werkzaamheden van het Europees Parlement(1),

–  gezien zijn resolutie van 16 november 2011 over de Conferentie over klimaatverandering in Durban (COP 17)(2),

–  gezien zijn resolutie van 29 september 2011 over de ontwikkeling van een gemeenschappelijk EU-standpunt voorafgaande aan de Conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling (Rio+20)(3),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2009 met de titel „2050: De toekomst begint vandaag – aanbevelingen voor het toekomstig geïntegreerd beleid van de EU inzake klimaatverandering”(4),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2008 over gelijke kansen voor vrouwen en mannen en versterking van de positie van vrouwen binnen de ontwikkelingssamenwerking(5),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0049/2012),

A.  overwegende dat klimaatverandering niet genderneutraal is en verschillende effecten heeft op mannen en vrouwen;

B.  overwegende dat consumptiepatronen en levenswijze een aanzienlijke invloed hebben op klimaatverandering;

C.  overwegende dat vrouwen ongeveer 50% van de wereldbevolking uitmaken en dat zij nog steeds relatief meer verantwoordelijkheid dragen voor de dagelijkse consumptiekeuzes, de verzorging van kinderen en huishoudelijke activiteiten; overwegende dat de consumptiepatronen van vrouwen en mannen verschillen, waarbij vrouwen duurzamer blijken te consumeren dan mannen en meer bereidheid aan de dag leggen om het milieu te beschermen door het maken van duurzame consumptiekeuzes;

D.  overwegende dat vrouwen niet dezelfde invloed op het milieu hebben als mannen, en dat discriminatie op het gebied van inkomen, toegang tot hulpbronnen, politieke macht, onderwijs en verantwoordelijkheid voor het huishouden ernstige gevolgen heeft voor hun weerbaarheid en aanpassingsvermogen;

E.  overwegende dat ongelijkheden door de klimaatverandering zullen worden vergroot, en dat er een kans bestaat dat klimaatveranderingsmaatregelen ook een negatieve uitwerking zullen hebben op het evenwicht tussen mannen en vrouwen en op vrouwenrechten indien er niet vanaf het begin rekening wordt gehouden met genderdiscriminatie;

F.  overwegende dat er geen klimaatgerechtigheid kan bestaan zonder werkelijke gelijkheid tussen mannen en vrouwen, en overwegende dat het wegwerken van ongelijkheden en de strijd tegen klimaatverandering niet als tegenstrijdig beschouwd mogen worden;

G.  overwegende dat democratie, eerbiediging van de mensenrechten en gelijke kansen voor mannen en vrouwen aan duurzame ontwikkeling en bescherming van het milieu helpen bijdragen;

H.  overwegende dat andere bronnen van discriminatie en kwetsbaarheid – waaronder armoede, geografische ligging, traditionele en institutionele discriminatie en ras – allen tezamen de toegang tot hulpbronnen belemmeren en afbreuk doen aan het vermogen om te gaan met dramatische veranderingen zoals klimaatverandering;

I.  overwegende dat in sommige regio's bijna 70% van alle werkende vrouwen werkzaam zijn in de landbouw(6) en dat zij voor sommige teelten tot 90% van de productie voor hun rekening nemen(7), maar dat zij praktisch niet worden betrokken bij budgettaire aangelegenheden of activiteiten in de sfeer van de klimaatverandering;

J.  overwegende dat vrouwen, hoewel zij 70% uitmaken van de armen die van minder dan 1 USD per dag moeten leven, minder dan 1% van het onroerend goed in de wereld bezitten; overwegende dat vrouwen in ontwikkelingslanden, in vergelijking met mannen, een aanzienlijk groter deel van hun inkomen in hun gezin herinvesteren;

K.  overwegende dat gezinsplanning een aanzienlijke verbetering kan bewerkstelligen in de gezondheidszorg voor moeders en de beperking van het kindertal en uiteindelijk kan leiden tot meer onafhankelijkheid en vermindering van de werklast voor vrouwen, die nog steeds worden gezien als degenen die primair verantwoordelijk zijn voor de kinderzorg, zodat vrouwen en hun gezinnen beter zijn opgewassen tegen de gevolgen van de klimaatverandering, zoals ook wordt aangegeven in het twintigjarenplan van de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling;

L.  overwegende dat de milieuproblematiek - die veroorzaakt en nog verergerd wordt door de klimaatverandering – momenteel debet is aan de toename van de gedwongen migratie, en dat er dus een steeds directer verband is tussen het aantal asielzoekers en de gebieden waar sprake is van aantasting van het milieu; overwegende dat er behoefte is aan een betere bescherming en hervestiging van „klimaatvluchtelingen”, en dat er daarom speciale aandacht moet worden besteed aan de vrouwen die het meest kwetsbaar zijn;

M.  overwegende dat tussen de 75 en 80% van de 27 miljoen vluchtelingen wereldwijd vrouwen en kinderen zijn(8); overwegende dat door klimaatverandering veroorzaakte migratie verschillende gevolgen heeft voor mannen en vrouwen, en vrouwen vaak harder treft; overwegende dat dergelijke gevallen van gedwongen of vrijwillige migratie vragen om speciale bepalingen op het gebied van gezondheid, veiligheid en onafhankelijkheid om vrouwen minder kwetsbaar te maken,

N.  overwegende dat het percentage vrouwen dat wordt betrokken bij de politieke besluitvorming en in het bijzonder bij onderhandelingen over klimaatverandering nog steeds ontoereikend is en dat er op dit gebied weinig tot geen vooruitgang is geboekt; overwegende dat slechts 12 tot 15% van de delegatiehoofden en ca. 30% van de delegatieleden vrouwen zijn;

O.  overwegende dat twee derde van de analfabeten in de wereld vrouwen zijn(9) en dat toegang tot informatie en scholing via passende communicatiekanalen daarom van essentieel belang is om de onafhankelijkheid en inclusie van vrouwen te waarborgen, met name in gevallen van nood, zoals natuurrampen,

P.  overwegende dat natuurrampen op middellange en lange termijn ingrijpende gevolgen hebben voor onderwijs, gezondheidszorg, structurele armoede en ontheemding van bevolkingsgroepen, en dat kinderen als groep bijzonder kwetsbaar zijn voor de gevolgen van natuurrampen; overwegende dat er een duidelijk verband is tussen het voorkomen van rampen en het teruglopen van het schoolbezoek, en dat rampen de genderkloof op schoolniveau aanzienlijk verergeren;

Q.  overwegende dat droogtes en watertekorten als gevolg van de klimaatverandering vrouwen ertoe dwingen harder te werken om te voorzien in de behoeften aan water, voedsel en energie, en dat jongeren vaak de school verlaten om hun moeders bij deze taken te helpen;

R.  overwegende dat vrouwen ook krachtige factoren voor verandering zijn, dat zij wereldwijd meer actief zijn in maatschappelijke organisaties en dat, als ze vollediger zouden worden betrokken bij alle aspecten van de strijd tegen de klimaatverandering, dat zou resulteren in een billijker, consistenter en doeltreffender beleid om de klimaatverandering aan te pakken, zowel wat betreft de aanpassings- als de mitigatieaspecten;

S.  overwegende dat vrouwen op grond van hun verantwoordelijkheden voor het beheer van de schaarse natuurlijke hulpbronnen een diep inzicht verwerven in de noodzaak van een duurzamer milieu, waardoor zij ook een niet te onderschatten rol kunnen vervullen bij de verbetering van de aanpassings- en mitigatiestrategieën met het oog op de klimaatverandering;

T.  overwegende dat de mechanismen voor de financiering van rampenpreventie, adaptatie en mitigatie ontoereikend zullen blijven tenzij zij voorzien in de volledige betrokkenheid van vrouwen in de ontwerp-, de besluitvormings- en de implementatiefase; overwegende dat goede praktijkvoorbeelden uit bijvoorbeeld Tunesië, Nicaragua, El Salvador en Honduras hebben aangetoond dat de kennis en betrokkenheid van vrouwen levens redden door middel van rampenbeheer, de biodiversiteit stimuleren, het waterbeheer en de voedselzekerheid ten goede komen, woestijnvorming helpen voorkomen, en bevorderlijk zijn voor de bescherming van bossen en de ondersteuning van de volksgezondheid;

Algemene maatregelen

1.  erkent dat klimaatverandering, naast haar overige rampzalige gevolgen, genderdiscriminatie verergert; en benadrukt dat het afwenden van gevaarlijke klimaatverandering de hoogste prioriteit van de EU moet zijn, zowel in het binnenlands als het buitenlands beleid;

2.  verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat de klimaataanpak niet tot een vergroting van de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen leidt, maar aanvullende voordelen oplevert voor de situatie van vrouwen, door het genderaspect te verwerken in ieder onderdeel van het klimaatbeleid, van concept tot financiering, uitvoering en evaluatie;

3.  verzoekt de Commissie en de lidstaten op alle niveaus van de besluitvorming gendergelijkheids- en genderrechtvaardigheidsdoelstellingen op te nemen in het beleid, de actieplannen en andere maatregelen met betrekking tot duurzame ontwikkeling, ramprisicobeperking en klimaatverandering, en wel door de implementatie van systematische genderanalyses, de invoering van genderbewuste indicatoren en benchmarks en de ontwikkeling van praktische instrumenten; benadrukt dat het onderhandelingsproces met betrekking tot de klimaatverandering in alle stadia moet zijn afgestemd op de beginselen van gendergelijkheid, van de onderzoeks- en analysefase tot het ontwerp en de implementatie en ontwikkeling van mitigatie- en adaptatiestrategieën;

4.  brengt in herinnering dat het Intergouvernementeel Panel over klimaatverandering (IPCC) in zijn in 2007 gepubliceerde vierde evaluatierapport heeft bevestigd dat de gevolgen van de klimaatverandering verschillen van man tot vrouw, van leeftijd tot leeftijd en van klasse tot klasse, waarbij de armen meestal het zwaarst worden getroffen; is van mening dat het bereiken van gendergelijkheid essentieel is voor de menselijke ontwikkeling en een fundamentele doelstelling is in de strijd tegen de armoede; dringt erop aan dat over de hele linie een gendergerichte benadering wordt gevolgd bij de uitwerking van het ontwikkelings-, mensenrechten- en klimaatveranderingsbeleid; dringt erop aan dat de nodige stappen worden ondernomen om ervoor te zorgen dat het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) in overeenstemming is met de mensenrechtenregelingen en met de nationale en internationale afspraken inzake gendergelijkheid en gelijke behandeling, inclusief het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen (CEDAW);

5.  onderstreept dat de klimaatverandering en de negatieve gevolgen daarvan ook moeten worden gezien als een ontwikkelingsprobleem met genderimplicaties, dat gevolgen heeft voor alle sectoren (zowel sociaal en cultureel als economisch en politiek), dat zich uitstrekt van het lokale tot het mondiale niveau, en dat er gezamenlijke inspanningen zijn vereist van alle betrokkenen om ervoor te zorgen dat de genomen klimaatveranderings- en rampenrisicobeperkingsmaatregelen genderontvankelijk zijn, recht doen aan de belangen van inheemse volkeren en de mensenrechten respecteren;

6.  is ingenomen met het toenemende besef omtrent het genderaspect van de klimaatverandering dat naar voren komt bij klimaatonderhandelingen en uit de initiatieven van actoren op hoog niveau; beklemtoont echter de noodzaak om concreet actie te ondernemen om meer vrouwen te betrekken bij de EU-klimaatdiplomatie, en wel op alle niveaus van de besluitvorming en in het bijzonder bij de onderhandelingen over klimaatverandering, door middel van maatregelen zoals de invoering van 40% + quota bij de samenstelling van delegaties;

7.  herinnert de Commissie en de lidstaten aan zijn resolutie over de klimaatveranderingsconferentie in Durban (COP 17), en dringt er bij hen op aan zich aan te sluiten bij zijn streven naar een vrouwelijk vertegenwoordigingspercentage van minimaal 40% in alle relevante klimaatfinancieringsorganen; onderstreept de noodzaak dit principe ook van toepassing te doen zijn op de overdracht van technologie en op adaptatieorganen;

8.  verzoekt de Commissie en de lidstaten landenspecifieke en voor geslacht uitgesplitste gegevens te verzamelen bij de planning, uitvoering en evaluatie van klimaatveranderingsmaatregelen, -programma's en -projecten, teneinde de voor mannen en vrouwen uiteenlopende effecten van de klimaatverandering doeltreffend te kunnen beoordelen en aanpakken en een gids te kunnen opstellen voor aanpassing aan de klimaatverandering, waarin beleidsprincipes worden gedefinieerd die vrouwen kunnen beschermen en hen in staat kunnen stellen om te gaan met de gevolgen van de klimaatverandering;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten gendergevoelige statistieken te integreren in alle milieugerelateerde beleidsterreinen, om de algemene situatie van vrouwen en mannen met betrekking tot de klimaatverandering beter te kunnen inschatten;

10.  wijst er eens te meer op dat de integratie in het buitenlands beleid van de EU van kwesties met betrekking tot de bevordering van gendergelijkheid en de bestrijding van discriminatie ertoe moet blijven bijdragen dat vrouwen een centrale rol spelen bij de besluitvorming, de beleidsvorming, het beheer, het behoud en de controle van natuurlijke hulpbronnen en van het milieu, en bij de inspanningen om klimaatverandering tegen te gaan;

11.  roept op tot het hanteren van een „klimaatvriendelijke” indicator (als alternatief voor het BNP) om na te gaan hoe patronen in de groei, de consumptie en de levensstijl het klimaat beïnvloeden;

12.  verzoekt de EU en de lidstaten te bepalen in welke mate zij in het klimaatgerelateerde beleid rekening houden met de behoeften van vrouwen, en dringt erop aan dat zij een genderspecifiek perspectief hanteren bij het formuleren van beleid voor een gendergevoelige duurzame ontwikkeling;

Aanpassing

13.  verzoekt de Commissie en de lidstaten gebruiksvriendelijke instrumenten te ontwerpen voor het beoordelen van de gendereffecten van projecten in iedere fase van de projectcyclus, zoals de instrumenten die bij ontwikkelingsprojecten worden gebruikt;

14.  roept op tot geïntegreerde lokale oplossingen en projecten, waarbij een beroep wordt gedaan op het inherente bewustzijn van bestaande kwetsbaarheden en vaardigheden, zoals de traditionele ervaring en kennis van inheemse volkeren, en met name vrouwen;

15.  wijst erop dat vrouwen wereldwijd zeer actief zijn in de civiele samenleving, en verzoekt de Commissie derhalve de ontwikkeling van netwerken van vrouwenorganisaties en maatschappelijke actoren te faciliteren en te ondersteunen;

16.  roept de Commissie ertoe op programma's uit te werken waardoor de overdracht van moderne technologieën en knowhow ontwikkelingsgemeenschappen en -regio's kan helpen om zich aan de klimaatverandering aan te passen;

17.  wijst erop dat vrouwen een cruciale rol spelen in waterwinning en -beheer in derdewereldlanden, aangezien zij vaak degenen zijn die het water verzamelen, gebruiken en verdelen, niet enkel thuis maar ook in de landbouw; roept de Commissie op om ontwikkelingshulp beschikbaar te stellen voor toegankelijke programma's voor de aanleg van waterputten waarbij gebruik wordt gemaakt van duurzame energiebronnen en eenvoudige, gemakkelijk te beheren waterzuiveringssystemen;

18.  dringt erop aan dat genderbewuste capaciteitsopbouw en scholing worden verwerkt in de oplossingen voor aanpassing aan de klimaatverandering, die verenigbaar moeten zijn met de speciale behoeften van vrouwen en waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke hindernissen, maar ook vaardigheden en ervaring van vrouwen;

19.  benadrukt dat er gebruik moet worden gemaakt van de kennis van vrouwen en dat er moet worden gestreefd naar lokale oplossingen met zeer concrete gevolgen voor het dagelijks leven van mensen, zoals het project „Girls in Risk Reduction Leadership” in Zuid-Afrika, of verschillende projecten om vrouwengroepen te helpen bij het installeren van drinkwatervoorzieningen en toiletten in Indiase sloppenwijken;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de genderproblematiek te integreren in de strategieën voor het voorkomen en beheersen van de risico's van natuurrampen, en de emancipatie van vrouwen en de bewustwording te bevorderen via capaciteitsopbouw voor, tijdens en na klimaatgerelateerde rampen, en hen actief te betrekken bij de voorbereiding op rampen, vroegtijdige waarschuwing en risicopreventie als onderdeel van de opbouw van hun herstelcapaciteit;

21.  stelt vast dat in veel gemeenschappen overal ter wereld vrouwen kwetsbaarder zijn voor milieuveranderingen vanwege hun verantwoordelijkheden binnen het gezin, hetgeen nog verergerd wordt door de gevolgen van klimaatverandering; wijst erop dat zij worden getroffen in hun verschillende rollen als voedselproducenten en -voorzieners, verzorgers en deelnemers aan het economisch verkeer;

22.  dringt aan op grotere transparantie en insluiting van de bestaande mechanismen en planningsprocedures, zoals de nationale aanpassingsactieplannen (NAPA's) en toekomstige nationale aanpassingsplannen, en wenst dat deze beginselen in toekomstige klimaatgerelateerde verdragen, mechanismen en bilaterale samenwerkingsverbanden worden aangemoedigd;

23.  benadrukt dat er sterke aanwijzingen zijn dat klimaatgebonden omstandigheden, zoals ondervoeding en het vóórkomen van infectieziekte zoals malaria, naargelang het geslacht een verschillende invloed op de gezondheid hebben; stelt met bezorgdheid vast dat er bij rampen veel vrouwen om het leven komen; is van mening dat meer genderspecifiek onderzoek naar de invloed van klimaatverandering op de gezondheid van vrouwen zal bijdragen tot een doelgerichtere respons; verzoekt alle regeringen zich krachtiger in te spannen voor een betere preventie, behandeling en toegang tot gezondheidszorg en geneesmiddelen, in het bijzonder voor vrouwen omdat zij als groep kwetsbaar zijn, met name in hun hoedanigheid van zorgverlener, zich te verbinden tot een aantal maatregelen om de gezondheidsrisico's die met klimaatverandering samenhangen aan te pakken, en een kader te scheppen voor genderspecifieke gezondheidsrisicobeoordelingen en adaptatie- en mitigatiemaatregelen in verband met klimaatverandering;

24.  onderstreept dat 70% van de allerarmsten ter wereld vrouwen zijn, die twee derde van al het werk verrichten, maar minder dan 1% van de goederen bezitten; benadrukt dat zij verstoken blijven van gelijke toegang tot en controle over hulpbronnen, technologie, diensten, grondgebruik, het krediet- en verzekeringswezen en beslissingsbevoegdheden, en daardoor onevenredig kwetsbaar zijn voor klimaatverandering en daar naar verhouding vaker door getroffen worden, en minder kansen hebben om zich aan te passen; onderstreept dat 85% van de mensen die sterven ten gevolge van klimaatgebonden natuurrampen vrouwen zijn, dat 75% van de milieuvluchtelingen vrouwen zijn, en dat vrouwen ook vaker het onzichtbare slachtoffer zijn van conflicten over hulpbronnen en geweld dat voortkomt uit de klimaatverandering;

25.  roept de EU en haar lidstaten op om een beginsel van „klimaatrechtvaardigheid” te ontwikkelen; wijst er nadrukkelijk op dat kan worden gesteld dat het grootste onrecht van ons falen om klimaatverandering effectief aan te pakken, de schadelijke gevolgen voor arme landen en bevolkingsgroepen, en in het bijzonder voor vrouwen zijn;

Mitigatie

26.  verzoekt de Commissie en de toekomstige voorzitters van de Raad van de Europese Unie een onderzoek op te zetten dat specifiek gericht is op het genderaspect van mitigatiemaatregelen;

27.  benadrukt dat er behoefte is aan gerichte maatregelen ter voorkoming van gendersegregatie en -discriminatie in de groene economie, waarin banen op het gebied van nieuwe technologieën en wetenschap al bijna uitsluitend door mannen worden bekleed; onderstreept in dat verband het belang van ondernemerschap om de groene economie open te stellen voor zowel vrouwen als mannen;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten vrouwen ertoe aan te moedigen een technische en wetenschappelijke opleiding en carrière in de sectoren milieu- en energietechnologie na te streven, aangezien de behoefte aan expertise op dit gebied zal waarborgen dat vrouwen een vaste baan krijgen met een stabiele toekomst en zal zorgen voor een grotere bewustwording omtrent de behoeften van vrouwen bij de formulering van klimaatveranderingsmaatregelen;

29.  verzoekt de Commissie de hervorming van bestaande mechanismen en fondsen te steunen, zodat zij transparanter en alomvattender worden en een betere weerspiegeling gaan vormen van de door lokale gemeenschappen – en met name vrouwen – geleverde bijdragen aan emissieverlagingen, en om deze beginselen te bevorderen bij toekomstige verdragen, mechanismen en bilaterale samenwerkingsverbanden die betrekking hebben op het klimaat, om te komen tot betere manieren om de economische positie van vrouwen te versterken;

30.  erkent dat bevolkingsgroei een invloed heeft op het klimaat en wijst op de noodzaak van een adequaat antwoord op onbeantwoorde behoeften van vrouwen en mannen in alle maatschappijen op het vlak van voorbehoedsmiddelen;

31.  herinnert eraan dat het vermijden van gevaarlijke klimaatveranderingen en het beperken van de toename van de gemiddelde temperatuur tot 2°C, of indien mogelijk, 1,5°C, vergeleken met pre-industriële niveaus noodzakelijk en absoluut kritiek is om dramatische negatieve gevolgen voor vrouwen en andere kwetsbare bevolkingsgroepen te vermijden;

32.  verzoekt de Commissie geschikte instrumenten bijeen te brengen om inclusieve besluitvorming te bevorderen, in navolging van de vervoer- en energiesector in Malmö (Zweden) en Vollsmose (Denemarken)(10);

33.  verzoekt de Commissie en de lidstaten indicatoren te ontwikkelen voor het evalueren van de gendereffecten van projecten en programma's en om zich in te zetten voor genderbewust budgetteren in klimaatbeleid, zowel op internationaal, nationaal, regionaal als lokaal niveau;

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor instrumenten en begeleiding voor het verrichten van de genderanalyses van mitigatiemaatregelen en -programma's, en daaraan gerelateerde onderzoeksprogramma's en -activiteiten;

35.  onderstreept de belangrijke rol die vrouwen spelen bij de uitvoering van mitigatiemaatregelen in het dagelijks leven, o.a. door middel van energie- en waterbesparende praktijken, recyclingmaatregelen en het gebruik van milieuvriendelijke en biologische producten, aangezien vrouwen nog steeds worden gezien als de voornaamste beheerders van deze middelen in huishoudelijk verband; verzoekt de Commissie op basisniveau bewustmakingscampagnes op te zetten, die zich moeten concentreren op de dagelijks consumptiekeuzes in de huishoudelijke sfeer en bij de kinderverzorging;

36.  erkent derhalve de belangrijke bijdrage die vrouwen kunnen leveren aan succesvolle innovatie door de educatieve rol die zij kunnen spelen, zowel in het bedrijfs- als in het gezinsleven;

37.  onderstreept in dit opzicht het belang van het versterken van de actieve deelname van vrouwen aan innovatie met het oog op duurzame ontwikkeling, teneinde de zware uitdagingen waarmee we naar aanleiding van de klimaatverandering geconfronteerd zullen worden, aan te kunnen;

38.  wijst erop dat klimaatverandering onvermijdelijk zal leiden tot migratie uit de regio's die getroffen worden door rampen, zoals droogtes of overstromingen, en dat de EU rekening moet houden met de bescherming van vrouwen in de kampen voor vluchtelingen en ontheemden die mogelijk moeten worden opgezet;

39.  stelt vast dat de invloed van milieuverandering op migratie en ontheemding in de toekomst zal toenemen en dat, volgens de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR), 80% van de vluchtelingen ter wereld vrouwen en kinderen zijn; herhaalt het belang van het uitstippelen van genderbewuste strategieën om te reageren op de ecologische en humanitaire crises ten gevolge van de klimaatverandering; is daarom van mening dat dringend onderzoek nodig is naar manieren om milieumigratie genderbewust aan te pakken – dit impliceert het erkennen van en inspelen op rolpatronen en verantwoordelijkheden van vrouwen en mannen op het gebied van natuurlijke hulpbronnen, en eventueel ook het beschikbaar stellen van schaarse hulpbronnen aan gemeenschappen in nood en het verstrekken van water aan immigranten;

Financiering

40.  verzoekt de EU-delegaties het in de bovengenoemde resolutie van het Parlement over de klimaatveranderingsconferentie in Durban (COP 17) omschreven beginsel te eerbiedigen, om zo het genderevenwicht te waarborgen in alle besluitvormingsorganen die zich bezighouden met klimaatfinanciering, met inbegrip van het Comité voor het Groen Klimaatfonds en eventuele subcomités voor individuele financieringsfaciliteiten;

41.  verzoekt de Commissie en de lidstaten klimaatveranderingsmitigatie- en aanpassingprogramma's en -strategieën te ontwikkelen onder gebruikmaking van genderanalyse om het welzijn van vrouwen en meisjes te verbeteren en om rekening te houden met genderongelijkheden wat betreft de toegang tot krediet, informatie, technologie, grond, natuurlijke hulpbronnen, duurzame energie en reproductieve gezondheidsvoorlichting en -diensten; dringt erop aan dat dergelijke programma's en strategieën ook voorzien in innovatieve financieringsoplossingen zoals microkredietregelingen voor met name noodgevallen zoals die zich voordoen bij klimaatvluchtelingen;

42.   onderstreept de behoefte aan financieringsmechanismen die de prioriteiten en behoeften van vrouwen weerspiegelen, en aan actieve betrokkenheid van organisaties die gendergelijkheid bij de ontwikkeling van financieringscriteria en de toewijzing van middelen voor klimaatveranderingsinitiatieven bevorderen, met name op lokaal niveau en bij de activiteiten van de Groen Klimaatfonds;

43.  meent dat genderevenwicht als horizontaal aspect in alle klimaatfondsen en -instrumenten moet worden verwerkt; benadrukt dat daarvoor genderdeskundigheid nodig is en dat hetzelfde geldt voor de doelstelling, het beheer en de uitvoeringsmodaliteiten van dergelijke financieringsmechanismen, en dat de uitvoeringsmodaliteiten en de toezicht- en evaluatiemechanismen moeten waarborgen dat vrouwen en lokale gemeenschappen toereikende financiering krijgen;

44.  verzoekt de Commissie en de EU-delegaties zich in te zetten voor omvangrijkere, nieuwe en aanvullende financiering voor met name aanpassingsmaatregelen die rechtstreekse voordelen opleveren voor vrouwen, aangezien zij vaak onevenredig kwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering; pleit ervoor dat dergelijke financiering voor aanpassingsdoeleinden uitsluitend in de vorm van donaties wordt toegekend;

45.  roept de Commissie en de lidstaten ertoe op de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen in ontwikkelingslanden te ondersteunen via de uitwisseling van technologie en kennis, waaraan vrouwen evenredig moeten deelnemen, om zo tegelijkertijd bij te dragen tot gelijke kansen voor vrouwen en mannen en tot het beperken van de gevolgen van klimaatverandering;

46.  is bezorgd over de negatieve gevolgen die klimaatverandering kan hebben voor het verwezenlijken van de VN-millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, in het bijzonder van die doelstellingen die verband houden met de situatie en bescherming van vrouwen;

o
o   o

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0515.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0504.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0430.
(4) PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 44.
(5) PB C 66 E van 20.3.2009, blz. 57.
(6) FAO, The State of Food and Agriculture 2010-11:Women in Agriculture – Closing the gender gap for development, http://www.fao.org/docrep/013/i2050e/i2050e.pdf.
(7) World Economic Forum, Women's Empowerment: Measuring the Global Gender Gap„, 2005, https://members.weforum.org/pdf/Global_Competitiveness_Reports/Reports/gender_gap.pdf.
(8) VN, Ecosoc, Women at a glance, http://www.un.org/ecosocdev/geninfo/women/women96.htm.
(9) UNICEF, Progress for children, 2005, http://www.unicef.org/progressforchildren/2005n2/PFC05n2en.pdf.
(10) Gendermainstreaming in het openbaarvervoersbeleid in Malmö: http://www.nikk.no/A+gender+equal+and+sustainable+public+transport+system.b7C_wljSYQ.ips ; en het project in Vollsmose om vrouwen die tot etnische minderheden behoren op te leiden tot milieuambassadeurs: http://www.nikk.no/Women+are+everyday+climate+experts.b7C_wljQ1e.ips


Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020
PDF 434kWORD 108k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 april 2012 over onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 (2011/2307(INI))
P7_TA(2012)0146A7-0101/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020” (COM(2011)0244),

–  gezien de visie voor 2050 en de kerndoelen van 2020 die in maart 2010 door de staatshoofden en regeringsleiders van de EU werden vastgesteld,

–  gezien de conclusies van de Raad (Milieu) van 21 juni en 19 december 2011 over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020,

  in het bijzonder gezien het resultaat van de tiende conferentie der partijen (COP 10) bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD), met name het strategisch plan voor biodiversiteit in de periode 2011-2020 en de doelstellingen van Aichi, het protocol van Nagoya betreffende toegang tot genetische hulpbronnen en de billijke en eerlijke verdeling van de baten die voortvloeien uit het gebruik ervan, en de strategie om middelen vrij te maken voor de mondiale biodiversiteit,

–  gezien de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES) en het Verdrag inzake trekkende diersoorten (CMS),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten” (COM(2010)0672), en gezien de voorstellen van de Commissie voor een hervorming van het GLB na 2013,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld „Een begroting voor Europa 2020” (COM(2011)0500) en de ondersteunende documenten,

–  gezien het strategisch financieel kader 2014-2020,

–  gezien het „Samenvattend verslag over de staat van instandhouding van habitattypes en soorten, als vereist krachtens artikel 17 van de habitatrichtlijn” (COM(2009)0358),

–  gezien zijn resolutie van 21 september 2010 over de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving tot behoud van de biodiversiteit(1),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2010 over de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013(2) en zijn resolutie van 23 juni 2011 over „het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten”(3),

–  gezien het werkdocument van de Diensten van de Commissie getiteld „Natura 2000 financieren – investeren in Natura 2000: voordelen tot stand brengen voor natuur en mens (SEC(2011)1573),

–  gezien de studie getiteld „De economische aspecten van ecosystemen en biodiversiteit (TEEB)”(4),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de standpunten van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, en de Commissie visserij (A7-0101/2012),

A.  overwegende dat de EU de biodiversiteitsdoelstelling voor 2010 niet heeft gehaald;

B.  overwegende dat de Verenigde Naties de periode 2010-2020 hebben uitgeroepen tot het Decennium van de biodiversiteit;

C.  overwegende dat biodiversiteit essentieel is voor het bestaan van menselijk leven en het welzijn van samenlevingen, zowel direct als indirect door de ecosysteemdiensten die erdoor worden verleend – zo worden de voordelen die het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden van de Europese Unie oplevert, op 200 tot 300 miljard euro geraamd en worden 4,5 tot 8 miljoen voltijdse banen rechtstreeks ondersteund door de uitgaven van bezoekers in en rond deze gebieden;

D.  overwegende dat biodiversiteitsverlies momenteel het wereldwijde BBP jaarlijks met 3 % doet afnemen;

E.  overwegende dat bijna 65 % van de habitattypen en 52 % van de soorten die zijn opgenomen in de bijlagen bij de habitatrichtlijn in een ongunstige staat van instandhouding verkeren;

F.  overwegende dat 88 % van de visbestanden intensiever bevist wordt dan de maximaal duurzame vangst;

G.  overwegende dat al meer dan 11 000 uitheemse soorten de grenzen van Europa zijn overgestoken en dat minstens 15 % daarvan bestaat uit invasieve soorten en schade toebrengt aan de biodiversiteit;

H.  overwegende dat landbouwers een essentiële rol spelen in de verwezenlijking van de biodiversiteitsdoelstelling van de EU, overwegende dat in 1992 een eerste aanzet werd gegeven tot het integreren van de bescherming van de biodiversiteit in het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), en overwegende dat bij de hervorming in 2003 vervolgens maatregelen werden opgenomen zoals randvoorwaarden, de bedrijfstoeslagregeling (ontkoppeling) en plattelandsontwikkeling, die gunstige gevolgen hebben voor de biodiversiteit;

I.  overwegende dat betalingen voor ecosysteemdiensten een veelbelovend innovatief financieringsinstrument voor de instandhouding van de biodiversiteit zijn;

J.  overwegende dat habitats en soorten worden bedreigd door klimaatverandering; overwegende dat natuurbehoud en biodiversiteit van cruciaal belang zijn voor de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering;

Algemene opmerkingen

1.  betreurt het feit dat de EU haar biodiversiteitsdoelstelling voor 2010 niet heeft gehaald;

2.  verwelkomt en steunt de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020, met inbegrip van alle doelstellingen en maatregelen ervan; is niettemin van mening dat sommige maatregelen zouden moeten worden aangescherpt en duidelijk omschreven en dat er meer concrete maatregelen getroffen zouden moeten worden om ervoor te zorgen dat de strategie doeltreffend wordt uitgevoerd;

3.  onderstreept dat er dringend maatregelen nodig zijn en dat er hogere politieke prioriteit moet worden gegeven aan biodiversiteit teneinde het 2020-kerndoel van de EU voor biodiversiteit te behalen en aan de wereldwijde verplichtingen aangaande biodiversiteit te voldoen; benadrukt dat het behoud van biodiversiteit een gezamenlijke uitdaging is die moet worden aangegaan met de inzet en participatie van verschillende betrokken partijen;

4.  juicht de mededeling van de Commissie inzake biodiversiteit 2020 toe, en merkt op dat klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, bedreiging door invasieve soorten en overconsumptie van natuurlijke hulpbronnen transnationale en transregionale uitdagingen zijn, die iedere burger in de EU raken, zowel in de stad als op het platteland, en dat er op ieder overheidsniveau - plaatselijk, regionaal en nationaal - dringend maatregelen nodig zijn om de gevolgen van deze problemen aan te pakken;

5.  verzoekt de lidstaten daarom de strategie te integreren in hun plannen, programma's en/of nationale strategieën;

6.  is van mening dat biodiversiteitswaarborgen in bestaande EU-wetgeving niet afgezwakt mogen worden;

7.  onderstreept dat de nieuwe strategie niet ook mag mislukken; roept de Commissie daarom op om tweejaarlijkse voortgangsverslagen voor te leggen aan het Parlement waarin de Raad en de Commissie de stand van zaken toelichten;

8.  benadrukt het feit dat de echte test voor het engagement van de EU om de biodiversiteitsdoelstelling te halen – en de echte sleutel tot deze kwestie – niet de nieuwe strategie is, maar veeleer de komende hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid en van het meerjarig financieel kader; wijst er voorts op dat het feit dat de bescherming van de biodiversiteit onvoldoende in andere EU-beleidsterreinen is geïntegreerd, de mislukking van de eerste strategie heeft veroorzaakt;

9.   is van mening dat de problemen die zijn ondervonden bij het bereiken van het streefdoel voor 2010 een grondige analyse vereisen van de tot nu toe gebruikte methoden; stelt dat er strategische studies moeten worden uitgevoerd die alle factoren omvatten die van invloed zouden kunnen zijn op beschermde gebieden, en dat deze studies opgenomen dienen te worden in de planologie en gepaard zouden moeten gaan met voorlichtings- en informatiecampagnes over het belang van plaatselijke natuurlijke rijkdommen en de instandhouding ervan;

10.  wijst erop dat een verlies aan biodiversiteit niet enkel betrekking heeft op soorten en habitats, maar ook op de genetische diversiteit; roept de Commissie op om een strategie voor de instandhouding van de genetische diversiteit te ontwikkelen;

11.  wijst erop dat het natuurlijk erfgoed een aanzienlijk ecologisch kapitaal vertegenwoordigt dat fundamenteel is voor het welzijn van de mensheid; is van mening dat alle lidstaten moeten samenwerken en hun optreden op elkaar af moeten stemmen om een beter gebruik van de natuurlijke hulpbronnen te maken en netto verliezen aan biodiversiteit en ecosysteemdiensten zowel op het platteland als in stedelijke gebieden te voorkomen;

Doelstellingen – Integratie van biodiversiteit in alle beleidsterreinen van de EU

12.  benadrukt dat het belangrijk is om biodiversiteitsbescherming in alle beleidsterreinen van de EU – zoals landbouw, bosbouw, visserij, regionaal beleid en cohesie, energie, industrie, vervoer, toerisme, ontwikkelingssamenwerking, onderzoek en innovatie – te integreren om het sectorale beleid en het begrotingsbeleid van de EU meer samenhang te geven en om ervoor te zorgen dat de bindende toezeggingen op het gebied van de bescherming van biodiversiteit worden nageleefd;

13.  onderstreept dat de EU-biodiversiteitsstrategie volledig geïntegreerd moet worden in de strategieën voor de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering;

14.  herinnert eraan dat het voorzorgsbeginsel een rechtsgrondslag vormt die in alle wetgeving en beslissingen ten aanzien van biodiversiteit toegepast moet worden;

15.  onderstreept dat de bescherming, waardering, het in kaart brengen en het herstel van diensten voor biodiversiteit en ecosystemen essentieel zijn om de doelstellingen van het Stappenplan voor een hulpbronnenefficiënt Europa te bereiken, en roept de Commissie en de lidstaten op te overwegen een tijdlijn te presenteren, als onderdeel van specifieke maatregelen, voor het in kaart brengen en beoordelen van diensten voor ecosystemen in de EU, hetgeen het mogelijk zou maken doelgerichte en efficiënte maatregelen te treffen voor het tot stilstand brengen van de vermindering van diensten voor biodiversiteit en ecosystemen;

16.  benadrukt dat het verlies van biodiversiteit leidt tot gigantische economische kosten voor de maatschappij, die tot nu toe onvoldoende zijn geïntegreerd in de economische en andere beleidsterreinen; dringt er daarom bij de Commissie en de lidstaten op aan om waarde toe te kennen aan diensten voor ecosystemen en deze waarden op te nemen in de boekhoudsystemen als uitgangspunt voor duurzamer beleid; is van mening dat een economisch model dat een gepast behoud van biodiversiteit veronachtzaamt niet levensvatbaar is; benadrukt ook dat met maatregelen tot herstel van ecosystemen en biodiversiteit in aanzienlijke mate nieuwe vaardigheden, banen en zakelijke kansen kunnen worden gecreëerd;

17.  beklemtoont de nood aan een grondige effectbeoordeling van de negatieve effecten op de biodiversiteit voor verschillende sectoren van de economie;

18.  benadrukt dat de biodiversiteitsstrategie deel uitmaakt van het vlaggenschipinitiatief „Efficiënt gebruik van hulpbronnen” en herinnert eraan dat regionaal beleid, vanwege de maatregelen die in het kader daarvan worden ondersteund om kwesties op het gebied van klimaat, energie en milieu aan te pakken, een essentiële rol speelt bij het waarborgen van duurzame groei;

19.  houdt vol dat een groot aantal van de opkomende infectieziekten zoönose zijn (die worden overgedragen tussen wilde dieren, huisdieren en mensen) en erkent dat de handel in wilde dieren en veranderingen in bodemgebruik en landbeheer kunnen leiden tot nieuwe of andere interacties tussen de mens, huisdieren en wilde dieren die de overdracht van ziektes en het verlies van biodiversiteit kunnen bevorderen; benadrukt dat het opnemen van biodiversiteitsstrategieën in het beleid inzake diergezondheid, dierenwelzijn en handel van het hoogste belang is;

20.  is niettemin van mening dat een gedegen beoordeling van de ecologische, economische en sociale effecten nodig is in gevallen waarin gegevens ontbreken;

Behoud en herstel van de natuur

21.  onderstreept de noodzaak om de achteruitgang in de status van alle onder de natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan te brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van die status op EU-niveau te bereiken; beklemtoont dat dit dient te gebeuren in de vorm van een verbetering in ten minste een van de parameters betreffende de staat van instandhouding die zijn bepaald in artikel 1 van de habitatrichtlijn, zonder de andere parameters af te zwakken;

22.  roept de Commissie en de lidstaten op om zich te verbinden aan het aannemen van geïntegreerde strategieën om de natuurlijke waarden en het cultureel erfgoed van elk geografisch gebied, evenals de benodigde voorwaarden voor het behoud van die gebieden, in kaart te brengen;

23.  benadrukt dat biodiversiteitsdoelstellingen verwezenlijkt moeten worden door concrete actie om doeltreffend te zijn; betreurt dat, ondanks de ondernomen actie om het verlies van biodiversiteit tegen te gaan, binnen de EU slechts 17 % van de habitats en soorten en 11 % van de belangrijke ecosystemen die onder EU-wetgeving beschermd zijn in goede staat verkeren; verzoekt de Commissie op zo kort mogelijke termijn te analyseren waarom de huidige inspanningen tot nu toe niet succesvol zijn en te onderzoeken of er geen andere, doeltreffender instrumenten beschikbaar zijn;

24.  beklemtoont dat, om een duidelijke weg te banen voor de verwezenlijking van de visie voor 2050, minstens 40 % van alle habitats en soorten tegen 2020 in een gunstige staat van instandhouding moeten verkeren; herinnert eraan dat 100 % (of nagenoeg 100 %) van de habitats en soorten tegen 2050 in een gunstige staat van instandhouding moeten verkeren;

25.  toont zich bezorgd over de steeds grotere achteruitgang van essentiële habitats, zoals wetlands, die voorrang moeten krijgen en waarvoor dringende maatregelen getroffen moeten worden die werkelijk in verhouding staan tot de bijzondere beschermingsstatus die de EU aan deze gebieden heeft toegekend;

26.  erkent dat infrastructuurbouw, urbanisatie, industrialisering en fysiek ingrijpen in het landschap in het algemeen tot de belangrijkste oorzaken behoren van de fragmentatie van ecosystemen en habitats; verzoekt de plaatselijke, regionale en nationale overheden, in de context van hun algemene stedenbouwkundige regels en uitvoeringsmaatregelen en binnen het kader van hun bevoegdheden, om in hun planning en ontwikkelingsprojecten op zowel grote als kleine schaal rekening te houden met deze factoren die een gevaar vormen voor ecosystemen en habitats; erkent de druk en de noodzaak die op plaatselijk en regionaal niveau bestaan om te zorgen voor substantiële economische ontwikkeling en adviseert dat plaatselijke en regionale overheden behoedzaam streven naar een balans tussen ontwikkeling en de noodzaak van bescherming van biodiversiteit en natuurlijke habitats; steunt verdere hervorming en toepassing van ontwikkelingsbeleid op regionaal en plaatselijk niveau om voordelen uit biodiversiteit te halen en om een einde te maken aan een verdere afname van het aantal habitats, vooral in tijden van economische en financiële crisis;

27.  steunt een toename van het gebruik van milieueffectbeoordelingen (MEB's), duurzaamheidseffectbeoordelingen (DEB's), strategische milieueffectbeoordelingen (SMEB's) en andere instrumenten om bij plaatselijke en regionale beslissingsprocessen rekening te houden met de afname van de biodiversiteit en de gevolgen van de klimaatverandering; wijst erop dat alle regio's zullen profiteren van projecten ten bate van het indammen van de klimaatverandering en bescherming van de afname van de biodiversiteit, inclusief de minder ontwikkelde regio's;

28.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de toewijzing van Natura 2000-gebieden in 2012 is afgerond in overeenstemming met Aichi-doelstelling 11; betreurt ten zeerste dat de toewijzing van zeegebieden vertraging heeft opgelopen; is bezorgd over de herinvoering van de jacht in de Donaudelta en de mogelijke negatieve gevolgen daarvan voor de biodiversiteit; verzoekt de Commissie om na te gaan of de lidstaten artikel 7 van de vogelrichtlijn (2009/147/EC(5)) ten uitvoer leggen, in het bijzonder ten aanzien van de jacht;

29.  benadrukt dat er dringend meer inspanningen geleverd moeten worden om oceanen en mariene milieus te beschermen, zowel via EU-maatregelen als via verbetering van de internationale governance van oceanen en gebieden die buiten de nationale rechtsgebieden vallen;

30.  dringt er bij de lidstaten op aan zich aan de wettelijke uiterste termijn te houden wat betreft het opstellen van beheerplannen of gelijkwaardige instrumenten voor alle Natura 2000-gebieden, zoals bepaald in artikel 4 en 6 van de habitatrichtlijn (92/43/EEG(6));

31.  gelooft dat betere grensoverschrijdende samenwerking heel goed zou zijn voor het halen van de Natura 2000-doelstellingen; wijst op de noodzaak van nauwere samenwerking tussen Europese, nationale, regionale en plaatselijke overheden bij de bescherming van de biodiversiteit en de natuurlijke hulpbronnen; benadrukt in dit verband de mogelijkheden die grensoverschrijdende, interregionale en transnationale samenwerking biedt in de strijd tegen biodiversiteitsverlies en is van mening dat betere benutting van het potentieel van territoriale samenwerking en uitwisseling van informatie, ervaringen en beproefde praktijken in aanzienlijke mate zou bijdragen aan de verwezenlijking van dat doel; wijst erop dat het opnemen van biodiversiteitsgerelateerde prioriteiten in regionale macrostrategieën een belangrijke stap is in de richting van herstel en bescherming van biodiversiteit;

32.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om een goede instandhouding van het Natura 2000-netwerk te verzekeren door voldoende financiering toe te wijzen aan die gebieden; verzoekt in het bijzonder de Commissie en de lidstaten om in samenwerking met de verschillende belanghebbenden dwingende nationale instrumenten te ontwikkelen met behulp waarvan de belangrijkste instandhoudingsmaatregelen en de bijbehorende geplande financieringsmiddelen (uit fondsen van de EU of uit de begrotingen van de lidstaten zelf) worden vastgesteld;

33.  is van mening dat de handhaving van de EU-wetgeving, met name wat betreft het milieu, verbeterd moet worden;

34.  roept de Commissie op om, gezien de grote verschillen tussen de lidstaten op het vlak van de tenuitvoerlegging van Natura 2000-wetgeving, waar nodig, meer duidelijkheid of richtsnoeren te verschaffen, op basis van beste praktijken; vraagt de Commissie ook meer richtsnoeren of beste praktijken te verschaffen voor het beheer van de gebieden die grenzen aan Natura 2000-gebieden;

35.  verzoekt de Commissie om haar capaciteit voor het verwerken en doeltreffend onderzoeken van klachten en inbreuken op de correcte tenuitvoerlegging van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn te vergroten en om adequate richtsnoeren te ontwikkelen voor de lidstaten ten aanzien van de controle ter plaatse van de tenuitvoerlegging van die richtlijnen; verzoekt de Commissie bovendien om maatregelen op te nemen die de tenuitvoerlegging en de gezamenlijke handhaving van de vogel- en de habitatrichtlijn verbeteren in het kader van haar werkzaamheden rond de verbeterde tenuitvoerlegging van en de controle op de milieuwetgeving; vindt het gezien zijn resolutie van 20 november 2008 over de toetsing van Aanbeveling 2001/331/EG betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten(7), van essentieel belang het EU-netwerk voor de tenuitvoerlegging van en de controle op de toepassing van het communautaire milieurecht (IMPEL) te versterken en dringt er bij de Commissie op aan om verslag uit te brengen over de verschillende manieren om dat te doen, met inbegrip van de haalbaarheid van het oprichten van een communautaire milieu-inspectie, en dringt er bij de Commissie op aan om met een voorstel te komen voor een richtlijn betreffende milieu-inspecties;

36.  onderschrijft het initiatief van de Commissie voor opleidingsprogramma's voor rechters en openbare aanklagers; wijst er echter op dat de Commissie en de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat dergelijke opleidingsprogramma's ook beschikbaar zijn voor beroepsmensen die met Natura 2000-gebieden te maken hebben, zoals regionale en lokale overheden die verantwoordelijk zijn voor wetshandhaving en andere administratieve instanties die verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de vogel- en de habitatrichtlijn;

37.  is van mening dat het noodzakelijk is om te beschikken over digitale, toegankelijke kaarten met nauwkeurige informatie over de belangrijkste natuurlijke rijkdommen, beschermde gebieden, grondbestemmingen, watermassa's en risicogebieden om de naleving van de milieuwetgeving, en in het bijzonder de wetgeving inzake biodiversiteit, door de regionale en lokale overheden te bevorderen;

38.  stelt vast dat de bevolking in de EU zich weinig bewust is van het belang van biodiversiteit en de zware kosten die het verlies ervan met zich mee zou brengen voor het milieu en op sociaaleconomisch vlak; wijst op de behoefte aan een meer omvattende communicatiestrategie, in overeenstemming met Aichi-doelstelling 1;

39.  juicht het voornemen van de Commissie toe om tegen 2013 samen met de lidstaten een grootschalige communicatiecampagne voor Natura 2000 te lanceren, om de toepassing van de bepalingen van de EU-milieuwetgeving te verbeteren en om ervoor te zorgen dat milieubescherming, duurzame economische groei en sociale ontwikkeling hand in hand kunnen gaan als gelijkwaardige, niet-tegenstrijdige beginselen; dringt met dat als doel aan op de promotie van succesvolle projecten en de verspreiding van informatie naar het publiek betreffende de haalbaarheid van milieuvriendelijke economische ontwikkeling in gebieden van natuurlijk belang en cultureel erfgoed zoals die van het Natura 2000-netwerk;

40.  beklemtoont de noodzaak van voorlichtingscampagnes over biodiversiteit voor alle leeftijdsgroepen en alle lagen van de bevolking, met dien verstande dat kinderen en tieners die zeer betrokken zijn bij het onderwerp hierover eerst en vooral op school onderricht moeten krijgen; is van oordeel dat alle onderwijs- en scholingsprogramma's, met name die op het gebied van landbouw, bosbouw en aanverwante terreinen, sterker op de rol van biodiversiteit moeten worden gericht;

41.  erkent dat ngo's een belangrijke rol moeten spelen bij de bescherming van de biodiversiteit, zowel in het besluitvormingsproces als bij het veldwerk en de publieksvoorlichting;

42.  bepleit dat de governance zich ook uitstrekt tot de mobilisatie van burgers, en tot non-profitorganisaties en economische actoren, wat deze laatsten betreft met nadruk op de integratie van biodiversiteit in bedrijfsstrategieën; erkent de waarde, de kennis en het werk van vrijwilligerswerk en gemeenschapswerk op het gebied van de bescherming van de biodiversiteit en verzoekt de plaatselijke en regionale overheden om deze groepen te betrekken bij de planning- en overlegfase van projecten door partnerschappen tussen overheden, de particuliere sector en niet-gouvernementele organisaties in het leven te roepen;

43.  erkent dat het bijzonder belangrijk is om nauw samen te werken met plaatselijke actoren en de rechtstreekse beheerders van het land in kwestie en moedigt de Commissie daarom aan om daartoe meer inspanningen te leveren, waarbij aandacht moet gaan naar de ervaring en de bijzondere kennis die deze actoren kunnen aandragen tijdens het opstellen van wetgeving met de bedoeling de goede staat te verzekeren van de habitats waar de biodiversiteit te vinden is die we in stand willen houden in de EU;

44.  blijft van oordeel dat een van de redenen dat we er niet in zijn geslaagd de tendens van verlies aan biodiversiteit en achteruitgang van de ecosystemen in de wereld te keren ons onvolledige begrip is van de complexiteit van biodiversiteit en van de wisselwerking tussen de verschillende onderdelen ervan enerzijds en tussen deze onderdelen en het levende milieu, met inbegrip van de waarde van biodiversiteit voor de huidige en de toekomstige menselijke generaties, anderzijds; herhaalt dat de tenuitvoerlegging van het beleid staat of valt met onderzoek op het gebied van biodiversiteit;

45.  onderstreept dan ook dat meer moet worden geïnvesteerd in onderzoek naar biodiversiteit, met inbegrip van een of meer relevante „maatschappelijke uitdagingen” die in Horizon 2020 aan de orde worden gesteld, om fragmentatie van onderzoeksbeleid te vermijden; is van mening dat een dergelijke toename in financiering voor biodiversiteitsonderzoek bereikt zou kunnen worden binnen de algemeen bestaande middelen als gevolg van de lage introductie; gelooft dat onderzoek zou kunnen leiden tot een beter begrip van biodiversiteit en het belang ervan voor alle aspecten van menselijke activiteiten enerzijds, en, middels innovatieve concepten, zal bijdragen aan nieuwe en verbeterde beleidsmaatregelen, alsook beheers- en ontwikkelingsstrategieën anderzijds;

46.  benadrukt de noodzaak voor een multidisciplinaire en grensoverschrijdende onderzoeksbenadering betreffende biodiversiteit, die inherent verbonden is met terreinen als ecologie, genetica, epidemiologie, klimaatwetenschap, economie, sociale antropologie en theoretische modellering; benadrukt de noodzaak voor op wetenschap gebaseerd beleid in het duurzaam beheer van ecosystemen en natuurlijke bronnen, in het bijzonder in de sectoren van economisch en sociaal belang zoals landbouw, visserijen en bosbouw;

47.  acht het van groot belang dat meer bekendheid wordt gegeven aan de beschikbare wetenschappelijke gegevens met betrekking tot biodiversiteit, aan voorbeelden van beste praktijken voor het tot stilstand brengen van het verlies aan biodiversiteit en het herstellen van biodiversiteit, en aan informatie over innovatie en ontwikkeling op basis van de natuur, en dat gezorgd wordt voor de uitwisseling hiervan tussen beleidsmakers en de belangrijkste betrokken partijen, en dat de relevante ICT's een cruciale rol toekomt bij het aanbieden van nieuwe mogelijkheden en instrumenten; verwelkomt daarom de instelling, door de Commissie, van het zakelijke biodiversiteitsplatform van de EU, en moedigt de Commissie aan om het platform verder te ontwikkelen en verdere samenwerking tussen overheden en bedrijven binnen Europa, met inbegrip van KMO's, te bevorderen;

48.  vraagt het webportaal van het Biodiversiteitsinformatiesysteem voor Europa (BISE) beschikbaar te maken in alle officiële EU-talen om bij te dragen aan de uitwisseling van gegevens en informatie;

Ecosystemen en ecosysteemdiensten handhaven en herstellen

49.  merkt de eis onder het CBD op dat tegen 2020 15 % van de aangetaste ecosystemen dient te zijn hersteld; beschouwt dit echter als een minimum en hoopt dat de EU zich een aanzienlijk hoger herstelpercentage ten doel stelt dat haar eigen ambitieuzere hoofdstreefdoel en haar visie voor 2050 weerspiegelt, rekening houdend met landenspecifieke omstandigheden op het vlak van natuur; dringt er bij de Commissie op aan om duidelijk te bepalen wat er wordt bedoeld met „aangetaste ecosystemen” en om een maatstaf vast te stellen op basis waarvan vooruitgang kan worden gemeten;

50.  dringt er bij de Commissie op aan om uiterlijk in 2012 een specifieke strategie voor groene infrastructuur aan te nemen waarin de bescherming van de biodiversiteit een hoofddoelstelling is; onderstreept dat deze strategie doelstellingen moet omvatten die betrekking hebben op zowel stedelijke als landelijke gebieden, onder andere om zo beter te voldoen aan de bepalingen van artikel 10 van de habitatrichtlijn;

51.  betreurt dat de ontwikkeling van de Strategie voor groene infrastructuur van de Commissie pas voor 2012 is gepland, terwijl in het voorstel voor het Europees infrastructuurpakket wel al energie- en vervoerscorridors zijn geïdentificeerd; verzoekt de Commissie dan ook haar werkzaamheden aan de Strategie voor groene infrastructuur te versnellen en te zorgen voor de verwezenlijking van de voorgestelde doelstelling 2; is het ermee eens dat synergieën tussen energie-, transport- en ICT-projecten gemaximaliseerd moeten worden om zo de negatieve impact op biodiversiteit te beperken, en dat enkel acties die conform met de Unie-wetgeving en in lijn met het relevante Unie-beleid zijn, gefinancierd mogen worden met EU-fondsen;

52.  benadrukt dat het creëren van natuur niet beperkt mag blijven tot de aangewezen gebieden, maar ook aangemoedigd moet worden op andere plekken, zoals in steden, naast autosnelwegen en spoorwegen en op industrieterreinen, om zo een heuse groene infrastructuur tot stand te brengen;

53.  dringt er bij de Commissie op aan om een doeltreffend regelgevingskader uit te werken op basis van het initiatief „Geen nettoverliezen”, waarin rekening wordt gehouden met de in de lidstaten opgedane ervaring en om daarbij ook gebruik te maken van de normen die zijn vastgesteld in het „Business and Biodiversity Offset Programme”; wijst in dit verband op het belang van de toepassing van een dergelijke aanpak op alle habitats en soorten in de EU die niet zijn afgedekt door de EU-wetgeving;

54.  verzoekt de Commissie om bijzondere aandacht te besteden aan soorten en habitats met „functies” van onschatbare economische waarde, aangezien inspanningen om de biodiversiteit in stand te houden in de toekomst gericht zullen zijn op gebieden die op korte termijn economische voordelen zullen opleveren, of waarvan gedacht wordt dat zij dat zullen doen;

55.  erkent dat diensten voor biodiversiteit en ecosystemen in aanzienlijke niet-geldelijke voordelen voor industrieën en andere economische actoren voorzien; nodigt de organisaties die de privésector vertegenwoordigen uit om met voorstellen te komen om biodiversiteit het best te behouden en te herstellen op een betekenisvolle schaal;

56.  erkent de noodzaak om groene infrastructuur, eco-innovatie en de invoering van innoverende technologieën te stimuleren met als doel het creëren van een groenere economie, en verzoekt de Commissie op dit gebied een gids voor goede praktijken op te stellen; dringt er bij de Commissie, de lidstaten en plaatselijke en regionale overheden op aan om de aanbevelingen in de TEEB-studie in aanmerking te nemen, die is bedoeld als nuttig adviserend hulpmiddel voor plaatselijke en regionale beleidsmakers, administratieve krachten en leidinggevenden; benadrukt de noodzaak om de opleiding van begunstigden van de structuurfondsen en het cohesiefonds, en plaatselijke en regionale overheden, die is gericht op het omgaan met de complexe Europese en nationale wetgeving betreffende het beschermen van de natuur en op het vergroten van het bewustzijn over het belang van de afname van de biodiversiteit, uit te breiden en te intensiveren; nodigt de Commissie uit om mechanismen voor technische assistentie in het leven te roepen voor het bevorderen van de kennis op regionaal en plaatselijk niveau over implementatiegerelateerde problemen;

Landbouw

57.  herinnert eraan dat meer dan de helft van het Europees grondgebied wordt beheerd door landbouwers, dat met landbouwgrond belangrijke ecosysteemdiensten worden geleverd, dat deze grond aanzienlijke sociaaleconomische waarde heeft en dat de financiering van het GLB een groot bestanddeel van de begroting van de EU vormt; benadrukt dat de doelstellingen van het GLB zich niet beperken tot voedselvoorziening en plattelandsontwikkeling, maar dat het een uitermate belangrijk instrument is voor biodiversiteit, natuurbehoud, het indammen van klimaatverandering en het onderhoud van ecosysteemdiensten; stelt vast dat in het GLB al maatregelen worden opgenomen gericht op milieubescherming, zoals ontkoppeling, randvoorwaarden en agromilieumaatregelen; betreurt het echter dat deze maatregelen tot nu toe onvoldoende zijn gebleken om het algehele verlies aan biodiversiteit in de EU te stoppen en dat de biodiversiteit van landbouwgronden voortdurend achteruitgaat; verzoekt daarom om een herziening van het GLB in de richting van de voorziening voor compensatie aan boeren voor het ter beschikking stellen van openbare goederen, aangezien de markt er momenteel niet in slaagt de economische waarde van de belangrijke openbare goederen die de landbouw kan leveren te integreren;

58.  benadrukt het verband tussen waterbeheer en biodiversiteit als een onmisbare component voor duurzaam leven en duurzame ontwikkeling;

59.  benadrukt de noodzaak van een overstap van een op middelen gebaseerde aanpak naar een op resultaten gebaseerde aanpak om de efficiëntie van de toegepaste instrumenten te beoordelen;

60.  pleit voor een groenere benadering van pijler I om zo te zorgen voor biodiversiteitsbehoud in het agrarische landschap in bredere zin, verbetering van de infrastructuur en aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering; is verheugd over het hervormingsvoorstel van de Commissie voor het GLB dat voorziet in een „groenere” benadering van het GLB door betalingen binnen pijler I toe te wijzen aan een pakket van fundamentele goede werkmethoden die op het niveau van de landbouwbedrijven worden toegepast, bestaande uit onder meer vruchtwisseling en diversificatie, blijvend grasland, en een minimaal „ecologisch aandachtsgebied”; benadrukt dat dergelijke vergroenende maatregelen werkbaar dienen te zijn en geen onnodige bureaucratie moeten creëren; herhaalt zijn oproep voor steun op basis van het areaal voor het Natura 2000-netwerk onder de regeling inzake rechtstreekse betalingen; is van mening dat hulpbronefficiënte en milieu- en klimaatvriendelijke landbouwpraktijken garant zullen staan voor zowel de duurzaamheid van landbouwbedrijven als de voedselzekerheid op lange termijn en erkent dat het GLB in het bereiken hiervan een belangrijke rol moet spelen;

61.  pleit ervoor dat de „vergroenende” praktijken worden afgestemd op landbouwdiversiteit in de verschillende lidstaten, rekening houdend met, bijvoorbeeld, de specifieke situatie van de Mediterrane landen, waar geen rekening mee wordt gehouden in de voorgestelde drempels met betrekking tot de diversificatie van gewassen en land van ecologisch belang; stelt vast dat samengestelde gewassen, permanente gewassen (olijfgaarden, wijngaarden, appelboomgaarden) of rijstvelden enkele voorbeelden van praktijken zijn die compatibel moeten zijn met „vergroening”, gezien de hoge ecologische waarde en waarde voor het natuurbehoud die sommige van deze landbouwsystemen kunnen hebben;

62.  stelt dat de steun voor overheidsactoren en particuliere spelers die de biodiversiteit van bossen wat betreft soorten, habitats en ecosysteemdiensten beschermen, moet worden verhoogd in het nieuwe GLB, en dat de subsidiabiliteit moet worden uitgebreid naar gebieden die Natura 2000-gebieden verbinden;

63.  pleit voor onderbouwing van alle GLB-betalingen, met inbegrip van diegene die vanaf 2014 worden gedaan, door middel van robuuste randvoorwaarden die bijdragen aan het behoud van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, door inachtneming van de vogel- en habitatrichtlijnen (zonder de huidige normen af te zwakken, van toepassing van 2007 tot 2013), de wetgeving inzake bestrijdingsmiddelen en de kaderrichtlijn water(8); verzoekt om eenvoudige en transparante regelgeving voor de betrokkenen;

64.  pleit voor een aanscherping van pijler II in alle lidstaten van de EU en voor drastische verbeteringen in de aandacht voor het milieu in deze pijler en de effectiviteit van de agromilieumaatregelen daarvan, met inbegrip van verplichte minimumuitgaven voor milieumaatregelen, zoals agromilieumaatregelen, en maatregelen inzake bos en Natura 2000, en steun voor hoge natuurwaarde en biologische landbouw; benadrukt dat de milieumaatregelen van de twee pijlers elkaar moeten versterken;

65.  neemt kennis van het kritische verslag van de Europese Rekenkamer betreffende agromilieuregelingen; stelt vast dat een zeer beperkt aantal milieudoelstellingen is bereikt met de beschikbare 22,2 miljard euro voor 2007-2013; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat toekomstige agromilieufinanciering enkel wordt goedgekeurd onder strikte milieuvoorwaarden;

66.  beklemtoont dat de stijgende vraag naar landbouwbrandstoffen en de verhoogde productiedruk in ontwikkelingslanden die daaruit voortvloeit, de biodiversiteit bedreigen, met name in ontwikkelingslanden, ten gevolge van de degradatie en omvorming van habitats en ecosystemen zoals, onder andere, wetlands en bossen;

67.  is van mening dat de inspectie van landbouwpraktijken aangescherpt moet worden om verlies van biodiversiteit te voorkomen, stelt, met name, dat het lozen van gier gecontroleerd en zelfs verboden moet worden in de meest gevoelige gebieden om ecosystemen te behouden;

68.  roept de Commissie en de lidstaten op het fenomeen van het onbeheerd achterlaten van grond in sommige delen van Europa te onderzoeken om aldus het beoogde behoud van biodiversiteit te ondersteunen en verwoestijning te voorkomen terwijl nieuwe sociaaleconomische mogelijkheden voor plattelandsontwikkeling ontstaan; benadrukt echter de noodzaak van het respecteren van bestaand grondbezit; benadrukt ook dat Europese landbouwers een belangrijke rol spelen als „hoeders” van het landschap;

69.  waarschuwt dat verschillende soorten en habitats met een grote waarde vanuit behoudsperspectief, met inbegrip van die soorten die door EU-wetgeving worden beschermd, afhankelijk zijn van agromilieusystemen waarin de aanwezigheid van de mens een sleutelrol speelt; benadrukt in dit verband het belang van het tot staan brengen en keren van het onbeheerd achterlaten van grond; roept op tot het verlenen van meer steun aan kleine, middelgrote en extensieve landbouw- en familiebedrijven, die het werkelijke behoud van natuurlijke hulpbronnen begunstigen;

70.  roept de Commissie op om in de context van de nieuwe GLB-hervorming haar inspanningen te verhogen voor de steun aan de agrarische sectoren die een bewezen bijdrage leveren aan het behoud van biodiversiteit, en in het bijzonder de bijenteelt; wijst erop dat wilde en inheemse insecten, zoals bijen, zorgen voor 80 % van de bestuiving van zaadplanten, en dat de achteruitgang waarmee ze worden bedreigd een enorme uitdaging betekent voor onze maatschappijen, waarvan de landbouwproductie en daarom ook de voeding, grotendeels afhangt van de bestuiving van zaadplanten; benadrukt daarom dat bij de maatregelen die moeten worden genomen voor de bescherming van biodiversiteit, bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de bijenteelt;

71.  benadrukt dat het belangrijk is dat de achteruitgang van de diversiteit van soorten en gewasvariëteiten, die leidt tot een uitholling van de genetische basis waarvan mens en dier voor hun voeding afhankelijk zijn, een halt wordt toegeroepen en gekeerd wordt; pleit voor de noodzakelijke bevordering van het gebruik van traditionele landbouwvariëteiten die specifiek zijn voor bepaalde regio's; roept op tot aangepaste wetgeving en stimulansen voor de handhaving en de verdere ontwikkeling van een breed gamma aan genetische hulpbronnen voor het landbouwbedrijf, d.w.z. lokaal aangepaste rassen en soorten;

72.  beklemtoont dat er behoefte is aan effectievere samenwerking op Europees niveau op het vlak van wetenschappelijk en toegepast onderzoek naar de genetische diversiteit van planten en dieren met het oog op het behoud ervan, op de versterking van hun vermogen zich aan te passen aan de klimaatverandering en hun effectieve opname in programma's voor genetische verbetering;

Bosbouw

73.  verzoekt om specifieke maatregelen gericht op de verwezenlijking van doelstelling 5 van Aichi volgens welke het tempo waarmee alle natuurlijke habitats, met inbegrip van bossen, verloren gaan tegen 2020 gehalveerd en waar mogelijk tot nul herleid wordt, en dat de degradatie en de versnippering aanzienlijk zijn beperkt;

74.  verzoekt de Commissie, wanneer het onderzoek naar de effecten van de Europese consumptie op de ontbossing is afgerond, de bevindingen hieruit op te volgen met nieuwe beleidsinitiatieven om de vastgestelde effecten aan te pakken;

75.  verzoekt de lidstaten om bosbeheerplannen goed te keuren en toe te passen, rekening houdend met passende openbare raadplegingen en die doeltreffende maatregelen omvatten voor de instandhouding en het herstel van beschermde soorten en habitats en de daaraan gerelateerde ecosysteemdiensten;

76.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan de vaststelling van plannen voor bosbeheer aan te moedigen, onder andere door middel van maatregelen voor plattelandsontwikkeling en het LIFE+-programma; benadrukt de noodzaak om bijzondere biodiversiteitsmaatregelen op te nemen in de plannen voor bosbeheer, met name speciale maatregelen voor de instandhouding van beschermde soorten en natuurlijke habitats, om hun staat van instandhouding te verbeteren, zowel binnen als buiten Natura 2000-gebieden;

77.  dringt er bij de lidstaten op aan dat zij hun bosbouwbeleid zodanig ontwerpen dat dit het belang van bossen voor het beschermen van de biodiversiteit, voor het voorkomen van bodemerosie, voor koolstofopslag en luchtzuivering en voor de handhaving van de waterkringloop, volledig in acht neemt;

78.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat er in de bosbrandinformatiesystemen in hun plannen voor bosbeheer, op ecosystemen gebaseerde maatregelen zijn opgenomen die de weerbaarheid van bossen tegen branden verhogen;

Visserij

79.  verheugt zich over de voorstellen van de Commissie om het GVB te hervormen, die ervoor zouden moeten zorgen dat de ecosysteembenadering wordt uitgevoerd en geactualiseerde wetenschappelijke gegevens dienen als basis voor beheerplannen op de lange termijn inzake alle commercieel geëxploiteerde vissoorten; benadrukt dat we alleen door de duurzaamheid van de visbestanden op lange termijn te garanderen, de economische en sociale levensvatbaarheid van de Europese visserijsector kunnen verzekeren;

80.  benadrukt het feit dat geen enkel land in zijn eentje het probleem van het verlies aan biodiversiteit, met name in mariene ecosystemen, kan oplossen en dat de regeringen van de lidstaten doeltreffender moeten samenwerken en hun inspanningen doeltreffender moeten coördineren, om deze mondiale kwestie aan te pakken; benadrukt dat een krachtige uitvoering van het biodiversiteitsbeleid zowel ten goede komt aan de samenleving als aan de economie;

81.  roept de Commissie en de lidstaten op mariene beschermde zones in te voeren waarin economische activiteiten, waaronder visserij, onderworpen zijn aan een versterkt op ecosystemen gebaseerd beheer, waardoor het mogelijk wordt om de instandhouding van het milieu en het uitoefenen van duurzame visserij met elkaar te verenigen;

82.  benadrukt dat er nog steeds grote leemtes zijn in de kennis inzake de toestand van de mariene ecosystemen en visbestanden, en verzoekt de EU om meer inspanningen te leveren op het gebied van marien onderzoek;

83.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om hun inspanningen bij het verzamelen van wetenschappelijke gegevens inzake visbestanden, waar deze hiaten vertonen, te versterken, met het doel betrouwbaarder wetenschappelijk advies te geven;

84.  roept de Commissie en de lidstaten op om samen te werken met het oog op de oprichting van een Europese kustwacht teneinde de gemeenschappelijke capaciteit voor controle en inspectie te vergroten en de naleving te waarborgen;

85.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om hun inspanningen op te voeren om ervoor te zorgen dat de vangsten tegen 2015 onder de waarde van de maximaal duurzame opbrengst (MDO) blijven, en om bij de vaststelling van MDO's rekening te houden met ecologische overwegingen; benadrukt daartoe dat een gebrek aan toereikende wetenschappelijke gegevens niet aangewend mag worden als excuus om geen actie te ondernemen, en dat in zulke gevallen de visserijsterfte uit voorzorg moet worden verlaagd; herinnert aan de wettelijke verplichting – vastgelegd in de kaderrichtlijn voor een mariene strategie (MSFD)(9) – om ervoor te zorgen dat alle commercieel geëxploiteerde visbestanden zich tegen 2020 binnen de veilige biologische grenzen bevinden;

86.  wijst erop dat het engagement om ervoor te zorgen dat de visbestanden in 2015 in stand zijn gehouden of hersteld zijn op hogere niveaus dan waar de MDO kan worden gerealiseerd, overeenkomstig het hervormingspakket voor het GVB dat de Commissie voorstelt, is goedgekeurd door staatshoofden en regeringsleiders tijdens de wereldtop inzake duurzame ontwikkeling in 2002 in Johannesburg;

87.  onderstreept dat visserijbeheer eraan moet bijdragen de totstandbrenging van een gunstige staat van instandhouding zoals bepaald in de vogel- en habitatrichtlijn en de doelstelling van de milieutoestand (GES) in het kader van de MSFD te bereiken; benadrukt dat beheersplannen voor de lange termijn op verschillende soorten moeten zijn gebaseerd in plaats van op een enkele soort, rekening houdend met alle aspecten van de visbestanden – met name de omvang, de leeftijd en het vruchtbaarheidscijfer – zodat ze een op het ecosysteem gebaseerde benadering beter weerspiegelen, en dat er strikte tijdschema's voor hun ontwikkeling opgesteld moeten worden;

88.  benadrukt dat het nieuwe GVB en alle daarop volgende maatregelen die zijn vastgesteld door de lidstaten, volledig moeten overeenstemmen met Richtlijn 92/43/EEG, Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 2008/56/EG;

89.  benadrukt dat het doel van het voorkomen van teruggooi van minder waardevolle doelsoorten en ongewenste bijvangst van beschermde niet-doelsoorten, met inbegrip van walvisachtigen, zeeschildpadden en zeevogels, moet worden geïntegreerd in het GVB en dringend moet worden uitgevoerd; benadrukt bovendien dat het nieuwe GVB een duidelijke verplichting moet bevatten om niet-doelsoorten met een hoge overlevingskans terug te gooien;

90.  herinnert eraan dat maatregelen gericht op het uitbannen van de teruggooi van te jonge en ondermaatse vis of vangsten boven de quotabeperkingen zodanig ontworpen moeten worden dat wordt vermeden dat ze perverse stimulansen vormen voor het aanlanden en commercialiseren van bijvangst;

91.  onderstreept dat er streefdoelen en termijnen moeten worden opgesteld voor het verminderen van de overcapaciteit zodat een nettovermindering van de vlootcapaciteit kan worden nagestreefd;

92.  merkt op dat de biodiversiteit van het mariene milieu ernstig in gevaar wordt gebracht door illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) en benadrukt dat de samenwerking tussen de lidstaten en derde landen moet worden versterkt om IOO-visserij tegen te gaan;

93.  merkt op dat de aanleg van visreservaten (gebieden waarin de visserij verboden of beperkt wordt), een bijzonder doeltreffende en kostenefficiënte maatregel is om de visbestanden op lange termijn in stand te houden; verzoekt de lidstaten en de Raad in dit verband om visreservaten aan te duiden en de beheersregels die daarin worden toegepast, vast te leggen, met bijzondere aandacht voor kraamgebieden of paaiplaatsen voor visbestanden;

94.  verzoekt de Commissie betrouwbare indicatoren voor ecologische duurzaamheid, inclusief mariene duurzaamheid en duurzaamheid in kustgebieden, te ontwikkelen, om te beoordelen in hoeverre vooruitgang in de richting van de algemene doelstelling van bescherming van de biodiversiteit is geboekt;

Invasieve uitheemse soorten

95.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat maatregelen worden genomen om zowel de introductie van nieuwe invasieve uitheemse soorten in de EU als de uitbreiding van reeds gevestigde uitheemse soorten naar nieuwe gebieden te voorkomen; verzoekt met name om duidelijke richtlijnen in het kader van de GLB-verordening inzake plattelandsontwikkeling om ervoor te zorgen dat ontbossing de biodiversiteit niet schaadt en om financiële steun voor het planten van uitheemse en invasieve soorten te voorkomen; onderstreept dat er behoefte is aan ambitieuze strategieën en bijgewerkte inventarissen op EU- niveau en in de lidstaten; is van mening dat deze strategieën niet uitsluitend gericht moeten zijn op die soorten die als een „prioriteit” worden bestempeld zoals geopperd in doelstelling 5 van de biodiversiteitsstrategie; spoort de Commissie aan, met het oog op een versterking van de kennisbasis, om vergelijkbare activiteiten als die in het kader van het DAISIE-project (Delivering Alien Invasive Species Inventories for Europe) te ondersteunen, om uitheemse soorten te identificeren;

96.  dringt er bij de Commissie op aan om in 2012 een wetgevingsvoorstel in te dienen met een holistische benadering van het probleem van invasieve uitheemse planten- en diersoorten om een gemeenschappelijk EU-beleid op te stellen voor de preventie, het toezicht, de bestrijding en het beheer van deze soorten en voor snelle waarschuwingssystemen op dit gebied;

97.  erkent dat preventie kosteneffectiever en milieuvriendelijker is dan maatregelen die worden genomen na de introductie en vestiging van een invasieve uitheemse soort; roept de Commissie en de lidstaten daarom op voorrang te geven aan het voorkomen van de introductie van invasieve uitheemse soorten, zoals onderschreven in de hiërarchische benadering van dergelijke soorten aangenomen in het Biodiversiteitsverdrag;

98.  benadrukt de noodzaak ervoor te zorgen dat de handel in bedreigde soorten – opgenomen in de Rode Lijst van de Internationale Unie voor het behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen – onderworpen wordt aan verdere beperkingen en, met name, aan strenge regelgeving; roept de Commissie en de lidstaten verder op toezicht te houden en regelmatig verslag uit te brengen over de invoer van exoten en niet-inheemse soorten en zorg te dragen voor de volledige tenuitvoerlegging van de dierentuinenrichtlijn(10); verzoekt de Commissie een verbod op het vangen van dieren in het wild voor de handel in huisdieren te beoordelen en er voorstellen voor te maken;

99.  verzoekt de Commissie om kennis te nemen van bestaande nationale strategieën en actieplannen, en ervoor te zorgen dat er voldoende rekening wordt gehouden met eilandhabitats in de verwachte verordening inzake invasieve uitheemse soorten;

Klimaatverandering

100.  herinnert aan de samenhang tussen biodiversiteit en het klimaatsysteem; is zich bewust van het aanzienlijk negatief effect van klimaatverandering op de biodiversiteit, en onderstreept dat verlies van biodiversiteit inherent bijdraagt aan een verergering van de klimaatverandering vanwege de achteruitgang van de koolstofafvang door de natuurlijke omgeving; benadrukt dat de biodiversiteit dringend beschermd moet worden, onder meer als middel om de klimaatverandering te verzachten en natuurlijke koolstofputten te behouden;

Internationale dimensie

101.  dringt er bij de Commissie op aan dat zij wetgeving voorstelt om het Protocol van Nagoya uit te voeren, zodat de Unie het protocol zo snel mogelijk kan ratificeren;

102.  benadrukt, gezien de mondiale aard van biodiversiteit en ecosysteemdiensten en hun cruciale rol in het bereiken van mondiale doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling, dat de EU-strategie de inspanningen van de EU moet opvoeren om het verlies van biodiversiteit te voorkomen en zo doeltreffender bij te dragen aan het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling tegen 2015;

103.  is van mening dat het behoud van de mariene diversiteit moet worden aangepakt op het hoogste niveau tijdens de Rio+20-top in juni 2012 in Rio de Janeiro;

104.  verwelkomt de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 6 december 2011 over het zorgen voor een duurzame mondiale visserij(11), waarin wordt benadrukt dat dringend inspanningen nodig zijn om tot een duurzaam gebruik van de wereldzeeën en -oceanen te komen;

105.  verwelkomt het plan – gepresenteerd in november 2011 – dat door vier VN-agentschappen (UNESCO, FAO, UNDP en IMO) is ontwikkeld om landen aan te zetten tot een hernieuwing van hun engagement om de afbraak van de oceanen te beperken en gevaren als overbevissing, vervuiling en afname van de biodiversiteit aan te pakken.

106.  spoort de Commissie en de lidstaten aan om een gemeenschappelijke benadering voor natuurbehoud in de EU te blijven bevorderen, juicht het toe dat de Commissie beseft dat zij moet samenwerken met de lidstaten om een effectieve bescherming te waarborgen van de biodiversiteit in de ultraperifere gebieden van de EU en de landen en gebieden overzee, die meer endemische soorten herbergen dan het gehele Europese continent; ziet graag een versterking van de specifieke instrumenten voor het waarborgen en beschermen van de biodiversiteit aldaar, met name van de BEST (vrijwillige regeling ten behoeve van biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de Europese gebieden overzee)-voorbereidende actie, die sinds 2011 door het Parlement wordt gesteund en voorziet in de passende financiering voor de bescherming van biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de ultraperifere gebieden van de EU en de landen en gebieden overzee;

107.  verzoekt de Commissie en de lidstaten van de EU om de multilaterale milieuovereenkomsten strikt toe te passen en te handhaven, met inbegrip van (maar niet beperkt tot) de CITES-overeenkomst en de CMS;

108.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om milieuduurzaamheid doeltreffend te mainstreamen in hun betrekkingen met derde landen en als onderdeel van mondiale processen zoals de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

109.  dringt er bij de Commissie op aan om de bijdrage van het handelsbeleid aan de instandhouding van de biodiversiteit te verhogen en steunt daarom haar voorstel om in alle nieuwe handelsovereenkomsten een hoofdstuk inzake duurzame ontwikkeling op te nemen dat voorziet in substantiële milieubepalingen die van belang zijn in de handelscontext, met inbegrip van biodiversiteitsdoelstellingen;

110.  erkent de toename van de illegale internationale handel in soorten die onder de CITES-overeenkomst vallen; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve om de capaciteit van Interpol in dat opzicht te verhogen en om van de illegale handel in wilde dieren een prioriteit te maken in bilaterale gesprekken met derde landen;

111.  erkent dat de EU een van de grootste invoerders van wilde dieren is en dat zij het behoud van biodiversiteit in andere delen van de wereld beïnvloedt door haar beleid en commerciële activiteiten; roept de EU op maatregelen te nemen om de negatieve invloed van de EU-consumptiepatronen op de biodiversiteit te verkleinen door initiatieven voor duurzame landbouw en handel in wilde dieren op te nemen in alle handelsovereenkomsten;

112.  verzoekt de „Rio+20 Earth Summit” om concrete plannen te maken inzake innovatieve en onafhankelijke financieringsmiddelen voor de bescherming van biodiversiteit in ontwikkelingslanden en dringt erop aan dat de EU en haar lidstaten in dit verband proactief handelen bij het behalen van resultaten;

113.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de EU-ontwikkelingssamenwerking „biodiversiteitsbestendig” te maken om zo het verlies van biodiversiteit te voorkomen, rekening houdend met het feit dat mensen met de laagste inkomens het sterkst afhankelijk zijn van ecosysteemdiensten;

114.  erkent dat het noodzakelijk is te komen tot een economie die stoelt op een kostenefficiënt gebruik van duurzame energie, in combinatie met aandacht voor biodiversiteitsdoelstellingen, en dat zo'n economie aan de verwezenlijking van die doelstellingen zou kunnen bijdragen; vindt het noodzakelijk in deze context om verdere waarborgen te introduceren voor bronnen, efficiëntie en biomassa gebruikt voor energie; dringt er bij de Commissie op aan, ook in dit verband, zo snel mogelijk te verduidelijken welke effecten biobrandstoffen hebben op biodiversiteit, met inbegrip van de effecten op indirect landgebruik, en dringt aan op de vaststelling van effectieve duurzaamheidscriteria voor de productie en het gebruik van alle biobrandstoffen, met inbegrip van vaste biomassa;

Financiering

115.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om alle subsidies te inventariseren die schadelijk zijn voor het milieu, overeenkomstig objectieve criteria, en verzoekt de Commissie om uiterlijk eind 2012 een actieplan (met inbegrip van een tijdschema) bekend te maken waarin die subsidies conform de doelstellingen van Nagoya worden uitgefaseerd;

116.  onderstreept het belang om uit alle mogelijke bronnen financiële steun van zowel de EU als de lidstaten aan te wenden waaronder de ontwikkeling van een specifiek instrument om biodiversiteit te financieren, en innovatieve financiële mechanismen te ontwikkelen – met name habitat banking in samenhang met compensatiemaatregelen – om de doelstellingen die op het gebied van biodiversiteit zijn vastgelegd, te bereiken;

117.  benadrukt dat het nodig is de begroting voor onderzoek naar het milieu en de biodiversiteit in het kader van het volgende kaderprogramma voor onderzoek te verhogen, in overeenkomst met de enorme behoeften en uitdagingen om zowel het verlies van biodiversiteit als de klimaatverandering aan te pakken, om zo bij te dragen aan het invullen van de vastgestelde leemtes in de kennis, en beleid te ondersteunen;

118.  roept de Commissie op om te herevalueren of het huidige regelgevingsstelsel adequaat impuls biedt aan strategieën die biodiversiteit verhogen, en om kosteneffectieve oplossingen voor te stellen om uitgaven voor biodiversiteit te verschuiven van bureaucratie naar bescherming en verbetering;

119.  deelt de opvatting dat goed ontworpen, op marktwerking stoelende instrumenten voor het internaliseren van de externe milieukosten van consumptie- en productieactiviteiten kunnen bijdragen aan het verwezenlijken van de doelstelling van het tot stilstand brengen van het verlies aan biodiversiteit, indien het wordt gecombineerd met stimulansen voor groene investeringen in de betrokken sectoren;

120.  verwelkomt de lancering van het „Business and Biodiversity Platform” door de Commissie om de particuliere sector bij de biodiversiteitsagenda te betrekken;

121.  dringt er bij de Commissie op aan om bij het Parlement en de Raad verslag uit te brengen over de mogelijkheden voor de invoering van betalingen voor ecosysteemdiensten waarbij rekening gehouden moet worden met de rol van de instandhouding van de biodiversiteit;

122.  verzoekt de Commissie en de lidstaten deze nieuwe biodiversiteitsstrategie tegen 2020 volledig uit te voeren en te financieren, door ervoor te zorgen dat bij elke financieringsmaatregel van de EU de wetten inzake biodiversiteit en waterbescherming worden nageleefd;

123.  benadrukt de dwingende noodzaak ervoor te zorgen dat het volgende meerjarig financieel kader (2014-2020) inspanningen ondersteunt om de zes in de biodiversiteitsstrategie vastgestelde doelstellingen te behalen, en dat de financiering voor het LIFE-programma versterkt wordt; benadrukt dat het noodzakelijk is om de nadruk te leggen op projecten rond maatschappelijk verantwoord ondernemen die de biodiversiteit bevorderen;

124.  merkt verder op dat de enorme economische waarde van biodiversiteit een waardevol rendement biedt op de investering in haar behoud; dringt derhalve aan op opvoering van de financiering voor natuurbehoudsmaatregelen;

125.  verzoekt de Commissie en de lidstaten met het oog op afdoende financiering van het Natura 2000-netwerk ervoor te zorgen dat in ten minste 5,8 miljard euro per jaar wordt voorzien via financiering vanuit de EU en de lidstaten; verzoekt de Commissie en de lidstaten bovendien ervoor te zorgen dat er voldoende middelen beschikbaar worden gesteld via verschillende EU-fondsen (bijvoorbeeld via de GLB-fondsen, het Europees fonds voor maritieme zaken en visserij, de cohesiefondsen en een versterkt LIFE+-fonds), met een betere coördinatie en samenhang tussen deze fondsen onder meer middels het concept van geïntegreerde projecten, waarmee tegelijkertijd de transparantie voor de verschillende regio's die subsidies van de EU ontvangen wordt verbeterd; verzoekt om betrokkenheid van de EIB bij de ontwikkeling van innovatieve financieringsinstrumenten en technische diensten en adviesdiensten voor cofinancieringsprojecten op het gebied van biodiversiteit;

126.  uit zijn teleurstelling over de voorgestelde toewijzing voor het nieuwe LIFE-programma, dat, ondanks zijn opmerkelijke succes de afgelopen twee decennia, nog steeds een onbeduidend deel van de EU-begroting krijgt toegewezen; is van mening dat de uitdagingen die in het plan voor biodiversiteit en natuurbehoud worden gesteld, vereisen dat de toewijzing van middelen aan het LIFE-programma aanzienlijk verhoogd wordt;

127.  constateert met bezorgdheid dat het aantal in het kader van het LIFE+-programma gefinancierde projecten in diverse lidstaten elk jaar lager is dan de indicatieve toewijzing; roept de Commissie op om de redenen voor deze onderbesteding te beoordelen en waar nodig veranderingen voor te stellen aan de regels die voor dit programma gelden, met name wat betreft het aandeel van cofinanciering;

128.  erkent het belang van groene overheidsopdrachten en is van mening dat er meer aandacht moet worden besteed aan het gebruik hiervan, met name in door de EU gesubsidieerde openbare instanties; adviseert dat de overheden die verantwoordelijk zijn voor de beheer- en controlesystemen die in de lidstaten zijn opgezet om subsidies uit de structuurfondsen en het cohesiefonds te beheren, hun steun geven aan projecten die in dergelijke procedures voorzien;

129.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om in het kader van het cohesiefonds in de financieringsperiode 2014-2020 te investeren in de bescherming en het herstel van biodiversiteit; adviseert tevens het potentieel van Natura 2000 voor plaatselijke economieën en arbeidsmarkten in beschouwing te nemen;

130.  erkent dat de „groene economie” een manier is om vaardigheden en werkgelegenheid te creëren en verzoekt om dit met financiering te ondersteunen zodat mede hierdoor op plaatselijk niveau kan worden gewerkt aan capaciteitsopbouw en uitbreiding van plaatselijke en traditionele kennis in de strijd om het beschermen van de biodiversiteit; benadrukt het feit dat ongeveer 30 % van alle toewijzingen voor het cohesiebeleid voor 2007-2013 beschikbaar is voor activiteiten die een bepaald effect hebben op duurzame groei; moedigt de lidstaten, en met name lokale en regionale autoriteiten, aan om in het belang van het tegengaan van biodiversiteitsverlies actiever te zijn en meer pogingen te doen om te investeren in natuurlijk kapitaal en voor de instandhouding van natuurlijke rijkdommen en de aanpassing aan de klimaatverandering gebruik te maken van voor de preventie van natuurrampen bestemde middelen voor regionaal beleid, met name met het oog op de programmeringsperiode 2014-2020;

131.  spoort de lidstaten aan de mogelijkheid om de huidige operationele programma's af te stemmen op de doelstellingen van Europa 2020 inzake duurzame groei ten volle te benutten door investeringsprioriteiten voor projecten te heroverwegen, en dringt er bij hen op aan de beschikbare hulpbronnen effectiever in te zetten;

o
o   o

132.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 50 E van 21.2.2012, blz. 19.
(2) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 103.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0297.
(4) http://www.teebweb.org
(5) PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.
(6) PB L 206 van 22.07.92, blz. 7.
(7) PB C 16 E van 22.1.2010, blz 67.
(8) Richtlijn 2000/60/EG (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(9) Richtlijn 2008/56/EG (PB L 164 van 25.06.08, blz. 19).
(10) Richtlijn 1999/22/EG (PB L 94 van 09.04.99, blz. 24).
(11) A/RES/66/68.


Herziening van het zesde milieuactieprogramma en vaststelling van prioriteiten voor het zevende milieuactieprogramma
PDF 242kWORD 75k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 april 2012 over de herziening van het zesde milieuactieprogramma en vaststelling van prioriteiten voor het zevende milieuactieprogramma – Een beter milieu voor een beter bestaan (2011/2194(INI))
P7_TA(2012)0147A7-0048/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie „Het zesde milieuactieprogramma - Eindbeoordeling” (COM(2011)0531),

–  gelet op artikelen 191 en 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van de menselijke gezondheid en het milieu,

–  gezien de conclusies van de Raad Milieu van 10 oktober 2011 over de evaluatie van het zesde milieuactieprogramma en de weg vooruit: naar een zevende milieuactieprogramma van de Unie,

–  gezien het rapport van het Europees Milieuagentschap „Het milieu in Europa – toestand en verkenning 2010” (SOER 2010),

–  gelet op technisch verslag nr. 15/2011 van het Europees Milieuagentschap „Revealing the costs of air pollution from industrial facilities in Europe” (Berekening van de kosten van luchtverontreiniging in industriële installaties in Europa),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020” (COM(2011)0244),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Routekaart naar een koolstofarme economie in 2050” (COM(2011)0112),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Stappenplan voor een efficiënt hulpbronnengebruik in Europa” (COM(2011)0571),

–  gezien het Witboek van de Commissie „Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem” (COM(2011)0144),

–  gezien het voorstel van de Commissie over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (COM(2011)0398),

–  gezien de voorstellen van de Commissie over de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) en het cohesiebeleid,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0048/2012),

A.  overwegende dat het huidige zesde milieuactieprogramma (MAP) op 22 juli 2012 zal aflopen;

B.  overwegende dat het zesde MAP tien jaar lang een overkoepelend kader heeft geboden voor het milieubeleid, in welke periode milieuwetgeving is geconsolideerd en substantieel is aangevuld, en overwegende dat de vaststelling van wetgeving via de medebelissingsprocedure de legitimiteit heeft vergroot en een gevoel van betrokkenheid bij het beleid heeft helpen creëren; overwegende dat de lidstaten en de Commissie echter niet altijd in overeenstemming met dit programma hebben gehandeld en dat het echter ook een paar tekortkomingen vertoont, waar iets aan gedaan moet worden;

C.  overwegende dat er wisselende vooruitgang geboekt is bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het zesde MAP, waarbij sommige doelstellingen bereikt zijn (klimaatverandering, afval), andere doelstellingen niet (lucht, stedelijke gebieden, natuurlijke hulpbronnen), de verwezenlijking van weer andere doelstellingen afhankelijk is van de implementatie die in de toekomst moet worden uitgevoerd (chemische stoffen, bestrijdingsmiddelen, water) en er nog steeds een aantal uitdagingen blijven bestaan en er aanvullende inspanningen nodig zijn;

D.  overwegende dat het zesde MAP helaas gekenmerkt wordt door een gebrekkige uitvoering van het milieu-acquis op het vlak van de beheersing van luchtverontreiniging, water- en afvalwaterzuivering, afval en natuurbehoud;

E overwegende dat de doelstelling om de achteruitgang van de biodiversiteit tegen 2010 een halt toe te roepen, niet verwezenlijkt is vanwege een gebrek aan politieke en financiële inzet;

F.  overwegende dat het rapport „Het milieu in Europa – toestand en verkenning 2010” (SOER 2010) erop wijst dat de belangrijkste uitdagingen op milieugebied nog steeds bestaan, en grote gevolgen zullen hebben als zij niet worden aangepakt;

G.   overwegende dat bepaalde aspecten van de milieuwetgeving herzien moeten worden, waarbij in het bijzonder het onafhankelijke karakter van de milieueffectbeoordeling moet worden versterkt;

H.  overwegende dat de verslechtering van het milieu – luchtverontreiniging, lawaai, chemische stoffen, slechte waterkwaliteit en achteruitgang van ecosystemen – een belangrijke factor is in de opmars van chronische ziekten; overwegende dat een ambitieuze EU-agenda voor milieubescherming daarom onmisbaar is voor de effectieve preventie van ziekten en gezondheidsproblemen;

I.  overwegende dat er nog steeds grote verschillen bestaan tussen de lidstaten ten aanzien van de kwaliteit van het milieu en de volksgezondheid;

1.  wijst erop dat het zevende MAP zo snel mogelijk moet worden goedgekeurd, om de milieu-uitdagingen van de toekomst aan te pakken; dringt er daarom bij de Commissie op aan onverwijld een voorstel voor het zevende MAP te presenteren;

2.  is van mening dat de milieu-uitdagingen waarmee de EU geconfronteerd wordt, met inbegrip van de versnelde klimaatverandering, de verslechtering van ons ecosysteem en de toenemende overexploitatie van natuurlijke hulpbronnen, duidelijk beschreven moeten worden in het nieuwe zevende MAP;

3.  benadrukt, in het licht van de huidige uitdagingen met betrekking tot duurzaamheid waarmee de EU geconfronteerd wordt, dat de milieuactieprogramma's, als overkoepelende instrumenten, bijdragen tot de noodzakelijke coördinatie tussen de verschillende beleidsgebieden van de Unie; is met name van mening dat het in het komende decennium nog crucialer wordt om milieukwesties via een meer coherente en geïntegreerde benadering aan te pakken, die rekening houdt met onderlinge verbanden en resterende leemten vult, aangezien er anders onherroepelijke schade kan ontstaan;

4.   is van mening dat het zevende MAP een positieve kijk moet inhouden op de voordelen van een strikt milieubeleid om de steun van de bevolking en de politieke wil om actie te ondernemen te vergroten;

5.  is van mening dat het zevende MAP moet voorzien in concrete doelstellingen voor 2020 alsook in een duidelijke, ambitieuze visie op het milieu in 2050, om iedereen een hoge levensstandaard en welzijn te bieden binnen de grenzen van wat veilig is voor het milieu;

6.  is van mening dat het tijdschema voor het zevende MAP afgestemd moet worden op het meerjarig financieel kader voor de periode na 2013 en de Europa 2020-strategie wijst er echter op dat er waarschijnlijk belangrijke beslissingen genomen zullen worden op andere beleidsterreinen die grote gevolgen hebben voor het milieu, voordat het zevende MAP wordt aangenomen;

7.  herinnert eraan dat het zevende MAP het juiste kader moet bieden voor een adequate financiering, met inbegrip van financiering van innovatie, onderzoek en ontwikkeling, en dat de financiering voor milieudoelstellingen, in synergie met LIFE en het volledig rekening houden met milieubescherming een belangrijk onderdeel moeten zijn van het volgende meerjarig financieel kader, de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), van het cohesiebeleid en Horizon 2020; is in het bijzonder van mening dat de EU moet voorzien in nieuwe financieringsbronnen voor het MAP, bijvoorbeeld door gebruikmaking van marktinstrumenten en betalingen voor ecosysteemdiensten;

8.  is van mening dat het MAP een overkoepelend kader moet zijn dat de mogelijkheden biedt om nog steeds bestaande en nieuwe uitdagingen op milieugebied aan te pakken, waarbij bestaande en geplande maatregelen voldoende in aanmerking worden genomen;

9.  is van oordeel dat het zevende MAP voor het komende decennium dient te verzekeren dat de milieukeuzes van de EU voldoende duidelijk en voorspelbaar zijn voor nationale en plaatselijke overheden, burgers, ondernemingen en beleggers; is van mening dat dit overkoepelende EU-programma een duidelijk politiek signaal moet afgeven aan de rest van de wereld en moet bijdragen tot de totstandbrenging van internationale governance op milieugebied;

10.  verzoekt de Commissie haar toekomstige voorstel op de volgende drie „i's” te baseren:

   - Implementatie en versterking
   - Integratie
   - Internationale dimensie

11.  is van mening dat veel van de doelstellingen van het zesde milieuactieprogramma goed opgesteld zijn, maar beseft tevens dat vele doelstellingen verre van verwezenlijkt zijn; wil daarom graag meer van deze doelstellingen overgeheveld zien naar het zevende MAP;

12.  wenst te benadrukken dat het voorzorgsbeginsel het milieubeleid van de EU moet sturen;

Implementatie en versterking

13.  constateert bezorgd dat de implementatie van de bestaande milieuwetgeving nog onvoldoende is; is van mening dat volledige implementatie en handhaving op alle niveaus, alsook verdere versterking van de belangrijkste milieuprioriteiten – klimaatverandering, biodiversiteit, hulpbronnen, milieu en gezondheid, het sociale en werkgelegenheidsbeleid, energie, duurzaam vervoer, duurzame landbouw en plattelandsontwikkeling – en de daaraan gerelateerde beleidsprioriteiten van cruciaal belang zijn; benadrukt daarom de behoefte aan duidelijke, samenhangende milieuwetgeving die gebaseerd is op openbare beleidsevaluaties en feedback;

14.  benadrukt het feit dat de volledige naleving van de EU-milieuwetgeving een werkelijke verplichting uit hoofde van het Verdrag is en een criterium voor het gebruik van de EU-fondsen in de lidstaten;

15.  onderstreept het fundamentele belang van informatie aan de burgers over ons milieubeleid om hen te betrekken bij het welslagen van zulk beleid. verzoekt daarom dat er in het toekomstige actieprogramma meer op dit gebied moet worden gedaan, aangezien een beter milieu voor een beter leven niet eenzijdig vanuit de instellingen gerealiseerd kan worden, zonder steun van de samenleving zelf;

Klimaatverandering

16.  is van mening dat het zevende MAP volledige implementatie van het klimaat- en energiepakket moet verzekeren en moet zorgen voor een versterking van dit pakket;

17.  is van mening dat het zevende MAP bindende streefdoelen voor energie-efficiëntie en/of energiebesparing moet inhouden daar dit zal bijdragen tot de bestrijding van de klimaatverandering en de bescherming van het milieu; wijst op het belang van een flexibel EU-kader om te verzekeren dat de voorgestelde energie-efficiëntiemaatregelen voldoende rekening houden met de specifieke situatie in elke lidstaat;

18.  is van mening dat er in het zevende MAP ook aandacht besteed moet worden aan de periode na 2020 en dat er nagedacht moet worden over doelstellingen op middellange termijn voor emissiereductie, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie tegen 2030;

19.  meent dat het zevende MAP ook maatregelen moet inhouden voor maritieme en niet-CO2-emissies;

20.  is van mening dat het zevende MAP adequate maatregelen moet inhouden voor aanpassing aan de klimaatverandering, waarin rekening wordt gehouden met wat specifiek noodzakelijk is in de verschillende regio's, op basis van de toekomstige aanpassingsstrategie van de EU; roept de Commissie op om een ambitieus voorstel in te dienen voor de hervorming van het EU-beleid betreffende plantengezondheid om de verspreiding van invasieve soorten en plagen, die in sommige gevallen het gevolg zijn van de klimaatverandering, doeltreffend te bestrijden;

21.  erkent de bijkomende voordelen van een toenemende productie van hernieuwbare energie voor het beperken van de verontreiniging en voor de volksgezondheid, mits hierdoor de productie van niet-hernieuwbare energie wordt teruggedrongen;

22.  beveelt aan om meer steun te bieden voor regionale koolstofarme, klimaatbestendige strategieën en kleinschalige klimaatprojecten van KMO's, NGO's en plaatselijke autoriteiten uit hoofde van het subprogramma „klimaatmaatregelen” van het nieuwe LIFE-programma dat door de Commissie is voorgesteld;

Efficiënt en duurzaam gebruik van hulpbronnen

23.  herinnert eraan dat het gebruik van hulpbronnen absoluut verminderd moet worden; verzoekt de Commissie om het concept „efficiënt gebruik van hulpbronnen” ruim te interpreteren, zodat alle hulpbronnen eronder vallen; wijst erop dat deze bijvoorbeeld natuurlijke energiebronnen en andere hulpbronnen, zoals water, ecosystemen en biodiversiteit omvatten; verzoekt de Commissie voorts om een duurzaam beheer van materialen en een duurzame productie en consumptie op te nemen in het concept „efficiënt gebruik van hulpbronnen”;

24.  is van mening dat het zevende MAP een instrument moet zijn dat bijdraagt aan het bereiken van een doel op lange termijn, namelijk de vermindering van de ecologische voetafdruk met 50% binnen de komende 20 jaar; wijst erop dat de buitensporige ecologische voetafdruk van de EU ondermijnend is voor de regionale en mondiale vooruitzichten op natuurlijke ecosystemen die de mens voldoende kunnen onderhouden;

25.  is van mening dat de doelstellingen van de Routekaart voor een efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa onverkort moet worden opgenomen in het zevende MAP;

26.  verzoekt de Commissie eventueel bestaande indicatoren voor hulpbronnenefficiëntie reeds te gebruiken – en te verbeteren – , en onverwijld doelen vast te stellen in nauwe samenwerking met de lidstaten en alle andere belanghebbenden en waar nodig zo spoedig mogelijk nieuwe indicatoren en streefdoelen te ontwikkelen, zoals gevraagd in de routekaart; roept de Commissie op om, in het licht van de beperkingen van de kernindicator voor de hulpbronnenproductiviteit, onverwijld een indicator vast te leggen voor het gebruik van materialen waarbij uitgegaan wordt van een benadering op basis van de levenscyclus en waarin verborgen stromen, i.e. het feit dat de milieudruk mogelijk wordt verplaatst naar buiten de EU, en de verplaatsing van tekortkomingen en afhankelijkheid, worden opgenomen;

27.  is van mening dat het zevende MAP moet voorzien in de ontwikkeling van een regelgevingskader voor mainstreaming in relevante beleidsterreinen, in het bijzonder duurzame productie, het begrip van cascadering van hulpbronnen, om ervoor te zorgen dat onze schaarse grondstoffen optimaal benut worden;

28.  is van mening dat het zevende MAP doelstellingen moet bevatten met betrekking tot specifieke maatregelen voor het stedelijke milieu, waar de meerderheid van de Europese burgers woont, waar meer dan twee derde van de CO2-emissies wordt uitgestoten en dat een aanzienlijke impact heeft op het milieu, en dat het een koers moet uitzetten voor de bevordering van een geïntegreerde milieuplanning in steden, duurzame mobiliteit, kwaliteit van het bestaan en volksgezondheid in de steden, rekening houdend met het subsidiariteitsbeginsel;

29.  roept de Commissie en de lidstaten op om, met het oog op de uitvoering van strategieën ter vermindering van vervuiling in stedelijke omgevingen, te onderzoeken of een Europees ondersteunend netwerk kan worden opgezet voor de geleidelijke invoering van stedelijke mobiliteitsplannen in Europese steden, en zo op Europees niveau procedures en financiële steunregelingen vast te stellen voor de realisatie van stedelijke mobiliteitsaudits en stedelijke mobiliteitsplannen en de invoering van een Europees scorebord stedelijke mobiliteit;

30.  meent dat het zevende MAP maatregelen moet inhouden voor de volledige verwezenlijking van de doelen van de routekaart voor duurzame en milieubewuste consumptie en productie, bijvoorbeeld wat betreft vergroening en verduurzaming van overheidsopdrachten, in overeenstemming met de beginselen van transparantie en eerlijke mededinging; dringt aan op de ontwikkeling van een productbeleid dat de gehele levenscyclus van het product in aanmerking neemt en waarbij gelet wordt op diervriendelijke productiemethodes; verzoekt de Commissie om, zodra de geharmoniseerde Europese methode voor het berekenen van de ecologische voetafdruk van producten is voltooid, ervoor te zorgen dat aanvullende informatie voor consumenten over de milieu-effecten van producten die niet onder de huidige regelingen vallen (milieukeurmerk, energielabel, certificering van biologische producten, enz.) wordt opgenomen; verzoekt de Commissie de werkingssfeer van de richtlijn Ecodesign te verruimen en de implementatie te evalueren;

31.  is van mening dat het zevende MAP moet aansporten tot het uitwerken van stimulerende regelingen om de vraag naar gerecyclede materialen, in het bijzonder in afgewerkte producten, te bevorderen;

32.  staat op het standpunt dat het zevende MAP moet voorzien in de volledige implementatie van afvalwetgeving, met inbegrip van de naleving van de afvalverwerkingshiërarchie, en tegelijk de samenhang met ander EU-beleid moet verzekeren; meent dat er ambitieuzere streefdoelen moeten worden vastgesteld voor preventie, hergebruik en recycling van afval, waaronder ook vallen een netto vermindering van de afvalproductie, geen verbranding van afval dat geschikt is voor recycling of compostering, in overeenstemming met de afvalhiërarchie van de kaderrichtlijn afval, en een strikt verbod op het storten van gescheiden ingezameld afval alsook sectorale doelstellingen voor het efficiënt gebruik van hulpbronnen en criteria voor de efficiëntie van processen; herinnert eraan dat afval ook een hulpbron is en vaak hergebruikt kan worden, wat betekent dat we in dat geval het efficiënte gebruik van hulpbronnen kunnen verzekeren; roept de Commissie op te onderzoeken hoe afval van consumptieproducten efficiënter ingezameld kan worden, zowel door uitbreiding van het beginsel van de uitgebreide verantwoordelijkheid van producenten, als door richtsnoeren voor het beheer van hergebruik-, inzameling- en recyclingsystemen voor afval; benadrukt de noodzaak om te investeren in hergebruik van grondstoffen en zeldzame aardmetalen, aangezien ontginning, raffinage en recycling van zeldzame aardmetalen ernstige gevolgen voor het milieu kan hebben indien dit niet adequaat worden beheerd;

33.  is van mening dat de doelstellingen voor de inzameling en het sorteren van afval die reeds in verschillende richtlijnen zijn vastgelegd, verder uitgewerkt dienen te worden en gericht moeten zijn op een maximaal en optimaal hergebruik van materialen in elke fase van het recyclingproces, namelijk inzameling, ontmanteling, voorbehandeling en recycling/raffinage:

34.  is van mening dat er in het zevende MAP rekening gehouden moet worden met de maatregelen van de toekomstige Blauwdruk inzake het waterbeleid van de EU en onderstreept de waarde van een beter gecoördineerde aanpak van de prijsstelling voor water; verzoekt de Commissie de toegang tot oplossingen voor watertekorten, hergebruik van water en ontwikkeling van alternatieve irrigatietechnieken te vergemakkelijken en een optimaal watergebruik in de opeenvolgende fases van de watercyclus te stimuleren, met inbegrip van recycling van water, waar mogelijk, in de landbouw en industrie, en terugwinning van voedingsstoffen en energie uit afvalwater;

35.  verzoekt de lidstaten volledige en effectieve implementatie van de waterregelgeving te verzekeren, en is van mening dat met het oog op de Kaderrichtlijn water en de richtlijn betreffende de beoordeling en het beheer van overstromingsrisico's, er maatregelen ontwikkeld moeten worden om de natuurlijke oevers van rivieren te herstellen en de aangrenzende gebieden opnieuw te bebossen;

36.  dringt er bij de Commissie op aan alle relevante partijen te betrekken bij het formuleren van streefdoelen voor een duurzame ruimtelijke ordening in het zevende MAP; dringt er bij de Commissie op aan in het zevende MAP heikele kwesties in de ruimtelijke ordening, zoals de teloorgang van seminatuurlijke habitats en de vervanging van hoogwaardige akkerbouw door gewassen voor biobrandstoffen, te beschrijven; benadrukt in dit verband de noodzaak van duurzaamheidscriteria voor biomassa en biobrandstoffen, waarbij ook de kwestie van indirecte veranderingen in landgebruik besproken moet worden;

37.  is van mening dat in het zevende MAP de impact van Europese beleidslijnen buiten de EU aan de orde moet komen en verzoekt de Commissie daarom werk te maken van het verkleinen van de voetafdruk in derde landen, in het bijzonder door indirecte veranderingen in landgebruik vanwege biobrandstoffen en biomassa voor energie aan te pakken, en de doelstelling op te nemen dat land met een grote waarde voor het milieu in geen enkel geval omgeschakeld mag worden om gewassen te produceren voor de EU;

Biodiversiteit en bosbouw

38.  onderstreept het belang van onmiddellijke actie, om de EU op het juiste spoor te zetten om haar eigen hoofdstreefdoel ten aanzien van biodiversiteit voor 2020 volledig te verwezenlijken, alsook haar mondiale verbintenissen inzake de bescherming van de biodiversiteit na te komen aangezien een nieuwe mislukking op dit vlak uit den boze is, en in voldoende middelen voor het behoud van het Natura 2000-netwerk te voorzien; is van mening dat de problemen die zich hebben voorgedaan bij het bereiken van het streefdoel voor 2010 erop wijzen dat een grondige analyse van de tot nu toe gebruikte methoden nodig is; meent dat integrale strategische onderzoeken, waaronder onderzoek naar factoren die van invloed kunnen zijn op beschermde gebieden, uitgevoerd moeten worden; meent dat deze onderzoeken in de stedelijke planning opgenomen moeten worden en gepaard moeten gaan met educatieve en voorlichtingscampagnes over het belang van plaatselijke hulpbronnen en het behoud daarvan;

39.  meent dat de doelstellingen van de EU 2020-strategie voor biodiversiteit, met inbegrip van de hierin vastgestelde streefdoelen en acties, volledig moeten worden opgenomen in het zevende MAP als middel om de volledige tenuitvoerlegging ervan te verzekeren; meent dat sommige acties op de korte termijn versterkt moeten worden om ervoor te zorgen dat biodiversiteit duidelijker aan bod komt op alle beleidsgebieden, en dat er aanvullende acties nodig zijn (bijvoorbeeld maatregelen voor het herstel van gedegradeerde ecosystemen) om de doelstelling voor 2020 te verwezenlijken; benadrukt dat het zevende MAP zal voorzien in een solide kader om de goedkeuring van de nodige juridische en financiële instrumenten te ondersteunen, te beginnen met een gegarandeerde financiering voor Natura 2000;

40.  benadrukt dat financiële steun, zowel van de EU als van de lidstaten, uit alle mogelijke bronnen moet worden gemobiliseerd en dat innovatieve financieringsmechanismen moeten worden ontwikkeld om een adequate bescherming van de biodiversiteit te verzekeren;

41.  verzoekt de Commissie voor eind 2012 een mededeling over de nieuwe Europese Bosbouwstrategie te publiceren om doeltreffende maatregelen voor te stellen ter verbetering van de samenwerking tussen de lidstaten op het vlak van bosbouw en ter stimulering van een rationeel gebruik van bosbouwhulpbronnen en een duurzaam bosbeheer;

42.  beveelt aan om in het nieuwe gemeenschappelijke landbouwbeleid sterker de nadruk te leggen op bossen door bevordering van agrobosbouw en een beleid voor plattelandsontwikkeling dat gebaseerd is op duurzame landschappen;

43.  verzoekt om de invoering van een nieuwe communautaire verordening betreffende brandpreventie of stelt voor om op zijn minst de samenwerking tussen de lidstaten op dat vlak te versterken;

Milieukwaliteit en gezondheid

44.  is van mening, gezien het feit dat slechte milieuomstandigheden een grote invloed hebben op de gezondheid, die hoge kosten met zich brengt, dat het zevende MAP met name moet voorzien in:

   de handhaving van de doelstelling van het zesde MAP om ervoor te zorgen dat voor 2020 chemische stoffen enkel geproduceerd en gebruikt worden op manieren die geen aanzienlijke negatieve gevolgen voor de gezondheid en het milieu hebben;
   maatregelen voor de luchtkwaliteit, met inbegrip van de luchtkwaliteit binnenshuis, en het effect hiervan op de gezondheid;
   aanpak van geluidsoverlast en het effect hiervan op de gezondheid;
   de ontwikkeling van specifieke maatregelen in verband met nieuwe risico's voor de gezondheid van mens en dier die momenteel niet voldoende aandacht krijgen, om de gevolgen van nieuwe ontwikkelingen voor de menselijke en dierlijke gezondheid te onderzoeken, zoals nanomaterialen, hormoonontregelende stoffen of de combinatie-effecten van chemicaliën, op basis van wetenschappelijke studies en gemeenschappelijk aanvaarde definities, indien voorhanden;
   maatregelen ter bescherming van de gezondheid van kinderen tegen milieuverontreiniging, op basis van de verklaring van Parma van de Europese regio van de WHO van maart 2010;
   aansluiting op het tweede actieplan voor milieu en gezondheid;

45.  onderstreept dat het zevende MAP specifieke doelstellingen moet omvatten om te verzekeren dat de gezondheid van de Europese burgers tegen 2020 niet meer ondermijnd wordt door verontreiniging en schadelijke stoffen;

46.  is van mening dat er volledig rekening moet worden gehouden met de methoden voor risicobeoordeling van chemische stoffen, waarbij alternatieven voor dierproeven voorrang moeten krijgen; is van mening dat het zevende MAP moet voorzien in de goedkeuring van een EU-brede strategie om het aantal dieren dat gebruikt wordt bij veiligheidsproeven te beperken en tegelijkertijd een zo hoog mogelijke levenskwaliteit voor mensen en dieren te verzekeren in de EU;

47.  is van mening dat er een behoefte bestaat aan een totaalbenadering van gezondheid en milieu, die gericht is op voorzorgsmaatregelen en risicopreventie en in het bijzonder rekening houdt met kwetsbare groepen zoals foetussen, kinderen en jongeren;

48.  is van mening dat er inspanningen geleverd moeten worden om meer aandacht te besteden aan preventie, voorzorgsmaatregelen en bevordering van milieuvriendelijke activiteiten op EU-niveau op het vlak van onderzoek, innovatie en ontwikkeling, die tot doel hebben de milieugerelateerde ziektelast te beperken;

49.  is van mening dat het zevende MAP in aandacht moet besteden aan vervoer door meer investeringen in milieuvriendelijke vervoerssystemen te bevorderen wen oplossingen voor te stellen om verkeersopstoppingen en de uitstoot van CO2- en microscopische deeltjes tegen te gaan;

50.  benadrukt dat het belangrijk is dat er in het zevende MAP speciale aandacht besteedt aan de voortgezette geleidelijke afschaffing van kwik, zowel binnen als buiten de EU;

Handhaving

51.  verzoekt de lidstaten toe te zien op de volledige en correcte tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving en de overeengekomen beleidslijnen en strategieën en om te zorgen voor voldoende capaciteit en middelen voor de volledige tenuitvoerlegging ervan, ook in tijden van besparingen, aangezien het niet of onvolledig ten uitvoer leggen van de EU-milieuwetgeving niet alleen onwettig is, maar de samenleving op lange termijn ook veel meer kost;

52.  acht het van essentieel belang het netwerk van de Europese Unie voor de tenuitvoerlegging en handhaving van de milieuwetgeving („IMPEL”) te versterken en dringt er bij de Commissie op aan verslag uit te brengen over mogelijke manieren om dit te doen;

53.  verzoekt de Commissie om systematisch ex-antecontroles toe te passen om de naleving van de relevante EU-wetgeving te controleren, in het bijzonder op het vlak van het cohesiebeleid, alvorens financiering toe te wijzen;

54.  is van mening dat het belangrijk is dat het zevende MAP beschouwd wordt als een instrument voor de communicatie met de Europese burgers, zodat het de burgers kan mobiliseren, onder meer om de handhaving van de overeengekomen beleidsmaatregelen ter plaatse te ondersteunen;

55.  verzoekt de Commissie haar rol als „hoedster van de verdragen” te versterken, om een juiste omzetting, implementatie en handhaving van milieuwetgeving door alle lidstaten te waarborgen; beveelt aan om de plaatselijke autoriteiten nauwer te betrekken bij de hele ontwikkeling van milieubeleid om zo de tenuitvoerlegging van de wetgeving op alle vlakken te verbeteren, en om in dat verband teams op te zetten voor de omzetting van de milieuwetgeving op regionaal en lokaal niveau; verzoekt de Commissie daarom na te gaan welke rol het Europees Milieuagentschap kan spelen in de omzetting en de implementatie;

Integratie

56.  is van mening dat milieuaspecten steeds belangrijker worden in andere beleidssectoren en dat milieubeleid daarom verder in andere beleidsterreinen geïntegreerd moet worden;

57.  verzoekt de Commissie indicatoren te ontwikkelen om verbetering van integratie te kunnen meten;

58.  is van mening dat de doelstellingen van routekaart 2050 slechts haalbaar zijn als er elkaar aanvullende strategieën worden uitgevoerd, met inbegrip van een beoordeling van de landbouw, herbebossing en de invoering van beleidsstimulansen voor innovatie en snelle invoering van mariene, geothermische en zonne-energie;

59.  dringt er bij de Commissie op aan in haar voorstel voor het zevende MAP een geaggregeerde lijst op te nemen van alle bestaande milieugerelateerde streefdoelen voor de verschillende beleidsterreinen, met name klimaatverandering, biodiversiteit, vervoer, energie, landbouw, visserij en cohesiebeleid, en deze in hun onderlinge samenhang onder de loep te nemen en ervoor te zorgen dat de doelstellingen coherent zijn;

60.  verzoekt de Commissie bij het herzien van de richtlijn milieueffectbeoordeling en Richtlijn 2001/42/EG ervoor te zorgen dat deze bijdragen tot een duurzaam gebruik van het land, dat een essentiële hulpbron is in de EU, en tevens de toepassingssfeer van milieueffectbeoordelingen uit te breiden tot andere dan enkel grote projecten, en tegelijkertijd de criteria voor dergelijke beoordelingen aan te scherpen en uit te breiden tot onder meer de concepten „cascadering van hulpbronnen” en „levenscyclusanalyse”;

61.  verzoekt de Commissie om een procedure voor te stellen om de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van milieueffectbeoordelingen te garanderen, in het bijzonder door de directe band tussen projectontwikkelaars en beoordelaars op te heffen;

62.  pleit voor een billijk evenwicht tussen enerzijds de noodzaak om de klimaatverandering te bestrijden en het verlies aan biodiversiteit te stoppen of tegen te gaan, en anderzijds het zevende MAP, zodat de Europese Unie de EU-2020-doelstellingen kan verwezenlijken en onnodige financiële gevolgen van klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit kunnen worden vermeden; onderstreept in deze context het belang van het cohesiebeleid na 2013; benadrukt bovendien, vanuit een preventieve invalshoek, de noodzaak om kosten te beschouwen als investeringen voor de toekomst en voor nieuwe banen, en om voorlichtings-, bewustmakings- en andere campagnes te lanceren met het oog op de uitwisseling van goede praktijken op alle niveaus; onderstreept de noodzaak van een beter gebruik van technische bijstand op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau om de administratieve capaciteit waar nodig te versterken; acht het noodzakelijk om onderzoeks- en innovatiedoelstellingen op efficiënte wijze te koppelen aan plaatselijke en regionale ontwikkelingsbehoeften;

63.  is van mening dat de doelstellingen van routekaart 2050 slechts haalbaar zijn als er elkaar aanvullende strategieën worden uitgevoerd, met inbegrip van een beoordeling van de landbouw, herbebossing en de invoering van beleidsstimulansen voor innovatie en snelle invoering van mariene, geothermische en zonne-energie;

64.  is van mening dat het zevende MAP een stringent en gedetailleerd plan moet inhouden voor de geleidelijke afschaffing voor 2020 van alle subsidies die schadelijk zijn voor het milieu, om de verplichtingen van Nagoya na te komen;

65.  is van mening dat het zevende MAP ervoor moet zorgen dat er naast de huidige kernindicatoren voor klimaatverandering en energie ook andere milieuoverwegingen worden opgenomen in het Europees semester; verzoekt de Commissie in het bijzonder om beleid voor efficiënt gebruik van hulpbronnen, als uiteengezet in de routekaart voor hulpbronnenefficiëntie, te integreren en via het Europees semester toezicht uit te oefenen op de follow-up door de lidstaten van de landenspecifieke aanbevelingen;

66.  onderstreept de belangrijke rol van regionale en lokale bestuursinstanties, niet-gouvernementele organisaties, de academische wereld evenals het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector, in de bevordering en implementatie van een effectief milieubeleid overal in de EU;

67.  is van mening dat, om zinvolle resultaten te verkrijgen, de implementatie van de programma's op regionaal en lokaal niveau verzekerd moet zijn en meer moet steunen op de betrokkenheid van alle belanghebbende partijen; vraagt om aandacht voor de situatie van regio's en gebieden met bijzondere geografische kenmerken, zoals eilanden, berggebieden en dunbevolkte regio's; verwelkomt het voorstel van de Commissie om het gebruik van milieueffectrapportages en strategische milieueffectrapportages in de lokale en regionale besluitvorming op te voeren.

68.  onderstreept dat het zevende MAP moet zorgen voor de volledige tenuitvoerlegging van het Verdrag van Aarhus, in het bijzonder wat betreft de toegang tot de rechtspraak; benadrukt in dit verband dat de richtlijn over toegang tot de rechtspraak dringend moet worden aangenomen; verzoekt de Raad om zijn verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Aarhus na te komen en voor eind 2012 een gezamenlijk standpunt goed te keuren over het overeenkomstige voorstel van de Commissie;

69.  is van mening dat het zevende MAP gericht moet zijn op de ontwikkeling van alternatieve modellen om groei en welvaart „voorbij het bbp” te meten;

70.  roept de Commissie en de lidstaten op om de „groene economie” wereldwijd te promoten, door het integreren van ecologische, sociale en economische aspecten zoals armoedebestrijding;

71.  benadrukt dat het belangrijk is, vooral in het huidige economische klimaat, aan de burgers van de EU te tonen dat milieubescherming niet in strijd is met duurzame economische en sociale ontwikkeling; pleit daarom voor het onder de aandacht brengen van geslaagde projecten en verspreiding van informatie voor het publiek over de haalbaarheid van milieuvriendelijke economische ontwikkeling in belangrijke natuurlijk- en cultureel-erfgoedgebieden zoals het Natura 2000-netwerk;

72.  herinnert eraan dat het zevende MAP het juiste kader moet bieden voor een adequate financiering, met inbegrip van financiering van innovatie, onderzoek en ontwikkeling;

73.  meent dat het LIFE+-programma door de Commissie zou moeten worden beheerd, met de klemtoon op innovatie- en expertiseprojecten, ondersteuning van kmo's en O&O-instellingen en voorrang voor het behoud van biodiversiteit, via een stelselmatige en integrale benadering en met landbouwtechnologieën die verenigbaar zijn met de instandhouding van de bodemkwaliteit en de voedselketen in de ecosystemen van dieren; gelooft dat het LIFE+-programma van de EU breder gepromoot moet worden in alle regio's van Europa om innoverende praktijken op lokaal niveau aan te moedigen en om de invloed en het bewustzijn van de afdeling „milieubeleid en -beheer” van dit programma te vergroten;

74.  roept de Commissie en de lidstaten op om binnen het volgende kaderprogramma voor onderzoek een onderzoeks- en innovatieprogramma te ontwikkelen gericht op nieuwe materialen en hulpbronnen die in de toekomst de bestaande grondstoffen waarvan het aanbod schaars is kunnen vervangen;

Internationale dimensie

75.  meent dat het zevende MAP als doel moet hebben milieuaspecten te integreren in alle externe betrekkingen van de EU, in het bijzonder in ontwikkelingshulp en handelsovereenkomsten, om milieubescherming te bevorderen in derde landen; dringt bij de EU aan op een gezamenlijke programmering met de buurlanden van de onderzoeksactiviteiten op het vlak van milieu;

76.  verzoekt de Commissie in haar voorstel als doel voor de EU de volledige ondersteuning van het werk van de VN, de Wereldbank en het Europees Milieuagentschap inzake milieuboekhouding op te nemen, zodat de wereld kan beschikken over een geharmoniseerd milieuboekhoudingsysteem; is verheugd over de verbintenissen die zijn aangegaan in de biodiversiteitsstrategie van de EU om de kennis over ecosystemen en hun diensten (zoals bossen) in de EU te vergroten; spoort de lidstaten aan om informatie uit te wisselen over hun ervaringen en om hun gegevens over methodes op het vlak van de ecosysteemboekhouding te vergelijken;

77.  meent dat het zevende MAP moet zorgen voor een tijdige implementatie van de internationale verbintenissen van de EU, in het bijzonder in het kader van het UNFCCC en het Biodiversiteitsverdrag;

78.  dringt er bij de Commissie op aan om de resultaten van de Rio+20-conferentie over de groene economie en het versterken van de internationale milieugovernance op te nemen in het zevende MAP;

o
o   o

79.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

Juridische mededeling - Privacybeleid