Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2011/2275(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0330/2012

Ingediende teksten :

A7-0330/2012

Debatten :

PV 20/11/2012 - 17
CRE 20/11/2012 - 17

Stemmingen :

PV 21/11/2012 - 5.11
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0442

Aangenomen teksten
PDF 135kWORD 54k
Woensdag 21 november 2012 - Straatsburg
Controle op de toepassing van het EU-recht (2010)
P7_TA(2012)0442A7-0330/2012

Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het 28e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2010) (2011/2275(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het 28e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2010) (COM(2011)0588),

–  gezien het verslag van de Commissie „Evaluatieverslag EU-Pilot” (COM(2010)0070),

–  gezien het verslag van de Commissie „Tweede evaluatieverslag over EU Pilot” (COM(2011)0930),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 september 2007 „Een Europa van resultaten – toepassing van het gemeenschapsrecht” (COM(2007)0502),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 maart 2002 betreffende betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het gemeenschapsrecht (COM(2002)0141),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 april 2012 „Tot modernisering van het beheer van betrekkingen met de klager inzake de toepassing van het recht van de Unie” (COM(2012)0154),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2011 over het 27ste jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het gemeenschapsrecht (2009)(1),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over het 26ste jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het gemeenschapsrecht (2008)(2),

–  gezien de werkdocumenten van de Commissiediensten SEC(2011)0193, SEC(2011)0194 en SEC(2011)1626,

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2011 over de beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften in 2010(3),

–  gezien artikel 48 en artikel 119, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie constitutionele zaken en de Commissie verzoekschriften (A7-0330/2012),

A.  overwegende dat met het Verdrag van Lissabon een aantal nieuwe rechtsgronden is ingevoerd die de tenuitvoerlegging, toepassing en handhaving van het EU-recht moeten vereenvoudigen;

B.  overwegende dat overeenkomstig artikel 298 VWEU de instellingen, organen en instanties van de Unie bij de vervulling van hun taken op een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat steunen;

C.  overwegende dat milieu, interne markt en belastingzaken de meest inbreukgevoelige beleidsterreinen zijn waar 52% van alle inbreukzaken zich voordoen,

1.  herinnert eraan dat artikel 17 VEU de Commissie de essentiële rol van „hoedster van de Verdragen” toebedeelt; merkt in dit kader op dat de bevoegdheid en de plicht van de Commissie inbreukprocedures in gang te zetten tegen lidstaten die de krachtens de Verdragen(4) op hen rustende verplichtingen niet nakomen, een hoeksteen van de rechtsorde van de EU is en als zodanig strookt met het concept van een op het beginsel van de rechtstaat gegrondveste Unie;

2.  benadrukt het fundamenteel belang van de rechtsstaat als voorwaarde voor de legitimiteit van iedere vorm van democratisch bestuur en als waarborg voor de burgers dat zij hun rechten ten volle kunnen uitoefenen zoals bij wet voorzien;

3.  steunt de slimme-regelgevingaanpak van de Commissie die gericht is op de integratie van het toezicht op de toepassing van het EU-recht in de bredere beleidscyclus, door de Commissie verzoekschriften gezien als een belangrijke preventieve maatregel;

4.  merkt op dat een inbreukprocedure uit twee fasen bestaat: de administratieve (onderzoeks)fase en de gerechtelijke fase voor het Hof van Justitie; beschouwt de rol van de burgers als klagers tijdens de administratieve fase als van vitaal belang waar het gaat om de handhaving van het Unierecht in de maatschappij;

5.  verwelkomt dat de Commissie een groot aantal instrumenten gebruikt om het omzettingsproces soepeler te doen verlopen (controlelijsten voor omzetting, handboeken of toelichtende notities) en moedigt de Commissie aan om de omzetting van richtlijnen voor het einde van de omzettingstermijn nog nauwkeuriger te volgen, met name wat betreft de lidstaten met een slechte „staat van dienst”, zodat zij snel kan ingrijpen;

6.  wijst erop dat volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie bepalingen van richtlijnen direct toepasbaar zijn als deze voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn („direct effect”);

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten gezamenlijk en consequent op te treden om het probleem van „vergulden” aan te pakken;

8.  merkt op dat de Commissie onlangs een nieuwe mededeling heft uitgebracht over het onderhouden van betrekkingen met de klager inzake de toepassing van het recht van de Unie (COM(2012)0154), waarin zij de omstandigheden doorlicht waaronder een klacht wordt geregistreerd en die van invloed zijn op de inbreukprocedure in haar geheel; verzoekt de Commissie met klem bij het regelen van de inbreukprocedure geen gebruik te maken van zachte wetgeving, maar daarvoor de verordening(5) te kiezen, zodat het Parlement als medewetgever volledig betrokken blijft bij een dergelijk belangrijk onderdeel van de rechtsorde van de EU;

9.  betreurt evenwel het enorme aantal zaken wegens niet-mededeling (470 lopende zaken in 2010);

10.  betreurt het gemis in voornoemde nieuwe mededeling van elke vermelding van EU Pilot, door de Commissie zelf omschreven als „werkmethode die zijn degelijkheid heeft bewezen”(6) en die zij bij de behandeling van klachten als eerste stap in de inbreukprocedure gebruikt zodra de mogelijkheid van die procedure zich voordoet(7); merkt op dat EU Pilot in de mededeling nergens wordt genoemd en dat er geen melding wordt gemaakt van de rechten of de bescherming die de klager aan EU Pilot ontleent; concludeert dan ook dat de beslissingen van de Commissie die aan de inbreukprocedure voorafgaan of deze uitsluiten, in die gevallen niet aan de regels inzake transparantie en verantwoordingsplicht beantwoorden, maar volledig op de enkele beoordeling van de Commissie berusten;

11.  vraagt de Commissie de status van het „EU Pilot”-systeem nader toe te lichten en het kader en de regels voor de toepassing ervan duidelijk te omschrijven zodat de burger deze kan begrijpen;

12.  wijst op het aantal lidstaten dat deelneemt aan het EU-Pilotproject (eind 2010 waren dat er 18) en het grote aantal zaken dat kon worden afgesloten nadat het antwoord van de lidstaat als aanvaardbaar werd beoordeeld (81% van de zaken). benadrukt het belang van de kwaliteit van deze beoordelingen, zowel wat betreft de geldige en gecontroleerde informatie als wat betreft de eerbiediging van de door het Hof van Justitie erkende algemene beginselen van het bestuursrecht;

13.  herhaalt zijn standpunt dat de discretionaire bevoegdheid die de Verdragen de Commissie ten aanzien van de inbreukprocedure toekennen, haar grenzen vindt in de rechtsstatelijkheid, het beginsel van rechtsduidelijkheid, de vereisten van transparantie en openheid en het beginsel van evenredigheid, en dat het doel van die bevoegdheid in geen geval in het gedrang mag komen, namelijk de tijdige en correcte toepassing van het EU-recht te verzekeren(8);

14.  neemt nota van het bemoedigende cijfers waaruit blijkt dat 88% van de inbreukzaken die in 2010 werden afgesloten „niet aan het Hof van Justitie is voorgelegd, omdat lidstaten de door de Commissie aan de orde gestelde juridische problemen hadden opgelost voordat het nodig was om de volgende fase van de inbreukprocedure in te leiden”; acht het echter zaak dat het doen en laten van de lidstaten steeds nauwlettend in het oog wordt gehouden, omdat sommige verzoekschriften melding maken van problemen die ook blijven voortduren nadat een zaak afgesloten werd (zie bijvoorbeeld verzoekschriften 0808/2006, 1322/2007, 0492/2010, 1060/2010 en 0947/2011);

15.  benadrukt dat, in het algemeen, bijkomende inspanningen nodig zijn om de transparantie en wederkerigheid in de communicatie tussen het Parlement en de Commissie te verbeteren; merkt bijvoorbeeld op dat er ruimere toegang kan worden geboden tot informatie over klachten, inbreukdossiers en andere handhavingsmechanismen zonder dat daarbij het doel van de onderzoeken in gevaar wordt gebracht en dat een zwaarwegend openbaar belang de toegang tot deze informatie zeker zou rechtvaardigen, vooral in gevallen waar de volksgezondheid en onherstelbare schade aan het milieu op het spel staan;

16.  neemt ter kennis dat de Commissie, voor het bedrijfsklaar maken van EU-Pilot, een vertrouwelijke „online databank” heeft ingericht voor de communicatie tussen diensten van de Commissie en autoriteiten in de lidstaten; vestigt nogmaals de aandacht op het gebrek aan transparantie tegenover de klagers in het project EU Pilot en herinnert aan zijn verzoek om toegang tot de databank waarin alle klachten worden opgeslagen, zodat het Parlement zijn functie kan vervullen en toezicht houden op de rol van de Commissie als hoedster van de Verdragen;

17.  betreurt dat geen gevolg is gegeven aan zijn voormelde resolutie over het 27e jaarverslag, en met name niet aan zijn pleidooi voor een procesrechtelijke regeling in de vorm van een verordening op grond van artikel 298 VWEU waarin de verschillende aspecten van de inbreukprocedure en de precontentieuze procedure nader worden geregeld, zoals de kennisgevingen, bindende termijnen, het recht te worden gehoord, de motiveringsplicht, en het recht van toegang tot het eigen dossier, waardoor de rechten van de burger worden versterkt en de transparantie gewaarborgd blijft;

18.  dringt er daarom nogmaals bij de Commissie op aan op grond van de nieuwe rechtsgrondslag van artikel 298 VWEU een procesrechtelijke regeling in de vorm van een verordening voor te stellen;

19.  neemt dienaangaande kennis van de reactie van de Commissie op het aandringen van het Parlement op procesrechtelijke wetgeving, waarin zij zegt te betwijfelen of een verordening op basis van artikel 298 VWEU mogelijk is, gezien de uit hoofde van de Verdragen aan de Commissie toevertrouwde discretionaire bevoegdheid om zelf te bepalen hoe zij inbreukprocedures voert en maatregelen neemt om te waarborgen dat het EU-recht op de juiste wijze wordt toegepast; is ervan overtuigd dat een dergelijke procesrechtelijke wetgeving de discretionaire bevoegdheid van de Commissie geenszins zou beperken, maar uitsluitend zou waarborgen dat de Commissie bij het uitoefenen van haar bevoegdheid de beginselen voor „een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat” eerbiedigt, in de zin van artikel 298 VWEU en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

20.  benadrukt het belang van transparantie van inbreukprocedures, niet in de laatste plaats met het oog op de mogelijkheid van het Parlement om toezicht te houden op toepassing van het EU-recht; brengt in dit verband in herinnering dat de Commissie in de herziene kaderovereenkomst met het Parlement het op zich neemt om „het Parlement beknopte gegevens ter beschikking [te stellen] over alle inbreukprocedures vanaf de ingebrekestelling, waaronder, zo het Parlement hierom verzoekt, […] de kwesties waarop de inbreukprocedure betrekking heeft” en verwacht dat deze clausule te goeder trouw wordt toegepast;

21.  wijst erop dat verzoekschriften een goed instrument zijn met behulp waarvan burgers, maatschappelijke organisaties en ondernemingen gevallen van niet-naleving van het EU-recht door autoriteiten van de lidstaten op verschillende niveaus kunnen melden; verzoekt de Commissie in dit verband te zorgen voor transparantie in de lopende inbreukprocedures door de burgers tijdig en op passende wijze in kennis te stellen van de maatregelen die naar aanleiding van hun verzoeken worden genomen;

22.  wijst erop dat burgers en maatschappelijke organisaties het stelsel voor verzoekschriften voornamelijk blijven gebruiken om verslag te doen van en klachten in te dienen over gebrekkige naleving van de EU-wetgeving door de verschillende overheidsniveaus van de lidstaten; benadrukt in dat verband de cruciale rol van de Commissie verzoekschriften als doeltreffende schakel tussen de burger, het Parlement en de Commissie;

23.  verwelkomt het specifieke onderdeel betreffende verzoekschriften dat is opgenomen in het 28e jaarlijkse verslag, zoals gevraagd door het Parlement, waarin de Commissie een uitsplitsing geeft van de nieuw ontvangen verzoekschriften; verwelkomt het bericht van de Commissie dat „verzoekschriften aan het Europees Parlement geleid hebben tot inbreukprocedures” op verschillende gebieden; benadrukt dat, zelfs wanneer verzoekschriften niet gaan over inbreuken, deze het Parlement en de Commissie opmerkelijke informatie omtrent de bekommernissen van burgers verschaffen;

24.  benadrukt het aanzienlijke aantal ontvangen verzoekschriften betreffende aangelegenheden in verband met de milieuwetgeving, met name voorzieningen voor afvalbeheer; herhaalt de punten die werden benadrukt door de voorzitter tijdens de conferentie van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving, gehouden op 15 juni 2011, en die verwezen naar een herhaaldelijk gebrek aan degelijke milieueffectbeoordelingen, het negeren van openbare raadplegingen en verschillende andere tekortkomingen in de werking van systemen voor afvalbeheer;

25.  herinnert eraan dat het oorspronkelijke mandaat van het Handvest de codificatie was van de fundamentele rechten die EU-burgers genieten en dat de staatshoofden en regeringsleiders herhaaldelijk plechtig hebben verklaard dat in het Handvest de rechten van de EU-burgers zijn vastgesteld; roept alle lidstaten op de noodzaak van artikel 51 van het Handvest opnieuw in overweging te nemen en moedigt hen aan om eenzijdig te verklaren dat ze de rechten van individuen in hun rechtsgebied niet zullen beperken op grond van de bepalingen in dat artikel;

26.  benadrukt dat burgers, bij het indienen van een verzoekschrift bij het Europees Parlement, verwachten dat ze beschermd zullen worden door de bepalingen van het Handvest, ongeacht de lidstaat waar zij wonen en ongeacht of het EU-recht ten uitvoer wordt gelegd; blijft in dit opzicht bezorgd dat burgers zich misleid voelen omtrent de werkelijke werkingssfeer van het Handvest; vindt het daarom essentieel om het subsidiariteitsbeginsel duidelijk uit te leggen en de werkingssfeer van het Handvest op grond van artikel 51 daarvan te verduidelijken vanuit het oogpunt van het Parlement;

27.  benadrukt dat een wezenlijk deel van de verzoekschriften met betrekking tot de grondrechten verband houdt met het vrij verkeer van personen en dat – zoals duidelijk blijkt uit de mededeling over het EU-burgerschap 2010 – de rechten die voortvloeien uit het EU-burgerschap in het algemeen een belangrijke voorwaarde zijn om de burgers de interne markt volledig te laten benutten; beklemtoont dat, indien de burgers de markt meer benutten, dit het aanzienlijke groeipotentieel van de interne markt kan aanboren en herhaalt daarom, gelet op de huidige economische uitdagingen in Europa, zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten tot grotere inspanningen voor volledige en tijdige omzetting van de EU-wetgeving op dit gebied;

28.  benadrukt voorts dat burgers zich evenzo misleid voelen omtrent de gelding van het gemeenschapsrecht in gevallen van laattijdige omzetting; noemt het een bedroevende waarheid dat burgers voor wie het geldende gemeenschapswetgeving buiten bereik blijft zolang deze door de betrokken lidstaat nog niet is omgezet, zich niet tot enige rechter kunnen wenden om hun rechten te zien erkend;

29.  onderschrijft het standpunt van de Juridische Dienst van het Europees Parlement dat waar het gaat om de ontvankelijkheid van verzoekschriften, de gebieden waar de Europese Unie activiteit kan ontplooien ruimer zijn dan haar bevoegdheden; benadrukt dat deze gedachte als uitgangspunt zou moeten dienen bij de behandeling van verzoekschriften door het Parlement en de Commissie;

30.  herhaalt dat individuele klachten van burgers en ondernemingen nog steeds worden erkend als de belangrijkste bron voor het opsporen van inbreuken tegen het EU-recht en vervolgens voor het inleiden van inbreukprocedures; verzoekt daarom om de invoering van effectievere, juridisch bindende bestuursrechtelijke bepalingen die de procedurele betrekkingen tussen de Commissie en de indieners voor, tijdens en na de inbreukprocedures zeker en betrouwbaar vastleggen en daardoor vooral de positie van de individuele indieners moeten versterken;

31.  noemt het verheugend dat in artikel 260 VWEU als nieuw element is opgenomen dat de Commissie het Hof van Justitie kan verzoeken een lidstaat financiële sancties op te leggen vanwege te late omzetting van een richtlijn wanneer zij bij het Hof een zaak aanhangig maakt op grond van artikel 258 VWEU;

32.  verwelkomt de toezegging van de Commissie dat zij principieel gebruik zal maken van artikel 260, lid 3, VWEU in gevallen van niet-nakoming van een verplichting in de zin van deze bepaling, bestaande in omzetting van een volgens een wetgevingsprocedure aangenomen richtlijn;

33.  acht het van het grootste belang dat de Commissie gebruik maakt van die mogelijkheid, naast alle andere beschikbare middelen om te verzekeren dat de lidstaten de Unie-wetgeving tijdig en correct omzetten; de lidstaten die achterlopen en de wetgeving niet tijdig hebben omgezet, moeten bij name worden genoemd;

34.  wijst erop dat het Parlement, de Raad, de Commissie en de lidstaten sinds het uitbrengen van dit verslag overeenstemming hebben bereikt over de kwestie van toelichtende documenten, waarin de verhouding tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige onderdelen van nationale omzettingsinstrumenten („concordantietabellen”) worden beschreven; merkt op dat de drie instellingen en de lidstaten zijn overeengekomen om in richtlijnen een overweging op te nemen met de strekking dat de betrokken lidstaat een concordantietabel moet opstellen indien dit, in een specifiek geval, nodig en evenredig is;

35.  benadrukt dat concordantietabellen een belangrijk instrument vormen waarmee de Commissie en het Parlement toezicht kunnen uitoefenen op de juiste omzetting en toepassing van het recht van de Unie door de lidstaten, aangezien de relatie tussen een richtlijn en de corresponderende nationale bepalingen vaak zeer complex is en soms vrijwel onmogelijk te herleiden;

36.  vraagt de Commissie om het Europees Parlement duidelijke richtsnoeren te doen toekomen voor het opstellen, invoegen en toepassen van correlatie- tabellen voor in de EU-wetgeving, en tevens een transparante evaluatie uit te voeren aan de hand waarvan zich aanzienlijk beter laat beoordelen in hoeverre die wetgeving op lidstaatniveau is uitgevoerd;

37.  stelt vast dat nationale rechtbanken een essentiële rol vervullen bij de toepassing van het EU-recht en stelt zich volledig achter de inspanningen van de EU om justitiële opleidingen voor justitiële, rechterlijke en administratieve autoriteiten en juristen en ambtenaren bij de nationale overheden alsmede voor regionale en plaatselijke autoriteiten op Europees niveau, te bevorderen en te coördineren;

38.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Europese Ombudsman en de parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten P7_TA(2011)0377.
(2) PB C 99 E van 3.4.2012, bz. 46.
(3) Aangenomen teksten P7_TA(2011)0382.
(4) In de artikelen 258 en 260 VWEU wordt de bevoegdheid van de Commissie om inbreukprocedures tegen de lidstaten in gang te zetten omschreven. Meer in het bijzonder staat in artikel 258 dat de Commissie een met redenen omkleed advies uitbrengt indien zij van oordeel is dat een lidstaat een van de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
(5) Zie paragraaf 7, waar het EP pleit voor „procesrechtelijke wetgeving”.
(6) Tweede evaluatieverslag over EU Pilot (SEC(2011)1626), blz. 7.
(7) Zie bovengenoemd verslag, blz. 3. Zie reeds aangehaalde resolutie van 25 november 2010.
(8) Het Parlement heeft in zijn bovengenoemde resolutie van 25 november 2010 verklaard dat „absolute discretie gepaard aan een absoluut gebrek aan transparantie [...] volledig in strijd met de rechtsstaat” is.

Juridische mededeling - Privacybeleid