Resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2012 over de bescherming van dieren tijdens het vervoer (2012/2031(INI))
Het Europees Parlement,
– gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 10 november 2011 over de gevolgen van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer (COM(2011)0700),
– gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 februari 2012 over de strategie van de Europese Unie voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012-2015 (COM(2012)0006),
– gezien artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat stelt dat de Unie en haar lidstaten bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie ten volle rekening houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel,
– gezien zijn resolutie van 12 oktober 2006 over een communautair actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010(1),
– gezien zijn resolutie van 22 mei 2008 over een nieuwe strategie voor diergezondheid voor de Europese Unie 2007-2013(2),
– gezien zijn resolutie van 5 mei 2010 over de evaluatie en beoordeling van het communautaire actieplan inzake het welzijn van dieren 2006-2010(3),
– gezien zijn resolutie van 15 november 1996 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 95/29/EG van de Raad houdende wijziging van Richtlijn 91/628/EEG betreffende de bescherming van dieren bij het vervoer(4),
– gezien zijn standpunt van 30 maart 2004(5) inzake het voorstel voor een verordening van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97, waarin een maximale transportduur van 9 uur of 500 km wordt voorgesteld voor het vervoer van slachtdieren;
– gezien Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97(6)
– gezien zijn verklaring nr. 54/2009 van 25 februari 2010 over het vervoer van slachtpaarden in de Europese Unie(7),
– gezien zijn verklaring nr. 49/2011 van 30 november 2011 over het vaststellen van een maximale reisduur van acht uur voor slachtdieren die binnen de Europese Unie worden vervoerd(8),
– gezien het wetenschappelijke advies van de Europese autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) betreffende het welzijn van dieren tijdens het vervoer, bekendgemaakt in januari 2011(9),
– gezien het verzoekschrift 8hours.eu, dat door bijna één miljoen Europeanen wordt gesteund en waarin wordt aangedrongen op de vaststelling van een maximale reisduur van acht uur voor slachtdieren,
– gezien artikel 48 van het Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie vervoer en toerisme (A7-0331/2012),
A. overwegende dat dierenbescherming in de 21e eeuw een uiting van menselijkheid is en een uitdaging voor de Europese beschaving en cultuur; overwegende dat alle inspanningen voor de bescherming en het welzijn van dieren moeten uitgaan van wetenschappelijke bevindingen en van het beginsel dat dieren wezens met gevoel zijn en dat met hun specifieke behoeften rekening moet worden gehouden overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
B. overwegende dat het vervoer van dieren het resultaat is van economische en logistieke factoren, maar bijkomende kosten voor maatschappij en milieu met zich mee kan brengen (meer verkeer, extra CO2-uitstoot);
C. overwegende dat het vervoer van dieren zowel binnen als buiten de EU moet worden aangepakt en dat dieren uit derde landen grondig moeten worden gecontroleerd en gemonitord, zodat Europese producenten een meer evenwichtige concurrentiepositie krijgen en een stimulans wordt gegeven voor betere normen voor het vervoer van dieren in derde landen;
D. overwegende dat de EU-regelgeving inzake dierenwelzijn niet mag leiden tot een verstoring van de vrije handel in goederen, noch buitensporige kosten met zich mee mag brengen, en dat rekening moet worden gehouden met de specifieke nadelige geografische situatie van de perifere en ultraperifere regio's;
E. overwegende dat het vervoer van vlees en andere dierlijke producten technisch eenvoudiger en ethisch rationeler is dan het vervoer van levende slachtdieren;
F. overwegende dat het langdurige vervoer van dieren in onhygiënische en ongunstige omstandigheden het risico op overdracht en verspreiding van ziekten kan verhogen;
G. overwegende dat een diervriendelijke behandeling een invloed kan hebben op de kwaliteit van dierlijke producten;
H. overwegende dat het slachten van dieren en het verwerken van vlees op een zo kort mogelijke afstand van de plaats waar de dieren worden gekweekt, bevorderlijk kan zijn voor plattelandsgebieden en hun duurzame ontwikkeling; overwegende dat er niet altijd geschikte slachthuizen voldoende dichtbij zijn en dat het ondersteunen van kleine lokale slachthuizen een grote economische uitdaging is; overwegende dat de strenge hygiënevoorschriften en andere eisen die de EU-regelgeving aan dit type inrichtingen stelt, hebben geleid tot herstructureringen en een vermindering van het aantal slachthuizen; overwegende dat daarom moet worden onderzocht hoe lokale slachthuizen economisch levensvatbaar kunnen worden gemaakt;
I. overwegende dat er landen en perifere regio's binnen het EU-grondgebied zijn waar beperkingen op de reistijd en al te beperkende voorwaarden een gevaar kunnen vormen voor de regelmatige bevoorrading van de markt, waardoor sommige bedrijven niet langer economisch levensvatbaar zijn, met alle gevolgen die aan dat verlies van concurrentievermogen verbonden zijn;
J. overwegende dat de omstandigheden waarin dieren worden vervoerd voor iedereen belangrijk zijn;
Algemene beoordeling van het Commissieverslag
1. neemt kennis van het verslag van de Commissie over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad, waarin wordt geconcludeerd dat de verordening een positief effect heeft op het welzijn van dieren tijdens het vervoer, maar waarin er tevens op wordt gewezen dat er bij het vervoer van dieren ernstige problemen blijven bestaan, voornamelijk door een gebrekkige naleving en toepassing in de lidstaten;
2. dringt er bij de Commissie op aan een doeltreffende en uniforme handhaving van de bestaande EU-wetgeving inzake dierenvervoer in alle lidstaten te waarborgen; acht een betere handhaving essentieel om de effectiviteit en uitvoerbaarheid van de bestaande wetgeving te waarborgen, zodat de vervoersomstandigheden worden verbeterd en er in de EU-lidstaten geen concurrentievervalsing optreedt;
3. veroordeelt stellig de zwakke wetenschappelijke basis en gegevens waarop het Commissieverslag is gebaseerd, zoals een studie van een externe contractant die voornamelijk gebaseerd is op een vragenlijst die is ingevuld door partijen die direct betrokken zijn bij of een rechtstreeks belang hebben in het vervoer van dieren;
4. vreest dat het risico bestaat dat de gegevens uit de lidstaten, die zonder mogelijkheid tot exacte verificatie in het verslag zijn opgenomen, in sommige gevallen de huidige stand van zaken op het gebied van vervoer van dieren niet volledig weergeven als gevolg van de verschillende methoden en controlemechanismen die in de lidstaten worden toegepast;
5. geeft uiting aan zijn bezorgdheid dat de mate van handhaving van de voorschriften betreffende dierenvervoer aanzienlijk verschilt in de verschillende lidstaten; dringt er derhalve bij de Commissie op aan maatregelen te nemen om een volledige, geharmoniseerde controle van de vervoeromstandigheden te waarborgen;
6. dringt er bij de Commissie op aan maatregelen te nemen om de samenwerking en communicatie tussen de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten te bevorderen;
7. wijst erop dat het verslag van de Commissie geen volledige raming bevat van alle kosten van dierenvervoer en dat het zich beperkt tot het effect op de handel binnen de EU, regionale en sociaaleconomische gevolgen, het effect op het dierenwelzijn, de wetenschappelijke onderbouwing en controle, en de naleving en handhaving van Verordening (EG) nr. 1/2005; vraagt de Commissie daarom een volledige beoordeling te maken van alle kosten en baten van dierenvervoer voor de economie, het milieu en de maatschappij, met een vergelijking tussen het vervoer van slachtvee en het vervoer van karkassen en voedingsmiddelen, alsook een beoordeling van het effect van het vervoer op de prijs van vleesproducten, met bijzondere aandacht voor de ultraperifere regio's en met inspraak van alle belanghebbenden;
8. verzoekt de Commissie een uitgebreide consumentenvoorlichtingscampagne op te zetten over de Europese regelgeving inzake dierenwelzijn en de consument voortdurend te informeren over de veranderingen die van Europese producenten worden geëist, teneinde hun inspanningen zichtbaarder te maken en de toegevoegde waarde van hun productie te vergroten;
9. benadrukt dat het aantal vervoerde dieren in de verslagperiode 2005-2009 aanzienlijk is gestegen: runderen met 8%, varkens met 70%, schapen met 3%, en dat enkel met betrekking tot paarden een daling van 17% is vastgesteld; benadrukt dat twee derde van de transporten minder dan acht uur duurt, maar dat 4% langer duurt dan de maximale transporttijd en dat dus moet worden gelost en gerust voordat het transport wordt voortgezet; betreurt dat de transporttijd van bijna 2% van de transporten niet beschikbaar was, wat vijf keer meer is dan in 2005;
10. is van mening dat dieren in principe dicht mogelijk bij de plaats waar ze worden gehouden, moeten worden geslacht; merkt in dit verband op dat de consumenten vóór kortere vervoerstijden van slachtdieren zijn, maar tegelijkertijd liever vers vlees kopen; vraagt de Commissie daarom aan te geven welke consequenties hieruit moeten worden getrokken; erkent dat de verordening door een gebrekkige handhaving haar doel qua beperking van het vervoer van slachtdieren niet heeft bereikt, maar meent dat zij een bijdrage heeft geleverd aan het verbeteren van het dierenwelzijn tijdens het vervoer; roept de lidstaten op om de bestaande wetgeving inzake dierenvervoer naar behoren uit te voeren en roept de Commissie op om waar mogelijk plaatselijke verwerking te bevorderen; is van mening dat het EU-beleid moet beogen korte en transparante leveringsketens tot stand te brengen en tegelijk de bevoorrading van de markt in alle lidstaten en in de ultraperifere gebieden te garanderen; benadrukt dat EU-hygiënewetgeving consumenten de best mogelijke bescherming moet bieden, maar de ontwikkeling van mobiele of kleinschalige regionale slachterijen en vleesverwerking niet onnodig in de weg mag staan;
11. verzoekt de Commissie duidelijk te definiëren wat lokale slachthuizen zijn;
12. herinnert eraan dat artikel 32 van bovengenoemde verordening bepaalt dat in het verslag van de Commissie rekening moet worden gehouden met „wetenschappelijk bewijs met betrekking tot de welzijnsnoden van dieren” en dat het vergezeld kan gaan van passende voorstellen betreffende lange transporten;
13. onderschrijft schriftelijke verklaring 49/2011 van het Europees Parlement, waarin steun wordt gegeven aan een maximale reisduur van acht uur voor slachtdieren, maar erkent dat een dergelijke eis alléén niet op wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd; is van mening dat het dierenwelzijn tijdens het vervoer in sommige gevallen eerder afhankelijk is van de juiste voertuigfaciliteiten en een goede behandeling van de dieren, zoals is vastgelegd in het advies van de EFSA van december 2010; vraagt de Commissie en de lidstaten niettemin richtsnoeren op te stellen voor beste praktijken om de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1/2005 te verbeteren en de controlemechanismen te versterken, en zo het dierenwelzijn te waarborgen;
14. dringt erop aan de kwestie van beperking van de transporttijd van slachtdieren tot acht uur, met inbegrip van de laadtijd, opnieuw in overweging te nemen, ongeacht of het transport over land of over water geschiedt, met een aantal uitzonderingen op grond van geografische omstandigheden in de ultraperifere gebieden, beperkte wegennetwerken, afgelegen locaties of wetenschappelijk bevestigde mogelijkheden om bepaalde diersoorten over langere afstanden te vervoeren mits de dierenwelzijnsvoorschriften worden nageleefd; wijst erop dat een transport waarbij het welzijn van de dieren in acht wordt genomen, in geval van onvoorziene vertraging (door file, pech, ongeval, omleiding, overmacht, enz.) onder afweging van alle mogelijkheden moet kunnen worden verlengd;
15. onderstreept dat de Commissie zich in haar conclusies nadrukkelijk aansluit bij het advies van de EFSA dat „bepaalde onderdelen van de verordening niet langer lijken te stroken met de huidige kennis”; meent dat het daarom belangrijk is te onderstrepen dat bij het opstellen van regelgeving inzake dierenwelzijn rekening moet worden gehouden met de recentste wetenschappelijke kennis; wijst erop dat de EFSA in haar advies benadrukt dat het welzijn van dieren ook wordt beïnvloed door andere factoren dan de reisduur, zoals de wijze van laden en lossen en het ontwerp van de voertuigen;
Kosten van dierenvervoer voor de economie, de maatschappij en het milieu en level playing field
16. is op de hoogte van de aanzienlijke investeringen die onder moeilijke economische omstandigheden door veel vervoerders zijn gedaan en is verheugd over de vaststelling in het verslag van de Commissie dat de opleiding van de chauffeurs, de voertuigspecificaties en de kwaliteit van dierenvervoer zijn verbeterd; betreurt dat de vaststelling van de Commissie niet wordt ondersteund door voldoende betrouwbare gegevens; merkt op dat er als gevolg van de aanzienlijke investeringen die moesten worden gedaan, veel – vooral kleinere – boerderijen en slachthuizen zijn verdwenen, met name in de geïsoleerde en perifere gebieden in Europa;
17. wijst op de aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten als het gaat om de kosten van het verbeteren van voertuigen (bijvoorbeeld tussen 250 euro en 6 000 euro voor het plaatsen van satellietnavigatie), wat een grote invloed heeft op het level playing field binnen de interne markt; heeft kritiek op de Commissie omdat deze de redenen voor deze verschillen niet heeft onderzocht;
18. dringt er gelet op bovenstaande opmerkingen bij de Commissie op aan een volledige evaluatie te presenteren van de kosten die het vervoer van dieren met zich meebrengt voor de economie, het milieu en de maatschappij;
19. is van mening dat wetgeving inzake dierenwelzijn in beginsel op wetenschap gebaseerd moet zijn; verzoekt de Commissie derhalve de regels inzake dierenvervoer te actualiseren met betrekking tot de lacunes in de wetgeving ten opzichte van het nieuwste wetenschappelijke bewijs zoals dit door de EFSA is vastgesteld;
20. is verheugd dat de Commissie in haar verslag heeft gebruikgemaakt van het wetenschappelijke onderzoek van de EFSA, dat wijst op de noodzaak om de transporttijd voor paarden aanzienlijk te beperken en strookt met de suggesties in de verklaring van het Europees Parlement van 25 februari 2010;
21. betreurt dat in het verslag van de Commissie geen aanbevelingen voor wetswijzigingen zijn opgenomen, ondanks het nieuwe bewijs van de EFSA inzake de transporttijd voor paarden; vraagt dat de Commissie een aanzienlijk kortere transporttijd van acht uur voorstelt voor alle transporten van slachtpaarden overeenkomstig Richtlijn 2009/156/EG; dringt voorts aan op een grondige en op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde herziening van de normen voor het welzijn van paarden, zo nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen, met een heroverweging van de normen voor voertuigontwerp, ruimte en watervoorziening;
22. wijst erop dat overweging 9 van Verordening (EG) nr. 1/2005 bepaalt dat er zodra de evaluaties van de EFSA beschikbaar zijn, voorstellen met bepalingen betreffende pluimvee moeten worden ingediend; betreurt dan ook dat er in het verslag van de Commissie geen rekening wordt gehouden met het vervoer van pluimvee, ondanks het feit dat pluimvee in Europa de meest vervoerde diersoort is; vraagt de Commissie daarom de bestaande EU-wetgeving inzake het vervoer van pluimvee te herzien op basis van het recentste wetenschappelijke bewijs;
23. vraagt de Commissie en de Raad Verordening (EG) nr. 1/2005 te herzien in het licht van de recentste door de EFSA gepubliceerde wetenschappelijke gegevens, en verbeteringen ten aanzien van de beschikbare ruimte in te voeren, zoals een berekening op basis van kg/m2 voor paarden, een wiskundige vergelijking waarin voor runderen en schapen een verband wordt gelegd tussen grootte en lichaamsgewicht, en een koppeling tussen de maximale bezettingsgraad van mestkuikens in containers en de thermische omstandigheden;
24. roept de Commissie op in bilaterale handelsonderhandelingen met derde landen de toepassing van de voorschriften inzake dierenwelzijn van de EU te eisen en in het kader van de Wereldhandelsorganisatie op te komen voor de internationalisering van de desbetreffende EU-bepalingen;
Controle en handhaving
25. is verheugd over de informatie dat een navigatiesysteem voor het toezicht op dierenvervoer zal worden ingevoerd, maar betreurt tegelijkertijd dat er tussen de lidstaten grote verschillen zijn in de uitvoering en dat dit systeem in het algemeen slechts in beperkte mate zal worden gebruikt voor het toezicht op dierenvervoer; verzoekt de Commissie vóór 1 januari 2014 te komen met wetgevingsvoorstellen om voor de hele EU een gemeenschappelijk kader vast te stellen voor het gebruik van satellietnavigatie om gegevens te verzamelen en toezicht te houden door in realtime gegevens te uploaden;
26. is teleurgesteld dat er geen beter gebruik is gemaakt van nieuwe technologieën, die op dit terrein een nuttig kunnen zijn en de kosten op de lange termijn kunnen verminderen;
27. dringt aan op omschakeling op elektronische technologieën, zodat de lidstaten de opslag en doorgifte van gegevens die gevraagd worden door de verschillende administratieve instanties voor bedrijven kunnen vergemakkelijken;
28. vraagt de Commissie te onderzoeken hoe nieuwe en bestaande technologieën in voertuigen voor dieren kunnen worden gebruikt om de temperatuur en vochtigheid te regelen, te bewaken en te registreren, aangezien dit essentieel is om het welzijn van bepaalde diersoorten tijdens het vervoer te controleren en te beschermen, overeenkomstig de aanbevelingen van de EFSA;
29. benadrukt dat inspecties in de hele EU op uniforme wijze moeten worden uitgevoerd en dat in elke lidstaat elk jaar een voldoende groot percentage van de vervoerde dieren moet worden gecontroleerd, teneinde een goede werking van de interne markt te waarborgen en concurrentieverstoring binnen de EU te voorkomen; roept de Commissie ook op om het aantal VVB-inspecties in verband met dierenwelzijn en het vervoer van dieren te verhogen; is van mening dat de verschillende controle-instrumenten en methoden om gegevens te verzamelen het moeilijk maken om een juist beeld te krijgen van naleving in de afzonderlijke lidstaten; vraagt de Commissie daarom een meer geharmoniseerde rapporteringsstructuur vast te stellen en verdere analyses te verrichten van de gegevens uit VVB-inspectierapporten en uit door lidstaten teruggestuurde vragenlijsten over hun geïntegreerde meerjarige nationale controleplannen;
30. spoort de Commissie aan ervoor te zorgen dat vervoerde dieren aan het einde van het vervoer gecontroleerd worden door een dierenarts;
31. is verontrust over de erg uiteenlopende interpretatie van de voorschriften door de lidstaten, omdat dit de doelstellingen van de verordening in gevaar brengt en de concurrentie verstoort; dringt er bij de Commissie op aan documenten met verduidelijking en richtsnoeren bij de verordening uit te brengen zodat deze niet langer op willekeurige wijze kan worden geïnterpreteerd;
32. merkt op dat eventuele onvolkomenheden bij de omzetting vaak te wijten zijn aan het feit dat de voorschriften in de praktijk niet uitvoerbaar zijn of niet verenigbaar zijn met het nationale recht; dringt er bij de Commissie op aan de huidige verordening te controleren op dergelijke onverenigbaarheden;
33. is verontrust over het feit dat bepaalde lidstaten bereid zijn flagrante inbreuken op de voorschriften van de verordening te tolereren, bijvoorbeeld door onuitvoerbare transportschema's, overbeladen voertuigen en ontoereikende ruimte te aanvaarden;
34. vraagt de grensautoriteiten van elke lidstaat op het gebied van grensoverschrijdende dierentransporten samen te werken en informatie uit te wisselen;
35. vraagt de lidstaten overeenkomstig artikel 25 van de verordening doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties op te leggen voor inbreuken op de verordening; wijst erop dat er tussen verschillende lidstaten verschillen zijn in de straffen en sancties voor dezelfde inbreuken, en vraagt om meer harmonisatie van de sancties in de hele EU om voor een betere handhaving van de verordening te zorgen; verzoekt de Commissie vóór 1 juli 2013 een verslag in te dienen met een analyse van de sancties voor ernstige inbreuken op de voorschriften inzake dierenwelzijn tijdens het vervoer in alle lidstaten, naar analogie met haar verslag over de sancties voor inbreuken op de sociale voorschriften voor het wegvervoer(10);
36. wijst op de bepalingen betreffende verantwoordelijkheid, waarin de verantwoordelijkheid voor het vervoer van ongeschikte dieren onvoldoende duidelijk is om te voorkomen dat ongeschikte dieren worden vervoerd, terwijl de bestrafte personen niet noodzakelijk in staat zijn het vervoer te voorkomen;
37. vraagt de Commissie juridische stappen te ondernemen tegen en sancties op te leggen aan lidstaten die de verordening niet correct toepassen;
38. vraagt de lidstaten hun controles in de hele productieketen te verscherpen om een einde te maken aan praktijken die inbreuken op de verordening vormen en de vervoeromstandigheden van dieren verslechteren, zoals toestaan dat overbeladen voertuigen hun reis voortzetten of dat controleposten met onvoldoende faciliteiten voor rust, voeder en water nog worden gebruikt;
39. is van mening dat een passende scholing en opleiding van de vrachtvervoerders en transporteurs noodzakelijk is om een goede behandeling van de dieren te waarborgen en de basis vormt van de bescherming en het welzijn van de dieren; vraagt alle lidstaten hun scholings- en opleidingsprogramma's uit te breiden en te verbeteren, zoals vereist bij Verordening (EG) nr. 1/2005; merkt op dat de duur en het niveau van de opleidingen sterk verschilt tussen de lidstaten; vraagt daarom om duidelijke EU-richtsnoeren om betere en uniformere opleidingen te ontwikkelen voor chauffeurs en andere dierenbegeleiders;
40. benadrukt de cruciale rol die voor detailhandelaren, voedingsbedrijven en levensmiddelenfabrikanten is weggelegd om ervoor te zorgen dat volgens hun particuliere kwaliteitsnormen vlees afkomstig moet zijn van dieren die lokaal zijn gekweekt en geslacht en onder diervriendelijke omstandigheden zijn vervoerd;
41. spreekt zijn zorg uit over het aantal meldingen van ongeschikte voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van levende dieren, zowel over land als over zee, en roept om de controles op dergelijke praktijken op te voeren;
o o o
42. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.