Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 11 september 2012 - Straatsburg
Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2011/008 DK/Odense Steel Shipyard, Denemarken)
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2011/017 ES/Aragón
 Energie-efficiëntie ***I
 Opheffing van de parlementaire immuniteit van Jaroslaw Leszek Walesa
 Opheffing van de parlementaire immuniteit van Birgit Collin-Langen
 Verondersteld vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen in Europese landen door de CIA
 Versterkte solidariteit binnen de EU op het gebied van asiel
 Europese normalisatie ***I
 Elektronische identificatie van runderen ***I
 Geneesmiddelenbewaking (wijziging van Richtlijn 2001/83/EG) ***I
 Geneesmiddelenbewaking (wijziging van Verordening (EG) nr. 726/2004) ***I
 Zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen ***I
 Bedrijfstoelageregeling en steun voor wijnbouwers ***I
 Administratieve samenwerking via het informatiesysteem interne markt ***I
 Gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's *
 Voorbereiding van het werkprogramma van de Commissie voor 2013
 Vrijwillige en onbetaalde donatie van weefsels en cellen
 De rol van vrouwen in de groene economie
 Arbeidsomstandigheden van vrouwen in de dienstensector
 Onderwijs, opleiding en Europa 2020
 Onlineverspreiding van audiovisuele werken in de EU

Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2011/008 DK/Odense Steel Shipyard, Denemarken)
PDF 219kWORD 54k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2011/008 DK/Odense Steel Shipyard, Denemarken) (COM(2012)0272 – C7-0131/2012 – 2012/2110(BUD))
P7_TA(2012)0304A7-0232/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2012)0272 – C7-0131/2012),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1) (IIA van 17 mei 2006), en met name punt 28 hiervan,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(2) (EFG-Verordening),

–  gezien de trialoogprocedure overeenkomstig punt 28 van het IIA van 17 mei 2006,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7-0232/2012),

A.  overwegende dat de Europese Unie passende wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die gebukt gaan onder de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat het EFG sinds 1 mei 2009 ook werd opengesteld werd voor tot en met december 2011 ingediende aanvragen om steun voor werknemers van wie het ontslag een rechtstreeks gevolg was van de wereldwijde financiële en economische crisis;

C.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers initiërend dient te zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die goedgekeurd is op het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 17 mei 2006 inzake de besluitvorming m.b.t. de beschikbaarstelling van middelen uit EFG;

D.  overwegende dat Denemarken, binnen een referentieperiode van vier maanden, ondersteuning heeft aangevraagd voor 981 personen die ontslagen zijn, waarvan er voor 550 steun wordt aangevraagd, bij de Odense Steel Shipyard en vier toeleverings- en afwerkingsbedrijven in Denemarken;

E.  overwegende dat de aanvraag voldoet aan de criteria voor subsidiabiliteit van de EFG-verordening;

1.   is het met de Commissie eens dat is voldaan is aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 2, onder a), van de EFG-verordening en dat Denemarken bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage op grond van die verordening;

2.  merkt op dat de Deense autoriteiten de aanvraag voor een financiële bijdrage van het EFG op 28 oktober 2011 indienden en dat de Commissie op 6 juni 2012 haar beoordeling ter beschikking stelde; dringt er bij de Commissie op aan om de evaluatieprocedure te bespoedigen, met name als er sprake is van aanvragen bedoeld voor sectoren waarvoor het EFG al meerdere keren is ingezet;

3.  merkt op dat het rechtstreekse verlies aan arbeidsplaatsen waar de twee EFG-aanvragen (deze en EGF/2010/025/Odense Steel Shipyard(3)) betrekking op hebben neerkomt op circa 2% van de plaatselijke beroepsbevolking en dat met het bijkomende verlies aan indirecte arbeidsplaatsen de sluiting van de scheepswerf beschouwd wordt als een zware crisis in de regionale economie;

4.  merkt op dat de Deense autoriteiten in hun beoordeling aangegeven hebben dat slechts 550 van de 981 ontslagen werknemers ervoor zouden kiezen om deel te nemen aan de maatregelen, terwijl anderen zouden besluiten om met pensioen te gaan of dat ze zelf een nieuwe baan zouden zoeken; dringt er bij de Deense autoriteiten op aan om de EFG-ondersteuning volledig te benutten;

5.  merkt op dat het aantal arbeidskrachten in de scheepsbouw in Europa volgens het jaarverslag van 2010-2011 van de Europese vereniging van scheepswerven (CESA - Community of European Shipyards' Associations)(4) de afgelopen drie jaar met 23% gedaald is, van 148 792 werknemers in 2007, tot 114 491 in 2010; en dat EFG-ondersteuning de afgelopen drie jaar al in drie gevallen binnen de scheepsbouwsector ter beschikking gesteld is (EGF/2010/001 DK/Noord-Jutland(5), EGF/2010/006 PL/H Cegileski-Poznan(6) en EGF/2010/025 DK/Odense Steel Shipyard);

6.  is verheugd over het feit dat de gemeentes Odense en Kerteminde, die zwaar getroffen zijn door de ontslagen bij Odense Steel Shipyard, nauw betrokken waren bij de aanvraag in het kader van een strategie voor nieuwe groeimogelijkheden in de regio, die geformuleerd is door een consortium van plaatselijke, regionale en nationale belanghebbenden naar aanleiding van de aankondiging van de sluiting van de scheepswerf in 2009;

7.  verheugt zich over het feit dat de Deense autoriteiten, met het oog op een snelle ondersteuning van de werknemers, besloten hebben met de uitvoering van de maatregelen te beginnen, vooruitlopend op het definitieve besluit over de verlening van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket;

8.  merkt op dat de Deense autoriteiten een relatief duur gecoördineerd pakket van individuele dienstverlening voorstellen (11 737 EUR per werknemer); is echter verheugd over het feit dat het pakket bestaat uit maatregelen die iets toevoegen en innovatief zijn in vergelijking met de gebruikelijke door de arbeidsbureaus aangeboden maatregelen en die aangepast zijnom hooggekwalificeerde werknemers op een moeilijke arbeidsmarkt te ondersteunen;

9.  herinnert aan het belang van een verbetering van de inzetbaarheid van alle werknemers door middel van scholing op maat en de erkenning van de in de loop van het beroepsleven opgedane vaardigheden en bekwaamheden; spreekt de verwachting uit dat de scholing die in het gecoördineerd pakket wordt aangeboden, niet alleen toegesneden is op de behoeften van de ontslagen werknemers, maar ook op het ondernemersklimaat van dit moment;

10.  merkt op dat de werknemersdoelgroep reeds zeer hooggekwalificeerd is, maar op een terrein waarvoor de vooruitzichten op werk ontmoedigend zijn; om die reden zullen de kosten van de voor hen voorgestelde maatregelen hoger uitvallen dan bij andere werknemers bij massaontslagen het geval zou zijn, waarbij het dan vaak gaat om mensen met verhoudingsgewijs beperkte vaardigheden;

11.  is verheugd over het feit dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening ook stimulansen en cursussen biedt om een nieuwe onderneming te beginnen, die voor tien werknemers voorzien worden (inclusief één starterslening van 26 000 EUR);

12.  verheugt zich over het feit dat er binnen een consortium van plaatselijke, regionale en nationale belanghebbenden een strategie besproken en geformuleerd is voor nieuwe groeimogelijkheden in de Odense-regio en dat deze strategie een leidraad vormt bij de keuze voor herscholingsmaatregelen in de aanvraag;

13.  neemt echter nota van de voorgestelde dagvergoeding van 103 EUR voor actieve deelname per deelnemende werknemer en van het feit dat het bedrag dat voor deze dagvergoedingen voorzien is meer dan een derde van de totale kosten van het pakket uitmaakt; herinnert eraan dat EFG-ondersteuning in de eerste plaats toegewezen dient te worden voor het vinden van werk en voor opleidingsprogramma's en beter niet gebruikt kan worden voor rechtstreekse bijdrages aan financiële toelages die krachtens nationale wetgeving de verantwoordelijkheid zijn van de lidstaten;

14.  verheugt zich over de nadruk die gelegd wordt op nieuwe terreinen van mogelijke groei en ontwikkeling in de regionale economie, zoals energietechnologie, robotica en welzijnstechnologie, die in het verlengde liggen van zowel de Lissabondoelstellingen voor een krachtig Europees concurrentievermogen, als van de Europa 2020-doelstellingen voor slimme, inclusieve en duurzame groei;

15.  is verheugd over het feit dat de EFG-ondersteuning in dit geval gecoördineerd wordt door een nieuw opgericht EFG-secretariaat dat ressorteert onder de gemeente Odense en dat er een speciale webpagina ontworpen is en dat er twee conferenties gepland staan om kekendheid te geven aan de resultaten van de twee EFG-aanvragen;

16.  verzoekt de betrokken instellingen de nodige inspanningen te leveren om de procedurele en begrotingsregelingen te verbeteren teneinde de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG te bespoedigen; waardeert de verbeterde procedure die de Commissie heeft aangenomen naar aanleiding van het verzoek van het Parlement om de vrijgave van de subsidies te bespoedigen en die gericht is op het aan de begrotingsautoriteit voorleggen van de beoordeling door de Commissie over de subsidiabiliteit van een EFG-aanvraag samen met het voorstel voor de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG; hoopt dat verdere verbeteringen aan de procedure zullen worden ingepast in de nieuwe verordening betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020), en dat er meer doelmatigheid, transparantie en zichtbaarheid van het EFG zullen worden bewerkstelligd;

17.  brengt in herinnering dat de instellingen zich ertoe verbonden hebben een soepel lopende en snelle procedure te garanderen voor de goedkeuring van de besluiten betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG, met als doel tijdelijk en eenmalig individuele ondersteuning te verlenen aan werknemers die als gevolg van de globalisering en de financiële en economische crisis werkloos geworden zijn; benadrukt de rol die het EFG kan vervullen om ontslagen werknemers te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

18.  betreurt het feit dat, ondanks meerdere geslaagde beschikbaarstellingen van middelen uit het EFG voor Denemarken, zowel volgens de handels- als de crisisgerelateerde criteria, dit land behoort tot de landen die de toekomst van het EFG na 2013 ondermijnen doordat ze de verlenging van de crisisafwijking blokkeren en de financiële toewijzing aan de Commissie verlagen voor de technische ondersteuning aan het EFG voor 2012;

19.   beklemtoont, in overeenstemming met artikel 6 van de EFG-verordening, dat er een waarborg moet zijn dat er vanuit het EFG ondersteuning geboden wordt aan de individuele werknemer bij diens terugkeer op de arbeidsmarkt na het ontslag; benadrukt bovendien dat EFG-steun alleen actieve arbeidsmarktmaatregelen kan medefinancieren die werkgelegenheid voor de lange termijn opleveren; herhaalt dat ondersteuning vanuit het EFG niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe bedrijven verplicht zijn krachtens hun nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen ter herstructurering van bedrijven of sectoren; betreurt het feit dat het EFG een stimulans zou kunnen zijn voor bedrijven om hun vaste personeel te vervangen door flexibeler personeel en personeel met kortlopende contracten;

20.  merkt op dat de informatie die is verstrekt over het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening die door het EFG moeten worden gefinancierd, gegevens bevat over de complementariteit met acties die worden gefinancierd uit de structuurfondsen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in haar jaarverslagen een vergelijkende evaluatie van deze gegevens op te nemen zodat de bestaande verordeningen volledig in acht worden genomen en er geen dubbel gebruik van door de Unie gefinancierde diensten voor kan komen;

21.  verheugt zich over het feit dat er, na herhaalde verzoeken van het Parlement, 50 000 000 EUR aan betalingskredieten op begrotingslijn 04 05 01 van het EFG opgenomen is op de begroting 2012; herinnert eraan dat het EFG in het leven geroepen is als een afzonderlijk en specifiek instrument met eigen doelstellingen en termijnen, en dat het om die reden ook een speciale toewijzing verdient, waardoor wordt voorkomen dat er, zoals in het verleden, overschrijvingen zijn vanuit andere begrotingslijnen, wat nadelig kan zijn voor de verwezenlijking van de beleidsdoelen van het EFG;

22.  betreurt het dat de Raad besloten heeft om de verlenging van de „crisisafwijking” te blokkeren voor aanvragen die na de termijn van 31 december 2011 ingediend zijn en dringt bij de Raad aan op een onverwijld herstel van deze maatregel, die ruimte biedt voor de financiële ondersteuning van werknemers die ontslagen zijn als gevolg van de huidige financiële en economische crisis, naast de ondersteuning van diegenen die hun baan zijn kwijtgeraakt als gevolg van veranderingen in wereldhandelspatronen, en die tevens ruimte biedt voor een verhoging van het medefinancieringspercentage van de Unie tot 65% van de programmakosten;

23.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

24.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2011/008 DK/Odense Steel Shipyard, Denemarken)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit 2012/537/EU.)

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(2) PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.
(3) PB L 195 van 27.07.2011, blz. 52.
(4) http://www.cesa.eu/presentation/publication/CESA_AR_2010_2011/pdf/CESA%20AR%202010-2011.pdf
(5) PB L 286 van 04.11.2010, blz. 18.
(6) PB L 342 van 28.12.2010, blz. 19.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2011/017 ES/Aragón
PDF 219kWORD 47k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2011/017 ES/Aragón Bouw, Spanje) (COM(2012)0290 – C7-0150/2012 – 2012/2121(BUD))
P7_TA(2012)0305A7-0233/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2012)0290 – C7-0150/2012),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1) (IIA van 17 mei 2006), en met name punt 28 hiervan,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(2) (EFG-verordening),

–  gezien de trialoogprocedure overeenkomstig punt 28 van het IIA van 17 mei 2006,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7-0233/2012),

A.  overwegende dat de Europese Unie passende wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat het EFG sinds 1 mei 2009 ook is opengesteld voor aanvragen om bijstand voor werknemers die zijn ontslagen als gevolg van de wereldwijde financiële en economische crisis;

C.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd op het overleg van 17 juli 2008, en met eerbiediging van het IIA van 17 mei 2006 wat betreft het nemen van besluiten om gebruik te maken van het EFG,

D.  overwegende dat Spanje om steun heeft verzocht in verband met 836 gedwongen ontslagen (waarbij voor 320 betrokkenen om steun wordt gevraagd) bij 377 bedrijven die vallen onder afdeling 41 van de NACE Rev.2 („Bouw van gebouwen”)(3) in de NUTS II-regio Aragón (ES24) in Spanje;

E.  overwegende dat de aanvraag voldoet aan de criteria voor subsidiabiliteit van de EFG-verordening;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 2, onder b), van de EFG-verordening en dat Spanje bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage op grond van die verordening;

2.  stelt vast dat de Spaanse autoriteiten de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG op 28 december 2011 hebben ingediend en dat de beoordeling daarvan door de Commissie op 18 juni 2012 is gepubliceerd; is ingenomen met het feit dat het beoordelingsproces en de verstrekking van aanvullende informatie door Spanje snel en correct zijn verlopen;

3.  stelt vast dat het aantal werklozen in Aragón spectaculair is gestegen en dat eind 2011 bij de arbeidsbureaus bijna 100 000 werklozen ingeschreven stonden, van wie 15% als gevolg van gedwongen ontslagen in de bouwsector;

4.  merkt op dat de regio Aragón in het verleden hard is getroffen door massaontslagen en is ingenomen met het feit dat de regio heeft besloten EFG-steun te gebruiken om iets aan die ontslagen te doen; merkt op dat Spanje reeds eerder twee aanvragen om EFG-steun voor de regio Aragón heeft ingediend, met name aanvraag EGF/2008/004 ES/Castilla y León & Aragón (1.082 ontslagen in de automobielindustrie, waarvan 594 in Aragón)(4) en aanvraag EGF/2010/016 ES/Detailhandel Aragón (1.154 ontslagen in de detailhandel)(5); is verheugd dat de regio voortbouwt op de ervaring die zij met het EFG heeft opgedaan en de werknemers in verscheidene sectoren snel bijstand verleent; is ervan overtuigd dat de snelle EFG-steun kan bijdragen aan het voorkomen van het ontvolkingsgevaar in de regio Aragón (met momenteel een bevolkingsdichtheid tussen 3 en 54 inwoners per km²) door de bevolking daadwerkelijk aan te moedigen in dit gebied te blijven;

5.  wijst erop dat de Spaanse autoriteiten melden dat volgens hun beoordeling, op basis van hun ervaring met voorgaande EFG-aanvragen, slechts 320 werknemers die voor EFG-steun in aanmerking komen, ervoor zullen kiezen aan de maatregelen deel te nemen; roept de Spaanse autoriteiten op de EFG-steun ten volle te benutten;

6.  is verheugd dat de Spaanse autoriteiten besloten hebben met de uitvoering van de maatregelen te beginnen, om de werknemers snel bijstand te verlenen, vooruitlopend op het definitieve besluit over de verlening van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerd pakket;

7.  herinnert eraan dat het belangrijk is de inzetbaarheid van alle werknemers te verbeteren via aangepaste opleidingen en de erkenning van de in de loop van het beroepsleven opgedane vaardigheden en bekwaamheden; verlangt dat de opleiding die in het gecoördineerd pakket wordt aangeboden, niet alleen aangepast is aan de behoeften van de ontslagen werknemers, maar ook aan het huidige ondernemersklimaat;

8.  is ingenomen met het feit dat de betrokken sociale partners werden geraadpleegd over de aanvraag om EFG-steun en over de inhoud van het pakket van individuele dienstverlening ten behoeve van de werknemers ten einde de vraag en het aanbod op de arbeidsmarkt beter op elkaar af te stemmen;

9.  is met name ingenomen met de opleidingscursus die bedoeld is om tegemoet te komen aan de vastgestelde behoeften van plaatselijke ondernemingen, die zich er in ruil toe verbinden een aantal van de werknemers die aan deze opleiding deelnemen, in dienst te nemen;

10.  wijst erop dat er lering moet worden getrokken uit de opstelling en uitvoering van deze en andere aanvragen betreffende massaontslagen in een groot aantal kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) in één sector, met name wat betreft de subsidiabiliteit van zelfstandigen en eigenaars van kmo's in het kader van de toekomstige EFG-verordening en de regelingen die de regio's en de lidstaten hanteren om snel steun te verlenen aan een groot aantal bedrijven in een bepaalde sector;

11.  wijst erop dat de maatregelen ter ondersteuning van ondernemerschap slechts voor 20 werknemers gepland zijn; hoopt dat de Spaanse autoriteiten ondernemerschap zullen bevorderen en het gecoördineerd pakket van dienstverlening zullen bijstellen indien er meer belangstelling voor deze maatregelen blijkt te zijn;

12.  verzoekt de betrokken instellingen de nodige inspanningen te leveren om de procedurele en begrotingsregelingen te verbeteren teneinde de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG te bespoedigen; waardeert de verbeterde procedure die de Commissie heeft aangenomen naar aanleiding van het verzoek van het Parlement voor het versnellen van de toekenning van subsidies, met als doel de begrotingsautoriteit de beoordeling door de Commissie van de subsidiabiliteit van een EFG-aanvraag voor te leggen samen met het voorstel voor de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG; hoopt dat verdere verbeteringen aan de procedure zullen worden opgenomen in de nieuwe EFG-verordening (2014-2020) en dat grotere doelmatigheid, transparantie en zichtbaarheid van het EFG zullen worden bereikt;

13.  wijst erop dat het gecoördineerd pakket in diverse aanmoedigingsmaatregelen voorziet om aan de maatregelen deel te nemen: een toelage voor het zoeken naar werk van EUR 300 (vast bedrag), een herintredingsvergoeding van EUR 200 per maand voor werknemers en van EUR 400 per maand voor zelfstandigen gedurende een periode van maximaal drie maanden; wijst erop dat de EFG-steun vooral ten goede moet komen aan programma's voor opleiding en het zoeken van een baan, alsook aan trainingsprogramma's, en niet rechtstreeks een bijdrage mag zijn aan werkloosheidsuitkeringen, omdat die een bevoegdheid van de nationale instanties zijn;

14.  brengt in herinnering dat de instellingen zich ertoe verbonden hebben een probleemloze en snelle procedure te garanderen voor de goedkeuring van de besluiten betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG, met als doel tijdelijk en eenmalig individuele steun te verlenen aan werknemers die als gevolg van de globalisering en de financiële en economische crisis werkloos geworden zijn; benadrukt de rol die het EFG kan vervullen om ontslagen werknemers te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

15.  stelt vast dat onderhavig geval een voorbeeld is van de sociale en economische toestand in deze regio, die in de toekomst zou kunnen worden aangepakt door het toepassingsgebied van het EFG uit te breiden tot zelfstandigen (zoals de Commissie heeft voorgesteld in het voorstel voor het EFG voor de periode 2014-2020);

16.  beklemtoont dat het EFG overeenkomstig artikel 6 van de EFG-verordening moet bijdragen tot de re-integratie van elke afzonderlijke ontslagen werknemer; wijst er voorts op dat de EFG-steun alleen actieve arbeidsmarktmaatregelen kan medefinancieren die duurzame werkgelegenheid voor de lange termijn opleveren; herhaalt dat ondersteuning vanuit het EFG niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe bedrijven verplicht zijn krachtens hun nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen ter herstructurering van bedrijven of sectoren; betreurt het feit dat het EFG een stimulans zou kunnen zijn voor bedrijven om hun vaste personeel te vervangen door flexibeler personeel en personeel met kortlopende contracten;

17.  merkt op dat de informatie die is verstrekt over het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening die door het EFG moeten worden gefinancierd, gegevens bevat over de complementariteit met acties die worden gefinancierd uit de structuurfondsen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in haar jaarverslagen een vergelijkende evaluatie van deze gegevens op te nemen zodat de bestaande verordeningen volledig in acht worden genomen en er geen dubbel gebruik van door de Unie gefinancierde diensten voor kan komen;

18.  verheugt zich over het feit dat er, na herhaalde verzoeken van het Parlement, 50 000 000 EUR aan betalingskredieten onder begrotingslijn 04 05 01 van het EFG is opgenomen in de begroting 2012; herinnert eraan dat het EFG gecreëerd is als afzonderlijk specifiek instrument met eigen doelstellingen en termijnen, en dat het bijgevolg ook een specifieke toewijzing verdient, waardoor wordt voorkomen dat er, zoals in het verleden, bedragen worden overgeschreven uit andere begrotingslijnen, wat schadelijk kan zijn voor de verwezenlijking van de beleidsdoelen van het EFG;

19.  betreurt het besluit van de Raad om de „crisisafwijking”, die het mogelijk maakt financiële steun te verlenen aan werknemers die worden ontslagen als gevolg van de huidige financiële en economische crisis of als gevolg van veranderingen in de wereldhandelspatronen, en die het tevens mogelijk maakt het percentage van medefinanciering door de Unie te verhogen tot 65% van de kosten van het programma, niet te verlengen voor programma's die na de einddatum van 31 december 2011 zijn ingediend, en roept de Raad op deze maatregel onmiddellijk weer in te voeren;

20.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

21.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2011/017 ES/Aragón Bouw, Spanje)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit 2012/536/EU.)

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(2) PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.
(3) Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).
(4) PB C 212E van 5.8.2010, blz. 165.
(5) PB C 169E van 15.6.2012, blz. 157.


Energie-efficiëntie ***I
PDF 209kWORD 50k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende energie-efficiëntie en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (COM(2011)0370 – C7-0168/2011 – 2011/0172(COD))
P7_TA(2012)0306A7-0265/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0370),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0168/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 oktober 2011(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 14 december 2011(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 27 juni 2012 om het standpunt van het Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0265/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

4.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 september 2012 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2012/.../EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG

P7_TC1-COD(2011)0172


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn 2012/27/EU.)

Bijlage bij de wetgevingsresolutie

Verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de voorbeeldfunctie van hun gebouwen in het kader van de richtlijn energie-efficiëntie

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie verklaren dat, aangezien hun gebouwen een prominent karakter hebben en uit het oogpunt van energieprestaties een voorbeeldfunctie moeten hebben, zij, onverminderd de voorschriften betreffende de begroting en de overheidsopdrachten, op de gebouwen waarvan zij eigenaar en gebruiker zijn de voorschriften zullen toepassen die, krachtens de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 2012/XX/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende energie-efficiëntie en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG, ook gelden voor de gebouwen van de centrale overheid van de lidstaten.

Verklaring van de Commissie met betrekking tot de energie-audits

Zoals te lezen staat in haar Mededeling aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de modernisering van het EU-staatssteunbeleid (COM(2012)0209 def. van 8 mei 2012), beschouwt de Commissie de richtsnoeren van de Unie inzake staatssteun voor milieubescherming als een van de instrumenten waarmee de Europa 2020-groeistrategie en haar doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt, en die eind 2013 kunnen worden herzien. In dat verband mag de Commissie erop toezien dat ook de toekomstige regels inzake staatssteun voor milieubescherming de duurzame groei optimaal bevorderen, onder meer doordat zij in overeenstemming met de doelstellingen van de onderhavige richtlijn energie-efficiëntie aanmoedigen.

Verklaring van de Commissie met betrekking tot de EU-regeling voor de emissiehandel

Gegeven de noodzaak om de stimulansen uit de EU-regeling voor de emissiehandel te handehaven, zal de Commissie:

   met spoed het eerste verslag overeenkomstig artikel 10, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG over de koolstofmarkt presenteren, samen met een beoordeling van het tijdschema voor de veilingen in fase 3;
   in dat verslag nagaan welke mogelijkheden er zijn - onder meer het definitief inhouden van het vereiste bedrag aan rechten - om zo spoedig mogelijk te komen tot de vaststelling van verdere passende structurele maatregelen die de emissiehandelsregeling tijdens fase 3 versterken, en deze effectiever maken.

(1) PB C 24 van 28.1.2012, blz. 134.
(2) PB C 54 van 23.2.2012, blz. 49.


Opheffing van de parlementaire immuniteit van Jaroslaw Leszek Walesa
PDF 199kWORD 38k
Besluit van het Europees Parlement van 11 september 2012 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jarosław Leszek Wałęsa (2012/2112(IMM))
P7_TA(2012)0307A7-0230/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Jarosław Leszek Wałęsa, dat op 20 april 2012 werd ingediend door de openbaar aanklager van de Republiek Polen in verband met een proces over een vermeend strafbaar feit, en van de ontvangst waarvan op 23 mei 2012 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Jarosław Leszek Wałęsa in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010 en 6 september 2011(1),

–  gezien artikel 105 van de grondwet van de Republiek Polen en de artikelen 7b, lid 1, en 7c, juncto artikel 10b, van de Poolse wet van 9 mei 1996 inzake de uitoefening van het mandaat van volksvertegenwoordiger of senator,

–  gezien artikel 6, lid 2, en artikel 7 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0230/2012),

A.  overwegende dat de openbaar aanklager van de Republiek Polen in verband met een proces over een vermeend strafbaar feit heeft verzocht om opheffing van de parlementaire immuniteit van een lid van het Europees Parlement, te weten Jarosław Leszek Wałęsa;

B.  overwegende dat het verzoek van de openbaar aanklager verband houdt met de behandeling van een vermeend strafbaar feit uit hoofde van de Poolse wet van 20 mei 1971 tot vaststelling van een register van overtredingen en de wegenverkeerswet van 20 juni 1997 met betrekking tot een verkeersongeval in Polen op 2 september 2011, waarbij de Jarosław Leszek Wałęsa betrokken was en waarbij hij ernstig gewond raakte;

C.  overwegende dat overeenkomstig artikel 9 van het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie leden op het grondgebied van hun eigen land de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging van hun land zijn verleend;

D.  overwegende dat Jarosław Leszek Wałęsa ervan heeft afgezien door de Commissie juridische zaken te worden gehoord, maar wel heeft aangegeven er de voorkeur aan te geven dat deze zaak snel wordt afgerond, en van mening is dat zijn immuniteit moet worden opgeheven;

E.  overwegende dat het uitsluitend aan het Parlement is te beslissen of de immuniteit in een bepaald geval al dan niet wordt opgeheven; overwegende dat het Parlement in redelijkheid rekening kan houden met het standpunt van het lid wanneer het zijn besluit neemt diens immuniteit al dan niet op te heffen(2);

F.  overwegende dat de feiten in deze zaak, zoals die naar voren komen uit de aan de Commissie juridische zaken voorgelegde stukken, erop duiden dat de ten laste gelegde handelingen geen rechtstreeks duidelijk verband hebben met de uitoefening door Jarosław Leszek Wałęsa van zijn taken als lid van het Europees Parlement;

G.  overwegende dat Jarosław Leszek Wałęsa derhalve niet handelde in uitoefening van zijn taken als lid van het Europees Parlement;

1.  besluit de immuniteit van Jarosław Leszek Wałęsa op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Republiek Polen en Jarosław Leszek Wałęsa.

(1) Zaak 101/63, Wagner/Fohrmann en Krier, jurispr. 1964, blz. 195, zaak 149/85, Wybot/Faure e.a., jurispr. 1986, blz. 2391, zaak T-345/05, Mote/Parlement, jurispr. 2008, blz. II-2849, gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07, Marra/De Gregorio en Clemente, jurispr. 2008, blz. I-7929, zaak T-42/06, Gollnisch/Parlement (nog niet in de jurisprudentie verschenen) en zaak C-163/10, Patriciello (nog niet in de jurisprudentie verschenen).
(2) Zaak T-345/05, Mote/Parlement, jurispr. 2008, blz. II-2849, punt 28.


Opheffing van de parlementaire immuniteit van Birgit Collin-Langen
PDF 111kWORD 35k
Besluit van het Europees Parlement van 11 september 2012 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Birgit Collin-Langen (2012/2128(IMM))
P7_TA(2012)0308A7-0229/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Birgit Collin-Langen, dat op 27 april 2012 werd ingediend door de openbare aanklager te Koblenz (Duitsland) in verband met een procedure wegens vermeende strafbare feiten, en van de ontvangst waarvan op 14 juni 2012 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Birgit Collin-Langen te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010 en 6 september 2011(1),

–  gezien artikel 46 van de Duitse grondwet (Grundgesetz),

–  gezien artikel 6, lid 2, en artikel 7 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0229/2012),

A.  overwegende dat de openbare aanklager gevraagd heeft om opheffing van de immuniteit van Birgit Collin-Langen, lid van het Europees Parlement, met het oog op een strafrechtelijke procedure wegens vermeende strafbare feiten;

B.  overwegende dat het verzoek van de openbare aanklager verband houdt met een strafrechtelijke procedure naar aanleiding van de vermeende schending van § 331 van het Duitse wetboek van strafrecht, waarin is neergelegd dat een overheidsfunctionaris of andere persoon belast met de uitoefening van een publieke taak, die voor zichzelf of voor een derde voor het vervullen van een ambtelijke taak een tegenprestatie vraagt, aanneemt of de toezegging daarvan accepteert, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of een boete;

C.  overwegende dat artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaalt dat de leden op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

D.  overwegende dat overeenkomstig artikel 46, lid 2, van de Duitse grondwet (Grundgesetz) een parlementslid niet kan worden vervolgd wegens een strafbaar feit zonder voorafgaande toestemming voor die vervolging van de Bondsdag, behalve in gevallen waarin hij op heterdaad of de dag volgend op het strafbare feit wordt aangehouden;

E.  overwegende dat dientengevolge de parlementaire immuniteit van Birgit Collin-Langen moet worden opgeheven alvorens de procedure tegen haar kan worden voortgezet;

F.  overwegende dat Birgit Collin-Langen door de Commissie juridische zaken is gehoord en tijdens die hoorzitting heeft meegedeeld dat zij hoopte dat de zaak snel afgerond zou worden en verzocht haar immuniteit op te heffen;

G.  overwegende dat de beslissing om de immuniteit van een parlementslid op te heffen is voorbehouden aan het Parlement; overwegende dat het Parlement, als het zich een oordeel vormt over de wenselijkheid van opheffing of verdediging van de immuniteit, rekening kan houden met het standpunt van het betrokken lid in dezen(2);

H.  overwegende dat Birgit Collin-Langen sinds 17 maart 2012 lid is van het Europees Parlement;

I.  overwegende dat de feiten waarop deze zaak gebaseerd is zich zouden hebben voorgedaan in de periode 2006-2008 en dat de verweten gedragingen geen rechtstreeks en voor de hand liggend verband vertonen met de uitoefening van haar taken als lid van het Europees Parlement;

J.  overwegende dat Birgit Collin-Langen derhalve niet handelde in de uitoefening van haar ambt als lid van het Europees Parlement;

K.  overwegende dat de feiten, zoals die in de toelichting worden uiteengezet, niet duiden op een geval van fumus persecutionis;

1.  besluit de immuniteit van Birgit Collin-Langen op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Bondsrepubliek Duitsland en aan Birgit Collin-Langen.

(1) Zaak 101/63 Wagner/Fohrmann en Krier, Jurispr. 1964, blz. 195; Zaak 149/85 Wybot/Faure en anderen, Jurispr. 1986, blz. 2391; Zaak T-345/05 Mote/Parlement, Jurispr. 2008, blz. II-2849; Gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07 Marra/De Gregorio en Clemente, Jurispr. 2008, blz. I-7929; Zaak T-42/06 Grollnisch/Parlement (nog niet gepubliceerd) en Zaak C-163/10 Patriciello (nog niet gepubliceerd).
(2) Zaak T-345/05 Mote/Parlement, Jurispr. 2008, blz II-2849, par. 28.


Verondersteld vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen in Europese landen door de CIA
PDF 194kWORD 105k
Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over het veronderstelde vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen in Europese landen door de CIA: follow-up bij het verslag van de Commissie TDIP van het Europees Parlement (2012/2033(INI))
P7_TA(2012)0309A7-0266/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en met name de artikelen 2, 3, 4, 6, 7 en 21,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name de artikelen 1, 2, 3, 4, 18 en 19,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de protocollen daarbij,

–  gezien de relevante VN-mensenrechtenverdragen, met name het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 10 december 1984 en de relevante protocollen daarbij, en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning van 20 december 2006,

–  gezien artikel 5 van het Noord-Atlantische Verdrag van 1949,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad van 27 juni 2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing(1),

–  gezien het programma van Stockholm - Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger(2), en de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economische en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 20 april 2010 over „Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor de burgers van Europa: Actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm” (COM(2010)0171),

–  gezien de richtsnoeren voor een EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf,

–  gezien de Verklaring van Brussel van 1 oktober 2010, aangenomen op de zesde conferentie van de parlementaire commissies voor het toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de lidstaten van de Europese Unie,

–  gezien de gezamenlijke VN-studie inzake wereldwijde praktijken met betrekking tot geheime detentie in de context van terrorismebestrijding, opgesteld door: Martin Scheinin, speciaal rapporteur voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden bij terrorismebestrijding; Manfred Nowak, speciaal rapporteur voor foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing; de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie, vertegenwoordigd door diens vicevoorzitter Shaheen Sardar Ali; en de VN-werkgroep inzake gedwongen en onvrijwillige verdwijningen, vertegenwoordigd door diens voorzitter Jeremy Sarkin(3),

–  gezien het verslag van de VN-Raad voor de mensenrechten door de speciale rapporteur voor foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing inzake onderzoekscommissies als reactie op systematische of sporadische gevallen van foltering of andere vormen van mishandeling(4),

–  gezien het verslag van Martin Scheinin, speciaal rapporteur voor de bevordering en bescherming van mensenrechten en fundamentele vrijheden bij terrorismebestrijding, getiteld „Overzicht van goede praktijken inzake de juridische en institutionele kaders en maatregelen die waarborgen dat de inlichtingendiensten de mensenrechten respecteren bij terrorismebestrijding, alsmede inzake het toezicht hierop”(5),

–  gezien de bijdragen van de Raad van Europa, met name de stukken van Thomas Hammarberg, voormalig commissaris voor de mensenrechten, en van het Europees Comité inzake de voorkoming van foltering, alsmede de desbetreffende resoluties van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, met name de resoluties „Veronderstelde geheime detentie en illegaal grensoverschrijdend vervoer van gevangenen waarbij lidstaten van de Raad van Europa betrokken zijn”(6)en „Geheime detentie en illegaal grensoverschrijdend vervoer van gevangenen waarbij lidstaten van de Raad van Europa betrokken zijn: tweede verslag”(7), en het verslag van de Commissie juridische zaken en mensenrechten van de Parlementaire Vergadering, getiteld „Misbruik van staatsgeheim en nationale veiligheid: belemmeringen bij de parlementaire en juridische controle op mensenrechtenschendingen”(8),

–  gezien de bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanhangig gemaakte zaken al-Nashiri tegen Polen, Abu Zubaydah tegen Litouwen, Abu Zubaydah tegen Polen en el-Masri tegen de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, die op 16 mei 2012 in de Grote Kamer bepleit is,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2009 over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld „Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht ten dienste van de burger – programma van Stockholm”(9),

–  gezien zijn resoluties van 14 februari 2007(10) en 19 februari 2009(11) inzake het verondersteld gebruik door de CIA van Europese landen voor het vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen,

–  gezien zijn resoluties met betrekking tot Guantánamo, met name die van 9 juni 2011 over Guantánamo: ophanden zijnde beslissing over doodstraf(12), van 4 februari 2009 over de repatriëring en hervestiging van de gedetineerden van Guantánamo(13) en van 13 juni 2006 over de toestand van de gevangenen in Guantánamo(14), en zijn aanbeveling van 10 maart 2004 aan de Raad betreffende het recht van de gedetineerden in Guantánamo Bay op een eerlijk proces(15),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2010 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2009) – effectieve tenuitvoerlegging na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon(16),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2011 over het EU-beleid inzake terrorismebestrijding: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen(17),

–  gezien de op 17 september 2008 in Straatsburg gehouden lezing van Jacques Barrot, voormalig vicevoorzitter van de Commissie(18),

–  gezien de verklaringen van de Commissie inzake de noodzaak voor de betrokken lidstaten om een onderzoek in te stellen naar de beschuldigingen van betrokkenheid bij de uitleverings- en geheime detentieprogramma's van de CIA, en de stukken die door de Commissie aan de rapporteur ter hand zijn gesteld, waaronder vier brieven aan Polen, vier aan Roemenië en twee aan Litouwen in de periode 2007-2010,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 15 oktober 2003 over artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie: Eerbiediging en bevordering van de waarden waarop de Unie gegrondvest is (COM(2003)0606),

–  gezien de brief van 29 november 2005 van het EU-voorzitterschap aan Condoleezza Rice, minister van Buitenlandse Zaken van de VS, waarin wordt gevraagd of „de VS opheldering kunnen verschaffen over deze berichten [inzake veronderstelde detentie of vervoer van terrorismeverdachten in of door sommige EU-lidstaten] hopende dat hierdoor de bezorgdheid onder burgers en binnen het Parlement kan worden weggenomen”,

–  gezien de 2748e/2749e zitting van de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen van 15 september 2006, waarin het onderwerp „Strijd tegen terrorisme – Geheime detentiecentra” werd behandeld,

–  gezien de EU-verklaring van 7 maart 2011 op de 16e zitting van de VN-Raad voor de mensenrechten inzake de voornoemde VN-studie over geheime detentie,

–  gezien het artikel „Counter-terrorism and human rights” van Villy Sovndal, Gilles de Kerchove en Ben Emmerson, gepubliceerd in de European Voice van 19 maart 2012,

–  gezien het antwoord van Condoleezza Rice, minister van Buitenlandse Zaken van de VS, van 5 december 2005 op de brief van het EU-voorzitterschap van 29 november 2005, waarin staat dat „[...] uitlevering (rendition) een cruciaal onderdeel vormt van terrorismebestrijding. Toepassing ervan gebeurt niet alleen door de VS of door de huidige regering”. Verder worden in de brief beschuldigingen van rechtstreekse betrokkenheid van de VS bij martelingen van de hand gewezen en wordt benadrukt dat de uitleveringen niet het „doel” hadden om de uitgeleverde persoon te martelen, en de verklaring van minister Condoleezza Rice dat „wij [de Verenigde Staten] de soevereiniteit van onze partners eerbiedigen”(19),

–  gezien de erkenning van de voormalige president van de VS, George W. Bush, in zijn lezing op 6 september 2006 in de East Room van het Witte Huis, van het bestaan van een door de CIA geleid programma voor uitlevering en geheime detentie, dat onder andere operaties in het buitenland omvatte,

–  gezien de memoires van George W. Bush, die op 9 november 2010 werden gepubliceerd,

–  gezien de in augustus 2009 gepubliceerde openbare versie van het rapport uit 2004 van inspecteur-generaal van de CIA John Helgerson over de verhoorpraktijken van de CIA in het tijdperk-Bush,

–  gezien het rapport uit 2007 van het Internationale Rode Kruis inzake de behandeling van 14 topverdachten in CIA-detentie, dat in 2009 openbaar werd,

–  gezien de verschillende initiatieven op nationaal niveau om de betrokkenheid van lidstaten bij het CIA-programma voor uitlevering en geheime detentie te onderzoeken, zoals het lopende onderzoek in Denemarken en de onderzoeken die zijn uitgevoerd in Zweden, de lopende strafrechtelijke onderzoeken in Polen en het Verenigd Koninkrijk, de afgeronde strafrechtelijke onderzoeken in Italië, Duitsland, Litouwen, Portugal en Spanje, het parlementaire onderzoek door alle partijen in het Verenigd Koninkrijk en de afgeronde parlementaire onderzoeken in Duitsland, Litouwen, Polen en Roemenië,

–  gezien het gerechtelijk onderzoek in Portugal, dat in 2009 na twee jaar plotseling werd afgesloten,

–  gezien de conclusies van de nationale onderzoeken die al in bepaalde lidstaten zijn uitgevoerd,

–  gezien de talloze berichten in de media en van onderzoeksjournalisten, onder meer in ABC News in 2005(20) en 2009(21) , en de Washington Post in 2005(22) , die bepalend zijn geweest voor het blootleggen van de praktijk van uitleveringen en detentie, die anders voor altijd geheim zou zijn gebleven,

–  gezien de onderzoeken die sinds 2005 door onafhankelijke onderzoekers, maatschappelijke organisaties en nationale en internationale niet-gouvernementele organisaties zijn uitgevoerd en de daarover gepubliceerde verslagen, met name van Human Rights Watch(23), Amnesty International en Reprieve,

–  gezien de hoorzittingen van zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (LIBE) van 27 maart 2012 en haar Subcommissie mensenrechten van 12 april 2012, het werkbezoek van LIBE aan Litouwen van 25 tot en met 27 april 2012, het bezoek van de rapporteur aan Polen op 16 mei 2012 en alle schriftelijke en mondelinge bijdragen die de rapporteur heeft ontvangen,

–  gezien het gezamenlijke verzoek om vluchtgegevens dat op 16 april 2012 bij de directeur van Eurocontrol werd ingediend door de voorzitter van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de rapporteur, en gezien het uitvoerige antwoord van Eurocontrol op 26 april 2012,

–  gezien de nota van DG IPOL getiteld „The results of the inquiries into the CIA's programme of extraordinary rendition and secret prisons in European states in light of the new legal framework following the Lisbon Treaty” (PE462.456),

–  gezien de artikelen 48 en 50 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0266/2012),

A.  overwegende dat het Parlement zijn verorrdeling heeft uitgesproken over het onder leiding van de VS uitgevoerde uitleverings- en geheime detentieprogramma van de CIA, waarbij meerdere mensenrechten werden geschonden door onder andere illegale en willekeurige detentie, foltering en andere vormen van mishandeling, schending van het beginsel van „non-refoulement” en gedwongen verdwijning; overwegende dat zijn Tijdelijke Commissie verondersteld gebruik door de CIA van Europese landen voor het vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen („Tijdelijke Commissie”) het gebruik door de CIA van het Europese luchtruim en grondgebied heeft aangetoond, en overwegende dat het Parlement sindsdien opnieuw heeft aangedrongen op een volledig onderzoek naar de samenwerking tussen nationale regeringen en organen enerzijds, en de CIA anderzijds;

B.  overwegende dat het Parlement er herhaaldelijk toe heeft opgeroepen om bij de terrorismebestrijding de menselijke waardigheid, de mensenrechten en de grondrechten volledig te eerbiedigen, ook in het kader van internationale samenwerking op dat vlak, op basis van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, het EU-Handvest van de grondrechten en de nationale grondwetten en wetgeving inzake grondrechten, en overwegende dat het deze oproep onlangs nog herhaald heeft in zijn verslag over het antiterrorismebeleid van de EU, waarin het eveneens verklaard heeft dat de eerbiediging van de mensenrechten absoluut noodzakelijk is om de doeltreffendheid van het beleid te verzekeren;

C.  overwegende dat het Parlement illegale praktijken, waaronder „buitengewone uitlevering” (extraordinary rendition), ontvoering, detentie zonder proces, verdwijning, geheime gevangenissen en foltering, herhaaldelijk ten stelligste heeft veroordeeld, en op een volledig onderzoek heeft aangedrongen naar de mogelijke betrokkenheid van een aantal lidstaten bij samenwerking met instanties van de Verenigde Staten, met name de CIA, waaronder betrokkenheid op het grondgebied van de EU;

D.  overwegende dat deze resolutie ten doel heeft om „politiek voort te bouwen op de bevindingen van de Tijdelijke Commissie en de ontwikkelingen in het oog te houden, en met name ingeval de Raad en/of de Commissie geen passende maatregelen nemen, na te gaan of er geen sprake is van een duidelijk risico van ernstige schending van de beginselen en waarden waarop de EU gegrondvest is, en het Parlement zo nodig aan te bevelen een resolutie op basis van de artikelen 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aan te nemen”(24);

E.  overwegende dat de EU gegrondvest is op verknochtheid aan de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de grondrechten en de eerbiediging van de menselijke waardigheid en het internationale recht, niet alleen in haar interne beleid, maar ook naar buiten toe; overwegende dat de verknochtheid van de EU aan de mensenrechten, ondersteund door de inwerkingtreding van het Handvest van de grondrechten van de EU en het proces van toetreding tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, in alle beleidsterreinen weerspiegeld moet worden om het mensenrechtenbeleid van de Unie doeltreffend en geloofwaardig te maken;

F.  overwegende dat een degelijk verantwoordingsproces cruciaal is om het vertrouwen van de burger in het democratische bestel van de EU te behouden, om de mensenrechten in het interne en externe beleid van de EU doeltreffend te beschermen en bevorderen, en om een legitiem en doeltreffend rechtsstatelijk veiligheidsbeleid te garanderen;

G.  overwegende dat geen enkele lidstaat tot dusver volledig voldaan heeft aan zijn verplichtingen om de internationale mensenrechten te beschermen, handhaven en eerbiedigen en te voorkomen dat ze worden geschonden;

H.  overwegende dat het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) van de EU stoelt op instrumenten als de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) en de twee facultatieve protocollen daarbij, en het Verdrag tegen foltering en het bijbehorende facultatief protocol, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, het Handvest van de grondrechten van de EU en het Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, die tezamen niet alleen een absoluut verbod op foltering opleggen, maar ook een positieve verplichting inhouden om onderzoek naar beschuldigingen van foltering te doen en om rechtsmiddelen en schadevergoedingen aan te reiken; overwegende dat de richtsnoeren voor een EU-beleid inzake foltering het raamwerk vormen van de inspanningen van de EU „om foltering en mishandeling overal ter wereld te voorkomen en uit te bannen”;

I.  overwegende dat alle associatie-, handels- en samenwerkingsovereenkomsten mensenrechtenclausules bevatten om zo bevordering van het internationaal recht en naleving van de mensenrechten te garanderen, en overwegende dat de EU ook politiek in dialoog is met derde landen op basis van de mensenrechtenrichtsnoeren, die ook de bestrijding van de doodstraf en foltering omvatten; overwegende dat de EU in het kader van het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) maatschappelijke organisaties ondersteunt die strijden tegen foltering en zich inzetten voor de herintegratie van slachtoffers van foltering;

J.  overwegende dat geheime detentie, wat een vorm is van gedwongen verdwijning, beschouwd kan worden als misdrijf tegen de menselijkheid als het op grote schaal of systematisch wordt toegepast; overwegende dat de noodtoestand en terreurbestrijding een klimaat creëren dat geheime detentie mogelijk maakt;

K.  overwegende dat, hoewel de EU de verbintenis is aangegaan om collusie bij foltering te vermijden via Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad(25), zoals laatstelijk gewijzigd in december 2011(26), waarin de uitvoer of invoer van goederen die enkel gebruikt kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing verboden wordt, er nog steeds inspanningen nodig zijn om ervoor te zorgen dat deze verordening een zo ruim mogelijk gebied afdekt;

L.  overwegende dat louter vertrouwen op diplomatieke garanties om de uitlevering of uitzetting toe te staan van personen aan of naar een land wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de persoon in kwestie daar gevaar loopt om aan foltering of mishandeling te worden blootgesteld niet strookt met het absolute verbod op foltering in het internationale recht, het EU-recht en de nationale grondwetten en wetten van de lidstaten(27);

M.  overwegende dat de Raad op 15 september 2006 heeft toegegeven dat „het bestaan van geheime detentiecentra waar gevangenen in een rechtsvacuüm worden vastgehouden, [ingaat] tegen het internationaal humanitair recht en het recht inzake mensenrechten”, maar tot dusver de betrokkenheid van lidstaten bij het CIA-programma niet heeft erkend of veroordeeld, ofschoon het gebruik door de CIA van het Europese luchtruim en grondgebied door politieke en juridische autoriteiten van de lidstaten is bevestigd;

N.  overwegende dat de mensenrechtenschendingen als gevolg van het CIA-programma nog steeds niet zijn gestopt, zoals wordt aangetoond door de nog voortdurende detentie in Guantánamo Bay van Abu Zubaydah en Abd al-Rahim al-Nashiri, aan wie tijdens het Poolse strafonderzoek inzake de geheime gevangenissen van de CIA de status van slachtoffer is toegekend;

O.  overwegende dat onderzoek door de VN, de Raad van Europa, de nationale en internationale media, onderzoeksjournalisten en de maatschappelijke organisaties nieuwe concrete informatie heeft opgeleverd over de locatie van geheime CIA-detentiecentra in Europa, uitleveringsvluchten door het Europese luchtruim en het vervoer of vasthouden van personen;

P.  overwegende dat illegale handelingen op EU-grondgebied kunnen hebben plaatsgevonden in de context van multilaterale NAVO-regelingen of bilaterale overeenkomsten;

Q.  overwegende dat door nationale onderzoeken en internationaal onderzoek is aangetoond dat leden van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) ingestemd hebben met maatregelen in de strijd tegen terrorisme die geheim luchtverkeer en het gebruik van het grondgebied van EU-lidstaten in het kader van het CIA-programma voor uitleveringen mogelijk maakten, wat erop wijst dat lidstaten die tevens lid zijn van de NAVO, collectief op de hoogte waren van het programma;

R.  overwegende dat in de gezamenlijke studie van de VN inzake mondiale praktijken met betrekking tot geheime detentie (A/HRC/13/42), die in de context van de strijd tegen terrorisme werd opgesteld door de speciale rapporteur voor bevordering en bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden bij de terrorismebestrijding, de speciale rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling, de werkgroep inzake willekeurige detentie en de werkgroep inzake gedwongen en onvrijwillige verdwijningen, beschreven wordt hoe geheime detentiecentra op het grondgebied van de lidstaten van de EU deel uitmaakten van het CIA-programma en er naar aanleiding daarvan brieven zijn geschreven naar de lidstaten met de vraag om aanvullende informatie, zoals beschreven in de communicatieverslagen van de speciale procedures, waaronder het verslag van 23 februari 2012(28);

S.  overwegende dat in het verslag van de Raad van Europa van 2011 wordt vermeld dat op basis van in 2009 en 2010 van de Poolse diensten verkregen gegevens „onomstotelijk is bewezen” dat zeven aan de CIA gelieerde vliegtuigen in Polen zijn geland, en overwegende dat er volgens de Poolse media beschuldigingen zijn ingebracht tegen voormalige chefs van de Poolse inlichtingendienst en er sprake was van mogelijke contacten tussen ambtenaren van de inlichtingendienst en de Poolse regering met betrekking tot het gebruik van een CIA-detentiecentrum op Pools grondgebied; overwegende dat Roemeense onderzoeksjournalisten in 2011 een „zwarte locatie” in het Roemeense registratiekantoor voor geheime inlichtingen probeerden te achterhalen op basis van gegevens afkomstig van voormalige CIA-medewerkers(29); overwegende dat het bestaan van deze „zwarte locatie” door de Roemeense autoriteiten werd ontkend en door het onderzoek van het Roemeense parlement niet is aangetoond; overwegende dat voormalige Libische dissidenten juridische procedures zijn begonnen tegen het Verenigd Koninkrijk vanwege rechtstreekse betrokkenheid van MI6 bij de uitlevering, geheime detentie en marteling van henzelf en hun familieleden;

T.  overwegende dat de Litouwse autoriteiten door middel van parlementaire en gerechtelijke onderzoeken hebben geprobeerd opheldering te verschaffen over de betrokkenheid van Litouwen bij het CIA-programma; overwegende dat er in het parlementaire onderzoek van de Seimas-commissie voor nationale veiligheid en defensie naar het veronderstelde vervoer en vasthouden van personen door de CIA op Litouws grondgebied werd vastgesteld dat er tussen 2003 en 2005 vijf CIA-vluchten in Litouwen zijn geland en dat er in Litouwen twee speciale detentiecentra op verzoek van de CIA gereed waren gemaakt (projecten nr. 1 en 2); overwegende dat de LIBE-delegatie de Litouwse autoriteiten dankt voor de ontvangst van de leden van het Europees Parlement in Vilnius in april 2012 en voor het feit dat de leden van de LIBE-delegatie toegang hebben gekregen tot project nr. 2; overwegende dat de indeling van de gebouwen en faciliteiten geschikt lijkt te zijn voor het vasthouden van gevangenen; overwegende dat vele vragen over de CIA-activiteiten in Litouwen nog steeds onbeantwoord zijn, ondanks het daaropvolgende gerechtelijke onderzoek dat werd uitgevoerd in 2010 en werd afgerond in januari 2011; overwegende dat de Litouwse autoriteiten zich bereid hebben getoond om het onderzoek opnieuw te openen als er nieuwe informatie aan het licht komt en overwegende dat het openbaar ministerie naar aanleiding van een schriftelijk verzoek van het Parlement heeft aangeboden nadere informatie over het strafrechtelijk onderzoek te verschaffen;

U.  overwegende dat de Portugese autoriteiten nog steeds geen opheldering hebben verschaft over het grote aantal aanwijzingen voor vele vluchten die bedoeld waren voor vervoer tussen Bagram, Diego Garcia, geheime gevangenissen en Guantánamo, zoals ook door de Tijdelijke Commissie is vastgesteld.;

V.  overwegende dat onderzoek en gerechtelijke bevindingen over de logistiek om deze illegale operaties te dekken, zoals valse vluchtschema's, vluchten met civiele en militaire vliegtuigen die te boek stonden als staatsvluchten en het gebruik van commerciële luchtvaartondernemingen voor de CIA-uitleveringen, de systematische aard en de omvang van de Europese betrokkenheid bij het CIA-programma verder hebben blootgelegd; overwegende dat een analyse van de nieuwe gegevens die door Eurocontrol werden verstrekt met name het argument onderbouwt dat de contractanten die uitleveringsmissies uitvoerden halverwege het traject van vliegtuig wisselden om de herkomst en bestemming van de overgebrachte gevangenen te verhullen;

W.  overwegende dat de EU een intern beleid heeft ontwikkeld voor veiligheid en terrorismebestrijding dat gebaseerd is op politie- en justitiesamenwerking en bevordering van informatie-uitwisseling; overwegende dat dit beleid gestoeld dient te zijn op eerbiediging van de grondrechten en de rechtsstaat en effectieve parlementaire controle op de inlichtingendiensten;

X.  overwegende dat volgens het Europees Comité inzake de voorkoming van foltering „de ondervragingstechnieken die in de buitenlandse detentiecentra van de CIA werden toegepast stellig hebben geleid tot schendingen van het verbod op foltering en onmenselijke of onterende behandeling”(30);

Y.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en de VS gebaseerd zijn op een sterk partnerschap en samenwerking op velerlei gebied, op basis van gemeenschappelijke waarden als democratie, rechtsstaat en grondrechten; overwegende dat de EU en de VS hun inzet in de strijd tegen terreur sinds de aanslagen van 11 september 2001 hebben opgevoerd, met name met de gezamenlijke verklaring inzake terrorismebestrijding van 3 juni 2010, doch dat de gedane beloften in de praktijk moeten worden nagekomen en dat de verschillen tussen het EU- en het VS-beleid in de strijd tegen het terrorisme overbrugd moeten worden;

Z.  overwegende dat in de VS in december 2011 de National Defense Authorization Act (NDAA) is goedgekeurd, die de wettelijke mogelijkheid schept personen die verdacht worden van betrokkenheid bij terroristische activiteiten in de VS voor onbepaalde tijd vast te houden, waarmee het recht op een behoorlijke rechtsgang en een eerlijk proces wordt ondermijnd; overwegende dat de reikwijdte van deze wet momenteel door de rechter wordt getoetst;

AA.  overwegende dat president Obama op 22 januari 2009 drie uitvoeringsbesluiten heeft ondertekend houdende een verbod op foltering bij ondervragingen, tot oprichting van een overkoepelende taskforce voor toetsing van het detentiebeleid en de detentieprocedures en herziening van alle individuele zaken, en tot sluiting van het detentiecentrum Guantánamo Bay;

AB.  overwegende dat het detentiecentrum Guantánamo Bay evenwel nog steeds niet gesloten is vanwege de sterke tegenstand van het Amerikaanse Congres; overwegende dat de VS de lidstaten van de EU verzocht hebben om gedetineerden uit Guantánamo op te nemen om sluiting te bespoedigen; overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten bijzonder teleurgesteld is over het feit dat het niet gelukt is om het detentiecentrum Guantánamo Bay te sluiten en dat het systeem van willekeurige detentie verder verankerd is;

AC.  overwegende dat gedetineerden van Guantánamo Bay nog steeds voor militaire rechtbanken gebracht worden, met name sinds de beslissing van de Amerikaanse president van 7 maart 2011 om het uitvoeringsbesluit te tekenen waarmee de tweejarige opschorting van nieuwe militaire processen werd opgeheven en de wet van 7 januari 2012 houdende een verbod op het overbrengen van gedetineerden uit Guantánamo Bay naar de VS voor berechting;

Algemeen

1.  herinnert eraan dat terrorismebestrijdingsstrategieën slechts dan doeltreffend kunnen zijn indien ze worden uitgevoerd in strikte overeenstemming met mensenrechtenverplichtingen en met name met het recht op een eerlijk proces;

2.  wijst er nogmaals op dat doeltreffende terrorismebestrijding en de eerbiediging van de mensenrechten elkaar niet uitsluiten maar complementaire en elkaar versterkende doelstellingen zijn; wijst erop dat de eerbiediging van de grondrechten van essentieel belang is voor een geslaagd terrorismebestrijdingsbeleid;

3.  wijst erop dat de strijd tegen terrorisme bijzonder gevoelig ligt; is van mening dat het staatsgeheim enkel om gegronde redenen van nationale veiligheid ingeroepen mag worden; wijst er evenwel op dat het staatsgeheim in geen geval kan prevaleren boven onvervreemdbare grondrechten en dat het dus nooit als argument kan worden aangevoerd voor inperking van de wettelijke verplichting van de overheid om ernstige schendingen van de mensenrechten te onderzoeken; is van mening dat de definities van als geheim aan te merken informatie en van het staatsgeheim niet al te ruim mogen zijn en dat misbruik van het staatsgeheim een ernstige belemmering van de democratische controle vormt;

4.  wijst erop dat terrorismeverdachten niet onderworpen horen te worden aan bijzondere procedures; wijst erop dat eenieder alle garanties moet kunnen genieten die vallen onder het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens;

5.  herhaalt zijn veroordeling van de praktijk van buitengewone uitlevering (extraordinary rendition), geheime gevangenissen en foltering, die bij het nationaal en internationaal recht inzake de rechten van de mens verboden is en onder meer een inbreuk betekent op het recht op vrijheid, veiligheid, een humane behandeling, vrijwaring van foltering, non-refoulement, het vermoeden van onschuld, een eerlijk proces, rechtsbijstand en gelijke rechtsbescherming;

6.  wijst erop dat er garanties ingebouwd moeten worden om schendingen van de grondrechten bij de tenuitvoerlegging van het terrorismebestrijdingsbeleid in de toekomst te vermijden;

7.  stelt dat de lidstaten zich bereid verklaard hebben het internationaal recht te eerbiedigen, maar dat ze vooralsnog niet afdoende hebben voldaan aan hun positieve verplichting krachtens het internationaal recht om ernstige mensenrechtenschendingen gerelateerd aan het CIA-programma te onderzoeken, en betreurt dat er zo langzaam klaarheid in deze zaak komt, waarna de slachtoffers zo spoedig mogelijk volledige schadeloos kunnen worden gesteld en eventueel ook verontschuldigingen aangeboden krijgen;

8.  is ervan overtuigd dat de moeilijkheden die de lidstaten ondervinden bij het uitvoeren van onderzoek ertoe leiden dat ze niet volledig aan hun internationale verplichtingen voldoen, zodat het wederzijdse vertrouwen in de bescherming van de grondrechten wordt geschaad en de EU als geheel de verantwoordelijkheid krijgt;

9.  onderstreept nogmaals dat de belofte van de lidstaten en de EU om de Europese betrokkenheid bij het CIA-programma te onderzoeken, in overeenstemming is met het beginsel van loyale samenwerking als neergelegd in artikel 4, lid 3, van het VEU;

Verantwoordingsproces in de lidstaten

10.  toont zich bezorgd over de belemmeringen bij nationale parlementaire en gerechtelijke onderzoeken naar de betrokkenheid van bepaalde lidstaten bij het CIA-programma, zoals in detail is aangetoond in het verslag van 2011 van de Raad van Europa inzake het misbruik van het staatsgeheim en de nationale veiligheid, zoals een gebrek aan transparantie, het als geheim aanmerken van documenten, het vooropstellen van nationale en politieke belangen, beperkte onderzoeksopdrachten, inperkingen van het recht van slachtoffers op effectieve participatie en verdediging, en het gebrek aan gedegen onderzoekstechnieken en aan samenwerking tussen de onderzoeksautoriteiten in de EU; verzoekt de lidstaten om hun nationale strafprocedures niet te baseren op een rechtsgrond die het mogelijk maakt om strafprocedures stop te zetten door verjaringsclausules in te roepen en die leidt tot straffeloosheid, en om het beginsel van het internationale gewoonterecht in te roepen waarin erkend wordt dat verjaring niet kan of mag worden toegepast in geval van ernstige schendingen van de mensenrechten;

11.  dringt er bij de lidstaten die nog niet aan de verplichting tot onafhankelijk en effectief onderzoek hebben voldaan, op aan dat ze de schendingen van de mensenrechten alsnog onderzoeken, met inachtneming van al het nieuwe bewijsmateriaal dat aan het licht is gekomen; verzoekt de lidstaten met name te onderzoeken of er geheime detentiecentra op hun grondgebied zijn en of er operaties hebben plaatsgevonden waarbij mensen in het kader van het CIA-programma in centra op hun grondgebied vastgehouden werden;

12.  merkt op dat uit het in Roemenië uitgevoerde parlementaire onderzoek geconcludeerd werd dat er geen aanwijzingen waren voor de aanwezigheid van een geheim detentiecentrum van de CIA op Roemeens grondgebied; verzoekt de gerechtelijke autoriteiten een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de vermoedelijke geheime detentiecentra van de CIA in Roemenië, met name in het licht van de nieuwe gegevens omtrent vluchten tussen Roemenië en Litouwen;

13.  spoort Polen aan om het lopende strafrechtelijk onderzoek naar geheime detentie voort te zetten, maar betreurt het gebrek aan officiële communicatie over het onderzoeksveld, het verloop en de stand van zaken van het onderzoek; roept de Poolse autoriteiten op om het onderzoek doortastend en met de nodige transparantie uit te voeren, en om ervoor te zorgen dat de slachtoffers en hun advocaten daadwerkelijk aan dit onderzoek kunnen deelnemen;

14.  neemt er nota van dat de parlementaire en gerechtelijke onderzoeken in Litouwen van 2009 tot 2011 niet hebben kunnen aantonen dat er in Litouwen in het geheim gedetineerden werden ondergebracht; verzoekt de Litouwse autoriteiten om hun belofte na te komen om het strafrechtelijk onderzoek naar de betrokkenheid van Litouwen bij het CIA-programma te heropenen, mocht er nieuwe informatie beschikbaar komen, in het licht van de nieuwe gegevens van Eurocontrol, waaruit blijkt dat vliegtuig N787WH, waarvan wordt vermoed dat het Abu Zubaydah vervoerde, op 18 februari 2005 op weg naar Roemenië en Litouwen een tussenstop in Marokko heeft gemaakt; wijst erop dat bij de analyse van de gegevens van Eurocontrol nieuwe informatie naar voren is gekomen uit vluchtschema's voor vluchten tussen Roemenië en Litouwen, via een vliegtuigwissel in Tirana (Albanië) op 5 oktober 2005, en tussen Litouwen en Afghanistan, via Caïro (Egypte) op 26 maart 2006; acht het van essentieel belang dat bij nieuw onderzoek niet alleen naar machtsmisbruik door ambtenaren wordt gekeken, maar ook naar eventuele onwettige detentie en mishandeling van personen op Litouws grondgebied; spoort het openbaar ministerie aan om documenten aan te voeren ter onderbouwing van de tijdens het werkbezoek van de Commissie LIBE gedane uitspraken die inhielden dat uit het gerechtelijk onderzoek „afdoende” gebleken wass dat er „in de gebouwen van projecten nr. 1 en 2 in Litouwen geen gedetineerden ondergebracht zijn geweest”;

15.  neemt kennis van het in het Verenigd Koninkrijk gestarte strafrechtelijk onderzoek inzake de uitleveringen aan Libië en is verheugd over het besluit om na beëindiging hiervan een breder onderzoek in te stellen naar de verantwoordelijkheid van het Verenigd Koninkrijk bij het CIA-programma; verzoekt het Verenigd Koninkrijk het onderzoek met de nodige transparantie uit te voeren, en ervoor te zorgen dat de slachtoffers en maatschappelijke organisaties daadwerkelijk aan dit onderzoek kunnen deelnemen;

16.  erkent dat de onderzoeken van de lidstaten gebaseerd moeten zijn op sluitend juridisch bewijsmateriaal en op eerbiediging van de nationale rechtsstelsels en het EU-recht, en niet enkel op speculaties bij de media en de publieke opinie;

17.  verzoekt lidstaten als Finland, Denemarken, Portugal, Italië, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Spanje, Ierland, Griekenland, Cyprus, Roemenië en Polen, die in het verslag van de Tijdelijke Commissie genoemd werden, alle nodige informatie vrij te geven over alle verdachte vliegtuigen waarbij een verband met de CIA en hun grondgebied bestaat; roept alle lidstaten ertoe op om het recht op toegang tot informatie te eerbiedigen en adequaat op verzoeken om informatie te reageren; geeft in dit verband uiting aan zijn bezorgdheid over het feit dat de meeste lidstaten, met uitzondering van Denemarken, Finland, Duitsland, Ierland en Litouwen, niet adequaat hebben gereageerd op verzoeken van Reprieve en Access Info Europe om toegang tot informatie voor hun onderzoek naar gevallen van buitengewone uitlevering;

18.  dringt bij de lidstaten aan op herziening van bepalingen of interpretaties die al te inschikkelijk tegenover foltering staan, zoals het juridisch advies van Michael Wood (waarvan sprake is in de EP-resolutie van 14 februari 2007), waarin in strijd met de internationale jurisprudentie wordt gesteld dat het legitiem is om met behulp van foltering verkregen informatie te aanvaarden en gebruiken mits degene die de informatie gebruikt niet rechtstreeks verantwoordelijk is (wat het „outsourcen” van foltering stimuleert en rechtvaardigt);

19.  verzoekt alle EU-lidstaten het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning te ondertekenen en te ratificeren;

20.  verzoekt de lidstaten in het licht van de versterkte samenwerking en de uitwisseling van informatie over hun geheime inlichtingen- en veiligheidsdiensten te zorgen voor volledige democratische controle op die diensten en hun activiteiten via passend intern, uitvoerend, gerechtelijk en onafhankelijk parlementair toezicht, dat bij voorkeur wordt uitgeoefend door gespecialiseerde parlementaire commissies met een ruim mandaat en uitgebreide bevoegdheden, waaronder de bevoegdheid om informatie op te vragen, die over voldoende onderzoeksmiddelen beschikken zodat ze niet alleen het beleid, het beheer en de financiën, maar ook de operationele activiteiten van die diensten kunnen onderzoeken;

Reactie van de EU-instellingen

21.  acht het van wezenlijk belang dat de EU elk misbruik bij de terrorismebestrijding veroordeelt, ook wanneer dit op haar eigen grondgebied plaatsvindt, en wel zodanig dat zij haar eigen waarden kan naleven maar deze ook op een geloofwaardige manier kan verdedigen tegenover haar externe partners;

22.  herinnert eraan dat de Raad nooit formeel zijn verontschuldigingen heeft aangeboden voor de schending van het in de Verdragen vastgelegde beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de EU, toen hij het Europees Parlement misleidde door met opzet ingekorte versies voor te leggen van de notulen van het overleg van COJUR (Groep internationaal publiekrecht van de Raad) en COTRA (Groep trans-Atlantische betrekkingen van de Raad) met hoge Noord-Amerikaanse ambtenaren; verwacht van de Raad dat hij zijn verontschuldigingen aanbiedt;

23.  verwacht dat de Raad eindelijk een verklaring zal afleggen waarin hij erkent dat er lidstaten bij het CIA-programma betrokken waren en dat ze moeilijkheden hebben ondervonden in het kader van de onderzoeken;

24.  roept de Raad op om de lidstaten ten volle te steunen bij het achterhalen van de waarheid en bij het nemen van hun verantwoordelijkheid door deze kwestie formeel ter sprake te brengen op JBZ-zittingen, alle informatie te delen, hulp te bieden bij onderzoeken en in het bijzonder verzoeken om inzage in stukken in te willigen;

25.  verzoekt de Raad hoorzittingen te houden met relevante veiligheidsinstanties van de EU, met name Europol, Eurojust en de EU-coördinator voor terrorismebestrijding, om na te gaan wat ze weten over de betrokkenheid van lidstaten bij het CIA-programma en de reacties van de EU; verzoekt de Raad tevens voorstellen te doen voor waarborgen met het oog op de eerbiediging van de mensenrechten bij het uitwisselen van inlichtingen en voor een strikte afbakening van taken op het gebied van inlichtingen en wetshandhaving, zodat inlichtingendiensten geen bevoegdheid krijgen om personen aan te houden of vast te houden, en verzoekt hem binnen een jaar daarover aan het Parlement verslag uit te brengen;

26.  verzoekt de Raad de uitwisseling van beste praktijken ten aanzien van het parlementaire en gerechtelijke toezicht op inlichtingendiensten tussen de lidstaten te stimuleren, en de nationale parlementen en het Europees Parlement daarbij te betrekken;

27.  herhaalt zijn oproep aan de Raad en de lidstaten om niet langer te vertrouwen op niet-afdwingbare diplomatieke garanties van derde landen als basis voor uitlevering of uitzetting van personen die een bedreiging van de nationale veiligheid zouden vormen wanneer het risico bestaat van foltering of mishandeling dan wel berechting met behulp van bewijs dat daarmee verkregen is;

28.  verlangt dat de overheid geen beroep doet op het staatsgeheim in verband met internationale samenwerking op het gebied van inlichtingen om de verantwoordingsplicht en de mogelijkheid van beroep te blokkeren, en benadrukt met klem dat alleen echte nationale veiligheidsredenen een grond kunnen vormen voor geheimhouding, die hoe dan ook ondergeschikt is aan onvervreemdbare grondrechtelijke verplichtingen, zoals het absolute verbod op foltering;

29.  verlangt van de autoriteiten dat zij een strikt onderscheid maken tussen activiteiten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten enerzijds en activiteiten van wetshandhavingsinstanties anderzijds, om te garanderen dat het algemene beginsel van „nemo iudex in sua causa” geëerbiedigd wordt;

30.  benadrukt dat de Tijdelijke Commissie die het onderzoek heeft uitgevoerd dat de basis vormde voor de EP-resoluties van 14 februari 2007 en 19 februari 2009, aan het licht gebracht heeft dat de procedures voor toestemming voor en toezicht op burgerluchtvaartuigen die door het luchtruim van lidstaten vliegen of op hun grondgebied landen, uiterst gebrekkig waren, en dus niet alleen misbruikt konden worden in het kader van de „buitengewone uitleveringen” van de CIA, maar ook eenvoudig omzeild konden worden door de georganiseerde misdaad of terreurnetwerken; wijst voorts op de bevoegdheid van de Unie wat de veiligheid en beveiliging van het vervoer betreft en op de aanbevelingen van het Parlement aan de Commissie om het beheer van het luchtruim, luchthavens en de niet-commerciële luchtvaart in de EU te reglementeren en aan toezicht te onderwerpen; verzoekt de EU en de lidstaten daarom onverwijld een grondige evaluatie van hun tenuitvoerlegging van het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart uit te voeren ten aanzien van toestemming voor en inspectie van burgerluchtvaartuigen die door het luchtruim van lidstaten vliegen of op hun grondgebied landen, zodat de veiligheid wordt vergroot en er systematische controles worden uitgevoerd, wat betekent dat de passagiers en bemanningsleden eerst moeten worden geïdentificeerd, en zodat vluchten die worden aangemerkt als „staatsvluchten” (die niet onder het Verdrag van Chicago vallen) vooraf de nodige toestemming krijgen; herinnert voorts aan de aanbeveling van het Parlement dat het Verdrag van Tokio inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen daadwerkelijk door de lidstaten moet worden gehandhaafd;

31.  neemt kennis van de initiatieven van de Commissie naar aanleiding van de aanbevelingen van het Parlement; acht het echter betreurenswaardig dat deze geen onderdeel uitmaken van een bredere agenda en strategie om te waarborgen dat er verantwoordelijkheid wordt genomen voor de mensenrechtenschendingen die in de context van het CIA-programma zijn begaan en dat de slachtoffers de nodige schadeloosstelling en compensaties krijgen;

32.  verzoekt de Commissie na te gaan of er sprake is van schending van EU-bepalingen door de samenwerking met de CIA in het kader van zijn programma, met name van de bepalingen inzake asiel en justitiële samenwerking;

33.  verzoekt de Commissie om de wederzijdse rechtsbijstand overeenkomstig de mensenrechten en de justitiële samenwerking tussen onderzoeksautoriteiten en de samenwerking tussen advocaten die betrokken zijn bij de verantwoordingsactiviteiten in de lidstaten te bevorderen en te ondersteunen, en met name te bereiken dat belangrijke informatie wordt uitgewisseld en het effectieve gebruik van alle EU-instrumenten en -middelen te bevorderen;

34.  verzoekt de Commissie binnen een jaar een raamwerk vast te stellen, dat onder meer rapportageverplichtingen voor de lidstaten omvat, om nationale verantwoordingsprocessen te volgen en ondersteunen, alsmede richtsnoeren voor onderzoeken naar naleving van de mensenrechten, gebaseerd op door de Raad van Europa en de VN opgestelde normen;

35.  verzoekt de Commissie om, in het licht van de institutionele tekortkomingen die in de context van het CIA-programma aan het licht zijn gekomen, maatregelen te treffen gericht op versterking van de capaciteiten van de EU om mensenrechtenschendingen op EU-niveau te voorkomen en recht te zetten en om voor een versterking van de rol van het Parlement te zorgen;

36.  verzoekt de Commissie te overwegen maatregelen voor te stellen voor permanente samenwerking en informatie-uitwisseling tussen het Europees Parlement en de parlementaire commissies voor het toezicht op inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de EU-lidstaten ingeval de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de lidstaten op het grondgebied van de Europese Unie gezamenlijke activiteiten hebben ondernomen;

37.  verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen om regelingen te treffen voor democratische controle op grensoverschrijdende inlichtingenactiviteiten in de context van het terrorismebestrijdingsbeleid van de EU; is voornemens zijn eigen parlementaire bevoegdheden om toezicht uit te oefenen op het terrorismebestrijdingsbeleid volledig uit te oefenen, overeenkomstig de aanbevelingen die zijn geformuleerd door de Studiedienst van het Europees Parlement (PE 453.207);

38.  verzoekt de Europese Ombudsman om een onderzoek te verrichten naar het verzuim van de Commissie, de Raad en de veiligheidsinstanties van de EU, met name Europol en Eurojust, om de grondrechten en de beginselen van behoorlijk bestuur en loyale samenwerking bij hun reactie op de aanbevelingen van de Commissie TDIP na te leven;

39.  verlangt dat de EU haar internationale verplichtingen volledig nakomt en dat het EU-beleid en de instrumenten van het buitenlands beleid, zoals de richtsnoeren inzake foltering en de mensenrechtendialogen, volledig worden toegepast, zodat de EU sterker staat als zij oproept tot strikte tenuitvoerlegging van de mensenrechtenclausules in alle internationale overeenkomsten die zij ondertekent, en haar belangrijkste bondgenoten, zoals de Verenigde Staten, aanspoort hun eigen wetgeving en het internationaal recht na te leven;

40.  wijst er nogmaals op dat de internationale strijd tegen het terrorisme en de bilaterale en multilaterale internationale samenwerking op dat vlak, bijvoorbeeld in NAVO-verband of tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten, alleen onder volledige eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden en onder passend democratisch en gerechtelijk toezicht mogen worden uitgevoerd; verzoekt de lidstaten, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Raad ervoor te zorgen dat deze beginselen in hun buitenlandse betrekkingen worden toegepast, en dringt erop aan dat zij pas nieuwe overeenkomsten aangaan als de staat van dienst van hun partners op het gebied van de mensenrechten, met name inzake de samenwerking op het gebied van inlichtingen en informatie-uitwisseling, aan een diepgaande beoordeling is onderworpen en dat zij bestaande overeenkomsten herzien indien de tegenpartij de mensenrechten niet eerbiedigt, en dat zij het Parlement in kennis stellen van de conclusies van dergelijke beoordelingen en herzieningen;

41.  verlangt dat inmenging van buitenlandse speciale diensten in de aangelegenheden van soevereine lidstaten van de EU in de toekomst niet nogmaals voorkomt, en dat de strijd tegen het terrorisme wordt gevoerd met volledige eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden, de democratie en de rechtsstaat;

42.  herinnert eraan dat het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering vereist dat er monitoringstelsels worden ingesteld voor alle gevallen van vrijheidsberoving, en wijst er uitdrukkelijk op dat dit internationale instrument een extra beschermingsniveau biedt; dringt er met klem bij de partnerlanden van de EU op aan dat zij het Facultatief Protocol ratificeren, onafhankelijke nationale preventiemechanismen opzetten die voldoen aan de beginselen van Parijs, en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning ratificeren;

43.  herhaalt zijn oproep aan alle staten waartegen geloofwaardige beschuldigingen zijn ingebracht om, zoals vereist door internationale wetgeving en met name artikel 12 van het Verdrag ter voorkoming van foltering, alles in het werk te stellen om de nodige opheldering te verschaffen en om, wanneer de aanwijzingen steekhoudend blijken, grondig onderzoek te doen naar en inlichtingen in te winnen over alle veronderstelde buitengewone uitleveringen, geheime gevangenissen, gevallen van foltering en andere ernstige mensenrechtenschendingen, om zo tot waarheidsvinding te komen en zo nodig de verantwoordelijkheid te vast te stellen, de verantwoordingsplicht te waarborgen en straffeloosheid te voorkomen, wat tevens inhoudt dat in geval van aantoonbare strafrechtelijke aansprakelijkheid ook berechting dient plaats vinden; verzoekt de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter en de lidstaten in dit verband de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de gezamenlijke studie van de VN inzake mondiale praktijken met betrekking tot geheime detentie een toereikende follow-up krijgt, met name wat betreft de follow-upbrief die op 21 oktober 2011 door de houders van speciale mandaten naar 59 landen werd gestuurd en waarin de respectieve regeringen verzocht werden om actuele informatie te verschaffen over de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen uit die studie;

44.  verzoekt de EU erop toe te zien dat haar lidstaten, bondgenoten en partners (met name in het kader van de Overeenkomst van Cotonou) die ermee ingestemd hebben om voormalige gedetineerden uit Guantánamo op te nemen, hun daadwerkelijk volledige steun verlenen met betrekking tot hun levensomstandigheden, hun integratie in de maatschappij, medische zorg, waaronder psychologische bijstand, verkrijging van identiteits- en reisdocumenten, het recht op gezinshereniging en alle andere grondrechten die mensen die politiek asiel gekregen hebben ook genieten;

45.  is bijzonder verontrust over het proces dat door een Amerikaanse militaire commissie wordt gevoerd tegen Abd al-Rahim al-Nashiri, die de doodstraf riskeert als hij veroordeeld wordt; verzoekt de Amerikaanse overheid om de mogelijkheid van de doodstraf voor Abd al-Rahim al-Nashiri uit te sluiten en wijst er nogmaals op dat het zich altijd verzet heeft tegen de doodstraf, in alle gevallen en in alle omstandigheden; merkt op dat de zaak van Abd al-Rahim al-Nashiri sinds 6 mei 2011 bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in behandeling is; verzoekt de autoriteiten van alle landen waar Abd al-Rahim al-Nashiri gedetineerd is geweest alle beschikbare middelen aan te wenden om ervoor te zorgen dat hij niet ter dood veroordeeld wordt; dringt er bij de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter op aan dat zij de zaak van Abd al-Rahim al-Nashiri onverwijld bij de VS aan de orde stelt, overeenkomstig de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf;

46.  wijst er nogmaals op dat de volledige toepassing van de mensenrechtenclausule in overeenkomsten met derde landen van fundamenteel belang is in de betrekkingen van de Europese Unie en de lidstaten met die landen, en dat het nu tijd is voor een herbezinning op de manier waarop Europese regeringen, met het argument van terrorismebestrijding, hun medewerking hebben verleend aan het repressieapparaat van dictaturen; is in dat verband van mening dat het onlangs herziene Europees nabuurschapsbeleid de hervorming van de veiligheidssector terdege moet ondersteunen, waarbij met name een duidelijke scheiding tussen inlichtingen- en wetshandhavingstaken verzekerd moet worden; verzoekt de EDEO, de Raad en de Commissie om hun samenwerking met het Comité inzake de voorkoming van foltering en andere relevante mechanismen van de Raad van Europa op te voeren bij het plannen en uitvoeren van projecten in samenwerking met derde landen ter ondersteuning van terrorismebestrijding en bij alle vormen van dialoog inzake terrorismebestrijding met derde landen;

47.  verzoekt de regering van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM) om de verantwoordelijkheid te bepalen en de verantwoordingsplicht te waarborgen voor de ontvoering, kennelijk ten gevolge van een persoonsverwisseling, van Khaled el-Masri, die geleid heeft tot zijn illegale detentie en naar verluidt foltering; betreurt het feit dat het openbaar ministerie van Skopje geen stappen heeft ondernomen om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar aanleiding van de klacht van Khaled el-Masri; merkt op dat de zaak van Khaled el-Masri bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in behandeling is en dat de Grote Kamer op 16 mei 2012 een eerste hoorzitting heeft gehouden; is van mening dat het veronderstelde optreden van de regering van FYROM in de zaak van de Khaled el-Masri niet strookt met de grondbeginselen van de EU op het vlak van de grondrechten en de rechtsstaat en dat de Commissie deze zaak moet onderzoeken in verband met het verzoek van FYROM om lid van de EU te worden;

48.  verzoekt de NAVO en de autoriteiten van de VS hun eigen onderzoek in te stellen, volledige medewerking te verlenen aan parlementaire of gerechtelijke onderzoeken van de EU of de lidstaten naar deze kwesties(31), onder meer door zo nodig snel te reageren op verzoeken om wederzijdse rechtshulp, informatie ten aanzien van buitengewoneuitleveringsprogramma's en andere praktijken die de mensenrechten en de fundamentele vrijheden aantasten vrij te geven, en de raadslieden van de verdachten alle informatie te verschaffen die zij nodig hebben om hun cliënten te verdedigen; verlangt een bevestiging dat alle NAVO-overeenkomsten en NAVO-EU- en andere trans-Atlantische regelingen de grondrechten eerbiedigen;

49.  looft de initiatieven van het Amerikaanse maatschappelijke middenveld om in 2010 een onafhankelijke tweepartijen-taskforce op te richten om het beleid en de maatregelen van de Amerikaanse regering ten aanzien van de gevangenneming, detentie en vervolging van „terrorismeverdachten” en het in hechtenis houden van verdachten in de VS tijdens de ambtstermijnen van de presidenten Clinton, Bush en Obama te onderzoeken;

50.  verzoekt de Verenigde Staten, gelet op de cruciale rol van het trans-Atlantische partnerschap en het leiderschap van de VS op dit gebied, alle schendingen die zij hebben begaan volledig te onderzoeken en er de verantwoordelijkheid voor te nemen, te waarborgen dat alle binnenlandse en internationale wetgeving op dit gebied volledig wordt toegepast om de mazen in de wet te dichten, de militaire processen te staken, het strafrecht volledig van toepassing te laten zijn op terrorismeverdachten en de toetsing van detentie en habeas corpus, een behoorlijke rechtsgang, vrijwaring van foltering en non-discriminatie tussen buitenlanders en Amerikaanse staatsburgers weer in ere te herstellen;

51.  roept president Obama op zijn in januari 2009 gedane belofte na te komen en het detentiecentrum Guantánamo Bay te sluiten, iedere gedetineerde wie niets ten laste gelegd is zo spoedig mogelijk naar zijn of haar eigen land te laten terugkeren of naar een ander veilig land te laten gaan, gedetineerden uit Guantánamo tegen wie voldoende toelaatbaar bewijs bestaat onverwijld in een eerlijke en openbare zitting te laten berechten door een onafhankelijke, onpartijdige rechtbank en te waarborgen dat zij, indien zij worden veroordeeld, in de VS gevangen worden gezet in overeenstemming met de toepasselijke internationale normen en beginselen; verlangt evenzo dat de schendingen van de mensenrechten die in Guantánamo hebben plaatsgevonden, onderzocht worden en dat bepaald wordt wie ervoor verantwoordelijk was;

52.  dringt erop aan dat gedetineerden wie niets ten laste wordt gelegd maar die niet gerepatrieerd kunnen worden vanwege een reëel risico op foltering of vervolging in hun eigen land, de gelegenheid zal worden gegeven tot hervestiging in de VS met humanitaire bescherming en schadevergoeding(32), en spoort ook de lidstaten aan om aan te bieden dergelijke voormalige gedetineerden uit Guantánamo op te nemen;

53.  dringt bij de Amerikaanse overheid aan op intrekking van de bevoegdheid om personen op grond van de National Defense Authorization Act voor onbepaalde duur zonder tenlastelegging of proces vast te houden;

54.  verzoekt de Conferentie van delegatievoorzitters ervoor te zorgen dat er parlementaire dialogen worden gestart over bescherming van de grondrechten bij terrorismebestrijding, op basis van en als follow-up van de bevindingen van de gezamenlijke studie van de VN inzake mondiale praktijken met betrekking tot geheime detentie en van het overzicht van goede praktijken inzake de juridische en institutionele kaders en maatregelen die waarborgen dat de inlichtingendiensten de mensenrechten respecteren bij terrorismebestrijding, alsmede inzake het toezicht hierop van de VN;

55.  is van plan om, met vertegenwoordigers van de relevante nationale overheden en EU-instellingen en -instanties, de volgende gezamenlijke parlementaire bijeenkomst te wijden aan de herziening van de rol van de parlementen op het gebied van verantwoording voor de mensenrechtenschendingen in de context van het CIA-programma, en aan het bevorderen van nauwere samenwerking en regelmatige gegevensuitwisseling tussen de nationale instanties voor het toezicht op de inlichtingendiensten;

56.  blijft zich inzetten voor de uitvoering van het mandaat van de Tijdelijke Commissie overeenkomstig de artikelen 2, 6 en 7 van het VEU; draagt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, alsmede de Subcommissie mensenrechten op om een jaar na de aanneming van onderhavige resolutie het Parlement in een plenaire vergadering over dit onderwerp in te lichten; acht het van essentieel belang dat nu wordt vastgesteld in hoeverre de door het Parlement aangenomen aanbevelingen opgevolgd zijn, en zo niet, waarom niet;

57.  verzoekt de Raad, de Commissie, de Europese Ombudsman, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de kandidaat-lidstaten en de geassocieerde landen, de Raad van Europa, de NAVO, de Verenigde Naties en de regering en beide kamers van het Amerikaanse Congres het Parlement op de hoogte te houden van de eventuele ontwikkelingen op de gebieden die onderwerp van dit verslag zijn;

o
o   o

58.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Ombudsman, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de kandidaat-lidstaten en de geassocieerde landen, alsmede aan de Raad van Europa, de NAVO, de Verenigde Naties en de regering en beide kamers van het Amerikaanse Congres.

(1) PB L 200 van 30.7.2005, blz. 1.
(2) PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.
(3) A/HRC/13/42, 19.2.2010.
(4) A/HRC/19/61, 18.1.2012.
(5) A/HRC/14/46, 17.5.2010.
(6) Resolutie 1507 (2006).
(7) Resolutie 1562 (2007).
(8) Doc. 12714 van 16.9.2011.
(9) PB C 285E van 21.10.2010, blz. 12.
(10) PB C 287E van 29.11.2007, blz. 309.
(11) PB C 76E van 25.3.2010, blz. 51.
(12) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0271.
(13) PB C 67E van 18.3.2010, blz. 91.
(14) PB C 300E van 9.12.2006, blz. 136.
(15) PB C 102 van 28.4.2004, blz. 640.
(16) PB C 169E van 15.6.2012, blz. 49.
(17) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0577.
(18) SPEECH/08/716, „Une politique visant à assurer l'effectivité des droits fondamentaux sur le terrain”.
(19) „Remarks en route to Germany”, gesprek met de pers van Condoleezza Rice, Berlijn, 5 december 2005, en „Press Availability at the Meeting of the North Atlantic Council”, Brussel, 8 december 2005.
(20) „Sources Tell ABC News Top Al Qaeda Figures Held in Secret CIA Prisons”, ABC News, 5.12.2005.
(21) „Lithuania Hosted Secret CIA Prison to Get ”Our Ear'„, ABC News, 20.8.2009.
(22) ”CIA Holds Terror Suspects in Secret Prisons„, 2.11.2005, en ”Europeans Probe Secret CIA Flights„, Washington Post, 17.11.2005.
(23) Onder meer: verklaring van Human Rights Watch van 6.11.2005: „U.S. Secret Detention Facilities in Europe”; rapport van Amnesty International Europe getiteld „Open secret: Mounting evidence of Europe's complicity in rendition and secret detention”, 15.11.2010; rapport van Reprieve getiteld „Rendition on Record: Using the Right of Access to Information to Unveil the Paths of Illegal Prisoner Transfer Flights”, 15.12.2011.
(24) Paragraaf 232 van de EP-resolutie van 14 februari 2007.
(25) PB L 200 van 30.7.2005, blz. 1.
(26) PB L 338 van 21.12.2011, blz. 31.
(27) Artikel 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en de daaraan gerelateerde jurisprudentie, en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
(28) A/HRC/19/44.
(29) „Inside Romania's secret CIA prison”, The Independent, 9.12.2011.
(30) Verslag van het Comité inzake de voorkoming van foltering van zijn bezoek aan Litouwen van 14 tot 18 juni 2010 (19 mei 2011).
(31) Zie o.a. paragraaf 232 van de EP-resolutie van 9 juni 2011.
(32) Zie paragraaf 3 van de EP-resolutie van 4 februari 2009.


Versterkte solidariteit binnen de EU op het gebied van asiel
PDF 159kWORD 77k
Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over versterkte solidariteit binnen de EU op het gebied van asiel (2012/2032(INI))
P7_TA(2012)0310A7-0248/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 67, lid 2, 78 en 80 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 december 2011 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake versterkte solidariteit binnen de EU op het gebied van asiel – Een EU-agenda voor een betere verdeling van verantwoordelijkheid en meer wederzijds vertrouwen (COM(2011)0835),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2009 over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende „Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht ten dienste van de burger – programma van Stockholm”(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 april 2005 aan de Raad en het Europees Parlement tot vaststelling van een kaderprogramma voor solidariteit en beheer van de migratiestromen voor de periode 2007-2013 (COM(2005)0123),

–  gezien de conclusies van de 3151e vergadering van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 8 maart 2012 betreffende een gemeenschappelijk kader voor echte en praktische solidariteit met lidstaten waarvan de asielsystemen onder druk staan, onder meer als gevolg van gemengde migratiestromen,

–  gezien internationale en Europese mensenrechteninstrumenten, waaronder in het bijzonder het VN-Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (het EVRM) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 6 juni 2007 over de toekomst van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (COM(2007)0301),

–  gezien het Asielbeleidsplan van de Commissie van 17 juni 2008: Een geïntegreerde aanpak van bescherming in de hele EU (COM(2008)0360),

–  gezien Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen(2),

–  gezien het 18-maandenprogramma van de Raad van 17 juni 2011, opgesteld door het Poolse, Deense en Cypriotische voorzitterschap,

–  gezien het voorstel voor een verordening van de Commissie van 15 november 2011 tot oprichting van het Fonds voor asiel en migratie (COM(2011)0751),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0248/2012),

A.  overwegende dat de Europese Unie zich ertoe heeft verbonden in 2012 een gemeenschappelijk Europees asielstelsel tot stand te brengen;

B.  overwegende dat solidariteit van meet af aan erkend is als een essentieel onderdeel en uitgangspunt van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, alsook als een kernbeginsel van de EU-wetgeving volgens hetwelk de lidstaten zowel de voordelen als de lasten gelijk en billijk moeten verdelen;

C.  overwegende dat solidariteit en verantwoordelijkheid moeten samengaan en dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat hun asielstelsels voldoen aan de normen van het internationaal en Europees recht, met name die van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 1951 en het aanvullend protocol van 1967, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

D.  overwegende dat het verlenen van steun bij het uitvoeren van asielprocedures in de zin van doeltreffende solidariteit en een billijke verdeling van de verantwoordelijkheid moet worden gezien als een middel om de lidstaten te helpen bij het nakomen van hun verplichting om bescherming te bieden aan personen die internationale bescherming nodig hebben en om bijstand te verlenen aan derde landen die de meeste vluchtelingen opvangen, teneinde de gemeenschappelijke ruimte van bescherming als geheel te versterken;

E.  overwegende dat – onverminderd de verplichting dat afzonderlijke asielaanvragen van geval tot geval moeten worden behandeld – gezamenlijke verwerking weliswaar tot gezamenlijke besluiten zal leiden, doch dat er tegelijkertijd naar behoren rekening moet worden gehouden met de gezamenlijke EU-concepten van veilig land van herkomst en veilige derde landen, met inachtneming van de voorwaarden en waarborgen als opgenomen in het standpunt van het Parlement in eerste lezing van 6 april 2011 betreffende het voorstel van de Commissie voor herziening van de richtlijn inzake asielprocedures;

Inleiding

1.  verwelkomt de mededeling van de Commissie over versterkte solidariteit binnen de EU op het gebied van asiel: waarin wordt gevraagd om vertaling van solidariteit en verdeling van verantwoordelijkheid in concrete maatregelen, en de lidstaten worden verzocht hun verantwoordelijkheid op zich te nemen om ervoor te zorgen dat hun eigen asielstelsels aan zowel de internationale als de Europese normen voldoen;

2.  benadrukt de centrale rol en de horizontale werking van solidariteit en de verdeling van de verantwoordelijkheid bij de oprichting van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel; herhaalt dat moet worden gezorgd voor een efficiënte en uniforme toepassing van het asielacquis van de Unie en tenuitvoerlegging van wetgeving om te komen tot een hoog beschermingsniveau;

3.  herinnert eraan dat het recht op internationale bescherming een in het internationaal recht en het EU-recht verankerd grondrecht is dat wordt gecompleteerd door een aantal aanvullende rechten en beginselen, zoals het beginsel van non-refoulement, het recht op waardigheid, het verbod op foltering en op onmenselijke of vernederende behandeling, de bescherming van vrouwen tegen geweld en alle vormen van discriminatie, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een privé- en gezinsleven;

4.  benadrukt dat het beginsel van solidariteit en de verdeling van verantwoordelijkheid in de Verdragen is neergelegd en dat een doeltreffend solidariteitskader op zijn minst de plicht inhoudt dat de instellingen en agentschappen van de EU en de lidstaten samenwerken om manieren te vinden om dit beginsel in de praktijk te brengen; stelt dat deze solidariteit niet beperkt blijft tot de betrekkingen tussen de lidstaten onderling, doch eveneens geldt voor asielzoekers en personen die internationale bescherming genieten;

5.  onderstreept dat het aantal asielzoekers in 2011 weliswaar is gestegen, doch dat het totale aantal asielaanvragen in de EU in de afgelopen tien jaar aanzienlijk is gedaald; onderstreept dat sommige lidstaten worden geconfronteerd met een onevenredig aantal asielaanvragen in vergelijking met andere lidstaten als gevolg van diverse factoren, waaronder hun geografische kenmerken, en dat de asielaanvragen ongelijk over de EU zijn verdeeld; wijst erop dat in 2011 tien lidstaten meer dan 90% van de asielaanvragen te verwerken kregen, dat tot de zomer van 2011 slechts 227 personen die internationale bescherming genieten, binnen de EU zijn overgebracht vanuit Malta naar zes andere lidstaten en in 2011 in de gehele EU slechts 4 125 vluchtelingen hervestigd werden in slechts tien lidstaten, hetgeen neerkomt op ongeveer 6,6% van alle dat jaar hervestigde personen; onderstreept dat het van cruciaal belang is om deze ongelijkheden vast te stellen, onder meer door absolute cijfers en capaciteitsindicatoren met elkaar te vergelijken, en dat de lidstaten met de meeste asielaanvragen, zowel op administratief als op financieel vlak, meer steun van de EU moeten krijgen;

6.  benadrukt dat een hoog niveau van bescherming voor asielaanvragers en personen die internationale bescherming genieten niet kan worden verwezenlijkt, als de discrepanties tussen het aantal asielaanvragen en de technische en administratieve absorptiecapaciteit van de afzonderlijke lidstaten niet worden aangepakt en als de in de lidstaten genomen ondersteunende maatregelen slecht zijn afgestemd op een variërende toestroom van asielzoekers;

7.  herhaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat eerlijke en efficiënte asielstelsels worden opgezet om in te spelen op een variërende toestroom van asielzoekers; is van oordeel dat het aantal asielaanvragen weliswaar niet constant is, doch dat er aanwijzingen zijn dat bepaalde plaatsen van binnenkomst aan de buitengrenzen van de EU hotspots vormen, waarvan in zekere mate kan worden verwacht dat er een groot aantal asielaanvragen zal worden ingediend; roept op tot maatregelen om de paraatheid van de asielstelsels van lidstaten aan de belangrijkste plaatsen van binnenkomst in de EU te verhogen, als teken van praktische solidariteit;

8.  benadrukt dat alle lidstaten verplicht zijn zowel de EU-wetgeving als hun internationale verplichtingen inzake asiel volledig uit te voeren en toe te passen; merkt op dat lidstaten aan de buitengrenzen van de Unie met andere problemen in het kader van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel te maken krijgen dan lidstaten zonder buitengrenzen en bijgevolg ook andere vormen van steun nodig hebben om hun respectieve taken adequaat uit te voeren; wijst erop dat artikel 80 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de activering van bestaande maatregelen alsook de ontwikkeling van nieuwe maatregelen vereist om deze lidstaten zo nodig te helpen;

9.  dringt erop aan het gebruik van bestaande maatregelen te optimaliseren, alsook nieuwe gerichte maatregelen en instrumenten te ontwikkelen om flexibel, maar toch doeltreffend te kunnen inspelen op de steeds veranderende uitdagingen; is van oordeel dat een dergelijke optimalisatie met name gelegen komt, nu de acute financiële crisis in de EU de inspanningen van de lidstaten om efficiënt met asielprocedures om te gaan nog meer onder druk zet, met name in het geval van lidstaten die een onevenredig aantal asielzoekers te verwerken krijgen;

10.  merkt op dat in het licht van de groeiende behoeften op het gebied van vluchtelingen op mondiaal niveau, samenwerking met derde landen in het kader van milieu- en ontwikkelingsbeleid een cruciale rol kan spelen bij de opbouw van door solidariteit ingegeven betrekkingen;

11.  onderstreept het belang van het verzamelen, analyseren en in perspectief plaatsen van betrouwbare, nauwkeurige, alomvattende, vergelijkbare en actuele kwalitatieve en kwantitatieve gegevens om maatregelen te monitoren en te evalueren en een goed inzicht in asielgerelateerde kwesties te krijgen; spoort de lidstaten er dan ook toe aan het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) en de Commissie relevante gegevens over asielzaken te verstrekken, naast de te verstrekken gegevens in het kader van de verordening inzake migratiestatistieken en de verordening inzake het EASO, zo mogelijk uitgesplitst naar gender;

12.  betreurt de toename van vreemdelingenhaat en racisme en de negatieve en verkeerde veronderstellingen over asielzoekers en vluchtelingen die de onzekere sociaaleconomische situatie in de EU met zich brengt; beveelt de lidstaten aan bewustmakingscampagnes te organiseren over de werkelijke situatie van asielzoekers en van personen die internationale bescherming genieten;

Praktische samenwerking en technische bijstand

13.  benadrukt dat de oprichting van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) een nauwere praktische samenwerking tussen de lidstaten kan bevorderen teneinde aanzienlijke verschillen in de asielprocedures te helpen verkleinen, zodat er in de EU betere en rechtvaardigere asielstelsels kunnen worden opgezet; is van oordeel dat deze actieve en praktische samenwerking gepaard moet gaan met harmonisatie van de wetgeving inzake het Europees asielbeleid;

14.  herinnert eraan dat het EASO technische ondersteuning en specifieke deskundigheid moet bieden aan de lidstaten bij de uitvoering van de asielwetgeving, in samenwerking met het maatschappelijk middenveld en het UNHCR; onderstreept dat de Commissie de door het EASO verzamelde gegevens moet gebruiken om mogelijke tekortkomingen in de asielstelsels van de lidstaten op te sporen; is van oordeel dat deze door het EASO overeenkomstig Verordening (EU) 439/2010 verzamelde gegevens ook van nut zijn in het kader van het mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing, paraatheid en crisisbeheer dat deel zal uitmaken van de gewijzigde Dublin-verordening; onderstreept dat het van belang is regelmatig verslagen in te dienen en actieplannen uit te werken teneinde tot gerichte oplossingen en aanbevelingen te komen om het gemeenschappelijk Europees asielstelsel te verbeteren en mogelijke tekortkomingen te verhelpen; wijst met name op de rol van het bureau bij het coördineren en ondersteunen van gemeenschappelijke actie om lidstaten wier asielstelsels en opvangfaciliteiten onder bijzondere druk staan, bij te staan met maatregelen waaronder de detachering van ambtenaren aan de lidstaat in kwestie en de beschikbaarstelling van asieldeskundigenteams, maatschappelijk werkers en tolken die in crisissituaties snel kunnen worden ingezet; herinnert eraan dat de impact van het EASO afhankelijk zal zijn van de bereidheid van de lidstaten zijn potentieel volledig te benutten;

15.  verzoekt het EASO, rekening houdend met zowel zijn taken als zijn beperkte begroting, middelen en ervaring, optimaal gebruik te maken van de beschikbare middelen door een intensieve dialoog en nauwe samenwerking aan te gaan met internationale organisaties en het maatschappelijk middenveld, teneinde informatie uit te wisselen en kennis te bundelen op asielgebied, gegevens te verzamelen, beste praktijken uit te wisselen, alomvattende richtlijnen inzake gendergerelateerde vraagstukken op asielgebied uit te werken, opleidingen te ontwikkelen en pools van deskundigen, mensen die aanvragen behandelen en tolken op te zetten, die op korte termijn kunnen worden ingezet om bijstand te verlenen; beveelt het EASO voorts aan te zorgen voor een brede vertegenwoordiging van organisaties die deelnemen aan het overlegforum;

16.  benadrukt dat de activiteiten van het EASO zich moeten concentreren op zowel preventieve langetermijndoelstellingen als reactieve kortetermijnmaatregelen teneinde adequaat op verschillende situaties te kunnen inspelen; is derhalve van oordeel dat het EASO weliswaar capaciteitsopbouwende maatregelen voor onderontwikkelde of slecht functionerende asielstelsels moet ondersteunen, doch voorrang moet geven aan noodsituaties en lidstaten die geconfronteerd worden met uitzonderlijke of onevenredige druk; benadrukt in dit verband de cruciale rol van de asieldeskundigenteams bij het verlenen van bijstand bij grote aantallen asielaanvragen en achterstanden, door opleiding aan te bieden, projectbeheer uit te voeren, advies te verlenen en concrete maatregelen aan te bevelen, toezicht te houden en follow-upmaatregelen ten uitvoer te leggen;

17.  neemt kennis van het operationeel plan dat wordt uitgevoerd om het Griekse asielstelsel te ondersteunen en de toestand van asielzoekers en personen die internationale bescherming genieten in Griekenland te verbeteren; onderstreept dat er weliswaar enige vooruitgang is geboekt, doch er extra inspanningen van zowel de EU als de Griekse overheid nodig zijn om het asielstelsel te verbeteren en ervoor te zorgen dat de rechten van asielzoekers volledig geëerbiedigd worden; herinnert eraan dat maatregelen om het begrotingstekort in te perken het onmogelijk maken nationale middelen uit te trekken om meer ambtenaren in dienst te nemen en beveelt aan dit probleem aan te pakken, aangezien een goed functionerende asielautoriteit noodzakelijk is om Griekenland in de gelegenheid te stellen zijn verplichtingen in het kader van internationale en EU-wetgeving na te komen;

18.  neemt kennis van de aanbeveling van de Commissie en de Raad betreffende onderlinge samenwerking tussen het EASO en Frontex, en benadrukt dat de volledige en snelle tenuitvoerlegging van de grondrechtenstrategie van Frontex een voorwaarde sine qua non is voor een dergelijke samenwerking in het kader van internationale bescherming, inclusief de benoeming van een mensenrechtenfunctionaris, het opzetten van een overlegforum met het maatschappelijk middenveld en het uitnodigen van internationale organisaties om als mensenrechtenwaarnemers aan zijn activiteiten deel te nemen; benadrukt dat elke samenwerking moet worden gezien in de context van handhaving van de door Europese en internationale normen gestelde standaarden, hetgeen in de praktijk tot kwaliteitsverbetering van de aan asielzoekers geboden bescherming leidt; verzoekt het EASO dan ook Frontex te steunen bij diens verplichtingen in verband met toegang tot internationale bescherming en met name het beginsel van non-refoulement; onderstreept dat grensmaatregelen dienen te worden toegepast op een beschermingsgevoelige wijze;

19.  beseft dat het mandaat van het EASO regelmatig moet worden herzien om ervoor te zorgen dat adequaat kan worden ingespeeld op de diverse uitdagingen waarmee de asielstelsels te maken krijgen; stelt, in het besef dat alle actie die het EASO onderneemt afhangt van de goede wil van de lidstaten, voor de mogelijkheid in overweging te nemen om structurele waarborgen in het mandaat van het EASO op te nemen om ervoor te zorgen dat zo nodig praktische samenwerking en technische bijstand worden verleend;

Financiële solidariteit

20.  spoort de lidstaten aan ten volle gebruik te maken van de beschikbare mogelijkheden in het kader van het Europees Vluchtelingenfonds (EVF) voor wat betreft het ondernemen van gerichte acties voor de verbetering van asielstelsels; beveelt de lidstaten aan actie te ondernemen om kwesties zoals omslachtige bureaucratische procedures, opnemingsachterstanden en liquiditeitsproblemen aan te pakken teneinde voor een effectieve en snelle verdeling van middelen te zorgen;

21.  wijst erop dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat optimaal gebruik wordt gemaakt van alle mogelijkheden die het Europees Vluchtelingenfonds biedt en alle toegekende middelen kunnen worden uitbetaald, zodat projectleiders niet in de problemen komen bij de tenuitvoerlegging van gefinancierde projecten;

22.  is verheugd over de invoering in 2014 van een eenvoudiger en flexibeler Fonds voor asiel en migratie (FAM) dat het Europees Vluchtelingenfonds, het Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen en het Europees Terugkeerfonds zal vervangen en onderstreept dat toereikende middelen moeten worden uitgetrokken om de bescherming van personen die internationale bescherming genieten en asielzoekers te steunen; onderstreept in dit verband hoe belangrijk het is in het FAM waarborgen op te nemen om buitensporige toewijzing van gelden aan slechts één beleidsgebied ten koste van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel als geheel te voorkomen; acht het in het kader van de hervorming van de toewijzing van middelen op het gebied van binnenlandse zaken voor het MFK 2014-2020 noodzakelijk dat eveneens voldoende middelen voor grensbewaking worden uitgetrokken om ook op dit gebied tot meer solidariteit te komen; herinnert eraan dat er altijd voldoende middelen beschikbaar moeten zijn om internationale beschermings- en solidariteitsmaatregelen voor lidstaten te financieren;

23.  onderstreept dat het Fonds voor asiel en migratie voldoende flexibel, gemakkelijk inzetbaar en snel toegankelijk moet zijn om snel en adequaat te kunnen inspelen op onverwachte druk of noodsituaties die een of meerdere lidstaten treffen; stelt in dit verband voor zo nodig een bepaald percentage van het bedrag van het FAM in het kader van de tussentijdse beoordeling te reserveren voor maatregelen, die bedoeld zijn om de lidstaten te helpen het bestaande EU-asielacquis uit te voeren en toe te passen en alle internationale verplichtingen ter zake na te komen;

24.  is verheugd over de dialoog inzake binnenlands beleid met de afzonderlijke lidstaten over het gebruik van de fondsen voorafgaand aan de meerjarenprogrammering; benadrukt het belang van een op participatie gerichte aanpak om optimale resultaten te behalen en beveelt aan het partnerschapsbeginsel te versterken door het maatschappelijk middenveld, internationale organisaties, lokale en regionale overheden alsook relevante belanghebbenden bij een en ander te betrekken, aangezien hun praktijkervaring essentieel is om realistische prioriteiten te stellen en duurzame programma's te ontwikkelen; is van oordeel dat hun inbreng bij de uitwerking, uitvoering, controle en beoordeling van de doelstellingen en programma's dan ook van belang is en dat de lidstaten hiermee rekening dienen te houden;

25.  onderstreept hoe belangrijk het is om de financiële verantwoordelijkheid op het gebied van asiel te delen en beveelt aan een goed toegerust mechanisme in het leven te roepen om, absoluut of proportioneel, grotere aantallen asielzoekers en personen die internationale bescherming genieten op te vangen en lidstaten met minder ontwikkelde asielstelsels te helpen; is van oordeel dat nader onderzoek moet worden gedaan om de werkelijke kosten van het ontvangen en verwerken van asielaanvragen vast te stellen en te kwantificeren; verzoekt de Commissie dan ook onderzoek te doen om na te gaan hoeveel middelen moeten worden uitgetrokken naargelang van de verantwoordelijkheid die elke lidstaat draagt, op basis van indicatoren zoals: het aantal eerste asielaanvragen, het aantal positieve besluiten voor toekenning van de vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming, het aantal hervestigde of overgebrachte vluchtelingen, het aantal terugkeerbesluiten en handelingen en het aantal opgepakte illegale migranten;

26.  beveelt de lidstaten aan gebruik te maken van financiële stimuleringsmaatregelen die in het kader van het FAM beschikbaar zijn voor overbrengingsactiviteiten, in het besef dat financiële steun via het fonds en technische ondersteuning via het EASO belangrijk zijn; stelt voor om prioritaire gebieden te introduceren voor de aanpak van dringende situaties en meer substantiële financiële steun te bieden aan lidstaten die deel wensen te nemen aan overbrengingsinitiatieven, ter verlichting van de hieraan gerelateerde financiële kosten;

27.  is van mening dat de invoering van een duidelijker en doeltreffender stelsel van financiële stimulansen voor de lidstaten die deelnemen aan overbrengingsactiviteiten en proactieve strategieën ter verbetering van de infrastructuur van nationale asielstelsels op de lange termijn een positief effect heeft op de convergentie van normen in de EU en de kwaliteit van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel;

28.  is verheugd over de mogelijke verhoging van de bijdrage van de Commissie tot 90% van de totale in aanmerking komende uitgaven voor projecten die anders niet zouden zijn uitgevoerd; is van oordeel dat een duidelijke meerwaarde moet voortkomen uit door de Commissie gefinancierde projecten; benadrukt dat Europese financiering in geen geval in de plaats mag komen van de in het kader van de nationale begrotingen voor het asielbeleid uitgetrokken middelen;

29.  onderstreept de momenteel aan de financiering van activiteiten gerelateerde problemen met betrekking tot de toegang tot correcte informatie en financiering, het uitwerken van realistische en op maat gesneden doelstellingen en de uitvoering van doeltreffende vervolgmaatregelen; stelt voor waarborgen in te voeren ter voorkoming van verdubbeling, voor een duidelijke toewijzing van financiële middelen alsook voor een grondige evaluatie van de meerwaarde van de activiteiten en de behaalde resultaten;

30.  benadrukt het belang van streng toezicht voor wat betreft de besteding en het beheer van de fondsen, op basis van kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren en specifieke criteria, teneinde de onjuiste bestemming van personele en financiële middelen te voorkomen en de naleving van vastgelegde doelstellingen te garanderen; verwelkomt in dit opzicht de invoering van een gemeenschappelijk evaluatie- en controlesysteem;

31.  dringt er bij de lidstaten op aan om, met de hulp van de Commissie, ervoor te zorgen dat de bestaande complementariteit tussen andere beschikbare financiële instrumenten, zoals het Europees Sociaal Fonds en andere structuurfondsen, ten volle wordt benut om tot een holistische financieringsaanpak voor asiel gerelateerd beleid te komen;

Toewijzing van de verantwoordelijkheden

32.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om in 2014 een alomvattende evaluatie van het Dublin-systeem uit te voeren en de wettelijke, economische en sociale effecten te beoordelen alsook de effecten ervan op de mensenrechten, met name de effecten op de situatie van vrouwelijke asielzoekers; is van mening dat verdere reflectie nodig is inzake de ontwikkeling van een billijk mechanisme van gedeelde verantwoordelijkheid voor het bepalen van welke lidstaat verantwoordelijk moet zijn voor het verwerken van asielaanvragen, hetgeen snelle en doeltreffende praktische steun voor lidstaten in noodsituaties en met onevenredige lasten mogelijk zou maken;

33.  is van oordeel dat de Dublin-verordening, die de toewijzing van verantwoordelijkheid voor asielaanvragen regelt, een onevenredige last op de lidstaten legt die een ingangspunt van de EU zijn en niet voorziet in een eerlijke verdeling van de asielverantwoordelijkheid tussen de lidstaten; stelt vast dat het Dublin-systeem zoals het tot dusverre is toegepast, in een context die werd gekenmerkt door zeer uiteenlopende asielstelsels en ontoereikende niveaus van tenuitvoerlegging van het asielacquis, tot ongelijke behandeling van asielzoekers heeft geleid en eveneens negatieve gevolgen voor gezinshereniging en integratie heeft gehad; onderstreept voorts de tekortkomingen ervan voor wat betreft de doeltreffendheid en kostenefficiëntie ervan, aangezien meer dan de helft van de overeengekomen overdrachten nooit plaatsvindt en er nog steeds sprake is van een groot aantal meerdere asielaanvragen; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat asielzoekers die terugkeren naar een lidstaat op grond van de Dublin II-verordening niet worden gediscrimineerd enkel en alleen omdat ze Dublin II-repatrianten zijn;

34.  onderstreept dat de desbetreffende rechtspraak reeds de ratio van het Dublin-systeem ondermijnt; is van oordeel dat de rechtspraak weliswaar voorziet in een antwoord op individuele gevallen, doch de tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van het asielacquis niet kan verhelpen; is dan ook verheugd over de inspanningen om aanvullende criteria op te nemen in Dublin II teneinde de ongewenste negatieve effecten van het systeem op te vangen, terwijl het tegelijkertijd beseft dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat hun asielstelsels aan de EU- en internationale normen voldoen; is van mening dat bij de discussies over het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat rekening moet worden gehouden met het feit dat sommige lidstaten reeds onder onevenredige druk gebukt gaan en dat sommige asielstelsels slechts ten dele of helemaal niet functioneren;

Gezamenlijke verwerking van asielaanvragen

35.  acht het van essentieel belang een verdere dialoog aan te gaan over de verdeling van de verantwoordelijkheid voor asielzoekers en personen die internationale bescherming genieten, alsook over het gebruik van instrumenten zoals de gezamenlijke verwerking van asielaanvragen (hierna „gezamenlijke verwerking”) en overbrengingsregelingen;

36.  is van oordeel dat gezamenlijke verwerking in verschillende gevallen een waardevol instrument kan zijn voor solidariteit en de verdeling van de verantwoordelijkheid, in het bijzonder wanneer lidstaten geconfronteerd worden met aanzienlijke of plotselinge toestromen van asielzoekers of in het geval van een aanzienlijke achterstand bij het verwerken van aanvragen die de asielprocedure vertraagt of ondermijnt ten koste van de asielaanvragers; is van mening dat gezamenlijke verwerking capaciteitsproblemen kan voorkomen of oplossen, de lasten en kosten in verband met asielverwerking kan verminderen, de verwerking van asielaanvragen kan bespoedigen en kan bijdragen tot een billijkere verdeling van de verantwoordelijkheid voor de verwerking van asielaanvragen; benadrukt dat gezamenlijke verwerking een duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden tussen de betrokken lidstaten vereist teneinde het overdragen van verantwoordelijkheden te voorkomen en dat de lidstaat voor de besluitvorming verantwoordelijk blijft; merkt op dat een en ander moet worden aangevuld door een systeem dat een billijkere verdeling van de verantwoordelijkheid garandeert, zodra de aanvragen verwerkt zijn;

37.  is verheugd dat de Commissie een haalbaarheidsstudie is gestart om de juridische en praktische gevolgen van gezamenlijke verwerking op het grondgebied van de Unie te onderzoeken, aangezien nogal wat kwesties een nadere toelichting vereisen;

38.  merkt op dat gezamenlijke verwerking niet noodzakelijkerwijs een gemeenschappelijk besluit tot gevolg heeft, doch dat het hierbij kan gaan om steun en gemeenschappelijke verwerking met betrekking tot andere aspecten van de asielprocedure, zoals identificatie, voorbereiding van procedures in eerste aanleg, interviews, of de beoordeling van de politieke situatie in het land van herkomst;

39.  onderstreept dat gezamenlijke verwerking een toegevoegde waarde moet bieden met betrekking tot de kwaliteit van het besluitvormingsproces en eerlijke, efficiënte en snelle procedures moet verzekeren en vergemakkelijken; benadrukt dat betere asielprocedures vanaf het begin („frontloading”) kunnen leiden tot vermindering van de duur en de kosten van de procedure, hetgeen ten goede zal komen van zowel de asielzoekers als de lidstaten;

40.  onderstreept dat een regeling voor gezamenlijke verwerking de rechten van de aanvragers volledig moet eerbiedigen en solide waarborgen dienaangaande moet bevatten; dringt erop aan dat gezamenlijke verwerking in geen geval wordt gebruikt om de asielprocedure te versnellen ten koste van de kwaliteit ervan; is van mening dat gezamenlijke verwerking kan leiden tot efficiëntere asielprocedures, hetgeen ook ten goed komt van de afzonderlijke asielzoekers, aangezien hun behoeften aan bescherming dankzij grotere administratieve capaciteit sneller erkend kunnen worden;

41.  is van oordeel dat het EASO een waardevolle rol zou kunnen spelen bij het samenstellen, opleiden en coördineren van asielondersteuningsteams die assistentie en advies geven en aanbevelingen doen bij procedures in eerste aanleg;

42.  beveelt aan om in het kader van de geplande schema's voor gezamenlijke verwerking prioriteit te verlenen aan opties waarbij de betrokken autoriteiten worden ingezet en met hen wordt samengewerkt, in plaats van aan het overbrengen van asielzoekers;

43.  verzoekt het EASO uitwisseling van informatie en andere activiteiten in verband met de gezamenlijke verwerking aan te moedigen, te vergemakkelijken en te coördineren;

Overbrenging van personen die internationale bescherming genieten en asielzoekers

44.  onderstreept dat de EU-systemen voor hervestiging en interne overbrenging aanvullende maatregelen zijn die tot doel hebben de bescherming van asielzoekers en personen die internationale bescherming genieten te versterken en uiting te geven aan EU-solidariteit zowel naar binnen als naar buiten toe;

45.  benadrukt dat de fysieke overbrenging van personen die internationale bescherming genieten en asielzoekers onder bepaalde omstandigheden de meest concrete vorm van solidariteit is en een aanzienlijke bijdrage kan leveren aan een billijker gemeenschappelijk Europees asielstelsel; onderstreept dat dit weliswaar een solide uiting van gehechtheid aan internationale bescherming en bevordering van de mensenrechten is, doch dat tot dusverre nog maar weinig lidstaten initiatieven voor overbrenging hebben ontplooid;

46.  benadrukt het belang van projecten zoals het EU-project voor overbrenging uit Malta (Eurema-project) en de verlenging ervan, in het kader waarvan personen die internationale bescherming genieten van Malta naar andere lidstaten zijn en worden overgebracht, en pleit voor de ontplooiing van meer initiatieven van dien aard; betreurt dat dit project niet zo succesvol is geweest als werd verwacht, omdat de lidstaten aarzelden om eraan deel te nemen; roept de lidstaten op om actiever in een geest van solidariteit en het delen van verantwoordelijkheid aan het Eurema-project deel te nemen; is verheugd over de toezegging van de Commissie om een grondige evaluatie te maken van het Eurema-project en een voorstel in te dienen voor een permanent EU-overbrengingsmechanisme;

47.  verzoekt de Commissie om in haar wetgevingsvoorstel voor een permanent en doeltreffend intern EU-overbrengingsmechanisme het gebruik van een EU-verdeelsleutel voor de overbrenging van personen die internationale bescherming genieten in overweging te nemen, gebaseerd op toepasselijke indicatoren inzake de opvang- en integratiecapaciteiten van de lidstaten zoals het bbp, de bevolking en de oppervlakte alsook de belangen van de begunstigden en de integratieperspectieven; meent dat deze EU-verdeelsleutel in aanmerking kan worden genomen voor lidstaten die geconfronteerd worden met specifieke en onevenredige druk op hun asielstelsels of in noodsituaties;onderstreept dat overbrenging altijd afhankelijk is van de instemming van degenen die internationale bescherming genieten en dat de invoering van een EU-verdeelsleutel geen afbreuk mag doen aan de verplichting van elke lidstaat om het bestaand Europees asielacquis inzake erkenning als beschermingsbehoeftige, de voorwaarden voor opvang en de procedurele waarborgen uit te voeren en toe te passen en alle internationale verplichtingen op dit gebied na te leven;

48.  verzoekt de Commissie om solide procedurele waarborgen en duidelijke criteria op te nemen in haar voorstel voor een permanent EU-overbrengingssysteem, teneinde de belangen van mogelijke begunstigden te waarborgen en de migratiedruk in de lidstaten die in het bijzonder aan migratiestromen zijn blootgesteld, te verminderen; beveelt aan om de gastgemeenschap, het maatschappelijk middenveld en de lokale overheden van meet af aan bij de overbrengingsinitiatieven te betrekken;

49.  onderstreept dat overbrenging personen die internationale bescherming genieten weliswaar een langdurige oplossing kan bieden en de asielstelsels van de lidstaten kan verlichten, doch niet mag leiden tot een verschuiven van de verantwoordelijkheid; dringt erop aan dat overbrenging gepaard dient te gaan met solide toezeggingen van lidstaten die hiervan gebruik maken om lacunes in de bescherming in hun asielstelsels effectief aan te pakken en om een hoge mate van bescherming te waarborgen aan diegenen die in de afkomstige lidstaat achterblijven qua opvang, asielprocedures en integratie;

50.  is verheugd over de financieringsmogelijkheden in het kader van het FAM voor de overbrenging van asielzoekers en spoort de lidstaten aan vrijwillige initiatieven te ontplooien, met volledige inachtneming van de rechten van asielzoekers en hun instemming; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de haalbaarheid van de ontwikkeling van een EU-stelsel voor de overbrenging van asielzoekers en onder meer na te gaan of dit kan worden gebaseerd op een EU-verdeelsleutel waarin rekening wordt gehouden met objectief verifieerbare criteria zoals het bbp, de bevolking en de oppervlakte van de lidstaten alsook met de belangen van de asielzoekers en de integratieperspectieven; is van oordeel dat een dergelijk programma kan worden uitgevoerd als solidariteitsmaatregel in situaties waarin het aantal asielzoekers onevenredig hoog is ten opzichte van de capaciteit van het asielstelsel van de lidstaat, of in noodsituaties;

51.  herinnert aan het mandaat van het Europees ondersteuningsbureau voor asielzaken met betrekking tot de bevordering van overbrenging van personen die internationale bescherming genieten tussen lidstaten en verzoekt het bureau om zijn capaciteit uit te bouwen teneinde actief en in nauwe samenwerking met het UNHCR overbrengingsprogramma's en -activiteiten te ondersteunen middels uitwisseling van informatie en beste praktijken en coördinatie- en samenwerkingsactiviteiten;

52.  wijst erop dat de Commissie heeft aangegeven altijd activering van het mechanisme van de richtlijn inzake tijdelijke bescherming te zullen overwegen wanneer aan de juiste voorwaarden is voldaan, met name wanneer er sprake is van een massale toestroom of een dreigende massale toestroom van ontheemden die niet onder veilige en duurzame omstandigheden naar hun land van herkomst kunnen terugkeren; verzoekt de Commissie het mogelijk te maken om deze richtlijn ook te activeren wanneer de toestroom in kwestie een massale toestroom voor ten minste één lidstaat is en niet alleen wanneer de toestroom een massale toestroom voor de EU in haar geheel is;

Wederzijds vertrouwen als basis van een hernieuwd beheerssysteem

53.  herhaalt dat wederzijds vertrouwen gebaseerd is op een gezamenlijk verantwoordelijkheidsbesef; benadrukt dat de naleving van EU-wetgeving een onontbeerlijk element is voor het vertrouwen tussen de lidstaten;

54.  onderstreept dat zowel het vertrouwen als de solidariteit worden versterkt, als de lidstaten hun wettelijke verplichtingen en hun verplichtingen inzake de grondrechten nakomen;

55.  benadrukt het belang van het leggen van een grondige fundering voor wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, aangezien dit essentieel is voor de ontwikkeling van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en een grotere solidariteit;

56.  beseft dat de naleving van internationale beschermingsverplichtingen het wederzijds vertrouwen weliswaar vergroot, doch niet noodzakelijkerwijs resulteert in een uniforme toepassing van de voorschriften, aangezien de interpretatie en de toepassing van de internationale en EU-asielwetgeving nog steeds sterk uiteenlopen naargelang van de lidstaten, zoals duidelijk blijkt uit recente rechtspraak van het EHRM en het HvJEU betreffende de Dublin-verordening; onderstreept dat het de verantwoordelijkheid van de Commissie en de rechtbanken is om de toepassing van de asielvoorschriften overeenkomstig de internationale en de EU-wetgeving te bewaken en te beoordelen;

57.  is van oordeel dat vroegtijdige waarschuwingsmechanismen een waardevol instrument kunnen zijn om problemen op te sporen en aan te pakken, alvorens deze tot crises leiden; is evenwel van mening dat ook aanvullende oplossingen moeten worden overwogen teneinde schendingen van grondrechten te voorkomen en een adequaat functioneren van de asielstelsels te garanderen;

58.  onderstreept dat weliswaar meer gebruik moet worden gemaakt van inbreukprocedures om de aandacht te vestigen op de verantwoordelijkheden van de lidstaten alsook op het feit dat zij het bestaand asielacquis niet naleven, doch dat dit gepaard moet gaan met preventieve maatregelen, operationele plannen en toezichtmechanismen, wil een en ander resultaten opleveren; onderstreept het belang van regelmatige evaluaties, een constructieve dialoog en uitwisseling van beste praktijken als cruciale elementen om positieve ontwikkelingen teweeg te brengen in asielstelsels waarin tekortkomingen zijn vastgesteld; is van oordeel dat aldus verschillende vormen van financiële en praktische bijstand kunnen worden verleend teneinde te komen tot een volledige en correcte tenuitvoerlegging van de Europese asielwetgeving;

59.  merkt op dat het Dublin-systeem gebaseerd is op wederzijds vertrouwen en dat de implementatie daarvan neerkomt op een wederzijdse erkenning van afwijzende beslissingen tussen lidstaten, aangezien een asielverzoek slechts een keer in de EU in behandeling kan worden genomen; verzoekt de Commissie om in 2014 met een mededeling te komen over een kader voor de overdracht van de bescherming van personen die internationale bescherming genieten en de wederzijdse erkenning van asielbeslissingen, overeenkomstig het actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm;

60.  onderstreept dat migratiebeheer het wederzijds vertrouwen en solidariteitsmaatregelen alleen kan doen toenemen, als het gekoppeld wordt aan een beschermingsgevoelige aanpak op grond waarvan grensmaatregelen ten uitvoer worden gelegd zonder afbreuk te doen aan de rechten van vluchtelingen en personen die om internationale bescherming verzoeken;

61.  onderstreept dat visumregelingen een groot aantal uiteenlopende inreis- en uitreisvergunningen regelen en dat deze inreis- en uitreisvoorschriften geen enkele beperking inhouden van de wettelijke verplichting tot het verlenen van toegang tot asiel;

62.  verwijst naar de toezegging van de Commissie om een ordelijke aankomst in de EU van beschermingsbehoeftige personen te vergemakkelijken en verzoekt de Commissie nieuwe benaderingen met betrekking tot de toegang tot asielprocedures te onderzoeken; is in dit verband verheugd over de toezegging van de Commissie dat zij uiterlijk in 2013 een mededeling over een nieuwe aanpak voor de toegang tot asielprocedures voor de belangrijkste doorreislanden zal goedkeuren;

o
o   o

63.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen van de lidstaten en de Raad van Europa.

(1) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 12.
(2) PB L 212 van 7.8.2001, blz. 12.


Europese normalisatie ***I
PDF 198kWORD 38k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese normalisatie en tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/105/EG en 2009/23/EG van het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0315 – C7-0150/2011 – 2011/0150(COD))
P7_TA(2012)0311A7-0069/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0315),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0150/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 september 2011(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 6 juni 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie industrie, onderzoek en energie (A7-0069/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 september 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad

P7_TC1-COD(2011)0150


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1025/2012.)

(1) PB C 376 van 22.12.2011, blz. 69.


Elektronische identificatie van runderen ***I
PDF 377kWORD 162k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 11 september 2012 op het gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1760/2000 wat betreft de elektronische identificatie van runderen en tot schrapping van de bepalingen inzake de facultatieve etikettering van rundvlees (COM(2012)0162 – C7-0114/2012 – 2011/0229(COD))(1)
P7_TA(2012)0312A7-0199/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Titel
Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1760/2000 wat betreft de elektronische identificatie van runderen en tot schrapping van de bepalingen inzake de facultatieve etikettering van rundvlees

Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1760/2000 wat betreft de elektronische identificatie van runderen en de etikettering van rundvlees

Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De tracering van rundvlees tot aan de bron via identificatie en registratie is een eerste vereiste voor oorsprongsetikettering in de hele voedselketen, wat bescherming biedt voor de consument en de volksgezondheid waarborgt.
(4)  De tracering van rundvlees tot aan de bron via identificatie en registratie is een eerste vereiste voor oorsprongsetikettering in de hele voedselketen. Deze maatregelen bieden bescherming voor de consument en waarborgen de volksgezondheid, terwijl zij het consumentenvertrouwen bevorderen.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Het gebruik van elektronische identificatiesystemen kan de procedés voor de traceerbaarheid stroomlijnen door de automatische en nauwkeuriger lezing en registratie in het bedrijfsregister. Voorts maken deze middelen de automatische melding van de verplaatsingen van de dieren aan het gecomputeriseerde gegevensbestand mogelijk, wat de snelheid, de betrouwbaarheid en de nauwkeurigheid van het systeem ten goede komt.
(6)  Het gebruik van elektronische identificatiesystemen kan de procedés voor de traceerbaarheid stroomlijnen door de automatische en nauwkeuriger lezing en registratie in het bedrijfsregister. Voorts maken deze middelen de automatische melding van de verplaatsingen van de dieren aan het gecomputeriseerde gegevensbestand mogelijk, wat de snelheid, de betrouwbaarheid en de nauwkeurigheid van het systeem ten goede komt. Ook het beheer van de rechtstreekse betalingen die veehouders per dier ontvangen zou hierdoor worden verbeterd, dankzij betere controles en een verkleind risico op betalingsfouten.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  De elektronische identificatiesystemen op basis van radiofrequentie-identificatie zijn de voorbije tien jaar aanzienlijk verbeterd. Die technologie maakt het nu mogelijk de identiteitscode van elk dier sneller en nauwkeuriger rechtstreeks in gegevensverwerkingssystemen in te lezen, waardoor minder tijd nodig is om mogelijk besmette dieren of besmet voedsel te traceren, wat resulteert in lagere arbeidskosten, maar tegelijk de uitrustingskosten verhoogt.
(7)  De elektronische identificatiesystemen op basis van radiofrequentie-identificatie zijn de voorbije 10 jaar aanzienlijk verbeterd, hoewel de normen van de Internationale Organisatie voor Standaardisatie (ISO) nog altijd moeten worden toegepast en zij getest moeten worden voor runderen. Die technologie maakt het nu mogelijk de identiteitscode van elk dier sneller en nauwkeuriger rechtstreeks in gegevensverwerkingssystemen in te lezen, waardoor minder tijd nodig is om mogelijk besmette dieren of besmet voedsel te traceren, wat resulteert in betere gegevensbestanden, meer mogelijkheden voor snel optreden in geval van het uitbreken van ziekten en lagere arbeidskosten, maar tegelijk de uitrustingskosten verhoogt. Indien de elektronische identificatie gebreken vertoont, mag het falen van de technologie niet leiden tot het opleggen van geldboetes aan veehouders.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Gezien de technologische vooruitgang bij de EID hebben tal van lidstaten besloten van start te gaan met de vrijwillige toepassing van de EID van runderen. Wellicht zullen deze initiatieven ertoe leiden dat in de afzonderlijke lidstaten of door belanghebbenden uiteenlopende systemen zullen worden ontwikkeld. Dit zou de latere harmonisering van de technische normen in de Unie in de weg staan.
(9)  Gezien de technologische vooruitgang bij de EID hebben tal van lidstaten besloten van start te gaan met de vrijwillige toepassing van de EID van runderen. Wellicht zullen deze initiatieven ertoe leiden dat in de afzonderlijke lidstaten of door belanghebbenden uiteenlopende systemen zullen worden ontwikkeld. Dit zou de latere harmonisering van de technische normen in de Unie in de weg staan. Er moet voor worden gezorgd dat de in de lidstaten geïntroduceerde systemen interoperabel zijn en consistent met de ISO-normen.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Het opleggen van EID in de hele Unie kan voor bepaalde marktdeelnemers economisch nadelige effecten hebben. Het is derhalve dienstig een vrijwillige regeling voor de invoering van EID in te stellen. In het kader van een dergelijke regeling zou voor EID worden gekozen door houders die daar wellicht rechtstreeks economisch voordeel bij hebben.
(16)  Het opleggen van EID in de hele Unie kan voor bepaalde marktdeelnemers economisch nadelige effecten hebben. Er is echter sprake van praktische problemen die een doeltreffende toepassing van EID in de weg blijven staan, voornamelijk met betrekking tot de nauwkeurigheid van de technologie. De ervaring met de invoering van verplichte elektronische identificatie voor kleine herkauwers leert dat het wegens gebrekkige technologie en praktische problemen vaak onmogelijk is om 100% nauwkeurigheid te bewerkstelligen. Het is derhalve dienstig een vrijwillige regeling in te stellen. Met een dergelijke regeling zou voor EID alleen kunnen worden gekozen door houders die daar wellicht snel economisch voordeel bij hebben.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  De lidstaten hebben zeer uiteenlopende veehouderijsystemen, landbouwpraktijken en sectororganisaties. Daarom moet worden toegestaan dat de lidstaten EID op hun grondgebied uitsluitend verplicht maken als zij die identificatie, na afweging van al die factoren, geschikt achten.
(17)  De lidstaten hebben zeer uiteenlopende veehouderijsystemen, landbouwpraktijken en sectororganisaties. Daarom moet worden toegestaan dat de lidstaten EID op hun grondgebied uitsluitend verplicht maken als zij die identificatie, na afweging van al die factoren, inclusief eventuele negatieve gevolgen voor kleine veehouders, geschikt achten, en na raadpleging van organisaties die de rundvleessector vertegenwoordigen.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Voor dieren uit derde landen die de Unie worden binnengebracht, moeten dezelfde identificatievoorschriften gelden als voor dieren die in de Unie zijn geboren.
(18)  Voor dieren en vlees uit derde landen die de Unie worden binnengebracht, moeten dezelfde identificatie- en traceerbaarheidsvoorschriften gelden als voor dieren die in de Unie zijn geboren.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  In Verordening (EG) nr. 1760/2000 is bepaald dat de bevoegde autoriteit een paspoort moet afgeven voor elk dier dat overeenkomstig die verordening moet worden geïdentificeerd. Dit levert de lidstaten heel wat administratieve rompslomp op. De door de lidstaten opgezette gecomputeriseerde gegevensbestanden garanderen voldoende de traceerbaarheid van de verplaatsingen van runderen binnen een lidstaat. Daarom hoeven alleen paspoorten te worden afgegeven voor dieren die bestemd zijn voor het intra-uniale handelsverkeer. Zodra de uitwisseling van gegevens tussen de nationale gecomputeriseerde gegevensbestanden operationeel is, is het niet langer nodig te eisen dat voor dieren die voor het intra-uniale handelsverkeer zijn bestemd, dergelijke paspoorten worden afgegeven.
(19)  In Verordening (EG) nr. 1760/2000 is bepaald dat de bevoegde autoriteit een paspoort moet afgeven voor elk dier dat overeenkomstig die verordening moet worden geïdentificeerd. Dit levert de lidstaten heel wat administratieve rompslomp op. De door de lidstaten opgezette gecomputeriseerde gegevensbestanden moeten de traceerbaarheid van de verplaatsingen van runderen binnen een lidstaat voldoende garanderen. Daarom hoeven alleen paspoorten te worden afgegeven voor dieren die bestemd zijn voor het intra-uniale handelsverkeer. Zodra de uitwisseling van gegevens tussen de nationale gecomputeriseerde gegevensbestanden operationeel is, is het niet langer nodig te eisen dat voor dieren die voor het intra-uniale handelsverkeer zijn bestemd, dergelijke paspoorten worden afgegeven.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  Tot dusver bestaat er geen specifieke wetgeving voor klonen. Uit opiniepeilingen blijkt echter dat deze kwestie bijzonder belangrijk is voor het Europese publiek. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat rundvlees van gekloonde dieren of nakomelingen daarvan ook als zodanig wordt geëtiketteerd.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  Deel II van titel II van Verordening (EG) nr. 1760/2000 omvat voorschriften voor een facultatieve etiketteringsregeling voor rundvlees, in het kader waarvan de bevoegde autoriteit van de lidstaat bepaalde specificaties moet goedkeuren. De administratieve lasten en de kosten voor de lidstaten en de marktdeelnemers met betrekking tot de toepassing van deze regeling staan niet in verhouding tot de voordelen van de regeling. Daarom moet dat deel worden geschrapt.
(20)  Deel II van titel II van Verordening (EG) nr. 1760/2000 omvat voorschriften voor een facultatieve etiketteringsregeling voor rundvlees, in het kader waarvan de bevoegde autoriteit van de lidstaat bepaalde specificaties moet goedkeuren. Gezien de ontwikkelingen die sinds de goedkeuring van die verordening in de rundvleessector hebben plaatsgevonden, is het echter noodzakelijk de etiketteringsregeling voor rundvlees te herzien. Aangezien de regeling voor de facultatieve etikettering van rundvlees effectief noch nuttig is, moet zij worden geschrapt, onverminderd het recht van marktdeelnemers om de consumenten te informeren door middel van facultatieve etikettering. Derhalve moet met betrekking tot informatie, evenals voor overige soorten vlees, die verder gaat dan verplichte etikettering, in dit specifieke geval wat vereist wordt door de artikelen 13 en 15 van Verordening (EG) nr. 1760/2000, en die van uitzonderlijk belang is voor consumenten en veehouders, bijvoorbeeld ras, voeding en houderij, de huidige horizontale wetgeving worden nageleefd, met name Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en van de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten1. Daarnaast moet de schrapping ook worden gecompenseerd door de opstelling in deze verordening van algemene voorschriften om de bescherming van de consument te waarborgen.
1 PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18.

Amendement 14 en 45
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  Om te garanderen dat de nodige regels voor een goede functionering van de identificatie, de registratie en de traceerbaarheid van runderen en rundvlees worden toegepast, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van de vereisten voor alternatieve identificatiemiddelen voor runderen, de bijzondere omstandigheden waarin lidstaten de termijnen voor het aanbrengen van identificatiemiddelen mogen verlengen, de gegevens die tussen de gecomputeriseerde gegevensbestanden van de lidstaten moeten worden uitgewisseld, de termijn voor sommige rapporteringsverplichtingen, de vereisten voor de identificatiemiddelen, de gegevens die moeten worden opgenomen in de paspoorten en in de afzonderlijke registers die op elk bedrijf moeten worden gehouden, het minimumniveau van de officiële controles, de identificatie en registratie van de verplaatsingen van runderen die naar zomerweiden in bergstreken worden overgebracht, de etiketteringsvoorschriften voor bepaalde producten die gelijkwaardig moeten zijn aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1760/2000, de definities van gehakt rundvlees, afsnijdsels van rundvlees en uitgesneden rundvlees, de specifieke gegevens die op de etiketten mogen worden vermeld, de etiketteringsvoorschriften met betrekking tot de vereenvoudiging van de oorsprongsaanduiding, de maximumomvang en de samenstelling van bepaalde groepen dieren en de procedures voor de goedkeuring van de etiketteringsvoorschriften voor verpakkingen van uitgesneden vlees. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passend overleg pleegt, ook op deskundigenniveau. Bij het voorbereiden en opstellen van die gedelegeerde handelingen dient de Commissie erop toe te zien dat de desbetreffende documenten gelijktijdig, tijdig en op passende wijze bij het Europees Parlement en de Raad worden ingediend.
(22)  Om te garanderen dat de nodige regels voor een goede functionering van de identificatie, de registratie en de traceerbaarheid van runderen en rundvlees worden toegepast, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van de vereisten voor alternatieve identificatiemiddelen voor runderen, de bijzondere omstandigheden waarin lidstaten de termijnen voor het aanbrengen van identificatiemiddelen mogen verlengen, de gegevens die tussen de gecomputeriseerde gegevensbestanden van de lidstaten moeten worden uitgewisseld, de termijn voor sommige rapporteringsverplichtingen, de vereisten voor de identificatiemiddelen, de gegevens die moeten worden opgenomen in de paspoorten en in de afzonderlijke registers die op elk bedrijf moeten worden gehouden, het minimumniveau van de officiële controles, de identificatie en registratie van de verplaatsingen van runderen bij verschillende soorten van seizoensgebonden verweiding, de etiketteringsvoorschriften voor bepaalde producten die gelijkwaardig moeten zijn aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1760/2000, de definities van gehakt rundvlees, afsnijdsels van rundvlees en uitgesneden rundvlees, de maximumomvang en de samenstelling van bepaalde groepen dieren en de procedures voor de goedkeuring van de etiketteringsvoorschriften voor verpakkingen van uitgesneden vlees en de door de lidstaten toe te passen administratieve sancties bij niet-naleving van Verordening (EG) nr. 1760/2000. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passend overleg pleegt, ook op deskundigenniveau. Bij het voorbereiden en opstellen van die gedelegeerde handelingen dient de Commissie erop toe te zien dat de desbetreffende documenten gelijktijdig, tijdig en op passende wijze bij het Europees Parlement en de Raad worden ingediend.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Om uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1760/2000 te waarborgen ten aanzien van de registratie van de bedrijven die alternatieve identificatiemiddelen toepassen, de technische kenmerken en modaliteiten waaraan de uitwisseling van gegevens tussen de gecomputeriseerde gegevensbestanden van de lidstaten moet voldoen, het formaat en het ontwerp van de identificatiemiddelen, de technische procedures en normen voor de tenuitvoerlegging van de EID, het formaat van de paspoorten en van het register dat op elk bedrijf moet worden gehouden, de regels betreffende de wijze waarop de sancties die de lidstaten krachtens Verordening (EG) nr. 1760/2000 aan de houders opleggen, moeten worden toegepast en de door de lidstaten te nemen corrigerende acties om te zorgen voor de behoorlijke uitvoering van Verordening (EG) nr. 1760/2000 wanneer controles ter plekke dit rechtvaardigen, moeten uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren.
(23)  Om uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1760/2000 te waarborgen ten aanzien van de registratie van de bedrijven die alternatieve identificatiemiddelen toepassen, de technische kenmerken en modaliteiten waaraan de uitwisseling van gegevens tussen de gecomputeriseerde gegevensbestanden van de lidstaten moet voldoen, de verklaring dat het gegevensuitwisselingssysteem tussen de lidstaten volledig operationeel is, het formaat en het ontwerp van de identificatiemiddelen, de technische procedures en normen voor de tenuitvoerlegging van de EID, het formaat van de paspoorten en van het register dat op elk bedrijf moet worden gehouden, de regels betreffende de wijze waarop de sancties die de lidstaten krachtens Verordening (EG) nr. 1760/2000 aan de houders opleggen, moeten worden toegepast en de door de lidstaten te nemen corrigerende acties om te zorgen voor de behoorlijke uitvoering van Verordening (EG) nr. 1760/2000 wanneer controles ter plekke dit rechtvaardigen, alsmede de nodige maatregelen om een correcte naleving te waarborgen, met name wat betreft de controles, de administratieve sancties en de bepalingen inzake de maximale termijnen als bedoeld in onderhavige verordening, moeten uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis)  De tenuitvoerlegging van deze verordening moet nauwlettend in het oog worden gehouden. Derhalve legt de Commissie uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening aan het Europees Parlement en aan de Raad een verslag voor over zowel de tenuitvoerlegging van deze verordening als de technische en economische haalbaarheid van de invoering van verplichte elektronische identificatie in de Unie. Als in dit verslag geconcludeerd wordt dat elektronische identificatie verplicht moet worden, moet het zo nodig vergezeld gaan van een passend wetgevingsvoorstel. Die wetgeving zou het risico van concurrentieverstoring in de interne markt wegnemen.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 1 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 2
(1 bis)  Aan artikel 2 wordt de volgende definitie toegevoegd:
' „gekloonde dieren”: dieren verwekt door een aseksuele, kunstmatige reproductiemethode met het oog op de productie van een genetisch identieke of bijna identieke kopie van een individueel dier,„.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 1 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 2
(1 ter)  Aan artikel 2 wordt de volgende definitie toegevoegd:
' „nakomelingen van gekloonde dieren”: dieren verwekt door seksuele reproductie, waarbij ten minste één van de voorzaten een gekloond dier is,„.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 3
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 4 – lid 1 – alinea 1
1.  Alle op een bedrijf aanwezige dieren worden geïdentificeerd met ten minste twee afzonderlijke identificatiemiddelen die overeenkomstig de artikelen 10 en 10 bis zijn toegestaan en door de bevoegde autoriteit zijn goedgekeurd.
1.  Alle op een bedrijf aanwezige dieren worden geïdentificeerd met ten minste twee afzonderlijke identificatiemiddelen die overeenkomstig de artikelen 10 en 10 bis zijn toegestaan en door de bevoegde autoriteit zijn goedgekeurd. De Commissie zorgt ervoor dat de in de Unie gebruikte identificatiemiddelen interoperabel zijn en consistent met de ISO-normen.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 punt 3
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 4 – lid 1 – alinea 2
De identificatiemiddelen worden aan de bedrijven toegekend, verdeeld en bij de dieren aangebracht op de door de bevoegde autoriteit vastgestelde wijze.

De identificatiemiddelen worden aan de bedrijven toegekend, verdeeld en bij de dieren aangebracht op de door de bevoegde autoriteit vastgestelde wijze. Dit is niet van toepassing op dieren die voor 1 januari 1998 zijn geboren en die niet zijn bestemd voor de handel binnen de Unie.

Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 punt 3
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 4 – lid 1 – alinea 3
Alle bij één dier aangebrachte identificatiemiddelen dragen dezelfde unieke identificatiecode aan de hand waarvan elk individueel dier kan worden geïdentificeerd en kan worden nagegaan op welk bedrijf het is geboren.

Alle bij één dier aangebrachte identificatiemiddelen dragen dezelfde unieke identificatiecode aan de hand waarvan elk individueel dier kan worden geïdentificeerd en kan worden nagegaan op welk bedrijf het is geboren. In afwijking hierop kan de bevoegde autoriteit, in gevallen waar de twee afzonderlijke identificatiemiddelen niet dezelfde unieke identificatiecode kunnen dragen, onder haar toezicht toestaan dat het tweede identificatiemiddel een andere code draagt, mits volledige traceerbaarheid wordt gegarandeerd, het dier individueel kan worden geïdentificeerd en kan worden nagegaan op welk bedrijf het is geboren.

Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 3
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 4 – lid 2 – alinea 2
De lidstaten die van deze mogelijkheid gebruik maken, delen de tekst van die nationale bepalingen aan de Commissie mee.

De lidstaten die van deze mogelijkheid gebruik maken, delen de tekst van die nationale bepalingen aan de Commissie mee. De Commissie verstrekt op haar beurt de overige lidstaten, in een voor die lidstaten gemakkelijk te begrijpen taal, een samenvatting van de geldende nationale bepalingen ingeval van vervoer van dieren naar de lidstaten die gekozen hebben voor verplichte EID en maakt ze openbaar.

Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 4 bis –lid 1 – alinea 1 – letter b
b) 60 dagen voor het tweede identificatiemiddel.
b) 60 dagen voor het tweede identificatiemiddel, wegens redenen die samenhangen met de fysiologische ontwikkeling van de dieren.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 punt 4
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 1 bis – lid 2 – alinea 4
Geen enkel dier mag het bedrijf waarop het is geboren, verlaten voordat de twee identificatiemiddelen zijn aangebracht.

Geen enkel dier mag het bedrijf waarop het is geboren, verlaten voordat de twee identificatiemiddelen zijn aangebracht, behoudens in geval van overmacht.

Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 4 bis – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
De eerste alinea heeft geen betrekking op dieren die voor 1 januari 1998 zijn geboren en die niet zijn bestemd voor de handel binnen de Unie.

Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 4 ter – lid 2 – alinea 2
Die termijn mag niet meer bedragen dan 20 dagen na de in lid 1 bedoelde veterinaire controles. In elk geval moeten de identificatiemiddelen bij de dieren worden aangebracht voordat zij het bedrijf van bestemming verlaten.

Die termijn mag niet meer bedragen dan 20 dagen na de in lid 1 bedoelde veterinaire controles. In afwijking hierop kan deze termijn, om redenen die samenhangen met de fysiologische ontwikkeling van de dieren, voor het tweede identificatiemiddel met maximaal 60 dagen worden verlengd. In elk geval moeten de identificatiemiddelen bij de dieren worden aangebracht voordat zij het bedrijf van bestemming verlaten.

Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 4 quater – lid 2 – alinea 2
De onder b) bedoelde termijn mag niet meer bedragen dan 20 dagen te rekenen vanaf de datum waarop de dieren op het bedrijf van bestemming zijn aangekomen. In elk geval moeten de identificatiemiddelen bij de dieren worden aangebracht voordat zij het bedrijf van bestemming verlaten.

De onder b) bedoelde termijn mag niet meer bedragen dan 20 dagen te rekenen vanaf de datum waarop de dieren op het bedrijf van bestemming zijn aangekomen. In afwijking hierop kan deze termijn, om redenen die samenhangen met de fysiologische ontwikkeling van de dieren, voor het tweede identificatiemiddel met maximaal 60 dagen worden verlengd. In elk geval moeten de identificatiemiddelen bij de dieren worden aangebracht voordat zij het bedrijf van bestemming verlaten.

Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 4 quater – lid 2 – alinea 2 bis (nieuw)
Onverminderd artikel 4, lid 1, derde alinea, kan de bevoegde autoriteit in gevallen waar geen elektronisch identificatiemiddel met dezelfde unieke identificatiecode bij het dier kan worden aangebracht, onder haar toezicht toestaan dat het tweede identificatiemiddel een andere code draagt, mits volledige traceerbaarheid wordt gegarandeerd, het dier individueel kan worden geïdentificeerd en kan worden nagegaan op welk bedrijf het is geboren.

Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 4 quinquies
Identificatiemiddelen mogen enkel worden verwijderd of vervangen als de bevoegde autoriteit daarvoor toestemming verleent en daarop controle uitoefent. Die toestemming mag alleen worden verleend als de verwijdering of vervanging de traceerbaarheid van het dier niet in het gedrang brengt.

Identificatiemiddelen worden enkel gewijzigd, verwijderd of vervangen als de bevoegde autoriteit daarvoor toestemming verleent en daarop controle uitoefent. Die toestemming mag alleen worden verleend als de wijziging, verwijdering of vervanging de traceerbaarheid van het dier niet in het gedrang brengt.

Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 5
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 5 – lid 2 – alinea 1
De lidstaten kunnen elektronische gegevens tussen hun gecomputeriseerde gegevensbestanden uitwisselen vanaf de datum waarop de Commissie erkent dat het gegevensuitwisselingssysteem volledig operationeel is.

De lidstaten kunnen elektronische gegevens tussen hun gecomputeriseerde gegevensbestanden uitwisselen vanaf de datum waarop de Commissie erkent dat het gegevensuitwisselingssysteem volledig operationeel is. Dit dient op dusdanige wijze te gebeuren dat gegevensbescherming wordt gewaarborgd en dat iedere vorm van misbruik wordt voorkomen teneinde de belangen van het bedrijf te bewaken.

Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 6 – letter c bis (nieuw)
(c bis)  Wanneer dieren naar derde landen worden uitgevoerd, wordt het paspoort door de laatste houder overhandigd aan de bevoegde autoriteit op de plaats waar het dier wordt uitgevoerd.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 7 – punt b
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 7 –lid 5 – letter b
b) binnen vierentwintig uur na een gebeurtenis rechtstreeks bijgewerkte informatie in het gecomputeriseerde gegevensbestand invoert.
b) binnen 72 uur na een gebeurtenis rechtstreeks bijgewerkte informatie in het gecomputeriseerde gegevensbestand invoert.„.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 8
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 9 bis
De lidstaten zien erop toe dat wie verantwoordelijk is voor de identificatie en de registratie van dieren, instructies en richtsnoeren krijgt met betrekking tot de van toepassing zijnde bepalingen van deze verordening en van de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen die de Commissie op grond van de artikelen 10 en 10 bis vaststelt, en dat passende opleidingscursussen beschikbaar zijn.

De lidstaten zien erop toe dat wie verantwoordelijk is voor de identificatie en de registratie van dieren, instructies en richtsnoeren krijgt met betrekking tot de van toepassing zijnde bepalingen van deze verordening en van de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen die de Commissie op grond van de artikelen 10 en 10 bis vaststelt, en dat passende opleidingscursussen beschikbaar zijn. Deze informatie wordt kosteloos verstrekt, bij iedere wijziging van de relevante bepalingen en zo vaak als nodig. De lidstaten wisselen optimale werkmethoden uit om een goede cursuskwaliteit en informatie-uitwisseling in de hele Unie te waarborgen.

Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 9
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 10 – lid 1 – letter e
e) de identificatie en registratie van de verplaatsingen van runderen die naar zomerweiden in bergstreken worden overgebracht.
e) de identificatie en registratie van de verplaatsingen van runderen bij verschillende soorten van seizoensgebonden verweiding.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 11 – letter b bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 13 –lid 5 bis (nieuw)
(b bis)  Het volgende lid wordt toegevoegd:
'5 bis.  Vanaf * vermelden marktdeelnemers en organisaties het ook op het etiket indien het rundvlees afkomstig is van gekloonde dieren of van afstammelingen van gekloonde dieren.„
Zes maanden na inwerkingtreding van deze verordening

Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 14
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Titel II – deel II
14)  De artikelen 16, 17 en 18 worden geschrapt.
14)   Met ingang van 1 januari 2014 wordt de titel van Titel II, deel II, vervangen door „Facultatieve etikettering”, worden de artikelen 16, 17 en 18 geschrapt en wordt het volgende artikel 15 bis opgenomen in Titel II, deel II:
'Artikel 15 bis
Algemene voorschriften

Andere dan de in deel I van deze titel gespecificeerde vermeldingen die door marktdeelnemers of organisaties die rundvlees in de handel brengen worden gebruikt, dienen objectief en begrijpelijk voor consumenten te zijn en te kunnen worden geverifieerd door de bevoegde autoriteiten.

Bovendien moet facultatieve etikettering in overeenstemming met de huidige horizontale wetgeving zijn, met name Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en van de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten.

De bevoegde autoriteit verifieert de juistheid van de facultatieve vermeldingen. In geval van niet-naleving van deze verplichtingen door exploitanten en organisaties die rundvlees in de handel brengen, worden de overeenkomstig 22, lid 4 bis vastgestelde sancties toegepast.„

Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 15
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 19 – letter b
(b) de specifieke gegevens die op de etiketten mogen worden vermeld,
(b) de definitie van en vereisten voor de specifieke gegevens die op de etiketten mogen worden vermeld,
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 17 – letter a
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 22 – lid 1 – alinea 3
De Commissie stelt via uitvoeringshandelingen de nodige regels, met inbegrip van de voor de invoering daarvan vereiste overgangsmaatregelen, vast met betrekking tot de procedures voor de toepassing van de in de tweede alinea bedoelde sancties. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

De Commissie is bevoegd, overeenkomstig artikel 22 ter, gedelegeerde handelingen vast te stellen met de nodige regels, met inbegrip van de voor de invoering daarvan vereiste overgangsmaatregelen, met betrekking tot de procedures voor de toepassing van de in de tweede alinea bedoelde sancties.

Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 18
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 22 ter
1.  De bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend volgens de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.
1.  De bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend volgens de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.
2.  De delegatie van de in artikel 4, lid 5, artikel 4 bis, lid 2, de artikelen 5, 7, 10, 14 en 19 en artikel 22, lid 4 bis, bedoelde bevoegdheid wordt aan de Commissie verleend voor onbepaalde tijd, met ingang van*.
2.  De in artikel 4, lid 5, artikel 4 bis, lid 2, de artikelen 5, 7, 10, 14 en 19, artikel 22, lid 1, derde alinea, en artikel 22, lid 4 bis, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van*.
3.  De in artikel 4, lid 5, artikel 4 bis, lid 2, de artikelen 5, 7, 10, 14 en 19, en artikel 22, lid 4 bis, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 4, lid 5, artikel 4 bis, lid 2, de artikelen 5, 7, 10, 14 en 19, en artikel 22, lid 1, derde alinea, en artikel 22, lid 4 bis, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit vermelde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.
4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad
5.  Een krachtens artikel 4, lid 5, artikel 4 bis, lid 2, de artikelen 5, 7, 10, 14 en 19 en artikel 22, lid 4 bis, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking als noch het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, of als zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie vóór het verstrijken van deze termijn heeft meegedeeld geen bezwaar te zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad kan deze termijn met twee maanden worden verlengd.„.
5.  Een overeenkomstig artikel 4, lid 5, artikel 4 bis, lid 2, de artikelen 5, 7, 10, 14 en 19 en artikel 22, lid 1, derde alinea, of artikel 22, lid 4 bis, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
* [datum van inwerkingtreding van deze verordening of een andere door de wetgever vastgestelde datum].
Datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 19 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1760/2000
Artikel 23 bis (nieuw)
(19 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
'Artikel 23 bis
Ontwikkelingen op verslagleggings- en wetgevingsgebied

De Commissie legt uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening aan het Europees Parlement en aan de Raad een verslag voor over zowel de tenuitvoerlegging van deze verordening als de technische en economische haalbaarheid van de invoering van verplichte elektronische identificatie in de gehele Unie. Als in dit verslag geconcludeerd wordt dat elektronische identificatie verplicht moet worden, gaat het vergezeld van een passend wetgevingsvoorstel.„.

(1) De zaak werd terugverwezen voor een nieuwe behandeling naar de bevoegde Commissie uit hoofde van artikel 57, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A7- 0199/2012).


Geneesmiddelenbewaking (wijziging van Richtlijn 2001/83/EG) ***I
PDF 197kWORD 36k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG wat de geneesmiddelenbewaking betreft (COM(2012)0052 – C7-0033/2012 – 2012/0025(COD))
P7_TA(2012)0313A7-0165/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0052),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 114 en 168, lid 4, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0033/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 28 maart 2012(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 27 juni 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0165/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 september 2012 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2012/.../EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG wat de geneesmiddelenbewaking betreft

P7_TC1-COD(2012)0025


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn 2012/26/EU.)

(1) PB C 181 van 21.6.2012, blz. 201.


Geneesmiddelenbewaking (wijziging van Verordening (EG) nr. 726/2004) ***I
PDF 197kWORD 40k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 726/2004 wat de geneesmiddelenbewaking betreft (COM(2012)0051 – C7-0034/2012 – 2012/0023(COD))
P7_TA(2012)0314A7-0164/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0051),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 en artikel 168, lid 4, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0034/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 28 maart 2012(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 27 juni 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0164/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 september 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2012 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 726/2004 wat de geneesmiddelenbewaking betreft

P7_TC1-COD(2012)0023


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1027/2012.)

(1) PB C 181 van 21.6.2012, blz. 202.


Zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen ***I
PDF 252kWORD 38k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG wat het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen betreft (COM(2011)0439 – C7-0199/2011 – 2011/0190(COD))
P7_TA(2012)0315A7-0038/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0439),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0199/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 januari 2012(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 31 mei 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A7-0038/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 september 2012 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2012/.../EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad wat het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen betreft

P7_TC1-COD(2011)0190


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn 2012/33/EU.)

(1) PB C 68 van 6.3.2012, blz. 70.


Bedrijfstoelageregeling en steun voor wijnbouwers ***I
PDF 198kWORD 35k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat de regeling op de bedrijfstoeslagregeling en de steun voor wijnbouwers betreft (COM(2011)0631 – C7-0338/2011 – 2011/0285(COD))
P7_TA(2012)0316A7-0203/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0631),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0338/2011),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, en artikel 42, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 april 2012(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 4 mei 2012(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 9 juli 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 55 en 37 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A7-0203/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 september 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2012 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat de bedrijfstoeslagregeling en de steun voor wijnbouwers betreft

P7_TC1-COD(2011)0285


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1028/2012.)

(1) PB C 191 van 29.6.2012, blz. 116.
(2) PB C 225 van 27.7.2012, blz. 174.


Administratieve samenwerking via het informatiesysteem interne markt ***I
PDF 198kWORD 36k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt („de IMI-verordening”) (COM(2011)0522 – C7-0225/2011 – 2011/0226(COD))
P7_TA(2012)0317A7-0068/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0522),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0225/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 7 december 2011(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 23 mei 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0068/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 september 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en tot intrekking van Beschikking 2008/49/EG van de Commissie („de IMI-verordening”)

P7_TC1-COD(2011)0226


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1024/2012.)

(1) PB C 43 van 15.2.2012, blz. 14.


Gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's *
PDF 315kWORD 82k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (herschikking) (COM(2011)0714 – C7-0516/2011 – 2011/0314(CNS))
P7_TA(2012)0318A7-0227/2012

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2011)0714),

–  gezien artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0516/2011),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(1),

–  gezien de brief d.d. 6 maart 2012 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie economische en monetaire zaken overeenkomstig artikel 87, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 87 en 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0227/2012),

A.  overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en zoals hieronder gewijzigd;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten is herhaaldelijk gewijzigd. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.
(1)  Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten is herhaaldelijk gewijzigd. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan. Op 19 april 2012 heeft het Europees Parlement gevraagd om concrete manieren om belastingfraude en -ontduiking tegen te gaan, waarbij zij de aandacht heeft gevestigd op belastingontduiking door middel van hybride financiële instrumenten en zij de lidstaten heeft opgeroepen om te zorgen voor probleemloze samenwerking en coördinatie tussen hun belastingsystemen met als doel onbedoelde niet-belasting en belastingontduiking te verhinderen.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  De aanhoudende en aanzienlijke overheidstekorten hangen nauw samen met de huidige sociale, economische en financiële crisis.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  De afschaffing van de belasting op uitkeringen van interest en royalty's in de lidstaat waar zij ontstaan, ongeacht of deze door inhouding aan de bron of door aanslag wordt geïnd, is het geschiktste middel om deze formaliteiten en problemen uit te bannen en een gelijke fiscale behandeling van nationale en transnationale transacties te waarborgen. Deze belasting moet met name worden afgeschaft voor uitkeringen tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten en tussen vaste inrichtingen van deze ondernemingen.
(4)  De afschaffing van de belasting op uitkeringen van interest en royalty's in de lidstaat waar zij ontstaan, ongeacht of deze door inhouding aan de bron of door aanslag wordt geïnd, is het geschiktste middel om deze formaliteiten en problemen uit te bannen en een gelijke fiscale behandeling van nationale en transnationale transacties te waarborgen. Deze belasting moet met het oog op een eenvoudiger en transparanter belastingsysteem met name worden afgeschaft voor uitkeringen tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten en tussen vaste inrichtingen van deze ondernemingen.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Er moet worden gewaarborgd dat uitkeringen van interest en royalty's eenmaal in een lidstaat worden belast en dat de richtlijnvoordelen alleen gelden wanneer de uit de uitkering verkregen inkomsten daadwerkelijk onderworpen zijn aan belasting in de lidstaat van de ontvangende onderneming of in de lidstaat waar de ontvangende vaste inrichting is gelegen.
(5)  Er moet worden gewaarborgd dat uitkeringen van interest en royalty's eenmaal in een lidstaat worden belast en dat de richtlijnvoordelen alleen gelden wanneer de uit de uitkering verkregen inkomsten daadwerkelijk onderworpen zijn aan belasting in de lidstaat van de ontvangende onderneming of in de lidstaat waar de ontvangende vaste inrichting is gelegen, waarbij vrijstelling of vervanging, eventueel door betaling van een andere belasting, niet mogelijk is.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  Het mag de lidstaten bovendien niet worden belet passende maatregelen ter bestrijding van fraude of misbruik te nemen.
(12)  Het is bovendien noodzakelijk gepaste maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat het de lidstaten niet wordt belet belastingfraude, belastingontduiking en misbruik te bestrijden.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)  Om te zorgen voor een soepele en kostenefficiënte omzetting van de bepalingen van deze richtlijn moeten de ondernemingen hun jaarrekeningen evenals alle relevante fiscale gegevens opstellen in eXtensible Business Reporting Language (XBRL).
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1
1.  Uitkeringen van interest of royalty's die ontstaan in een lidstaat, worden vrijgesteld van alle belastingen in die bronstaat (door inhouding dan wel door aanslag), op voorwaarde dat een onderneming van een andere lidstaat, of een in een andere lidstaat gelegen vaste inrichting van een onderneming van een lidstaat, de uiteindelijk gerechtigde tot de interest of de royalty's is en in die andere lidstaat daadwerkelijk is onderworpen aan belasting over de uit die uitkeringen verkregen inkomsten.
1.  Uitkeringen van interest of royalty's die ontstaan in een lidstaat, worden vrijgesteld van alle belastingen in die bronstaat (door inhouding dan wel door aanslag), op voorwaarde dat een onderneming van een andere lidstaat, of een in een andere lidstaat gelegen vaste inrichting van een onderneming van een lidstaat, de uiteindelijk gerechtigde tot de interest of de royalty's is en in die andere lidstaat daadwerkelijk is onderworpen aan belasting over de uit die uitkeringen verkregen inkomsten tegen een tarief niet lager dan 70% van het gemiddelde vennootschapsbelastingtarief dat van toepassing is in de lidstaten, waarbij vrijstelling of vervanging, eventueel door betaling van een andere belasting, niet mogelijk is. Uitkeringen van interest of royalty's zijn niet vrijgesteld in de lidstaten waarin zij ontstaan indien de uitkering niet belastbaar is volgens de nationale belastingwetgeving waaraan de uiteindelijk gerechtigde onderworpen is vanwege een verschillende kwalificatie van de uitkering (hybride instrumenten) of een verschillende kwalificatie van de uitkeerder en de ontvanger (hybride entiteiten).
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 3
3.  Een vaste inrichting wordt alleen als uitbetaler van interest of royalty's behandeld voor zover de betrokken uitkeringen een uitgave vormen die is verricht ten behoeve van de werkzaamheden van de vaste inrichting.
3.  Een vaste inrichting wordt alleen als uitbetaler van interest of royalty's behandeld voor zover de betrokken uitkeringen een uitgave vormen die is verricht ten behoeve van de werkzaamheden van de vaste inrichting. Alleen een vaste inrichting die aan zijn belastingplicht heeft voldaan, kan de begunstigde zijn van een belastingvrijstelling of belastingvoordeel.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 1 – onder d) – punt ii)
ii) de tweede onderneming een deelneming van ten minste 10 % in het kapitaal van de eerste onderneming heeft, dan wel
ii) de tweede onderneming een deelneming van ten minste 25% in het kapitaal van de eerste onderneming heeft, dan wel
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 1 – onder d) – punt iii)
iii) een derde onderneming een deelneming van ten minste 10 % in het kapitaal van zowel de eerste onderneming als de tweede onderneming heeft.
iii) een derde onderneming een deelneming van ten minste 25% in het kapitaal van zowel de eerste onderneming als de tweede onderneming heeft.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – titel
Fraude en misbruiken

Belastingfraude, belastingontduiking en misbruik

Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2
2.  Een lidstaat kan het genot van deze richtlijn ontzeggen of weigeren de richtlijn toe te passen in het geval van transacties met als voornaamste beweegreden of een van de voornaamste beweegredenen belastingfraude, belastingontwijking of misbruik.
2.  Een lidstaat kan het genot van deze richtlijn ontzeggen of weigeren de richtlijn toe te passen in het geval van transacties met als voornaamste beweegreden of een van de voornaamste beweegredenen belastingfraude, belastingontduiking, belastingmisbruik of belastingontwijking.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 1 – eerste alinea
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 2012 aan artikel 1, leden 1 en 3, artikel 2, onder c) en d), en bijlage I, deel A, te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2013 aan artikel 1, leden 1 en 3, artikel 2, onder c) en d), en bijlage I, deel A, te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. De ondernemingen stellen hun jaarrekeningen samen met alle relevante fiscale gegevens op in eXtensible Business Reporting Language (XBRL).

Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7
Uiterlijk op 31 december 2016 brengt de Commissie aan de Raad verslag uit over het economische effect van de richtlijn.

Uiterlijk op 31 december 2015 brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over het economische effect van de richtlijn.

Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8
Deze richtlijn laat de toepassing onverlet van nationale of verdragsbepalingen die verder reiken dan de bepalingen van deze richtlijn en gericht zijn op de afschaffing of matiging van dubbele belasting van interest en royalty's.

Deze richtlijn laat de toepassing onverlet van nationale of verdragsbepalingen die verder reiken dan de bepalingen van deze richtlijn en gericht zijn op de afschaffing of matiging van dubbele belasting en dubbele niet-belasting van interest en royalty's.

(1) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Voorbereiding van het werkprogramma van de Commissie voor 2013
PDF 140kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over het werkprogramma van de Commissie voor 2013 (2012/2688(RSP))
P7_TA(2012)0319RC-B7-0346/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling over het werkprogramma 2013 van de Commissie, die binnenkort zal worden ingediend,

–  gezien het bestaande kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Parlement en de Commissie, met name bijlage 4 daarvan,

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2012 over de vergadering van de Europese Raad van juni 2012(1),

–  gezien artikel 35, lid 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de schaal en de aard van de staatsschulden-, financiële en economische crisis de governance van de Europese Unie meer dan ooit op de proef stellen;

B.  overwegende dat de EU zich op een kritiek punt bevindt en dat de crisis niet beteugeld zal worden zonder een verregaande intensivering van de Europese integratie, met name in het eurogebied, en de bijbehorende toename van de democratische controle en de verantwoordingsplicht;

C.  overwegende dat de rol van de Commissie erin bestaat om het algemeen belang van de Unie te bevorderen, hiertoe passende initiatieven te nemen, de toepassing van de Verdragen te waarborgen, toe te zien op de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving, coördinerende, uitvoerende en beherende taken uit te voeren en wetgeving te initiëren;

DEEL 1

1.  dringt er bij de Commissie op aan al haar bevoegdheden maximaal te gebruiken en blijk te geven van het vereiste politieke leiderschap om de talrijke uitdagingen als gevolg van de aanhoudende crisis het hoofd te bieden, en er tegelijkertijd op gebrand te zijn om financiële stabiliteit en economisch herstel te bewerkstelligen dat gebaseerd is op een groter concurrentievermogen en een duurzame, doeltreffende en sociaal rechtvaardige anti-crisisagenda;

2.  herinnert aan zijn verzoek van 4 juli 2012 aan de Commissie om vóór september een pakket wetgevingsvoorstellen in te dienen, in overeenstemming met de communautaire methode en op grond van de vier bouwstenen die zijn aangemerkt in het verslag met als titel „Naar een echte economische en monetaire unie”;

3.  hamert erop dat de Commissie een vooraanstaande rol moet spelen bij het opstellen van de verslagen voor de vergaderingen van de Europese Raad in oktober en december 2012, waarin een duidelijke routekaart en planning voor de consolidatie van de economische en monetaire unie moet worden vastgelegd, met inbegrip van een geïntegreerd financieel, fiscaal en economisch beleidskader, en die op termijn moeten leiden tot een krachtigere politieke unie, en met name tot grotere democratische verantwoordingsplicht en legitimiteit op grond van een verdragswijziging;

4.  wijst op het standpunt van het Parlement over de wetgeving inzake het „two-pack” waardoor er meer begrotingstoezicht zal komen, het begrotingsbeleid in het eurogebied zal worden aangescherpt en waarvan de bepalingen in het geval van een ernstige economische recessie gedifferentieerde oplossingen voor begrotingsconsolidatie mogelijk maken;

5.  dringt er bij de Commissie op aan voorstellen in te dienen om de toezeggingen die zijn gedaan in het Pact voor groei en banen uit te voeren, voornamelijk om duurzame, op groei georiënteerde investeringen te stimuleren, waardoor het concurrentievermogen van de Europese economie die gericht is op de Europa 2020-doelstellingen te verbeteren, vooral met betrekking tot de doelmatigheid en de duurzaamheid van hulpbronnen en het verdiepen van de interne markt; verzoekt de Commissie haar werkprogramma voor 2013 te gebruiken om een gedetailleerde groeiagenda op te stellen waarin bedrijven en ondernemers worden aangemoedigd de sectoren en diensten verder te ontwikkelen die banen en welvaart voor de lange termijn opleveren; benadrukt in dit verband het belang van een aanzienlijke verhoging van Europese projectobligaties op grond van een synergie tussen de EU-begroting en de Europese Investeringsbank;

6.  wijst verder op de behoefte aan een langdurige en symmetrische inperking van gevallen van buitensporige macro-economische onevenwichtigheid, en roept op tot concrete veranderingen in het EU-belastingrecht om alle aspecten van belastingparadijzen en belastingontduiking aan te pakken;

7.  verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om de spoedige aanneming van het meerjarig financieel kader (MFK) en de daaraan gekoppelde meerjarige wetgevingsprogramma's te vergemakkelijken, waarbij ook het Parlement volledig betrokken wordt en terdege rekening wordt gehouden met zijn medebeslissingsbevoegdheden; staat achter de toezegging om van de EU-begroting een katalysator voor groei en banen in heel Europa te maken; verzoekt de Commissie in dit verband haar voorstel te verdedigen om ervoor te zorgen dat de begroting van de Unie een getrouwere weergave is van haar behoeften en politieke doelstellingen;

8.  hamert er echter op dat de hervorming van het stelsel van eigen middelen, inclusief het genereren van nieuwe eigen middelen, essentieel is voor goede vooruitzichten op een akkoord over het nieuwe MFK; verzoekt de Commissie de roep van verscheidene lidstaten om nauwere samenwerking op dit gebied te steunen; onderstreept echter de wenselijkheid om voor het eind van het jaar een algemeen akkoord te bereiken;

9.  verzoekt de Commissie de samenhang van haar wetgevingsprogramma te verbeteren, de kwaliteit van haar ontwerpwetgeving te verhogen, haar effectbeoordeling van ontwerpwetten te verbeteren, indien nodig het gebruik van concordantietabellen voor te stellen voor een betere omzetting van de EU-wetgeving en het Parlement te steunen bij zijn onderhandelingen met de Raad over het gebruik van gedelegeerde uitvoeringshandelingen; herinnert andermaal aan zijn verzoek om de onderhandelingen over het Interinstitutioneel Akkoord van 2003 over betere wetgeving te heropenen;

10.  verzoekt de Commissie zich terdege rekenschap te geven van de sectorgebonden standpunten van het Parlement die hieronder in deel 2 uiteen worden gezet;

DEEL 2
Uitvoering

11.  onderstreept het belang van de juiste en tijdige tenuitvoerlegging van EU-wetgeving via nationale wetgeving, en verzoekt de Commissie met klem indien nodig inbreukprocedures in te leiden om de juiste omzetting en een doeltreffende handhaving van de EU-wetgeving te waarborgen;

12.  dringt er bij de Commissie op aan een voorstel in te dienen voor de invoering van verplichte nationale beheersverklaringen, die op het passende politieke niveau worden ondertekend, voor EU-middelen onder gedeeld beheer; dringt aan op permanente maatregelen om de programma's van de EU te vereenvoudigen, met name op het vlak van onderzoek en innovatie; verzoekt de Commissie het gebruik van financiële instrumenten (FI's) nauwlettend in de gaten te houden; vraagt systematische, periodieke en onafhankelijke evaluaties, om ervoor te zorgen dat alle uitgaven op kosteneffectieve wijze tot de gewenste resultaten leiden;

13.  verwacht dat de Commissie tijdig de ontwerpen van gewijzigde begroting indient die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de betalingsniveaus overeenstemmen met de maatregelen die tijdens de Europese Raad van juni 2012 overeengekomen zijn om groei te stimuleren en die afdoende zijn om gedane toezeggingen na te komen;

Interne markt

14.  verzoekt de Commissie aandacht te blijven besteden aan de verbetering van de governance van de interne markt, met hernieuwd elan te strijden voor administratieve vereenvoudiging, goed te overwegen om waar mogelijk verordeningen in plaats van richtlijnen voor te stellen teneinde de proportionaliteit van de voorgestelde maatregelen te waarborgen, en de vorderingen bij te houden met het oog op de volledige tenuitvoerlegging van het acquis over de interne markt, vooral in de dienstensector, met inbegrip van de mogelijkheid van versnelde inbreukprocedures; benadrukt dat er terdege rekening moet worden gehouden met de economische, sociale en ecologische aspecten van de interne markt;

15.  kijkt uit naar de Commissievoorstellen in het kader van de Single Market Act II voor prioritaire maatregelen om de groei, de werkgelegenheid en het vertrouwen in de intenre markt een impuls te geven; moedigt nauwere samenwerking aan als dat passend en nodig is;

16.  dringt er bij de Commissie op aan systematischer te werk te gaan bij het beoordelen van de impact van haar voorstellen op kmo's, die Europa veel nieuwe banen opleveren; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan het zogenaamde „gold plating” van EU-wetgeving te ontmoedigen waarmee de gelijke voorwaarden op de interne markt geweld wordt aangedaan; roept op de bureaucratische rompslomp verder te beperken;

17.  schaart zich achter de nadruk die de Commissie legt op de digitale agenda; dringt erop aan dat voorstellen meer grensoverschrijdende diensten leveren aan consumenten in de hele EU;

18.  herinnert eraan dat een doorwrochte herziening van de algemene richtlijn productveiligheid (Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad(2)) noodzakelijk is waarin de gezondheid en veiligheid van de consument wordt gewaarborgd, maar ook de handel in goederen, vooral voor kmo's, wordt vergemakkelijkt; verzoekt de Commissie een voorstel te doen voor een transversale verordening betreffende markttoezicht voor alle producten; verlangt verder doeltreffende beroepsprocedures in financiële retaildiensten en een gemeenschappelijke horizontale en gecoördineerde aanpak om consumenten te beschermen;

19.  dringt er bij de Commissie op aan haar optreden op het gebied van regelgeving ten aanzien van kmo's en micro-ondernemingen te verbeteren door de wetgeving aan te passen aan de behoeften van kmo's en ook door de invoering te bevorderen van passende uitzonderingen;

20.  dringt er bij de Commissie op aan haar herziening van het stelsel voor auteursrechten door te voeren, dat geschikt moet zijn voor de internetomgeving en gebaseerd moeten zijn op sociale legitimiteit, met de nodige eerbiediging van de grondrechten, met inbegrip van de voltooiing van de herziening van de industriële eigendomsrechten, die bedoeld is om de groei en het creëren van banen in Europa een impuls te geven; verzoekt de Commissie rekening te houden met de juridische problemen die aan het licht zijn gekomen bij de controverse rond de handelsovereenkomst ter bestrijding van namaak (ACTA), toen zij haar voorstel presenteerde over de herziening van de EU-wetgeving inzake het merkenrecht;

Klimaat, milieu, energie en vervoer

21.  hamert erop dat het stappenplan voor een efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa moet worden uitgevoerd om stimulansen te genereren voor de ontwikkeling van een groene economie, het bevorderen van biodiversiteit en de strijd tegen klimaatverandering, inclusief de integratie van hulpbronefficiënte maatregelen die voorzien zijn in de Europa 2020-strategie;

22.  is van oordeel dat het Europees semester elke lidstaat de mogelijkheid moet bieden rekenschap af te leggen over zijn eigen toezeggingen met betrekking tot de Europa 2020-strategie, het Euro Plus-pact, de Single Market Act en andere belangrijke EU-doelstellingen;

23.  verzoekt de Commissie onverwijld voorstellen in te dienen om de zwakheden in het bestaande emissiehandelssysteem aan te pakken, teneinde de ineenstorting daarvan te voorkomen;

24.  verzoekt de Commissie een actieplan in te dienen met gedetailleerde maatregelen om te komen tot een volledig geïntegreerde en onderling verbonden interne energiemarkt, en benadrukt dat de EU moet worden voorzien van een moderne netwerkinfrastructuur;

25.  verzoekt de Commissie de routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050 uit te voeren, inclusief tussentijdse mijlpalen;

26.  verzoekt de Commissie een strategie op te stellen om het effect van de stijgende energieprijzen op de maatschappij tegen te gaan;

27.  is van mening dat de crisis moet worden ingezet als een middel om het ontwikkelingsmodel van onze samenleving om te vormen in een uiterst efficiënte, op hernieuwbare energie gebaseerde en klimaatbestendige economie; benadrukt dat de Commissie voorstellen moet indienen voor een energie- en klimaatpakket voor de periode tot 2030 op basis van de huidige drie pijlers: het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen, alsmede hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie;

28.  is het eens met de nadruk die de Commissie legt op het moderniseren van het Europese multimodale vervoerssysteem dat cruciaal is voor het welslagen van de interne markt; verzoekt de Commissie zich te blijven inzetten voor de spoorwegen en de bevoegdheden van het Europees Spoorwegbureau op het gebied van veiligheidscertificering en de harmonisatie van rollend materieel uit te breiden;

29.  betreurt dat het niet gelukt is het initiatief van het gemeenschappelijk Europees luchtruim volledig uit te rollen, en verzoekt de Commissie hiertoe nieuwe inspanningen te verrichten;

Samenhangende en inclusieve samenlevingen - Europa voor de burger

30.  is zeer verheugd over de aandacht die de Commissie besteedt aan de werkgelegenheid voor jongeren en over haar voorstellen om de capaciteit van de Unie uit te breiden ter bevordering van onderwijs en opleidingen; verwacht als onderdeel van de overkoepelende mededeling over het werkgelegenheidspakket duidelijke doelstellingen en tijdschema's en concrete voorstellen op het gebied van jeugdmobiliteit, de „Europese Jeugdgarantie”, het kwaliteitskader voor stages, talenkennis en ondernemerschap van jongeren, om zo de hoge jeugdwerkloosheid te bestrijden; verwacht tevens concrete maatregelen om de armoede terug te dringen, de arbeidsmarkt te hervormen en sociale normen op te stellen zodat er een evenwichtige aanpak op het gebied van „flexiezekerheid” kan worden ingevoerd in de lidstaten die dat wensen, en verlangt dat er meer nadruk wordt gelegd op de tewerkstelling van gehandicapten in onze vergrijzende samenleving;

31.  benadrukt dat er moet worden geïnvesteerd in menselijk kapitaal en onderzoek en ontwikkeling en dat er passende onderwijs- en opleidingsmogelijkheden moeten worden geboden om professionele mobiliteit te vergemakkelijken; roept tevens op tot verdere inspanningen op het vlak van geweld tegen vrouwen en mensenhandel;

32.  dringt opnieuw aan op een sterk cohesiebeleid voor de hele EU na 2013, waarin de bestaande fondsen en programma's moeten worden gestroomlijnd, toereikende financiering moet worden gewaarborgd, en waarvoor de governance op verschillende niveaus de grondslag vormt en dat nauw aansluit bij de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; onderstreept dat de efficiëntie en het reactievermogen van het solidariteitsfonds moeten worden verbeterd, en verwacht daartoe voorstellen; is ervan overtuigd dat er met de juiste middelen een gemeenschappelijke basis kan worden gevonden voor het cohesie-, het onderzoeks- en ontwikkelingsbeleid van de EU, dat gericht moet zijn op groei en concurrentievermogen, waarbij echter ook de beginselen van economische, sociale en territoriale samenhang alsook topkwaliteit worden nageleefd;

33.  steunt initiatieven op Europees niveau als aanvulling op de nationale inspanningen om microkrediet te verhogen en sociaal ondernemerschap te stimuleren dat diensten verleent die niet voldoende worden geleverd door de overheids- of de particuliere sector;

34.  is ingenomen met de meer voortvarende benadering van de Commissie met het oog op de bescherming van de rechtsstaat en de grondrechten in de hele Unie; verlangt een herziening van het Bureau voor de grondrechten om een doeltreffende controle en de uitvoering van het Handvest van de grondrechten te garanderen en dit af te stemmen op het Verdrag van Lissabon; steunt de Commissie bij haar onderhandelingen over de toetreding van de EU tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens;

35.  verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging van de richtlijn gelijke behandeling ongeacht ras (Richtlijn 2000/43/EG(3) van de Raad) en de omzetting van het kaderbesluit betreffende de bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat (Kaderbesluit 2008/913/JHA van de Raad(4)) te onderzoeken, en vindt het betreurenswaardig dat het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma niet bindend is;

36.   verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het vrije verkeer van personen verzekerd is en dat het Schengenacquis volledig wordt nageleefd; benadrukt dat het ontoereikende systeem van wederzijdse beoordeling door lidstaten moet worden vervangen, en verzoekt de Commissie de volledige verantwoordelijkheid te nemen voor het toezicht op de Schengenregels; is tevreden met de steun van de Commissie voor zijn standpunt inzake de rechtsgrondslag voor de Schengenregels;

37.  vindt het uitblijven van een wetgevingsvoorstel betreffende een sterkere onderlinge solidariteit binnen de EU op het gebied van asielaangelegenheden betreurenswaardig; ziet graag een wetgevingsvoorstel om een gemeenschappelijk Europees asielstelsel tot stand te brengen waarin verantwoordelijkheidsbesef en solidariteit worden gecombineerd;

38.  onderstreept dat de verordening inzake een algemeen kader voor gegevensbescherming en de richtlijn betreffende gegevensbescherming op het gebied van het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van strafbare feiten moeten worden aangenomen zodat alle verdere terrorismebestrijdingsmaatregelen kunnen voldoen aan hoge normen van privacy en gegevensbescherming; verzoekt de Commissie haar evaluatie van de richtlijn gegevensbewaring (Richtlijn 2006/24/EC van het Europees Parlement en de Raad(5)) te vervroegen;

39.  staat volledig achter met het belang dat de Commissie hecht aan het uitvoeren van burgervriendelijke initiatieven in het kader van het voorstel voor een besluit over het Europees Jaar van de burger (2013) (COM(2011)0489) om het bewustzijn van de burgers over de voordelen die het Europese burgerschap met zich meebrengt verder aan te wakkeren;

Landbouw en visserij

40.  neemt kennis van de huidige hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid: is ingenomen met de inzet van de Commissie voor een evenwichtige en geïntegreerde benadering waarin zowel de duurzame en efficiënte productie van kwalitatieve en betaalbare voeding als het respect voor de ecologische en de erfgoedwaarde van het platteland worden gewaarborgd; dringt erop aan dat het GLB naadloos wordt afgestemd op de Europa 2020-strategie om innovatie in het boerenbedrijf aan te moedigen en de duurzaamheid, eerlijkheid en het concurrentievermogen van de Europese landbouw op lokaal en regionaal niveau te verbeteren;

41.  benadrukt dat de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid ambitieus moet zijn om duurzame en gezonde visbestanden voor de lange termijn te verkrijgen; verzoekt de Commissie met klem te zorgen dat artikel 43, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) de rechtsgrondslag vormt voor haar voorstellen, en het gebruik van artikel 43, lid 3 te beperken tot voorstellen die uitsluitend gaan over de vaststelling van de toekenning van de vangstmogelijkheden, herhaalt zijn weerstand tegen de teruggooipraktijk en tegen ondoordachte en dure maatregelen die gericht zijn op de beperking van de vlootcapaciteit;

Buitenlands en ontwikkelingsbeleid

42.  verzoekt de Commissie en de Europese dienst extern optreden samen te werken om goed gecoördineerde initiatieven op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voor te stellen aan de Raad; dringt er bij de Commissie op aan al haar activiteiten en diensten op dit vlak te bundelen, met inbegrip van het ontwikkelingsbeleid, teneinde de internationale doelstellingen uit het Verdrag van Lissabon te verwezenlijken, en dan met name artikel 208 VWEU, dat handelt over beleidscoherentie voor ontwikkeling, maar zonder de waarden waarop de Unie zelf was gegrondvest uit het oog te verliezen;

43.  verwacht wetgevingsinitiatieven om de rechtsgrondslagen voor de volgende generatie instrumenten voor externe financiële steun te herzien, waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van het systeem van gedelegeerde handelingen; ziet graag meer flexibiliteit bij de uitbetaling van financiële steun in crisissituaties;

44.  verwacht dat de Commissie de uitbreiding van de Unie met alle Europese landen die de waarden van de Unie eerbiedigen en op toegewijde wijze uitdragen steunt, waarbij echter wel rekening wordt gehouden met het vereiste voor toetredingslanden om te voldoen aan de criteria van Kopenhagen en de integratiecapaciteit van de Unie; is ervan overtuigd dat de Unie haar morele gezag en politieke geloofwaardigheid in de wereld zou verliezen als ze haar deuren zou sluiten voor haar buren; verwacht dat de Commissie haar werk in verband met de lopende toetredingsonderhandelingen voortzet;

45.  verzoekt de Commissie meer resultaatgericht ontwikkelingsbeleid uit te voeren waarmee doeltreffendere steun wordt geboden en nauwere beleidssamenhang en betere donorcoördinatie wordt gegarandeerd op nationaal, Europees en mondiaal niveau waarbij opkomende spelers op het gebied van mondiale ontwikkeling steeds belangrijker zullen worden; benadrukt dat er een speciaal trustfonds in het leven moet worden geroepen om het probleem van ondervoeding in ontwikkelingslanden aan te pakken en dat er een raadplegingsprocedure moet worden opgestart over het verschijnsel landroof; dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor een grotere doeltreffendheid van EU-steun in het kader van mogelijke millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling voor de periode na 2015;

Handel

46.  ziet de wederzijdse en evenwichtige openheid van markten als een strategisch beleidsinstrument voor de interne groei en werkgelegenheid van de EU; onderstreept dat het Parlement moet worden betrokken bij alle stadia van de onderhandelingen en blijft zich inzetten voor een multilaterale benadering van de internationale handel; benadrukt dat protectionisme op multilateraal niveau en via alle handelsovereenkomsten moet worden bestreden;

47.  steunt de inspanningen van de Commissie in alle lopende bilaterale en regionale onderhandelingen op het gebied van de handel; onderkent dat er voortdurend vooruitgang moet worden geboekt in het bereiken van bilaterale vrijhandelsovereenkomsten met belangrijkste partners;

48.  hecht groot belang aan het stroomlijnen van mensenrechten-, sociale en milieunormen en maatschappelijk verantwoord ondernemen in het hele internationale beleid, in combinatie met duidelijke regels voor verantwoordelijk gedrag van Europese bedrijven;

o
o   o

49.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0292.
(2) PB L 11 van 15.01.02, blz. 4.
(3) PB L 180 van 19.07.00, blz. 22.
(4) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(5) PB L 105 van 13.04.06, blz. 54.


Vrijwillige en onbetaalde donatie van weefsels en cellen
PDF 145kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over vrijwillige, onbetaalde donaties van weefsels en cellen (2011/2193(INI))
P7_TA(2012)0320A7-0223/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 184 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 1 betreffende de menselijke waardigheid en artikel 3 betreffende het recht op menselijke integriteit, dat verwijst naar het verbod om het menselijk lichaam en bestanddelen daarvan als zodanig als bron van financieel voordeel aan te wenden,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over vrijwillige en onbetaalde donatie van weefsels en cellen (COM(2011)0352),

–  gezien Richtlijn 2010/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 inzake kwaliteits- en veiligheidsnormen voor menselijke organen, bestemd voor transplantatie(1),

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2010 over de mededeling van de Commissie: Actieplan inzake orgaandonatie en transplantatie (2009-2015): hechtere samenwerking tussen de lidstaten(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1394/2007(3) van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende geneesmiddelen voor geavanceerde therapie en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004,

–  gezien Richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen(4),

–  gezien Richtlijn 2006/17/EG van 8 februari 2006(5) ter uitvoering van Richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft bepaalde technische voorschriften voor het doneren, verkrijgen en testen van menselijke weefsels en cellen,

–  gezien de richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de transplantatie van menselijke cellen, weefsels en organen,

–  gezien het Verdrag inzake mensenrechten en biogeneeskunde van de Raad van Europa en het Aanvullend Protocol betreffende de transplantatie van organen en weefsels van menselijke oorsprong,

–  gezien het Verdrag van Oviedo inzake mensenrechten en biogeneeskunde en het aanvullend protocol betreffende de transplantatie van organen en weefsels van menselijke oorsprong,

–  gezien de Europese gegevens over donatie- en transplantatieactiviteiten met betrekking tot weefsels, hematopoïetische en geslachtscellen die zijn vervat in het uit 2010 daterende verslag van het Europees Register voor organen, weefsel- en celmateriaal,

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2005 betreffende de handel in menselijke eicellen(6),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie juridische zaken (A7-0223/2012),

A.  overwegende dat gedoneerde weefsels en cellen, zoals huid, botten, pezen, hoornvliezen en hematopoïetische stamcellen, in toenemende mate worden gebruikt in medische therapieën en als uitgangsmateriaal voor geneesmiddelen voor geavanceerde therapie (ATMP); overwegende dat Richtlijn 2004/23/EG bepaalt dat de lidstaten zich beijveren om vrijwillige, onbetaalde donaties te waarborgen en zich tevens beijveren om ervoor te zorgen dat het verkrijgen van weefsels en cellen als zodanig zonder winstoogmerk geschiedt; overwegende dat dit een duidelijke wettelijke verplichting is, en dat als een lidstaat niet aan dit principe voldoet, er inbreukprocedures kunnen worden ingesteld;

B.  overwegende dat de lidstaten volgens artikel 12, lid 1, van Richtlijn 2004/23/EG om de drie jaar aan de Commissie verslag moeten uitbrengen over de praktijk van vrijwillige en onbetaalde donaties;

C.  overwegende dat 27 van de 29 rapporterende landen enigerlei vorm van (al dan niet bindende) bepalingen hanteren met betrekking tot het beginsel van vrijwillige en onbetaalde donaties van weefsels en cellen;

D.  overwegende dat 13 landen richtsnoeren hanteren met betrekking tot de mogelijkheid om donoren van weefsels en cellen bepaalde vormen van compensatie of prikkels te bieden;

E.  overwegende dat 19 landen hebben laten weten te voorzien in enigerlei vorm van compensatie of stimulansen voor levende donoren van weefsels en cellen (met uitzondering van geslachtscellen);

F.  overwegende dat 14 landen enigerlei vorm van compensatie of stimulansen bieden om geslachtscellen te doneren;

G.  overwegende dat vier landen vormen van compensatie of stimulansen kennen voor nabestaanden van overleden donoren;

H.  overwegende dat gerichte bewustmaking van het publiek en verspreiding van duidelijke, betrouwbare, wetenschappelijk onderbouwde en overtuigende medische informatie op nationaal en Europees niveau, met name in de naaste omgeving van de patiënt, van groot belang zijn om publieke steun te verwerven en donaties van weefsels en cellen te stimuleren;

I.  overwegende dat het onder de aandacht brengen van de behoefte aan of de beschikbaarheid van menselijke weefsels en cellen teneinde financiële of vergelijkbare voordelen aan te bieden of te behalen, verboden moet worden;

J.  overwegende dat er 11 landen zijn met een officieel beleid ter bevordering van zelfvoorziening in weefsels en cellen, en dat er daarnaast 17 andere landen zijn die eveneens met het doel in hun nationale behoeften aan menselijke weefsels en cellen te voorzien bilaterale akkoorden zijn aangegaan;

K.  overwegende dat het ook uit ethisch oogpunt van het grootste belang is om, voor zover mogelijk, te zorgen voor voldoende beschikbaarheid van weefsels en cellen voor medische doeleinden; overwegende dat de voorziening met dergelijke weefsels en cellen moet worden georganiseerd op een manier die in het belang is van de burgers, en derhalve onder toezicht moet staan van overheidsorganen;

L.  overwegende dat de meeste rapporterende landen er publieke inzamelaars/leveranciers van weefsels en cellen of een duaal systeem van publieke en particuliere inzamelaars/leveranciers op nahouden;

M.  overwegende dat de verwerving van menselijke weefsels en cellen dient te worden uitgevoerd door personen die met succes een scholingsprogramma hebben doorlopen waarvan de inhoud is vastgelegd door een klinisch team dat in de te verkrijgen weefsels en cellen gespecialiseerd is of door een weefselcentrum dat tot de verkrijging daarvan gemachtigd is;

N.  overwegende dat wegnemen van weefsels en cellen voor donatiedoeleinden slechts op twee voorwaarden mag plaatsvinden: het moet een medisch of wetenschappelijk en therapeutisch doel dienen en alle weggenomen bestanddelen moeten vrijwillig worden afgestaan zonder dat er enigerlei betaling plaatsvindt;

O.  overwegende dat bij het wegnemen van weefsels en cellen de volgende beginselen in acht moeten worden genomen: anonimiteit (behalve in het geval van wegneming bij een levend persoon ten behoeve van een naaste), afwezigheid van winstoogmerk, instemming, de verplichting om de transplantaten eerlijk onder de patiënten te verdelen en de bescherming van de gezondheid van donoren en ontvangers;

P.  overwegende dat het wegnemen van weefsels en cellen alleen mag plaatsvinden indien de donor daartoe vooraf vrijwillig schriftelijke toestemming heeft gegeven; overwegende dat deze toestemming op enigerlei moment en zonder specifieke formaliteiten kan worden ingetrokken;

Q.  overwegende dat het gebruik van weefsels en cellen voor toepassing in het menselijk lichaam het risico inhoudt dat ziekten worden overgedragen op de ontvangers; dat risico kan worden beperkt door potentiële donoren vooraf op basis van een kosten/batenanalyse zorgvuldig te selecteren en te evalueren, door elke donatie te testen en te controleren en procedures toe te passen voor de verkrijging van weefsels en cellen conform de voorschriften en processen die op grond van de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen worden opgesteld en geactualiseerd;

R.  overwegende dat de donatie van bepaalde weefsels en cellen een ernstig risico voor de donor impliceert; tevens overwegende dat dit risico bij eiceldonaties bijzonder hoog is als gevolg van de hormoonbehandeling die nodig is ter voorbereiding op de donatie;

S.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de EU, dat het leidende beginsel van de Europese Unie vormt en sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon wettelijk bindend is, verbiedt om het menselijk lichaam en bestanddelen daarvan als zodanig als bron van financieel voordeel aan te wenden;

T.  overwegende dat het wenselijk is dat alle lidstaten over bindende voorschriften beschikken om dit ethische beginsel te handhaven, inclusief door middel van strafrechtelijke maatregelen;

U.  overwegende dat er echter twijfels blijven bestaan over de vraag of dit ethische beginsel verenigbaar is met bepaalde vormen van compensatie voor donaties, in het bijzonder wanneer deze compensatie wordt geboden aan de nabestaanden van overleden donoren;

V.  overwegende dat onbetaalde donatie niet alleen een ethisch beginsel is, maar dat het ook noodzakelijk is om de gezondheid van donor en ontvanger te beschermen, aangezien de grote geldbedragen die aan het donatieproces te pas komen de donor ertoe kunnen aanzetten risico's te nemen en hem/haar ervan kunnen weerhouden risico's in zijn/haar medische voorgeschiedenis te melden;

W.  overwegende dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat allogene navelstrengbloedtransplantatie bij veel patiënten succesvol is en dat er tevens betrouwbare berichten zijn die erop wijzen dat een autologe behandeling met dit soort cellen in sommige gevallen succesvol kan zijn;

X.  overwegende dat er volgens berichten uit geloofwaardige mediabronnen keer op keer inbreuk wordt gepleegd op het beginsel van onbetaalde weefsel- en celdonaties;

Y.  overwegende dat de traceerbaarheid van cellen en weefsels van donoren tot ontvangers en omgekeerd en follow-up op lange termijn van levende donoren en ontvangers van cellen en weefsels cruciale elementen van de veiligheids- en kwaliteitsbewaking zijn;

1.  is ingenomen met de presentatie van het tweede verslag over vrijwillige en onbetaalde donatie van weefsels en cellen, dat aantoont dat er in de lidstaten veel gedaan wordt om het beginsel van onbetaalde donaties toe te passen, maar ook dat er nog een lange weg moet worden afgelegd;

2.  stelt met bezorgdheid vast dat de helft van de lidstaten aangeven dat zij geregeld worden geconfronteerd met een tekort aan menselijke weefsels en cellen, met name ruggenmerg, geslachtscellen en weefsels zoals hoornvliezen en huid; is van mening dat het gevoerde beleid en de vigerende wetgeving derhalve dienen te worden herzien omdat ze kennelijk niet zijn berekend op het zelfvoorzieningsprobleem in de Europese Unie;

Onbetaalde donatie, instemming en gezondheidsbescherming

3.  onderstreept dat donaties vrijwillig, onbetaald en anoniem dienen te zijn (behalve bij donatie door een levend persoon aan een naaste) en moet worden geregeld door middel van juridische en ethische beschermingsvoorschriften ter vrijwaring van de menselijke integriteit;

4.  roept de lidstaten op tot het treffen van maatregelen ter bescherming van levende donoren en verzoekt hen ervoor te zorgen dat donaties anoniem (behalve bij donaties door een levend persoon aan een naaste), vrijwillig, ongedwongen, op geïnformeerde grondslag en onbetaald plaatsvinden;

5.  verzoekt de Commissie de ontwikkelingen in de lidstaten nauwlettend te volgen, een zorgvuldig onderzoek in te stellen naar alle berichten vanuit de burgersamenleving of in de media over inbreuken op het beginsel van onbetaalde donatie, en om adequate maatregelen te treffen, waaronder, zo nodig, het instellen van inbreukprocedures;

6.  acht het essentieel dat alle lidstaten duidelijk de voorwaarden definiëren waaronder een billijke en evenredige financiële compensatie kan worden verleend, met dien verstande dat vergoedingen strikt beperkt moeten blijven tot het vergoeden van de voor donatie van weefsels en cellen gemaakte onkosten, zoals reiskosten, inkomensverlies of medische kosten die verband houden met de medische procedure en mogelijke bijwerkingen, zodat eventuele financiële stimulansen in ieder geval verboden zijn en benadeling van potentiële donoren wordt voorkomen; dergelijke vormen van compensatie moeten transparant zijn en regelmatig worden getoetst;

7.  verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de bestaande nationale praktijken en criteria voor de compensatie van levende donoren, met name wat betreft eiceldonatie;

8.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat eventuele vormen van compensatie voor donoren ethisch verantwoord zijn; pleit ervoor hieraan vooral aandacht te besteden wanneer de compensatie niet aan de donor, maar aan diens nabestaanden wordt uitbetaald;

9.  roept de lidstaten ertoe op ervoor te zorgen dat levende donoren worden geselecteerd aan de hand van een evaluatie van hun gezondheidstoestand en medische anamnese, zo nodig met inbegrip van een psychologische beoordeling op basis van een risico/batenanalyse door daartoe bevoegde en opgeleide gezondheidswerkers;

10.  roept de lidstaten ertoe op maatregelen te nemen ter bescherming van onder voogdij staande minderjarigen en volwassenen bij weefsel- of celafname;

Anonimiteit, traceerbaarheid, transparantie en informatie

11.  beklemtoont dat naleving van de beginselen van transparantie en veiligheid van essentieel belang is om een hoog niveau van publieke steun voor donaties te verwerven; spoort de lidstaten ertoe aan zich in te zetten voor de totstandbrenging van een transparant donatiesysteem dat veilig is voor zowel donoren als ontvangers;

12.  dringt er bij alle lidstaten op aan regels op te stellen om de traceerbaarheid van weefsels en cellen van menselijke oorsprong van donor tot patiënt en omgekeerd te waarborgen, alsook een systeem te ontwikkelen voor de regulering van de invoer van menselijke weefsels en cellen uit derde landen, zodat er in de praktijk gelijkwaardige kwaliteits- en veiligheidsnormen worden gegarandeerd;

13.  roept de lidstaten ertoe op meer werk te maken van hun publieke informatie- en bewustmakingscampagnes ter bevordering van weefsel- en celdonaties en ervoor te zorgen dat de verstrekte medische informatie duidelijk, betrouwbaar, wetenschappelijk verantwoord en overtuigend is en dat de verstrekte gegevens het publiek in staat stellen geïnformeerde keuzes te maken; onderstreept dat donoren volledig moeten worden geïnformeerd over de daarbij gevolgde procedures en over de morele, psychologische, medische en maatschappelijke gevolgen ervan;

14.  roept de lidstaten ertoe op gecoördineerd op te treden om het ontstaan van een zwarte markt voor geslachtscellen via het internet tegen te gaan, aangezien een dergelijke markt niet alleen ten koste dreigt te gaan van de kwaliteit en de veiligheid van de bewuste cellen en weefsels, maar bovendien ook juridische, ethische en volksgezondheidsproblemen zou doen rijzen;

Uitwisseling van optimale praktijken en versterking van de Europese en internationale samenwerking

15.  roept de lidstaten ertoe op de uitwisseling van goede praktijken te intensiveren, in het bijzonder wat betreft het aanbod van weefsels en cellen, de bescherming van de kwaliteit van weefsels en cellen tijdens hun transport, de verbetering van het publieke besef omtrent donaties en de opleiding van gezondheidswerkers;

16.  verlangt dat alle lidstaten publieke weefsel- en cellenbanken instellen;

17.  dringt aan op de invoering van Europese normen en voorschriften voor particuliere weefsel- en cellenbanken;

18.  is van mening dat de Commissie en de lidstaten zich ter vervulling van hun ethische verplichting om te voorzien in een adequaat aanbod moeten zouden moeten beraden over de mogelijkheid tot het opzetten van een Europese gegevensbank van donoren en potentiële ontvangers met als doel het aanbod in het algemeen belang te reguleren en het ontstaan van mogelijke tekorten te voorkomen;

19.  is van oordeel dat de sluiting van bilaterale overeenkomsten buitengewoon belangrijk is om landen die te kampen hebben met tekorten aan weefsels en cellen of met problemen om in eigen land geschikte donoren vinden te helpen en om ervoor te zorgen dat de informatie over weefsels en cellen tussen landen onderling gemakkelijker kan worden uitgewisseld;

20.  is in de Europese context bijzonder ingenomen met de functie die op dit gebied wordt vervuld door Eurocet, dat een cruciale rol heeft gespeeld als centrale Europese databank voor de verzameling van gegevens over donatie- en transplantatieactiviteiten met weefsels en cellen; roept de autoriteiten van de lidstaten ertoe op nauwer met Eurocet samen te werken om specifiekere gemeenschappelijke normen vast te leggen voor de donatie van cellen en weefsels, en medische beroepsbeoefenaren aldus in staat te stellen de compatibiliteitsgegevens voor Europese burgers beter of elkaar af te stemmen;

21.  roept de lidstaten ertoe op alle mogelijkheden te onderzoeken voor een bredere internationale samenwerking op dit gebied, in het bijzonder met betrekking tot het potentiële gebruik van hematopoïetische stamcellen;

Navelstrengbloed en stamcellen

22.  onderkent dat er aanzienlijke wetenschappelijke vooruitgang is geboekt met het gebruik van navelstrengbloed, een bijzonder veelbelovend therapeutisch alternatief voor de behandeling van tal van ziektes, waaronder ook kinderziekten;

23.  wijst erop dat klinische proeven met stamcellen uit navelstrengbloed voor de behandeling van niet-hematologische aandoeningen momenteel voornamelijk buiten de Europese Unie plaatsvinden; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve passende maatregelen te nemen tot invoering van een ​​regelgevingskader om de beschikbaarheid van stamcellen uit navelstrengbloed te vergroten;

24.  betreurt dat momenteel slechts bij 1% van de geboorten in de Europese Unie stamcellen uit navelstrengbloed worden opgeslagen; onderstreept derhalve dat het belangrijk is dat moeders bij een geboorte navelstrengbloed en -weefsel doneren aan opslagbanken die voldoen aan gemeenschappelijke operationele en ethische normen, om aldus bij te dragen aan de behandeling van ziekten en aan verder onderzoek op dit gebied; benadrukt tevens dat goede traceerbaarheid een van de voorwaarden moet zijn voor het verlenen van vergunningen aan dergelijke opslagbanken op nationaal of Europees niveau; onderstreept dat de procedure voor toewijzing via dergelijke opslagbanken eerlijk, billijk, niet-discriminerend en transparant dient te zijn;

25.  wijst erop dat openbare cellenbanken de nodige stappen moeten ondernemen ter bescherming van de vertrouwelijkheid van gegevens, zodat de traceerbaarheidsverplichting te verenigen valt met de noodzaak de rechten van de donor inzake o.a. medische vertrouwelijkheid en privacy te beschermen;

26.  is van opvatting dat de mogelijkheid tot donatie van allogeen, niet-familiair navelstrengbloed – ongeacht of de navelstrengbloedbank publiek of particulier is – verder moet worden ontwikkeld, zodat de opgeslagen eenheden navelstrengbloed kunnen worden geregistreerd in het wereldwijde bestand van beenmergdonoren (BMDW) en ter beschikking kunnen worden gesteld van elke compatibele patiënt die ze nodig heeft;

27.  wijst erop dat de moeder vrijwillig, na te zijn geïnformeerd en schriftelijk moet instemmen met de donatie en dat deze instemming op elk aan de donatie voorafgaand moment zonder verdere formaliteiten kan worden ingetrokken;

28.  verzoekt de lidstaten het publiek door middel van voorlichtingscampagnes beter bewust te maken van het bestaan van openbare navelstrengbloedbanken, bijvoorbeeld in het kader van prenatale sessies, een en ander conform de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

29.  is van mening dat mannen en vrouwen moeten worden geïnformeerd over alle bestaande opties met betrekking tot navelstrengbloeddonaties bij de geboorte, bijvoorbeeld middels openbare of particuliere opslag, donatie voor autologe of heterologe doeleinden of voor onderzoek; is van mening dat er uitgebreide, objectieve en correcte informatie moet worden verstrekt over de voor- en nadelen van navelstrengbloedbanken;

30.  roept de lidstaten ertoe op tegelijkertijd te zorgen voor een betere bescherming van het recht van ouders op geïnformeerde toestemming en keuzevrijheid wat betreft praktijken voor de opslag van stamcellen uit navelstrengbloed;

31.  pleit ervoor dat de lidstaten zich beraden over de invoering en handhaving van operationele en ethische normen voor publieke en particuliere navelstrengbloedbanken die onder andere de eerbiediging van het beginsel van niet-commercialisering van het menselijk lichaam en bestanddelen daarvan, alsmede de traceerbaarheid waarborgen;

32.  verlangt dat de lidstaten ten minste één openbare stamcellenbank oprichten;

33.  dringt erop aan dat het uit 2004 daterende advies van de Europese Groep ethiek van de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën betreffende „De ethische aspecten van navelstrengbloedbanken” (advies nr. 19) wordt geactualiseerd in het licht van de ontwikkelingen met betrekking tot het bewaren van stamcellen uit navelstrengbloed en de lopende klinische proeven met het gebruik van stamcellen uit navelstrengbloed;

34.  verzoekt de lidstaten een territoriaal netwerk van erkende kraamklinieken op te zetten om zulke afnames uit te voeren ten einde de voorziening met navelstrengbloed in alle bevolkingscentra te waarborgen;

35.  dringt erop aan dat de nationale autoriteiten alle opslagbanken die de operationele normen van de EU voor de verzameling en opslag van navelstrengbloed naleven, raadplegen bij de bepaling en uitvoering van de nationale voorlichtingscampagnestrategieën ten behoeve van ouders;

36.  dringt voorts aan op de ontwikkeling van Europese normen en voorschriften voor particuliere stamcelbanken;

37.  merkt op dat in sommige lidstaten al modellen en -mogelijkheden voor samenwerking tussen publieke en particuliere opslagbanken bestaan en spoort de publieke en particuliere navelstrengbloedbanken ertoe aan nauw samen te werken ten einde de beschikbaarheid en uitwisseling van navelstrengbloed- en weefselmonsters op nationaal, Europees en internationaal niveau te vergroten; roept de lidstaten ertoe op zowel publieke als particuliere opslagbanken adequaat te reguleren teneinde optimale transparantie en veiligheid met betrekking tot navelstrengbloed te garanderen, en onderstreept dat de opslagbanken moeten zorgen voor open en solide werkmethoden voor de uitwisseling van informatie, zodat de patiënt daarvan maximaal kan profiteren;

38.  wijst op de ontwikkeling van niet-intrusieve methoden om stamcellen in te zamelen via afname van stamcellen uit perifeer bloed;

39.  is van mening dat de lidstaten zich moeten beraden over de mogelijkheden om het aantal donoren van stamcellen uit beenmerg of perifeer bloed te vergroten en zo hun beenmergdonorenbestand uit te breiden, zodat er in samenwerking met de nationale databanken van andere landen via het BMDW voor kan worden gezorgd dat patiënten die een stamceltransplantatie nodig hebben optimale kansen krijgen om een compatibele donor te vinden;

40.  roept de lidstaten ertoe op programma's te ontwikkelen die mensen uit etnische minderheden aanmoedigen weefsels en cellen te doneren aan publieke banken om de tekorten aan goede donormatches in deze groep op te vangen;

41.  onderstreept dat het tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort om onderzoek met menselijke embryonale stamcellen en in-vitrofertilisatie al dan niet toe te staan, te verbieden of te reguleren, maar dat de lidstaten in dit verband de in Richtlijn 2004/23/EG vastgelegde regels, waaronder regels inzake kwaliteit en veiligheid en betreffende het beginsel van onbetaalde donatie, moeten naleven; wijst erop dat de Europese Unie op dit terrein beperkte bevoegdheid heeft en bij het toepassen van deze bevoegdheid de beginselen van het EU-Handvest van de grondrechten en de principes die worden toegepast in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient na te leven;

42.  roept de Commissie ertoe op zo snel mogelijk een herziening van Richtlijn 2004/23/EG voor te stellen, teneinde deze af te stemmen op de beginselen voor orgaandonatie zoals vastgelegd in Richtlijn 2010/45/EU, en rekening te houden met de nieuwe juridische situatie na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, met de wetenschappelijke ontwikkelingen, de praktische ervaring van actoren in de sector en de aanbevelingen van dit verslag;

43.  roept de Commissie er tevens toe op een herziening van Verordening (EG) nr. 1394/2007 voor te stellen om er bepalingen in op te nemen die de toepassing van het beginsel van onbetaalde donatie waarborgen, zoals bedoeld in Richtlijn 2010/45/EU, en rekening te houden met de problemen die zich hebben voorgedaan bij de toepassing van de verordening, met name voor mkb-bedrijven;

o
o   o

44.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 207 van 6.8.2010, blz. 14.
(2) PB C 161E van 31.5.2011, blz. 65.
(3) PB L 324 van 10.12.2007, blz. 121.
(4) PB L 102 van 7.4.2004, blz. 48.
(5) PB L 38 van 9.2.2006, blz. 40.
(6) PB C 320E van 15.12.2005, blz. 251.


De rol van vrouwen in de groene economie
PDF 155kWORD 72k
Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over de rol van vrouwen in de groene economie (2012/2035(INI))
P7_TA(2012)0321A7-0235/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 juni 2011 getiteld „Rio+20: naar een groene economie en betere governance” (COM(2011)0363),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2011 getiteld „Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050” (COM(2011)0112),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 11 februari 2011 getiteld „Vooruitgang op het gebied van de gelijkheid van vrouwen en mannen - Jaarverslag 2010” (SEC(2011)0193),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 met als titel „Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015” (COM(2010)0491),

–  gezien de in september 1995 in Peking gehouden vierde Wereldvrouwenconferentie, de verklaring van Peking en het in Peking onderschreven actieprogramma (Platform for Action), alsmede de daaropvolgende slotdocumenten betreffende verdere acties en initiatieven voor de uitvoering van de verklaring van Peking en het actieprogramma die tijdens de speciale VN-vergaderingen Peking +5, Peking +10 en Peking +15 respectievelijk op 9 juni 2000,11 maart 2005 en 2 maart 2010 werden aangenomen,

–  gezien het VN-Verdrag van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien het verslag van het Europees Instituut voor gendergelijkheid met als titel „Review of the Implementation in the EU of area K of the Beijing Platform for Action: Women and the Environment Gender Equality and Climate Change” („Evaluatie van de uitvoering in de EU van gebied K van het actieprogramma van Peking: vrouwen en het milieu. Gendergelijkheid en klimaatverandering.”),

–  gezien de gezamenlijke publicatie van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), de Conferentie van de Verenigde Naties inzake handel en ontwikkeling (UNCTAD) en het Bureau van de Hoge Vertegenwoordiger van de Verenigde Naties voor de Minst Ontwikkelde Landen (UN-OHRLLS) van het rapport „Why a Green Economy Matters for the Least Developed Countries”(1), opgesteld voor de vierde Conferentie van de Verenigde Naties over de minst ontwikkelde landen (LDV-IV) in mei 2011,

–  gezien het UNEP-rapport van september 2008 getiteld „Green Jobs: Towards Decent Work in a Sustainable, Low-Carbon World”(2),

–  gezien het UN Women-rapport van 1 november 2011 met als titel „The Centrality of Gender Equality and the Empowerment of Women for Sustainable Development”(3), dat werd opgesteld ter voorbereiding van het slotdocument van de Conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling (Rio+20), die in 2012 zal worden gehouden,

–  gezien de samenvattende standpuntenverklaring (Position Statement Summary) van de Women's Major Group Rio+20 van 1 november 2011(4),

–  gezien het standpuntendocument van de Women's Major Group van maart 2011 ter voorbereiding van de Conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling in 2012 met als titel „A Gender Perspective on the ”Green Economy„(5),

–  gezien de publicatie van het officiële regeringsrapport (Stockholm, Zweden) van 2005 met als titel „Bilen, Biffen, Bostaden: Hållbara laster – smartare konsumtion”(6),

–  gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over handel en klimaatverandering(7),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2012 over vrouwen in politieke besluitvorming – kwaliteit en gelijkheid(8),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2012 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2011(9),

–  gezien zijn resolutie van 29 september 2011 over de ontwikkeling van een gemeenschappelijk EU-standpunt voorafgaande aan de Conferentie van de Verenigde naties over duurzame ontwikkeling (Rio+20)(10),

–  gezien zijn resolutie van 7 september 2010 over de ontwikkeling van het werkgelegenheidspotentieel van een nieuwe duurzame economie(11),

–  gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over de genderaspecten van de economische neergang en de financiële crisis(12),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0235/2012),

A.  overwegende dat een groene economie wordt gedefinieerd als een duurzame economie, hetgeen sociale en ecologische duurzaamheid betekent; overwegende dat sociale duurzaamheid een maatschappelijke orde omvat die doordrongen is van gendergelijkheid en sociale rechtvaardigheid ongeacht geslacht, etniciteit, huidskleur, godsdienst, seksuele geaardheid, handicap of politieke overtuiging;

B.  overwegende dat klimaatveranderingen en het verlies van biodiversiteit de levensomstandigheden, welvaart en het welbevinden van vrouwen en mannen bedreigen; overwegende dat de bescherming van ons ecosysteem daarom een pijler is van een groene economie; overwegende dat de huidige generatie de verantwoordelijkheid om de hedendaagse milieuproblemen op te lossen niet kan overlaten aan volgende generaties; overwegende dat ecologische duurzaamheid onder meer het gebruik, het behoud en de verbetering van hulpbronnen van de gemeenschap behelst zodat ecologische processen waarvan het leven afhankelijk is, behouden blijven en de algehele levenskwaliteit nu en in de toekomst kan worden verbeterd;

C.  overwegende dat vrouwen vanwege rollenpatronen het milieu op een andere manier beïnvloeden dan mannen, en dat de toegang van vrouwen tot hulpbronnen en hun mogelijkheden om met de omstandigheden om te gaan en zich aan te passen in veel landen ingeperkt worden als gevolg van structurele normen en discriminatie;

D.  overwegende dat milieubeleid rechtstreeks van invloed is op de gezondheid en de sociaaleconomische positie van personen, en overwegende dat genderongelijkheid, in combinatie met een gebrek aan besef van de andere sociaaleconomische positie en behoeften van vrouwen, tot gevolg heeft dat vrouwen verhoudingsgewijs vaak meer last hebben van de aantasting van het milieu en inadequaat beleid op dit gebied;

E.  overwegende dat in sommige lidstaten de rol van de vrouw in de groene economie ondergewaardeerd blijft en wordt genegeerd, hetgeen leidt tot meerdere vormen van discriminatie in de zin van gemiste voordelen zoals sociale bescherming, zorgverzekering, passende salariëring en pensioenrechten;

F.  overwegende dat het de meest behoeftige mensen zijn, van wie naar schatting 70% vrouw is, die het hardst worden getroffen door de klimaatverandering en de verstoring van het ecosysteem;

G.  overwegende dat de overgang naar een groene en duurzame economie noodzakelijk is om de effecten op het milieu te verminderen, sociale rechtvaardigheid te vergroten en een samenleving te creëren waarin vrouwen en mannen gelijke rechten en kansen hebben;

H.  overwegende dat de overgang naar een groene economie voor vrouwen vaak gepaard gaat met specifieke moeilijkheden die verband houden met de integratie van vrouwen op de groene arbeidsmarkt, aangezien zij vaak geen passende technische opleiding hebben die noodzakelijk is om specialistische functies in de groene economie te kunnen vervullen;

I.  overwegende dat vrouwen duidelijk ondervertegenwoordigd zijn in milieuonderhandelingen en begrotingsdebatten, evenals bij de besluitvorming met betrekking tot de totstandbrenging van een groene economie;

J.  overwegende dat consumptie- en levenspatronen een substantieel effect op het milieu en het klimaat hebben; overwegende dat de consumptiepatronen van de rijke landen in de wereld, bijvoorbeeld op het gebied van levensmiddelen en vervoer, op termijn niet-duurzaam zijn, in het bijzonder gezien het feit dat alle vrouwen en mannen op aarde recht hebben op een goed leven met een fatsoenlijk welvaartsniveau;

K.  overwegende dat er over het algemeen verschillen bestaan tussen de consumptiepatronen van vrouwen en mannen; overwegende dat vrouwen minder consumeren in vergelijking met mannen, ongeacht de sociaaleconomische status, maar ook in grotere mate bereid lijken te zijn om het milieu te beschermen door middel van consumptiekeuzen zoals minder vlees eten, minder autorijden en energie-efficiënter gedrag;

L.  overwegende dat vrouwen, als gevolg van de huidige op gender gebaseerde machtsstructuur, niet dezelfde macht over en toegang tot vervoerssystemen hebben als mannen; overwegende dat het, om de vervoersmogelijkheden van vrouwen te verbeteren, noodzakelijk is om efficiëntere openbaarvervoersmiddelen, meer wandel- en fietspaden en kortere afstanden naar dienstverlening te creëren, en om de kennis en innovatie met betrekking tot milieuvriendelijke vervoersmiddelen te ontwikkelen en te verbeteren;

M.  overwegende dat vrouwen bijzonder kwetsbaar zijn voor de gevolgen van milieurisico's en klimaatverandering vanwege hun slechtere sociaaleconomische positie ten opzichte van mannen, hun traditioneel onevenredig grote aandeel in de huishoudelijke verantwoordelijkheden en het gevaar dat zij lopen om te worden blootgesteld aan geweld in conflictsituaties, die ontstaan of worden versterkt door de schaarste van natuurlijke hulpbronnen;

N.  overwegende dat vrouwen ten volle moeten deelnemen aan de formulering van beleid, de besluitvorming en de tenuitvoerlegging van een groene economie; overwegende dat de participatie van vrouwen heeft geleid tot een betere reactie op noodsituaties, een betere biodiversiteit, een grotere voedselveiligheid, minder woestijnvorming en een betere bescherming van bossen;

O.  overwegende dat er een gebrek is aan uitgebreide en vergelijkbare gegevens over het effect van een groene economie op de arbeidsmarkt;

Algemene beschouwingen

1.  benadrukt de noodzaak om de samenleving om te vormen tot een groene economie waarin milieubewustzijn hand in hand gaat met sociale duurzaamheid, dat wil zeggen een grotere mate van zowel gelijkheid als sociale rechtvaardigheid;

2.  wijst erop dat specifieke en belangrijke onderdelen van de groene economie gevolgen hebben voor het ecosysteem, de consumptie, voedsel, groei, vervoer, energie en de welzijnssector;

3.  betreurt dat de mededeling van de Commissie aan de instellingen van de EU getiteld „Rio+ 20: naar een groene economie en betere governance” geen genderperspectief bevat;

4.  roept de Commissie en de lidstaten op om leeftijds- en op basis van gender uitgesplitste gegevens te verzamelen wanneer programma's en begrotingsprojecten op het gebied van milieu en klimaat worden gepland, uitgevoerd en geëvalueerd, aangezien er zonder statistieken slechts beperkte mogelijkheden zijn om relevante maatregelen ter verbetering van de gelijkheid door te voeren;

5.  betreurt dat genderkwesties en -perspectieven niet goed worden geïntegreerd in het beleid en de programma's voor duurzame ontwikkeling; brengt in herinnering dat het ontbreken van genderperspectieven in het milieubeleid de genderongelijkheid doet toenemen en roept de Commissie en de lidstaten op om mechanismen in te stellen voor gendermainstreaming in het milieubeleid op internationaal, nationaal en regionaal niveau;

6.  dringt er bij de Commissie op aan om onderzoek te initiëren naar gender en de groene economie, alsmede naar de bijdrage van vrouwen aan de ontwikkeling van groene innovaties, diensten en producten;

7.  roept de Commissie en de lidstaten op om specifieke onderzoeken en studies te ondersteunen en te bevorderen met betrekking tot de vraag hoe de overgang naar een groene economie vrouwen en mannen in verschillende sectoren zal beïnvloeden, en met betrekking tot de essentiële rol van de vrouw bij de totstandbrenging van deze overgang; verzoekt de Commissie en de lidstaten om een genderperspectief op te nemen in milieubeschermings- en milieueffectbeoordelingen;

8.  erkent dat er dringend behoefte bestaat aan een internationale overeenkomst inzake een gemeenschappelijke definitie van de groene economie, gebaseerd op de pijlers van zowel maatschappelijke als ecologische duurzaamheid; benadrukt de belangrijke rol die is weggelegd voor het maatschappelijk middenveld - met name sociale bewegingen, milieuorganisaties en vrouwenrechtenorganisaties - bij de definiëring van het oogmerk en de doelstellingen van de groene economie;

9.  roept de Commissie op om systematisch een perspectief van gendergelijkheid op te nemen in de definiëring en de tenuitvoerlegging van en het toezicht op milieubeleid op alle niveaus, met inbegrip van lokale en regionale ontwikkeling, alsook in onderzoeksactiviteiten; dringt er bij de Commissie op aan de bevordering van gendermainstreaming te gebruiken en te ondersteunen als instrument voor goed bestuur;

10.  dringt er bij de Commissie op aan om gendergelijkheid als een belangrijke kwestie te bevorderen bij de ontwikkeling van en de onderhandelingen over toekomstige regelgeving en programma's voor de Europese structuurfondsen (Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling), en bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid, in het bijzonder in het kader van maatregelen die verband houden met de overgang naar een groene economie;

11.  merkt op dat hernieuwbare energiebronnen kunnen worden gebruikt in afgelegen en geïsoleerde gebieden waar geen elektriciteit voor handen is, en dat zij bijdragen aan het produceren van niet vervuilende energie; moedigt de lidstaten derhalve aan faciliteiten te ontwikkelen om hernieuwbare en milieuvriendelijke energie te benutten met behulp van het EFRO en het ESF;dringt bovendien aan op meer innovatie en op een grotere deelname van vrouwen en mannen aan de ontwikkeling van, bijvoorbeeld, hernieuwbare en milieuvriendelijke energie en architectuur;

12.  verzoekt de Commissie om via haar voorlichtingscampagnes het bewustzijn te vergroten omtrent het belang van de overgang naar een groene economie en de positieve effecten van gendergevoelig milieubeleid;

Duurzame consumptie

13.  roept de Commissie en de lidstaten op om doelstellingen inzake gendergelijkheid op te nemen in alle aan het milieu gerelateerde beleidsterreinen en op alle niveaus van de economische besluitvorming, waarbij deze doelstellingen moeten worden gedefinieerd in overleg met het maatschappelijk middenveld;

14.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om een nieuwe, maatschappelijke en klimaatvriendelijke indicator voor groei toe te passen, waarin niet-economische aspecten met betrekking tot welzijn worden opgenomen en waarin het accent voornamelijk ligt op kwesties die verband houden met duurzame ontwikkeling, zoals gendergelijkheid, armoedebestrijding en een lagere uitstoot van broeikasgassen;

15.  wijst erop dat maatregelen om te beantwoorden aan de legitieme eisen van mensen op het gebied van huisvesting, voedsel, voorzieningen, energie en banen, altijd op dusdanige wijze moeten worden uitgevoerd dat ecosystemen behouden blijven en de klimaatverandering beperkt blijft, terwijl de hulpbronnen van de aarde moeten worden gebruikt op een manier die in overeenstemming is met mensenrechten en die resulteert in grotere gelijkheid en in een verdeling die is gebaseerd op de beginselen van gelijkheid op het gebied van milieu;

16.  benadrukt dat goede levensomstandigheden voor kinderen en kleinkinderen moeten worden gewaarborgd en dat economische ontwikkeling moet beantwoorden aan de huidige behoeften zonder dat toekomstige generaties worden benadeeld;

17.  onderstreept dat het bbp een meeteenheid voor productie is en niet voor ecologische duurzaamheid, het efficiënt gebruik van hulpbronnen, sociale integratie of sociale ontwikkeling in het algemeen; dringt aan op de ontwikkeling van duidelijke en meetbare indicatoren die rekening houden met klimaatverandering, biodiversiteit, hulpbronnenefficiëntie en sociale rechtvaardigheid;

18.  roept de lidstaten op om fiscale maatregelen te treffen die de weg vrijmaken voor een groene economie, deels door een prijs te zetten op milieueffecten en deels door middelen te investeren ter stimulering van groene innovaties en duurzame infrastructuursystemen;

19.  is van mening dat publieke middelen van de EU in veel grotere mate moeten worden gebruikt voor duurzame collectieve doeleinden;

20.  dringt aan op de invoering van voorwaarden zodat EU-subsidies alleen worden toegekend voor activiteiten die bevorderlijk zijn voor het milieu en de sociale duurzaamheid;

Duurzaam vervoer

21.  roept de Commissie en de lidstaten op om duurzame vervoerssystemen tot stand te brengen die in gelijke mate rekening houden met de vervoersbehoeften van vrouwen en mannen en die tegelijkertijd een gering effect op het milieu hebben;

22.  verzoekt de Commissie haar onderzoeksfinanciering, een onontbeerlijk stimuleringsinstrument, hoofdzakelijk te richten op projecten voor de ontwikkeling van innovatieve en duurzame vervoersoplossingen;

23.  dringt er bij de lidstaten op aan de milieu- en energie-effecten van de vervoerssector te reduceren en de gelijkheid te vergroten door te werken aan verbetering van de toegang tot IT-systemen en aan een vervoersefficiënte planning;

24.  roept de Commissie en de lidstaten op om een vervoershiërarchie in te voeren die duidelijk aangeeft welke vervoerswijzen een hogere prioriteit moeten krijgen om algemene milieu- en vervoersdoelstellingen te kunnen verwezenlijken;

25.  dringt erop aan om vóór er een vervoershiërarchie wordt uitgewerkt statistische gegevens te verzamelen, teneinde het milieueffect van publieke en particuliere vervoersmiddelen te meten in de reeks van verschillende lokale contexten, en verzoekt de betrokken overheden hierbij het goede voorbeeld te geven;

26.  verzoekt de lidstaten om het effect van het vervoersgebruik door de overheidinstanties te laten opnemen in de controles van de overheidsfinanciën die worden uitgevoerd door de respectieve controleautoriteiten;

27.  verzoekt de lidstaten het werken op afstand te bevorderen door middel van sociale en fiscale prikkels en door te voorzien in een beschermend juridisch kader voor werknemers;

28.  dringt er bij de lidstaten op aan om het lokale openbaar vervoer aanzienlijk te versterken door de kwantiteit en de kwaliteit van vervoersdiensten te vergroten, de veiligheid, het comfort en de fysieke toegankelijkheid van vervoersmiddelen en -faciliteiten te verbeteren, en door te voorzien in geïntegreerde en aanvullenden vervoerssystemen, ook in kleine steden en plattelandsgebieden, zodat aldus het vermogen van vrouwen, gehandicapten en ouderen om te reizen wordt versterkt, hetgeen leidt tot betere sociale integratie en een verbetering van hun levensomstandigheden;

29.  benadrukt dat bij investeringen in duurzame vervoerssystemen in aanmerking moet worden genomen dat vrouwen en mannen een andere perceptie van openbare ruimten hebben die is gebaseerd op verschillende risicobeoordelingen, hetgeen betekent dat veilige omgevingen binnen het vervoerssysteem prioriteit moeten krijgen voor zowel vrouwen als mannen;

De welzijnssector en groene banen

30.  merkt op dat groene banen op het gebied van bijvoorbeeld landbouw, energie, vervoer, openbare voorzieningen, onderzoek, technologie, IT, de bouw en afval van groot belang zijn binnen de groene economie;

31.  dringt er bij de lidstaten op aan het ondernemerschap van vrouwen in de groene economie te bevorderen en de toegang van vrouwen tot de groene economie te vereenvoudigen, door informatie te verstrekken en cursussen te geven, en door maatregelen in het leven te roepen die vrouwen helpen een evenwicht te bewerkstelligen tussen hun werk en privéleven; verzoekt de lidstaten om het ondernemerschap van vrouwen te bevorderen op het gebied van milieubescherming en in de ontwikkeling van milieuvriendelijke technologieën, bijvoorbeeld op het terrein van hernieuwbare energie, landbouw en toerisme, alsook in de ontwikkeling van groene innovaties, met name binnen de dienstensector; merkt op dat hernieuwbare energie nieuwe arbeidsmogelijkheden kan creëren voor vrouwelijke ondernemers op terreinen waar de werkloosheid van vrouwen bijzonder hoog is;

32.  verzoekt de lidstaten om gepaste arbeidsomstandigheden voor vrouwen te waarborgen en ervoor te zorgen dat vrouwen toegang hebben tot gezondheidszorg, onderwijs en huisvesting van een behoorlijk niveau, en dat zij een belangrijke stem hebben in maatschappelijke dialogen ter vereenvoudiging van de overgang naar nieuwe groene banen;

33.  merkt op dat een duurzame economie „groen voor iedereen” moet zijn, waarbij behoorlijk werk en duurzame gemeenschappen worden gecreëerd en rijkdom eerlijker kan worden verdeeld;

34.  merkt op dat niet alleen groene banen, maar alle banen met een gering milieueffect belangrijk zijn in een groene economie; wijst erop dat deze banen te vinden zijn in de particuliere sector, maar ook binnen de welzijnssector, bijvoorbeeld op scholen en in de zorg;

35.  roept de lidstaten op om de gelijke vertegenwoordiging van vrouwen te waarborgen in politieke besluitvormingsinstanties, alsook in door de overheid aangewezen instanties en instellingen die zijn belast met de definiëring, planning en tenuitvoerlegging van beleid op het gebied van milieu, energie en groene banen, zodat het genderperspectief hierin wordt opgenomen; verzoekt de lidstaten meer vrouwen te benoemen op leidinggevende posities en in besturen van ondernemingen binnen de sector van groene banen; benadrukt dat er, wanneer dit niet op vrijwillige basis kan worden verwezenlijkt, gerichte maatregelen moeten worden genomen, zoals de instelling van quota's of andere methoden, ten einde de gelijkheid en de democratie te versterken;

36.  wijst erop dat de ecologische hervorming van de economie en de overgang naar een koolstofarme economie tot een grote vraag naar geschoolde werknemers zullen leiden; herinnert eraan dat vrouwelijke werknemers sterk ondervertegenwoordigd zijn in de sector van hernieuwbare energie, en met name in de wetenschappelijk- en technologie-intensieve banen; benadrukt in dit verband dat het met name belangrijk is dat de lidstaten actieplannen ontwikkelen om meer vrouwen aan te sporen opleidingen en carrières te kiezen op gebieden zoals techniek, natuurwetenschappen, IT en andere technologisch geavanceerde terreinen, aangezien veel groene banen hier in de toekomst op zullen zijn gericht;

37.  roept de lidstaten op methoden toe te passen en te ontwikkelen om vrouwen aan te moedigen opleidingen en carrières te kiezen binnen de milieu-, vervoers- en energiesector, en om tegelijkertijd standvastig het stereotype te bestrijden dat een loopbaan in de natuurwetenschappen of toegepaste wetenschappen in de eerste plaats voor mannen is weggelegd;

38.  wijst erop dat het noodzakelijk is om de toegang van vrouwen tot microkrediet voor kleine ondernemingen te ondersteunen en aan te moedigen;

39.  roept de lidstaten op methoden toe te passen en te ontwikkelen om mannen aan te moedigen opleidingen en carrières met geringe gevolgen voor het milieu te kiezen in de welvaartssector;

40.  verzoekt de lidstaten om opleidingen te ontwikkelen, met behulp van EU-programma's zoals het EFRO en het ESF, gericht op het vereenvoudigen van de toegang van vrouwen tot nieuwe groene banen en tot opkomende technologieën met een gering effect op het milieu, zowel in de particuliere als de publieke sector; dringt er bij de lidstaten op aan te waarborgen dat vrouwelijke werknemers in grotere mate worden opgenomen in opleidingsprojecten en -programma's inzake ecologische omvorming, dat wil zeggen in de sector van hernieuwbare energie en in wetenschaps- en technologie-intensieve banen, en er hierbij met name voor te zorgen dat vrouwen, door middel van onderwijs en opleiding, de competenties en kwalificaties krijgen die zij nodig hebben om op gelijke voet met mannen te kunnen concurreren op het gebied van werkgelegenheid en individuele carrièreontwikkeling; merkt op dat mannen eenvoudiger toegang hebben tot de geavanceerde technologieën voor landbouwproductie en de bedrijfstechnologieën die vereist zijn om hoog gekwalificeerde functies te krijgen binnen de groene economie;

41.  merkt op dat voor de participatie van vrouwen in de groene economie onder dezelfde voorwaarden als mannen meer kinderopvang- en ouderenzorgcentra nodig zijn, dat zowel vrouwen als mannen de mogelijkheid moeten hebben om gezins- en beroepsleven op elkaar af te stemmen en dat de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen moeten worden gewaarborgd; wijst er voorts op dat er in het beleid en de regelgeving in principe naar moet worden gestreefd ondersteuning te bieden voor sociale zekerheid, gezinsplanning en kinderopvang, aangezien vrouwen hun deskundigheid alleen kunnen inbrengen en alleen een gelijkwaardige bijdrage kunnen leveren aan bloeiende groene economieën in een maatschappij die aan deze vereisten voldoet;

42.  wijst erop dat de vergroening van de economie inmiddels wordt beschouwd als een middel om economische ontwikkeling te stimuleren, met name tegen de achtergrond van de economische crisis en de EU 2020-strategie; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om inspanningen ter „vergroening” van de economie te ondersteunen door investeringen en programma's aan te moedigen waarmee groene innovaties en banen worden bevorderd en die zijn gericht op degenen die deze het hardst nodig hebben; benadrukt nogmaals dat een genderperspectief cruciaal is om groter wordende ongelijkheden te vermijden;

43.  roept de Commissie en de lidstaten op om naar geslacht uitgesplitste gegevens te verzamelen en te analyseren met betrekking tot de verdeling van financiële middelen in correlatie met sectoren waarin sprake is van een genderverdeling en groene innovaties, en om indicatoren te ontwikkelen om de potentiële uitgesplitste effecten van een groene economie op territoriale en sociale cohesie te meten; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om een strategische koers en een reeks instrumenten te ontwikkelen waarmee effectief kan worden ingespeeld op de mogelijke veranderingen in de werkgelegenheidsniveaus en de structuur van de arbeidsmarkt;

Duurzaam beleid binnen internationale betrekkingen

44.  verwacht dat de overgang naar bredere en duurzamere economische indicatoren, onder meer op het gebied van ontwikkelingsbeleid, zal leiden tot een grotere nadruk op sociale en milieudoelstellingen voor ontwikkelingslanden, terwijl met specifiek beleid en specifieke regelgeving de eigendomsrechten voor vrouwen en hun beheersing van natuurlijke hulpbronnen worden veiliggesteld; benadrukt dat het nodig is om de toegang van vrouwen tot dergelijke diensten te bevorderen, alsook tot nieuwe technologieën die nodig zijn voor het beheer en de exploitatie van energie en water, commerciële ondernemingen en landbouwproductie; onderstreept dat het noodzakelijk is om vrouwen in grotere mate te betrekken bij bedrijfs- en organisatorisch leiderschap;

45.  roept de Commissie op om de meervoudige effecten van aantasting van het milieu op ongelijkheid, met name tussen vrouwen en mannen, volledig te erkennen en in dit verband maatregelen te treffen, en de bevordering van gelijke rechten voor vrouwen te waarborgen bij het opstellen van nieuwe beleidsvoorstellen op het gebied van klimaatverandering en duurzaamheid van het milieu;

46.  roept de Commissie en de lidstaten op om indicatoren te ontwikkelen waarmee de genderspecifieke consequenties van projecten en programma's kunnen worden beoordeeld, en om een gender- en gelijkheidsperspectief te bevorderen binnen milieustrategieën voor de verwezenlijking van een groene economie;

47.  verzoekt de Commissie in het bijzonder in aanmerking te nemen dat de toegang tot schoon water van groot belang is voor meisjes en vrouwen in grote delen van de wereld, aangezien het vaak hun verantwoordelijkheid is om water te halen en naar huis te vervoeren; benadrukt dat het tevens belangrijk is om de kennis die de inheemse vrouwelijke bevolking heeft van lokale ecosystemen te behouden;

48.  roept de Commissie op om in het bijzonder aandacht te besteden aan het feit dat in veel ontwikkelingslanden de mogelijkheden voor vrouwen om een loopbaan na te streven in de groene economie nog zeer beperkt zijn als gevolg van sociale omstandigheden en patriarchale patronen, en dat vrouwen er niet in slagen toegang te krijgen tot de informatie, opleidingen en technologieën die nodig zijn om tot die sector toe te kunnen treden;

49.  roept de Commissie op om met name rekening te houden met het feit dat miljarden mensen volledig afhankelijk zijn van biomassa als energiebron en dat kinderen en vrouwen aan gezondheidsproblemen lijden, omdat zij biomassa verzamelen, verwerken en gebruiken; benadrukt dat er derhalve investeringen nodig zijn in hernieuwbare en efficiëntere energiebronnen;

50.  dringt aan op diepgaande effectanalyses, vanuit klimaat-, gender- en duurzaamheidsoogpunt, met betrekking tot de gevolgen van multilaterale en bilaterale handelsovereenkomsten tussen de EU en derde landen, en roept de Commissie op om uitdrukkelijk steun te verlenen voor maatregelen in verband met de beperking van de klimaatverandering als onderdeel van alle hulp-voor-handel, alsmede van alle andere relevante ontwikkelingshulp;

51.  verzoekt de Commissie om programma's uit te werken voor de overdracht van moderne technologieën en expertise teneinde ontwikkelingslanden en -regio's in staat te stellen zich aan de klimaatverandering aan te passen;

52.  benadrukt dat bij het opstellen van strategieën ter bestrijding van klimaatverandering rekening moet worden gehouden met de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen in de toegang tot middelen, zoals microleningen, krediet, informatie en technologie;

o
o   o

53.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) http://unctad.org/en/Docs/unep_unctad_un-ohrlls_en.pdf.
(2) http://www.unep.org/labour_environment/features/greenjobs-report.asp.
(3) http://www.unwomen.org/wp-content/uploads/2011/11/Rio+20-UN-Women-Contribution-to-the-Outcome-Document.pdf.
(4) http://www.womenrio20.org/Women's_MG_Rio+20_Summary.pdf.
(5) http://www.wecf.eu/download/2011/March/greeneconomyMARCH6docx.pdf.
(6) http://www.regeringen.se/content/1/c6/04/59/80/4edc363a.pdf.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0145.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0070.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0069.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0430.
(11) PB C 308E van 20.10.2011, blz. 6.
(12) PB C 236E van 12.8.2011, blz. 79.


Arbeidsomstandigheden van vrouwen in de dienstensector
PDF 157kWORD 74k
Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over de arbeidsomstandigheden van vrouwen in de dienstensector (2012/2046(INI))
P7_TA(2012)0322A7-0246/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8, 153, lid 1, punt i), en 157, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 18 april 2012 getiteld „Naar een banenrijk herstel” (COM(2012)0173) en het bijbehorende document over de benutting van het werkgelegenheidspotentieel van de persoonlijke en huishoudelijke dienstverlening (SWD(2012)0095),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 6 oktober 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie (COM(2011)0609),

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020), dat in maart 2011 door de Europese Raad werd aangenomen(1),

–   gezien het verslag van de Commissie van 2011 over de vooruitgang op het vlak van gelijkheid tussen vrouwen en mannen in 2010 (SEC(2011)0193),

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 21 september 2010 getiteld „Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen – 2010-2015” (COM(2010)0491),

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende „de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten – Deel II van de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020” (COM(2010)0193),

–  gezien de conclusies van de Raad van 8 juni 2009 over „flexizekerheid in tijden van crisis”,

–  gezien Richtlijn 2006/123/EG van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt(2),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking)(3),

–  gezien Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten(4),

–  gezien het verslag van 2008 van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden, getiteld „Werken in Europa: verschillen tussen vrouwen en mannen”,

–  gezien het verslag van 2007 van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden, getiteld „Arbeidsomstandigheden in Europa: het genderperspectief”,

–  gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 18 december 1979,

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2012 over „gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2011”(5),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over armoede bij vrouwen in de Europese Unie(6),

–  gezien zijn resolutie van 19 oktober 2010 over vrouwen in onzeker dienstverband(7),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0246/2012),

A.  overwegende dat veel landen een proces hebben doorgemaakt waarbij de economische activiteiten verschoven zijn naar de tertiaire sector, waardoor de dienstensector voor de meeste werkgelegenheid zorgt en het sterkst bijdraagt tot het bbp van het land, waardoor deze nu goed is voor meer dan 70% van de economische activiteit in de Europese Unie, en voor eenzelfde (en nog verder oplopend) percentage van de totale werkgelegenheid, en verder overwegende dat de werkgelegenheid in de dienstensector in de EU in 2010 gemiddeld goed was voor 70% van de totale werkgelegenheid, terwijl de werkgelegenheid in de industrie goed was voor 25,4% en de werkgelegenheid in de landbouw voor 5,2%;

B.  overwegende dat tegenwoordig negen van de tien nieuwe arbeidsplaatsen tot stand komen in de dienstensector en dat uit onderzoek blijkt dat er met een verdere verbetering van de interne markt voor diensten een groot werkgelegenheidspotentieel ontsloten zou kunnen worden - banen die de EU in deze tijden van crisis broodnodig heeft;

C.  overwegende dat de werkgelegenheid onder vrouwen 62,1% bedraagt en die onder mannen 75,1%, en dat het primaire doel van de Europa 2020-strategie van 75% werkgelegenheid tegen 2020 om die reden uitsluitend haalbaar is als meer vrouwen toegang krijgen tot de arbeidsmarkt;

D.  overwegende dat het grootste deel van de vrouwelijke actieve bevolking in de dienstensector werkt, en verder overwegende dat dit aandeel in de EU in 2010 bij vrouwen gemiddeld 83,1% bedroeg, en bij mannen 58,1%;

E.  overwegende dat vrouwen onevenredig vertegenwoordigd zijn op de markt van flexibele banen en deeltijdwerk vanwege de op geslacht gebaseerde stereotypes die het beeld creëren dat het de belangrijkste taak van vrouwen is om in te staan voor het welzijn van hun gezin en dat zij bijgevolg beter geschikt zijn dan mannen voor tijdelijk werk, onregelmatig werk of deeltijds werk, of voor thuiswerk; overwegende dat flexibele arbeidstijdregelingen, waaronder telewerk en deeltijds- of „home-office”-werk nog altijd voornamelijk gezien worden als een „vrouwelijke” manier van het inrichten van de arbeidstijd;

F.  overwegende dat de dienstensector talloze mogelijkheden biedt voor flexibele arbeidsovereenkomsten - overeenkomsten voor variabele werktijden, deeltijdwerk en korte arbeidsbetrekkingen - die zowel mannelijke als vrouwelijke zorgverleners kunnen helpen omdat zij op basis daarvan de keuzemogelijkheid hebben werk en zorg te combineren; overwegende dat vrouwen eerder in flexibele en deeltijdse banen gaan werken om hun verplichtingen op het werk en in het gezin te kunnen combineren, ook wanneer er qua beloning een verschil in uurtarief bestaat tussen deeltijdse en voltijdse werkers; en overwegende dat vrouwen hun loopbaan vaker onderbreken en minder uren werken dan mannen, wat de ontwikkeling van hun carrière en de vooruitzichten op verbetering van hun maatschappelijke positie kan beïnvloeden, en dus eveneens tot uitdrukking komt in een lagere beloning tijdens hun loopbaan;

G.  overwegende dat onzeker werk een permanent kenmerk van de arbeidsmarkt van de EU is en overwegende dat het vaker vrouwen zijn die onzekere banen hebben, te maken hebben met salarisdiscriminatie en veel vaker in deeltijd werken, waardoor zij een lager salaris en minder bescherming van sociale voorzieningen genieten, meer hindernissen ondervinden in hun carrière en minder mogelijkheden hebben om economisch onafhankelijk te zijn, waardoor de kans groter is dat zij terugkeren naar het gezin, waardoor de rolverdeling en de opvattingen daarover een stap achteruit gaan; overwegende dat vrouwen procentueel oververtegenwoordigd zijn in de groep zwartwerkers, die vooral in huishoudelijk werk en de zorgverlening actief zijn;

H.  overwegende dat op alle opleidingsniveaus een groter percentage mannen een baan heeft dan vrouwen, ook wanneer vrouwen net zo of misschien zelfs beter gekwalificeerd zijn dan mannen, en dat omdat hun vaardigheden minder hoof worden ingeschat en hun carrièremogelijkheden geringer zijn;

I.  overwegende dat vrouwen ongeveer 60% van de universitairen vertegenwoordigen, maar dat zij ondervertegenwoordigd zijn in de hogere bestuurlijke en leidinggevende functies in de dienstensector;

J.  overwegende dat vrouwen oververtegenwoordigd zijn in de lagere niveaus van de dienstensector wat betreft kwalificaties, loon, vergoedingen en status, en dat werkonzekerheid en lagere beloning bij vrouwen bijgevolg veel vaker voorkomt dan bij mannen;

K.  overwegende dat de bijdrage van vrouwen in het arbeidspotentieel over het algemeen door werkgevers wordt onderschat omdat vrouwen hun loopbaan vaker onderbreken om kinderen te krijgen en op te voeden;

L.  overwegende dat het geven van betere kansen aan vrouwen in het beroepsleven moet worden gezien als iets waardevols en een investering in de bredere samenleving, vooral gezien de huidige demografische veranderingen en uitdagingen in Europa;

M.  overwegende dat vrouwen er minder makkelijk in slagen werk en gezin te combineren, aangezien de verantwoordelijkheden van het gezinsleven niet altijd gelijkelijk worden verdeeld en de zorg van zorgbehoevende gezinsleden voornamelijk een taak van de vrouw is, en overwegende dat het tot stand brengen van een evenwicht tussen werk en gezin zal bijdragen tot het vrijmaken van een aanzienlijk werkgelegenheidspotentieel voor vrouwen en tot een situatie waarin er een groter evenwicht zal zijn tussen vrouwen die beschikbaar zijn voor banen in de dienstensector en vrouwen die beschikbaar zijn voor banen in andere beroepssectoren, waarmee een impuls wordt gegeven aan economische groei, werkgelegenheid en innovatie; overwegende dat in dit verband overheidsregelingen voor de opvang van kinderen en zorgafhankelijke personen een belangrijke factor vormen die vrouwen en mannen meer mogelijkheden geeft om werk en zorgtaken te combineren;

N.  overwegende dat traditionele genderrollen en stereotypen nog altijd van grote invloed zijn op de rolverdeling tussen vrouwen en mannen thuis, op het werk en in de samenleving in het algemeen, en bijdragen aan het handhaven van de status quo van overerfde obstakels voor het verwezenlijken van gendergelijkheid en aan het beperken van de werkgelegenheidskeuze en de mogelijkheden op persoonlijke ontwikkeling in de dienstensector, waardoor vrouwen hun volledige potentieel als individuen en economische actoren niet kunnen ontplooien;

O.  overwegende dat huiselijk, economisch, seksueel en partnergeweld tegen vrouwen een schending van de mensenrechten vormt die alle sociale, culturele en economische lagen van de maatschappij treft;

P.  overwegende dat de economische onafhankelijkheid van vrouwen een absolute voorwaarde is om zeggenschap te krijgen over hun persoonlijke en professionele levensloop en echte keuzes te kunnen maken;

Q.  overwegende dat er nog steeds ongelijkheden bestaan tussen mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot en het gebruik van nieuwe technologieën en het internet, wat vaak leidt tot een groot verschil in vaardigheden en zelfs tot „digitaal analfabetisme”, een fenomeen dat algemeen bekendstaat als de „digitale genderkloof”;

R.  overwegende dat juist de dienstensector een van de sectoren is waar het verschil in beloning tussen mannen en vrouwen voor hetzelfde of gelijkwaardig werk het grootst is;

1.  wijst erop dat er een sterke horizontale segregatie of verdeling van het werk op basis van geslacht bestaat in de dienstensector: bijna de helft van alle vrouwen met een baan hebben werk in tien van de 130 beroepen in de „International Standard Classification of Occupations” van de IAO: verkopers en vertegenwoordigers in winkels, huishoudelijk personeel en aan huishoudelijke beroepen gerelateerd personeel, schoonmakers, wasserijbedienden, verzorgend personeel en vergelijkbare werknemers, kantoorbedienden, administratieve medewerkers, huishoudelijk en horecapersoneel, secretariaatsmedewerkers en toetsenbordwerkers, leidinggevende functies, vakspecialisten in financiële en handelstransacties en verpleegkundigen en assistent-verloskundigen;

2.  verzoekt de Commissie deze verdeling op basis van geslacht te bestrijden door middel van reclamecampagnes voor deze beroepen;

3.  benadrukt dat de beroepssegregatie moet worden teruggedrongen om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten, die vaak groter is voor vrouwen die een typisch vrouwenberoep hebben dan voor vrouwen die dezelfde kwalificaties hebben maar in andere sectoren werken;

4.  wijst er eveneens op dat we kunnen vaststellen dat veel vrouwen in de overheidssector werken: 25% van de vrouwelijke actieve bevolking werkt in deze sector tegen slechts 17% van de mannelijke actieve bevolking; benadrukt dat vrouwen in deze sector kwetsbaarder zijn voor het verliezen van hun baan vanwege bezuinigingen; wijst er verder op dat zowel in de publieke als particuliere sector acties nodig zijn om meer vrouwen op de arbeidsmarkt te krijgen als we de arbeidsparticipatiedoelstellingen van 75 procent voor vrouwen en mannen uit de gemeenschappelijke EU 2020-strategie voor groei en werkgelegenheid willen halen; merkt op dat er in een groot aantal lidstaten aanzienlijk meer vrouwelijke dan mannelijke artsen zijn;

5.  dringt er bij de lidstaten op aan erop toe te zien dat de overheidssector, die wordt gekenmerkt door transparante en heldere aanwervingscriteria en bevorderingsstelsels, het goede voorbeeld geeft wat betreft de gelijke toegang tot banen en met name tot leidinggevende functies; onderstreept daarom dat er transparante regels moeten worden ingevoerd voor de selectie en werving van werknemers in de particuliere sector;

6.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om concrete maatregelen te treffen ten behoeve van een verdere verdieping van de dienstenmarkt om zo het grote banenpotentieel ervan tot ontwikkeling te brengen;

7.  wijst erop dat het belangrijk is om door middel van actieve beleidsmaatregelen te strijden tegen stereotypes en discriminatie op basis van geslacht in de dienstensector, waarbij de opvatting heerst dat er mannelijke en vrouwelijke beroepen zijn, en dat die laatste verband houden met het werk dat vrouwen thuis uitvoeren en als het verlengde van dat werk gezien worden (kleermakerij, onderwijs, verpleegkunde, schoonmaakdiensten, enz.); vindt dat beroeps- en arbeidsadvisering op school een prominentere plaats moet krijgen, teneinde gendergelijkheid bij jongeren meer onder de aandacht te brengen en stereotypen effectiever aan te pakken, en om vrouwen een zetje te geven in de richting van kwalificaties en beroepen waar zij op dit moment ondervertegenwoordigd zijn; wijst erop dat aanzienlijk minder mannen dan vrouwen het onderwijs ingaan en benadrukt dat er in dit vak meer mannen nodig zijn;

8.  wijst erop dat de meeste vrouwen die in de dienstensector werken een baan vinden in de sociale sector, de zorgsector en de telecommunicatiesector, die gekenmerkt worden door het feit dat ze een lager kwalificatieniveau vereisen, een geringe sociale status verlenen en beantwoorden aan de rol die traditioneel in de samenleving aan vrouwen wordt toegeschreven, terwijl de meer statusverhogende en beter betaalde sectoren, de financiële en bancaire sector, gedomineerd worden door mannen;

9.  wijst erop dat zorgregelingen en –diensten voor ouderen, zorgafhankelijken en kinderen, zoals zwangerschapsverlof, vaderschapsverlof en ouderschapsverlof, absoluut essentieel zijn om gendergelijkheid tot stand te brengen; wijst er in dit verband op dat vrouwen en mannen moeten kunnen kiezen voor een betaalde baan, en voor kinderen en een gezin, zonder dat hun de mogelijkheid wordt ontnomen om volledig gebruik te maken van hun recht op werk en gelijke kansen;

10.  vestigt de aandacht op het feit dat deeltijds werk (19,2% van de totale werkgelegenheid in de EU in 2010) een hoofdzakelijk vrouwelijke aangelegenheid blijft: wijst erop dat in 2010 werkte 31,9% van de vrouwelijke actieve bevolking in de EU deeltijds, ten opzichte van slechts 8,7% van de mannelijke bevolking, wat betekent dat 78% van het deeltijds werk wordt uitgevoerd door vrouwen; wijst erop dat in de EU als geheel 19% van de vrouwen en 7% van de mannen „korte” deeltijduren werken (minder dan 20 uur per week), en dat slechts 3% van de mannen tussen 35 en 49 hetzelfde doen, terwijl dat voor vrouwen is dezelfde leeftijdsgroep 18% is; wijst tevens op het feit dat het meeste deeltijdwerk in specifieke sectoren gevonden kan worden, met meer dan 38% deeltijdwerkers, zowel „kort” als „substantieel” (d.w.z. tussen de 20 en 34 uur per week) werkzaam in het onderwijs, de medische en sociale dienstverlening, overige vormen van dienstverlening of het winkelwezen en de groothandel;

11.  vestigt de aandacht op het feit dat het concept flexibele werkuren steeds meer gemeengoed wordt: weekendwerk, onregelmatige en onvoorspelbare werkuren en langere werkdagen, en dat, aangezien vooral werknemers die deeltijds werken, waarvan de meerderheid vrouwen zijn, flexibele werkuren hebben, meer vrouwen dan mannen te kampen hebben met werkuren die verschillen van week tot week, wat het voor vrouwen, met name alleenstaande moeders en vrouwen die voor gezinsleden zorg dragen, nog moeilijker maakt om werk en gezin te combineren; benadrukt dat arbeidscontracten stabiel moeten zijn, met vastgestelde werkuren, en dat er op verzoek van de vrouw, en om werk en gezins- en privéleven beter te kunnen combineren over het dienstrooster onderhandeld kan worden; onderstreept dat werk met flexibele werkuren een keuze van de werknemer moet zijn en niet mag worden geëist of opgelegd door de werkgever; wijst flexibele en onzekere contractvormen, die een regelmatig en stabiel gezinsleven in de weg staan, af;

12.  herinnert eraan dat flexibele arbeidsregelingen een typisch kenmerk van veel banen in deze sector zijn; onderstreept dat, enerzijds, meer flexibiliteit in arbeidsregelingen - op voorwaarde dat er sprake is van vrijwilligheid en dat het is toegesneden op de reële behoeften van werknemers, en dat werknemers er controle over uitoefenen en dat het voor hen duidelijk is wat hun werkuren en deeltijdregelingen zijn - vrouwen meer kansen bieden actief in de dienstensector te participeren en bijdraagt tot het kunnen combineren van werk, gezin en privéleven, maar dat, anderzijds, flexibiliteit een negatieve invloed kan hebben op de lonen en pensioenen van vrouwen, en negatieve gevolgen voor vrouwen met een baan in het algemeen, zoals het ontbreken van officiële contracten, sociale zekerheid en werkzekerheid; wijst erop dat het hierdoor ook kan gebeuren dat werkgevers niet voor adequate gezondheids- en veiligheidsomstandigheden op het werk zorgen;

13.  benadrukt het belang van „thuiswerken”, dat steeds populairder wordt; wijst erop dat meer dan 90% van alle bedrijven in Duitsland en Zweden hun werkweek op nieuwe manieren indelen, waarbij werknemers niet meer worden beoordeeld op het aantal gemaakte uren per week maar op het aantal gemaakte uren per jaar, en echtparen de mogelijkheid wordt geboden een baan te delen;

14.  onderstreept dat het belangrijk is te zorgen voor waardige arbeidsomstandigheden, in combinatie met rechten ten aanzien van bijvoorbeeld beloning, gezondheids- en veiligheidsnormen, toegankelijkheid, loopbaanvooruitzichten, nascholing, duurzame sociale zekerheid en levenslang leren;

15.  merkt op dat het percentage van de vrouwelijke actieve bevolking met een contract van beperkte duur in 2010 in de EU met 14,5% iets hoger lag dan dat van de mannelijke actieve bevolking met een dergelijk contract, namelijk 13%;

16.  herinnert er nogmaals aan dat vrouwen in de Europese Unie gemiddeld 16,4% minder verdienen dan mannen; geeft aan dat vrouwen niet hetzelfde loon ontvangen wanneer zij hetzelfde werk of gelijkwaardig werk doen; geeft aan dat zij in andere gevallen niet hetzelfde werk doen ten gevolg van de voortdurende verticale en horizontale arbeidssegregatie en de grotere incidentie van deeltijdwerk; dringt er derhalve bij de lidstaten, werkgevers en vakverenigingen op aan om bruikbare en concrete jobevaluatie-instrumenten te ontwikkelen en toe te passen die mee kunnen bepalen wat gelijkwaardig werk is en zodoende gelijk loon voor vrouwen en mannen kunnen helpen te verzekeren, en verzoekt ondernemingen met klem jaarlijks een „gelijkebeloningsaudit” uit te voeren en de uitkomsten te publiceren met het oog op een zo groot mogelijke transparantie en om de salariskloof te dichten; merkt op dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen vaak leidt tot een pensioenkloof, wat ertoe kan leiden dat vrouwen onder de armoedegrens terechtkomen;

17.  wijst daarom op het belang van toepassing van het beginsel van gelijk loon voor vrouwen en mannen op dezelfde werkplek, zoals vastgelegd in artikel 157 van het Verdrag van Lissabon; herinnert aan zijn resolutie van 24 mei 2012 betreffende gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(8), en herhaalt de oproep daarin tot herziening, ten laatste op 15 februari 2013, van Richtlijn 2006/54/EG;

18.  stelt met bezorgdheid vast dat de overgrote meerderheid van de lage lonen en bijna alle zeer lage lonen voor deeltijdwerk worden betaald en dat ongeveer 80% van degenen die een laag loon ontvangen vrouwen zijn; wijst op de noodzaak van concrete maatregelen voor het bestrijden van onzeker werk in de dienstensector, waar met name vrouwen meet te maken hebben, en roept de Commissie en de lidstaten in dit verband strategieën voor het bestrijden van dit verschijnsel te ontwikkelen;

19.  stelt dat het een vrij vaak voorkomende, maar daarom niet minder discriminatoire praktijk is om hetzelfde of gelijkwaardig werk voor mannen en vrouwen in een andere functiecategorie onder te brengen bijvoorbeeld voor schoonmaakdiensten, waar mannen in dienst zijn als onderhoudstechnicus en vrouwen als schoonmaakster, wat gebruikt wordt als legitimering van lagere lonen voor het werk dat vrouwen uitvoeren;

20.  merkt op dat een hoger opleidingsniveau voor vrouwen zelden gepaard gaat met een hogere positie in de hiërarchie of met betere arbeidsvoorwaarden, waardoor er in feite sprake is van een overkwalificatie van de vrouwelijke bevolking;

21.  wijst erop dat door de toenemende tendens om vrouwen deeltijds aan te stellen en de voorkeur van werkgevers om te investeren in werknemers met een vast dienstverband, de toegang van vrouwen tot het brede aanbod van kwalificatieverhogende bijscholingscursussen aanzienlijk wordt beperkt, hetgeen hun kansen op professionele groei vermindert;

22.  acht de toegang van alle werknemers in de dienstensector, met aandacht voor de werknemers die tot de meest kwetsbare groepen behoren, tot permanente bijscholingsprogramma's en levenslang leren van groot belang, omdat deze hen helpen hun toekomstige kansen op de arbeidsmarkt te vergroten en de kloof tussen hun vaardigheden en hun werkinvulling te dichten;

23.  wijst op de lage deelname van vrouwen in de dienstensector aan beroepsopleidingen in het kader van levenslang leren, en roept de lidstaten op daartegen actie te ondernemen;

24.  benadrukt de noodzaak tot bijscholing van oudere werknemers en ouders die na een periode van afwezigheid wegens zorg voor kinderen of afhankelijke familieleden herintreden op de arbeidsmarkt;

25.  wijst erop dat in 2010 slechts een op zeven leden van bestuursraden van grote Europese bedrijven een vrouw was (13,7%) en dat slechts 3,4% van de bestuursraden van de grootste bedrijven werd voorgezeten door een vrouw;

26.  benadrukt hoe belangrijk het is om meer vrouwen in de onderzoekssector aan het werk te helpen, en dat vrouwen een doorslaggevende rol kunnen spelen in de ontwikkeling van nieuwe, innovatieve systemen, producten en diensten in de dienstensector, in het bijzonder omdat, vrouwen weliswaar goed zijn voor 80% van de besluiten betreffende aankopen in de wereld, de meeste producten, waaronder 90% van technische producten, door mannen worden ontworpen; is van mening dat een grotere deelname van vrouwen aan innovatieprocessen nieuwe markten zou ontsluiten en het concurrentievermogen van bedrijven zou verbeteren; is tevens van mening dat innovatieve diensten een voorwaarde zijn om het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen van de toekomst, met name de stijgende vraag naar welzijnszorg wanneer de bevolking steeds ouder wordt, en dat innovatieve diensten door het aanbieden van goede verbindingen en commerciële dienstverlening betere mogelijkheden kunnen bieden aan mensen in de hele Unie om in de stad en op het platteland te wonen en werken;

27.  onderstreept dat, aangezien veel vrouwen blijven kiezen voor opleiding in de dienstensector en dus hun commerciële kennis en ervaring vergroten, er voldoende ruimte en groot potentieel is voor vrouwelijk ondernemerschap; is van mening dat in de productiesector gelijkwaardige voorwaarden met die in de dienstensector moeten gelden om de inspanningen voor meer ondernemerschap bij vrouwen effect te laten sorteren; is in dit opzicht ingenomen met het voorstel microfinanciering uit te breiden als specifieke component in het programma voor sociale verandering en innovatie en wijst op het grote belang van microfinanciering als instrument ter ondersteuning van vrouwelijke ondernemers en mensen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie in de dienstensector; is ingenomen met de Mededeling van de Commissie over een „initiatief voor sociaal ondernemerschap” (COM(2011)0682), omdat met name vrouwen werkzaamheden gaan verrichten in de sector van de sociale ondernemingen;

28.  merkt op dat vrouwen in leidinggevende functies in de dienstensector gewoonlijk actief zijn in sectoren als de detailhandeldistributie en hotels, hoewel ook minder traditionele sectoren, zoals de verzekeringssector of de bankensector, in opmars zijn, en dat vrouwen in de meerderheid van de gevallen een leidinggevende functie bekleden in kleine ondernemingen of ondernemingen zonder werknemers; merkt tevens op dat vrouwen in grote ondernemingen vaak enkel een hoge leidinggevende functie bekleden in minder belangrijke afdelingen van de onderneming, zoals human resources of administratie; spoort bedrijven aan op vaste basis trainingen te geven aan jonge medewerkers en effectieve moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsregelingen in te voeren;

29.  pleit ervoor dat er een eind wordt gemaakt aan het glazen plafond bij de overheid dat vrouwen belet topfuncties te bekleden; is van oordeel dat de overheidssector dient op dit punt een voorbeeldfunctie te vervullen;

30.  onderstreept dat het gewicht van vrouwen die actief zijn in de informele economie in de dienstensector groter is dan van mannen, mede doordat de sectoren waarin vrouwen traditioneel het vaakst actief zijn, zoals huishoudelijk werk of zorg, minder onderworpen zijn aan regelgeving; wijst er anderzijds op dat de informele economie ten gevolge van de crisis is toegenomen, hoewel de omvang ervan moeilijk vastgesteld kan worden omdat er geen betrouwbare gegevens bestaan over het voorkomen en het gewicht ervan;

31.  is ingenomen met het werkdocument van de jaarlijkse groeianalyse getiteld „De benutting van het werkgelegenheidspotentieel van de persoonlijke en huishoudelijke dienstverlening” en roept de lidstaten, de sociale partners en andere belanghebbenden op actief in te gaan op de uitnodiging van de Commissie om over dit onderwerp in debat te gaan;

32.  verzoekt de lidstaten beleid te ontwikkelen om werknemers in onzekere vormen van dienstverband in de informele economie de overstap te laten maken naar de normale beroepsbevolking, bijvoorbeeld door belastingvoordelen en dienstencheques; wenst dat er een programma wordt ontwikkeld om werknemers in de dienstensector voor te lichten over hun rechten en deze mensen te stimuleren zich te organiseren; vraagt om initiatieven gericht op werkgevers en het grote publiek om te wijzen op de negatieve effecten en gevolgen van onzeker onregelmatig werk, onder meer met betrekking tot veiligheid en gezondheid op het werk;

33.  verzoekt de Commissie een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de effecten van de liberalisering van de huishoudelijke op de positie en arbeidsomstandigheden van werknemers;

34.  uit zijn bezorgdheid over de situatie van migrantenwerkneemsters en zwartwerkers in de dienstensector, met name werkneemsters die werken in particuliere huishoudens, waarvan de grote meerderheid zonder contract als hulp in de huishouding werkt onder slechte arbeidsomstandigheden en tegen een lager loon dan reguliere werknemers, en zonder sociale rechten; benadrukt in dit verband dat er passend beleid moet worden ontwikkeld om ervoor te zorgen dat migrantenwerknemers aanspraak kunnen maken op fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op medische zorg, op eerlijke arbeidsomstandigheden, op onderwijs en training, op hun morele en fysieke integriteit en op gelijkheid voor de wet; vraagt de lidstaten hun nationale beleid en praktijken nog eens tegen het licht te houden, en in dat verband meer de nadruk te leggen op aanwervingspraktijken, toegang tot informatie en de bescherming van mensenrechten, en te werken aan situaties waarin deze groepen werknemers uitbuiting kunnen melden zonder dat hun verblijfsstatus gevaar loopt;

35.  verzoekt de lidstaten zonder verdere omhaal IAO-Verdrag nr. 189 over huishoudelijk werkers, dat in 2011 is aangenomen door de drieledige organisatie en ten doel heeft fatsoenlijke arbeidsomstandigheden te garanderen voor huishoudelijk werkers, alsmede dezelfde elementaire arbeidsrechten waarop andere werknemers aanspraak kunnen maken en bij te dragen aan de ontwikkeling van een formele (huishoudelijke) dienstensector, te ratificeren;

36.  verzoekt de lidstaten na te denken over een speciale regeling voor de (huishoudelijke) dienstensector om het op grote schaal voorkomende fenomeen zwartwerk - dat vooral vrouwen treft - aan te pakken en daarmee te zorgen voor fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden; verzoekt de lidstaten verslag uit te brengen over hun inspanningen gericht op het bestrijden van zwart werk in hun nationale hervormingsprogramma's in het kader van de Europa 2020-strategie;

37.  roept de lidstaten op beleid te ontwikkelen ter integratie van kwetsbare mensen in de arbeidsmarkt, met name laag opgeleide, werkloze, jongere en oudere mensen, mensen met een handicap, mensen met een geestelijke handicap en minderheden als arbeidsmigranten en Roma, en wel middels doelgerichte en op maat gesneden beroepskeuzeadvisering, scholing en opleiding en programma's voor het leerlingwezen;

38.  wijst erop dat de economische crisis en de zogenaamde soberheidsmaatregelen hebben geleid tot een inperking van de maatregelen ter bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en een bijkomend obstakel vormen voor de toepassing van het beginsel van gendergelijkheid, met name met betrekking tot het verlies van banen, toegang tot nieuwe banen en meer onzekerheid voor vrouwen wat, samen met het feit dat de werkgelegenheid bij mannen zich gewoonlijk sneller herstelt dan bij vrouwen, negatieve gevolgen heeft voor de werkgelegenheid bij vrouwen in de dienstensector en voor hun loopbaan en pensioenen; verzoekt de Commissie gegevens te verzamelen over de impact van bezuinigingsmaatregelen op vrouwen op de arbeidsmarkt, in het bijzonder in de dienstensector; benadrukt dat er meer erkenning moet komen voor de onderlinge afhankelijkheid van sociale en economische problemen, aangezien meer aandacht voor sociale problemen een voorwaarde is voor een effectieve aanpak van op genderstereotypen gebaseerde ongelijkheden;

39.  wijst erop dat uit de in april 2012 gepubliceerde „Fifth European Working Conditions Survey” blijkt dat 18% van alle werknemers aangeeft dat hij/zij een onevenwichtige werk-privélevensituatie heeft; wijst op de noodzaak van adequater beleid op het vlak van de combinatie tussen gezin en werk en eist in het bijzonder dat er meer gratis en kwalitatief goede openbare en sociale instellingen en voorzieningen komen voor ondersteuning van kinderen en andere afhankelijke personen, die afgestemd zijn op een goede combinatie van werk en gezins- en privéleven, zowel op het platteland, als in steden; onderstreept dat het aanbieden van zorgvoorzieningen ook zal bijdragen tot reducering van armoede onder vrouwen aangezien ze hen in staat zullen stellen te werken;

40.  beklemtoont dat een actieve rol en betrokkenheid van mannen bij maatregelen ter bevordering van een goede combinatie van werk en gezin, zoals deeltijds werken, cruciaal is om een evenwicht te vinden tussen het werk en privéleven, aangezien zowel vrouwen als mannen baat kunnen hebben bij gezinsvriendelijk werkgelegenheidsbeleid en bij het eerlijk verdelen van onbetaalde taken en verantwoordelijkheden in het huishouden; verzoekt de Commissie en de lidstaten serieus te werken aan het bestrijden van genderstereotypen en mannen ertoe aan te zetten in gelijke mate te participeren in zorg- en huishoudelijke taken, in het bijzonder door middel van stimulansen voor mannen om ouderschaps- en vaderschapsverlof te nemen, hetgeen hun rechten als ouder zal versterken, voor een grotere mate van gelijkheid tussen vrouwen en mannen zal zorgen en tot een passender verdeling van de gezins- en huishoudelijke taken zal leiden, en vrouwen beter in staat zal stellen volledig aan de arbeidsmarkt deel te nemen; is van oordeel dat de lidstaten correct uitvoering moeten geven aan Richtlijn 2010/18/EU(9) inzake ouderschapsverlof, zowel middels wetgevings-, als educatieve maatregelen in verband met gendergelijkheid;

41.  verzoekt de Commissie en de Raad een actieplan vast te stellen voor de realisatie van de doelstellingen van Barcelona ten aanzien van de beschikbaarheid van kinderopvang, en te komen met een tijdspad voor de progressieve verhoging van de streefniveaus;

42.  wijst op de beperkte mogelijkheden van vrouwen om zich aan te passen aan de eisen van de arbeidsmarkt in de huidige, sterk geglobaliseerde wereld, waarin van werknemers een grote mobiliteit wordt verwacht en een grote bereidheid om te forenzen ten behoeve van een baan buiten hun woonplaats, hetgeen voor vrouwen, die meer betrokken zijn bij de zorg voor kinderen en het huishouden, vaak niet mogelijk is, waardoor ze niet ten volle kunnen profiteren van de kansen die de arbeidsmarkt biedt;

43.  dringt er bij de Raad op aan om de aanname van de wijziging van de moederschapsrichtlijn te deblokkeren door in te stemmen met de flexibiliteit die werd voorgesteld door het Europees Parlement, opdat Europa vooruitgang kan boeken op het vlak van de bescherming van de rechten en de verbetering van de arbeidsomstandigheden voor zwangere of net bevallen werkneemsters; onderstreept in dit verband dat het van groot belang is vaderschap en moederschap krachtdadig te beschermen middels bescherming tegen i) ontslag tijdens en na een zwangerschap, ii) loonverlaging tijdens het zwangerschapsverlof, en iii) demotie en loonverlaging bij de hervatting van het werk; benadrukt dat ook werknemers met een atypisch contract, zoals uitzendkrachten, freelancers en andere tijdelijke werknemers, in zo'n mate gebruik moeten kunnen maken van hun rechten die hun individuele arbeidsprestaties weerspiegelt in de periode tot de zwangerschap en bevalling, en die de grootst mogelijke gelijke behandeling in vergelijking met hun collega's met een vast contract garandeert;

44.  verzoekt de Commissie en de lidstaten, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en in overleg met de sociale partners, strategieën voor het vaststellen van minimumnormen in de dienstensector te ontwikkelen, waaronder reguliere contracten en collectieve onderhandelingen, en te proberen iets te doen aan de negatieve gevolgen van horizontale en verticale segregatie;

45.  benadrukt de noodzaak om alle vormen van geweld tegen vrouwen in de dienstensector, in het bijzonder economisch geweld, psychologische en seksuele intimidatie op het werk, seksueel misbruik en zelfs mensenhandel, te bestrijden;

46.  onderstreept de noodzaak voor de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de arbeidsomstandigheden (de zwaarte en de risico's van het verrichte werk en de werkomgeving) van banen van vrouwen in de dienstensector in overeenstemming zijn met de IAO-verklaring over fundamentele beginselen en rechten op het werk, die in juni 1998 is aangenomen, en met de specifieke fundamentele conventies daarvan;

47.  roept de lidstaten op in actie te komen tegen het misbruik van persoonlijke verzorgingsdiensten, zoals massages en sauna, als dekmantel voor diensten van seksuele aard indien deze worden uitgevoerd onder dwang en controle van netwerken voor mensenhandel;

48.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de bescherming van de sociale rechten en de arbeidsrechten van het grote aantal mobiele werknemers in de dienstensector te waarborgen en elke vorm van uitbuiting en elk risico op sociale uitsluiting te bestrijden, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat informatie over werknemersrechten eenvoudig toegankelijk is; benadrukt dat mobiliteit vrijwillig dient te zijn;

49.  benadrukt de noodzaak om basis- en voortgezet opleiding voor vrouwen te bevorderen dat gericht is op en aansluit bij de doelstelling om de wetenschappelijke en technische capaciteiten te ontwikkelen die nodig zijn om toe te treden tot de arbeidsmarkt en carrière te maken;

50.  merkt op dat hoewel het aantal vrouwen dat regelmatig gebruikmaakt van een computer en van het internet toeneemt, de digitale kloof op het vlak van vaardigheden nog steeds groot is, waardoor vrouwen slechts beperkt toegang hebben tot, en gebruik kunnen maken van, informatie- en communicatietechnologie (ICT), wat hun kansen op het vinden van een gekwalificeerde baan bemoeilijkt en derhalve resulteert in vergroting van de ongelijkheid binnen huishoudens, gemeenschappen, arbeidsmarkten en de economie in het algemeen; dringt daarom aan op inspanningen ter bevordering van het gebruik van nieuwe technologieën door vrouwen door hen de prioriteit te geven bij de toegang tot gratis opleidingscursussen; verzoekt de lidstaten en regio's om gratis opleidingscursussen op het gebied van informatica te ontwikkelen via projecten die door het Europees Sociaal Fonds (ESF) worden gefinancierd, waarmee vrouwen de mogelijkheid wordt geboden zich nieuwe technische vaardigheden eigen te maken op de terreinen technologie en computerwetenschappen, waardoor vrouwen meer kansen krijgen op werk in de dienstensector; verzoekt de regeringen beleid vast te stellen (zoals promotiecampagnes en speciale beursen) om het aantal vrouwelijke studenten dat deelneemt aan ICT-cursussen te vergroten;

51.  pleit voor een sterke sociale dialoog en voor betrokkenheid van werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers bij de vaststelling van de prioriteiten van de EU op het gebied van de dienstensector ten aanzien van de bescherming van de sociale rechten, de arbeidsrechten, werkloosheidsuitkeringen en het vertegenwoordigingsrecht;

52.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen van de lidstaten.

(1) Bijlage bij de conclusies van de Raad van 7 maart 2011.
(2) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36.
(3) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(4) PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0069.
(6) PB C 199E van 7.7.2012, blz. 77.
(7) PB C 70E van 8.3.2012, blz. 1.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0225.
(9) PB L 68 van 18.03.10, blz. 13.


Onderwijs, opleiding en Europa 2020
PDF 144kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over onderwijs, opleiding en Europa 2020 (2012/2045(INI))
P7_TA(2012)0323A7-0247/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name artikel 14 daarvan,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 november 2011, getiteld „Jaarlijkse groeianalyse 2012” (COM(2011)0815),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 december 2011, getiteld „Onderwijs en opleiding in een slim, duurzaam en inclusief Europa” (COM(2011)0902),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 over „Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien de conclusies van de Raad van 11 mei 2010 over de sociale dimensie van onderwijs en opleiding(1),

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding („ET 2020”)(2),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 28 juni 2011, getiteld „Jeugd in beweging – de leermobiliteit van jongeren bevorderen”(3),

–  gezien zijn resolutie van 1 december 2011 over bestrijding van voortijdig schoolverlaten(4),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over voorschools leren in de Europese Unie(5),

–  gezien zijn resolutie van 18 mei 2010 over sleutelcompetenties voor een veranderende wereld: uitvoering van het werkprogramma „Onderwijs en opleiding 2010”(6),

–  gezien zijn resolutie van 18 december 2008 over kennis, creativiteit en innovatie dankzij een leven lang leren – uitvoering van het werkprogramma „Onderwijs en opleiding 2010”(7),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0247/2012),

A.  overwegende dat een leven lang leren, ondanks enige verbetering op het gebied van onderwijs en opleiding, voor de meerderheid van de Europeanen nog steeds geen realiteit is en bepaalde indicatoren eigenlijk zorgwekkend zijn; overwegende dat naast het algemeen onderwijs en beroepsopleidingen het belang van formeel en niet-formeel volwassenenonderwijs moet worden benadrukt;

B.  overwegende dat de strategieën voor een leven lang leren in vele lidstaten nog lang niet goed worden uitgevoerd, ofschoon die strategieën een essentieel onderdeel vormen van de Europa 2020-strategie;

C.  overwegende dat beleid op het gebied van onderwijs en opleiding iedereen mogelijkheden voor een leven lang leren moet bieden, ongeacht leeftijd, handicaps, geslacht, ras of etnische afkomst, geloof of overtuiging, seksuele geaardheid, linguïstische of sociaaleconomische achtergrond;

D.  overwegende dat er voor mensen van verschillende groepen nog steeds sprake is van een beperkt en slecht afgestemd leeraanbod; overwegende dat zowel de autochtone bevolking als mensen die tot een taalkundige of culturele minderheid behoren onderwijs moeten kunnen volgen in hun moedertaal;

E.  overwegende dat economische groei allereerst gebaseerd moet zijn op onderwijs, kennis, innovatie en een passend sociaal beleid, zodat Europa uit de huidige crisis kan komen, en dat het belangrijk is het beleid voor deze domeinen in het kader van de EU 2020-strategie goed en volledig uit te voeren om deze cruciale periode door te komen;

F.  overwegende dat de ontwikkeling van onderwijs- en opleidingsbeleid tot het takenpakket van de overheden van lidstaten behoort en overwegende dat er voldoende overheidsmiddelen moeten worden vrijgemaakt voor deze domeinen om de gelijke toegang tot onderwijs te garanderen, zonder discriminatie op basis van sociale, economische of culturele aspecten, etniciteit of politieke overtuiging;

G.  overwegende dat de bezuinigingsmaatregelen en de daaruit voortvloeiende besnoeiingen op de begrotingen voor onderwijs en opleiding in de hele EU een van de belangrijkste factoren voor cohesie en groei in gevaar brengen en de doelstelling om in Europa een kenniseconomie tot stand te brengen ondermijnen;

H.  overwegende dat de lidstaten moeten blijven samenwerken en beste praktijken moeten blijven uitwisselen teneinde de kwaliteit van hun nationale onderwijs- en opleidingsstelsels te verbeteren;

I.  overwegende dat onvoldoende talenkennis een enorme belemmering blijft voor de mobiliteit ten behoeve van onderwijs en opleiding;

J.  overwegende dat een succesvolle onderwijs- en opleidingsstrategie er ook op moet zijn gericht om lerenden toe te rusten met de nodige vaardigheden en competenties voor de persoonlijke ontwikkeling en een actief burgerschap;

K.  overwegende dat een leven lang leren binnen de huidige demografische context echt een leven lang moet betekenen en dat beter rekening moet worden gehouden met het potentieel van de kennis die ouderen hebben vergaard;

L.  overwegende dat vaardigheden in nieuwe technologieën het gemakkelijker maken om de doelstellingen van een leven lang leren te bereiken;

M.  overwegende dat een leven lang leren een continu leerproces is dat het gehele leven van een persoon moet duren, van kwaliteitsonderwijs in de vroege kinderjaren tot opleidingen na de pensionering;

N.  overwegende dat het verschaffen van kwaliteitsonderwijs en -faciliteiten in de vroege kinderjaren een investering in de toekomst is die zowel het individu als de maatschappij ten goede komt;

O.  overwegende dat voortijdig schoolverlaten ernstige gevolgen heeft voor het individu en voor de sociale en economische ontwikkeling van de EU;

P.  overwegende dat verdere innovatie op het gebied van studiebeurzen voor de periode die aan het hoger onderwijs voorafgaat, in overweging moet worden genomen;

Q.  overwegende dat de toegankelijkheid van onderwijs en opleiding een belangrijke uitdaging is, ook omdat het bijdraagt tot sociale insluiting, cohesie en de bestrijding van armoede;

R.  overwegende dat Europese, nationale, regionale en lokale overheden moeten samenwerken om de uitdagingen waar Europa momenteel voor staat, met succes het hoofd te bieden;

1.  neemt nota van de bovengenoemde mededeling van de Commissie over „Onderwijs en opleiding in een slim, duurzaam en inclusief Europa”;

2.  brengt in herinnering dat de prestaties van de lidstaten op het gebied van participatie van alle leeftijdsgroepen aan onderwijs, opleiding en een leven lang leren vóór de huidige crisis aanzienlijke verschilden en dat het totale gemiddelde van de EU achterliep op de internationale gemiddelden;

3.  wijst erop dat sommige lidstaten, in het licht van de huidige economische situatie, op onderwijs en opleiding hebben bezuinigd, maar is van mening dat die investeringen die de grootste strategische waarde hebben moeten worden gevrijwaard en zelfs worden verhoogd; benadrukt dat volgens het meerjarig financieel kader van de Unie wordt verwacht dat onderwijs en verwante sectors procentueel het sterkst zullen stijgen in de langetermijnbegroting van de EU;

4.  wijst op de noodzaak om in te stemmen met een verhoging van de begroting voor onderwijs en aanverwante sectors onder het meerjarig financieel kader; roept lidstaten op hun nationale strategieën voor een leven lang leren (LLL), dat het best mogelijke middel is dat beschikbaar is om de doelstellingen van het ET 2020 te verwezenlijken, aan te nemen en hieraan voldoende financiële middelen toe te kennen;

5.  onderstreept dat de economische kosten van de gevolgen van onderprestaties op onderwijsgebied, met inbegrip van schoolverlaten en sociale ongelijkheden binnen onderwijs- en opleidingsstelsels, en de weerslag ervan op de ontwikkeling van de lidstaten aanzienlijk hoger zijn dan de kosten van de financiële crisis, en dat de lidstaten reeds elk jaar opnieuw de prijs betalen;

6.  verzoekt de lidstaten om bij het toekennen van financiële middelen voorrang te geven aan onderwijs, opleiding, jeugd, een leven lang leren, onderzoek, innovatie en linguïstische en taalkundige verscheidenheid, omdat op die manier in toekomstige groei en economisch evenwicht wordt geïnvesteerd, en om tegelijkertijd te garanderen dat dergelijke investeringen een toegevoegde waarde met zich meebrengen; herhaalt in dit verband zijn verzoek aan de lidstaten om zich te richten op een totale investering van ten minste 2% van het bnp in het hoger onderwijs, zoals de Commissie in de jaarlijkse groeianalyse heeft aanbevolen als het vereiste minimum voor kenniseconomieën;

7.  herinnert eraan dat de lidstaten de fundamentele doelstellingen van Europa 2020 dienen te verwezenlijken, wat op het gebied van onderwijs de verwezenlijking van investeringen in onderzoek ten belope van 3%, een toename van jongeren met een universitaire opleiding tot 40% en een daling van het schoolverlaten tot minder dan 10% inhoudt, zodat ze in de toekomst kunnen concurreren met de nieuwe wereldmogendheden;

8.  herinnert aan de belangrijke rol van onderzoek in het kader van een ambitieuze strategie voor onderwijs en opleiding; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve om een versterking van hun acties gericht op de verhoging van het aantal jongeren dat voor een onderzoeksloopbaan kiest;

9.  brengt in herinnering dat speciale aandacht moet worden geschonken aan jongeren, gezien het feit dat het werkloosheidspercentage in de EU tot meer dan 20% is gestegen, met pieken in sommige lidstaten of regio's tot boven de 50%, en dat jongeren, met name de minst geschoolde jongeren, hard door de huidige crisis worden getroffen; wijst in het bijzonder op de schadelijke effecten van de bezuinigingsprogramma's op de werkloosheid onder jongeren in bepaalde EU-lidstaten, met name die in het zuiden van Europa, wat bijvoorbeeld leidt tot een aanzienlijke brain drain naar andere landen, waaronder landen buiten de EU; brengt eveneens in herinnering dat een op de zeven van de huidige leerlingen (14,4%) de school verlaat na het genieten van slechts lager secundair onderwijs en later niet aan andere onderwijs of een andere opleiding deelneemt;

10.  wijst op de tweeledige beroepsopleidingsstelsels die in een aantal lidstaten bestaan en die een combinatie van theorie en praktijk bieden en een soepeler overstap naar het beroepsleven mogelijk maken dan puur schoolse opleidingsvormen;

11.  stelt voor dat de lidstaten investeringen in onderwijs en opleiding in mindering brengen bij de berekening van het nationale begrotingstekort voor het begrotingspact, aangezien dergelijke investeringen, in overeenstemming met de EU 2020-doelstellingen, geacht worden stuwende krachten te zijn achter een solide herstel;

12.  verzoekt de EU-instellingen nog meer inspanningen te leveren om op Europees niveau een duidelijker en gerichter jongerenbeleid te ontwikkelen dat is afgestemd op de nieuwe maatschappelijke uitdagingen; in de wetenschap dat de huidige generatie jongeren het gevoel heeft niet hetzelfde welvaartsniveau als de vorige generatie te kunnen bereiken;

13.  verzoekt de lidstaten met name om maatregelen te nemen die zijn gericht op jongeren van wie de kans groot is dat ze hun school niet afmaken of die geen onderwijs of opleiding volgen en geen baan hebben, teneinde hen kwaliteitsonderwijs aan te bieden en hen van opleiding en jeugdgarantieregelingen te voorzien, zodat zij de nodige vaardigheden kunnen verwerven en ervaring kunnen opdoen om de arbeidsmarkt te betreden en om het weer naar school gaan van sommigen van hen te vergemakkelijken; verzoekt tevens om speciale aandacht voor beroepsonderwijs en –opleiding in tertiaire onderwijssystemen, waarbij rekening wordt gehouden met de diversiteit van de nationale onderwijsstelsels; roept de lidstaten op meer inspanningen te leveren om ervoor te zorgen dat jongeren echte werkervaring kunnen opdoen en de arbeidsmarkt snel kunnen betreden; onderstreept dat stages relevant moeten zijn voor de studie en dat deze deel moeten uitmaken van het onderwijsprogramma;

14.  wijst erop dat de inzetbaarheid van jongeren met name in tijden van crisis onder druk komt te staan; benadrukt het belang van het controleren van de snelheid waarmee net afgestudeerden, nadat zij hun studie hebben afgerond, een baan vinden die aansluit bij hun opleiding en kennis en van het op basis van die informatie maken van een beoordeling van de kwaliteit van de onderwijs- en opleidingsstelsels en van de behoefte aan en mogelijkheid van een aanpassing van deze stelsels;

15.  verzoekt de Commissie en de lidstaten consequent aan de invoering, toepassing en verdere ontwikkeling van het Europees systeem voor overdracht van leerresultaten voor beroepsonderwijs en -opleiding, de Europass en het Europees kwalificatiekader te werken;

16.  benadrukt dat jongeren een sleutelrol moeten vervullen bij het bereiken van de Europese doelstellingen voor 2020 op het gebied van werk, onderzoek en innovatie, klimaat en energie, onderwijs en de strijd tegen armoede;

17.  wijst op het belang van informeel en niet-formeel onderwijs voor het ontwikkelen van waarden, talent en vaardigheden, met name voor jongeren, en voor actief burgerschap en democratische participatie; verzoekt de Commissie om in het kader van de nieuwe onderwijs- en jeugdprogramma's en de programma's rond burgerschap steun, met inbegrip van financiële steun, te verlenen aan informeel en niet-formeel onderwijs;

18.  roept de universiteiten op de toegang tot het onderwijs te verruimen en de onderwijsprogramma's af te stemmen op de nieuwe uitdagingen, zonder daarbij hun academische opdracht, het overbrengen van kennis, uit het oog te verliezen, teneinde de vaardigheden van de Europese bevolking te verbeteren, in de wetenschap dat demografische verandering in Europa een onbetwistbare realiteit is; wijst in dit verband op het belang van de bevordering en erkenning van niet-formeel onderwijs en informeel leren;

19.  pleit voor dialoog tussen particuliere belanghebbenden, met name het mkb, plaatselijke en regionale autoriteiten, belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld en universiteiten en hogeronderwijsinstellingen, om ervoor te zorgen dat studenten kennis en vaardigheden kunnen opdoen die hun toetreding tot de arbeidsmarkt ten goede komen; herinnert werkgevers eraan dat het belangrijk is om jongeren vertrouwd te maken met het werk, aangezien dit de aanpassing van jongeren aan het beroepsleven bevordert;

20.  herinnert eraan dat creativiteit een essentieel onderdeel is van de nieuwe kenniseconomie; onderstreept dat de creatieve sector een aanzienlijke en toenemende bijdrage levert aan de economie en goed is voor 4,5% van het bbp van de Europese Unie en 8,5 miljoen banen;

21.  is van mening dat de synergie tussen arbeidsaanbod en de absorptiecapaciteit van de arbeidsmarkt van wezenlijk belang is;

22.  benadrukt dat de openbare diensten voor arbeidsvoorziening een essentiële rol vervullen in het beleid omtrent het begeleiden en adviseren van werkzoekenden, met name het helpen zoeken naar werk of een opleiding; benadrukt dat een steeds groter wordend aantal werkzoekenden een adequate opleiding moeten kunnen genieten om zo hun terugkeer op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken en verzoekt de lidstaten bijgevolg hiervoor de nodige middelen uit te trekken;

23.  onderstreept dat het van doorslaggevend belang is dat personen met een handicap gemakkelijker toegang krijgen tot een leven lang leren, niet alleen door gerichte programma's te ontwikkelen en uit te voeren, maar ook via „disability mainstreaming” in alle programma's voor het grote publiek; wijst erop dat er in dit verband bijzondere aandacht moet worden besteed aan de relatie tussen gehandicapt zijn en een leven lang leren, teneinde maatschappelijke uitsluiting te voorkomen en de positie van gehandicapten op de arbeidsmarkt werkelijk te verbeteren, aangezien uit de relevante onderzoeken hieromtrent is gebleken dat het onderwijsniveau van mensen met een handicap lager ligt dan het gemiddelde en dat hun deelname aan dergelijke programma's zeer beperkt is;

24.  herinnert eraan dat werkgevers een cruciale verantwoordelijkheid hebben bij de totstandbrenging van een leven lang leren voor iedereen, waarbij met name de nadruk wordt gelegd op gendergelijkheid; spoort werkgevers aan om werknemers gedurende hun volledige carrière doorlopend bij te scholen en op te leiden, door meer aandacht te besteden aan het recht op leren, de toegankelijkheid ervan voor alle werknemers te waarborgen en waardering te tonen voor de resultaten van bijscholing gedurende de carrière van werknemers, en aldus verdere specialisatie mogelijk te maken en mogelijkheden te scheppen om vooruit te komen op beroepsgebied;

25.  roept op tot maatregelen om een Europees systeem op te zetten voor de certificering en erkenning van kwalificaties en van formeel en informeel onderwijs, met inbegrip van vrijwilligerswerk, teneinde het cruciale verband tussen niet-formeel leren en formeel onderwijs te versterken, en zowel de nationale als de grensoverschrijdende onderwijs- en arbeidsmarktmobiliteit te verbeteren;

26.  merkt op dat tussen de landen een grote mate van heterogeniteit in de onderwijs- en opleidingsstelsels bestaat en stelt voor om overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel samen met het voortgangsverslag een gids over elke lidstaat te publiceren waarin aanbevelingen ter verbetering van de bestaande beleidslijnen en ontwikkeling van de nationale onderwijsstelsels zijn opgenomen;

27.  dringt erop aan de externe dimensie van het beleid van de Unie door middel van een intensievere beleidsdialoog en door middel van samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding tussen de Unie en haar internationale partners en buurlanden te verruimen om a) de toenemende onderlinge afhankelijkheid op economisch, maatschappelijk en politiek gebied beter te weerspiegelen, b) bij te dragen tot de uitvoering van de externe dimensie van Europa 2020 en c) de stabiliteit, welvaart en verbetering van de arbeidsvooruitzichten voor de inwoners van haar partnerlanden te ondersteunen, terwijl betere instrumenten worden ontwikkeld om de migratie van geschoolde werknemers naar Europa te beheren en te vergemakkelijken, waardoor het tekort aan vaardigheden dat het gevolg is van de demografische ontwikkelingen in Europa wordt opgevangen;

28.  herinnert eraan dat de nationale stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding als spelers op de internationale onderwijsmarkt in verbinding moeten staan met de rest van de wereld om modern en concurrerend te blijven en dat zij beter in staat moeten zijn lerenden uit andere Europese landen of derde landen aan te trekken door onderwijs en opleiding aan te bieden en de erkenning van hun kwalificaties te vergemakkelijken; benadrukt dat deze kwesties door demografische veranderingen en internationale migratiestromen in belang toenemen;

29.  onderstreept dat, hoewel momenteel een Europese onderwijs- en opleidingsruimte tot ontwikkeling komt, de doelstelling om de belemmeringen voor mobiliteit uit weg te nemen nog niet is behaald en dat de mobiliteit van lerenden in het kader van beroepsonderwijs en -opleiding beperkt blijft; benadrukt dat de aanzienlijke toename van de transnationale mobiliteit van deze lerenden en van onderwijzers alsook de erkenning van de kennis, kwalificaties en vaardigheden die zij in het buitenland hebben verworven, in de toekomst belangrijke uitdagingen zullen vormen en dat ook doelgerichte informatie en adviezen nodig zijn om buitenlandse lerenden warm te maken voor onze stelsels van beroepsonderwijs en -opleiding;

30.  betreurt dat er in de mededeling van de Commissie over „Onderwijs en opleiding in een slim, duurzaam en inclusief Europa” niet afdoende aandacht wordt besteed aan onderwijs aan jongere kinderen, met name aan de taaldimensie daarvan, ofschoon dit een fundamenteel doel is van de Europa 2020-strategie; is van mening dat deze onderwijsfase als de meest cruciale moet worden beschouwd voor toekomstige onderwijsresultaten en de persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling van het individu; is van mening dat kinderen hun voordeel zullen doen met vroegtijdig onderwijs dat is gericht op de verbetering van motorische en sociale vaardigheden en de bevordering van een evenwichtige emotionele ontwikkeling, en dat tegelijkertijd de leergierigheid stimuleert;

31.  verzoekt de Commissie om de lidstaten ertoe aan te zetten en te helpen om maatregelen te treffen om kinderen al op zeer jonge leeftijd te begeleiden bij een echt leertraject;

32.  is er sterk van overtuigd dat investeringen in onderwijs en opvang voor jonge kinderen (OOJK), dat is afgestemd op de passende gevoelige periode en het ontwikkelingspeil van de betrokken doelgroep, meer opleveren dan investeringen in welke andere onderwijsfase dan ook; wijst erop dat er bewijzen zijn dat investeren in de eerste onderwijsjaren de latere kosten drukt; is er tevens van overtuigd dat het succes van onderwijs op alle niveaus afhankelijk is van goed opgeleide leerkrachten en op hun continue voortdurende beroepsopleiding en dat op grond daarvan toereikende investeringen in lerarenopleidingen nodig zijn;

33.  wijst op de behoefte aan professionele kinderopvang in het kader van de socialisatie van kinderen, met name kinderen uit gezinnen met sociale problemen;

34.  onderstreept de noodzakelijkheid dat een ieder van jongs af aan uitstekende taalvaardigheden verwerft, niet alleen in de officiële talen van de EU, maar ook in de regionale en minderheidstalen, aangezien dit een vergrote mobiliteit van mensen mogelijk maakt, hun toegang tot de arbeidsmarkt vergemakkelijkt en studiemogelijkheden significant vergroot, terwijl het dient ter bevordering van interculturele uitwisselingen en een grotere Europese cohesie;

35.  benadrukt dat het noodzakelijk is om de mobiliteit met het oog op het leren van een talen te bevorderen, teneinde de doelstelling te bereiken dat alle burgers van de Europese Unie ten minste twee talen naast hun moeder taal kennen;

36.  wijst op de noodzaak dat kinderen reeds voordat ze naar school gaan, beginnen met taalverwerving en is verheugd over initiatieven die leerlingen de mogelijkheid bieden om ervoor te kiezen op school hun moedertaal zowel schriftelijk als mondeling te leren en zo extra vaardigheden te verwerven;

37.  is van mening dat het van essentieel belang is mobiliteit te bevorderen, door middel van ambitieuze communautaire programma's voor onderwijs en cultuur, in het bijzonder door uitwisselingen van leerkrachten, studenten en leerlingen en met name op taalgebied, om actief burgerschap, de Europese waarden en taal- en andere waardevolle vaardigheden en competenties te bevorderen;

38.  spoort de Commissie aan steun te verlenen aan de ontwikkeling van innovatieve oplossingen op het gebied van onderwijs en opleiding die met betrekking tot talen en in technische termen gemakkelijk kunnen worden aangepast en die voor mobiliteit kunnen zorgen in sectors waarop veeltaligheid minder van invloed is;

39.  erkent de belangrijke bijdrage van het Europees Jaar van actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties 2012 en brengt in herinnering dat het voor de EU belangrijk is dat haar burgers de gelegenheid krijgen zich ook later in hun leven op allerlei manieren met leren bezig te houden en dat een dialoog tot stand wordt gebracht tussen oudere lerenden en professionals die werkzaam zijn bij de diensten die onderwijs aanbieden en ondersteunen;

40.  herinnert eraan dat het Grundtvig-programma tot doel heeft de sector van de volwasseneneducatie te ontwikkelen en ook meer mensen in staat te stellen aan leerervaringen deel te nemen; wijst erop dat het gericht is op de onderwijs- en studiebehoeften van lerenden die volwasseneneducatie en „alternatieve” onderwijstrajecten volgen en op de organisaties die deze diensten leveren; verzoekt de lidstaten de kwaliteit van het door organisaties op het gebied van volwasseneneducatie geleverde onderwijs te verbeteren en de samenwerking tussen die organisaties te stimuleren;

41.  wijst erop dat de bestaande Europese instrumenten, in het bijzonder de structuurfondsen voor opleiding, moeten worden bevorderd;

42.  benadrukt dat volwassenenonderwijs verder gaat dan werkgerelateerde activiteiten en ook de verbetering van persoonlijke, burgerlijke en sociale vaardigheden in formele onderwijs- en opleidingsstelsels gedurende het hele leven omvat, zoals benadrukt in het programma op het gebied van een leven lang leren;

43.  erkent dat activiteiten van ouderen in het algemeen een positieve impact hebben op de maatschappij, die worden bevorderd doordat zij, vanwege de persoonlijke voldoening of sociale contacten, aan onderwijs- en opleidingsactiviteiten deelnemen;

44.  benadrukt de behoefte aan statistieken over een leven lang leren die de leeftijdsgroep boven de 65 beslaan; wijst erop dat, gezien het feit dat de pensioengerechtigde leeftijd in veel van de EU-landen stijgt en mensen op latere leeftijd werken, het noodzakelijk is om rekening te houden met de demografische veranderingen die buiten deze leeftijdsgroep vallen;

45.  erkent de rol van sport in onderwijs en opleiding en nodigt de lidstaten daarom uit om meer in sport te investeren en sportactiviteiten in scholen te bevorderen, teneinde de integratie te stimuleren en bij te dragen tot de ontwikkeling van positieve waarden onder jonge Europeanen;

46.  benadrukt dat de opleiding van spelers op lokaal niveau van fundamenteel belang is voor de duurzame ontwikkeling en de sociale rol van sport en betuigt zijn steun aan sportbonden die verenigingen, door middel van maatregelen die bepalen dat een minimumaantal lokaal opgeleide spelers in een clubteam moet spelen, aanmoedigen in onderwijs en opleidingen voor jonge lokale spelers te investeren, en moedigt de sportbonden aan nog verdergaande maatregelen te treffen;

47.  moedigt de lidstaten aan de mogelijkheid te bekijken om een zo onbureaucratisch mogelijk en breder systeem van kleine beurzen te introduceren voor pre-universitaire studenten met financiële moeilijkheden, om hen aan te moedigen onderwijs te blijven volgen en zo bij te dragen aan de uitbanning van sociale ongelijkheid en grotere leerkansen voor iedereen te waarborgen;

48.  is van mening dat er meer moet worden gedaan om de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen die in wetenschap, technologie, engineering en wiskunde afstuderen, aan te pakken, aangezien bijvoorbeeld in engineering slechts 20% van de afgestudeerden vrouw is;

49.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 135 van 26.5.2010, blz. 2.
(2) PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.
(3) PB C 199 van 7.7.2011, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0531.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0231.
(6) PB C 161E van 31.5.2011, blz. 8.
(7) PB C 45E van 23.2.2010, blz. 33.


Onlineverspreiding van audiovisuele werken in de EU
PDF 163kWORD 80k
Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over de online verspreiding van audiovisuele werken binnen de EU (2011/2313(INI))
P7_TA(2012)0324A7-0262/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Unesco-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen van 20 oktober 2005,

–  gezien artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in overeenstemming waarmee de culturele en creatieve sectoren een aanzienlijke bijdrage leveren in de strijd tegen elke vorm van discriminatie, waaronder racisme en xenofobie,

–  gezien Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten)(1),

–  gezien artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat stelt dat de bescherming van persoonsgegevens moet worden gewaarborgd,

–  gezien Besluit nr. 1718/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende de uitvoering van een programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector (MEDIA 2007)(2),

–  gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2005 over cinematografisch erfgoed en het concurrentievermogen van verwante industriële activiteiten(3),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 24 augustus 2006 betreffende de digitalisering en oneline-toegankelijkheid van cultureel materiaal en digitale bewaring(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 met de titel „Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2010 met de titel „Een digitale agenda voor Europa” (COM(2010)0245),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 met de titel „Het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken”(5),

–  gezien artikel 48 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie juridische zaken (A7-0262/2012),

A.  overwegende dat het digitale tijdperk in wezen ruime mogelijkheden biedt voor de creatie en de verspreiding van audiovisuele werken, maar ook immense uitdagingen inhoudt;

B.  overwegende dat de marktontwikkelingen op verschillende manieren hebben gezorgd voor de nodige groei en culturele inhoud, in overeenstemming met de doelstellingen van de interne markt;

C.  overwegende dat er tegenwoordig meer inhoud beschikbaar is voor consumenten dan ooit tevoren;

D.  overwegende dat het concurrentievermogen van de Europese audiovisuele sector moet worden vergroot door middel van de ondersteuning van onlinediensten en de bevordering van de Europese beschaving, de taalkundige en culturele verscheidenheid en het pluralisme van de media;

E.  overwegende dat auteursrecht een essentieel rechtsinstrument is dat rechthebbenden bepaalde exclusieve rechten verleent en deze rechten beschermt, waardoor de culturele en creatieve sectoren kunnen groeien en financieel bloeien, terwijl het ook banen helpt veiligstellen;

F.  overwegende dat een aanpassing van het rechtskader ter vereenvoudiging van de procedure voor het verwerven van rechten bevorderlijk zou zijn voor het vrije verkeer van werken in de Unie, alsook voor de Europese audiovisuele sector;

G.  overwegende dat de Europese omroepmaatschappijen een essentiële rol vervullen in de bevordering van de Europese creatieve sector en de bescherming van de culturele verscheidenheid, en dat omroepmaatschappijen ruim 80 % van de oorspronkelijke audiovisuele productie in Europa financieren;

H.  overwegende dat filmvertoning in de bioscoop nog steeds goed is voor een groot aandeel van de filminkomsten en een aanzienlijke impact heeft op het succes van films op platformen voor video op aanvraag;

I.  overwegende dat artikel 13, lid 1, van de richtlijn audiovisuele mediadiensten de grondslag vormt voor de invoering van financierings- en promotieverplichtingen voor audiovisuele mediadiensten op aanvraag, aangezien ook zij een cruciale rol spelen in de bevordering en bescherming van culturele diversiteit;

J.  overwegende dat de Europese omroepmaatschappijen die in een digitale, convergente, multimediale platformomgeving werkzaam zijn behoefte hebben aan flexibele, toekomstgerichte en doeltreffende stelsels voor de vereffening van auteursrechten, waaronder een eenloketsysteem; overwegende dat dergelijke flexibele stelsels voor de vereffening van auteursrechten al tientallen jaren bestaan in Noord-Europa;

K.  overwegende dat het uiterst belangrijk is om een aantrekkelijk, legaal en gevarieerd onlineaanbod te ontwikkelen en om de vlotte distributie van zulk aanbod verder te bevorderen en te waarborgen, dit door de belemmeringen op het gebied van licentieverlening, waaronder grensoverschrijdende licentieverlening, tot een absoluut minimum te beperken; onderstreept ook dat het belangrijk is dit aanbod gebruiksvriendelijker te maken voor de consument, met name wat de betalingsprocedure betreft;

L.  overwegende dat de consument toegang eist tot een alsmaar breder onlineaanbod aan films, zonder rekening te houden met de vestigingsplaats van de platformen;

M.  overwegende dat audiovisuele werken in Europa al over de grenzen heen worden verdeeld dankzij pan-Europese licenties op vrijwillige basis, en overwegende dat de verdere ontwikkeling hiervan het overwegen waard is, op voorwaarde dat er een economische vraag naar bestaat; overwegende dat niet mag worden vergeten dat bedrijven ook rekening moeten houden met de verschillende taalkundige en culturele voorkeuren van de Europese consumenten, die een beeld geven van de uiteenlopende audiovisuele consumptiepatronen van de EU-burgers in de interne markt;

N.  overwegende dat de onlinedistributie van audiovisuele producten uitstekende mogelijkheden biedt om de kennis van Europese talen te bevorderen en overwegende dat deze doelstelling kan worden bereikt aan de hand van oorspronkelijke versies van audiovisuele producten en de mogelijkheid om deze in een groot aantal talen te laten vertalen;

O.  overwegende dat het essentieel is om zowel rechthebbenden als consumenten rechtszekerheid te bieden met betrekking tot de toepassing van auteursrechten en aanverwante rechten in de Europese digitale ruimte, en dat het dus nodig is de juridische bepalingen in de lidstaten beter op elkaar af te stemmen;

P.  overwegende dat het versterken van het rechtskader voor de audiovisuele sector in Europa bijdraagt tot de verdere bescherming van de vrijheid van meningsuiting en van gedachte, waardoor de democratische waarden en beginselen van de EU worden bevorderd;

Q.  overwegende dat er specifieke maatregelen nodig zijn om het Europees cinematografisch en audiovisueel erfgoed te beschermen, en dat er met name moet worden ingezet op de digitalisering van inhoud en op de vereenvoudiging van de toegang tot dit erfgoed voor burgers en gebruikers;

R.  overwegende dat een regeling voor het identificeren en merken van werken zou bijdragen aan de bescherming van rechthebbenden te beschermen en aan de strijd tegen ongeoorloofd gebruik;

S.  overwegende dat het van cruciaal belang is dat de netneutraliteit in informatie- en communicatienetwerken behouden blijft en dat het technologieneutrale ontwerp van mediaplatformen en -actoren wordt gewaarborgd, teneinde de beschikbaarheid van audiovisuele diensten te garanderen, en overwegende dat het ook essentieel is om de vrijheid van meningsuiting en het pluralisme van de media in de Europese Unie te bevorderen en om rekening te houden met technologische convergentie;

T.  overwegende dat duurzame creatie en culturele verscheidenheid niet mogelijk zijn zonder auteursrechten die de makers van audiovisuele werken beschermen en vergoeden of zonder juridische garanties met betrekking tot de toegang van gebruikers tot cultureel erfgoed; overwegende dat nieuwe bedrijfsmodellen moeten inzetten op doeltreffende licentiesystemen, op permanente investeringen in de digitalisering van creatieve inhoud en op een vlotte toegang voor de consument;

U.  overwegende dat een groot aantal inbreuken op auteursrechten of aanverwante intellectuele-eigendomsrechten voortkomen uit de begrijpelijke behoefte van een potentieel publiek aan nieuwe audiovisuele inhoud tegen eenvoudige, betaalbare voorwaarden, en overwegende dat aan deze vraag nog niet voldoende is tegemoetgekomen;

V.  overwegende dat aanpassingen aan de realiteit van het digitale tijdperk moeten worden aangemoedigd, met name die welke ten doel hebben te voorkomen dat ondernemingen worden verplaatst naar landen waar de wetgeving slechts minimale bescherming biedt;

W.  overwegende dat de eerlijkheid gebiedt dat alle overeenkomsten voorzien in een billijke vergoeding voor auteurs, dit voor alle vormen van exploitatie van hun werk, waaronder onlinegebruik);

X.  overwegende dat de Commissie dringend een voorstel moet formuleren voor een richtlijn inzake collectief rechtenbeheer en organisaties voor collectief rechtenbeheer, teneinde het vertrouwen in deze organisaties te vergroten door middel van maatregelen die erop gericht zijn hun efficiëntie en transparantie aanzienlijk te vergroten alsook goed bestuur en doeltreffende geschillenbeslechting te bevorderen;

Y.  overwegende dat collectief rechtenbeheer een essentieel instrument is voor omroepen, die dagelijks een groot aantal rechten moeten vereffenen, en dat het daarom moet dienen als basis voor efficiënte licentieregelingen voor het onlinegebruik van audiovisuele inhoud op aanvraag;

Z.  overwegende dat de belastingheffing op culturele goederen en diensten aan het digitale tijdperk moet worden aangepast;

AA.  overwegende dat het beginsel van chronologie van de media voor een algemeen evenwicht in de audiovisuele sector zorgt, en dat dit een efficiënt prefinancieringssysteem voor deze werken mogelijk maakt;

AB.  overwegende dat het beginsel van chronologie van de media steeds meer onder druk komt te staan door de toenemende beschikbaarheid van digitale werken en de mogelijkheden voor onmiddellijke verspreiding die onze geavanceerde informatiemaatschappij biedt;

AC.  overwegende dat de Unie werk moet maken van een samenhangende aanpak ten aanzien van technologische kwesties, met name door in te zetten op de interoperabiliteit van de in het digitale tijdperk gebruikte systemen;

AD.  overwegende dat het juridische en fiscale kader ondernemingen moet begunstigen die de onlinedistributie van audiovisuele producten met een economische waarde promoten;

AE.  overwegende dat de toegang tot de media van gehandicapten bijzonder belangrijk is en moet worden bevorderd, met name door programma's aan te bieden die op deze doelgroep zijn afgestemd;

AF.  overwegende dat het essentieel is om meer in te zetten op onderzoek en ontwikkeling met het oog op de ontwikkeling van technieken voor een geautomatiseerd beheer van diensten voor gehandicapten, met name door middel van hybride uitzendingen;

1.  onderkent de versplintering van de onlinemarkt, die onder andere wordt gekenmerkt door technologische belemmeringen, ingewikkelde licentieprocedures, verschillen in betalingsmethoden, gebrek aan interoperabiliteit bij belangrijke zaken zoals de e-handtekening, en variaties in bepaalde belastingen, waaronder de btw, op goederen en diensten; is daarom van mening dat er momenteel behoefte is aan een transparante, flexibele en geharmoniseerde aanpak op Europees niveau om verdere stappen te kunnen zetten in de richting van een digitale interne markt; benadrukt dat alle voorgestelde maatregelen gericht moeten zijn op een verlaging van de administratieve lasten en de transactiekosten bij de toewijzing van licenties voor inhoud;

Legaal aanbod, toegankelijkheid en collectief rechtenbeheer

2.  benadrukt het belang van een aantrekkelijker legaal aanbod, zowel op kwantitatief als op kwalitatief vlak, en een betere onlinebeschikbaarheid van oorspronkelijke en ondertitelde versies van audiovisuele werken in alle officiële talen van de EU;

3.  onderstreept dat het belang is inhoud aan te bieden met ondertiteling in zoveel mogelijk talen, met name bij diensten voor video op aanvraag;

4.  benadrukt dat er een toenemende behoefte bestaat om een aantrekkelijk, legaal onlineaanbod van audiovisuele inhoud te bevorderen en innovatie te stimuleren, en dat de flexibiliteit van nieuwe distributiemethoden dus essentieel is om nieuwe bedrijfsmodellen in het leven te roepen en digitale goederen toegankelijk te maken voor alle EU-burgers, ongeacht de lidstaat waar zij verblijven, en met inachtneming van het beginsel van webneutraliteit;

5.  benadrukt dat digitale diensten, zoals videostreaming, beschikbaar moeten worden gesteld voor alle EU-burgers, ongeacht de lidstaat waar zij verblijven; verzoekt de Commissie Europese digitale bedrijven te vragen geografische controlemiddelen (zoals het blokkeren van IP-adressen) in de hele Unie te verwijderen en de aankoop van digitale diensten van buiten de lidstaat van herkomst van de consument toe te staan; vraagt de Commissie een onderzoek in te stellen naar de toepassing van de kabel- en satellietrichtlijn(6) op digitale distributie;

6.  is van mening dat er meer aandacht moet worden geschonken aan het verbeteren van de veiligheid van onlinedistributieplatformen, met inbegrip van onlinebetalingssystemen;

7.  benadrukt dat er moet worden ingezet op de ontwikkeling van alternatieve en vernieuwende microbetalingssystemen voor legale platformen die onlinediensten aanbieden, zoals betalen per sms of via bepaalde applicaties, teneinde het gebruik ervan door de consument te vergemakkelijken;

8.  benadrukt dat problemen op het gebied van onlinebetalingssystemen, zoals het gebrek aan interoperabiliteit en de hoge kosten van microbetalingen voor de consument, moeten worden aangepakt met het oog op de ontwikkeling van eenvoudige, innovatieve en kosteneffectieve oplossingen voor zowel consumenten als digitale platformen;

9.  pleit voor nieuwe oplossingen op het gebied van gebruiksvriendelijke betalingssystemen, zoals microbetalingen, en voor de ontwikkeling van systemen die het mogelijk maken creatieve actoren rechtstreeks te vergoeden, wat in het voordeel is van zowel de consument als de auteurs;

10.  benadrukt dat onlinetoepassingen reële mogelijkheden bieden om de verspreiding en de distributie van Europese werken, met name audiovisuele werken, te verbeteren, op voorwaarde dat het legale aanbod van deze werken zich kan ontwikkelen in een gezond mededingingskader en dat het illegaal ter beschikking stellen van beschermde werken doeltreffend wordt bestreden;

11.  stimuleert de ontwikkeling van een uitgebreid en gevarieerd legaal aanbod aan audiviovisuele inhoud, met name door de ontwikkeling van flexibelere mediavensters; benadrukt dat rechthebbenden vrij moeten kunnen kiezen wanneer zij hun producten op verschillende platformen lanceren;

12.  benadrukt dat erover moet worden gewaakt dat het huidige systeem van mediavensters niet wordt gebruikt om online-exploitatie ontoegankelijk te maken voor kleine producenten en distributeurs;

13.  is verheugd over het besluit van de Commissie om uitvoering te geven aan de door het Parlement goedgekeurde voorbereidende actie ten aanzien van het testen van nieuwe distributiemethoden, gebaseerd op de complementariteit van platformen wat de flexibiliteit van mediavensters betreft;

14.  verzoekt om steun voor strategieën die Europese audiovisuele kmo's in staat stellen digitale rechten doeltreffender te beheren en zo een breder publiek te bereiken;

15.  verzoekt alle lidstaten dringend om artikel 13 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten op normatieve wijze ten uitvoer te leggen en om financierings- en promotieverplichtingen voor audiovisuele mediadiensten op aanvraag in te voeren; verzoekt de Commissie overeenkomstig artikel 13, lid 3, van deze richtlijn onverwijld een gedetailleerd verslag over de huidige stand van uitvoering in te dienen bij Parlement;

16.  herinnert eraan dat het met het oog op de totstandbrenging van een digitale interne markt in Europa uiterst belangrijk is om pan-Europese regelgeving vast te stellen voor het collectieve beheer van auteursrechten en aanverwante intellectuele-eigendomsrechten, zodat de toenemende verschillen tussen de lidstaten op dit gebied, die een grensoverschrijdende rechtsvrijwaring almaar moeilijker maken, kunnen worden weggewerkt;

17.  ondersteunt de totstandbrenging van een rechtskader voor de bevordering van de digitalisering en de grensoverschrijdende verspreiding van verweesde werken op de digitale interne markt, aangezien dit een van de kernacties is van de digitale agenda voor Europa, die deel uitmaakt van de Europa 2020-strategie;

18.  merkt op dat de ontwikkeling van grensoverschrijdende diensten perfect haalbaar is op voorwaarde dat zakelijke platformen bereid zijn om de rechten op de exploitatie van een of meer territoria contractueel te verwerven, waarbij het van belang is eraan te herinneren dat territoriale stelsels een natuurlijke markt vormen in de audiovisuele sector;

19.  benadrukt dat er rechtszekerheid moet komen over de vraag welk rechtssysteem van toepassing is voor de vereffening van rechten bij grensoverschrijdende distributie, en stelt voor het recht toe te passen van het land waar ondernemingen hun voornaamste werkzaamheid verrichten en het grootste deel van hun inkomsten genereren;

20.  bevestigt de doelstelling om tot een intensievere en doelmatige grensoverschrijdende onlinedistributie van audiovisuele werken tussen de lidstaten te komen;

21.  stelt voor een alomvattende aanpak op EU-niveau uit te werken met het oog op een betere samenwerking tussen rechthebbenden, onlinedistributieplatformen en internetaanbieders, teneinde een gebruiksvriendelijke en concurrerende toegang tot audiovisuele inhoud mogelijk te maken;

22.  benadrukt dat het belangrijk is te zorgen voor flexibiliteit en interoperabiliteit met betrekking tot de distributie van audiovisuele werken door digitale platformen, teneinde het legale aanbod aan audiovisuele werken te kunnen uitbreiden als de markt daarom vraagt en teneinde de grensoverschrijdende toegang tot inhoud uit andere lidstaten te bevorderen, met inachtneming van de auteursrechten;

23.  is ingenomen met het door de Commissie voorgestelde nieuwe programma „Creatief Europa”, waarin wordt benadrukt dat onlinedistributie ook verstrekkende en positieve gevolgen heeft voor de verspreiding van audiovisuele werken, met name voor het bereiken van een nieuw publiek in en buiten Europa en voor het versterken van de sociale cohesie;

24.  wijst op het belang van netneutraliteit om de gelijke toegang tot snelle netwerken te garanderen, aangezien die essentieel is voor de kwaliteit van legale audiovisuele onlinediensten;

25.  benadrukt dat de digitale kloof tussen lidstaten of gebieden binnen de EU een grote hinderpaal vormt voor de digitale interne markt; pleit in dit verband voor de uitbreiding van de toegang tot breedbandinternet binnen de EU om de toegang tot onlinediensten en nieuwe technologieën te stimuleren;

26.  herinnert eraan dat, ten behoeve van commerciële exploitatie, rechten worden overgedragen aan de audiovisuele producent, die zich op de centralisatie van de uit hoofde van het auteursrecht verleende exclusieve rechten verlaat om de financiering, de productie en de distributie van audiovisuele werken te organiseren;

27.  herinnert eraan dat de commerciële exploitatie van de exclusieve rechten van „mededeling aan het publiek” en „beschikbaarstelling voor het publiek” bedoeld is om bij een commercieel succes financiële middelen te genereren teneinde daarmee de productie en distributie van toekomstige projecten te financieren en zo bij te dragen aan een gevarieerd en geactualiseerd aanbod aan nieuwe films;

28.  verzoekt de Commissie met een wetgevingsinitiatief te komen voor het collectieve beheer van auteursrechten, waarbij de focus ligt op het verbeteren van de verantwoordingsplicht, de transparantie en de governance van organisaties voor collectief rechtenbeheer, op het tot stand brengen van doeltreffende geschillenbeslechtingsmechanismen en op het verduidelijken en vereenvoudigen van licentiesystemen in de muziekindustrie; benadrukt in dit verband dat er een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen de licentieprocedures voor verschillende soorten inhoud, met name tussen audiovisuele/cinematografische werken en muziek; herinnert eraan dat de licentieverlening voor audiovisuele werken geschiedt op basis van individuele contractuele overeenkomsten, in sommige gevallen gecombineerd met een collectief beheer van vergoedingen;

29.  benadrukt dat in het verslag van de Commissie over de toepassing van Richtlijn 2001/29/EG(7) bij de tenuitvoerlegging in de lidstaten van de artikelen 5, 6 en 8 verschillen zijn vastgesteld die hebben geleid tot uiteenlopende interpretaties en besluiten van de rechtbanken in de lidstaten; wijst erop dat deze verschillen onderdeel zijn geworden van de specifieke jurisprudentie met betrekking tot de audiovisuele sector;

30.  verzoekt de Commissie streng te blijven toezien op de toepassing van Richtlijn 2001/29/EG en periodiek verslag over haar bevindingen te blijven uitbrengen bij het Parlement en de Raad;

31.  verzoekt de Commissie, na raadpleging van alle relevante belanghebbenden, Richtlijn 2001/29/EG zodanig te herzien dat de bepalingen van de artikelen 5, 6 en 8 nauwkeuriger verwoord worden om de harmonisatie van het rechtskader voor auteursrechtelijke bescherming in de informatiemaatschappij op het niveau van de Unie te waarborgen;

32.  ondersteunt de vaststelling van consistente Europese regels inzake goed bestuur en transparantie van organisaties voor collectief rechtenbeheer en inzake doeltreffende geschillenbeslechtingsmechanismen;

33.  benadrukt dat een vereenvoudigde vereffening en samenvoeging, vooral op het gebied van muziekrechten in audiovisuele werken voor onlinedistributie, de interne markt zouden bevorderen, en verzoekt de Commissie met klem hier de nodige aandacht aan te schenken in het aangekondigde wetsbesluit inzake collectief rechtenbeheer;

34.  wijst erop dat de toenemende mediaconvergentie, zowel op het gebied van auteursrecht als op het gebied van mediarecht, noopt tot nieuwe oplossingsgerichte benaderingen; dringt er bij de Commissie op aan te onderzoeken in welke mate de in Richtlijn 2010/13/EU betreffende audiovisuele mediadiensten vastgestelde regels voor lineaire en niet-lineaire diensten nog actueel zijn, gelet op de laatste technologische ontwikkelingen;

35.  vindt de beperkingen op het gebied van reclame tijdens lineaire kinder-, nieuws- en informatieprogramma's redelijk, maar wijst erop dat het onderscheid tussen lineaire en niet-lineaire programma's steeds meer vervaagt; stelt daarom voor na te denken over nieuwe vormen van programma- en platformoverschrijdende verrekeningsstelsels voor reclametijd, met behulp waarvan er kan worden ingezet op hoogwaardige uitzendingen, wat ook de kwaliteit van de lineaire programma's en de diversiteit op het internet bevordert, zonder dat de inkomsten van commerciële zenders onder druk komen te staan;

36.  onderstreept dat de optie voor territoriale productie- en distributieregelingen van toepassing moet blijven op de digitale omgeving, aangezien deze vorm van organisatie van de audiovisuele markt de basis voor de financiering van Europese audiovisuele en cinematografische werken lijkt te vormen;

37.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of het beginsel van wederzijdse erkenning op dezelfde wijze toegepast kan worden op digitale goederen als op fysieke goederen;

Identificatie

38.  is van oordeel dat nieuwe technologieën aangewend zouden kunnen worden om de vereffening van rechten te vergemakkelijken; is in dit verband ingenomen met het initiatief om aan werken een identificatienummer toe te kennen (ISAN, International Standard Audiovisual Number), wat de identificatie van audiovisuele werken en rechthebbenden vergemakkelijkt; verzoekt de Commissie na te denken over maatregelen ter bevordering van het gebruik van het ISAN-systeem;

Ongeoorloofd gebruik

39.  verzoekt de Commissie internetgebruikers rechtszekerheid te geven wanneer zij voor streamingdiensten kiezen en met name na te denken over manieren om te voorkomen dat platformen die tegen betaling ongeoorloofde download- en streamingdiensten aanbieden inkomsten genereren, hetzij via betalingssystemen, hetzij via reclame;

40.  roept de lidstaten op om de naleving van auteursrechten en aanverwante rechten te bevorderen en om de illegale verstrekking en distributie, al dan niet via streaming, van audiovisuele werken te bestrijden;

41.  wijst op de opkomst van platformen voor sociaal netwerken die internetgebruikers de kans bieden de productie van een film of documentaire financieel te ondersteunen, wat hen het gevoel geeft een volwaardige bijdrage te leveren aan het wordingsproces ervan, maar benadrukt desalniettemin dat deze financieringsvorm traditionelere financieringsbronnen op korte termijn niet zal verdringen;

42.  erkent dat, hoewel er legale alternatieven bestaan, online-inbreuken op het auteursrecht een probleem blijven, en dat de legale onlinebeschikbaarheid van aan auteursrecht gebonden cultureel materiaal daarom moet worden aangevuld met een slimmere onlinehandhaving van het auteursrecht, zonder hierbij enige afbreuk te doen aan de grondrechten, met name de vrijheid van informatie en meningsuiting, de bescherming van persoonsgegevens en het recht op privacy, noch aan het „mere conduit”-beginsel (waarbij het fungeren als doorgeefluik voor berichten geoorloofd is);

43.  verzoekt de Commissie zich te buigen over een juridisch kader voor een herziening van Richtlijn 2004/48/EG, die destijds werd ontworpen voor de analoge markt en dus moet worden aangepast om ook voor de digitale markt doeltreffende oplossingen te kunnen ontwikkelen;

Vergoeding

44.  herinnert aan de noodzaak om rechthebbenden een behoorlijke vergoeding te garanderen voor de onlineverspreiding van hun audiovisuele werken; stelt vast dat, hoewel dit recht al sinds 2001 op Europees niveau erkend wordt, er nog steeds geen goed vergoedingssysteem bestaat voor de onlineverspreiding van werken;

45.  is van mening dat het doel van deze vergoeding moet zijn om het artistieke proces te vergemakkelijken, het Europese concurrentievermogen te vergroten en rekening te houden met de kenmerken van de sector, de belangen van de diverse belanghebbenden en de behoefte aan aanzienlijk vereenvoudigde licentieprocedures; verzoekt de Commissie in te zetten op bottom-upoplossingen, waarbij wordt samengewerkt met alle belanghebbenden met het oog op de verdere ontwikkeling van specifieke EU-wetgeving;

46.  vindt het essentieel dat auteurs en artiesten een billijke vergoeding krijgen die recht doet aan alle vormen van exploitatie van hun werk, waaronder onlinegebruik, en verzoekt de lidstaten daarom een verbod uit te vaardigen op uitkoopovereenkomsten, die in strijd zijn met dit beginsel;

47.  verzoekt de Commissie met klem een studie voor te leggen over de verschillen tussen de op nationaal niveau gehanteerde vergoedingsmechanismen voor auteurs en artiesten, om aan de hand daarvan een lijst van beste praktijken op te stellen;

48.  dringt aan op meer evenwicht in de onderhandelingspositie tussen enerzijds auteurs en artiesten en anderzijds producenten, en vraagt in dit verband dat aan auteurs en artiesten een onvervreemdbaar recht op vergoeding voor alle vormen van exploitatie van hun werk wordt verleend, waaronder een lopende vergoeding voor zij die hun exclusieve recht op beschikbaarstelling aan een producent hebben overgedragen;

49.  vraagt dat er maatregelen worden genomen om rechthebbenden een billijke vergoeding te waarborgen voor de distributie, de doorgifte en de heruitzending van audiovisuele werken;

50.  stelt dat de beste manier om een gepaste vergoeding voor rechthebbenden te garanderen erin bestaat hun de keuze te bieden tussen cao's (met inbegrip van overeengekomen standaardcontracten), uitgebreide collectieve licenties of organisaties voor collectief rechtenbeheer;

Licentieverlening

51.  wijst erop dat het Europese acquis communautaire inzake het auteursrecht vrijwillige multiterritoriale of pan-Europese mechanismen voor licentieverlening niet noodzakelijk uitsluit, maar dat culturele en taalkundige verschillen tussen de lidstaten en verschillen in nationale voorschriften die al dan niet verband houden met intellectuele eigendom, een flexibele en complementaire benadering op Europees niveau vereisen met het oog op de totstandbrenging van een digitale interne markt;

52.  wijst erop dat multiterritoriale of pan-Europese licentiemechanismen op vrijwillige basis tot stand moeten blijven komen, en dat de taalkundige en culturele verschillen tussen de lidstaten en de verschillen in nationale voorschriften die al dat niet verband houden met auteursrecht eigen specifieke uitdagingen met zich meebrengen; is daarom van mening dat er een flexibele benadering ten aanzien van pan-Europese licentieverlening nodig is, waarbij rechthebbenden worden beschermd en er vooruitgang wordt geboekt op weg naar een digitale interne markt;

53.  is van oordeel dat het aanmoedigen en bevorderen van een duurzame multiterritoriale licentieverlening op de digitale interne markt voor audiovisuele werken een gunstige invloed kan hebben op door de markt aangestuurde initiatieven; onderstreept dat digitale technologieën nieuwe en innovatieve manieren bieden om het aanbod van deze werken in elke markt te verrijken en aan te passen aan de vraag van de consument, waaronder de vraag naar grensoverschrijdende diensten op maat; pleit voor een beter gebruik van digitale technologieën, die moeten bijdragen aan de diversificatie en de uitbreiding van het legaal aanbod aan audiovisuele werken;

54.  is van mening dat er behoefte is aan geactualiseerde informatie over licentievoorwaarden, licentiehouders en repertoires en aan alomvattende studies op Europees niveau om transparantie mogelijk te maken, om vast te stellen waar de problemen zich voordoen en om duidelijke, efficiënte en adequate oplossingsmechanismen uit te werken;

55.  merkt op dat de audiovisuele rechten voor de commerciële exploitatie van werken in het digitale tijdperk gemakkelijker zouden kunnen worden beheerd als de lidstaten zouden kiezen voor een doelmatige en transparante licentieverlening, waaronder een uitgebreide collectieve licentieverlening op vrijwillige basis, voor zover deze er nog niet is;

56.  merkt op dat werknemers in de culturele sector en de lidstaten er baat bij zouden hebben om te onderhandelen over de uitvoering van maatregelen die het mogelijk maken om digitale technologieën voor werken die tot het erfgoed behoren ook toe te passen op openbare archieven, waardoor deze er ten volle van zouden profiteren, in het bijzonder wat de toegang tot geïsoleerde digitale werken van niet-commerciële aard betreft;

57.  is ingenomen met de door de Commissie naar aanleiding van de publicatie van het groenboek geïnitieerde raadpleging, alsmede met het feit dat de Commissie erkent dat de audiovisuele sector met betrekking tot licentiemechanismen over specifieke eigenschappen beschikt die van groot belang zijn voor de verdere ontwikkeling van de sector, met name voor de bevordering van culturele diversiteit en een sterke Europese audiovisuele sector op de digitale interne markt;

Interoperabiliteit

58.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat het collectief rechtenbeheer gebaseerd is op doeltreffende, functionele en interoperabele systemen;

Btw

59.  benadrukt dat er dringend een discussie moet worden aangegaan over de uiteenlopende btw-tarieven in de lidstaten en verzoekt de Commissie en de lidstaten hun optreden op dit terrein te coördineren;

60.  benadrukt dat er moet worden nagedacht over een verlaagd btw-tarief voor de digitale distributie van culturele goederen en diensten om de tegenstelling tussen online- en offlinediensten weg te werken;

61.  benadrukt dat het noodzakelijk is culturele audiovisuele werken die online verkocht worden aan hetzelfde btw-tarief te onderwerpen als culturele audiovisuele werken die offline verkocht worden; is van mening dat de aantrekkelijkheid van digitale platformen vergroot kan worden door de btw-tarieven voor culturele online-inhoud die door in de EU gevestigde aanbieders verkocht wordt aan in de EU woonachtige consumenten te verlagen; herinnert in dit verband aan zijn resoluties van 17 november 2011 over de modernisering van btw-wetgeving ter versterking van de digitale binnenmarkt(8) en van 13 oktober 2011 over de toekomst van de btw(9);

62.  verzoekt de Commissie een rechtskader in te stellen voor audiovisuele onlinediensten van buiten de EU als deze direct of indirect voor een EU-publiek bedoeld zijn, zodat zij aan dezelfde verplichtingen als EU-diensten moeten voldoen;

Bescherming en promotie van audiovisuele werken

63.  wijst erop dat het digitale tijdperk noopt tot een specifieke reflectie over de manier waarop de opdracht om audiovisuele werken te restaureren, te bewaren en beschikbaar te stellen voor culturele en educatieve doeleinden moet worden uitgevoerd;

64.  spoort de lidstaten aan de richtlijn audiovisuele mediadiensten ten uitvoer te leggen en beveelt aan dat zij erop toezien hoe Europese werken, in het bijzonder films en documentaires, daadwerkelijk worden aangeboden en gepromoot via de verschillende mediadiensten die toegankelijk zijn voor het publiek, en benadrukt dat er behoefte is aan meer samenwerking tussen regelgevende instanties en filmproducenten;

65.  verzoekt de Commissie mechanismen uit te werken ter bevordering van de toegang tot audiovisueel materiaal dat is opgeslagen in de instellingen voor cinematografisch erfgoed in Europa; merkt op dat een aanzienlijk deel van het Europees audiovisueel materiaal niet commercieel beschikbaar is om redenen die vaak verband houden met de tanende belangstelling van consumenten en de beperkte houdbaarheid;

66.  verzoekt de lidstaten en de Commissie oplossingen te stimuleren om de digitalisering, de bewaring en de beschikbaarheid voor educatieve doeleinden van deze werken te ondersteunen, ook over de grenzen heen;

67.  wijst op het belang van de onlinebibliotheek Europeana en is van mening dat de lidstaten en de culturele instellingen meer aandacht moeten schenken aan de toegankelijkheid en de zichtbaarheid ervan;

68.  is van mening dat de digitalisering en bewaring van en een betere toegang tot culturele rijkdommen geweldige economische en sociale kansen bieden en belangrijke voorwaarden zijn voor de toekomstige ontwikkeling van het culturele en creatieve potentieel van Europa en voor een sterke aanwezigheid van het Europese bedrijfsleven op dit gebied; steunt daarom de aanbeveling van de Commissie van 27 oktober 2011 over digitalisering en online-toegankelijkheid van culturele werken en digitale bewaring(10), evenals het voorstel om met het oog daarop een geactualiseerd pakket maatregelen samen te stellen;

Onderwijs

69.  wijst erop dat het belangrijk is om digitale vaardigheden en mediageletterdheid bij alle burgers van de EU te bevorderen, onder meer bij ouderen en personen met een beperking zoals slechthorenden, en om de digitale kloof in de maatschappij te dichten, aangezien dit cruciale voorwaarden zijn voor maatschappelijke participatie en democratisch burgerschap; herinnert in dit verband aan de belangrijke rol van de openbare media, die op dit gebied een opdracht te vervullen hebben;

70.  herinnert eraan dat de integratie van nieuwe technologieën in nationale onderwijsprogramma's essentieel is, en dat er in het bijzonder moet voor worden gezorgd dat alle EU-burgers, ongeacht hun leeftijd, leren omgaan met de media en de digitale wereld, zodat zij hun vaardigheden op deze gebieden kunnen ontwikkelen en er hun profijt mee kunnen doen;

71.  benadrukt de behoefte aan Europese en nationale onderwijscampagnes om burgers te wijzen op het belang van intellectuele-eigendomsrechten en op de beschikbare legale kanalen voor de onlinedistributie van audiovisuele werken; wijst erop dat consumenten goed geïnformeerd moeten worden over kwesties inzake intellectuele eigendom die van belang kunnen zijn bij het delen van bestanden in het kader van „cloud computing”;

72.  wijst erop dat het publiek duidelijker moet worden geïnformeerd over het belang van de bescherming van het auteursrecht en over het feit dat hier een billijke vergoeding bij hoort;

73.  benadrukt dat er moet worden overwogen een bijzondere status toe te kennen aan instellingen met een educatief doel ten aanzien van de onlinetoegang tot audiovisuele werken;

MEDIA 2014-2020

74.  wijst erop dat het MEDIA-programma is uitgegroeid tot een zelfstandig merk en dat het essentieel is dat ook in de periode 2014-2020 een ambitieus MEDIA-programma wordt uitgevoerd, in de geest van het huidige programma;

75.  benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is dat dit programma blijft bestaan als een specifiek programma dat geheel aan de audiovisuele sector is gewijd;

o
o   o

76.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.
(2) PB L 327 van 24.11.2006, blz. 12.
(3) PB L 323 van 9.12.2005, blz. 57.
(4) PB L 236 van 31.8.2006, blz. 28.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0240.
(6) Richtlijn 93/83/EEG, PB L 248 van 6.10.1993, blz. 15.
(7) PB L 167 van 22.06.01, blz. 10.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0513.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0436.
(10) PB L 283 van 29.10.11, blz. 39.

Juridische mededeling - Privacybeleid