Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 20 november 2012 - Straatsburg
De rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ***I
 Het op de markt brengen en het gebruik van precursoren van explosieven ***I
 Tijdelijke bijzondere maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de Europese Unie ***I
 Toetreding van de Unie tot het protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging door exploratie en exploitatie van het continentaal plat en de zeebodem en de ondergrond daarvan ***
 De vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de Regering van Denemarken en de Autonome Regering van Groenland, anderzijds ***
 Passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de EU-burgers die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn *
 Tenuitvoerlegging van de richtlijn inzake kredietovereenkomsten voor consumenten
 Sociaal investeringspact
 Afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten
 Uitvoering van de Volgrechtrichtlijn
 Wijziging van artikel 70 van het Reglement over interinstitutionele onderhandelingen bij wetgevingsprocedures
 Wijziging van artikel 181 (Volledig verslag) en artikel 182 (Audiovisueel verslag van de vergaderingen) van het Reglement
 Goedkeuring van en markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers ***I
 Goedkeuring van landbouw- of bosbouwvoertuigen ***I
 Kaart-, internet- en mobiele betalingen
 Schaduwbankieren
 Bescherming van kinderen in de digitale wereld
 Initiatief voor sociaal ondernemerschap
 Naar een echte Economische en Monetaire Unie
 Werkzaamheden van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU in 2011

De rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ***I
PDF 201kWORD 41k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (COM(2010)0748 – C7-0433/2010 – 2010/0383(COD))
P7_TA(2012)0412A7-0320/2012

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0748) en de door de Commissie uitgevoerde effectbeoordeling (SEC(2010)1547),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 67, lid 4, onder a), c) en e), en artikel 81, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0433/2010),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Nederlandse Eerste kamer en de Nederlandse Tweede kamer, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 5 mei 2011(1),

–  gezien het Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 24 oktober 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 87 en 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0320/2012),

A.  overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in het voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Herschikking)

P7_TC1-COD(2010)0383


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1215/2012.)

(1) PB C 218 van 23.7.2011, blz. 78.
(2) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Het op de markt brengen en het gebruik van precursoren van explosieven ***I
PDF 195kWORD 38k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren van explosieven (COM(2010)0473 – C7-0279/2010 – 2010/0246(COD))
P7_TA(2012)0413A7-0269/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0473),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0279/2010),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 januari 2011(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 11 juli 2012 en 17 oktober 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0269/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven

P7_TC1-COD(2010)0246


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 98/2013.)

(1) PB C 84 van 17.3.2011, blz. 25.


Tijdelijke bijzondere maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de Europese Unie ***I
PDF 196kWORD 33k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van tijdelijke bijzondere maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de Europese Unie naar aanleiding van de toetreding van Kroatië (COM(2012)0377 – C7-0216/2012 – 2012/0224(COD))
P7_TA(2012)0414A7-0359/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0377),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 336 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0216/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Hof van Justitie van 12 november 2012(1),

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 23 oktober 2012(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 31 oktober 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0359/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2012 met het oog op de instelling van tijdelijke bijzondere maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de Europese Unie naar aanleiding van de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie

P7_TC1-COD(2012)0224


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1216/2012.)

(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.
(2) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.


Toetreding van de Unie tot het protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging door exploratie en exploitatie van het continentaal plat en de zeebodem en de ondergrond daarvan ***
PDF 193kWORD 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de toetreding van de Unie tot het protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging door exploratie en exploitatie van het continentaal plat en de zeebodem en de ondergrond daarvan (09671/2012 – C7-0144/2012 – 2011/0304(NLE))
P7_TA(2012)0415A7-0319/2012

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (09671/2012),

–  gezien het protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging door exploratie en exploitatie van het continentaal plat en de zeebodem en de ondergrond daarvan, dat aan bovengenoemd ontwerpbesluit van de Raad is gehecht,

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 192, lid 1, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0144/2012),

–  gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0319/2012),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


De vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de Regering van Denemarken en de Autonome Regering van Groenland, anderzijds ***
PDF 195kWORD 32k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de autonome regering van Groenland, anderzijds (11119/2012 – C7-0299/2012 – 2012/0130(NLE))
P7_TA(2012)0416A7-0358/2012

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (11119/2012),

–  gezien het ontwerpprotocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Denemarken en de regering van Groenland (11116/2012),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0299/2012),

–  gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A7–0358/2012),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt de Commissie het Parlement te voorzien van de conclusies van de vergaderingen en de werkzaamheden van het gemengd comité zoals bedoeld in artikel 10 van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij; verlangt dat vertegenwoordigers van het Parlement als waarnemers de vergaderingen en werkzaamheden van het gemengd comité kunnen bijwonen; verzoekt de Commissie in het laatste jaar van de geldigheid van het protocol en voor de opening van de onderhandelingen voor de verlenging van de overeenkomst bij het Parlement en de Raad een verslag over de uitvoering ervan in te dienen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van Groenland.


Passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de EU-burgers die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn *
PDF 193kWORD 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het ontwerp van richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 93/109/EG van 6 december 1993 inzake de wijze van uitoefening van het passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn (13634/2012 – C7-0293/2012 – 2006/0277(CNS))
P7_TA(2012)0417A7-0352/2012

(Bijzondere wetgevingsprocedure – hernieuwde raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (13634/2012),

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2006)0791),

–  gezien zijn standpunt van 26 september 2007(1),

–  gezien artikel 22, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad opnieuw is geraadpleegd (C7-0293/2012),

–  gezien de artikel 55, artikel 59, lid 3, en artikel 46, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A7-0352/2012),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 219 E van 28.8.2008, blz. 193.


Tenuitvoerlegging van de richtlijn inzake kredietovereenkomsten voor consumenten
PDF 122kWORD 43k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (2012/2037(INI))
P7_TA(2012)0418A7-0343/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0343/2012),

A.  overwegende dat openstellen van de nationale markten voor de belangrijke economische sector van het consumentenkrediet, versterken van de mededinging, verhelpen van verschillen in consumentenbescherming, wegnemen van mogelijke concurrentiedistorsies onder de marktdeelnemers en verbeteren van de interne markt een politieke taak is van de EU en in het belang is van de consumenten en de kredietverleners;

B.  overwegende dat met de consumentenkredietrichtlijn, die voorziet in een gerichte en alomvattende harmonisering in 5 onderdelen, met geringe speelruimte voor de lidstaten, die dan hoofdzakelijk nog de verschillende manieren van omzetting betreft, een gemeenschappelijk Europees kader voor de bescherming van de consument tot stand is gebracht;

C.  overwegende dat juridische en feitelijke belemmeringen niettemin blijven bestaan;

D.  overwegende dat, naar uit de studie van het Europees Parlement naar de omzetting van de richtlijn inzake consumentenkredieten blijkt, enkele centrale bepalingen in de richtlijn – bijvoorbeeld artikel 5 over precontractuele informatie – niet de beoogde harmonisatie van de nationale regels inzake consumentenbescherming hebben kunnen bewerkstelligen wegens de verschillende uitlegging en omzetting door de lidstaten;

E.  overwegende dat de omzetting van de consumentenkredietrichtlijn wegens de korte omzettingstermijn en de talloze omvangrijke wetswijzigingen die binnen dat tijdsbestek moesten worden aangebracht, niet in alle lidstaten tijdig of deels niet geheel correct is verlopen;

F.  overwegende dat sinds de inwerkingtreding van de richtlijn de grensoverschrijdende opname van consumentenkredieten volgens de statistieken niet is toegenomen, hetgeen wellicht toe te schrijven is aan verschillende factoren zoals taalbarrières maar ook aan de massieve problemen in de financiële sector en het ontbreken van adequate consumenteninformatie over de mogelijkheden van grensoverschrijdend consumentenkrediet en de rechten die de consument heeft bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten;

G.  overwegende dat adequate gebruiken in de kredietsector ter bescherming van de consument een beduidende rol spelen in de zorg voor financiële stabiliteit; overwegende dat volatiele wisselkoersen beduidende risico's voor de consument opleveren, met name bij financiële crises;

H.  overwegende dat de excessieve toename van leningen in buitenlandse valuta aan consumenten de risico's en verliezen ten laste van de huishoudens heeft doen stijgen;

I.  overwegende dat het Europees Comité voor systeemrisico's op 21 september 2011 een belangrijke aanbeveling heeft doen uitgaan betreffende leningen in vreemde deviezen (ESRB/2011/1);

J.  overwegende dat de Commissie ingevolge artikel 27 van de richtlijn in mei 2013 een eerste toetsing van bepaalde aspecten moet uitvoeren, en dat zij daartoe reeds een studie in opdracht heeft gegeven;

K.  overwegende dat het Europees Parlement er veel belang aan hecht van de tussentijdse resultaten van de toetsing op de hoogte te worden gehouden en de gelegenheid te krijgen zijn standpunt kenbaar te maken;

1.  noemt het verheugend dat de Commissie ter voorbereiding van haar toetsing reeds een studie over de uitwerking op de interne markt en de consumentenbescherming laat uitvoeren, om de grensoverschrijdende betekenis te onderzoeken; betuigt zijn respect voor het vele werk dat de Commissie, de nationale wetgevers en de kredietinstellingen hebben verricht;

2.  wijst erop dat verbetering van de grensoverschrijdende consumentenkredietmarkt de interne markt ten goede komt en in zoverre een Europese meerwaarde kan opleveren; meent dat dit kan worden bereikt door bijvoorbeeld de consument beter te informeren over de mogelijkheid consumentenkrediet in een andere lidstaat op te nemen en over de rechten die zij hebben bij het aangaan van zulke overeenkomsten;

3.  neemt er nota van dat het volume van de grensoverschrijdende opnamen van consumentenkredieten minder dan 2% van de markt vertegenwoordigt, en dat ongeveer 20% van die kredieten online wordt opgenomen;

4.  wijst erop dat een van de doelstellingen van de richtlijn erin bestaat de toegang tot informatie te waarborgen en daardoor de werking van de interne markt ook bij het verstrekken van kredieten te bevorderen, en dat derhalve moet worden beoordeeld of het aantal grensoverschrijdende transacties toeneemt;

5.  is van mening dat de voorschriften inzake de precontractuele informatie, de in artikel 5, lid 6, bedoelde toelichting, en de kredietwaardigheidsbeoordeling ingevolge artikel 8 een belangrijke rol spelen waar het erom gaat de consument meer besef bij te brengen van de risico's die aan leningen in buitenlandse valuta zijn verbonden;

6.  verlangt niettemin dat de toezichthoudende autoriteiten van financiële instellingen verlangen dat zij de consumenten gepersonaliseerde, volledige en gemakkelijk te begrijpen uitleg geven over de risico's die met lenen in buitenlandse valuta zijn gemoeid, en de gevolgen voor de afbetalingstermijnen bij ernstige waardevermindering van de munt van de lidstaat waar de consument woont, of bij stijging van de buitenlandse rentevoet; stelt dat die uitleg gegeven moet worden voordat er een contract wordt getekend;

7.  neemt kennis van de bezwaren die in sommige lidstaten bestaan tegen de manier waarop de precontractuele informatie in het Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet (SECCI) aan de consument wordt gepresenteerd, namelijk zo technisch dat de consument moeite heeft die informatie werkelijk te begrijpen; stelt dat de doelmatigheid van het SECCI-formulier een belangrijk punt moet blijven waarop de Commissie bij haar effectbeoordeling van de richtlijn moet letten;

8.  is tevreden over de in september 2011 door de Commissie uitgevoerde controleoperatie „SWEEP”, waarbij werd geconstateerd dat in 70% van de gecontroleerde websites van financiële instellingen sprake was van reclame met onvolledige informatie, productaanbiedingen waaraan belangrijke gegevens ontbraken, en misleidende kostenberekeningen, en roept de Commissie en de lidstaten op de juiste maatregelen te nemen om een en ander te corrigeren; constateert in dit verband dat de regels inzake representatieve voorbeelden soms niet worden aangewend zoals het hoort, en dat hier ruimte is voor verbetering;

9.  verlangt dat nauwgezet toezicht wordt gehouden op de reclame- en marketingpraktijken van financiële instellingen om misleidende of verkeerde informatie in reclame en marketing voor kredietovereenkomsten tegen te gaan;

10.  constateert dat sommige lidstaten gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om het toepassingsgebied van de richtlijn tot ook andere financiële producten uit te breiden zonder dat dit tot tegenstrijdigheden schijnt te hebben geleid;

11.  onderstreept dat wettelijke voorschriften afgestemd moeten zijn op het normale geval, de doorsnee consument en de doorsnee ondernemer, en niet op het incidentele geval van misbruik waardoor de aan de consument geboden informatie minder begrijpelijk, transparant en vergelijkbaar zou worden;

12.  stelt vast dat een veelheid van regels niet automatisch een hogere consumentenbescherming oplevert en dat juist de onervaren consument door een overvloed aan informatie eerder in verwarring wordt gebracht dan adequaat voorgelicht; heeft in dit verband oog voor de deskundigheid, de hulp en de financiële voorlichting die door consumentenorganisaties worden geboden en voor hun potentiële rol bij de schuldherstructurering ten behoeve van huishoudens in nood;

13.  verlangt dat de consumenten zowel over de kosten van aanvullende diensten ingelicht worden, als over hun recht om aanvullende diensten zoals verzekering bij andere leveranciers te kopen; is van mening dat financiële instellingen verplicht moeten worden dergelijke diensten en de daaraan verbonden kosten te onderscheiden van diensten die deel uitmaken van de basislening en duidelijk te maken welke diensten essentieel zijn voor de verstrekking van een lening en welke de kredietnemer vrij kan kiezen;

14.  is van oordeel dat nader moet worden gekeken naar de problemen die zich kunnen voordoen bij gebruikmaking van het recht van herroeping in geval van verbonden overeenkomsten; acht het belangrijk dat de consument weet, dat hij bij gebruikmaking van zijn herroepingsrecht van een overeenkomst waarbij de leverancier of dienstverrichter het te betalen bedrag rechtstreeks van de kredietgever ontvangt uit hoofde van een verbonden overeenkomst, geen vergoeding, commissie of kosten verschuldigd is terzake van de geleverde financiële dienstverlening;

15.  vraagt de Commissie om de mate van verzuim van de informatieplicht na te gaan voor overeenkomsten waarbij tussenpersonen niet gebonden zijn aan precontractuele informatieverplichtingen, teneinde te bepalen hoe de consument in zo'n geval het best kan worden beschermd;

16.  is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de ingewikkelde regelingen rond vervroegde aflossing;

17.  stelt dat de voorafgaande kennisgeving van een gewijzigd rentetarief de consument voldoende tijd moet laten om de markt te verkennen en naar een andere kredietgever over te stappen voordat het gewijzigde tarief ingaat;

18.  constateert dat verbetering nodig is waar het gaat om de uitlegging van wat een „representatief voorbeeld” is;

19.  onderstreept dat een uniforme berekening van het jaarlijkse kostenpercentage gewaarborgd moet worden, onduidelijkheden moeten worden weggenomen, en voor samenhang met alle andere rechtsinstrumenten gezorgd moet worden;

20.  vraagt de lidstaten erop toe te zien dat nationale toezichthouders alle nodige bevoegdheden en middelen krijgen om zich van hun taak te kunnen kwijten; dringt er bij de nationale toezichthoudende autoriteiten op aan de naleving van de bepalingen van de richtlijn op een effectieve manier te bewaken en de handhaven;

21.  onderstreept dat bij het bepalen van de omzettingstermijn in de toekomst meer rekening moet worden gehouden met de wijzigingen in de nationale wetgeving die de omzetting vergt;

22.  dringt er bij de lidstaten op aan het bestaande niveau van consumentenbescherming uit te breiden tot krediet, ook kortlopend krediet dat wordt aangeboden via internet, sms of andere communicatiemedia op afstand, en dat op de markt voor consumentenkrediet een steeds normaler verschijnsel wordt, en waarbij het om bedragen gaat beneden de drempel van 200€, die thans buiten de werkingssfeer van de richtlijn blijven;

23.  beklemtoont dat er op dit moment geen aanleiding bestaat tot herziening van de richtlijn, maar dat er in de eerste plaats voor moet worden gezorgd dat de richtlijn correct wordt omgezet en gehandhaafd;

24.  is van mening dat met het oog op volledige en correcte omzetting, eerst de praktische effecten van de richtlijn moeten worden geëvalueerd voordat de Commissie met voorstellen komt voor eventuele wijzigingen; verzoekt de Commissie aan het Parlement en de Raad een beoordelingsverslag inzake de uitvoering van de richtlijn en een volledige effectbeoordeling daarvan op het vlak van consumentenbescherming voor te leggen, rekening houdend met de gevolgen van de financiële crisis en het nieuwe wettelijke kader van de EU voor financiële diensten;

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Sociaal investeringspact
PDF 141kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het sociale investeringspact - een reactie op de crisis (2012/2003(INI))
P7_TA(2012)0419A7-0263/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 5, 6, 9, 147, 149, 151 en 153,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld „Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 november 2010 getiteld „Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen: een Europese bijdrage aan volledige werkgelegenheid” (COM(2010)0682), en gezien zijn resolutie daarover van 26 oktober 2011(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 november 2011 over de Jaarlijkse groeianalyse 2012 (JGA) (COM(2011)0815), het als bijlage daaraan gehechte ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid, en zijn resolutie van 15 februari 2012 over werkgelegenheid en sociale aspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2012(2),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 18 april 2012 getiteld „Naar een banenrijk herstel” (COM(2012)0173),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2008 over een aanbeveling van de Commissie over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten (COM(2008)0639) en zijn resolutie daarover van 6 mei 2009(3) ,

–  gezien het Eurostat-onderzoek van januari 2012 en het Eurostat-persbericht van 8 februari 2012(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang” (COM(2010)0758), het desbetreffende standpunt van het Europees Economisch en Sociaal Comité(5) en zijn resolutie daarover van 15 november 2011(6),

–  gezien het besluit van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (2010)(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2008 getiteld „Vernieuwde sociale agenda: kansen, toegang en solidariteit in het Europa van de 21ste eeuw” (COM(2008)0412), en zijn resolutie daarover van 6 mei 2009(8),

–  gezien de mededeling van de Commissie over houdbare overheidsfinanciën op lange termijn voor een economie in herstel (COM(2009)0545), en zijn resolutie daarover van 20 mei 2010(9),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 juni 2010 getiteld „Een nieuwe impuls voor de Europese samenwerking op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding ter ondersteuning van de Europa 2020-strategie” (COM(2010)0296), en zijn resolutie daarover van 8 juni 2011(10),

–   gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over mobiliteit en integratie van gehandicapten en de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020(11);

–  gezien zijn resolutie van 1 december 2011 over bestrijding van voortijdig schoolverlaten(12),

–  gezien het Communiqué van Brugge over intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en opleiding voor de periode 2011-2020, dat op 7 december 2010 is aangenomen(13),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over „Vooruitgang bij de verwezenlijking van de gemeenschappelijke Europese doelstellingen inzake onderwijs en opleiding” (SEC(2011)0526),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over het bevorderen van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt en het versterken van de positie van stagiair en leerling(14),

–   gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie (COM(2011)0609),

–  gezien het recent aangenomen pakket van 5 verordeningen en één richtlijn over economische governance van de EU(15),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 20 december 2011 over het initiatief Kansen voor de jeugd (COM(2011)0933),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 juni 2011 over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (COM(2011)0398),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0263/2012),

A.  overwegende dat de huidige economische en financiële crisis nog lang zijn stempel zal blijven drukken, niet alleen op de economische groei, maar ook op de werkgelegenheidsgraad, de armoedecijfers, de sociale uitsluiting, de overheidsbesparingen en de kwantiteit en de kwaliteit van de sociale investeringen in Europa;

B.  overwegende dat de overheidssector de laatste jaren een zware schuldenlast op zich heeft genomen en dat – om buitensporig hoge schulden te voorkomen – de antwoorden op de crisis zich de laatste tijd grotendeels richtten op kortetermijndoelstellingen, namelijk het herstel van de stabiliteit van de overheidsfinanciën, dat cruciaal is voor de bescherming van onze economie, en overwegende dat deze bezuinigings- en begrotingsconsolidatiemaatregelen gepaard moeten gaan met een coherente en ambitieuze investeringsstrategie die zich duurzame groei, werkgelegenheid, sociale cohesie en een solide concurrentiepositie ten doel stelt, alsook sociale governance om te voorzien in een strikt systeem van toezicht en controle op de werkgelegenheid en de sociale doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

C.   overwegende dat de Lissabonstrategie en de Europese werkgelegenheidsstrategie niet in hun opzet geslaagd zijn, en overwegende dat het succes van de Europa 2020-strategie nog onzeker is en een nog grotere inzet van de lidstaten en de Europese instellingen vergt in de vorm van maatregelen ter bevordering van concurrentievermogen, groei en werkgelegenheid;

D.  overwegende dat de recent gepubliceerde jaarlijkse groeianalyse en het daarbij horende ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid laten zien dat de meeste lidstaten onvoldoende aandacht besteden aan de sociale, werkgelegenheids- en onderwijsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie, omdat ze begrotingsconsolidatie nog altijd als prioriteit behandelen en omdat deze nog niet in voldoende mate is gerealiseerd;

E.  overwegende dat de werkloosheid in de EU-27 is opgelopen van 7,1% in 2008 tot meer dan 10% in januari 2012, dat er sprake is van duidelijke regionale verschillen, en dat zij vooral hoog is onder jongeren, laaggeschoolde werknemers en langdurig werklozen, en overwegende dat dit samen met de vergrijzing op lange termijn een ernstig risico voor verlies van menselijk kapitaal inhoudt en onomkeerbare gevolgen kan hebben voor de arbeidsmarkt, vooral wat betreft nieuwe banen, economische groei, concurrentiepotentieel en sociale cohesie;

F.  overwegende dat 80 miljoen Europeanen momenteel het risico lopen in armoede te belanden en dat het percentage kinderen en volwassenen in werkloze huishoudens in 2010 bijna 10% bedroeg; overwegende dat dit, in combinatie met kinderarmoede, de steeds grotere armoede onder werkenden en de hoge werkloosheid onder jongeren in de toekomst tot een nog hoger risico van armoede en sociale uitsluiting zal leiden;

G.   overwegende dat de armoede onder 16- tot 24-jarigen in 2011 in Europa gemiddeld 21,6% bedroeg en dat jongeren vaker een onzekere baan, een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur of een deeltijdse baan hebben en dat zij eveneens vaker het risico lopen werkloos te worden; overwegende dat het aantal onzekere banen de afgelopen jaren sterk is gestegen en dat de werkloosheid in bepaalde landen explosief is toegenomen;

H.   overwegende dat de onderwijs- en opleidingsresultaten in de Europese Unie door het gebrek aan investeringen nog altijd ontoereikend zijn om de noden van de arbeidsmarkt te lenigen en niet het hooggekwalificeerde personeel opleveren dat steeds vaker gevraagd wordt, noch de vaardigheden die verlangd worden in de sectoren die in de toekomst veel werkgelegenheid zullen bieden;

I.   overwegende dat de druk op de stelsels voor sociale bijstand is opgelopen als gevolg van hogere uitgaven, lagere inkomsten en de drang om op kosten te besparen; overwegende dat de zwakke economische groei, de aanhoudend hoge langdurige werkloosheid, het toenemende aantal werkende armen, het feit dat veel in het zwart wordt gewerkt en de toenemende werkloosheid onder jongeren deze tendens wellicht nog zullen doen verergeren;

J.   overwegende dat gerichte sociale investeringen belangrijk zijn om in de toekomst een behoorlijke werkgelegenheidsgraad voor zowel vrouwen als mannen te waarborgen, de economie te stabiliseren, de vaardigheden en kennis van de arbeidskrachten te verbeteren en het concurrentievermogen van de Europese Unie te versterken;

K.  overwegende dat het mkb een groot potentieel herbergt voor het creëren van nieuwe banen en een cruciale rol speelt in de overgang naar een nieuwe, duurzame economie;

Nieuwe strategie voor sociale investeringen in Europa

1.  herinnert eraan dat middels sociale investeringen geldmiddelen worden vrijgemaakt en benut om zowel maatschappelijk als economisch rendement te genereren, dat deze investeringen moeten ingezet worden om nieuw ontstane maatschappelijke risico's en onvervulde behoeften aan te pakken en zich met name richten op overheidsmaatregelen en strategieën voor investeringen in menselijk kapitaal om individuele personen, gezinnen en samenlevingen te helpen zich voor te bereiden op de aanpassing aan de diverse hervormingen en op hun overgang naar veranderende arbeidsmarkten en zich te wapenen voor de andere uitdagingen die op hen afkomen, onder andere door het verwerven van nieuwe vaardigheden die gevraagd zullen worden in sectoren die in de toekomst veel werkgelegenheid zullen bieden;

2.   merkt op dat onder meer de gehele openbare dienstverlening in de welzijns-, gezondheids- en onderwijssector en de particuliere dienstverlening op deze gebieden als sociale investeringen kunnen worden beschouwd en wijst er eens te meer op dat die gebieden volgens de gemaakte afspraken onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen;

3.   benadrukt dat het vermogen om sociale en economische doelstellingen met elkaar te verzoenen een van de voornaamste kenmerken van sociale investeringen is en dat ze daarom niet alleen als uitgaven, maar vooral ook als investeringen met een concreet tweevoudig toekomstig rendement moeten worden beschouwd, mits de middelen op de juiste manier worden besteed;

4.  merkt derhalve op dat gerichte sociale investeringen een belangrijk onderdeel van het economisch en werkgelegenheidsbeleid van de EU en van de lidstaten en van hun reacties op de crisis moeten vormen om de werkgelegenheids-, sociale en onderwijsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie te kunnen verwezenlijken;

5 is van mening dat het bevorderen en centraal stellen van maatschappelijk verantwoord ondernemen en van toegang tot microfinanciering voor kwetsbare groepen en voor degenen die het verst van de arbeidsmarkt verwijderd zijn, essentiële elementen zijn in de context van sociale investeringen, aangezien zij het mogelijk maken nieuwe banen te scheppen en vaak duurzame veranderingen in de economische cyclus bewerkstelligen;

6.  merkt op dat de crisis noopt tot modernisering van het Europees sociaal model, tot heroverweging van het nationale sociale beleid en tot het ombouwen verzorgingsstaten – die zich vooral plegen te richten op het opvangen van de schade die ontstaat door het falen van de markten – tot „activerende verzorgingsstaten”, die investeren in mensen en die instrumenten en stimulansen aanreiken om duurzame banen en duurzame groei te genereren en het ontstaan van sociale misstanden tegen te gaan; merkt op dat de crisis de behoefte aan investeringen in maatschappelijk verantwoord ondernemen nog scherper aan de orde heeft gesteld;

Activerende verzorgingsstaten

7.  dringt er in dit verband bij de lidstaten en de Commissie op aan het evenwicht te bewaren tussen de maatregelen die worden genomen ter bestrijding van de directe gevolgen van de crisis en het beleid op middellange en lange termijn, en daarbij vooral prioriteit te geven aan activiteiten die erop gericht zijn:

   a) werklozen weer aan het werk te krijgen door het creëren van een innovatiegerichte en dynamische omgeving en door het bieden van maatwerkoplossingen en van de nodige opleidingsfaciliteiten; degenen die de arbeidsmarkt betreden te helpen werk te vinden en te randvoorwaarden te creëren voor een soepeler overgang van onderwijs en opleiding naar het beroepsleven,
   b) de jeugdwerkloosheid te bestrijden en duurzame integratie van jongeren in het beroepsleven mogelijk te maken, ook voor jongeren zonder baan, onderwijs of beroepsopleiding,
   c) de economische groei te stimuleren om hoogwaardige en duurzame banen te creëren voor zowel vrouwen als mannen, met name in het midden- en kleinbedrijf; zowel de productiviteit als de werkverdeling te verbeteren,
   d) het werkklimaat te verbeteren en de oorzaken van vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt, zoals arbeidsongevallen, pesten op de werkvloer en andere ongunstige arbeidsomstandigheden weg te nemen,
   e) te investeren in onderwijs en levenslang leren voor alle leeftijdsgroepen door speciaal de nadruk te leggen op vroegschoolse educatie en toegang tot het hoger onderwijs, samenwerking tussen bedrijven en scholen, bedrijfs- en speciale opleidingen voor sectoren met een tekort aan arbeidskrachten, alsmede beroepsonderwijs,
   f) te investeren in innovatie door de ontwikkeling van innovatieve producten en diensten te ondersteunen, in het bijzonder op het gebied van klimaatverandering, energie-efficiëntie, gezondheid en vergrijzing van de bevolking,
   g) de oorzaken van gendersegregatie op de arbeidsmarkt weg te werken,
   h) te zorgen voor meer evenwicht tussen flexibele en vaste arbeidscontracten ter bevordering van de werkgelegenheid en om gezins- en beroepsleven beter met elkaar te kunnen combineren,
   i) de pensioenstelsels af te stemmen op de veranderende economische en demografische omstandigheden, de noodzakelijke hervormingen door te voeren en te zorgen dat deze zowel duurzaam als houdbaar zijn, en de economische afhankelijkheidsgraad te verminderen door bijvoorbeeld de voorwaarden te scheppen voor langer doorwerken op vrijwillige basis, betere gezondheids- en veiligheidsvoorwaarden op het werk, het creëren van diverse stimulansen en flexibele arbeidsmodellen, evenals het bieden van meer werk voor alle leeftijdsgroepen,
   j) armoede en sociale en medische uitsluiting te bestrijden, waarbij vooral de nadruk moet liggen op preventieve en proactieve initiatieven;

8.  roept de lidstaten en de Commissie ertoe op stappen te ondernemen om groei- en werkgelegenheidsgericht beleid te ontwikkelen (bijvoorbeeld door effectievere ondersteuning van mkb-bedrijven, alsook door middel van effectievere, doelgerichtere en activerende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid en sociale bijstandsregelingen), mogelijkheden tot levenslang leren en speciale opleidingen voor sectoren met een tekort aan arbeidskrachten te introduceren, te voorzien in de behoeften van de regionale en lokale arbeidsmarkten en de noodzaak tot herscholing om de inzetbaarheid van langdurig werklozen te ondersteunen en levenslange bij- en nascholing, bedrijfsopleidingen en betaalde stages met bijzondere aandacht voor werkloze jongeren en voor werknemers met een laag opleidingsniveau te bevorderen, die erop gericht moeten zijn voltijdwerkers in staat te stellen van hun werk te leven;

9.  onderstreept dat werkgelegenheid voor jongeren een belangrijk onderdeel moet vormen van de sociale investeringsstrategie; spoort de lidstaten ertoe aan te investeren in en te komen met toekomstgerichte ambitieuze strategieën om te voorkomen dat er een generatie verloren gaat en om de toegang tot de arbeidsmarkt voor jongeren te verbeteren door:

   a) het ontwikkelen van partnerschappen tussen scholen, opleidingscentra en lokale of regionale bedrijven,
   b) het verzorgen van opleidingen en hoogwaardige stageprogramma's voor jongeren, het bieden van beroepsopleidingsmogelijkheden in samenwerking met bedrijven en van mentoringfaciliteiten door oudere werknemers om jongeren in dienst te kunnen nemen en hen binnen het bedrijf zelf te kunnen opleiden,
   c) het bevorderen van ondernemerschap en van een Europees jeugdgarantiestelsel en het creëren van prikkels voor werkgevers om afgestudeerden in dienst te nemen,
   d) te zorgen voor een betere overgang van onderwijs naar werk en Europese en regionale mobiliteit te bevorderen;

10.  wijst daarnaast ook op de persoonlijke verantwoordelijkheid, in die zin dat mensen ook moeten nadenken over wat zij kunnen doen om ervoor te zorgen dat zij in de wedloop om talent tot de winnaars behoren;

11.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan alle mogelijke maatregelen te nemen om onderwijsstelsels op alle niveaus te verbeteren door duidelijk de nadruk te leggen op strategieën voor voor- en vroegschoolse educatie, door een integratiegericht schoolklimaat tot stand te brengen, door voortijdig schoolverlaten te voorkomen, door het secundair onderwijs te verbeteren en leerlingen te begeleiden en te adviseren, door betere omstandigheden te scheppen zodat jongeren met succes hoger onderwijs kunnen aanvatten of rechtstreeks toegang krijgen tot de arbeidsmarkt, door instrumenten te ontwikkelen om beter te kunnen anticiperen op toekomstige vaardigheidsbehoeften en de samenwerking tussen onderwijsinstellingen, bedrijven en arbeidsbemiddelingsdiensten te versterken, door de erkenning van beroepskwalificaties te verbeteren en nationale kwalificatiekaders te ontwikkelen;

12.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een goed evenwicht tussen zekerheid en flexibiliteit op de arbeidsmarkt te garanderen door consistente toepassing van flexizekerheidsbeginselen, en arbeidsmarktsegmentering aan te pakken door zowel adequate sociale bescherming te bieden voor mensen die zich in een overgangspositie bevinden of mensen met deeltijdse of halftijdse banen, als toegang te verschaffen tot faciliteiten voor opleiding, loopbaanontwikkeling en voltijds werk; spoort de lidstaten ertoe aan te investeren in diensten als betaalbare, voltijdse en kwalitatief verantwoorde kinderopvang, scholen waar kinderen de hele dag terecht kunnen en tehuizen voor ouderenzorg, die gendergelijkheid helpen bevorderen, zorgen voor een beter evenwicht tussen werk en gezin en een situatie creëren die de mogelijkheid biedt de arbeidsmarkt te betreden of opnieuw aan het werk te gaan;

13.  spoort de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan, ertoe aan de nodige hervormingen door te voeren om hun pensioenstelsels duurzaam, veilig en integratief te maken, en de economische afhankelijkheidsgraad te verlagen om een voldoende groot personeelsbestand te kunnen handhaven, een en ander in combinatie met een constante verbetering van de arbeidsomstandigheden en met levenslange opleidingsprogramma's om gezondere en langere beroepsloopbanen mogelijk te maken;

Betere governance dankzij het sociaal investeringspact

14.  spoort de lidstaten ertoe aan grotere inspanningen te leveren om sociale investeringen op te nemen in hun begrotingsdoelstellingen voor de middellange en lange termijn en in hun nationale hervormingsprogramma's; verzoekt de Europese Raad en de Commissie er nauwlettend op toe te zien dat de doelstellingen van de Europa 2020-strategie op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken worden verwezenlijkt;

15.  merkt op dat het recent ontwikkelde systeem voor macro-economisch en begrotingstoezicht in de EU moet aangevuld worden met beter toezicht op het beleid inzake werkgelegenheid en sociale zaken, ten einde de daadwerkelijke verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken te kunnen garanderen; roept de Commissie er daarom toe op zich te beraden over de opstelling van een scorebord met gemeenschappelijke indicatoren voor sociale investeringen waarmee de in de lidstaten en op Unieniveau geboekte vorderingen nauwlettend kunnen worden gevolgd, en om maatschappelijk verantwoord ondernemen op bedrijfsniveau – met name in het midden- en kleinbedrijf – te bevorderen door een Europees sociaal kwaliteitsmerk in te voeren;

16.  verzoekt de lidstaten zich te beraden over de sluiting van een „sociaal investeringspact”, waarbij investeringsdoelstellingen worden vastgelegd en een strikter controlesysteem wordt gecreëerd ter ondersteuning van hun inspanningen om te voldoen aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en onderwijs; het is de bedoeling dat in dit „sociaal investeringspact”, naar het model van onder andere het „Euro Plus-pact”, een lijst wordt opgenomen van specifieke maatregelen die in de vorm van sociale investeringen binnen een bepaald tijdsbestek door de lidstaten moeten worden uitgevoerd om de doelstellingen op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en onderwijs te verwezenlijken in overeenstemming met de jaarlijkse groeianalyse en de nationale hervormingsprogramma's; een en ander moet worden onderworpen aan een regulier toezichtsysteem, waarbij een belangrijke rol wordt toebedeeld aan de Europese Commissie en het Europees Parlement, en waarbij alle relevante formaties van de Raad moeten worden betrokken;

17.  verzoekt de Commissie alle mogelijke stappen te ondernemen om de lidstaten ertoe aan te moedigen dit „sociaal investeringspact” te ondertekenen en om de doelstellingen op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en onderwijs in het kader van het Europees Semester 2013 te evalueren;

18.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 in de nodige begrotingsmiddelen voorziet om de sociale investeringen in Europa te kunnen stimuleren en ondersteunen, dat de beschikbare financiering op een rationele en doelmatige wijze gebruikt wordt en dat ook de structuurfondsen, met name het Europees Sociaal Fonds, worden ingeschakeld ter ondersteuning van de sociale investeringen, waarbij moet worden gegarandeerd dat de desbetreffende prioriteiten de specifieke behoeften van de lidstaten weerspiegelen; verzoekt de Commissie om, zo zij dit nodig acht, ook andere mogelijke financieringsbronnen ter beschikking van de lidstaten te stellen voor sociale investeringen;

o
o   o

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0466.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0047.
(3) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 23.
(4) Eurostat-persbericht 21/2012, blz. 1.
(5) PB C 248 van 25.8.2011, blz. 130.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0495.
(7) PB L 298 van 7.11.2008, blz. 20.
(8) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 11.
(9) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 112.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0263.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0453.
(12) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0531.
(13) IP/10/1673.
(14) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 29.
(15) PB L 306 van 23.11.2011.


Afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten
PDF 150kWORD 66k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over de afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten: welke strategie om de smaken van Europa beter onder de aandacht te brengen (2012/2077(INI))
P7_TA(2012)0420A7-0286/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 7 september 2010 inzake billijke inkomens voor de boeren: een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie over afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten: een strategie met een belangrijke Europese meerwaarde om de smaken van Europa beter onder de aandacht te brengen (COM(2012)0148),

–  gezien het Groenboek van de Commissie over afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten: een strategie met een belangrijke Europese meerwaarde om de smaken van Europa beter onder de aandacht te brengen (COM(2011)0436),

–  gezien de horizontale regeling voor afzetbevordering, die werd vastgelegd in Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad van 17 december 2007(2) en de uitvoeringsverordening daartoe, Verordening (EG) nr. 501/2008 van de Commissie van 5 juni 2008(3),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening)(4),

–  gezien de studie die in 2011 namens de Commissie werd uitgevoerd genaamd „Evaluation of Promotion and Information Actions for Agricultural Products” (Beoordeling van afzetbevorderings- en voorlichtingsacties voor landbouwproducten)(5),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de toepassing van Verordening van de Raad (EG) nr. 3/2008 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen (SEC(2010)1434),

–  gezien de conclusies van de Raad van 15/16 december 2011 betreffende de toekomst van het beleid inzake afzetbevordering in de landbouw,

–  gezien de op 12 oktober 2011 ingediende wetgevingsvoorstellen van de Commissie voor de hervorming van het GLB (COM(2011)0625/3, COM(2011)0627/3, COM(2011)0628/3, COM(2011)0629, COM(2011)0630/3, COM(2011)0631/3), en het voorstel voor een integrale-GMO-verordening,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie over afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten: een strategie met een belangrijke Europese meerwaarde om de smaken van Europa beter onder de aandacht te brengen (NAT/560),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het groenboek over afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten: een strategie met een belangrijke Europese meerwaarde om de smaken van Europa beter onder de aandacht te brengen (NAT/525)(6),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A7-0286/2012),

A.  overwegende dat de Commissie in maart 2012 een mededeling over voorlichting en afzetbevordering heeft gepubliceerd, die naar verwachting eind dit jaar gevolgd zal worden door wetsvoorstellen;

B.  overwegende dat de agrolevensmiddelensector een sterke en vitale sector voor economische groei en innovatie in alle lidstaten kan worden, met name in plattelandsgebieden en op regionaal niveau, en kan zorgen voor hogere landbouwinkomens en meer werkgelegenheid en groei;

C.  overwegende dat voorlichtings- en afzetbevorderingsmaatregelen in de jaren 80 werden ingevoerd met als doel de landbouwoverschotten weg te werken en later ook werden gebruikt als instrument om crisissituaties in de voedingsindustrie aan te pakken, zoals de uitbraak van boviene spongiforme encefalopathie (BSE) - beter bekend als de gekkekoeienziekte - in 1996 en de dioxinecrisis in 1999;

D.  overwegende dat voorlichtings- en afzetbevorderingsmaatregelen in deze tijd een grotere en constantere rol moeten spelen en ertoe moeten bijdragen dat producten rendabeler worden, dat de mededinging op externe markten eerlijker wordt en dat de consumenten meer en beter worden voorgelicht;

E.  overwegende dat dit soort steun momenteel gefinancierd wordt in het kader van Verordening (EG) nr. 3/2008, beter bekend als de „horizontale regeling voor afzetbevordering”; overwegende dat een door de Commissie aangevraagde beoordelingsstudie van het afzetbevorderingsbeleid in 2011 tot de conclusie kwam dat een consistente en alomvattende strategie van de Unie inzake voorlichting en afzetbevordering ontbrak;

F.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 1234/2007 betreffende de integrale gemeenschappelijke marktordening (iGMO), die momenteel herzien wordt in het kader van het hervormingsproces van het GLB, steun verleent aan specifieke afzetbevorderingsmaatregelen voor de wijn-, fruit- en groentesector als onderdeel van bredere programma's; overwegende dat afzetbevorderingsmaatregelen voor producten die worden gedekt door de voedselkwaliteitsregelingen momenteel gefinancierd worden in het kader van het beleid voor plattelandsontwikkeling;

G.  overwegende dat de wijnconsumptie in de Europese Unie constant daalt en dat er geen Europese maatregelen voor de interne bevordering van dit product bestaan;

H.  overwegende dat de uitgaven voor de horizontale regeling voor afzetbevordering in de begroting van 2012 ongeveer 56 miljoen euro bedragen, wat neerkomt op circa 0,1% van de totale GLB-uitgaven;

I.  overwegende dat voor de begroting ook rekening moet worden gehouden met de meest recente doelstellingen van het voorlichtings- en afzetbevorderingsbeleid, die niet alleen betrekking hebben op het herstellen van het vertrouwen van de consument na crisissituaties, maar ook op het rendabeler maken van producten, bewerkstelligen van een eerlijkere mededinging op externe markten en het meer en beter voorlichten van consumenten;

J.  overwegende dat de uitgaven voor alle andere afzetbevorderings- en voorlichtingsmaatregelen van het GLB, met name in het kader van de integrale GMO en het beleid inzake plattelandsontwikkeling, tussen de 400 en 500 miljoen euro per jaar bedragen, wat nog steeds minder is dan 1% van de totale uitgaven voor het GLB, en duidelijk te weinig, vooral om het concurrentievermogen van Europese producten op de wereldmarkt te verbeteren;

K.  overwegende dat een van de sterke punten van de Unie wat betreft voedselproductie de verscheidenheid en specificiteit van haar producten is, die met verschillende geografische gebieden en verschillende traditionele methodes verbonden zijn en unieke smaken bieden, met de gevarieerdheid en authenticiteit waarnaar de consumenten steeds vaker op zoek zijn, zowel binnen de EU als daarbuiten;

L.  overwegende dat het afzetbevorderingsbeleid een belangrijk GLB-instrument is dat kan bijdragen aan het concurrentievermogen en de levensvatbaarheid van de landbouw- en levensmiddelensector op lange termijn;

M.  overwegende dat de EU onlangs een lijst van goedgekeurde voedings- en gezondheidsclaims heeft gepubliceerd die in december 2012 van kracht wordt en aldus een einde maakt aan jaren van onzekerheid voor de voedingsindustrie, omdat ze de afzetinstrumenten biedt die essentieel zijn om de aandacht van de consument te trekken en hem beter in staat te stellen om bewuste keuzes te maken;

N.  overwegende dat het concurrentievermogen van de landbouw- en levensmiddelensector van de EU op wereldniveau nog kan groeien indien de EU in staat is de Europese levensmiddelendiversiteit en het Europese productiemodel, dat aan hoge normen inzake kwaliteit, veiligheid, dierenwelzijn en ecologische duurzaamheid, enz. onderworpen is, te promoten en zo andere landbouwgrootmachten ertoe aanmoedigt dit model over te nemen, zodat er gelijke productievoorwaarden en eerlijke concurrentieverhoudingen ontstaan;

O.  overwegende dat de toenemende globalisering van de handel ontegenzeglijk een aantal uitdagingen meebrengt, maar tegelijkertijd ook nieuwe markten opent en nieuwe groeikansen biedt;

P.  overwegende dat de Raad, in zijn conclusies van december 2011 betreffende het beleid voor afzetbevordering voor landbouwproducten verklaart dat er ook voorlichtings- en afzetbevorderingsacties moeten komen ter stimulering van het potentieel van de lokale landbouw en de distributie via korte kanalen, en dat deze acties moeten worden ingepast in plattelandsontwikkelingsprogramma's, zoals de Commissie al had voorgesteld;

Q.  overwegende dat het noodzakelijk en belangrijk is voldoende middelen uit te trekken voor een beleid dat de afzet van Europese landbouwproducten en levensmiddelen bevordert en bijdraagt tot het concurrentievermogen van de landbouw- en levensmiddelensector door voordeel te trekken uit de diversiteit, de toegevoegde waarde en de kwaliteit van de producten ervan;

R.  overwegende dat er een onlosmakelijke band bestaat tussen de Europese landbouw en de levensmiddelenindustrie, die 70% van de landbouwgrondstoffen verwerkt en als levensmiddelen verkoopt; dat 99% van de Europese levensmiddelen- en drankenbedrijven kmo's zijn, waarvan 52% op het platteland is gevestigd, wat hen tot een drijvende economische en sociale kracht in het Europese plattelandsmilieu maakt;

S.  overwegende dat GLB-steun voor het ontwikkelen van korte voorzieningsketens en lokale markten wordt gefinancierd door het beleid voor plattelandsontwikkeling, wat inderdaad de beste benadering is, aangezien dergelijke initiatieven kleinschalig en erg lokaal zijn en lokale tewerkstelling creëren;

T.  overwegende dat unieke traditionele Europese producten een aanzienlijk groeipotentieel hebben en aantrekkelijk zijn voor consumenten op grotere derde markten, en dat deze producten baat zouden hebben bij doelgerichte en intensievere afzetbevorderingsprogramma's en voor werkgelegenheid en groei in regionale gebieden zouden kunnen zorgen;

U.  overwegende dat een van de doelstellingen van de wetgevingsvoorstellen die momenteel ter tafel liggen in verband met de GLB-hervorming voor de periode na 2013 is ervoor te zorgen dat dit beleid volledig kan bijdragen tot de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie;

V.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 1234/2007 betreffende de integrale GMO regels bevat voor de financiering van de schoolfruit- en schoolmelkprogramma's; overwegende dat volgens het huidige voorstel om de gemeenschappelijke marktordening te herzien (COM(2011)0626), het medefinancieringspercentage door de EU voor de schoolfruitregeling verhoogd zou moeten worden van 50% tot 75% van de kosten (en van 75% tot 90% in convergentieregio's);

W.  overwegende dat de schoolfruit- en schoolmelkprogramma's ook educatieve doelstellingen nastreven, onder andere leerlingen een beter idee geven van de manier waarop voedsel geproduceerd wordt en hoe het leven op een boerderij eruit ziet;

X.  overwegende dat de diverse afzetbevorderingsprogramma's, mits zij effectief worden uitgevoerd, ervoor helpen zorgen dat de Europese landbouwproducten in Europa en de hele wereld erkend worden en dat de consument zich meer bewust wordt van de hoge normen inzake voedselveiligheid, dierenwelzijn en milieubescherming waaraan de Europese landbouwers voldoen en die voortdurend gecontroleerd en verbeterd worden;

Y.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 814/2000 ernaar streeft burgers het Europese landbouwmodel te helpen begrijpen en het bewustzijn bij de burgers over deze kwesties te vergroten; overwegende dat er vandaag waarschijnlijk meer onwetendheid en misverstanden over de landbouw zijn dan tijdens eender welke andere periode in de geschiedenis van Europa, en dat een belangrijke factor waarvan het publiek zich het minst bewust is de aanzienlijke stijging van de productiekosten in de landbouw is als gevolg van de door de EU opgelegde verplichtingen inzake voedselveiligheid en -hygiëne, sociaal welzijn van werkenden, instandhouding van het milieu en dierenwelzijn, verplichtingen die in veel gevallen niet gelden voor de rechtstreekse concurrenten van de EU op de landbouwmarkten; overwegende dat een van de belangrijke factoren waarover in de publieke opinie de meeste misverstanden bestaan is dat men zich niet bewust is van de aanzienlijke bijdrage die de landbouw levert aan het terugringen van de broeikasgasemissies, en van de lange lijst van collectieve voordelen die de landbouw oplevert.

Algemene benadering

1.  verwelkomt de mededeling van de Commissie over afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten: een strategie met een belangrijke Europese meerwaarde om de smaken van Europa beter onder de aandacht te brengen„, die een eerste stap moet vormen naar de opwaardering van Europese producten in de ogen van zowel de Europeanen als de consumenten in andere werelddelen en naar verhoging van de rentabiliteit ervan;

2.  steunt de vier belangrijkste doelstellingen die in de mededeling werden bepaald, namelijk te zorgen voor een grotere Europese toegevoegde waarde in de voedingssector, een aantrekkelijker en trefzekerder beleid, een eenvoudiger beheer en meer synergie tussen de verschillende afzetbevorderingsinstrumenten;

3.  is van oordeel dat er evenveel aandacht moet worden geschonken aan het afzetbevorderingsbeleid voor de interne als aan dat voor de externe markt, aangezien beide voordelen opleveren voor producenten en consumenten;

4.  benadrukt dat het EU-afzetbevorderingsbeleid intern, op plaatselijk en regionaal niveau en op groeiende wereldmarkten legitiem en belangrijk blijft;

5.  is echter van mening dat de doelstellingen van het afzetbevorderingsbeleid van de EU duidelijker moeten worden en naar behoren moeten worden gedefinieerd; benadrukt dat afzetbevorderingsactiviteiten betrekking moeten hebben op alle landbouwlevensmiddelen die voldoen aan Europese kwaliteitsnormen, aangezien dat zal bijdragen tot de doeltreffendheid van die activiteiten en beantwoordt aan de behoeften van de consument; benadrukt ook dat steun aan een landbouw die voor voedselzekerheid, duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en een dynamisch platteland zorgt, goed is voor de groei en de werkgelegenheid;

6.  benadrukt dat er op de interne markt algemene en constante afzetbevordering nodig is om ervoor te zorgen dat de Europese burgers geïnformeerd worden over de kenmerken en de meerwaarde van de Europese landbouwproducten die zij op de markt aantreffen;

7.  benadrukt dat het marktaandeel van Europese landbouwproducten op de externe markt gehandhaafd en vergroot moeten worden en dat er op de nieuwe, opkomende markten moet worden gezocht naar nieuwe afzetmogelijkheden voor deze producten, met meer samenhang tussen het afzetbevorderings- en het handelsbeleid van de EU;

8.  meent dat een duidelijke definitie door de Commissie van de doelstellingen van het afzetbevorderingsbeleid van de EU, in combinatie met de vaststellingen van objectieve richtsnoeren voor de lidstaten, een noodzakelijke eerste stap vormt naar meer beleidssamenhang en synergie tussen de verschillende afzetbevorderingsinstrumenten en absoluut essentieel is voor het waarborgen van een transparantere selectie van programma's op nationaal niveau; wijst erop dat de activiteiten van de Unie op dit vlak nationale initiatieven, alsook initiatieven uit de particuliere sector moeten aanvullen;

9.  is van mening dat de begroting voor verbeterde voorlichtings- en afzetbevorderingsmaatregelen aanzienlijk verhoogd moet worden, rekening houdend met de meest recente doelstellingen van het voorlichtings- en afzetbevorderingsbeleid, met name voor de horizontale regeling voor afzetbevordering; is ook van mening dat voor die regeling een aparte begrotingslijn moet worden gecreëerd;

10.  benadrukt dat de Europese landbouwsector slechts kans van slagen heeft als hij zijn marktaandeel weet te vergroten en ervoor kan zorgen dat de zeer concurrerende levensmiddelenindustrie haar belangrijke plaats binnen de economie en de handel in de EU behoudt;

11.  benadrukt de noodzaak van brede consumentenvoorlichtingscampagnes in de EU en op externe markten over de productkwaliteitsnormen en certificatiestelsels;

12.  benadrukt dat horizontale maatregelen voor afzetbevordering in het kader van Verordening (EG) nr. 3/2008 moeten bijdragen tot de ontwikkeling van lokale markten en korte voorzieningsketens en tot nieuwe impulsen voor de interne markt en intensivering van de afzetbevordering van Europese producten op externe markten;

13.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een vierde soort afzetbevorderingsmaatregel in te voeren die betrekking heeft op technische bijstand; acht dit essentieel voor een effectief afzetbevorderingsbeleid, vooral op externe markten;

14.  is zich bewust van het potentieel van het „paraplu”-systeem voor voorlichtings- en afzetbevorderingsmaatregelen;

15.  beveelt aan de generieke aard van voorlichtings- en afzetbevorderingsactiviteiten te handhaven;

Lokale, regionale, interne en externe markt

16.  verklaart dat het voorlichtings- en afzetbevorderingsbeleid van de EU drie hoofddoelen moet hebben: op de plaatselijke en regionale markten moet het de verscheidenheid en versheid van producten onder de aandacht brengen, alsook de korte afstand tussen producenten en consumenten, teneinde voor economische heropleving en sociale opwaardering van het plattelandsleven te zorgen; op de interne markt moet het optimaal gebruik maken van de voordelen van de Europese ruimte zonder grenzen en haar 500 miljoen consumenten, teneinde de productie op te voeren en de consumptie van Europese producten te stimuleren; op externe markten moet het profijt trekken uit de hoge normen die het Europese productiemodel kenmerken, teneinde een grotere meerwaarde voor de landbouwlevensmiddelensector te verkrijgen;

17.  stelt voor dat de Commissie korte voorzieningsketens ontwikkelt in de lokale en regionale markten en zo nieuwe kansen schept voor landbouwers en andere producenten in plattelandsgebieden en voor beroepsverenigingen van landbouwers en/of landbouwers en andere bedrijven op het platteland, en dat zij een breed scala aan instrumenten ontwerpt om de ontwikkeling van plattelandsgebieden te stimuleren; acht het voorts wenselijk dat de Commissie gidsen opstelt om landbouwers te helpen om meer en beter te investeren in de kwaliteit en de specifieke waarde van hun producten; is van mening dat ook moet worden gedacht over investeren in informatieverspreiding via de media (met name internet);

18.  stelt de Commissie voor op het niveau van de interne markt meer steun te verlenen aan de inspanningen van Europese producenten om de capaciteit te verwerven die nodig is om te voldoen aan de hogere verwachtingen van de consument op het gebied van kwaliteit, hygiëne en kennis inzake de oorsprong van verse producten en wanneer die het best kunnen worden geconsumeerd, om aldus de verscheidenheid van producten en levensmiddelen te bevorderen en de mogelijkheid te bieden om kennis te maken met nieuwe producten of nieuwe manieren om traditionele producten te presenteren en te gebruiken;

19.  verzoekt daarom om uitbreiding van op specifieke markten of producten gerichte programma's, waarbij de afzetbevorderingsinstrumenten de nadruk moeten leggen op de specifieke kenmerken van productienormen, en altijd de aandacht moeten vestigen op het Europese productiemodel en meer in het bijzonder de Europese kwaliteitsstelsels; acht het ook van belang dat meerlandenprogramma's worden aangemoedigd die betrekking hebben op diverse producten, omdat die enerzijds een ware Europese dimensie geven aan het programma en anderzijds meer specifiek behoefte hebben aan Europese steun; is in dit verband van mening dat voorrang moet worden gegeven aan landen die productieprogramma's uitvoeren waarin rekening wordt gehouden met de marktomstandigheden en het marktpotentieel en tegelijkertijd de Commissie de mogelijkheid geven om de steun voor het aangewezen gebied aan te passen;

20.  dringt erop aan dat afzetbevorderingsmaatregelen aantrekkelijker worden gemaakt voor beroepsorganisaties dankzij meer samenwerking tussen lopende nationale en sectorale activiteiten en betere coördinatie met politieke activiteiten, met name vrijhandelsovereenkomsten;

21.  acht het noodzakelijk te zorgen voor meer flexibiliteit in de programma's, zodat zij kunnen worden aangepast aan de marktschommelingen die zich tijdens de uitvoeringsfase voordoen; meent dat met het oog daarop ook minder details moeten worden geëist bij de indiening van programma's;

22.  meent dat er een betere programmabeoordeling moet komen waarbij gebruik wordt gemaakt van een strak beoordelingssysteem met specifieke indicatoren, zoals stijging van het marktaandeel en groei van de werkgelegenheid; is van mening dat het selectieproces korter moet worden en dat moet worden gedacht aan de mogelijkheid om voorschotten uit te keren aan organisaties;

23.  feliciteert de Commissie met de goede resultaten die met het huidige voorlichtings- en afzetbevorderingsbeleid voor landbouwproducten zijn behaald, maar verzoekt om vereenvoudiging en verbetering van dat beleid, waarbij het bijzonder belangrijk is dat de administratieve lasten worden verlicht, in de allereerste plaats door het aantal rapporten dat de Commissie verlangt, te verminderen; acht het wenselijk dat de Commissie een eenvoudig en volledig handboek opstelt dat potentiële begunstigden helpt om aan de aan dit beleid verbonden regels en procedures te voldoen;

24.  vestigt de aandacht van de Commissie op het feit dat het produceren van kwaliteitslevensmiddelen voor de externe markten op zich niet volstaat om een goede marktpositie te waarborgen en dat het daarom van vitaal belang is te investeren in afzetbevorderingsprogramma's; is van mening dat die programma's vooraf moeten worden gegaan door marktstudies in derde landen, die eventueel kunnen worden gecofinancierd; meent dat ook moet worden gedacht aan de mogelijkheid om proefprojecten te steunen in derde landen die als potentiële nieuwe markten zijn geïdentificeerd;

25.  pleit voor acties om de ontwikkeling van Europese verenigingen en bedrijven te stimuleren en deze aan te moedigen deel te nemen aan wereldfora en concurrerend te zijn dankzij kwaliteit en door prioriteit toe te kennen aan specialisatie en verscheidenheid; meent dat landbouwers en coöperaties daarin moeten worden bijgestaan, onder meer door middel van technische bijstand aan producenten, om hun strategieën uit te voeren en hun exportvermogen te benutten;

26.  wenst dat het mogelijk wordt gemaakt ook de oorsprong van producten zonder kwaliteitsbenaming te promoten en hun kenmerken en kwaliteiten onder de aandacht te brengen;

27.  meent dat er voor het voorlichtings- en afzetbevorderingsbeleid voor Europese producten een eigen label moet komen dat die producten binnen en buiten de EU identificeert;

28.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de consument zich meer bewust wordt van het feit dat de Europese landbouwnormen de strengste ter wereld zijn op gebieden als kwaliteit, veiligheid, dierenwelzijn, ecologische duurzaamheid, enz., en dat dit gevolgen heeft voor de eindprijs van het product; meent dat de consumenten transparante informatie moeten krijgen over hoe zij Europese producten en de eigenschappen daarvan kunnen herkennen, zodat zij niet het risico lopen nagemaakte producten te kopen en in staat worden gesteld om te besluiten wat zij willen kopen;

Oorsprong en kwaliteit

29.  gelooft dat kwaliteitsproducten producten zijn die zijn verbonden aan een specifieke productiemethode, geografische oorsprong, traditie of culturele context, en merkt op dat er al regelingen bestaan om deze te beschermen zoals de beschermde oorsprongsbenaming (BOB), de beschermde geografische aanduiding (BGA), biologische labels en gegarandeerde traditionele specialiteiten (GTS); dringt aan op een nieuwe regeling voor lokale landbouw en directe verkoop ten behoeve van lokale kwaliteitsproducten die bedoeld zijn voor consumptie in de regio waarin ze geproduceerd worden;

30.  is van mening dat de vermelding van de Europese oorsprong moet prevaleren als belangrijkste identiteit in alle afzetbevorderings- en voorlichtingsactiviteiten, zowel op de interne markt als in derde landen; meent dat kan worden overwogen om in derde landen daarnaast ook de nationale oorsprong te vermelden in gevallen waarin die identiteit sterk is en wanneer dat bijdraagt tot het accentueren van de diversiteit van het levensmiddelenaanbod;

31.  benadrukt dat het voor particuliere merken absoluut noodzakelijk is dat er een evenwicht wordt gevonden tussen generieke en merkgebonden bevordering, dat de afzetbevorderingscampagnes in derde landen doeltreffender zal helpen maken; deelt het standpunt van de Commissie dat merken een hefboomeffect kunnen hebben op dit soort activiteiten, en dat het logisch is de generieke bevordering aan te vullen met het samenbrengen van economische spelers via de bevordering van producten en merken, waardoor de impact op importeurs en dus op de consumenten groter wordt; is van mening dat het opnemen van particuliere handelsmerken in de bevorderingsactiviteiten er anderzijds toe zal leiden dat het bedrijfsleven meer belang heeft bij deelname, en dat niet moet worden vergeten dat het per slot van rekening de bedrijven zijn die meebetalen aan deze maatregelen;

32.  wijst erop dat kwaliteitsregelingen landbouwers, voor zover deze georganiseerd zijn, toelaten maatregelen voor aanbodbeheersing en prijsstabilisatie toe te passen, waardoor hun kansen om een fatsoenlijk inkomen uit de landbouw te verdienen, stijgen en dat deze regelingen dus het meest geschikt zijn om de „Europese toegevoegde waarde” te verhogen, in overeenstemming met de prioriteiten van de Commissie;

33.  acht het noodzakelijk dat producten die aan kwaliteitsnormen zijn onderworpen beter beschermd worden tegen de handelspartners van de EU; verzoekt om volledige opname van geografische aanduidingen en om betere bescherming daarvan in het kader van bilaterale en interregionale handelsovereenkomsten en op WTO-niveau;

34.  wijst erop dat de kadervoorschriften inzake financiering voor de afzetbevordering van producten waarvoor kwaliteitsnormen gelden moeten worden gewijzigd met het oog op meer financiële inspanningen van de EU;

35.  merkt op dat de inwerkingtreding van goedgekeurde informatie betreffende het verband tussen specifieke stoffen die in voedingsmiddelen gevonden worden en een betere gezondheid de afzetbevordering van producten om gezondheidsredenen transparanter zullen maken;

36.  is ingenomen met de toenemende vraag naar biologische producten en verzoekt om actievere stimulering van de productie en afzetbevordering ervan;

37.  benadrukt de noodzaak van bevordering van lokale producten van berg- en eilandgebieden en van verhoging van de financiële steun van de EU daarvoor;

38.  roept de Commissie op in haar externe afzetbevorderingsactiviteiten meer nadruk te leggen op de verbintenis van de Europese landbouw voor duurzamere landbouwmethoden, diversiteit en kwaliteit, alsook op de hogere kosten die dit met zich brengt, en ervoor te zorgen dat de afzetbevorderingsprogramma's en logo's van de EU meer bekendheid krijgen;

39.  is voorstander van het verlenen van technische bijstand aan kleine en middelgrote ondernemingen, met name om deze te helpen hun eigen marketingstrategieën uit te stippelen en hun doelmarkten te analyseren;

40.  beveelt aan dat er een internetplatform wordt gecreëerd voor de uitwisseling van potentiële projecten en goede praktijken als middel om het opzetten van reclamecampagnes met een Europese invalshoek aan te moedigen;

41.  benadrukt dat met de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt gestreefd naar betere prestaties op het gebied van organisatie van de productie, duurzaamheid en kwaliteit van de landbouwproducten; meent derhalve dat het afzetbevorderingsbeleid het mogelijk moet maken het volledige potentieel van de levensmiddelensector te ontplooien teneinde de economische groei en de werkgelegenheid in Europa te stimuleren;

42.  verzoekt de Commissie met klem om in haar toekomstige wetgevingsvoorstellen voor de bevordering van de smaken van Europa waar nodig verschillende beheersregelingen vast te stellen voor de interne en de externe markt en voor multinationale of crisisprogramma's;

43.  acht het noodzakelijk een Europese voorlichtings- en afzetbevorderingsstrategie uit te stippelen die nauwkeuriger is afgestemd op de doelmarkten en die producten of boodschappen aanbiedt die onder de aandacht moeten worden gebracht, daarbij rekening houdend met vrijhandelsovereenkomsten en met de markten die het rendabelst zijn, teneinde versnippering van middelen te voorkomen;

Schoolfruit- en schoolmelkregelingen

44.  verwelkomt het voorstel van de Commissie om tegen de achtergrond van de aanhoudende economische crisis de medefinancieringspercentages door de EU van de schoolfruitregeling te verhogen;

45.  vraagt de Commissie stappen te zetten om alle lidstaten aan te moedigen meer nadruk te leggen op het educatieve karakter van de schoolfruit- en schoolmelkregelingen en die regelingen volledig te integreren in de tweede pijler van de landbouwsteun;

Acties in verband met voorlichtingscampagnes over kwaliteitswijnen

46.  verzoekt de Commissie na te gaan of er op de EU-markt voorlichtingscampagnes voor volwassenen kunnen worden gelanceerd over verantwoord drinken van Europese kwaliteitswijnen; is van mening dat in die campagnes de aandacht moet worden gevestigd op matige consumptie van deze wijnen, en daarnaast op de culturele wortels van dit product, de kwalitatieve eigenschappen ervan en de specifieke kenmerken van de Europese wijnen;

o
o   o

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 22.
(2) PB L 3 van 5.1.2008, blz. 1.
(3) PB L 147 van 6.6.2008, blz. 3.
(4) PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.
(5) http://ec.europa.eu/agriculture/eval/reports/promotion/fulltext_en.pdf.
(6) PB C 43 van 15.2.2012, blz. 59.


Uitvoering van de Volgrechtrichtlijn
PDF 118kWORD 41k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het verslag over de uitvoering en de gevolgen van de Volgrechtrichtlijn (2001/84/EG) (2012/2038(INI))
P7_TA(2012)0421A7-0326/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk (verder „de richtlijn”)(1),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité: Verslag over de uitvoering en de gevolgen van de Volgrechtrichtlijn (2001/84/EG) (COM(2011)0878),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A7-0326/2012),

A.  overwegende dat het volgrecht een auteursrecht is krachtens artikel 14 ter van de Berner Conventie tot bescherming van literaire en artistieke werken;

B.  overwegende dat de richtlijn met het oog op het wegnemen van potentiële obstakels voor de oprichting van de interne markt heeft bijgedragen tot de harmonisering van de essentiële voorwaarden voor de toepassing van het volgrecht;

C.  overwegende dat de aanneming van de richtlijn belangrijk was voor kunstenaars, niet enkel voor hun initiatieven gericht op het verkrijgen van erkenning en eerlijke behandeling als creatieve personen, maar ook voor hun rol als bijdragers van culturele waarden; overwegende dat er echter nog bezorgdheid bestaat over de gevolgen voor de Europese kunstmarkten en in het bijzonder voor de vele kleinere en gespecialiseerde veilinghuizen en handelaren in de EU;

D.  overwegende dat de richtlijn pas op 1 januari 2012 in alle lidstaten volledig is omgezet;

E.  overwegende dat het aandeel van de EU in de wereldmarkt voor werken van levende kunstenaars de afgelopen jaren aanzienlijk is gekrompen;

F.  overwegende dat artistieke schepping bijdraagt tot de voortdurende ontwikkeling van het culturele leven en erfgoed van de EU;

G.  overwegende dat de kunst- en antiekmarkt een aanzienlijke bijdrage levert aan de wereldeconomie, waaronder de bedrijven die ze ondersteunt, in het bijzonder die in de creatieve sectoren;

H.  overwegende dat de richtlijn administratieve lasten voor handelaren met zich meebrengt en handelaren in de EU commercieel benadeelt ten opzichte van handelaren in derde landen;

Ontwikkelingen op de Europese en wereldwijde kunstmarkt

1.  stelt vast dat de kunstmarkt in 2011 een recordjaar heeft geboekt waarin er voor 11,57 miljard USD aan kunst is verkocht en dat dit gelijk staat aan een stijging van meer dan 2 miljard USD ten opzichte van 2010(2); benadrukt dat de kunst- en antiekmarkt een aanzienlijke bijdrage levert aan de wereldeconomie, waaronder de bedrijven die ze ondersteunt, in het bijzonder in de creatieve sectoren;

2.  wijst erop dat de Europese kunstmarkt in 2011 sterk is gegroeid: het Verenigd Koninkrijk behield een aandeel van 19,4% in de wereldwijde markt, waarbij het verkoopvolume met 24% toenam; het marktaandeel van Frankrijk bedroeg 4,5%, waarbij de omzet met 9% toenam, en in Duitsland nam de verkoop met 23% toe, met een marktaandeel van 1,8%(3);

3.  merkt op dat China 41,4% van het wereldwijde marktaandeel in 2011 heeft veroverd en daarbij de VS voorbij is gestreefd, waar de omzet met 3% daalde en het marktaandeel met 6%: van 29,5% in 2010 tot 23,5% in 2011(4);

4.  onderstreept dat China een indrukwekkende groei vertoont; merkt evenwel op dat de Chinese kunstmarkt momenteel alleen toegankelijk is voor kunstenaars uit het land zelf;

5.  merkt op dat de algehele verschuiving van het zwaartepunt van de kunstmarkt naar de opkomende landen het gevolg is van de mondialisering, de opkomst van Azië en het feit dat er in die landen nieuwe verzamelaars opstaan;

6.  stelt met voldoening vast dat landen buiten de EU overwegen om het volgrecht op te nemen in hun nationale wetgeving; merkt in het bijzonder op dat er in de Verenigde Staten op 12 december 2011 een wetsvoorstel is ingediend teneinde een volgrecht van 7% in te voeren op de verkoop van hedendaagse kunst; merkt op dat een Chinees wetsvoorstel inzake auteursrechten eveneens voorziet in de invoering van een volgrecht (artikel 11 (13));

Tenuitvoerlegging van de richtlijn

7.  herinnert eraan dat de bedragen van de reproductie- en weergaverechten bij grafische en beeldende kunst verwaarloosbaar zijn en dat de opbrengsten bij deze kunstvormen afkomstig zijn van de verkoop en wederverkoop van fysieke kunstwerken;

8.  benadrukt het feit dat kunstenaars - die aan het begin van hun carrière hun kunstwerken veelal tegen een lage prijs verkopen - dankzij het volgrecht kunnen rekenen op een gestage inkomstenstroom;

9.  herinnert eraan dat niet uit het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging en de effecten van de richtlijn en van de sector zelf afkomstige statistieken blijkt dat het volgrecht een negatief effect heeft op de Europese kunstmarkt;

10.  roept de Commissie op om een beoordeling uit te voeren van het effect op de werking van de kunstmarkt in het algemeen, met inbegrip van de administratieve moeilijkheden die kleinere en gespecialiseerde veilinghuizen en handelaren ondervinden;

11.  herinnert eraan dat het volgrecht dankzij diverse bepalingen van de richtlijn evenwichtig ten uitvoer wordt gelegd en dat daarbij rekening wordt gehouden met de belangen van alle betrokken partijen, in het bijzonder het degressieve karakter van de tarieven, de plafonnering van het volgrecht op 12.500 EUR, de uitsluiting van kleine verkopen en de vrijstelling voor wederverkopen door de eerste koper in het bijzonder; benadrukt echter dat de richtlijn handelaren een administratieve last op de schouders legt;

12.  merkt op dat het volgrecht ten bate van de levende maker van een origineel kunstwerk een bruikbaar instrument kan zijn om te voorkomen dat kunstenaars gediscrimineerd worden;

Conclusies

13.  wijst op het feit dat de kunstmarkt in 2010 naar schatting een omvang had van 10 miljard USD en in 2012 van 12 miljard USD, waarbij het volgrecht slechts 0,03% van deze bedragen uitmaakt; is van mening dat het om een belangrijke markt gaat waarop kunstenaars en hun erfgenamen een billijke beloning moeten ontvangen;

14.  merkt op dat uit marktonderzoek en statistieken niet naar voren komt dat het volgrecht negatieve gevolgen heeft voor de locatie van de kunstmarkt en de omzet;

15.  brengt in herinnering dat de richtlijn pas op 1 januari 2012 volledig door alle lidstaten was omgezet hoewel het volgrecht in vele lidstaten al tientallen jaren wordt erkend;

16.  onderstreept het belang van het bieden van proactieve ondersteuning aan lokale kunstenaars, met inbegrip van de jongste kunstenaars;

17.  meent dat het te vroeg is om al in 2014 de richtlijn opnieuw onder de loep te nemen, zoals voorgesteld door de Commissie, en stelt voor dat dit onderzoek in 2015 wordt gedaan (d.w.z. vier jaar na de evaluatie van december 2011);

18.  verzoekt de Commissie om in haar volgende evaluatieverslag te onderzoeken in hoeverre de toepasselijke tarieven, de drempels en de indeling van de begunstigden in de richtlijn voldoen;

19.  verzoekt de Commissie om nauw met de belanghebbende partijen samen te werken teneinde de positie van de Europese kunstmarkt te versterken en een aantal problemen, zoals het „cascade-effect” en de administratieve problemen die kleinere en gespecialiseerde veilinghuizen en handelaren ondervinden, te verhelpen;

20.  is ingenomen met de initiatieven van landen buiten de EU tot invoering van het volgrecht en verzoekt de Commissie om zich op internationale fora te blijven inzetten voor versterking van de positie van de Europese kunstmarkt in de wereld;

o
o   o

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 272 van 13.10.2001, blz. 32.
(2) Artprice, Art Market Trends 2011, http://imgpublic.artprice.com/pdf/trends2011_fr.pdf
(3) Idem.
(4) Idem.


Wijziging van artikel 70 van het Reglement over interinstitutionele onderhandelingen bij wetgevingsprocedures
PDF 237kWORD 61k
Besluit van het Europees Parlement van 20 november 2012 tot wijziging van artikel 70 van het Reglement van het Europees Parlement over interinstitutionele onderhandelingen bij wetgevingsprocedures (2011/2298(REG))
P7_TA(2012)0422A7-0281/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de brief van zijn Voorzitter d.d. 18 april 2011,

–  gezien de artikelen 211 en 212 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0281/2012),

1.  besluit onderstaande wijzigingen in zijn Reglement op te nemen;

2.  wijst erop dat deze wijzigingen op de eerste dag van de eerstvolgende vergaderperiode in werking treden;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Bestaande tekst   Amendement
Amendement 1
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 70 – lid 1
1.  Onderhandelingen met andere instellingen om in de loop van een wetgevingsprocedure tot overeenstemming te komen worden gevoerd met inachtneming van de gedragscode voor onderhandelingen over dossiers volgens de gewone wetgevingsprocedure.
1.  Onderhandelingen met andere instellingen om in de loop van een wetgevingsprocedure tot overeenstemming te komen worden gevoerd met inachtneming van de door de Conferentie van voorzitters vastgestelde gedragscode.
Amendement 13
Reglement van het Parlement
Artikel 70 – lid 2
2.   Alvorens dergelijke onderhandelingen te beginnen, dient de bevoegde commissie in beginsel met de meerderheid van haar leden een besluit te nemen en een mandaat, richtsnoeren of prioriteiten vast te stellen.
2.  Dergelijke onderhandelingen worden pas begonnen nadat de bevoegde commissie van geval tot geval voor elke betrokken wetgevingsprocedure en met de meerderheid van haar leden een besluit tot opening van onderhandelingen heeft genomen. Bij dit besluit worden het mandaat en de samenstelling van het onderhandelingsteam vastgesteld. Dergelijke besluiten worden aan de Voorzitter meegedeeld, die de Conferentie van voorzitters regelmatig op de hoogte houdt.
Amendement 3
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 70 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
Het mandaat bestaat uit een verslag dat door de commissie is goedgekeurd en vervolgens ter behandeling aan het Parlement wordt voorgelegd. Wanneer de bevoegde commissie gegronde redenen heeft om onderhandelingen te beginnen vóór goedkeuring van een verslag door de commissie, dan kan het mandaat uitzonderlijkerwijs uit een reeks amendementen of een reeks duidelijk omschreven doelstellingen, prioriteiten of richtsnoeren bestaan.

Amendement 4
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 70 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. Het onderhandelingsteam wordt geleid door de rapporteur en voorgezeten door de voorzitter van de bevoegde commissie of een door die voorzitter aangewezen ondervoorzitter. Ook de schaduwrapporteurs van elke fractie maken er in elk geval deel van uit.

Amendement 5 en 18
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 70 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter. Alle stukken die tijdens een bijeenkomst met de Raad en de Commissie („trialoog”) zullen worden besproken hebben de vorm van documenten waarin de respectieve standpunten van de betrokken instellingen alsook mogelijke compromisoplossingen worden aangegeven, en worden ten minste 48 uur, of in dringende gevallen ten minste 24 uur vóór de desbetreffende trialoog aan het onderhandelingsteam rondgedeeld.

Het onderhandelingsteam brengt na elke trialoog de bevoegde commissie in de eerstvolgende vergadering verslag uit. Alle stukken die het resultaat van de laatste trialoog weergeven, worden aan de commissie ter beschikking gesteld.

Is het niet mogelijk binnen een redelijke termijn een vergadering van de commissie te beleggen, dan brengt het onderhandelingsteam verslag uit aan de voorzitter, de schaduwrapporteurs en de coördinatoren van de commissie, voor zover van toepassing.

De bevoegde commissie kan het mandaat in het licht van de vorderingen bij de onderhandelingen bijstellen.

Amendement 6
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 70 – lid 3
3.  Wordt in het kader van de onderhandelingen, na goedkeuring van het verslag door de commissie, een compromis met de Raad bereikt, dan wordt de commissie in elk geval vóór de stemming ter plenaire vergadering opnieuw geraadpleegd.
3.  Wordt in het kader van de onderhandelingen een compromis bereikt, dan wordt de bevoegde commissie onverwijld hiervan in kennis gesteld. De overeengekomen tekst wordt ter behandeling aan de bevoegde commissie voorgelegd. De overeengekomen tekst wordt na goedkeuring door een stemming in de commissie, in de juiste vorm, met inbegrip van compromisamendementen, ter behandeling aan het Parlement voorgelegd. Deze tekst kan de vorm hebben van een geconsolideerde tekst, op voorwaarde dat de amendementen op het in behandeling zijnde voorstel voor een wetgevingshandeling hierin duidelijk worden aangegeven.
Amendement 7
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 70 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis. Wordt de procedure met medeverantwoordelijke commissies of de procedure met gezamenlijke commissievergaderingen gevolgd, dan zijn de artikelen 50 en 51 van toepassing op het besluit tot opening van onderhandelingen en op het voeren van die onderhandelingen.

Bij een verschil van mening tussen de betrokken commissies worden de modaliteiten voor het openen van onderhandelingen en het voeren van deze onderhandelingen door de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters overeenkomstig de in genoemde artikelen uiteengezette beginselen bepaald.

Amendement 8
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 70 bis (nieuw) – titel
Artikel 70 bis

Goedkeuring van een besluit tot opening van interinstitutionele onderhandelingen vóór de goedkeuring van een verslag door de commissie

Amendement 9
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 70 bis (nieuw) – lid 1
1.  Het besluit van een commissie tot opening van onderhandelingen vóór de goedkeuring van een verslag door de commissie wordt in alle officiële talen vertaald, aan alle leden van het Parlement rondgedeeld en aan de Conferentie van voorzitters voorgelegd.
Op verzoek van een fractie kan de Conferentie van voorzitters besluiten het onderwerp voor behandeling met debat en stemming in te schrijven op de ontwerpagenda van de eerstvolgende vergaderperiode na ronddeling; in dat geval stelt de Voorzitter een termijn voor de indiening van amendementen vast.

Bij ontstentenis van een besluit van de Conferentie van voorzitters om het onderwerp op de ontwerpagenda van die vergaderperiode in te schrijven, wordt het besluit tot opening van onderhandelingen bij de opening van die vergaderperiode door de Voorzitter bekendgemaakt.

Amendement 16
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 70 bis (nieuw) – lid 2
2.  Het onderwerp wordt ingeschreven op de ontwerpagenda van de eerstvolgende vergaderperiode na de bekendmaking, voor de behandeling met debat en stemming, en de Voorzitter stelt een termijn voor de indiening van amendementen vast indien een fractie of ten minste 40 leden hierom binnen 48 uur na de bekendmaking verzoeken.
Zo niet, wordt het besluit tot opening van onderhandelingen geacht te zijn goedgekeurd.


Wijziging van artikel 181 (Volledig verslag) en artikel 182 (Audiovisueel verslag van de vergaderingen) van het Reglement
PDF 199kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement van 20 november 2012 tot wijziging van artikel 181 (Volledig verslag) en artikel 182 (Audiovisueel verslag van de vergaderingen) van het Reglement van het Europees Parlement (2012/2080(REG))
P7_TA(2012)0423A7-0336/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de brief van zijn Voorzitter d.d. 13 januari 2012,

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2011 over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, zoals gewijzigd door de Raad – alle afdelingen en de nota's van wijzigingen nrs. 1/2012 en 2/2012 bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012(1),

–  gezien de artikelen 211 en 212 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A7-0336/2012),

A.  overwegende dat besparingen bij vertaling en vertolking het beginsel van meertaligheid niet op losse schroeven mogen zetten, maar mogelijk zijn dankzij innovatie en nieuwe werkmethoden(2);

1.  besluit onderstaande wijzigingen in zijn Reglement op te nemen;

2.  wijst erop dat deze wijzigingen op de eerste dag van de eerstvolgende vergaderperiode in werking treden;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Bestaande tekst   Amendement
Amendement 1
Reglement van het Parlement
Artikel 181 – lid 1
1.  Van elke vergadering wordt een volledig verslag in alle officiële talen opgesteld.
1.  Van elke vergadering wordt een volledig verslag opgesteld in de vorm van een meertalig document waarin alle mondelinge bijdragen in de oorspronkelijke taal worden weergegeven.
Amendement 2
Reglement van het Parlement
Artikel 181 – lid 2
2.  De sprekers zijn verplicht correcties op de tekst van hun redevoeringen binnen een week aan het secretariaat toe te zenden.
2.  Binnen een termijn van vijf werkdagen kunnen sprekers correcties op de tekst van hun mondelinge bijdragen aanbrengen. Correcties dienen binnen die termijn aan het secretariaat te worden toegezonden.
Amendement 3
Reglement van het Parlement
Artikel 181 – lid 3
3.  Het volledig verslag wordt gepubliceerd als bijlage bij het Publicatieblad van de Europese Unie.
3.  Het meertalig volledig verslag wordt gepubliceerd als bijlage bij het Publicatieblad van de Europese Unieen in het archief van het Parlement bewaard.
Amendement 4
Reglement van het Parlement
Artikel 181 – lid 4
4.  Leden kunnen verzoeken om vertaling op korte termijn van uittreksels uit het volledig verslag.
4.  Een uittreksel uit het volledig verslag wordt op verzoek van een lid in een officiële taal vertaald. Zo nodig wordt voor vertaling op korte termijn gezorgd.
Amendement 5
Reglement van het Parlement
Artikel 182 – alinea -1 (nieuw)
De vergaderingen van het Parlement worden rechtstreeks in de oorspronkelijke taal, tezamen met de meertalige geluidsopnames van alle werkende tolkencabines, op zijn website uitgezonden.

Amendement 6
Reglement van het Parlement
Artikel 182 – alinea 1
Van elke vergadering wordt onmiddellijk na afloop een audiovisueel verslag gemaakt dat met de geluidsopnames van de tolkencabines op internet wordt gezet.

Van elke vergadering wordt onmiddellijk na afloop een geïndexeerd audiovisueel verslag gemaakt dat in de oorspronkelijke taal, tezamen met de meertalige geluidsopnames van alle werkende tolkencabines, op de website van het Parlement wordt gezet; het is toegankelijk gedurende de lopende en de daaropvolgende zittingsperiode, waarna het in het archief van het Parlement wordt bewaard. Het audiovisueel verslag wordt gekoppeld aan het meertalig volledig verslag van de vergaderingen, zodra dit beschikbaar is.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0461.
(2) Zie bovengenoemde resolutie van 26 oktober 2011, paragraaf 77.


Goedkeuring van en markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers ***I
PDF 195kWORD 46k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (COM(2010)0542 – C7-0317/2010 – 2010/0271(COD))
P7_TA(2012)0424A7-0445/2011
RECTIFICATIES

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0542),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0317/2010),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 januari 2011(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 28 september 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A7-0445/2011),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers

P7_TC1-COD(2010)0271


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr.168/2013.)

(1) PB C 84 van 17.3.2011, blz. 30.


Goedkeuring van landbouw- of bosbouwvoertuigen ***I
PDF 196kWORD 42k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen (COM(2010)0395 – C7-0204/2010 – 2010/0212(COD))
P7_TA(2012)0425A7-0446/2011

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0395),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0204/2010),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 9 december 2010(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 28 september 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0446/2011),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen

P7_TC1-COD(2010)0212


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 167/2013.)

(1) PB C 54 van 19.2.2011, blz. 42.


Kaart-, internet- en mobiele betalingen
PDF 167kWORD 84k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over „Naar een geïntegreerde Europese markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen” (2012/2040(INI))
P7_TA(2012)0426A7-0304/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 26 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 11 januari 2012 met als titel „Naar een geïntegreerde Europese markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen” (COM(2011)0941, verder „het Groenboek”),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 januari 2012 met als titel „Een coherent kader voor een groter vertrouwen in de digitale eengemaakte markt voor elektronische handel en onlinediensten” (COM(2011)0942),

–  gezien de van 11 januari 2012 t/m 11 april 2012 door de Commissie gehouden openbare raadpleging over het Groenboek,

–  gezien de op 4 mei 2012 door de Commissie gehouden conferentie over kaart-, internet- en mobiele betalingen,

–  gezien Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009(1),

–  gezien het informatiedocument van maart 2012 over de handhaving van het mededingingsrecht in de betalingssector van de hand van de subgroep bank- en betaaldiensten van het European Competition Network (ECN)(2),

–  gezien de aanbevelingen van de Europese Centrale Bank van april 2012 inzake de veiligheid van internetbetalingen(3),

–  gezien het antwoord van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming van 11 april 2012 op de door de Commissie gehouden openbare raadpleging over het Groenboek „Naar een geïntegreerde Europese markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen”(4),

–  gezien het werkdocument van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 mei 2012 over het Groenboek (INT/634),

–  gezien het besluit van de Commissie van 24 juli 2002 met betrekking tot een procedure krachtens artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst in zaak COMP/29.373 Visa International(5),

–  gezien het besluit van de Commissie van 19 december 2007 met betrekking tot een procedure krachtens artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst in de zaken COMP/34.579 – MasterCard, COMP/36.518 – EuroCommerce en COMP/38.580 – Commercial Cards(6),

–  gezien het arrest van het Gerechtshof van 24 mei 2012 in de zaak MasterCard e.a./Commissie(7),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0304/2012),

A.  overwegende dat de Europese markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen momenteel nog versnipperd is langs nationale grenzen en dat slechts een beperkt aantal grote spelers in staat is geaccepteerd te worden door handelaren en hun diensten grensoverschrijdend aan te bieden;

B.  overwegende dat de dominante positie van twee niet-Europese dienstverleners voor kaartbetalingen kan leiden tot buitensporige en ongerechtvaardigde tarieven voor zowel consumenten als handelaren, waarbij de banken van beide partijen (de zogenaamde emitterende en wervende banken) profiteren van deze situatie, zoals de Commissie in haar Groenboek heeft aangegeven;

C.  overwegende dat de ontwikkeling en een breder gebruik van kaart-, internet- en mobiele betalingen kan bijdragen tot de groei en een grotere diversiteit van de e-handel in Europa;

D.  overwegende dat het marktaandeel van internet- en mobiele betalingen en de verscheidenheid aan dergelijke diensten zowel in Europa als wereldwijd gestaag toeneemt;

E.  overwegende dat, als gevolg van technische vooruitgang, systemen voor kaartbetalingen geleidelijk kunnen worden vervangen door andere elektronische en mobiele betalingswijzen;

F.  overwegende dat het Groenboek geen vergelijking maakt tussen de kosten en de maatschappelijke impact van contante betalingen of betalingen per cheque enerzijds en kaart-, internet- en mobiele betalingen anderzijds, waardoor er geen vergelijkende analyse kan worden gemaakt van de economische en maatschappelijke kosten en impact van contante betalingen of betalingen per cheque;

G.  overwegende dat het huidige bedrijfsmodel voor kaartbetalingen exorbitant hoge niveaus van multilaterale afwikkelingsvergoedingen (MIF's) toelaat, die soms de werkelijke financieringskosten van het systeem lijken te overstijgen en een belangrijk obstakel vormen voor concurrentie op de betalingsmarkt;

H.  overwegende dat grensoverschrijdende werving momenteel slechts voor een beperkt aantal spelers een optie is en dat met dit mechanisme de keuzemogelijkheden van handelaren zouden kunnen worden uitgebreid en de concurrentie mogelijk toeneemt en de kosten voor consumenten kunnen dalen;

I.  overwegende dat het in sommige lidstaten niet is toegestaan om toeslagen te heffen voor het gebruik van kaartbetalingen, terwijl dit in andere lidstaten wijd en zijd verbreid is, en dat bovenmatige toeslagen ten koste zijn gegaan van de consumenten omdat betalingsdienstaanbieders vaak geen alternatieven aanbieden voor betalingswijzen met toeslagen;

J.  overwegende dat het betaalkaartensysteem voor de eengemaakte eurobetalingsruimte (SEPA) vereist dat consumenten in staat moeten zijn „algemene kaarten te gebruiken voor betalingen en geldopnames in euro in de SEPA-ruimte met hetzelfde gemak en comfort als in hun thuisland. Het mag niet uitmaken of ze hun kaart(en) in hun thuisland gebruiken of in een ander SEPA-land. Systemen voor algemene kaarten die ontworpen zijn voor exclusief gebruik in één land en betaalkaartensystemen die ontworpen zijn voor exclusief grensoverschrijdend gebruik binnen de SEPA-ruimte moeten worden afgeschaft.”;

K.  overwegende dat een succesvolle SEPA-migratie naar verwachting een impuls zal geven aan de ontwikkeling van innovatieve pan-Europese betalingswijzen;

De verschillende betalingsmethodes

1.  prijst de Commissie voor haar Groenboek, vindt de overwegingen en vragen die daarin aan de orde worden gesteld zeer relevant, en is het volledig eens met de genoemde doelstellingen: meer concurrentie, een ruimere keuze en meer innovatie, betalingszekerheid en consumentenvertrouwen;

2.  is het eens met de Commissie dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen drie verschillende productmarkten bij vierpartijenbankkaartsystemen – ten eerste een markt waarin de diverse kaartsystemen met elkaar concurreren om financiële instellingen als emitterende of wervende klanten binnen te halen; ten tweede een eerste „downstream”-markt waarbij emitterende banken een concurrentiestrijd voeren om de bankkaarthouders („de emitterende markt”); en ten slotte een tweede „downstream”-markt waarbij de wervende banken wedijveren om de handelaren („de wervende markt”) – en is van mening dat vrije concurrentie in de hand moet worden gewerkt op elke markt;

3.  wijst op het belang van marktconforme zelfregulering met de samenwerking van alle belanghebbenden, maar onderkent dat zelfregulering misschien niet binnen een acceptabel tijdsbestek de gewenste resultaten oplevert vanwege tegengestelde belangen; verwacht van de Commissie dat zij de nodige wetgevingsvoorstellen doet om bij te dragen aan de totstandkoming van een echte SEPA-ruimte voor kaart-, internet- en mobiele betalingen, en wijst in dit verband op het belang van de op stapel staande herziening van de richtlijn betalingsdiensten;

4.  onderstreept de behoefte aan een duidelijke en allesomvattende visie over een SEPA-ruimte voor kaart-, internet- en mobiele betalingen en aan de vaststelling van de noodzakelijke richtsnoeren en tijdpaden om het kerndoel te bereiken, namelijk het bannen van om het even welk verschil tussen grensoverschrijdende en nationale betalingen;

5.  onderstreept dat er vorderingen moeten worden geboekt op weg naar een onvertraagd clearing- en afwikkelingssysteem, dat technisch al binnen bereik is en nu al wordt gebruikt voor een aantal betalingen, en benadrukt dat de ontwikkeling van een realtime-economie in de hele SEPA-ruimte een belangrijk doel moet zijn en dat een geavanceerd onvertraagd interbancair systeem overal in de SEPA-ruimte toegankelijk moet zijn;

6.  is daarom van mening dat alle nationale regelingen voor kaart-, internet- en mobiele betalingen moeten worden aangesloten op of worden getransformeerd in een pan-Europees SEPA-conform systeem, zodat alle kaart-, mobiele en internetbetalingen overal in de SEPA-ruimte worden geaccepteerd, en dat hiervoor een overgangsperiode moet worden voorgesteld door de Commissie;

7.  merkt op dat alle betalingsterminals in staat moeten zijn alle kaarten te accepteren en te voldoen aan de vereisten op het vlak van interoperabiliteit, en dat daarom alle technische obstakels vanwege afwijkende vereisten voor functionaliteit en certificering moeten worden verholpen, omdat gemeenschappelijke normen en regels en gestandaardiseerde terminalsoftware de concurrentie kunnen aanwakkeren;

8.  is van mening dat een zelfregulerende benadering voor de geïntegreerde Europese betalingsmarkt niet voldoende is; verzoekt de Commissie wetgeving op te stellen om de veiligheid van betalingen, eerlijke concurrentie, financiële integratie, de bescherming van persoonlijke gegevens en transparantie voor consumenten te waarborgen;

9.  verzoekt de Commissie hervormingen door te voeren in de SEPA-governance om ervoor te zorgen dat het besluitvormingsproces democratisch en transparant verloopt en het algemeen belang dient; wijst erop dat dit een actievere en meer leidende rol van de Commissie en de Europese Centrale Bank (ECB) in de SEPA-governance vereist, evenals een evenwichtige vertegenwoordiging van alle belanghebbenden in alle besluitvormings- en uitvoerende organen van SEPA, waarmee voldoende betrokkenheid van eindgebruikers gegarandeerd wordt;

10.  uit zijn bezorgdheid over een momenteel al te strikte regulering van de markt voor internetbetalingen en mobiele betalingen omdat deze betaalwijzen nog volop in ontwikkeling zijn; is van mening dat bij de karakterisering van regelgevende initiatieven op dit vlak het gevaar bestaat dat er een te grote nadruk wordt gelegd op bestaande betalingsinstrumenten waardoor innovatie in de kiem wordt gesmoord en de markt wordt verstoord nog voordat deze tot volle wasdom is gekomen; verzoekt de Commissie dan ook om bij toekomstige voorstellen over nieuwe internet- en mobiele betalingsmethoden een passende aanpak te kiezen, waarmee een hoog niveau van consumentenbescherming wordt gewaarborgd, vooral voor kwetsbare consumenten;

11.  wijst erop dat hoewel elektronische betalingen een steeds belangrijkere rol spelen in Europa en in de rest van de wereld, er nog steeds ernstige belemmeringen bestaan voor een volledig en effectief geïntegreerde, concurrentiële, innovatieve, veilige, transparante en consumentvriendelijke Europese digitale interne markt voor dat soort betalingen;

12.  benadrukt dat het in de huidige periode van crisis van groot belang is initiatieven te ontwikkelen die de economische groei, de werkgelegenheid en het weer op gang komen van de consumptie bevorderen, dat de digitale markt kansen biedt om deze doelen te verwezenlijken, maar dat de Europese Unie hiervoor in staat moet zijn een complete interne digitale markt te creëren, en dat het opheffen van bestaande belemmeringen enerzijds en het vergroten van het consumentenvertrouwen anderzijds essentieel zijn; is in dat verband van mening dat het bestaan van een Europese interne markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen, die vrije concurrentie en innovatie mogelijk maakt en die neutraal is en veilig, van fundamenteel belang is voor het verwezenlijken van een ware digitale interne markt en in hoge mate kan bijdragen aan een groter consumentenvertrouwen;

13.  benadrukt dat de ontwikkeling van transparante, veilige en effectieve betalingssystemen in de digitale Europese markt een absolute vereiste is voor het bestaan van een ware digitale economie en voor het vergemakkelijken van de grensoverschrijdende elektronische handel;

14.  wijst erop dat een veilig, betrouwbaar en transparant Europees kader voor elektronische betalingen van essentieel belang is om een digitale interne markt te kunnen opzetten; beklemtoont hoe belangrijk informatiecampagnes zijn om de consumenten bewust te maken van de op de markt beschikbare keuzemogelijkheden en van de voorwaarden en vereisten voor veilige elektronische betalingen, en is van mening dat dergelijke campagnes op EU-niveau moeten worden gevoerd, mede om de vaak ongegronde zorgen ten aanzien van dat soort betalingen weg te nemen; is van mening dat, wat dat betreft, consumentvriendelijke contactpunten het vertrouwen in betalingen op afstand zouden kunnen vergroten;

15.  benadrukt dat in dit verband maatregelen moeten worden genomen om een eind te maken aan de discriminatie die Europese burgers vaak ondervinden wanneer hun betalingen bij grensoverschrijdende transacties via internet worden geweigerd vanwege hun herkomst;

16.  betreurt dat de meeste betalingskosten in de huidige situatie niet transparant zijn en wijst erop dat degenen die geen gebruik maken van dure betalingsmethoden nog altijd de kosten daarvan dekken; benadrukt dat elke betalingswijze met de nodige kosten gepaard gaat; verzoekt de Commissie dan ook om in toekomstige stukken over dit onderwerp een vergelijking op te nemen van de kosten, de bijzonderheden en de sociale impact van contante betalingen en betalingen per cheque voor alle spelers op de markt en voor de consumenten, met andere betalingswijzen; wijst er nogmaals op dat alle Europeanen toegang moeten hebben tot fundamentele bancaire diensten; benadrukt dat er maatregelen moeten worden getroffen voor gemeenschappelijke technische normen, gezien het belang, de doeltreffendheid en de toereikendheid van de huidige normen in Europa;

Normalisatie en interoperabiliteit

17.  is van mening dat verdere inspanningen inzake gemeenschappelijke technische normen op basis van toegang voor iedereen de concurrentiekracht van de Europese economie en de werking van de interne markt kunnen verbeteren, en ook de interoperabiliteit kunnen stimuleren en de nodige veiligheidsvoordelen kunnen bieden in de vorm van gemeenschappelijke veiligheidsnormen, iets waar zowel de consument als de handelaar voordeel bij hebben;

18.  constateert dat voor internet- en mobiele betalingen de meeste normen hetzelfde moeten zijn als voor de huidige SEPA-betalingen, maar dat er nieuwe normen nodig zijn voor de veiligheid en de identificatie van klanten en voor „real-time” interbancaire prestaties via internet, en onderstreept dat het ontwikkelen van nieuwe normen alleen niet volstaat, maar dat gecoördineerde uitvoering minstens zo belangrijk is;

19.  benadrukt dat normalisatie niet ten koste mag gaan van de mededinging en de innovatie, maar juist de bestaande obstakels op dit vlak uit de weg moet ruimen om te zorgen voor gelijke mededingingsvoorwaarden voor alle partijen; doet daarom de aanbeveling dat de normen de weg moeten vrijmaken voor innovatie en concurrentie op de markt, aangezien het verplicht stellen van één enkele of een restrictieve norm marktontwikkeling en innovatie zou belemmeren, een onevenredige beperking zou opleggen en niet bevorderlijk zou zijn voor gelijke concurrentievoorwaarden; wijst echter op het kartelonderzoek van de Commissie over het normalisatieproces voor betalingen via internet (e-betalingen), uitgevoerd door de Europese Betalingsraad (EPC);

20.  merkt op dat alle betalingstransacties in feite dezelfde soort gegevens bevatten, en benadrukt dat er veilige datacommunicatie moet zijn voor alle betalingen die automatische end-to-end „real-time” verwerking mogelijk maakt; ziet de voordelen in van het feit dat alle systemen hetzelfde berichtformaat hanteren, en herinnert eraan dat het het meest voor de hand ligt te kiezen voor de oplossing die wordt gebruikt voor overmakingen en automatische afschrijvingen, als bedoeld in de bijlage bij de verordening inzake de einddatum van SEPA (d.w.z. ISO XML 20022); beveelt aan hetzelfde berichtformaat te gebruiken bij alle communicatie over transactiegegevens van de terminal naar de klant met alle relevante informatie;

21.  onderstreept dat, gezien de zich snel ontwikkelende maar nog steeds premature fase waarin de marktontwikkeling voor elektronische en mobiele betalingen zich bevindt, het opleggen van verplichte normen op deze cruciale terreinen voor de versterking van een interne digitale Europese markt het risico op negatieve effecten voor innovatie, concurrentie en groei van de markt met zich meebrengt;

22.  geeft aan dat volgens de feedbackverklaring van de Commissie inzake de openbare raadpleging over het Groenboek de uitvoering van de ontwikkelde normen vaak een enorme uitdaging vormt; verzoekt de Commissie de mogelijkheid van handhavingsmechanismen te onderzoeken, zoals het vastleggen van einddata voor migraties;

23.  merkt op dat voor gebruikers van betalingsdiensten de pinkosten bij een andere bank en met een andere kaartregeling in veel lidstaten vaak torenhoog zijn en in de hele SEPA-ruimte meer op de werkelijke kosten gebaseerd moeten zijn;

24.  benadrukt dat alle normalisatie- en interoperabiliteitsvereisten ten dienste moeten staan van meer concurrentie, transparantie, innovatie, betalingsveiligheid en doeltreffendheid van de Europese betalingssystemen, zodat alle consumenten en andere belanghebbenden er baat bij hebben; benadrukt dat normalisatievereisten geen obstakels mogen opwerpen door onnodige verschillen ten opzichte van de mondiale markt te creëren; is verder van mening dat gemeenschappelijke normen tevens op mondiaal niveau moeten worden nagestreefd, in nauwe samenwerking met de belangrijkste economische partners van de EU;

25.  verzoekt de Commissie na te gaan op welke wijze de entree van nieuwkomers op de betaalkaartenmarkt kan worden bevorderd, waarbij gedacht kan worden aan een gemeenschappelijke betalingsinfrastructuur voor alle transacties, ongeacht de kaartaanbieder;

26.  merkt op dat de mededinging verbeterd kan worden door de betalingsinfrastructuur af te scheiden van de betalingssystemen, en wel omdat kleinere spelers dan niet langer als gevolg van technische beperkingen worden uitgesloten van de markt; benadrukt dat het de betalingsdienstaanbieders vrij moet staan elke mogelijke combinatie van emitterende en wervende diensten te kiezen die beschikbaar is binnen de betalingssystemen op de markt, en dat transacties van verschillende parallelle betalingssystemen voor vergelijkbare instrumenten neutraal moeten worden verwerkt door betalingsinfrastructuren;

27.  benadrukt dat erop moet worden toegezien dat met de maatregelen die in dit verband worden genomen de vrije en eerlijke concurrentie en de vrije toetreding en toegang tot de markt worden geëerbiedigd en dat rekening wordt gehouden met toekomstige technologische innovaties in deze sector zodat het systeem zich kan aanpassen aan toekomstige ontwikkelingen en zodat innovatie en mededinging te allen tijde mogelijk zijn en worden gestimuleerd;

Governance

28.  verzoekt de Commissie een betere SEPA-governance voor te stellen, waarin de organisatorische structuur is opgenomen in verband met de ontwikkeling van de belangrijkste kenmerken van betalingsdiensten en van de invoering van de voorschriften die moeten worden opgevolgd, en waarbij de ontwikkeling van technische en veiligheidsnormen apart wordt georganiseerd ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de gerelateerde regelgeving; roept op tot een evenwichtigere vertegenwoordiging van alle belanghebbenden bij de verdere ontwikkeling van gemeenschappelijke technische normen en gemeenschappelijke veiligheidsnormen voor betalingssystemen; dringt er bij de Commissie op aan in te gaan op zijn eerdere verzoeken voor een hervorming van de SEPA-governance om ervoor te zorgen dat de gebruikers van betalingsdiensten beter vertegenwoordigd zijn in het besluitvormings- en normalisatieproces; merkt op dat deze belanghebbenden onder meer, en dus niet uitsluitend kunnen zijn: de Europese Betalingsraad (EPC), consumentenorganisaties, handelarenorganisaties en grote winkelketens, de Europese Bankautoriteit (EBA), de Commissie, deskundigen uit uiteenlopende vakgebieden, betalingsdienstaanbieders van buiten de banksector, aanbieders van kaart-, internet- en mobiele handel en operatoren van mobiele netwerken; verzoekt deze belanghebbenden hun werkzaamheden te organiseren aan de hand van een nieuwe governancestructuur waarin de SEPA-raad een rol vervult; is van mening dat de SEPA-raad moet worden bijgestaan door diverse technische comités of „taskforces” voor e-betaling, m-betaling, kaarten, contant geld en andere normalisatiekwesties, en door ad-hocwerkgroepen; herinnert de Commissie aan haar toezegging in de verklaring over SEPA-governance bij de goedkeuring van Verordening (EU) nr. 260/2012 om uiterlijk eind 2012 een voorstel in te dienen; verzoekt de Europese normalisatieorganen, zoals het Europees Comité voor Normalisatie (Comité européen de Normalisation, CEN) of het Europees Instituut voor telecommunicatienormen (European Telecommunications Standards Institute, ETSI), om in samenwerking met de Commissie een actievere rol te spelen bij het normaliseren van kaartbetalingen;

29.  erkent in dit verband dat de SEPA een hoeksteen is voor de oprichting van een geïntegreerde EU-markt voor betalingen, en de basis waarop deze markt verder moet worden ontwikkeld om hem innovatiever en concurrentiëler te maken;

30.  is van mening dat de handhaving van de voorschriften inzake elektronische betalingen vaak op moeilijkheden stuit, ontoereikend is en uiteenloopt in Europa, en dat meer inspanningen ondernomen moeten worden om ervoor te zorgen dat de voorschriften naar behoren en uniform worden gehandhaafd;

31.  bevestigt dat een zelfregulerende aanpak niet volstaat; is van mening dat de Commissie en de ECB, in samenwerking met de lidstaten, een actievere leidersrol moeten spelen en dat alle relevante belanghebbenden, met name consumentenverenigingen, voldoende geraadpleegd moeten worden en betrokken moeten worden bij het besluitvormingsproces;

32.  acht het waarschijnlijk dat de Europese bedrijven die voor hun activiteiten afhankelijk zijn van de mogelijkheid om kaartbetalingen te accepteren, in aantal zullen toenemen; is van mening dat het in het openbaar belang is objectieve regels vast te stellen waarin wordt beschreven onder welke omstandigheden en aan de hand van welke procedures acceptatie in het kader van een kaartbetalingsregeling eenzijdig mag worden geweigerd;

33.  vindt het belangrijk om de SEPA-governance te versterken en de vernieuwde SEPA-raad een sterkere rol toe te bedelen: dit nieuwe bestuursorgaan moet bestaan uit vertegenwoordigers van de belangrijkste belanghebbenden en moet zodanig worden ingericht dat het voorziet in democratische controle door de Commissie en andere EU-instanties; stelt voort dat een vernieuwde SEPA-raad de leiding moet hebben over de werkzaamheden, een tijdschema en werkplan moet opstellen, beslissingen moet nemen over de prioriteiten, en conflicten tussen belanghebbenden moet beslechten; benadrukt dat de democratische controle moet worden gewaarborgd via de Commissie, waarbij de ECB en de EBA een vooraanstaande rol spelen;

34.  is ingenomen met de raadpleging door de Commissie van belanghebbenden als onderdeel van het Groenboek over SEPA-governance, op grond van overweging 5 van Verordening (EU) nr. 260/2012, en kijkt uit naar het voorstel dat de Commissie voornemens is eind dit jaar over dit onderwerp in te dienen; onderstreept dat de onmiddellijke prioriteit van alle SEPA-belanghebbenden de voorbereiding op de SEPA-migratie moet zijn overeenkomstig de voorwaarden die zijn neergelegd in Verordening (EU) nr. 260/2012 om een soepele overgang te garanderen van het gebruik van nationale naar pan-Europese betalingssystemen;

Grensoverschrijdende werving

35.  wijst erop dat verdere normalisatie en een betere afstemming van praktijken om technische obstakels uit de weg te ruimen en nationale afwikkelings- en clearingvoorschriften af te schaffen, kunnen bijdragen aan de verdere bevordering van grensoverschrijdende werving omdat dit de mededinging vergroot, handelaren bijgevolg ruimere keuzemogelijkheden biedt en klanten daardoor de beschikking krijgen over goedkopere betalingsmethodes; is van mening dat handelaren beter moeten worden geïnformeerd over de mogelijkheid van grensoverschrijdende werving;

36.  dringt gezien de voordelen van grensoverschrijdende werving voor de interne markt aan op een verdere actieve bevordering daarvan; uit zijn zorgen over de huidige nationale, juridische en technische barrières, zoals bepaalde licentievoorwaarden, die moeten worden opgeheven zodat een buitenlandse SEPA-conforme werver niet anders wordt behandeld dan een binnenlandse werver in dat land;

37.  benadrukt dat er geen grote verschillen mogen bestaan tussen de wetgeving inzake meerdere betaalrekeningen, en dat de betaler zijn geld via internet of mobiele telefoon moet kunnen overmaken naar elke rekening van een bij SEPA aangesloten financiële instelling;

38.  onderstreept dat alle geautoriseerde betalingsdienstaanbieders dezelfde toegang moeten hebben tot clearing- en afwikkelingfaciliteiten, als ze beschikken over adequate procedures voor risicobeheer, voldoen aan de minimale technische voorschriften en worden geacht stabiel genoeg te zijn om geen risico te vormen, d.w.z. als ze onderworpen zijn aan globaal dezelfde vereisten als banken;

Multilaterale interbancaire tarieven (MIF's)

39.  herinnert eraan dat volgens de uitspraak van het Europees Hof van Justitie in de „Mastercard-zaak” van 24 mei 2012 de multilaterale afwikkelingsvergoeding (MIF) als concurrentieverstorend kan worden beschouwd, en verzoekt de Commissie een voorstel te doen voor de manier waarop rekening moet worden gehouden met deze uitspraak bij de regulering van de bedrijfsmodellen voor kaart-, mobiele of internetbetalingen;

40.  merkt op dat de huidige MIF-inkomsten in veel gevallen te hoog zijn in verhouding tot de kosten die ze moeten dekken; wijst erop dat het eventueel nodig kan zijn om verschillende betalingstarieven te nivelleren zodat kruissubsidiëringspraktijken inefficiënte instrumentkeuzes niet in de hand werken, en verzoekt de Commissie er via een verordening voor te zorgen dat MIF's de concurrentie niet langer verstoren door obstakels op te werpen voor de toetreding van nieuwe spelers op de markt en voor innovatie; verzoekt de Commissie om tegen eind 2012 een effectbeoordeling van de verschillende opties te verrichten; benadrukt het belang van juridische helderheid en rechtszekerheid bij de MIF's;

41.  merkt op dat na de overgangsperiode SEPA-compatibele betalingskaarten van alle EU-onderdanen geaccepteerd moeten worden bij elke betalingsterminal in de SEPA en dat de betaling veilig moet worden gerouteerd; merkt op dat deze vereiste kan impliceren dat MIF's moeten worden gereguleerd met een drempelwaarde, en hamert erop dat dit niet mag resulteren in een verhoging van MIF's in de lidstaten, maar eerder in een verlaging en eventueel zelfs tot nul in een later stadium;

42.  is van mening dat grensoverschrijdende en centrale werving moet worden bevorderd en dat alle technische en juridische obstakels uit de weg moeten worden geruimd, aangezien mede hierdoor de MFI-niveaus en handelarenvergoedingen kunnen worden verlaagd;

43.  acht regulering van MIF's op Europees niveau noodzakelijk, met het oog op een eenvoudigere toegang van nieuwe spelers op de markt tot grensoverschrijdende werving, waardoor handelaren de vrije keuze hebben bij welke betalingssystemen zij zich wensen aan te sluiten; wijst erop dat als het nieuwe wetgevingsvoorstel voorziet in tarieven, er volledige transparantie moet worden gegarandeerd over de elementen waaruit de bedragen zijn opgebouwd; herinnert eraan dat krachtens artikel 5 van Verordening (EU) nr. 260/2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro, na 1 februari 2017 geen MIF's per transactie kunnen worden berekend; verzoekt om dezelfde benadering voor kaartbetalingen;

44.  is van mening dat het bedrijfsmodel voor driepartijen- en gemengde betalingssystemen bezwaren kan doen rijzen op het vlak van concurrentie, net zoals dat het geval is bij vierpartijenbetalingssystemen; is daarom van mening dat alle kaartregelingen, hetzij vierpartij-, driepartij- of gemengde regelingen, en alle nieuwe spelers op de markt gelijkwaardig moeten worden behandeld om gelijke voorwaarden te creëren en om concurrentie en transparantie voor consumenten en handelaren te bevorderen;

Co-badging

45.  merkt op dat co-badging, waartoe de betrokken betalingssystemen op vrijwillige basis zijn toegetreden, ten voordele kan zijn van de consument, doordat deze daardoor minder kaarten in zijn of haar portemonnee heeft, en de toegang van nationale, binnenlandse systemen tot de bredere SEPA-markt kan vergemakkelijken, wat de concurrentie bevordert; wijst er evenwel op dat co-badging niet mag worden gebruikt om binnenlandse systemen te omzeilen door van tevoren te besluiten tot het gebruik van een binnenlands merk;

46.  benadrukt dat de kaarthoudende klanten de vrijheid moeten hebben om te kiezen welke alternatieven voor co-badging geactiveerd zijn op hun specifieke kaarten, en hamert erop dat handelaren het recht moeten hebben te kiezen welke alternatieven voor co-badging ze accepteren, en dat in elke specifieke betalingssituatie de kaarthoudende klanten het recht moeten hebben uit de door de handelaar geaccepteerde opties het co-badgingalternatief van hun voorkeur te kiezen; roept de Commissie op oplossingen voor te stellen waarmee co-badging van meer dan één SEPA-conform systeem wordt aangemoedigd; is van mening dat er goed moet worden stilgestaan bij problemen zoals de compatibiliteit van beheersprocedures, technische interoperabiliteit en de aansprakelijkheid voor kwetsbaarheid inzake veiligheid;

47.  is van mening dat co-badging moet worden ingevoerd onder begeleiding van de juiste consumenteninformatie om consumenten te beschermen en ze niet het risico te laten lopen in misleidende situaties terecht te komen; benadrukt dat het voor alle partijen duidelijk moet zijn wie er verantwoordelijk is voor de bescherming en de vertrouwelijkheid van gegevens van kaarthouders en handelaren en voor het betalingsinstrument dat een aantal merken vertegenwoordigt;

Toeslagen

48.  is van mening dat de wijze waarop toeslagen, kortingen en andere beïnvloedingspraktijken worden toegepast, vaak schadelijk is voor eindgebruikers van betalingsdiensten; merkt op dat het berekenen van toeslagen uitsluitend op grond van de betalingskeuze van de klant, arbitrair kan zijn en misbruikt kan worden om extra inkomsten te genereren in plaats van de kosten te dekken; is van mening dat er een verbod moet komen op de mogelijkheden om buitensporige toeslagen te berekenen bij het tarief dat de handelaar in rekening brengt voor een individuele transactie, en dat er op EU-niveau controle moet worden uitgeoefend op kortingen en vergelijkbare praktijken om consumenten te beïnvloeden; benadrukt daarom dat handelaren één algemeen gebruikt betalingsinstrument moeten accepteren zonder daar een toeslag voor te berekenen (SEPA-conforme debetkaart, e-betaling), en dat toeslagen op andere instrumenten nooit de extra rechtstreekse kosten van die instrumenten mogen overstijgen in vergelijking met het instrument dat wordt geaccepteerd zonder toeslag;

49.  benadrukt dat moet worden aangedrongen op meer transparantie en een betere consumentenvoorlichting als het gaat om de extra kosten die in rekening worden gebracht bij gebruik van betaalmiddelen, daar handelaren normaliter hun transactiekosten doorberekenen in de prijzen van de door hen aangeboden goederen of diensten en de consumenten aldus niet op een behoorlijke manier vooraf worden geïnformeerd over de totale kosten, waardoor zij een hogere prijs moeten betalen voor hun aankopen, wat het consumentenvertrouwen ondermijnt;

50.  merkt op dat het berekenen van toeslagen uitsluitend op grond van de betalingskeuze van de klant, arbitrair kan zijn, misbruikt kan worden om extra inkomsten te genereren in plaats van de kosten te dekken, en over de hele linie ongunstig is voor de ontwikkeling van de interne markt, aangezien dit de concurrentie belemmert en marktversnippering en verwarring bij de consument in de hand werkt;

51.  merkt op dat een mogelijkheid erin kan bestaan de toeslagen te beperken tot de directe kosten voor het gebruik van een betalingsinstrument, evenals in de gehele EU toeslagen te verbieden; dringt er daarom bij de Commissie op aan een effectbeoordeling te verrichten van een verbod op de mogelijkheden om buitensporige toeslagen te berekenen bij het tarief dat de handelaar in rekening brengt, alsook van een verbod op toeslagen in de gehele EU, dit in het licht van artikel 19 van Richtlijn 2011/83/EU betreffende consumentenrechten;

Veiligheid van betalingen

52.  benadrukt dat, teneinde het potentieel van elektronische betalingen volledig te kunnen ontwikkelen, het van essentieel belang is het vertrouwen van de consument te waarborgen, wat op zijn beurt een hoog veiligheidsniveau vergt om het risico op fraude te beperken en de gevoelige en persoonsgegevens van consumenten te beschermen;

53.  benadrukt dat de privacy van consumenten in overeenstemming met de Europese en nationale wetgeving moet worden beschermd, dat alle partijen in de betalingsketen alleen toegang mogen hebben tot gegevens die relevant zijn voor de verwerking en dat de rest van de gegevens moet worden versleuteld;

54.  is van mening dat voor internet-, kaart- en mobiele betalingen in alle lidstaten dezelfde minimale veiligheidseisen moeten gelden en dat er een gemeenschappelijk bestuursorgaan moet komen dat de eisen vaststelt; merkt op dat gestandaardiseerde veiligheidsoplossingen klanteninformatie en daardoor ook de manier waarop klanten zich aanpassen aan veiligheidsmaatregelen eenvoudiger kunnen maken en de kosten binnen PSP's kunnen verlagen; stelt daarom voor dat van alle PSP's geëist wordt dat zij in gemeenschappelijke minimale veiligheidsoplossingen voorzien, die uiteraard kunnen worden verbeterd door de PSP's maar daardoor de concurrentie niet in de weg mogen staan;

55.  wijst er nogmaals op dat de eindverantwoordelijkheid voor de veiligheidsmaatregelen met betrekking tot de uiteenlopende betalingsmethodes niet bij de consument mag liggen, maar wel dat de consument geïnformeerd moet worden over veiligheidsvoorzorgsmaatregelen en dat financiële instellingen verantwoordelijk moeten worden gesteld voor fraudekosten, tenzij deze veroorzaakt zijn door een klant „die frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of als gevolg van ernstige nalatigheid een of meer van zijn of haar verplichtingen uit hoofde van artikel 56 van de richtlijn betreffende betalingsdiensten niet is nagekomen”; is daarom van mening dat voorlichtingscampagnes moeten worden aangemoedigd om het publiek met name bewuster te maken van en meer kennis te verschaffen over digitale veiligheidskwesties; verzoekt de Commissie om bij het ontwikkelen van een strategie en instrumenten voor de integratie van de markten voor kaart-, internet- en mobiele betalingen rekening te houden met de normen en aanbevelingen van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming met betrekking tot transparantie, identificatie van de controller/verwerker, evenredigheid en de rechten van de persoon wiens gegevens het betreft; vindt het belangrijk dat alle gevallen van betalingsfraude in SEPA worden gemeld op een gecentraliseerde website voor controle, statistiek en evaluatie, om snel te kunnen reageren op nieuwe veiligheidsdreigingen, en dat de belangrijkste ontwikkelingen openbaar worden gemaakt; verzoekt de Commissie het beginsel van ingebouwde privacy meer te laten omvatten dan authenticatiemechanismen en veiligheidswaarborgen om de minimalisering van gegevens te waarborgen, instellingen voor standaardprivacy te installeren, de toegang tot persoonlijke gegevens te beperken tot het strikt noodzakelijke om de dienst te leveren, en hulpmiddelen aan te reiken waarmee gebruikers hun persoonlijke gegevens beter kunnen beschermen;

56.  is van mening dat de veiligheid van persoonlijke kaartbetalingen reeds hoog is en dat deze dankzij de geleidelijke overgang van magnetische kaarten op chipkaarten, die snel moet worden voltooid, er alleen maar hoger op zal worden; is bezorgd over de veiligheidsproblemen met andere vormen van kaartbetalingen en over het feit dat enkele van de huidige Europese EMV-implementaties misschien niet helemaal consistent zijn, dringt erop aan deze ongewenste situatie op te lossen en herinnert eraan dat er ook verbeterde oplossingen nodig zijn voor kaartbetalingen in een netwerk op afstand; roept de Commissie op onafhankelijke gegevens te verzamelen over fraude met online betalingen en deze op te nemen in de desbetreffende antifraudebepalingen van haar wetgevingsvoorstel;

57.  is van mening dat er de nodige risico's verbonden zijn aan de verstrekking van gegevens over de beschikbaarheid van middelen op bankrekeningen aan derde partijen; merkt op dat een van de risico's kan zijn dat consumenten niet volledig op de hoogte zijn van wie er allemaal toegang heeft tot hun rekeninginformatie, en in welk wettelijk kader, en welke operator verantwoordelijk is voor de betalingsdiensten waar de consument gebruik van maakt; benadrukt dat gegevensbescherming in geen enkel stadium in het gedrang mag komen;

58.  benadrukt dat deze veiligheidsrisico's verlaagd kunnen worden door regulering en technische ontwikkelingen en dat betalingen via niet-bancaire PSP’s even veilig kunnen worden gemaakt als betalingen rechtstreeks vanaf een goed beschermde bankrekening, als er maar veilige systemen beschikbaar zijn en als de legitimiteit van de toegang alsmede de organisaties die toegang aanvragen duidelijk zijn gedefinieerd;

59.  is dan ook geen voorstander van de toegang van derde partijen tot gegevens over de beschikbaarheid van middelen op bankrekeningen tenzij het systeem aantoonbaar veilig is en aan grondige tests onderworpen is; merkt op dat alle regelgeving de toegang van derden moet beperken tot binaire („ja/nee”) informatie over de beschikbaarheid van middelen en dat er speciale aandacht moet worden besteed aan veiligheid, gegevensbescherming en consumentenrechten; is met name van mening dat duidelijk moet worden aangegeven welke partijen zich niet-discriminerend toegang kunnen verschaffen tot welke informatie en onder welke voorwaarden de aldus verkregen gegevens mogen worden opgeslagen, en dat deze bepalingen onderdeel moeten vormen van een contractrelatie tussen de betrokken partijen; benadrukt dat er bij het scheppen van een regelgevingskader inzake toegang voor derden een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen toegang tot informatie over de beschikbaarheid van middelen voor een bepaalde transactie en toegang tot rekeninginformatie van een klant in het algemeen; roept de Commissie op de bescherming van persoonsgegevens te garanderen door na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming duidelijke regelgeving voor te stellen over welke rol elke actor speelt bij de verzameling van gegevens en met welk doel, evenals een duidelijke definitie van de actoren die verantwoordelijk zijn voor het verzamelen, verwerken en bewaren van gegevens; voegt eraan toe dat gebruikers de mogelijkheid moeten hebben hun persoonsgegevens ook in een complexe grensoverschrijdende context te raadplegen en aan te passen; vindt dat aan de eisen voor gegevensbescherming moet worden voldaan volgens het beginsel van „ingebouwde/standaard privacy” en dat bedrijven of consumenten niet verantwoordelijk hoeven te zijn voor de bescherming van hun gegevens;

60.  is van mening dat de rechten van consumenten op terugbetaling versterkt moeten worden, zowel in het geval van betalingen waarvoor geen toestemming is verleend als in het geval van producten of goederen die niet werden geleverd (of niet werden geleverd zoals beloofd), en dat doeltreffende systemen voor collectief verhaal of alternatieve geschillenbeslechting onontbeerlijke instrumenten zijn voor consumentenbescherming, ook op het gebied van elektronische betalingen;

61.  merkt op dat, aangezien veiligheidsdreigingen hand over hand toenemen, er tevens een rol is weggelegd voor CEN en ETSI om actief te worden betrokken bij het ontwikkelen van veiligheidsnormen;

62.  merkt op dat in het geval van betalingssystemen waarbij één of meer van de deelnemers zich in verschillende lidstaten bevinden, van de Commissie wordt verwacht dat ze een verhelderend voorstel indient over welke rechtbank of welk systeem voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting moet worden ingezet bij geschillen en dat de toegang tot en het gebruik van deze organen voor alternatieve geschillenbeslechting laagdrempelig moet zijn voor consumenten;

o
o   o

63.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie evenals aan de nationale parlementen.

(1) PB L 94 van 30.3.2012, blz. 22.
(2) http://ec.europa.eu/competition/sectors/financial_services/information_paper_payments_en.pdf.
(3) http://www.ecb.europa.eu/pub/pdf/other/recommendationsforthesecurityofinternetpaymentsen.pdf.
(4) http://www.edps.europa.eu/EDPSWEB/webdav/site/mySite/shared/Documents/Consultation/Comments/2012/12-04-11_Mobile_Payments_EN.pdf
(5) PB L 318 van 22.11.2002, blz. 17.
(6) http://ec.europa.eu/competition/antitrust/cases/dec_docs/34579/34579_1889_2.pdf; samenvatting besluit in PB C 264 van 6.11.2009, blz. 8.
(7) Zaak T-111/08, MasterCard e.a./Commissie, nog niet gepubliceerd.


Schaduwbankieren
PDF 218kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over schaduwbankieren (2012/2115(INI))
P7_TA(2012)0427A7-0354/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de voorstellen van de Commissie en haar mededeling van 12 september 2012 over de bankenunie,

–  gezien de conclusies van de G20 van 18 juni 2012 waarin wordt opgeroepen tot de voltooiing van de werkzaamheden inzake schaduwbankieren om tot de volledige uitvoering van de hervormingen te komen,

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2011 over de financiële, economische en sociale crisis: aanbevelingen voor te nemen maatregelen en initiatieven(1),

–  gezien het tussentijdse verslag van de door de Raad voor financiële stabiliteit (FSB) opgerichte werkstroom over repo's en het uitlenen van effecten van 27 april 2012, en het raadplegingsverslag over geldmarktfondsen dat op dezelfde dag is gepubliceerd door de International Organization of Securities Commissions (IOSCO),

–  gezien het gelegenheidsdocument (nr. 133) van de Europese Centrale Bank (ECB) over schaduwbankieren in de eurozone, vrijgegeven op 30 april 2012,

–  gezien het groenboek van de Commissie over schaduwbankieren (COM(2012)0102),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 26 juli 2012 met als titel „Instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's): productregels, liquiditeitenbeheer, bewaarnemers, geldmarktfondsen en langetermijninvesteringen”,

–  gezien het op 27 oktober 2011 door de FSB uitgebrachte verslag over de versterking van het toezicht op en de regulering van schaduwbankieren, in antwoord op de uitnodigingen van de G20 in Seoel in 2010 en in Cannes in 2011,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0354/2012),

A.  overwegende dat de FSB het schaduwbanksysteem heeft omschreven als „het systeem van kredietbemiddeling waarbij entiteiten en activiteiten van buiten het reguliere banksysteem betrokken zijn”;

B.  overwegende dat gereglementeerde entiteiten binnen het reguliere banksysteem uitgebreid deelnemen aan activiteiten die worden beschouwd als behorende tot het schaduwbanksysteem, en in velerlei opzicht onderlinge relaties onderhouden met schaduwbankentiteiten;

C.  overwegende dat een belangrijk deel van de activiteiten van schaduwbanken zich voltrekt binnen de reguliere bankensector en dat die tak van activiteiten volledig onder het bestaande regelgevingskader dient te vallen;

D.  overwegende dat bepaalde elementen die onder het begrip schaduwbankieren vallen van vitaal belang zijn voor de financiering van de reële economie en dat de nodige zorgvuldigheid in acht moet worden genomen bij het ​​bepalen van de werkingssfeer van eventuele nieuwe of uitgebreide toepassingen van bestaande reguleringsmaatregelen;

E.  overwegende dat het maar goed is dat in bepaalde gevallen de risico's bij schaduwbankieren buiten de bankensector worden gehouden en dat er dus ook geen consequenties voor de belastingbetaler of systeemrisico's aan kunnen zijn verbonden; overwegende dat desondanks, met het oog op de financiële stabiliteit, een completer inzicht in de activiteiten van schaduwbanken en hun banden met financiële instellingen noodzakelijk is, evenals regulering die nodig is ter wille van de transparantie, de beperking van systeemrisico's en de uitsluiting van wanpraktijken;

F.  overwegende dat er – om meer inzicht te verkrijgen in het fenomeen schaduwbanken – niet aan te ontkomen valt middels regulering adequate oplossingen te vinden voor de afwikkelbaarheid, complexiteit en ondoorzichtigheid van de financiële activiteiten die zich in die sector voltrekken, met name in crisissituaties;

G.  overwegende dat volgens een schatting van de FSB de omvang van het mondiale schaduwbanksysteem in 2011 ongeveer 51 biljoen EUR bedroeg, tegenover 21 biljoen euro in 2002; overwegende dat dit 25 tot 30% van het totale financiële stelsel vertegenwoordigt en de helft van de totale omvang van de bankactiva;

H.  overwegende dat schaduwbankieren weliswaar bepaalde positieve effecten kan hebben, zoals een efficiënter financieel systeem, een grotere productdiversiteit en meer concurrentie, maar dat tevens is komen vast te staan dat het een van de voornaamste oorzaken van of factoren achter de financiële crisis is geweest en dat het de stabiliteit van het financiële systeem kan bedreigen; overwegende dat de FSB oproept tot meer toezicht op de uitbreiding van schaduwbankactiviteiten, hetgeen problemen doet rijzen, (i) met betrekking tot systeemrisico's, in het bijzonder als gevolg van looptijd- en/of liquiditeitsaanpassingen, leverageratio's en suboptimale kredietrisico-overdrachten, en (ii) met betrekking tot reguleringsarbitrage;

I.  overwegende dat voorstellen over schaduwbankieren en de structuur van de retail- en beleggingsactiviteiten van kredietverschaffers belangrijke voorwaarden vormen voor de effectieve uitvoering van de in 2008 door de G20 genomen beslissing om alle producten en actoren te reguleren; overwegende dat de Commissie deze materie sneller en kritischer onder de loep moet nemen;

J.  overwegende dat schaduwbankieren een wereldwijd fenomeen is en dus ook een consistente mondiale regulering behoeft, op basis van de aanbevelingen van de FSB (die de komende weken zullen worden gepubliceerd), aangevuld door die van alle andere relevante nationale of supranationale reguleringsorganen;

A.Definitie van schaduwbankieren

1.  is verheugd over het groenboek van de Commissie als een eerste stap op weg naar strengere monitoring van en een strenger toezicht op schaduwbankieren; ondersteunt de aanpak van de Commissie gebaseerd op indirecte regulering van schaduwbankieren en adequate uitbreiding of herziening van de op dat vlak bestaande regulering; benadrukt eveneens de behoefte aan directe, functionele regulering voorzover de bestaande regulering ontoereikend blijkt te zijn in bepaalde opzichten, waarbij overlap wordt voorkomen en samenhang met bestaande regelgeving wordt gewaarborgd; dringt aan op een integrale benadering van schaduwbankieren, waarbij zowel prudentiële als marktgedragsaspecten van belang zijn; constateert een toenemende verschuiving naar marktfinanciering en retailisering van hoogcomplexe financiële producten; onderstreept derhalve dat marktgedrag en consumentenbescherming hierbij ook moeten worden betrokken;

2.  onderstreept dat een strengere regulering van kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en verzekerings- en herverzekeringsondernemingen de nodige impulsen zal verschaffen om activiteiten te verleggen naar terreinen die buiten het toepassingsgebied van de bestaande sectorale wetgeving vallen; benadrukt derhalve de noodzaak tot aanscherping van de procedures voor de stelselmatige preventieve evaluatie van de mogelijke effecten die wijzigingen in de financiële regelgeving kunnen teweegbrengen in termen van verlegging van de stroom van risicokapitaalinvesteringen via minder streng gereguleerde of niet-gereguleerde financiële entiteiten, en tot dienovereenkomstige uitbreiding van de regelgeving ter voorkoming van arbitrage;

3.  schaart zich achter de definitie van de FSB van het schaduwbanksysteem als „een systeem van tussenpersonen, instrumenten, entiteiten en financiële contracten dat een combinatie van bankachtige functies vervult, maar buiten de regels valt, aan een minder streng niveau van regulering is onderworpen of aan regulering is onderworpen die op andere aspecten dan op systeemrisico's is gericht, en zonder gegarandeerde toegang tot de liquiditeitsfaciliteiten van centrale banken of openbare kredietwaarborgen”; merkt op dat, in tegenstelling tot wat de term suggereert, schaduwbankieren niet per se te beschouwen is als een ongereguleerde of illegale tak van de financiële sector; benadrukt dat deze definitie zichmede omdat het stelsel nog steeds zo ondoorzichtig is en het vooralsnog aan informatie over en inzicht in het schaduwbanksysteem ontbreekt moeilijk laat hanteren waar het monitoring, regelgeving en toezicht betreft;

B.  Het in kaart brengen van data en onderzoek

4.  wijst erop dat sinds het begin van de crisis slechts enkele praktijken van het schaduwbankieren zijn verdwenen; merkt echter op dat het vernieuwende karakter van het schaduwbankieren tot nieuwe ontwikkelingen kan leiden die een bron van systeemrisico kunnen vormen, waartegen de strijd moet worden aangegaan; benadrukt dan ook de behoefte om, op Europees en mondiaal niveau, meer en betere data over transacties, marktdeelnemers, financiële stromen en interconnecties binnen het systeem van schaduwbankieren te verzamelen, teneinde een volledig zicht op deze sector te krijgen;

5.  is van mening dat nauwe internationale samenwerking en de bundeling van krachten op mondiaal niveau absoluut noodzakelijk zijn om een totaalbeeld van het schaduwbanksysteem te krijgen;

6.  is van mening dat door een vollediger zicht op, betere monitoring van en beter onderzoek naar deze sector zowel aspecten van het schaduwbankieren met gunstige effecten voor de reële economie, als problematische aspecten met het oog op systeemrisico en reguleringsarbitrage, aan het licht kunnen worden gebracht; benadrukt de behoefte aan strengere procedures voor risicobeoordeling en aan openbaarmakingsvereisten en toezicht voor alle systeemrelevante instellingen met een sterk risicoprofiel; herinnert aan de toezeggingen die op de G20-top in Los Cabos zijn gedaan om een internationaal systeem voor de identificatie van juridische entiteiten op te richten en benadrukt dat de Europese belangen bij het beheer daarvan adequaat moeten worden behartigd;

7.  merkt op dat de toezichthouders minimaal een algemeen beeld moeten hebben van de omvang van de repo-overeenkomsten, effectenuitleentransacties en alle vormen van vorderings- of terugvorderingsregelingen die instellingen zijn aangegaan; merkt voorts op dat er in het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken over de RKV IV-richtlijn, waarover momenteel met de Raad wordt onderhandeld, op wordt aangedrongen dat deze informatie wordt aangemeld bij een transactieregister of bij een centrale effectenbewaarstelling om deze toegankelijk te maken voor onder andere de EBA, de ESMA, de relevante bevoegde autoriteiten, het ESRB en de relevante centrale banken en het ESCB; wijst er verder op dat er in dit verslag op aangedrongen wordt dat ongeregistreerde terugvorderingsregelingen worden beschouwd als regelingen die bij liquidatieprocedures geen rechtskracht hebben;

8.  staat achter de oprichting en het beheer, mogelijkerwijs door de ECB, van een centrale EU-databank over repotransacties in euro's, die door de respectieve systemen en beherende banken moet worden gevoed naarmate zij repotransacties in hun eigen boeken verdisconteren; meent echter dat een dergelijke databank transacties in alle valuta's zou moeten bestrijken, zodat toezichthouders een volledig beeld van en inzicht in de wereldwijde repomarkt kunnen krijgen; verzoekt de Commissie op korte termijn (tegen begin 2013) met een consistente strategie te komen voor centrale gegevensvergaring, het opsporen van ontbrekende gegevens en het bundelen van de resultaten van reeds bestaande initiatieven van andere instanties en nationale autoriteiten, in het bijzonder de uit hoofde van de EMIR-verordening ingestelde transactieregisters; verzoekt de Commissie (tegen medio 2013) met een verslag te komen dat handelt over – maar zich niet beperkt tot – de vereiste institutionele opzet (bijvoorbeeld middels de ECB, het ESRB, een onafhankelijk centraal register), de inhoud en frequentie van de gegevensenquêtes, in het bijzonder met betrekking tot repotransacties in euro's en de overdracht van financiële risico's, alsmede over de omvang van de vereiste middelen;

9.  is van mening dat de Commissie de beschikbaarheid, tijdigheid en volledigheid van de voor karterings- en monitoringdoeleinden vereiste data moet onderzoeken, in weerwil van de aanzienlijke hoeveelheid gegevens en informatie die uit hoofde van de rapportageverplichting voor repotransacties krachtens de richtlijn kapitaalvereisten is vereist;

10.  is ingenomen met de ontwikkeling van een norm voor de identificatie van juridische entiteiten (LEI) en is van mening dat – naarmate het nut daarvan zichzelf bewijst – soortgelijke gemeenschappelijke normen moeten worden ontwikkeld voor de rapportage over repo- en effectentransacties met betrekking tot hoofdkapitaal, rente, onderpand, waarderingscorrecties, looptijden, tegenpartijen en andere aspecten die bij de berekening van aggregaten van pas komen;

11.  onderstreept dat het, om regelgevers in staat te stellen een gezamenlijke beleidsstrategie voor gegevensanalyses te ontwikkelen en deze met elkaar te delen om waar nodig actie te ondernemen teneinde een accumulatie van systeemrisico's te voorkomen en de financiële stabiliteit te vrijwaren, van essentieel belang is dat er gemeenschappelijke rapportageformaten op basis van open sectornormen worden gehanteerd;

12.  benadrukt eveneens de behoefte aan een vollediger zicht op risico-overdrachten door financiële instellingen, met inbegrip van – doch niet beperkt tot – door middel van derivatentransacties doorgevoerde overdrachten, waarvoor gegevens dienen te worden verstrekt uit hoofde van de EMIR-verordening en de MiFID/MiFIR-richtlijnen, om te kunnen bepalen wie wat van wie heeft gekocht en hoe de overgedragen risico's worden gedragen; wijst er met nadruk op dat moet worden gestreefd naar realtimekartering van transacties voor alle financiële diensten en dat deze vorm van kartering kan worden ondersteund en geautomatiseerd door middel van gestandaardiseerde berichten- en gegevensidentificatoren; verzoekt de Commissie hiertoe om – in overleg met het ESRB en internationale organen zoals de FSB – in haar een verslag over centrale gegevensvergaring de lopende werkzaamheden op het gebied van gestandaardiseerde berichten- en gegevensformaten op te nemen en de haalbaarheid van de oprichting van een centraal register voor risico-overdrachten, dat data betreffende risico-overdrachten in realtime kan inwinnen en monitoren, met volledige gebruikmaking van de informatie die wordt verstrekt in het kader van de rapportageverplichtingen welke voortvloeien uit bestaande en toekomstige financiële wetgeving, inclusief internationaal beschikbare gegevens;

13.  beschouwt bankrapportageverplichtingen als een essentieel en waardevol instrument om zicht te krijgen op schaduwbankactiviteiten; wijst er nogmaals op dat de gehanteerde boekhoudregels de werkelijkheid moeten weerspiegelen en dat de verkregen aggregaatgegevens idealiter zoveel mogelijk op de balans tot uitdrukking moeten komen;

14.  benadrukt dat voor de uitvoering van deze nieuwe taken voldoende nieuwe middelen nodig zijn;

C.  Het bestrijden van de systeemrisico's van schaduwbankieren

15.  benadrukt dat bepaalde schaduwbankactiviteiten en -entiteiten al naar gelang het land in kwestie al dan niet aan regelgeving kunnen worden onderworpen; onderstreept het belang van een gelijk speelveld tussen landen, alsook tussen de banksector en schaduwbankentiteiten, ter voorkoming van reguleringsarbitrage, die zou leiden tot concurrentieverstorende regelgevingsstimulansen; merkt bovendien op dat de onderlinge financiële afhankelijkheid van de banksector en de schaduwbankentiteiten momenteel excessief is;

16.  merkt op dat zorgvuldige regulering, evaluatie en controle momenteel nagenoeg onmogelijk worden gemaakt wanneer er sprake is van kredietrisico- of kasstroomdistorsies;

17.  is van mening dat fondsen en beheerders moeten aantonen dat zij volledig betrouwbaar zijn en dat ingenomen posities inzichtelijk zijn en door een ander kunnen worden overgenomen;

18.  onderstreept dat er meer openheid moet komen omtrent overdrachten van financiële activa uit de balans door de lacunes in de International Financial Reporting Standards op te vullen; wijst nadrukkelijk op de verantwoordelijkheid van financiële poortwachters zoals accountants en interne controleurs voor het signaleren van potentieel negatieve ontwikkelingen en ongunstige risicotendensen;

19.  is van mening dat boekhoudregels de realiteit moeten weerspiegelen en dat de mogelijkheid om activa tegen aanschafwaarde te waarderen terwijl de marktwaarde veel lager ligt, de instabiliteit bij bank- en andere entiteiten in de hand heeft gewerkt en dat dit niet mag worden toegestaan; dringt er bij de Commissie op aan, aanpassingen van de IFRS aan te moedigen, waarbij meer aandacht wordt besteed aan netterings- en risicowegingsvrije aggregaten;

20.  is van mening dat de financiële regelgeving ten doel moet hebben een einde te maken aan de complexiteit en ondoorzichtigheid van financiële diensten en producten, en dat reguleringsmaatregelen zoals hogere kapitaalvereisten en de afschaffing van risicowegingsbeperkingen een rol te vervullen hebben bij het tegengaan van complexe hedgingoperaties met derivaten; is van mening dat nieuwe financiële producten pas op de markt mogen worden gebracht of mogen worden goedgekeurd wanneer jegens de toezichthouders is aangetoond dat zij afwikkelbaar zijn;

21.  pleit voor instelling van een boete op asymmetrische informatieverstrekking, inzonderheid voor bewijsstukken en exoneratieclausules die op financiële diensten en producten betrekking hebben; is van mening dat waar nodig dergelijke exoneratiebedingen dienen te worden onderworpen aan een per pagina en per exoneratie in rekening te brengen „kleineletterheffing”;

22.  benadrukt dat de verslagen van de Commissie economische en monetaire zaken over RKV IV(2), die momenteel met de Raad worden besproken, een belangrijke, positieve bijdrage aan de strijd tegen schaduwbankieren leveren door gestructureerde investeringsvehikels en doorstroomstructuren (zgn. „conduits”) aan kapitaalvereisten voor liquiditeitslijnen te onderwerpen, door voor alle niet-gereguleerde entiteiten een hoge risicogrens (25% van het eigen vermogen) vast te stellen, hetgeen banken ertoe zal helpen aansporen zich te schikken naar de netto stabiele financieringsratio (NSFR), en door in de prudentiële voorschriften inzake liquiditeitsrisico's het in verhouding tot gereguleerde en niet-financiële entiteiten hogere risico te erkennen van uitzettingen op dergelijke entiteiten;

23.  merkt op dat een van de lessen van de financiële crisis erin bestaat dat er normaliter weliswaar een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen verzekerings- en kredietrisico, maar dat dit onderscheid wellicht niet zo duidelijk is voor bijvoorbeeld kredietverzekeringsproducten; verzoekt de Commissie de wetgeving met betrekking tot het bank- en verzekeringswezen en in het bijzonder tot financiële conglomeraten te herzien teneinde een gelijk speelveld te waarborgen tussen banken en verzekeraars en regulerings- en/of toezichtsarbitrage te voorkomen;

24.  is van mening dat de voorgestelde uitbreiding van bepaalde onderdelen van RKV IV tot bepaalde financiële niet-deposito-instellingen die niet onder de definitie in de verordening kapitaalvereisten (CRR) vallen, noodzakelijk is om specifieke risico's te ondervangen, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat sommige bepalingen kunnen worden aangepast aan de specifieke kenmerken van deze entiteiten om onevenredig gevolgen voor dergelijke instellingen te voorkomen;

25.  is van mening dat de schaduwbankensector zich niet aan Europees bankentoezicht kan onttrekken;

26.  benadrukt dat alle schaduwbankentiteiten waarvoor banken verantwoordelijkheid dragen of die met banken verbonden zijn, ten behoeve van prudentiële consolidatie in de balans van de banken in kwestie moeten worden opgenomen; verzoekt de Commissie om, tegen begin 2013, te onderzoeken hoe kan worden gewaarborgd dat entiteiten die in boekhoudkundig opzicht niet geconsolideerd zijn, ten behoeve van prudentiële consolidatie geconsolideerd worden om de financiële stabiliteit in de wereld te verbeteren; spoort de Commissie ertoe aan rekening te houden met eventuele richtsnoeren van de zijde van het BCBS of andere internationale organen met het oog op een betere onderlinge afstemming van de financieel-administratieve en risicogerelateerde aspecten van consolidatie;

27.  benadrukt de noodzaak om sterkere transparantie wat betreft de structuur en de activiteiten van financiële instellingen, te waarborgen; verzoekt de Commissie om, rekening houdend met de conclusies van het verslag-Liikanen, maatregelen voor te stellen betreffende de structuur van de Europese banksector, onder inaanmerkingneming van zowel de voordelen als de potentiële risico's die aan het combineren van retail- en zakenbankactiviteiten zijn verbonden;

28.  neemt kennis van de omvang van de uitleenmarkt voor effecten en de repomarkt; verzoekt de Commissie om, tegen begin 2013, maatregelen te nemen om de transparantie te verhogen, met name voor cliënten, onder andere door bijvoorbeeld melding van een zekerheidsaanduiding en van eventueel hergebruik van zekerheden aan toezichthouders op geaggregeerde basis verplicht te stellen, en door toezichthouders in staat te stellen aanbevolen minimale waarderingscorrecties (zgn.„haircuts”) of margeverplichtingen voor door zekerheden gedekte financieringsmarkten op te leggen, zonder dat dit in standaardisatie resulteert; erkent in dit verband de noodzaak om duidelijk te bepalen wie de eigenaar is van de effecten en om de bescherming daarvan te waarborgen; verzoekt de Commissie niettemin om, naast de sectorale beleidsstrategieën waarmee reeds een begin is gemaakt, een integrale discussie aan te gaan over de te hanteren marges, en om een onderzoek in te stellen naar en zich te beraden over de eventuele instelling van beperkingen van herverpanding van zekerheden; wijst op de noodzaak het faillissementsrecht te herzien met betrekking tot zowel de repomarkt als de uitleenmarkt voor effecten en securitisaties, met het oog op de harmonisatie en afhandeling van statuspreferentiekwesties die van belang zijn voor de resolutie van gereguleerde financiële instellingen; dringt er bij de Commissie op aan zich te beraden over diverse strategieën ter beperking van faillissementsprivileges, inclusief voorstellen om faillissementsprivileges te beperken tot centraal geclearde transacties of tot zekerheden die voldoen aan geharmoniseerde en vooraf gedefinieerde ontvankelijkheidscriteria;

29.  is van mening dat voldoende aandacht moet worden besteed aan stimulering van securitisatie; benadrukt dat de solvabiliteits- en liquiditeitseisen voor securitisaties bevorderlijk zouden moeten zijn voor een hoogwaardige en goed gespreide beleggingsportefeuille, zodat kuddegedrag wordt voorkomen; verzoekt de Commissie een onderzoek in te stellen naar de securitisatiemarkt, en daarbij ook aandacht te besteden aan gedekte obligaties, die voor bankbalansen een risicoverhogend effect kunnen teweegbrengen; verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen om de transparantie ervan aanmerkelijk te verbeteren; verzoekt de Commissie, indien noodzakelijk en uiterlijk tegen begin 2013, de bestaande regulering te herzien om deze in overeenstemming te brengen met het nieuwe BCBS-securitisatiekader dat momenteel wordt besproken; stelt voor een limiet in te stellen op het aantal keren dat een financieel product kan worden gesecuritiseerd, en bijzondere eisen op te leggen aan aanbieders van securitisatie (bijv. initiators of begeleiders) om een gedeelte van de securitisatierisico's aan te houden, om er zo voor te zorgen dat het risico daadwerkelijk bij de aanbieder blijft berusten en niet wordt overgedragen aan de vermogensbeheerder, en maatregelen te nemen ter bevordering van transparantie; dringt met name aan op de invoering van een consistente methode voor de waardering van de onderliggende activa en voor de standaardisatie van securitisatieproducten in de respectieve wetgevingen en jurisdicties;

30.  merkt op dat effectenpakketten via een repotransactie zijn „geherretrocedeerd” en daarbij in sommige gevallen hogere ratings hebben gekregen; benadrukt dat dergelijke transacties niet mogen worden gebruikt als een liquiditeitsreguleringsmaatregel (zie het verslag van de Commissie ECON over RKV IV);

31.  erkent de belangrijke rol van geldmarktfondsen bij de kortetermijnfinanciering van financiële instellingen en op het gebied van risicodiversificatie; erkent de verschillende rol en structuur van de in de EU en in de VS gevestigde geldmarktfondsen; erkent dat op grond van de richtsnoeren uit 2010 van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) geldmarktfondsen aan strengere normen (kredietwaardigheid, looptijd van onderliggende effecten en betere informatie aan beleggers) onderworpen zijn; merkt echter op dat sommige geldmarktfondsen, in het bijzonder de fondsen die beleggers een stabiele intrinsieke waarde bieden, kwetsbaar zijn voor massale runs; benadrukt dan ook dat aanvullende maatregelen moeten worden genomen om de veerkracht van deze fondsen te versterken en het liquiditeitsrisico te dekken; staat achter de aanbevelingen voor de regulering en het beheer van de geldmarktfondsen in de verschillende jurisdicties opgenomen in het eindverslag van de IOSCO van oktober 2012; is van mening dat geldmarktfondsen die een stabiele intrinsieke waarde bieden moeten worden onderworpen aan maatregelen om de specifieke risico's die gepaard gaan met hun stabiele intrinsieke waarde te beperken en de kosten die uit deze risico's voortvloeien te internaliseren; is van mening dat toezichthouders, indien haalbaar, geldmarktfondsen verplicht moeten stellen een variabele intrinsieke waarde in te voeren en dat anders waarborgen moeten worden ingevoerd om de veerkracht van geldmarktfondsen met een stabiele intrinsieke waarde te versterken, evenals hun vermogen om aanzienlijke geldopvragingen te weerstaan; verzoekt de Commissie tegen het eerste halfjaar van 2013 een herziene versie van het icbe-kader voor te stellen, waarbij speciaal de nadruk moet liggen op de geldmarktfondsenproblematiek, om geldmarktfondsen te verplichten ofwel een variabele waarde van de activa met een dagelijkse waardering in te voeren ofwel, indien aan een constante waarde wordt vastgehouden, een beperkte bankvergunning aan te vragen en zich te onderwerpen aan kapitaalvereisten en andere prudentiële voorschriften; benadrukt dat toezichtsarbitrage tot een minimum moet worden beperkt;

32.  verzoekt de Commissie zich, in het kader van de herziening van de icbe-regelgeving, nader te beraden over de eventuele invoering van specifieke liquiditeitsvoorschriften voor geldmarktfondsen, waarbij minimumeisen worden vastgesteld voor overnight, week- en maandliquiditeitsfaciliteiten (20%, 40%, 60%) en waarbij liquiditeitsprovisies in rekening worden gebracht middels een mechanisme dat ook de verplichting inhoudt tot directe kennisgeving aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit en de ESMA;

33.  erkent de voordelen die indexfondsen (ETF's) bieden door kleine beleggers toegang te geven tot een breder aanbod van activa (in het bijzonder grondstoffen), maar benadrukt de risico's van ETF's in termen van complexiteit, tegenpartijrisico, liquiditeit van producten en mogelijke reguleringsarbitrage; waarschuwt voor de risico's die aan synthetische ETF's zijn verbonden als gevolg van hun toenemende ondoorzichtigheid en complexiteit, met name waar het synthetische ETF's betreft die worden verkocht aan particuliere beleggers; verzoekt de Commissie dan ook deze mogelijke structurele zwakheden te evalueren en aan te pakken in het kader van de lopende zesde herziening van de icbe-regelgeving, onder inaanmerkingneming van de verschillende categorieën cliënten (bijvoorbeeld particuliere, professionele en institutionele beleggers) en hun respectieve risicoprofielen;

34.  verzoekt de Commissie uitgebreide effectbeoordelingen op te maken van de gevolgen van alle nieuwe wetgevingsvoorstellen met betrekking tot de financiering van de reële economie;

o
o   o

35.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Raad voor financiële stabiliteit.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0331.
(2) A7-0170/2012 en A7-0171/2012.


Bescherming van kinderen in de digitale wereld
PDF 239kWORD 81k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over de bescherming van kinderen in de digitale wereld (2012/2068(INI))
P7_TA(2012)0428A7-0353/2012

Het Europees Parlement,

–   gezien artikel 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van personen ter zake van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989,

–  gezien Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(1),

–  gezien Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten)(2),

–  gezien Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („Richtlijn inzake elektronische handel”)(3),

–  gezien Besluit 1718/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende de uitvoering van een programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector (MEDIA 2007)(4),

–  gezien Aanbeveling 2006/952/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de bescherming van kinderen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord in verband met de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en online-informatiediensten(5),

–  gezien de conclusies van de Raad over de bescherming van kinderen in de digitale wereld(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 15 februari 2011, getiteld „Een EU-agenda voor de rechten van het kind” (COM(2011)0060),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's van 26 augustus 2010, getiteld „Een digitale agenda voor Europa” (COM(2010)0245/2),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 28 maart 2012, getiteld „De aanpak van criminaliteit in het digitale tijdperk – Oprichting van een Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit (COM(2012)0140),

–  gezien de strategie voor de rechten van het kind (2012-2015) van de Raad van Europa van 15 februari 2012,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 2 mei 2012, getiteld „Europese Strategie voor een beter internet voor kinderen” (COM(2012)0196),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 13 september 2011 over de toepassing van de aanbeveling van de Raad van 24 september 1998 betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en van de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord in verband met de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en online-informatiediensten -Bescherming van kinderen in de digitale wereld (COM(2011)0556),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik,

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2011 over een integrale aanpak van de bescherming van persoonsgegevens in de Europese Unie(7),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0353/2012),

A.  overwegende dat de bescherming van minderjarigen in de digitale wereld op wetgevingsgebied moet worden aangepakt met efficiëntere maatregelen, onder meer door middel van zelfregulering, door de industrie zo ver te krijgen dat zij haar deel van de verantwoordelijkheid op zich neemt, en op het onderwijs- en opleidingsgebied door kinderen, ouders en leraren te leren hoe kan worden voorkomen dat minderjarigen toegang hebben tot illegale inhoud;

B.  overwegende dat alle vormen van illegale online inhoud moeten worden aangepakt, en dat het specifieke geval van seksueel misbruik van kinderen niet alleen als illegale inhoud moet worden beschouwd, maar ook als een van de meest verwerpelijke vormen van op het internet verspreide inhoud;

C.  overwegende dat een van de hoofddoelstellingen van een doeltreffende strategie ter bescherming van kinderen erin moet bestaan te waarborgen dat alle kinderen, jongeren en ouders en/of verzorgers over de nodige informatie en vaardigheden beschikken om zichzelf online te beschermen;

D.  overwegende dat de snelle ontwikkeling van de technologie vraagt om een snelle reactie in de vorm van zelf- en co-regulering, alsook door de oprichting van vaste instanties die een holistische aanpak voor de verschillende omgevingen kunnen vaststellen;

E.  overwegende dat de digitale wereld tal van onderwijs- en leermogelijkheden biedt; dat de onderwijssector bezig is zich aan te passen aan de digitale wereld, maar met een tempo en op een wijze die achterblijven bij de snelheid waarmee de technologie het leven van minderjarigen verandert, en dat dit problemen oplevert voor ouders en opvoeders wanneer zij proberen de kinderen te leren om de media kritisch te gebruiken, maar vaak in de marge van het virtuele leven van de kinderen blijven;

F.  overwegende dat minderjarigen in het algemeen heel handig zijn met het gebruiken van internet, maar dat zij moeten worden geholpen om het verstandig, verantwoord en veilig te gebruiken;

G.  overwegende dat kinderen niet alleen meer inzicht moeten krijgen in de potentiële gevaren waarmee zij op het internet worden geconfronteerd, maar dat ook het gezin, de school en het maatschappelijk middenveld samen verantwoordelijkheid moeten nemen voor de voorlichting van kinderen en er gezamenlijk voor moeten zorgen dat kinderen naar behoren worden beschermd wanneer zij gebruik maken van het internet en andere nieuwe media;

H.  overwegende dat onderwijs met betrekking tot de media en de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën een belangrijke factor is voor de beleidsontwikkeling op het gebied van de bescherming van minderjarigen in de digitale wereld en voor het waarborgen van een veilig, goed en kritisch gebruik van deze technologieën;

I.  overwegende dat de ontwikkeling van digitale technologieën een uitgelezen mogelijkheid biedt om kinderen en jongeren mogelijkheden aan de hand te doen om de nieuwe media en het internet doeltreffend te gebruiken op een wijze die hen in staat stelt om met anderen te communiceren en zo online en offline actief deel te nemen aan en een actievere rol te leren spelen in de samenleving;

J.  overwegende dat ook minderjarigen toegang moeten hebben tot pluralistische en veilige digitale instrumenten, diensten en inhoud om het burgerschap uit te oefenen en de daaruit voortvloeiende rechten, zoals deelname aan het culturele, sociale en democratische leven, te genieten;

K.  overwegende dat de maatregelen ter bescherming van minderjarigen niet alleen betrekking moeten hebben op de bestrijding van illegale en ongeschikte inhoud, preventie en interventie, maar ook een aantal andere bedreigingen moeten aanpakken, zoals pesten, discriminatie, beperking van de toegang tot diensten, online bewaking, inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en op de vrijheid van meningsuiting en informatie, en onduidelijkheid omtrent de doelen waarvoor persoonsgegevens worden verzameld;

L.  overwegende dat de nieuwe informatie- en communicatiemogelijkheden die de digitale wereld biedt, zoals computers, TV op verschillende platforms, mobiele telefoons, videogames, tablets, apps, alsook het verspreidingsniveau van verschillende media die in één digitaal systeem zijn ondergebracht, niet alleen een veelvoud aan mogelijkheden en kansen voor kinderen en jongeren bieden, maar ook risico's inhouden, zoals gemakkelijke toegang tot inhoud die illegaal is en ongeschikt of schadelijk voor de ontwikkeling van minderjarigen en de mogelijkheid dat gegevens worden verzameld om kinderen tot consumentendoelgroep te maken, met alle schadelijke en niet-gemeten gevolgen van dien;

M.  overwegende dat het welzijn van minderjarigen en de menselijke waardigheid in het kader van het vrije verkeer van audiovisuele diensten binnen de interne markt belangen zijn die bijzondere rechtsbescherming verdienen;

N.  overwegende dat de maatregelen die de lidstaten hebben genomen om illegale online inhoud te voorkomen niet altijd doeltreffend zijn en onvermijdelijk leiden tot uiteenlopende benaderingen bij de bestrijding van schadelijke inhoud; dat illegale inhoud onmiddellijk moet worden verwijderd op basis van een deugdelijke rechtsgang;

O.  overwegende dat het feit dat persoonlijke informatie en persoonsgegevens van minderjarigen online kan leiden tot illegale gegevensverwerking, tot uitbuiting van minderjarigen of tot aantasting van hun persoonlijke waardigheid, waardoor hun identiteit, hun geestelijke vermogens en hun sociale inclusie enorme schade kunnen oplopen, vooral omdat die gegevens in verkeerde handen terecht kunnen komen;

P.  overwegende dat de snelle groei van sociale media bepaalde risico's met zich meebrengt voor de veiligheid van de persoonlijke levenssfeer, de persoonsgegevens en de persoonlijke waardigheid van minderjarigen;

Q.  overwegende dat bijna 15% van alle minderjarige internetgebruikers tussen de 10 en 17 jaar op de één of andere manier seksueel is benaderd en 34% van hen op seksueel materiaal stuit waar ze niet naar op zoek waren;

R.  overwegende dat de diverse gedragscodes die aanbieders van digitale inhoud en diensten hebben opgesteld niet altijd voldoen aan de vereisten van de Europese of nationale wetgeving inzake transparantie, onafhankelijkheid, vertrouwelijkheid en verwerking van persoonsgegevens, en het gevaar kunnen inhouden dat er profielen worden gecreëerd voor commerciële doeleinden en andere vormen van uitbuiting, zoals seksueel misbruik en zelfs mensenhandel;

S.  overwegende dat op kinderen gerichte reclame verantwoord en gematigd moet zijn;

T.  overwegende dat minderjarigen moeten worden beschermd tegen de gevaren van de digitale wereld, in overeenstemming met hun leeftijd en hun ontwikkeling; dat de lidstaten moeilijkheden melden bij het coördineren van aspecten in verband met de vaststelling van indelingsklassen voor inhoud op basis van leeftijd en van het risiconiveau van de inhoud;

U.  overwegende dat minderjarigen in de digitale wereld weliswaar met tal van gevaren worden geconfronteerd, maar dat we wel de vele kansen moeten blijven aangrijpen die de digitale wereld biedt voor de ontwikkeling van de kennismaatschappij;

V.  overwegende dat de rol van de ouders bij de bescherming van hun kinderen tegen de gevaren van de digitale wereld zeer belangrijk is;

Een kader voor rechten en beheer

1.  wijst op het feit dat een nieuwe fase in de bescherming van de rechten van het kind in het EU-kader is begonnen met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, in combinatie met het thans juridisch bindende Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat in artikel 24 bepaalt dat de bescherming van het kind een grondrecht is en dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind de eerste overweging moeten vormen; wijst opnieuw op de noodzaak dat de EU de normen naleeft van de internationale instrumenten waarbij de EU als zodanig geen partij is, conform de oproep van het Europees Hof van Justitie in zaak C-540/03, Europees Parlement tegen Raad;

2.  dringt er bij de lidstaten op aan om Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie vlot en tijdig om te zetten en ten uitvoer te leggen; roept de lidstaten ertoe op hun inspanningen op het gebied van de bescherming van minderjarigen in de digitale wereld zoveel mogelijk te harmoniseren;

3.  herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om – ingeval ze dit nog niet hebben gedaan – over te gaan tot het ondertekenen en ratificeren van de internationale instrumenten inzake de bescherming van kinderen, zoals het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik, het Derde Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Europees Verdrag inzake de uitoefening van de rechten van het kind, en deze instrumenten om te zetten met inachtneming van de vereiste rechtszekerheid en helderheid, zoals de rechtsorde van de EU dit verlangt;

4.  verzoekt de Commissie de bestaande interne mechanismen te verbeteren om een coherente en gecoördineerde aanpak op het gebied van de bescherming van minderjarigen in de digitale wereld te waarborgen; is verheugd over de door de Commissie voorgestelde Europese strategie voor een beter internet voor kinderen en vraagt de Commissie de bestaande interne mechanismen te verbeteren om een coherente en gecoördineerde aanpak op het gebied van onlineveiligheid van kinderen te waarborgen;

5.  benadrukt dat de rechten van kinderen een integraal onderdeel moeten worden van alle beleidsterreinen van de EU, waarbij het effect van de maatregelen op de rechten, de veiligheid en de lichamelijke en geestelijke integriteit van kinderen wordt geanalyseerd, en dat de Commissie ook met het oog daarop duidelijk geformuleerde voorstellen met betrekking tot de digitale wereld moet indienen;

6.  benadrukt dat alleen een alomvattende combinatie van wettelijke, technische en onderwijsmaatregelen, met inbegrip van preventie, ervoor kan zorgen dat passend kan worden gereageerd op de risico's waarmee kinderen online te maken hebben en dat de bescherming van kinderen in de online-omgeving wordt verbeterd;

7.  is verheugd over het nieuwe agentschap voor cyberveiligheid dat bij Europol is gevestigd, en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het kinderbeschermingsteam van het nieuwe centrum over voldoende hulpmiddelen beschikt en doeltreffend samenwerkt met Interpol;

8.  hoopt dat het programma voor een veiliger internet wordt voortgezet en dat er voldoende middelen worden uitgetrokken om de activiteiten die in het kader van dat programma worden ontplooid volledig uit te kunnen voeren en het specifieke karakter ervan te behouden, en verzoekt de Commissie een verslag in te dienen bij het Parlement over de plus- en minpunten van het programma, zodat maximale doeltreffendheid in de toekomst kan worden verzekerd;

9.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om passende maatregelen te treffen, onder meer via het internet, zoals het opzetten, eventueel in samenwerking met de betrokken maatschappelijke organisaties, gezinnen, scholen, audiovisuele diensten, het bedrijfsleven en andere belanghebbenden, van onderzoeks- en onderwijsprogramma's die tot doel hebben het gevaar dat kinderen het slachtoffer worden van internet te verkleinen;

10.  neemt kennis van het feit dat op initiatief van de Commissie de CEO-coalitie is opgericht om de veiligheid van kinderen op het internet te verbeteren; roept in deze context op tot nauwe samenwerking met maatschappelijke verenigingen en organisaties die actief zijn op gebieden als bescherming van minderjarigen, gegevensbescherming en onderwijs, met vertegenwoordigers van ouders en opvoeders, ook op Europees niveau, en met de directoraten-generaal van de Commissie die belast zijn met consumentenbescherming en justitie;

Media en nieuwe media: toegang en educatie

11.  wijst erop dat het internet kinderen en jongeren immens waardevolle hulpmiddelen biedt die ze kunnen gebruiken om hun denkbeelden duidelijk te maken en te doen gelden, om toegang te krijgen tot informatie en scholing en om hun rechten op te eisen, en uitgelezen kansen biedt voor een open kijk op de wereld en persoonlijke groei;

12.  benadrukt niettemin dat de online omgeving en de sociale media grote risico's kunnen inhouden voor de persoonlijke levenssfeer en de waardigheid van kinderen, die tot de meest kwetsbare internetgebruikers behoren;

13.  herinnert eraan dat internet kinderen ook blootstelt aan risico's vanwege verschijnselen als kinderpornografie, de uitwisseling van materiaal over geweld, cybercriminaliteit, intimidatie, pesten, kinderlokkerij online, de mogelijkheid voor kinderen om toegang te krijgen tot goederen en diensten waarvoor wettelijke beperkingen gelden of die ongeschikt zijn voor hun leeftijd of deze te kopen, blootstelling aan niet bij de leeftijd passende, agressieve of misleidende reclame, zwendelpraktijken, identiteitsdiefstal, oplichterij en soortgelijke gevaren van financiële aard die traumatische ervaringen kunnen opleveren;

14.  steunt in dit verband de inspanningen van de lidstaten om stelselmatig educatie en training voor kinderen, ouders, opvoeders, leerkrachten en sociale werkers te bevorderen om hen in staat te stellen de digitale wereld te begrijpen en de gevaren te onderkennen die de lichamelijke of geestelijke integriteit van kinderen zouden kunnen schaden, om de risico's die de digitale media inhouden te verkleinen en informatie te verstrekken over meldpunten en over de wijze waarop minderjarige slachtoffers kunnen worden geholpen; wijst er tevens op dat kinderen moeten beseffen dat hun eigen gebruik van digitale technologie de rechten van anderen kan schaden of zelfs crimineel gedrag kan vormen;

15.  acht het van het grootste belang dat er in een zo vroeg mogelijk stadium training in mediavaardigheden wordt gegeven, in het kader waarvan kinderen en jongeren leren bewust en kritisch te bepalen welke delen van het internet zij willen verkennen en welke liever niet, en waarbij fundamentele waarden betreffende het samenleven en wederzijds respect en tolerantie worden bevorderd;

16.  ziet „media-educatie” als het essentiële instrument om minderjarigen in staat te stellen kritisch gebruik te maken van media en van de mogelijkheden van de digitale wereld, en roept de lidstaten op media-educatie op te nemen in hun leerplannen; herinnert de Commissie eraan dat ook „consumenteneducatie” van belang is vanwege de constante toename van digitale marketing;

17.  wijst opnieuw op het belang van digitale en mediavaardigheden en -geletterdheid voor zowel minderjarigen als hun ouders; benadrukt tevens dat digitale geletterdheid, digitale vaardigheden en veiliger internetgebruik door minderjarigen als prioriteiten van het sociaal, onderwijs- en jeugdbeleid van de lidstaten en de Unie moeten worden beschouwd en als een cruciaal onderdeel van de Europa 2020-strategie;

18.  moedigt een voortgezette digitale scholing aan voor opvoeders die voortdurend werken met leerlingen in de scholen;

19.  onderstreept de noodzaak van een „educatief verbond” tussen gezinnen, school, maatschappelijk middenveld en betrokken partijen, waaronder partijen die betrokken zijn bij audiovisuele diensten, om een evenwichtige en proactieve dynamiek tussen de digitale wereld en minderjarigen te garanderen; moedigt de Commissie aan bewustmakingsinitiatieven te ondersteunen die gericht zijn op ouders en opvoeders, zodat zij kinderen zo goed mogelijk kunnen begeleiden bij het gebruik van de digitale instrumenten en diensten;

20.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan om de gelijke toegang van minderjarigen tot een veilige en hoogwaardige pluralistische digitale inhoud in bestaande en nieuwe programma's en diensten ten behoeve van jongeren en onderwijs, cultuur en kunst, te ondersteunen;

21.  verzoekt de lidstaten, de overheidsinstanties en de aanbieders van internettoegang om hun voorlichtingscampagnes te intensiveren om minderjarigen, jongeren, ouders en opvoeders bewust te maken van ongecontroleerde digitale risico's;

22.  erkent de rol van de publieke media bij de bevordering van een veilige en betrouwbare online-omgeving voor minderjarigen;

23.  dringt er bij de Commissie op aan om van de bescherming van kinderen tegen agressieve of misleidende tv- en internetreclame een van haar hoofdprioriteiten te maken;

24.  benadrukt met name de verantwoordelijkheid van de particuliere sector, het bedrijfsleven en andere belanghebbenden voor deze kwesties, alsook voor het als kindveilig aanmerken van webpagina's en voor het bevorderen van „nettiquette” voor kinderen; benadrukt dat dergelijke maatregelen volledig verenigbaar moeten zijn met de rechtsregels en de rechtszekerheid, rekening moeten houden met de rechten van eindgebruikers en in overeenstemming moeten zijn met bestaande wettelijke en gerechtelijke procedures, alsook met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Handvest van de grondvesten van de Europese Unie en de jurisprudentie van het EHvJ en het EHRM; verzoekt het bedrijfsleven de bestaande gedragscodes en soortgelijke initiatieven, zoals „EU-pledge” en de verklaring van Barcelona van het Forum voor consumentengoederen, volledig na te leven en in praktijk te brengen;

25.  beklemtoont dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de online marketing van schadelijke stoffen als alcohol die jongeren kan bereiken; wijst erop dat het vanwege de aard en het bereik van online-marketingmethoden, bijvoorbeeld via sociale netwerken, voor de afzonderlijke lidstaten heel moeilijk is toezicht te houden op de online marketing van alcohol en dat optreden van de Commissie dus meerwaarde zou opleveren op dit gebied;

26.  benadrukt de efficiëntie van formeel, informeel en niet-formeel onderwijs en educatie door leeftijdsgenoten in de verspreiding van veilige praktijken en kennis over mogelijke gevaren (aan de hand van concrete voorbeelden) voor minderjarigen bij het gebruiken van het internet, sociale netwerken, videogames en mobiele telefoons, en moedigt „European Schoolnet” aan om mentorschap tussen studenten op dit gebied te bevorderen; benadrukt dat ook ouders moeten worden voorgelicht over veilige praktijken en gevaren;

27.  verzoekt de Commissie en de lidstaten programma's op te zetten om kinderen en jongeren de nodige vaardigheden bij te brengen en ervoor te zorgen dat zij met kennis van zaken het internet en de nieuwe media gebruiken, en wijst in dit verband op het belang van het inbouwen van digitale-mediageletterdheid op alle niveaus van het formele en niet-formele onderwijs, met inbegrip van een concept van levenslang leren vanaf een zo vroeg mogelijk stadium;

Recht op bescherming
Bestrijding van illegale inhoud

28.  benadrukt de uitdagingen waarvoor het strafrecht zich geplaatst ziet waar het gaat om het toepassen van de beginselen van rechtszekerheid en rechtmatigheid, het vermoeden van onschuld, de rechten van het slachtoffer en de rechten van de verdachte in de online omgeving; wijst in dit verband op de uitdagingen uit het verleden bij het opstellen van duidelijke definities, zoals voor kinderlokkerij online en kinderpornografie, waarvoor bij voorkeur de term „materiaal betreffende seksueel misbruik van kinderen” wordt gebruikt;

29.  roept de Commissie daarom op om in het kader van haar rapportageverplichting over de omzetting van Richtlijn 2011/92/EU nauwkeurige en heldere gegevens te verzamelen over het misdrijf kinderlokkerij online, waarbij tevens precies wordt aangegeven welke nationale bepalingen dit gedrag als een misdrijf aanmerken; verzoekt de lidstaten en de Commissie om gegevens over dit misdrijf te verzamelen, met name over aantallen strafrechtelijke procedures die aanhangig zijn gemaakt, aantallen veroordelingen en belangrijke nationale jurisprudentie, en beproefde praktijken uit te wisselen op het gebied van vervolging en bestraffing; verzoekt de Commissie ook om de manier waarop statistische gegevens worden verzameld en gepubliceerd sterk te verbeteren zodat een betere beleidsontwikkeling en -evaluatie mogelijk wordt;

30.  onderkent in dit verband de zeer intensieve samenwerking tussen de politiële en justitiële autoriteiten in de lidstaten, evenals tussen deze autoriteiten en Europol en Eurojust, op het gebied van misdrijven die met behulp van digitale media tegen kinderen worden begaan, waarbij operatie 'Icarus' in 2011 tegen netwerken voor het online delen van bestanden met kinderporno als voorbeeld kan worden genoemd;

31.  benadrukt echter dat er, gezien de bestaande belemmeringen die volledige samenwerking en wederzijds vertrouwen in de weg staan, verdere verbeteringen mogelijk zijn in het kader van een verdergaande harmonisering van het strafrecht en de strafrechtelijke procedures in de lidstaten, met inbegrip van de procedurele rechten en de rechten op het gebied van gegevensbescherming van verdachten en eerbiediging van de grondrechten op basis van het EU-Handvest;

32.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om mogelijke wetgevingsmaatregelen te overwegen indien zelfregulering van de industrie onvoldoende resultaten oplevert;

33.  benadrukt echter dat voorstellen voor EU-bepalingen inzake materieel strafrecht volledig in overeenstemming dienen te zijn met het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel, alsook met algemene beginselen van het strafrecht, en aanwijsbaar bedoeld moeten zijn om meerwaarde te creëren dankzij een gemeenschappelijke EU-aanpak bij de bestrijding van zware grensoverschrijdende criminaliteit, zoals in de resolutie van het Parlement van 22 mei 2012 over een EU-aanpak van het strafrecht(8) wordt aangegeven;

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten alles in het werk te stellen om nauwer te gaan samenwerken met derde landen bij het onmiddellijk verwijderen van webpagina's die zich op servers op hun grondgebied bevinden en die illegale inhoud of illegale gedragingen bevatten of verspreiden, alsook bij het bestrijden van cybercriminaliteit; moedigt in dit verband internationale uitwisseling van expertise en beproefde praktijken aan, alsmede het bundelen van ideeën tussen regeringen, wetshandhavinginstanties, in de bestrijding van computercriminaliteit gespecialiseerde politie-eenheden, telefonische hulpdiensten, kinderbeschermingsorganisaties en de internetsector aan;

35.  verzoekt in dit verband om volledige goedkeuring van alle maatregelen die worden genoemd in de routekaart van de Raad van 2009 ter versterking van de procedurele rechten van verdachten of beklaagden in strafprocedures, evenals om een gemeenschappelijke aanpak ten aanzien van de toelaatbaarheid en de beoordeling van bewijs, om de beletsels voor het vrije verkeer van bewijs dat in een andere lidstaat is verzameld weg te nemen;

36.  is voorstander van de invoering en verdere uitbreiding van telefonische-hulpdienstsystemen voor het melden van misdrijven en illegale inhoud en illegaal gedrag, waarbij onder andere rekening wordt gehouden met de ervaring van het Europese telefonische meldpunt voor vermiste kinderen, alsook met de nationale vroegtijdige waarschuwingssystemen en het European Child Alert Automated System; benadrukt echter dat bij elk onmiddellijk strafrechtelijk ingrijpen op basis van een aangifte een evenwicht moet worden gevonden tussen enerzijds de rechten van de potentiële slachtoffers en de positieve verplichting van de lidstaat krachtens de artikelen 2 en 8 van het EVRM en, anderzijds, zoals reeds benadrukt in de jurisprudentie van het EVRM, de rechten van de verdachte; verzoekt de lidstaten en de Commissie in dit verband te komen beproefde praktijken uit te wisselen op het gebied van het onderzoek naar en de strafrechtelijke vervolging van misdrijven tegen kinderen in de digitale wereld; herinnert eraan dat artikel 8 van het voorstel van de Commissie voor een algemene verordening inzake gegevensbescherming (COM(2012)0011) specifieke waarborgen bevat voor de verwerking van persoonsgegevens van kinderen, zoals de verplichte toestemming van de ouders voor het verwerken van de gegevens van kinderen jonger dan dertien jaar;

37.  merkt op dat de procedures voor procedures voor kennisgeving en verwijdering („notice and take down”) in sommige lidstaten nog te traag zijn; is ingenomen met het initiatief van de Commissie om ter zake een effectbeoordeling te publiceren en beveelt aan de doeltreffendheid van deze procedures te vergroten en deze in de lidstaten verder uit te bouwen om tot beproefde praktijken te komen;

38.  verzoekt de Commissie om de doeltreffendheid van de samenwerking tussen de politiediensten op het vlak de bescherming van kinderen tegen online criminaliteit, telefonische hulpdiensten en bestaande overeenkomsten met aanbieders van internetdiensten te evalueren; verzoekt om de totstandbrenging van synergie met andere diensten die op dit gebied actief zijn, zoals politiediensten en jeugdrechtspraakstelsels om minderjarigen te beschermen tegen online criminaliteit, in het bijzonder door telefonische hulpdiensten en contactpunten te coördineren en te integreren;

39.  moedigt de lidstaten aan om nationale telefonische meldpunten en andere contactpunten, zoals „safety buttons”, die aan de INHOPE-normen voldoen, in stand te houden, de integratie tussen deze organisaties te verbeteren en aandachtig de bereikte resultaten te analyseren;

40.  onderstreept dat het belangrijk is dat betrouwbare instrumenten, zoals waarschuwingspagina's of akoestische en optische waarschuwingssignalen, overal toegepast gaan worden, teneinde de rechtstreekse toegang van minderjarigen tot voor hen schadelijke inhoud te beperken;

41.  vraagt de Commissie en de lidstaten om de informatie over telefonische meldpunten en andere contactpunten, zoals „safety buttons” voor kinderen en hun families, te verbeteren en het zo makkelijker maken om illegale inhoud te melden, en verzoekt de lidstaten om meer bekendheid te geven aan het bestaan van telefonische meldpunten waar beelden van seksueel misbruik van kinderen kunnen worden gemeld;

42.  staat achter de toezegging van de aanbieders van digitale inhoud en diensten om conform de geldende regelgeving gedragscodes op te stellen voor het identificeren en voorkomen van illegale inhoud en het verwijderen ervan op basis van gerechtelijke besluiten; moedigt de Commissie en de lidstaten aan op dat gebied evaluaties uit te voeren;

43.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een nieuwe campagne te starten die gericht zal zijn op de ouders en hen zal helpen om inzicht te krijgen in het door hun kinderen gehanteerde digitale materiaal, en vooral in de manier waarop zij hun kinderen kunnen beschermen tegen illegaal, ongeschikt of gevaarlijk materiaal;

44.  betreurt dat de overeenkomst die op 9 februari 2009 tussen de Commissie en 17 sociale netwerken op het internet, waaronder Facebook en Myspace, werd ondertekend en die de bescherming en veiligheid van minderjarigen op het internet moest bevorderen, niet wordt nageleefd;

45.  wijst erop dat online criminaliteit vaak grensoverschrijdend is en dat internationale samenwerking tussen bestaande handhavingsinstanties daarom een wezenlijk onderdeel moet vormen van de bestrijding van deze misdrijven;

46.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om bewustmakingscampagnes gericht op kinderen, ouders en opvoeders te steunen en te lanceren om hen van de nodige informatie te voorzien om zich te wapenen tegen cybercriminaliteit en hen aan te moedigen verdachte websites en onlinegedragingen te melden;

47.  verzoekt de lidstaten om de bestaande nationale en internationale procedures voor het verwijderen van websites waarop uitbuiting, dreigementen, misbruik, discriminatie of andere onwenselijke inhoud worden geëtaleerd, naar behoren toe te passen;

Strijd tegen schadelijke inhoud

48.  verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe effectief de diverse systemen voor vrijwillige indeling van niet voor minderjarigen geschikte inhoud zijn en moedigt de Commissie, de lidstaten en de internetbedrijven aan om strategieën en normen te ontwikkelen om kinderen te trainen in het verantwoord gebruik van internet en om hen bewust te maken van en te beschermen tegen online- en offlineblootstelling aan voor hun leeftijd ongeschikte inhoud, zoals geweld, reclame die tot buitensporige uitgaven aanzet en de aanschaf van virtuele goederen of kredieten via hun mobiele telefoons;

49.  is verheugd over technische innovaties waarmee het bedrijfsleven speciale online diensten aanbiedt die een veilig internetgebruik door kinderen mogelijk maken;

50.  verzoekt verenigingen van aanbieders van audiovisuele en digitale diensten om, in samenwerking met andere betrokken verenigingen, de bescherming van minderjarigen op te nemen in hun statuten en bij hun diensten te vermelden voor welke leeftijdsgroep zij geschikt zijn;

51.  moedigt de lidstaten aan tot voortzetting van de dialoog die moet leiden tot harmonisatie van de classificatie van digitale inhoud voor kinderen, in samenwerking met de betrokken marktdeelnemers en verenigingen en met derde landen;

52.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan om elektronische spellen met behulp van duidelijke symbolen in te delen naar leeftijdscategorie en vooral ook naar inhoud;

53.  verzoekt de Commissie het „Europees kader voor een veiliger gebruik van mobiele telefoons” voort te zetten door gebruik te maken van de mogelijkheden die ouderlijke controle vergemakkelijken;

54.  benadrukt dat maatschappelijke organisaties goed werk hebben verricht en moedigt deze organisaties aan om grensoverschrijdend samen te werken en als partners op te treden van wetshandhavingsinstanties, de overheid, aanbieders van internetdiensten en het publiek;

Bescherming van de persoonlijke levenssfeer

55.  wijst nogmaals op het belang van gegevensbescherming voor kinderen, met name gezien de snelle toename van het aantal sociale netwerken en chatrooms, waardoor steeds meer persoonsgegevens op digitale media circuleren en toegankelijk zijn;

56.  is ingenomen met het nieuwe voorstel voor een gegevensbeschermingsverordening (COM(2012)0011) en de speciale bepalingen daarin over de toestemming van kinderen en het recht om te worden vergeten, waarmee het verboden wordt om online informatie te bewaren over persoonlijke gegevens van minderjarigen die een risico kunnen opleveren voor hun persoonlijk en beroepsleven, erop wijzend dat het bewaren van internetinformatie en gegevens over kinderen misbruikt kan worden en ten koste kan gaan van hun waardigheid en hun maatschappelijke integratie;

57.  benadrukt dat deze bepalingen op een zodanige manier moeten worden verduidelijkt en uitgewerkt dat gewaarborgd wordt dat ze op het moment van goedkeuring van de nieuwe wetgeving duidelijk en volledig operationeel zijn en de internetvrijheid niet ondermijnen;

58.  is tevens verheugd over het voornemen om een elektronisch systeem voor leeftijdsverificatie op te zetten;

59.  is van mening dat eigenaars en beheerders van webpagina's duidelijk en zichtbaar moeten aangeven welk gegevensbeschermingsbeleid zij voeren en dat zij moeten zorgen dat ouderlijke toestemming verplicht is voor de verwerking van gegevens van kinderen van minder dan dertien jaar; vraagt om opvoering van de inspanningen om de ingebouwde privacy zoveel mogelijk te versterken, teneinde secundaire victimisatie van kinderen te voorkomen;

60.  onderstreept dat het belangrijk is dat gebruikers bewust worden gemaakt van de wijze waarop aanbieders van diensten of sociale netwerken hun persoonsgegevens en gegevens over aan hen verbonden derden verwerken en van de rechtsmiddelen waarover zij beschikken wanneer hun gegevens worden gebruikt voor andere dan de legitieme doelen waarvoor zij door aanbieders en hun partners werden verzameld, en dat deze informatie verschijnt in een aan het profiel van de gebruiker aangepaste taal en vorm, met speciale aandacht voor minderjarige gebruikers; is van mening dat aanbieders bijzondere verantwoordelijkheden hebben op dit gebied en verzoekt hen de gebruikers op heldere, begrijpelijke wijze te informeren over hun bekendmakingsbeleid;

61.  hoopt sterk dat in elke digitale sector technologische opties worden bevorderd waarmee het surfen van kinderen desgewenst binnen traceerbare grenzen kan worden gehouden en de internettoegang aan voorwaarden kan worden verbonden, zodat ouders over een doeltreffend controle-instrument beschikken; tekent daar echter bij aan dat zo'n maatregelen niet in de plaats mogen komen van grondige training in het gebruik van de media;

62.  benadrukt dat het belangrijk is kinderen en jongeren al in een heel vroeg stadium te informeren over hun recht op privacy op het internet en hen te leren de soms subtiele methodes te herkennen waarmee wordt geprobeerd informatie van ze los te krijgen;

Recht op weerwoord in digitale media

63.  verzoekt de lidstaten systemen te ontwikkelen en te harmoniseren betreffende het recht op weerwoord in digitale media en ook de efficiëntie van die systemen te verbeteren;

Recht op digitaal burgerschap

64.  benadrukt dat de digitale wereld een belangrijk opleidingsinstrument op het gebied van burgerschap is aangezien hij de deelname van een groot aantal burgers uit decentrale gebieden mogelijk maakt, en met name van jongeren die nu de mogelijkheid krijgen online volledig gebruik te maken van de vrijheid van meningsuiting en communicatie;

65.  verzoekt de lidstaten digitale platforms te beschouwen als een trainingsplaats voor democratische participatie van alle kinderen, met speciale aandacht voor de meest kwetsbare;

66.  onderstreept de kansen die de nieuwe media bieden om via digitale diensten en inhoud het begrip en de dialoog tussen generaties, geslachten en culturele en etnische groeperingen te bevorderen;

67.  herinnert eraan dat informatie en burgerschap op het internet nauw met elkaar verbonden zijn en dat de grootste bedreiging van de burgerlijke betrokkenheid van jongeren vandaag de dag wordt gevormd door de onverschilligheid voor informatie;

o
o   o

68.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.
(2) PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.
(3) PB L 178 van 17.07.2000, blz. 1.
(4) PB L 327 van 24.11.06, blz. 12.
(5) PB L 378 van 27.12.06, blz. 72.
(6) PB C 372 van 20.12.2011, blz. 15.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0323.
(8)1 Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0208.


Initiatief voor sociaal ondernemerschap
PDF 140kWORD 63k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het Initiatief voor sociaal ondernemerschap - Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie (2012/2004(INI))
P7_TA(2012)0429A7-0305/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's van 18 april 2012 getiteld „Naar een banenrijk herstel” (COM(2012)0173),

–  gezien het werkdocument van de sectie voor een eengemaakte markt, productie en consumptie betreffende de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's getiteld „Initiatief voor sociaal ondernemerschap - Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie”, INT/606 van 22 februari 2012,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 8 februari 2012 voor een verordening van de Raad betreffende het statuut van de Europese stichting (FE) (COM(2012)0035),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 20 december 2011 voor een richtlijn betreffende het gunnen van overheidsopdrachten (COM(2011)0896),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 7 december 2011 voor een verordening inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (COM(2011)0862),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2011 getiteld „Initiatief voor sociaal ondernemerschap - Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie” (COM(2011)0682),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober inzake een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen (COM(2011)0681),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 april 2011 getiteld „Akte voor de interne markt: Twaalf hefbomen voor het stimuleren van de groei en het versterken van het vertrouwen - 'Samen werk maken van een nieuwe groei'” (COM(2011)0206),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 oktober 2010 getiteld „Naar een Single Market Act - Voor een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen” (COM(2010)0608),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 6 oktober 2011 inzake een programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie (COM(2011)0609),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld „Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 6 oktober 2011 voor een verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 (COM(2011)0607),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2010 getiteld „Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang” (COM(2010)0758),

–  gezien de publicatie van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) en het EMES European Research Network van 2008 getiteld „Social Enterprise: A new model for poverty reduction and employment generation”(1),

–  gezien het verkennend advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 oktober 2011 getiteld „Sociaal ondernemerschap en sociale ondernemingen” IN/589,

–  gezien zijn resolutie van 19 februari 2009 over de sociale economie(2),

–  gezien zijn schriftelijke verklaring van 10 maart 2011(3),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2012 betreffende het statuut voor een Europese coöperatieve vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers(4),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en sociale zaken en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0305/2012),

A.  overwegende dat sociale ondernemingen, die in totaal 10% van de Europese ondernemingen vertegenwoordigen, oftewel 2 miljoen ondernemingen, en die werk bieden aan ruim 11 miljoen mensen binnen de EU, oftewel 6% van de totale Europese beroepsbevolking, een aanzienlijke bijdrage leveren tot het Europees sociaal model en de Europa 2020-strategie;

B.  overwegende dat verschillende historische ontwikkelingen ertoe geleid hebben dat wettelijke kaders voor ondernemingen, waaronder sociale ondernemingen, tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen vertonen;

C.  overwegende dat de meeste soorten ondernemingen van de sociale economie op Europees niveau niet wettelijk erkend zijn en slechts in bepaalde lidstaten nationaal erkend zijn;

D.  overwegende dat de gevolgen van de huidige sociale, economische en financiële crisis tezamen met de demografische ontwikkelingen, met name de vergrijzing, een wissel trekt op de socialezekerheidsstelsels, met inbegrip van verplichte en vrijwillige sociale verzekeringen, en dat er derhalve stimulansen moeten worden gegeven aan innovatieve systemen om een adequate en fatsoenlijke sociale zekerheid te waarborgen;

E.  overwegende dat de Single Market Act en de Europa 2020-strategie – beide gericht op slimme, duurzame en inclusieve groei, meer en betere banen en armoedebestrijding – onderling sterk verweven zijn en dat sociale ondernemingen een significante bijdrage kunnen leveren doordat ze over innovatiepotentieel beschikken en adequaat inspelen op sociale behoeften;

F.  overwegende dat de Commissie onderkent dat actoren in de sociale economie en sociale ondernemingen de drijvende kracht vormen achter economische groei en sociale innovatie en daarbij tevens duurzame werkgelegenheid creëren en de integratie van kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt bevorderen;

G.  overwegende dat de voorstellen van de Commissie voor verordeningen inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen en het programma voor sociale verandering en innovatie instemming verdienen;

H.  overwegende dat sociale ondernemingen essentiële elementen van een verzorgingsstaat zijn en aldus bijdragen tot de verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen van de Europese Unie;

I.  overwegende dat vele sociale ondernemingen moeilijkheden ondervinden bij het financieren van uitbreiding van hun activiteiten en derhalve specifieke, toegesneden steun nodig hebben, zoals sociaal bankieren, risicodelingsinstrumenten, liefdadigheidsinstellingen en (micro)krediet, vooral als het om micro-ondernemingen en kmo's gaat; overwegende dat de structuurfondsen en -programma's van de EU in dit verband een belangrijke rol spelen door het bevorderen van toegang tot financiering voor sociale ondernemingen, ook die welke investeringsintensief zijn;

J.  overwegende dat de meeste sociale ondernemingen beleidshervorming bevorderen door bevordering van behoorlijk bestuur, met name door inschakeling van de werknemers, klanten en belanghebbenden, en wederzijds leren en sociale innovatie ondersteunen en aldus inspelen op de toenemende vraag van burgers naar ethisch, sociaal en milieuvriendelijk optreden van ondernemingen;

K.  overwegende dat sociale ondernemingen door hun aard en werkwijze bijdragen tot een samenleving die meer samenhang vertoont en democratischer en actiever is, en veelal betere arbeidsvoorwaarden bieden, en moeten bieden, alsook gelijk loon voor gelijk werk, en gelijke kansen van mannen en vrouwen steunen en aldus het combineren van werk en gezinsleven mogelijk maken;

L.  overwegende dat de Commissie voorstelt om kansarmen toe te voegen aan de categorieën die in aanmerking komen voor voorbehouden opdrachten;

Inleiding

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie inzake het initiatief voor sociaal ondernemerschap en de mededeling getiteld „Naar een banenrijk herstel” met aanbevelingen aan nationale overheden voor verbetering van de randvoorwaarden voor sociale ondernemingen zodat nieuwe kansen en banen gecreëerd kunnen worden, onder meer in het snelgroeiende gezondheids- en socialezorgsegment (de „witte sector”) en in het milieusegment (de „groene sector”) - twee gebieden die nieuwe mogelijkheden bieden aan de sociale economie en de economie als geheel;

2.  stelt vast dat de sociale economie deel uitmaakt van de ecosociale markteconomie en van de Europese interne markt en wijst erop dat zij goed bestand is tegen crises en solide bedrijfsmodellen hanteert; beklemtoont dat sociale ondernemingen veelal inspelen op sociale en menselijke noden waaraan commerciële bedrijven en de overheid geen of onvoldoende aandacht besteden; wijst erop dat banen in de sociale economie een grotere kans hebben om ter plaatse te blijven;

3.  wijst erop dat een sociale onderneming ongeacht de rechtsvorm een onderneming is die:

  a) als hoofddoel heeft het realiseren van meetbare positieve sociale effecten overeenkomstig haar statuten of elk ander statutair document waarbij de onderneming is opgericht, en:
   diensten of goederen levert ten behoeve van kwetsbare, gemarginaliseerde, benadeelde of uitgesloten personen en/of
   diensten of goederen levert volgens een productiemethode die haar sociale doelstelling tot uiting brengt;
   b) haar winst in de eerste plaats gebruikt om haar hoofddoelen te realiseren in plaats van winst uit te keren en voor alle omstandigheden waarin winst wordt uitgekeerd aan aandeelhouders en eigenaars, vooraf bepaalde procedures en regels heeft ingesteld die ervoor zorgen dat de verdeling van winst de hoofddoelen niet ondermijnt; alsmede
   c) op verantwoorde en transparante wijze wordt beheerd, in het bijzonder door participatie van de werknemers, klanten en/of belanghebbenden bij de bedrijfsactiviteiten;

Aanbevolen acties voor verschillende soorten ondernemingen

4.  benadrukt dat werk van vrijwilligers in de diverse sectoren van de sociale economie, waaronder jongeren die aan het begin van hun carrière staan en die enthousiasme en nieuwe vaardigheden meebrengen, alsook ouderen die ruime ervaring en beproefde vaardigheden hebben, een belangrijke bijdrage levert tot de economische groei, solidariteit en sociale cohesie en het leven van veel mensen zin geeft; dringt aan op erkenning en adequate financiële en structurele steun op lokaal, nationaal en Europees niveau;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat sociale ondernemingen niet benadeeld worden door andere soorten ondernemingen die de winstgevende gebieden wegkapen; wijst erop dat deze gebieden voornamelijk stedelijke gebieden zijn, zodat minder winstgevende gebieden op het platteland en in meer afgelegen streken, waar de logistiek duurder is, het met minder en kwalitatief slechtere dienstverlening moeten doen; beklemtoont dat de gebruiker vrij moet kunnen kiezen uit meerdere dienstverleners;

6.  benadrukt het belang van een strategie en maatregelen ter bevordering van sociaal ondernemerschap en innovatieve sociale ondernemingen, met name met betrekking tot jongeren en gehandicapten, om ervoor te zorgen dat ondernemers, mannen zowel als vrouwen, gemakkelijker gebruik kunnen maken van de programma's en financiering van de EU en de lidstaten; dringt aan op toereikende steun om het programma Erasmus voor jonge ondernemers te continueren en de aantrekkelijkheid en zichtbaarheid van dit programma ook in de sociale economie te vergroten; wijst er wel op dat zelfstandig ondernemerschap gepaard moet gaan met voldoende begeleiding;

7.  wijst op de diversiteit binnen de sociale economie; benadrukt dat de ontwikkeling van nieuwe rechtskaders op EU-niveau facultatief voor de ondernemingen moet zijn en dat er eerst een effectbeoordeling moet plaatsvinden om rekening te houden met de verschillende sociale bedrijfsmodellen in de lidstaten; benadrukt dat maatregelen wel hun Europese meerwaarde moeten bewijzen;

8.  steunt initiatieven op EU-niveau om het reeds sterk ontwikkelde verenigingsleven in de diverse lidstaten uit te breiden en te versterken; dringt aan op een Europese rechtsregeling voor verenigingen, als aanvulling op de bestaande nationale rechtsregelingen;

9.  verwelkomt de intentie van de Commissie om een voorstel te presenteren voor vereenvoudiging van de verordening inzake het statuut voor een Europese coöperatieve vennootschap;

10.  is ingenomen met de studie van de Commissie naar de situatie van de onderlinge maatschappijen in Europa met sterke inbreng van de sector; benadrukt dat onderlinge maatschappijen erkend moeten worden met behulp van een Europees statuut, als een afzonderlijke en belangrijke speler binnen de Europese economie en samenleving; beklemtoont dat de voordelen van een Europees statuut bevorderlijk zouden zijn voor grensoverschrijdende activiteiten van onderlinge maatschappijen; dringt er bij de lidstaten die nog geen nationaal statuut voor onderlinge maatschappijen kennen, op aan een dergelijk statuut alsnog in te voeren;

11.  verwelkomt het voorstel van de Commissie voor een verordening betreffende het statuut van de Europese stichting;

12.  herinnert eraan dat de Commissie zich in COM(2004)0018 heeft verbonden tot twaalf concrete acties om de ontwikkeling van coöperaties te ondersteunen en betreurt dat er tot nog toe zo weinig vooruitgang is geboekt; verzoekt de Commissie zich ambitieus op te stellen en aansluitend op het initiatief van 2004 nadere maatregelen voor te stellen om de operationele voorwaarden voor coöperaties, onderlinge maatschappijen en stichtingen te verbeteren en aldus de ontwikkeling van de sociale economie in het algemeen te ondersteunen;

13.  verwelkomt de goedkeuring van het herziene pakket van EU-regels voor staatssteun betreffende sociale en lokale diensten, en spoort de Commissie tevens aan de regels verder te verduidelijken zodat ze voor de lagere overheden begrijpelijker en makkelijker toepasbaar worden, met name met betrekking tot de sociale ondernemingen;

Ondernemingen die sociale doelstellingen vervullen of een sociale impact verwezenlijken

14.  wijst erop dat sociale ondernemingen belangrijke leveranciers zijn van diensten van algemeen belang; wijst erop dat dit soort ondernemingen veelal voortkomen uit of nauw verbonden zijn met maatschappelijke organisaties, vrijwilligersorganisaties en/of welzijnsverenigingen die mensgerichte diensten leveren die toegesneden zijn op essentiële menselijke behoeften, met name van gebruikers in een kwetsbare positie; wijst erop dat sociale ondernemingen veelal een middenpositie innemen tussen de traditionele particuliere en publieke dienstverleners, met name in het kader van overheidsopdrachten;

15.  is van oordeel dat het begrip „maatschappelijk verantwoord ondernemen” (mvo) los moet worden gezien van het begrip „sociale economie”, zij het dat bepaalde commerciële bedrijven met een aanzienlijke activiteit op het gebied van mvo sterk verweven kunnen zijn met sociale ondernemingen;

Financiële perspectieven - verbeteren van het wettelijk en fiscaal milieu

16.  is van mening dat het EU-programma voor sociale verandering en innovatie voor 2014-2020, met het aandachtspunt microfinanciering en sociaal ondernemerschap, bijdraagt tot betere toegang tot microkredieten voor micro-ondernemingen van de sociale economie met inachtneming van de uiteenlopende financieringsbehoeften van sociale ondernemingen;

17.  is van oordeel dat er verschillende financieringsinstrumenten nodig zijn - zoals de Europese sociaalondernemerschapsfondsen, de Europese durfkapitaalfondsen en de European Angels Funds (EAF) om de toegang van sociale ondernemingen tot de financiële markten te bevorderen;

18.  benadrukt dat sociale ondernemingen gesteund moeten worden door middel van toereikende financiële instrumenten op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau en wijst op de daarvoor in aanmerking komende fondsen in het kader van het meerjarig financieel kader 2014-2020 (zoals het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, het Europees programma voor sociale verandering en innovatie, het Programma voor onderzoek en innovatie, en Horizon 2020); vraagt uitdrukkelijk om steun voor innovatieve sociale ondernemingen, met name die welke kwaliteitsbanen opleveren, armoede en sociale uitsluiting bestrijden en investeren in onderwijs, scholing en levenslang leren;

19.  beklemtoont dat de toegang tot Europese financiering eenvoudiger wordt terwijl de nodige flexibiliteit op nationaal niveau mogelijk moet blijven, dat er financieringsmogelijkheden moeten worden geboden en dat daaraan duidelijk bekendheid moet worden gegeven en dat er tevens organisatorische, administratieve en boekhoudkundige vereenvoudigingen moeten worden doorgevoerd;

20.  wijst erop dat de invoering van nieuwe vormen van financiële steun zal worden voorafgegaan door een analyse van de huidige instrumenten om de efficiëntie ervan te evalueren, en acht het in dit verband noodzakelijk te kunnen beschikken over hulpmiddelen waarmee het maatschappelijke rendement van investeringen kan worden gemeten en vergeleken, teneinde de ontwikkeling van een transparantere investeringsmarkt te bevorderen;

21.  acht het noodzakelijk omstandigheden te creëren waarin sociale ondernemingen financiële onafhankelijkheid kunnen verwerven en zich kunnen bezighouden met commerciële zakelijke activiteiten;

22.  is van mening dat verantwoorde beheersprocessen, ondersteund door naar behoren gecontroleerde en transparante financieringsmechanismen, noodzakelijk zijn om zich te kunnen blijven concentreren op sociaal ondernemerschap;

Metingen, ondersteuning en promotie

23.  vraagt om een vergelijkende studie op initiatief van de Commissie, uit te voeren in samenwerking met sociale ondernemingen, naar de verschillende rechtskaders in de verschillende EU-landen en de bedrijfsomstandigheden en -karakteristieken voor sociale ondernemingen, waaronder hun omvang, aantal, werkterrein en certificatie- en etiketteringsregelingen;

24.  benadrukt dat er grote verschillen bestaan tussen sociale ondernemingen wat betreft vorm, omvang, activiteiten, financiële situatie en samenwerkingsverbanden; merkt op dat sommige sociale ondernemingen toonaangevend zijn voor de ontwikkeling in hun sector en over voldoende capaciteit beschikken voor hun eigen ontwikkeling, maar dat andere behoefte hebben aan knowhow met betrekking tot de oprichting en de ontwikkeling van een onderneming en de bedrijfsvoering;

25.  is van mening dat het, om de concurrentiekracht van sociale ondernemingen in de gehele EU te vergroten, noodzakelijk is de totstandbrenging te bevorderen van sociale innovatieclusters, waarvan de toegevoegde waarde het lokale niveau overstijgt; is bovendien van oordeel dat sociale ondernemingen, met behulp van passende stimulansen, van essentieel belang kunnen zijn voor de werkgelegenheid van gekwalificeerde werknemers ouder dan 50 jaar die de arbeidsmarkt hebben verlaten;

26.  steunt het voorstel van de Commissie om een meertalig, toegankelijk en gebruikersvriendelijk onlineplatform voor sociale ondernemingen op te zetten, onder meer met het oog op wederzijds leren, uitwisseling van beproefde modellen, ontwikkeling van partnerschappen, bevordering van informatie-uitwisseling omtrent toegang tot financierings- en scholingsmogelijkheden, en met de functie van netwerk voor grensoverschrijdende samenwerking; verzoekt de Commissie en de lidstaten aandacht aan sociale ondernemingen te besteden via de open coördinatiemethode;

27.  steunt het voorstel van de Europese Commissie om een deskundigengroep in te stellen voor sociaal ondernemerschap om de voortgang van de in mededeling COM(2011)0682 beoogde maatregelen te bewaken en evalueren;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de haalbaarheid en wenselijkheid van de ontwikkeling van een „Europees sociaal label” te overwegen dat aan sociale ondernemingen wordt toegekend, teneinde een betere toegang tot sociaal innovatieve overheidsopdrachten te verzekeren zonder de mededingingsregels te overtreden; stelt voor dat ondernemingen met een dergelijk label op gezette tijden gecontroleerd worden om na te gaan of ze nog aan de voorwaarden van het label voldoen;

29.  dringt aan op Europese regels inzake overheidsopdrachten waarbij het beginsel wordt toegepast van „de economisch gunstigste offerte ” in plaats van de „laagste kosten” bij het inhuren van dienstverlening;

30.  verzoekt de Commissie te werken aan beter begrip en kennis over sociale ondernemingen en de sociale economie en er ruimere bekendheid aan te geven via ondersteuning van universitair onderzoek, onder meer via het achtste kaderprogramma (Horizon), en een periodiek activiteitenrapport over sociale ondernemingen en hun prestaties te gaan uitbrengen; verzoekt de lidstaten gehoor te geven aan de oproep van de Commissie tot indiening van voorstellen met het oog op betrouwbare statistieken over sociale ondernemingen, afkomstig van de nationale bureaus voor de statistiek;

31.  verzoek de Commissie en de lidstaten sociale ondernemingen een plaats te geven in hun actieplannen voor werkgelegenheid en sociale inclusie en hun steun te geven aan de instelling van een Europese prijs voor sociaal ondernemerschap, warmee de sociale effecten ervan erkenning kunnen krijgen;

32.  wijst erop dat sociale ondernemingen een maximum aan ondersteuning en aanvaarding door middel van voorlichting nodig hebben, niet in de laatste plaats door de niet-economische baten te onderstrepen, en dringt aan op een brede voorlichtingscampagne met steun van de Commissie, de lidstaten en de sociale partners via een toegankelijke, meertalige website waarmee snel informatie kan worden verkregen over sociale producten en diensten ten behoeve van burgers;

33.  verzoekt de lidstaten stil te staan bij de voordelen van opneming van de beginselen van sociaal ondernemerschap en sociale verantwoordelijkheid in de curricula van scholen, universiteiten en andere onderwijsinstellingen, en in de programma's voor „levenslang leren”, met het oog op de ontwikkeling van sociale en burgerschapsvaardigheden en de ondersteuning van aanstellingen in sociale ondernemingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorts conventionele en onlinescholing voor sociale ondernemers te ondersteunen en nauwere samenwerking tussen sociale ondernemingen, commerciële bedrijven en universiteiten te bevorderen teneinde begrip voor sociale ondernemingen te kweken en de kennis erover te vergroten en eventuele stereotiepe denkbeelden te bestrijden;

34.  is van mening dat de invoering van een gemeenschappelijk Europees kader voor de publicatie van gegevens een waarborg zal vormen voor duidelijkere en doeltreffendere informatievoorziening over investeringen in sociale ondernemingen;

35.  verwelkomt de toezegging van de Commissie om te onderzoeken en te overwegen of sociale ondernemingen gebruik kunnen maken van slapende octrooien, om zo hun ontwikkeling te bevorderen, en hoopt op concrete maatregelen in de nabije toekomst;

o
o   o

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) http://www.emes.net/fileadmin/emes/PDF_files/News/2008/11.08_EMES_UNDP_publication.pdf.
(2) PB C 76 E van 25.3.2010, blz. 16.
(3) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 187.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0071.


Naar een echte Economische en Monetaire Unie
PDF 236kWORD 148k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 met aanbevelingen aan de Commissie over het verslag van de voorzitters van de Europese Raad, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep „Naar een echte Economische en Monetaire Unie” 2012/2151 (INI).
P7_TA(2012)0430A7-0339/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 28 en 29 juni 2012,

–  gezien de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van de eurozone van 29 juni 2012,

–  gezien het verslag van 26 juni 2012 van de voorzitters van de Europese Raad, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep „Naar een echte Economische en Monetaire Unie”,

–  gezien de artikelen 42 en 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie constitutionele zaken, de Begrotingscommissie en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0339/2012),

A.  overwegende dat de Europese Unie sinds de ondertekening van het Verdrag van Rome aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt in de richting van politieke, economische, budgettaire en monetaire integratie;

B.  overwegende dat de Economische en Monetaire Unie (EMU) geen doel op zich is, maar een instrument om de doelstellingen van de Unie en de lidstaten te verwezenlijken, in het bijzonder een evenwichtige en duurzame groei en een hoog niveau van werkgelegenheid; overwegende dat sociale integratie en solidariteit de hoekstenen zijn van het Europees sociaal model en van de Europese integratie als geheel en dan ook per definitie deel moeten uitmaken van iedere toekomstige hervorming van de Unie;

C.  overwegende dat de behoefte aan een nauwere Europese integratie die stoelt op democratische legitimiteit, verantwoordingsplicht, transparantie en steun van de burger in een gemondialiseerde informatiemaatschappij steeds duidelijker wordt;

D.  overwegende dat nauwere Europese integratie gepaard moet gaan met een grotere parlementaire betrokkenheid op zowel nationaal als Unieniveau;

E.  overwegende dat de Unie zich op een tweesprong bevindt en er een duidelijke richting moet worden gekozen, ofwel door de krachten binnen de Unie te bundelen en aan een toekomst te bouwen voor een sterke, door waarden gedreven en op solidariteit gebaseerde Unie in een gemondialiseerde wereld, ofwel door op zichzelf terug te vallen en gedwongen te worden zich passief aan te passen aan de mondialisering;

F.  overwegende dat de economische, financiële en bankencrisis en de huidige economische neergang tot hoge overheids- en particuliere schulden op nationaal niveau en tot overheidsfinancieringsproblemen in diverse lidstaten heeft geleid, en dat een en ander – in combinatie met excessieve macro-economische onevenwichtigheden – de sociaaleconomische ontwikkeling van de eurozone en van de Unie in haar geheel snel en rechtstreeks in het ongerede heeft gebracht;

G.  overwegende dat het werkloosheidspeil in de EU27 in de periode van 2008 tot medio 2012 van ongeveer 7% gestegen is naar 10,4%, wat neerkomt op 25 miljoen werklozen, en dat meer dan één op de vijf jongeren zonder werk zit (22%), en dat de jeugdwerkloosheid in sommige lidstaten de 50% overschrijdt;

H.  overwegende dat het scheppen van banen, kwaliteitsverbetering en fatsoenlijk werk van cruciaal belang zijn om de huidige crisis te boven te komen;

I.  overwegende dat diverse lidstaten zich momenteel geconfronteerd zien met een bijzonder ernstige economische en financiële situatie, die nog wordt verergerd door aanhoudende druk op de overheidsobligatiemarkten, welke tot uiting komt in ondraaglijk hoge debetrentevoeten voor sommige landen, met daarnaast lage of zelfs negatieve rentevoeten voor sommige andere landen en grootscheepse financiële en economische instabiliteit;

J.  overwegende dat de combinatie van verschillen in concurrentievermogen en een laag groeipotentieel, hoge werkloosheid en hoge overheids- en particuliere schulden niet alleen voor problemen zorgt in sommige lidstaten, maar ook de eurozone als geheel kwetsbaar maakt;

K.  overwegende dat de recente gebeurtenissen duidelijk hebben gemaakt dat de eurozone nog niet voldoende is toegerust om de crisis te boven te komen of adequaat in te spelen op de regionale en mondiale economische schokken;

L.  overwegende dat de belangrijke rol die de euro – zowel binnen de eurozone als op mondiaal niveau – vervult als de op één na belangrijkste internationale reservevaluta noopt tot een krachtige Europese respons en een gecoördineerd Europees optreden om de groei weer aan te zwengelen en de economie weer te stabiliseren;

M.  overwegende dat de euro de burgers van de Europese Unie het afgelopen decennium vele voordelen heeft opgeleverd, zoals prijsstabiliteit, opheffing van valutakosten binnen de eurozone, de onmogelijkheid tot nominale devaluaties uit concurrentiemotieven, lagere rentetarieven, stimulering van integratie van financiële markten en vergemakkelijking van grensoverschrijdend kapitaalverkeer;

N.  overwegende dat de eenheidsmunt van de Unie geen symbool van verdeeldheid mag worden dat een bedreiging vormt voor het gehele Europese project, maar de valuta moet blijven van de gehele Unie, die besluitvaardig kan optreden en in staat is om verstrekkende besluiten te nemen met perspectief op een gezamenlijke en voorspoedige toekomst;

O.  overwegende dat bij de ontwikkeling naar een volwaardige EMU ook rekening moet worden gehouden met de wensen van de lidstaten die vrijwillig hebben besloten zich uit te laten sluiten van de verplichting de euro in te voeren om hun respectieve nationale munten te kunnen behouden;

P.  overwegende dat het lidmaatschap van de eurozone een hoge mate van onderlinge economische en financiële afhankelijkheid tussen de betrokken lidstaten met zich meebrengt, en derhalve noopt tot een veel nauwere coördinatie van het financieel, begrotings-, sociaal en economische beleid tussen lidstaten waarbij bevoegdheden aan de Unie worden overdragen, in combinatie met strengere toezichtinstrumenten en effectievere handhaving; overwegende evenwel dat deze verdergaande integratie van lidstaten die de euro als munt hebben – eventueel aangevuld met een groep andere daartoe bereid zijnde lidstaten – geleidelijk gestalte moet krijgen in het kader van een „Europa van twee snelheden” om te voorkomen dat het gevoerde beleid uiteindelijk in het ontstaan van twee verschillende Europa's resulteert;

Q.  overwegende dat uit de laatste onderzoeksresultaten van de Eurobarometer blijkt dat er zich vanwege de aanhoudende crisis een scherpe daling van het vertrouwen in politieke instellingen op zowel nationaal als Unieniveau heeft voorgedaan, en dat er bovendien sprake is van een duidelijke teruggang in het positieve beeld dat het publiek heeft van de Unie; overwegende dat de Unie volgens de burgers van de Unie niettemin de instantie blijft die het meest effectief is in de aanpak van de economische crisis;

R.  overwegende dat de Unie en de nationale beleidsmakers voortdurend aan hun burgers moeten uitleggen wat de voordelen van Europese integratie zijn en wat de implicaties en consequenties zijn die aan een eenheidsmunt zijn verbonden, maar ook wat de kosten en risico's zijn die gepaard zouden gaan met het uiteenvallen van de eurozone;

S.  overwegende dat 17 lidstaten de eenheidsmunt van de Unie reeds hebben aanvaard en dat de meeste andere lidstaten zich bij de euro zullen aansluiten wanneer zij daar klaar voor zijn;

T.  overwegende dat eventuele twijfels omtrent de toekomst van de EMU in het algemeen – met inbegrip van het onomkeerbare karakter van het lidmaatschap van de eurozoen – en de eenheidsmunt van de Unie in het bijzonder ongefundeerd zijn, aangezien een sterke Unie in het belang is van alle burgers;

U.  overwegende dat herstel van het vertrouwen de voornaamste taak is, om de Europese burgers en ondernemingen ertoe over te halen weer te investeren in de economie en voor financiële instellingen de voorwaarden te creëren om de reële economie opnieuw op een brede maar gezonde basis van krediet te voorzien;

V.  overwegende dat het antwoord op de eurocrisis ingewikkeld is en aanhoudende en veelvuldige inspanningen vergt op alle institutionele en beleidsniveaus;

W.  overwegende dat de instellingen van de Unie en de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten in het algemeen en van de lidstaten van de eurozone in het bijzonder een belangrijke functie vervullen bij de totstandbrenging van een begrotingsunie, waarbij alle crisisbeheersingsmechanismen van de eurozone, zoals het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), zijn ingebed in een institutioneel bestel waarbinnen het Europees Parlement een volwaardige rol als medewetgever speelt; overwegende dat de huidige intergouvernementele structuur een ernstig tekort aan democratische legitimiteit vertoont; overwegende dat de eenheidsmunt pas kan worden gestabiliseerd wanneer de lidstaten bereid zijn begrotingsbevoegdheden aan de Unie over te dragen;

X.  overwegende dat de staatshoofden en regeringsleiders en hun ministers er ter wille van het herstel van het vertrouwen toe gedwongen zijn in hun lidstaten de beleidsbeslissingen te verdedigen en uit te leggen die zij op Unieniveau zijn overeengekomen; overwegende dat wanneer impopulaire beslissingen in bepaalde gevallen ten onrechte aan de Unie worden toegeschreven, er bijzonder riskante percepties worden gecreëerd waardoor de Unie van onderuit dreigt te worden uitgehold, de solidariteit wordt ondermijnd en uiteindelijk de geloofwaardigheid van de nationale leiders zelf en mogelijkerwijs ook het Europees project in zijn totaliteit dreigt te worden aangetast;

Y.  overwegende dat de sociale situatie in de Unie op dit moment fragiel is; overwegende dat verschillende lidstaten uiterst verstrekkende structurele hervormingen en consolidatieprogramma's moeten doorvoeren; overwegende dat een politieke unie uiteindelijk de oplossing is om zich hierdoor heen te slaan, solidariteit in de hand te werken en door te gaan met het Europees project;

Z.  overwegende dat de Europese Raad en de top van de eurozone op 28-29 juni 2012 het vaste voornemen hebben uitgesproken de maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om een financieel stabiel, concurrerend en welvarend Europa te bewerkstelligen en aldus de burgers welvarender te maken;

AA.  overwegende dat de steeds breder wordende kloof tussen de kernlanden en de perifere landen van de Unie geen blijvend karakter mag krijgen; overwegende dat er een permanent systeem moet worden gecreëerd om lidstaten die in moeilijkheden verkeren de garantie te bieden dat zij kunnen rekenen op de solidaire steun van andere lidstaten; overwegende dat lidstaten die zich op solidariteit willen beroepen, moeten worden verplicht hun verantwoordelijkheid voor het nakomen van al hun verplichtingen in de budgettaire sfeer en hun landenspecifieke aanbevelingen en andere verplichtingen in het kader van het Europees Semester gestand te doen, in het bijzonder die met betrekking tot het stabiliteits- en groeipact (SGP), het Euro Plus-pact, Europa-2020 en de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden, met inachtneming van de landenspecifieke omstandigheden; overwegende dat de financiële stabiliteit van elke lidstaat van gemeenschappelijk belang is voor alle lidstaten; overwegende dat artikel 121 VWEU bepaalt dat de lidstaten hun economisch beleid dienen te beschouwen als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang en dat zij dit moeten coördineren in het kader van de Raad;

AB.  overwegende dat de afronding van de interne markt van cruciaal belang is om de economische groei weer op gang te krijgen; overwegende dat de Commissie zich als hoedster van de Verdragen krachtiger moet beijveren voor de implementatie en naleving van de bestaande internemarktwetgeving; overwegende dat de marktintegratieregelgeving ter wille van een goede werking van de interne markt bij voorkeur dient te zijn gebaseerd op verordeningen en niet op richtlijnen;

AC.  overwegende dat er geen enkele twijfel over bestaat dat de Europese integratie een onomkeerbaar en gestaag vorderend proces is;

Kiezen voor de toekomst: het verslag van de vier voorzitters

AD.  overwegende dat het vanuit democratisch oogpunt en in het licht van al hetgeen in het Verdrag van Lissabon is bepaald onaanvaardbaar is dat de Voorzitter van het Europees Parlement, dat ruim 502 miljoen Europese burgers vertegenwoordigt, niet is betrokken bij de opstelling van het bovengenoemde verslag met als titel „Naar een echte Economische en Monetaire Unie”;

AE.  overwegende dat het tijd is dat de politieke leiders van en in de Europese Unie blijk geven van hun vastberadenheid, creativiteit, moed, veerkracht en leiderschap om de resterende tekortkomingen die de goede werking van de EMU blijven belemmeren weg te werken; overwegende dat de intergouvernementele methode haar grenzen heeft bereikt en niet geschikt is voor democratische en doeltreffende besluitvorming in de 21e eeuw; overwegende dat nu de sprong moet worden gemaakt naar een waarlijk federaal Europa;

AF.  overwegende dat het bovengenoemde verslag met als titel „Naar een echte Economische en Monetaire Unie” ondubbelzinnig kiest voor de toekomst en een poging is om de cirkel van wantrouwen te doorbreken met behulp van structurele maatregelen; overwegende dat in het verslag ook aandacht zou moeten worden besteed aan de sociale dimensie;

AG.  overwegende dat de Europese Raad van 28 en 29 juni 2012 zijn voorzitter heeft verzocht een specifieke en tijdgebonden routekaart te ontwikkelen voor de verwezenlijking van een echte EMU; overwegende dat het ontwikkelen van een globale langetermijnvisie met behulp van een routekaart een belangrijk signaal is dat zou kunnen bijdragen aan het herstel van vertrouwen, dat weer kan groeien naarmate de routekaart stap voor stap wordt uitgevoerd;

AH.  overwegende dat de gestage voortgang bij de tenuitvoerlegging van de langetermijnroutekaart geen onmiddellijke uitweg uit de crisis biedt en de noodzakelijke kortetermijnmaatregelen niet mag vertragen;

AI.  overwegende dat niet kan worden uitgesloten dat er nieuwe aanpassingen in het Verdrag nodig zijn om de democratische legitimiteit van een volledig operationele EMU te versterken; overwegende dat de Commissie een lijst moet opmaken van de bestaande wetgevingsinitiatieven, die niet mogen worden vertraagd door de institutionele ontwikkelingen op de lange termijn;

AJ.  overwegende dat de voltooiing van een echte EMU binnen de Unie op middellange termijn noopt tot het doorvoeren van een verdragswijziging;

AK.  overwegende dat volledige benutting van de procedures en de flexibiliteit van de bestaande Verdragen om het EMU-beleid op korte termijn te kunnen verbeteren in het kader van de totstandbrenging van een daadwerkelijke Europese politieke ruimte een noodzakelijke voorwaarde is om de democratische consensus tot stand te kunnen brengen die nodig is voor een integrale en succesvolle verdragsaanpassing in de toekomst;

AL.  overwegende dat het Parlement het recht heeft bij de Raad voorstellen in te dienen om de Verdragen te wijzigen, die vervolgens dienen te worden behandeld door een conventie, met als doel de structuur voor een echte EMU te voltooien door de bevoegdheden van de Unie op het stuk van economisch beleid uit te breiden en door de eigen middelen en de begrotingscapaciteit van de Unie te vergroten, alsook om de rol en de democratische verantwoordingsplicht van de Commissie en de prerogatieven van het Europees Parlement te versterken;

AM.  overwegende dat het realistisch en opportuun is deze conventie niet te laten plaatsvinden vóór de volgende verkiezingen van het Europees Parlement; overwegende dat met de voorbereidingen voor een dergelijke conventie wel moet worden begonnen vóór deze verkiezing;

AN.  overwegende dat zowel de maatregelen die in het kader van de bestaande Verdragen als die welke in het kader van het toekomstige verdrag worden voorgesteld ruimte moeten laten voor opt-ins voor de lidstaten en dat zij de integriteit van de Unie moeten waarborgen;

AO.  overwegende dat toekomstige verdragswijzigingen geen belemmering mogen vormen voor de spoedige tenuitvoerlegging van wat reeds kan worden bewerkstelligd in het kader van de bestaande Verdragen; overwegende dat de bestaande Verdragen een ruime marge bieden voor substantiële vorderingen op de weg naar een beter en meer geïntegreerd financieel, begrotingstechnisch en economisch beleidskader op EMU-basis met een grotere democratische legitimiteit en meer verantwoordingsplicht;

AP.  overwegende dat het volle potentieel van het Verdrag van Lissabon op het punt van werkgelegenheid en sociaal beleid tot dusver onbenut is gebleven, voornamelijk wat betreft:

   artikel 9 VWEU, volgens hetwelk er met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid en de waarborging van adequate sociale bescherming rekening moet worden gehouden bij de vaststelling en tenuitvoerlegging van de beleidsmaatregelen en activiteiten van de Unie;
   artikel 151 VWEU, waarin is bepaald dat de Unie en de lidstaten zich „de bevordering van de werkgelegenheid, de gestage verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang wordt mogelijk gemaakt, alsmede een adequate sociale bescherming, de sociale dialoog, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting” ten doel moeten stellen;
   artikel 153, lid 1, VWEU in het algemeen en onder h) in het bijzonder, dat handelt over „de integratie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten”;

AQ.  overwegende dat artikel 48, lid 7, van het VEU voorziet in een specifieke procedure voor de aanneming van een wetgevingshandeling waarvoor het VWEU een bijzondere wetgevingsprocedure voorschrijft in overeenstemming met de gewone wetgevingsprocedure; overwegende dat artikel 333 VWEU ook bepalingen bevat die de mogelijkheid bieden in het kader van een nauwere samenwerking gebruik te maken van de gewone wetgevingsprocedure;

AR.  overwegende dat de ambitie moet zijn dat alle lidstaten gezamenlijk stappen voorwaarts zetten in de richting van meer Europese integratie; overwegende dat besluiten die alleen van toepassing zijn op de eurozone noodzakelijk kunnen zijn indien ze vereist of gerechtvaardigd zijn op basis van het specifieke karakter van de eurozone, en dat dergelijke besluiten zouden moeten voorzien in redelijke en billijke opt-ins voor andere lidstaten, in combinatie met uitgebalanceerde rechten en verplichtingen;

AS.  overwegende dat een gemeenschappelijke Europese jeugdstrategie van essentieel belang is voor het tegengaan van de jeugdwerkloosheid en van de dreigende teloorgang van een hele generatie in Europa;

Bankunie

AT.  overwegende dat de maatregelen die tot nu toe zijn genomen om het financiële systeem te stabiliseren ontoereikend zijn geweest om het vertrouwen te herstellen; overwegende dat de Europese Centrale Bank (ECB) via een reeks buitengewone tijdelijke steunmaatregelen voor zowel lidstaten als banken een sleutelrol heeft gespeeld bij deze reddingsoperaties, zonder echter haar kerndoelstelling – het waarborgen van prijsstabiliteit – uit het oog te verliezen;

AU.  overwegende dat de op het Verdrag gebaseerde operationele onafhankelijkheid van de ECB op het gebied van monetair beleid een hoeksteen blijft voor de geloofwaardigheid van de EMU en de eenheidsmunt;

AV.  overwegende dat de precaire situatie van de bankensector in verscheidene lidstaten en in de Unie als geheel een bedreiging vormt voor de reële economie en de overheidsfinanciën en dat de kosten voor de beheersing van de bankencrisis te zwaar op de belastingbetaler en de ontwikkeling van de reële economie drukken, wat groei in de weg staat; overwegende dat de bestaande mechanismen en structuren ontoereikend zijn om negatieve overloopeffecten te voorkomen;

AW.  overwegende dat de lidstaten te lijden hebben onder een klaarblijkelijke wanverhouding tussen enerzijds de activiteiten van de banken op de Europese markt en anderzijds het feit dat de inherente risico's die daaraan kunnen zijn verbonden moeten worden gedragen door hun overheden; overwegende dat tijdens de huidige crisis volstrekt duidelijk is geworden dat de interrelatie tussen banken en overheid sterker is en kwalijker uitpakt in een monetaire unie waarbinnen de interne wisselkoers vaststaat en er op Unieniveau geen mechanismen voorhanden zijn om de aan de herstructurering van banken verbonden kosten te verlichten;

AX.  overwegende dat het doorbreken van de negatieve terugkoppelingseffecten tussen overheden, banken en reële economie cruciaal is voor het soepel functioneren van de EMU;

AY.  overwegende dat de crisis een diffuus systeem van rentevoeten op leningen heeft doen ontstaan en daardoor de interne markt voor financiële diensten de facto heeft gefragmenteerd;

AZ.  overwegende dat het Parlement herhaaldelijk en consequent heeft betoogd dat er dringend behoefte is aan aanvullende en verstrekkende maatregelen om de crisis in de bankensector op te lossen; overwegende dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen kortetermijnmaatregelen om de acute crisis in de bankensector te stabiliseren en middellange- en langetermijnmaatregelen om een volledig operationele Europese bankunie te kunnen realiseren, waaronder de in G-20-verband aangegane verbintenis om de internationaal overeengekomen regels inzake bankkapitaal, liquiditeit en hefboomfinanciering tijdig, volledig en consistent toe te passen;

BA.  overwegende dat maatregelen die worden getroffen in de context van een dergelijke bankunie in geen geval een belemmering mogen vormen voor de goede werking van de interne markt voor financiële diensten en het vrije verkeer van kapitaal in de toekomst;

BB.  overwegende dat financiële instellingen en hun vertegenwoordigers zich verantwoordelijk en conform strikte ethische normen dienen te gedragen, waarbij het belang van de reële economie voorop moet staan;

BC.  overwegende dat de Unie behoefte heeft aan een gemeenschappelijk Europees toezichtmechanisme voor bankinstellingen; overwegende dat het van essentieel belang is dat er een Europese architectuur wordt gecreëerd voor een gezond en efficiënt depositogarantie- en bankenresolutiestelsel, teneinde het noodzakelijke vertrouwen in de financiële markt en stabiliteit binnen de gemeenschappelijke interne markt voor financiële diensten te waarborgen;

BD.  overwegende dat alle maatregelen ter verwezenlijking van een bankunie gepaard moeten gaan met meer transparantie en controleerbaarheid ten aanzien van de instellingen die daarvoor verantwoordelijk zijn;

BE.  overwegende dat moet worden onderzocht of er – zoals in het rapport-Liikanen wordt aangegeven – behoefte aan is bepaalde bijzonder riskante financiële activiteiten los te koppelen van de depositobanken binnen een bankgroep;

BF.  overwegende dat toezichthoudende autoriteiten in het algemeen problemen in een vroeg stadium moeten opsporen en corrigeren om het ontstaan van crises te voorkomen en financiële stabiliteit en robuustheid te handhaven;

BG.  overwegende dat de meeste bevoegdheden voor bankentoezicht in de Unie nog steeds in handen zijn van de nationale toezichthouders, terwijl de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) (EBA) – die is opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010(1) – daarbij een coördinerende rol vervult; overwegende dat het bestaande systeem van nationaal toezicht te diffuus is gebleken om de huidige problemen het hoofd te bieden;

BH.  overwegende dat een hoogwaardig en effectief Europees toezichtmechanisme onontbeerlijk is om te kunnen waarborgen dat problemen energiek worden opgespoord en aangepakt, om een gelijk speelveld voor alle bankinstellingen te garanderen, om het internationale vertrouwen te herstellen en fragmentatie van de interne markt te vermijden;

BI.  overwegende dat er een duidelijke verdeling van operationele verantwoordelijkheden moet worden overeengekomen tussen het Europees toezichtmechanisme en de nationale toezichthoudende autoriteiten, waarbij moet worden uitgegaan van de omvang en het bedrijfsmodel van de betrokken banken en van de aard van de toezichthoudende taken, conform de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit;

BJ.  overwegende dat Europees toezicht op de bankinstellingen binnen de EMU, alsook het versterken van de rol van de EBA bij de instandhouding van de interne markt absoluut van prioritair belang zijn om de crisis te kunnen aanpakken; overwegende dat er evenwel ten behoeve van de stabiliteit op de interne financiële markt op moet worden toegezien dat lidstaten die niet de euro als munt hebben en die besluiten middels nauwe samenwerking deel te nemen aan het gemeenschappelijk toezichtmechanisme, een participatieformule moet worden aangeboden die garant staat voor symmetrische verhoudingen tussen de aangegane verplichtingen en hun invloed op de besluitvorming;

BK.  overwegende dat het gemeenschappelijk toezichtmechanisme zich vanaf het allereerste begin moet uitstrekken tot de financiële instellingen die directe steun van de Unie nodig hebben en tot systeemrelevante financiële instellingen;

BL.  overwegende dat de onafhankelijkheid van het gemeenschappelijk Europees toezichtmechanisme van politieke of bedrijfsmatige beïnvloeding het niet vrijwaart van de verplichting jegens het Parlement regelmatig en wanneer de situatie daartoe noopt uitleg te geven, zich te rechtvaardigen en verantwoording af te leggen voor de maatregelen en besluiten die het neemt op het gebied van Europees toezicht, gelet op het effect dat toezichtmaatregelen kunnen hebben op overheidsfinanciën, banken, werknemers en klanten; overwegende dat effectieve democratische verantwoordingsplicht onder andere impliceert dat het Parlement zijn fiat moet geven voor de benoeming van de voorzitter van de bestuursraad van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme nadat deze via een openbare selectieprocedure is geselecteerd, dat de voorzitter aan het Parlement verslag moet uitbrengen en door het Parlement kan worden gehoord, dat het Parlement het recht heeft hem schriftelijke of mondelinge vragen te stellen en conform het VWEU te zijnen aanzien over het enquêterecht beschikt;

BM.  overwegende dat het ESM in de toekomst onder bepaalde voorwaarden rechtstreeks banken in moeilijkheden kan financieren; overwegende dat het operationeel maken van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme derhalve bij de verwezenlijking van de bankunie de eerste en urgentste taak is;

BN.  overwegende dat de door de EBA ontwikkelde uniforme regeling („single rule book”) garant moet staan voor een volledig geharmoniseerde regelgeving en de uniforme toepassing daarvan in de hele Unie; overwegende dat de voltooiing van de uniforme regeling voor bankentoezicht en completer geharmoniseerde en strengere prudentiële voorschriften noodzakelijk zijn voor het effectief functioneren van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme, aangezien de Europese toezichthouder niet kan werken met onderling afwijkende nationale prudentiële regels;

BO.  overwegende dat de stemregels binnen de EBA na de oprichting van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme zorgvuldig moeten worden aangepast, zodat constructieve samenwerking tussen de lidstaten van de eurozone en die daarbuiten wordt vergemakkelijkt en de belangen van alle lidstaten volledig in aanmerking worden genomen;

BP.  overwegende dat de nog lopende wetgevingsprocedures met betrekking tot het gemeenschappelijk toezichtmechanisme onverwijld moeten worden afgerond;

BQ.  overwegende dat het voor de invoering van de nieuwe financiële architectuur van essentieel belang is dat de onderhandelingen over de richtlijnen inzake depositogarantie- en beleggerscompensatiestelsels – waarvoor de onderhandelingen tussen het Parlement en de Raad zijn opgeschort hoewel deze van cruciaal belang zijn om te kunnen beschikken over gemeenschappelijke bankresolutie- en depositogarantiemechanismen – zo snel mogelijk opnieuw vlot worden getrokken;

BR.  overwegende dat een gemeenschappelijke Europese depositogarantieregeling noopt tot invoering van uniforme, gemeenschappelijke en strikte eisen voor alle depositogarantiestelsels in de Unie, zodat zij dezelfde mate van bescherming en stabiliteit bieden en tevens een gelijk speelveld waarborgen; overwegende dat alleen op die manier de voorwaarden voor de nodige flexibiliteit kunnen worden gecreëerd, zodat afdoende rekening kan worden gehouden met de specifieke nationale omstandigheden in de financiële sector;

BS.  overwegende dat het streefdoel op lange termijn een gemeenschappelijk Europees depositogarantiefonds met goed functionerende, adequaat gefinancierde depositogarantiestelsels zou kunnen zijn waardoor dus de geloofwaardigheid en het vertrouwen van beleggers daadwerkelijk kunnen worden versterkt, van zodra er een effectieve resolutieregeling en een effectief gemeenschappelijk toezichtmechanisme in werking zijn getreden;

BT.  overwegende dat planning vooraf, snel optreden, interventie in een vroeg stadium, inachtneming van de nodige zorgvuldigheid, toegang tot hoogwaardige informatie en geloofwaardigheid essentieel zijn bij het beheersen van bankencrises;

BU.  overwegende dat er een gemeenschappelijke Europese herstel- en resolutieregeling moet worden ingevoerd – bij voorkeur in combinatie met het gemeenschappelijk toezichtmechanisme – met het oog op het herstel van de levensvatbaarheid van banken in moeilijkheden en de afwikkeling van onrendabele financiële instellingen;

BV.  overwegende dat aanneming van het thans door de Commissie voorgestelde crisisbeheersingsplan voor banken die in een crisis verkeren op korte termijn absolute prioriteit heeft;

BW.  overwegende dat het algemene doel van een effectieve resolutieregeling en een effectief herstelplan erin bestaat het potentiële gebruik van belastinggelden die nodig zijn voor het herstel en de afwikkeling van bankinstellingen tot een minimum te beperken;

BX.  overwegende dat het voor de bescherming van particulier spaargeld noodzakelijk is een functionele scheiding te hanteren, terwijl tegelijkertijd een effectieve koppeling moet worden gelegd tussen de Europese depositogarantie-, herstel- en resolutiefondsen;

BY.  overwegende dat er vooraf met name op moet worden toegezien dat de resolutie- en depositogarantiemechanismen over een solide financiële structuur beschikken, die gestoeld is op bijdragen uit de sector zelf, waarbij de bijdrage van een bepaalde financiële instelling het risicogehalte van die instelling moet weerspiegelen, terwijl Europees overheidsgeld uitsluitend mag dienen als een ultiem vangnet en tot een zo laag mogelijk bedrag beperkt moet blijven;

Begrotingsunie

BZ.  overwegende dat het bovengenoemde verslag met als titel „Naar een echte Economische en Monetaire Unie” wat dat betreft een belangrijke stap voorwaarts is, aangezien daarin erkend wordt dat „voor de vlotte werking van de EMU niet alleen een snelle en krachtdadige uitvoering van de reeds overeengekomen maatregelen binnen het kader van de versterkte economische governance nodig is (met name het stabiliteits- en groeipact en het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie), maar ook een kwalitatieve sprong naar een budgettaire unie”;

CA.  overwegende dat gezonde overheidsfinanciën, evenwichtige begrotingen gedurende de gehele conjunctuurcyclus en duurzame groeiperspectieven voor de middellange termijn, alsook adequate overheidsinvesteringen een essentiële vereiste zijn voor langdurige economische en financiële stabiliteit, voor de instandhouding van de verzorgingsstaat en voor de financiering van de kosten van de verwachte demografische ontwikkeling;

CB.  overwegende dat de soepele werking van de EMU noopt tot de volledige en snelle tenuitvoerlegging van de maatregelen waartoe reeds is besloten binnen het kader van de verbetering van het economisch bestuur, met name het versterkte stabiliteits- en groeipact en het Europees Semester, in combinatie met een aantal groeibevorderende maatregelen; overwegende dat binnen maximaal vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie (VSCB), op basis van een evaluatie van de praktische ervaringen die daarmee worden opgedaan, conform het VEU en het VWEU de nodige stappen moeten worden ondernomen om het VSCB inhoudelijk in het rechtskader van de Unie te integreren;

CC.  overwegende dat in het groei- en werkgelegenheidspact de noodzaak wordt onderstreept om groeibevorderende begrotingsconsolidatie na te streven en in het bijzonder de aandacht wordt gevestigd op de behoefte aan investeringen in toekomstgerichte domeinen; overwegende dat de Commissie voorstellen moet doen om aan te geven welke investeringen binnen de grenzen van de Unie en van de nationale begrotingskaders voorrang dienen te krijgen;

CD.  overwegende dat de crisis duidelijk heeft gemaakt dat er behoefte is aan een kwalitatieve stap in de richting van een robuustere en meer democratisch georiënteerde begrotingsunie met meer eigen middelen van de Unie, effectievere mechanismen voor het corrigeren van onhoudbare begrotingstrajecten en schuldposities en voor het vaststellen van de bovengrenzen voor het begrotingssaldo van de lidstaten;

CE.  overwegende dat een „echte EMU” ook de steun en de acceptatie door de burgers van de Unie vereist; overwegende dat daarom ook met nadruk moet worden gewezen op de noodzaak beleidsmakers, sociale partners en maatschappelijke organisaties hierin op alle politieke niveaus te betrekken;

CF.  overwegende dat te verwachten valt dat het bestaande economische bestuurskader veeleer zal worden versterkt dan verzwakt door aanvullende mechanismen om ervoor te zorgen dat alle lidstaten middels hun individuele begrotingsprocedures hun verplichtingen nakomen; overwegende dat de onafhankelijke rol van de Europese commissaris voor economische en monetaire aangelegenheden dient te worden versterkt en aangevuld met solide mechanismen voor het afleggen van verantwoording aan zowel het Europees Parlement als de Raad; overwegende dat er een Europese schatkist moet worden ingesteld, die onder de leiding moet komen te staan van een Europese minister van Financiën, die individueel verantwoording moet afleggen aan het Europees Parlement;

CG.  overwegende dat de flexibiliteitsclausule (artikel 352 VWEU) kan worden gebruikt om een Europese Thesaurie op te zetten die wordt geleid door een Europese minister van financiën, wat een essentieel kenmerk is van een echte EMU;

CH.  overwegende dat artikel 136 VWEU voorziet in de vaststelling overeenkomstig de relevante wetgevingsprocedure als bedoeld in de artikelen 121 en 126 VWEU, van specifieke maatregelen ter verbetering van de coördinatie van en het toezicht op de begrotingsdiscipline van de lidstaten die de euro als munt hebben; overwegende dat de beoogde wetgeving kan voorzien in delegatie van bevoegdheden aan de Commissie om niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van een wetgevingshandeling; overwegende dat het Europees Parlement of de Raad krachtens het VWEU het recht hebben de delegatie van bevoegdheden aan de Commissie in te trekken;

CI.  overwegende dat het volgens de rechtsorde van de Unie algemene regel is dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is om erop toe te zien dat bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen de Uniewetgeving wordt nageleefd, tenzij dit nadrukkelijk wordt uitgesloten;

CJ.  overwegende dat de trialoogonderhandelingen over de zogenaamde „two-pack”-verordeningen naar verwachting spoedig zullen resulteren in concrete politieke resultaten;

CK.  overwegende dat het stabiliteits- en groeipact ontworpen is als een cyclisch stabilisatie-instrument dat de lidstaten in staat stelt er een tekort van maximaal 3% op na te houden om aldus economische schokken in de betrokken lidstaat tegen te gaan en op te vangen; overwegende dat dit anticyclische beleid alleen kan werken als de lidstaten in tijden van voorspoed begrotingsoverschotten realiseren; overwegende dat financiële steunmechanismen zoals het ESM een ultieme noodmaatregel zijn;

CL.  overwegende dat lidstaten die partij zijn bij het VSCB met het oog op de vroegtijdige coördinatie van schuldemissies op Unieniveau aan de Commissie en de Raad verslag moeten uitbrengen over hun plannen voor de uitgifte van overheidsschuldpapier;

CM.  overwegende dat de lidstaten die de euro als munt hebben krachtens de bestaande verdragen een hogere begroting van de Unie in het kader van de eigenmiddelenprocedure kunnen financieren door invoering van specifieke belastingen of heffingen overeenkomstig de procedure van versterkte samenwerking; overwegende dat daarbij specifiek de voorkeur moet worden gegeven aan koppeling van deze procedure met het reeds bestaande begrotingskader van de Unie, zonder afbreuk te doen aan de traditionele functies van de begroting ter financiering van gemeenschappelijke beleid; overwegende dat een zodanig vergrootte begrotingscapaciteit groei en sociale cohesie moet ondersteunen waarbij onevenwichtigheden, structurele verschillen en financiële noodsituaties worden aangepakt die rechtstreeks verband houden met de monetaire unie;

CN.  overwegende dat gezamenlijke schuldemissies op de lange termijn en nadat aan strenge voorwaarden is voldaan, een manier zouden kunnen zijn tot aanvulling van de EMU; overwegende dat gezamenlijke schuldemissies onder gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid in de eurozone tot verdragswijzigingen kunnen nopen;

CO.  overwegende dat er bij wijze van noodzakelijke voorwaarde voor gezamenlijke schuldemissies een duurzaam begrotingskader moet worden gecreëerd dat zowel een beter economisch bestuur als een striktere begrotingsdiscipline en naleving van het stabiliteits- en groeipact beoogt, alsmede de totstandbrenging van toezichtinstrumenten om verkeerde signaalwerking tegen te gaan;

CP.  overwegende dat een hechtere en meer geïntegreerde begrotingsunie ook zou moeten voorzien in de geleidelijke doorrol van schulden naar een aflossingsfonds;

CQ.  overwegende dat als de invoering van gemeenschappelijke schuldemissie-instrumenten niet op een geloofwaardige manier plaatsvindt, dit kan leiden tot onbeheersbare gevolgen en het verlies van het vertrouwen op langere termijn dat de eurozone in staat is om doortastend op te treden;

CR.  overwegende dat de Unie en met name de eurozone naar aanleiding van de schuldencrisis een aantal nieuwe Europese instrumenten voor financiële solidariteit hebben opgezet: de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF), het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) en andere projecten in het kader van de routekaart naar een echte EMU; overwegende dat het financieel effect van die instrumenten in termen van bedragen veel groter dan de begroting van de Unie en overwegende dat het innovatieve idee van een door de leden van de eurozone gefinancierde centrale begroting voor de eurozone nu wordt voorgesteld als de ultieme garantie voor deze nieuwe vorm van financiële solidariteit;

CS.  overwegende dat het feit dat er steeds meer van dergelijke solidariteitsinstrumenten in het leven worden geroepen het moeilijk maakt te beoordelen hoeveel elke lidstaat in feite bijdraagt aan de Europese solidariteit, maar dat het totaalbedrag de respectieve financiële contributies van de lidstaten aan de begroting van de Unie verre te boven gaat; tevens overwegende dat het veelvoud aan bestaande instrumenten er in termen van rechtsgrondslagen, wijze van interveniëren en betrokken lidstaten waarschijnlijk toe zal leiden dat het hele systeem voor de Europese leiders lastig aan te sturen valt, voor de Europese burgers in het algemeen moeilijk te begrijpen is en zich aan enigerlei vorm van parlementaire controle onttrekt;

CT.  overwegende dat het ESM ook in het rechtskader van de Unie zou kunnen worden geïntegreerd middels de flexibiliteitsclausule (artikel 352 VWEU), in combinatie met het herziene artikel 136 VWEU;

CU.  overwegende dat het toepassingsgebied van de clausule die reddingsoperaties verbiedt („no bailout clause”) volgens de bestaande Verdragen door de Raad op basis van een voorstel van de Commissie nader kan worden gespecificeerd nadat het Europees Parlement daarover is geraadpleegd (artikel 125, lid 2 VWEU);

CV.  overwegende dat de strenge democratische controlenormen die op niveau van de Unie gangbaar zijn ook voor de Trojka dienen te gelden;

CW.  overwegende dat de activiteiten van de Commissie in de context van de budgettaire en economische unie gebaseerd moeten zijn op een reële sociale dialoog en de autonomie van de sociale partners ten volle moeten respecteren;

CX.  overwegende dat de onafhankelijkheid van het Europees statistisch systeem (ESS) zowel op nationaal als op niveau van de Unie moet worden gevrijwaard met het oog op het behoud van de geloofwaardigheid van de Europese statistieken als essentieel ondersteuningsinstrument voor een volwaardige begrotingsunie (middels strenge kwaliteitsnormen en een systematische aanpak bij de ontwikkeling, productie en verificatie van de juistheid van door de overheid gehanteerde financiële statistieken);

CY.  overwegende dat de boekhoudregels voor overheidsorganisaties in alle lidstaten op een gestandaardiseerde manier moeten worden toegepast en moeten worden onderworpen aan interne en externe auditmechanismen, als noodzakelijke aanvulling op de grotere bevoegdheden van de Commissie en op de uitgebreide coördinerende rol die de Europese Rekenkamer en de nationale rekenkamers vervullen bij de controle op de kwaliteit van de nationale bronnen die worden gebruikt voor de berekening van schuld- en tekortcijfers;

Economische unie

CZ.  overwegende dat tot nu toe bijzonder veel aandacht is besteed aan de monetaire aspecten van de EMU, terwijl er dringend behoefte is aan de totstandbrenging van een waarachtige economische unie, waarbij de Europa 2020-strategie het bindende kader moet vormen voor de opzet en uitvoering van het economisch beleid;

DA.  overwegende dat het Euro Plus-pact, de Europa 2020-strategie en de pacten voor groei en werkgelegenheid in het recht van de Unie moeten worden geïntegreerd en het pad moeten effenen voor de invoering van een convergentiecode voor de economieën van lidstaten;

DB.  overwegende dat het Europees Semester, zoals gedefinieerd in het preventieve gedeelte van het stabiliteits- en groeipact, een geschikt kader vormt voor de coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten en hun budgettaire besluitvorming, conform de door de Raad aangenomen landenspecifieke aanbevelingen;

DC.  overwegende dat in artikel 9 VWEU wordt aangedrongen op de bevordering van een hoog werkgelegenheidsniveau, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting en een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid;

DD.  overwegende dat begrotingsconsolidatie, het terugdringen van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden, structuurhervormingen en investeringen noodzakelijk zijn om de crisis te boven te komen en om kwalitatief verantwoorde en duurzame groei en werkgelegenheid te waarborgen in een kennisgestuurde maatschappij, die de reële weerspiegeling moet vormen van het lidmaatschap van de EMU binnen een sociale markteconomie; overwegende dat structuurhervormingen pas op lange termijn resultaat opleveren;

DE.  overwegende dat het pact voor groei en werkgelegenheid dat goedgekeurd is op de Europese top van 28 en 29 juni 2012 een belangrijke bijdrage kan leveren aan groei, werkgelegenheid en een betere Europese concurrentiecapaciteit; overwegende dat de Unie en de lidstaten hun verantwoordelijkheid moeten nemen en snel in actie moeten komen om de interne markt te voltooien en het potentieel ervan te ontplooien; overwegende dat de accentverschuiving die samengaat met de aanneming van het groeipact een positieve ontwikkeling is, ook al gaat het bij de uit de structuurfondsen voor groeibevorderende maatregelen beschikbaar gestelde middelen alleen maar om een herschikking van al bestaande fondsen, waarmee dus geen extra financiële middelen worden gecreëerd;

DF.  overwegende dat de lidstaten onverwijld moeten laten zien dat de overeengekomen hervormingen in hun nationale hervormingsprogramma's terug te vinden zijn, en dat het aan de nationale parlementen is om te bewijzen dat zij wat dat betreft metterdaad ​​tijdig en goed geïnformeerd toezicht uitoefenen op het beleid van hun regeringen;

DG.  overwegende dat de interne markt nog steeds niet volledig kan functioneren als gevolg van de hinderpalen die in sommige lidstaten nog steeds bestaan; overwegende dat, wil de economie van de Unie volledig kunnen profiteren van haar groeipotentieel, de interne markt eerst moet worden voltooid, met name op gebieden zoals diensten, energie, telecommunicatie, standaardisering, vereenvoudiging van de regels voor overheidsopdrachten, netwerkindustrieën, e-handel en auteursrechten;

DH.  overwegende dat de verdere economische en budgettaire integratie zal worden ondermijnd zonder nauwere coördinatie op belastinggebied; overwegende dat indien de unanimiteitsregel op belastinggebied verdere ontwikkelingen op dit gebied in de weg staat, het instrument van nauwere samenwerking vaker moet worden ingezet; overwegende dat in dit verban kan worden verwezen naar het standpunt van het Parlement ten aanzien van de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) en de belasting op financiële transacties (FTT); overwegende dat er op belastinggebied duidelijk behoefte bestaat aan structurele convergentie tussen de belastingstelsels en de belastinggrondslag in de lidstaten; overwegende dat schadelijke belastingconcurrentie tussen lidstaten duidelijk tegen de logica van de interne markt ingaat en moet worden aangepakt;

DI.  overwegende dat het van belang is dat het herstel van de economie gepaard gaat met een arbeidsmarktbeleid dat zoeken naar een baan en ondernemingsgeest stimuleert en dat structurele werkloosheid terugdringt, met name voor jongeren, ouderen en vrouwen, en tegelijk het Europees sociaal model vrijwaart en de rol van de sociale partners en het recht om te onderhandelen en collectieve overeenkomsten te sluiten en te doen naleven of collectieve actie te ondernemen overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijken volledig respecteert; overwegende dat in die zin de integratie van de arbeidsmarkten van de lidstaten moet worden bevorderd om de grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit te vergroten;

DJ.  overwegende dat verplichte coördinatie op Unieniveau moet worden toegepast voor bepaalde essentiële economische beleidskwesties die van bijzonder belang zijn voor groei en werkgelegenheid;

DK.  overwegende dat duurzame overheidsfinanciën niet langer alleen maar een kwestie zijn van economisch omspringen met de schaarse overheidsmiddelen, maar ook van rechtvaardige belastingheffing, van een progressief belastingstelsel, van een goed georganiseerde belastinginning, een betere bestrijding van alle vormen van belastingfraude en belastingontduiking, van fiscale samenwerking en coördinatie ter beperking van schadelijke belastingconcurrentie, en van een goed opgezet belastingstelsel dat bedrijfsontwikkeling en nieuwe werkgelegenheid bevordert;

DL.  overwegende dat de lidstaten verantwoording moeten afleggen voor de manier waarop zij invulling geven aan de Europa 2020-strategie;

DM.  overwegende dat de Europa 2020-strategie moet worden onderworpen aan een tussentijdse evaluatie, waarbij men er niet voor mag terugschrikken de dingen bij hun naam te noemen en moet worden nagegaan of de doelstellingen scherper moeten worden gedefinieerd of aangepast en hoe lidstaten zwaarder onder druk kunnen worden gezet om de doelstellingen te bereiken;

DN.  overwegende dat de beschikbaarheid van kwalitatief hoogwaardige Europese statistieken een centrale rol speelt bij de opzet van het nieuwe economische bestuurssysteem en dat deze statistieken met name essentieel zijn voor het correcte functioneren van de voornaamste controle- en handhavingsprocessen zoals het Europees Semester, de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden en de Europa 2020-strategie;

DO.  overwegende dat er meer werk moet worden gemaakt van de modernisering van de systemen voor de productie van Europese statistieken teneinde hoogwaardige kwaliteitsnormen, kosteneffectiviteit en toereikende middelen te kunnen garanderen en om deze statistieken op een adequate manier te kunnen verspreiden en gemakkelijker toegankelijk te maken voor de overheid, de economische actoren en de burgers;

Via democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht naar een politieke unie

DP.  overwegende dat de Unie haar legitimiteit te danken heeft aan haar democratische waarden, aan de doelstellingen die zij nastreeft en aan haar bevoegdheden, instrumenten en instellingen;

DQ.  overwegende dat deze legitimiteit berust op twee burgerschapscategorieën, namelijk die van de burgers die worden vertegenwoordigd door het Europees Parlement en die van de lidstaten, welke worden vertegenwoordigd door de Raad;

DR.  overwegende dat het debat zich als gevolg van de aanhoudende crisis en de manier waarop bepaalde crisismaatregelen zijn genomen heeft uitgebreid tot de noodzaak meer recht te doen aan het democratische karakter van de besluitvorming binnen de EMU;

DS.  overwegende dat de politieke leiders en vertegenwoordigers van de instellingen, de agentschappen en overige organen van de Unie politiek rekenschap moeten afleggen aan het Parlement; overwegende dat zij over hun werkzaamheden en prognoses regelmatig verslag moeten doen en deze jaarlijks moeten presenteren aan de bevoegde commissie van het Parlement;

DT.  overwegende dat de Europese Raad de afgelopen jaren heeft getracht een uitweg uit de crisis te vinden en tal van voorstellen heeft geformuleerd waarvoor de Unie volgens de Verdragen niet altijd over een duidelijke bevoegdheid beschikt;

DU.  overwegende dat de beslissing van de Europese Raad om de intergouvernementele route te volgen en daarbij het Parlement als belangrijke partij bij het zoeken naar een uitweg uit de crisis niet te betrekken, moet worden betreurd, hoewel zij in sommige gevallen onvermijdelijk is;

DV.  overwegende dat voor voorstellen die onder de bevoegdheid van de Unie vallen, besluiten moeten worden genomen volgens de gewone wetgevingsprocedure, met volledige betrokkenheid van het Parlement;

DW.  overwegende dat de uitvoeringsbevoegdheden van de Commissie volgens de op regels gebaseerde strategie voor het economisch bestuurskader, zoals die met name is vastgesteld in het versterkte stabiliteits- en groeipact en het macro-economisch toezichtmechanisme, ex-post moeten worden onderworpen aan democratische controle door en verantwoordingsplicht jegens het Parlement;

DX.  overwegende dat de intergouvernementele instrumenten die sinds het begin van de crisis in december 2009 in het leven zijn geroepen, moeten worden gecommunautariseerd;

DY.  overwegende dat meer democratisch toezicht, participatie en medebeslissing met betrekking tot het economisch, monetair en sociaal beleid, het belastingstelsel, het meerjarig financieel kader en de eigen middelen noodzakelijk is; overwegende dat de bestaande overbruggingsclausules met dat doel in werking moeten worden gesteld;

DZ.  overwegende dat het niet aanvaardbaar is dat de Voorzitter van het Europees Parlement niet voor de gehele duur van de bijeenkomsten van de Europese Raad en de top van de eurozone aanwezig kan zijn; overwegende dat met spoed een oplossing voor dit gebrek aan democratische legitimiteit moet worden gevonden door middel van een politieke overeenkomst tussen de beide instellingen;

EA.  overwegende dat het dringend zaak is het bestaande democratische tekort van de EMU aan te pakken en iedere verdere stap op weg naar een bankunie, een begrotingsunie en een economische unie te koppelen aan meer democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht op Unieniveau;

EB.  overwegende dat telkens wanneer er nieuwe bevoegdheden worden overgedragen aan of gecreëerd op het niveau van de Unie of wanneer er nieuwe instellingen van de Unie worden opgericht, de dienovereenkomstige legitimiteit, democratische controle door en verantwoordingsplicht jegens het Europees Parlement moeten zijn gegarandeerd;

EC.  overwegende dat hoe dan ook geen parallelle structuren aan die van de Unie moeten worden gecreëerd door middel van intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten; overwegende dat alle overeenkomsten waarbij inter- of supranationale stelsels worden ingesteld, dienen te worden onderworpen aan de volledige democratische controle van het Europees Parlement;

ED.  overwegende dat de productie, verificatie en verspreiding van kwalitatief hoogwaardige Europese statistieken middels een volwaardig ESS een cruciale bijdrage levert aan het stimuleren van volledige transparantie en effectieve publieke verantwoording bij het ontwerp, het beheer, de implementatie en de handhaving van het Uniebeleid op het niveau van de Unie en op nationaal niveau;

EE.  overwegende dat de samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen op basis van protocol nr. 1 gehecht aan het VEU en het VWEU betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie (Protocol nr. 1)moet worden versterkt om de uitwisseling van standpunten en de kwaliteit van de parlementaire activiteiten op het gebied van EMU-bestuur op zowel EU- als nationaal niveau te verbeteren; overwegende dat deze vorm van samenwerking niet moet worden gezien als een manier om een nieuw gemengd parlementair orgaan op te richten, hetgeen vanuit democratisch en constitutioneel oogpunt zowel ineffectief als onwettig zou zijn;

1.  acht het noodzakelijk het EMU-bestuur onder te brengen in het institutionele kader van de Unie, aangezien het anders niet doeltreffend kan zijn, noch de bestaande politieke kloof tussen nationaal en Europees beleid kan overbruggen;

2.   roept alle instellingen op tot snel handelen door de mogelijkheden die de bestaande Verdragen en de daarin vervatte flexibiliteitsinstrumenten bieden optimaal te benutten en zich tegelijkertijd voor te bereiden op de noodzakelijke verdragswijzigingen ter waarborging van rechtszekerheid en democratische legitimiteit; wijst er eens te meer op dat de mogelijkheid van een nieuwe intergouvernementele overeenkomst moet worden uitgesloten;

3.  onderstreept dat beide maatregelen die zowel in het kader van de bestaande Verdragen als van de toekomstige verdragswijzigingen worden voorgesteld ruimte moeten laten voor opt-ins en de integriteit van de Unie moeten waarborgen;

4.  verzoekt de Raad – die de auteurs opdracht heeft gegeven tot opstelling van het bovengenoemde verslag met als titel „Naar een echte Economische en Monetaire Unie” – de Voorzitter van het Europees Parlement onverwijld als gelijkwaardige medeauteur van dit verslag met gelijke rechten te coöpteren om de democratische legitimiteit van het verslag te versterken;

5.  verheugt zich over het feit dat, hoewel de Conferentie van voorzitters van het Parlement daarbij tot dusver slechts informeel is betrokken, zij de bevoegde commissie van het Parlement niettemin heeft verzocht zich gezamenlijk met de drie vertegenwoordigers (sherpa's) die namens het Parlement met de vaste voorzitter van de Europese Raad onderhandelen te beraden over de inhoudelijke voorstellen;

6.  bevestigt dat het ten volle gebruik zal maken van zijn prerogatieven om bij de Raad voorstellen tot wijziging van de Verdragen in te dienen, die vervolgens moeten worden behandeld door een conventie, met als doel de structuur voor een volwaardige EMU te voltooien door de bevoegdheden van de Unie op het stuk van economisch beleid uit te breiden en door de eigen middelen en de begrotingscapaciteit van de Unie uit te breiden, alsook om de rol en de democratische verantwoordingsplicht van de Commissie en de prerogatieven van het Europees Parlement te versterken;

7.  roept de nationale parlementen ertoe op mee te werken aan de voorbereiding van de budgettaire en hervormingsplannen van hun regeringen alvorens deze aan de Unie worden voorgelegd; is voornemens op de conventie voor te stellen deze expliciete verantwoordelijkheid toe te voegen aan de taken van de nationale parlementen in het kader van de bepalingen van artikel 12 VEU;

8.  verzoekt de voorzitter van de Raad om de in de Raad geblokkeerde wetgevingsvoorstellen onmiddellijk, in overleg met het Parlement, volgens de gewone wetgevingsprocedure overeenkomstig het Verdrag van Lissabon af te ronden en aan te nemen, met name die betreffende CRD IV (kapitaalvereisten) en de nationale depositogarantiestelsels;.

9.  beschouwt een aanzienlijke verbetering van de democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht op Unieniveau wat betreft het EMU-bestuur door het Parlement daarbij een grotere rol te laten vervullen als een noodzakelijke voorwaarde om verdere stappen te kunnen ondernemen op weg naar een bankunie, een begrotingsunie en een economische unie;

10.  is van mening dat de coördinatie van en het toezicht op de begrotingsdiscipline van de lidstaten die de euro als munt hebben volgens de bestaande Verdragen bindend kunnen worden gemaakt en louter op basis van artikel 136 VWEU juncto artikel 121, lid 6, kunnen worden onderworpen aan toezicht door het Hof van Justitie van de Europese Unie, maar dat deze stap vanuit constitutioneel oogpunt alleen moet worden overwogen indien daarmee de rol van het Europees Parlement aanzienlijk zou worden versterkt voor wat betreft de precieze tenuitvoerlegging van artikel 121, leden 3 en 4, VWEU, en om de procedure voor multilateraal toezicht met gedelegeerde handelingen op basis van artikel 290 VWEU te vervolledigen en te implementeren; herinnert eraan dat volgens de Verdragen de bevordering van een hoge werkgelegenheid en de waarborging van een adequate sociale bescherming in acht moeten worden genomen bij de bepaling en uitvoering van het beleid en de activiteiten van de Unie, namelijk door voortbouwend op bestaande strategieën een nieuwe reeks richtsnoeren voor de lidstaten te introduceren, met inbegrip van sociale en economische ijkpunten met minimale normen die op de voornaamste pijlers van de economie moeten worden toegepast;

11.  is van mening dat een „volwaardige EMU” niet beperkt mag blijven tot een systeem van regels, maar een grotere begrotingscapaciteit vergt op basis van specifieke eigen middelen (met inbegrip van een FTT), waaruit in het kader van de begroting van de Unie groei en sociale cohesie moeten worden ondersteund ter rechtzetting van onevenwichtigheden, structurele verschillen en financiële noodsituaties die rechtstreeks verband houden met de monetaire unie, zonder dat daarmee haar traditionele functies als financieringsbron voor gemeenschappelijke beleidsvormen mogen worden uitgehold;

12.  is van mening dat artikel 136 van het VWEU de Raad volgens de bestaande Verdragen in staat stelt om op aanbeveling van de Commissie en met medezeggenschap van alleen de lidstaten die de euro als munt hebben, in het kader van het Europees Semester bindende economische beleidsrichtsnoeren vast te stellen voor de landen van de eurozone; onderstreept dat het bindende karakter van de economische beleidscoördinatie zou worden versterkt door gebruikmaking van een stimuleringsmechanisme; dringt aan op sluiting van een interinstitutioneel akkoord om het Parlement te betrekken bij de opstelling en goedkeuring van de jaarlijkse groeianalyse en de richtsnoeren inzake economisch beleid en werkgelegenheid;

13.  bevestigt opnieuw zijn voornemen om de samenwerking met de nationale parlementen te intensiveren op basis van protocol nr. 1, maar benadrukt dat deze samenwerking niet moet worden gezien als een manier om een nieuw gemengd parlementair orgaan te creëren, hetgeen vanuit democratisch en constitutioneel oogpunt zowel ondoeltreffend als onwettig zou zijn; benadrukt het volledig legitieme karakter van de betrokkenheid van het Parlement als parlementair orgaan op Unieniveau bij een sterker en democratisch bestuur van de EMU;

14.  verzoekt de Commissie het Parlement zo spoedig mogelijk na raadpleging van alle betrokken partijen, waarbij het Europees Parlement als medewetgever fungeert, voorstellen voor te leggen voor besluiten ter opvolging van de in bijlage dezes opgenomen gedetailleerde aanbevelingen;

15.  bevestigt dat de aanbevelingen in overeenstemming zijn met het subsidiariteitsbeginsel en de grondrechten van de burgers van de Unie;

16.  verzoekt de Commissie om – in aanvulling op de maatregelen die in het kader van de bestaande Verdragen op korte termijn kunnen en moeten worden genomen – een lijst op te maken van de institutionele ontwikkelingen die noodzakelijk kunnen blijken te zijn om de EMU van een solidere architectuur te voorzien, op basis van de behoefte aan een geïntegreerd financieel kader, een geïntegreerd begrotingskader en een geïntegreerd economisch beleidskader ter versterking van de rol van het Parlement;

17.  is van oordeel dat de financiële implicaties van het verlangde voorstel moeten worden gedekt door de begroting van voldoende middelen te voorzien;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de gedetailleerde aanbevelingen zoals aangegeven in de bijlage te doen toekomen aan de Commissie, de Europese Raad, de Raad, de Europese Centrale Bank, de voorzitter van de Eurogroep, en de parlementen en regeringen van de lidstaten.

BIJLAGE

GEDETAILLEERDE AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

1.  Een geïntegreerd financieel kader

Aanbeveling 1.1 betreffende een gemeenschappelijk toezichtmechanisme

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

De onderhavige voorstellen van de Commissie inzake het gemeenschappelijk Europees toezichtmechanisme moeten zo spoedig mogelijk worden goedgekeurd met het oog op de daadwerkelijke toepassing van prudentiële regels, risicobeheersings- en crisispreventievoorschriften voor kredietinstellingen in de gehele Unie.

De rechtsgrondslag, vorm en inhoud van het voorstel moeten alle lidstaten in de gelegenheid stellen volledig deel te nemen aan het gemeenschappelijk Europees toezichtmechanisme, in een zodanige vorm dat de volledige betrokkenheid van de deelnemende lidstaten die de euro als munt hebben bij het besluitvormingsproces is gewaarborgd, en wel zo dat er gegarandeerd sprake is van een symmetrische verhouding tussen aangegane verplichtingen en het effect daarvan op de besluitvorming.

De deelname van de lidstaten van de eurozone aan het Europees toezichtmechanisme moet verplicht zijn.

Het voorstel moet worden onderworpen aan volledige en uitgebreide democratische controle door het Europees Parlement binnen de door de Verdragen aangegeven grenzen.

De rechtsgrondslag moet het Europees Parlement als medewetgever bij het toezicht betrekken wanneer de medebeslissende rol van het Parlement niet kan worden verwezenlijkt middels een zogenaamd „toezichtpakket”. Overeenkomstig artikel 263 VWEU gaat het Hof van Justitie van de Europese Unie de wettigheid na van de handelingen van de ECB – voor zover het geen aanbevelingen of adviezen betreft – die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben.

Het voorstel moet garanderen dat alle in Verordening (EU) nr. 1093/2010 genoemde taken van de EBA ook in de toekomst op Unieniveau worden uitgevoerd en dat de voorstellen te verenigen zijn met de goede werking van de Europese toezichthoudende autoriteiten als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Het gemeenschappelijk toezichtmechanisme moet aan het Europees Parlement verantwoording afleggen voor de maatregelen en besluiten die op het gebied van Europees toezicht worden genomen en moet daarover verslag uitbrengen aan de bevoegde commissie van het Europees Parlement. Democratische verantwoordingsplicht impliceert onder andere dat het Parlement zijn fiat moet geven voor de benoeming van de voorzitter van de bestuursraad van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme nadat deze via een openbare selectieprocedure is geselecteerd, dat de voorzitter aan het Parlement verslag moet uitbrengen en door het Parlement kan worden gehoord, dat het Parlement het recht heeft hem schriftelijke of mondelinge vragen te stellen en conform het VWEU te zijnen aanzien over het enquêterecht beschikt;

Het gemeenschappelijk Europees toezichtmechanisme moet onafhankelijk zijn van nationale politieke belangen en er via een mandaat van de Unie en adequaat bestuur voor zorgen dat de belangen van de Unie voorrang hebben boven de nationale belangen.

De besluitvormingsprocessen binnen het algemeen toezichtmechanisme moeten volgens de gewone wetgevingsprocedure in het desbetreffende wetgevingsvoorstel worden gespecificeerd.

De Europese toezichthouder moet de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid hebben om:

   toezicht te houden op alle kredietinstellingen binnen de onder het stelsel vallende landen, echter met een duidelijke verdeling van operationele verantwoordelijkheden tussen de Europese en nationale toezichthouders, al naar gelang de omvang en het bedrijfsmodel van de banken en de aard van de toezichthoudende taken;
   te handelen op een wijze die verenigbaar is met de noodzaak om de eenheid en integriteit en het internationale concurrentievermogen van de interne markt te handhaven door bijvoorbeeld te garanderen dat er geen concurrentiebarrières bestaan tussen de lidstaten;
   naar behoren recht te doen aan de gevolgen van zijn activiteiten voor de mededinging en de innovatie op de interne markt, de integriteit van de Unie als geheel, het mondiale concurrentievermogen van de Unie, de financiële integratie, de bescherming van de consument en de Uniestrategie voor banen en groei;
   de stabiliteit en robuustheid van alle delen van het financiële stelsel van de deelnemende lidstaten, de transparantie van de markten en financiële producten en de bescherming van deposanten en investeerders te vrijwaren, met inachtneming van de verschillen qua markten en institutionele vormen;
   regelgevingsarbitrage te voorkomen en gelijke concurrentievoorwaarden te garanderen;
   de internationale coördinatie van het toezicht te versterken en, in voorkomend geval, de Unie te vertegenwoordigen bij internationale financiële instellingen;
   wanneer maatregelen van de bevoegde nationale autoriteiten uitblijven, de nodige maatregelen te nemen tot herstructurering, redding of liquidatie van financiële instellingen die failliet gaan of waarvan het faillissement anders problemen van algemeen belang zou kunnen veroorzaken.

De organen die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op supranationaal niveau moeten voldoende middelen krijgen, inclusief personeel, om ervoor te zorgen dat zij over de operationele capaciteiten beschikken die nodig zijn om hun taak uit te voeren.

Aanbeveling 1.2 betreffende depositogarantiestelsels

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Het Europees Parlement verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de wetgevingsprocedure voor de herschikte richtlijn inzake depositogarantiestelsels zo snel mogelijk op basis van het standpunt van het Europees Parlement van 16 februari 2012 kan worden afgerond.

Gezien de langetermijndoelstelling om een gemeenschappelijke Europese depositobeschermingsregeling tot stand te brengen, moeten er uniforme, stringente voorschriften gelden voor alle depositogarantiestelsels in de Unie, teneinde dezelfde volledige bescherming, dezelfde stabiliteit qua depositogarantiestelsels en gelijke concurrentievoorwaarden te garanderen; Alleen op die manier kunnen de voorwaarden voor de nodige flexibiliteit worden gecreëerd en kan voldoende rekening worden gehouden met specifieke nationale omstandigheden in de financiële sector.

Van zodra er een effectieve resolutieregeling en een effectief gemeenschappelijk toezichtmechanisme in werking zijn getreden, moeten de mogelijkheden worden onderzocht om een gemeenschappelijk Europees depositogarantiefonds in te stellen met goed functionerende, adequaat gefinancierde depositogarantiestelsels, zodat aldus de geloofwaardigheid en het vertrouwen van beleggers kunnen worden versterkt.

Ter bescherming van particuliere spaartegoeden is het noodzakelijk een functionele scheiding te hanteren, terwijl er tegelijkertijd een effectieve koppeling moet worden gelegd tussen de depositogarantie-, herstel- en resolutiefondsen;

Er moet met name op worden toegezien dat de depositogarantiemechanismen, evenals de herstel- en resolutieregelingen, vooraf over een solide financiële structuur beschikken, die gestoeld is op bijdragen uit de sector zelf, waarbij de bijdrage van deze of gene financiële instelling het risicogehalte van die instelling moet weerspiegelen, terwijl overheidsgeld uitsluitend mag dienen als een ultiem vangnet en tot een zo laag mogelijk bedrag beperkt moet blijven.

Aanbeveling 1.3 betreffende herstel en resolutie

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Het onderhavige voorstel voor een richtlijn betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen dient zo snel mogelijk te worden goedgekeurd teneinde een Europese regeling in het leven te roepen voor de uitvoering van afwikkelingsmaatregelen en de weg vrij te maken voor de invoering van een gemeenschappelijke Europese herstel- en resolutieregeling. Er dient echter rekening mee te worden gehouden dat bepaalde banksectoren al over mechanismen voor volledige bescherming en herstel- en afwikkelingsinstrumenten beschikken die in het wetgevingsbesluit moeten worden erkend, ondersteund en gespecificeerd.

Het algehele doel van een doeltreffende resolutie- en herstelregeling moet erin bestaan het potentiële gebruik van de voor het herstel en de afwikkeling van bankinstellingen benodigde fiscale middelen tot een minimum te beperken.

Ter bescherming van particuliere spaartegoeden is het noodzakelijk een functionele scheiding te hanteren, terwijl er tegelijkertijd een effectieve koppeling moet worden gelegd tussen de depositogarantie-, herstel- en resolutiefondsen.

Er moet met name op worden toegezien dat de herstel- en resolutieregelingen, evenals de depositogarantieregelingen, vooraf over een solide financiële structuur beschikken, die gestoeld is op bijdragen uit de sector zelf, waarbij de bijdrage van deze of gene financiële instelling het risicogehalte van die instelling moet weerspiegelen, terwijl overheidsgeld uitsluitend mag dienen als een ultiem vangnet en tot een zo laag mogelijk bedrag beperkt moet blijven.

Het voorstel dient voorts in overeenstemming te zijn met een aantal andere aspecten van de resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2010 met aanbevelingen aan de Commissie inzake grensoverschrijdende crisisbeheersing in de bankensector, zoals harmonisatie van insolventiewetten, gemeenschappelijke risicobeoordelingen, een gemeenschappelijk instrumentarium en een „interventieladder”.

Aanbeveling 1.4 betreffende aanvullende elementen voor een bankunie

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

   waar nodig regels om bepaalde bijzonder riskante financiële activiteiten juridisch los te koppelen van de depositobanken binnen een bankgroep, zoals in het rapport-Liikanen wordt aangegeven;
   een regelgevingskader dat gebaseerd is op het beginsel dat voor dezelfde risico's dezelfde regels gelden en waarborgt dat niet-banken die op bankactiviteiten lijkende diensten verlenen en die omgaan met banken niet buiten het bereik van de toezichthouders blijven;
   geloofwaardige en regelmatige stresstests van de financiële gezondheid van banken, waardoor problemen vroegtijdig kunnen worden opgespoord en effectief op maat gesneden tegenmaatregelen kunnen worden genomen;
   een gemeenschappelijke uniforme regeling voor het bedrijfseconomisch toezicht op alle banken en een gemeenschappelijk macroprudentieel kader om verdere financiële fragmentatie te voorkomen.

2.  Een geïntegreerd begrotingskader

Aanbeveling 2.1 betreffende de „two-pack”-verordeningen

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

De Commissie moet worden verzocht op de volgende terreinen de compromissen die in het kader van de trialoogonderhandelingen over de „two-pack”-verordeningen tussen het Europees Parlement en de Raad zullen worden bereikt effectief te implementeren:

   de opstelling van een gemeenschappelijk budgettair tijdpad;
   de hervorming van de nationale begrotingskaders;
   de beoordeling van de begrotingsplannen inclusief een kwalitatieve beoordeling van overheidsinvesteringen en -uitgaven in verband met Europa 2020-doelstellingen;
   de opstelling van economische partnerschapsprogramma's;
   strenger toezicht voor lidstaten die de euro als munt hebben en zich in de procedure bij buitensporige tekorten bevinden;
   strenger toezicht voor lidstaten die de euro als munt hebben en dreigen hun verplichting onder de procedure bij buitensporige tekorten niet na te komen;
   de verslaglegging betreffende schuldemissies.
   het lanceren van een initiatief waarbij een reeks programma's worden gedefinieerd die noodzakelijk zijn voor het aantrekken van meer langetermijninvesteringen ten belope van circa 1% van het bbp ter bevordering van duurzame groei en ter aanvulling van de vereiste structuurhervormingen.

Aanbeveling 2.2 betreffende de communautarisering van het begrotingspact

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Op basis van een evaluatie van de praktische ervaringen met het begrotingspact en conform het VEU en het VWEU dient het begrotingspact zo snel mogelijk te worden omgezet in secundaire Uniewetgeving.

Aanbeveling 2.3: Belastingen

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Binnen het kader van een steeds hechter wordende economische, fiscale en budgettaire unie moet er meer worden gedaan om de belastingsystemen te harmoniseren en om schadelijke belastingconcurrentie tussen de lidstaten – die duidelijk tegen de logica van een interne markt ingaat – aan te pakken. Wanneer alle besprekingen en pogingen om tot een compromis te komen hebben gefaald, moet allereerst vaker en nauwer worden samengewerkt op het gebied van belastingen (bijvoorbeeld middels de invoering van een CCCTB of een belasting op financiële transacties), aangezien een geharmoniseerde regeling op belastinggebied de integratie van het begrotingsbeleid ten goede zal komen.

Aanbeveling 2.4: Een centrale Europese begroting gefinancierd uit eigen middelen

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

De Commissie en de Raad moeten bij het formuleren van beleidsopties rekening houden met de standpunten van het Europees Parlement ten aanzien van het meerjarig financieel kader en de eigen middelen. Het Europees Parlement heeft herhaaldelijk kenbaar gemaakt dat een herziening van het stelsel van de eigen middelen dringend noodzakelijk is, evenals een terugkeer naar de letter en de geest van het Verdrag, en heeft er daarbij op gewezen dat de begroting van de Unie uitsluitend uit eigen middelen moet worden gefinancierd.

Er moet dringend een oplossing worden gevonden voor de situatie waarbij de behoeften voor de financiering van de begroting van de Unie conflicteren met de noodzaak tot begrotingsconsolidatie in de lidstaten. Daarom is het moment aangebroken voor een geleidelijke terugkeer naar de situatie waarbij de begroting van de Unie wordt gefinancierd uit daadwerkelijke eigen middelen, waardoor de nationale begrotingen dienovereenkomstig zouden worden ontlast. Voorts zij eraan herinnerd dat het Parlement in zijn resoluties van 29 maart 2007, 8 juni 2011, 13 juni 2012 en 23 oktober 2012 zijn standpunten kenbaar heeft gemaakt omtrent de vraag wat een stelsel met echte eigen middelen betekent en hoe dit stelsel op korte termijn compatibel kan worden gemaakt met de noodzakelijke begrotingsconsolidatie op nationaal niveau.

Voor verdergaande begrotingscoördinatie binnen de Unie zijn geconsolideerde gegevens inzake de overheidsrekeningen van de Unie, de lidstaten en de lokale en regionale autoriteiten noodzakelijk, met specifieke aandacht voor de doelstellingen van de Unie; Daarom moet de Commissie in haar nieuw uit te brengen wetgevingsvoorstellen ook voorzien in de opstelling van dergelijke geconsolideerde gegevens.

Aanbeveling 2.5: Geleidelijke doorrol naar een schuldaflossingsfonds

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Voor buitensporige schulden moet een geleidelijke doorrol plaatsvinden naar een schuldaflossingsfonds op basis van het voorstel van de Duitse Raad van economische deskundigen, dat voorziet in de instelling van een tijdelijk fonds waarin alle schulden boven de 60%-drempel zouden worden opgenomen van de lidstaten die aan bepaalde criteria voldoen; het is de bedoeling dat de schulden worden afgelost over een periode van ca. 25 jaar; aldus zou een fonds worden gecreëerd dat, in combinatie met de handhaving van alle bestaande mechanismen, zal helpen de totale schuldenlast van de lidstaten voortaan onder de drempel van 60% te houden.

Aanbeveling 2.6 betreffende bestrijding van belastingontduiking

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Het vrije verkeer van kapitaal mag niet worden gebruikt als een middel voor belastingontduiking, in het bijzonder in lidstaten die de euro als munt hebben en die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden wat betreft hun financiële stabiliteit in de eurozone. Derhalve moet de Commissie, conform haar belangrijke initiatief van 27 juni 2012 om de bestrijding van belastingfraude en -ontduiking en agressieve fiscale planning te intensiveren, internationale consensusbijeenkomsten afronden en voorstellen indienen om de coördinatie en samenwerking tussen belastingautoriteiten te verbeteren.

In het kader van de nauwere samenwerking conform de artikelen 326 tot en met 333 VWEU moet er ook een belasting op financiële transacties worden ingevoerd.

Aanbeveling 2.7 betreffende het waarborgen van democratisch toezicht op het ESM

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Het ESM moet zich ontwikkelen naar een vorm van beheer volgens de communautaire methode en moet verantwoording afleggen aan het Europees Parlement. Belangrijke besluiten zoals de toekenning van financiële steun aan een lidstaat of de sluiting van memoranda moeten worden onderworpen aan adequate controle door het Europees Parlement.

De Trojka, die is benoemd om toe te zien op de implementatie van memoranda, moet voordat zij taken op zich neemt door het Europees Parlement worden gehoord en moet worden onderworpen aan regelmatige rapportage aan en democratisch toezicht door het Europees Parlement.

Aanbeveling 2.8 betreffende de waarborging van democratische verantwoordingsplicht en de legitimiteit van begrotingscoördinatie

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Alle nieuw opgerichte mechanismen voor coördinatie van het begrotingsbeleid moeten worden voorzien van adequate bepalingen om democratische verantwoordingsplicht en legitimiteit te waarborgen.

3.  Een geïntegreerd economisch beleidskader

Aanbeveling 3.1 betreffende betere coördinatie vooraf van het economisch beleid en verbetering van het Europees Semester

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

De Commissie dient erop toe te zien dat de compromissen die tijdens de „two-pack”-trialoogonderhandelingen tussen het Europees Parlement en de Raad worden bereikt integraal worden toegepast.

De mogelijkheden voor toepassing van instrumenten van de Unie voor Europese sociale bescherming en sociale minimumnormen moeten zorgvuldig worden onderzocht, o.a. ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, bijvoorbeeld via de Europese jeugdgarantie.

De Commissie moet onverwijld volgens de gewone wetgevingsprocedure voorstellen indienen om de toezeggingen die de staatshoofden en regeringsleiders op 28 juni 2012 hebben gedaan voor een „Pact voor groei en banen” om te zetten in secundaire wetgeving. In het bijzonder moet via het economische coördinatiekader adequaat gevolg worden gegeven aan de verbintenis van de lidstaten tot „gedifferentieerde groeivriendelijke begrotingsconsolidatie, met naleving van het stabiliteits- en groeipact en met inachtneming van de landenspecifieke omstandigheden” en moeten „investeringen in toekomstgerichte sectoren die rechtstreeks gerelateerd zijn aan het groeipotentieel van de economie” worden bevorderd.

De Commissie dient te komen met een opheldering omtrent de status van de jaarlijkse groeianalyse. Bij het Europees Semester moeten zowel het Europees Parlement als de nationale parlementen worden betrokken.

Voor verdergaande begrotingscoördinatie binnen de Unie zijn geconsolideerde gegevens inzake de overheidsrekeningen van de Unie, de lidstaten en de lokale en regionale autoriteiten noodzakelijk, met specifieke aandacht voor de doelstellingen van de Unie. Daarom moet de Commissie in haar nieuw uit te brengen wetgevingsvoorstellen ook voorzien in de opstelling van dergelijke geconsolideerde gegevens.

Er moet, uitgaande van de diverse stadia van het Europees Semester zoals die zijn vastgesteld in het uitgebreide stabiliteits- en groeipact en in het macro-economisch toezichtmechanisme, worden nagegaan in hoeverre er behoefte is aan aanvullende wetgeving, waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat:

   de verdere ontwikkeling en versterking van de interne markt en de bevordering van de internationale handel beslissend zijn voor het stimuleren van duurzame economische groei, de verbetering van het concurrentievermogen en de opheffing van macro-economische onevenwichtigheden; daarom dient de Commissie in haar jaarlijkse groeianalyse rekening te houden met de maatregelen die de lidstaten nog moeten treffen om de interne markt te voltooien;
   nationale hervormingsprogramma's (NHP's) en nationale stabiliteitsprogramma's (NSP's) nauw met elkaar verbonden moeten zijn; er adequaat moet worden toegezien op de samenhang tussen NHP's en NSP's;
   het Europees Semester ruimte moet laten voor meer synergie tussen de begroting van de Unie en die van de lidstaten met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; daarnaast moet het Europees Semester ook worden uitgebreid met indicatoren om te beoordelen in hoeverre de beschikbare middelen efficiënt worden benut;
   de betrokkenheid van regionale en lokale overheden en partners bij de planning en uitvoering van de betreffende programma's moet worden vergroot teneinde op alle niveaus meer draagvlak te kweken voor wat met de strategie wordt beoogd en de doelstellingen en resultaten voor het publiek inzichtelijker te maken;
   de Commissie moet voor 1 december van elk jaar de jaarlijkse groeianalyse afronden en het waarschuwingsmechanisme vaststellen, met een speciaal hoofdstuk voor de eurozone; de Commissie moet volledige openheid van zaken geven omtrent haar onderliggende macro-economische methodologieën en aannames;
   de Commissie moet in de jaarlijkse groeianalyse de voornaamste economische en budgettaire problemen van de Unie en van de individuele lidstaten helder analyseren, voorstellen doen voor prioritaire maatregelen om die problemen aan te pakken, vaststellen welke initiatieven de Unie en de lidstaten moeten ontplooien ter ondersteuning van het concurrentievermogen en de investeringen op lange termijn, hindernissen voor duurzame groei wegnemen, de in de Verdragen en in de Europa 2020-strategie neergelegde doelstellingen verwezenlijken, de zeven vlaggenschipinitiatieven ten uitvoer leggen en macro-economische onevenwichtigheden terugdringen;
   de lidstaten en hun regio's moeten met name de nationale en regionale parlementen, de sociale partners, de overheidsinstanties en het maatschappelijk middenveld nauwer bij de invulling van de nationale hervormings-, ontwikkelings- en cohesieprogramma's betrekken en hen regelmatig raadplegen;
   de Commissie moet in de jaarlijkse groeianalyse nadrukkelijk wijzen op de potentiële grensoverschrijdende overloopeffecten van ingrijpende economische beleidsmaatregelen die op het niveau van de Unie en in de lidstaten worden genomen;
   de commissarissen die voor het Europees Semester verantwoordelijk zijn moeten met de ter zake bevoegde commissies van het Europees Parlement over de jaarlijkse groeianalyse in overleg treden zodra deze door de Commissie is goedgekeurd;
   de Raad moet eventuele ingrijpende wijzigingen die hij heeft aangebracht in de door de Commissie voorgestelde landenspecifieke aanbevelingen in juli in de bevoegde commissie van het Parlement nader komen toelichten; de Commissie moet aan deze hoorzitting deelnemen om haar kijk op de situatie te geven;
   de lidstaten moeten zo gedetailleerd mogelijke informatie verstrekken over de maatregelen en instrumenten in de nationale hervormingsprogramma's ter verwezenlijking van de nationale doelstellingen, inclusief de uitvoeringstermijn, de verwachte gevolgen, de mogelijke overloopeffecten, de risico's wanneer de tenuitvoerlegging mislukt, de kosten, en – indien van toepassing – het gebruik van de structuurfondsen van de Unie;
   stimuleringsmechanismen zouden het bindende karakter van de economische beleidscoördinatie versterken.

Aanbeveling 3.2 betreffende een sociaal pact voor Europa

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Overeenkomstig de Verdragen moet bij de bepaling en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie rekening worden gehouden met de bevordering van een hoge werkgelegenheid en de garantie van adequate sociale bescherming.

De specifieke regels voor bindend toezicht op de begrotingsdiscipline in de eurozone kunnen en moeten ter aanvulling strekken van de budgettaire en macro-economische maatstaven met betrekking tot werkgelegenheid en sociale maatstaven, zodat middels adequate financiële voorschriften van de Unie op een passende manier uitvoering kan worden gegeven aan de bovengenoemde regel.

Er moet een sociaal pact voor Europa worden opgesteld ter bevordering van:

   de werkgelegenheid voor jongeren, met inbegrip van initiatieven zoals een Europese jeugdgarantie;
   een hoge kwaliteit en adequate financiering van overheidsdiensten;
   fatsoenlijke lonen;
   toegang tot betaalbare en sociale huisvesting;
   een sociaal vangnet dat universele en inkomensonafhankelijke toegang tot elementaire gezondheidsdiensten moet garanderen;
   de implementatie van een sociaal protocol ter bescherming van fundamentele sociale en arbeidsrechten;
   Europese normen om herstructureringen op een sociale en verantwoorde manier vorm te geven;
   een nieuwe gezondheids- en veiligheidsstrategie, ook voor stressgerelateerde aandoeningen;
   gelijke beloning voor en gelijke rechten op gelijkwaardige arbeid voor iedereen.

4.  Versterking van de democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht

Aanbeveling 4.1 betreffende de economische dialoog

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

De Commissie moet worden verzocht integraal uitvoering te geven aan de compromissen die zullen worden bereikt in het kader van de „two-pack”-trialoogonderhandelingen tussen het Europees Parlement en de Raad.

Aanbeveling 4.2 betreffende Europese financiële vangnetten

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

De activiteiten van de EFSF en het ESM en alle soortgelijke toekomstige structuren moeten worden onderworpen aan regelmatige democratische controle en toezicht door het Europees Parlement, en de Rekenkamer en het OLAF moeten daarbij worden betrokken. Het ESM moet worden gecommunautariseerd.

Aanbeveling 4.3 betreffende het vergroten van de rol van het Europees Parlement en de interparlementaire samenwerking in het kader van het Europees Semester

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

–  de Voorzitter van het Europees Parlement dient op de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad de standpunten van het Parlement omtrent de jaarlijkse groeianalyse te presenteren. Er moet een interinstitutioneel akkoord worden gesloten om het Europees Parlement te betrekken bij de opstelling en goedkeuring van de jaarlijkse groeianalyse en de richtsnoeren inzake economisch beleid en werkgelegenheid;

–  De Commissie en de Raad moeten aanwezig zijn bij op belangrijke momenten van het Europees Semester (d.w.z. na de bekendmaking van de jaarlijkse groeianalyse en na de bekendmaking van de landenspecifieke aanbevelingen) te houden interparlementaire bijeenkomsten tussen vertegenwoordigers van de nationale parlementen en vertegenwoordigers van het Europees Parlement, zodat met name de nationale parlementen de behandeling van hun nationale begrotingen in de context kunnen plaatsen van een Europees perspectief.

Aanbeveling 4.4 betreffende vergroting van de transparantie, de legitimiteit en de verantwoordingsplicht

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

–  ter wille van de transparantie moeten de Ecofin-Raad en de Eurogroep worden verzocht belangrijke interne documenten, agenda's en achtergrondmateriaal vóór hun bijeenkomsten door te sturen naar het Europees Parlement; bovendien moet de voorzitter van de Eurogroep regelmatig voor het Europees Parlement verschijnen, bijvoorbeeld in het kader van onder auspiciën van de Commissie economische en monetaire zaken van het Europees Parlement te organiseren hoorzittingen;

   het Europees Parlement moet volledig worden betrokken bij de verdere uitwerking van het verslag van de vier voorzitters, conform de communautaire methode; deze betrokkenheid kan gestalte worden gegeven op zowel werkgroepniveau (voor het voorbereidende werk) als voorzittersniveau (voor de besluitvorming);
   de Voorzitter van het Europees Parlement moet worden uitgenodigd voor de bijeenkomsten van de Europese Raad en de toppen van de eurozone;
   wanneer er nieuwe bevoegdheden worden overgedragen aan of gecreëerd op Unieniveau of wanneer er nieuwe instellingen van de Unie worden opgericht, moet worden gezorgd voor dienovereenkomstige democratische controle door en verantwoording aan het Europees Parlement;
   het Europees Parlement moet een hoorzitting houden over en instemmen met de benoeming van de ESM-voorzitter. De ESM-voorzitter moet periodiek verslag uitbrengen aan het Europees Parlement;
   de vertegenwoordiger(s) van de Commissie in de Trojka moeten, alvorens zij taken op zich nemen, in het Europees Parlement worden gehoord en dienen periodiek verslag uit te brengen aan het Europees Parlement;
   de versterking van de rol van de commissaris voor economische en monetaire zaken of de oprichting van een Europees schatkistbureau moeten gepaard gaan met de beschikbaarstelling van adequate middelen ten behoeve van de democratische verantwoordingsplicht en de legitimiteit, waarvoor officiële goedkeurings- en toezichtprocedures van het Europees Parlement noodzakelijk zijn;
   alleen door naleving van de communautaire methode en de Uniewetgeving en door rekening te houden met de instellingen van de Unie kan de eerbiediging van democratische verantwoordingsplicht en legitimiteit in de Unie worden gewaarborgd; krachtens de Verdragen kan de EMU alleen door de Unie worden opgericht;
   de munteenheid van de Unie is de euro en het Europees Parlement is het parlement van de Unie; de toekomstige architectuur van de EMU moet recht doen aan het feit dat het Europees Parlement op Unieniveau de instantie is waarbij verantwoording moet worden afgelegd;
   overeenkomstig de communautaire methode dient het Europees Parlement ten volle te worden betrokken bij de opmaak van een blauwdruk voor de toekomst van de EMU.

Alle besluiten ter versterking van de EMU moeten worden genomen op basis van het Verdrag betreffende de Europese Unie; elke afwijking van de communautaire methode en intensiever gebruik van intergouvernementele overeenkomsten zouden leiden tot verdeeldheid en verzwakking van de Unie, inclusief de eurozone.

(1) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12.


Werkzaamheden van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU in 2011
PDF 131kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over de werkzaamheden van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU in 2011 (2012/2048(INI))
P7_TA(2012)0431A7-0328/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen enerzijds de groep landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), en anderzijds de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend op 23 juni 2000 in Cotonou (Overeenkomst van Cotonou)(1), herzien in Luxemburg op 25 juni 2005 en in Quagadougou op 22 juni 2010(2),

–  gezien het Reglement van de Paritaire Parlementaire Vergadering (PPV) ACS-EU, goedgekeurd op 3 april 2003(3),in de laatste versie zoals gewijzigd op 18 mei 2011 in Boedapest (Hongarije)(4),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1905/2006 van 18 december 2006 van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking(5),

–  gezien de verklaring over economische partnerschapsovereenkomsten (EPO) voor ontwikkeling, aangenomen door de PPV in Kigali (Rwanda) op 22 november 2007(6),

–  gezien de verklaring over de tweede herziening van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst (de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou), door de PPV aangenomen op 3 december 2009 in Luanda (Angola)(7),

–  gezien de mededeling aangenomen tijdens de regionale PPV-bijeenkomst in de Centraal-Afrikaanse regio in Yaoundé (Kameroen) op 29 april 2011(8),

–  gezien de resoluties die door de PPV in Boedapest (mei 2011) zijn aangenomen over: de democratische opstanden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten: consequenties voor de ACS-landen, Europa en de wereld; de situatie in Ivoorkust; uitdagingen voor de toekomst van de democratie en de eerbiediging van de grondwettelijke orde in de ACS- en EU-landen; begrotingssteun als vorm van officiële ontwikkelingshulp (ODA) in ACS-landen, en watervervuiling,

–  gezien de verklaringen die door de PPV in Boedapest (mei 2011) zijn goedgekeurd inzake: de weg naar het vierde Forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in Busan (Zuid-Korea) eind 2011; eenheid voor universele toegang met het oog op de bijeenkomst op hoog niveau over aids in juni(9),

–  gezien de resoluties die de PPV in Lomé (november 2011) heeft aangenomen over: de gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor het ACS-EU-partnerschap; de gevolgen van schuld voor de ontwikkelingsfinanciering in ACS-landen; de integratie van personen met een handicap in ontwikkelingslanden; de voedselcrisis in de Hoorn van Afrika, vooral in Somalië, en de gevolgen van de Arabische lente voor buurlanden ten zuiden van de Sahara(10),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0328/2012),

A.  overwegende dat de hoge vertegenwoordiger/vice-voorzitter heeft verzekerd dat de Raad van de EU vertegenwoordigd moet worden op ministersniveau bij de vergaderingen van de PPV, en heeft verduidelijkt dat het feit dat hij niet vertegenwoordigd was tijdens de twintigste bijeenkomst in 2010 in Kinshasa een eenmalige gebeurtenis betrof; overwegende dat de Raad van de EU op ministersniveau vertegenwoordigd was tijdens beide bijeenkomsten in 2011;

B.  overwegende dat de PPV ACS-EU het grootste parlementaire orgaan vormt van landen uit het noorden en het zuiden;

C.  overwegende dat het Hongaarse voorzitterschap en meerdere plaatselijke overheden een uitstekende bijdrage hebben geleverd aan de organisatie en de inhoud van de éénentwintigste bijeenkomst in Boedapest;

D.  overwegende dat twee onderzoeksmissies zijn georganiseerd in 2011, een naar Oost-Timor en de andere naar het Vierde Forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in Busan (Zuid-Korea);

E.  overwegende dat de herziening van de partnerschapsovereenkomst van Cotonou in 2010 een waardevolle kans heeft geboden om de rol van de PPV en haar regionale dimensie uit te breiden en in ACS-regio's en -landen parlementaire controle te ontwikkelen; overwegende dat de ratificatie van de herziene overeenkomst eind 2011 niet was voltooid;

F.  overwegende dat in overeenstemming met de Overeenkomst van Cotonou, de politieke dialoog krachtens artikel 8 wordt gevoerd met betrokkenheid van de PPV;

G.  overwegende dat de regionale PPV-bijeenkomst van 2011 in Kameroen een aanzienlijk succes was en heeft geleid tot de aanname van bovengenoemde mededeling van Yaoundé, waarin met name de verontwaardiging van de parlementsleden is verwoord over de toename van seksueel geweld, het gevaar voor banalisering en de algemene straffeloosheid;

H.  overwegende dat het wegens door het Europees Parlement goedgekeurde nieuwe regels inzake dienstreizen van parlementaire medewerkers, niet meer mogelijk is dat deze medewerkers parlementsleden tijdens missies ondersteunen;

1.  spreekt er zijn waardering voor uit dat de PPV in 2011 een kader is blijven bieden voor een open, democratische en diepgaande dialoog tussen de Europese Unie en de ACS-landen over de partnerschapsovereenkomst van Cotonou en de tenuitvoerlegging ervan, met inbegrip van de EPO’s;

2.  onderstreept de toegevoegde waarde van het bij toerbeurt in de EU-lidstaten houden van bijeenkomsten van de PPV, en is van oordeel dat dit toerbeurtsysteem, dat sinds 2003 bestaat, in de toekomst moet worden gehandhaafd;

3.  feliciteert het Hongaarse voorzitterschap met zijn actieve deelname aan de éénentwintigste bijeenkomst, in het bijzonder met de workshops;

4.  benadrukt dat er meer aandacht moet worden geschonken aan de resultaten van de werkzaamheden van de PPV ACS-EU en dat moet worden gezorgd voor samenhang tussen PPV- en EP-resoluties; is bezorgd over de teruglopende deelname van parlementsleden, met name aan vergaderingen van de PPV-commissie, en vraagt om grotere betrokkenheid van leden van het Europees Parlement bij haar vergaderingen en activiteiten; roept op tot meer flexibiliteit bij de toelating van parlementaire medewerkers tot PPV-bijeenkomsten om de kwaliteit van de werkzaamheden van de leden te verbeteren;

5.  herinnert aan de toezegging van de hoge vertegenwoordiger/vice-voorzitter dat de Raad van de EU vertegenwoordigd moet worden op ministersniveau bij de vergaderingen van de PPV; juicht het toe dat de Raad van de EU opnieuw aanwezig was bij zijn vergaderingen in 2011 en is tevreden dat de hoge vertegenwoordiger heeft gezorgd voor een verduidelijking van de rol van de Raad van de EU; vraagt om een duidelijker scheiding van verantwoordelijkheden tussen de EDEO en de Commissie wat betreft de tenuitvoerlegging van de partnerschapsovereenkomst van Cotonou;

6.  wijst met name op de doorslaggevende rol die de nationale parlementen van de ACS-landen spelen bij het beheer van en het toezicht op, en die plaatselijke overheden en niet-overheidsactoren spelen bij het toezicht op de nationale en regionale strategiedocumenten en de tenuitvoerlegging van het Europese Ontwikkelingsfonds (EOF), en verzoekt de Commissie en de regeringen van de ACS-landen hun betrokkenheid te waarborgen; wijst voorts op de noodzaak van scherp parlementair toezicht tijdens de onderhandelingen over en de sluiting van EPO;

7.  spreekt zijn bezorgdheid uit over bezuinigingen op de begroting in EU-lidstaten ten koste van de uitgaven voor ontwikkelingsbeleid; doet een beroep op de PPV om druk te blijven uitoefenen op de EU-lidstaten om hun streefcijfer van 0,7 % van het BNI in 2015 te halen; verzoekt de leden van de PPV zich te verdiepen in de vraag hoe middelen meer gericht kunnen worden besteed daar waar ze het meest nodig zijn om armoede te verminderen, en in een differentiering van hulpvormen;

8.  wijst erop dat parlementen bij het democratische proces en de nationale ontwikkelingsstrategieën moeten worden betrokken; onderstreept hun essentiële rol bij het opzetten, volgen en begeleiden van ontwikkelingsbeleid; vraagt de Commissie om de parlementen van de ACS-landen van alle beschikbare informatie te voorzien en in het democratisch toezicht bij te staan, vooral door hun mogelijkheden verder uit te bouwen;

9.  wijst erop dat de vrijheid en onafhankelijkheid van de media moeten worden verdedigd, daar deze van levensbelang zijn ter waarborging van pluralisme en deelname aan het politieke leven van de democratische oppositie en van minderheden;

10.  verzoekt de EU en de ACS-landen om burgers, met een gelijke verdeling van mannen en vrouwen, aan te moedigen deel te nemen aan ontwikkelingsvraagstukken, aangezien zonder de betrokkenheid van de maatschappij geen vooruitgang kan worden geboekt; beseft dat vrouwen het vermogen hebben problemen op te lossen en geschillen bij te leggen en verzoekt de Commissie en de PPV dringend vrouwen aan te moedigen vaker deel te nemen aan speciale interventie-eenheden en werkgroepen, en wijst op de nuttige bijdrage van het Women's Forum in dit verband;

11.  vraagt de parlementen nauwlettend parlementair toezicht op het EOF uit te oefenen, wijst met nadruk op de geprivilegieerde positie van de PPV in deze aangelegenheid en vraagt haar en de ACS-parlementen om er actief in mee te werken, met name bij de ratificatie van de herziene Overeenkomst van Cotonou;

12.  verzoekt de Europese Commissie de PPV bij te praten over de stand van zaken in verband met de ratificatie van de partnerschapsovereenkomst van Cotonou, zoals deze op 22 juni 2010 is herzien in Ouagadougou;

13.  wijst erop dat in overeenstemming met de Overeenkomst van Cotonou de politieke dialoog krachtens artikel 8 wordt gevoerd met betrokkenheid van de PPV en dat de PPV derhalve naar behoren geïnformeerd en bij de dialoog betrokken moet worden;

14.  wijst nogmaals op het belang van een verbeterde, echte en meer omvattende politieke dialoog over de mensenrechten, met inbegrip van non-discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid;

15.  verheugt zich over het steeds duidelijker wordende parlementaire en dus ook politieke karakter van de PPV, samen met de steeds actievere inzet van haar leden en de toenemende kwaliteit van haar debatten, die haar een doorslaggevende bijdrage tot het ACS-EU-partnerschap helpen leveren;

16.  spreekt zijn bezorgdheid over de toename van het geweld tegen en de discriminatie van homoseksuelen in bepaalde landen, en verzoekt de PVV deze situatie op de agenda van haar debatten te plaatsen;

17.  wijst erop dat de discussie over de toekomst van de ACS-groep na 2020 al is begonnen en benadrukt de belangrijke rol die de PPV in deze discussie dient te vervullen; wijst er in dit verband op dat de toekomstige rollen en betrekkingen van de verschillende groepen (ACS, AU, MOL, G77, regionale organisaties) moeten worden verduidelijkt; onderstreept de noodzaak van alomvattend paritair parlementair toezicht, los van de definitieve uitkomst;

18.  wijst op het belang dat de PPV toekent aan transparantie bij de winning van en handel in natuurlijke hulpbronnen, en benadrukt dat de PPV zal blijven aandringen op passende wetgeving in dit verband;

19.  verzoekt de PPV de situatie in Noord-Afrika, in ACS-landen die in crisis verkeren, te blijven volgen en nauwlettender aandacht te besteden aan situaties van een fragiele staat;

20.  verzoekt de PPV haar eigen verkiezingswaarnemingsmissies te blijven organiseren op dezelfde grondslag als de geslaagde missie naar Burundi in 2010 voor zover deze de dubbele legitimiteit van de PPV weergeven, en ervoor te zorgen dat haar verkiezingsmissies onafhankelijk zijn en nauw samenwerken met andere regionale waarnemingsorganen;

21.  spreekt er zijn waardering voor uit dat er in 2011 nog een regionale bijeenkomst is gehouden zoals bepaald in de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou en het Reglement van de PPV; is van mening dat deze bijeenkomsten een werkelijke gedachtewisseling over regionale problemen mogelijk maken, met inbegrip van het voorkomen en de bijlegging van geschillen, regionale samenhang en EPO-onderhandelingen; feliciteert de organisatoren van de succesvolle bijeenkomst in Kameroen;

22.  is ingenomen met de conclusie van de werkgroep werkmethoden en de aanneming van een eerste reeks wijzigingen van het Reglement in Boedapest en verzoekt het Bureau van de PPV de resterende aanbevelingen ten uitvoer te brengen teneinde de doelmatigheid en de politieke invloed van de PPV te vergroten, zowel wat betreft de tenuitvoerlegging van de partnerschapsovereenkomst van Cotonou als op het internationale toneel;

23.  wijst op het belang van de tijdens PPV-bijeenkomsten georganiseerde bezoeken in het veld, die een aanvulling vormen op de gedachtewisselingen tijdens de zittingen;

24.  verzoekt de PVV haar discussies over de kosten van de organisatie van haar vergaderingen voort te zetten;

25.  is verheugd over de deelname van vertegenwoordigers van het Europees Parlement en de PPV aan de informele Raad van ministers voor Ontwikkelingssamenwerking die op 14 en 15 juli 2011 in Sopot Leeds werd georganiseerd door het Poolse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie, en drukt de wens uit dat de toekomstige voorzitterschappen van de Raad van de Europese Unie hetzelfde doen;

26.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de ACS-Raad van ministers, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, het Bureau van de PPV, en de regering en het parlement van Hongarije en van Togo.

(1) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(2) PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.
(3) PB C 231 van 26.9.2003, blz. 68.
(4) DV\875101.
(5) PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41.
(6) PB C 58 van 1.3.2008, blz. 44.
(7) PB C 68 van 18.3.2010, blz. 43.
(8) APP 100.945
(9) PB C 327 van 10.11.2011, blz. 42.
(10) PB C 145 van 23.5.2012, blz. 21.

Juridische mededeling - Privacybeleid