Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2920(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0024/2013

Ingediende teksten :

B7-0024/2013

Debatten :

Stemmingen :

Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0026

Aangenomen teksten
PDF 118kWORD 23k
Donderdag 17 januari 2013 - Straatsburg
Modernisering van het staatssteunbeleid
P7_TA(2013)0026B7-0024/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 17 januari 2013 over de modernisering van het staatssteunbeleid (2012/2920(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 109,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 659/1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (COM(2012)0725),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 994/98 van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen en Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg (COM(2012)0730),

–  gezien de mededeling van de Commissie met als titel „De modernisering van het EU-staatssteunbeleid” (COM(2012)0209),

–  gezien het advies dat het Comité van de Regio's op zijn 98e plenaire vergadering op 29 november 2012 heeft goedgekeurd,

–  gezien speciaal verslag nr. 15/2011 van de Europese Rekenkamer getiteld „Waarborgen de procedures van de Commissie een effectief beheer van de controle op staatssteun?”,

–  gezien de kaderovereenkomst van 20 oktober 2010 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(1) (hierna „de kaderovereenkomst” genoemd), en met name paragraaf 15,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de modernisering van het staatssteunbeleid (O-000213/2012 – B7-0102/2013),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Commissie voorstellen heeft ingediend, met artikel 109 VWEU als rechtsgrondslag, voor twee verordeningen ter uitvoering van het moderniseringsprogramma voor de staatssteun; dat deze rechtsgrond enkel in raadpleging van het Parlement voorziet, niet in medebeslissing;

B.  overwegende dat de voorstellen tot doel hebben de middelen te concentreren op de aanpak van ernstige gevallen van staatssteun en minder ernstige zaken en klachten die geen invloed hebben op de handel tussen de lidstaten terzijde te laten;

C.  overwegende dat de voorstellen, en met name de wijziging van de verordening inzake procedurele regels (Verordening (EG) nr. 659/1999), betrekking hebben op de manier waarop de Commissie toezicht moet uitoefenen op de besluiten van verkozen nationale en plaatselijke autoriteiten, en dat democratisch toezicht op deze teksten door het Parlement dus aangewezen lijkt;

D.  overwegende dat het Parlement bij de voorbereiding van dergelijke voorstellen betrokken dient te worden, zoals vermeld in paragraaf 15 van de kaderovereenkomst tussen Parlement en Commissie;

1.  is verheugd over de mededeling van de Commissie over de modernisering van het staatssteunbeleid, alsmede over de nieuwe verordeningsvoorstellen van de Commissie, verzoekt de Commissie evenwel te waarborgen dat de stimulering van economische groei als een van de algemene doelstellingen van deze hervorming niet opnieuw leidt tot stijgende overheidsschulden;

2.  onderstreept dat er behoefte is aan minder, maar gerichtere staatssteun die minder zwaar drukt op de overheidsuitgaven en de concurrentie niet verstoort en tegelijkertijd de overgang naar een kenniseconomie ondersteunt;

3.  benadrukt dat staatssteun zodanig moet zijn opgezet dat de ontwikkeling van diensten, kennis en infrastructuur in algemene zin wordt bevordert en geen steun aan specifieke ondernemingen wordt verleend;

4.  onderstreept dat de primaire doelstelling van het staatssteuntoezicht is om een gelijk speelveld op de interne markt te garanderen; is ingenomen met het pakket voor de modernisering van het staatssteunbeleid als hoeksteen van de lopende modernisering van het mededingingsbeleid; roept op tot een tijdige tenuitvoerlegging van het hervormingspakket;

5.  erkent de rol die staatssteun dankzij een speciale crisisregeling heeft gespeeld bij de aanpak van de crisis; beseft tevens dat een correct gebruik van en een behoorlijke controle op staatssteun belangrijke elementen zullen vormen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU-groeistrategie tot 2020;

6.  benadrukt dat adequate staatssteun voor de ecologische transformatie van de economie mogelijk moet zijn in het kader van het mededingingsbeleid, met name met betrekking tot hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie, en dat dit het uitgangspunt moet zijn voor de nieuwe richtsnoeren;

7.  is het met de Commissie eens dat de staatssteunprocedures versneld moeten worden om sterker de nadruk te kunnen leggen op gecompliceerde gevallen die grote gevolgen kunnen hebben voor de concurrentie op de interne markt; neemt nota van het voorstel van de Commissie om haar beoordelingsvrijheid met betrekking tot de afhandeling van klachten te vergroten; roept de Commissie op gedetailleerde criteria op te stellen aan de hand waarvan in dit verband belangrijke van minder belangrijke zaken kunnen worden onderscheiden; wijst erop dat dit onderscheid adequaat zou kunnen worden gemaakt door middel van een verhoging van de drempels voor de de-minimisverordening en uitbreiding van de horizontale categorieën in de machtigingsverordening en de algemene groepsvrijstellingsverordening;

8.  merkt op dat deze doelstellingen in het verleden bij vele gelegenheden zijn geformuleerd en de basis vormden voor vroegere herzieningen van de staatssteunvoorschriften, maar blijkbaar niet volledig zijn gehaald, getuige het feit dat deze nieuwe voorstellen nu nodig zijn;

9.  spreekt de hoop uit dat met de voorstellen dit keer de gestelde doelen kunnen worden gehaald, zonder dat hiervan een ontmoedigende werking uitgaat op het indienen van klachten waarmee de aandacht van de Commissie op ernstige gevallen van concurrentieverstoring wordt gevestigd;

10.  neemt nota van het algemene voornemen van de Commissie om meer maatregelen vrij te stellen van de verplichting tot aanmelding; stelt met name vast dat de Commissie voorstelt om cultuursubsidies en steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen onder de machtigingsverordening te laten vallen; benadrukt evenwel dat de lidstaten er vooraf voor moeten zorgen dat de staatssteunregels in acht worden genomen bij de-minimismaatregelen en bij steunregelingen die onder een groepsvrijstellingsverordening vallen, teneinde toereikend toezicht te behouden, waarbij de Commissie achteraf toezicht zal blijven uitoefenen op dit soort maatregelen; onderstreept dat dit niet mag leiden tot meer staatssteun; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de staatssteun op lange termijn vermindert;

11.  onderstreept dat de Commissie een betere uitwisseling met de lidstaten tot stand moet brengen wat betreft de kwaliteit van de informatie en de snelheid waarmee deze wordt ingediend, en ten aanzien van de uitwerking van aanmeldingen; onderstreept dat effectieve nationale systemen moeten waarborgen dat staatssteunmaatregelen die van de verplichting tot voorafgaande aanmelding zijn vrijgesteld, in overeenstemming zijn met het EU-recht;

12.  merkt op dat relevante informatie voor staatssteuntoezicht in voorkomende gevallen enkel door de lidstaten wordt verstrekt; verzoekt de Commissie na te gaan of zij aanvullende menskracht nodig heeft om haar instrumenten voor het verzamelen van informatie uit te breiden en haar in staat te stellen om informatie rechtstreeks van marktdeelnemers te ontvangen;

13.  is ernstig verontrust door de vaststelling van de Rekenkamer dat de Commissie niet stelselmatig probeert niet-aangemelde steunmaatregelen op te sporen of het effect dat haar staatssteuncontroles achteraf hebben, uitgebreid te evalueren; verzoekt om nadere opheldering met betrekking tot de stelling dat 40% van de gevallen waarin op grond van een groepsvrijstellingsverordening staatssteun wordt verleend, wellicht problematisch is; wijst op de bijzondere moeilijkheden die dit voor nieuwkomers en kleine en middelgrote ondernemingen oplevert, en op het concurrentieverstorende effect ervan;

14.  verzoekt de Commissie met klem om bovengenoemde kwesties in het kader van de modernisering van het staatssteunbeleid aan te pakken en ervoor te zorgen dat een eventuele afzwakking van het voorafgaande onderzoek van aanmeldingen gecompenseerd wordt door een effectieve en strenge controle achteraf namens de Commissie, om te garanderen dat de regels correct worden nageleefd;

15.  betreurt het dat de rechtsgrond die voor de nieuwe voorstellen is gekozen, namelijk artikel 109 VWEU, slechts in raadpleging van het Parlement voorziet, niet in medebeslissing, zoals sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon wel het geval is op andere terreinen van marktintegratie en economische regelgeving;

16.  vindt dit democratische tekort onaanvaardbaar bij voorstellen die betrekking hebben op de middelen waarmee de Commissie toezicht houdt op besluiten en handelingen van gekozen nationale en lokale overheden, met name inzake diensten van algemeen economisch belang waarbij grondrechten in het geding zijn;

17.  stelt voor dit tekort door middel van interinstitutionele afspraken weg te werken en het in een toekomstige Verdragswijziging te verhelpen;

18.  dringt er in afwachting daarvan bij de Commissie en de Raad op aan om maximaal rekening te houden met de amendementen die het Parlement in de raadplegingsprocedure voorstelt;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.

Juridische mededeling - Privacybeleid