Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2908(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B7-0004/2013

Debatten :

PV 16/01/2013 - 14
CRE 16/01/2013 - 14

Stemmingen :

PV 17/01/2013 - 12.6

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0027

Aangenomen teksten
PDF 123kWORD 24k
Donderdag 17 januari 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Recente slachtoffers door branden in textielfabrieken, met name in Bangladesh
P7_TA(2013)0027RC-B7-0004/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 17 januari 2013 over de recente slachtoffers door branden in textielfabrieken, met name in Bangladesh (2012/2908(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Bangladesh van 2001,

–  gezien zijn resoluties van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(1) en over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(2),

–  gezien het IAO-rapport met de titel„Globalising Social Rights: The International Labour Organisation and beyond”,

–  gezien het IAO-rapport met de titel „Labour in the Global South: Challenges and alternatives for workers”,

–  gezien het IAO-rapport met de titel „Globalisation, Flexibilisation and Working Conditions in Asia and the Pacific”,

–  gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over een industriebeleid in een tijd van mondialisering(3),

–  gezien de herziene richtsnoeren van de OESO voor multinationale ondernemingen van 2011,

–  gezien het Stimuleringskader voor de gezondheid en veiligheid op het werk van de IAO (2006, C-187) en het Verdrag betreffende arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu (1981, C-155), die niet zijn geratificeerd door Bangladesh en Pakistan, alsmede de respectievelijke aanbevelingen (R-197), gezien het Verdrag betreffende de arbeidsinspectie (1947, C-081), dat door Bangladesh en Pakistan werd ondertekend, en de aanbevelingen daarbij (R-164),

–  gezien de mededeling van de Commissie met de titel „Een vernieuwde EU-strategie 2011-14 voor maatschappelijk verantwoord ondernemen” (COM(2011)0681),

–  gezien de VN-richtsnoeren betreffende het bedrijfsleven en de mensenrechten,

–  gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er op 24 november 2012 tenminste 112 mensen gestorven zijn bij de brand in de Tazreen-fabriek in de Ashulia-wijk van de stad Dhaka in Bangladesh en dat er in september 2012 289 mensen omgekomen zijn in een vuurzee in Karachi in Pakistan;

B.  overwegende dat er in Zuid-Azië ieder jaar honderden arbeiders omkomen in gelijkaardige ongevallen en dat alleen al in Bangladesh sinds 2005 naar schatting 600 textielwerkers zijn omgekomen bij fabrieksbranden, waarvan een groot aantal voorkomen had kunnen worden;

C.  overwegende dat er in de textielfabrieken vaak slechte arbeidsomstandigheden heersen, met weinig respect voor de rechten van werknemers zoals die in de belangrijkste conventies van de IAO zijn vastgelegd en vaak weinig of geen aandacht voor brandveiligheid; overwegende dat veel eigenaren van dergelijke fabrieken ongestraft zijn gebleven en daarom weinig gedaan hebben om de arbeidsomstandigheden te verbeteren;

D.  overwegende dat er meer dan 5 000 textielfabrieken zijn in Bangladesh, die werkgelegenheid bieden aan ongeveer 3,5 miljoen mensen, en dat Bangladesh de op één na grootste exporteur van confectiekleding is en alleen China voor zich moet dulden;

E.  overwegende dat de Europese markt de belangrijkste uitvoerbestemming is voor kleding en textielproducten uit Bangladesh en dat een aantal bekende westerse ondernemingen toegeven dat zij contracten hadden lopen met de eigenaars van de Tazreen-fabriek voor de levering van kleding;

F.  overwegende dat de stijgende loonkosten in andere delen van de wereld ervoor hebben gezorgd dat laaggeschoold werk in de verwerkende industrie verplaatst is naar India, Pakistan, Cambodja, Vietnam en met name naar Bangladesh, waar kleding nu 75% van de uitvoer vormt;

G.  betreurt dat een aantal ondernemingen aanvankelijk ontkend hebben dat zij samenwerkten met de onderneming die betrokken was bij de brand in Dhaka en pas later hebben toegegeven dat hun kleding in de fabriek in kwestie was geproduceerd;

H.  overwegende dat de spanning tussen de regering van Bangladesh en de arbeidsactivisten de voorbije maanden hoog opgelopen is, waarbij de werknemers protesteerden tegen hun lage lonen en slechte arbeidsomstandigheden;

I.  overwegende dat de moord in april 2012 op Aminul Islam, die de onveilige werkomstandigheden in de kledingindustrie aan de kaak had gesteld, nog steeds onopgelost is;

1.  geeft uiting aan zijn verdriet over het verlies aan mensenlevens in de recente fabrieksbranden; betuigt zijn medeleven aan de getroffen families en aan de gewonden; beschouwt het als volkomen onaanvaardbaar dat er de afgelopen jaren zoveel werknemers zijn omgekomen bij fabrieksbranden in Zuid-Azië;

2.  verzoekt de regeringen van Bangladesh en Pakistan verder diepgaand onderzoek te verrichten naar de recente gebeurtenissen en maatregelen te nemen om te vermijden dat dergelijke tragedies zich nog voordoen, door er onder meer voor te zorgen dat alle fabrikanten de wetgeving op het gebied van de gezondheid en de veiligheid (met name de Arbeidswet van 2006 in Bangladesh) onverkort naleven en dat er een doeltreffend en onafhankelijk systeem van arbeidsinspecties en inspecties van bedrijfsgebouwen wordt ingesteld;

3.  juicht het toe dat een aantal vakbonden, ngo's en multinationale textieldetailhandelaars een overeenkomst hebben gesloten inzake brand- en bouwveiligheid in Bangladesh, die tot doel heeft de veiligheidsnormen in productiebedrijven te verbeteren en waarin wordt afgesproken te betalen voor dergelijke maatregelen, met name de instelling van een systeem van onafhankelijke inspecties en actieve steun voor het opzetten van „comités voor gezondheid en veiligheid op het werk”, met de deelname van de werknemersvertegenwoordigers die in elke fabriek bij wet verplicht zijn, maar die amper actief zijn; roept alle betrokken kledingmerken op deze inspanning te steunen;

4.  verzoekt alle betrokkenen de strijd aan te binden met corruptie in de toeleveringsketens die zich in vele landen in Zuid-Azië openlijk voordoet, onder meer gevallen waarin inspecteurs en fabriekseigenaren onder één hoedje spelen; vraagt meer maatregelen ter bestrijding van dergelijke praktijken;

5.  verwacht dat degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan criminele nalatigheid en andere criminele activiteiten met betrekking tot de branden, voor het gerecht worden gebracht en dat de plaatselijke autoriteiten en de fabrieksleiding samenwerken om ervoor te zorgen dat alle slachtoffers toegang hebben tot een rechter zodat zij schadevergoeding kunnen eisen; is verheugd over de stappen die de Bengalese en Pakistaanse regering al hebben genomen om de slachtoffers en hun families te steunen;

6.  verwelkomt het optreden van de Europese detailhandelaren die al hebben bijgedragen aan schadevergoedingsregelingen voor de slachtoffers en hun families en spoort anderen aan hun voorbeeld te volgen; dringt aan op gratis medische verzorging voor de gewonden en zorg voor de familieleden die ten laste waren van de overleden werknemers;

7.  verzoekt de grote internationale kledingmerken hun toeleveringsketens aan een kritisch onderzoek te onderwerpen en met hun toeleveranciers samen te werken om de gezondheid en veiligheid op het werk te verbeteren; verzoekt detailhandelaren, ngo's en alle andere betrokkenen, met inbegrip van de Commissie in voorkomend geval, samen te werken aan de ontwikkeling van een vrijwillige etiketteringsnorm die aangeeft dat een product geproduceerd is met inachtneming van de basisarbeidsvoorschriften van de IAO;

8.  verlangt van de Commissie dat zij de verplichting om verantwoord te ondernemen actief bevordert bij EU-bedrijven die in het buitenland actief zijn, met speciale aandacht voor de strikte naleving van al hun wettelijke verplichtingen, met name de internationale normen en regels op het gebied van mensenrechten, arbeidsrecht en milieu;

9.  is verheugd over de huidige initiatieven van de Commissie die beogen bij te dragen aan de verbetering van de veiligheid in de fabrieken in Bangladesh, bijvoorbeeld door middel van het project ter bevordering van de arbeidsnormen in de confectiekledingsector, evenals over de samenwerking met de brandweerdiensten en het directoraat Civiele Bescherming van Bangladesh; vraagt dat deze samenwerking wordt versterkt en indien nodig wordt uitgebreid tot andere landen in de regio;

10.  herinnert eraan dat het noodzakelijk is de acht belangrijkste IAO-conventies consequent uit te voeren; benadrukt hoe belangrijk het is dat er gezondheids- en veiligheidvoorschriften zijn voor werknemers waaraan niet te tornen valt, ongeacht het land waarin hun werkplek zich bevindt;

11.  verzoekt de Europese dienst voor extern optreden ervoor te zorgen dat de op EU-ambassades werkzame handelsattachés regelmatig worden geschoold in kwesties inzake de sociale verantwoordelijkheid van ondernemingen, met name inzake de uitvoering van het VN-raamwerk van de Verenigde Naties „Protect, Respect and Remedy”; vraagt voorts dat de EU-delegaties fungeren als EU-contactpunten voor klachten over Europese bedrijven en hun dochtermaatschappijen;

12.  wijst op de belangrijke rol die werknemers en vakbonden kunnen spelen, bijvoorbeeld via de verdere ontwikkeling van door werknemers geleide veiligheidscommissies in alle fabrieken en op het belang van toegang van vakbonden tot fabrieken om werknemers in te lichten over de manier waarop zij hun rechten en veiligheid kunnen beschermen, onder meer het recht op weigering van onveilig werk;

13.  is verheugd over de succesvolle inspanningen van Bangladesh om kinderarbeid in de kledingsector terug te dringen en roept Pakistan op zijn inspanningen in de strijd tegen kinderarbeid te intensiveren;

14.  dringt er bij de Bengalese autoriteiten op aan de foltering van en moord op arbeidsrechtenactivist Aminul Islam ten gronde te onderzoeken en roept de regeringen van Bangladesh en Pakistan op de beperkingen op vakbondsactiviteiten en collectieve arbeidsonderhandelingen op te heffen;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van Pakistan en Bangladesh en de directeur-generaal van de IAO.

(1) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 31.
(2) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 101.
(3) PB C 199 E van 07.07.12, blz. 131.

Juridische mededeling - Privacybeleid