Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2102(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0047/2013

Ingediende teksten :

A7-0047/2013

Debatten :

PV 11/03/2013 - 19
CRE 11/03/2013 - 19

Stemmingen :

PV 12/03/2013 - 10.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0075

Aangenomen teksten
PDF 165kWORD 42k
Dinsdag 12 maart 2013 - Straatsburg
De situatie van vrouwen in Noord-Afrika
P7_TA(2013)0075A7-0047/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over de situatie van vrouwen in Noord-Afrika (2012/2102(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 5, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Africa-EU Strategic Partnership: Joint Africa-EU Strategy,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 „Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015” (COM(2010)0491),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, „Een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse Zeegebied” (COM(2011)0200), „Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden” (COM(2011)0303) en „Resultaten boeken voor een nieuw Europees nabuurschapsbeleid” (JOIN(2012)0014),

–  gezien de thematische en geografische financiële instrumenten van de Commissie met betrekking tot democratisering en mensenrechten (zoals het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) en het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI)),

–  gezien de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel 2012-2016 (COM(2012)0286),

–  gezien de resolutie van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa over „Gelijkheid van mannen en vrouwen: een voorwaarde voor het welslagen van de Arabische Lente”(1),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 18 december 1979 (CEDAW), het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 en het Facultatieve Protocol op het laatstgenoemde verdrag, inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie van 25 mei 2000,

–  gezien Resolutie 67/167 van de Algemene Vergadering van de VN van 20 december 2012 over vrouwelijke genitale verminking,

–  gezien de in september 1995 in Peking gehouden vierde Wereldvrouwenconferentie, de verklaring van Peking en het in Peking onderschreven actieprogramma (Platform for Action), alsmede de daaropvolgende slotdocumenten betreffende verdere acties en initiatieven voor de uitvoering van de verklaring van Peking en het actieprogramma die tijdens de speciale VN-vergaderingen Peking +5 en Peking +10 respectievelijk op 9 juni 2000, 11 maart 2005 en 2 maart 2010 werden aangenomen,

–  gezien het protocol bij het Afrikaanse handvest inzake de mensenrechten en de rechten van volkeren met betrekking tot de rechten van vrouwen in Afrika,

–  gezien de werkzaamheden van de Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied,

–  gezien het proces van Istanbul en Marrakesh en de conclusies van de eerste en tweede Euromediterrane ministersconferentie in Istanbul in 2006 respectievelijk in Marrakesh in 2009 over „De versterking van de rol van de vrouw in de samenleving”, welke conferenties werden gehouden op 14 t/m 15 november 2006 in Istanbul en op 11 t/m 12 november 2009 in Marrakesh,

–  gezien de conclusies van de dialogen in de MENA-regio (Midden-Oosten en Noord-afrika) tussen maatschappelijke organisaties, overheidsorganen en politieke leiders die in juni en november 2012 in Beiroet en Amman hebben plaatsgevonden in het kader van het door de EU gefinancierde regionale project „Bevorderen van een gemeenschappelijke agenda voor de gelijkheid van vrouw en man via het proces van Istanbul”,

–  gezien het programma 'Spring forward for Women', het gezamenlijke regionale programma voor de zuidelijke Middellandse Zeeregio, uitgevoerd door de Commissie en UN Women,

–  gezien „A report card on adolescents”, de 10e uitgave van het UNICEF-voortgangsrapport over de situatie van kinderen,

–  gezien het verslag over menselijke ontwikkeling in Arabische landen van de UNDP uit 2005 „Naar een prominentere rol voor vrouwen in de Arabische wereld” en het verslag uit 2009 „Uitdagingen voor menselijke veiligheid in de Arabische regio”, met name het hoofdstuk over de persoonlijke onveiligheid van kwetsbare groepen,

–  gezien zijn resolutie van 17 februari 2011 over de situatie in Egypte(2),

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2011 over de zuidelijke nabuurschapslanden en in het bijzonder Libië(3),

–  gezien zijn resolutie van 7 april 2011 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid - de zuidelijke dimensie(4),

–  gezien zijn resolutie van 7 april 2011 over het gebruik van seksueel geweld in de conflicten in Noord-Afrika en het Midden-Oosten(5),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2012 over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie - 2011(6),

–  gezien zijn aanbeveling van 29 maart 2012 aan de Raad over de modaliteiten voor de mogelijke oprichting van een Europees Fonds voor Democratie (EDD)(7),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0047/2013),

A.  overwegende dat veel vrouwen, en met name jonge vrouwen, in Noord-Afrika sterk betrokken waren bij de Arabische Lente en vanaf het begin af aan deelnamen aan betogingen, het publieke en politieke debat en verkiezingen, een actieve rol speelden op het maatschappelijk middenveld, o.a. in de sociale media en op blogs, en derhalve een sleutelrol speelden en nog steeds spelen in het democratiseringsproces in hun landen en bij de bevordering van ontwikkeling en cohesie;

B.  overwegende dat deze landen een proces van politieke en democratische overgang doormaken waarbij hun grondwet moet worden gewijzigd of aangepast, en dat vrouwen, ongeacht of zij parlementariër of verkozen zijn of deel uitmaken van het maatschappelijk middenveld, daar op actieve en consistente wijze bij worden betrokken; overwegende dat het resultaat hiervan bepalend is voor het democratisch functioneren van die landen en voor de fundamentele rechten en vrijheden, en van invloed zal zijn op de status van vrouwen;

C.  overwegende dat de rol die vrouwen op het ogenblik van de revolutie spelen niet verschilt van de rol die zij moeten spelen bij het proces van democratische ontwikkeling en wederopbouw van de staat; voorts overwegende dat het welslagen van dit proces afhankelijk is van de actieve betrokkenheid van vrouwen op alle niveaus van de besluitvorming;

D.  overwegende dat vrouwen in deze landen, zij het in ongelijke mate, een prominentere plek hebben verworven in het hoger onderwijs, het maatschappelijk middenveld, ondernemingen en instellingen, zelfs als de daadwerkelijke uitoefening van hun rechten onder dictatoriale en paternalistische regimes beperkt was en de deelname van vrouwen aan verschillende beperkende voorwaarden was gebonden;

E.  overwegende dat de rechten van de vrouw een van de meest besproken kwesties zijn in het huidige politieke proces en de voornaamste zorg van vrouwen, omdat zij het risico lopen van een terugslag en intimidatie, waardoor hun kansen op een gedeelde democratie en gelijke kansen voor man en vrouw zouden kunnen afnemen;

F.  overwegende dat verschillende genderkwesties, zoals de rechten van meisjes en vrouwen als integraal onderdeel van de universele mensenrechten, gelijke rechten en naleving van internationale verdragen centraal staan in de constitutionele debatten;

G.  overwegende dat de vertegenwoordiging van vrouwen in de politiek en in leidinggevende functies in alle sectoren van land tot land verschilt, maar procentueel gezien teleurstellend is in vergelijking met de sterke betrokkenheid van vrouwen bij de verschillende protestbewegingen en de daaropvolgende verkiezingen alsmede met de toegenomen percentages hoogopgeleide vrouwen;

H.  overwegende dat er in het hernieuwde nabuurschapsbeleid van de EU meer nadruk gelegd zou moeten worden op gendergelijkheid, de zelfredzaamheid van vrouwen en ondersteuning van het maatschappelijk middenveld;

I.  overwegende dat op dit moment de specifieke steun van de EU aan gendervraagstukken in de regio 92 miljoen euro bedraagt, waarvan 77 miljoen euro bilateraal wordt besteed en 15 miljoen euro regionaal;

J.  overwegende dat van de bilaterale programma's van de EU het belangrijkste in Marokko zal worden uitgevoerd, met een begroting van 45 miljoen euro voor „het bevorderen van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen”, en overwegende dat in Egypte een programma van 4 miljoen euro zal worden uitgevoerd door UN Women, de organisatie die momenteel in Tunesië en Libië bilaterale programma's uitvoert voor vrouwen in de aanloop naar verkiezingen;

K.  overwegende dat de sociaal-economische situatie, met name de hoge werkloosheid onder jongeren en vrouwen, en armoede, die vaak tot de marginalisering van vrouwen leiden en hen steeds kwetsbaarder maken, de belangrijkste oorzaak was van de opstanden in de regio, tezamen met het streven naar rechten, waardigheid en rechtvaardigheid;

L.  overwegende dat meisjes en vrouwen tijdens en na de opstanden in de gehele regio slachtoffer waren van veelvuldig seksueel geweld, inclusief verkrachtingen en maagdelijkheidstests die werden uitgevoerd als middel om politieke druk uit te oefenen op vrouwen, o.a. door de veiligheidstroepen, en openlijke seksuele intimidatie; overwegende dat gendergerelateerde intimidatie door extremistische bewegingen steeds vaker wordt toegepast;

M.  overwegende dat de situatie van migrantenvrouwen en –kinderen nog kritieker is door de onveiligheid in sommige delen van de regio en door de economische crisis;

N.  overwegende dat het gevaar van mensenhandel stijgt in landen die een overgangsproces doormaken en in gebieden waar burgers geconfronteerd worden met conflicten of waar veel vluchtelingen of ontheemden worden aangetroffen;

O.  overwegende dat er één fundamentele kwestie is die in de constitutionele debatten aan de orde komt, nl. of in de grondwet moet worden bepaald dat de islam de godsdienst van het volk of de staat is;

P.  overwegende dat de publieke participatie bij het grondwettelijk referendum in Egypte in december 2012 onvoldoende was en dat het ontwerp niet de instemming van alle partijen heeft gekregen, waardoor een aantal twijfels en verschillende mogelijke interpretaties blijven bestaan over een aantal belangrijke constitutionele vraagstukken, waaronder de rechten van vrouwen;

Q.  overwegende dat de parlementaire dimensie van de Unie voor het Middellandse Zeegebied (UMZ) en het proces van Istanbul en Marrakesh voor wetgevers tot de beste instrumenten behoren om over al deze onderwerpen van gedachten te wisselen en dat binnen de parlementaire vergadering van de UMZ een Commissie rechten van de vrouw bestaat, waarvan op de juiste manier gebruik moet worden gemaakt;

Vrouwenrechten

1.  dringt er bij de autoriteiten van de betrokken lidstaten op aan in hun grondwet het beginsel van gelijkheid van man en vrouw onomkeerbaar op te nemen, zodat expliciet duidelijk wordt gemaakt dat alle vormen van discriminatie van en geweld tegen vrouwen en meisjes verboden zijn, dat uitvoering van positieve acties mogelijk is en dat de politieke, economische en sociale rechten van de vrouw vast verankerd zijn; doet een beroep op de wetgevers in deze landen om alle bestaande wetten te hervormen en het gelijkheidsbeginsel op te nemen in alle projecten of wetgevingsvoorstellen die tot discriminatie van vrouwen zouden kunnen leiden, bij voorbeeld met betrekking tot huwelijk, scheiding, voogdij over kinderen, ouderlijke rechten, nationaliteit, erfenis en rechtspositie, in overeenstemming met internationale en regionale rechtsinstrumenten, en vraagt hen te waarborgen dat er binnenlandse mechanismen bestaan voor de bescherming van de rechten van de vrouw;

2.  doet een beroep op de nationale autoriteiten om de gelijkheid van man en vrouw te waarborgen in het wetboek van strafrecht en socialezekerheidsstelsels;

3.  benadrukt dat een gelijke participatie van vrouwen en mannen op alle terreinen een essentieel aspect van de democratie is en dat bestuurlijke betrokkenheid van vrouwen een voorwaarde vormt voor sociaaleconomische vooruitgang, sociale samenhang en een rechtvaardig democratisch bestuur; dringt er daarom bij alle landen met klem op aan om van gendergelijkheid een speerpunt te maken in hun programma's ter bevordering van de democratie;

4.  onderstreept dat de overgangsprocessen die zich momenteel in Noord-Afrika voltrekken, pas zullen uitmonden in democratische politieke stelsels en samenlevingen wanneer de gendergelijkheid, met vrijheid bij de keuze van de eigen levensstijl, een feit is;

5.  dringt er bij de nationale autoriteiten in Noord-Afrika op aan het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) volledig te implementeren, de bijbehorende protocollen en de internationale mensenrechtenverdragen en derhalve alle voorbehouden ten aanzien van het CEDAW in te trekken; verzoekt hen tevens mee te werken met de VN-mechanismen ter bescherming van de rechten van meisjes en vrouwen;

6.  herinnert aan het open debat onder islamitische vrouwelijke intellectuelen om religieuze teksten te interpreteren vanuit het oogpunt van de rechten van de vrouw en gendergelijkheid;

7.  herinnert eraan dat het van belang is de vrijheid van meningsuiting en godsdienst en het pluralisme onder meer te waarborgen door het bevorderen van wederzijds respect en een interconfessionele dialoog, met name tussen vrouwen;

8.  roept de staten op om een algemeen, alomvattend en actief debat op gang te brengen met alle betrokkenen, onder meer het maatschappelijk middenveld, de sociale partners, de plaatselijke vrouwenbewegingen, de plaatselijke autoriteiten en de religieuze leiders, en erop toe te zien dat de rechten van vrouwen en het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen worden beschermd en gewaarborgd;

9.  herinnert eraan dat geen enkele monotheïstische godsdienst geweld tussen mensen voorstaat of hiervoor mag worden misbruikt;

10.  verzoekt de Noord-Afrikaanse landen wetten en concrete maatregelen vast te stellen die alle vormen van geweld tegen vrouwen verbieden en sancties voor overtredingen bevatten, inclusief huiselijk en seksueel geweld, seksuele intimidatie en schadelijke traditionele praktijken als genitale verminking van vrouwen en gedwongen huwelijken, inzonderheid in het geval van minderjarige meisjes; onderstreept het belang van slachtofferbescherming en specifieke hulpverlening; is verheugd over de recente campagne tegen huiselijk geweld die gestart is door de Tunesische minister voor Vrouwen- en Gezinszaken, alsook over de aanhoudende inspanningen op dit gebied van Marokko, dat in 2012 een tiende nationale campagne ter bestrijding van geweld tegen vrouwen heeft georganiseerd;

11.  herinnert aan de dubbele discriminatie waarmee lesbische vrouwen te maken krijgen, en verzoekt de nationale autoriteiten in Noord-Afrika homoseksualiteit te decriminaliseren en erop toe te zien dat vrouwen niet op grond van hun seksuele geaardheid worden gediscrimineerd;

12.  benadrukt dat alle gewelddaden tegen vrouwen, in het bijzonder seksueel geweld, moeten worden bestraft, door ervoor te zorgen dat er een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar dergelijke misdaden, dat hierbij vervolging wordt ingesteld en zware bestraffing plaatsvindt, dat minderjarigen door het rechtsstelsel adequaat worden beschermd en dat alle vrouwen onbelemmerd toegang tot de rechter hebben, zonder discriminatie op grond van godsdienst en/of etnische herkomst;

13.  verzoekt de nationale regeringen een toereikende opleiding te bieden om ervoor te zorgen dat medewerkers van justitie en veiligheidstroepen behoorlijk zijn voorbereid op de behandeling van seksuele geweldsmisdrijven en de slachtoffers daarvan; onderstreept het belang van een rechtsstelsel voor de overgangsperiode waarin de genderproblematiek wordt onderkend;

14.  veroordeelt het plegen van alle vormen van geweld, met name seksueel geweld, vóór, tijdens en ná de opstanden en het aanhoudend gebruik ervan als vorm van politieke druk en als middel voor het onderdrukken, intimideren en vernederen van vrouwen; doet een beroep op de nationale rechtsstelsels om deze misdrijven met adequate maatregelen te vervolgen, en benadrukt dat het Internationaal Strafhof zou kunnen optreden als er op nationaal niveau geen rechtsmiddelen kunnen worden ingezet;

15.  wijst erop dat de vrouwen in Noord-Afrika tijdens en na de opstanden kwetsbaarder zijn geworden en vaker tot de slachtoffers behoorden;

16.  verzoekt de Noord-Afrikaanse landen om voor de slachtoffers van seksueel geweld tijdens en na de opstanden een strategie te ontwikkelen die deze slachtoffers een adequate schadevergoeding en economische, sociale en psychologische hulp biedt; verzoekt de autoriteiten in de Noord-Afrikaanse landen prioriteit toe te kennen aan het voor de rechter brengen van de daders;

17.  veroordeelt de praktijk van vrouwelijke genitale verminking die in sommige delen van Egypte nog steeds wordt toegepast, en verzoekt de nationale autoriteiten meer werk te maken van de toepassing van het verbod, en de Commissie programma's vast te stellen die de uitbanning van deze praktijk tot doel hebben, o.a. door het inschakelen van ngo's en door middel van gezondheidsonderwijs; onderstreept voorts het belang van bewustmaking, mobilisering van de gemeenschap, onderwijs en opleiding en de noodzaak van het betrekken van de nationale, regionale en lokale overheden, maatschappelijke organisaties en religieuze en andere leiders bij de bestrijding van de praktijk van vrouwelijke genitale verminking;

18.  is verheugd dat steeds meer landen in de regio hebben besloten de wettelijke huwbare leeftijd voor meisjes in de afgelopen decennia op te trekken (16 in Egypte, 18 in Marokko en 20 in Tunesië en Libië) en veroordeelt iedere poging om deze leeftijd weer te verlagen of de effecten van dergelijke hervormingen te beperken, omdat huwelijken op jonge leeftijd, die vaak worden afgedwongen, niet alleen nadelig zijn voor de rechten, de lichamelijke en geestelijke gezondheid en het onderwijspeil van meisjes, maar ook omdat armoede op die manier wordt gecontinueerd en zo de economische groei nadelig wordt beïnvloed;

19.  onderstreept dat discriminatie en geweld tegen vrouwen en meisjes in geen geval kunnen worden gerechtvaardigd door cultuur, traditie of godsdienst;

20.  benadrukt de noodzaak om vooral bij de opzet van nieuwe gezondheidsbeleidsvormen de toegang tot gezondheids- en maatschappelijke bescherming en diensten voor meisjes en vrouwen te verbeteren, met name op het gebied van gezondheid en rechten tijdens de zwangerschap en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; vraagt de nationale autoriteiten om onverkorte uitvoering van het actieprogramma van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD), en van de VN-agenda voor ontwikkeling en bevolking en vestigt de aandacht op de conclusies van het rapport van het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA)„Een vrije keuze: gezinsplanning, mensenrechten en ontwikkeling”;

21.  wijst op het belang van specifieke maatregelen om vrouwen over hun rechten te informeren, en op het belang van samenwerking met maatschappelijke organisaties en overheidsinstanties met het oog op de voorbereiding van hervormingen en de uitvoering van antidiscriminatiewetgeving;

Deelname van vrouwen aan de besluitvorming

22.  benadrukt dat de actieve deelname van vrouwen aan het openbare en politieke leven, als demonstranten, kiezers, kandidaten en gekozen vertegenwoordigers, aantoont dat zij de wil hebben hun burgerrechten ten volle uit te oefenen en zich in te zetten voor de opbouw van een democratische samenleving; wijst erop dat de recente gebeurtenissen tijdens de Arabische Lente aantonen dat vrouwen een belangrijke rol kunnen spelen in revolutionaire bewegingen; dringt er derhalve op aan dat alle noodzakelijke maatregelen worden getroffen, waaronder positieve maatregelen en quota, om toe te werken naar een situatie waarin vrouwen op alle bestuurlijke niveaus (van lokaal tot nationaal, van uitvoerende tot wetgevende macht) op voet van gelijkheid deelnemen aan de besluitvorming;

23.  acht het van het grootste belang dat meer vrouwen worden betrokken bij de opstelling van wetsteksten in de nationale parlementen, teneinde een rechtvaardiger wetgevingspraktijk en een werkelijk democratische gang van zaken te waarborgen;

24.  steunt de idee van vele vrouwelijke parlementariërs in deze landen dat vrouwenrechten, gendergelijkheid, de actieve deelname van vrouwen aan het politieke, economische en maatschappelijke leven dankzij verbetering van hun competenties, en de bestrijding van discriminatie beter bevorderd en geïmplementeerd kunnen worden in de wetgeving door de oprichting van een vrouwenraad of een bijzondere parlementaire commissie voor gendergelijkheid, waar deze nog niet bestaat, om het onderwerp te behandelen en gendermainstreaming in het parlementaire werk te waarborgen;

25.  dringt erop aan dat vrouwen op alle besluitvormingsniveaus sterker moeten worden vertegenwoordigd, met name in de instituties, politieke partijen, vakbonden en de publieke sector (o.a. rechterlijke macht), en benadrukt dat vrouwen vaak in een aantal sectoren goed vertegenwoordigd zijn maar minder op hoge posities, ten dele door aanhoudende discriminatie en denken in stereotypen en door het fenomeen van het glazen plafond;

26.  is van mening dat als voorwaarde voor een democratisch overgangsproces seksespecifiek beleid met bijbehorende mechanismen moet worden uitgevoerd om te waarborgen dat vrouwen volwaardig en op voet van gelijkheid deelnemen aan de besluitvorming in het openbare leven, zij het op politiek, economisch, sociaal of milieugebied;

27.  benadrukt de belangrijke rol van onderwijs en media bij het bevorderen van een maatschappelijke mentaliteitsverandering en bij het omarmen van democratische beginselen met het oog op respect voor de menselijke waardigheid en een goede verstandhouding tussen de geslachten;

28.  onderstreept dat het van belang is meer vrouwen te betrekken bij vredesoverleg, bemiddeling, binnenlandse verzoening en vredesprocessen;

29.  onderstreept het belang van de organisatie en financiering van opleidingen om vrouwen voor te bereiden op politiek leiderschap, en van andere maatregelen die bijdragen tot de ontvoogding van vrouwen en tot hun actieve participatie op politiek, economisch en sociaal gebied;

Verbetering van de positie van de vrouw

30.  prijst landen die hun inspanningen op het gebied van onderwijs aan meisjes hebben geïntensiveerd; wijst er echter nogmaals op dat de toegang tot onderwijs, en dan met name hoger onderwijs en inhaalonderwijs, voor meisjes en vrouwen moet worden verbeterd; wijst erop dat er nog steeds het nodige moet gebeuren om analfabetisme onder vrouwen uit te bannen en dat het accent moet liggen op beroepsopleidingen, met inbegrip van cursussen om de digitale kennis van vrouwen te bevorderen; beveelt aan om gendergelijkheid op te nemen in de leerplannen;

31.  wijst erop dat de toegang van meisjes tot het middelbaar en hoger onderwijs en de kwaliteit van het onderwijs prioriteiten moeten zijn voor de regeringen en de parlementen van de Noord-Afrikaanse landen, omdat zij ertoe kunnen bijdragen ontwikkeling en economische groei en een duurzame democratie te verzekeren;

32.  vraagt dat beleid wordt ontwikkeld dat rekening houdt met de specifieke situatie van de meest kwetsbare groepen van vrouwen: jonge meisjes, gehandicapte vrouwen, vrouwelijke migranten en vrouwen uit etnische minderheden, alsook lesbiennes en transseksuelen;

33.  benadrukt dat er nog veel meer moet gebeuren om te zorgen voor economische onafhankelijkheid van vrouwen en hun deelname aan economische activiteiten te stimuleren, met inbegrip van de agrarische en de dienstensector; wijst erop dat economische onafhankelijkheid vrouwen weerbaarder maakt tegen geweld en vernedering; is van mening dat uitwisseling van beste praktijken tussen ondernemers, vakbonden en het maatschappelijk middenveld op regionaal niveau moet worden gestimuleerd, met name om de meest benadeelde vrouwen in plattelandsgebieden en arme stedelijke gebieden te steunen;

34.  verzoekt de regeringen van de Noord-Afrikaanse landen een grotere arbeidsmarktparticipatie van vrouwen aan te moedigen en te ondersteunen en alle nodige maatregelen te nemen om discriminatie op de werkplek op grond van geslacht te voorkomen; benadrukt dat er behoefte is aan instrumenten waarmee vrouwen in staat kunnen worden gesteld de arbeidsmarkt te betreden op terreinen die voor hen traditioneel niet open stonden;

35.  beseft welke rol de media spelen bij het onder de aandacht brengen van kwesties die verband houden met de situatie van vrouwen en hun rol in de samenleving, en welke invloed de media hebben op de houding van de burgers in hun land; beveelt de opstelling van een actieplan aan dat vrouwen in de media moet ondersteunen, als beroepskeuze en als mogelijkheid om na te gaan hoe vrouwen op de televisie worden voorgesteld, via de productie van televisieprogramma's en het gebruik van de nieuwe media (internet en sociale netwerken) om de politieke participatie van vrouwen te stimuleren en om de boodschap te verspreiden dat traditie en gelijke kansen harmonieus kunnen samengaan;

36.  beveelt aan dat er stappen moeten worden genomen om de verbetering van de positie van vrouwen te monitoren, ook met betrekking tot hun rechten als werknemer, met name in de industriële sector en de dienstverlenende sector, in plattelands- en stedelijke gebieden, en om vrouwelijk ondernemerschap en gelijke beloning te stimuleren;

37.  wijst erop dat er een positieve correlatie bestaat tussen de omvang van de kmo-sector van een land en het tempo van de economische groei; is van mening dat microfinanciering een zeer nuttig instrument is om de positie van vrouwen te verbeteren, en herinnert eraan dat investeren in vrouwen ook inhoudt dat er geïnvesteerd wordt in gezinnen en gemeenschappen en dat het armoede en sociaaleconomische onrust helpt uit te bannen, de sociale samenhang versterkt en bovendien vrouwen economisch onafhankelijker maakt; herinnert eraan dat microfinanciering verder gaat dan louter kredietverlening maar ook management, financieel en commercieel advies en spaarregelingen omvat;

38.  verzoekt de nationale autoriteiten een kaderbeleid voor microfinanciering uit te werken om te voorkomen dat vrouwen bij gebrek aan informatie of ingevolge een rechtsvacuüm worden geconfronteerd met nadelige gevolgen zoals overmatige schulden;

39.  moedigt de Noord-Afrikaanse landen aan maatregelen te nemen om het ondernemerschap van vrouwen te begeleiden en te ondersteunen, onder meer door het bieden van rechtsbescherming en het verstrekken van voorlichting en opleidingen op het gebied van sociale promotie en management;

40.  is een voorstander van de verbetering van de positie van de vrouw door middel van uitwisselingsprogramma's in het kader waarvan leden van vrouwenorganisaties en vrouwelijke wetenschappers uit verschillende landen elkaar kunnen ontmoeten en ervaringen en geleerde lessen kunnen uitwisselen, om zo strategieën en acties te kunnen uitdenken die kunnen worden gebruikt bij verschillende behoeften en achtergronden;

41.  onderstreept dat het van belang is de programma's en acties voor de verbetering van de positie van de vrouw in deze regio op drie niveaus uit te voeren: ten eerste op institutioneel niveau, door aan te dringen op gendergelijkheid via hervorming van het juridische kader en nieuwe wetsvoorstellen, in combinatie met technische hulpverlening; ten tweede door ondersteuning van maatschappelijke organisaties die zich kunnen inzetten voor de rechten van de vrouw en de inbreng van vrouwen in het besluitvormingsproces kunnen vergroten; en ten derde door rechtstreeks op lokaal niveau actief te worden, met name in plattelandsgebieden, om sociale gedragspatronen en tradities te veranderen en vrouwen ruimte te bieden in het sociale, economische en politieke leven van hun gemeenschap;

Europees nabuurschapsbeleid/EU-optreden

42.  benadrukt dat vrouwenrechten, gendergelijkheid en verbetering van de positie van vrouwen in de ENPI-programma’s centraal moeten worden gesteld, omdat dat de belangrijkste indicatoren zijn om vooruitgang op het vlak van democratisering en mensenrechten te beoordelen; is van mening dat er in ieder landenstrategiedocument en in ieder nationaal indicatief programma meer aandacht moet worden besteed aan gendergelijkheid;

43.  verzoekt de Commissie het mainstreamen van genderkwesties in de verschillende EU-maatregelen, ongeacht het centrale thema daarvan, voort te zetten en te intensiveren, en zet de Commissie ertoe aan om voor de uitvoering te blijven samenwerken met internationale organisaties, zoals UN Women;

44.  moedigt de Commissie aan een aanpak die uitgaat van gendermainstreaming te volgen bij het opstellen van de landenspecifieke stappenplannen om een dialoog te kunnen aangaan met maatschappelijke organisaties in Noord-Afrikaanse landen, om de ongelijkheden tussen vrouwen en mannen te verminderen en de voorwaarden te scheppen voor gelijke deelname van vrouwen en mannen aan besluitvormingsprocessen;

45.  verzoekt de VV/HV de dialoog met regionale Arabische instellingen te intensiveren om te bereiken dat zij een vooraanstaande rol spelen bij het mainstreamen van de rechten van de vrouw en aanverwant beleid in de gehele regio;

46.  verzoekt de VV/HV en de Commissie om uitvoering van het gezamenlijke werkprogramma inzake samenwerking dat met de Liga van Arabische Staten is ondertekend, met name ten aanzien van de versterking van de positie van de vrouw en de mensenrechten;

47.  verzoekt de Commissie om verhoging van het bedrag dat is uitgetrokken voor steun aan vrouwen in de regio; is van mening dat bij deze steun steeds rekening moet worden gehouden met de bijzondere kenmerken van elk land en de gemeenschappelijke problemen waarmee zij op regionaal vlak te maken hebben, zoals die van politieke en economische aard, waarbij moet worden nagegaan hoe regionale en bilaterale programma's elkaar kunnen aanvullen;

48.  verzoekt de Commissie de ontwikkeling van leiderschapsprogramma's voor vrouwelijke opinieleiders en leiders in de zakenwereld en de financiële sector te stimuleren en bestaande programma's op dit gebied te blijven steunen;

49.  is van mening dat de vrouwenrechten en gendergelijkheid voldoende in aanmerking moeten worden genomen in de toezeggingen van de partners overeenkomstig het „meer-voor-meer’-beginsel van het hernieuwde nabuurschapsbeleid; doet daarom een beroep op de VV/HV en de Commissie om duidelijke criteria te ontwikkelen voor het garanderen van en het toezien op de geboekte vooruitgang door middel van een transparant, inclusief proces, mede in overleg met vrouwenrechten- en maatschappelijke organisaties;

50.  dringt er bij de speciale EU-vertegenwoordiger voor de mensenrechten op aan om, in het verlengde van de herziene mensenrechtenstrategie van de EU, bijzondere aandacht te besteden aan de vrouwenrechten in Noord-Afrika;

51.  benadrukt dat het van belang is vrouwen aan te moedigen deel te nemen aan het verkiezingsproces en verzoekt de autoriteiten van de betrokken landen derhalve het recht van vrouwen om deel te nemen aan het verkiezingsproces in hun grondwet te verankeren, teneinde de hinderpalen voor een daadwerkelijke participatie van vrouwen in dit proces weg te werken; verzoekt de EU nauw met de nationale regeringen samen te werken om hun goede praktijken aan de hand te doen inzake voorlichting aan vrouwen over hun politieke rechten en hun kiesrecht; herinnert eraan dat dit gedurende de gehele verkiezingscyclus moet gebeuren door middel van ondersteuningsprogramma’s en dat het zo nodig zorgvuldig moet worden gemonitord door de EU EOM;

52.  verzoekt de Commissie verder toe te zien op de naleving van de aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissies van de Europese Unie in de Noord-Afrikaanse landen inzake vrouwenrechten en hierover een rapport voor te leggen aan het Europees Parlement;

53.  verzoekt de HV/VV en de Commissie om tijdens het politieke en beleidsoverleg met de Noord-Afrikaanse landen de juridische achterstelling van vrouwelijke werknemers in het arbeidsrecht aan de orde te stellen, in overeenstemming met het „meer-voor-meer’-beginsel, en de participatie van vrouwen in vakbonden te bevorderen;

54.  verzoekt de Commissie en andere donors programma's te bevorderen gericht op gelijke toegang tot de arbeidsmarkt en opleiding voor alle vrouwen, en de financiële middelen te verhogen voor de ondersteuning van capaciteitsopbouw van maatschappelijke organisaties van en voor vrouwen en van vrouwennetwerken op nationaal en regionaal niveau;

55.  spoort de Commissie aan de nadruk te leggen op positieve voorbeelden van vrouwelijk ondernemerschap waarbij vrouwen uit Noord-Afrikaanse landen betrokken zijn, of van organisaties waaraan vrouwelijke ondernemers uit Europa en Noord-Afrika deelnemen, eveneens op het gebied van technologie en industrie; verzoekt de Commissie dan ook instrumenten te ontwikkelen voor de verspreiding van dergelijke ervaringen zodat deze een zo nuttig mogelijke en stimulerende bijdrage kunnen leveren aan minder dynamische situaties, doordat de aandacht wordt gevestigd op de ontwikkelingsmogelijkheden van de betrokken gemeenschappen;

56.  dringt er bij de Commissie op aan bij de beoordeling van landen waarmee wordt onderhandeld over „een diepe en brede vrijhandelsovereenkomst’, rekening te houden met de potentiële sociale gevolgen van de overeenkomst voor de mensenrechten in het bijzonder de rechten van vrouwen, onder meer in de informele sector;

57.  verzoekt de Commissie steun te verlenen voor maatregelen om ervoor te zorgen dat aan de specifieke behoeften van vrouwen in crisis- en conflictsituaties, waaronder ook blootstelling aan geweld op grond van geslacht, direct en adequaat tegemoet wordt gekomen;

58.  verzoekt de VV/HV en de Commissie om tijdens politieke en beleidsoverlegbijeenkomsten met de Noord-Afrikaanse landen zodanige omstandigheden te garanderen dat het maatschappelijk middenveld onbelemmerd zijn activiteiten kan ontplooien en kan meewerken aan democratische veranderingen;

59.  dringt er bij de Commissie op aan het personeel in de EU-delegaties in de regio dat belast is met gendergelijkheid uit te breiden en te garanderen dat vrouwen en ngo’s betrokken worden bij het raadplegingsproces over de programmering;

60.  verwelkomt de nieuwe vestigingen van het agentschap van de Verenigde Naties „UN Women” in Noord-Afrika en moedigt de delegaties van de EU in de betrokken landen aan, verder met deze agentschappen samen te werken met het oog op maatregelen om de gelijke behandeling van mannen en vrouwen te verzekeren en de rechten van vrouwen na de Arabische Lente te bevorderen;

61.  dringt er bij de Commissie op aan het opzetten en financieren van adviescentra en vrouwenhuizen aan te moedigen, omdat vrouwen er advies kunnen inwinnen over allerlei onderwerpen, van politieke rechten tot juridisch advies, over gezondheid en bescherming tegen huiselijk geweld, omdat een holistische benadering gunstig is voor vrouwen en ook discreter als het gaat om geweld;

62.  moedigt de nationale autoriteiten in Noord-Afrika aan om voorlichtingsprogramma's over huiselijk geweld op te zetten in combinatie met de opening van opvanghuizen voor vrouwen die met huiselijk geweld te maken hebben gehad of momenteel hebben;

63.  verzoekt de autoriteiten in Noord-Afrikaanse landen om te zorgen voor toereikende medische en psychologische bijstand, gratis juridische dienstverlening en toegang tot de rechter en klachtenregelingen voor vrouwelijke slachtoffers en getuigen van geweld;

64.  herinnert eraan dat steun voor het maatschappelijk middenveld, ngo’s en vrouwenorganisaties ook moet worden verleend via de UMZ-instrumenten; verzoekt de Commissie de samenwerking tussen vrouwenorganisaties in de EU en hun tegenhangers in Noord-Afrika te vergemakkelijken;

65.  verzoekt de Commissie steun te verlenen aan de inspanningen in de Noord-Afrikaanse landen om een diepgewortelde, duurzame democratie op te bouwen die stoelt op eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de rechten van de vrouw en op de beginselen van gelijkheid van man en vrouw, non-discriminatie en de rechtsstaat; benadrukt dat de ontwikkeling van een actief burgerschap in de regio moet worden ondersteund met technische en financiële hulp aan het maatschappelijk middenveld, zodat er een democratische politieke cultuur kan ontstaan;

66.  verzoekt de Commissie om bij handelsoverleg volledige transparantie te betrachten, ook ten aanzien van alle achtergrondinformatie, die als basis dient voor voorstellen voor handelsakkoorden; dringt aan op de actieve betrokkenheid van vrouwengroepen en maatschappelijke organisaties gedurende het gehele proces;

67.  dringt er bij de parlementaire vergadering van de UMZ op aan ieder jaar in maart een zitting te wijden aan de situatie van vrouwen in de regio;

68.  verzoekt de Commissie zich in te zetten voor de versterking van het proces van Istanbul en Marrakesh en steun te verlenen voor programma's waarmee de dialoog tussen het maatschappelijk middenveld en de regeringen in de Euromed-regio wordt bevorderd;

69.  is van mening dat het pas opgerichte Europees Fonds voor Democratie (EDD) bijzondere aandacht moet besteden aan de betrokkenheid van vrouwen bij het proces van democratische hervormingen in Noord-Afrika, door vrouwenorganisaties en projecten op seksespecifieke gebieden te ondersteunen, zoals het aanmoedigen van interculturele en interreligieuze dialoog, het tegengaan van geweld, het scheppen van werkgelegenheid, het bevorderen van culturele en politieke participatie, gelijke toegang tot de rechter, gezondheidszorg en onderwijs voor vrouwen en meisjes, en een einde te maken aan de bestaande discriminatie van vrouwen en de schendingen van vrouwenrechten of deze te voorkomen;

70.  vraagt de Commissie en de lidstaten, en met name de EU-coördinator voor de bestrijding van mensenhandel, om rekening te houden met en een gesloten front te vormen bij de coördinatie van de activiteiten van het externe EU-beleid in het kader de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel 2012-2016; is van mening dat de nationale autoriteiten in Noord-Afrika moeten worden aangemoedigd om, waar mogelijk, bij de bestrijding van mensenhandel samen te werken met andere landen in de regio;

71.  dringt er bij de Commissie op aan vrouwenprojecten te ondersteunen en vrouwennetwerken in universiteiten, de media, culturele instanties, de filmindustrie en overige creatieve sectoren te versterken, en hamert op het belang van versterking van de culturele betrekkingen tussen beide oevers van de Middellandse Zee, o.a. door sociale media, digitale platforms en satellietverbindingen;

72.  verzoekt de regeringen en autoriteiten van de lidstaten de rechten van de vrouw centraal te stellen in hun diplomatieke en handelsbetrekkingen met de Noord-Afrikaanse landen;

73.  dringt er bij de Commissie op aan de uitwisselingsprogramma’s voor hoger onderwijs, zoals Erasmus Mundus, te versterken en de deelname van jonge vrouwen aan te moedigen; dringt tevens aan op ontwikkeling van interregionale samenwerking (door twinning of door peer-to-peer uitwisselingen) tussen regio’s ten noorden en ten zuiden van de Middellandse Zee;

74.  is verheugd over de mobiliteitspartnerschappen voor zover zij uitwisselingen vergemakkelijken en de migratie op een menselijke en waardige manier helpen beheersen;

o
o   o

75.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) Resolutie 1873 (2012), aangenomen door de Assemblee op 24 april 2012 (13e zitting).
(2) PB C 188 E van 28.6.2012, blz. 26.
(3) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 158.
(4) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 114.
(5) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 126.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0069.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0113.

Juridische mededeling - Privacybeleid