Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2104(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0028/2013

Ingediende teksten :

A7-0028/2013

Debatten :

Stemmingen :

PV 12/03/2013 - 10.10
CRE 12/03/2013 - 10.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0077

Aangenomen teksten
PDF 145kWORD 30k
Dinsdag 12 maart 2013 - Straatsburg
Meer voordelen van EU-milieumaatregelen
P7_TA(2013)0077A7-0028/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over meer voordelen door EU-milieumaatregelen: vertrouwen kweken door de kennis en de reactiecapaciteit te verbeteren (2012/2104(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 11 van het VEU en artikel 5 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien de artikelen 191 en 192 van het VWEU,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving van de Europese Gemeenschap (COM(2008)0773),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de evaluatie van het milieubeleid 2008 (COM(2009)0304) en de bijlage daarbij,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, getiteld „Meer voordelen door EU-milieumaatregelen: vertrouwen kweken door de kennis en de reactiecapaciteit te verbeteren” (COM(2012)0095),

–  gezien het 29ste jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2011) (COM (2012)0714),

–  gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over de herziening van het zesde milieuactieprogramma en vaststelling van prioriteiten voor het zevende milieuactieprogramma – Een beter milieu voor een beter bestaan(1),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 december 2010 over de verbetering van de beleidsinstrumenten op milieugebied,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Raad van 19 april 2012 over het zevende milieuactieprogramma,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord „Beter wetgeven”(2),

–  gezien het verkennend advies van het Comité van de Regio's getiteld „De rol van regionale en lokale overheden in het toekomstige milieubeleid”(3),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's getiteld „De ontwikkeling van een 7e milieuactieprogramma (map): betere tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving(4),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (COM(2003)0624) en het standpunt van het Parlement in eerste lezing(5),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie verzoekschriften (A7-0028/2013),

Algemene opmerkingen

A.  overwegende dat een groot deel van de EU-wetgeving uit richtlijnen bestaat, waarin algemene voorschriften en doelstellingen worden vastgesteld, maar de lidstaten en de lokale en regionale overheden worden vrijgelaten om de middelen te kiezen om deze doelstellingen te verwezenlijken;

B.  overwegende dat de nationale autoriteiten, zeer vaak op lokaal en regionaal niveau, de hoofdverantwoordelijkheid dragen voor de waarborging van een doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de EU-wetgeving;

C.  overwegende dat een ondoeltreffende tenuitvoerlegging niet alleen schade aan het milieu en de volksgezondheid berokkent, maar ook onzekerheid schept bij de industrie en belemmeringen vormt voor de interne markt, alsook meer bureaucratie en derhalve hogere kosten met zich meebrengt;

D.  overwegende dat uit studies is gebleken dat met de volledige tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving in de afvalsector alleen 400 000 banen zouden worden gecreëerd en 72 miljard EUR per jaar zou worden bespaard(6);

E.  overwegende dat de onbevredigende tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving wordt weerspiegeld in het hoge aantal inbreuken en klachten op dit gebied;

F.  overwegende dat het gebrek aan nauwkeurige informatie over en kennis van de stand van de tenuitvoerlegging, alsmede het gebrek aan kwantitatieve gegevens voor de verschillende milieusectoren een belemmering vormen voor de correcte tenuitvoerlegging van het milieu-acquis;

G.  overwegende dat volgens de Commissie de jaarlijkse kosten van het niet ten uitvoer leggen van de EU-milieuwetgeving momenteel 50 miljard EUR aan gezondheidskosten en directe milieukosten bedragen, los van de negatieve invloed op de toestand van het milieu in de EU; overwegende dat vanaf 2020 deze jaarlijkse kosten tot 90 miljard EUR zullen oplopen(7);

H.  overwegende dat de problemen die zich voordoen bij de tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving tweeledig kunnen zijn, met aan de ene kant vertraagde of onvoldoende tenuitvoerlegging en aan de andere kant „overdreven tenuitvoerlegging” („vergulding”), waarbij beide aspecten ingaan tegen de oorspronkelijke beleidsideeën achter de EU-milieuwetgeving;

I.  overwegende dat er zowel tussen als binnen de lidstaten aanzienlijke verschillen in de tenuitvoerlegging bestaan, die een negatief effect op het milieu hebben en derhalve een meer systematische en holistische benadering noodzakelijk maken om deze „tenuitvoerleggingskloof” te overbruggen;

J.  overwegende dat in 2011 de meeste schendingen van het EU-recht werden vastgesteld op het gebied van milieu (299), hetgeen 17 % van alle schendingen uitmaakte, en dat in 2011 114 nieuwe inbreukprocedures werden geopend op dit gebied(8);

K.  overwegende dat de volledige naleving van de EU-milieuwetgeving een verplichting uit hoofde van het Verdrag en een criterium voor het gebruik van EU-middelen in de lidstaten is; overwegende dat de lidstaten daarom tijdig en op kostenefficiënte wijze de milieuwetgeving ten uitvoer moeten leggen om de staat van het milieu in de EU te verbeteren;

L.  overwegende dat het zesde milieuactieprogramma werd ondermijnd door aanhoudende tekortkomingen in de tenuitvoerlegging in rijpe beleidssectoren zoals bestrijding van luchtverontreiniging, afvalbeheer, water- en afvalwaterbehandeling en natuurbehoud;

Tenuitvoerlegging als gemeenschappelijke taak en kans

1.  is verheugd over de mededeling van de Commissie getiteld „Meer voordelen door EU-milieumaatregelen: vertrouwen kweken door de kennis en de reactiecapaciteit te verbeteren” (COM(2012)0095);

2.  dringt er bij de lidstaten op aan alle nodige maatregelen te nemen om het milieu te beschermen en duurzame ontwikkeling te stimuleren, zonder de noodzaak van een gezonde en concurrerende economie uit het oog te verliezen; benadrukt dat lokale gemeenschappen veel zeggenschap moeten hebben wanneer het gaat om het vinden van een balans tussen de behoeften van de bevolking en die van het milieu;

3.  is van mening dat de regionale en lokale overheden bij de vaststelling van het EU-milieubeleid beter kunnen samenwerken en kunnen zorgen voor een betere tenuitvoerlegging van de wetgeving;

4.  is van mening dat de administratieve last niet altijd het gevolg is van overdreven tenuitvoerlegging of het gebrek aan tenuitvoerlegging; merkt op dat administratieve kosten onvermijdelijk zijn, maar dat deze zo laag mogelijk moeten worden gehouden vanwege het negatieve effect ervan op de burgers en de industrie;

5.  merkt op dat een groot deel van de onnodige administratieve kosten in verband met de milieuwetgeving te wijten is aan ontoereikende of inefficiënte administratieve praktijken van particulieren en overheden in diverse lidstaten en bij hun lokale of regionale overheden;

6.  benadrukt dat alleen door de tijdige en correcte tenuitvoerlegging (omzetting) van de EU-wetgeving door de lidstaten en de regionale en lokale overheden ervoor kan worden gezorgd dat de gewenste resultaten van het EU-beleid in kwestie worden behaald;

7.  benadrukt dat zowel het garanderen van een gelijk speelveld en een gemeenschappelijke markt als een geharmoniseerde aanpak centraal staan in de EU-wetgeving;

8.  is van mening dat een efficiënte tenuitvoerlegging voordelen voor de industrie kan opleveren, bijvoorbeeld doordat de administratieve lasten worden verminderd, investeringszekerheid wordt geboden en hierdoor meer banen worden gecreëerd;

9.  betreurt dat de burgers pas kennis nemen van de EU-wetgeving na de inwerkingtreding ervan; is van mening dat er eerder informatie moet worden uitgewisseld tussen de wetgevers en de burgers om een hoger acceptatieniveau en meer begrip voor de doelstelling van de EU-wetgeving te bewerkstelligen;

10.  verklaart dat de Commissie als hoedster van de Verdragen eerder moet optreden om een betere en snellere tenuitvoerlegging mogelijk te maken; vraagt de Commissie te onderzoeken wat er gedaan moet worden om de correcte omzetting, tenuitvoerlegging en handhaving van de milieuwetgeving te garanderen;

11.  stelt vast op dat door de huidige versnippering van de tenuitvoerlegging in de lidstaten het gelijke speelveld voor de industrie wordt ondermijnd en de onzekerheid over de precieze vereisten wordt vergroot, waardoor investeringen in de milieugebieden waar banen kunnen worden gecreëerd, worden ontmoedigd;

12.  benadrukt dat de verantwoordelijkheid van de Europese instellingen met betrekking tot de EU-wetgeving niet eindigt met de aanneming van wetgeving door het Parlement en de Raad en dat het Europees Parlement bereid is de lidstaten te helpen om voor een efficiëntere tenuitvoerlegging te zorgen;

13.  roept de Commissie, de lidstaten en de betrokken regio’s op de informatiestroom te verbeteren en de transparantie te vergroten door middel van actievere en frequentere uitwisseling van informatie;

Oplossingen om een efficiëntere tenuitvoerlegging te waarborgen

14.  is van mening dat de volledige tenuitvoerlegging en handhaving op alle niveaus essentieel is en, in voorkomend geval, mogelijk verder moet worden versterkt; onderstreept derhalve de behoefte aan duidelijke, samenhangende en niet-overlappende milieuwetgeving; onderstreept de noodzaak van coördinatie, complementariteit en het wegnemen van wetgevingslacunes tussen de diverse regelgevingsinstrumenten die de EU-milieuwetgeving vormen;

15.  is van mening dat de milieuwetgeving efficiënter ten uitvoer kan worden gelegd door de verspreiding van optimale praktijken tussen de lidstaten en tussen de regionale en lokale overheden die verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving en door nauwere samenwerking met de Europese instellingen;

16.  betreurt dat er te weinig bekend is over de werkzaamheden op nationaal, regionaal en lokaal niveau met betrekking tot de naleving en handhaving en verzoekt de Commissie derhalve om hierin met de hulp van haar netwerken en instanties, zoals het Europees Milieuagentschap, verbetering te brengen;

17.  wijst op het belang van de versterking en monitoring van de voor de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving relevante indicatoren en stimuleert het opzetten van een gebruikersvriendelijke website, waarop de meest recente indicatormetingen beschikbaar zouden zijn en het mogelijk zou zijn om informele vergelijkingen tussen de lidstaten te maken;

18.  is van mening dat de Commissie zelf centraal zou moeten staan in de inspanningen om een betere tenuitvoerlegging te garanderen en betreurt dat deze inspanningen momenteel steeds vaker worden doorverwezen naar andere instanties, die vaak niet de bevoegdheden, het personeel of de financiële middelen van de Commissie hebben;

19.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan bij te dragen aan de verbetering van de kennis en de capaciteit van de personen die betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving op nationaal, regionaal en lokaal niveau, om meer voordelen door deze wetgeving te garanderen; is voorts van mening dat het aangaan van een dialoog met de relevante belanghebbenden de tenuitvoerlegging ook zou verbeteren;

20.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om partnerschapsovereenkomsten voor de tenuitvoerlegging te sluiten tussen de Commissie en de afzonderlijke lidstaten of tussen de lidstaten, om een betere tenuitvoerlegging te bevorderen en problemen bij de tenuitvoerlegging vast te stellen en op te lossen;

21.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of meer betrokkenheid van de lokale overheden bij het gehele proces van het definiëren van het milieubeleid nuttig zou zijn voor het verbeteren van de tenuitvoerlegging van de wetgeving over de hele linie, met inbegrip van de mogelijkheid om teams samen te stellen voor de omzetting van de milieuwetgeving op regionaal en lokaal niveau;

22.  adviseert een systematisch en gemakkelijk toegankelijk online informatie-instrument over de tenuitvoerlegging te ontwikkelen; verzoekt alle actoren, maar met name de industrie en de burgers, om de uitvoerende instanties feedback te geven over problemen die zich voordoen bij de tenuitvoerlegging; waardeert de beschikbaarheid van betrouwbare, vergelijkbare en gemakkelijk toegankelijke informatie over de staat van het milieu en acht deze van essentieel belang om de stand van de tenuitvoerlegging effectief na te gaan;

23.  dringt bij de Commissie aan op de heroverweging van de vraag naar de invoering van een database voor optimale praktijken, die het mogelijk maakt de optimale praktijken voor de tenuitvoerlegging te verspreiden over de lidstaten, de regionale en de lokale overheden; verzoekt de Commissie te onderzoeken op welke manieren de informatie- en communicatietechnologie kan worden ingezet om online zo veel mogelijk nuttige informatie te verschaffen over hoe de EU-milieuwetgeving ten uitvoer moet worden gelegd;

24.  benadrukt het belang van een versterkte controle op de toepassing van de milieuwetgeving; dringt hiertoe erop aan de bestaande capaciteiten te versterken en de verschillende controleorganen in de lidstaten op elkaar af te stemmen op basis van EU-richtsnoeren;

25.  onderstreept dat de EU-wetgeving de oorzaken van milieuschade moet aanpakken aan de hand van de regeling van de wettelijke aansprakelijkheid voor milieuschade en het maatschappelijk verantwoord ondernemen; acht het met het oog hierop van fundamenteel belang om alle nodige maatregelen te nemen ter bevordering en verspreiding van maatschappelijk verantwoord ondernemen op milieugebied, omdat dit van ondernemingen eist dat zij ontvankelijk zijn voor de strategie voor duurzame ontwikkeling;

26.  herinnert eraan dat de correcte tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving veel voordelen kan opleveren: drie voorbeelden van dergelijke voordelen zijn een gelijk speelveld voor economische actoren op de interne markt, het geven van een impuls aan innovatie en pioniersvoordelen voor EU-bedrijven;

27.  onderstreept dat een hoge mate van milieubescherming een van de fundamentele doelstellingen van de Europese Unie is en dat deze rechtstreekse voordelen voor de burgers zou opleveren, zoals betere leefomstandigheden door een betere luchtkwaliteit, minder lawaai en minder gezondheidsproblemen;

28.  benadrukt dat de EU voor zichzelf een ambitieuze agenda heeft opgesteld om toe te werken naar een veerkrachtige, hulpbronnenefficiënte en koolstofarme economie tegen 2050 en dat engagement op alle niveaus noodzakelijk is om dit doel te bereiken; herinnert eraan dat een gezamenlijke inspanning van essentieel belang is om ervoor te zorgen dat de EU-economie groeit op een manier die de beperkingen van de hulpbronnen en de grenzen van de mogelijkheden van onze planeet respecteert;

29.  betreurt het feit dat de behandeling van het voorstel voor een richtlijn betreffende toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden(9) geblokkeerd zit in de fase van de eerste lezing; nodigt de medewetgevers dan ook uit hun standpunten opnieuw te bekijken om uit deze impasse te komen;

30.  is in dit verband van mening dat de gerechtelijke instanties van de lidstaten die te maken hebben met inbreuken op en niet-naleving van de EU-milieuwetgeving, kennis moeten uitwisselen;

31.  acht de monitoring van de tenuitvoerleggingsactiviteiten van groot belang en onderstreept derhalve de waarde van het werk van het Europees Milieuagentschap op dat gebied, in overeenstemming met zijn wettelijke taakomschrijving;

32.  onderstreept de belangrijke rol van het Europees Milieuagentschap bij het bieden van een gedegen kennisbasis ter ondersteuning van het beleid en de tenuitvoerlegging, en erkent het werk dat het Europees Milieuagentschap op dit gebied heeft verricht; dringt bij het Europees Milieuagentschap aan op de verdere ontwikkeling van zijn capaciteiten om de Commissie en de lidstaten te helpen de kwaliteit van de monitoring en de vergelijkbaarheid van de milieu-informatie die in de verschillende delen van de EU is verzameld, te garanderen; moedigt voorts het Europees Milieuagentschap aan zich ook te richten op capaciteitsopbouw en de verspreiding van optimale praktijken in de lidstaten; rekent erop dat in de nieuwe strategie van het Europees Milieuagentschap uitgebreider aandacht wordt besteed aan de tenuitvoerlegging;

33.  ondersteunt het plan van de Commissie om de lidstaten te vragen om, met steun van de Commissie, gestructureerde tenuitvoerleggings- en informatiekaders (SIIF's - structured implementation and information frameworks) te ontwikkelen voor de voornaamste EU-milieuwetgeving, teneinde de belangrijkste bepalingen van een richtlijn te verduidelijken en aan te geven welke informatiesoorten nodig zijn om aan te tonen hoe de EU-wetgeving wordt uitgevoerd;

34.  merkt op dat indieners van verzoekschriften vaak hun bezorgdheid uiten over verschillende terreinen van het milieubeleid, zoals stortplaatsen, afvalverwerking, natuurlijke habitats en lucht- en watervervuiling; juicht hun inspanningen toe om de autoriteiten ertoe te brengen rekenschap af te leggen, en roept de lidstaten op om zich open en coöperatief op te stellen;

35.  dringt er bij de Commissie op aan om, in samenwerking met de nationale autoriteiten en in voorkomend geval samen met het Europees Milieuagentschap, een klachtenafdeling in het leven te roepen waar de burgers problemen in verband met de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving kunnen melden;

36.  onderstreept dat doeltreffende inspecties van cruciaal belang zijn en dringt er bij de lidstaten op aan om hun inspectiecapaciteiten conform de optimale praktijken te versterken; pleit voor gemeenschappelijke minimumcriteria voor inspecties om een rechtvaardige tenuitvoerlegging in alle delen van de EU te garanderen;

37.  dringt er bij alle actoren op aan de inspectie- en toezichtactiviteiten op elkaar af te stemmen om de beschikbare middelen efficiënter te gebruiken; benadrukt ook de waarde van een systematischer gebruik van collegiale toetsingen, zoals de Commissie heeft aangegeven; benadrukt dat het noodzakelijk is de bestaande inspecties aan te vullen met nauwere samenwerking en collegiale toetsingen tussen de inspectiediensten; moedigt het Netwerk van de Europese Unie voor de implementatie en handhaving van de milieuwetgeving (IMPEL) aan hiertoe actie te ondernemen; verzoekt de Commissie bovendien om kennis en capaciteitsopbouw te bevorderen door de ondersteuning van netwerken van rechters en openbare aanklagers, en om in nauwe samenwerking met het Comité van de Regio's de economische en milieukosten ingevolge de niet-naleving te verminderen en een gelijk speelveld te garanderen;

38.  dringt er bij de Commissie op aan een inspectie-eenheid inzake milieuwetgeving in te stellen, die tot taak heeft toezicht te houden op en te helpen bij de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving; dringt erop aan dat deze eenheid nieuwe technologieën gaat gebruiken en gaat samenwerken met lokale agentschappen om de inspectiekosten laag te houden; is van mening dat deze eenheid op basis van kostprijs moet opereren en dat de inkomsten aan de EU-begroting moeten worden toegewezen en moeten worden gereserveerd voor diensten in verband met een betere tenuitvoerlegging;

39.  moedigt de lidstaten aan correlatietabellen op te stellen en te publiceren waarin de omzetting van de EU-richtlijnen in nationale wetgeving wordt beschreven ten einde de transparantie en openheid van het wetgevingsproces te verbeteren en het voor zowel de Commissie als de nationale parlementen gemakkelijker te maken toezicht te houden op de juiste tenuitvoerlegging van EU-wetgeving;

40.  onderstreept dat rechters en openbare aanklagers een sleutelrol spelen bij de handhaving van de milieuwetgeving en dat het daarom van essentieel belang is dat zij met betrekking tot dit beleid goed worden opgeleid en geïnformeerd;

41.  benadrukt de belangrijke rol van de burgers in het tenuitvoerleggingsproces en dringt er bij de lidstaten en de Europese Commissie op aan hen op een gestructureerde manier bij dit proces te betrekken; wijst in dit verband tevens op het belang van de toegang van de burgers tot de rechter;

42.  verzoekt de Commissie en de lidstaten expliciet een duidelijk tijdsbestek af te bakenen waarbinnen een besluit moet worden genomen in rechtszaken met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving, opdat de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving en de vertraging bij rechtszaken niet als excuus worden gebruikt om naleving achterwege te laten en investeringen te belemmeren; verzoekt de Commissie te onderzoeken hoeveel investeringen zijn ingehouden ten gevolge van vertragingen in gerechtelijke procedures met betrekking tot onregelmatigheden bij de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving;

43.  onderstreept dat het van essentieel belang is dat de burgers en de NGO's al in een vroeg stadium actief worden geïnformeerd over het EU-milieubeleid om hen bij het opstellen en verwezenlijken van dergelijk beleid te betrekken; dringt er daarom op aan - ook met het oog op de bevindingen van de Groep van onafhankelijke belanghebbenden op hoog niveau inzake administratieve lasten - dat er in dit verband meer moeite wordt gedaan om het vertrouwen van het publiek in de EU-milieuwetgeving te vergroten, rekening houdend met het feit dat een beter milieu voor een beter bestaan niet eenzijdig door de instellingen kan worden gerealiseerd zonder de steun van de maatschappij zelf;

44.  Roept, met betrekking tot projecten met een eventuele grensoverschrijdende impact op het milieu, elke lidstaat ertoe op de betrokken bevolking en autoriteiten in andere lidstaten zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen en de maatregelen te treffen die nodig zijn om te waarborgen dat zij naar behoren worden geraadpleegd;

45.  dringt er bij de lidstaten op aan om de EU-milieuwetgeving op de meest heldere, simpele en gebruiksvriendelijke wijze toe te passen en de efficiëntie ervan te waarborgen.

46.  verzoekt de lidstaten verdere vooruitgang te boeken bij de volledige en correcte tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving en de goedgekeurde beleidslijnen en strategieën in het kader van het 7e Milieuactieprogramma en te zorgen voor voldoende capaciteit en middelen voor de volledige tenuitvoerlegging ervan, ook in tijden van besparingen, aangezien het niet of onvolledig ten uitvoer leggen van de EU-milieuwetgeving niet alleen onwettig is, maar de samenleving op lange termijn ook veel meer kost;

47.  onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat de wetgeving op het doel is afgestemd en het meest recente wetenschappelijk onderzoek weerspiegelt; verzoekt de EU en de lidstaten derhalve regelmatig te beoordelen of de EU-milieuwetgeving aan deze eisen voldoet en om deze, indien nodig, dienovereenkomstig aan te passen;

48.  erkent dat overeenstemming in eerste lezing kan leiden tot de ontoereikende tenuitvoerlegging van de wetgeving als de concrete inhoud nog in de uitvoeringsbepalingen moet worden omschreven; vraagt alle actoren derhalve te garanderen dat de besluitvorming gebaseerd is op een ondubbelzinnige politieke wil; benadrukt de behoefte aan duidelijke, samenhangende milieuwetgeving die is opgesteld op basis van feedback en openbare beleidsevaluaties;

49.  is van mening dat de Commissie in de EU-wetgeving richtlijnen moet blijven gebruiken zodat de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten de Europese wetgeving overeenkomstig hun eigen specifieke situatie ten uitvoer te kunnen leggen; vraagt de Commissie echter de reeds in haar voorstel uiteengezette steun verder te verhogen middels de in de effectbeoordeling bedoelde nadere studies of maatregelen;

50.  juicht de introductie van milieueffectbeoordelingen toe en verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de desbetreffende wetgeving beter ten uitvoer wordt gelegd, en dat daarbij met name beter rekening wordt gehouden met de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen en van bewoners, en van flora en fauna; is verontrust over het langzame tempo dat de lidstaten vaak aan de dag leggen bij de uitvoering van zulke effectbeoordelingen en dringt erop aan om bij de komende herziening van de desbetreffende richtlijn waarborgen in te voeren voor de onpartijdigheid en objectiviteit van deze beoordelingen;

o
o   o

51.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de Regio's en de parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0147.
(2) PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.
(3) PB C 15 van 18.1.2011, blz. 4.
(4) PB C 17 van 19.1.2013, blz. 30.
(5) PB C 103 E van 29.4.2004, blz. 626.
(6) BIOS-verslag (COM(2012)0095).
(7) Europese Commissie, Directoraat-generaal milieu „The costs of not implementing the environmental acquis” eindverslag, ENV.G.1/FRA/2006/0073, september 2011.
(8) 29ste jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2001) (COM(2012)0714).
(9) COM(2003)0624.

Juridische mededeling - Privacybeleid