Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2137(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0434/2012

Ingediende teksten :

A7-0434/2012

Debatten :

PV 13/03/2013 - 20

Stemmingen :

PV 14/03/2013 - 8.10
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0097

Aangenomen teksten
PDF 180kWORD 48k
Donderdag 14 maart 2013 - Straatsburg
De Betrekkingen EU-China
P7_TA(2013)0097A7-0434/2012

Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over de betrekkingen EU-China (2012/2137(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de diplomatieke betrekkingen tussen de EU en China die in mei 1975 zijn aangeknoopt,

–  gezien het voornaamste rechtskader voor de betrekkingen met China, namelijk de handels- en economische samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en China van mei 1985(1), die betrekking heeft op de economische en handelsrelaties en het samenwerkingsprogramma EU-China,

–  gezien de onderhandelingen over een nieuwe partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst die sinds 2007 worden gevoerd,

–  gezien het in 2003 gelanceerde strategische partnerschap EU-China,

–  gezien de gestructureerde EU-China politieke dialoog, die officieel is ingevoerd in 1994, en de strategische dialoog op hoog niveau over strategische kwesties en kwesties inzake buitenlands beleid, ingevoerd in 2010,

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 24 oktober 2006 aan de Raad en het Europees Parlement „EU – China: Hechtere partners, groeiende verantwoordelijkheden” (COM(2006)0631),

–  gezien de beleidsnota van de Commissie „Op weg naar een volwassen partnerschap: gezamenlijke belangen en taken in de betrekkingen tussen de EU en China” (COM (2003) 0533), die is bekrachtigd door de Europese Raad op 13 oktober 2003,

–   gezien de beleidsrichtsnoeren voor Oost-Azië van de Raad,

–  gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 11-12 december 2006 getiteld „Strategisch partnerschap EU-China”,

–  gezien het strategiedocument van de Commissie voor China 2007-2013, het indicatief meerjarenprogramma 2011-2013, en de tussentijdse evaluatie van het strategiedocument en de herziening van het meerjarig indicatief programma 2011-2013 van 2010,

–  gezien het allereerste beleidsdocument van China over de EU van 13 oktober 2003,

–  gezien de EU-China dialoog over de mensenrechten, gestart in 1995, en gezien de laatste twee rondes van de dialoog, de 30e ronde gehouden in Peking op 16 juni 2011 en de 31e ronde gehouden te Brussel op 29 mei 2012,

–  gezien de bijna 60 sectorale dialogen die tussen China en de Europese Unie lopen met betrekking tot onder meer het milieu, regionaal beleid, werkgelegenheid en sociale zaken, en het maatschappelijk middenveld,

–  gezien de instelling in februari 2012 van de intermenselijke dialoog op hoog niveau tussen de EU en China, die als kader dient voor alle gezamenlijke initiatieven van de EU en China op dit gebied,

–  gezien de overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de EG en China van december 1998, die in werking is getreden in 2000(2) en is vernieuwd in 2004 en 2009, de partnerschapsovereenkomst inzake wetenschap en technologie van 20 mei 2009, en de gezamenlijke verklaring EG-China over samenwerking op energiegebied van 8 december 2010,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst met China voor het satellietnavigatieprogramma Galileo van de EU, getekend op 30 oktober 2003,

–  gezien de 15e top EU-China, die heeft plaatsgevonden op 20 september 2012 in Brussel, en de gezamenlijke verklaring die aan het slot van de top is afgelegd,

–  gezien het partnerschap EU-China inzake klimaatverandering en de gemeenschappelijke verklaring over klimaatverandering van de 8e top EU-China in september 2005,

–  gezien de gezamenlijke verklaring over energiezekerheid van de EU en China van 3 mei 2012 in Brussel en gezien de 5e bijeenkomst van de Energiedialoog tussen de EG en China in november 2011,

–  gezien de China-EU rondetafelconferenties,

–  gezien het 18e Nationaal Congres van de Communistische Partij van China, dat van 8 tot 14 november 2012 plaatsvond, en de veranderingen in de leiding van het Permanent Comité van het Politburo waartoe het congres heeft besloten,

–  gezien zijn meest recente interparlementaire bijeenkomst met China, die heeft plaatsgevonden op 11 en 12 juli 2012 in Brussel,

–   gezien zijn recente resoluties over China, met name de resoluties van 23 mei 2012, getiteld „EU en China: handelsonevenwicht?”(3), van 2 februari 2012 over het buitenlands beleid van de EU ten aanzien van de BRIC-landen en andere opkomende wereldmachten: doelstellingen en strategieën(4), en van 12 september 2012 over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)(5),

–  gezien zijn resoluties van 7 september 2006 over de betrekkingen tussen de EU en China(6) en van 5 februari 2009 over de economische en handelsbetrekkingen met China(7),

–  gezien zijn resoluties van 21 januari 2010 over schendingen van de mensenrechten in China, met name de zaak van Liu Xiaobo(8), van 10 maart 2011 over de situatie en het cultureel erfgoed in Kashgar (Autonome Regio Xinjiang Oeigoer, China)(9), van 7 april 2011 over de het geval van Ai Weiwei(10), van 5 juli 2012 over het schandaal van gedwongen abortussen in China(11), van 26 november 2009 over China: de rechten van minderheden en de toepassing van de doodstraf(12), van 16 december 2010 over het jaarverslag over de mensenrechten in de wereld in 2009 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(13),

–  gezien het na de gebeurtenissen op het Tiananmen-plein in juni 1989 ingestelde wapenembargo van de EU, dat door het Parlement werd gesteund in zijn resolutie van 2 februari 2006 over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het gemeenschappelijk en buitenlands veiligheidsbeleid(14),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 juli 2005 over de betrekkingen tussen de EU, China en Taiwan en de veiligheid in het Verre Oosten(15),

–  gezien zijn eerdere resoluties over Tibet en de situatie van de mensenrechten in China, in het bijzonder zijn resoluties van 25 november 2010 over Tibet: plannen om het Chinees tot voornaamste onderwijstaal te maken(16), van 27 oktober 2011 over Tibet, met name zelfverbranding door nonnen en monniken(17), en van 14 juni 2012 over Tibet: de situatie van de mensenrechten(18),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0434/2012),

A.  overwegende dat het strategisch partnerschap EU-China van groot belang is voor de betrekkingen tussen de EU en China, en verder overwegende dat deze betrekkingen van groot belang zijn voor het vinden van antwoorden op wereldwijde problemen, zoals de mondiale en regionale veiligheid, de economische crisis, de regulering van het mondiale financiële en marktstelsel, de energiebevoorradingszekerheid, massavernietigingswapens en nucleaire non-proliferatie, klimaatverandering, de economische en sociale ontwikkeling van een markteconomie, de bevordering van de democratie en de mensenrechten, de bestrijding van georganiseerde misdaad, terrorisme en piraterij, alsook als kader voor het aanpakken van bilaterale kwesties tussen de EU en China;

B.  overwegende dat een strategisch partnerschap alleen mogelijk is indien sprake is van wederzijdse verantwoordelijkheid en een goed onderling vertrouwen, en dient te stoelen op universele waarden;

C.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en China zich sinds de ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst EU-China in 1985 sterk hebben ontwikkeld; overwegende dat de Commissie in 2006 haar centrale beleidsstrategie ten opzichte van China heeft aangenomen en in het kader daarvan in januari 2007 onderhandelingen is begonnen over een alomvattend partnerschaps- en samenwerkingsakkoord, teneinde de betrekkingen tussen de EU en China met name op het gebied van handel en investeringen verder te verbeteren;

D.  overwegende dat China een sociaal-economisch overgangsproces doormaakt van een uitgebreid model van een door de staat gecontroleerde economie naar een model gebaseerd op meer economische vrijheid, waardoor voor een groot deel van de Chinese bevolking een verhoging van de levensstandaard mogelijk is geworden;

E.  overwegende dat er evenwel geen soortgelijke vooruitgang is geboekt op het gebied van politieke vrijheden;

F.  overwegende dat de rechten van de mens universeel, onvervreemdbaar, ondeelbaar en onderling afhankelijk zijn; overwegende dat China meer gericht is op de economische en sociale rechten van de mens (zoals voedsel, kleding, economische ontwikkeling), terwijl de EU een bredere benadering heeft van de rechten van de mens, en daaronder uitdrukkelijk de burger en politieke rechten rekent (bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting, godsdienst, vereniging);

G.  overwegende dat Chinese burgerrechtactivisten hebben gerapporteerd over hun vrijheidsberoving toen zij onder begeleiding van de politie gedurende een aantal maanden verdwenen, zonder arrestatiebevel of aanklacht, en zonder enig contact met hun familie of rechtsbijstand;

H.  overwegende dat president Hu Jintao het hoogste niveau van de rechterlijke macht reeds in 2007 heeft opgedragen dat de rechters zich moeten laten leiden door drie 'soevereine machten': de partij, het volk en de wet, in deze volgorde, en dat het Chinese Ministerie van Justitie in maart 2012 heeft gedecreteerd dat alle advocaten een eed van trouw aan de Chinese communistische partij (CCP) moeten afleggen om hun vergunning te verkrijgen of te vernieuwen;

I.  overwegende dat het schokkende nieuws van half juni 2012 over de uiterst wrede gedwongen abortus van de ongeboren dochter van de zeven maanden zwangere Feng Jianmei de discussie over de afschaffing van de officiële eenkindpolitiek opnieuw heeft doen oplaaien;

J.  overwegende dat ondanks de vooruitgang van de Chinese overheid met de bevordering van een aantal economische en sociale rechten, de uitoefening van de rechten van vrije meningsuiting, vereniging, vergadering, pers en van de toetreding tot de vakbonden consequent wordt onderdrukt; overwegende dat mensenrechtenorganisaties ernstige schendingen van de mensenrechten door de Chinese autoriteiten blijven rapporteren, waaronder de veroordeling van bekende dissidenten, zoals de gevangen Nobelprijswinnaar voor de vrede Liu Xiaobo, uitgebreide beperkingen van de media- en internetvrijheid, aangescherpt toezicht op en intimidatie van advocaten, mensenrechtenactivisten en niet-gouvernementele organisaties, uitgebreide controle en onderdrukking van Oeigoeren, Tibetanen en hun vrijheden, en een toenemend aantal gedwongen verdwijningen en willekeurige detenties, ook in geheime, illegale detentiecentra die bekend staan als de „zwarte gevangenissen”; overwegende dat het repressieve beleid tegen de fundamentele vrijheden van Tibetanen in de afgelopen jaren heeft geleid tot een zorgwekkend aantal zelfverbrandingen;

K.  overwegende dat China een staat is die zich aangesloten heeft bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) en een permanent lid is van de VN-Veiligheidsraad; overwegende dat China door deze status de bijzondere plicht heeft om zijn internationale juridische verplichtingen uit hoofde van het ICCPR en het Handvest van de Verenigde Naties na te komen;

L.  overwegende dat Hu Jia, winnaar van de Sacharovprijs 2008, nog altijd onder huisarrest staat en onder uitgebreide controle en met beperkte communicatie;

M.   overwegende dat de Chinese staat slechts vijf religies erkent, namelijk het boeddhisme, het taoïsme, de islam en het christendom (zowel het katholicisme en het protestantisme); overwegende dat al deze religies gecentraliseerd bestuursorganen hebben met hun hoofdkantoor in Peking en ambtenaren die loyaal aan de CCP zijn; overwegende dat de CCP religieuze leiders benoemt en niet-goedgekeurde religieuze groeperingen, zoals Falun Gong, sinds 1999 heeft verboden als doel de uitroeiing van de praktijk; overwegende dat in vervolg op dit gebod mensenrechtenorganisaties melding hebben gemaakt van buitenwettelijke dwangmaatregelen, zoals willekeurige arrestaties, dwangarbeid en fysieke marteling, met soms de dood tot gevolg;

N.  overwegende dat de Autonome regio Tibet en andere autonome Tibetaanse regio's, en de Oeigoerse Autonome regio Xinjiang belangrijke gebieden voor de regionale, militaire en economische ambities van China zijn geworden en daarom door de huidige Chinese regering als centrale kwesties op het gebied van de 'territoriale integriteit' worden beschouwd; overwegende dat sinds 2009 ten minste 90 Tibetanen zich door zelfverbranding om het leven hebben gebracht in de Tibetaanse gebieden van de Volksrepubliek China, met inbegrip van de Tibetaanse Autonome Regio (TAR) en de Tibetaanse Autonome Gebieden in de provincies Gansu, Sichuan en Qinghai;

O.  overwegende dat de openstelling van de Chinese economie weliswaar grote voordelen heeft opgeleverd, zoals betere toegang tot de arbeidsmarkt en een daling van de werkloosheid op het platteland, maar dat niet alle lagen van de Chinese bevolking in gelijke mate van de sterke economische groei in het land hebben geprofiteerd en dat er grote verschillen tussen de stedelijke en de plattelandsgebieden van het land ontstaan;

P.  overwegende dat ongelijkheid in inkomen, toegang tot de arbeidsmarkt, sociale zekerheid, gezondheid en onderwijs tussen de stedelijke en de plattelandsbevolking een aanzienlijke uitdaging voor het beleid op het gebied van maatschappelijke samenhang voor China betekent;

Q.  overwegende dat de samenwerking tussen de EU en China op het gebied van wetenschap en technologie een zaak van gemeenschappelijk belang is; overwegende dat het internetgebruik in China enorm is toegenomen en er nu meer dan 500 miljoen gebruikers zijn, waardoor een publieke opinie online wordt gecreëerd; overwegende dat de internetomgeving desalniettemin zeer beperkt blijft;

R.  overwegende dat de EU de belangrijkste toeristische bestemming in de wereld is, dat naar verwachting 100 miljoen Chinezen tussen nu en 2020 buiten hun eigen land zullen gaan reizen en dat het dus zaak is initiatieven te ondersteunen die erop gericht zijn deze nieuwe toeristische stromen aan te boren;

S.  overwegende dat China de grootste kooldioxide-uitstoot ter wereld heeft en de emissies nog steeds snel toenemen; overwegende dat de CO2-uitstoot van China per hoofd van de bevolking 6,8 ton bedraagt in 2010 en naar verwachting de emissie per inwoner van VS al in 2017 zal inhalen;

T.  overwegende dat China zijn inspanningen met betrekking tot de op de markt gebaseerde systemen voor de handel in emissierechten opvoert; overwegende dat China in dit verband zeven proefprojecten uitvoert met als doel de invoering van een nationale regeling voor de emissiehandel in 2015;

U.  overwegende dat de 21e eeuw getuige is van de terugkeer van China als economische en handelsmacht op het wereldtoneel, dankzij de snelle groei van zijn economische macht en ondoorzichtige militaire opbouw;

V.  overwegende dat de EU zich in de context van de betrekkingen tussen de Volksrepubliek China en Taiwan aan haar één-China-beleid houdt;

W.  overwegende dat de positieve rol van de Volksrepubliek China in Zuidoost-Azië met betrekking tot de economische regionale groei en dynamiek steeds meer wordt overschaduwd door territoriale geschillen in de Zuid-Chinese Zee met Vietnam, Maleisië, Indonesië, Brunei, de Filippijnen en Taiwan, en in de Oost-Chinese Zee met Japan en Taiwan - gebieden die alle rijk zijn aan vis, maar ook aan olie- en gasreserves;

X.  overwegende dat China nauwe betrekkingen onderhoudt met Noord-Korea, waarbij Noord-Korea economisch grotendeels afhankelijk is van China, met een instroom van Chinees geld en toeristen die van vitaal belang zijn voor het voortbestaan van het regime van Pjongjang in zijn huidige vorm;

Y. overwegende dat China met Rusland, vier Centraal-Aziatische landen (Kazachstan, Kirgizstan, Tadzjikistan en Oezbekistan) en vier waarnemerslanden (India, Iran, Mongolië en Pakistan) samenwerkt in de Samenwerkingsorganisatie van Sjanghai (SCO); overwegende dat de komende tien jaar de Chinese investeringen in Centraal-Azië zullen stijgen van 20 miljard tot 100 miljard dollar, zoals is verklaard op de SCO-top in Peking op 6 juni 2012;

Z.  overwegende dat de nauwer wordende betrekkingen tussen Peking en Washington, in combinatie met de sterke financieel-economische banden tussen beide landen, tot de werkelijk belangrijke bilaterale banden in de wereld horen; overwegende dat Europa de belangrijkste handelspartner van China is;

AA.  overwegende dat nergens ter wereld de explosieve groei van China zichtbaarder is dan in Afrika en Latijns-Amerika; overwegende dat dit met name blijkt uit de indrukwekkende stijging met 80% van het onderlinge handelsvolume van China en Afrika, dat volgens cijfers van het Chinese Ministerie van Handel tussen 2009 en 2011 met 80% gestegen is tot USD 166,3 miljard; overwegende dat de Chinese directe investeringen in Afrika in 2011 met 58,9% zijn gestegen tot USD 1,7 miljard; overwegende dat de Chinese belangen in Afrika duidelijk worden wanneer men kijkt naar de belangrijke ontwikkelingsprojecten waarbij het land betrokken is, zoals spoorwegen, wegen en projecten op het gebied van sociaal welzijn;

Strategisch partnerschap EU-China en samenwerking met China

1.  schaart zich achter de publieke verbintenis die de EU en China tijdens hun Strategische Dialoog op hoog niveau van 9-10 juli 2012 in Peking zijn aangegaan om een goed voorbeeld van internationale samenwerking in de 21e eeuw te geven, gebaseerd op gedeelde belangen en onderling begrip; ondersteunt en stimuleert de bijna 60 sectorale dialogen tussen de EU en China in de overtuiging dat een verbeterde en sterk ontwikkelde samenwerking tot wederzijds voordeel zal strekken voor zowel de EU als China; dringt evenwel aan op intensivering van de dialoog op de gebieden mensenrechten, het milieu, veiligheid, energie en, in het bijzonder, de bestrijding van namaak, gezien de gevolgen ervan voor de gezondheid en de veiligheid; moedigt in het bijzonder inspanningen aan om actief naar synergieën te streven tussen het 12e Vijfjarenplan van China en de 2020-strategie van de Unie, met het oog op een verdieping van de pragmatische samenwerking op diverse gebieden; is daarnaast van mening dat het concept 'strategisch partnerschap' nauwkeuriger moet worden gedefinieerd; dringt erop aan dat de groei van de economische en handelsbetrekkingen met China gepaard gaat met aanzienlijke vooruitgang in de politieke dialoog over de mensenrechten en de rechtsstaat;

2.  verwacht dat de lidstaten de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO), en in het bijzonder zijn delegatie in Peking, een duidelijk mandaat zullen geven om het strategisch partnerschap EU-China te versterken door eensluidende standpunten in te nemen ten aanzien van de Chinese overheid, en zich te onthouden van de uitvoering van bilaterale initiatieven op het gebied van het buitenlandse beleid, die de inspanningen van de EDEO in gevaar kunnen brengen; vraagt de EU ten aanzien van China een langetermijnstrategie te ontplooien en zo te zorgen voor operationele coördinatie, zowel tussen de instellingen van de EU onderling, als tussen de EU en de lidstaten; verwacht van de Chinese autoriteiten op alle politieke niveaus dat zij het strategisch partnerschap EU-China versterken door een consistente en transparante toepassing van wederzijdse en internationale afspraken en regels;

3.  is verheugd over de afspraken die tijdens de 15e EU-China-top van 20 september 2012 in Brussel zijn gemaakt; dringt erop aan dat deze spoedig in de praktijk worden gebracht en uitgevoerd, hetgeen een versterking zou betekenen van de betrekkingen tussen de Unie en China;

4.   is ook verheugd over de afspraken die tijdens de 15e top EU-Chinazijn gemaakt, in het bijzonder betreffende onderhandelingen over een investeringsovereenkomst en over een regelmatige dialoog over defensie- en veiligheidskwesties;

5.  is van mening dat de betrekkingen tussen de EU en China, zowel op economisch en handelsgebied als inzake culturele en maatschappelijke vraagstukken, een van de belangrijkste factoren voor de ontwikkeling en verbetering van beide samenlevingen kunnen zijn en beschouwt deze samenwerking daarom als essentieel voor de belangen van beide partijen;

6.   is ingenomen met de start en de geslaagde eerste ronde van de intermenselijke dialoog op hoog niveau tussen de EU en China; uit zijn voldoening over de voortgang en resultaten van het Jaar van de Interculturele Dialoog EU-China, en neemt nota van de overeenkomst die op de 15e top EU-China is bereikt over een reeks vervolgacties op verschillende gebieden zoals onderwijs, cultuur, meertaligheid en jeugd;

7.  verzoekt de Commissie, de Raad en de bevoegde Chinese autoriteiten om samen met het Parlement de toeristische stromen vanuit China naar de EU te vergemakkelijken, door de visumprocedures voor Chinese staatsburgers te harmoniseren en te versnellen, in het bijzonder voor zakenmensen en congresgangers;

8.  is ingenomen met de oproep van beide partijen tijdens de 15e Top EU-China voor de lancering van een alomvattende dialoog EU-China op het juiste niveau over mobiliteit en migratie, en met de wederzijdse inzet om te blijven zoeken naar manieren om uitwisseling voor Chinese en EU-burgers te vergemakkelijken, met inbegrip van een wederzijdse vrijstelling van de visumplicht voor houders van een diplomatiek paspoort;

9.  onderstreept dat China niet alleen de tweede economie van de wereld is en de grootste exporteur in de wereldeconomie, maar ook een steeds belangrijkere politieke macht;

Binnenlandse situatie

10.  benadrukt dat China in de afgelopen decennia belangrijke sociale vorderingen heeft bereikt; onderstreept dat een dergelijke verbetering van de levensstandaard voor zo'n enorm land in zo'n korte tijd uniek is in de geschiedenis; merkt op dat de economische groei in China sinds 1990 meer dan een half miljard mensen uit de armoede heeft getild;

11.  is verheugd over het 12e Vijfjarenplan (2011-2015), goedgekeurd door het Nationale Volkscongres in maart 2012, dat een sterke aanpak beoogt van de negatieve neveneffecten van een ongekende periode van aanhoudend hoge economische groei, zoals de acute bedreigingen voor het milieu, regionale ongelijkheid, stijgende inkomensongelijkheid en voortgezette collectieve protesten rond sociale, economische en juridische grieven;

12.  wijst erop dat het belangrijk is om raakvlakken tussen de EU 2020-strategie en het Chinese 12e Vijfjarenplan te zoeken;

13.  verwelkomt het succesvolle Chinese economisch beleid, maar deelt de kritiek van onafhankelijke Chinese deskundigen en waarnemers dat deze trend ernstig wordt bedreigd door corruptieschandalen, een gebrek aan transparantie, en een 'rode aristocratie' van naaste familieleden van de voormalige en huidige partijleiders, die beschikken over enorme fortuinen dankzij hun politieke en economische connecties, een ernstige situatie die onlangs in de schijnwerpers kwam door de Bo Xilai-affaire;

14.  ziet uit naar de spoedige uitvoering van de herhaalde oproepen tot democratisering en politieke hervormingen binnen de CCP door het nieuwe leiderschap van de partij; is van mening dat alleen effectieve politieke hervormingen gericht op de vorming van inclusieve, democratische en verantwoordelijke instellingen, die de etnische, religieuze, politieke en sociale diversiteit van China weerspiegelen, de weg kunnen effenen voor duurzame groei en stabiliteit, en een eind kunnen maken aan de semi-onafhankelijke positie van autoritaire provinciale, districts- en lokale partijbazen, die de reputatie van China's nationale leiderschap zowel intern als extern ernstig schaden met hun machtsmisbruik, waarbij in het bijzonder wordt verwezen naar de uiterst kostbare en endemische gevallen van corruptie; is van oordeel dat dit soort gevallen moeten worden aangepakt door de introductie van mechanismen voor het afleggen van rekenschap, zoals onderkend door voorzitter Hu Jintao tijdens het 18e congres van de CCP in november 2012;

15.  deelt en steunt de krachtige afwijzing door Chinese advocaten van een verplichte eed van trouw aan de CCP met als argument dat het een aanval is op het gerechtelijk systeem in flagrante tegenspraak met de internationale rechtsnormen, omdat elke advocaat een eed zou moeten afleggen op de grondwet en geen trouw zou moeten zweren aan een politieke partij of organisatie;

16.  onderstreept dat, hoewel gedwongen abortussen strikt verboden zijn in China, ambtenaren van de gezinsplanning herhaaldelijk vrouwen dwingen tot onmenselijke praktijken zoals gedwongen abortus of sterilisatie; veroordeelt de zogenaamde 'heffing voor sociaal onderhoud', een vaak exorbitante boete die ouders moeten betalen in het geval van meer geboorten, zoals het geval was in de tragedie van Feng Jianmei; wijst erop dat uit officiële statistieken blijkt dat in 2011 8 400 klachten zijn binnengekomen over misdragingen door ambtenaren van de gezinsplanning; steunt de roep in China om beëindiging van de éénkindpolitiek met zijn vele achterdeurtjes, in het bijzonder in het licht van de demografische ontwikkeling in China, en benadrukt de ernstige schadelijke sociale en psychologische effecten ervan, zoals sociale scheefgroei, een groter wordende genderongelijkheid, een algemeen verspreid negatief sentiment over de geboorte van een meisje en het nog altijd groter wordende onevenwicht tussen het aantal jongens en meisjes, dat 'kleine keizertjes' creëert, de traditionele gezinsstructuur verstoort en de opname van jonge mensen op de arbeidsmarkt negatief beïnvloedt; dringt er bij de Chinese leiders op aan een oplossing voor dit probleem als een topprioriteit te beschouwen;

17.  neemt nota van de felle protesten van de werknemers van het bedrijf Foxconn en dringt aan op eerbiediging van de rechten van de werknemers; steunt de strijd voor behoorlijke lonen en arbeidsomstandigheden;

18.  is ingenomen met China's inspanningen om uiterlijk in 2015 een landelijk systeem van emissiehandel tot stand te brengen, dat in de toekomst kan worden geïntegreerd met andere koolstofhandelssystemen, met name het emissiehandelssysteem van de EU; merkt echter op dat China nog niet een volledig functionerende volwassen markteconomie heeft, hetgeen een duidelijke voorwaarde is voor een goed functionerend systeem voor emissiehandel;

19.  dringt er bij de Chinese regering op aan de meting van verontreinigende stoffen en emissies uit te breiden om het gebrek aan betrouwbare koolstofemissiegegevens te verhelpen, een betere juridische infrastructuur in te voeren en de capaciteitsopbouw op bestuurlijk niveau te vergroten; verwelkomt in dit verband de financieringsovereenkomst tussen de EU en China van 20 september 2012 ter bevordering van het milieu, de overgang naar een koolstofarme economie en een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in China;

20.  neemt kennis van het besluit van het bestuurshoofd van Hong Kong om de uitvoering van een controversieel nationaal onderwijsprogramma na massale demonstraties en wijdverspreide oppositie niet af te dwingen; dringt er bij de autoriteiten in Peking op aan het principe van „één land, twee systemen” volledig te eerbiedigen, in overeenstemming met de overeenkomst die is gesloten vóór de overdracht van de voormalige Britse kolonie aan de Volksrepubliek China; is verheugd over de hoge opkomst bij de recente verkiezingen van de Wetgevende Raad en verwacht dat het algemeen kiesrecht voor de verkiezing van de leden van deze vergadering op de kortst mogelijke termijn wordt ingevoerd;

Mensenrechten en democratie

21.  bewondert en steunt de moed en het activisme van de Chinese burgers die blijk geven van maatschappelijke verantwoordelijkheid door universeel erkende sociale en mensenrechten te bevorderen en te verdedigen, en alom bekende maatschappelijke gevaren en/of strafbare feiten, zoals corruptie, ambtsmisbruik, milieuschade, aidsbesmetting, voedselvergiftiging, bouwfraude met betrekking tot scholen, en illegale onteigening van grond en onroerend goed, die vaak door plaatselijke partijfunctionarissen worden gepleegd, aan de kaak te stellen en te corrigeren; hekelt alle gevallen van officiële represailles tegen deze Chinese burgers; dringt er bij de Chinese leiders op aan de burgerlijke verantwoordelijkheid voor de naleving van de sociale mensenrechten aan te moedigen en officieel vervolgde en gestrafte verdedigers van deze rechten te rehabiliteren; herinnert de Chinese leiders eraan dat zij zich strikt aan de nationale en internationale mensenrechtenwetgeving dienen te houden;

22.  steunt krachtig de kritische opmerkingen van de Chinese advocaten en juristen dat de vernederende detentie van verdachten van meer dan 15 dagen in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), dat China in oktober 1998 heeft ondertekend; maakt zich zorgen over het feit dat de Chinese regering nog altijd weigert het internationale verdrag inzake politieke rechten en burgerrechten te ratificeren; betreurt het feit dat volgens de nieuwe wet van strafvordering van 2013 de politie en staatsveiligheidsautoriteiten een verdachte zelfs meer dan 14 maanden kunnen vasthouden zonder bijstand van een advocaat; steunt ten volle de kritiek van Chinese juristen dat de politie de mogelijkheid heeft niet alleen om verdachten onder huisarrest te houden, maar ook om ze vast te houden krachtens een „arrestatie op een bepaalde plaats”; steunt alle initiatieven van Chinese juristen om de wet van strafvordering van de Volksrepubliek China echt te hervormen;

23.  dringt er bij China op aan te voldoen aan sociale minimumnormen; onderstreept dat het belangrijk is alle regels van de ILO, inclusief de regels die betrekking hebben op het recht op de vrije oprichting van onafhankelijke vakbonden, na te leven en snel uit te voeren; verwelkomt in dit verband de uitvoering van het arbeidscontractenrecht en dringt er op aan dat het wetgevingskader wordt aangevuld met een wet inzake collectieve arbeidsovereenkomsten; dringt er bij de Chinese autoriteiten en de Europese investeerders en bedrijven die actief zijn in China op aan om de internationale arbeidsnormen te eerbiedigen, en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en de naleving van de mensenrechten in China te waarborgen; is van mening dat de EU geen toegang tot de markt moet toestaan voor goederen die zijn geproduceerd met kinderarbeid of in productiefaciliteiten die de internationale arbeidsnormen en de mensenrechten ernstig schenden, zoals gevangeniswerkkampen;

24.  is van mening dat de onevenwichtigheden in de handel tussen de EU en China de bestaande verschillen qua maatschappelijk, economisch en democratisch model weerspiegelen; is van mening dat ook de niet-bestaande of gebrekkige naleving van bepaalde rechten in China hiertoe bijdraagt; acht het van belang dat een strategie wordt uitgewerkt voor de dialoog met China, waarbij van start wordt gegaan met de arbeidsmarktvraagstukken;

25.  vreest dat het aantal executies van gevangenen krachtens de Chinese doodstrafwetgeving, alsook de haast waarmee hun proces en daaropvolgende executie worden uitgevoerd, indruisen tegen de geest van het mensenrecht op een vrij en eerlijk proces, daar bij de snelheid die door de Chinese autoriteiten wordt toegepast procedurefouten en andere fouten over het hoofd gezien kunnen worden en dit kan leiden tot de executie van onschuldige mensen; is van mening dat de toepassing van de doodstraf in een ondoorzichtige gerechtelijk systeem, waarin volledige transparantie ontbreekt en de rechten van de gevangene nog steeds niet ontwikkeld zijn, een ernstige fout is; vraagt de Chinese autoriteiten hun beleid ten aanzien van de doodstraf te heroverwegen;

26.  onderstreept dat het strategisch partnerschap tussen de EU en China onder andere betrekking heeft op persvrijheid op basis van wederkerigheid, hetgeen inhoudt persvrijheid voor de Chinese media in Europa en persvrijheid voor de Europese media in China; verwacht van alle Europese instellingen dat zij dit fundamentele mensenrechtenbeginsel in hun contacten met hun Chinese (gespreks)partners krachtig verdedigen;

27.  betreurt het dat de Chinese autoriteiten toezicht en censuur uitoefenen op het internet; merkt bezorgd op dat de Chinese regering bezig is het toezicht op het internet te verscherpen door middel van een nieuwe wet die een verbod inhoudt op verraad van staatsgeheimen, het schaden van de nationale trots, het in gevaar brengen van de etnische eenheid van het land of het oproepen tot 'illegale protesten' of 'massabijeenkomsten'; constateert dat hiermee de deur open wordt gezet voor ongebreidelde censuur of vervolging; is bezorgd over het gebrek aan waarborgen in de nieuwe wet, waardoor de mogelijkheid bestaat dat er misbruik van wordt gemaakt; onderstreept dat de termen „illegale protesten” en „massabijeenkomsten” alleen gebruikt zouden moeten worden in situaties waarin een effectieve wet bestaat voor vreedzame en wettige protesten; moedigt de Chinese regering aan om de uiting van allerlei meningen op het internet, in de media en, meer in het algemeen, in de publieke sfeer toe te laten; herinnert eraan dat het recht op vrije meningsuiting op het internet onlangs door de VN-Mensenrechtenraad is erkend;

28.  maakt zich zorgen over de inwerkingtreding van nieuwe bepalingen inzake controle van het internet, die de sluiting van blogs legaliseren, maar ook in zware straffen voorzien voor bloggers, journalisten en advocaten die hen verdedigen;

29.  benadrukt dat in een land met meer dan 500 miljoen internetgebruikers, digitale vrijheden de enige weg zijn naar een bloeiende en ontwikkelde cyberspace; dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan de enorme cyberruimte die in hun land is ontwikkeld zowel veilig te stellen als te beschermen en hun inspanningen te richten op verbetering hiervan en niet op censuur en controle;

30.  erkent de belangrijke inspanningen van de Chinese regering om Tibet en Xinjiang economisch te ontwikkelen en de impact hiervan op nomadengemeenschappen en traditionele bestaanswijzen; dringt er bij de Chinese regering op aan op een politiek verantwoorde manier te handelen door de Tibetaanse en Oeigoerse bevolking op zinvolle wijze te betrekken bij bestuurskwesties zoals het beheer van hulpbronnen en het vaststellen van prioriteiten voor economische ontwikkeling, en culturele aspecten zoals taal en godsdient te respecteren in plaats van uit te wissen; wijst er met klem op dat de Chinese regering geen duurzame stabiliteit in Tibet of Xinjiang, of wederzijds respect tussen Chinezen, Tibetanen en Oeigoeren, tot stand zal kunnen brengen middels gedwongen assimilatie, culturele vernietiging en/of onderdrukking door de politie en veiligheidstroepen, maar alleen middels aandacht voor alle klachten van de inheemse bevolkingsgroepen, teneinde op die manier een daadwerkelijke gedeelde verantwoordelijkheid te creëren voor het welzijn van beide autonome provincies; dringt er bij de Chinese regering op aan een einde te maken aan het verbod voor onafhankelijke waarnemers om naar de regio's te komen;

31.  benadrukt dat er, ondanks een beleid van harde repressie, een religieuze opleving in China plaatsvindt, die blijkt uit de heropening of wederopbouw van talloze gebedsplaatsen; dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan op te houden met beleid en praktijken die het fundamentele recht van de burger op vrijheid van godsdienst en geloofsovertuiging beknotten;

32.  verzoekt de Chinese autoriteiten de protestantse huiskerken en ondergrondse katholieke kerken, alsook die van andere godsdiensten, officieel te erkennen; onderstreept in dit verband dat in het internationaal recht inzake mensenrechten de vrijheid van godsdient en geloof wordt erkend ongeacht de inschrijvingsstatus, d.w.z. dat inschrijving geen wettelijke voorwaarde voor godsdienstoefening mag zijn; veroordeelt ten stelligste alle pogingen van de autoriteiten om de niet-geregistreerde kerken van hun fundamentele recht op vrijheid van godsdienst te beroven door verplicht te stellen dat zij onder toezicht van door de staat gecontroleerde bestuursraden werken, door beslag te leggen op hun eigendom, en zelfs door toepassing van detentie en gevangenschap in een poging hen het zwijgen op te leggen, hetgeen hun religieuze autonomie aan banden legt en hun activiteiten ernstig beperkt;

33.  deelt de kritiek van Chinese juristen dat de fundamentele tekortkomingen van de Chinese wetsbepalingen over religie gelegen zijn in de grondwet, omdat het beginsel van de „vrijheid van godsdienst” als bepaald in de punten 1 en 2 van artikel 36 strijdig zijn met het principe van „beperkingen op de religie” in de punten 3 en 4, zonder dat wordt verduidelijkt welk beginsel voorrang heeft; sluit zich aan bij de oproep van de Chinese juristen om de vrijheid van godsdienst vast te leggen als het beginsel dat voorrang heeft in de grondwet;

34.  erkent de inspanningen om de doodstraf in China te controleren en zorgvuldig toe te passen, maar blijft bezorgd dat de Chinese regering nog steeds aan haar beleid vasthoudt om geen details vrij te geven over de aantallen gevangenen die jaarlijks worden geëxecuteerd, en informatie over de doodstraf als staatsgeheim te behandelen; dringt er voorts bij de Chinese autoriteiten op aan het gepolitiseerde gebruik van de doodstraf te stoppen en te zorgen voor procedurele waarborgen in zijn rechtsstelsel ter bescherming van de ter doodveroordeelden, met inbegrip van het recht op een eerlijk proces volgens de internationale normen;

35.  betreurt dat in het kader van de mensenrechtendialoog tussen de EU en China nog altijd geen echte vooruitgang wordt geboekt en geen concrete en zichtbare resultaten worden behaald; herinnert eraan dat bij de vaststelling van een nieuwe EU-mensenrechtenstrategie, de EU-ministers van Buitenlandse Zaken in juni 2012 hebben toegezegd dat de EU voortaan mensenrechtenkwesties in alle passende vormen van bilaterale dialoog, ook op het hoogste niveau, krachtig aan de orde zal stellen; verzoekt de onlangs benoemde speciale EU-afgezant voor mensenrechten, de EDEO, de Raad en de Commissie hun inspanningen op te voeren om dit proces nieuw leven in te blazen en deze dialoog effectiever en resultaatgericht te maken, waaronder middels voorbereidende bijeenkomsten met zowel internationale als lokale maatschappelijke organisaties en ngo's in aanwezigheid van de autoriteiten van beide partijen; is van mening dat een dergelijke dialoog moet worden opgenomen in alle contacten met ambtenaren van strategische partners, zoals China; benadrukt het belang om alle problemen met betrekking tot de mensenrechten en de rechtsstaat in China en de EU grondig aan te pakken; is van mening dat de EU-China topontmoetingen en besprekingen over de mensenrechten een serie transparante kwesties die moeten worden besproken en concrete criteria moeten inhouden; dringt er bij Catherine Ashton, de hoge vertegenwoordiger van de EU voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, op aan dat zij haar bezorgdheid over schendingen van de mensenrechten in China uitspreekt en in het openbaar verwijst naar concrete gevallen en kwesties die met Chinese ambtenaren in alle ontmoetingen zijn besproken; moedigt de ambtenaren van de EU-lidstaten aan op coherente en gecoördineerde wijze dezelfde lijn te volgen; dringt er bij EU-ondernemingen met activiteiten in China op aan te handelen volgens de VN-richtsnoeren inzake ondernemen en mensenrechten, en dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de naleving op de voet te volgen;

Betrekkingen tussen China en Taiwan

36.  herinnert aan het één-China-beleid van de EU: is ingenomen met de toenemende contacten tussen de Volksrepubliek China en Taiwan; benadrukt de verbetering in de betrekkingen tussen China en Taiwan, maar merkt op dat deze nog steeds ernstig worden ondermijnd door de Chinese raketten die op Taiwan gericht zijn en de internationale isolering van Taiwan door China; steunt Taiwan's zinvolle deelname aan internationale organisaties, zoals bekrachtigd door verklaring 9486/09 van de Raad van 8 mei 2009;

37.  is verheugd over de grote belangstelling van miljoenen Chinese burgers voor de presidents- en parlementsverkiezingen in Taiwan op 14 januari 2012, die voor het eerst direct op het internet konden worden gevolgd;

38.  is ingenomen met de sterke economische banden tussen het vasteland van China en Taiwan, alsook de nieuwe opening van Taiwan ten aanzien van Chinese toeristen en de culturele samenwerking; is van mening dat de internationalisering van handel en investeringen de beste waarborg zijn voor de stabiliteit van Taiwan; dringt er dan ook bij de Taiwanese regering op aan naast zijn investeringen in de Volksrepubliek China ook elders te investeren;

Externe situatie

39.  dringt er bij de Volksrepubliek China op aan haar mondiale positie op een meer verantwoorde manier te gebruiken, in het bijzonder in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, waar zij beschikt over een permanente zetel en het vetorecht; benadrukt in dit licht dat China moet stoppen zijn veto uit te spreken over resoluties in de VN-Veiligheidsraad die interventie in Syrië toestaan om de burgeroorlog te stoppen en het Syrische volk in staat te stellen de toekomst van hun land in een democratisch en vrij proces in eigen hand te nemen; onderstreept dat China zich ook in de G20 verantwoordelijk moet opstellen wat het aanpakken van de wereldwijde financiële crisis betreft, overeenkomstig de bijdrage van het land op mondiaal vlak, door zich te houden aan de WTO-regels en aan alle internationale overeenkomsten en verdragen die het land heeft ondertekend;

40.  dringt er bij de Volksrepubliek China op aan zich te binden aan de eerbiediging van het VN-Handvest en het internationaal recht in het nasterven van haar doelen in het buitenland;

41.  waardeert het dat China van de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad de grootste bijdrage levert aan vredestroepen, waarvoor vooral zijn snel moderniserende marine verantwoordelijk is; is in dit verband verheugd over de toegenomen samenwerking met de EU bij de bestrijding van piraterij in de Golf van Aden; vraagt China, als permanent lid van de VN-Veiligheidsraad, op verantwoordelijke wijze met de internationale gemeenschap samen te werken ten aanzien van belangrijke mondiale veiligheidskwesties, zoals de situatie in Syrië en Iran;

42.  erkent China's verantwoordelijkheid met betrekking tot het waarborgen van veiligheid voor zijn burgers en het op zich nemen van een rol van bevorderaar van vrede en stabiliteit in de wereld, en is ingenomen met zijn toegenomen participatie in de VN; dringt echter aan op meer transparantie en een nauwere samenwerking van China met de EU en de VN inzake deze kwesties, en op het vermijden van een geïsoleerde positie in de ontwikkeling van zijn buitenlands beleid;

43.  doet een beroep op China om zijn beleid van 'niet-inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van landen' te herzien in geval van ernstige schending van het internationaal humanitair recht;

44.  is verheugd over de in juli 2012 gestarte dialoog tussen de EU en China over defensie- en veiligheidsbeleid; stelt voor deze dialoog uit te breiden tot heel Oost- en Zuidoost Azië;

45.  verzoekt China een einde te maken aan de groeiende internationale ongerustheid over zijn niet-transparante militaire budget;

46.  onderstreept het mondiale belang van de Zuid-Chinese Zee, waar eenderde van de totale wereldhandel doorheen gaat; maakt zich zorgen om de toenemende spanning in het gebied en verzoekt alle betrokken partijen dan ook met klem af te zien van unilateraal beleid en unilaterale militaire acties, de toon te matigen en hun botsende territoriale claims in de Zuid-Chinese Zee op te lossen middels internationale geschilbeslechtingsmechanismen overeenkomstig het internationaal recht, in het bijzonder het VN-Verdrag betreffende het recht van de zee, met het oog op het waarborgen van regionale stabiliteit;

47.  maakt zich ernstige zorgen om de oplopende spanningen tussen China en Japan; doet met klem een beroep op China en Japan elkaar niet als vijand te beschouwen, en is teleurgesteld dat beide landen de 40e verjaardag van hun onderlinge diplomatieke betrekkingen niet hebben aangegrepen voor constructieve onderhandelingen;

48.  verzoekt alle betrokken partijen (China, Japan en Taiwan), op grond van het grote belang van de Europese Unie bij de veiligheid en stabiliteit in Oost-Azië, terughoudendheid te betonen en maatregelen te nemen om de situatie op de betwiste eilanden tot rust te brengen; dringt er bij alle betrokken partijen op aan geschillen vreedzaam te beslechten, in een geest van samenwerking en met eerbiediging van het internationaal recht, in het bijzonder het VN-Verdrag inzake het zeerecht, en afspraken te maken over de-escalatiemaatregelen voor gevallen waarin zich onvoorziene incidenten voordoen;

49.  neemt nota van het recente initiatief van Taiwan voor een consensus over een gedragscode voor de Oost-Chinese Zee en de invoering van een mechanisme voor alle partijen om samen te werken bij de exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen in de regio, met inbegrip van capaciteit voor de opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen;

50.  merkt op dat de rol van China in de samenwerking tussen de twee partijen op het Koreaanse schiereiland van vitaal belang is en roept de Volksrepubliek China op om actiever te streven naar een nauwere samenwerking tussen Noord en Zuid;

51.  merkt op en betreurt dat het voortbestaan van het dictatoriale en repressieve Noord-Koreaanse regime wezenlijk afhangt van China; is verheugd over de blijk van verantwoordelijkheid die China heeft gegeven door te stemmen voor een krachtige veroordeling door de VN-Veiligheidsraad op 15 april 2012 van de mislukte raketlancering door Noord-Korea, alom beschouwd als een poging tot een ballistische raket-test; hoopt dat China verantwoordelijkheid blijft nemen voor stabiliteit op het Koreaanse schiereiland, hoopt op een snelle hervatting van het zespartijenoverleg over de Noord-Koreaanse nucleaire dreiging, en vooral op een drastische verbetering van de dagelijkse levensomstandigheden van de Noord-Koreaanse burgers, die kan worden verwezenlijkt door Chinese stimuleringsmaatregelen;

52.  wijst op de groeiende rol van China in de Centraal-Aziatische regio, vanwege de handel en economische en energie-projecten; is van mening dat China een belangrijke rol kan spelen in de ontwikkeling van de landen van Centraal-Azië en doet een beroep op de Volksrepubliek China om betere betrekkingen tussen die landen te stimuleren, als een belangrijke stap in de richting van de regionale samenwerking; wijst erop dat de belangrijkste doelstellingen van China in de SCO zijn om vrede en stabiliteit in Centraal-Azië te bereiken door gezamenlijke bestrijding van de zogenaamde „drie kwaden”: extremisme, separatisme en terrorisme; wijst op het grote strategische en economische belang dat China in de regio heeft vanwege de exploitatie van de enorme olie- en gasreserves en door het aansluiten van Centraal-Azië op de kusstreek van China via de aanleg van spoorwegen en snelwegen;

53.  is ingenomen met de banden die zich ontwikkelen tussen China en Afghanistan, met voor het eerst in de geschiedenis besprekingen op het niveau van de hogere bestuurslagen; is van mening dat China een cruciale rol kan spelen in de stabilisering van Afghanistan via een 'zachte-macht'-aanpak en dringt aan op de ontwikkeling van een nauwe samenwerking tussen de EU en China over deze kwestie;

54.  merkt op dat de nieuwe Amerikaanse strategie van hernieuwde aandacht voor Azië door de Chinese leiders wordt gezien als een poging van de VS om de snelle economische en politieke opmars van China in te dammen; moedigt China en de Verenigde Staten aan spanningen en een wapenwedloop in de Stille Oceaan te vermijden; dringt er bij China op aan de vrijheid van het verkeer op zee te waarborgen;

55.  is van oordeel dat terdege rekening moet worden gehouden met de economische, sociale en milieugevolgen van de toenemende Chinese investeringen in ontwikkelingslanden;

56.  merkt op dat de toenemende Chinese aanwezigheid in Afrika heeft bijgedragen tot economische ontwikkeling, waarbij de nadruk vooral ligt op infrastructuurprojecten; constateert met voldoening dat de Chinese leiders de ernstige kritiek op hun onevenwichtige, op grondstoffen gerichte Afrikabeleid tijdens het Forum van de Chinees-Afrikaanse samenwerking (FOCAC), op 20 juli 2012 in Peking, ter harte hebben genomen, hetgeen blijkt uit de huidige duidelijke bevordering van een diversificatie van de Chinese activiteiten op het Afrikaanse continent; is verheugd over de belofte van staat- en partijleider Hu Jintao op deze FOCAC-bijeenkomst om de komende drie jaar een recordkrediet van 20 miljard dollar te verlenen aan Afrikaanse landen voor de ontwikkeling van hun infrastructuur, landbouw, industrie en kmo's; is verheugd over de steun die China heeft uitgesproken voor het Initiatief voor transparantie van winningsindustrieën (EITI) en moedigt de Chinese autoriteiten aan om de wereldwijde trend naar meer transparantie te volgen en hun concrete inzet op dit gebied te vergroten; verzoekt de Europese Unie waakzaam te blijven wat de politieke, economische, sociale en milieu-invloed van de toenemende Chinese investeringen in Afrika betreft;

57.  is bezorgd over het feit dat de toenemende Chinese aanwezigheid in Afrika heeft geleid tot ernstige sociale spanningen, maar is verheugd over het feit dat de Chinese bedrijven te kennen hebben gegeven dat zij bereid zijn meer nadruk te leggen op de sociale verantwoordelijkheid in hun Afrikaanse activiteiten; dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan om het beleid in Afrika te verankeren in de beginselen en eerbiediging van de mensenrechten, de bevordering van duurzame ontwikkeling en menselijke veiligheid;

58.  wijst op de groeiende aanwezigheid van China in de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen in Latijns-Amerika, waarbij de uitvoer van natuurlijke hulpbronnen naar China met meer dan 50% is gestegen;

59.  spoort China, de grootste uitstoter wereldwijd van CO2, aan om een proactievere en constructievere houding aan te nemen ter bevordering van de samenwerking van de mondiale gemeenschap om de klimaatverandering het hoofd te bieden; is ingenomen met het witboek dat de Chinese autoriteiten in november 2011 hebben gepubliceerd over de aangenomen beleidsmaatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering, en hoopt dat deze spoedig ten uitvoer worden gelegd;

60.  merkt op dat intermenselijke contacten een cruciale rol kunnen spelen in de ontwikkeling van een beter wederzijds begrip tussen China en de EU, alsmede tussen China en een aantal van haar andere partners, zoals de VS; verwelkomt in dit verband de programma's ter bevordering van de mobiliteit tussen China en de EU;

61.  verzoekt China de verbetering van de rechtszekerheid voor buitenlandse bedrijven, op grond van de beginselen gelijkheid, wederkerigheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen, tot een absolute prioriteit te maken;

o
o   o

62.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de EDEO, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de toetredende landen en kandidaat-lidstaten, de regering van de Volksrepubliek China, het Chinese Nationale Volkscongres, de regering van Taiwan en de Taiwanese wetgevende Yuan.

(1) PB L 250 van 19.9.1985, blz. 2.
(2) PB L 6 van 11.1.2000, blz. 40.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0218.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0017.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0334.
(6) PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 219.
(7) PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 132.
(8) PB C 305 E van 11.11.10, blz. 9.
(9) PB C 199 E van 07.07.12, blz. 185.
(10) PB C 296 E van 02.10.12, blz. 137.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0301.
(12) PB C 285 E van 21.10.10, blz. 80.
(13) PB C 169 E van 15.06.12, blz. 81.
(14) PB C 288 E van 25.11.2006, blz. 59.
(15) PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 471.
(16) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 118.
(17) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0474.
(18) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0257.

Juridische mededeling - Privacybeleid