Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 6 februari 2013 - Straatsburg
Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika uit hoofde van de GATT 1994: wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijsten van verbintenissen van de Republiek Bulgarije en Roemenië, in verband met hun toetreding tot de Europese Unie ***
 Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten *
 Transparantie van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik ***I
 Gemeenschappelijk visserijbeleid ***I
 Geluidsniveau van motorvoertuigen ***I
 Europees Vluchtelingenfonds, Europees Terugkeerfonds en Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen ***I
 Buitengrenzenfonds ***I
 Instandhouding van de visbestanden ***I
 Uitbanning en preventie van alle vormen van geweld jegens vrouwen en meisjes
 Europees innovatiepartnerschap voor actief en gezond ouder worden
 Voorbereidingen COP 16 CITES
 Richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2014 - overige afdelingen
 Maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei
 Maatschappelijk verantwoord ondernemen: het bevorderen van de belangen in de samenleving en de weg naar duurzaam en inclusief herstel

Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika uit hoofde van de GATT 1994: wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijsten van verbintenissen van de Republiek Bulgarije en Roemenië, in verband met hun toetreding tot de Europese Unie ***
PDF 200kWORD 19k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2013 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijsten van verbintenissen van de Republiek Bulgarije en Roemenië, in verband met hun toetreding tot de Europese Unie (12213/2012 – C7-0409/2012 – 2012/0167(NLE))
P7_TA(2013)0037A7-0430/2012

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (12213/2012),

–  gezien de ontwerpovereenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijsten van verbintenissen van de Republiek Bulgarije en Roemenië, in verband met hun toetreding tot de Europese Unie (12214/2012)),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0409/2012),

–  gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A7-0430/2012),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika.


Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten *
PDF 190kWORD 19k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2013 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2012)0709 – C7-0410/2012 – 2012/0335(NLE))
P7_TA(2013)0038A7-0010/2013

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2012)0709),

–  gezien artikel 148, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0410/2012),

–  gezien artikel 55 en artikel 46, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0010/2013),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.


Transparantie van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik ***I
PDF 425kWORD 73k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2013 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de openbare stelsels van gezondheidszorg (COM(2012)0084 – C7-0056/2012 – 2012/0035(COD))
P7_TA(2013)0039A7-0015/2013

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2012)0084),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0056/2012),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken over de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Oostenrijkse Nationale Raad en het Luxemburgse parlement, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 juli 2012(1),

–  gezien de artikelen 55 en 37 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0015/2013),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 februari 2013 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2013/.../EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de openbare stelsels van gezondheidszorg

P7_TC1-COD(2012)0035


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Richtlijn 89/105/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg(4) werd vastgesteld om een einde te maken aan verstoringen van de intracommunautaire handel in geneesmiddelen.

(2)  Teneinde rekening te houden met de ontwikkeling van de geneesmiddelenmarkt en met nationale beleidsmaatregelen ter beheersing van de overheidsuitgaven voor geneesmiddelen zijn ingrijpende wijzigingen van alle belangrijke bepalingen van Richtlijn 89/105/EEG noodzakelijk. Omwille van de duidelijkheid dient Richtlijn 89/105/EEG derhalve ingetrokken te worden en vervangen door deze richtlijn.

(3)  De wetgeving van de Unie voorziet in een geharmoniseerd kader voor de vergunningverlening voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik. Overeenkomstig Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik(5), mogen geneesmiddelen slechts op de markt worden gebracht in de Unie, nadat zij een vergunning voor het in de handel brengen hebben gekregen op grond van de evaluatie van hun kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid.

(4)  De lidstaten zijn in de afgelopen decennia geconfronteerd met gestaag toenemende uitgaven aan geneesmiddelen, wat heeft geleid tot de invoering van steeds meer innovatieve en complexe beleidsmaatregelen ter beheersing van het verbruik van geneesmiddelen in het kader van hun openbare stelsel van gezondheidszorg. In het bijzonder hebben de autoriteiten van de lidstaten een brede reeks maatregelen ingevoerd om het voorschrijven van geneesmiddelen te beheersen, hun prijzen te reguleren of de voorwaarden voor overheidssteun aan geneesmiddelen vast te stellen. Dergelijke maatregelen hebben hoofdzakelijk als doel de volksgezondheid voor alle burgers te bevorderen door de beschikbaarheid van voldoende doeltreffende geneesmiddelen onder gelijke voorwaarden voor alle burgers van de Unie tegen redelijke kosten te waarborgen en tegelijkertijd de financiële stabiliteit van openbare stelsels vangelijke toegang voor allen tot gezondheidszorg van hoge kwaliteit te waarborgen. Deze maatregelen dienen tevens te zijn gericht op de bevordering van onderzoek naar, ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen en medische innovatie. Geneesmiddelen die op de WHO-lijst als essentieel zijn aangemerkt, dienen voor patiënten in alle lidstaten beschikbaar te zijn, ongeacht de omvang van de markt.[Am. 3]

(4 bis)  Om de toegankelijkheid van geneesmiddelen voor patiënten in de hele Unie en het daadwerkelijke vrije verkeer van goederen te garanderen, is het noodzakelijk dat de lidstaten weldoordacht gebruik maken van internationale prijsvergelijkingen, met name door zich te richten op lidstaten met een vergelijkbaar inkomstenniveau. In het verleden is gebleken dat een ongedifferentieerd gebruik van internationale prijsvergelijkingen tot tekorten in lidstaten met lagere prijsniveaus en bijgevolg tot een verminderde beschikbaarheid van geneesmiddelen leidt.[Am. 4]

(5)  Verschillen in nationale maatregelen kunnen de geneesmiddelenhandel binnen de Unie belemmeren of verstoren alsmede de mededinging verstoren, wat een directe invloed heeft op de werking van de interne geneesmiddelenmarkt.

(6)  Om de effecten van de verschillen op de interne markt te verminderen moeten nationale maatregelen voldoen aan minimumvormvoorschriften waardoor de partijen in kwestie kunnen controleren of deze maatregelen geen kwantitatieve beperkingen voor de invoer of uitvoer van geneesmiddelen inhouden of maatregelen met een gelijkwaardig effect. Tevens dienen deze minimumvormvoorschriften voor de bevoegde autoriteiten rechtszekerheid en transparantie te waarborgen bij het nemen van beslissingen omtrent de prijsstelling van geneesmiddelen en de opneming ervan in openbare stelsels van gezondheidszorg, het bevorderen van de productie van geneesmiddelen, het bespoedigen van het op de markt brengen van generieke geneesmiddelen en het aanmoedigen van onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot nieuwe geneesmiddelen. Echter, deze eisen mogen niet van invloed zijn op het beleid van die lidstaten die voor de prijsstelling van geneesmiddelen hoofdzakelijk afhankelijk zijn van vrije mededinging. Ook mogen ze niet van invloed zijn op nationale beleidsmaatregelen inzake prijsstelling en op de vaststelling van socialezekerheidsstelsels, tenzij dit noodzakelijk is om transparantie in de zin van deze richtlijn te bereiken en de werking van de interne markt te waarborgen. [Am. 5]

(7)  Om de doeltreffendheid van de interne geneesmiddelenmarkt te waarborgen moet deze richtlijn van toepassing zijn op alle geneesmiddelen voor menselijk gebruik in de zin van Richtlijn 2001/83/EG.

(8)  Als gevolg van de grote verscheidenheid aan nationale maatregelen die het geneesmiddelengebruik regelen, de prijsstelling van die middelen reguleren of de voorwaarden voor overheidssteun van geneesmiddelen vaststellen moet Richtlijn 89/105/EEG verduidelijkt worden. Deze richtlijn moet met name gelden voor alle soorten maatregelen die door de lidstaten worden vastgesteld en die mogelijk van invloed zijn op de interne markt. Sinds de vaststelling van Richtlijn 89/105/EEG hebben de prijsstellings- en vergoedingsprocedures zich verder ontwikkeld en zijn zij complexer geworden. Terwijl sommige lidstaten een restrictieve uitleg hebben gegeven aan het toepassingsgebied van Richtlijn 89/105/EEG, heeft het Hof van Justitie bepaald dat die procedures inzake prijsstelling en vergoeding op grond van de doelstellingen van Richtlijn 89/105/EEG en de noodzaak om de doeltreffendheid ervan te waarborgen binnen het toepassingsgebied van die richtlijn vallen. Daarom moet die richtlijn de ontwikkelingen op het gebied van het nationale prijsstellings- en vergoedingsbeleid weerspiegelen. Aangezien bij overheidsopdrachten en vrijwillige contractuele overeenkomsten specifieke regels en procedures gelden, moeten nationale maatregelen die verband houden met overheidsopdrachten en vrijwillige contractuele overeenkomsten uitgesloten worden van het toepassingsgebied van deze richtlijn.

(8 bis)  In toenemende mate maken bevoegde autoriteiten en houders van een vergunning voor het in de handel brengen gebruik van contractuele overeenkomsten om patiënten toegang te bieden tot innoverende behandelingen door een geneesmiddel in de openbare stelsels van gezondheidszorg op te nemen en tegelijkertijd voor bepaalde tijd toezicht te houden op van tevoren overeengekomen elementen, teneinde met name te kunnen reageren op gebleken onzekerheden met betrekking tot de doeltreffendheid en/of relatieve werkzaamheid en het adequate gebruik van een bepaald geneesmiddel. Vaak is meer tijd nodig voor het bepalen van de voorwaarden van dergelijke contractuele overeenkomsten dan de vastgelegde termijnen, hetgeen rechtvaardigt dat deze overeenkomsten buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen. Zulke overeenkomsten dienen te worden beperkt tot therapeutische gebieden waar zij de toegang van patiënten tot innoverende geneesmiddelen daadwerkelijk zouden vergemakkelijken of mogelijk zouden maken, en zij zouden vrijwillig moeten blijven en niet van invloed mogen zijn op het recht van de houder van een vergunning voor het in de handel brengen om een aanvraag overeenkomstig deze richtlijn in te dienen.[Am. 6]

(9)  Elke maatregel ter regeling, zowel direct als indirect, van de prijzen van geneesmiddelen alsmede elke maatregel, met inbegrip van eventueel noodzakelijke aanbevelingen, ter bepaling van hun dekking door stelsels van gezondheidszorg moet worden gebaseerd op transparante, objectieve, verifieerbare criteria die onafhankelijk zijn van de herkomst van het geneesmiddel, en moet voorzien in adequate rechtsmiddelen, waaronder beroep op de rechter,overeenkomstig de nationale procedures, voor benadeelde bedrijven. Deze eisen moeten evenzeer van toepassing zijn op nationale, regionale of lokale maatregelen ter controle of bevordering van het voorschrijven van specifieke geneesmiddelen, aangezien dergelijke maatregelen ook bepalen in hoeverre ze feitelijk worden gedekt door het stelsel van gezondheidszorg. [Am. 7]

(9 bis)  De criteria die ten grondslag liggen aan besluiten welke de prijzen van geneesmiddelen rechtstreeks of onrechtstreeks regelen, alsmede maatregelen die bepalen in hoeverre geneesmiddelen vergoed worden door openbare stelsels van gezondheidszorg, moeten ook de evaluatie omvatten van onvervulde medische behoeften, van de klinische en maatschappelijke voordelen en van het innoverende karakter, zoals wordt gesteld in het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 juli 2012 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de openbare stelsels van gezondheidszorg(6). Dergelijke criteria moeten ook de bescherming van de meest kwetsbaarste bevolkingsgroepen omvatten.[Am. 8]

(10)  Aanvragen voor de goedkeuring van de prijs van een geneesmiddel of om te bepalen of het gedekt wordt door het openbare stelsel van gezondheidszorg, moeten niet leiden tot onnodige vertraging van het in de handel brengen van dat geneesmiddel. Het is derhalve wenselijk dat deze richtlijn verplichte termijnen vaststelt waarbinnen nationale beslissingen genomen moeten worden. Met het oog op de doeltreffendheid ervan moeten de voorgeschreven termijnen ingaan op het tijdstip van ontvangst van de aanvraag en eindigen op het tijdstip waarop de beslissing in kwestie in werking treedt. Ze moeten alle aanbevelingen en evaluaties door deskundigen omvatten, met inbegrip van, waar van toepassing, evaluaties van gezondheidstechnologie alsmede alle administratieve stappen die nodig zijn om de beslissing te nemen en rechtskracht te verlenen. [Am. 9]

(10 bis)  Om de naleving van deze termijnen te vergemakkelijken, kunnen aanvragers er baat bij hebben om de procedures voor de goedkeuring van een prijs of voor de opneming van een geneesmiddel in de openbare stelsels van gezondheidszorg nog vóór de officiële toekenning van een vergunning voor het in de handel brengen, op gang te brengen. Hiertoe kunnen de lidstaten de aanvragers toestaan om een aanvraag in te dienen zodra een positief advies is uitgebracht door het Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik of de nationale bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de procedure betreffende het verlenen van de vergunning voor het in de handel brengen, al naar gelang het geval. In dit geval gaan de termijnen in op het ogenblik van de officiële ontvangst van de vergunning voor het in de handel brengen. [Am. 10]

(10 ter)  De steun van de Unie aan samenwerking inzake evaluatie van gezondheidstechnologie overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg(7) heeft tot doel methodes voor evaluatie van gezondheidstechnologie te optimaliseren en te coördineren die uiteindelijk ook moeten leiden tot verkorting van de termijnen voor prijsstellings- en vergoedingsprocedures voor geneesmiddelen waarvoor de lidstaten evaluatie van gezondheidstechnologie inzetten als onderdeel van hun besluitvorming. Evaluatie van gezondheidstechnologie omvat met name informatie over de relatieve werkzaamheid alsook de doeltreffendheid op de korte en lange termijn, waar van toepassing, van gezondheidstechnologie, waarbij ook de ruimere economische en maatschappelijke voordelen van het beoordeelde geneesmiddel in aanmerking worden genomen, overeenkomstig de methodologie van de bevoegde autoriteiten. Evaluatie van gezondheidstechnologie is een multidisciplinair proces dat de informatie over de medische, maatschappelijke, economische en ethische kwesties die verband houden met het gebruik van gezondheidstechnologie op systematische, transparante, objectieve en grondige wijze samenvat. Doel ervan is aan te zetten tot de formulering van een veilig en doeltreffend gezondheidsbeleid dat gericht is op de patiënt en topkwaliteit nastreeft.[Am. 11]

(11)  De in Richtlijn 89/105/EEG vastgestelde termijnen voor de opneming van geneesmiddelen in de openbare stelsels van gezondheidszorg zijn volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie bindend. Uit ervaring is gebleken dat die termijnen niet altijd in acht worden genomen en dat daarom rechtszekerheid moet worden gewaarborgd en de procedurele voorschriften voor de opneming van de geneesmiddelen in de openbare stelsels van gezondheidszorg verbeterd moeten worden. Daarom moet er een doeltreffende en snelle rechtsmiddelenprocedure worden ingevoerd.

(12)  In haar mededeling van 8 juli 2009 met als titel „Executive Summary of the Pharmaceutical Sector Inquiry Report” („Samenvatting van het verslag over het sectorale onderzoek naar de farmaceutische sector”) toonde de Commissie aan dat prijsstellings- en vergoedingsprocedures het in de handel brengen van generieke of biosimilaire geneesmiddelen op de markten van de Unie vaak vertragen. Voor het goedkeuren van de prijs van generieke of biosimilaire geneesmiddelen en de opneming ervan in het openbare stelsel van gezondheidszorg zou geen nieuwe of gedetailleerde beoordeling nodig hoeven te zijn, wanneer het referentiegeneesmiddel reeds een prijs heeft en in het openbare stelsel van gezondheidszorg is opgenomen. Derhalve is het passend om voor generieke of biosimilaire geneesmiddelen in dergelijke gevallen kortere termijnen vast te stellen. [Am. 12]

(13)  De rechtsmiddelen die in de lidstaten beschikbaar zijn, hebben een beperkte rol gespeeld bij het waarborgen van de naleving van de termijnen vanwege de vaak langdurige procedures in nationale rechtsgebieden, waardoor benadeelde bedrijven afzien van de beschikbare rechtsmiddelen. Om deze reden zijn doeltreffende mechanismen nodig om een snelle regeling van inbreuken te waarborgen door middel van administratieve bemiddeling voordat het tot een rechtszaak komt en om naleving van de termijnen voor prijsstelling en de besluitvorming inzake vergoedingen te controleren en handhaven. Hiertoe kunnen de lidstaten een, eventueel reeds bestaande, administratieve instantie aanwijzen. [Am. 13]

(14)  De kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid van geneesmiddelen, met inbegrip van de bio-equivalentie van generieke en de biosimilariteit van biosimiliaire geneesmiddelen ten opzichte van het referentiegeneesmiddel, worden vastgesteld in het kader van de procedures voor de verstrekking van vergunningen voor het in de handel brengen. De lidstaten moeten derhalve In het kader van de proceduresbesluiten voor de prijsstelling en bepaling van de vergoeding moeten de bevoegde autoriteiten die voor die besluiten verantwoordelijk zijn, derhalve de essentiële aspecten waarop de vergunning voor het in de handel brengen berust, waaronder veiligheid, werkzaamheid of bio-equivalentie en biosimilariteit van het geneesmiddel, niet opnieuw beoordelen. In het geval van weesgeneesmiddelen zouden de bevoegde autoriteiten de criteria voor toekenning van de status van weesgeneesmiddel evenmin opnieuw moeten beoordelen. De bevoegde autoriteiten moeten evenwel onbeperkte toegang hebben tot de gegevens die de voor het in de handel brengen van een geneesmiddel bevoegde autoriteiten gebruiken, alsmede de mogelijkheid hebben om bijkomende relevante gegevens op te nemen of te genereren om een geneesmiddel te beoordelen in het licht van de opneming ervan in het openbare stelsel van gezondheidszorg.[Am. 14]

(14 bis)  Het niet opnieuw beoordelen van de elementen waarop de vergunning voor het in de handel brengen is gebaseerd in het kader van prijsstellings- en vergoedingsprocedures mag de bevoegde autoriteiten echter niet beletten gegevens die tijdens de vergunningsprocedure voor het in de handel brengen zijn verkregen, op te vragen, te onderzoeken en te gebruiken ten behoeve van beoordeling en evaluatie van gezondheidstechnologie . Wederzijdse beschikbaarstelling van gegevens tussen de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor vergunningen voor het in de handel brengen en voor prijsstelling en vergoeding moet op nationaal niveau mogelijk zijn indien dergelijke wederzijdse beschikbaarstelling bestaat. Ook moeten de bevoegde autoriteiten in staat zijn bijkomende relevante gegevens toe te voegen of te genereren ten behoeve van beoordeling en evaluatie van gezondheidstechnologie .[Am. 15]

(15)  Overeenkomstig Richtlijn 2001/83/EG houden intellectuele-eigendomsrechten geen reden in om een vergunning voor het in de handel brengen te weigeren, schorsen of in te trekken. Ook moeten aanvragen, besluitvormingsprocedures en beslissingen ter regeling van de prijzen van geneesmiddelen of ter bepaling van hun opneming in het openbare stelsel van gezondheidszorg worden beschouwd als administratieve procedures die, als zodanig, losstaan van de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten. De nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor deze procedures, mogen, wanneer zij een aanvraag beoordelen met betrekking tot een bio-equivalent generiek of biosimilair geneesmiddel, geen informatie eisen met betrekking tot de octrooistatus van het referentiegeneesmiddel; ook mogenwel zouden zij niet de geldigheid moeten kunnen onderzoeken van een vermeende inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten wanneer het bio-equivalente of biosimilaire generieke geneesmiddel geproduceerd of in de handel wordt gebracht ten gevolge van hun beslissing. DerhalveDeze bevoegdheid moet bij de lidstaten blijven berusten. Onverminderd de verantwoordelijkheid van de lidstaten om informatie te onderzoeken, mogen kwesties met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten ook geen invloed hebben op procedures inzake de prijsstelling en procedures inzake de vergoeding van generieke geneesmiddelen in de lidstaten noch deze vertragen. [Am. 16]

(15 bis)  De lidstaten voorzien in openbare beschikbaarheid van documenten en informatie in een adequate publicatie, overeenkomstig de nationale gewoonten, waaronder eventueel een elektronisch en on-line formaat. Zij moeten tevens zorgen dat de verschafte informatie begrijpelijk is en in een redelijke hoeveelheid ter beschikking wordt gesteld. De Commissie en de lidstaten moeten tevens onderzoeken hoe zij blijven samenwerken met betrekking tot de werking van de EURIPID-databank met prijsinformatie, die een meerwaarde voor de hele Unie oplevert, wat prijstransparantie betreft.[Am. 17]

(15 ter)  Het beginsel van transparantie, integriteit en onafhankelijkheid van de besluitvorming door de nationale bevoegde autoriteiten moet worden gewaarborgd door middel van openbaarmaking van de namen van de deskundigen die zitting hebben in de organen welke verantwoordelijk zijn voor het nemen van besluiten omtrent prijsstelling en vergoeding, tezamen met de openbaarmaking van hun belangenverklaringen en de procedurele stappen die leiden tot besluiten omtrent prijsstelling en vergoeding. [Am. 18]

(16)  Lidstaten hebben op regelmatige basis hun stelsels van gezondheidszorg gewijzigd of nieuwe maatregelen vastgesteld die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 89/105/EEG vallen. Het is derhalve noodzakelijk om informatiemechanismeneen informatiemechanisme vast te stellen diedat tot doel hebbenheeft om enerzijds de raadpleging van alle belanghebbenden, met inbegrip van maatschappelijke organisaties, zeker te stellen, en om anderzijds een preventieve dialoog met de Commissie over de toepassing van deze richtlijn mogelijk te maken. [Am. 19]

(17)  Aangezien het doel van deze richtlijn, namelijk voorzien in minimumregels voor transparantie om de werking van de interne markt te waarborgen, niet in voldoende mate kan worden bereikt door de lidstaten, gezien het feit dat het begrip transparantie verschillend wordt uitgelegd en toegepast in de individuele lidstaten en derhalve beter kan worden bereikt op het niveau van de Unie uit hoofde van de omvang van de maatregelen, kan de Unie maatregelen vaststellen, in overeenstemming met het beginsel van subsidiariteit als bepaald in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel bepaalde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(18)  In overeenstemming met de gemeenschappelijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtingen(8), laten de lidstaten, in gerechtvaardigde gevallen, de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld gaan van een of meer documenten waarin het verband tussen de componenten van een richtlijn en de overeenkomstige delen van nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de overdracht van dergelijke documenten gerechtvaardigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Hoofdstuk I

Toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale, regionale of lokale wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen ter controle van de prijzen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik of ter bepaling van het aanbod aan geneesmiddelen dat valt onder de stelsels van gezondheidszorg, met inbegrip van de dekkingsgraad en de voorwaarden voor vergoeding, voldoen aan de bepalingen van deze richtlijn. De lidstaten zien erop toe dat deze maatregelen op hun respectieve grondgebied niet nog eens op regionaal of lokaal niveau wordt herhaald.[Am. 20]

2.  Deze richtlijn is niet van toepassing op het volgende:

   a) vrijwillige contractuele overeenkomsten die vrijwillig gesloten zijn tussen overheidsinstanties en de houder van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddelen die tot doel hebben een geneesmiddel in een openbaar stelsel van gezondheidszorg op te nemen en tegelijkertijd toezicht te houden op door de twee partijen vooraf overeengekomen elementen met betrekking tot de doeltreffendheid en/of de relatieve werkzaamheid of het passende gebruik van het geneesmiddel in kwestie, met als doel de effectieve verstrekking van hetdat geneesmiddel aan patiënten onder specifieke voorwaarden en gedurende een overeengekomen periode mogelijk te maken; [Am. 21]
   b) nationale maatregelen bedoeld ter vaststelling van de prijzen of de dekking van geneesmiddelen door stelsels van gezondheidszorg waarop nationale of EU-wetgeving inzake overheidsopdrachten van toepassing is, met name Richtlijn 89/665/EEG van de Raad(9), Richtlijn 92/13/EEG van de Raad(10) en Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad.(11)

Deze richtlijn is van toepassing op maatregelen bedoeld om te bepalen welke geneesmiddelen in de overeenkomsten of overheidsopdrachten kunnen worden opgenomen. Overeenkomstig de Unie- en nationale wetgeving betreffende bedrijfsmatige vertrouwelijkheid wordt de basisinformatie met betrekking tot in contractuele overeenkomsten of procedures voor openbare aanbestedingen opgenomen geneesmiddelen, zoals de naam van het geneesmiddel en de naam van de houder van de vergunning voor het in de handel brengen, openbaar gemaakt zodra de overeenkomsten of procedures zijn afgerond.[Am. 22]

3.  Deze richtlijn laat het verbod onverlet om een geneesmiddel in de handel te brengen waarvoor de in artikel 6 van Richtlijn 2001/83/EG bedoelde handelsvergunning niet is afgegeven.

3 bis.  Deze richtlijn laat de afgifte van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel overeenkomstig de procedure zoals bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2001/83/EG onverlet.[Am. 23]

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

   1) „geneesmiddel”: een geneesmiddel zoals bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 2001/83/EG;
   2) „referentiegeneesmiddel”: een referentiegeneesmiddel zoals bedoeld in artikel 10, lid 2, onder a), van Richtlijn 2001/83/EG;
   3) „generiek geneesmiddel”: een generiek geneesmiddel zoals bedoeld in artikel 10, lid 2, onder b), van Richtlijn 2001/83/EG;
   3 bis) „biosimilair geneesmiddel”: een gelijkwaardig biologisch geneesmiddel dat is goedgekeurd overeenkomstig artikel 10, lid 4, van richtlijn 2001/83/EG;[Am. 24]
   4) „gezondheidstechnologie”: een gezondheidstechnologie zoals bedoeld in artikel 3, onder l), van Richtlijn 2011/24/EU ;
   5) „evaluatie van gezondheidstechnologie”: een evaluatie van ten minste de relatieve werkzaamheid of van de doeltreffendheid op de korte en lange termijn van het geneesmiddel ten opzichte van andere gezondheidstechnologieën of -interventies die worden toegepast bij de behandeling van de desbetreffende aandoening; [Am. 25]
   5 bis) „vrijwillige contractuele overeenkomst”: een overeenkomst gesloten tussen overheidsinstanties en de houder van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel, die noch verplicht of bij wet voorgeschreven is, noch het enige alternatief vormt voor opneming in de nationale regeling inzake prijsstelling en vergoeding;[Am. 26]
   5 ter) „kwetsbare groepen”: bevolkingsgroepen waarop maatregelen om te bepalen in hoeverre geneesmiddelen door de openbare stelsels van gezondheidszorg worden vergoed de grootste impact hebben, zoals kinderen, gepensioneerden, werklozen, personen die op weesgeneesmiddelen zijn aangewezen en chronisch zieken.[Am. 27]

Hoofdstuk II

Prijsstelling van geneesmiddelen

Artikel 3

Goedkeuring van een prijs

1.  Indien het in de handel brengen van een geneesmiddel alleen is toegestaan nadat de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat de prijs van het middel hebben goedgekeurd, zijn lid 2 tot en met lid 9 van toepassing.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de houder van een vergunning op enig moment een verzoek om goedkeuring van de prijs van het middel kan indienen nadat de vergunning voor het in de handel brengen van het product is verleend. De lidstaten kunnen de aanvrager van een vergunning voor het in de handel brengen ook de mogelijkheid bieden om een dergelijk verzoek voor de goedkeuring van een prijs in te dienen zodra het uit hoofde van verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau(12)opgerichte Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik of de bevoegde nationale autoriteit een positief advies heeft uitgebracht over het verlenen van een vergunning voor het in de handel brengen van het betrokken geneesmiddel. De bevoegde autoriteiten reiken een officiële ontvangstbevestiging uit aan de aanvrager binnen 10 dagen na ontvangst van het verzoek.[Am. 28]

3.  De lidstaten dragen er zorg voor dat een besluit over de prijs die voor het betrokken geneesmiddel mag worden gevraagd, wordt genomen en aan de aanvrager wordt medegedeeld binnen 60 dagen90 dagen na ontvangst van een aanvraag die, overeenkomstig de in de betrokken lidstaat gestelde eisen, door de houder van een vergunning is ingediend Voor geneesmiddelen waarvoor lidstaten als onderdeel van hun besluitvormingsproces gebruikmaken van een evaluatie van gezondheidstechnologie, geldt echter een termijn van 90 dagen. Voor generieke geneesmiddelen geldt een termijn van 15 dagen30 dagen, mits de prijs van het referentiegeneesmiddel door de bevoegde autoriteiten is goedgekeurd. Indien van toepassing, maken de lidstaten gebruik van de evaluatie van gezondheidstechnologie als deel van hun besluitvormingsproces over de prijsstelling van geneesmiddelen.[Am. 29]

4.  De lidstaten leggen nauwkeurig de door de aanvrager over te leggen bijzonderheden en documenten vast.

5.  Indien de bij de aanvraag gevoegde inlichtingen niet toereikend zijn, laten de bevoegde autoriteiten de aanvrager onverwijld tot in bijzonderheden weten welke aanvullende inlichtingen vereist zijn en nemen ze een definitief besluit binnen 60 dagen90 dagen na ontvangst van deze aanvullende inlichtingen. Voor geneesmiddelen waarvoor lidstaten als onderdeel van hun besluitvormingsproces gebruikmaken van een evaluatie van gezondheidstechnologie, geldt echter een termijn van 90 dagen. Voor generieke geneesmiddelen geldt in ieder geval een termijn van 15 dagen30 dagen, mits de prijs van het referentiegeneesmiddel door de bevoegde autoriteiten is goedgekeurd. De lidstaten vragen niet om aanvullende informatie die niet uitdrukkelijk is voorgeschreven krachtens nationale wetgeving of administratieve richtsnoeren.[Am. 30]

6.  Bij ontstentenis van een besluit binnen de in de leden 3 en 5 gestelde termijn mag de aanvrager het geneesmiddel tegen de voorgestelde prijs in de handel brengen.

7.  Indien de bevoegde autoriteiten besluiten het in de handel brengen van het betrokken geneesmiddel tegen de door de aanvrager voorgestelde prijs niet toe te staan, bevat het besluit een motivering die is gebaseerd op objectieve, verifieerbare criteria, inclusief een evaluatie, advies of aanbeveling van deskundigen, waarop het besluit is gebaseerd. De aanvrager wordt in kennis gesteld van alle rechtsmiddelen die hem ter beschikking staan, waaronder beroep op de rechter, en van de daarvoor gestelde termijnen.

8.  De lidstaten maken in een passende publicatie de criteria bekend die door de bevoegde autoriteiten zullen worden gehanteerd wanneer zij de prijzen van geneesmiddelen goedkeuren. Deze criteria alsmede informatie over de besluitvormingsautoriteiten op nationaal of regionaal niveau worden openbaar gemaakt.[Am. 31]

9.  Indien de bevoegde autoriteiten besluiten de prijs van een specifiek genoemd geneesmiddel op eigen initiatief te verlagen, dient het besluit een motivering te bevatten die is gebaseerd op objectieve, verifieerbare criteria, inclusief een evaluatie, advies of aanbeveling van deskundigen, waarop het besluit is gebaseerd. Het besluit wordt aan de houder van de vergunning medegedeeld, die in kennis wordt gesteld van de rechtsmiddelen die hem ter beschikking staan, waaronder beroep op de rechter, en van de daarvoor gestelde termijnen. Het besluit en een samenvatting van de motivering worden onverwijld openbaar gemaakt.[Am. 32]

Artikel 4

Prijsverhoging

1.  Onverminderd artikel 5 zijn, indien een verhoging van de prijs van een geneesmiddel alleen is toegestaan na voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteiten, leden 2 tot en met 6 van toepassing.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de houder van een vergunning op enig moment een verzoek tot verhoging van de prijs van het middel kan indienen overeenkomstig de nationale wetgeving. De bevoegde autoriteiten reiken een officiële ontvangstbevestiging uit aan de aanvrager binnen 10 dagen na ontvangst van het verzoek. [Am. 33]

3.  De lidstaten dragen er zorg voor dat een besluit overinzake goedkeuring of afwijzing van een verzoek tot verhoging van de prijs van een geneesmiddel, dat overeenkomstig de in de betrokken lidstaat gestelde eisen door de houder van een vergunning is ingediend, binnen 60 dagen90 dagen na ontvangst wordt genomen en aan de aanvrager medegedeeld. [Am. 34]

In geval van een uitzonderlijk groot aantal aanvragen kan de in de eerste alinea gestelde termijn één keer worden verlengd met nog eens 60 dagen. De aanvrager wordt van een dergelijke verlenging in kennis gesteld voordat de in de eerste alinea gestelde termijn is verstreken.

4.  De lidstaten leggen nauwkeurig de door de aanvrager te overleggen bijzonderheden en documenten vast.

De aanvrager verschaft de bevoegde autoriteiten de nodige informatie, met inbegrip van bijzonderheden over de factoren die sedert de laatste prijsstelling voor het geneesmiddel zijn opgetreden en die volgens hem de prijsverhoging rechtvaardigen. Indien de bij de aanvraag gevoegde informatie niet toereikend is, laten de bevoegde autoriteiten de aanvrager onverwijld tot in bijzonderheden weten welke aanvullende informatie vereist is en nemen ze hun definitieve besluit binnen 60 dagen90 dagen na ontvangst van deze aanvullende informatie. De lidstaten zullen niet om aanvullende informatie vragen die niet uitdrukkelijk is voorgeschreven krachtens nationale wetgeving of administratieve richtsnoeren.[Am. 35]

5.  Bij ontstentenis van een besluit binnen de in de leden 3 en 4 gestelde termijn mag de aanvrager de voorgestelde prijsverhoging toepassen.[Am. 36]

6.  Indien de bevoegde autoriteiten besluiten de aangevraagde prijsverhoging in het geheel niet of slechts gedeeltelijk toe te staan, bevat het besluit een motivering die is gebaseerd op objectieve, verifieerbare criteria en wordt de aanvrager in kennis gesteld van alle rechtsmiddelen die hem ter beschikking staan, waaronder beroep op de rechter, en van de daarvoor gestelde termijnen.

Artikel 5

Prijsblokkering en prijsverlaging

1.  Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een prijsblokkering of een prijsverlaging invoeren voor alle geneesmiddelen of bepaalde categorieën geneesmiddelen, publiceert de lidstaat een motivering die is gebaseerd op objectieve, verifieerbare criteria, inclusief in voorkomende gevallen een verantwoording van de categorieën geneesmiddelen waarop de prijsblokkering of de prijsverlaging van toepassing is. De lidstaten voeren een jaarlijkse evaluatie uit van die beslissingen van hun bevoegde autoriteiten.[Am. 37]

2.  Houders van een vergunning kunnen verzoeken om een afwijking van een prijsblokkering of prijsverlaging, indien dit door bijzondere redenen gerechtvaardigd wordt. De aanvraag dient naar behoren met redenen te zijn omkleed. De lidstaten zien erop toe dat de houder van een vergunning op enig moment een verzoek om afwijking kan indienen. De bevoegde autoriteiten reiken een officiële ontvangstbevestiging uit aan de aanvrager binnen 10 dagen na ontvangst van het verzoek. [Am. 38]

3.  De lidstaten dragen er zorg voor dat een met redenen omkleed besluit over een verzoek zoals bedoeld in lid 2 binnen 60 dagen90 dagen na ontvangst van de aanvraag wordt genomen en aan de aanvrager wordt medegedeeld. Indien de bij de aanvraag gevoegde informatie niet toereikend is, laten de bevoegde autoriteiten de aanvrager onverwijld tot in bijzonderheden weten welke aanvullende informatie vereist is en nemen zij hun definitieve beslissing binnen 60 dagen90 dagen na ontvangst van deze aanvullende informatie. Indien de afwijking wordt goedgekeurd, maken de bevoegde autoriteiten onverwijld de toegestane prijsverhoging bekend. [Am. 39]

In geval van een uitzonderlijk groot aantal aanvragen kan de in de eerste alinea gestelde termijn één keer worden verlengd met nog eens 60 dagen. De aanvrager wordt van een dergelijke verlenging in kennis gesteld voordat de in de eerste alinea gestelde termijn is verstreken.

Artikel 6

Winstcontrole

Indien een lidstaat een stelsel invoert van directe of indirecte controle op de winstmarges van personen die verantwoordelijk zijn voor het in de handel brengen van geneesmiddelen, maakt de betrokken lidstaat de volgende inlichtingen bekend in een passende publicatie die hij aan de Commissie mededeelt:

   a) de methode of methoden die in de betrokken lidstaat worden gebruikt ter vaststelling van winstmarges:brutowinst en/of kapitaalrendement;
   b) de reikwijdte voor de winststreefcijfers van personen die verantwoordelijk zijn voor het in de handel brengen van geneesmiddelen in de betrokken lidstaat;
   c) de criteria aan de hand waarvan winststreefcijfers voor een voor het in de handel brengen van geneesmiddelen verantwoordelijke persoon worden vastgesteld, tezamen met de criteria aan de hand waarvan hem wordt toegestaan hogere winstmarges te behalen dan de voor hem vastgestelde streefcijfers in de betrokken lidstaat;
   d) het maximale winstpercentage dat een voor het in de handel brengen van geneesmiddelen verantwoordelijke persoon boven zijn streefcijfers is toegestaan in de betrokken lidstaat.

De in de eerste alinea bedoelde inlichtingen worden eenmaal per jaar of wanneer er zich ingrijpende veranderingen voordoen bijgewerkt.

Indien een lidstaat naast een stelsel van directe of indirecte winstcontrole een stelsel van controle op de prijzen van bepaalde typen geneesmiddelen hanteert die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het stelsel van winstcontrole, zijn de artikelen 3, 4 en 5 in voorkomend geval van toepassing op dergelijke prijscontroles. Deze artikelen zijn echter niet van toepassing indien de normale werking van een stelsel van directe of indirecte winstcontrole bij wijze van uitzondering de vaststelling van een prijs voor een individueel geneesmiddel ten gevolge heeft.

Hoofdstuk III

Dekking van geneesmiddelen door openbare stelsels van gezondheidszorg

Artikel 7

Opneming van geneesmiddelen in stelsels van gezondheidszorg

1.  Indien een geneesmiddel valt onder het openbare stelsel van gezondheidszorg, zijn de leden 2 tot 8 alleen van toepassing wanneer de bevoegde autoriteiten hebben besloten het betrokken geneesmiddel op te nemen in dat stelsel.

2.  De lidstaten zien erop toe dat een verzoek om opneming van een geneesmiddel in het openbare stelsel van gezondheidszorg te allen tijde door de vergunninghouder mag worden ingediend nadat de vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel is verleend.Indien het openbare stelsel van gezondheidszorg uit meerdere stelsels of categorieën bestaat, heeft de vergunninghouder het recht een verzoek in te dienen om opneming van zijn geneesmiddel in het stelsel of de categorie van zijn keuze.De lidstaten kunnen de aanvrager van een vergunning voor het in de handel brengen ook de mogelijkheid bieden om een dergelijk verzoek om opneming in te dienen zodra het uit hoofde van verordening (EG) nr. 726/2004 opgerichte Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik of de bevoegde nationale autoriteit een positief advies heeft uitgebracht over het verlenen van een vergunning voor het in de handel brengen van het betrokken geneesmiddel. De bevoegde autoriteiten reiken een officiële ontvangstbevestiging uit aan de aanvrager binnen 10 dagen na ontvangst van het verzoek. [Am. 40]

3.  De lidstaten leggen nauwkeurig de door de aanvrager over te leggen bijzonderheden en documenten vast.

4.  De lidstaten dragen er zorg voor dat een besluit over een verzoek om opneming van een geneesmiddel in het openbare stelsel van gezondheidszorg, dat overeenkomstig de in de betrokken lidstaat gestelde eisen door de vergunninghouder is ingediend, binnen 60 dagen90 dagen na ontvangst wordt genomen en aan de aanvrager medegedeeld. Wanneer het besluitvormingsproces van de lidstaten echter een evaluatie van gezondheidstechnologie omvat, bedraagt de termijn voor de betrokken geneesmiddelen 90 dagen. Voor generieke geneesmiddelen bedraagt de termijn 15 dagen30 dagen, op voorwaarde dat het referentiegeneesmiddel al in het openbare stelsel van gezondheidszorg is opgenomen. Indien van toepassing, maken de lidstaten gebruik van de evaluatie van gezondheidstechnologie als deel van hun besluitvormingsproces over de opneming van geneesmiddelen in het openbare stelsel van gezondheidszorg.[Am. 41]

5.  Indien de bij de aanvraag gevoegde inlichtingen niet toereikend zijn, laten de bevoegde autoriteiten de aanvrager onverwijld tot in bijzonderheden weten welke aanvullende inlichtingen vereist zijn en nemen ze een definitief besluit binnen 60 dagen90 dagen na ontvangst van deze aanvullende inlichtingen. Wanneer het besluitvormingsproces van de lidstaten echter een evaluatie van gezondheidstechnologie omvat, bedraagt de termijn voor de betrokken geneesmiddelen 90 dagen. Voor generieke geneesmiddelen bedraagt deze termijn 15 dagen30 dagen, op voorwaarde dat het referentiegeneesmiddel al in het openbare stelsel van gezondheidszorg is opgenomen. De lidstaten eisen geen aanvullende inlichtingen die niet uitdrukkelijk door nationale wetgeving of administratieve richtsnoeren worden vereist.[Am. 42]

6.  Ongeacht de organisatie van hun interne procedures zien de lidstaten erop toe dat de in lid 5 van dit artikel vastgestelde procedure voor opneming en de in artikel 3 vastgestelde procedure voor goedkeuring van een prijs samen niet meer dan 120 dagen180 dagen vergen. Wanneer het besluitvormingsproces van de lidstaten echter een evaluatie van gezondheidstechnologie omvat, mag de termijn voor de betrokken geneesmiddelen niet meer dan 180 dagen bedragen. Voor generieke geneesmiddelen mag deze termijn niet meer dan 30 dagen60 dagen bedragen, op voorwaarde dat het referentiegeneesmiddel al in het openbare stelsel van gezondheidszorg is opgenomen. Deze termijnen mogen overeenkomstig lid 5 van dit artikel of lid 5 van artikel 3 worden verlengd. [Am. 43]

7.  Een besluit om een geneesmiddel niet op te nemen in het openbare stelsel van gezondheidszorg bevat een motivering die is gebaseerd op objectieve, verifieerbare criteria. Een besluit om een geneesmiddel op te nemen in het openbare stelsel van gezondheidszorg bevat een motivering die het besluit rechtvaardigt, inclusief de reikwijdte en voorwaarden van het toepassingsgebied van het geneesmiddel, en die is gebaseerd op objectieve, verifieerbare criteria.

De in de eerste alinea bedoelde besluiten bevatten ook een advies of aanbeveling van deskundigen waarop ze zijn gebaseerd. De aanvrager wordt in kennis gesteld van alle bemiddelings- en rechtsmiddelenprocedures die hem ter beschikking staan, met inbegrip van het beroep in rechte, van de rechtsmiddelenprocedure overeenkomstig artikel 8, en van de daarvoor gesteldeop deze procedures toepasselijke termijnen.

De criteria die gelden voor de in de eerste alinea bedoelde besluiten, omvatten een beoordeling van de medische behoeften waarin niet is voorzien en van de klinische en maatschappelijke baten, de innovatie en de bescherming van de kwetsbaarste bevolkingsgroepen.[Am. 44]

8.  De lidstaten maken in een passende publicatiedelen aan de Commissie de criteria bekendmede die de bevoegde autoriteiten moeten hanteren bij hun besluit om geneesmiddelen al dan niet in het openbare stelsel van gezondheidszorg op te nemen, en. Deze criteria alsmede informatie over de besluitvormingsautoriteiten op nationaal of regionaal niveau worden openbaar gemaakt.[Am. 45]

Artikel 8

Bemiddelings- en rechtsmiddelenproceduresprocedure bij niet naleving van de termijnen voor de opneming van geneesmiddelen in stelsels van gezondheidszorg

1.  De lidstaten waarborgen dat de aanvrager doeltreffende en snelle bemiddelings- en rechtsmiddelenprocedures ter beschikking staan, indien ongerechtvaardigde vertragingen ontstaan of de in artikel 7 vastgestelde termijnen niet worden nageleefd, overeenkomstig hun nationale wetgeving.

2.  Voor de toepassing van de bemiddelings- en rechtsmiddelenproceduresprocedure wijzenkunnen de lidstaten een administratieve instantie aanaanwijzen, die zij de bevoegdheid verlenen om

   a) zo snel mogelijk in kort geding voorlopige maatregelen te nemen om de beweerde inbreuk ongedaan te maken of te voorkomen dat de betrokken belangen verder worden geschaad.
   b) de aanvrager bij niet naleving van de in artikel 7 vastgestelde termijnen schadevergoeding toe te kennen, wanneer schadevergoeding wordt gevorderd, tenzij de bevoegde autoriteit kan bewijzen dat zij niet aansprakelijk is voor de vertraging;
   c) een dwangsom op te leggen, berekend per dag vertraging.
     Voor de toepassing van onder c) wordt de dwangsom berekend naargelang de ernst van de inbreuk, de duur van de inbreuk en de noodzaak ervoor te zorgen dat de boete zelf een afschrikkende werking heeft om verdere inbreuken te voorkomen.

De lidstaten mogen bepalen dat de in de eerste alinea bedoelde instantie rekening mag houden met de vermoedelijke gevolgen van eventuele maatregelen uit hoofde van dit lid voor alle belangen die kunnen worden geschaad, alsmede met het openbaar belang, en mag besluiten deze maatregelen niet toe te staan wanneer hun negatieve gevolgen groter dan hun voordelen zouden kunnen zijn.

3.  Een besluit om geen voorlopige maatregelen te nemen laat andere door de verzoeker ingeroepen rechten onverlet.

4.  De lidstaten waarborgen dat de door de voor de rechtsmiddelenprocedures verantwoordelijke instanties genomen besluiten op doeltreffende wijze kunnen worden gehandhaafd.

5.  De in lid 2 bedoelde instantie is onafhankelijk van de bevoegde autoriteiten die belast zijn met de controle van de prijzen van geneesmiddelen of de bepaling van het aanbod aan door de stelsels van gezondheidszorg gedekte geneesmiddelen.

6.  De in lid 2 bedoelde instantie motiveert haar besluit. Voorts wordt, wanneer die instantie geen rechterlijke instantie is, voorzien in procedures waarmee tegen de door de onafhankelijke instantie genomen vermoedelijk onwettige maatregelen of vermoede tekortkomingen bij de uitoefening van de haar opgedragen bevoegdheden, beroep kan worden ingesteld bij een andere instantie die een rechterlijke instantie is in de zin van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en die onafhankelijk is van zowel de bevoegde autoriteit als de in lid 2 bedoelde instantie.

Voor de benoeming en de beëindiging van het mandaat van de leden van de in lid 2 bedoelde instantie gelden dezelfde voorwaarden als voor rechters, wat betreft de voor de benoeming bevoegde autoriteit, de duur van hun mandaat en hun afzetbaarheid. Ten minste de voorzitter van die instantie heeft dezelfde juridische en beroepskwalificaties als een rechter. Die instantie neemt haar besluiten na een procedure op tegenspraak en deze besluiten zijn, met middelen die door elke lidstaat worden vastgesteld, juridisch bindend.[Am. 46]

Artikel 9

Uitsluiting van geneesmiddelen uit stelsels van gezondheidszorg

1.  Elke beslissing om een geneesmiddel uit te sluiten van dekking door het openbare stelsel van gezondheidszorg of om de dekkingsomvang of -voorwaarden van het betrokken product te wijzigen, omvat een motivering die gebaseerd is op objectieve, verifieerbare criteria. In dergelijke beslissingen worden een beoordeling van de medische behoeften waarin niet is voorzien, de klinische impact, de sociale kosten en de bescherming van de kwetsbaarste bevolkingsgroepen, alsmede alle evaluaties, adviezen of aanbevelingen van deskundigen waarop dergelijkede beslissingen gebaseerd zijn erin opgenomen. De aanvrager wordt in kennis gesteld van alle beschikbare rechtsmiddelen, met inbegrip van het beroep in rechte, en van de daarvoor gestelde termijnen. [Am. 47]

2.  Elke beslissing om een categorie van geneesmiddelen uit te sluiten van de dekking van het openbare stelsel van gezondheidszorg of om de dekkingsomvang of -voorwaarden van de betrokken categorie te wijzigen, omvat een motivering die gebaseerd is op objectieve, verifieerbare criteria en wordt gepubliceerd in een geschikte publicatie. [Am. 48]

2 bis.  Elke beslissing om een categorie geneesmiddelen uit te sluiten van de dekking van het openbare stelsel van gezondheidszorg wordt openbaar gemaakt, tezamen met een samenvatting van de motivering.[Am. 49]

Artikel 10

Classificatie van geneesmiddelen met het oog op de opneming ervan in stelsels van gezondheidszorg

1.  De leden 2, 3 en 4 zijn van toepassing wanneer geneesmiddelen gegroepeerd of ingedeeld worden volgens therapeutische of andere criteria met het oog op de dekking ervan door het openbare stelsel van gezondheidszorg.

2.  De lidstaten maken de objectieve, verifieerbare criteria bekend op basis waarvan geneesmiddelen ingedeeld worden met het oog op de opneming ervan in het openbare stelsel van gezondheidszorg, in een geschikte publicatie en delen deze mede aan de Commissie.

3.  Voor de geneesmiddelen die zo gegroepeerd of ingedeeld worden, maken de lidstaten de methodologieën bekend die gebruikt worden om de omvang of voorwaarden van hun opneming in het openbare stelsel van gezondheidszorg te bepalen, in een geschikte publicatie, en delen zij deze mede aan de Commissie.

4.  Op verzoek van de houder van een vergunning voor het in de handel brengen vermelden de bevoegde autoriteiten de objectieve gegevens op basis waarvan ze de dekkingsregelingen voor zijn geneesmiddel bepaald hebben krachtens de in de leden 2 en 3 bedoelde criteria en methodologieën. In dit geval informeren de bevoegde autoriteiten de houder van de vergunning voor het in de handel brengen eveneens over de beschikbare rechtsmiddelen, met inbegrip van het beroep in rechte, en van de daarvoor gestelde termijnen.

Artikel 11

Maatregelen om het voorschrijven van specifieke geneesmiddelen te controleren of te bevorderen

1.  Leden 2, 3 en 4 zijn van toepassing wanneer een lidstaat maatregelen treft die tot doel hebben het voorschrijven van specifiek aangewezen geneesmiddelen of een categorie geneesmiddelen te controleren of te bevorderen. [Am. 50]

2.  De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn gebaseerd op objectieve, verifieerbare criteria.

3.  De in lid 1 bedoelde maatregelen, met inbegrip van alle evaluaties, adviezen of aanbevelingen van deskundigen waarop ze gebaseerd zijn, worden gepubliceerd in een geschikte publicatie en ter beschikking gesteld van het publiek. [Am. 51]

4.  Bij een verzoek om het in de handel brengen van een geneesmiddel door een vergunninghouder wiens belangen of rechtspositie beïnvloed worden door de in lid 1 bedoelde maatregelen, vermelden de bevoegde autoriteiten de objectieve gegevens en criteria op basis waarvan deze maatregelen genomen werden met betrekking tot zijn geneesmiddel. In dit geval informeren de bevoegde autoriteiten de houder van de vergunning voor het in de handel brengen eveneens over alle beschikbare rechtsmiddelen, met inbegrip van het beroep in rechte, en van de daarvoor gestelde termijnen.

Hoofdstuk IV

Specifieke vereisten

Artikel 12

Doeltreffendheid van de termijnen

1.  De termijnen vastgelegd in de artikelen 3, 4, 5 en 7 worden opgevat als de periode tussen de ontvangst van een aanvraag of aanvullende informatie, al naar gelang van de situatie, en de effectieve inwerkingtreding van de desbetreffende beslissing. Alle deskundige evaluaties en administratieve stappen die nodig zijn om de beslissing te nemen en in werking te doen treden, worden binnen de voorgeschreven termijnen uitgevoerd.

1 bis.  Voor generieke geneesmiddelen omvatten de termijnen evenwel niet een bepaalde periode voor de indiening van een aanvraag en een bepaalde periode voor de daadwerkelijke inwerkingtreding van het desbetreffende besluit, op voorwaarde dat geen van deze perioden langer duurt dan één kalendermaand elk en dat deze perioden expliciet geregeld zijn door de nationale wetgeving of administratieve richtsnoeren.[Am. 52]

1 ter.  Als in het kader van de besluitvorming is voorzien in onderhandelingen tussen de houder van een vergunning voor het in de handel brengen en de bevoegde autoriteit, worden de in de artikelen 3, 4, 5 en 7 bedoelde termijnen opgeschort vanaf het moment waarop de bevoegde autoriteit haar voorstellen aan de houder van een vergunning voor het in de handel brengen meedeelt totdat zij de reactie van de houder van een vergunning voor het in de handel brengen op haar voorstellen ontvangt.[Am. 53]

Artikel 13

Aanvullend bewijs van kwaliteit, veiligheid, doeltreffendheid of bio-equivalentieNiet-herbeoordeling van essentiële elementen van de vergunning voor het in de handel brengen

1.  In het kader van de besluitvorming over prijsstelling en vergoedingen worden de essentiële elementen waarop de vergunning voor het in de handel brengen gebaseerd is, met inbegrip vanzoals de kwaliteit, veiligheid, werkzaamheid, doeltreffendheid en bio-equivalentie van het geneesmiddel, biosimilariteit en criteria voor de toekenning van de status van weesgeneesmiddel, niet opnieuw beoordeeld door de lidstatenbevoegde autoriteiten.

1 bis.  Lid 1 laat het recht van de bevoegde autoriteiten onverlet om volledige toegang te vragen en te verkrijgen tot gegevens die tijdens de vergunningsprocedure voor het in de handel brengen zijn gegenereerd met het oog op de beoordeling en evaluatie van gezondheidstechnologie, zodat zij de relatieve werkzaamheid, alsmede de doeltreffendheid op de korte en lange termijn, indien van toepassing, van een geneesmiddel in het licht van de opneming ervan in het openbare stelsel van gezondheidszorg kunnen beoordelen.

1 ter.  Ook moeten de bevoegde autoriteiten bijkomende gegevens kunnen toevoegen of genereren die voor de beoordeling van de geneesmiddelen relevant zijn.[Am. 54]

Artikel 14

Geen koppeling met intellectuele-eigendomsrechten

1.  Aanvragen, besluitvormingsprocedures en beslissingen om de prijzen van geneesmiddelen te regelen overeenkomstig artikel 3 of om dekking door het openbare stelsel van gezondheidszorg te bepalen overeenkomstig de artikelen 7 en 9, worden door de lidstaten als administratieve procedures beschouwd die als zodanig losstaan van de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.

2.  De bescherming van intellectuele-eigendomsrechten vormt geen geldige basis om beslissingen in verband met de prijs van een geneesmiddel of de opneming ervan in het openbare stelsel van gezondheidszorg te weigeren, op te schorten of te herroepen.

3.  De leden 1 en 2 zijn onverminderd de wetgeving van de Unie en de nationale wetgeving inzake de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten van toepassing.

Hoofdstuk V

Transparantiemechanismen

Artikel 15

Raadpleging van de belanghebbenden

Wanneer een lidstaat van plan is een wetgevingsmaatregel aan te nemen of te wijzigen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt, stelt ze de belanghebbenden, met inbegrip van maatschappelijke organisaties zoals patiëntenverenigingen en consumentenorganisaties, in staat om binnen een redelijke termijn hun zienswijze te geven over de ontwerpmaatregel. De bevoegde autoriteiten maken de regels bekend die van toepassing zijn op raadplegingen. De resultaten van de raadplegingen worden openbaar gemaakt, met uitzondering van vertrouwelijke informatie overeenkomstig Unie- en nationale wetgeving betreffende bedrijfsmatige vertrouwelijkheid. [Am. 55]

Artikel 15 bis

Transparantie van de besluitvormingsorganen en prijzen

1.  De lidstaten waarborgen dat de bevoegde autoriteiten die de prijzen van geneesmiddelen controleren of bepalen welke geneesmiddelen door de stelsels van gezondheidszorg worden vergoed, een regelmatig bijgewerkte lijst openbaar maken van de leden van hun besluitvormingsorganen, tezamen met hun belangenverklaringen.

2.  Lid 1 is tevens van toepassing op de in artikel 8, lid 2, bedoelde administratieve instantie.

3.  De bevoegde autoriteiten publiceren minstens eenmaal per jaar in een passende publicatie een volledige lijst van de door hun openbare stelsels van gezondheidszorg gedekte geneesmiddelen en de prijzen die gedurende de periode in kwestie zijn vastgesteld, en delen deze mee aan de Commissie. [Am. 56]

Artikel 16

Kennisgeving van nationale ontwerpmaatregelen

1.  Wanneer lidstaten van plan zijn een maatregel aan te nemen of te wijzigen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt, delen zij de geplande ontwerpmaatregel onmiddellijk mede aan de Commissie, samen met de redenering waarop de maatregel gebaseerd is.

2.  In voorkomend geval doen de lidstaten tegelijkertijd mededeling van de teksten van de in hoofdzaak en rechtstreeks betrokken wettelijke en bestuursrechtelijke basisbepalingen, indien kennis van die teksten noodzakelijk is om de gevolgen van de voorgestelde maatregel te beoordelen.

3.  De lidstaten delen de in lid 1 bedoelde ontwerpmaatregel opnieuw mede, indien ze wijzigingen aanbrengen in het ontwerp die de reikwijdte of inhoud ervan aanzienlijk veranderen of die het aanvankelijk geplande tijdschema voor de tenuitvoerlegging inkorten.

4.  De Commissie deelt haar opmerkingen binnen drie maanden mede aan de lidstaat die de ontwerpmaatregel heeft medegedeeld.

De betrokken lidstaat houdt zoveel mogelijk rekening met de opmerkingen van de Commissie, in het bijzonder als de opmerkingen aangeven dat de ontwerpmaatregel mogelijk onverenigbaar is met de wetgeving van de Unie.

5.  Wanneer de betrokken lidstaat de ontwerpmaatregel definitief aanneemt, deelt ze de definitieve tekst onverwijld mede aan de Commissie. Als de Commissie overeenkomstig lid 4 opmerkingen heeft gemaakt, wordt bij deze mededeling een verslag gevoegd over de acties die ondernomen werden in antwoord op de opmerkingen van de Commissie.[Am. 57]

Artikel 17

Verslag over de tenuitvoerlegging van de termijnen

1.  Uiterlijk 31 januari …(13), en uiterlijk 31 januari en 1 juli van elk daaropvolgend jaar verstrekken de lidstaten aan de Commissie en publiceren ze in een geschikte publicatie een gedetailleerd verslag met de volgende informatie: [Am. 58]

   a) het aantal aanvragen dat in de loop van het vorige jaar ontvangen werd overeenkomstig de artikelen 3, 4 en 7;
   b) hoeveel tijd uitgetrokken werd om een beslissing te nemen over elke ontvangen aanvraag overeenkomstig de artikelen 3, 4, en 7;
   c) zo nodig een analyse van de voornaamste redenen voor de vertragingen, samen met aanbevelingen om de besluitvormingsprocessen in overeenstemming te brengen met de in deze richtlijn vastgelegde termijnen.
     Met het oog op de eerste alinea, onder a), wordt er een onderscheid gemaakt tussen generieke geneesmiddelen waarvoor kortere termijnen gelden overeenkomstig de artikelen 3, 4 en 7 en andere geneesmiddelen.
     Met het oog op de eerste alinea, onder b), wordt elke opschorting van de procedure om aanvullende informatie te vragen aan de aanvrager, gerapporteerd met duidelijke vermelding van de duur van de opschorting en de gedetailleerde redenen voor de opschorting.

2.  De Commissie publiceert om de zes maandenieder jaar een verslag over de informatie die de lidstaten voorgelegd hebben overeenkomstig lid 1. [Am. 59]

Hoofdstuk VI

Slotbepalingen

Artikel 18

Omzetting

1.  De lidstaten dienen uiterlijk voor ...(14) de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de tekst van die bepalingen onverwijld mede aan de Commissie.

Ze passen die bepalingen toe vanaf ...(15)*.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen aan de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij vaststellen op het gebied dat onder deze richtlijn valt.

Artikel 19

Verslag over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn

1.  Voor ...(16) en daarna om de drie jaar zenden de lidstaten een verslag naar de Commissie over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

2.  Voor ...(17)* legt de Commissie een verslag over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn voor aan het Europees Parlement en de Raad. Bij het verslag kunnen alle passende voorstellen worden gevoegd.

Artikel 20

Intrekking

Richtlijn 89/105/EEG wordt ingetrokken vanaf ...(18)**.

De rechtsgevolgen van artikel 10 van Richtlijn 89/105/EEG blijven gehandhaafd.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn worden gelezen als verwijzingen naar deze richtlijn.

Artikel 21

Inwerkingtreding en toepassing

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 22

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter

(1) PB C 299 van 4.10.2012, blz. 81.
(2) PB C 299 van 4.10.2012, blz. 81.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 6 februari 2013.
(4) PB L 40 van 11.2.1989, blz. 8.
(5) PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67.
(6) PB C 299 van 4.10.2012, blz. 81.
(7) PB L 88 van 4.4.2011, blz. 45.
(8) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(9) Richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB L 395 van 30.12.1989, blz. 33).
(10) Richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 76 van 23.3.1992, blz. 14).
(11) Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114).
(12) PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1.
(13)* Het jaar volgend op de datum vermeld in artikel 18, lid 1, eerste alinea.
(14)* De laatste dag van de 12e maand volgend op de publicatie van deze richtlijn in het Publicatieblad van de Europese Unie.
(15)** De dag volgend op de dag vermeld in de eerste alinea.
(16)* Twee jaar na de datum vermeld in de tweede alinea van artikel 18, lid 1.
(17)** Drie jaar na de datum vermeld in de tweede alinea van artikel 18, lid 1.
(18)*** De datum vermeld in de tweede alinea van artikel 18, lid 1.


Gemeenschappelijk visserijbeleid ***I
PDF 871kWORD 179k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2011)0425 – C7-0198/2011 – 2011/0195(COD))
P7_TA(2013)0040A7-0008/2013

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0425),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0198/2011),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrondslag,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 28 maart 2012(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 4 mei 2012(2),

–  gezien de artikelen 55 en 37 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Begrotingscommissie, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie regionale ontwikkeling(A7-0008/2013),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  herinnert aan zijn resolutie van 8 juni 2011 over investeren in de toekomst: een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) voor een concurrerend, duurzaam en integratiegericht Europa(3); herhaalt dat er in het nieuwe MFK voldoende extra middelen nodig zijn om de Unie in staat te stellen haar bestaande beleidsprioriteiten evenals de nieuwe, in het Verdrag van Lissabon voorziene taken uit te voeren, en daarnaast te reageren op onvoorziene gebeurtenissen; verzoekt de Raad, indien hij het niet eens is met deze visie, duidelijk aan te geven welk van zijn politieke prioriteiten of projecten kunnen komen te vervallen, ongeacht hun bewezen Europese toegevoegde waarde;

3.  wijst erop dat de geraamde financiële impact van het voorstel slechts een indicatie is ten behoeve van de wetgevingsautoriteit, en niet kan worden vastgesteld zolang er geen overeenstemming is over het voorstel voor een verordening tot vaststelling van het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020;

4.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 februari 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 van de Raad en (EG) nr. 768/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 van de Raad en (EG) nr. 639/2004 van de Raad, en van Besluit 2004/585/EG van de Raad

P7_TC1-COD(2011)0195


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(4),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(5),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(6),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Bij Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad(7) is een communautaire regeling voor de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid vastgesteld.

(2)  Het gemeenschappelijk visserijbeleid is van toepassing op de instandhouding, het beheer en de exploitatie van mariene biologische hulpbronnen en op het beheer van de visserij daarop. Het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid omvat, in verband met marktmaatregelen en financiële maatregelen ter ondersteuning van de GVB-doelstellingen, tevens de biologische zoetwaterhulpbronnen en deactiviteiten in het kader van aquacultuur, en de verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten voor zover deze activiteiten worden uitgeoefend op het grondgebied van de lidstaten of in Uniewateren, inclusief door vissersvaartuigen die de vlag voeren van en geregistreerd zijn in derde landen, door vissersvaartuigen van de Unie of door onderdanen van de lidstaten, onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat en indachtig de bepalingen van artikel 117 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee. [Am. 2]

(3)  Het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) moet ervoor zorgen dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur bijdragen tot omstandigheden die vanuit ecologisch, economisch en sociaal gebied duurzaam op lange termijn zijn. Het GVB moet bovendien een bijdrage leveren tot een verhoging van de productiviteit ecologische, economische en sociale duurzaamheid op lange termijn. In het kader van het GVB moeten bovendien regels worden vastgesteld met het oog op de traceerbaarheid, veiligheid en kwaliteit van producten van de Unie en van importproducten, een billijke levensstandaard voor de visserijsector, voedselzekerheid en stabiele markten, en het GVB moet ervoor zorgen dat de hulpbronnen beschikbaar zijn en dat de consument tegen een redelijke prijs toegang heeft tot de voorraden. [Am. 3]

(4)  De Unie is partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982(8) (Unclos) en is overgegaan tot ratificatie van de Overeenkomst van de Verenigde Naties over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden van 4 augustus 1995(9) (VN-Overeenkomst over visbestanden). De van 24 november 1993 daterende Overeenkomst van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen(10) (FAO-Nalevingsovereenkomst) is eveneens door de Unie aanvaard. Deze internationale instrumenten omvatten met name instandhoudingsverplichtingen, onder meer om instandhoudings- en beheersmaatregelen te nemen die ontworpen zijn om de mariene hulpbronnen op een niveau te brengen of te houden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren in zeegebieden onder nationale jurisdictie en in volle zee, verplichtingen om hiertoe samen te werken met andere landen, verplichtingen om de voorzorgsbenadering toe te passen op de instandhouding, het beheer en de exploitatie van visbestanden, verplichtingen om de verenigbaarheid van instandhoudings- en beheersmaatregelen voor mariene hulpbronnen die voorkomen in zeegebieden met een verschillende jurisdictionele status te garanderen, en verplichtingen om naar behoren rekening te houden met andere legitieme wijzen van mariene exploitatie. Het gemeenschappelijk visserijbeleid moet ertoe bijdragen dat de Unie zich naar behoren kan kwijten van de internationale verplichtingen die zij in het kader van deze internationale instrumenten is aangegaan. Lidstaten die instandhoudings- en beheersmaatregelen nemen waartoe zij zijn gemachtigd in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid, moeten handelen op een wijze die volledig in overeenstemming is met de internationale instandhoudings- en samenwerkingsverplichtingen die voortvloeien uit de reeds vermelde internationale instrumenten.

(5)  Tijdens de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling die in 2002 in Johannesburg heeft plaatsgevonden, hebben de EU en haar lidstaten zich ertoe verbonden op te treden tegen de aanhoudende achteruitgang van tal van visbestanden. De Unie moet er dan ook via een verbetering van haar gemeenschappelijk visserijbeleid prioritair voor zorgen dat de niveaus waarop de mariene biologische hulpbronnen worden geëxploiteerd, uiterlijk in 2015 op een niveau worden gehouden of gebracht dat de maximale duurzame opbrengst van de populaties van de beviste bestanden kan opleveren.visserijsterftecoëfficiënten uiterlijk in 2015 op een niveau worden gebracht waarbij de visbestanden zich uiterlijk in 2020 kunnen herstellen boven een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren en waarbij alle herstelde bestanden op dit niveau kunnen worden gehouden. Wanneer minder wetenschappelijke informatie beschikbaar is, kan het noodzakelijk zijn schattingen toe te passen op de maximale duurzame opbrengst. [Am. 5]

(5 bis)  Het begrip maximale duurzame opbrengst zoals vastgelegd in Unclos is een visserijbeheerdoelstelling die sinds de ratificatie van dit verdrag in 1998 wettelijk bindend voor de Unie is. [Am. 6]

(5 ter)  Het vaststellen van een visserijsterftecoëfficiënt onder het niveau dat noodzakelijk is om visbestanden te handhaven boven een niveau waarmee een maximale duurzame opbrengst kan worden gegenereerd, is de enige manier om ervoor te zorgen dat de visserijsector op lange termijn levensvatbaar wordt zonder afhankelijk te zijn overheidssteun. [Am. 232]

(5 quater)  Meerjarenplannen moeten het belangrijkste instrument zijn om ervoor te zorgen dat de visserijsterftecoëfficiënten uiterlijk in 2015 wordt gebracht op een niveau waarbij de visbestanden zich uiterlijk in 2020 kunnen herstellen boven een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren en waarbij alle herstelde bestanden op dit niveau kunnen worden gehouden. Alleen als de Unie zich ondubbelzinnig op deze streefdata vastlegt, kan worden gegarandeerd dat onmiddellijk wordt opgetreden en dat het herstelproces niet nog meer vertraging oploopt. Voor bestanden waarvoor nog geen meerjarenplan is vastgesteld, is het van essentieel belang dat de Raad zich bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden geheel en al door de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid laat leiden. [Am. 7]

(5 quinquies)  Om stabielere omstandigheden voor de visserijsector te creëren, moeten de meerjarenplannen ook bepalingen kunnen omvatten waarbij de jaarlijkse schommelingen van de totaal toegestane vangst voor herstelde bestanden worden beperkt. De precieze grenzen van de schommelingen moeten in de meerjarenplannen worden vastgelegd. [Am. 8]

(5 sexies)  Bij beheersbesluiten betreffende de maximale duurzame opbrengst (MDO) in gemengde visserij moet rekening worden gehouden met het feit dat het moeilijk is om op alle bestanden in een gebied met gemengde visserij tegelijk tegen maximale duurzame opbrengst te vissen, wanneer wetenschappelijk advies aangeeft dat het erg moeilijk is om „verstikking” van soorten te voorkomen door selectiever vistuig in te zetten. De ICES en het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) moeten dan om advies worden verzocht over het geschikte niveau voor de visserijsterftecoëfficiënt. [Am. 9]

(5 septies)  Indien de vangstmogelijkheden gedurende een overgangsperiode drastisch moeten worden verminderd om de maximale duurzame opbrengst te realiseren, zorgen de Unie en de lidstaten ervoor dat adequate sociale en financiële maatregelen worden genomen om in de hele productieketen voldoende bedrijven in stand te houden teneinde een evenwicht tot stand te brengen tussen vlootcapaciteit en beschikbare hulpbronnen, wanneer de maximale duurzame opbrengst gehaald is. [Am. 10]

(6)  In het besluit van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit over het strategische plan voor de biodiversiteit 2011 - 2020(11) zijn streefdoelen voor de visserij vastgesteld en de inspanningen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid moeten coherent zijn met de biodiversiteitsstreefdoelen die zijn vastgesteld door de Europese Raad(12) en met de streefdoelen die zijn vastgesteld door de Commissie in de mededeling „Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020”(13), met name gezien de doelstelling om uiterlijk in 2015 de maximale duurzame opbrengst te halen.

(7)  De duurzame exploitatie van mariene biologische hulpbronnen moet altijd worden gebaseerd op de voorzorgsbenadering, die dient te worden afgeleid uit het voorzorgsbeginsel als vermeld in artikel 191, lid 2, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en bij deze exploitatie moet rekening worden gehouden met de beschikbare wetenschappelijke gegevens. [Am. 12]

(8)  Het gemeenschappelijk visserijbeleid moet ertoe bijdragen dat het mariene milieu wordt beschermd, dat alle commercieel beviste soorten duurzaam worden beheerd en dat met name uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand wordt bereikt, zoals is vastgesteld in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie)(14). [Am. 13]

(8 bis)  Het gemeenschappelijk visserijbeleid moet ook bijdragen tot de voorziening van de markt van de Unie met levensmiddelen met een hoge voedingswaarde, het terugdringen van de afhankelijkheid van de interne markt op voedselgebied, alsook tot nieuwe werkgelegenheid (direct en indirect) en economische groei in kustgebieden. [Am. 14]

(9)  Het is noodzakelijk een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen, de milieueffecten van visserijactiviteiten te beperken enom ertoe bij te dragen dat de gevolgen voor het mariene ecosysteem van menselijke activiteiten tot een minimum herleid worden en dat ongewenste vangsten tot een minimum te herleiden en geleidelijk volledig te elimineren.worden voorkomen, teruggedrongen en zo mogelijk geheel en al tegengehouden, en dat er geleidelijk een situatie wordt bereikt waarin alle vangsten worden aangeland. [Am. 15]

(10)  Belangrijk is dat de beginselen van goed bestuur richtgevend worden voor het beheer van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Deze beginselen omvatten besluitvorming op basis van het beste beschikbare wetenschappelijk advies, brede participatie van de belanghebbende partijen en het hanteren van een langetermijnperspectief. Tevens bepalend voor een geslaagd beheer van het gemeenschappelijk visserijbeleid is dat de verantwoordelijkheden op uniaal, nationaal, regionaal en lokaal niveau duidelijk worden omschreven en dat de genomen maatregelen verenigbaar en coherent zijn met het andere EU-beleid.

(11)  Waar dat relevant is, moeten overwegingen op het gebied van gezondheid van dieren, dierenwelzijn en veiligheid van levensmiddelen en diervoeders ten volle in aanmerking worden genomen in het gemeenschappelijk visserijbeleid.

(12)  Het gemeenschappelijk visserijbeleid moet uitgevoerd worden op een wijze die in het algemeen consistent is met het beleid van de Unie op andere terreinen en, in het bijzonder, rekening houdt met de interactie met andere maritieme aangelegenheden en waarbij wordt erkend dat alle aspecten die te maken hebben met de Europese zeeën en oceanen, met elkaar verbonden zijn, waaronder. maritieme ruimtelijke ordening. zoals deze worden behandeld in het geïntegreerd maritiem beleid(15). Coherentie en integratie moeten verzekerd zijn in het kader van het beheer van de verschillende sectorale beleidslijnen in zeegebieden als de Oostzee, de Noordzee, de Keltische zeeën, de Golf van Biskaje en de Iberische kust, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. [Am. 17]

(13)  Alle vissersvaartuigen van de Unie moeten, onverminderd de voorschriften van het GVB, gelijke toegang hebben tot de wateren en de hulpbronnen van de Unie.

(14)  De bestaande voorschriften tot beperking van de toegang tot de hulpbronnen in de 12-zeemijlszone van de lidstaten leggen de visserijinspanning in de kwetsbaarste delen van de Uniewateren aan banden en zijn de instandhouding ten goede gekomen. Deze voorschriften hebben ook geleid tot het voortbestaan van traditionele visserijactiviteiten die van cruciaal belang zijn voor de sociale en economische ontwikkeling van bepaalde kustgemeenschappen. De betrokken voorschriften dienen derhalve verder te worden toegepast en dienen zo mogelijk te worden aangescherpt om preferentiële toegang te verlenen aan kleinschalige, ambachtelijke of kustvissers. [Am. 18]

(14 bis)  De definitie van kleinschalige visserij dient te worden verruimd om, naast het criterium van de afmetingen van de vaartuigen, rekening te houden met criteria zoals de heersende weersomstandigheden, de effecten van visserijtechnieken op het mariene ecosysteem, het aantal zeedagen en de kenmerken van het bedrijf dat de bestanden bevist. Met name kleine, vlak voor de kust gelegen eilanden die van de visserij afhankelijk zijn, dienen te worden erkend en ondersteund, zowel financieel als met toewijzing van extra hulpbronnen, teneinde ze in staat te stellen te overleven op een goed welvaartsniveau in de toekomst. [Am. 19]

(15)  Gezien de structurele, sociale en economische situatie van de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden moeten de mariene biologische hulpbronnen rond deze eilanden speciale bescherming blijven genieten aangezien zij bijdragen tot de instandhouding van de lokale economie van deze eilanden. Bepaalde visserijactiviteiten in deze wateren moeten bijgevolg voorbehouden blijven voor vissersvaartuigen die in de havens van de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden zijn geregistreerd.

(16)  Een duurzame exploitatie van de mariene biologische hulpbronnen zal doeltreffender worden bereikt als wordt geopteerd voor een meerjarenaanpak van het visserijbeheer. Hiertoe dienen de lidstaten in nauwe samenwerking met de overheidsinstanties en de adviesraden de voorwaarden te scheppen voor duurzaamheid, ook op plaatselijk niveau, in het kader waarvan prioritair meerjarenplannen worden vastgesteld die afgestemd zijn op de specifieke kenmerken van elke visserijtak. Dit zou gestalte kunnen krijgen via gemeenschappelijk optreden op regionaal niveau en, op meer bindende wijze, via besluitvormingsprocedures die in de formulering van meerjarenplannen uitmonden. [Am. 20]

(17)  Bestanden die gezamenlijk worden geëxploiteerd, zouden waar mogelijk in één meerjarenplan moeten worden ondergebracht. In de meerjarenplannen moet de basis voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden worden vastgesteld, net als kwantificeerbare streefdoelen voor de duurzame exploitatie van de betrokken bestanden en mariene ecosystemen, duidelijke termijnen en vrijwaringsmechanismen voor onvoorziene ontwikkelingen. De meerjarenplannen dienen tevens nauwkeurig gedefinieerde beheersdoelstellingen te bevatten, teneinde bij te dragen tot de duurzame exploitatie van de betrokken bestanden en van de mariene ecosystemen. Wanneer de beheersscenario's sociaal-economische gevolgen voor de betrokken regio's kunnen hebben, dienen deze plannen in overleg met de marktdeelnemers in de visserijsector en wetenschappers, alsook met de institutionele partners te worden ontwikkeld. [Am. 21]

(18)  Voorts zijn maatregelen nodig om de huidige hoge niveaus op het gebied van ongewenste vangsten en teruggooi naar beneden te halen en teruggooi geleidelijk tot nul terug te brengen. Jammer genoeg zijn vissers door eerdere wetgeving vaak verplicht kostbare hulpbronnen terug te gooien. Niet alleen leiden ongewenste vangsten enleidt teruggooi tot aanzienlijke verspilling, hij heeft ook een negatieve invloed op de duurzame exploitatie van de mariene biologische hulpbronnen en de mariene ecosystemen, en op de rentabiliteit van de visserij. Daarom moet een verplichting worden vastgesteld om alle vangsten van beheerde bestanden die gedurende visserijactiviteiten in Uniewateren of door vissersvaartuigen van de Unie worden bovengehaald, aan te landen en dient die verplichting geleidelijk ten uitvoer te worden gelegd. Er moet prioriteit worden toegekend aan het ontwikkelen, bevorderen en aanzwengelen van maatregelen en stimulansen ter voorkoming van ongewenste vangsten. [Am. 22]

(18 bis)  De verplichting alle vangsten aan te landen moet per visserijtak worden ingevoerd. De vissers moeten kunnen voortgaan met het teruggooien van soorten waarvan het overlevingspercentage volgens het beste beschikbare wetenschappelijke advies hoog is, wanneer ze worden teruggegooid in zee in bepaalde, specifiek voor de visserijtak gedefinieerde omstandigheden. [Am. 23]

(18 ter)  Om ervoor te zorgen dat de verplichting om alle vangsten aan te landen kan worden nageleefd en om het effect van de jaarlijks variërende samenstelling van de vangsten te temperen, moet de lidstaten worden toegestaan quota tot een bepaald percentage van het ene jaar naar het andere over te dragen. [Am. 24]

(19)  De aanlanding van ongewenste vangsten mag de marktdeelnemer geen volledig economisch voordeel opleveren. De bestemming van aangelande vangsten van vis onder de minimale instandhoudingsreferentiegrootte moet worden beperkt en de verkoop ervan voor menselijke consumptie dient te worden uitgesloten. Elke lidstaat moet kunnnen beslissen of de kosteloze distributie voor liefdadigheidsdoeleinden van aangelande vis is toegestaan. [Am. 25]

(20)  In het belang van de instandhouding van de bestanden en het aanpassingsvermogen van vissersvloten en visserijtakken moeten met betrekking tot bepaalde technische maatregelen duidelijke doelstellingen worden toegepast, en moeten de bestuursniveaus worden afgestemd op de beheersbehoeften. [Am. 26]

(21)  Wat bestanden betreft waarvoor geen meerjarenplan is vastgesteld, moet aan de hand van de vaststelling van vangst- en/of visserijinspanningsbeperkingen worden gegarandeerd dat het exploitatieniveau dat de maximale duurzame opbrengst oplevert, wordt bereikt. Als er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, moet er voor het visserijbeheer gebruik worden gemaakt van schattingsnormen. [Am. 27]

(21 bis)  De Unie moet meer doen om te komen tot daadwerkelijke internationale samenwerking en beheer van bestanden in de zeeën waaraan zowel lidstaten als derde landen gelegen zijn, en zo nodig daarvoor regionale organen voor visserijbeheer oprichten. De Unie moet met name pleiten voor de oprichting van een regionaal orgaan voor visserijbeheer in de Zwarte Zee. [Am. 28]

(22)  Gezien de precaire economische situatie van een deel van de visserijsector en de mate waarin sommige kustgemeenschappen van de visserij afhankelijk zijn, is het noodzakelijk de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten te garanderen door de vangstmogelijkheden over de lidstaten te verdelen op basis van een voorspelbaar aandeel in de bestanden voor elke lidstaat. [Am. 29]

(23)  In het kader van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten moet, gelet op de tijdelijke biologische situatie van de visbestanden, rekening worden gehouden met de bijzondere behoeften van de regio's waar de plaatselijke bevolking zeer sterk is aangewezen op de visserij en aanverwante activiteiten zoals die door de Raad zijn aangegeven in zijn resolutie van 3 november 1976 inzake bepaalde externe aspecten van het instellen in de Gemeenschap, met ingang van 1 januari 1977, van een visserijzone van 200 mijl(16), en meer in het bijzonder in bijlage VII daarvan. De nagestreefde relatieve stabiliteit moet derhalve in deze zin worden begrepen.

(24)  De lidstaten moeten in de gelegenheid worden gesteld om de Commissie middels gemotiveerde verzoeken te vragen om in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid maatregelen op te stellen die nodig zijn met het oog op de naleving van de verplichtingen betreffende speciale beschermingszones zoals bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2009/147/EG van de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand(17), betreffende speciale beschermingszones zoals bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(18), en betreffende beschermde mariene gebieden zoals bedoeld in artikel 13, lid 4, van Richtlijn 2008/56/EG.

(25)  De Commissie moet, na overleg met de betrokken adviesraden en lidstaten, tijdelijke maatregelen kunnen vaststellen wanneer hetzij de instandhouding van de mariene biologische hulpbronnen, hetzij het mariene ecosysteem ernstig wordt bedreigd als gevolg van visserijactiviteiten en die bedreiging onmiddellijke actie vereist. Die maatregelen moeten binnen een van tevoren vastgestelde termijn worden genomen en moeten voor een bepaalde periode gelden. [Am. 30]

(26)  De lidstaten moeten, met behoorlijke inachtneming van de standpunten van de relevante adviesraden en betrokken partijen, instandhoudingsmaatregelen en technische maatregelen voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid kunnen vaststellen, enerzijds om te komen tot een beleid dat beter is afgestemd op de realiteit en de specificiteit van de verschillende zeegebieden en elke visserijtak, en anderzijds om de naleving van het beleid te verbeteren. [Am. 31]

(26 bis)  De lidstaten moeten worden aangespoord op regionale basis met elkaar samen te werken. [Am. 32]

(27)  De lidstaten moeten binnen hun zone van 12 zeemijl voor alle EU-vissersvaartuigen geldende instandhoudings- en beheersmaatregelen kunnen nemen op voorwaarde dat maatregelen die van toepassing zijn op EU-vissersvaartuigen uit andere lidstaten, geen discriminatie inhouden en er voorafgaand overleg met de andere betrokken lidstaten heeft plaatsgevonden, en op voorwaarde dat de Unie geen maatregelen heeft vastgesteld die specifiek zijn gericht op instandhouding en beheer binnen die zone van 12 zeemijl.

(28)  De lidstaten moeten toestemming krijgen om instandhoudings- en beheersmaatregelen voor bestanden in Uniewateren vast te stellen die uitsluitend gelden voor vissersvaartuigen van de Unie die de vlag van die lidstaten voeren.

(28 bis)  Toegang tot de visserij moet stoelen op de vervulling van transparante en objectieve milieu- en sociale criteria, als middel voor het bevorderen van verantwoorde visserij dat dient om ervoor te zorgen dat marktdeelnemers die vissen op de voor het milieu minst schadelijke wijze en die de meeste maatschappelijke voordelen genereren, worden aangemoedigd. [Am. 234]

(29)  Uiterlijk op 31 december 2013 moet voor alle vaartuigen met een lengte over alles van ten minste 12 meter en alle andere vaartuigen die met sleeptuig zijn uitgerust, een systeem van overdraagbare visserijconcessies ten uitvoer worden gelegd dat betrekking heeft op de meeste bestanden die in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden beheerd. Lidstaten kunnen vaartuigen met een lengte over alles van maximaal 12 meter die niet met sleeptuig zijn uitgerust, uitsluiten van de toepassing van overdraagbare visserijconcessies. Een dergelijk systeem moet mee bijdragen tot door de sector ondernomen vlootreducties en tot betere economische prestaties, en moet tegelijkertijd juridisch sluitende en exclusieve overdraagbare visserijconcessies opleveren die toegang verlenen tot een deel van de jaarlijkse vangstmogelijkheden van een lidstaat. Aangezien de mariene biologische hulpbronnen een gemeenschappelijk goed zijn, mogen in het kader van de overdraagbare visserijconcessies slechts rechten tot het gebruik van een deel van de jaarlijkse vangstmogelijkheden van een lidstaat worden gecreëerd, die overeenkomstig vastgestelde regels kunnen worden ingetrokken.[Am. 33]

(29 bis)  Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel moet elke lidstaat zelf kunnen beslissen welke methode hij wil gebruiken voor de toewijzing van de hem toegewezen vangstmogelijkheden, zonder dat er op niveau van de Unie een toewijzingsysteem wordt opgelegd. Aldus blijft het de lidstaten vrijstaan al dan niet te kiezen voor een systeem van overdraagbare visserijconcessies. [Am. 37]

(30)  Visserijconcessies moeten kunnen worden overgedragen of geleast teneinde het beheer van de vangstmogelijkheden van het centrale niveau over te hevelen naar de visserijsector en op die manier ervoor te zorgen dat vissers die de sector verlaten, geen beroep hoeven te doen op financiële overheidssteun in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid.[Am. 35]

(31)  Gezien de specifieke kenmerken en de sociaaleconomische kwetsbaarheid van sommige kleinschalige vloten is het gerechtvaardigd het verplichte systeem van overdraagbare visserijconcessies enkel toe te passen op grote vaartuigen. Het systeem van overdraagbare visserijconcessies dient van toepassing te zijn op bestanden waarvoor vangstmogelijkheden worden toegewezen.[Am. 36]

(31 bis)  De Commissie dient de vissersvloot te beoordelen om geloofwaardige gegevens te verkrijgen over de precieze omvang van de overcapaciteit op uniaal niveau, om zo passende en gerichte instrumenten voor de terugdringing ervan te kunnen voorstellen. [Am. 34]

(31 ter)  Er moet een verplicht systeem voor het evalueren van de vlootregisters en het controleren van de capaciteitsplafonds worden gecreëerd, teneinde te bewerkstelligen dat de lidstaten de hun toegewezen capaciteitsplafonds respecteren en het controlesysteem voor de visserijtakken te versterken zodat de visserijcapaciteit in overeenstemming wordt gebracht met de beschikbare hulpbronnen. [Am. 38]

(32)  Voor EU-vissersvaartuigen die niet in het kader van een systeem van overdraagbare visserijconcessies werken, kunnenIn sommige gevallen moeten door de lidstaten nog steeds specifieke maatregelen worden genomen om het aantal EU-vissersvaartuigenhun vangstcapaciteit af te stemmen op de beschikbare hulpbronnen. In het kader van dergelijke maatregelen moeten bindende vlootcapaciteitsmaxima worden vastgesteld en moeten, met betrekking tot buitenbedrijfstellingen die uit het Europees Visserijfonds worden gefinancierd, nationale regelingen voor toevoegingen/onttrekkingen worden aangenomen.Daarom moet de capaciteit voor elk bestand en elk zeegebied in de Unie worden beoordeeld. Deze beoordeling moet aan de hand van gemeenschappelijke richtsnoeren worden uitgevoerd. Elke lidstaat moet kunnen beslissen welke maatregelen en instrumenten hij wil inzetten om overmatige visserijcapaciteit te reduceren. [Am. 39]

(33)  De lidstaten moeten de minimuminformatie over de kenmerken en de activiteiten van de EU-vissersvaartuigen die hun vlag voeren, registreren. Deze informatie moet met het oog op het toezicht op de omvang van de vloten van de lidstaten ter beschikking van de Commissie worden gesteld.

(34)  Om de visserij op basis van het beste beschikbarevolledig en accuraat wetenschappelijke advies te kunnen beheren, zijn geharmoniseerde, degelijke en accurate datareeksen nodig. Met het oog daarop moeten de lidstaten zorgen voor de verzameling van gegevens over de vloten en de door de vloten verrichte visserijactiviteiten, met name biologische gegevens over vangsten, inclusief teruggooi, en surveygegevens over de visbestanden en over de potentiële milieueffecten van visserijactiviteiten op het mariene ecosysteem. De Commissie moet de omstandigheden bevorderen die noodzakelijk zijn voor gegevensharmonisatie, teneinde een ecosysteemgerichte interpretatie van de hulpbronnen te bevorderen. [Am. 40]

(35)  Tevens moeten gegevens worden verzameld die het gemakkelijker maken een economische beoordeling op te stellen van, enerzijds, alle ondernemingen die actief zijn in de visserijsector, in de aquacultuur en in de verwerking van visserij- en aquacultuurproducten, ongeacht hun omvang, en, anderzijds, de werkgelegenheidstendensen in deze sectoren, alsook gegevens over de impact van die ontwikkelingen op de visserijgemeenschappen. [Am. 41]

(36)  De lidstaten moeten de verzamelde gegevens op basis van een meerjarenprogramma van de Unie beheren en ter beschikking van de eindgebruikers van de wetenschappelijke gegevens stellen, en de relevante resultaten ter beschikking stellen van de belanghebbende partijen. De regionale autoriteiten moeten nauwer bij de activiteiten op het gebied van de gegevensverzameling worden betrokken. Tevens moeten de lidstaten onderling samenwerken aan het coördineren van de gegevensverzameling. Waar dat relevant is, moeten de lidstaten op het gebied van gegevensverzameling ook samenwerken met derde landen,die tot hetzelfde zeegebied behoren.waar mogelijk door middel van een daartoe in het leven geroepen regionaal orgaan, met inachtneming van het internationaal recht en met name Unclos. [Am. 42]

(37)  De beleidsgeoriënteerde visserijwetenschap moet worden versterkt aan de hand van op nationaal niveau vastgestelde en met andere lidstaten gecoördineerde programma's voor de verzameling van wetenschappelijke gegevens en voor onderzoek en innovatie op onafhankelijke basis op het gebied van de visserij, en aan de hand van instrumenten uit het onderzoeks- en innovatiekader van de EU, alsook aan de hand van de noodzakelijke, door de Commissie te ondernemen harmonisatie en systematisering van de gegevens. [Am. 43]

(38)  De Unie moet de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid internationaal bevorderen. Hiertoe moet de Unie ernaar streven de prestatie van regionale en internationale organisaties op het gebied van de instandhouding en het duurzaam beheer van internationale visbestanden te verbeteren door besluitvorming op basis van wetenschappelijke gegevens, betere naleving, grotere transparantie en effectieve participatie van de belanghebbenden te stimulerenwaarborgen en door illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) te bestrijden. [Am. 44]

(39)  Met derde landen gesloten duurzamevisserijovereenkomsten moeten ervoor zorgen dat de visserijactiviteiten van de Unie in wateren van derde landen gebaseerd zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies en bijgevolg een duurzame exploitatie en de instandhouding van de mariene biologische hulpbronnen garanderen, met inachtneming van het overschotbeginsel waarvan sprake is in Unclos. Dergelijke overeenkomsten voorzien tegen betaling van een financiële vergoeding door de Unie in toegangsrechten en moeten bijdragen tot de totstandbrenging van een degelijk systeem voor het verzamelen van gegevens en een degelijk bestuurskader dat met name borg staat voor doeltreffende maatregelen op het gebied van toezicht, controle en bewaking. [Am. 45]

(40)  De opname van een mensenrechtenclausule in de duurzamevisserijovereenkomsten moet volledig in overeenstemming zijn met de globale doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Unie.

(41)  De eerbiediging van de democratische beginselen en de rechten van de mens, zoals deze zijn vastgelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens en andere desbetreffende internationale mensenrechteninstrumenten, en van het beginsel van de rechtsstaat, dient een essentieel onderdeel van de duurzamevisserijovereenkomsten te vormen en zal worden vastgelegd in een specifieke mensenrechtenclausule.

(41 bis)  Gezien de ernstige piraterijproblemen waar vissersvaartuigen van de Unie die in het kader van bilaterale of multilaterale overeenkomsten in de wateren van derde landen opereren mee te maken hebben, en gezien hun grote kwetsbaarheid voor piraterij, moeten er meer maatregelen worden genomen om die vaartuigen te beschermen. [Am. 46]

(42)  De aquacultuur moet bijdragen tot de instandhouding van het potentieel van de op duurzaamheid gebaseerde voedselproductie in de hele Unie, met als doel de voedselzekerheid waaronder voedselvoorziening, alsook groei en werkgelegenheid voor de Europese burgers op lange termijn te garanderen en mede tegemoet te komen aan de toenemende mondiale vraag naar aquatisch voedsel. [Am. 47]

(43)  In de strategie voor een duurzame ontwikkeling van de Europese aquacultuur(19) die de Commissie in 2009 heeft vastgesteld en die positief is ontvangen in de Raad en het Europees Parlement en bovendien door de Raad is bekrachtigd, is gewezen op de noodzaak om een gelijk speelveld voor de aquacultuur tot stand te brengen en te bevorderen aangezien dit de voorwaarde is voor de duurzame ontwikkeling van deze sector.

(44)  Het gemeenschappelijk visserijbeleid moet een bijdrage leveren tot de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei en tot de verwezenlijking van de in die strategie vastgestelde doelstellingen(20).

(45)  Aangezien de aquacultuuractiviteiten in de Unie worden beïnvloed door uiteenlopende situaties in de verschillende lidstaten, onder meer op het gebied van machtigingen voor de marktdeelnemers, moeten strategische EU-richtsnoeren voor nationale strategische plannen worden ontwikkeld om het concurrentievermogen van de aquacultuursector te verbeteren, de ontwikkeling en innovatie ervan te ondersteunen en de economische bedrijvigheid, de diversifiëring en de levenskwaliteit in kust- en plattelandsgebieden te bevorderen, en moeten bovendien mechanismen worden ontwikkeld om informatie en beste praktijken tussen de lidstaten uit te wisselen via een open methode tot coördinatie van nationale maatregelen betreffende zekerheid van het bedrijfsklimaat, toegang tot de Uniewateren en de ruimte van de EU en administratieve vereenvoudiging van de vergunningsregeling.

(46)  Vanwege de specifieke kenmerken van de aquacultuur dient een adviesraad te worden opgericht in het kader waarvan belanghebbende partijen kunnen worden geraadpleegd over aspecten van het EU-beleid die gevolgen kunnen hebben voor de aquacultuur.

(46 bis)  Gezien de specifieke kenmerken van de ultraperifere regio's, in het bijzonder hun geografische afstand en het belang van de visserij voor hun economie, moet er een adviesraad voor de ultraperifere regio's worden ingesteld, onderverdeeld in drie afdelingenvoor de volgende zeegebieden: westen van de Atlantische Oceaan, oosten van de Atlantische Oceaan en Indische Oceaan. Die adviesraad moet mede ten doel hebben bij te dragen tot maatregelen tegen illegale, niet-gemelde en onbeheerde visserij in de wereld. [Am. 48]

(47)  Het concurrentievermogen van de visserij- en de aquacultuursector in de EU moet worden versterkt en er is behoefte aan vereenvoudiging, wil men de productie- en de afzetactiviteiten van de sector beter beheren. Hierbij is het nodig te zorgen voor wederkerigheid in de handel met derde landen zodat een gelijk speelveld op de Uniemarkt wordt gecreëerd, niet alleen met betrekking tot de duurzaamheid van de visserij, maar ook met betrekking tot gezondheidscontroles; de gemeenschappelijke marktordening voor visserij- en aquacultuurproducten moet ervoor zorgen dat een gelijk speelveld voor alle in de Unie afgezette visserij- en aquacultuurproducten wordt gecreëerd, ongeacht of ze uit de Unie of uit derde landen komen, dat de consument in staat wordt gesteld op basis van traceerbaarheid bewustere keuzes te maken, dat verantwoord consumeren wordt gesteund en dat de economische kennis en het inzicht inzake de EU-markten in de hele bevoorradingsketen worden verbeterd. Het deel van deze verordening over de gemeenschappelijke marktordening moet bepalingen bevatten die de invoer van visserij- en aquacultuurproducten afhankelijk maakt van de naleving van internationaal erkende sociale en milieunormen. [Am. 49]

(48)  De gemeenschappelijke marktordening moet ten uitvoer worden gelegd overeenkomstig de internationale verbintenissen van de Unie, en met name de WTO-bepalingen. Het gemeenschappelijk visserijbeleid kan slechts slagen wanneer het wordt uitgerust met een doeltreffend systeem voor controle, inspectie en handhaving, inclusief maatregelen om de IOO-visserij te bestrijden. Als gevolg hiervan dient de bestaande wetgeving op dit gebied op een effectieve manier ten uitvoer te worden gelegd, en moet, om de naleving van de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid te garanderen, een EU-systeem voor controle, inspectie en handhaving worden vastgesteld. [Am. 50]

(49)  Het gebruik van moderne en doeltreffende technologieën in het kader van het EU-systeem voor controle, inspectie en handhaving moet worden gestimuleerd. Het moet mogelijk zijn om op het niveau van de lidstaten of van de Commissie proefprojecten op het gebied van nieuwe controletechnologieën en databeheersystemen ten uitvoer te leggen. [Am. 51]

(50)  Om ervoor te zorgen dat de marktdeelnemers betrokken worden bij het EU-systeem voor controle, inspectie en handhaving, moeten de lidstaten in staat worden gesteld om de houders van een visvergunning voor een EU-vissersvaartuig met een lengte over alles van ten minste 12 meter dat hun vlag voert,hun marktdeelnemers te verplichten tot de betaling van een vergoeding die evenredig is met de operationele kosten van dat systeem. [Am. 196]

(51)  De lidstaten slagen er, mede vanwege de beperkte financiële middelen waarover zij beschikken, niet in de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid op eigen kracht te halen, zoals blijkt uit de problemen bij de ontwikkeling en het beheer van de visserijsector. Om bij te drgaen tot het verwezenijken van deze doelstellingen, moet meerjarige financiële steun van de Unie verleend worden die specifiek gericht is op de verwezenlijking van de prioriteiten van het gemeenschappelijk visserijbeleid en die afgestemd is op de specifieke kenmerken van de visserijsector in de afzonderlijke lidstaten. [Am. 52]

(51 bis)  De financiële steun van de Unie dient de ontwikkeling van openbare goederen en diensten in de visserijsector te vergemakkelijken en met name te zorgen voor de ondersteuning van toezichts- en handhavingsmaatregelen, informatieverzameling, onderzoek en de ontwikkeling van activiteiten die gericht zijn op het waarborgen van een gezond marien ecosysteem. [Am. 245]

(52)  De financiële steun van de Unie moet worden gekoppeld aan de voorwaarde dat de lidstaten en de marktdeelnemers, inclusief de eigenaars van vaartuigen, de bepalingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid moeten naleven. Wanneer de lidstaten de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid niet naleven en de marktdeelnemers ernstige inbreuken op deze voorschriften plegen, dient de financiële steun te worden onderbroken, geschorst of gecorrigeerd. [Am. 53]

(53)  De dialoog met de belanghebbende partijen is van essentieel belang gebleken voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Gezien de uiteenlopende omstandigheden in de Uniewateren en de toenemende regionalisering van het gemeenschappelijk visserijbeleid, moeten de adviesraden ervoor zorgen dat de kennis en de ervaring van alle belanghebbenden het gemeenschappelijk visserijbeleid ten goede komen, in het bijzonder bij de opstelling van de meerjarenplannen. [Am. 54]

(54)  Het lijktGezien de bijzondere kenmerken van de ultraperifere gebieden, van aquacultuur en binnenvisserij, van de markten en van de Zwarte Zee is het passend de Commissie te machtigen om middels gedelegeerde handelingenvoor elk daarvan een nieuwe adviesraad op te richten en de bevoegdheidszones van de bestaande adviesraden te wijzen, met name in het licht van de specifieke kenmerken van de Zwarte Zee. [Am. 55]

(55)  Om de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid te halen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen aan te nemen die tot doel hebben visserijgerelateerde maatregelen ter verlichting van de impact van visserijactiviteiten in speciale beschermingszones te specificereneen ernstige bedreiging voor de instandhouding van mariene biologische hulpbronnen of voor het mariene ecosysteem te verminderen indien dit om dwingende redenen van urgentie vereist is, de met de internationale verplichtingen van de Unie samenhangende verplichting tot aanlanding van alle vangsten aan te passen, standaard instandhoudingsmaatregelen in het kader van meerjarenplannen of technische maatregelen vast te stellen, de vlootcapaciteitsmaxima te herberekenen, de gegevens over de kenmerken en de activiteit van EU-vissersvaartuigen te omschrijven, regels voor de uitvoering van proefprojecten inzake nieuwe controletechnologieën en databeheersystemen vast te stellen, en wijzigingen van bijlage III betreffende de bevoegdheidszones van de adviesraden en van bepalingen inzake de samenstelling en de werking van de adviesraden vast te stellen. [Am. 56]

(56)  Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen passende raadplegingen houdt, onder meer op expertniveau.

(57)  Bij het voorbereiden en opstellen van gedelegeerde handelingen dient de Commissie de relevante documenten gelijktijdig, tijdig en naar behoren toe te zenden aan het Europees Parlement en de Raad.

(58)  De Commissie moet uitvoeringsbevoegdheden krijgen om te zorgen voor uniforme voorwaarden voor de toepassing van technische werkingsvoorschriften inzake de transmissie van gegevens betreffende de vissersvlootregisters en voor het visserijbeheer vereiste gegevens. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(21).

(59)  Het is voor het bereiken van de basisdoelstelling van het gemeenschappelijk visserijbeleid (zorgen voor een visserij- en een aquacultuursector die werkt in ecologische, economische en sociale omstandigheden die duurzaam zijn op lange termijn, en bijdraagt tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden) noodzakelijk en passend regels inzake de instandhouding en de exploitatie van mariene biologische hulpbronnen vast te stellen, alsook regels ter waarborging van de economische en sociale duurzaamheid van de visserij- en schelpenvisserijsector van de Unie, waar zulks dienstig is door verstrekking van voldoende financiële middelen. [Am. 57]

(60)  Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, zoals vastgelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gaat deze verordening niet verder dan noodzakelijk is om dat doel te verwezenlijken.

(61)  Besluit 2004/585/EG van de Raad van 19 juli 2004 tot oprichting van regionale adviesraden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid(22) moet worden ingetrokken zodra de desbetreffende, op grond van de onderhavige verordening vastgestelde voorschriften in werking treden.

(62)  Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad van 25 februari 2008 betreffende de instelling van een communautair kader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid(23) moet worden ingetrokken, maar dient van toepassing te blijven op de nationale programma's voor gegevensverzameling en -beheer die voor de periode 2011 – 2013 zijn vastgesteld. [Am. 58]

(63)  Gezien het aantal aan te brengen wijzigingen en het belang ervan, dient Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad te worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.  Het gemeenschappelijk visserijbeleid heeft betrekking op:

   (a) de instandhouding van de mariene biologische hulpbronnen en het duurzame beheer en de duurzame exploitatie van mariene biologische hulpbronnen; envan de visserij op die hulpbronnen;
   (b) de biologische zoetwaterhulpbronnen, de aquacultuur en de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, in verband met marktmaatregelen en financiële maatregelen ter ondersteuning van het gemeenschappelijk visserijbeleid, structurele maatregelen en het beheer van de vlootcapaciteit;
   (b bis) de sociale en economische levensvatbaarheid van visserijactiviteiten, de bevordering van werkgelegenheid in en de ontwikkeling van kustgemeenschappen en de specifieke problemen van kleinschalige en ambachtelijke visserij en aquacultuur. [Am. 59]

2.  Het gemeenschappelijk visserijbeleid bestrijkt de in lid 1 genoemde activiteiten voor zover deze worden verricht:

   (a) op het grondgebied van de lidstaten; of
   (b) in Uniewateren, inclusief door vissersvaartuigen die de vlag voeren van en geregistreerd zijn in een derde land; of
   (c) door vissersvaartuigen van de Unie die zich buiten Uniewateren bevinden; of
   (d) door onderdanen van de lidstaten, onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat.

Artikel 2

Algemene doelstellingen

1.  Het gemeenschappelijk visserijbeleid staat er borg voor dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur zorgen voor omstandigheden die uit ecologisch, economisch en sociaal oogpunt duurzaam op lange termijn zijn, en bijdragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden.uit ecologisch oogpunt op lange termijn duurzaam zijn en worden beheerd op een manier die consistent is met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden en vangstmogelijkheden voor de recreatievisserij, alsmede verwerkende industrieën en activiteiten aan land mogelijk te maken die rechtstreeks met visserijactiviteiten verband houden, rekening houdend met de belangen zowel van consumenten als van producenten.

2.  In het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt de voorzorgsbenadering toegepast op het visserijbeheer en wordt ernaar gestreefd datervoor gezorgd dat de visserijsterftecoëfficiënten uiterlijk in 2015 de levende mariene biologische hulpbronnen zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een peil wordt gebracht en gehoudenworden vastgesteld op een niveau waarbij de visbestanden zich uiterlijk in 2020 kunnen herstellen boven een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren en waarbij alle herstelde bestanden op dit niveau kunnen worden gehouden.

3.  In het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt, met het oog op een beperkte impact van de visserij op het mariene ecosysteem, de ecosysteemgerichte benadering toegepast op het visserijbeheer en de aquacultuur, om ervoor te zorgen dat visserij en aquacultuur bijdragen tot het halen van de doelstelling dat de menselijke activiteiten zo min mogelijk impact hebben op het mariene ecosysteem, niet bijdragen tot de afbraak van het mariene milieu en doeltreffend afgestemd zijn op de afzonderlijke visserijtakken en regio's.

3 bis.  Het gemeenschappelijk visserijbeleid bevordert de duurzame ontwikkeling en het welzijn van kustgemeenschappen, de werkgelegenheid en de arbeids- en veiligheidsomstandigheden van de marktdeelnemers in de visserij.

4.  De met de EU-milieuwetgeving samenhangende vereisten worden in Het gemeenschappelijk visserijbeleid strookt met geïntegreerd.de milieuwetgeving en het overige beleid van de Unie.

4 bis.  Er wordt met het gemeenschappelijk visserijbeleid voor gezorgd dat de vangstcapaciteit van de vloten afgestemd is op exploitatieniveaus die voldoen aan de vereisten van lid 2.

4 ter.  Het gemeenschappelijk visserijbeleid draagt bij tot de vergaring van omvattende en geloofwaardige wetenschappelijke gegevens. [Am. 60]

Artikel 3

Specifieke doelstellingen

Teneinde de in artikel 2 vastgestelde algemene doelstellingen te halen, moet het gemeenschappelijk visserijbeleid specifiek tot doel hebben:

   (a) ongewenste vangsten van commerciële bestandente voorkomen, tot een minimum terug te brengen en in de mate van het mogelijke te elimineren en geleidelijk toe te werken naar het aanlanden van alle vangsten van dergelijke bestanden;
   (a bis) ervoor te zorgen dat alle vangsten van beviste en gereglementeerde bestanden worden aangeland, waarbij rekening wordt gehouden met het beste wetenschappelijke advies en wordt voorkomen dat er nieuwe markten worden gecreëerd of dat bestaande markten worden uitgebreid;
   (b) de voorwaarden te creëren om de visserijactiviteiten doeltreffend te laten verlopen in het kader vanvoor doeltreffende ecologisch duurzame visserijactiviteiten in de Unie om te zorgen voor het herstel van een rendabele en concurrerende visserijsector, waarbij eerlijke voorwaarden op de interne markt worden gegarandeerd;
   (c) de ontwikkeling van de aquacultuuractiviteiten van de Unieen de daaraan gekoppelde bedrijfstakken te bevorderen, waarbij ervoor wordt gezorgd dat ze ecologisch duurzaam zijn en dat ze bijdragen tot de voedselzekerheid en tot de werkgelegenheid in kust- en plattelandsgebieden;
   (d) een billijke verdeling van de mariene hulpbronnen te bevorderen om bij te dragen tot een billijke levensstandaard en billijke sociale omstandigheden voor degenen die afhankelijk zijn van visserijactiviteiten;
   (e) rekening te houden met de belangen van de consument;
   (f) te zorgen voor een systematische en geharmoniseerde aanpak van de verzameling en het beheer van gegevens.,regelmatige en betrouwbare verzameling van gegevens en een transparant gegevensbeheer en de kwesties aan te pakken die voortvloeien uit het beheer van bestanden waarvoor weinig gegevens beschikbaar zijn;
   (f bis) de kleinschalige kustvisserij te bevorderen;
   (f ter) bij te dragen tot het bereiken en behouden van een goede milieutoestand zoals is vastgesteld in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG. [Am. 61 en 235]

Artikel 4

Beginselen van goed bestuur

In het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt gevoerd aan de hand vanworden de volgende beginselen van goed bestuur toegepast:

   (a) duidelijke omschrijving van de verantwoordelijkheden op uniaal, regionaal, nationaal, regionaal en lokaal niveau, met eerbied voor de grondwettelijke regelingen in elke lidstaat;
   (a bis) de noodzaak te opteren voor een gedecentraliseerde en geregionaliseerde aanpak van het visserijbeheer;
   (b) vaststelling van maatregelen overeenkomstig het beste beschikbare wetenschappelijke advies;
   (c) een perspectief op lange termijn;
   (c bis) terugdringing van administratieve kosten;
   (d) bredepassende betrokkenheid van de belanghebbenden, met name de adviesraden en de sociale partners, bij alle stadia - van concipiëring tot tenuitvoerlegging - van de maatregelen, zodat de regionale specifieke eigenheid dankzij een geregionaliseerde aanpak behouden blijft;
   (e) de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat;
   (f) samenhang met het geïntegreerd maritiem beleid en met andere beleidsgebieden van de Unie;
   (f bis) de noodzaak van milieu- en strategie-effectbeoordelingen;
   (f ter) gelijkwaardigheid tussen de interne en externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid, zodat normen en handhavingsmechanismen die binnen de Unie gelden, voor zover van toepassing ook extern worden toegepast;
   (f quater) transparante gegevensverwerking en besluitvorming overeenkomstig het Verdrag van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden („Verdrag van Aarhus”), dat namens de Unie is goedgekeurd bij Besluit 2005/370/EG van de Raad(24).[Am. 62 en 220]

Artikel 5

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

   (1) „Uniewateren”: de wateren en de zeebodem onder de soevereiniteit of jurisdictie van de lidstaten, met uitzondering van die welke grenzen aan de in bijlage II van het Verdrag genoemde gebieden; [Am. 63]
   (2) „mariene biologische hulpbronnen”: beschikbare en toegankelijke levende mariene aquatische soorten, met inbegrip van anadrome en katadrome soorten, in alle fasen van hun levenscyclus;
   (3) „biologische zoetwaterhulpbronnen”: beschikbare en toegankelijke levende aquatische zoetwatersoorten;
   (4) „vissersvaartuig”: elk vaartuig dat is uitgerust voor commerciële bevissing van mariene biologische hulpbronnen;
   (5) „vissersvaartuig van de Unie”: een vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert en in de Unie is geregistreerd;
   (5 bis) „visser”: een door een lidstaat als zodanig erkend persoon die de beroepsvisserij uitoefent aan boord van een in bedrijf zijnd vissersvaartuig of een door de lidstaat als zodanig erkend persoon die beroepsmatig zonder vaartuig mariene organismen oogst; [Am. 64]
   (5 ter) „toevoeging aan de vloot”: de registratie van een vissersvaartuig in het vissersvlootregister van een lidstaat; [Am. 65]
   (6) „maximale duurzame opbrengst”: de maximale vangst vande hoogste theoretische evenwichtsopbrengst die (gemiddeld) continu uit een visbestand die gedurende onbeperkte tijd kan worden bovengehaald onder de bestaande (gemiddelde) milieuomstandigheden zonder significant effect op het reproductieproces; [Am. 66]
   (6 bis) „gevangen soorten”: de soorten die onderworpen zijn aan visserijdruk/exploitatie, met inbegrip van de soorten die niet worden aangeland, maar als bijvangst worden gevangen of de invloed van een visserijactiviteit ondergaan; [Am. 67]
   (7) „voorzorgsbenadering van het visserijbeheer” als bedoeld in artikel 6 van de VN-visbestandenovereenkomst: een benadering in het kader waarvan het ontbreken van adequate wetenschappelijke informatie niet mag worden gebruikt als een motief voor het uitstellen of achterwege laten van beheersmaatregelen voor de instandhouding van de doelsoorten, de geassocieerde of afhankelijke soorten en de niet-doelsoorten en hun milieu; [Am. 68]
   (8) „ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer”: een benadering in het kader waarvan wordt gegarandeerd dat bij de van levende aquatische hulpbronnen afkomstige baten hoog zijn en de directe en indirectebesluitvorming rekening wordt gehouden met de effecten van de visserijactiviteiten, andere menselijke activiteiten en milieufactoren op de mariene ecosystemen laagdoelbestanden en alle andere soorten die behoren tot hetzelfde ecosysteem of geassocieerd zijn en niet nadeligmet of afhankelijk zijn voor de toekomstige werking, diversiteit en integriteit van de betrokken ecosystemen;doelbestanden, zodat de collectieve belasting van deze activiteiten binnen grenzen blijft die verenigbaar zijn met het bereiken van een goede milieutoestand; [Am. 237]
   (9) „visserijsterftecoëfficiënt”: de vangsten van een bestand over een bepaalde periode in verhouding tot het gemiddelde bestand dat in die periode voor de visserij beschikbaar is;de verhouding waarin biomassa en vissen uit een bestand worden weggenomen door middel van visserijactiviteiten; [Am. 70]
   (9 bis) „FMSY”: de visserijsterftecoëfficiënt die verenigbaar is met het bereiken van de maximale duurzame opbrengst; [Am. 71]
   (10) „bestand”: een in een bepaald beheersgebied voorkomende mariene biologische hulpbron met specifieke kenmerken; [Am. 72]
   (11) „vangstbeperking”: een kwantitatieve beperking van de hoeveelheden van een visbestand of groep visbestanden die in een bepaalde periode worden aangelandgevangen; [Am. 73]
   (11 bis) „ongewenste vangsten”: vangsten van soorten beneden de minimale instandhoudingsreferentiegrootte of de minimummaat bij aanlanding, of vangsten van verboden of beschermde soorten of vangsten van niet-verhandelbare soorten of van exemplaren van soorten die wel verhandelbaar zijn maar niet voldoen aan de voorwaarden in de bepalingen van de visserijwetgeving van de Unie waarbij technische, monitoring- en beschermingsmaatregelen worden vastgesteld; [Am. 74]
   (12) „instandhoudingsreferentiepunt”: waarde van parameters voor de populatie van een visbestand (zoals biomassa (B), paaibiomassa (PBM) of visserijsterftecoëfficiënt (F)) die in het visserijbeheer worden gebruikt voor het bepalen van bijvoorbeeld een aanvaardbaar niveau van biologisch risico of een wenselijk opbrengstniveau; [Am. 75]
   (12 bis) „grensreferentiepunt”: waarde van parameters voor de populatie van een visbestand (zoals biomassa of visserijsterftecoëfficiënt) die in het visserijbeheer worden gebruikt om een drempel aan te geven waaronder of waarboven het visserijbeheer strookt met een beheersdoelstelling zoals aanvaardbaar niveau van biologisch risico of een wenselijk opbrengstniveau; [Am. 76]
   (12 ter) „bestand binnen veilige biologische grenzen”: bestand waarvoor het zeer waarschijnlijk is dat de geraamde paaibiomassa aan het einde van het voorgaande jaar hoger is dan het grensreferentiepunt voor biomassa (Blim) en dat de geraamde visserijsterftecoëfficiënt voor het voorgaande jaar lager is dan het grensreferentiepunt voor de visserijsterftecoëfficiënt (Flim); [Am. 77]
   (13) „vrijwaringsmaatregel”: een voorzorgsmaatregel die ontworpen is ter bescherming of ter voorkoming vanom een onwenselijke gebeurtenis te vermijden; [Am. 78]
   (14) „technische maatregel”: een maatregel om de soortensamenstelling en de groottesamenstelling van de vangsten, alsmede de impact van visserijactiviteiten op componenten van het ecosysteem of het functioneren daarvan te reguleren door voorwaarden op te leggen voor het gebruik en de structuurkenmerken van het vistuig en door de toegang tot visserijgebieden in de tijd of ruimtelijk te beperken; [Am. 79]
   (14 bis) „essentiële vishabitats”: fragiele mariene habitats die moeten worden beschermd wegens hun essentiële rol in de bevrediging van de ecologische en biologische behoeften van vissoorten, zoals paaigronden en kraam- en foerageergebieden; [Am. 80]
   (14 ter) „beschermd visserijgebied”: een geografisch gedefinieerd zeegebied waar alle of bepaalde visserijactiviteiten tijdelijk of permanent verboden of beperkt zijn, teneinde de exploitatie en de instandhouding van levende aquatische hulpbronnen of de bescherming van mariene ecosystemen te verbeteren; [Am. 81]
   (15) „vangstmogelijkheid”: een gekwantificeerd wettelijk recht om te vissen op een bepaald visbestand, uitgedrukt als maximale vangsten en/ofof maximale visserijinspanning, en de functioneel daarmee verbonden voorwaarden voor het kwantificeren ervan op een bepaald niveau;voor een bepaald beheersgebied; [Am. 82]
   (16) „visserijinspanning”: het product van de capaciteit en de activiteit van een vissersvaartuig; voor een groep vaartuigen is dit de som van de visserijinspanning van alle vaartuigen in de groep;
   (17) „overdraagbare visserijconcessies”: intrekbare gebruikersrechten op een specifiek deel van de vangstmogelijkheden die aan een lidstaat zijn toegewezen of zijn vastgesteld in een door een lidstaat overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1967/2006(25) aangenomen beheersplan, die de houder mag overdragen aan andere in aanmerking komende houders van dergelijke overdraagbare visserijconcessies;[Am. 83]
   (18) „individuele vangstmogelijkheden”: jaarlijkse vangstmogelijkheden die aan houders van overdraagbare visserijconcessies in een lidstaat worden toegewezen op basis van het deel van de vangstmogelijkheden van die lidstaat;[Am. 84]
   (19) „vangstcapaciteit”: het vermogen van een vaartuig om vis te vangen, gemeten aan de hand van de vaartuigkenmerken, inclusief de tonnage van een vaartuig in GT (Gross Tonnage - brutotonnage), en het vermogen ervan in kW (kilowatt), zoals gedefinieerd in de artikelen 4 en 5 van Verordening (EEG) nr. 2930/86 van de Raad van 22 september 1986 houdende definities van de kenmerken van vissersvaartuigen(26), alsmede de aard en de grootte van het vistuig ervan en elke andere parameter die gevolgen heeft voor het vermogen ervan om vis te vangen; [Am. 85]
   (19 bis) „wooncapaciteit”: de plaatsen aan boord die uitsluitend bestemd zijn om als woon- en rustruimte voor de bemanning te dienen; [Am. 86]
   (20) „aquacultuur”: de kweek of teelt van aquatische organismen, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken organismen te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu; deze organismen blijven in de gehele fase van de kweek of de teelt, tot en met de oogst, eigendom van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;[Am. 87]
   (21) „visvergunning”: een vergunning zoals bedoeld in artikel 4, punt 9, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen(27);
   (22) „vismachtiging”: een machtiging zoals bedoeld in artikel 4, punt 10, van Verordening (EG) nr. 1224/2009;
   (23) „visserij”: het verzamelen of vangen van in hun natuurlijke omgeving levende aquatische organismen, of het intentionele gebruik van om het even welk middel om aquatische organismen te verzamelen of te vangen;
   (24) „visserijproducten”: de aquatische organismen die naar aanleiding van een visserijactiviteit worden bovengehaald;
   (25) „marktdeelnemer”: de natuurlijke of de rechtspersoon die een bedrijf exploiteert of bezit waarvan de activiteiten betrekking hebben op een stadium van de productie-, verwerkings-, afzet-, distributie- en detailhandelsketen voor visserij- en aquacultuurproducten, of een andere beroepsbeoefenaars uit de visserijsector vertegenwoordigende organisatie die wettelijk erkend is en die belast is met het beheer van de toegang tot visserijhulpbronnen, professionele visserijactiviteiten en aquacultuur; [Am. 88]
   (26) „ernstige inbreuk”: een inbreuk zoals bedoeld in artikel 42, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen(28) en in artikel 90, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009;
   (27) „eindgebruiker van wetenschappelijke gegevens”: een orgaan dat met het oog op onderzoek of beheeronderzoeksorgaan of een beheersorgaan dat belang heeft bij de wetenschappelijke analyse van gegevens in de visserijsector; [Am. 89]
   (28) „overschot van de toegestane vangst”: het deel van de toegestane vangst dat een kuststaat vanwege gebrek aan capaciteit tijdens een bepaalde periode niet kan vangen, waardoor de totale exploitatie van afzonderlijke bestanden onder een peil blijft waarbij de bestanden zich kunnen herstellen en de populaties van de gevangen soorten boven een peil worden gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren; [Am. 90]
   (29) „aquacultuurproducten”: de zich in een fase van hun levenscyclus bevindende aquatische organismen die in het kader van een aquacultuuractiviteit worden geproduceerd;
   (30) „paaibiomassa”: de geraamde hoeveelheid vis van een specifieke hulpbron die zich op een bepaald moment voortplant en die bestaat uit mannetjes, vrouwtjes en levendbarende vis;voldoende rijp is om zich voort te planten; [Am. 91]
   (31) „gemengde visserij”: een visserij waarbij meerdere soorten in het bevisteeen bepaald gebied aanwezig zijn en met het vistuigbij dezelfde vangst kunnen worden gevangen. [Am. 92]
   (32) „duurzamevisserijovereenkomsten”: internationale overeenkomsten die met een ander land worden gesloten met als doel om, in ruil voor een financiële vergoeding van de Unie, toegang te krijgen tot hulpbronnen of wateren om een deel van het overschot aan mariene biologische hulpbronnen duurzaam te exploiteren, in ruil voor een financiële vergoeding van de Unie, ter ondersteuning van de lokale visserijsector, met bijzondere nadruk op de vergaring, bewaking en controle van wetenschappelijke gegevens, of met als doel om beide partijen toegang te verlenen tot hulpbronnen of wateren door een uitwisseling van vangstmogelijkheden tussen de Unie en het derde land; [Am. 93]
   (32 bis) „bijvangst”: vangst van een niet-beoogd organisme, ongeacht of het wordt behouden en aangeland of teruggegooid; [Am. 95]
   (32 ter) „vangst”: mariene biologische hulpbronnen die in het kader van visserijactiviteiten worden gevangen; [Am. 96]
   (32 quater) „visserij met een lage impact”: het aanwenden van selectieve visserijtechnieken die een minimale nadelige impact op mariene ecosystemen hebben en lage brandstofemissies hebben; [Am. 97]
   (32 quinquies) „selectieve visserij”: vissen met een methode of vistuig om organismen naar afmeting en soort te vangen tijdens de visserijactiviteit, waardoor niet-doelsoorten worden vermeden of onbeschadigd kunnen worden teruggegooid; [Am. 98]

DEEL II

TOEGANG TOT DE WATEREN

Artikel 6

Algemene voorschriften inzake toegang tot de wateren

1.  Behoudens de in het kader van deel III vastgestelde maatregelen hebben vissersvaartuigen van de Unie gelijke toegang tot de wateren en de bestanden in alle andere Uniewateren dan die welke in de leden 2 en 3 worden bedoeld.

2.  In de wateren onder hun soevereiniteit of jurisdictie tot 12 zeemijl vanaf de basislijnen mogen de betrokken lidstaten vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2022 de visserij beperken tot de vissersvaartuigen die traditioneel in die wateren vissen vanuit havens aan de aangrenzende kust, onverminderd de regelingen die in het kader van bestaande nabuurschapsbetrekkingen tussen lidstaten gelden voor EU-vissersvaartuigen die de vlag van een andere lidstaat voert, en onverminderd de regelingen die zijn opgenomen in bijlage I, waarin voor elke lidstaat de geografische zones van de kustwateren van de andere lidstaten zijn vastgesteld waar visserijactiviteiten mogen plaatsvinden, evenals de soorten waarop deze activiteiten betrekking mogen hebben. De lidstaten mogen voorzien in exclusieve of preferentiële toegang voor kleinschalige, ambachtelijke of kustvissers, rekening houdend met sociale en milieufactoren, inclusief de potentiële voordelen als gevolg van de toekenning van exclusieve of preferentiële toegang voor lokale of microbedrijven en voor vissers die selectieve visserijpraktijken en visserijpraktijken met een lage impact beoefenen. De lidstaten delen de beperkingen die zij uit hoofde van dit lid hebben ingevoerd, mee aan de Commissie. [Am. 251]

3.  In de wateren tot 100 zeemijl vanaf de basislijnen van de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden mogen de betrokken lidstaten vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2022 de visserij beperken tot de vissersvaartuigen die in de havens van deze eilanden zijn geregistreerd. Dergelijke beperkingen zijn niet van toepassing op EU-vaartuigen die traditioneel in die wateren vissen, op voorwaarde dat die vaartuigen de traditioneel uitgeoefende visserijinspanning niet overschrijden. De lidstaten delen de beperkingen die zij uit hoofde van dit lid hebben ingevoerd, mee aan de Commissie.

3 bis.  De status van het bestaande biologisch kwetsbare gebied overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 van de Raad van 4 november 2003 betreffende het beheer van de visserijinspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap(29), blijft in zijn huidige vorm behouden. [Am. 99]

4.  De bepalingen die van toepassing worden na afloop van de in de leden 2 en 3 bedoelde regelingen, worden vastgesteld vóór 31 december 2022.

DEEL III

MAATREGELEN VOOR DE INSTANDHOUDING EN DUURZAME EXPLOITATIE VAN MARIENE BIOLOGISCHE HULPBRONNEN [Am. 100]

TITEL I

SOORTEN MAATREGELEN

Artikel -7

Algemene bepalingen inzake de instandhoudingsmaatregelen

1.  Om de in artikel 2 genoemde algemene doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid te verwezenlijken stelt de Unie de maatregelen voor de instandhouding en duurzame exploitatie van de mariene biologische hulpbronnen van artikelen 7 en 8 vast. Deze maatregelen worden met name vastgesteld in de vorm van meerjarenplannen overeenkomstig de artikelen 9, 10 en 11.

2.  Die maatregelen stroken met de in de artikelen 2 en 3 omschreven doelstellingen en bij de vaststelling ervan wordt rekening gehouden met het beste wetenschappelijke advies dat beschikbaar is en met de adviezen die zijn ontvangen van bevoegde adviesraden.

3.  De lidstaten worden gemachtigd instandhoudingsmaatregelen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 17 tot en met 24 en de andere relevante bepalingen van deze verordening. [Am. 101]

Artikel 7

Soorten instandhoudingsmaatregelen

Maatregelen voor de instandhouding en de duurzame exploitatie van mariene biologische hulpbronnen kunnen onder meer bestaan uit:

   (a) meerjarenplannen die overeenkomstig de artikelen 9, 10 en 11 worden vastgesteld;
   (b) streefdoelen voor de duurzame exploitatie en de instandhouding van bestanden en voor de bescherming van het mariene milieu tegen de effecten van visserijactiviteiten;
   (c) maatregelen om het aantal vissersvaartuigen en/of types van vissersvaartuigen aan te passen aan de beschikbare vangstmogelijkheden;
   (d) stimulansen ter bevordering van een selectievere visserij en van visserijmethoden met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visserijhulpbronnen, met inbegrip van het verlenen van een preferentiële toegang tot nationale vangstmogelijkheden en van economische stimulansen, om een selectievere visserij of een visserij met een lage impact te bevorderen;
   (e) maatregelen voor de vaststelling en toewijzing van vangstmogelijkheden overeenkomstig artikel 16;
   (f) technische maatregelen zoals bedoeld in artikel 14de artikelen 8 en 14;
   (g) maatregelen met betrekking tot de verplichting om alle vangsten aan te landen;voor het halen van de doelstellingen in artikel 15;
   (h) proefprojecten inzake alternatieve soorten visserijbeheerstechnieken en vistuig om de selectiviteit te vergroten of de effecten van visserijactiviteiten op het mariene milieu zo veel mogelijk te beperken;
   (h bis) maatregelen om de lidstaten te helpen te voldoen aan de vereisten van de milieuwetgeving;
   (h ter) andere maatregelen die helpen om de doelstellingen van de artikelen 2 en 3 te verwezenlijken. [Am. 102]

Artikel 7 bis

Instelling van gebieden voor herstel van de bestanden

1.  Om de instandhouding van de levende aquatische hulpbronnen en de mariene ecosystemen te garanderen stellen de lidstaten in het kader van een voorzorgsbenadering een samenhangend netwerk van gebieden voor herstel van de bestanden in waar alle visserijactiviteiten verboden zijn, die met name gebieden omvat die belangrijk zijn voor de reproductie van vis.

2.  De lidstaten zorgen voor de identificatie en aanwijzing van de gebieden die voor de instelling van een samenhangend netwerk van gebieden voor herstel van de bestanden nodig zijn. [Am. 103]

Artikel 8

Soorten technische maatregelen

Technische maatregelen kunnen onder meer bestaan uit:

   (a) maaswijdtendefinities van de kenmerken van vistuig en voorschriften betreffende het gebruik van vistuig;ervan;
  (b) beperkingenspecificaties betreffende de bouw van vistuig, zoals
   i) wijzigingen of aanvullende inrichtingen om de selectiviteit te verbeteren of de impact op de bentische zone te reduceren;negatieve effecten op het ecosysteem tot een minimum te beperken;
   ii) wijzigingen of aanvullende inrichtingen om de incidentele vangst van bedreigde en beschermde soorten en andere ongewenste vangsten te reduceren;
   (c) een verbod op of een beperking van het gebruik van bepaald vistuig in bepaalde gebieden of seizoenen;of andere technische uitrusting;
   (d) een verbod op of beperking van visserijactiviteiten in bepaalde zones en/ofof perioden;
   (e) een verbod op de activiteit van vissersvaartuigen in een specifiek gebied gedurende een specifieke minimumperiode met als doel eenessentiële vishabitats, tijdelijke aggregatieaggregaties van een kwetsbare mariene hulpbron, een bedreigde soort, paaiende vis of jongen te beschermen;
   (f) specifieke maatregelen om de impactnegatieve effecten van visserijactiviteiten op de mariene biodiversiteit en mariene ecosystemen en niet-doelsoortentot een minimum te beperken – met name wanneer deze zijn aangemerkt als biologisch-geografisch kwetsbaar, zoals de onderzeese bergen rond de ultraperifere gebieden, waarvan de hulpbronnen door de lokale vloot zouden moeten worden geëxploiteerd met gebruik van selectief en milieuvriendelijk vistuig – met inbegrip van maatregelen om ongewenste vangsten te voorkomen, te beperken en in de mate van het mogelijke te elimineren;
   (g) andere technische maatregelen ter bescherming van de mariene biodiversiteit. [Am. 104 en 295]

TITEL II

MAATREGELEN VAN DE UNIE

Artikel 9

Meerjarenplannen

1.  Prioritair wordenHet Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure als prioriteit en uiterlijk …(30) meerjarenplannen vastgesteldvast die aansluiten bij het wetenschappelijke advies van het WETCV en de ICES en die instandhoudingsmaatregelen omvatten om de visbestanden boven een niveau te houden of te brengen dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, overeenkomstig artikel 2, lid 2. De meerjarenplannen dienen ook het verwezenlijken van andere doelstellingen zoals omschreven in de artikelen 2 en 3.

2.  De meerjarenplannen omvatten:

   (a) de basis voor het vaststellen van de vangstmogelijkheden voor de betrokken bestanden op basis van vooraf omschreven instandhoudingsreferentiepunten; en tevensen/of grensreferentiepunten, die consistent zijn met de doelstellingen van artikel 2 en in overeenstemming zijn met het wetenschappelijk advies; en
   (b) maatregelen die op doeltreffende wijze kunnen voorkomen dat de instandhoudingsreferentiepuntengrensreferentiepunten worden overschreden en die beogen de instandhoudingsreferentiepunten te halen.

3.  De meerjarenplannen hebben, waar mogelijk, betrekking op visserijtakken die afzonderlijke visbestanden exploiteren of op visserijtakken die meerdere bestanden door elkaar exploiteren, en houden naar behoren rekening met interacties tussen bestanden,en visserijtakken en het mariene ecosysteem.

4.  De meerjarenplannen worden gebaseerd op de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer en houden op een wetenschappelijk verantwoorde manier rekening met de beperkingen van de beschikbare gegevens en beoordelingsmethoden, waarbij ook beoordelingen worden gemaakt van bestanden waarover weinig gegevens beschikbaar zijn, en met alle gekwantificeerde bronnen van onzekerheid. [Am. 105]

Artikel 10

Doelstellingen van de meerjarenplannen

1.  In het kader van de meerjarenplannen moetworden de visserijsterftecoëfficiëntvisserijsterftecoëfficiënten zo worden aangepast dat alle bestandende coëfficiënten uiterlijk in 2015 worden vastgesteld op een niveau waarbij de visbestanden zich uiterlijk in 2020 kunnen herstellen boven een niveau worden gehouden of gebracht dat uiterlijk in 2015 dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren en waarbij alle herstelde bestanden op dit niveau kunnen worden behouden.

2.  Wanneer het niet mogelijk is een visserijsterftecoëfficiëntde in lid 1 bedoelde visserijsterfte te bepalen,die het mogelijk maakt de bestanden boven een niveau te brengen en te houden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, wordenwordt in de meerjarenplannen voorzorgsmaatregelenop het visserijbeheer de voorzorgsbenadering toegepast en worden in deze plannen schattingsnormen en maatregelen vastgesteld die op zijn minst een vergelijkbaar niveau van instandhouding van de betrokken bestanden garanderen.

2 bis.  Onverminderd de bepalingen van de leden 1 en 2 staan de maatregelen in het kader van de meerjarenplannen en het tijdschema voor de tenuitvoerlegging ervan in verhouding tot de doelstellingen, de streefdoelen en het beoogde tijdskader. Voordat maatregelen worden opgenomen in meerjarige plannen wordt rekening gehouden met de verwachte economische en sociale effecten ervan en worden die maatregelen geleidelijk ten uitvoer gelegd, met uitzondering van dringende gevallen.

2 ter.  De meerjarenplannen kunnen bepalingen omvatten om rekening te houden met de specifieke problemen van gemengde visserij met betrekking tot het behoud en het herstel van de bestanden boven een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, indien het wetenschappelijk advies aangeeft dat het niet mogelijk is de selectiviteit te vergroten, om het verstikken van soorten te voorkomen. [Am. 106 en 107]

Artikel 11

Inhoud van de meerjarenplannen

1.  Een meerjarenplan omvat:

   (a) het voorwerp waarop het meerjarenplan wordt toegepast, d.w.z. het geografische gebied, de betrokken bestanden, visserijtakken en mariene ecosystemen;
   (b) doelstellingen die verenigbaar zijn met de in de artikelen 2 en 3 vastgestelde doelstellingen en met de relevante bepalingen van de artikelen -7 bis, 9 en 10;
   (b bis) een beoordeling van de vlootcapaciteit en, als er geen daadwerkelijk evenwicht is tussen de visserijcapaciteit en de beschikbare vangstmogelijkheden, een plan om de capaciteit te verminderen, met een tijdspad en de specifieke stappen die door elke betrokken lidstaat moeten worden ondernomen om de visserijcapaciteit af te stemmen op de beschikbare vangstmogelijkheden binnen een bindende termijn; zonder afbreuk te doen aan de in artikel 34 vastgelegde verplichtingen, moet deze beoordeling een evaluatie omvatten van de sociaal-economische dimensie van de onderzochte vloot;
   (b ter) een beoordeling van de sociaal-economische effecten van de in het kader van het meerjarenplan genomen maatregelen;
  (c) kwantificeerbare streefdoelen die worden uitgedrukt in:
   i) visserijsterftecoëfficiënten, en/of
   ii) paaibiomassa, en
   ii bis) maximumpercentages van ongewenste en niet-toegelaten vangsten, en
   ii ter) maximale jaarlijkse veranderingen van de vangstmogelijkheden.
   iii) stabiliteit van de vangsten.
   (d) een duidelijk tijdspad voor het halen van dealle kwantificeerbare streefdoelen;
   (d bis) bepalingen om de vangstmogelijkheden stelselmatig te reduceren wanneer de beschikbare gegevens van de visserijtakken een afname van kwaliteit of kwantiteit laten zien;
   (e) instandhoudings- en technische maatregelen, met inbegrip van maatregelen betreffende het elimineren vandie moeten worden genomen om de doelstellingen in artikel 15 te verwezenlijken en maatregelen om ongewenste vangsten te voorkomen en in de mate van het mogelijke te elimineren;
   (f) kwantificeerbare indicatoren voor het periodieke monitoren en beoordelen van de vooruitgang in de richting van de streefdoelen van het meerjarenplan en van de sociaal-economische gevolgen;
   (g) indien nodig, specifieke maatregelen en doelstellingen voor het deel van de levenscyclus van anadrome en katadrome soorten dat zich in zoet water afspeelt;
   (h) het tot een minimum beperken van de impactmaatregelen om de effecten van de visserij op het ecosysteem te reduceren;
   (i) vrijwaringsmaatregelen en criteria voor het in werking treden van deze vrijwaringsmaatregelen;
   (i bis) maatregelen om ervoor te zorgen dat de bepalingen van het meerjarenplan worden nageleefd;
   (j) andere maatregelen die geschikt en evenredig zijn om de doelstellingen van de meerjarenplannen te verwezenlijken.

1 bis.  In de meerjarenplannen wordt bepaald dat zij periodiek worden geëvalueerd, om een beoordeling te maken van de geboekte vooruitgang in de richting van het verwezenlijken van de vastgestelde doelstellingen. In het bijzonder houden die periodieke evaluaties rekening met nieuwe elementen, bijvoorbeeld veranderingen in het wetenschappelijk advies, en om de nodige tussentijdse aanpassingen mogelijk te maken. [Am. 108 en 239]

Artikel 12

Naleving van de verplichtingen in het kader van de milieuwetgeving van de Unie inzake beschermde gebieden

1.  De lidstaten zien erop toe dat de impact van visserijactiviteiten in speciale beschermingszones, zoals bedoeldHet gemeenschappelijk visserijbeleid en alle daaruit voortvloeiende maatregelen die door de lidstaten worden vastgesteld met betrekking tot speciale beschermingszones, zijn volledig in overeenstemming met Richtlijn 92/43/EEG, Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 2008/56/EG. Indien een lidstaat de gebieden die worden genoemd in artikel 6 van Richtlijn 92/43/EEG, artikel 4 van Richtlijn 2009/147/EG en artikel 13, lid 4, van Richtlijn 2008/56/EG, wordt verlicht.heeft aangewezen, reguleert hij de visserijactiviteiten zodanig dat deze volledig in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de bovengenoemde richtlijnen, in overleg met de Commissie, de adviesraden en andere belanghebbenden. [Am. 109]

1 bis.  Alle maatregelen die door de Unie en de lidstaten in het kader van het GVB worden genomen, zijn volledig in overeenstemming met het Verdrag van Aarhus, met de resoluties 61/105, 64/72 en 66/68 van de Algemene Vergadering van de VN en met de Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden.[Am. 257]

1 ter.  Voor visserijactiviteiten die uitsluitend in de wateren onder de soevereiniteit en jurisdictie van één lidstaat plaatsvinden, is de betreffende lidstaat bevoegd om maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan zijn verplichtingen in het kader van de milieuwetgeving van de Unie inzake beschermde gebieden. Deze maatregelen zijn verenigbaar met de in artikel 2 vastgestelde doelstellingen en zijn niet minder stringent dan de in de bestaande Uniewetgeving vastgestelde maatregelen. [Am. 258]

1 quater.  De lidstaten die een direct visserijbelang hebben in de gebieden waar zich de invloed van de in lid 1 bedoelde maatregelen zal doen voelen, werken met elkaar samen in overeenstemming met artikel 21, lid 1 bis. Die lidstaten mogen de Commissie verzoeken de in lid 1 bedoelde maatregelen vast te stellen. [Am. 111]

1 quinquies.  Om de Commissie in staat te stellen te handelen in reactie op het in lid 1 quater bedoelde verzoek, verstrekt/verstrekken de lidstaat of lidstaten alle relevante informatie over de gevraagde maatregelen, inclusief een motivering voor het verzoek, alsmede wetenschappelijke gegevens en details met betrekking tot de praktische tenuitvoerlegging van de maatregelen. Bij haar besluit tot vaststelling van de maatregelen houdt de Commissie rekening met alle relevante wetenschappelijke adviezen waarover zij beschikt. [Am. 260]

2.  De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin de visserijgerelateerde maatregelen ter verlichting van de impact van de visserij op speciale beschermingszones worden gespecificeerd. [Am. 114]

2 bis.  Het Europees Parlement en de Raad stellen, volgens de gewone wetgevingsprocedure en op een voorstel van de Commissie, maatregelen vast om de mogelijke negatieve sociale en economische gevolgen van het voldoen aan de in lid 1 bedoelde verplichtingen te beperken. [Am. 262]

Artikel 13

Maatregelen van de Commissie bij ernstige bedreigingen voor de mariene biologische hulpbronnen

1.  De Commissie is bevoegd om, indien er op basis van betrouwbare wetenschappelijke gegevens bewijs is van een onmiddellijke actie vereisende, ernstige bedreiging voor de instandhouding van mariene biologische hulpbronnen of voor het mariene ecosysteem, kan de Commissie, op gemotiveerd verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, beslissen over tijdelijke maatregelenovereenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter verlichting van deze bedreiging.

Die gedelegeerde handelingen worden uitsluitend vastgesteld indien dit om dwingende redenen van urgentie vereist is en de in artikel 55 bis neergelegde procedure van toepassing.

2.  De lidstaat deelt het in lid 1 bedoelde gemotiveerde verzoek terzelfder tijd mee aan de Commissie, de overige lidstaten en de betrokken adviesraden.[Am. 115]

Artikel 13 bis

Noodmaatregelen van een lidstaat

1.  Indien er bewijs is van een ernstige en onvoorziene bedreiging voor de instandhouding van levende aquatische hulpbronnen of voor het mariene ecosysteem als gevolg van visserijactiviteiten, die zich voordoet in wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van een lidstaat, waarbij elk te langdurig uitstel zou leiden tot schade die moeilijk te herstellen zou zijn, kan die lidstaat noodmaatregelen nemen waarvan de geldigheidsduur ten hoogste drie maanden bedraagt.

2.  Lidstaten die voornemens zijn noodmaatregelen te nemen, geven de Commissie, de overige lidstaten en de bevoegde adviesraden door toezending van een ontwerp van die maatregelen, vergezeld van een toelichting, kennis van hun voornemen alvorens die maatregelen vast te stellen.

3.  De lidstaten en de bevoegde adviesraden kunnen hun schriftelijke opmerkingen bij de Commissie indienen binnen vijf werkdagen na de datum van kennisgeving. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bevestiging, annulering of wijziging van de maatregel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een ernstige en onvoorziene bedreiging voor de instandhouding van levende aquatische hulpbronnen of voor het mariene ecosysteem als gevolg van visserijactiviteiten stelt de Commissie volgens de in artikel 56, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast. [Am. 116]

Artikel 14

Raamwerken van technische maatregelen

Er worden raamwerken van technische maatregelen vastgesteld om de bescherming van de mariene biologische hulpbronnen te waarborgen en de impact van de visserijactiviteiten op de visbestanden en de mariene ecosystemen te reduceren. De technische maatregelen:

   (a) dragen ertoe bij dat de visbestanden middels betere selectie op grootte en, in voorkomend geval, op soort boven een niveau worden gehouden of gebracht dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren;
   (b) leiden tot een reductie van de vangst van ondermaatse vis;
   (c) leiden tot een reductie van de vangst van ongewenste mariene organismen;
   (d) verkleinenbeperken de impacteffecten van vistuig op het ecosysteem en op het mariene milieu tot een minimum, met name wat de bescherming van biologisch kwetsbare bestanden en fragiele habitats betreft, in het bijzonder wanneer die habitats zijn aangemerkt als biologisch-geografisch kwetsbaar, zoals de onderzeese bergen rond de ultraperifere gebieden, waarvan de hulpbronnen door de lokale vloot moeten worden geëxploiteerd met gebruik van selectief en milieuvriendelijk vistuig. [Am. 296]

Artikel 14 bis

Voorkoming en minimalisering van ongewenste vangsten

1.  Vóór in de diverse visserijtakken de verplichting wordt ingevoerd alle vangsten aan te landen overeenkomstig artikel 15, voeren de lidstaten indien nodig, op basis van het beste wetenschappelijke advies dat beschikbaar is en rekening houdend met de adviezen van de bevoegde adviesraden, proefprojecten uit om alle realiseerbare methoden voor de voorkoming, minimalisering en eliminatie van ongewenste vangsten in een visserijtak volledig te onderzoeken. Deze proefprojecten worden waar wenselijk uitgevoerd door de producentenorganisaties. De resultaten van die proefprojecten krijgen hun neerslag in de meerjarenplannen van elke visserijtak in de vorm van bijkomende stimulansen voor het gebruik van het meeste selectieve vistuig en de meest selectieve visserijmethoden die beschikbaar zijn. De lidstaten produceren ook een teruggooiatlas, met het niveau van teruggooi in elk van de onder artikel 15, lid 1, vallende visserijtakken. Deze atlas moet gebaseerd zijn op objectieve en representatieve gegevens.

2.  De Unie biedt financiële steun voor het ontwerp en de tenuitvoerlegging van de proefprojecten die overeenkomstig lid 1 worden uitgevoerd en voor het gebruik van selectief vistuig, om de hoeveelheid ongewenste en niet-toegelaten vangsten te verminderen. Bij het vaststellen van financiële steunmaatregelen wordt bijzondere aandacht besteed aan vissers voor wie de verplichting geldt alle vangsten aan te landen en die actief zijn in een visserijtak met gemengde visserij. [Am. 118]

Artikel 15

Verplichting tot het aanlanden en registreren van alle vangsten van gevangen en gereglementeerde soorten

1.  Alle vangsten van de volgende, aan vangstbeperkingen onderworpen visbestandengevangen en gereglementeerde soorten die worden gedaan in de volgende visserijtakken tijdens visserijactiviteiten in Uniewateren of door vissersvaartuigen van de Unie in wateren buiten de Unie, worden overeenkomstig het volgende tijdspad aan boord van de vissersvaartuigen gebracht en gehouden, en worden geregistreerd en aangeland, behalve wanneer zij als levend aas worden gebruikt:

(a)  uiterlijk vanaf 1 januari 2014:

   kleine pelagische visserij, d.w.z. de visserij op makreel, haring, horsmakreel, blauwe wijting, evervis, ansjovis, zilvervis, sardinella's, loddesardine en sprot;
   grote pelagische visserij, d.w.z. de visserij op blauwvintonijn, zwaardvis, witte tonijn, grootoogtonijn, andere zeilvis;
   visserij voor industriële doeleinden, waaronder de visserij op lodde, zandspiering en kever;
   zalm in de Oostzee;

(b)  uiterlijk vanaf 1 januari 2015: kabeljauw, heek, tong;1 januari 2016:

   de volgende visserij in Uniewateren van het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan:

De Noordzee
Noordwestelijke wateren
Zuidwestelijke wateren
   de visserij op kabeljauw, schelvis, wijting en zwarte koolvis;
   de visserij op langoustines;
   de visserij op tong en schol;
   de visserij op heek;
   de visserij op Noorse garnaal;
   andere nader te analyseren visserijtakken;
   andere visserij in de Oostzee dan de visserij op zalm;
   de visserij op kabeljauw, schelvis, wijting en zwarte koolvis;
   de visserij op langoustines;
   de visserij op tong en schol;
   de visserij op heek;
   andere nader te analyseren visserijtakken;
   de visserij op kabeljauw, schelvis, wijting en zwarte koolvis;
   de visserij op langoustines;
   de visserij op tong en schol;
   de visserij op heek;
   andere nader te analyseren visserijtakken;

(c)  uiterlijk vanaf 1 januari 2016: schelvis, wijting, schartong, zeeduivel, schol, leng, zwarte koolvis, witte koolvis, tongschar, tarbot, griet, blauwe leng, zwarte haarstaartvis, grenadiersvis, Atlantische slijmkop, zwarte heilbot, torsk, roodbaars en de mediterrane demersale bestanden.1 januari 2017, visserijtakken die niet vallen onder lid 1, onder (a), in Unie- en niet-Uniewateren.

1 bis.  Zodra de verplichting alle vangsten aan te landen in een visserijtak is ingevoerd, worden alle vangsten van soorten waarvoor deze verplichting geldt geregistreerd en, indien van toepassing, afgetrokken van de quota van de visser, producentenorganisatie of pool voor collectief beheer in kwestie, met uitzondering van de soorten die overeenkomstig lid 1 ter mogen worden teruggegooid in zee.

1 ter.  De aanlandingsverplichting in lid 1 geldt niet voor de volgende soorten:

   soorten die worden gevangen om als levend aas te worden gebruikt;
   soorten waarvan op basis van de beschikbare wetenschappelijke informatie bekend is dat zij een hoog overlevingspercentage hebben, rekening houdend met de aard van het vistuig, de visserijpraktijken en de omstandigheden in het visserijgebied;

1 quater.  Om de tenuitvoerlegging van de verplichting alle vangsten aan te landen te vereenvoudigen en te harmoniseren, ongepaste verstoringen van de visserijtakken in kwestie te voorkomen en de hoeveelheid ongewenste vangsten te verminderen, wordt via de in artikel 9 genoemde meerjarenplannen, specifieke rechtshandelingen van de Unie inzake de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting of andere rechtsshandelingen van de Unie, waar passend het volgende vastgesteld:

  (a) een lijst van niet-doelsoorten met een lage natuurlijke abundantie die mogen worden aangerekend op de quota van de doelsoort van de visserijtak in kwestie indien:
   de nationale jaarlijkse quota van deze niet-doelsoort volledig is opgebruikt;
   de totale vangst van de niet-doelsoort niet meer dan 3% van de totale vangst van de doelsoort bedraagt; en
   het bestand van de niet-doelsoort binnen veilige biologische grenzen ligt;
   (b) regels inzake stimulansen om de vangst van jonge vis te ontmoedigen, inclusief de verhoging van quota-aandelen die moeten worden afgetrokken van de quota van een visser, als jonge exemplaren worden gevangen.

2.  Op basis van wetenschappelijk advies dat het meest nauwkeurige, bijgewerkte en het beste beschikbare is, worden indien nodig voor de bescherming van jonge exemplaren door de ontmoediging van vissers van het opzettelijk vissen erop minimale instandhoudingsreferentiegrootten vastgesteld, rekening houden met de leeftijd en omvang voor de eerste reproductie, voor de in lid 1 genoemde visbestanden worden op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies minimale instandhoudingsreferentiegrootten vastgesteld.waarvoor de verplichting geldt alle vangsten aan te landen. Vangsten van die bestanden die de minimale instandhoudingsreferentiegrootte niet halen, mogen slechts worden verkocht omgebruikt voor andere doeleinden dan menselijke consumptie, bijvoorbeeld verwerking tot vismeel,ofvisolie, diervoeder te worden verwerkt.of aas. De lidstaat in kwestie kan ook schenking van deze vangsten voor welzijns- of liefdadigheidsdoeleinden toestaan.

3.  Voor bestanden waarvoor een verplichting tot aanlanding van alle vangst geldt, mogen de lidstaten gebruik maken van een jaarlijkse flexibiliteitsmarge van maximaal 5% van hun toegestane aanlandingen, onverminderd hogere flexbiliteitspercentages die zijn vastgesteld in specifieke wetgeving. De handelsnormen en de handelsregels voor vangsten van vis die de vastgestelde vangstmogelijkheden overschrijden, kunnen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 27artikel 39 van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad van … houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten(31)(32).

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat vissersvaartuigen van de Unie die hun vlag voeren, zo zijn uitgerust dat zij alle visserij- en verwerkingsactiviteiten volledig kunnen documenteren met het oog op het toezicht op de naleving van de verplichting om alle vangsten aan te landen. De lidstaten eerbiedigen hierbij het efficiëntie- en het proportionaliteitsbeginsel.

5.  Lid 1 is van toepassing onverminderd internationale verplichtingen.

6.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in lid 1 bedoelde maatregelen te nemen met het oog op de naleving van de internationale verplichtingen van de Unie. [Am. 119]

Artikel 16

Vangstmogelijkheden

1.  Bij de vaststelling en de toewijzing van de vangstmogelijkheden treedt de Raad op overeenkomstig de artikelen 2, 9, 10 en 11, waarbij hij een langetermijnbenadering toepast en hij het beste wetenschappelijk advies volgt dat beschikbaar is. De vangstmogelijkheden worden zodanig aanonder de lidstaten toegewezenverdeeld dat voor iedere lidstaat de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk visbestandbestand of elke visserijtak gewaarborgd is. Bij de toewijzing van nieuwe vangstmogelijkheden wordt rekening gehouden met de belangen van elke lidstaat.

De Raad stelt de voor derde landen in Uniewateren beschikbare vangstmogelijkheden vast en wijst deze mogelijkheden toe aan deze derde landen.

De toewijzing van vangstmogelijkheden aan een lidstaat of een derde land is afhankelijk van de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

1 bis.  Bij de vaststelling van de jaarlijkse quotatoewijzingen houdt de Raad ten volle rekening met de regio's waar de plaatselijke gemeenschappen in hoge mate van visserij en aanverwante activiteiten afhankelijk zijn, zoals vastgesteld door de Raad in zijn resolutie van 3 november 1976 inzake bepaalde externe aspecten van het instellen in de Gemeenschap, met ingang van 1 januari 1977, van een visserijzone van 200 mijl, en in het bijzonder bijlage VII daarbij.

2.  Een deel van de totale vangstmogelijkheden mag worden gereserveerd voor bijvangsten.

3.  De vangstmogelijkheden moeten in overeenstemming zijn met de kwantificeerbare streefdoelen ten aanzien van de vangst, termijnen en marges die zijn vastgesteld in de meerjarenplannen, overeenkomstig artikel 9, lid 2, en artikel 11, onder b), c) en h). Indien geen overeenkomstig meerjarenplan voor commercieel geëxploiteerde visbestanden in Uniewateren is vastgesteld, zorgt de Raad ervoor dat de totaal toegestane vangst (TAC's) uiterlijk in 2015 worden vastgesteld op een niveau waarbij de visbestanden zich uiterlijk in 2020 kunnen herstellen boven een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren en waarbij alle herstelde bestanden op dit niveau kunnen worden behouden.

3 bis.  Delegaties van het Europees Parlement en de adviesraden zijn aanwezig wanneer de Raad besluiten over de vaststelling van vangstmogelijkheden neemt.

3 ter.  Wanneer het door een gebrek aan gegevens niet mogelijk is voor bepaalde bestanden exploitatiecijfers vast te stellen die stroken met de maximale duurzame opbrengst:

   i) wordt de voorzorgsbenadering toegapst op het visserijbeheer;
   ii) worden vervangingsnormen vastgesteld op basis van de methoden zoals bedoeld in de punten 3.1 en 3.2 van Deel B van de bijlagen bij Besluit 2010/477/EU van de Commissie van 1 september 2010 tot vaststelling van criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren(33), en wordt de visserijsterfte verder beperkt middels het voorzorgsbeginsel of stabiel gehouden in gevallen waarin er aanwijzingen zijn dat de status van de bestanden bevredigend is;
   iii) evalueren de Commissie en de lidstaten de belemmeringen voor onderzoek en voor de verwerving van kennis, en nemen zij maatregelen om ervoor te zorgen dat zo spoedig mogelijk aanvullende gegevens over bestanden en ecosystemen voorhanden zijn.

3 quater.  Elke lidstaat neemt een besluit betreffende de te gebruiken methode voor de toewijzing van de voor vaartuigen die zijn vlag voeren bestemde vangstmogelijkheden, overeenkomstig het recht van de Unie. De lidstaat deelt de toewijzingsmethode aan de Commissie mee.

4.  De lidstaten mogen, na mededeling aan de Commissie, de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden geheel of gedeeltelijk uitwisselen.

4 bis.  Als de Commissie op grond van de met toepassing van artikel 19 of artikel 23 uitgevoerde beoordeling van mening is dat een lidstaat geen passende maatregelen overeenkomstig de artikelen 17 tot en met 24 heeft genomen, leidt dit tot verlagingen van de door de Unie aan die lidstaat toegekende vangstmogelijkheden in het jaar of de jaren daarna en tot onderbreking of opschorting van de betalingen aan die lidstaat of tot de toepassing van een financiële correctie op de financiële steun van de Unie in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid overeenkomstig artikel 50. Dergelijke maatregelen moeten in verhouding staan tot de aard, de omvang, de duur en het al dan niet herhaaldelijke karakter van de niet-naleving.

4 ter.  De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad een jaarverslag voor waarin wordt beoordeeld of de huidige vangstmogelijkheden doeltreffend zijn wat betreft herstel en instandhouding van populaties van gevangen soorten boven het niveau dat het in artikel 2, lid 2, bedoelde resultaat kan opleveren.[Am. 120, 264, 293 en 301]

Artikel 16 bis

Criteria voor de toewijzing van de vangstmogelijkheden door de lidstaten

Bij de toewijzing van de vangstmogelijkheden die hun op grond van artikel 16 ter beschikking staan, hanteren de lidstaten transparante en objectieve ecologische en sociale criteria, bijvoorbeeld de impact van de visserij op het milieu, de staat van dienst op het gebied van naleving en de bijdrage tot de lokale economie. Ook andere criteria, bijvoorbeeld vangstniveaus uit het verleden, mogen worden gehanteerd. Binnen het kader van de hun toegewezen vangstmogelijkheden zorgen de lidstaten voor stimulansen voor vissersvaartuigen die zijn uitgerust met selectief vistuig of die gebruik maken van visserijtechnieken met beperkte milieueffecten, zoals een lager energieverbruik of een verminderde schade aan de habitats. [Am. 227]

TITEL III

REGIONALISERING

HOOFDSTUK 1

MEERJARENPLANNEN

Artikel 17

Overeenkomstig meerjarenplannen vastgestelde instandhoudingsmaatregelen

1.  De Lidstaten die een visserijtak delen, kunnen volgens de in dit artikel uiteengezette procedures worden gemachtigd om, in op grond van de artikelen 9, 10 en 11 vastgestelde meerjarenplannen en overeenkomstig die meerjarenplannen, maatregelen vast te stellen waarin wordt gespecificeerd welke instandhoudingsmaatregelen met betrekking tot in Uniewateren aanwezige bestanden waarvoor zij vangstmogelijkheden hebben gekregen, van toepassing zijn op de onder hun vlag varende vaartuigen.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de overeenkomstig lid 1 vastgestelde instandhoudingsmaatregelen:

   (a) verenigbaar zijn met de in de artikelen 2 en 3 vastgestelde doelstellingen en de in artikel 4 genoemde beginselen van goed bestuur;
   (b) verenigbaar zijn met het toepassingsgebied en de doelstellingen van het meerjarenplan;
   (c) effectief zijn met het oog op de in het meerjarenplan vastgestelde doelstellingen en kwantificeerbare streefdoelen, binnen de gespecificeerde tijdsspanne; en tevens
   (d) niet minder stringent zijn dan de in de Uniewetgeving vastgestelde instandhoudingsmaatregelen.

2 bis.  De lidstaten werken samen om te zorgen dat onderling verenigbare maatregelen worden vastgesteld die de in de meerjarenplannen bepaalde doelstellingen verwezenlijken en coördineren de uitvoering van die maatregelen met elkaar. Hiertoe maken de lidstaten, als dit haalbaar en wenselijk is, gebruik van bestaande regionale structuren en mechanismen voor institutionele samenwerking, inclusief die in het kader van de regionale zeeverdragen voor het gebied of de visserijtak in kwestie.

De inspanningen die gericht zijn op onderlinge coördinatie tussen de lidstaten die een visserijtak delen, komen in aanmerking voor financiering met middelen van het Europees maritiem en visserijfonds, overeenkomstig Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende het Europees maritiem en visserijfonds(34)(35).

2 ter.  De lidstaten raadplegen de bevoegde adviesraden alsmede de ICES en/of het WTECV door hun een ontwerp van de maatregelen toe te zenden, vergezeld van een toelichting. Deze ontwerpen worden tegelijk toegezonden aan de Commissie en de andere lidstaten die de visserijtak delen. De lidstaten stellen alles in het werk om in een vroege fase en op open en transparante wijze de andere relevante belanghebbenden van de visserijtak in kwestie bij de raadpleging te betrekken, om tijdens de voorbereiding van de geplande maatregelen de standpunten en voorstellen van alle betrokken partijen te leren kennen.

De lidstaten stellen samenvattingen ter beschikking van het publiek van de ontwerpen van instandhoudingsmaatregelen die ze voorstellen te nemen.

2 quater.  De lidstaten houden naar behoren rekening met de door de bevoegde adviesraden, de ICES en/of het WTECV verstrekte adviezen en als de uiteindelijk goedgekeurde maatregelen van deze adviezen afwijken, verstrekken zij in detail de redenen daarvoor.

2 quinquies.  Als de lidstaten de goedgekeurde maatregelen willen wijzigen, zijn de leden 2 tot en met 2 quater ook van toepassing.

2 sexies.  De Commissie stelt richtsnoeren vast met de details van de procedure die moet worden gevolgd voor de toepassing van de leden 2 bis, 2 ter en 2 quater, om ervoor te zorgen dat de goedgekeurde maatregelen coherent zijn, op regionaal niveau worden gecoördineerd en met de vastgestelde meerjarenplannen stroken. In deze richtsnoeren kunnen ook administratieve kaders worden geïdentificeerd of vastgesteld, bijvoorbeeld regionale werkgroepen visserij, om de samenwerking tussen de lidstaten in de praktijk te organiseren, met name om de vaststelling van de maatregelen door iedere lidstaat te bevorderen en te faciliteren.

2 septies.  De lidstaten die een visserijtak delen, kunnen overeenkomen en samenwerken om gezamenlijke maatregelen in het kader van vóór 2014 aangenomen meerjarenplannen ten uitvoer te brengen, overeenkomstig de procedure zoals bedoeld in artikel 25.

2 octies.  Voor visserijactiviteiten die uitsluitend in de wateren onder de soevereiniteit en jurisdictie van één lidstaat plaatsvinden, richt de betrokken lidstaat één of meerdere comités voor gezamenlijk beheer op bestaande uit alle relevante betrokken partijen. Die comités worden geraadpleegd over de te nemen maatregelen. Indien de lidstaat voornemens is op enigerlei wijze af te wijken van de adviezen van die comités publiceert hij een beoordeling waarin in detail de redenen hiervoor worden aangegeven. [Am. 121]

Artikel 18

Melding van de instandhoudingsmaatregelen van de lidstaten

De lidstaten die op grond van artikel 17, lid 1, instandhoudingsmaatregelen vaststellen, meldenpubliceren deze maatregelen en delen ze mee aan de Commissie, andere belanghebbende lidstaten en de bevoegde adviesraden. [Am. 122]

Artikel 19

Beoordeling

1.  De Commissie kan te allen tijde de verenigbaarheid en de effectiviteit van de instandhoudingsmaatregelen die de lidstaten op grond van artikel 17, lid 1, hebben genomen, beoordelen; in elk geval beoordeelt zij deze kwesties op zijn minst eens in de drie jaar of zo vaak als in het meerjarenplan in kwestie is voorgeschreven en brengt zij daar verslag over uit. De beoordeling is gebaseerd op het beste wetenschappelijk advies dat beschikbaar is.

Overeenkomstig Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire)(36)en om de Commissie bij te staan bij de uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid, verlenen de lidstaten de Commissie toegang en gebruikersrechten met betrekking tot het materiaal dat is voorbereid en de gegevens die zijn gebruikt in verband met de opstelling en uitvoering van de nationale instandhoudingsmaatregelen krachtens artikel 17.

Wat de toegang tot milieu-informatie betreft, zijn Richtlijn 2003/4/EG(37), Verordeningen (EG) nr. 1049/2001(38) en (EG) nr. 1367/2006(39) van toepassing. [Am. 123]

1 bis.  De Commissie publiceert de overeenkomstig dit artikel opgestelde beoordelingen en maakt deze informatie openbaar toegankelijk door de plaatsing ervan op passende websites of door de terbeschikkingstelling van een rechtstreekse hyperlink. Wat betreft de toegang tot milieu-informatie zijn de Verordeningen (EG) nr. 1049/2001 en (EG) nr. 1367/2006 van toepassing. [Am. 124]

Artikel 20

Standaard instandhoudingsmaatregelen die in het kader van meerjarenplannen worden vastgesteld

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de instandhoudingsmaatregelen voor onder een meerjarenplan vallende visserijtakken te specificeren, indien een lidstaat die gemachtigd is om overeenkomstig artikel 17 maatregelen vast te stellen, deze maatregelen niet binnen de termijn waarin in het meerjarenplan is voorzien of, bij gebrek hieraan, uiterlijk driezes maanden na de inwerkingtreding van het meerjarenplan aan de Commissie heeft meegedeeld.

2.  Indien de Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen om instandhoudingsmaatregelen voor onder een meerjarenplan vallende visserijtakken te specificeren, indien:van oordeel is dat:

   (a) op basis van een overeenkomstig artikel 19 verrichte beoordeling wordt geoordeeld dat de maatregelen van een lidstaat niet verenigbaar zijn met de doelstellingen van het meerjarenplan, of
   (b) op basis van een overeenkomstig artikel 19 verrichte beoordeling wordt geoordeeld dat de maatregelen van een lidstaat niet effectief zijn met het oog op de in het meerjarenplan vastgestelde doelstellingen of kwantificeerbare streefdoelen, of
   (c) in artikel 11, onder i), bedoelde vrijwaringsmaatregelen in werking treden;
  

brengt zij de betrokken lidstaat daarvan op de hoogte, met uiteenzetting van redenen.

2 bis.  Wanneer de Commissie een advies levert in overeenstemming met lid 2, beschikken de betrokken lidstaten over drie maanden om hun maatregelen aan te passen om ze af te stemmen op de doelstellingen van het meerjarenplan en om te zorgen voor de verwezenlijking ervan.

2 ter.  Indien een lidstaat zijn maatregelen niet wijzigt in overeenstemming met lid 2 bis, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de instandhoudingsmaatregelen voor onder een meerjarenplan vallende visserijtakken te bepalen.

3.  De door de Commissie vastgestelde instandhoudingsmaatregelen moeten ervoor zorgen dat de in het meerjarenplan opgenomen doelstellingen en streefdoelen worden verwezenlijkt. Zodra de Commissie de gedelegeerde handeling vaststelt, zijn de maatregelen van de betrokken lidstaat niet langer van kracht.

3 bis.  Voordat ze gedelegeerde handelingen vaststelt zoals bedoeld in dit artikel, raadpleegt de Commissie de bevoegde adviesraden alsmede de ICES en/of het WTECV over een ontwerp van de vast te stellen maatregelen, dat vergezeld gaat van een toelichting. [Am. 125]

HOOFDSTUK II

TECHNISCHE MAATREGELEN

Artikel 21

Technische maatregelen

1.  De lidstaten kunnen worden gemachtigd om, in een op grond van artikel 14 vastgesteld raamwerk van technische maatregelen en overeenkomstig dat raamwerk, maatregelen vast te stellen waarin wordt gespecificeerd welke technische maatregelen met betrekking tot in hun waterenUniewateren aanwezige bestanden waarvoor zij vangstmogelijkheden hebben gekregen, van toepassing zijn op de onder hun vlag varende vaartuigen. De lidstaten zien erop toe dat deze technische maatregelen:

   (a) verenigbaar zijn met de in de artikelen 2 en 3 vastgestelde doelstellingen;
   (b) verenigbaar zijn met de doelstellingen van overeenkomstig artikel 14 vastgestelde maatregelen;
   (c) effectief zijn met het oog op de doelstellingen die zijn vastgesteld in overeenkomstig artikel 14 vastgestelde maatregelen; en
   (d) niet in strijd zijn met en niet minder stringent zijn dan de in de Uniewetgeving vastgestelde technische maatregelen.

1 bis.  De lidstaten werken samen om te zorgen voor de vaststelling van onderling verenigbare maatregelen voor het behalen van de in het raamwerk van technische maatregelen bepaalde doelstellingen, en coördineren de uitvoering van deze maatregelen met elkaar. Hiertoe maken de lidstaten, als dit haalbaar en wenselijk is, gebruik van bestaande regionale structuren en mechanismen voor institutionele samenwerking, inclusief die in het kader van de regionale zeeverdragen voor het gebied of de visserijtak in kwestie.

1 ter.  De lidstaten raadplegen de bevoegde adviesraden alsmede de ICES en/of het WTECV over een ontwerp van de vast te stellen maatregelen, dat vergezeld gaat van een toelichting. Deze ontwerpen worden tegelijk toegezonden aan de Commissie en die andere lidstaten die de visserijtak delen. De lidstaten stellen alles in het werk om in een vroege fase en op open en transparante wijze de andere belanghebbenden van de visserijtak in kwestie bij de raadpleging te betrekken, om tijdens de voorbereiding van de geplande maatregelen de standpunten en voorstellen van alle betrokken partijen te leren kennen.

1 quater.  De lidstaten houden naar behoren rekening met de door de bevoegde adviesraden, de ICES en/of het WTECV verstrekte adviezen en als de uiteindelijk goedgekeurde maatregelen van deze adviezen afwijken, verstrekken zij gedetailleerde uitleg over de redenen hiervoor.

1 quinquies.  Als de lidstaten de goedgekeurde maatregelen willen wijzigen, zijn de leden 1 bis, 1 ter en 1 quater ook van toepassing.

1 sexies.  De Commissie stelt richtsnoeren vast met de details van de procedure die moet worden gevolgd voor de toepassing van de leden 1 bis, 1 ter en 1 quater, om ervoor te zorgen dat de goedgekeurde maatregelen coherent zijn, op regionaal niveau worden gecoördineerd en met het vastgestelde raamwerk van technische maatregelen stroken. In deze richtsnoeren kunnen ook administratieve kaders worden geïdentificeerd of vastgesteld, bijvoorbeeld regionale werkgroepen visserij, om de samenwerking tussen de lidstaten in de praktijk te organiseren, met name om de vaststelling van de maatregelen door iedere lidstaat te bevorderen en te faciliteren. [Am. 126]

Artikel 22

Melding van de technische maatregelen van de lidstaten

De lidstaten die op grond van artikel 21 technische maatregelen vaststellen, publiceren deze maatregelen en delen ze mee aan de Commissie, andere belanghebbende lidstaten en de betrokken adviesraden. [Am. 127]

Artikel 23

Beoordeling

1.  De Commissie kan te allen tijde de verenigbaarheid en de effectiviteit van de technische maatregelen die de lidstaten op grond van artikel 21 hebben vastgesteld, beoordelen; in elk geval beoordeelt zij deze maatregelen op zijn minst eens in de drie jaar of zo vaak als in het raamwerk van technische maatregelen in kwestie is voorgeschreven en brengt zij daar verslag over uit.

1 bis.  Overeenkomstig Richtlijn 2007/2/EG en om de Commissie bij te staan bij de uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid, verlenen de lidstaten de Commissie toegang en gebruikersrechten met betrekking tot het materiaal dat is voorbereid en de gegevens die zijn gebruikt in verband met de opstelling en uitvoering van de technische maatregelen krachtens artikel 21.

Wat de toegang tot milieu-informatie betreft, zijn Richtlijn 2003/4/EG en Verordeningen (EG) nr. 1049/2001 en (EG) nr. 1367/2006 van toepassing. [Am. 128]

1 ter.  De Commissie publiceert de overeenkomstig dit artikel opgestelde beoordelingen en maakt deze informatie openbaar toegankelijk door de plaatsing ervan op passende websites of door de terbeschikkingstelling van een rechtstreekse hyperlink. Wat betreft de toegang tot milieu-informatie zijn de Verordeningen (EG) nr. 1049/2001 en (EG) nr. 1367/2006 van toepassing. [Am. 129]

Artikel 24

Standaard maatregelen die in het raamwerk van technische maatregelen worden vastgesteld

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de technische maatregelen die onder een raamwerk van technische maatregelen vallen, te specificeren, indien de lidstaat die gemachtigd is om overeenkomstig artikel 21 maatregelen vast te stellen, deze maatregelen niet binnen de in het kader voor technische maatregelen vastgestelde periode of, bij gebrek hieraan, uiterlijk driezes maanden na de inwerkingtreding van het raamwerk van technische maatregelen aan de Commissie heeft meegedeeld.

2.  Indien de Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen om technische maatregelen te specificeren, indien op basis van een overeenkomstig artikel 23 verrichte beoordeling wordt geoordeeldvan oordeel is dat de maatregelen van de lidstaat:

   (a) niet verenigbaar zijn met de in het raamwerk van technische maatregelen vastgestelde doelstellingen, of
   (b) niet effectief zijn met het oog op de in het raamwerk van technische maatregelen vastgestelde doelstellingen,
  

brengt zij de betrokken lidstaat daarvan op de hoogte, met uiteenzetting van redenen.

2 bis.  Wanneer de Commissie een advies levert in overeenstemming met lid 2, beschikken de betrokken lidstaten over drie maanden om hun maatregelen aan te passen om ze af te stemmen op de doelstellingen van het raamwerk voor technische maatregelen en om te zorgen voor de verwezenlijking ervan.

2 ter.  Indien een lidstaat haar maatregelen niet wijzigt in overeenstemming met lid 2 bis, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de onder het raamwerk voor technische maatregelen vallende technische maatregelen te bepalen.

3.  De door de Commissie vastgestelde technische maatregelen moeten ervoor zorgen dat de in het raamwerk van technische maatregelen opgenomen doelstellingen worden verwezenlijkt. Zodra de Commissie de gedelegeerde handeling vaststelt, zijn de maatregelen van de betrokken lidstaat niet langer van kracht.

3 bis.  Voordat ze gedelegeerde handelingen vaststelt zoals bedoeld in dit artikel, raadpleegt de Commissie de bevoegde adviesraden alsmede de ICES en/of het WTECV over een ontwerp van de vast te stellen maatregelen, dat vergezeld gaat van een toelichting. [Am. 130]

TITEL IV

NATIONALE MAATREGELEN

Artikel 25

Maatregelen van de lidstaten die uitsluitend van toepassing zijn op vissersvaartuigen die hun vlag voeren

1.  Lidstaten kunnen maatregelen vaststellen voor de instandhouding van in de Uniewateren aanwezige visbestanden, op voorwaarde dat die maatregelen:

   (a) uitsluitend van toepassing zijn op vissersvaartuigen die de vlag van de betrokken lidstaat voeren, of, in het geval van visserijactiviteiten die niet door een vissersvaartuig worden verricht, op personen die op het grondgebied van de betrokken lidstaat zijn gevestigd;alle vaartuigen die actief zijn met betrekking tot in hun wateren aanwezige bestanden waarvoor zij vangstmogelijkheden hebben gekregen; [Am. 131]
   (b) verenigbaar zijn met de in de artikelen 2 en 3 vastgestelde doelstellingen; en
   (c) niet minder stringent zijn dan de in de Uniewetgeving vastgestelde maatregelen.

1 bis.  Met het oog op controle brengen de lidstaten de andere betrokken lidstaten op de hoogte van in overeenstemming met lid 1 aangenomen bepalingen.[Am. 132]

1 ter.  De lidstaten maken de informatie over de maatregelen die overeenkomstig dit artikel zijn vastgesteld, openbaar. [Am. 133]

Artikel 26

Maatregelen van een lidstaat binnen de zone van 12 zeemijl

1.  Een lidstaat kan met betrekking tot de zone van 12 zeemijl gerekend vanaf zijn basislijnen niet-discriminerende maatregelen nemen om visbestanden in stand te houden en te beheren,en om het effect van visserij op de om doelstellingen voor andere levende aquatische hulpbronnen te behalen en om de staat van instandhouding van mariene ecosystemen tot een minimum te beperken te handhaven of te verbeteren, op voorwaarde dat de Unie geen specifiek voor die zone bestemde of specifiek voor het door de lidstaat in kwestie geïdentificeerde probleem bedoelde instandhoudings- en beheersmaatregelen heeft vastgesteld. De maatregelen van de lidstaat zijn verenigbaar met de in de artikelen 2 en 3 vastgestelde doelstellingen en mogen niet minder stringent zijn dan de in de EU-wetgeving vastgestelde maatregelen. [Am. 134]

2.  Indien door een lidstaat vast te stellen instandhoudings- en beheersmaatregelen mogelijk gevolgen hebben voor vissersvaartuigen van andere lidstaten, worden dergelijke maatregelen pas vastgesteld nadat met de Commissie, de betrokken lidstaten en de betrokken adviesraden overleg is gepleegd overin kennis zijn gesteld van een ontwerp van de maatregelen, vergezeld van een toelichting waaruit ook blijkt dat deze maatregelen niet discriminerend zijn. [Am. 135]

2 bis.  De lidstaten maken de informatie over de maatregelen die overeenkomstig dit artikel zijn vastgesteld, openbaar. [Am. 136]

DEEL IV

TOEGANG TOT DE HULPBRONNEN

Artikel 27

Vaststelling van systemen van overdraagbare visserijconcessies

1.  Elke lidstaat stelt uiterlijk op 31 december 2013 een systeem van overdraagbare visserijconcessies vast voor:

   (a) alle vissersvaartuigen met een lengte over alles van ten minste 12 meter; en
   (b) alle vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter die zijn uitgerust met sleeptuig.

2.  De lidstaten mogen het systeem van overdraagbare visserijconcessies uitbreiden tot vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter die met ander tuig dan sleeptuig zijn uitgerust, en delen dit aan de Commissie mee.

Artikel 28

Toewijzing van overdraagbare visserijconcessies

1.  Overdraagbare visserijconcessies behelzen het recht om gebruik te maken van overeenkomstig artikel 29, lid 1, toegewezen individuele vangstmogelijkheden.

2.  Elke lidstaat wijst op basis van transparante criteria overdraagbare visserijconcessies toe voor elk bestand of elke groep bestanden waarvoor overeenkomstig artikel 16 vangstmogelijkheden zijn toegewezen, behalve wanneer het vangstmogelijkheden betreft die zijn verkregen in het kader van duurzamevisserijovereenkomsten.

3.  Met het oog op de toewijzing van overdraagbare visserijconcessies in het kader van gemengde visserij, houden de lidstaten rekening met de wijze waarop de vangst van vaartuigen die aan deze visserij deelnemen, waarschijnlijk is samengesteld.

4.  Overdraagbare visserijconcessies mogen slechts door een lidstaat worden toegewezen aan de reder van een vissersvaartuig dat de vlag van die lidstaat voert, of aan een natuurlijke of rechtspersoon met het oog op het gebruik ervan door een dergelijk vaartuig. Overdraagbare visserijconcessies mogen worden samengevoegd met het oog op collectief beheer door natuurlijke of rechtspersonen of door erkende producentenorganisaties. De lidstaten mogen de toegang tot overdraagbare visserijconcessies beperken op basis van transparante en objectieve criteria.

5.  De lidstaten mogen de geldigheidsduur van overdraagbare visserijconcessies beperken tot ten minste 15 jaar met het oog op de hertoewijzing van deze concessies. Lidstaten die de geldigheidsduur van overdraagbare visserijconcessies niet hebben beperkt, mogen deze concessies na een voorafgaande-kennisgevingstermijn van ten minste 15 jaar intrekken.

6.  Lidstaten mogen visserijconcessies na een kortere voorafgaande-kennisgevingstermijn intrekken, indien wordt geconstateerd dat de houder van de concessies een ernstige inbreuk heeft gepleegd. Bij dergelijke intrekkingen, die waar nodig onmiddellijk van kracht worden, moeten het gemeenschappelijk visserijbeleid en het evenredigheidsbeginsel onverkort worden toegepast.

7.  Onverminderd de leden 5 en 6 mogen de lidstaten overdraagbare visserijconcessies die gedurende drie opeenvolgende jaren niet door het vissersvaartuig zijn gebruikt, intrekken.

Artikel 29

Toewijzing van individuele vangstmogelijkheden

1.  De lidstaten wijzen individuele vangstmogelijkheden toe aan houders van in artikel 28 bedoelde overdraagbare visserijconcessies op basis van vangstmogelijkheden die aan de lidstaten zijn toegewezen of zijn vastgesteld in beheersplannen die de lidstaten overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1967/2006 hebben aangenomen.

2.  Met betrekking tot soorten waarvoor de Raad geen vangstmogelijkheden heeft vastgesteld, bepalen de lidstaten welke vangstmogelijkheden op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies kunnen worden toegewezen aan vissersvaartuigen die hun vlag voeren.

3.  De vissersvaartuigen verrichten slechts visserijactiviteiten wanneer zij in het bezit zijn van voldoende individuele vangstmogelijkheden om hun potentiële vangst volledig te dekken.

4.  De lidstaten mogen een reserve van maximaal 5 % van de vangstmogelijkheden aanleggen. Zij stellen doelstellingen en transparante criteria vast voor de toewijzing van deze gereserveerde vangstmogelijkheden. Deze vangstmogelijkheden mogen slechts worden toegewezen aan in artikel 28, lid 4, bedoelde in aanmerking komende houders van overdraagbare visserijconcessies.

5.  Bij de toewijzing van overdraagbare visserijconcessies overeenkomstig artikel 28 en bij de toewijzing van vangstmogelijkheden overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel mogen de lidstaten in het kader van de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden voorzien in stimulansen voor vissersvaartuigen die zijn uitgerust met selectief vistuig dat ongewenste bijvangsten elimineert.

6.  De lidstaten mogen vergoedingen voor het gebruik van individuele vangstmogelijkheden vaststellen om bij te dragen in de kosten voor visserijbeheer.

Artikel 30

Register van overdraagbare visserijconcessies en van individuele vangstmogelijkheden

De lidstaten voeren een register van overdraagbare visserijconcessies en individuele vangstmogelijkheden in en houden dit bij.

Artikel 31

Overdracht van overdraagbare visserijconcessies

1.  Overdraagbare visserijconcessies mogen in een lidstaat geheel of gedeeltelijk worden overgedragen tussen in aanmerking komende houders van dergelijke concessies.

2.  Een lidstaat mag de overdracht van overdraagbare visserijconcessies van en naar een andere lidstaat toestaan.

3.  De lidstaten mogen de overdracht van overdraagbare visserijconcessies reglementeren door voorwaarden vast te stellen voor de overdracht op basis van transparante en objectieve criteria.

Artikel 32

Leasing van individuele vangstmogelijkheden

1.  Binnen een lidstaat mogen individuele vangstmogelijkheden geheel of gedeeltelijk worden geleast.

2.  Een lidstaat mag de leasing van overdraagbare visserijconcessies van en naar een andere lidstaat toestaan.

Artikel 33

Toewijzing van vangstmogelijkheden die niet onder een systeem van overdraagbare visserijconcessies vallen

1.  Elke lidstaat beslist hoe de vangstmogelijkheden die overeenkomstig artikel 16 aan hem zijn toegewezen en die niet onder een systeem van overdraagbare visserijconcessies vallen, mogen worden toegewezen aan vaartuigen die zijn vlag voeren. De lidstaat deelt de toewijzingsmethode aan de Commissie mee.[Am. 137]

DEEL V

BEHEER VAN DE VANGSTCAPACITEIT

Artikel 34

Aanpassing van de vangstcapaciteit

1.  Als dit nodig is, voeren de lidstaten maatregelen in om de vangstcapaciteit van hun vloten aan te passen teneinde een doeltreffendstabiel en duurzaam evenwicht tussen diehun vangstcapaciteit en hun vangstmogelijkheden te bewerkstelligen, overeenkomstig de algemene doelstellingen in artikel 2.

1 bis.  Om de doelstelling in lid 1 te halen voeren de lidstaten tegen …* jaarlijkse capaciteitsbeoordelingen uit, waarvan zij de resultaten jaarlijks uiterlijk 30 mei toezenden aan de Commissie. De capaciteitsbeoordelingen omvatten een analyse van de totale vlootcapaciteit per visserijtak en vlootsegment op het moment van de beoordeling en de effecten ervan op de bestanden en het ruimere mariene ecosysteem. Zij omvatten ook een analyse van de langetermijnrendabiliteit van de vloot. Om ervoor zorgen dat in alle lidstaten een gemeenschappelijke aanpak van deze beoordelingen wordt gevolgd, worden de beoordelingen uitgevoerd overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie voor een verbeterde analyse van het evenwicht tussen vlootcapaciteit en vangstmogelijkheden en wordt bij de beoordelingen rekening gehouden met de rendabiliteit van de vloot. De beoordelingen worden openbaar gemaakt.

1 ter.  Als de beoordeling wijst op een verschil tussen hun visserijcapaciteit en hun vangstmogelijkheden, stellen de lidstaten binnen een jaar na die beoordeling een gedetailleerd programma vast, met inbegrip van een bindend tijdschema, met elke nodige aanpassing van de vangstcapaciteit van hun vloten, wat aantal vaartuigen en vaartuigkenmerken betreft, teneinde een stabiel en duurzaam evenwicht tussen hun vangstcapaciteit en hun vangstmogelijkheden te bewerkstelligen. Zij zenden dit programma toe aan de Commissie, het Europees Parlement en de andere lidstaten.

1 quater.  Als deze beoordeling niet wordt toegezonden, als een lidstaat verplicht wordt een programma vast te stellen om de capaciteit te verminderen en dit niet doet of als de lidstaat een dergelijk programma niet uitvoert,zal dit leiden tot de opschorting van de financiële steun van de Unie in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid aan de lidstaat in kwestie.

In laatste instantie en alleen als een de in de eerste alinea bedoelde stappen twee jaar of meer vertraging oploopt, kan de Commissie de vangstmogelijkheden van de vlootsegmenten in kwestie opschorten.

2.  Onttrekkingen aan de vloot met overheidssteun in het kader van het Europees Visserijfonds voor de programmeringsperiode 2007 – 2013 worden niet toegestaan, tenzij deze worden voorafgegaan door het intrekken van de visvergunning en de vismachtigingen.

3.  De vangstcapaciteit van de vissersvaartuigen die met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken, wordt niet vervangen.

4.  De lidstaten zien erop toe dat de vangstcapaciteit van hun vloot met ingang van 1 januari 2013 nooit groter is dan de vangstcapaciteitsmaxima die overeenkomstig artikel 35 zijn vastgesteld.

4 bis.  Om recht te hebben op een visvergunning of -machtiging, beschikken vaartuigen van de Unie beschikken over een geldig motorcertificaat dat is afgegeven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009. [Am. 138 en 241]

Artikel 34 bis

Regeling voor toevoegingen/onttrekkingen

Toevoegingen en onttrekkingen aan hun vloot worden door de lidstaten zo beheerd dat de toevoeging aan de vloot van nieuwe capaciteit zonder overheidssteun wordt gecompenseerd door de voorafgaande onttrekking zonder overheidssteun van ten minste dezelfde hoeveelheid capaciteit. [Am. 139]

Artikel 35

Beheer van de vangstcapaciteit

1.  Voor de vloot van elke lidstaat geldt strikt een in bijlage II vastgesteld vangstcapaciteitsmaximum.

2.  De lidstaten mogen de Commissie vragen om vissersvaartuigen die onder een overeenkomstig artikel 27 vastgesteld systeem van overdraagbare visserijconcessies vallen, uit te sluiten van de in lid 1 bedoelde vangstcapaciteitsmaxima. In dat geval worden de betrokken vangstcapaciteitsmaxima herberekend teneinde rekening te houden met de vissersvaartuigen die niet onder een systeem van overdraagbare visserijconcessies vallen.Uiterlijk 31 december …(40) dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in tot wijziging van bijlage II bij deze verordening en Verordening (EEG) nr. 2930/86, om vangstcapaciteit te definiëren aan de hand van elke meetbare parameter van het vaartuig die zijn vermogen om vis te vangen beïnvloeden.

Bij deze nieuwe definitie wordt rekening gehouden met sociale en economische criteria, alsmede met de door de lidstaten verrichte controle-inspanningen. In dat voorstel wordt de vlootcapaciteit van elke lidstaat uitgesplitst per vlootsegment, inclusief een specifiek onderdeel voor vaartuigen die opereren in de ultraperifere gebieden en voor vaartuigen die uitsluitend opereren buiten de Uniewateren.

3.  De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de herberekening van de in de leden 1 en 2 bedoelde vangstcapaciteitsmaxima. [Am. 140]

Artikel 36

Vissersvlootregisters

1.  De lidstaten registreren met betrekking tot de EU-vissersvaartuigen die hun vlag voeren, de gegevens inzake het eigenaarschap, de kenmerken van de vaartuigen en het vistuig en de activiteit die nodig zijn voor het beheer van de overeenkomstig deze verordening vastgestelde maatregelen en publiceren deze informatie, waarbij zij de persoonsgegevens voldoende beschermen.

2.  De lidstaten stellendienen de in lid 1 bedoelde gegevens ter beschikking vanin bij de Commissie.

3.  De Commissie zet een register over de vissersvloot van de Unie op dat de informatie bevat die zij op grond van lid 2 ontvangt.

4.  De in het register over de vissersvloot van de Unie opgenomen gegevens worden ter beschikking van alle lidstaten en van het Europees Parlement gesteld. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de omschrijving van de in lid 1 bedoelde gegevens.

5.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van technische werkingsvoorschriften vast voor de transmissie van de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde gegevens. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 141]

DEEL VI

WETENSCHAPPELIJKE BASIS VOOR HET VISSERIJBEHEER

Artikel 37

Voor het visserijbeheer vereiste gegevens

1.  De bescherming, het beheer en de exploitatie van de mariene biologische hulpbronnen moeten gebaseerd zijn op de beste informatie die beschikbaar is Hiertoe verzamelen de lidstaten verzamelen de biologische, technische, milieugerelateerde en sociaaleconomische gegevens die nodig zijn voor een ecosysteemgericht visserijbeheer, beheren deze gegevens en stellen deze ter beschikking van de eindgebruikers van wetenschappelijke gegevens, inclusief door de Commissie aangewezen organen. De Unie voorziet in voldoende financiële middelen, via het Europees maritiem en visserijfonds, om deze gegevens te verzamelen. DezeDe gegevens dienen met name voor de beoordeling van: [Am. 142]

   (a) de actuele toestand van de geëxploiteerde mariene biologische hulpbronnen, [Am. 143]
   (b) het niveau van bevissing, waarbij een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen industriële en niet-industriële visserij, en de impact van visserijactiviteiten op de mariene biologische hulpbronnen en op de mariene ecosystemen, en [Am. 224]
   (c) de actuele sociaaleconomische prestatie van de visserij-, de aquacultuur- en de verwerkingssector in de Uniewateren en daarbuiten. [Am. 144]

2.  De lidstaten:

   (a) zorgen ervoor dat de verzamelde gegevens accuraat,en betrouwbaar en volledig zijn en in alle lidstaten tijdig en op geharmoniseerde wijze worden verzameld; [Am. 145]
   (a bis) zorgen ervoor dat bij de verzameling van wetenschappelijke gegevens en het kiezen van een methodologie rekening wordt gehouden met factoren als verzuring en de temperatuur van het zeewater, met andere woorden dat de gegevens het hele jaar door en in verschillende regio's worden verzameld; [Am. 146]
   (b) stellen coördinatiemechanismen in om te voorkomen dat de gegevens die voor verschillende doeleinden worden verzameld, elkaar overlappen; [Am. 147]
   (c) zien erop toe dat de verzamelde gegevens veilig worden opgeslagen en dat de bescherming en de vertrouwelijkheid van deze gegevens, in voorkomend geval, adequaat worden gewaarborgd;zij voor het publiek toegankelijk zijn, behalve in uitzonderlijke gevallen waarin adequate bescherming en vertrouwelijkheid nodig is en op voorwaarde dat de redenen van dergelijke beperkte toegang worden meegedeeld; [Am. 148]
   (d) zorgen ervoor dat alle nationale databanken en systemen die gebruikt worden voor de verwerking van de verzamelde gegevens, toegankelijk zijn voor de Commissie of de door haar aangewezen organen, zodat door de Commissie of door de door haar aangewezen organen kan worden geverifieerd of de gegevens bestaan, en zo ja, of de kwaliteit ervan toereikend is. [Am. 149]
   (d bis) stellen de belanghebbenden de gegevens ter beschikking die hun aangaan en de respectieve methoden volgens welke deze zijn verkregen, rekening houdend met de aanvullende gegevens die door de belanghebbenden kunnen worden verstrekt. [Am. 150]

2 bis.  De lidstaten dienen jaarlijks bij de Commissie een beknopt verslag in met een lijst van de visserijtakken waarvoor gegevens moeten worden verzameld, waarbij zij voor elke categorie en elk geval opgeven of de verplichting is nagekomen. Het beknopte verslag is openbaar. [Am. 151]

3.  De lidstaten zorgen voor de nationale coördinatie van de verzameling en het beheer van de voor het visserijbeheer bestemde wetenschappelijke gegevens, waaronder sociaal-economische gegevens. Hiertoe wijzen zij een nationale correspondent aan en organiseren zij jaarlijks een nationale coördinatievergadering. Het Europees Parlement en de Commissie wordtworden op de hoogte gebracht van de nationale coördinatieactiviteiten en wordtworden uitgenodigd voor de coördinatievergaderingen. [Am. 152]

4.  De lidstaten coördineren in nauwe samenwerking met de Commissie hun nationale activiteiten op het gebied van gegevensverzameling met andere lidstaten in dezelfde regio en stellen alles in het werk om hun activiteiten te coördineren met derde landen die soevereiniteit of jurisdictie uitoefenen over wateren in dezelfde regio. [Am. 153]

5.  De gegevens worden met ingang van 2014 verzameld, beheerd en gebruikt in het kader van een meerjarenprogramma. Een dergelijk meerjarenprogramma omvat streefdoelen op het gebied van de nauwkeurigheid van de te verzamelen gegevens, alsmede aggregatieniveaus voor de verzameling, het beheer en het gebruik van deze gegevens.

6.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen om, met betrekking tot het in lid 5 bedoelde meerjarenprogramma, de streefdoelen op het gebied van de nauwkeurigheid van de te verzamelen gegevens te specificeren en om de aggregatieniveaus voor de verzameling, het beheer en het gebruik van deze gegevens te definiëren, alsmede om de coördinatie tussen de lidstaten bij de verzameling van gegevens en de presentatie hiervan te waarborgen. [Am. 154]

7.  De Commissie stelt technische werkingsvoorschriften vast voor de transmissie van de verzamelde gegevens. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 56 bedoelde onderzoeksprocedure.

7 bis.  Indien een lidstaat de verplichtingen met betrekking tot de verzameling van gegevens niet nakomt, heeft dit intrekking van de overheidssteun en bijkomende sancties van de Commissie tot gevolg. [Am. 155]

Artikel 37 bis

Raadpleging van wetenschappelijke instanties

De Commissie raadpleegt passende wetenschappelijke instanties over kwesties in verband met de bescherming en het beheer van de visserijhulpbronnen, inclusief de biologische, economische, ecologische, sociale en technische aspecten hiervan, zorgend voor een behoorlijk beheer van de publieke middelen, om dubbel werk door verschillende wetenschappelijke instanties te voorkomen. [Am. 156]

Artikel 38

Onderzoeksprogramma's

1.  De lidstaten stellen nationale programma's voor gegevensverzameling, onderzoek en innovatie met betrekking tot de visserij en aquacultuur vast. Zij coördineren hun activiteiten inzake gegevensverzameling, onderzoek en innovatie met betrekking tot de visserij met andere lidstaten, en met in het kader van de EU-kaders voor onderzoek en innovatie, in nauwe samenwerking met de Commissie, en betrekken indien nodig de bevoegde regionale adviesraden bij de zaak. De Unie zorgt voor adequate financiering voor deze programma's, in het kader van de beschikbare instrumenten voor onderzoek en visserij. [Am. 157 en 285]

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nodige knowhow en de nodige personele middelen beschikbaar zijn voor het wetenschappelijke adviesproces en dat de relevante wetenschappelijke belanghebbenden bij het proces worden betrokken. [Am. 158]

2 bis.  De lidstaten dienen bij de Commissie jaarlijkse verslagen in over de voortgang van de tenuitvoerlegging van de nationale programma's voor de verzameling van wetenschappelijke gegevens, onderzoek en innovatie met betrekking tot de visserij. [Am. 159]

2 ter.  De in het kader van het onderzoeksprogramma gedane bevindingen worden beschikbaar gesteld voor de hele Europese wetenschappelijke gemeenschap. [Am. 160]

DEEL VII

EXTERN BELEID

TITEL I

INTERNATIONALE VISSERIJORGANISATIES

Artikel 39

Doelstellingen

1.  De EU neemt overeenkomstig haar internationale verplichtingen en beleidsdoelstellingen en overeenkomstig de in de artikelen 2 en 3 vastgestelde doelstellingenOm te zorgen voor een duurzame exploitatie en een duurzaam beheer van de mariene biologische hulpbronnen bevordert de Unie de effectieve tenuitvoerlegging van internationale visserij-instrumenten en -regelingen, ondersteunt zij en neemt zij deel aan de werkzaamheden van internationale organisaties die actief zijn op het gebied van de visserij, inclusief regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's). Daarbij handelt de Unie overeenkomstig haar internationale toezeggingen, verplichtingen en beleidsdoelstellingen en conform de doelstellingen die zijn vastgesteld in de artikelen 2, 3 en 4 van deze verordening en in andere beleidsinstrumenten.

2.  De EU baseert de standpunten die zij inneemt in internationale organisaties die actief zijn op het gebied van de visserij en in ROVB's, op het beste beschikbare wetenschappelijk advies, teneinde ervoor te zorgen dat de visbestanden boven een niveau worden gehouden of gebracht dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.De Unie onderneemt met name het volgende:

   (a) zij ondersteunt, bevordert en draagt bij tot de ontwikkeling van de best beschikbare wetenschappelijke kennis;
   (b) zij bevordert maatregelen om ervoor te zorgen dat de visbestanden in stand worden gehouden overeenkomstig de doelstellingen van artikel 2, en met name lid 2, en van artikel 4 ter;
   (c) zij bevordert de oprichting van ROVB-handhavingscomités en de versterking van deze comités, periodieke onafhankelijke prestatiebeoordelingen en passende herstelmaatregelen, inclusief afschrikkende en doeltreffende sancties die op transparante en niet-discriminerende wijze moeten worden toegepast;
   (d) zij verbetert de beleidsmatige samenhang van de initiatieven van de Unie, met bijzondere aandacht voor activiteiten op het gebied van milieu, ontwikkeling en handel;
   (e) zij bevordert en ondersteunt op alle internationale fora de nodige actie om een einde te maken aan IOO-visserij, en zorgt er hiertoe voor dat er geen IOO-visserijproducten op de EU-markt komen en draagt bijgevolg bij tot duurzame visserijactiviteiten die economisch rendabel zijn en de werkgelegenheid in de Unie bevorderen;
   (f) zij moedigt gezamenlijke internationale inspanningen ter bestrijding van piraterij op zee aan en neemt actief deel aan deze inspanningen, om de veiliogheid van de mens te beschermen en de verstoring van de visserijactiviteiten op zee te voorkomen;
   (g) zij bevordert de effectieve tenuitvoerlegging van internationale visserij-instrumenten en -regelingen;
   (h) zij zorgt ervoor dat visserijactiviteiten buiten de Uniewateren gebaseerd zijn op dezelfde beginselen en normen als in deUniewateren, terwijl zij bevordert dat de ROVB's dezelfde beginselen en normen als in de Uniewateren toepassen.

2 bis.  De Unie steunt actief de ontwikkeling van billijke en transparante toewijzingsmechanismen van vangstmogelijkheden.

3.  De Unie draagt in de ROVB's en in de internationale organisaties actief bij tot de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en steunt de ontwikkeling van deze kennis.[Am. 161]

3 bis.  De Unie bevordert samenwerkingsverbanden tussen de ROVB's om het kader voor multilaterale actie aan te passen, te harmoniseren en te verbreden, zij steunt de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies binnen ROVB's en internationale organisaties en volgt alle hieruit voortvloeiende aanbevelingen. [Am. 162]

Artikel 40

Naleving van internationale bepalingen

De EU werkt, met de assistentie van het Europees Bureau voor visserijcontrole, samen met derde landen en internationale organisaties die actief zijn op het gebied van de visserij, inclusief ROVB's, teneinde de naleving van door dergelijke internationale organisaties vastgestelde maatregelen, met name maatregelen ter bestrijding van de IOO-visserij, te versterken, om ervoor te zorgen dat de maatregelen die door die internationale organisaties worden genomen, strikt worden nageleefd.

De lidstaten zorgen ervoor dat hun marktdeelnemers de in de vorige alinea bedoelde maatregelen naleven. [Am. 163]

TITEL II

DUURZAMEVISSERIJOVEREENKOMSTEN

Artikel 41

Beginselen en doelstellingen van duurzamevisserijovereenkomsten

1.  In met derde landen gesloten duurzamevisserijovereenkomsten wordt een juridisch, economisch en ecologisch bestuurskader vastgesteld voor visserijactiviteiten die EU-vissersvaartuigen verrichten in wateren van derde landen, en dit in overeenstemming met de relevante maatregelen van internationale organisaties, waaronder de ROVB's. Een dergelijk kader kan onder meer betrekking hebben op:

   (a) de ontwikkeling en de ondersteuning van de nodige wetenschappelijke en onderzoeksinstellingen;
   (b) de toezicht-, controle- en bewakingscapaciteit; en tevens
   (c) andere elementen van capaciteitsopbouw die relevant zijn voor de ontwikkeling van een duurzaam visserijbeleid in het derde land.

Dat kader omat tevens bepalingen waarmee wordt gezorgd dat de visserijactiviteiten worden verricht in omstandigheden waar rechtszekerheid geldt. [Am. 164]

1 bis.  Om ervoor te zorgen dat de levende mariene hulpbronnen op duurzame wijze worden geëxploiteerd, streeft de Unie naar het sluiten van duurzamevisserijovereenkomsten met derde landen in het voordeel van beide partijen en draagt zij bij tot de voortzetting van de activiteit van de Unievloten, door een deel van het overschot van het derde land te verkrijgen dat overeenkomt met het belang van de Unievloten. [Am. 165]

2.  Vissersvaartuigen van de Unie zijn slechts gerechtigd tot de vangst van het in artikel 62, lid 2, Unclos bedoelde overschot van de toegestane vangst dat het derde land heeft vastgesteld en dat op duidelijke en transparante wijze is geïdentificeerd op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies en op basis van relevante, door de Unie en het betrokken derde land uitgewisselde informatie over de totale visserijinspanning van alle vloten op de betrokken bestanden, teneinde ervoor te zorgen dat de betrokken visbestanden boven een niveau blijven dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. [Am. 166]

2 bis.  Duurzamevisserijovereenkomsten en overeenkomsten over wederzijdse toegang omvatten:

   (a) een verplichting het beginsel te eerbiedigen dat de toegang wordt beperkt tot bestanden waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat zij een overschot vormen voor de kuststaten, overeenkomstig de Unclos-voorschriften;
   (b) een clausule met het verbod om aan de verschillende in deze wateren vissende vloten gunstigere voorwaarden te bieden dan aan de economische actoren van de Unie, ook wat betreft de instandhouding, de ontwikkeling en het beheer van de hulpbronnen, alsmede financiële overeenkomsten, vergoedingen en andere rechten met betrekking tot de afgifte van vismachtigingen;
   (c) een conditionaliteitsclausule op grond waarvan de eerbiediging van de mensenrechten een randvoorwaarde vormt voor de overeenkomst, conform de internationale mensenrechtenverdragen; en tevens
   (d) een exclusiviteitsclausule. [Am. 167]

2 ter.  In duurzamevisserijovereenkomsten en overeenkomsten over wederzijdse toegang wordt ervoor gezorgd dat vissersvaartuigen van de Unie uitsluitend actief mogen zijn in de wateren van het derde land waarmee een overeenkomst is gesloten indien zij over een visvergunning beschikken die overeenkomstig een door beide partijen bij de overeenkomst vastgestelde procedure is afgegeven. [Am. 168]

2 quater.  Onder de vlag van de Unie varende vaartuigen die zich tijdelijk uit het register van een lidstaat hebben teruggetrokken om elders vangstmogelijkheden aan te vragen, mogen gedurende 24 maanden geen vangstmogelijkheden genieten in het kader van een duurzamevisserijovereenkomst of van de protocollen die van kracht waren op het moment waarop zij het register verlieten, als zij vervolgens naar een Unieregister terugkeren, en hetzelfde geldt in het geval van tijdelijk omvlaggen tijdens het vissen in het kader van ROVB's. [Am. 169]

2 quinquies.  Duurzamevisserijovereenkomsten bepalen dat visvergunningen, van welke aard ook, enkel worden afgegeven aan nieuwe vissersvaartuigen en aan vissersvaartuigen die in de 24 maanden vóór het aanvragen van een vergunning reeds onder EU-vlag hebben gevaren en willen vissen op bestanden waarop de duurzamevisserijovereenkomst betrekking heeft. [Am. 170]

2 sexies.  Bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor overeenkomsten betreffende grensoverschrijdende of over grote afstanden trekkende visbestanden wordt naar behoren rekening gehouden met wetenschappelijke beoordelingen op regionaal niveau en met de instandhoudings- en beheersmaatregelen die zijn vastgesteld door de ROVB's. [Am. 171]

2 septies.  Op het niveau van de Unie wordt toegezien op de activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie die buiten het kader van duurzamevisserijovereenkomsten actief zijn in niet-Uniewateren. Deze vaartuigen dienen dezelfde richtsnoeren in acht te nemen als de vaartuigen die in Uniewateren vissen. [Am. 172]

2 octies.  De vissersvaartuigen van de Unie die actief zijn buiten de Uniewateren zijn uitgerust met camera's voor gesloten televisiecircuits (closed circuit television, CCTV) of soortgelijke apparatuur, om volledige documentatie van de visserijpraktijken en de vangsten mogelijk te maken. [Am. 173]

2 nonies.  Er worden onafhankelijke beoordelingen uitgevoerd van de effecten van elk protocol voordat de Commissie een onderhandelingsmandaat krijgt voor de volgende protocollen, en deze beoordelingen omvatten informatie over de vangsten en de visserijactiviteiten. Deze beoordelingen worden openbaar gemaakt. [Am. 174]

2 decies.  Om ervoor te zorgen dat met buurlanden gedeelde bestanden op duurzame wijze worden beheerd, moeten deze bestanden onder deze verordening vallen. [Am. 175]

Artikel 42

Financiële steun

De Unie verleent in het kader van de duurzamevisserijovereenkomsten financiële steun aan derde landen, teneinde:

   (a) een deel van de kosten van de toegang tot de visserijhulpbronnen in wateren van derde landen te dragen;
   (b) het bestuurskader in te voeren, onder meer op het gebied van ontwikkeling en onderhoud van de vereiste wetenschappelijke en onderzoeksinstellingen, de capaciteit voor toezicht, controle en bewaking, mechanismen ter bevordering van transparantie, participatie en verantwoordingsplicht en andere capaciteitsopbouwende elementen die gepaard gaan met de ontwikkeling van een duurzaam visserijbeleid van het betrokken derde land. De financiële steun wordt slechts verleend indien specifieke resultatensociaal-economische en milieuresultaten worden gehaald en zij vormt een aanvulling op en sluit aan bij de in het betrokken derde land uitgevoerde ontwikkelingsprojecten en -programma's. [Am. 176]

Artikel 42 bis

Visserijactiviteiten van de Unie buiten het kader van duurzamevisserijovereenkomsten

Als er tussen onderdanen van een lidstaat en een derde land regelingen bestaan in het kader waarvan vissersvaartuigen die onder de vlag van die lidstaat varen visserijactiviteiten mogen verrichten in de wateren onder de jurisdictie of de soevereiniteit van het derde land, wordt de betrokken lidstaat daarvan in kennis gesteld, met gedetailleerde gegevens over de vaartuigen in kwestie en hun activiteiten. De lidstaat stelt de Commissie daarvan op de hoogte. [Am. 230]

DEEL VIII

AQUACULTUUR

Artikel 43

Bevordering van deduurzame aquacultuur [Am. 177]

1.  Ter bevordering van duurzaamheid, voedselzekerheid, de continuïteit van de voedselvoorziening, groei en werkgelegenheid stelt de Commissie uiterlijk tegen 2013 niet-bindende strategische richtsnoeren van de Unie op inzake gemeenschappelijk prioriteiten en streefdoelen voor de ontwikkeling van duurzame aquacultuuractiviteiten. Deze strategische richtsnoeren, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds kleinschalige tot middelgrote aquacultuur en anderzijds aquacultuur op industriële schaal en rekening wordt gehouden met de verschillende startposities en omstandigheden in de Unie, vormen de basis voor nationale strategische meerjarenplannen en hebben tot doel: [Am. 178]

   (a) het concurrentievermogen van de aquacultuursector te verbeteren en de ontwikkeling en innovatie van deze sector te steunen;de vereenvoudiging van de wetgeving in de sector en de vermindering van de administratieve lasten op uniaal niveau;
   (b) de economische bedrijvigheid te stimuleren;het gebruik van niet-vleesetende soorten aan te moedigen en het gebruik van visserijproducten als visvoeder te beperken;
   (c) de diversifiëring en de levenskwaliteit in kust- en plattelandsgebieden te verbeteren;de integratie van aquacultuuractiviteiten in ander beleid, bijvoorbeeld de beleidsmaatregelen voor de kustgebieden, de strategieën voor de zeeën en de richtsnoeren voor maritieme ruimtelijke ordening, de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(41)(de kaderrichtlijn water) en het milieubeleid.
   (d) op het gebied van toegang tot wateren en ruimte te zorgen voor een gelijk speelveld voor de marktdeelnemers in de aquacultuursector.

2.  De lidstaten stellen uiterlijk tegen 2014 een nationaal strategisch meerjarenplan op voor de ontwikkeling van aquacultuuractiviteiten op hun grondgebied.De Unie ondersteunt de productie en consumptie van duurzame uniale aquacultuurproducten van de Unie door:

   (a) tegen 2014 transparante en algemene kwaliteitscriteria voor aquacultuur vast te stellen, om de milieueffecten van aquacultuur- en landbouwactiviteiten te beoordelen en tot een minimum terug te brengen;
   (b) ervoor te zorgen dat de producten tegen redelijke prijzen bij de consumenten terechtkomen;
   (c) regels vast te stellen voor de traceerbaarheid, veiligheid en kwaliteit van aquacultuurproducten van de Unie en geïmporteerde aquacultuurproducten, via passende markering of etikettering overeenkomstig artikel 42 van Verordening (EU) nr. …/2013 [houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten](42). [Am. 179 en 242]

3.  De nationale strategische meerjarenplannen omvatten onder meer de doelstellingen van de lidstaten en de maatregelen en tijdschema's die nodig zijn om deze doelstellingen te bereiken. [Am. 180]

4.  De nationale strategische meerjarenplannen hebben met name tot doel:zijn er in het bijzonder op gericht:

   (a) de administratieve rompslomp te verminderen en te komen tot administratieve vereenvoudiging, met name wat de vergunningen betreft;
   (b) op het gebied van toegang tot wateren en ruimte te zorgen voor zekerheid voor de marktdeelnemers in de aquacultuursector, in overeenstemming met het beleid van de Unie inzake geïntegreerd beheer van kustgebieden en maritieme ruimtelijke ordening;
   (c) indicatoren op te stellen voor kwaliteit en economische, sociale en milieuduurzaamheid;
   (c bis) maatregelen vast te stellen om te waarborgen dat de aquacultuuractiviteiten volledig voldoen aan de bestaande milieuwetgeving van de Unie;
   (d) andere eventuele grensoverschrijdende effecten op de mariene biologische hulpbronnen en de mariene ecosystemen voor de buurlidstaten te beoordelen;
   (d bis) onderzoek, ontwikkeling en innovatie, alsmede samenwerking tussen de sector en het wetenschappelijke milieu te bevorderen;
   (d ter) voedselveiligheid;
   (d quater) diergezondheid en dierenwelzijn;
   (d quinquies) milieuduurzaamheid. [Am. 181]

5.  De lidstaten wisselen informatie en beste praktijken uit via een open methode tot coördinatie van de nationale maatregelen die in de strategische meerjarenplannen zijn opgenomen.

Artikel 44

Raadpleging van de adviesraden

Overeenkomstig artikel 53 wordt een adviesraad voor aquacultuur opgericht.

DEEL IX

GEMEENSCHAPPELIJKE MARKTORDENING

Artikel 45

Doelstellingen

1.  Er wordt een gemeenschappelijke marktordening voor visserij- en aquacultuurproducten vastgesteld om:

   (a) bij te dragen tot de verwezenlijking van de in de artikelen 2 en 3 vastgestelde doelstellingen;
   (b) de visserij- en de aquacultuursector in staat te stellen om het gemeenschappelijk visserijbeleid op het juiste niveau toe te passen;
   (c) het concurrentievermogen van de visserij- en de aquacultuursector in de EU, en met nameUnie te verstevigen en het kwaliteitsbeleid ervan te bevorderen door de tenuitvoerlegging van productie- en marketingplannen, met bijzondere aandacht voor de producenten, te verstevigen; [Am. 183]
   (d) de markten transparanter en stabieler te maken, met name door te zorgen voor de verbetering van zowel de economische kennis en het inzicht inzake de uniale markten voor visserij- en aquacultuurproducten in de hele bevoorradingsketen, als heteen eerlijke verdeling van de toegevoegde waarde in de waardeketen van de sector, en consumenteninformatie en consumentenbewustzijn, door middel van voorlichting en/of etikettering met begrijpelijke informatie; [Am. 184]
   (e) bij te dragen tot de totstandbrenging van een gelijk speelveld, met inbegrip van gelijke gezondheids-, sociale en milieueisen, voor alle in de Unie afgezette producten, door de duurzame exploitatie van de visserijhulpbronnen te bevorderen; [Am. 185]
   (e bis) ervoor te zorgen dat de consumenten beschikken over een divers aanbod aan visserij- en aquacultuurproducten waarvan de kwaliteit en de oorsprong gecertificeerd zijn, met voldoende informatie, zodat hun besluiten bijdragen tot het halen van de doelstellingen van deze verordening;
   (e ter) ervoor te zorgen dat de producten die uit derde landen worden geïmporteerd, afkomstig zijn van visserijtakken en sectoren waarvoor dezelfde milieu-, economische, sociale en gezondheidsvereisten gelden als voor de vloten en bedrijven van de Unie, en dat de producten het resultaat zijn van legale, aangegeven en gereglementeerde visserij, volgens dezelfde normen als de vaartuigen van de Unie;
   (e quater) verifieerbare en nauwkeurige informatie te verstrekken over de oorsprong en de productiewijze van alle visserij- en aquacultuurproducten en te zorgen voor een adequate etikettering, waarbij de betrouwbaarheid van eco-etikettering centraal moet staan, teneinde de traceerbaarheid in alle fasen van de voedselvoorzieningsketen te waarborgen; [Am. 186 en 270]

2.  De gemeenschappelijke marktordening is van toepassing op de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. …/2013 [houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten vermelde producten](43) die in de EU worden afgezet.

3.  De gemeenschappelijke marktordening omvat met name:

   (a) de ordening van de sector, onder meer aan de hand van marktstabiliserende maatregelen;
   (b) gemeenschappelijke handelsnormen, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de lokale gemeenschappen; [Am. 187]
   (b bis) gemeenschappelijke regels met het oog op de invoering van een eco-etiketteringregeling voor visserij- en aquacultuurproducten van de Unie;
   (b ter) consumentenvoorlichting;
   (b quater) het nemen van handelsmaatregelen tegen derde landen die geen duurzame visserijmethoden handhaven. [Am. 188]

DEEL X

CONTROLE EN HANDHAVING

Artikel 46

Doelstellingen

1.  De naleving van de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt gegarandeerd door een doeltreffend visserijcontrolesysteem van de EU, onder meer op het gebied van de bestrijding van IOO-visserij.

2.  Het visserijcontrolesysteem van de EU is met name gebaseerd op:

   (a) een globale en geïntegreerde aanpak die zou moeten leiden tot een aantal controles afgestemd op de omvang van de vloot in de verschillende lidstaten; [Am. 225]
   (b) een efficiënter gebruik van de systemen die al aan boord van elk vissersvaartuig zijn en, indien nodig, het gebruik van modernedoeltreffende controletechnologieën, die de beschikbaarheid en de kwaliteit van de gegevens betreffende de visserij en de aquacultuur moeten bevorderen; [Am. 189]
   (b bis) een harmonisatie in de hele Unie van de regels inzake controles en boetes; [Am. 190]
   (b ter) complementariteit tussen de controles op zee en aan land; [Am. 191]
   (c) een risicogebaseerde strategie die gericht is op systematische en geautomatiseerde kruiscontroles van alle beschikbare, ter zake relevante gegevens;
   (d) de ontwikkeling van een medeverantwoordelijkheids-, samenwerkings- en nalevingscultuur bij de marktdeelnemers alle exploitanten van vissersvaartuigen, eigenaars van vaartuigen en vissers; [Am. 192]
   (d bis) een gestandaardiseerde nalevings- en handhavingsregeling voor elke lidstaat; [Am. 193]
   (e) de vaststelling van doeltreffende, evenredige en ontradende sancties;
   (e bis) een gelijk speelveld, met inbegrip van handelssancties, wanneer onverantwoordelijk gedrag van derde landen is vastgesteld. [Am. 226]

2 bis.  De lidstaten stellen doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties vast, inclusief de bevriezing van de middelen uit het Europees maritiem en visserijfonds, rekening houdend met de kosten-batenverhouding en het proportionaliteitsbeginsel. [Am. 195]

Artikel 46 bis

Nalevingscomité

1.  Er wordt een nalevingscomité van de Unie opgericht, met vertegenwoordigers van de lidstaten, de Commissie en het Europees Agentschap voor controle en inspectie van de visserij.

2.  Het nalevingscomité van de Unie

   (a) voert jaarlijkse controles uit van de naleving door elke lidstaat, om de gevallen op te sporen waarin de voorschriften van het GVB niet worden nageleefd;
   (b) evalueert de maatregelen die zijn genomen bij overtreding van de voorschriften; en
   (c) doet zijn conclusies toekomen aan het Europees Parlement en de Raad. [Am. 243]

Artikel 47

Proefprojecten op het gebied van nieuwe controletechnologieën en databeheersystemen

1.  De Commissie en de lidstaten kunnen proefprojecten op het gebied van nieuwe controletechnologieën en databeheersystemen ten uitvoer te leggen.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot regels voor de tenuitvoerlegging van proefprojecten op het gebied van nieuwe controletechnologieën en databeheersystemen.

Artikel 48

Bijdragen in de kosten van controle, inspectie en handhaving

De lidstaten kunnen de houders van visvergunningen voor vissersvaartuigen met een lengte over alles van ten minste 12 meter die hun vlag voeren,hun marktdeelnemers ertoe verplichten een evenredige bijdrage te leveren in de operationele kosten die gepaard gaan met de tenuitvoerlegging van het visserijcontrolesysteem en de gegevensverzameling van de Unie. [Am. 196]

DEEL XI

FINANCIËLE INSTRUMENTEN

Artikel 49

Doelstellingen

Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de in de artikelen 2 en 3 vastgestelde doelstellingenlangetermijndoelstellingen op het gebied van ecologische, economische en sociale duurzaamheid, mag financiële steun van de Unie worden verleend. Financiële steun van de Unie wordt niet verleend ter ondersteuning van operaties die de duurzaamheid en de instandhouding van de mariene biologische hulpbronnen, de biodiversiteit, de habitats en de ecosystemen in gevaar brengen. [Am. 197]

Artikel 50

Voorwaarden voor de verlening van financiële steun aan lidstaten

1.  De verlening van financiële steun van de Unie aan lidstaten is transparant en wordt gekoppeld aan de voorwaarde dat de lidstaten de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid en de in artikel 12 genoemde milieurichtlijnen naleven en het voorzorgsbeginsel eerbiedigen.

2.  Niet-naleving van de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid en van de in lid 1 bedoelde rechtshandelingen en schending van het voorzorgsbeginsel door de lidstaten kan ertoe leidenleidt er onmiddellijk toe dat in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid de betalingen worden onderbroken of geschorst of een financiële correctie op de financiële steun van de Unie wordt toegepast. Dergelijke maatregelen moeten in verhouding staan tot de aard, de omvang, de duur en het al dan niet herhaaldelijke karakter van de niet-naleving. Een methodologie wordt vastgesteld, met doelstellingen, indicatoren en homogene en transparante maatregelen voor alle lidstaten. [Am. 302]

Artikel 51

Voorwaarden voor de verlening van financiële steun aan marktdeelnemers

1.  De verlening van financiële steun van de Unie aan marktdeelnemers wordt gekoppeld aan de voorwaarde dat de marktdeelnemers de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid en het nationale recht op basis van de in artikel 12 genoemde milieurichtlijnen naleven. Er wordt geen financiële steun verleend voor een activiteit die de duurzaamheid en de instandhouding van de mariene biologische hulpbronnen, de biodiversiteit, de habitats of de ecosystemen in gevaar brengt.

2.  Ernstige inbreuken op de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid en het in lid 1 genoemde nationale recht door de marktdeelnemers kunnen ertoe leiden dat de toegang tot financiële steun van de Unie en/of de toepassing van financiële reducties hun tijdelijk of permanent wordt ontzegd. Dergelijke maatregelen, die ten uitvoer worden gelegd door de lidstaten, zijn afschrikkend en doeltreffend en staan in verhouding tot de aard, de omvang, de duur en het al dan niet herhaaldelijke karakter van de niet-naleving.

3.  De lidstaten zien erop toe dat de financiële steun van de Unie slechts wordt verleend indien de betrokken marktdeelnemer in het laatste jaareen periode van minimum drie jaar vóór de aanvraag van de financiële steun van de Unie geen sancties vanwege ernstige inbreuken zijn opgelegd.heeft gepleegd. [Am. 199]

DEEL XII

ADVIESRADEN

Artikel 52

Adviesraden

1.  Om een evenwichtige vertegenwoordiging van alle belanghebbende partijen te bevorderen, overeenkomstig artikel 54, lid 1, en bij te dragen tot de verwezenlijking van de in de artikelen 2 en 3 vastgestelde doelstellingen, wordt voor elk van de in bijlage III opgenomen geografische bevoegdheidszones of -gebieden een adviesraad opgericht.

1 bis.  Met name worden de volgende nieuwe adviesraden opgericht, overeenkomstig bijlage III:

   (a) een adviesraad voor de ultraperifere gebieden, onderverdeeld in drie afdelingen, één voor elk van de volgende zeegebieden: westen van de Atlantische Oceaan, oosten van de Atlantische Oceaan en Indische Oceaan,
   (b) een adviesraad voor aquacultuur en binnenvisserij,
   (c) een adviesraad voor markten,
   (d) een adviesraad voor de Zwarte Zee.

2.  De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen die betrekking hebben op in die bijlage op te nemen wijzigingen om de bevoegdheidszones te veranderen, nieuwe bevoegdheidszones voor adviesraden te creëren of nieuwe adviesraden op te richten.

3.  Elke adviesraad stelt zijn reglement van orde vast. [Am. 200]

Artikel 53

Taken van de adviesraden

-1.  Voordat zij haar interne procedures afrondt ofwel voor de indiening van een voorstel volgens de gewone wetgevingsprocedure krachtens artikel 43, lid 2, VWEU, zoals meerjarenplannen en raamwerken van technische maatregelen, ofwel voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen die moeten worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 55, wint de Commissie het advies in van de bevoegde adviesraden. Deze raadpleging laat de raadpleging van de ICES en andere passende wetenschappelijke instanties onverlet.

1.  De adviesraden kunnen:

   (a) bij de Commissie ofen bij de betrokken lidstaten aanbevelingen en suggesties indienen inzake aangelegenheden die te maken hebben met visserijbeheer en met de sociaal-economische en de instandhoudingsaspecten van visserij en aquacultuur;bij de betrokken lidstaten aanbevelingen en suggesties indienen inzake aangelegenheden die te maken hebben met visserijbeheer en aquacultuur;
   (b) de Commissie en de lidstaten op de hoogte brengen van problemen op het gebied van visserijbeheer en van de sociaal-economische en de instandhoudingsaspecten van visserij en, indien nodig, aquacultuur die zich in hun bevoegdheidszone of geografisch gebied voordoen en oplossingen voorstellen om deze problemen te verhelpen;
   (c) in nauwe samenwerking met wetenschappers bijdragen tot het verzamelen, aanleveren en analyseren van de gegevens die nodig zijn voor de ontwikkeling van instandhoudingsmaatregelen;
   (c bis) adviezen uitbrengen over de in artikel 17, lid 2 ter, beschreven ontwerpen van instandhoudingsmaatregelen en de in artikel 21, lid 1 ter, beschreven ontwerpen van technische maatregelen en deze indienen bij de Commissie en die lidstaten die rechtstreeks belang hebben bij de visserijtak of het gebied in kwestie.

2.  De Commissie en, in voorkomend geval, de betrokken lidstaat houden binnen een redelijke termijn reageren op de aanbevelingen, suggesties of gegevens die zij op grond van lid 1 ontvangen.naar behoren rekening met de adviezen, aanbevelingen, suggesties of gegevens die zij op grond van lid -1 en lid 1 van de adviesraden ontvangen, en moeten hier binnen 30 dagen en in elk geval vóór vaststelling van definitieve maatregelen of handelingen op reageren. Als de definitieve maatregelen die worden vastgesteld, afwijken van de op grond van lid -1 en lid 1 van de adviesraden ontvangen adviezen, aanbevelingen en suggesties, verstrekt de Commissie of de betrokken lidstaat een gedetailleerde uiteenzetting van de redenen hiervoor. [Am. 201]

Artikel 54

Samenstelling, werking en financiering van de adviesraden

1.  Iedere adviesraad bestaat uit:

   (a) organisaties die de marktdeelnemers van de visserijsector en, indien van toepassing, de aquacultuursector vertegenwoordigen;en uit
   (b) andere belangengroepen die te maken hebben met het gemeenschappelijk visserijbeleid, bijvoorbeeld milieuorganisaties en consumentengroeperingen.
     Met betrekking tot punt a) worden werkgevers, zelfstandige vissers en werknemers, alsmede de verschillende beroepen in de visserij, naar behoren vertegenwoordigd.

Vertegenwoordigers van nationale en regionale overheden met visserijbelangen in het betrokken gebied en onderzoekers van de instituten voor wetenschappelijk onderzoek en onderzoek op visserijgebied van de lidstaten en van de internationale wetenschappelijke instellingen die advies verlenen aan de Commissie, wordt toegestaan om deel te nemen als waarnemer.

1 bis.  Vertegenwoordigers van het Europees Parlement en van de Commissie kunnen aan de vergaderingen van de adviesraden deelnemen als waarnemer. Wanneer er vraagstukken worden behandeld die voor hen gevolgen hebben, kunnen vertegenwoordigers van de visserijsector en andere belangengroepen van derde landen, inclusief vertegenwoordigers van ROVB's, met visserijbelangen in het gebied of de visserijtak die onder de bevoegdheid van de adviesraad valt, worden uitgenodigd om als waarnemer deel te nemen aan de vergaderingen van de adviesraad.

2.  Iedere adviesraad bestaat uit een algemene vergadering en een uitvoerend comité en stelt de maatregelen vast die noodzakelijk zijn om zich naar behoren te organiseren en om te garanderen dat het werk transparant verloopt en dat alle naar voren gebrachte standpunten worden gerespecteerd.

3.  De adviesraden kunnen uit hoofde van hun functie als organen die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven, financiële steun van de Unie aanvragen.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de samenstelling en de werking van de adviesraden. Die gedelegeerde handelingen doen geen afbreuk aan lid 1 en lid 1 bis. [Am. 202]

DEEL XIII

PROCEDURELE BEPALINGEN

Artikel 55

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 12, lid 2,13, lid 1, artikel 15, lid 6, artikel 20, leden 1 en 22 ter, artikel 24, leden 1 en 22 ter, artikel 35, lid 3, artikel 36, lid 4, artikel 37, lid 6, artikel 47, lid 2, artikel 52, lid 2, en artikel 54, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 1 januari 2013.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 12, lid 2,13, lid 1, artikel 15, lid 6, artikel 20, leden 1 en 22 ter, artikel 24, leden 1 en 22 ter, artikel 35, lid 3, artikel 36, lid 4, artikel 37, lid 6, artikel 47, lid 2, artikel 52, lid 2, en artikel 54, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een krachtens artikel 12, lid 3,13, lid 1, artikel 15, lid 46, artikel 20, leden 1 en 22 ter, artikel 24, leden 1 en 22 ter, artikel 35, lid 3, artikel 36, lid 4, artikel 37, lid 76, artikel 47, lid 2, artikel 52, lid 2, en artikel 54, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking als het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van 2twee maanden na de datum van kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of als zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben meegedeeld niet voornemens te zijn bezwaar te maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt deze termijn met twee maanden verlengd. [Am. 203]

Artikel 55 bis

Spoedprocedure

1.  Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is, onder voorbehoud van lid 2, van toepassing gedurende een periode van zes maanden. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.  Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 55, lid 5, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt. [Am. 204]

Artikel 56

Tenuitvoerlegging

1.  De Commissie wordt bij de tenuitvoerlegging van de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid terzijde gestaan door een Comité voor visserij en aquacultuur. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 daarvan, van toepassing. [Am. 205]

Deel XIV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 57

Intrekkingen

1.  Verordening (EG) nr. 2371/2002 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

2.  Besluit 2004/585/EG wordt ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van de voorschriften die op grond van artikel 5154, lid 4, en artikel 52, lid 4, worden vastgesteld. [Am. 206]

3.  Artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 wordt geschrapt.

4.  Verordening (EG) nr. 199/2008 wordt ingetrokken. [Am. 207]

5.  Verordening (EG) nr. 639/2004 wordt ingetrokken.

Artikel 57 bis

Wijziging van Verordening (EG) nr. 768/2005

Verordening (EG) nr. 768/2005 wordt als volgt gewijzigd:

Aan artikel 16 wordt het volgende lid toegevoegd:"

3.  Het Europees Bureau voor visserijcontrole wordt aangesteld als operationeel orgaan voor de uitwisseling van gegevens in elektronische vorm en voor de vergroting van de capaciteit voor maritiem toezicht.

"

[Am. 273]

Artikel 58

Overgangsmaatregelen

Onverminderd artikel 57, lid 4, blijft Verordening (EG) nr. 199/2008 van toepassing op de nationale programma's die zijn vastgesteld voor de verzameling en het beheer van gegevens voor de periode 2011 – 2013.[Am. 208]

Artikel 58 bis

Evaluatie

1.  Om de vijf jaar evalueert de Commissie de bepalingen van de artikelen 1 tot en met 5 en dient zij, overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure, bij het Europees Parlement en de Raad voorstellen in om vooruitgang en optimale werkmethoden in het visserijbeheer op te nemen.

2.  De Commissie brengt vóór eind 2022 verslag uit over de werking van het gemeenschappelijk visserijbeleid bij het Europees Parlement en de Raad. [Am. 209]

Artikel 58 ter

Jaarverslag

De Commissie publiceert jaarlijks een rapport om de bevolking te informeren over de toestand van de visserij in de Unie, inclusief informatie over het biomassaniveau van de visbestanden, de duurzaamheid van het exploitatieniveau en de beschikbaarheid van wetenschappelijke gegevens. [Am. 210]

Artikel 59

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter

BIJLAGE I

TOEGANG TOT KUSTWATEREN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 6, LID 2

1.  KUSTWATEREN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK

A.  TOEGANG VOOR FRANKRIJK

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Kust van het Verenigd Koninkrijk (6 tot 12 zeemijl)

1. Berwick-upon-Tweed east

Coquet Island east

Haring

Onbeperkt

2. Flamborough Head east

Spurn Head east

Haring

Onbeperkt

3. Lowestoft east

Lymle Regis south

Alle soorten

Onbeperkt

4. Lyme Regis south

Eddystone south

Demersale soorten

Onbeperkt

5. Eddystone south

Longships south-west

Demersale soorten

Sint-Jacobsschelp

Kreeft

Langousten

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

6. Longships south-west

Hartland Point north-west

Demersale soorten

Langousten

Kreeft

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

7. Van Hartland Point tot aan een lijn getrokken vanaf het noorden van Lundy Island

Demersale soorten

Onbeperkt

8. Van een lijn rechtwijzend west van Lundy Island tot Cardigan Harbour

Alle soorten

Onbeperkt

9. Point Lynas North

Morecambe Light Vessel east

Alle soorten

Onbeperkt

10. County Down

Demersale soorten

Onbeperkt

11. New Island north-east

Sanda Island south-west

Alle soorten

Onbeperkt

12. Port Stewart north

Barra Head west

Alle soorten

Onbeperkt

13. 57°40' NB

Butt of Lewis west

Alle soorten

behalve schaal- en schelpdieren

Onbeperkt

14. St Kilda, Flannan Islands

Alle soorten

Onbeperkt

15. Ten westen van de lijn die Butt of Lewis lighthouse verbindt met het punt op 59°30' NB - 5°45' WL

Alle soorten

Onbeperkt

B.  TOEGANG VOOR IERLAND

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Kust van het Verenigd Koninkrijk (6 tot 12 zeemijl)

1. Point Lynas north Mull

Galloway south

Demersale soorten

Langoustine

Onbeperkt

Onbeperkt

2. Mull of Oa wes

Barra Head west

Demersale soorten

Langoustine

Onbeperkt

Onbeperkt

C.  TOEGANG VOOR DUITSLAND

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Kust van het Verenigd Koninkrijk (6 tot 12 zeemijl)

1. East of Shetlands en Fair Isle tussen lijnen rechtwijzend zuidoost van Sumburgh Head lighthouse, rechtwijzend noordoost van Skroo lighthouse en rechtwijzend zuidwest van Skadan lighthouse

Haring

Onbeperkt

2. Berwick-upon-Tweed east, Whitby High lighthouse east

Haring

Onbeperkt

3. North Foreland lighthouse east, Dungeness new lighthouse south

Haring

Onbeperkt

4. Zone rond St Kilda

Haring

Makreel

Onbeperkt

Onbeperkt

5. Butt of Lewis lighthouse west naar de lijn die Butt of Lewis lighthouse verbindt met het punt 59°30' NB - 5°45' WL

Haring

Onbeperkt

6. Zone rond North Rona en Sulisker (Sulasgeir)

Haring

Onbeperkt

D.  TOEGANG VOOR NEDERLAND

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Kust van het Verenigd Koninkrijk (6 tot 12 zeemijl)

1. East of Shetlands en Fair Isle tussen lijnen rechtwijzend zuidoost van Sumburgh Head lighthouse, rechtwijzend noordoost van Skroo lighthouse en rechtwijzend zuidwest van Skadan lighthouse

Haring

Onbeperkt

2. Berwick upon Tweed east, Flamborough Head east

Haring

Onbeperkt

3. North Foreland east, Dungeness new lighthouse south

Haring

Onbeperkt

E.  TOEGANG VOOR BELGIË

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Kust van het Verenigd Koninkrijk (6 tot 12 zeemijl)

1. Berwick upon Tweed east

Coquer Island east

Haring

Onbeperkt

2. Cromer north

North Foreland east

Demersale soorten

Onbeperkt

3. North Foreland east

Dungeness new lighthouse south

Demersale soorten

Haring

Onbeperkt

Onbeperkt

4. Dungeness new lighthouse south, Selsey Bill south

Demersale soorten

Onbeperkt

5. Straight Point south-east, South Bishop north-west

Demersale soorten

Onbeperkt

2.  IERSE KUSTWATEREN

A.  TOEGANG VOOR FRANKRIJK

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Ierse kust (6 tot 12 zeemijl)

1. Erris Head north-west

Sybil Point west

Demersale soorten

Langoustine

Onbeperkt

Onbeperkt

2. Mizen Head south

Stags south

Demersale soorten

Langoustine

Makreel

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

3. Stags south

Cork south

Demersale soorten

Langoustine

Makreel

Haring

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

4. Cork south, Carnsore Point south

Alle soorten

Onbeperkt

5. Carnsore Point south, Haulbowline south-east

Alle soorten

behalve schaal- en weekdieren

Onbeperkt

B.  TOEGANG VOOR HET VERENIGD KONINKRIJK

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Ierse kust (6 tot 12 zeemijl)

1. Mine Head south

Hook Point

Demersale soorten

Haring

Makreel

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

2. Hook Point

Carlingford Lough

Demersale soorten

Haring

Makreel

Langoustine

Sint-Jacobsschelp

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

C.  TOEGANG VOOR NEDERLAND

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Ierse kust (6 tot 12 zeemijl)

1. Stags south

Carnsore Point south

Haring

Makreel

Onbeperkt

Onbeperkt

D.  TOEGANG VOOR DUITSLAND

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Ierse kust (6 tot 12 zeemijl)

1. Old Head of Kinsale south

Carnsore Point south

Haring

Onbeperkt

2. Cork south

Carnsore Point south

Makreel

Onbeperkt

E.  TOEGANG VOOR BELGIË

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Ierse kust (6 tot 12 zeemijl)

1. Cork south

Carnsore Point south

Demersale soorten

Onbeperkt

2. Wicklow Head east

Carlingford Lough south-east

Demersale soorten

Onbeperkt

3.  BELGISCHE KUSTWATEREN

Geografisch gebied

Lidstaat

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

3 tot 12 zeemijl

Nederland

Alle soorten

Onbeperkt

Frankrijk

Haring

Onbeperkt

4.  DEENSE KUSTWATEREN

Geografisch gebied

Lidstaat

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Noordzeekust (Deens-Duitse grens tot Hanstholm)

(6 tot 12 zeemijl)

Duitsland

Platvis

Garnalen

Onbeperkt

Onbeperkt

Deens-Duitse grens tot Blåvands Huk

Nederland

Platvis

Rondvis

Onbeperkt

Onbeperkt

Blåvands Huk tot Bovbjerk

België

Kabeljauw

Onbeperkt, alleen in juni en juli

Schelvis

Onbeperkt, alleen in juni en juli

Duitsland

Platvis

Onbeperkt

Nederland

Schol

Onbeperkt

Tong

Onbeperkt

Thyborøron tot Hanstholm

België

Wijting

Onbeperkt, alleen in juni en juli

Schol

Onbeperkt, alleen in juni en juli

Duitsland

Platvis

Onbeperkt

Sprot

Onbeperkt

Kabeljauw

Onbeperkt

Koolvis

Onbeperkt

Schelvis

Onbeperkt

Makreel

Onbeperkt

Haring

Onbeperkt

Wijting

Onbeperkt

Nederland

Kabeljauw

Onbeperkt

Schol

Onbeperkt

Tong

Onbeperkt

Skagerrak

(Hanstholm-Skagen)

(4 tot 12 zeemijl)

België

Duitsland

Nederland

Schol

Platvis

Sprot

Kabeljauw

Koolvis

Schelvis

Makreel

Haring

Wijting

Kabeljauw

Schol

Tong

Onbeperkt, alleen in juni en juli

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Kattegat

(3 tot 12 mijl)

Duitsland

Kabeljauw

Onbeperkt

Platvis

Onbeperkt

Langoustine

Onbeperkt

Haring

Onbeperkt

Ten noorden van Sjaelland tot de breedtecirkel die Forsnæs lighthouse doorsnijdt

Duitsland

Sprot

Onbeperkt

Oostzee

(inbegrepen de Belten, de Sont en Bornholm) 3 tot 12 zeemijl

Duitsland

Platvis

Onbeperkt

Kabeljauw

Onbeperkt

Haring

Onbeperkt

Sprot

Onbeperkt

Aal

Onbeperkt

Zalm

Onbeperkt

Wijting

Onbeperkt

Makreel

Onbeperkt

Skagerrak

(4 tot 12 mijl)

Zweden

Alle soorten

Onbeperkt

Kattegat

(3 (*) tot 12 mijl)

Zweden

Alle soorten

Onbeperkt

Oostzee

(3 tot 12 mijl)

Zweden

Alle soorten

Onbeperkt

(*) Gemeten vanaf de kustlijn.

5.  DUITSE KUSTWATEREN

Geografisch gebied

Lidstaat

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Noordzeekust

(3 tot 12 zeemijl)

alle kusten

Denemarken

Demersale soorten

Onbeperkt

Sprot

Onbeperkt

Zandspiering

Onbeperkt

Nederland

Demersale soorten

Onbeperkt

Garnalen

Onbeperkt

Deens-Duitse grens tot de noordpunt van Amrum op 54°43' NB

Denemarken

Garnalen

Onbeperkt

Zone rond Helgoland

Verenigd Koninkrijk

Kabeljauw

Onbeperkt

Schol

Onbeperkt

Oostzee

(3 tot 12 mijl)

Denemarken

Kabeljauw

Onbeperkt

Schol

Onbeperkt

Haring

Onbeperkt

Sprot

Onbeperkt

Aal

Onbeperkt

Wijting

Onbeperkt

Makreel

Onbeperkt

6.  KUSTWATEREN VAN FRANKRIJK EN VAN DE OVERZEESE DEPARTEMENTEN

Geografisch gebied

Lidstaat

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Noord-Oost-Atlantische kust (6 tot 12 zeemijl)

Belgisch-Franse grens tot het oosten van het departement La Manche (monding van La Vire ‐ Grandcamp-les-Bains 49°23'30„ NB ‐ 1°2' WL richting noordnoordoost)

België

Demersale soorten

Onbeperkt

Sint-Jacobsschelp

Onbeperkt

Nederland

Alle soorten

Onbeperkt

Duinkerken (2°20' OL) tot Kaap Antifer (0°10' OL)

Duitsland

Haring

Onbeperkt, alleen van oktober tot en met december

Belgisch-Franse grens tot Kaap Alprech Ouest (50°42'30„ NB ‐ 1°33'30” OL)

Verenigd Koninkrijk

Haring

Onbeperkt

Atlantische kust (6 tot 12 zeemijl)

Spaans-Franse grens tot 46°08' NB

Spanje

Ansjovis

Gerichte visserij, onbeperkt, alleen van 1 maart tot en met 30 juni

Visserij voor levend aas, alleen van 1 juli tot en met 31 oktober

Sardine

Onbeperkt, alleen van 1 januari tot en met 28 februari en van 1 juli tot en met 31 december

Voorts worden de activiteiten met betrekking tot de hierboven genoemde soorten uitgeoefend overeenkomstig en binnen de grenzen van de activiteiten in 1984

Middellandse-Zeekust (6 tot 12 zeemijl)

Grens Spanje/Cap Leucate

Spanje

Alle soorten

Onbeperkt

7.  SPAANSE KUSTWATEREN

Geografisch gebied

Lidstaat

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Atlantische kust (6 tot 12 zeemijl)

Frans-Spaanse grens tot de vuurtoren van Cap Mayor (3°47' WL)

Frankrijk

Pelagische soorten

Onbeperkt, overeenkomstig en binnen de grenzen van de activiteiten in 1984

Middellandse-Zeekust (6 tot 12 zeemijl)

Frankrijk/Cap Creus

Frankrijk

Alle soorten

Onbeperkt

8.  NEDERLANDSE KUSTWATEREN

Geografisch gebied

Lidstaat

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

(3 tot 12 zeemijl) ‐ Hele kust

België

Alle soorten

Onbeperkt

Denemarken

Demersale soorten

Sprot

Zandspiering

Horsmakreel

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Duitsland

Kabeljauw

Garnalen

Onbeperkt

Onbeperkt

(6 tot 12 zeemijl) ‐ Hele kust

Frankrijk

Alle soorten

Onbeperkt

Zuidpunt van Texel ten westen tot de grens Nederland/Duitsland

Verenigd Koninkrijk

Demersale soorten

Onbeperkt

9.  FINSE KUSTWATEREN

Geografisch gebied

Lidstaat

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Oostzee (4 tot 12 mijl) (*)

Zweden

Alle soorten

Onbeperkt

(*) 3 tot 12 mijl rond de Bogskär Eilanden.

10.  ZWEEDSE KUSTWATEREN

Geografisch gebied

Lidstaat

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Skagerrak (4 tot 12 zeemijl)

Denemarken

Alle soorten

Onbeperkt

Kattegat (3 (*) tot 12 mijl)

Denemarken

Alle soorten

Onbeperkt

Oostzee (4 tot 12 mijl)

Denemarken

Alle soorten

Onbeperkt

Finland

Alle soorten

Onbeperkt

(*) Gemeten vanaf de kustlijn.

20130206-P7_TA(2013)0040_NL-p0000001.jpg

BIJLAGE II

VANGSTCAPACITEITSMAXIMA

Capaciteitsmaxima (op basis van de toestand op 31 december 2010)

Lidstaat

GT

kW

België

18.911

51.585

Bulgarije

8.448

67.607

Denemarken

88.528

313.341

Duitsland

71.114

167.089

Estland

22.057

53.770

Ierland

77.254

210.083

Griekenland

91.245

514.198

Spanje (inclusief de ultraperifere gebieden)

446.309

1.021.154

Frankrijk (inclusief de ultraperifere gebieden)

219.215

1.194.360

Italië

192.963

1.158.837

Cyprus

11.193

48.508

Letland

49.067

65.196

Litouwen

73.489

73.516

Malta

15.055

96.912

Nederland

166.384

350.736

Polen

38.376

92.745

Portugal (inclusief de ultraperifere gebieden)

115.305

388.054

Roemenië

1.885

6.716

Slovenië

1.057

10.974

Finland

18.187

182.385

Zweden

42.612

210.744

Verenigd Koninkrijk

235.570

924.739

Ultraperifere gebieden van de EU

GT

kW

Spanje

Canarische Eilanden. L< 12 m. EU-wateren

2.649

21.219

Canarische Eilanden. L > 12 m. EU-wateren

3.059

10.364

Canarische Eilanden. L > 12 m. Internationale wateren en wateren van derde landen

28.823

45.593

Frankrijk

Réunion. Demersale en pelagische soorten. L < 12 m

1.050

19.320

Réunion. Pelagische soorten. L > 12 m

10.002

31.465

Frans Guyana. Demersale en pelagische soorten. L < 12 m

903

11.644

Frans Guyana. Garnaalvaartuigen

7.560

19.726

Frans Guyana. Pelagische soorten. Offshore vaartuigen.

3.500

5.000

Martinique. Demersale en pelagische soorten. L < 12 m

5.409

142.116

Martinique. Pelagische soorten. L > 12 m

1.046

3.294

Guadeloupe. Demersale en pelagische soorten. L < 12 m

6.188

162.590

Guadeloupe. Pelagische soorten. L > 12 m

500

1.750

Portugal

Madeira. Demersale soorten. L < 12 m

617

4.134

Madeira. Demersale en pelagische soorten. L > 12 m

4.114

12.734

Madeira. Pelagische soorten. Zegen. L > 12 m

181

777

Azoren. Demersale soorten. L < 12 m

2.626

29.895

Azoren. Demersale en pelagische soorten. L > 12 m

12.979

25.721

L staat voor lengte over alles.

BIJLAGE III

ADVIESRADEN

Naam van de adviesraad

Bevoegdheidszone

Oostzee

ICES(44)-zones IIIb, IIIc en IIId

Middellandse Zee

Maritieme wateren van de Middellandse Zee ten oosten van 5°36' WL

Noordzee

ICES-zones IV en IIIa

Noorwestelijke wateren

ICES-zones V (met uitzondering van Va en enkel EU-wateren van Vb), VI en VII

Zuidwestelijke wateren

ICES-zones VIII, IX en X (wateren rond de Azoren) en CECAF(45)-zones 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0 (wateren rond Madeira en de Canarische Eilanden)

Pelagische bestanden (blauwe wijting, makreel, horsmakreel, haring)

Bevoegdheid voor alle gebieden (met uitzondering van de Oostzee, de Middellandse Zee en de aquacultuur)

Volle-zee/verre-zeevloot

Alle niet EU-wateren

Aquacultuur en binnenvisserij

Aquacultuur, zoals gedefinieerd in artikel 5 en alle binnenwateren van de lidstaten van de Unie

Ultraperifere gebieden, verdeeld in drie zeegebieden: westen van de Atlantische Oceaan, oosten van de Atlantische Oceaan en Indische Oceaan

Alle ICES-zones die wateren dekken rond de ultraperifere gebieden, met name de maritieme wateren van Guadeloupe, Frans-Guyana, Martinique, de Canarische Eilanden, de Azoren, Madeira en Réunion

Zwarte Zee-adviesraad

Geografisch subgebied van de GFCM, zoals afgebakend bij resolutie GFCM/33/2009/2

Adviesraad voor de markten

Alle marktgebieden

[Am. 211]

(1) OJ C 181 van 21.6.2012, blz. 183.
(2) OJ C 225 van 27.7.2012, blz. 20.
(3) PB C 380 E van 11.12.2012, blz. 89.
(4) PB C 181 van 21.6.2012, blz. 183.
(5) PB C 225 van 27.7.2012, blz. 20.
(6) Standpunt van het Europees Parlement van 6 februari 2013.
(7) PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.
(8) PB L 179 van 23.6.1998, blz. 1.
(9) PB L 189 van 3.7.1998, blz. 14.
(10) PB L 177 van 16.7.1996, blz. 24.
(11) COP-besluit X/2.
(12) EU CO 7/10 van 26 maart 2010.
(13) COM(2011)0244.
(14) PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.
(15) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie, COM(2007) 575 definitief.
(16) PB C 105 van 7.5.1981, blz. 1.
(17) PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.
(18) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(19) COM(2009)0162.
(20) COM(2010)2020.
(21) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(22) PB L 256 van 3.8.2004, blz. 17.
(23) PB L 60 van 5.3.2008, blz. 1.
(24) PB L 124 van 17.5.2005, blz. 1.
(25) PB L 409 van 30.12.2006, blz. 11.
(26) PB L 274 van 25.9.1986, blz. 1.
(27) PB L 343, 22.12.2009, p. 1.
(28) PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1.
(29) PB L 289 van 7.11.2003, blz. 1.
(30)* Vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
(31) PB L …
(32)+ Nummer, datum en titel van deze verordening (2011/0194(COD)).
(33)  PB L 232 van 2.9.2010, blz. 14.
(34) PB L …
(35)+ Nummer, datum en titel van deze verordening (2011/0380(COD)).
(36) PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1.
(37) Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).
(38) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
(39) Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB L 264 van 25.9.2006, blz. 13).
(40)* Eén jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
(41) PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
(42)+ Nummer van deze verordening (2011/0194(COD)).
(43)+ Nummer van deze verordening (2011/0194(COD)).
(44) ICES-zones (Internationale Raad voor het onderzoek van de zee, International Council for the Exploration of the Sea) zoals afgebakend in Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 70).
(45) „CECAF-zones” (Fishery Committee for the Eastern Central Atlantic - Visserijcomité voor het centraal-oostelijke deel van de Atlantische Oceaan, of FAO-gebied 34) zoals afgebakend in Verordening (EG) nr. 216/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 1).


Geluidsniveau van motorvoertuigen ***I
PDF 987kWORD 1176k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen (COM(2011)0856 – C7-0487/2011 – 2011/0409(COD))
P7_TA(2013)0041A7-0435/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0856),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0487/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 april 2012(1),

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0435/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 februari 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen

P7_TC1-COD(2011)0409


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De interne markt omvat een gebied zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal moet worden gewaarborgd. Daartoe is een allesomvattend EU-typegoedkeuringssysteem voor motorvoertuigen ingesteld, aangezien wegvoertuigen de grootste bron van geluidsoverlast zijn binnen de vervoersector. De technische voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en uitlaatsystemen ervan met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus moeten worden geharmoniseerd om te voorkomen dat de lidstaten voorschriften vaststellen die van elkaar verschillen, en om de goede werking van de interne markt te waarborgen en tegelijkertijd een hoog niveau van openbare veiligheid en milieubescherming en een betere levens- en gezondheidskwaliteit te bieden. De Commissie zal ook een effectbeoordeling uitvoeren betreffende voorwaarden voor etikettering van toepassing op niveaus van luchtvervuiling en geluidsoverlast. Die effectbeoordeling moet ook rekening houden met de verschillende soorten voertuigen die vallen onder deze verordening (met inbegrip van elektrische voertuigen), evenals het effect dat een dergelijke etikettering kan hebben op de auto-industrie. Een dergelijke etikettering kan gezien kan worden als een nuttig instrument voor de bewustmaking van consumenten en voor het beschermen van hun rechten inzake transparantie voordat een voertuig wordt aangeschaft.[Am. 1]

(1 bis)   Er gelden reeds EU-typegoedkeuringsvoorwaarden voor de toepassing van relevante Uniewetgeving betreffende CO2-emissies, met inbegrip van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie(4), Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken(5), Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, en Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO2 -emissies van lichte voertuigen te beperken(6). De technische voorschriften die van toepassing zijn op Uniewetgeving betreffende grenswaarden voor de uitstoot van CO2 en andere verontreinigende stoffen moeten in overeenstemming zijn met de voorschriften die van toepassing zijn op wetgeving betreffende de vermindering van de geluidsemissies. Derhalve dienen EU-typegoedkeuringsvoorwaarden zodanig te worden vastgesteld dat deze beide doelstellingen worden behaald(7).[Am. 2]

(1 ter)   Verkeerslawaai is op tal van manieren schadelijk voor de gezondheid. Door langdurige geluidstress kunnen lichaamsreserves worden uitgeput en kan het reguleringsvermogen van orgaanfuncties worden verstoord, zodat de effectiviteit ervan wordt beperkt. Verkeerslawaai is een potentiële risicofactor voor het ontstaan van aandoeningen als hoge bloeddruk en een hartinfarct. De gevolgen van verkeerslawaai moeten in overeenstemming met Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai(8)verder worden onderzocht.[Am. 3]

(2)  Richtlijn 70/157/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen(9) bracht een harmonisatie tot stand van de verschillende technische voorschriften van de lidstaten met betrekking tot het toelaatbare geluidsniveau van motorvoertuigen en uitlaatsystemen ervan, met het oog op de totstandbrenging en werking van de interne markt. Voor de goede werking van de interne markt en voor een uniforme en consistente toepassing in de hele Unie moet die richtlijn door een verordening worden vervangen.

(3)  Deze verordening is een bijzondere verordening in het kader van de typegoedkeuringsprocedure die is ingesteld bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn)(10).

(4)  In Richtlijn 70/157/EEG wordt verwezen naar Reglement nr. 51(11) van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE), waartoe de Unie is toegetreden en waarin de testmethode voor geluidsemissies is vastgesteld.

(5)  Sinds de vaststelling ervan is Richtlijn 70/157/EEG herhaaldelijk ingrijpend gewijzigd. De recentste verlaging van de geluidsgrenswaarden voor motorvoertuigen in 1995 heeft niet het verwachte effect gehad. Studies hebben aangetoond dat de krachtens de richtlijn toegepaste testmethode niet langer het werkelijke rijgedrag in stadsverkeer weergaf. Zoals aangegeven in het Groenboek van 1996 over het toekomstige beleid inzake de bestrijding van geluidshinder(12), werd in die testmethode met name de bijdrage van het rolgeluid van banden aan de totale geluidsemissie onderschat.

(6)  Deze verordening moet derhalve een andere methode invoeren dan de verplichte methode van Richtlijn 70/157/EEG. Die methode moet worden gebaseerd op de methode die in 2007 door de VN/ECE-werkgroep lawaaibestrijding (GRB) is gepubliceerd en een 2007-versie van ISO-norm 362 bevatte(13). De resultaten van de monitoring van zowel de oude als de nieuwe testmethode zijn aan de Commissie overgelegd. Om de tekortkomingen die inherent zijn aan de vorige testmethode te ondervangen, moet de Commissie binnen 24 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening een effectbeoordeling indienen bij het Europees Parlement betreffende de daadwerkelijke bijdrage die uitrustingen voor het rollen van banden aan het verminderen van geluidsniveaus van voertuigen leveren, rekening houdend met de invloed van het wegdek en de onderzoekbehoeften op dit specifieke gebied, met het oog op de invoering van een nieuwe Europese testmethode die ook rekening met wegdekgedrag houdt.[Am. 4]

(7)  Voor geluidsemissie onder normale verkeersomstandigheden wordt de nieuwe testmethode representatief geacht, maar onder de slechtst denkbare omstandigheden is zij minder representatief. Daarom moeten bij deze verordening aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie worden geïmplementeerd. Die bepalingen moeten preventieve voorschriften inhouden met betrekking tot de rijomstandigheden van het voertuig in het echte verkeer buiten de rijcyclus van de typegoedkeuring. Die rijomstandigheden zijn uit milieuoogpunt relevant en er moet voor worden gezorgd dat de geluidsemissie van een voertuig dat op de weg rijdt, niet sterk verschilt van wat als resultaat van de typegoedkeuringstest van het voertuig in kwestie kan worden verwacht.

(8)  Deze verordening moet de geluidsgrenswaarden nog verder verlagen. Zij moet rekening houden met Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden(14), waarbij nieuwe en strengere geluidsvoorschriften voor banden van motorvoertuigen zijn ingevoerd en waarin benadrukt werd dat het probleem van de geluidsbelasting op wegen op coherente en globale wijze moet worden aangepakt, onder meer door rekening te houden met de belangrijke rol van het wegdek in de geluidsbelasting op wegen. Die horizontale aanpak zal efficiënter zijn voor het verminderen van het algemene niveau van de geluidsoverlast op de wegen in vergelijking met een sectorale en verticale aanpak. De vermindering van geluidsoverlast door wegverkeer moet ook gezien worden als een doelstelling voor de volksgezondheid, gezien studies waarin wordt gewezen op de hinder en de gezondheidseffecten van wegverkeerslawaai(15),(16) en de daaraan verbonden kosten en baten(17), moeten eveneens in acht worden genomen . Deze verordening moet ook rekening houden met Verordening (EG) nr. 1222/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters(18). De Commissie moet ervoor zorgen dat banden worden geëtiketteerd met betrekking tot hun geluidsprestatie. Bovendien moet er rekening worden gehouden met vergelijkingen tussen verschillende vervoermiddelen wat betreft omgevingslawaai. [Am. 5]

(8 bis)   De Commissie moet richtlijnen publiceren voor „stille wegen”, die bestemd zijn voor wegbeheerders, zodat deze over een bruikbaar instrument beschikken waarmee zij aan de vereisten voor een duurzamere wegeninfrastructuur kunnen voldoen. [Am. 6]

(8 ter)   Het zesde milieuactieprogramma heeft het kader vastgelegd voor het opstellen van milieubeleid in de Unie voor de periode 2002-2012. Het programma riep op tot actie op het gebied van geluidsoverlast om het aantal personen dat regelmatig geconfronteerd wordt met langdurige gemiddelde geluidsniveaus, voornamelijk door het verkeer, aanzienlijk te verminderen. [Am. 7]

(8 quater)  Technische maatregelen voor geluidshinderreductie van voertuigen staan op gespannen voet met andere eisen, zoals de eisen om bij gelijkblijvende economische exploitatiemogelijkheden naast de geluidsemissie tegelijkertijd de emissie van schadelijke stoffen te beperken en de rijveiligheid te verhogen. Bij de pogingen om aan alle eisen in gelijke mate te voldoen en daar een evenwicht tussen te bewaren, botst de automobielindustrie maar al te vaak op de grenzen van de reële fysieke mogelijkheden. Bij de ontwikkeling van de automobiel is het steeds weer gelukt om deze grenzen door het gebruik van nieuwe, innovatieve materialen en methoden op te schuiven. Om tot mogelijke innovatie te komen is er van de kant van de wetgever een helder kader en tijdsbestek nodig. Deze verordening voorziet hierin en dwingt daarmee de maatschappelijk vereiste innovatie-impuls onverwijld af, waarbij ze tegelijkertijd de industrie haar economische handelingsvrijheid laat. [Am. 8]

(8 quinquies)  Geluidshinder is vooral een lokaal probleem, waar echter wel een oplossing op Europees niveau voor nodig is. Want voor een eerste stap op weg naar een effectief geluidsemissiebeleid is het noodzakelijk maatregelen in het leven te roepen, die het lawaai bij de bron aanpakken. De geluidsbron, die het motorvoertuig, waar deze verordening zich op richt, is, is per definitie volkomen mobiel, dus maatregelen van alleen de lidstaten zouden niet toereikend zijn. [Am. 9]

(8 sexies)  Er kunnen belangrijke stappen worden ondernomen voor het ontwikkelen en verbeteren van de infrastructuur om het geluid van voertuigen zoveel mogelijk te dempen, bijvoorbeeld door op ruime schaal gebruik te maken van geluidsschermen. [Am. 10]

(9)  De algemene grenswaarden voor alle geluidsbronnen van motorvoertuigen, van de luchtinlaat via de aandrijflijn tot en met de uitlaat, moeten worden verlaagd, rekening houdend met de bijdrage van de banden aan de verlaging van het geluidsniveau zoals aangegeven in Verordening (EG) nr. 661/2009.

(9 bis)   Het verstrekken van informatie over geluidsemissies aan consumenten, wagenparkbeheerders en overheden kan aankoopbesluiten beïnvloeden en de overstap naar een stiller voertuigenpark versnellen. Om consumenten naar behoren te informeren moet de fabrikant op het verkooppunt en in het technische reclamemateriaal gegevens verstrekken over de geluidsniveaus van voertuigen, die aan de hand van geharmoniseerde testmethoden zijn berekend. Voor de geluidsemissies van voertuigen moet een label worden ingevoerd, naar het voorbeeld van de labels die gebruikt worden voor informatie over CO2-emissies, brandstofverbruik en bandenlawaai. [Am. 11]

(9 ter)  De informatie in verband met geluidsbelasting, onder meer testgegevens, moet ter beschikking worden gesteld en duidelijk worden vermeld in verkooppunten en promotiemateriaal voor voertuigen. [Am. 18]

(9 quater)   Om de geluidsoverlast door het verkeer te verminderen, mogen overheden maatregelen en stimulansen invoeren om de aankoop en het gebruik van stillere voertuigen te bevorderen. [Am. 12]

(9 quinquies)  Het geluidsniveau van voertuigen is voor een deel afhankelijk van de omgeving waarin de voertuigen rijden en met name van de kwaliteit van de wegeninfrastructuur en van het verstandig beheer van het wegverkeer. Er moet dus worden nagedacht over een geïntegreerde aanpak, met name in de luidruchtigste stedelijke gebieden en waar kortetermijnmaatregelen noodzakelijk zijn. [Am. 13]

(9 sexies)  Bij personenauto's is het overheersende geluid bij een rit met een gemiddelde snelheid van onder de 45 km. per uur nog dat van de motor en het uitlaatsysteem, bij ritten met een hogere snelheid daarentegen is dat het bandengeluid en het geraas van wind. Dit bandengeluid en geraas van wind is niet afhankelijk van de soort of het vermogen van de motor. Door de ontwikkeling van de auto sinds de zeventiger jaren van de vorige eeuw zijn de motoren beduidend stiller geworden, maar door de bank genomen is het vermogen en het gewicht ervan verhoogd. Aan het laatste en aan een toename van de rijveiligheid is een gewichtstoename van het totale voertuig toe te schrijven, die gepaard ging met een noodzakelijke verbreding van de contactvlakken van de banden van het voertuig ter verhoging van de stabiliteit tijdens het rijden. Met iedere verbreding van deze vlakken neemt het bandengeluid van het voertuig toe. [Am. 14]

(9 septies)  Geluidshinder is een probleem met veel kanten waarbij veel oorzaken en factoren van invloed zijn op het geluid dat wordt waargenomen door de mens, en op de sensatie die het bij hem teweegbrengt. Met wetgeving om verkeersgeluid te verminderen moet op deze aspecten worden ingegaan door rekening te houden met geluid afkomstig van de motor, het voertuig en de banden, het wegdek, rijgedrag en het verkeersbeheer, en deze punten moeten in de wetgeving aan de orde komen, zoals het geval is in Verordening (EG) nr. 1222/2009 en Richtlijn 2002/49/EG.[Am. 15]

(10)  De van hybride elektrische en puur elektrische wegvoertuigen verwachte milieuvoordelen hebben geleid tot een substantiële vermindering van het door die voertuigen geëmitteerde geluid. Zo is een belangrijk geluidssignaal verdwenen dat voor blinde en slechtziende voetgangers, voor fietsers en ook voor andere verkeersdeelnemers een middel is om naderende, aanwezige of vertrekkende voertuigen op te merken. Daarom ontwikkelt de industrie nu geluidssystemen om dat ontbrekende geluidssignaal bij elektrische en hybride elektrische voertuigen te compenseren. De prestaties van op voertuigen gemonteerde naderend-voertuiggeluidssystemen moeten worden geharmoniseerd. De keuze om dergelijke systemen al dan niet te monteren, moet echter aan de voertuigfabrikanten worden gelaten.

(10 bis)  De Commissie moet het potentieel van actieve veiligheidssystemen in stillere voertuigen, zoals hybride en elektrische voertuigen, onderzoeken, zodat beter kan worden toegewerkt naar de doelstelling van het verbeteren van de veiligheid van kwetsbare weggebruikers in stedelijke gebieden, zoals blinde, slechtziende en hardhorige voetgangers, fietsers en kinderen. [Am. 16]

(10 ter)  Het geluidsniveau van voertuigen heeft directe gevolgen voor de levenskwaliteit van de burgers van de Unie, met name in de stedelijke gebieden waar er weinig of geen elektrisch of ondergronds openbaar vervoer, fietsers en voetgangers zijn. Er moet ook rekening worden gehouden met de doelstelling die het Europees Parlement heeft vastgesteld in zijn resolutie van 15 december 2011 over een stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte(19), namelijk een verdubbeling van het aantal gebruikers van openbare vervoermiddelen. De Commissie en de lidstaten moeten met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel het openbaar vervoer, het lopen en het fietsen stimuleren om de geluidshinder in de steden te verminderen. [Am. 17]

(10 quater)  Het geluidsniveau van een voertuig is voor een deel afhankelijk van het gebruik en het goede onderhoud na aankoop. Daarom moeten de burgers van de Unie bewust worden gemaakt van het belang van een vlot rijgedrag met inachtneming van de bestaande snelheidsbeperkingen in elke lidstaat. [Am. 19]

(11)  Om de typegoedkeuringswetgeving van de Unie volgens de aanbevelingen van het CARS 21-verslag uit 2007(20) te vereenvoudigen, moet deze verordening voor wat de testmethode betreft, worden gebaseerd op VN/ECE-reglement nr. 51 over geluidsemissies en voor wat vervangende uitlaatgeluiddempingssystemen betreft, op VN/ECE-reglement nr. 59 over geluiddempingssystemen(21).

(12)  Teneinde de Commissie in staat te stellen de technische voorschriften van deze verordening door een directe verwijzing naar de VN/ECE-Reglementen nr. 51 en nr. 59 te vervangen zodra de grenswaarden voor de nieuwe testmethode in die reglementen zijn vastgesteld, of die voorschriften aan technische en wetenschappelijke ontwikkelingen aan te passen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van detot wijziging van de bepalingen in de bijlagen bij deze verordening die betrekking hebben op de testmethoden en geluidsniveausop EU-typegoedkeuringsprocedures op het gebied van geluidsniveaus van voertuigtypen en uitlaatsystemen, methoden en instrumenten om het geluidsemissieniveau van motorvoertuigen te meten, controles van de conformiteit van de productie, specificaties voor testlocaties, meettechnieken voor aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie en maatregelen om de hoorbaarheid van hybride en elektrische voertuigen te waarborgen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen houdtraadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. Bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen moet de Commissie ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig aan het Europees Parlement en de Raad worden toegezonden. [Am. 20]

(12 bis)  Het geluidshinderreductiepotentieel van de geluidsbronnen, waar deze verordening op gericht is, is relatief kleiner dan dat van het door de banden van het voertuig beroerde wegdek. De laatste geluidshinderreductie zou technisch beduidend gemakkelijker te realiseren zijn. Met de reeds ter beschikking staande asfaltsoorten zoals fluisterasfalt, asfaltsoorten met geluidsbeperkende eigenschappen of op het gebied van geluid geoptimaliseerd asfalt, geïntegreerd in een alomvattende aanpak, die verschillende eenvoudige bouwmaatregelen combineert, kan nu al een beperking van circa 10db op lokaal niveau bereikt worden. Deze effectieve aanpak van de specifiek lokale geluidsbronnen maakt geen deel uit van deze verordening, omdat een uitvoering daarvan de overheidsbegrotingen, vooral die van de regionale en lokale autoriteiten, te zwaar zou belasten. Dit zou moeilijk uit te dragen zijn in tijden van financiële crisis en zou daarnaast ook raken aan het domein van het regionaal en structuurbeleid.[Am. 21]

(13)  Als gevolg van de toepassing van een nieuw regelgevingskader dat bij deze verordening wordt vastgesteld, moet Richtlijn 70/157/EEG worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden de administratieve en technische voorschriften vastgesteld voor de EU-typegoedkeuring van alle in artikel 2 bedoelde nieuwe voertuigen wat hun geluidsniveau en uitlaatsystemen betreft, en voor de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen en uitrustingsstukken voor die voertuigen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op voertuigen van de categorieën M1, M2, M3, N1, N2 en N3 zoals gedefinieerd in bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG, en op systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn ontworpen en gebouwd.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

   1) „goedkeuring van een voertuig”: de goedkeuring van een voertuigtype wat geluidsemissie betreft;
  2) „voertuigtype”:
   (a) voor voertuigen getest overeenkomstig Bijlage II, lid 4.1.2.1 een verzameling voertuigen zoals gedefinieerd in bijlage II, deel B, bij Richtlijn 2007/46/EG;
  (b) voor voertuigen getest overeenkomstig Bijlage II, lid 4.1.2.2, een verzameling voertuigen die onderling geen essentiële verschillen vertonen ten aanzien van:
   (i) de vormgeving van de carrosserie of de daarvoor gebruikte materialen (in het bijzonder het motorcompartiment en de geluidsisolatie daarvan);
   (ii) motortype (bijv. elektrische of compressieontsteking, twee- of viertaktmotor, zuigermotor of draaizuigermotor) aantal cilinders en cilinderinhoud, type injectiesysteem, plaatsing van de kleppen, nominaal motortoerental (S) of het type elektromotor. Voertuigen met hetzelfde motortype maar verschillende algemene overbrengingsverhoudingen kunnen als voertuigen van hetzelfde type worden beschouwd.

Indien bovenvermelde verschillen echter voortkomen uit het gebruik van een verschillende testmethode, moeten zij als een ander type worden beschouwd. [Am. 22]

   3) „maximummassa”: de door de voertuigfabrikant opgegeven technisch toelaatbare maximummassa.

In afwijking van punt 3) mag de maximummassa groter zijn dan de door de overheid van de lidstaten toegestane maximummassa;

   4) „nominaal motorvermogen”: het motorvermogen uitgedrukt in kW (VN/ECE) en gemeten volgens de VN/ECE-methode krachtens VN/ECE-Reglement nr. 85(22);
   5) „standaarduitrusting”: de basisconfiguratie van een voertuig met alle gemonteerde elementen zonder verdere specificaties over de configuratie of het uitrustingsniveau te moeten verstrekken, maar dat voorzien is van alle elementen die krachtens de in bijlage IV of XI bij Richtlijn 2007/46/EG genoemde regelgevingen verplicht zijn;
   6) „massa van de bestuurder”: een nominale massa van 75 kg die op het referentiepunt van de bestuurderszitplaats is aangebracht;
   7) „massa van een voertuig in rijklare toestand” (mass in running order, mro): de massa van het voertuig, inclusief die van de bestuurder en van de brandstof en vloeistoffen, voorzien van de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant.

Als het voertuig daarmee is uitgerust, moet ook de massa van de carrosserie, de cabine, de koppelinrichting, het reservewiel (de reservewielen) en het gereedschap worden meegeteld.

De brandstoftank(s) moet(en) tot ten minste 90% van zijn (hun) inhoud zijn gevuld;

   8) „nominaal motortoerental” (S): het opgegeven motortoerental in min-1 (t/min) waarbij de motor zijn maximaal nominaal nettovermogen ontwikkelt krachtens VN/ECE-Reglement nr. 85 of, wanneer het maximale nominale nettovermogen bij verschillende motortoerentallen wordt bereikt, het hoogste van die motortoerentallen;
   9) „verhoudingsindex vermogen/massa” (power to mass ratio, PMR): een numerieke waarde die wordt berekend met de formule in punt 4.1.2.1.1 van bijlage II;
  10) „referentiepunt”: een van de volgende punten:
  (a) bij voertuigen van de categorieën M1 en N1:
   i) bij voertuigen met de motor vooraan, de voorkant van het voertuig;
   ii) bij voertuigen met de motor centraal, het midden van het voertuig;
   iii) bij voertuigen met de motor achteraan, de achterkant van het voertuig;
   (b) bij voertuigen van de categorieën M2, M3, N2 en N3: de rand van de motor die zich het dichtst bij de voorkant van het voertuig bevindt;
   11) „doelacceleratie”: de acceleratie bij een gedeeltelijk ingedrukt gaspedaal in stadsverkeer, afgeleid uit statistisch onderzoek:
   12) „referentieacceleratie”: de vereiste acceleratie tijdens de acceleratietest op de testbaan;
   13) „wegingsfactor van de overbrengingsverhoudingen” (k): een numerieke waarde zonder grootheid die wordt gebruikt om bij de acceleratietest en de constante-snelheidstest de testresultaten van twee overbrengingsverhoudingen te combineren;
   14) „partiële vermogensfactor” (kP): een numerieke waarde zonder grootheid die wordt gebruikt voor de gewogen combinatie van de testresultaten van de acceleratietest en de constante-snelheidstest bij voertuigen;
   15) „preacceleratie”: toepassing van een acceleratieregelsysteem vóór AA' om tussen AA' en BB' een stabiele acceleratie te bereiken (zie figuur 1 in aanhangsel 1 van bijlage II);
   16) „vergrendelde overbrengingsverhoudingen”: een zodanige regeling van de transmissie dat de versnelling tijdens een test niet kan veranderen;
  17) „ontwerpfamilie van geluiddempingssystemen of onderdelen ervan”: een groep geluiddempingssystemen of onderdelen ervan waarbij alle volgende kenmerken dezelfde zijn:
   (a) de aanwezigheid van een nettostroom van de uitlaatgassen door het absorberende vezelmateriaal waar zij mee in contact komen,
   (b) het type vezels,
   (c) de specificaties van het bindmiddel, indien aanwezig,
   (d) de gemiddelde afmetingen van de vezels,
   (e) de minimale pakkingsdichtheid van het bulkmateriaal in kg/m³,
   (f) het maximale contactoppervlak tussen de gasstroom en het absorberende materiaal;
   18) „geluiddempingssysteem”: een volledige verzameling onderdelen die nodig zijn om het door een motor en de uitlaat ervan geproduceerde geluid te beperken;
  19) „geluiddempingssystemen van verschillende typen”: geluiddempingssystemen die sterk van elkaar verschillen op ten minste een van de volgende punten:
   (a) handelsnaam of handelsmerk van de onderdelen,
   (b) de kenmerken van de materialen waaruit de onderdelen bestaan, behalve de coating van die onderdelen,
   (c) de vorm of grootte van de onderdelen,
   (d) het werkingsprincipe van ten minste een van de onderdelen,
   (e) de samenstelling van de onderdelen,
   (f) het aantal uitlaatgeluiddempingssystemen of onderdelen ervan;
   20) „vervangingsgeluiddempingssysteem of onderdelen ervan”: elk voor gebruik op een voertuig bestemd deel van het in punt 17 gedefinieerde geluiddempingssysteem, behalve een deel van het type dat op het voertuig was gemonteerd toen het voor typegoedkeuring krachtens deze verordening ter beschikking werd gesteld;
   21) „akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem” (Acoustic Vehicle Alerting System, AVAS): een systeem voor hybride elektrische en elektrische wegvoertuigen dat voetgangers en kwetsbare weggebruikers informatie verstrekt over de werking van het voertuig;
   (21 bis) „verkooppunt”: een plaats waar voertuigen worden opgeslagen en te koop worden aangeboden aan consumenten; [Am. 23]
   (21 ter) „technisch reclamemateriaal”: technische handleidingen, brochures, folders en catalogi, zowel in gedrukte, elektronische als onlinevorm, alsook websites, die tot doel hebben voertuigen aan te prijzen bij het grote publiek. [Am. 24]

Artikel 4

Algemene verplichtingen van de lidstaten

1.  Om redenen in verband met het toegestane geluidsniveau en het uitlaatsysteem mogen de lidstaten niet weigeren EU- of nationale typegoedkeuring te verlenen voor een type motorvoertuig of voor een type uitlaatsysteem of onderdeel ervan dat als technische eenheid wordt beschouwd, als de volgende voorwaarden zijn vervuld:

   (a) het voertuig voldoet aan de voorschriften van bijlage I,
   (b) het uitlaatsysteem of een onderdeel ervan dat als technische eenheid wordt beschouwd in de zin van punt 25 van artikel 3 van Richtlijn 2007/46/EG, voldoet aan de voorschriften van bijlage X.

2.  Om redenen in verband met het toegestane geluidsniveau en het uitlaatsysteem mogen de lidstaten de verkoop, de registratie, het in het verkeer brengen of het gebruik niet weigeren of verbieden van een voertuig waarvan het geluidsniveau en het uitlaatsysteem voldoen aan de voorschriften van bijlage I.

3.  Om redenen in verband met het toegestane geluidsniveau en het uitlaatsysteem mogen de lidstaten niet verbieden dat een uitlaatsysteem of een onderdeel ervan dat als technische eenheid wordt beschouwd in de zin van punt 25 van artikel 3 van Richtlijn 2007/46/EG, in de handel wordt gebracht als het conform is met een type waarvoor krachtens deze verordening typegoedkeuring is verleend.

3 bis.  Bij het uitvoeren van technische controles op voertuigen, moeten de lidstaten het geluidsniveau meten op basis van gegevens in de EG-typegoedkeuring voor ieder soort voertuig. [Am. 25]

Artikel 4 bis

Monitoring

Lidstaten moeten, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 juli 2008 met de vereisten voor accreditatie en markttoezicht met betrekking tot het vermarkten van producten(23), een doeltreffende monitoring van hun markten garanderen. Ze moeten gepaste controles uitvoeren van de kenmerken van producten op een geschikte schaal, overeenkomstig de beginselen van artikel 19, lid 1 van die Verordening. [Am. 26]

Artikel 5

Algemene verplichtingen van de fabrikanten

1.  De fabrikanten zorgen ervoor dat het voertuig, de motor en het geluiddempingssysteem zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en geassembleerd dat het voertuig, ondanks de trillingen waaraan het bij normaal gebruik wordt blootgesteld, voldoet aan de bepalingen van deze verordening.

2.  De fabrikanten zorgen ervoor dat het geluiddempingssysteem zodanig is ontworpen, geconstrueerd en geassembleerd dat het redelijk bestand is tegen de corrosieve invloeden waaraan het naargelang de gebruiksomstandigheden van het voertuig en de regionale klimaatverschillen wordt blootgesteld. [Am. 27]

3.  De fabrikant is jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk voor alle aspecten van de goedkeuringsprocedure en voor het waarborgen van de conformiteit van de productie, ongeacht of hij al dan niet rechtstreeks bij alle fasen van de bouw van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid betrokken is.

Artikel 6

Grenswaarden

Er moet bij de testomstandigheden die vastgelegd zijn in bijlage II rekening gehouden worden met de normale rijomstandigheden op de weg en de testvereisten van andere essentiële onderdelen van het voertuig, die reeds vallen onder Verordening (EG) nr. 661/2009. Het overeenkomstig bijlage II gemeten geluidsniveau, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, mag de grenswaarden van bijlage III niet overschrijden. [Am. 28]

Artikel 7

Herzieningsbepaling

Binnen drie jaar na de in bijlage III, derde kolom, fase 1, bedoelde datum verricht de Commissie een grondig onderzoek om na te gaan of de geluidsgrenswaarden wel degelijk geschikt zijn. Op grond van de conclusies van dat onderzoek kan de Commissie zo nodig voorstellen doen om deze verordening te wijzigen. Na de in bijlage III, derde kolom, fase 1, bedoelde datum zal de Commissie een volledige herziening uitvoeren van de geluidsgrenswaarden in Bijlage III. Deze herziening zal een effectbeoordeling omvatten met een algemene beoordeling van de effecten op de auto-industrie en de daarvan afhankelijke industrieën, in het bijzonder rekening houdend met de invloed van andere wetgevingen - zoals die op het gebied van CO2-uitstootreductie en veiligheid - op het geluidsniveau van motorvoertuigen. Op basis van een dergelijke herziening en de effectbeoordeling zal de Commissie, indien nodig, een voorstel doen om deze verordening te wijzigen op een manier die zo neutraal mogelijk is met het oog op het concurrentievermogen. De grenswaarden waarnaar verwezen wordt in Bijlage III, vierde kolom, fase 2, zullen van kracht worden zes jaar na de bevestiging van de effectbeoordeling en de voltooiing van het herzieningsproces van de Commissie. [Am. 29]

In de voorstellen tot wijziging van deze verordening die overeenkomstig de eerste alinea zijn ingediend, wordt rekening gehouden met de nieuwe normen die door de Internationale Organisatie voor Normalisatie zijn vastgesteld, en met name norm ISO 10844:2011.[Am. 30]

Artikel 8

Aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie (Additional Sound Emission Provisions - ASEP)

1.  De leden 2 tot en met 6 en de tweede alinea van dit lid zijn van toepassing op voertuigen van de categorieën M1 en N1 met verbrandingsmotor.

Voertuigen voldoen automatisch aan de vereisten van bijlage X als de voertuigfabrikant technische documentatie overlegt aan de typegoedkeuringsinstantie, waaruit blijkt dat het verschil tussen het maximum- en minimumtoerental van de motor van de voertuigen bij BB' 1, voor elke testvoorwaarde binnen het ASEP-controlebereik nader bepaald in punt 3.3 van bijlage VIII met betrekking tot de in bijlage II beschreven voorwaarden, kleiner is dan of gelijk aan 0,15 x S.

Voertuigen uit de categorie N1 vallen niet onder de Aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie (ASEP) als aan een der volgende voorwaarden voldaan is:

   (a) De motorinhoud is kleiner dan of gelijk aan 660 kubieke centimeter en de verhouding vermogen/massa (PMR), berekend door de maximaal toegestane voertuigmassa te gebruiken, is kleiner dan of gelijk aan 35;
   (b) Het laadvermogen is 850 kg. of meer en de verhouding vermogen/massa (PMR), berekend door de maximaal toegestane voertuigmassa te gebruiken, is kleiner dan of gelijk aan 40. [Am. 31]

Voertuigen worden geacht aan de voorschriften van bijlage X te voldoen als de voertuigfabrikant de typegoedkeuringsinstantie technische documenten verstrekt waaruit blijkt dat het verschil tussen het maximum- en minimumtoerental van de motor van de voertuigen bij BB'(24), voor elke testvoorwaarde binnen het ASEP-controlebereik zoals gedefinieerd in punt 3.3 van bijlage VIII, met betrekking tot de in bijlage II beschreven voorwaarden, niet meer bedraagt dan 0,15 x S.

Voertuigen uit de categorie N1 vallen niet onder de Aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie (ASEP) als aan een der volgende voorwaarden voldaan is:

   (a) De motorinhoud is niet groter dan 660 kubieke centimeter en de verhouding vermogen/massa (PMR), berekend door de maximaal toegestane voertuigmassa te gebruiken, is niet groter dan 35;
   (b) Het laadvermogen is ten minste 850 kg en de verhouding vermogen/massa (PMR), berekend door de maximaal toegestane voertuigmassa te gebruiken, is niet groter dan 40. [Am. 32]

2.  De geluidsemissie van het voertuig onder normale rijomstandigheden op de weg, die verschillen van die waaronder de in bijlage II beschreven typegoedkeuringstest is uitgevoerd, mag niet op onredelijke wijze van het testresultaat afwijken. [Am. 33]

3.  Met als enig doel aan de geluidsemissievoorschriften van deze verordening te voldoen, mag de voertuigfabrikant geen mechanische, elektrische, thermische of andere voorziening of procedure opzettelijk wijzigen, bijstellen of toevoegen die bij normaal gebruik op de weg onder de voor ASEP geldende voorwaarden niet functioneert. Deze maatregelen worden ook wel „cycle beating” genoemd. [Am. 34]

4.  Het voertuig moet voldoen aan de voorschriften van bijlage VIII.

5.  Bij de typegoedkeuringsaanvraag voegt de fabrikant een verklaring, ondersteund door de uitslag van de gepaste testresultaten, opgesteld volgens het model in aanhangsel 1 van bijlage VIII, dat het goed te keuren voertuigtype voldoet aan de voorschriften van artikel 8, leden 1 en 2. [Am. 35]

Artikel 8 bis

Consumentenvoorlichting

Fabrikanten en distributeurs van voertuigen zien erop toe dat het geluidsniveau in decibel (dB(A)), berekend volgens geharmoniseerde testmethoden voor typegoedkeuring voor elk voertuig, op een duidelijk zichtbare plaats op het verkooppunt en in het technische reclamemateriaal wordt vermeld.

Na uitvoering van een uitgebreide effectbeoordeling dient de Commissie binnen twee jaar na inwerkingtreding van deze verordening overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in over consumentenvoorlichting. Een dergelijk voorstel kan worden geïntegreerd in Richtlijn 1999/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto's(25). [Am. 36]

Artikel 8 ter

Indeling en kwaliteit van het wegdek

Overeenkomstig de termijnen voor toetsing zoals vastgelegd in Richtlijn 2002/49/EG onderzoekt de Commissie de mogelijkheid om een wegindelingssysteem in te voeren dat het typische rolgeluid op alle wegen in de Unie kenmerkt en dient, indien nodig, een voorstel in bij het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure.

De Commissie neemt in overweging om de lidstaten te verplichten informatie over wegdekkwaliteit te verstrekken op de strategische geluidsbelastingkaarten zoals vastgesteld in Richtlijn 2002/49/EG. [Am. 37]

Artikel 9

Akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem (Acoustic Vehicle Alerting System - AVAS)

Wanneer Fabrikanten dienen een AVAS in voertuigen willen te installeren. Het door het AVAS te produceren geluid moet een continu geluid zijn dat de voetgangers en kwetsbare weggebruikers erop attendeert dat een voertuig in beweging is. Het geluid moet eenvoudig te identificeren zijn als kenmerk van het voertuiggedrag en het mag vergelijkbaar zijn met het geluid van een soortgelijk voertuig van dezelfde categorie dat met een verbrandingsmotor is uitgerust en onder dezelfde omstandigheden wordt gebruikt, en ook moet aan de voorschriften van bijlage X worden voldaan.

De Commissie beoordeelt binnen een jaar na inwerkingtreding van deze verordening of een evaluatie noodzakelijk is, waarbij zij onder meer rekening houdt met de vraag of actieve veiligheidssystemen, in aanvulling op of vergeleken met akoestische waarschuwingssystemen voor voertuigen, geschikter zijn om het doel van het verbeteren van de veiligheid van kwetsbare weggebruikers in stedelijke gebieden te bereiken en dient, indien nodig, overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure een voorstel in bij het Europees Parlement en de Raad dat voorschriften bevat voor een maximum geluidsniveau voor in voertuigen geïnstalleerde akoestische waarschuwingssystemen. [Am. 66]

Artikel 10

Wijziging van de bijlagen

1.  De Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de bijlagen I tot en met XI te wijzigenTeneinde de technische voorschriften van deze verordening aan te passen aan technische en wetenschappelijke ontwikkelingen, wordt de Commissie de bevoegdheid toegekend om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 11, teneinde de bijlagen I, II en IV tot en met XII te wijzigen. [Am. 39]

2.  Wanneer de grenswaarden voor de testmethode in VN/ECE-Reglement nr. 51 worden vastgesteld, overweegt de Commissie de technische voorschriften van bijlage III door een directe verwijzing naar de overeenkomstige voorschriften van de VN/ECE-Reglementen nr. 51 en nr. 59 te vervangen Wanneer de grenswaarden voor de testmethode in VN/ECE-Reglement nr. 51 zijn vastgesteld, beoordeelt de Commissie, rekening houdend met de standpunten van het Europees Parlement en de Raad, de mogelijkheid technische voorschriften van bijlage III door een directe verwijzing naar de overeenkomstige voorschriften van de VN/ECE-Reglementen nr. 51 en nr. 59 te vervangen mits dit niet tot een afzwakking van de milieu- en gezondheidsvoorschriften van de Unie leidt, en legt zij zo nodig een voorstel aan het Europees Parlement en de Raad voor om Bijlage III overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure te wijzigen. [Am. 40]

Artikel 11

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 10, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtredingmet ingang van de datum van vaststelling van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend verlengd met termijnen van dezelfde duur, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. [Am. 42]

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 10, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de al in werking getreden gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 10, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement ofnoch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met een maandtwee maanden verlengd. [Am. 44]

Artikel 12

Bezwaar tegen gedelegeerde handelingen

1.  Het Europees Parlement en de Raad kunnen binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving bezwaar maken tegen de gedelegeerde handeling. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad kan deze termijn met een maand worden verlengd.

2.  Indien bij het verstrijken van die termijn noch het Europees Parlement, noch de Raad bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór die datum de Commissie hebben medegedeeld dat zij besloten hebben geen bezwaar te maken, treedt de gedelegeerde handeling in werking op de daarin vermelde datum.

3.  Indien het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt tegen de vastgestelde gedelegeerde handeling, treedt deze niet in werking. De instelling die bezwaar maakt tegen de gedelegeerde handeling, vermeldt de redenen daarvoor.[Am. 45]

Artikel 13

Spoedprocedure

1.  Een overeenkomstig artikel 10, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.  Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 11, lid 5, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.[Am. 46]

Artikel 14

Overgangsbepalingen

1.  Deze verordening maakt EU-typegoedkeuringen die vóór de in artikel 16 vermelde datum voor voertuigen of systemen, onderdelen of technische eenheden zijn verleend, niet ongeldig.

2.  De goedkeuringsinstanties blijven uitbreiding van goedkeuringen voor die voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden toestaan krachtens Richtlijn 70/157/EEG.

3.  Tot ...(26) worden voertuigen met een standaard hybride aandrijflijn die ook een verbrandingsmotor hebben zonder mechanische koppeling aan de aandrijflijn, vrijgesteld van de voorschriften van artikel 8.

Artikel 15

Intrekking

1.  Richtlijn 70/157/EEG wordt ingetrokken.

2.  Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XII.

Artikel 16

Inwerkingtreding

1.  Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  Zij is van toepassing met ingang van ...(27).

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter

BIJLAGE I

EU-typegoedkeuring van een voertuigtype wat het geluidsniveau betreft

1.

AANVRAAG VOOR EU-TYPEGOEDKEURING VAN EEN VOERTUIGTYPE

1.1.

De aanvraag voor EU-typegoedkeuring van een voertuigtype wat het geluidsniveau betreft overeenkomstig artikel 7, leden 1 en 2, van Richtlijn 2007/46/EG, moet door de voertuigfabrikant worden ingediend.

1.2.

Een model van het inlichtingenformulier is opgenomen in aanhangsel 1.

1.3.

Een voertuig dat representatief is voor het type waarvoor typegoedkeuring wordt aangevraagd, moet door de voertuigfabrikant aan de voor de tests verantwoordelijke technische dienst ter beschikking worden gesteld.

1.4.

Op verzoek van de technische dienst moeten eveneens een exemplaar van het uitlaatsysteem en een motor ter beschikking worden gesteld die ten minste dezelfde cilinderinhoud en hetzelfde nominale maximumvermogen heeft als die van het voertuig waarvoor typegoedkeuring wordt aangevraagd.

2.

OPSCHRIFTEN

2.1.

Op de onderdelen van het uit- en inlaatsysteem, met uitzondering van de bevestigingsdelen en pijpen, moeten de volgende opschriften worden aangebracht:

2.1.1.

het handelsmerk of de naam van de fabrikant van de systemen en onderdelen ervan;

2.1.2.

de door de fabrikant gegeven handelsbenaming.

2.2.

Deze opschriften moeten goed leesbaar en onuitwisbaar zijn, ook wanneer het systeem op het voertuig is gemonteerd.

3.

VERLENING VAN EU-TYPEGOEDKEURING VOOR EEN VOERTUIGTYPE

3.1.

Indien aan de desbetreffende voorschriften is voldaan, wordt EU-typegoedkeuring overeenkomstig artikel 9, lid 3, en, in voorkomend geval, artikel 10, lid 4, van Richtlijn 2007/46/EG verleend.

3.2.

In aanhangsel 2 wordt een model van het EU-typegoedkeuringscertificaat gegeven.

3.3.

Aan elk goedgekeurd voertuigtype wordt een goedkeuringsnummer toegekend overeenkomstig bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG. Dezelfde lidstaat mag hetzelfde nummer niet aan een ander voertuigtype toekennen.

4.

WIJZIGINGEN VAN TYPEGOEDKEURINGEN

Bij wijziging van het overeenkomstig deze verordening goedgekeurde type zijn de artikelen 13 tot en met 16 en artikel 17, lid 4, van Richtlijn 2007/46/EG van toepassing.

5.

REGELINGEN INZAKE DE CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE

5.1.

Overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2007/46/EG moeten maatregelen worden genomen om de conformiteit van de productie te garanderen.

5.2.

Bijzondere bepalingen

5.2.1.

De in bijlage VI vastgestelde tests komen overeen met die waarnaar in punt 2.3.5 van bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG wordt verwezen.

5.2.2.

Normaliter vinden de in punt 3 van bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG bedoelde inspecties om de twee jaar plaats.

5.2.2. bis

De grenswaarden vermeld in de tabel in Bijlage III zijn van toepassing met een redelijke tolerantiemarge gedurende de meting. [Am. 47]

Aanhangsel 1

Inlichtingenformulier nr. … overeenkomstig bijlage I bij Richtlijn 2007/46/EG(28) betreffende de EU-typegoedkeuring van een voertuig wat het toegestane geluidsniveau en het uitlaatsysteem betreft

De onderstaande gegevens moeten, indien van toepassing, in drievoud worden overgelegd en vergezeld gaan van een inhoudsopgave. Eventuele tekeningen moeten op een passende schaal en met voldoende details, in A4-formaat of tot dat formaat gevouwen, worden ingediend. Op eventuele foto’s moeten voldoende details te zien zijn.

Indien de systemen, onderdelen of technische eenheden elektronisch gestuurde functies hebben, moeten gegevens over de prestaties ervan worden verstrekt.

0.  Algemeen

0.1.  Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.2.  Type en algemene handelsbenaming(en):

0.3.  Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op het voertuig (b):

0.3.1.  Plaats van dat identificatiemiddel:

0.4.  Voertuigcategorie (c):

0.5.  Naam en adres van de fabrikant:

0.8.  Adres van de assemblagefabriek(en):

1.  Algemene constructiekenmerken van het voertuig

1.1.  Foto's en/of tekeningen van een representatief voertuig:

1.3.3.  Aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbinding):

1.6.  Plaats en opstelling van de motor:

2.  Massa's en afmetingen (e) (in kg en mm) (eventueel naar tekening verwijzen)

2.4.  Bereik van de afmetingen van het voertuig (buitenmaten)

2.4.1.  Chassis zonder carrosserie:

2.4.1.1.  Lengte (j):

2.4.1.2.  Breedte (k):

2.4.2.  Chassis met carrosserie:

2.4.2.1.  Lengte (j):

2.4.2.2.  Breedte (k):

2.6.  Massa van het voertuig met carrosserie in rijklare toestand, of massa van het chassis met cabine indien de fabrikant de carrosserie niet monteert (met standaarduitrusting, inclusief koelmiddel, smeermiddelen, brandstof, gereedschap, reservewiel en bestuurder) (°) (maximum en minimum):

3.  Motor (q)

3.1.  Fabrikant:

3.1.1.  Motorcode van de fabrikant (zoals aangebracht op de motor, of ander middel tot identificatie):

3.2.  Verbrandingsmotor

3.2.1.1.  Werkingsprincipe: elektrische ontsteking/compressieontsteking, viertakt/tweetakt(29)

3.2.1.2.  Aantal en opstelling van de cilinders:

3.2.1.2.3.  Ontstekingsvolgorde:

3.2.1.3.  Cilinderinhoud (s): cm3

3.2.1.8.  Maximaal nettovermogen (t): kW bij min-1 (volgens fabrieksopgave)

3.2.4.  Brandstoftoevoer

3.2.4.1.  Via carburateur(s): ja/nee(30)

3.2.4.1.2.  Type(n):

3.2.4.1.3.  Aantal:

3.2.4.2.  Door brandstofinspuiting (alleen compressieontsteking): ja/nee(31)

3.2.4.2.2.  Werkingsprincipe: directe inspuiting/voorkamer/wervelkamer(32)

3.2.4.2.4.  Regulateur

3.2.4.2.4.1.  Type:

3.2.4.2.4.2.1.  Uitschakelingspunt onder belasting: min- 1

3.2.4.3.  Door brandstofinspuiting (alleen elektrische ontsteking): ja/nee(33)

3.2.4.3.1.  Werkingsprincipe: inlaatspruitstuk (monopoint/multipoint(34))/ directe inspuiting/ andere (specificeren)(35)

3.2.8.  Inlaatsysteem

3.2.8.4.2.  Luchtfilter, tekeningen; of

3.2.8.4.2.1.  Merk(en):

3.2.8.4.2.2.  Type(n):

3.2.8.4.3.  Inlaatgeluiddemper, tekeningen; of

3.2.8.4.3.1.  Merk(en):

3.2.8.4.3.2.  Type(n):

3.2.9.  Uitlaatsysteem

3.2.9.2.  Beschrijving en/of tekening van het uitlaatsysteem:

3.2.9.4.  Uitlaatgeluiddemper(s):

Voorste, middelste, achterste geluiddemper: constructie, type, opschrift, indien relevant voor buitengeluid: geluiddempende maatregelen in de motorruimte en op de motor:

3.2.9.5  Plaats van het uiteinde van de uitlaat:

3.2.9.6  Uitlaatgeluiddemper met vezelmaterialen:

3.2.12.2.1.  Katalysator: ja/nee(36)

3.2.12.2.1.1.  Aantal katalysatoren en katalysatorelementen:

3.3.  Elektromotor

3.3.1.  Type (wikkeling, bekrachtiging):

3.3.1.1  Maximumuurvermogen: kW

3.3.1.2  Bedrijfsspanning: V

3.4.  Andere verbrandings- of elektromotoren of combinaties ervan (gegevens over de delen van dergelijke verbrandings- of elektromotoren):

4.  Transmissie (v)

4.2.  Type (mechanisch, hydraulisch, elektrisch enz.):

4.6.  Overbrengingsverhoudingen

Versnelling

Verhoudingen in de versnellingsbak

(verhouding tussen het motortoerental en de omwentelingen van de uitgaande as van de versnellingsbak)

Eindoverbrengingsverhouding(en)

(verhouding tussen de omwentelingen van de uitgaande as van de versnellingsbak en de omwentelingen van de aangedreven wielen)

Totale verhouding

Maximum voor cvt(37)

1

2

3

Minimum voor cvt(38)

Achteruit

4.7.  Maximumsnelheid van het voertuig (en versnelling waarin deze wordt bereikt) (in km/h) (w):

6.  Ophanging

6.6.  Banden en wielen

6.6.2.  Boven- en ondergrenzen van de afrolstralen

6.6.2.1.  As 1:

6.6.2.2.  As 2:

6.6.2.3.  As 3:

6.6.2.4.  As 4:

enz.

9.  Carrosserie (niet van toepassing op voertuigen van categorie M1)

9.1.  Carrosserietype:

9.2.  Gebruikte materialen en constructiemethode

12.  Diversen

12.5.  Gegevens over eventuele niet met de motor verbonden geluiddempingsinrichtingen (voor zover niet elders vermeld):

Aanvullende gegevens voor terreinvoertuigen:

1.3.  Aantal assen en wielen:

2.4.1.  Chassis zonder carrosserie

2.4.1.4.1.  Oploophoek (na): … graden

2.4.1.5.1.  Afloophoek (nb): … graden

2.4.1.6.  Bodemvrijheid (zoals gedefinieerd in Richtlijn 2007/46/EG, bijlage II, deel A, punt 4.5)

2.4.1.6.1.  Tussen de assen:

2.4.1.6.2.  Onder de vooras(sen):

2.4.1.6.3.  Onder de achteras(sen):

2.4.1.7.  Hellingshoek (nc): … graden

2.4.2.  Chassis met carrosserie:

2.4.2.4.1.  Oploophoek (na): … graden

2.4.2.5.1.  Afloophoek (nb): … graden

2.4.2.6.  Bodemvrijheid (zoals gedefinieerd in Richtlijn 2007/46/EG, bijlage II, deel A, punt 4.5)

2.4.2.6.1.  Tussen de assen:

2.4.2.6.2.  Onder de vooras(sen):

2.4.2.6.3.  Onder de achteras(sen):

2.4.2.7.  Hellingshoek (nc): … graden

2.15.  Wegrijvermogen op een helling (voertuig zonder aanhanger): … %

4.9.  Sperdifferentieel: ja/nee/facultatief(39)

Datum: Dossier

Aanhangsel 2

Model van het EU-typegoedkeuringscertificaat

(Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Stempel van de instantie

Mededeling betreffende de

   typegoedkeuring(40)
   uitbreiding van de typegoedkeuring(41)
   weigering van de typegoedkeuring(42)
   intrekking van de typegoedkeuring(43)
  

van een type voertuig/onderdeel/technische eenheid(44) overeenkomstig Richtlijn .../.../EU, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn .../.../EU.

Typegoedkeuringsnummer:

Reden voor uitbreiding:

DEEL I

0.1.  Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.2.  Type en algemene handelsbenaming(en):

0.3.  Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op het voertuig/het onderdeel/de technische eenheid(45)(46)

0.3.1.  Plaats van dat identificatiemiddel:

0.4.  Voertuigcategorie(47):

0.5.  Naam en adres van de fabrikant:

0.7.  In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EU-typegoedkeuringsmerk:

0.8.  Adres van de assemblagefabriek(en)

DEEL II

1.  Eventuele aanvullende informatie: zie aanhangsel 3.

2.  Technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:

3.  Datum van het testrapport:

4.  Nummer van het testrapport:

5.  Eventuele opmerkingen: zie aanhangsel 3.

6.  Plaats:

7.  Datum:

8.  Handtekening:

9.  Bijgevoegd is de inhoudsopgave van het informatiepakket dat bij de goedkeuringsinstantie is ingediend en dat op verzoek verkrijgbaar is.

Aanhangsel 3

Voertuig- en testgegevens(48)

1.

Handelsnaam of merk van het voertuig:

2.

Voertuigtype:

2.1.

Maximummassa met oplegger (indien van toepassing):

3.

Naam en adres van de fabrikant:

4.

Eventueel naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant:

5.

Motor:

5.1.

Fabrikant:

5.2.

Type:

5.3.

Model:

5.4.

Nominaal maximumvermogen (ECE): ............. kW bij ............ min-1 (t/min).

5.5.

Soort motor: bv. elektrische ontsteking, compressieontsteking enz.1/

5.6.

Cyclus: tweetakt of viertakt (indien van toepassing)

5.7.

Cilinderinhoud (indien van toepassing):

6.

Transmissie: niet-automatische versnellingsbak/automatische versnellingsbak2/

6.1.

Aantal versnellingen:

7.

Uitrusting:

7.1.

Uitlaatgeluiddemper:

7.1.1.

Fabrikant of gemachtigde vertegenwoordiger (in voorkomend geval):

7.1.2.

Model:

7.1.3.

Type: .......... overeenkomstig tekening nr.: ................

7.2.

Inlaatgeluiddemper:

7.2.1.

Fabrikant of gemachtigde vertegenwoordiger (in voorkomend geval):

7.2.2.

Model:

7.2.3.

Type: .......... overeenkomstig tekening nr.: ................

7.3.

Inkapselingselementen

7.3.1.

Geluidinkapselingselementen zoals gedefinieerd door de voertuigfabrikant:

7.3.2.

Fabrikant of gemachtigde vertegenwoordiger (in voorkomend geval):

7.4.

Banden:

7.4.1.

Bandenmaat (-maten) (per as):

8.

Afmetingen:

8.1.

Lengte van het voertuig (lveh): ……..… mm

8.2.

Punt waarop het gaspedaal wordt ingetrapt: .......... m vóór lijn AA'

8.2.1.

Motortoerental in versnelling i bij: AA'/ PP'1/ ….. min-1 (t/min)

BB' .…. min-1 (t/min)

8.2.2.

Motortoerental in versnelling (i+1) bij: AA'/ PP'1/ ..… min-1 (t/min)

BB' ..… min-1 (t/min)

8.3.

Typegoedkeuringsnummer van de band(en):

indien dit niet beschikbaar is, moet de volgende informatie worden verstrekt:

8.3.1.

Bandenfabrikant:

8.3.2.

Handelsbenaming(en) van het bandtype (per as), (bv. handelsnaam, snelheidsindex, belastingsindex):………………………………………………

8.3.3.

Bandenmaat (per as): ……………………………………………………………...

8.3.4.

Typegoedkeuringsnummer (indien beschikbaar):……………………………...

8.4.

Geluidsniveau van het rijdende voertuig:

Testresultaat (lurban): …………… dB(A)

Testresultaat (lwot): …………….. dB(A)

Testresultaat (lcruise): …………… dB(A)

kP–factor: …………………..

8.5.

Geluidsniveau van het stilstaande voertuig:

Plaats en oriëntatie van de microfoon (volgens figuur 2 in aanhangsel 1 van bijlage II):

Testresultaat bij stilstand: … dB(A)

8.6.

Geluidsniveau van het persluchtgeluid:

Testresultaat voor:

- bedrijfsrem: …………. dB(A)

- parkeerrem: …………. dB(A)

- tijdens de activering van de drukregelaar: …… dB(A)

9.

Voertuig voor goedkeuring ter beschikking gesteld op:

10.

Voor de typegoedkeuringstests verantwoordelijke technische dienst:

11.

Datum van het door die dienst afgegeven testrapport:

12.

Nummer van het door die dienst afgegeven testrapport:

13.

Plaats van het goedkeuringsmerk op het voertuig:

14.

Plaats:

15.

Datum:

16.

Handtekening:

17.

De volgende documenten, waarop bovenstaand goedkeuringsnummer is aangebracht, zijn bij dit document gevoegd: …………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………….

tekeningen en/of foto's, diagrammen en plannen van de motor en van het geluiddempingssysteem;

een lijst van de naar behoren geïdentificeerde onderdelen die het geluiddempingssysteem vormen.

18.

Reden voor uitbreiding van de goedkeuring:

19.

Opmerkingen

1/ Indien een niet-conventionele motor wordt gebruikt, moet dit worden vermeld.

2/ Doorhalen wat niet van toepassing is.

BIJLAGE II

Methoden en instrumenten om het door motorvoertuigen geproduceerde geluid te meten

1.

MEETMETHODEN

1.1.

Het geluid dat wordt geproduceerd door het voertuigtype dat voor goedkeuring ter beschikking is gesteld, moet worden gemeten volgens de twee in deze bijlage beschreven methoden (een voor het rijdende en een voor het stilstaande voertuig)(49). In het geval van een voertuig waarbij de verbrandingsmotor niet draait wanneer het voertuig stilstaat, moet de geluidsemissie alleen rijdend worden gemeten.

Bij voertuigen met een maximaal toelaatbare massa van meer dan 2 800 kg moet een aanvullende meting van het persluchtgeluid van het stilstaande voertuig worden verricht overeenkomstig bijlage V, indien een dergelijk remsysteem deel uitmaakt van het voertuig.

1.2.

De twee waarden die bij de in punt 1.1 beschreven tests zijn gemeten, moeten worden opgetekend in het testrapport en op een formulier volgens het model in aanhangsel 3 van bijlage I.

2.

MEETINSTRUMENTEN

2.1.

Geluidsmetingen

Voor het meten van het geluidsniveau moet gebruik worden gemaakt van een precisiegeluidsniveaumeter die of van een gelijkwaardig meetsysteem dat voldoet aan de voorschriften voor instrumenten van klasse 1 (met inbegrip van het eventueel gebruikte aanbevolen windscherm). Deze voorschriften worden beschreven in „IEC 61672-1:2002: Precisiegeluidsniveaumeters”, tweede uitgave, van de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC).

Voor de metingen moeten de „snelle” reactie van het geluidsmeetinstrument en de A-wegingscurve worden gebruikt, die eveneens in IEC 61672-1:2002 zijn beschreven. Indien een systeem wordt gebruikt met periodieke monitoring van het A-gewogen geluidsdrukniveau, moet het resultaat ten minste om de 30 ms (milliseconden) worden afgelezen.

De instrumenten moeten volgens de instructies van de fabrikant worden onderhouden en gekalibreerd.

2.2.

Naleving van de voorschriften

Als bewijs dat de geluidsmeetinstrumenten voldoen aan de voorschriften, moet een geldig certificaat worden overgelegd. Een certificaat wordt als geldig beschouwd indien de certificering van de naleving van de normen in de afgelopen 12 maanden heeft plaatsgevonden voor de geluidskalibratievoorziening en in de afgelopen 24 maanden voor de instrumenten. Alle tests van de naleving van de voorschriften moeten worden uitgevoerd door een laboratorium dat gemachtigd is om kalibraties volgens de relevante normen te verrichten.

2.3.

Kalibratie van het volledige geluidsmeetsysteem voor een meetsessie

Aan het begin en aan het eind van elke meetsessie moet het volledige geluidsmeetsysteem worden gecontroleerd met een geluidskalibrator die voldoet aan de voorschriften voor geluidskalibratoren van precisieklasse 1 volgens IEC 60942:2003. Zonder verdere bijstelling moet het verschil tussen de resultaten kleiner zijn dan of gelijk aan 0,5 dB. Indien deze waarde wordt overschreden, mogen de resultaten van de metingen sinds de laatste bevredigende controle niet in aanmerking worden genomen.

2.4.

Instrumenten voor snelheidsmetingen

Het motortoerental moet worden gemeten met instrumenten die ten minste tot op ± 2% nauwkeurig zijn bij de voor de metingen vereiste motortoerentallen.

De wegsnelheid van het voertuig moet worden gemeten met instrumenten die ten minste tot op ± 0,5 km/h nauwkeurig zijn bij het gebruik van continue meetapparatuur.

Indien bij de tests onafhankelijke snelheidsmetingen worden verricht, moeten die instrumenten ten minste tot op ± 0,2 km/h nauwkeurig zijn.

2.5.

Meteorologische instrumenten

De meteorologische instrumenten die worden gebruikt om de omgevingsomstandigheden tijdens de test te meten, moeten de volgende apparaten met ten minste de genoemde nauwkeurigheid omvatten:

- apparaat voor het meten van de temperatuur, ± 1°C;

- apparaat voor het meten van de windsnelheid, ± 1,0 m/s;

- apparaat voor het meten van de luchtdruk, ± 5 hPa;

- apparaat voor het meten van de relatieve vochtigheid, ± 5%.

3.

MEETOMSTANDIGHEDEN

3.1.

Testterrein1/ en omgevingsomstandigheden

Het testterrein moet nagenoeg vlak zijn. Het oppervlak van de testbaan moet droog zijn. Het testterrein moet zo zijn dat, wanneer op het centrale punt van het oppervlak (op het snijpunt van microfoonlijn PP'(50) en de middellijn van rijbaan CC'(51)) een kleine geluidsbron wordt geplaatst die geluid in alle richtingen kan uitzenden, de afwijkingen van de hemisferische geluidsdivergentie niet groter zijn dan ± 1 dB.

Deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als aan de volgende voorschriften wordt voldaan:

a) binnen een straal van 50 m vanaf het midden van de baan bevinden zich geen grote geluidreflecterende objecten zoals hekken, rotsen, bruggen of gebouwen;

b) de testbaan en het oppervlak van het terrein zijn droog en vrij van absorberende materialen zoals poedersneeuw of losse deeltjes;

c) in de nabijheid van de microfoon zijn er geen obstakels die het akoestische veld kunnen beïnvloeden en tussen de microfoon en de geluidsbron bevindt zich niemand. De persoon die de meetapparatuur afleest, moet zich zodanig opstellen dat hij de meteruitslag niet beïnvloedt.

De metingen mogen niet worden verricht onder slechte weersomstandigheden. Men moet zich ervan vergewissen dat de resultaten niet worden beïnvloed door windstoten.

De meteorologische instrumenten moeten naast de testzone worden opgesteld, op een hoogte van 1,2 ± 0,02 m. De metingen moeten worden verricht bij een omgevingsluchttemperatuur tussen +5 en +40°C.

De tests mogen niet worden uitgevoerd wanneer de windsnelheid, met inbegrip van windstoten, tijdens de geluidsmeting ter hoogte van de microfoon meer dan 5 m/s bedraagt.

Tijdens de geluidsmeting moet een waarde worden opgetekend die representatief is voor temperatuur, windsnelheid en -richting, relatieve vochtigheid en luchtdruk.

Geluidspieken die geen verband lijken te houden met de kenmerken van het algemene geluidsniveau van het voertuig, moeten in de resultaten buiten beschouwing worden gelaten.

Onmiddellijk vóór en na een reeks voertuigtests moet het achtergrondgeluid gedurende 10 seconden worden gemeten. Deze metingen moeten met dezelfde microfoons en op dezelfde plaatsen worden verricht als tijdens de test. Het maximale A-gewogen geluidsdrukniveau moet worden geregistreerd.

Het achtergrondgeluid (met inbegrip van eventueel windgeluid) moet minimaal 10 dB minder bedragen dan het A-gewogen geluidsdrukniveau van het geteste voertuig. Indien het verschil tussen het omgevingsgeluid en het gemeten geluid 10 tot 15 dB(A) bedraagt, moet voor de berekening van de testresultaten de in onderstaande tabel aangegeven correctie van de op de geluidsniveaumeter afgelezen waarden worden afgetrokken.

1/

Overeenkomstig bijlage VII.

Verschil tussen het omgevingsgeluid en het gemeten geluid, in dB(A)

10

11

12

13

14

15

Correctie, in dB(A)

0,5

0,4

0,3

0,2

0,1

0,0

3.2.

Voertuig

3.2.1.

Het geteste voertuig moet zo worden gekozen dat alle voertuigen van hetzelfde type die in de handel worden gebracht, voldoen aan de voorschriften van deze verordeningrepresentatief zijn voor de voertuigen die in de handel worden gebracht als aangegeven door de fabrikant. De metingen moeten worden verricht zonder oplegger of aanhangwagen, behalve bij onscheidbare voertuigen. De metingen moeten worden verricht op voertuigen met de opgegeven testmassa mt volgens onderstaande tabel: [Am. 48]

Voertuigcategorie

Testmassa voertuig (mt)

M1

mt = mro

N1

mt = mro

N2, N3

mt = 50 kg per kW nominaal motorvermogen

Extra lading om de testmassa van het voertuig te bereiken, moet boven de aangedreven achteras(sen) worden geplaatst. Deze extra lading is beperkt tot 75% van de maximaal toegestane massa voor de achteras. De testmassa moet worden bereikt met een tolerantie van ± 5%.

Indien het zwaartepunt van de extra lading niet op het middelpunt van de achteras kan worden afgesteld, mag de testmassa van het voertuig niet meer bedragen dan de som van de voor- en achteraslading in onbeladen toestand plus de extra lading.

De testmassa voor voertuigen met meer dan twee assen is dezelfde als die voor tweeassige voertuigen.

M2, M3

mt = mro – massa van de bijrijder (indien aanwezig)

3.2.2.

De voorschriften inzake rolgeluidsemissies van banden zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 661/2009 betreffende de algemene veiligheid van motorvoertuigen. De voor de test te gebruiken banden moeten representatief zijn voor het voertuig en moeten door de voertuigfabrikant worden geselecteerd en in aanhangsel 3 van bijlage I worden vermeld. Zij moeten overeenkomen met een van de bandenmaten die voor het voertuig als originele uitrusting zijn aangewezen. De band moet tegelijkertijd met het voertuig in de handel verkrijgbaar zijn2/. De banden moeten tot de door de voertuigfabrikant voor de testmassa van het voertuig aanbevolen spanning worden opgepompt. Zij moeten ten minste de wettelijk voorgeschreven profieldiepte hebben.

3.2.3.

Voordat met de metingen wordt begonnen, moet de motor in de normale bedrijfsomstandigheden worden gebracht.

3.2.4.

Als het voertuig met meer dan tweewielaandrijving is uitgerust, moet de test worden uitgevoerd in de aandrijving die bedoeld is voor normaal weggebruik.

3.2.5.

Als het voertuig met een of meer automatisch in werking tredende ventilatoren is uitgerust, mag tijdens de metingen aan dat systeem niet worden geraakt.

3.2.6.

Als het voertuig is uitgerust met een uitlaatsysteem dat vezelmateriaal bevat, moet dat systeem vóór de test worden geconditioneerd overeenkomstig bijlage IV.

2/

Aangezien de bijdrage van de banden aan de totale geluidsemissie significant is, moet rekening worden gehouden met bestaande regelgeving over rolgeluidsemissies. Bij metingen voor de typegoedkeuring en voor de controle van de conformiteit van de productie moeten tractiebanden, winterbanden en speciale banden op verzoek van de fabrikant worden uitgesloten overeenkomstig VN/ECE-Reglement nr. 117 (PB L 231 van 29.8.2008, blz. 19)de meest recente amendementen op ECE-Reglement nr. 117. [Am. 49]

4.

TESTMETHODEN

4.1.

Meten van het geluid van rijdende voertuigen

4.1.1.

Algemene testvoorwaarden

Op de testbaan worden twee lijnen getrokken: AA' en BB', evenwijdig aan lijn PP' en respectievelijk 10 m vóór en 10 m achter lijn PP'.

Aan elke kant van het voertuig en voor elke versnelling worden ten minste vier metingen verricht. Voor afstellingsdoeleinden mogen voorbereidende metingen worden verricht, maar deze worden buiten beschouwing gelaten.

De microfoon wordt opgesteld op 7,5 ± 0,05 m van referentielijn CC' van de rijbaan en 1,2 ± 0,02 m boven de grond.

De referentieas voor vrije veldomstandigheden (zie IEC 61672-1:2002) is horizontaal en loodrecht op het traject van het voertuig (lijn CC') gericht.

4.1.2.

Specifieke testvoorwaarden voor voertuigen

4.1.2.1.

Voertuigen van de categorieën M1, M2 ≤ 3 500 kg, en N1

Het traject van de middellijn van het voertuig moet gedurende de gehele test, vanaf het naderen van lijn AA' totdat de achterkant van het voertuig lijn BB' passeert, zo dicht mogelijk lijn CC' volgen. Als het voertuig met meer dan tweewielaandrijving is uitgerust, wordt de test uitgevoerd in de aandrijving die bedoeld is voor normaal weggebruik.

Als het voertuig van een handgeschakelde hulptransmissie of een as met meerdere versnellingen is voorzien, wordt de stand voor een normale stadsrit gebruikt. In alle gevallen worden de overbrengingsverhoudingen voor langzaam rijden, parkeren en remmen uitgesloten.

De testmassa van het voertuig moet overeenkomen met die in de tabel van punt 3.2.1.

De testsnelheid vtest bedraagt 50 ± 1 km/h. De testsnelheid moet worden bereikt wanneer het referentiepunt zich op lijn PP' bevindt.

4.1.2.1.1.

Verhoudingsindex vermogen/massa (power to mass ratio, PMR)

PMR wordt als volgt gedefinieerd:

PMR = (Pn / mt) x 1 000 [in kW/1 000kg]

De verhoudingsindex vermogen/massa (PMR) wordt gebruikt om de acceleratie te berekenen.

4.1.2.1.2.

Berekening van de acceleratie

Berekeningen van de acceleratie zijn alleen van toepassing op voertuigen van de categorieën M1, N1 en M2 ≤ 3 500 kg.

Alle acceleraties worden berekend met verschillende snelheden van het voertuig op de testbaan3/. De formules in kwestie worden gebruikt voor de berekening van awot i, awot i+1 en awot test. De snelheid op AA' of PP' wordt gedefinieerd als de voertuigsnelheid wanneer het referentiepunt AA' (vAA') of PP' (vPP') passeert. De snelheid op BB' wordt gedefinieerd op het moment dat de achterkant van het voertuig BB' passeert (vBB'). De methode die voor het bepalen van de acceleratie is toegepast, moet in het testrapport worden vermeld.

Afhankelijk van de definitie van het referentiepunt voor het voertuig wordt de lengte van het voertuig (lveh) in onderstaande formule anders berekend. Indien het referentiepunt zich aan de voorkant van het voertuig bevindt, dan l = lveh, in het midden: l = ½ lveh en aan de achterkant: l = 0

3/

Zie figuur 1 in bijlage VII.

4.1.2.1.2.1

De berekeningsprocedure voor voertuigen met handgeschakelde, automatische, adaptieve of continuvariabele(52) transmissie die met vergrendelde overbrengingsverhoudingen worden getest, is de volgende:

awot test = ((vBB'/3,6)² - (vAA'/3,6)²) / (2*(20+l))

awot test gebruikt voor de selectie van de versnelling, is het gemiddelde van de vier awot test, i tijdens elke geldige meetrit.

Er mag preacceleratie worden toegepast. Het punt waarop het gaspedaal vóór lijn AA' wordt ingetrapt, moet in de voertuig- en testgegevens worden vermeld (zie aanhangsel 3 van bijlage I).

4.1.2.1.2.2.

De berekeningsprocedure voor voertuigen met automatische, adaptieve of continuvariabele transmissie die met onvergrendelde overbrengingsverhoudingen worden getest, is de volgende:

awot test gebruikt voor de selectie van de versnelling, is het gemiddelde van de vier awot test, i tijdens elke geldige meetrit.

Als voorzieningen of maatregelen zoals beschreven in punt 4.1.2.1.4.2 kunnen worden gebruikt om de werking van de transmissie zo te regelen dat aan de testvoorschriften wordt voldaan, bereken dan awot test met de formule:

awot test = ((vBB'/3,6)² - (vAA'/3,6)²) / (2*(20+l))

Er mag preacceleratie worden toegepast.

Als geen voorzieningen of maatregelen zoals beschreven in punt 4.1.2.1.4.2 worden gebruikt, bereken dan awot test met de formule:

awot testPP-BB = ((vBB'/3,6)² - (vPP'/3,6)²) / (2*(10+l))

Er mag geen preacceleratie worden toegepast.

Het gaspedaal moet worden ingetrapt op de plaats waar het referentiepunt van het voertuig lijn AA' passeert.

4.1.2.1.2.3.

Doelacceleratie

De doelacceleratie aurban is de normale acceleratie in stadsverkeer en wordt uit statistisch onderzoek afgeleid. Deze functie is afhankelijk van de PMR van een voertuig.

De doelacceleratie aurban wordt als volgt gedefinieerd:

aurban = 0,63 * log10 (PMR) - 0,09

4.1.2.1.2.4.

Referentieacceleratie

De referentieacceleratie awot ref is de vereiste acceleratie tijdens de acceleratietest op de testbaan. Deze functie is afhankelijk van de verhouding vermogen/massa van een voertuig en is voor specifieke voertuigcategorieën verschillend.

De referentieacceleratie awot ref wordt als volgt gedefinieerd:

awot ref = 1,59 * log10 (PMR) – 1,41 bij PMR ≥ 25

awot ref = aurban = 0,63 * log10 (PMR) - 0,09 bij PMR < 25

4.1.2.1.3.

Partiële vermogensfactor kP

De partiële vermogensfactor kP (zie punt 4.1.3.1) wordt gebruikt voor de gewogen combinatie van de resultaten van de versnellingstest en de constante-snelheidstest voor voertuigen van de categorieën M1 en N1.

In andere gevallen dan een test met een enkele versnelling moet awot ref in plaats van awot test worden gebruikt (zie punt 3.1.3.1).

4.1.2.1.4.

Selectie van de overbrengingsverhouding

De selectie van de overbrengingsverhoudingen voor de test hangt af van het specifieke acceleratiepotentieel awot met vol gas, overeenkomstig de referentieacceleratie awot ref die vereist is voor de acceleratietest met vol gas.

Sommige voertuigen hebben verschillende softwareprogramma's of modi voor de transmissie (bv. sportief, winter, adaptief). Wanneer het voertuig verschillende modi heeft die tot geldige acceleraties leiden, moet de voertuigfabrikant tot tevredenheid van de technische dienst aantonen dat het voertuig wordt getest in de modus waarmee een acceleratie wordt bereikt die het dichtst in de buurt komt van awot ref.

4.1.2.1.4.1.

Voertuigen met handgeschakelde, automatische, adaptieve of continuvariabele transmissie die met vergrendelde overbrengingsverhoudingen worden getest

De volgende voorwaarden voor de selectie van de overbrengingsverhoudingen zijn mogelijk:

a) indien één specifieke overbrengingsverhouding een acceleratie geeft die tot op ± 5% nauwkeurig overeenkomt met de referentieacceleratie awot ref en 3,0 m/s22,0 m/s2 niet overschrijdt, voer de test dan met die overbrengingsverhouding uit;

b) indien geen van de overbrengingsverhoudingen tot de vereiste acceleratie leidt, kies dan een overbrengingsverhouding i met een hogere acceleratie en een overbrengingsverhouding i+1 met een lagere acceleratie dan de referentieacceleratie. Indien de acceleratiewaarde in overbrengingsverhouding i niet meer dan 3,02,0 m/s2 bedraagt, gebruik dan beide overbrengingsverhoudingen voor de test. De wegingsverhouding met betrekking tot de referentieacceleratie awot ref wordt als volgt berekend:

k = (a wot ref - a wot (i+1)) / (a wot (i) - a wot (i+1))

c) indien de acceleratiewaarde van overbrengingsverhouding i meer dan 3,02,0 m/s2 bedraagt, moet de eerste overbrengingsverhouding worden gebruikt die een acceleratie van minder dan 3,02,0 m/s2 geeft, tenzij overbrengingsverhouding i+1 een geringere acceleratie oplevert dan aurban. In dit geval moeten twee overbrengingsverhoudingen worden gebruikt, namelijk i en i+1, dus ook overbrengingsverhouding i met eende acceleratie van meer dan 3,02,0 m/s2. In de andere gevallen mag geen andere overbrengingsverhouding worden gebruikt. Voor de berekening van de partiële vermogensfactor kP moet de tijdens de test bereikte acceleratie awot test worden gebruikt in plaats van awot ref; [Am. 50]

d) indien het voertuig een transmissie heeft waarbij slechts één overbrengingsverhouding kan worden geselecteerd, wordt de acceleratietest in die overbrengingsverhouding uitgevoerd. Voor de berekening van de partiële vermogensfactor kP wordt de bereikte acceleratie dan in plaats van awot ref gebruikt;

e) indien het nominale motortoerental in een overbrengingsverhouding wordt overschreden voordat het voertuig BB' passeert, moet de eerstvolgende hogere versnelling worden gebruikt.

4.1.2.1.4.2.

Voertuigen met automatische, adaptieve of continuvariabele transmissie die met onvergrendelde overbrengingsverhoudingen worden getest

De keuzehendel voor de versnellingen moet in de volledig automatische stand worden geplaatst.

De acceleratiewaarde awot test wordt berekend zoals gedefinieerd in punt 4.1.2.1.2.2.

Bij de test mag dan naar een lagere versnelling met een hogere acceleratie worden geschakeld. Schakelen naar een hogere versnelling met een lagere acceleratie is niet toegestaan. Schakelen naar een overbrengingsverhouding die in stadsverkeer niet wordt gebruikt, moet worden vermeden.

Het is dan ook toegestaan elektronische of mechanische voorzieningen te installeren en te gebruiken, waaronder andere standen van de keuzehendel voor de versnellingen, om te voorkomen dat wordt teruggeschakeld naar een overbrengingsverhouding die bij de gespecificeerde testvoorwaarde in stadsverkeer normaliter niet wordt gebruikt.

De bereikte acceleratie awot test moet groter zijn dan of gelijk zijn aan aurban.

Zo mogelijk treft de fabrikant maatregelen om een acceleratiewaarde awot test van meer dan 2,0 m/s2 te vermijden.

De bereikte acceleratie awot test wordt dan in plaats van awot ref gebruikt om de partiële vermogensfactor kP (zie punt 4.1.2.1.3) te berekenen.

4.1.2.1.5.

Acceleratietest

De fabrikant definieert de positie van het referentiepunt vóór lijn AA' waarbij het gaspedaal volledig wordt ingetrapt. Wanneer het referentiepunt van het voertuig het gedefinieerde punt bereikt, moet het gaspedaal zo snel mogelijk volledig worden ingetrapt. Het gaspedaal moet ingetrapt blijven totdat de achterkant van het voertuig lijn BB' bereikt. Het gaspedaal moet dan zo snel mogelijk worden losgelaten. Het punt waarop het gaspedaal volledig wordt ingetrapt, moet in de voertuig- en testgegevens worden vermeld overeenkomstig aanhangsel 3 van bijlage II. De technische dienst moet de mogelijkheid hebben om voorafgaande tests uit te voeren.

Bij gelede voertuigen met twee onscheidbare delen die als een enkel voertuig worden beschouwd, moet bij het bepalen van het moment waarop lijn BB' wordt gepasseerd, de oplegger buiten beschouwing worden gelaten.

4.1.2.1.6.

Constante-snelheidstest

De constante-snelheidstest moet worden uitgevoerd met dezelfde versnelling(en) als de acceleratietest en met een constante snelheid van 50 km/h met een tolerantie van ± 1 km/h tussen AA' en BB'. Tijdens de constante-snelheidstest moet het gaspedaal zo worden bediend dat tussen AA' en BB' een gespecificeerde constante snelheid wordt aangehouden. Als de versnelling voor de acceleratietest is vergrendeld, moet voor de constante-snelheidstest dezelfde versnelling worden vergrendeld.

De constante-snelheidstest is niet vereist voor voertuigen met een PMR < 25.

4.1.2.2.

Voertuigen van de categorieën M2 > 3 500 kg, M3, N2 en N3

Het traject van de middellijn van het voertuig moet gedurende de gehele test, vanaf het naderen van lijn AA' totdat de achterkant van het voertuig lijn BB' passeert, lijn CC' zo dicht mogelijk volgen. De test moet zonder oplegger of aanhangwagen worden gereden. Indien een oplegger niet gemakkelijk van het trekkende voertuig kan worden gescheiden, mag de oplegger bij het passeren van lijn BB' niet in aanmerking worden genomen. Indien het voertuig bijvoorbeeld met een betonmolen of compressor is uitgerust, mag deze tijdens de test niet in werking zijn. De testmassa van het voertuig moet zijn zoals aangegeven in de tabel van punt 3.2.1.

Doelvoorwaarden voor categorie M2 > 3 500 kg en categorie N2

Wanneer het referentiepunt lijn BB' passeert, moet het motortoerental nBB' 70 tot 74% bedragen van toerental S, waarbij de motor zijn nominale maximumvermogen ontwikkelt, en moet de snelheid van het voertuig 35 ± 5 km/h bedragen. Tussen lijn AA' en lijn BB' moet voor een stabiele acceleratie worden gezorgd.

Doelvoorwaarden voor de categorieën M3 en N3:

Wanneer het referentiepunt lijn BB' passeert, moet het motortoerental nBB' 85 tot 89% bedragen van toerental S, waarbij de motor zijn nominale maximumvermogen ontwikkelt, en moet de snelheid van het voertuig 35 ± 5 km/h bedragen. Tussen lijn AA' en lijn BB' moet voor een stabiele acceleratie worden gezorgd.

4.1.2.2.1.

Selectie van de overbrengingsverhouding

4.1.2.2.1.1.

Voertuigen met handgeschakelde transmissie

Er moet voor een stabiele acceleratie worden gezorgd. De keuze van de versnelling wordt bepaald door de doelvoorwaarden. Indien het verschil in snelheid de vermelde tolerantie overschrijdt, moeten twee versnellingen worden getest, namelijk één boven en één onder de beoogde snelheid.

Indien meer dan een versnelling aan de doelvoorwaarden voldoet, selecteer dan de versnelling die het dichtst bij 35 km/h ligt. Indien geen enkele versnelling aan de doelvoorwaarde voor vtest voldoet, moeten twee versnellingen worden getest, namelijk één boven en één onder vtest. Het beoogde motortoerental moet in alle omstandigheden worden bereikt.

Er moet voor een stabiele acceleratie worden gezorgd. Indien in een bepaalde versnelling niet stabiel kan worden geaccelereerd, moet die versnelling buiten beschouwing worden gelaten.

4.1.2.2.1.2.

Voertuigen met automatische, adaptieve of continuvariabele transmissie

De keuzehendel voor de versnellingen moet in de volledig automatische stand worden geplaatst. Bij de test mag dan naar een lagere versnelling met een hogere acceleratie worden geschakeld. Schakelen naar een hogere versnelling met een lagere acceleratie is niet toegestaan. Schakelen naar een overbrengingsverhouding die bij de gespecificeerde testvoorwaarde in stadsverkeer niet wordt gebruikt, moet worden vermeden. Het is dan ook toegestaan elektronische of mechanische voorzieningen te installeren en te gebruiken om te voorkomen dat wordt teruggeschakeld naar een overbrengingsverhouding die bij de gespecificeerde testvoorwaarde in stadsverkeer normaliter niet wordt gebruikt.

Als het voertuig een transmissie heeft die zo is ontworpen dat maar één versnelling (drive) kan worden geselecteerd, waardoor het motortoerental tijdens de test wordt beperkt, moet het voertuig maar met één beoogde snelheid worden getest. Als het voertuig een combinatie van motor en transmissie heeft die niet aan de voorschriften van punt 4.1.2.2.1.1 voldoet, moet het voertuig alleen met de beoogde snelheid worden getest. De voor de test beoogde voertuigsnelheid (vBB') bedraagt 35 ± 5 km/h. Schakelen naar een hogere versnelling met een lagere acceleratie is toegestaan nadat het referentiepunt van het voertuig lijn PP' is gepasseerd. Er moeten twee tests worden uitgevoerd: een met de eindsnelheid van vtest = vBB' + 5 km/h, en een met de eindsnelheid van vtest = vBB' - 5 km/h. Het te rapporteren geluidsniveau is het resultaat van de test met het hoogste motortoerental dat tijdens het traject van AA' naar BB' is bereikt.

4.1.2.2.2.

Acceleratietest

Wanneer het referentiepunt van het voertuig lijn AA' bereikt, moet het gaspedaal volledig worden ingetrapt (zonder automatisch naar een lagere versnelling te doen schakelen dan die welke normaliter in stadsverkeer wordt gebruikt) en volledig ingetrapt blijven totdat de achterkant van het voertuig BB' passeert. Het referentiepunt moet zich echter ten minste 5 m achter BB' bevinden. Dan moet het gaspedaal worden losgelaten.

Bij gelede voertuigen met twee onscheidbare delen die als een enkel voertuig worden beschouwd, moet bij het bepalen van het moment waarop lijn BB' wordt gepasseerd, de oplegger buiten beschouwing worden gelaten.

4.1.3.

Interpretatie van de resultaten

Het maximale A-gewogen geluidsdrukniveau dat bij iedere passage van het voertuig tussen de twee lijnen AA' en BB' wordt aangegeven, moet worden genoteerd. Indien een geluidspiek wordt geconstateerd die het algemene geluidsdrukniveau duidelijk overschrijdt, moet de meting buiten beschouwing worden gelaten. Aan elke kant van het voertuig en voor elke overbrengingsverhouding moeten ten minste vier metingen voor elke testvoorwaarde worden verricht. De linker- en rechtermeting mogen gelijktijdig of achtereenvolgens plaatsvinden. De eerste vier geldige opeenvolgende meetresultaten, binnen een bereik van 2 dB(A), waarmee ongeldige resultaten kunnen worden genegeerd (zie punt 3.1), worden gebruikt om het eindresultaat voor de desbetreffende kant van het voertuig te berekenen. Van de resultaten van elke kant wordt afzonderlijk het gemiddelde berekend. Het tussentijdse resultaat is de hoogste waarde van de twee gemiddelden, afgerond op één cijfer achter de komma.

De snelheidsmetingen op AA', BB' en PP' worden genoteerd en gebruikt in berekeningen tot het eerste significante cijfer achter de komma.

De berekende acceleratie awot test wordt genoteerd tot twee cijfers achter de komma.

4.1.3.1.

Voertuigen van de categorieën M1, N1 en M2 ≤ 3 500 kg

De waarden voor de acceleratietest en de constante-snelheidstest worden als volgt berekend:

Lwot rep = Lwot (i+1) + k * (Lwot (i)- Lwot (i+1))

Lcrs rep = Lcrs (i+1) + k * (Lcrs (i) – Lcrs (i+1))

waarin: k = (awot ref - awot (i+1))/(awot (i) - awot (i+1))

Bij een test met één overbrengingsverhouding zijn de waarden het testresultaat van elke test.

Het eindresultaat wordt berekend door Lwot rep en Lcrs rep te combineren. De formule is:

Lurban = Lwot rep – kP * (Lwot rep – Lcrs rep)

De wegingsfactor kP geeft de partiële vermogensfactor voor stadsritten. In andere gevallen dan tests met een enkele versnelling wordt kP als volgt berekend:

kP = 1 – (aurban / awot ref)

Indien voor de test maar één versnelling is gespecificeerd, wordt kP als volgt berekend:

kP = 1 – (aurban / awot test)

Wanneer awot test lager is dan aurban:

kP = 0

4.1.3.2.

Voertuigen van de categorieën M2 > 3 500 kg, M3, N2 en N3

Wanneer één versnelling wordt getest, is het eindresultaat gelijk aan het tussentijdse resultaat. Wanneer twee versnellingen worden getest, wordt het rekenkundige gemiddelde van de tussentijdse resultaten berekend.

4.2.

Meting van het door stilstaande voertuigen geëmitteerde geluid

4.2.1.

Geluidsniveau in de nabijheid van voertuigen

De meetresultaten moeten worden vermeld in het testrapport waarnaar in aanhangsel 3 van bijlage I wordt verwezen.

4.2.2.

Geluidsmetingen

Voor de metingen moet gebruik worden gemaakt van een precisiegeluidsniveaumeter of gelijkwaardig meetsysteem zoals gedefinieerd in punt 2.1.

4.2.3.

Testterrein – plaatselijke omstandigheden zoals aangegeven in figuur 1 van aanhangsel 1 van deze bijlage

4.2.3.1.

In de nabijheid van de microfoon mogen er geen obstakels zijn die het akoestische veld kunnen beïnvloeden en niemand mag zich tussen de microfoon en de geluidsbron bevinden. De persoon die de meetapparatuur afleest, moet zich zodanig opstellen dat hij de meteruitslag niet beïnvloedt.

4.2.4.

Storend geluid en interferentie van de wind

De waarden die door omgevingsgeluid en wind op de meetinstrumenten worden geproduceerd, moeten ten minste 10 dB(A) onder het te meten geluidsniveau liggen. Op de microfoon mag een passend windscherm worden aangebracht mits rekening wordt gehouden met het effect ervan op de gevoeligheid van de microfoon (zie punt 2.1).

4.2.5.

Meetmethode

4.2.5.1.

Aard van de metingen en aantal

Het in A-gewogen decibels (dB(A)) uitgedrukte maximumgeluidsniveau moet worden gemeten gedurende de in punt 4.2.5.3.2.1 aangegeven tijd dat de motor draait.

Op elk meetpunt moeten ten minste drie metingen worden verricht.

4.2.5.2.

Positionering en voorbereiding van het voertuig

Het voertuig moet in het midden van de testzone worden geplaatst, met de keuzehendel voor de versnellingen in de neutrale stand en de koppeling ingeschakeld. Indien het ontwerp van het voertuig dit niet toelaat, moet het voertuig worden getest volgens de voorschriften van de fabrikant voor motortests in stilstand. Vóór elke reeks metingen moet de motor in de normale bedrijfstoestand worden gebracht zoals aangegeven door de fabrikant.

Als het voertuig met een of meer automatisch in werking tredende ventilatoren is uitgerust, mag tijdens de geluidsniveaumetingen aan dat systeem niet worden geraakt.

De motorkap of afdekking van de motorruimte moet worden gesloten.

4.2.5.3.

Geluidsmeting in de nabijheid van de uitlaat zoals aangegeven in de figuren 2 en 3 van aanhangsel 1 van deze bijlage

4.2.5.3.1.

Plaatsing van de microfoon

4.2.5.3.1.1.

De microfoon moet op 0,5 ± 0,01 m afstand van het referentiepunt van de uitlaatpijp zoals gedefinieerd in figuur 2, en onder een hoek van 45° (± 5°) ten opzichte van de stroomas van het uiteinde van de pijp worden geplaatst. De microfoon moet zich ter hoogte van het referentiepunt, maar ten minste 0,2 m van de grond bevinden. De referentieas van de microfoon moet in een vlak liggen dat evenwijdig is aan de grond en moet naar het referentiepunt op de uitlaatopening zijn gericht. Indien twee microfoonposities mogelijk zijn, wordt de plaats gekozen die zich lateraal het verst van de lengteas van het voertuig bevindt. Indien de stroomas van de uitlaatpijp zich onder een hoek van 90° ten opzichte van de lengteas van het voertuig bevindt, wordt de microfoon geplaatst op het punt dat het verst van de motor is verwijderd.

4.2.5.3.1.2.

Bij voertuigen die een uitlaat hebben met openingen die meer dan 0,3 m uit elkaar liggen, moeten voor elke opening metingen worden verricht. Het hoogste niveau moet worden geregistreerd.

4.2.5.3.1.3.

Bij uitlaten met twee of meer openingen die minder dan 0,3 m uit elkaar liggen en op dezelfde geluiddemper zijn aangesloten, hoeft maar één meting te worden verricht; de positie van de microfoon wordt bepaald door de opening die zich het dichtst bij één uiterste buitenrand van het voertuig bevindt of, wanneer er geen dergelijke opening is, die zich het hoogst boven de grond bevindt.

4.2.5.3.1.4.

Bij voertuigen met een verticale uitlaat (bv. bedrijfsvoertuigen) wordt de microfoon ter hoogte van de uitlaatopening geplaatst. De as van de microfoon moet verticaal zijn en omhoog worden gericht. De microfoon moet 0,5 ± 0,01 m van het referentiepunt van de uitlaatpijp worden geplaatst, maar nooit minder dan 0,2 m van de kant van het voertuig die zich het dichtst bij de uitlaat bevindt.

4.2.5.3.1.5.

Bij uitlaatopeningen die zich onder de voertuigcarrosserie bevinden, moet de microfoon minimaal 0,2 m van het dichtstbijzijnde deel van het voertuig worden geplaatst, op een punt dat zich het dichtst bij, maar nooit op minder dan 0,5 m van het referentiepunt van de uitlaatpijp bevindt, en 0,2 m boven de grond, en niet in het verlengde van de uitlaatgasstroom. In sommige gevallen wordt misschien niet voldaan aan het voorschrift van punt 4.2.5.3.1.1 met betrekking tot de hoek.

4.2.5.3.2.

Bedrijfsomstandigheden van de motor

4.2.5.3.2.1.

Beoogd motortoerental

Het beoogde motortoerental wordt als volgt gedefinieerd:

- 75% van het motortoerental S bij voertuigen met een nominaal motortoerental ≤ 5 000 min-1;

- 3 750 min-1 bij voertuigen met een nominaal motortoerental van meer dan 5 000 min-1 en minder dan 7 500 min-1;

- 50% van het motortoerental S bij voertuigen met een nominaal motortoerental ≥ 7 500 min-1.

Indien het voertuig bovengenoemd motortoerental niet kan bereiken, ligt het beoogde motortoerental 5% onder het maximummotortoerental voor de desbetreffende test in stilstand.

4.2.5.3.2.2.

Testprocedure

Het motortoerental wordt geleidelijk opgevoerd van het stationaire tot het beoogde toerental, met een maximumtolerantie van ± 3% van het beoogde motortoerental, en wordt constant gehouden. Vervolgens wordt het gaspedaal snel losgelaten, zodat de motor weer op stationair toerental draait. Het geluidsniveau wordt gemeten tijdens een werkingsperiode waarin het motortoerental 1 seconde constant wordt gehouden en die de gehele duur van de vertraging omvat; hierbij geldt als testwaarde de hoogste aanwijzing van de geluidsniveaumeter, afgerond op één cijfer achter de komma.

4.2.5.3.2.3.

Validering van de test

De meting wordt als geldig beschouwd indien het motortoerental van de test ten minste 1 seconde lang niet meer dan 3% van het beoogde motortoerental afwijkt.

4.2.6.

Resultaten

Voor elke testpositie worden ten minste drie metingen verricht. Het maximale A-gewogen geluidsdrukniveau dat bij elk van de drie metingen wordt aangegeven, wordt geregistreerd. De eerste drie geldige opeenvolgende meetresultaten, binnen een bereik van 2 dB(A), waarmee ongeldige resultaten kunnen worden genegeerd (rekening houdend met de specificaties van het testterrein in punt 3.1), worden gebruikt om het eindresultaat voor de desbetreffende meetpositie te bepalen. Het hoogste geluidsniveau, voor alle meetposities, en van de drie meetresultaten, vormt het eindresultaat.

Aanhangsel 1

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000001.fig

Figuur 1: Meetposities voor rijdende voertuigen

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000003.fig

T = bovenaanzicht

S = zijaanzicht

A = afgeschuinde pijp

B = naar beneden gebogen pijp

C = rechte pijp

D = verticale pijp

1 = referentiepunt

2 = wegdek

Figuur 2: Referentiepunt

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000005.fig

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000007.fig

Figuur 3a

Figuur 3b

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000009.fig

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000010.fig

Figuur 3c

Figuur 3d

Figuren 3 a - d: Voorbeelden van de positie van de microfoon naargelang de plaats van de uitlaatpijp

BIJLAGE III

Grenswaarden

Het overeenkomstig bijlage II gemeten geluidsniveau, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal indien het fractiedeel minder is dan 0,5 en afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal indien het fractiedeel gelijk is aan of meer is dan 0,5, mag de volgende grenswaarden niet overschrijden:

Voertuig-categorie

Beschrijving van de voertuigcategorie

Grenswaarden

uitgedrukt in dB(A)

[A-gewogen decibels]

Grenswaarden voor de typegoedkeuring van nieuwe voertuigtypen

Grenswaarden voor de typegoedkeuring van nieuwe voertuigtypen

Grenswaarden voor de registratie, de verkoop en het in het verkeer brengen van nieuwe voertuigen

Fase 1, geldig vanaf

[2 jaar na publicatie]

Fase 2, geldig vanaf

[5 jaar na publicatie]

Fase 3, geldig vanaf

[7 jaar na publicatie]

Algemeen

Terrein *

Algemeen

Terrein *

Algemeen

Terrein *

M

Voertuigen voor personenvervoer

M1

aantal stoelen < 9

70

71**

68

69**

68

69**

M1

aantal stoelen < 9;

verhouding vermogen/ massa > 150 kW/t

71

71

69

69

69

69

M2

aantal stoelen > 9; massa < 2 t

72

72

70

70

70

70

M2

aantal stoelen > 9; 2 t < massa < 3,5 t

73

74

71

72

71

72

M2

aantal stoelen > 9; 3,5 t < massa < 5 t;

nominaal motorvermogen < 150 kW

74

75

72

73

72

73

M2

aantal stoelen > 9; 3,5 t < massa < 5 t;

nominaal motorvermogen > 150 kW

76

78

74

76

74

76

M3

aantal stoelen > 9; massa > 5 t;

nominaal motorvermogen < 150 kW

75

76

73

74

73

74

M3

aantal stoelen > 9; massa > 5 t;

nominaal motorvermogen > 150 kW

77

79

75

77

75

77

N

Voertuigen voor goederenvervoer

N1

massa < 2 t

71

71

69

69

69

69

N1

2 t < massa < 3,5 t

72

73

70

71

70

71

N2

3,5 t < massa < 12 t;

nominaal motorvermogen < 75 kW

74

75

72

73

72

73

N2

3,5 t < massa < 12 t;

75 < nominaal motorvermogen < 150 kW

75

76

73

74

73

74

N2

3,5 t < massa < 12 t;

nominaal motorvermogen > 150 kW

77

79

75

77

75

77

N3

massa > 12 t;

75 < nominaal motorvermogen < 150 kW

77

78

75

76

75

76

N3

massa > 12 t;

nominaal motorvermogen ≥ 150 kW

80

82

78

80

78

80

Voertuig-categorie

Beschrijving van de voertuigcategorie

Grenswaarden voor de typegoedkeuring van nieuwe voertuigtypen, uitgedrukt in dB(A)

[A-gewogen decibels]*

Grenswaarden voor de typegoedkeuring van nieuwe voertuigtypen en voor de registratie, verkoop en het in het verkeer brengen van nieuwe voertuigen, uitgedrukt in dB(A)

[A-gewogen decibels]*

Fase 1, geldig vanaf

[6 jaar na publicatie]

Fase 2, geldig vanaf

[8 jaar na publicatie]

M

Voertuigen voor personenvervoer

M1

aantal stoelen ≤ 9; ≤ 125 kW/t

68

68

aantal stoelen ≤ 9; 125kW/t < verhouding vermogen/ massa ≤ 150 kW/t

70

70

aantal stoelen ≤ 9; verhouding vermogen/ massa > 150 kW/t

73

73

M1

aantal stoelen ≤4 bestuurder inbegrepen; verhouding vermogen/ massa > 200 kW/t; R-punt van de bestuurder < 450 mm vanaf de vloer

74

74

M2

aantal stoelen > 9; massa ≤ 2,5 t

69

69

aantal stoelen > 9; 2,5 t < massa < 3,5 t

72

72

aantal stoelen > 9; 3,5 t < massa < 5 t

75

75

M3

aantal stoelen > 9; massa > 5 t; nominaal motorvermogen ≤ 180 kW

74

74

aantal stoelen > 9; massa > 5 t; 180 kW < nominaal motorvermogen ≤ 250 kW

77

77

aantal stoelen > 9; massa > 5 t; nominaal motorvermogen > 250 kW

78

78

N

Voertuigen voor goederenvervoer

N1

massa < 2,5 t

69

69

2,5 t < massa < 3,5 t

71

71

N2

3,5 t < massa < 12 t;

nominaal motorvermogen < 150 kW

75

75

3,5 t < massa ≤ 12 t; nominaal motorvermogen > 150 kW

76

76

N3

massa > 12 t; nominaal motorvermogen ≤ 180 kW

77

77

massa > 12 t; 180 < nominaal motorvermogen ≤ 250 kW

79

79

massa > 12 t; nominaal motorvermogen > 250 kW

81

81

*

Bij de grenswaarden wordt 1dB opgeteld voor voertuigen die voldoen aan de relevante definitie van terreinvoertuigen in Richtlijn 2007/46/EG, bijlage II, deel A, punt 4.

**

Bij voertuigen van categorie M1 gelden de hogere grenswaarden voor terreinvoertuigen alleen als de maximaal toegestane massa > 2 t.[Am. 61]

BIJLAGE IV

Geluiddempingssystemen met geluidsabsorberende vezelmaterialen

1.

Algemeen

Geluidsabsorberende vezelmaterialen mogen in geluiddempingssystemen of onderdelen ervan worden gebruikt wanneer ten minste een van de volgende voorwaarden is vervuld:

(a) het uitlaatgas is niet in contact met de vezelmaterialen;

(b) het geluiddempingssysteem of de onderdelen ervan zijn van dezelfde ontwerpfamilie als de systemen of onderdelen waarvan, tijdens het typegoedkeuringsproces volgens de voorschriften van deze verordening voor een ander voertuigtype, is aangetoond dat zij niet onderhevig zijn aan slijtage.

Als geen van deze voorwaarden is vervuld, moeten het volledige geluiddempingssysteem of de onderdelen ervan op conventionele wijze worden geconditioneerd met een van de drie hierna beschreven installaties en volgens de overeenkomstige procedures.

1.1.

Continubedrijf op de weg over een afstand van 10 000 km

1.1.1.

50 ± 20% van deze afstand wordt in de stad gereden en de rest op lange trajecten tegen hoge snelheid; het continubedrijf op de weg mag worden vervangen door een overeenkomstig programma op een testbaan.

1.1.2.

De twee snelheidsregimes worden ten minste tweemaal afgewisseld.

1.1.3.

Het volledige testprogramma omvat minstens 10 pauzen van ten minste drie uur om afkoelingseffecten en eventuele condensatie te reproduceren.

1.2.

Conditionering op een testbank

1.2.1.

Het uitlaatsysteem of de onderdelen ervan worden met standaarddelen en volgens de instructies van de voertuigfabrikant op het in punt 1.3 van bijlage I bedoelde voertuig of op de in punt 1.4 van bijlage I bedoelde motor gemonteerd. Het in punt 1.3 van bijlage I bedoelde voertuig wordt op een rollenbank geplaatst. De in punt 1.4 van bijlage I bedoelde motor wordt aan een testbank gekoppeld.

1.2.2.

De tests worden in zes perioden van zes uur uitgevoerd, met tussen elke periode een pauze van ten minste 12 uur om afkoelingseffecten en eventuele condensatie te reproduceren.

1.2.3.

Tijdens elke periode van zes uur laat men de motor achtereenvolgens:

(c) vijf minuten stationair draaien;

(d) één uur draaien bij 1/4 belasting en 3/4 van het nominale maximumtoerental (S);

(e) één uur draaien bij 1/2 belasting en 3/4 van het nominale maximumtoerental (S);

(f) 10 minuten draaien bij volle belasting en 3/4 van het nominale maximumtoerental (S);

(g) 15 minuten draaien bij 1/2 belasting en het nominale maximumtoerental (S);

(h) 30 minuten draaien bij 1/4 belasting en het nominale maximumtoerental (S).

Totale duur van de zes sequenties: drie uur.

Elke periode omvat twee opeenvolgende dergelijke sequentiesets, telkens in de aangegeven volgorde van a) tot en met f).

1.2.4.

Tijdens de test mogen het geluiddempingssysteem of de onderdelen ervan niet worden gekoeld door het aanblazen van lucht om de normale luchtstroom rond het voertuig te simuleren. Op verzoek van de fabrikant mogen het geluiddempingssysteem of de onderdelen ervan echter wel worden gekoeld om de temperatuur die aan de inlaat van het systeem wordt gemeten wanneer het voertuig met de maximumsnelheid rijdt, niet te overschrijden.

1.3.

Conditionering door pulsering

1.3.1.

Het geluiddempingssysteem of de onderdelen ervan worden op het in punt 1.3 van bijlage I bedoelde voertuig of op de in punt 1.4 van bijlage I bedoelde motor gemonteerd. In het eerste geval wordt het voertuig op een rollenbank geplaatst.

In het tweede geval wordt de motor op een testbank gemonteerd. De testapparatuur, waarvan in figuur 1 van het aanhangsel een gedetailleerd schema wordt gegeven, wordt op de uitlaatopening van het geluiddempingssysteem aangesloten. Elk ander apparaat dat gelijkwaardige resultaten oplevert, wordt aanvaard.

1.3.2.

De testapparatuur wordt zodanig afgesteld dat de uitlaatgasstroom door de snelsluitklep 2 500 maal afwisselend wordt onderbroken en weer doorgelaten.

1.3.3.

De klep gaat open wanneer de uitlaatgastegendruk, gemeten op minstens 100 mm voorbij de inlaatflens, een waarde tussen 0,35 en 0,40 kPa bereikt. Zij sluit weer wanneer deze druk niet meer dan 10% verschilt van de gestabiliseerde waarde met de klep open.

1.3.4.

De tijdvertragingsschakelaar wordt op de afvoertijd van de gassen ingesteld overeenkomstig punt 1.3.3.

1.3.5

Het motortoerental moet 75% bedragen van het toerental (S) waarbij de motor zijn maximumvermogen ontwikkelt.

1.3.6.

Het door de bank aangegeven vermogen moet 50% bedragen van het volgasvermogen, gemeten bij 75% van het motortoerental (S).

1.3.7.

Eventuele afvoergaten worden tijdens de test gesloten.

1.3.8.

De volledige test mag niet meer dan 48 uur duren.

Zo nodig zal om het uur een afkoelingsperiode worden ingelast.

Aanhangsel 1

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000011.fig

Figuur 1

Testapparatuur voor conditionering door pulsering

1.

Inlaatflens of -bus voor aansluiting op de achterkant van het testuitlaatsysteem.

2.

Handbediende regelklep.

3.

Compensatievat met een maximuminhoud van 40 l en een vultijd van ten minste één seconde.

4.

Drukschakelaar met een werkingsbereik van 0,05 tot 2,5 bar.

5.

Tijdvertragingsschakelaar.

6.

Pulsteller.

7.

Snelsluitklep, bv. een uitlaatremklep met een diameter van 60 mm, bediend door een pneumatische cilinder met een output van 120 N bij 4 bar. De responstijd (voor zowel openen als sluiten) mag niet meer dan 0,5 seconde bedragen.

8.

Evacuatie van het uitlaatgas.

9.

Flexibele leiding.

10.

Manometer.

BIJLAGE V

Persluchtgeluid

1.

Meetmethode

De meting wordt op de microfoonposities 2 en 6 overeenkomstig figuur 1 verricht aan het stilstaande voertuig. Het hoogste A-gewogen geluidsniveau wordt gemeten tijdens het afblazen van de drukregelaar en tijdens het ontluchten na het gebruik van zowel de bedrijfs- als de parkeerrem.

Het geluid tijdens het afblazen van de drukregelaar wordt gemeten met de motor op stationair toerental. Het ontluchtingsgeluid wordt gemeten terwijl de bedrijfs- en de parkeerrem worden geactiveerd; vóór elke meting moet de luchtcompressor op de hoogst toelaatbare werkdruk worden gebracht, waarna de motor wordt uitgeschakeld.

2.

Evaluatie van de resultaten

Op elke microfoonpositie worden twee metingen verricht. Om onnauwkeurigheden van de meetapparatuur te compenseren wordt de afgelezen meetwaarde met 1 dB(A) verminderd en wordt de verminderde waarde als meetresultaat beschouwd. De resultaten worden als geldig beschouwd indien het verschil tussen de metingen op één microfoonpositie niet meer dan 2 dB(A) bedraagt. De hoogste gemeten waarde is het resultaat. Ligt deze waarde 1 dB(A) of meer boven de geluidsgrenswaarde, dan moeten op de overeenkomstige microfoonpositie nog twee metingen worden uitgevoerd. In dit geval moeten drie van de vier meetresultaten voor die positie binnen de voorgeschreven grenzen liggen.

3.

Grenswaarde

Het geluidsniveau mag de grenswaarde van 72 dB(A) niet overschrijden.

Aanhangsel 1

Figuur 1: Microfoonposities voor metingen van persluchtgeluid

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000013.fig

De metingen worden verricht aan het stilstaande voertuig overeenkomstig figuur 1, op twee microfoonposities op 7 m van de contour van het voertuig en 1,2 m boven de grond.

BIJLAGE VI

Controle van de conformiteit van de productie bij voertuigen

1.

Algemeen

Deze voorschriften stemmen overeen met de test die volgens punt 5 van bijlage I moet worden uitgevoerd om de conformiteit van de productie te controleren.

2.

Testprocedure

Het testterrein en de meetinstrumenten worden beschreven in bijlage II.

2.1.

De geteste voertuigen worden onderworpen aan de test voor het meten van het geluidsniveau van rijdende voertuigen volgens de beschrijving in punt 4.1 van bijlage II.

2.2.

Persluchtgeluid

Voertuigen met een maximummassa van meer dan 2 800 kg die uitgerust zijn met persluchtsystemen, moeten worden onderworpen aan een extra test voor het meten van het persluchtgeluid volgens de beschrijving in punt 1 van bijlage V.

2.3.

Aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie (Additional Sound Emission Provisions – ASEP)

De voertuigfabrikant beoordeelt naar behoren of aan de ASEP wordt voldaan of mag de in bijlage VIII beschreven test uitvoeren.

3.

Bemonstering en evaluatie van de resultaten

Eén voertuig wordt geselecteerd en aan de tests van punt 2 onderworpen. Indien de testresultaten voldoen aan de productieconformiteitsvoorschriften van bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG, wordt het voertuig geacht aan die voorschriften te voldoen. De toepasselijke productieconformiteitsvoorschriften zijn de in bijlage III vastgelegde grenswaarden met een extra marge van 1 dB(A). [Am. 52]

Indien een van de testresultaten niet voldoet aan de productieconformiteitsvoorschriften van bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG, worden nog twee voertuigen van hetzelfde type getest overeeenkomstig punt 2.

Indien de testresultaten voor het tweede en het derde voertuig voldoen aan de productieconformiteitsvoorschriften van bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG, wordt het voertuig geacht aan die voorschriften te voldoen.

Indien een van de testresultaten van het tweede of derde voertuig niet voldoet aan de productieconformiteitsvoorschriften van bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG, wordt het voertuigtype geacht niet te voldoen aan de voorschriften van deze verordening en moet de fabrikant de nodige maatregelen nemen om de conformiteit te herstellen.

BIJLAGE VII

Specificaties van het testterrein

1.

Inleiding

Deze bijlage bevat de specificaties voor de fysische eigenschappen en de uitvoering van de testbaan. Deze specificaties, die zijn gebaseerd op een specifieke norm1/, beschrijven de vereiste fysische eigenschappen en de methoden om deze eigenschappen te testen.

2.

Vereiste eigenschappen van het wegdek

Het wegdek wordt conform deze norm geacht als de textuur en het poriëngehalte of de geluidsabsorptiecoëfficiënt zijn gemeten en aan alle voorschriften van de punten 2.1 tot en met 2.4 voldoen en als tevens aan de ontwerpvoorschriften in punt 3.2 is voldaan.

2.1.

Poriëngehalte

Het poriëngehalte (VC) van het voor de verharding van de testbaan gebruikte mengsel mag niet meer bedragen dan 8%. Voor de meetprocedure: zie punt 4.1.

2.2.

Geluidsabsorptiecoëfficiënt

Indien het wegdek niet aan het voorschrift inzake het poriëngehalte voldoet, is het alleen aanvaardbaar als de geluidsabsorptiecoëfficiënt α ≤ 0,10. Voor de meetprocedure: zie punt 4.2. Aan de voorschriften van punt 2.1 en van dit punt wordt eveneens geacht te zijn voldaan indien alleen de geluidsabsorptie α is gemeten en indien α ≤ 0,10.

Er zij op gewezen dat geluidsabsorptie de meest relevante eigenschap is, hoewel het poriëngehalte meer gebruikt wordt door wegenbouwers. De geluidsabsorptie moet echter alleen worden gemeten als het wegdek niet voldoet aan het voorschrift inzake het poriëngehalte. De reden hiervoor is dat aan dat voorschrift zowel wat de metingen als de relevantie betreft, vrij grote onzekerheden zijn verbonden en dat sommige wegdekken daarom ten onrechte kunnen worden afgewezen wanneer alleen van de meting van de poriën wordt uitgegaan.

2.3.

Textuurdiepte

Voor de textuurdiepte (TD), gemeten volgens de volumetrische methode (zie punt 4.3), geldt:

TD > 0,4 mm

1/ ISO 10844:1994.Gedurende de eerste vijf jaar na inwerkingtreding van deze Verordening kunnen fabrikanten gebruik maken van testbanen die gecertificeerd zijn volgens ISO 10844:1994 of ISO 10844:2011. Na deze datum moeten fabrikanten enkel gebruik maken van testbanen die overeenstemmen met ISO 10844:2011. [Am. 53]

2.4.

Homogeniteit van het wegdek

Alles dient in het werk te worden gesteld om het wegdek binnen de testzone zo homogeen mogelijk te maken. Dit geldt voor de textuur en voor het poriëngehalte; daarnaast moet echter ook worden opgemerkt dat, indien op sommige plaatsen efficiënter wordt gewalst dan op andere, dit tot verschillen in textuur kan leiden en dat ongelijkmatigheden kunnen optreden met oneffenheden als gevolg.

2.5.

Testperiode

Om na te gaan of het wegdek aan de in voornoemde norm gestelde voorschriften inzake textuur en poriëngehalte of inzake geluidsabsorptie blijft voldoen, wordt het wegdek met de volgende tussenpozen periodiek getest op:

(a) poriëngehalte of geluidsabsorptie:

wanneer het wegdek nieuw is.

Als het nieuwe wegdek aan de voorschriften voldoet, zijn periodieke tests niet meer nodig. Als het nieuwe wegdek niet aan de voorschriften voldoet, kan het er later misschien wel aan voldoen, aangezien verhardingen mettertijd meestal dichter en compacter worden;

(b) textuurdiepte (TD):

wanneer het wegdek nieuw is;

bij het begin van de geluidsmeting (NB: ten minste vier weken na de aanleg van het wegdek);

daarna om de twaalf maanden.

3.

Ontwerp van de testbaan

3.1.

Testzone

Bij het ontwerp van de testbaan moet er ten minste voor worden gezorgd dat, op het gedeelte van de testbaan waar het eigenlijke testen van de voertuigen plaatsvindt, het gespecificeerde testmateriaal als wegdek is aangebracht, met voldoende marges voor veilig en praktisch rijden. Hiertoe moet de baan ten minste 3 m breed zijn en zich in de lengte aan elk uiteinde ten minste 10 m voorbij de lijnen AA en BB uitstrekken. Figuur 1 toont de plattegrond van een geschikte testbaan en geeft het minimumoppervlak aan waarop het gespecificeerde testwegdek machinaal moet worden aangebracht en verdicht. Volgens punt 4.1.1 van bijlage II moeten aan weerskanten van het voertuig metingen worden verricht. Dit kan worden gedaan door te meten met twee microfoonopstellingen (een aan weerskanten van de baan) waarbij in één richting wordt gereden, of door te meten met een enkele microfoon aan één kant van de baan, waarbij het voertuig echter in beide richtingen rijdt. Indien laatstgenoemde methode wordt toegepast, worden geen eisen gesteld aan het wegdek aan de kant van de baan waar geen microfoon staat.

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000015.fig

OPMERKING: Binnen deze straal mogen zich geen grote geluidsreflecterende objecten bevinden. Figuur 1:Minimumvoorschriften voor de testbaan. Het donkere gedeelte wordt de „testzone” genoemd.

3.2.

Ontwerp en aanleg van het wegdek

3.2.1.

Basisvoorschriften voor het ontwerp

Het testwegdek moet voldoen aan vier ontwerpvoorschriften:

3.2.1.1.

het is uitgevoerd in dicht asfaltbeton;

3.2.1.2.

de maximumkorrelgrootte van het steenslag bedraagt 8 mm (tolerantie 6,3 tot 10 mm);

3.2.1.3.

de dikte van de slijtlaag is > 30 mm;

3.2.1.4.

het bindmiddel bestaat uit niet-gemodificeerd bitumen van een kwaliteit die directe penetratie mogelijk maakt.

3.2.2.

Richtsnoeren voor het ontwerp

Als aanbeveling voor de bouwer van het wegdek wordt in figuur 2 een zeefkromme getoond van het aggregaat dat de gewenste eigenschappen oplevert. Daarnaast geeft tabel 1 bepaalde richtsnoeren voor het verkrijgen van de gewenste textuur en duurzaamheid. De zeefkromme beantwoordt aan de volgende formule:

P (doorlatingspercentage) = 100 · (d/dmax)1/2

waarin:

d = maaswijdte van de vierkante zeefmazen in mm,

dmax = 8 mm voor de gemiddelde kromme,

dmax = 10 mm voor de kromme van de benedentolerantie,

dmax = 6,3 mm voor de kromme van de boventolerantie.

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000017.fig

Figuur 2: Zeefkromme van het aggregaat in het asfaltmengsel, met toleranties.

Behalve aan de voorschriften van de punten 1 tot en met 3.2.2 moet ook aan de volgende voorschriften van ISO 10844:2011 worden voldaan of dient er te worden verwezen naar ISO 10844:1994 voor een overgangsperiode van 5 jaar: [Am. 54]

a)

de zandfractie (0,063 mm < maaswijdte van de vierkante zeefmazen < 2 mm) mag niet meer dan 55% natuurlijk zand en niet minder dan 45% fijn zand bevatten;

b)

de grond en de ondergrond moeten een goede stabiliteit en gelijkmatigheid garanderen overeenkomstig de beste praktijken in de wegenbouw;

c)

het steenslag moet worden gebroken (100% gebroken vlakken) en afkomstig zijn van een materiaal met grote breukvastheid;

d)

het in het mengsel gebruikte steenslag moet worden gewassen;

e)

op het wegdek mag geen extra steenslag worden toegevoegd;

f)

de hardheid van het bindmiddel, uitgedrukt in penetratiewaarde, moet al naargelang het klimaat van het betrokken land 40-60, 60-80 of zelfs 80-100 bedragen. De regel is dat een zo hard mogelijk, maar in de praktijk gangbaar bindmiddel wordt gebruikt;

g)

de temperatuur van het mengsel vóór het walsen moet zo worden gekozen dat het vereiste poriëngehalte door later walsen wordt bereikt. Om met grotere waarschijnlijkheid aan de specificaties van de punten 2.1 tot en met 2.4 te kunnen voldoen, moet in verband met de dichtheid niet alleen met de temperatuur van het mengsel, maar ook met het voor het verdichten te gebruiken voertuig en met het aantal passages ervan rekening worden gehouden.

Tabel 1: Richtsnoeren voor het ontwerp

Streefwaarden

Toleranties

Per totale massa van het mengsel

Per massa van het aggregaat

Massa van het steenslag, maaswijdte van de vierkante zeefmazen (SM) > 2 mm

47,6%

50,5%

± 5

Massa van het zand 0,063 < SM < 2 mm

38,0%

40,2%

± 5

Massa van het vulmiddel SM < 0,063 mm

8,8%

9,3%

± 2

Massa van het bindmiddel (bitumen)

5,8%

n.v.t.

± 0,5

Maximumkorrelgrootte van het steenslag

8 mm

6,3 - 10

Hardheid van het bindmiddel

(zie punt 3.2.2 f))

Polijstgetal (PSV)

> 50

Verdichtingsgraad met betrekking tot de Marshall-dichtheid

98%

4.

Testmethode

4.1.

Meten van het poriëngehalte

Voor deze meting worden op minstens vier verschillende plaatsen op de testbaan boormonsters genomen, gelijk verdeeld over de testzone tussen de lijnen AA en BB (zie figuur 1). Om een gebrek aan homogeniteit en eenvormigheid van de wielsporen te voorkomen, worden de boormonsters niet in de eigenlijke wielsporen genomen, maar in de nabijheid ervan. Er worden (ten minste) twee boormonsters genomen in de nabijheid van de wielsporen en (ten minste) één ongeveer halverwege tussen de wielsporen en elke microfoonpositie.

Indien het vermoeden bestaat dat de homogeniteit te wensen overlaat (zie punt 2.4), wordt binnen de testzone een groter aantal boormonsters genomen.

Het poriëngehalte wordt voor elk monster bepaald; vervolgens wordt het gemiddelde voor alle monsters berekend en die waarde wordt aan het voorschrift van punt 2.1 getoetst. Bovendien mag geen enkel monster een poriëngehalte van meer dan 10% hebben. De bouwer van het wegdek wordt erop geattendeerd dat er problemen kunnen rijzen wanneer de testzone via buizen of elektrische draden wordt verwarmd en er op die plaatsen monsters moeten worden genomen. Dergelijke installaties moeten zorgvuldig worden gepland met het oog op latere boormonsternemingen. Aanbevolen wordt enkele plaatsen van ongeveer 200 x 300 mm zonder draden of buizen te laten of deze zo diep te leggen dat zij geen schade oplopen bij het nemen van monsters van het wegdek.

4.2.

Geluidsabsorptiecoëfficiënt

De geluidsabsorptiecoëfficiënt (normale invalshoek) wordt gemeten met de impedantiebuismethode volgens de procedure van ISO 10534-1: „Akoestiek - Bepaling van de geluidabsorptiecoëfficiënt en de impedantie in impedantiebuizen”(53).

Voor de testmonsters gelden dezelfde voorschriften als voor het poriëngehalte (zie punt 4.1). De geluidsabsorptie wordt gemeten in het gebied tussen 400 en 800 Hz en in het gebied tussen 800 en 1 600 Hz (ten minste op de centrale frequenties van de 1/3-octaafbanden), en voor beide frequentiegebieden worden de maximumwaarden bepaald. Om het eindresultaat te bereiken, wordt voor alle testmonsters het gemiddelde van deze waarden berekend.

4.3.

Volumetrische meting van de macrotextuur

Voor de toepassing van deze norm wordt de textuurdiepte op minstens tien gelijk uit elkaar liggende plaatsen in de wielsporen van het testtraject gemeten; daarbij wordt de gemiddelde waarde vergeleken met de gespecificeerde minimale textuurdiepte. Zie ISO-norm 10844:199410844:2011 voor de beschrijving van de procedure. [Am. 55]

5.

Stabiliteit in de tijd en onderhoud

5.1.

Invloed van veroudering

Zoals bij alle andere wegdekken wordt verwacht dat het op de testbaan gemeten rolgeluidsniveau in de eerste zes tot twaalf maanden na de bouw licht zal stijgen.

Het wegdek zal minstens vier weken na de bouw de vereiste eigenschappen bereiken. De invloed van veroudering op het geluid is bij vrachtwagens in het algemeen kleiner dan bij personenauto's.

De stabiliteit in de tijd wordt vooral bepaald door het slijt- en verdichtingseffect veroorzaakt door de voertuigen die over het wegdek rijden. Deze stabiliteit moet periodiek worden gecontroleerd zoals aangegeven in punt 2.5.

5.2.

Onderhoud van het wegdek

Losse deeltjes of stof die de werkelijke textuurdiepte aanzienlijk kunnen verminderen, worden van het wegdek verwijderd. In landen met een winterklimaat wordt soms strooizout gebruikt. Dat zout kan het wegdek tijdelijk of zelfs permanent aantasten, waardoor het geluid toeneemt. Het gebruik van zout wordt dus niet aanbevolen.

5.3.

Vervanging van het wegdek van de testzone

Wanneer het wegdek van de testbaan moet worden vervangen, wordt doorgaans alleen de teststrook waarover de voertuigen rijden (3 m breed volgens figuur 1) vervangen, mits de testzone daarbuiten bij meting aan het voorschrift inzake het poriëngehalte of de geluidsabsorptie voldeed.

6.

Documentatie over de testbaan en de daarop uitgevoerde tests

6.1.

Documentatie over de testbaan

In een document met de beschrijving van de testbaan moeten de volgende gegevens worden verstrekt:

6.1.1.

ligging van de testbaan;

6.1.2.

soort bindmiddel, hardheid van het bindmiddel, type aggregaat, theoretische maximumdichtheid van het beton (DR), dikte van de slijtlaag en zeefkromme, bepaald aan de hand van op het testterrein genomen monsters;

6.1.3.

verdichtingsmethode (bv. soort wals, massa van de wals, aantal passages);

6.1.4.

temperatuur van het mengsel, temperatuur van de omgevingslucht en windsnelheid bij de aanleg van het wegdek;

6.1.5.

datum van aanleg van het wegdek en naam van de aannemer;

6.1.6.

alle of ten minste de recentste testresultaten, met inbegrip van:

6.1.6.1.

het poriëngehalte van elk monster;

6.1.6.2.

de plaatsen in de testzone waar de monsters voor de poriënmetingen zijn genomen;

6.1.6.3.

de geluidsabsorptiecoëfficiënt van elk monster (indien gemeten). Vermeld de resultaten voor elk monster en elk frequentiegebied en ook het algemene gemiddelde;

6.1.6.4.

de plaatsen in de testzone waar de monsters voor het meten van de absorptie zijn genomen;

6.1.6.5.

de textuurdiepte, met inbegrip van het aantal tests en de standaardafwijking;

6.1.6.6.

de instantie die verantwoordelijk is voor de in de punten 6.1.6.1 en 6.1.6.2 bedoelde tests en de gebruikte soort apparatuur;

6.1.6.7.

de datum waarop de test(s) is (zijn) verricht en die waarop de monsters van de testbaan zijn genomen.

6.2.

Documentatie over geluidstests van voertuigen op het wegdek

In het document met de beschrijving van de geluidstest(s) van voertuigen moet worden vermeld of aan alle onderhavige voorschriften is voldaan. Als bewijs daarvan moet worden verwezen naar een document overeenkomstig punt 6.1 met een beschrijving van de resultaten.

BIJLAGE VIII

Meetmethode om de naleving van de aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie te evalueren

1.

Algemeen

Deze bijlage beschrijft een meetmethode om te beoordelen of het voertuig voldoet aan de aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie (ASEP) die in artikel 8 zijn vastgesteld.

Bij het indienen van een typegoedkeuringsaanvraag is het niet verplicht deze tests uit te voeren. De fabrikant moet de verklaring van naleving in aanhangsel 1 ondertekenen. De typegoedkeuringsinstantie mag over die verklaring van naleving nadere informatie vragen en de hieronder beschreven tests uitvoeren.

Voor de met deze bijlage beoogde analyse moet een test worden uitgevoerd overeenkomstig bijlage II. Die test moet op dezelfde testbaan en onder vrijwel dezelfde omstandigheden worden uitgevoerd als de tests die in deze bijlage worden voorgeschreven.

2.

Meetmethode

2.1.

Meetinstrumenten en -omstandigheden

Tenzij anders is bepaald, zijn de meetinstrumenten, de meetomstandigheden en de toestand van het voertuig nagenoeg dezelfde als in de punten 2 en 3 van bijlage II.

Als het voertuig verschillende modi heeft die de geluidsemissie beïnvloeden, moeten alle modi aan de voorschriften van deze bijlage voldoen wanneer de fabrikant tests heeft uitgevoerd om tegenover de goedkeuringsinstantie aan te tonen dat die voorschriften worden nageleefd, waarbij de tijdens die tests toegepaste modi in een testrapport moeten worden gerapporteerd.

2.2.

Testmethode

Tenzij anders is bepaald, worden de omstandigheden en procedures van de punten 4.1 tot en met 4.1.2.1.2.2 van bijlage II toegepast. Voor de toepassing van deze bijlage worden afzonderlijke testritten gemeten en geëvalueerd.

2.3.

Controlebereik

De bedrijfsomstandigheden zijn de volgende:

voertuigsnelheid VAA ASEP: vAA ≥ 20 km/h

voertuigacceleratie awot ASEP: awot5,04,0 m/s2[Am.56]

motortoerental nBB ASEP nBB ≤ 2,0 * PMR - 0,222 * s of

nBB ≤ 0,9 * s, als dat lager is

voertuigsnelheid VBB ASEP:

indien nBB ASEP in één versnelling wordt bereikt vBB ≤ 70 km/h

in alle andere gevallen vBB ≤ 80 km/h

versnellingen k ≤ overbrengingsverhouding i zoals bepaald in bijlage II

Indien het voertuig, in de laagste geldige versnelling, bij minder dan 70 km/h het maximale motortoerental niet bereikt, bedraagt de snelheidsgrens 80 km/h.

2.4.

Overbrengingsverhoudingen

De ASEP gelden voor elke overbrengingsverhouding k die testresultaten binnen het in punt 2.3 gedefinieerde controlebereik oplevert.

Bij voertuigen met automatische, adaptieve of continuvariabele(54) transmissie die met onvergrendelde overbrengingsverhoudingen worden getest, mag bij de test naar een lagere versnelling met een hogere acceleratie worden geschakeld. Schakelen naar een hogere versnelling met een lagere acceleratie is niet toegestaan. Schakelen waardoor een voorwaarde wordt gecreëerd die niet voldoet aan de grensvoorwaarden, moet worden vermeden. In dat geval is het toegestaan elektronische of mechanische voorzieningen te installeren en te gebruiken, waaronder andere standen van de keuzehendel voor de versnellingen.

Om de ASEP-test representatief en herhaalbaar te maken (voor de typegoedkeuringsautoriteit) moet het voertuig getest worden met kalibratie van de productieversnellingsbak. [Am. 57]

2.5.

Doelvoorwaarden

De geluidsemissie moet worden gemeten in elke geldige overbrengingsverhouding op de vier hieronder aangegeven testpunten.

Het eerste testpunt P1 wordt bepaald met een beginsnelheid vAA van 20 km/h. Indien geen stabiele acceleratie kan worden verkregen, moet de snelheid in stappen van 5 km/h worden opgevoerd totdat een stabiele acceleratie wordt bereikt.

Het vierde testpunt P4 wordt bepaald door de maximale voertuigsnelheid op BB' in die overbrengingsverhouding binnen de grensvoorwaarden volgens punt 2.3.

De overige twee testpunten worden bepaald met de volgende formule:

testpunt Pj: vBB j = vBB 1 + ((j - 1) / 3) * (vBB 4 - vBB 1) voor j = 2 en 3

waarin:

vBB 1 = voertuigsnelheid op BB' van testpunt P1

vBB 4 = voertuigsnelheid op BB' van testpunt P4

Tolerantie voor vBB j: ± 3 km/h

Voor alle testpunten moeten de grensvoorwaarden van punt 2.3 worden vervuld.

2.6.

Test van het voertuig

Het traject van de middellijn van het voertuig moet gedurende de gehele test, vanaf het naderen van lijn AA' totdat de achterkant van het voertuig lijn BB' passeert, lijn CC' zo dicht mogelijk volgen.

Op lijn AA' moet het gaspedaal volledig worden ingetrapt. Om een stabielere acceleratie te bereiken of om terugschakelen tussen lijn AA' en lijn BB' te vermijden, mag vóór lijn AA' preacceleratie worden toegepast. Het gaspedaal moet ingetrapt blijven totdat de achterkant van het voertuig lijn BB' bereikt.

Voor elke afzonderlijke testrit moeten de volgende parameters worden bepaald en genoteerd:

Het maximale A-gewogen geluidsdrukniveau aan weerskanten van het voertuig, aangegeven bij elke passage van het voertuig tussen de twee lijnen AA' en BB', moet op één cijfer achter de komma worden afgerond (Lwot,kj). Indien een geluidspiek wordt geconstateerd die het algemene geluidsdrukniveau duidelijk overschrijdt, moet de meting buiten beschouwing worden gelaten. De linker- en rechtermeting mogen gelijktijdig of afzonderlijk plaatsvinden.

De op AA' en BB' gemeten voertuigsnelheid moet met het eerste significante cijfer achter de komma worden gerapporteerd. (vAA,kj; vBB,kj)

In voorkomend geval moet het op AA' en BB' afgelezen motortoerental als een geheel getal worden gerapporteerd (nAA,kj; nBB,kj).

De berekende acceleratie wordt bepaald volgens de formule in punt 4.1.2.1.2 van bijlage II en wordt gerapporteerd tot twee cijfers achter de komma (awot,test,kj).

3.

Analyse van de resultaten

3.1.

Bepaling van het ankerpunt voor elke overbrengingsverhouding

Voor metingen in versnelling i en lager zijn de ankerpunten het maximale geluidsniveau Lwoti, het gerapporteerde motortoerental nwoti en de voertuigsnelheid vwoti op BB' van overbrengingsverhouding i van de acceleratietest in bijlage II.

Lanchor,i = Lwoti,bijlage II

nanchor,i = nBB,woti,bijlage II

vanchor,i = vBB,woti,bijlage II

Voor metingen in versnelling i+1 zijn de ankerpunten het maximale geluidsniveau Lwoti+1, het gerapporteerde motortoerental nwoti+1 en de voertuigsnelheid vwoti+1 op BB' van overbrengingsverhouding i+1 van de acceleratietest in bijlage II.

Lanchor,i+1 = Lwoti+1,bijlage II

nanchor,i+1 = nBB,woti+1,bijlage II

vanchor,i+1 = vBB,woti+1,bijlage II

3.2.

Helling van de regressielijn voor elke versnelling

De geluidsmetingen moeten als functie van het motortoerental overeenkomstig punt 3.2.1 worden geëvalueerd.

3.2.1.

Berekening van de helling (slope) van de regressielijn voor elke versnelling

De lineaire-regressielijn wordt berekend aan de hand van het ankerpunt en de vier daaraan gerelateerde extra metingen.

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000019.fig (in dB/1000 min-1)

waarin 20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000020.fig , 20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000021.fig en

nj = motortoerental gemeten op lijn BB'.

3.2.2.

Helling (slope) van de regressielijn voor elke versnelling

Slopek van een bepaalde versnelling voor de verdere berekening is het afgeleide resultaat van de berekening in punt 3.2.1, afgerond op het eerste cijfer achter de komma, maar niet hoger dan 5 dB/1 000 min-1.

3.3.

Berekening van de bij elke meting verwachte lineaire geluidsniveautoename

Het geluidsniveau LASEP,kj voor meetpunt j en versnelling k wordt berekend aan de hand van de voor elk meetpunt gemeten motortoerentallen en van de in punt 3.2 gespecificeerde helling ten aanzien van het specifieke ankerpunt voor elke overbrengingsverhouding.

Voor nBB k,j ≤ nanchor,k:

LASEP k,j = Lanchor k + (Slopek - Y) * (nBB k,j - nanchor,k) / 1 000

Voor nBB k,j > nanchor,k:

LASEP k,j = Lanchor k + (Slopek + Y) * (nBB k,j - nanchor,k) / 1 000

waarin Y= 1

3.4.

Monsters

Op verzoek van de typegoedkeuringsinstantie moeten twee extra ritten binnen de grensvoorwaarden van punt 2.3 worden uitgevoerd.

4.

Interpretatie van de resultaten

Elke afzonderlijke geluidsmeting moet worden geëvalueerd.

Het geluidsniveau van elk gespecificeerd meetpunt mag de volgende grenswaarden niet overschrijden:

Lkj ≤ LASEP k.j + x

waarin:

x = 3 dB(A) voor een voertuig met niet-vergrendelbare automatische of continuvariabele transmissie

x = 2 dB(A) + grenswaarde Lurban van bijlage II voor alle andere voertuigen

Als het gemeten geluidsniveau op een punt de grenswaarde overschrijdt, moeten op hetzelfde punt twee aanvullende metingen worden verricht om de meetzekerheid te verifiëren. Het voertuig voldoet nog steeds aan de ASEP als het gemiddelde van de drie geldige metingen op dit specifieke punt voldoet aan de specificatie.

5.

Referentiegeluidsbeoordeling

Het referentiegeluid wordt op één punt in één bepaalde versnelling beoordeeld, waarbij een acceleratieconditie wordt gesimuleerd met een beginsnelheid vaa van 50 km/h en een eindsnelheid vbb van 61 km/h. De naleving van de ASEP op dit punt kan hetzij worden berekend aan de hand van de resultaten van punt 3.2.2 en de onderstaande specificatie, hetzij worden geëvalueerd door directe meting met behulp van de hieronder gespecificeerde versnelling.

5.1.

Versnelling k wordt als volgt bepaald:

k = 3 bij alle handgeschakelde transmissies en bij automatische transmissies met maximaal 5 versnellingen;

k = 4 bij automatische transmissies met 6 of meer versnellingen.

Als er geen afzonderlijke versnellingen beschikbaar zijn, zoals bv. bij niet-vergrendelbare automatische of continuvariabele transmissies, wordt de overbrengingsverhouding voor verdere berekening bepaald aan de hand van het resultaat van de acceleratietest van bijlage II met behulp van het gerapporteerde motortoerental en de gerapporteerde voertuigsnelheid op lijn BB'.

5.2.

Bepaling van het referentiemotortoerental nref k

Het referentiemotortoerental nref_k wordt berekend aan de hand van de overbrengingsverhouding van versnelling k bij de referentiesnelheid vref = 61 km/h.

5.3.

Berekening van Lref

Lref = Lanchor k + Slopek * (nref k - nanchor k) / 1 000

Lref moet kleiner zijn dan of gelijk aan 76 dB(A).

Bij voertuigen met een handgeschakelde versnellingsbak met meer dan vier versnellingen vooruit en een motor met een maximumvermogen van meer dan 140 kW (VN/ECE) en waarvan de verhouding maximumvermogen/maximummassa meer dan 75 kW/t bedraagt, moet Lref kleiner zijn dan of gelijk aan 79 dB(A).

Bij voertuigen met een automatische versnellingsbak met meer dan vier versnellingen vooruit en een motor met een maximumvermogen van meer dan 140 kW (VN/ECE) en waarvan de verhouding maximumvermogen/maximummassa meer dan 75 kW/t bedraagt, moet Lref kleiner zijn dan of gelijk aan 78 dB(A).

6.

Evaluatie van de ASEP volgens het Lurban-principe

6.1.

Algemeen

Deze evaluatieprocedure is een door de voertuigfabrikant gekozen alternatief voor de in punt 3 beschreven procedure en geldt voor alle voertuigtechnologieën. De voertuigfabrikant is verantwoordelijk voor de correcte uitvoering van de tests. Tenzij anders is bepaald, worden alle tests en berekeningen uitgevoerd zoals aangegeven in bijlage II.

6.2.

Berekening van Lurban ASEP

Aan de hand van elke overeenkomstig deze bijlage gemeten Lwot ASEP wordt Lurban ASEP als volgt berekend:

a) bereken awot test ASEP met behulp van de acceleratieberekening van punt 4.1.2.1.2.1, respectievelijk punt 4.1.2.1.2.2 van bijlage II;

b) bepaal de voertuigsnelheid (vBB ASEP) op BB tijdens de Lwot ASEP-test;

c) bereken kP ASEP als volgt:

kP ASEP = 1 - (aurban / awot test ASEP)

Testresultaten waarin awot test ASEP kleiner is dan aurban, worden buiten beschouwing gelaten;

d) bereken Lurban measured ASEP als volgt:

Lurban measured ASEP =

Lwot ASEP - kP ASEP * (Lwot ASEP - Lcrs)

Gebruik voor verdere berekening de Lurban van bijlage II zonder af te ronden, met één cijfer achter de komma (xx,x);

e) bereken Lurban normalized als volgt:

Lurban normalized = Lurban measured ASEP - Lurban

f) bereken Lurban ASEP als volgt:

Lurban ASEP =

Lurban normalized - (0,15 * (VBB ASEP - 50))

g) Naleving van de grenswaarden:

Lurban ASEP moet kleiner zijn dan of gelijk aan 3,0 dB(A).

Aanhangsel 1

Verklaring van naleving van de aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie

(Maximumformaat: A4 (210 x 297 mm))

     (Naam van de fabrikant) verklaart dat voertuigen van dit type (type wat de geluidsemissie betreft overeenkomstig EU-Verordening nr. ...) voldoen aan de voorschriften van artikel 8 van Verordening nr. ....
     (Naam van de fabrikant) legt deze verklaring te goeder trouw af nadat hij de geluidsemissieprestaties van de voertuigen naar behoren heeft geëvalueerd.

Datum:

Naam van de gemachtigde vertegenwoordiger:

Handtekening van de gemachtigde vertegenwoordiger:

BIJLAGE IX

Maatregelen om de hoorbaarheid van hybride en elektrische voertuigen te waarborgen

Deze bijlage betreft akoestische voertuigwaarschuwingssystemen voor hybride elektrische en puur elektrische wegvoertuigen (hev's en ev's).

A

Akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem

1.

Definitie

Een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem (AVAS) is een geluidsproducerende voorziening die bedoeld is omsysteem voor hybride elektrische en elektrische wegvoertuigen dat voetgangers en kwetsbare weggebruikers te informereninformatie verstrekt over de werking van het voertuig. [Am. 58]

2.

Prestaties van het systeem

Als op een voertuig een AVAS is geïnstalleerd, moet het voldoen aan onderstaande voorschriften.

3.

Bedrijfsomstandigheden

a)

Geluidsproductiemethode

Het AVAS moet automatisch een geluid produceren in het minimumsnelheidsbereik van het voertuig, d.w.z. vanaf het starten tot ongeveer 20 km/h, en bij het achteruitrijden indien van toepassing voor die voertuigcategorie. Wanneer het voertuig is uitgerust met een verbrandingsmotor die binnen bovengenoemd snelheidsbereik van het voertuig draait, hoeft het AVAS mogelijk geen geluid te produceren.

Bij voertuigen met een akoestisch waarschuwingssysteem voor achteruitrijden, hoeft het AVAS bij het achteruitrijden geen geluid te produceren.

b)

Pauzeschakelaar

Het AVAS mag een schakelaar hebben om de werking ervan tijdelijk stop te zetten („pauzeschakelaar”).

Als een pauzeschakelaar aanwezig is, moet het voertuig echter ook zijn uitgerust met een voorziening die de bestuurder op de bestuurdersstoel erop attendeert dat het systeem dat over het naderende voertuig informeert, in de pauzestand staat.

Nadat het AVAS met een pauzeschakelaar is stopgezet, moet het steeds weer in werking kunnen treden.

Indien een pauzeschakelaar in het voertuig is gemonteerd, moet hij zo zijn geplaatst dat de bestuurder hem makkelijk kan vinden en bedienen.

c)

Demping

Tijdens bepaalde perioden waarin het voertuig wordt gebruikt, mag het geluidsniveau van het AVAS worden gedempt.

4.

Geluidstype en -volume

a)

Het door het AVAS te produceren geluid moet een continu geluid zijn dat de voetgangers en kwetsbare weggebruikers erop attendeert dat een voertuig in beweging is. Het geluid moet een duidelijke indicatie zijn van het voertuiggedrag en moet lijken op het geluid van een voertuig van dezelfde categorie dat met een verbrandingsmotor is uitgerust.

De volgende en soortgelijke geluidstypen zijn echter niet aanvaardbaar:

i) het geluid van een sirene, claxon, klok, bel of hulpverleningsvoertuig;

ii) alarmgeluiden zoals een brand-, diefstal- of rookalarm.

iii) een onderbroken geluid.

De volgende en soortgelijke geluidstypen moeten worden vermeden:

i) melodieuze geluiden, geluiden van dieren of insecten;

ii) geluiden waardoor de identificatie van een voertuig en de werking ervan (bv. acceleratie, vertraging enz.) kunnen worden verward.[Am. 59]

b)

Het door het AVAS te produceren geluid moet een gemakkelijke indicatie zijn van het voertuiggedrag en de rijrichting van het voertuig, bijvoorbeeld door de automatische verandering van het geluidsniveau of de geluidskenmerken al naargelang de snelheid van het voertuig.

c)

Het door het AVAS te produceren geluidsniveau mag het approximatieve geluidsniveau van een soortgelijk voertuig van dezelfde categorie dat met een verbrandingsmotor is uitgerust en onder dezelfde omstandigheden wordt gebruikt, niet overschrijden.

Milieuoverweging:

Bij de ontwikkeling van het AVAS moet aandacht worden besteed aan het totale geluidseffect voor de bevolking. [Am. 60]

BIJLAGE X

EU-typegoedkeuring wat het geluidsniveau van uitlaatsystemen als technische eenheden (vervangingsuitlaatsystemen) betreft

1.

EU-TYPEGOEDKEURINGSVRAAG

1.1.

De EU-typegoedkeuringsaanvraag overeenkomstig artikel 7, leden 1 en 2, van Richtlijn 2007/46/EG voor een vervangingsuitlaatsysteem of onderdeel ervan als technische eenheid moet door de voertuigfabrikant of de fabrikant van de desbetreffende technische eenheid worden ingediend.

1.2.

Een model van het inlichtingenformulier is opgenomen in aanhangsel 1.

1.3.

Op verzoek van de technische dienst stelt de aanvrager het volgende ter beschikking:

1.3.1.

twee exemplaren van het systeem waarvoor EU-typegoedkeuring is aangevraagd;

1.3.2.

een uitlaatsysteem van het type dat bij de EU-typegoedkeuring oorspronkelijk op het voertuig was gemonteerd;

1.3.3.

een voertuig dat representatief is voor het type waarop het systeem moet worden gemonteerd, en dat voldoet aan de voorschriften van punt 2.1 van bijlage VI;

1.3.4.

een afzonderlijke motor die overeenkomt met die van het hierboven beschreven voertuigtype.

2.

OPSCHRIFTEN

2.4.1.

Op het vervangingsuitlaatsysteem of de onderdelen ervan, met uitzondering van de bevestigingsdelen en pijpen, moeten de volgende opschriften worden aangebracht:

2.4.1.1.

het handelsmerk of de handelsnaam van de fabrikant van het vervangingssysteem en de onderdelen ervan;

2.4.1.2.

de door de fabrikant gegeven handelsbenaming.

2.4.2.

Deze opschriften moeten goed leesbaar en onuitwisbaar zijn, ook wanneer het systeem op het voertuig is gemonteerd.

3.

VERLENEN VAN EU-TYPEGOEDKEURING

3.1.

Indien aan de desbetreffende voorschriften is voldaan, wordt EU-typegoedkeuring verleend overeenkomstig artikel 9, lid 3, en, in voorkomend geval, artikel 10, lid 4, van Richtlijn 2007/46/EG.

3.2.

Een model van het EU-typegoedkeuringscertificaat is opgenomen in aanhangsel 2.

3.3.

Aan elk als technische eenheid goedgekeurd type vervangingsuitlaatsysteem of onderdeel ervan wordt een typegoedkeuringsnummer toegekend overeenkomstig bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG; deel 3 van het typegoedkeuringsnummer geeft het nummer aan van de wijzigingsrichtlijn die van kracht was ten tijde van de typegoedkeuring van het voertuig. Dezelfde lidstaat mag hetzelfde nummer niet aan een ander type vervangingsuitlaatsysteem of onderdeel ervan toekennen.

4.

EU-TYPEGOEDKEURINGSMERK

4.1.

Op elk vervangingsuitlaatsysteem of onderdeel ervan, met uitzondering van de bevestigingsdelen en pijpen, dat conform is met een overeenkomstig deze verordening goedgekeurd type, moet een EU-typegoedkeuringsmerk worden aangebracht.

4.2.

Het EU-typegoedkeuringsmerk bestaat uit een rechthoek met daarin de kleine letter e, gevolgd door het nummer van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend:

1 voor Duitsland

2 voor Frankrijk

3 voor Italië

4 voor Nederland

5 voor Zweden

6 voor België

7 voor Hongarije

8 voor Tsjechië

9 voor Spanje

11 voor het Verenigd Koninkrijk

12 voor Oostenrijk

13 voor Luxemburg

17 voor Finland

18 voor Denemarken

19 voor Roemenië

20 voor Polen

21 voor Portugal

23 voor Griekenland

24 voor Ierland

26 voor Slovenië

27 voor Slowakije

29 voor Estland

32 voor Letland

34 voor Bulgarije

36 voor Litouwen

49 voor Cyprus

50 voor Malta

In de nabijheid van de rechthoek moet het „basisgoedkeuringsnummer” uit deel 4 van het in bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG bedoelde typegoedkeuringsnummer worden aangebracht, voorafgegaan door de twee cijfers van het volgnummer dat aan de recentste belangrijke technische wijziging van deze verordening ten tijde van de typegoedkeuring van het voertuig is toegekend.

4.3.

Het merk moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn, ook wanneer het vervangingsuitlaatsysteem of een onderdeel ervan op het voertuig is gemonteerd.

4.4.

In aanhangsel 3 wordt een voorbeeld van het EU-typegoedkeuringsmerk gegeven.

5.

SPECIFICATIES

5.1.

Algemene specificaties

5.1.1.

Het vervangingsuitlaatsysteem of de onderdelen ervan moeten zodanig zijn ontworpen en gebouwd en moeten zo kunnen worden gemonteerd dat het voertuig onder normale gebruiksomstandigheden en ondanks de trillingen waaraan het kan worden blootgesteld, voldoet aan de bepalingen van deze verordening.

5.1.2.

Het geluiddempingssysteem of de onderdelen ervan moeten zodanig zijn ontworpen en gebouwd en moeten zo kunnen worden gemonteerd dat zij in redelijke mate bestand zijn tegen de corrosieverschijnselen waaraan zij worden blootgesteld, rekening houdend met de gebruiksomstandigheden van het voertuig.

5.1.3.

Aanvullende voorschriften met betrekking tot de manipuleerbaarheid en de handbediende modi van uitlaat- of geluiddempingssystemen

5.1.3.1.

Alle uitlaat- en geluiddempingssystemen moeten zodanig zijn gebouwd dat geluidsabsorberende elementen, uitstroomconussen en andere integrerende delen van de geluiddempings-/expansiekamers niet gemakkelijk kunnen worden verwijderd. Wanneer de integratie van een dergelijk deel absoluut noodzakelijk is, moet het zodanig zijn bevestigd dat het niet eenvoudig verwijderbaar is (bv. met conventionele schroefdraadverbindingen) en dat verwijdering het geheel permanente/ onherstelbare schade toebrengt.

5.1.3.2.

Uitlaat- of geluiddempingssystemen met verschillende handbediende gebruiksmodi moeten in alle modi aan alle voorschriften voldoen. De gerapporteerde geluidsniveaus moeten die zijn van de modus met de hoogste geluidsniveaus.

5.2.

Specificaties met betrekking tot de geluidsniveaus

5.2.1.

Meetvoorwaarden

5.2.1.1.

De geluidstest van het geluiddempings- en het vervangingsgeluiddempingssysteem moet worden uitgevoerd met dezelfde „normale” banden (zoals gedefinieerd in punt 2.8 van VN/ECE-Reglement nr. 117 (PB L 231 van 29.8.2008, blz. 19). De tests mogen niet worden uitgevoerd met „speciale banden” of „winterbanden” zoals gedefinieerd in de punten 2.9 en 2.10 van VN/ECE-Reglement nr. 117. Dergelijke banden zouden het geluidsniveau van het voertuig kunnen verhogen of zouden een maskeringseffect hebben op de vergelijking van de geluiddempingsprestaties. De banden mogen al zijn gebruikt, maar moeten voldoen aan de wettelijke verkeersvoorschriften.

5.2.2.

De geluiddempingsprestaties van het vervangingsgeluiddempingssysteem of de onderdelen ervan moeten worden geverifieerd volgens de in de artikelen 7 en 8 en punt 1 van bijlage II beschreven methoden. Voor de toepassing van dit punt moet met name worden gerefereerd aan het wijzigingsniveau van deze verordening dat van kracht was ten tijde van de typegoedkeuring van het nieuwe voertuig.

a) Meting bij het rijdende voertuig

Wanneer het vervangingsgeluiddempingssysteem of de onderdelen ervan op het in punt 1.3.3 beschreven voertuig zijn gemonteerd, moeten de verkregen geluidsniveaus voldoen aan een van de onderstaande voorwaarden:

i) de gemeten waarde (afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal) mag de krachtens deze verordening met het desbetreffende voertuigtype verkregen typegoedkeuringswaarde niet met meer dan 1 dB(A) overschrijden;

ii) de gemeten waarde (vóór afronding op het dichtstbijzijnde gehele getal) mag de aan het in punt 1.3.3 bedoelde voertuig gemeten geluidswaarde (vóór afronding op het dichtstbijzijnde gehele getal) niet met meer dan 1 dB(A) overschrijden wanneer het voertuig is uitgerust met een geluiddempingssysteem dat overeenkomt met het type dat op het voertuig was gemonteerd toen het voor typegoedkeuring overeenkomstig deze verordening ter beschikking werd gesteld.

Wanneer voor een directe vergelijking van het vervangingssysteem met het originele systeem wordt gekozen, is het voor de toepassing van punt 4.1.2.1.4.2 en/of punt 4.1.2.2.1.2 van bijlage II toegestaan om naar een versnelling met hogere acceleraties terug te schakelen en is het gebruik van elektronische of mechanische voorzieningen om dit terugschakelen te voorkomen, niet verplicht. Als het geluidsniveau van het testvoertuig onder deze omstandigheden hoger wordt dan de productieconformiteitswaarden, zal de technische dienst een besluit nemen over de representativiteit van het testvoertuig.

b) Meting bij het stilstaande voertuig

Wanneer het vervangingsgeluiddempingssysteem of de onderdelen ervan op het in punt 1.3.3 beschreven voertuig zijn gemonteerd, moeten de verkregen geluidsniveaus voldoen aan een van de onderstaande voorwaarden:

i) de gemeten waarde (afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal) mag de krachtens deze verordening met het desbetreffende voertuigtype verkregen typegoedkeuringswaarde niet met meer dan 2 dB(A) overschrijden;

ii) de gemeten waarde (vóór afronding op het dichtstbijzijnde gehele getal) mag de aan het in punt 1.3.3 bedoelde voertuig gemeten geluidswaarde (vóór afronding op het dichtstbijzijnde gehele getal) niet met meer dan 2 dB(A) overschrijden wanneer het voertuig is uitgerust met een geluiddempingssysteem dat overeenkomt met het type dat op het voertuig was gemonteerd toen het voor typegoedkeuring overeenkomstig deze verordening ter beschikking werd gesteld.

5.2.3.

Behalve aan de voorschriften van bijlage II moet elk vervangingsgeluiddempingssysteem of onderdeel ervan voldoen aan de desbetreffende specificaties van bijlage VIII. Op voertuigen waarvoor vóór de inwerkingtreding van deze verordening en met name van de voorschriften van bijlage VIII (ASEP) typegoedkeuring is verleend, zijn de specificaties van de punten 5.2.3.1 tot en met 5.2.3.3 niet van toepassing.

5.2.3.1.

Wanneer het vervangingsgeluiddempingssysteem of het onderdeel ervan een systeem of onderdeel met variabele geometrie is, moet de fabrikant in de typegoedkeuringsaanvraag een verklaring (conform aanhangsel 1 van bijlage VIII) afleggen dat het goed te keuren type geluiddempingssysteem voldoet aan de voorschriften van punt 5.2.3. De typegoedkeuringsinstantie kan eisen dat een ter zake dienende test wordt uitgevoerd om na te gaan of het type geluiddempingssysteem voldoet aan de aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie.

5.2.3.2.

Wanneer het vervangingsgeluiddempingssysteem of het onderdeel ervan geen systeem of onderdeel met variabele geometrie is, volstaat het dat de fabrikant in de typegoedkeuringsaanvraag een verklaring (conform aanhangsel 1 van bijlage VIII) aflegt dat het goed te keuren type geluiddempingssysteem voldoet aan de voorschriften van punt 5.2.3.

5.2.3.3.

De nalevingsverklaring moet als volgt luiden: „(Naam van de fabrikant) verklaart dat het geluiddempingssysteem van dit type voldoet aan de voorschriften van punt 5.2.3 van bijlage X bij Verordening (EU) nr. … [onderhavige verordening]. (Naam van de fabrikant) legt deze verklaring te goeder trouw af nadat hij de geluidsemissieprestaties onder de toepasselijke bedrijfsomstandigheden naar behoren technisch heeft geëvalueerd.

5.3.

Meting van de voertuigprestaties

5.3.1.

Het vervangingsgeluiddempingssysteem of de onderdelen ervan moeten zo zijn dat de prestaties van het voertuig vergelijkbaar zijn met die welke met het oorspronkelijke geluiddempingssysteem of de onderdelen ervan werden verkregen.

5.3.2.

Het vervangingsgeluiddempingssysteem of, naar keuze van de fabrikant, de onderdelen ervan moeten worden vergeleken met een origineel geluiddempingssysteem of de onderdelen ervan, die ook nieuw zijn en achtereenvolgens op het in punt 1.3.3 bedoelde voertuig worden gemonteerd.

5.3.3.

De verificatie moet worden uitgevoerd door de tegendruk te meten overeenkomstig punt 5.3.4.

Onder de hierna genoemde omstandigheden mag de met het vervangingsgeluiddempingssysteem gemeten waarde de met het originele geluiddempingssysteem gemeten waarde met niet meer dan 25% overschrijden.

5.3.4.

Testmethode

5.3.4.1.

Testmethode met de motor

De metingen moeten worden verricht aan de in punt 1.3.4 bedoelde motor die aan een testbank is gekoppeld. Bij volledig geopende gasklep moet de testbank zo worden afgesteld dat het motortoerental (S) wordt verkregen dat overeenkomt met het nominale maximumvermogen van de motor.

De voor het meten van de tegendruk vereiste afstand tussen de drukmeteraansluiting en het uitlaatspruitstuk is aangegeven in aanhangsel 5.

5.3.4.2.

Testmethode met het voertuig

De metingen moeten worden verricht aan het in punt 1.3.3 bedoelde voertuig. De test moet op de weg of op een rollenbank worden uitgevoerd.

Bij volledig geopende gasklep moet de motor zo worden belast dat het toerental wordt verkregen dat overeenkomt met het nominale maximumvermogen van de motor (motortoerental S).

De voor het meten van de tegendruk vereiste afstand tussen de drukmeteraansluiting en het uitlaatspruitstuk is aangegeven in aanhangsel 5.

5.4.

Aanvullende specificaties met betrekking tot vervangingsgeluiddempingssystemen of onderdelen ervan die geluidsabsorberende vezelmaterialen bevatten

5.4.1.

Algemeen

Geluidsabsorberende vezelmaterialen mogen in geluiddempingssystemen of onderdelen ervan alleen worden gebruikt wanneer ten minste een van de volgende voorwaarden is vervuld:

a) het uitlaatgas is niet in contact met de vezelmaterialen;

b) het geluiddempingssysteem of de onderdelen ervan zijn van dezelfde ontwerpfamilie als de systemen of onderdelen waarvan, tijdens het typegoedkeuringsproces volgens de voorschriften van deze verordening, is aangetoond dat zij niet onderhevig zijn aan slijtage.

Tenzij een van deze voorwaarden is vervuld, moeten het volledige geluiddempingssysteem of de onderdelen ervan op conventionele wijze worden geconditioneerd met een van de drie hierna beschreven installaties en volgens de overeenkomstige procedures.

5.4.1.1.

Continubedrijf op de weg over een afstand van 10 000 km

5.4.1.1.1.

50 ± 20% van deze afstand wordt in de stad gereden en de rest op lange trajecten tegen hoge snelheid; het continubedrijf op de weg mag worden vervangen door een overeenkomstig programma op een testbaan.

De twee snelheidsregimes worden ten minste tweemaal afgewisseld.

Het volledige testprogramma omvat minstens 10 pauzen van ten minste drie uur om afkoelingseffecten en eventuele condensatie te reproduceren.

5.4.1.2.

Conditionering op een testbank

5.4.1.2.1.

Het geluiddempingssysteem of de onderdelen ervan worden met standaarddelen en volgens de instructies van de voertuigfabrikant op het in punt 1.3.3 bedoelde voertuig of op de in punt 1.3.4 bedoelde motor gemonteerd. In het eerste geval wordt het voertuig op een rollenbank geplaatst. In het tweede geval wordt de motor aan een testbank gekoppeld.

5.4.1.2.2.

De tests worden in zes perioden van zes uur uitgevoerd, met tussen elke periode een pauze van minstens twaalf uur om afkoelingseffecten en eventuele condensatie te simuleren.

5.4.1.2.3.

Tijdens elke periode van zes uur laat men de motor achtereenvolgens:

a) vijf minuten stationair draaien;

b) één uur draaien bij 1/4 belasting en 3/4 van het nominale maximumtoerental (S);

c) één uur draaien bij 1/2 belasting en 3/4 van het nominale maximumtoerental (S);

d) 10 minuten draaien bij volle belasting en 3/4 van het nominale maximumtoerental (S);

e) 15 minuten draaien bij 1/2 belasting en het nominale maximumtoerental (S);

f) 30 minuten draaien bij 1/4 belasting en het nominale maximumtoerental (S).

Elke periode omvat twee opeenvolgende dergelijke sequentiesets, telkens in de aangegeven volgorde van a) tot en met f).

5.4.1.2.4.

Tijdens de test mogen het geluiddempingssysteem of de onderdelen ervan niet worden gekoeld door het aanblazen van lucht om de normale luchtstroom rond het voertuig te simuleren.

Op verzoek van de fabrikant mogen het geluiddempingssysteem of de onderdelen ervan echter wel worden gekoeld om de temperatuur die aan de inlaat van het systeem wordt gemeten wanneer het voertuig met de maximumsnelheid rijdt, niet te overschrijden.

5.4.1.3.

Conditionering door pulsering

5.4.1.3.1.

Het geluiddempingssysteem of de onderdelen ervan worden op het in punt 1.3.3 bedoelde voertuig of op de in punt 1.3.4 bedoelde motor gemonteerd. In het eerste geval wordt het voertuig op een rollenbank geplaatst en in het tweede geval wordt de motor op een testbank gemonteerd.

5.4.1.3.2.

De testapparatuur, waarvan in figuur 1 van aanhangsel 1 van bijlage IV een gedetailleerd schema wordt gegeven, wordt op de uitlaatopening van het geluiddempingssysteem aangesloten. Elk ander apparaat dat gelijkwaardige resultaten oplevert, wordt aanvaard.

5.4.1.3.3.

De testapparatuur wordt zodanig afgesteld dat de uitlaatgasstroom door de snelsluitklep 2 500 keer afwisselend wordt onderbroken en weer doorgelaten.

5.4.1.3.4.

De klep gaat open wanneer de uitlaatgastegendruk, gemeten op minstens 100 mm voorbij de inlaatflens, een waarde tussen 0,35 en 0,40 kPa bereikt. Zij sluit weer wanneer deze druk niet meer dan 10% verschilt van de gestabiliseerde waarde met de klep open.

5.4.1.3.5.

De tijdvertragingsschakelaar wordt op de afvoertijd van de gassen ingesteld overeenkomstig punt 5.4.1.3.4.

5.4.1.3.6.

Het motortoerental moet 75% bedragen van het toerental (S) waarbij de motor zijn maximumvermogen ontwikkelt.

5.4.1.3.7.

Het door de bank aangegeven vermogen moet 50% bedragen van het volgasvermogen, gemeten bij 75% van het motortoerental (S).

5.4.1.3.8.

Eventuele afvoergaten worden tijdens de test gesloten.

5.4.1.3.9.

De volledige test mag niet meer dan 48 uur duren. Zo nodig zal om het uur een afkoelingsperiode worden ingelast.

5.4.1.3.10.

Na de conditionering wordt het geluidsniveau gemeten overeenkomstig punt 5.2.

6.

Uitbreiding van de goedkeuring

De fabrikant van het geluiddempingssysteem of zijn daartoe gemachtigde vertegenwoordiger mag de administratieve instantie die het geluiddempingssysteem voor een of meer voertuigtypen heeft goedgekeurd, vragen de goedkeuring tot andere voertuigtypen uit te breiden.

De procedure hiervoor is beschreven in punt 1. De lidstaten worden volgens de in Richtlijn 2007/46/EG gespecificeerde procedure in kennis gesteld van de uitbreiding (of weigering van de uitbreiding) van de goedkeuring.

7.

Wijziging van het type geluiddempingssysteem

Bij wijziging van het overeenkomstig deze verordening goedgekeurde type zijn de artikelen 13 tot en met 16 en artikel 17, lid 4, van Richtlijn 2007/46/EG van toepassing.

8.

Conformiteit van de productie

8.1.

Overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2007/46/EG moeten maatregelen worden genomen om de conformiteit van de productie te garanderen.

8.2.

Bijzondere bepalingen

8.2.1.

De tests waarnaar in punt 2.3.5 van bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG wordt verwezen, worden beschreven in bijlage VI.

8.2.2.

Normaliter vinden de in punt 3 van bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG bedoelde inspecties om de twee jaar plaats.

Aanhangsel 1

Inlichtingenformulier nr. … betreffende de EU-typegoedkeuring als technische eenheid van uitlaatsystemen voor motorvoertuigen (Verordening …)

De onderstaande gegevens, voor zover van toepassing, moeten in drievoud worden verstrekt en vergezeld gaan van een inhoudsopgave. Eventuele tekeningen moeten op een passende schaal en met voldoende details, in A4-formaat of tot dat formaat gevouwen, worden ingediend. Op eventuele foto’s moeten voldoende details te zien zijn.

Indien de systemen, onderdelen of technische eenheden elektronisch gestuurde functies hebben, moeten gegevens over de prestaties ervan worden verstrekt.

0.

Algemeen

0.1.

Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.2.

Type en algemene handelsbenaming(en):

0.5.

Naam en adres van de fabrikant:

0.7.

In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EU-goedkeuringsmerk:

0.8.

Adres van de assemblagefabriek(en):

1.

Beschrijving van het voertuig waarvoor de voorziening is bedoeld (indien de voorziening bedoeld is om op meer dan een voertuigtype te worden gemonteerd, moet de in dit punt gevraagde informatie voor elk type worden verstrekt)

1.1.

Merk (handelsnaam van de fabrikant):

1.2.

Type en algemene handelsbenaming(en):

1.3.

Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op het voertuig:

1.4.

Voertuigcategorie:

1.5.

EU-typegoedkeuringsnummer voor het geluidsniveau:

1.6.

Alle in de punten 1.1 tot en met 1.4 van het typegoedkeuringscertificaat vermelde gegevens over het voertuig (bijlage I, aanhangsel 2):

1.

Aanvullende informatie

1.1.

Samenstelling van de technische eenheid:

1.2.

Handelsmerk of handelsbenaming van het (de) motorvoertuigtype(n) waarop de geluiddemper moet worden gemonteerd(1):

1.3.

Voertuigtype(n) en typegoedkeuringsnummer ervan:

1.4.

Motor

1.4.1.

Type (elektrische ontsteking, diesel):

1.4.2.

Cyclus: tweetakt, viertakt

1.4.3.

Totale cilinderinhoud:

1.4.4.

Nominaal maximummotorvermogen … kW bij … min–1

1.5.

Aantal overbrengingsverhoudingen:

1.6.

Gebruikte overbrengingsverhoudingen:

1.7.

Aandrijvingsverhouding(en):

1.8.

Geluidsniveauwaarden:

rijdend voertuig: … dB(A), snelheid gestabiliseerd vóór acceleratie

bij … km/h;

stilstaand voertuig dB(A), bij … min–1

1.9.

Waarde van de tegendruk:

1.10.

Eventuele gebruiksbeperkingen en montagevoorschriften:

2.

Opmerkingen:

3.

Beschrijving van de voorziening

3.1.

Een beschrijving van het vervangingsuitlaatsysteem met aanduiding van de positie van de systeemonderdelen ten opzichte van elkaar, alsook montage-instructies:

3.2.

Gedetailleerde tekeningen van elk onderdeel, zodat het gemakkelijk kan worden teruggevonden en geïdentificeerd, met vermelding van de gebruikte materialen. Op deze tekeningen moet de plaats worden aangegeven waar het verplichte EU-typegoedkeuringsmerk moet worden aangebracht.

Datum, dossier

Aanhangsel 2

MODEL

EU-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT

(Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Stempel van de instantie

Mededeling betreffende de

   typegoedkeuring(1)
   uitbreiding van de typegoedkeuring(1)
   weigering van de typegoedkeuring(1)
   intrekking van de typegoedkeuring(1)
  

van een type voertuig/onderdeel/technische eenheid(1) krachtens Verordening nr.

Typegoedkeuringsnummer:

Reden voor uitbreiding:

DEEL I

0.1.

Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.2.

Type en algemene handelsbenaming(en):

0.3.

Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op het voertuig/het onderdeel/de technische eenheid(1)(2):

0.3.1.

Plaats waar dat identificatiemiddel is aangebracht:

0.4.

Voertuigcategorie(3):

0.5.

Naam en adres van de fabrikant:

0.7.

In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EU-goedkeuringsmerk:

0.8.

Adres van de assemblagefabriek(en):

DEEL II

1.

Eventuele aanvullende informatie: zie addendum

2.

Technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:

3.

Datum van het testrapport:

4.

Nummer van het testrapport:

5.

Eventuele opmerkingen: zie addendum

6.

Plaats:

7.

Datum:

8.

Handtekening:

9.

Hierbij is de inhoudsopgave gevoegd van het informatiedossier dat bij de goedkeuringsinstantie is ingediend en dat op verzoek verkrijgbaar is.

(1) Doorhalen wat niet van toepassing is.

(2) Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de typebeschrijving van het voertuig, het onderdeel of de technische eenheid waarop het typegoedkeuringscertificaat betrekking heeft, worden deze tekens in de documenten weergegeven door het symbool „?” (bv. ABC??123??).

(3) Zoals gedefinieerd in Richtlijn 2007/46/EG, bijlage II, deel A, punt 4.

Aanhangsel 3

Model van het EU- typegoedkeuringsmerk

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000022.fig

Het uitlaatsysteem of onderdeel ervan met bovenstaand EU-typegoedkeuringsmerk is een systeem of onderdeel dat in Spanje (e 9) overeenkomstig Verordening nr. ... is goedgekeurd onder basisgoedkeuringsnummer 0148.

De gebruikte cijfers dienen aleen ter illustratie.

Aanhangsel 4

Testapparatuur

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000024.fig

1.

Inlaatflens of –bus voor aansluiting op de achterkant van het complete te testen geluiddempingssysteem.

2.

Regelklep (handbediend).

3.

Compensatievat van 35 tot 40 l.

4.

Drukschakelaar 5 tot 250 kPa, om item 7 te openen.

5.

Tijdvertragingsschakelaar om item 7 te sluiten.

6.

Impulsteller.

7.

Snelsluitklep, zoals bv. de klep van een uitlaatremsysteem met een diameter van 60 mm, bediend door een pneumatische cilinder met een output van 120 N bij 400 kPa. De responstijd (voor zowel openen als sluiten) mag niet meer dan 0,5 s bedragen.

8.

Evacuatie van het uitlaatgas.

9.

Flexibele leiding.

10.

Manometer.

Aanhangsel 5

Meetpunten - tegendruk

Voorbeelden van mogelijke meetpunten voor drukverliestests. Het exacte meetpunt moet in het testrapport worden vermeld. Het moet zich bevinden in een gebied waar de gasstroom regelmatig is.

1.  Figuur 1

Enkele pijp

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000026.fig

2.  Figuur 2

Deels dubbele pijp1

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000028.fig

1 Indien niet mogelijk, ga naar figuur 3.

3.  Figuur 3

Dubbele pijp

20130206-P7_TA(2013)0041_NL-p0000030.fig

2 Twee meetpunten, één aflezing.

BIJLAGE XI

Controle van de conformiteit van de productie bij een uitlaatsysteem als technische eenheid

1.

Algemeen

Deze voorschriften stemmen overeen met de test die volgens punt 1 van bijlage I moet worden uitgevoerd om de conformiteit van de productie te controleren.

2.

Tests en procedures

De testmethoden, de meetinstrumenten en de wijze waarop de resultaten moeten worden geïnterpreteerd, zijn beschreven in punt 5 van bijlage X. Het te testen uitlaatsysteem of onderdeel ervan moet aan de in de punten 5.2, 5.3 en 5.4 van bijlage X beschreven tests worden onderworpen.

3.

Bemonstering en evaluatie van de resultaten

3.1.

Eén geluiddempingssysteem of onderdeel ervan wordt geselecteerd en aan de tests van punt 2 onderworpen. Indien de testresultaten voldoen aan de productieconformiteitsvoorschriften van punt 8.1 van bijlage X, wordt het type geluiddempingssysteem of onderdeel ervan geacht aan die voorschriften te voldoen.

3.2.

Indien een van de testresultaten niet voldoet aan de productieconformiteitsvoorschriften van punt 8.1 van bijlage X, worden nog twee geluiddempingssystemen of onderdelen ervan van hetzelfde type getest overeenkomstig punt 2.

3.3.

Indien de testresultaten voor het tweede en het derde geluiddempingssysteem of onderdeel ervan voldoen aan de productieconformiteitsvoorschriften van punt 8.1 van bijlage X, wordt het type geluiddempingssysteem of onderdeel ervan geacht aan die voorschriften te voldoen.

3.4.

Indien een van de testresultaten van het tweede of derde geluiddempingssysteem of onderdeel ervan niet voldoet aan de productieconformiteitsvoorschriften van punt 8.1 van bijlage X, wordt het type geluiddempingssysteem of onderdeel ervan geacht niet te voldoen aan de voorschriften van deze verordening en moet de fabrikant de nodige maatregelen nemen om de conformiteit te herstellen.

BIJLAGE XII

Concordantietabel

(bedoeld in artikel 15, lid 2)

Richtlijn 70/157/EEG

Deze verordening

-

Artikel 1

-

Artikel 2

-

Artikel 3

Artikel 2

Artikel 4, lid 1

Artikel 2 bis

Artikel 4, leden 2 en 3

-

Artikel 5

-

Artikel 6

-

Artikel 7

-

Artikel 8

-

Artikel 9

-

Artikelen 10, 11, 12 en 13

-

Artikel 14

-

Artikel 15

Artikel 16

Bijlage I, punt 1

Bijlage I, punt 1

Bijlage I, punt 3

Bijlage I, punt 2

Bijlage I, punt 4

Bijlage I, punt 3

Bijlage I, punt 5

Bijlage I, punt 4

Bijlage I, punt 6

Bijlage I, punt 5

Bijlage I, aanhangsel 1

Bijlage I, aanhangsel 1

Bijlage I, aanhangsel 2 (zonder addendum)

Bijlage I, aanhangsel 2

-

Bijlage I, aanhangsel 3

-

Bijlage II

Bijlage I, punt 2

Bijlage III

-

Bijlage IV

-

Bijlage V

-

Bijlage VI

-

Bijlage VII

-

Bijlage VIII

Bijlage IX

Bijlage II, punten 1, 2, 3 en 4

Bijlage X, punten 1, 2, 3 en 4

-

Bijlage X, punten 5 en 6

Bijlage II, punten 5 en 6

Bijlage X, punten 7 en 8

Bijlage II, aanhangsel 1

Bijlage X, aanhangsel 1 (+ aanvullende info)

Bijlage II, aanhangsel 2 (zonder addendum)

Bijlage X, aanhangsel 2

Bijlage II, aanhangsel 3

Bijlage X, aanhangsel 3

-

Bijlage X, aanhangsels 4 en 5

Bijlage XI

-

Bijlage XII

Bijlage III, punt 1

-

Bijlage III, punt 2

-

(1) PB C 191 van 29.6.2012, blz. 76.
(2) PB C 191 van 29.6.2012, blz. 76.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 6 februari 2013.
(4) PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1.
(5) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1.
(6) PB L 188 van 18.7.2009, blz. 1.
(7) PB L 145 van 31.5.2011, blz. 1.
(8) PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12.
(9) PB L 42 van 23.2.1970, blz. 16.
(10) PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.
(11) PB L 137 van 30.5.2007, blz. 68.
(12) COM(1996)0540 definitief.
(13) ISO 362-1, Measurement of noise emitted by accelerating road vehicles - Engineering method – Part 1: M and N categories, ISO, Genève, Zwitserland, 2007.
(14) PB L 200 van 31.7.2009, blz. 1.
(15) Knol, A.B., Staatsen, B.A.M., Trends in de milieugerelateerde ziektelast in Nederland 1980 – 2020, RIVM-rapport 500029001, Bilthoven, Nederland, 2005; http://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/500029001.html.
(16) WHO-JRC-studie: Burden of disease from environmental noise. Quantification of healthy life years lost in Europe; http://www.euro.who.int/en/what-we-do/health-topics/environment-and-health/noise/publications/2011/burden-of-disease-from-environmental-noise.-quantification-of-healthy-life-years-lost-in-europe.
(17) Valuation of Noise - Position Paper of the Working Group on Health and Socio-Economic Aspects, Europese Commissie, directoraat-generaal Milieu, Brussel, 4 december 2003; www.ec.europa.eu/environment/noise/pdf/valuatio_final_12_2003.pdf.
(18) PB L 342 van 22.12.2009, blz. 46.
(19) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0584.
(20) CARS 21: A Competitive Automotive Regulatory System for the 21st Century, 2006: http://ec.europa.eu/enterprise/sectors/automotive/files/pagesbackground/competitiveness/cars21finalreport_en.pdf.
(21) PB L 326 van 24.11.2006, blz. 43.
(22) PB L 326 van 24.11.2006, blz. 55.
(23) PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30.
(24) Zie figuur 1 in aanhangsel 1 van bijlage II.
(25) PB L 12 van 18.1.2000, blz. 16.
(26)+ Vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
(27)+ Twee jaar na de datum van vaststelling van deze verordening.
(28) De nummers van de punten en voetnoten in dit inlichtingenformulier komen overeen met die in bijlage I bij Richtlijn 2007/46/EG. Punten die voor de toepassing van deze verordening niet relevant zijn, zijn weggelaten.
(29) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(30) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(31) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(32) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(33) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(34) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(35) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(36) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(37) Continuvariabele transmissie.
(38) Continuvariabele transmissie.
(39) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(40) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(41) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(42) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(43) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(44) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(45) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(46) Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn om het type voertuig, onderdeel of technische eenheid te beschrijven waarop het typegoedkeuringscertificaat betrekking heeft, worden die tekens op het certificaat weergegeven door het symbool „?” (bijv. ABC??123??).
(47) Zoals gedefinieerd in deel A van bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG.
(48) De in aanhangsel 1 van bijlage I verstrekte informatie hoeft niet te worden herhaald.
(49) Er wordt een test verricht op een stilstaand voertuig om een referentiewaarde vast te stellen voor instanties die deze methode toepassen om in gebruik zijnde voertuigen te controleren.
(50) Zie figuur 1 in aanhangsel 1 van bijlage II.
(51) Zie figuur 1 in aanhangsel 1 van bijlage II.
(52) Cvt.
(53) Moet nog worden gepubliceerd.
(54) Cvt.


Europees Vluchtelingenfonds, Europees Terugkeerfonds en Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen ***I
PDF 197kWORD 21k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2013 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Beschikking nr. 573/2007/EG, Beschikking nr. 575/2007/EG en Beschikking 2007/435/EG van de Raad om het cofinancieringspercentage van het Europees Vluchtelingenfonds, het Europees Terugkeerfonds en het Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen wat betreft sommige bepalingen in verband met het financiële beheer te verhogen voor bepaalde lidstaten die ten aanzien van hun financiële stabiliteit ernstige moeilijkheden ondervinden of daardoor worden bedreigd (COM(2012)0526 – C7-0302/2012 – 2012/0252(COD))
P7_TA(2013)0042A7-0004/2013

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0526),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 78, lid 2, en 79, lid 2 en 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0302/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 19 december 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0004/2013),

1.  stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en neemt het voorstel van de Commissie over;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 februari 2013 met het oog op de vaststelling van Besluit nr. .../2013/EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad om het cofinancieringspercentage van het Europees Vluchtelingenfonds, het Europees Terugkeerfonds en het Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen wat betreft sommige bepalingen in verband met het financiële beheer te verhogen voor bepaalde lidstaten die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden op het gebied van hun financiële stabiliteit

P7_TC1-COD(2012)0252


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit nr. 258/2013/EU.)


Buitengrenzenfonds ***I
PDF 194kWORD 20k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2013 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Beschikking nr. 574/2007/EG om het cofinancieringspercentage van het Buitengrenzenfonds te verhogen voor bepaalde lidstaten die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden op het gebied van hun financiële stabiliteit (COM(2012)0527 – C7-0301/2012 – 2012/0253(COD))
P7_TA(2013)0043A7-0433/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0527),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0301/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 19 december 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0433/2012),

1.  stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en neemt het voorstel van de Commissie over;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 februari 2013 met het oog op de vaststelling van Besluit nr. .../2013/EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Beschikking nr. 574/2007/EG om het cofinancieringspercentage van het Buitengrenzenfonds te verhogen voor bepaalde lidstaten die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden op het gebied van hun financiële stabiliteit

P7_TC1-COD(2012)0253


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit nr. 259/2013/EU.)


Instandhouding van de visbestanden ***I
PDF 207kWORD 32k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1288/2009 (COM(2012)0298 – C7-0156/2012 – 2012/0158(COD))
P7_TA(2013)0044A7-0342/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0298),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0156/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 september 2012(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 7 november 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A7-0342/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  hecht zijn goedkeuring aan de als bijlage bij deze resolutie gevoegde verklaring van het Parlement;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 februari 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen en Verordening (EG) nr. 1434/98 van de Raad tot vaststelling van de voorwaarden waarop haring mag worden aangevoerd voor andere industriële doeleinden dan rechtstreekse menselijke consumptie

P7_TC1-COD(2012)0158


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 227/2013.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van het Europees Parlement over uitvoeringshandelingen

Het Europees Parlement verklaart dat de bepalingen van deze verordening in verband met uitvoeringshandelingen het resultaat zijn van een delicaat compromis. Teneinde vóór het aflopen van verordening (EG) nr. 850/98 eind 2012 een akkoord in eerste lezing te bereiken, heeft het Europees Parlement de mogelijkheid van uitvoeringshandelingen in verordening (EG) nr. 850/98 aanvaard in bepaalde specifieke gevallen. Het Europees Parlement benadrukt echter dat die bepalingen niet als een precedent opgevat of gebruikt mogen worden in het kader van om het even welke verordening die wordt aangenomen in overeenstemming met de gewone wetgevingsprocedure, en met name het Commissievoorstel voor een verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen.

(1) PB C 351 van 15.11.2012, blz. 83.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen aangenomen op 22 november 2012 (aangenomen teksten, P7_TA(2012)0448).


Uitbanning en preventie van alle vormen van geweld jegens vrouwen en meisjes
PDF 124kWORD 24k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2013 over uitbanning en preventie van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes met het oog op de 57e Commissie van de VN inzake de positie van de vrouw (CSW) (2012/2922(RSP))
P7_TA(2013)0045B7-0049/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de in september 1995 in Peking gehouden vierde Wereldvrouwenconferentie, de verklaring van Peking en het in Peking onderschreven actieprogramma (Platform for Action), alsmede de daaropvolgende slotdocumenten betreffende verdere acties en initiatieven voor de uitvoering van de verklaring van Peking en het actieprogramma die tijdens de speciale VN-vergaderingen Peking +5 en Peking +10 respectievelijk op 9 juni 2000 en 11 maart 2005 werden aangenomen,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 maart 2006 getiteld „Een routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2006-2010” (COM(2006)0092),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2010 over het Peking +15 - VN-actieprogramma voor gendergelijkheid(1),

–  gezien zijn resolutie van 5 april 2011 over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen(2),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van vrouwen (Raad Algemene Zaken van 8 december 2008), en het actieplan betreffende gendergelijkheid en verzelfstandiging van vrouwen in het kader van ontwikkeling als onderdeel van de in juni 2010 goedgekeurde conclusies van de Raad inzake de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (Raad Buitenlandse Zaken),

–  gezien de notulen van de vergadering van de deskundigengroep inzake het voorkomen van geweld tegen vrouwen en meisjes van 17-20 september 2012 in Bangkok,

–  gezien het slotverslag van het forum van belanghebbenden van de VN inzake de preventie en uitbanning van geweld tegen vrouwen, bijeengekomen op 13 en 14 december 2012 in het hoofdkwartier van de VN,

–  gezien de vraag aan de Commissie over uitbanning en preventie van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes met het oog op de 57e Commissie van de VN inzake de positie van de vrouw (CSW) (O-000004/2013 - B7-0111/2013),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat geweld tegen vrouwen en meisjes nog altijd een van de meest ernstige wereldwijde en structurele mensenrechtenschendingen is, en dat dit verschijnsel los staat van de leeftijd, opleiding, inkomen of maatschappelijke positie van de slachtoffers of de geweldplegers, en zowel een gevolg als oorzaak van ongelijkheid tussen vrouwen en mannen is;

B.  overwegende dat geweld tegen vrouwen in alle landen van de wereld blijft voortbestaan als hardnekkige mensenrechtenschending en belangrijke belemmering voor de verwezenlijking van gendergelijkheid en verzelfstandiging van vrouwen; overwegende dat het vrouwen en meisjes over de gehele wereld treft, ongeacht factoren als leeftijd, klasse of economische achtergrond, en families en gemeenschappen schade toebrengt, aanzienlijke economische en maatschappelijke kosten met zich meebrengt, evenals een beperking en verzwakking van economische groei en ontwikkeling;

C.  overwegende dat alle vormen van geweld tegen vrouwen moeten worden aangepakt, namelijk lichamelijk, seksueel en psychologisch geweld, zoals bepaald in het actieprogramma van Peking, aangezien de mogelijkheid van vrouwen om mensenrechten en fundamentele vrijheden ten volle uit te oefenen door al deze vormen wordt beperkt;

D.  overwegende dat intimidatie en geweld tegen vrouwen een breed scala aan mensenrechtenschendingen omvatten, zoals: seksueel misbruik, verkrachting, huiselijk geweld, aanranding en seksuele intimidatie, prostitutie, handel in vrouwen en meisjes, schending van de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen, geweld tegen vrouwen op het werk, geweld tegen vrouwen in conflictsituaties, geweld tegen vrouwen in gevangenissen of zorginstellingen, geweld tegen lesbiennes, willekeurige vrijheidsberoving, alsmede diverse schadelijke traditionele praktijken zoals genitale verminking, eermisdrijven en gedwongen huwelijken; overwegende dat al deze vormen van misbruik diepe mentale littekens kunnen achterlaten en in lichamelijk of seksueel opzicht schade of lijden kunnen veroorzaken, alsook het dreigen met zulke handelingen en dwang, en de algemene gezondheid van vrouwen en meisjes kunnen schaden, met inbegrip van hun reproductieve en seksuele gezondheid, en in een aantal gevallen tot de dood kunnen leiden;

E.  overwegende dat behalve genderongelijkheid en -discriminatie ook andere vormen van discriminatie, zoals discriminatie op grond van handicap of het behoren tot een minderheid, het risico voor vrouwen op blootstelling aan geweld en uitbuiting kunnen vergroten; overwegende dat in de huidige repliek op geweld tegen vrouwen en meisjes en in eventuele begeleidende preventiestrategieën niet voldoende rekening wordt gehouden met vrouwen en meisjes die onder diverse vormen van discriminatie gebukt gaan;

F.  overwegende dat er diverse structurele vormen van geweld tegen vrouwen bestaan, zoals de beperking van het recht van vrouwen om te kiezen, hun recht op hun lichamen en lichamelijke integriteit, hun recht op onderwijs en hun recht op zelfbeschikking, en de ontzegging van hun volledige burger- en politieke rechten; herinnert eraan dat een maatschappij waarin vrouwen en mannen niet verzekerd zijn van gelijke rechten, een structurele vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes handhaaft;

G.  overwegende dat zowel plaatselijke als internationale ngo's, zoals belangenorganisaties en ngo's die opvanghuizen voor vrouwen, alarmlijnen en ondersteuningsstructuren beheren, van essentieel belang zijn om vooruitgang te kunnen boeken op het gebied van uitbanning van geweld tegen vrouwen en op gender gebaseerd geweld;

H.  overwegende dat voor een doeltreffende aanpak voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen en op gender gebaseerd geweld internationale samenwerking en actie noodzakelijk zijn, evenals duidelijk engagement van politieke leiders op alle niveaus en meer substantiële financiering;

I.  overwegende dat de beleidsmaatregelen en acties van de VN voor de uitbanning van geweld tegen vrouwen en meisjes en op gender gebaseerd geweld van het grootste belang zijn om deze kwesties tot prioriteit te verheffen in internationale beleidsvorming en acties, en om de lidstaten aan te moedigen de kwestie van geweld tegen vrouwen systematischer aan te pakken;

1.  bevestigt zijn engagement voor het actieprogramma van Peking en de hierin genoemde reeks maatregelen voor gendergelijkheid; herhaalt dat voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes een gecoördineerde en multisectoriële aanpak noodzakelijk is, waarbij alle belanghebbende partijen zijn betrokken en ook de onderliggende oorzaken van geweld worden aangepakt, zoals directe en indirecte discriminatie, heersende genderstereotypes en een gebrek aan gelijke behandeling van vrouwen en mannen;

2.  onderstreept het belang van een positief resultaat van de 57e Commissie van de VN inzake de positie van de vrouw (CSW) van 4-15 maart 2013, met inbegrip van de goedkeuring van een reeks toekomstgerichte, gezamenlijke conclusies die in belangrijke mate zullen bijdragen aan de uitbanning van geweld tegen vrouwen en meisjes, inclusief vrouwen met een handicap, inheemse vrouwen, migrantes, adolescentes en vrouwen met hiv/aids, en derhalve wereldwijd een verschil maken;

3.  is van mening dat de uitbanning van discriminerende sociaal-culturele attitudes een van de belangrijkste prioriteiten moet vormen bij de aanpak van geweld tegen vrouwen en meisjes, daar deze attitudes de ondergeschikte rol van vrouwen in de maatschappij versterken en resulteren in de aanvaarding van geweld tegen vrouwen en meisjes, zowel in de privésfeer als in het openbaar, thuis en op het werk en in onderwijsinstellingen; hoopt in deze context dat er sneller vooruitgang wordt geboekt op het gebied van ontwikkeling van internationale wettelijke normen, vereisten en beleidsmaatregelen om diensten voor en bescherming van slachtoffers te verbeteren, bewustwording te vergroten teneinde gedrag en attitudes te veranderen en bovenal te zorgen voor een toereikende en consistente tenuitvoerlegging over de gehele wereld;

4.  is van mening dat de EU en de lidstaten, teneinde efficiëntere spelers op wereldvlak te worden, hun inspanningen voor de uitbanning van geweld tegen vrouwen en op gender gebaseerd geweld ook op nationaal niveau moeten opvoeren; dringt er derhalve opnieuw bij de Commissie op aan een EU-strategie ter bestrijding van geweld tegen vrouwen voor te stellen, inclusief een richtlijn tot vaststelling van minimumnormen; dringt er in deze context ook bij de EU en de afzonderlijke lidstaten op aan het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te ondertekenen en bekrachtigen;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het beleid, de programma's en de beschikbare middelen om geweld binnen en buiten de EU het hoofd te bieden, te herzien, en hun strategie te versterken met verbeterde instrumenten en ambitieuze doelstellingen;

6.  verzoekt de EU en de lidstaten meer middelen toe te wijzen aan de uitbanning van geweld tegen vrouwen en meisjes op plaatselijk, nationaal, Europees en mondiaal niveau, en om ondersteuning te bieden aan actoren die zich inzetten voor de uitbanning van geweld tegen vrouwen en op gender gebaseerd geweld, met name aan ngo's die actief zijn op dit terrein;

7.  spreekt zijn uitdrukkelijke steun uit voor de werkzaamheden van VN-Vrouwen (UN Women), een centrale speler in het VN-bestel voor het wereldwijd uitbannen van geweld tegen vrouwen en meisjes en het samenbrengen van alle relevante belanghebbende partijen teneinde beleidswijzigingen door te voeren en acties te coördineren; verzoekt alle VN-lidstaten alsmede de EU om VN-Vrouwen meer financiële steun toe te kennen;

8.  verzoekt de dienst voor extern optreden van de EU om meer inspanningen te leveren teneinde ervoor te zorgen dat de mensenrechten van vrouwen en meisjes worden beschermd en bevorderd in alle acties en dialogen waarbij de dienst is betrokken, en om meer vaart te zetten achter de tenuitvoerlegging van de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van vrouwen, evenals om nauwere banden te creëren met de werkzaamheden ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes die in het kader van de ontwikkelingssamenwerking van de EU worden uitgevoerd, en tevens om steun te bieden aan verdedigers van vrouwenrechten, mensenrechten en rechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transseksuelen (LGBT);

9.  dringt aan op het ontwikkelen van programma's en institutionele mechanismen op internationaal en regionaal niveau, teneinde ervoor te zorgen dat preventiestrategieën ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes centraal staan in alle internationale acties die zijn bedoeld om humanitaire crises met betrekking tot conflict- en post-conflictsituaties of natuurrampen het hoofd te bieden;

10.  verzoekt de EU haar volledige steun te geven aan de aanbeveling van de deskundigengroep, die inhoudt dat de Commissie van de VN inzake de positie van de vrouw (CSW) 2013 moet instemmen met de ontwikkeling van een algemeen uitvoeringsplan ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes, met speciale nadruk op de preventie van geweld en het bieden van monitoring en operationele sturing met betrekking tot de bestaande internationale verplichtingen (CEDAW en het actieprogramma van Peking) die door alle VN-lidstaten moeten worden goedgekeurd en in 2015 moeten ingaan;

11.  verzoekt de EU de lancering van een wereldwijde actiecampagne voor de preventie van geweld tegen vrouwen en meisjes en op gender gebaseerd geweld te ondersteunen, teneinde verdere stappen te ondernemen om onze gemeenschappen en landen veilig te maken en de mensenrechten van vrouwen en meisjes over de gehele wereld volledig te eerbiedigen; is van mening dat deze campagne gebaseerd moet zijn op bestaande partnerschappen tussen staten en andere relevante partijen, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld en vrouwenorganisaties;

12.  verzoekt de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten om verslagen en voorstellen inzake geweld tegen vrouwen volledig in aanmerking te nemen;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten.

(1) PB C 348 E van 21.12.2010, blz. 11.
(2) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 26.


Europees innovatiepartnerschap voor actief en gezond ouder worden
PDF 161kWORD 37k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2013 over het Europees innovatiepartnerschap voor actief en gezond ouder worden (2012/2258(INI))
P7_TA(2013)0046A7-0029/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 februari 2012 „Verdere ontwikkeling van het strategische uitvoeringsplan van het Europees innovatiepartnerschap voor actief en gezond ouder worden” (COM(2012)0083),

–  gezien het Internationale Actieplan van Madrid inzake vergrijzing van april 2002,

–  gezien Besluit nr. 940/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2011 betreffende het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties,

–  gezien het strategische uitvoeringsplan van 17 november 2011 voor het Europese innovatiepartnerschap voor actief en gezond ouder worden,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's getiteld „Actief ouder worden: innovatie – slimme zorg – beter leven” van mei 2012(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Horizon 2020: stappenplannen voor ouder worden” van mei 2012(2),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0029/2013),

1.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een Europees innovatiepartnerschap (EIP) dat een nieuw gedachtepatroon bevordert waarin ouder worden wordt gezien als een kans voor de toekomst in plaats van als een last voor de maatschappij; benadrukt tevens dat deze kans niet beperkt moet blijven tot technische (ICT-) innovaties en het potentieel ervan voor de interne markt, voor bedrijfstakken en ondernemingen in de EU, aangezien ICT-oplossingen gebruikersvriendelijk moeten zijn en gericht op de eindgebruikers, en met name oudere personen; is van mening dat tevens een duidelijke en ondubbelzinnige strategie, op sociale doelstellingen steunende strategie moet worden gevolgd om de waarde van ouderen te bevorderen en formeel te erkennen, evenals de waarde van hun ervaring en van hun bijdrage aan de maatschappij en de economie, zonder stigmatisering of discriminatie;

2.  wijst erop dat die strategie ook onderzoek naar nieuwe vormen van arbeidsmogelijkheden moet omvatten die passend en geschikt zijn voor ouderen; is van mening dat er meer gedetailleerd onderzoek moet worden gedaan naar de mogelijkheden en de meerwaarde van het inzetten van ouderen, zodat er richtsnoeren kunnen worden ontwikkeld met voor iedereen geldende en aanvaardbare oplossingen; benadrukt dat het demografische dividend van oudere generaties van aanzienlijke waarde kan zijn voor de maatschappij;

3.  verzoekt de Commissie om formele opneming van zowel een gender- als een leeftijdsdimensie en derhalve de kwestie van het evenwicht tussen werk en gezin in te passen in haar strategie voor actief en gezond ouder worden;

4.  wijst erop dat de vergrijzing van de maatschappij aan demografische veranderingen (geboortedaling) toe te schrijven is;

5.  wijst erop dat ouderen de snelst groeiende leeftijdscategorie in Europa vormen; hoopt in dat verband dat de Commissie met het oog op een zo spoedig mogelijke totstandbrenging van infrastructuur, diensten en instrumenten om op deze maatschappijverandering te kunnen inspelen, de nationale regeringen, de lokale overheden, de WHO en zo veel mogelijk belanghebbenden blijft betrekken bij bewustmakingsmaatregelen op dit gebied;

6.  wijst op de sterk uiteenlopende bevolkingssamenstelling in de lidstaten en op de aanzienlijke nationale, politieke en culturele verschillen in de wijze waarop wordt aangekeken tegen deze demografische uitdaging, en met name tegen de manieren om die aan te pakken en er plannen voor te maken; merkt op dat de levensverwachting in alle lidstaten voortdurend stijgt en dat er een aanzienlijke toename is van het aantal mensen dat blijft werken na zijn pensioen, met een activiteitsgraad van werknemers in de leeftijdsgroep van 65 t/m 74 jaar die tussen 2006 en 2011 met 15% is toegenomen;

7.  beklemtoont dat het noodzakelijk is om naar oudere mensen te luisteren wanneer het gaat om de verstrekking van gezelschap in het kader van sociale programma's die inhouden dat jonge mensen zich bezighouden met ouderen en in ruil daarvoor van de waarde en ervaring van deze oudere mensen kunnen profiteren; meent dat het EIP steun uit het maatschappelijk middenveld moet ontvangen in de vorm van een hoger zorgniveau via diverse stichtingen en verenigingen;

8.  beklemtoont dat participatie op voet van gelijkheid ook een grondrecht van ouderen is;

9.  wijst erop dat mogelijkheden voor werk en vrijwilligerswerk, alsmede socialebeschermingsmaatregelen van essentieel belang zijn om te zorgen voor actief en gezond ouder worden;

10.  merkt op dat ouderen behoefte hebben aan andere vormen van steun en verzorging, en dat diensten en oplossingen daarom altijd mensgericht en vraaggestuurd moeten zijn;

11.  onderstreept dat discriminatie op grond van leeftijd met betrekking tot werk bestreden moet worden om ervoor te zorgen dat oudere werknemers hun baan kunnen houden of banenkansen hebben;

12.  benadrukt dat de lokale en regionale actoren een belangrijke rol te spelen hebben met betrekking tot de modernisering, verbetering en rationalisering van de dienstverlening op het gebied van gezondheid en sociale diensten teneinde modellen te creëren waarmee betere resultaten voor de personen op de arbeidsmarkt worden gehaald;

13.  onderstreept de noodzaak om het juiste kader te scheppen om mensen aan de arbeidsmarkt te laten deelnemen en productief te laten blijven, zowel door de arbeidsmarkt flexibeler te maken middels de invoering van arbeidstijdrekeningen voor het leven en mogelijkheden voor deeltijdwerk en door voorzieningen te treffen voor verschillende vormen van arbeidscontracten die geschikt zijn voor oudere werknemers, alsmede flexibele pensioenregelingen, bijvoorbeeld door middel van deeltijdpensioenen of bonusjaren waarbij ervoor wordt gezorgd dat er altijd sprake is van adequate sociale bescherming;

14.  steunt het voorstel van de Commissie om de definitie van actief en gezond ouder worden, zoals deze door de WHO is geformuleerd, over te nemen; benadrukt dat actief en gezond ouder worden betrekking heeft op de volledige levensduur en dat de bijzonderheden van de EU-context deel moeten uitmaken van de definitie, meer in het bijzonder de EU-prioriteiten inzake gezonde en ecologisch duurzame milieuomstandigheden, gezondheidsbewustheid, gezondheidspreventie, vroegtijdige screening gevolgd door een goede diagnosestelling en een doeltreffende behandeling, gezondheidsgeletterdheid, e-gezondheid, lichaamsbeweging, voedselveiligheid en goede voeding, gendergelijkheid, socialezekerheidsstelsels (met inbegrip van gezondheidszorg en ziektekostenverzekering) en socialebeschermingsregelingen; wijst erop dat ouderdom niet synoniem is met ziek zijn of gezondheidsproblemen hebben en dus niet geassocieerd of gelijkgesteld mag worden met afhankelijkheid en handicap;

15.  steunt het voorstel van de Commissie om in het kader van de doelstellingen van Horizon 2020 het gemiddelde aantal gezonde levensjaren (HLY - Healthy Life Years) met twee jaar te verhogen, en is verheugd over de medische vooruitgang die de levensverwachting helpt stijgen; benadrukt echter dat een levensloopperspectief moet worden gehanteerd om dit ambitieuze doel te verwezenlijken; benadrukt dat toegang tot preventie en basiszorg geprioriteerd moet worden en dat er passende mechanismen moeten worden gecreëerd om de fnuikende gevolgen van chronische aandoeningen voor actief en gezond ouder worden tijdens de hele levensduur te bestrijden;

16.  moedigt de Commissie en de lidstaten ertoe aan om gezondheid als een horizontale kwestie te beschouwen en dus gezondheidskwesties in te passen op alle EU-beleidsterreinen, met inbegrip van sociale zekerheid en sociale bescherming, werkgelegenheid en economisch beleid, gendergelijkheid en anti- en non-discriminatiebeleid;

17.  verzoekt de Commissie om monitoring en om verstrekking van wetenschappelijk onderbouwde, volledige en voor iedereen toegankelijke gegevens over het vóórkomen en prevaleren van ziekten en (chronische) aandoeningen, en die gegevens te verwerken in strategieën en richtsnoeren inzake de beste manieren om actief en gezond ouder te worden;

18.  verzoekt de lidstaten doeltreffende methoden voor de beoordeling en monitoring van ouderenmishandeling en van de gevolgen daarvan voor de gezondheid en het welzijn van de slachtoffers, en toegankelijke procedures te ontwikkelen voor bijstand aan en bescherming van slachtoffers;

19.  benadrukt dat gezondheidskwesties in het volledige beleid van de Europese Unie – onder meer op het vlak van sociale zekerheid en sociale bescherming, werkgelegenheid en economie, gendergelijkheid en discriminatie – moeten worden ingepast;

20.  spoort de Commissie ertoe aan de nadruk te blijven leggen op het feit dat het met twee jaar verhogen van het aantal gezonde levensjaren van onze burgers de hoofddoelstelling is en dat alle gekozen maatregelen meetbaar moeten bijdragen tot de verwezenlijking daarvan;

21.  steunt het voorstel van de Commissie om als facilitator en coördinator van het Europees innovatiepartnerschap voor actief en gezond ouder worden (EIP-AHA) op te treden en in dialoog te treden met belanghebbenden die zowel de vraagzijde als de aanbodzijde vertegenwoordigen; merkt op dat de Commissie ervoor moet zorgen dat het EIP alle burgers van de EU ten goede komt, en in het bijzonder burgers die ondervertegenwoordigd zijn of het gevaar lopen te worden uitgesloten; is in dit verband ingenomen met het feit dat de rol van het EIP bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Innovatie-Unie, de digitale agenda, het initiatief inzake nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen, het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting en de gezondheidsstrategie van de EU, in mededeling COM(2012)0083 erkend wordt;

22.  verzoekt de Commissie indicatoren te ontwikkelen waarmee gegevens over chronische aandoeningen en ouder worden beschikbaar komen die vergelijkbaar en volledig en gemakkelijk te raadplegen zijn, teneinde effectievere strategieën te ontwikkelen en zowel op Europees als nationaal niveau best practices te kunnen uitwisselen;

23.  steunt het voorstel van de Commissie om de deelname van ouderen in besluit- en beleidsvormingsprocessen te bevorderen en regionaal en lokaal bestuur te stimuleren; benadrukt dat een op participatie gebaseerde bottom-upbenadering en naast de deelname van ouderen aan het sociaal en cultureel leven diepgaandere basisbeoordelingen en een regelmatige monitoring van de huidige en toekomstige behoeften en verlangens van ouderen en hun informele en formele zorgverleners vereisen;

24.  benadrukt dat op plaatselijk niveau en via een op participatie gebaseerde bottom-upbenadering verzamelde informatie en gegevens de beleidsmakers de kennis zullen opleveren die zij nodig hebben om beleid te maken dat aanvaardbaar en geschikt is voor plaatselijke gemeenschappen; verzoekt de Commissie daarom een op participatie gebaseerde bottom-upbenadering bij onderzoek verplicht te stellen, alsook de verdere ontwikkeling van relevante indicatoren en indexen, teneinde de huidige behoeften aan effectief beleid, programma's en diensten in kaart te brengen en te monitoren;

25.  wijst de Commissie op het feit dat de beperkingen op het gebied van gezondheidszorg, zorgdiensten, sociale bescherming en sociale zekerheid die de Commissie en/of de lidstaten hebben goedgekeurd en uitgevoerd om in het licht van de huidige economische en financiële crisis financiële en budgettaire bezuinigingen op openbare uitgaven (voor gezondheid en sociale kwesties) door te voeren, op geen enkele manier mogen botsen met, of een negatieve impact mogen hebben op de fundamentele menselijke behoeften en waardigheid; benadrukt dat die bezuinigingen, tenzij zij gepaard gaan met weloverwogen, patiëntgerichte hervormingen, de ongelijkheid op maatschappelijk en gezondheidsgebied nog kunnen versterken en tot sociale uitsluiting kunnen leiden; benadrukt dat deze bezuinigingen negatieve gevolgen zullen hebben voor de algemene gezondheidsresultaten en de ongelijkheid op het vlak van gezondheid, sociale ongelijkheid en sociale uitsluiting zullen verergeren, waardoor de solidariteit tussen generatiegenoten en tussen generaties in het gedrang komt; verzoekt de lidstaten daarom een generatiepact uit te werken dat een duidelijke, ondubbelzinnige strategie omvat om de sociale cohesie veilig te stellen, de algemene gezondheidsresultaten te verbeteren en de ongelijkheden op het vlak van gezondheid weg te werken; beklemtoont dat er in deze strategieën moet worden gestreefd naar de optimale betaalbaarheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid van gezondheids- en socialezorgregelingen;

26.  benadrukt in dit verband dat er op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau voldoende financiële middelen beschikbaar moeten zijn om kmo's en sociale ondernemingen te ondersteunen; betwijfelt of de van de belanghebbenden afkomstige middelen voor het EIP-AHA-partnerschap toereikend zijn en spoort de Commissie ertoe aan voor de nodige financiering te zorgen; is ingenomen met de voorgenomen aanpassing van de EU-financieringsinstrumenten om de impact van de middelen zo groot mogelijk te maken en spoort aan tot het starten en voortzetten van projecten zoals CASA, „Langer en beter leven”, en andere projecten die de interoperabiliteit en de uitwisseling van kennis, gegevens en best practices bevorderen; meent dat het besluit om „Innovering voor gezond leven en actief ouder worden” voor de periode 2014-2015 tot prioritair thema van de kennis- en innovatiegemeenschappen (KIG's) van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) te verheffen, een stap in de goede richting is die een vervolg moet krijgen in concrete financieringsinstrumenten, bijvoorbeeld financiering uit het meerjarig financieel kader 2014-2020, met inbegrip van het ESF, het EFRO, het Europees programma voor sociale verandering en innovatie (EPSCI), het programma voor onderzoek en innovatie en Horizon 2020;

27.  is van oordeel dat er verschillende financieringsinstrumenten nodig zijn - zoals het sociaalondernemerschapsfonds, het Europese durfkapitaalfonds en het European Angels Fund (EAF) om de toegang van sociale ondernemingen tot de financiële markten te bevorderen;

28.  verwacht van de lidstaten dat zij bij het gebruik van de structuurfondsen meer aandacht hebben voor de leef- en werkomstandigheden van de oudere generatie, dat zij voor 2020 samen een generatievriendelijk Europa tot stand brengen en dat zij hun sociale infrastructuur uitbouwen om armoede onder ouderen te kunnen bestrijden;

Pijler 1: Preventie, screening en vroegtijdige diagnose

29.  is ingenomen met de benadering van de Commissie met betrekking tot de preventie van zwakte en functionele achteruitgang; spoort de Commissie ertoe aan een holistische aanpak ten aanzien van preventie te hanteren; wijst op het systematische verband tussen sociaaleconomische status en gezondheidsresultaten gedurende het leven; verzoekt de Commissie en de lidstaten structurele vraagstukken, zoals gebrek aan gezondheidsgeletterdheid, en sociaaleconomische ongelijkheid (die tot gezondheidsongelijkheid leidt) te bestrijden; beseft dat individuele verantwoordelijkheid een rol moet spelen bij de verbetering van de gezondheid, maar vindt het onjuist dat er druk wordt uitgeoefend op personen om hun gezondheid te verbeteren zonder dat structurele kwesties naar behoren worden aangepakt; verzoekt daarom de Commissie en de lidstaten structurele voorwaarden te scheppen waarmee structurele en gezondheidsongelijkheid, inclusief gebrek aan gezondheidsgeletterdheid, wordt aangepakt en de nodige financiële middelen beschikbaar te maken om het onderzoek naar de rol die de plaatselijke gemeenschappen kunnen spelen om deze ongelijkheid te bestrijden, te bevorderen;

30.  verzoekt de Commissie en de bevoegde instanties in de lidstaten alle vormen van preventie te erkennen, stimuleren en financieren - d.w.z. bevordering van een gezonde levensstijl, regelmatige screening op ziekten en tijdig ingrijpen om het verloop van ziekten vanaf de eerste fasen te vertragen of om te keren - en preventieve maatregelen te nemen om de verslechtering van de gezondheidstoestand van mensen met chronische aandoeningen af te remmen;

31.  wijst erop dat geestelijke flexibiliteit bevorderd kan worden door levenslang leren - ook op latere leeftijd - en dat aandoeningen als dementie daardoor kunnen worden teruggedrongen;

32.  steunt de aanpak van de Commissie op het gebied van gezondheidsbevordering door middel van geïntegreerde programma's; benadrukt echter dat deze programma's moeten stoelen op wetenschappelijk aangetoonde feiten (die de huidige en toekomstige behoeften van ouderen weerspiegelen); benadrukt voorts dat deze programma's een deugdelijke aanpak moeten behelzen ten aanzien van kwesties die niet (volledig of rechtstreeks) verband houden met individueel gedrag, zoals milieuomstandigheden (lucht- en waterkwaliteit, lawaaivermindering, afvalbeheer), gezondheid en veiligheid op het werk (leeftijdsmanagement) en consumentenbescherming (voorschriften inzake marketing en reclame, voedselveiligheid, consumentenrechten);

33.  steunt de aanpak van de Commissie met betrekking tot het bevorderen van meer lichaamsbeweging onder de bevolking om actief en gezond ouder worden in de hand te werken, waarbij het aantekent dat gebrek aan regelmatige lichaamsbeweging tot gezondheidsproblemen leidt die volgens de WHO de vierde risicofactor voor overlijden vormen; is verontrust over het feit dat de meeste EU-burgers de aanbevelingen voor dagelijkse lichaamsbeweging niet nakomen;

34.  pleit ervoor om een nauwere link te leggen tussen gezond ouder worden en meer lichamelijke oefening in onderwijsprogramma's; wijst op het belang van keuzes in het dagelijks leven (lichaamsbeweging, voedingspatroon e.d.) voor de preventie van gezondheidsproblemen; verzoekt de Commissie en de bevoegde instanties van de lidstaten actie te ondernemen om mensen van alle leeftijden aan te sporen meer te bewegen om hun individuele gezondheid te verbeteren en zo meer jaren in goede gezondheid te kunnen leven, wat ook aanzienlijke voordelen meebrengt voor de maatschappij voor wat betreft de volksgezondheid in het algemeen en de financiële resultaten;

35.  is ingenomen met het strategisch uitvoeringsplan van het Europees innovatiepartnerschap voor actief en gezond ouder worden, en met name over de nadruk die daarin gelegd wordt op samenwerking tussen de Commissie, de lidstaten, de industrie en het bedrijfsleven, publieke en particuliere belanghebbenden en beroepsbeoefenaars uit de gezondheids- en zorgsector, en organisaties die ouderen en patiënten vertegenwoordigen, de uitwisseling en overdracht van goede ideeën en best practices (bijvoorbeeld het digitale platform „Marktplaats”), en het optimaliseren van de bestaande financieringsinstrumenten; onderstreept dat ouder worden moet worden gezien als een kans en niet als een last en dat de waarde van ouderen, hun ervaring en hun voortdurende bijdrage aan de maatschappij moeten worden erkend en bevorderd; is tevreden met de duidelijke opzet van de Commissie om de vitaliteit en waardigheid van ouderen in Europa te bevorderen door seniorengerichte innovatie, te werken aan een sterkere „cultuur van actief ouder worden” in een generatievriendelijk Europa en dit proces samen met erkende partners uit onderzoek en het maatschappelijk middenveld vorm te geven;

36.  herinnert eraan dat de informele en niet-formele opleiding van oudere werknemers beter moet worden erkend, met name de opleiding in de vorm van vrijwilligerswerk en informele zorg;

37.  verzoekt de Commissie in de eerste plaats aandacht te besteden aan de factoren die beïnvloeden hoe de Europese bevolking ouder wordt, zoals het alcohol- en tabakgebruik;

Pijler 2: Zorg en behandeling

38.  steunt de doelstelling van de Commissie om geïntegreerde zorg- en behandelingsstelsels verder te ontwikkelen; verzoekt de lidstaten en bevoegde instanties derhalve om, rekening houdend met de deugdelijkheid van bestaande, geprefereerde en toekomstige zorg- en behandelingsstelsels en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel op het vlak van de volksgezondheid, nationale, regionale en lokale zorg- en behandelingssystemen uit te werken die een holistische en geïntegreerde benadering inhouden van leeftijdgerelateerde aandoeningen; verzoekt de Commissie de lidstaten hierbij te assisteren en daarbij rekening te houden met regionale en lokale verschillen in de verwachtingen, normen en waarden van burgers; spoort de Commissie ertoe aan gebruik te maken van de werkzaamheden van het Europees Geneesmiddelenbureau betreffende geneesmiddelen bij oudere mensen en die werkzaamheden te integreren teneinde de toegang van oudere patiënten tot veilige en aangepaste geneesmiddelen te verbeteren;

39.  juicht het voornemen van de Commissie toe om regelingen op het gebied van case management, alsmede zorgplannen, in te voeren; meent dat een klant/patiëntgerichte aanpak weliswaar nodig is, maar dat de kosten voor een dergelijke aanpak in termen van inzet van opgeleide zorgverleners en gebruik van geschikte „hulpmiddelen” niet uitsluitend door de individuele burger moeten worden opgebracht, maar als een maatschappelijke verantwoordelijkheid worden beschouwd, waarbij solidariteit tussen en onder generaties wordt gewaarborgd; is van mening dat er aandacht moet worden geschonken aan nieuwe vormen van solidariteit die in het potentieel van de oudere generatie schuilgaan en die een plaats moeten krijgen in de aanpak van zorgvraagstukken;

40.  moedigt het streven van de Commissie aan om van e-gezondheid een significant en substantieel onderdeel te maken van toekomstige zorg- en behandelingsstelsels; beseft echter dat het mogelijk is dat e-gezondheidsoplossingen ondanks de voordelen ervan niet voor een belangrijke verbetering van de algemene gezondheidsresultaten zullen zorgen, met inbegrip van psychologisch welzijn, als die oplossingen bestaan in het vervangen van menselijke interactie in plaats van deel uit te maken van een persoonlijke benadering tussen patiënten en beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg; is van oordeel dat e-gezondheidstechnologie niet ten koste mag gaan van de vertrouwensrelatie tussen oudere mensen en beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg;

41.  begrijpt dat de Commissie zorg- en behandelingsstelsels rendabeler wil maken; benadrukt echter dat de voortdurende toename van de algehele kosten voor gezondheidszorg en sociale steun niet uitsluitend aan de vergrijzing kan worden geweten; beseft dat de toename van het aantal chronische aandoeningen een belangrijke rol speelt in de stijgende kosten van gezondheidszorg en sociale ondersteuning; tekent daar echter bij aan dat, als de kosten van de gezondheidszorg steeds meer gedragen door de individuele personen, er waarschijnlijk een vicieuze cirkel zal ontstaan waarin de gezondheid en het welzijn van mensen in het gedrang komen omdat zij dan wellicht gedwongen worden hun vaak beperkte middelen op een andere manier te gebruiken of om medische behandeling, bijstand en goede voeding uit te stellen of te stoppen of er zelfs helemaal van af te zien, waardoor de kosten van gezondheidszorg en sociale ondersteuning uiteindelijk steeds hoger zullen worden, zowel voor het individu als voor de maatschappij;

42.  onderkent de doelstelling van de Commissie om iets te doen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke onzekerheden en de verbrokkeling van de markt, maar wijst er met klem op dat bij alle noodzakelijke markthervormingen rekening moet worden gehouden met een belangrijk vereiste, nl. dat de gezondheidszorg betaalbaar moet blijven voor de burgers, en dat de bevoegdheden van nationale of regionale regeringen en plaatselijke overheden met betrekking tot gezondheidszorg en sociale bescherming erkend, geëerbiedigd en nageleefd moeten worden, onverminderd de noodzaak te investeren in gemeenschapsgerichte zorgstelsels;

43.  stelt dat verdere hervormingen van de pensioenstelsels noodzakelijk zijn om ze toereikend, duurzaam en zeker te houden, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan een vermindering van de salaris- en bijgevolg de pensioenkloof tussen vrouwen en mannen, en dat de pensioenniveaus tevens voor de komende generaties voorspelbaar moeten zijn; dringt met het oog daarop aan op meer samenhang tussen de daadwerkelijke pensioengerechtigde leeftijd, de officiële pensioengerechtigde leeftijd en de levensverwachting; doet een beroep op de lidstaten die de wettelijke pensioenleeftijd hebben verhoogd of zullen verhogen, de tewerkstelling van ouderen aan te moedigen via vrijstellingen op het gebied van belastingen en sociale zekerheid;

44.   verzoekt de Commissie een algehele analyse te geven van het Europees potentieel voor de zorg in relatie tot het zorgpotentieel van de lidstaten, gelet op het nijpende tekort aan gezondheidswerkers in bepaalde lidstaten ten gevolge van de aantrekkelijker arbeidsvoorwaarden in andere Europese landen;

45.  verzoekt de Commissie een strategie te ontwikkelen met het oog op gelijke kansen voor alle Europese burgers op het gebied van de zorg, en de totstandbrenging van een systeem van samenwerking tussen de Europese landen waar gezondheidswerkers massaal naar het buitenland trekken en de landen die daarvan profiteren;

46.  stelt dat beleid dat erop is gericht om te zorgen voor een evenwicht tussen gezins- en beroepsleven, vrouwen in staat stelt om beter om te gaan met ouder worden, aangezien werk zorgt voor een hogere levenskwaliteit; is van oordeel dat een dergelijk beleid vrouwen ook in staat stelt de salariskloof te vermijden, alsmede het hiermee verband houdende risico van armoede later in het leven, omdat het gevolgen heeft voor de hoogte van de betaalde pensioenbijdragen als vrouwen om gezins- en beroepsleven te combineren moeten kiezen voor deeltijds, gelegenheids- of atypisch werk;

47.  acht het noodzakelijk de toereikendheid van de pensioenen te versterken door genderdiscriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden, met name door de loopbaan- en de salariskloof te verminderen;

48.  onderstreept de noodzaak van de eigen verantwoordelijkheid, in het besef dat individuen ook moeten nadenken over wat zij kunnen doen om hun pensioenleeftijd veilig te stellen; benadrukt dat ook familie en de solidariteit tussen de generaties een cruciale rol spelen;

Pijler 3: actief ouder worden en zelfstandig wonen

49.  is verheugd over de aanpak van de Commissie ten aanzien van actief ouder worden en zelfstandig wonen, meer in het bijzonder over haar brede visie ten aanzien van de rol en het belang van de „plaats bij het ouder worden”, aangezien de radius of perimeter waarin mensen hun leven leiden almaar krimpt naarmate zij ouder worden en ouderen er doorgaans voor kiezen zo lang mogelijk zelfstandig te wonen en een actieve rol in hun gemeenschap te blijven vervullen; benadrukt dat ouderen ertoe moeten worden aangemoedigd om zo lang als redelijkerwijs mogelijk is zelfstandig in hun eigen huis te blijven wonen als zij dat wensen, met als doel de verstoring van hun dagelijkse gewoonten, zowel op fysiek als op mentaal vlak, te beperken; beklemtoont tevens dat het bejaardentehuis niet de enige oplossing is, maar dat ook intergenerationeel samenleven en op alle vlakken actieve buurten daartoe kunnen bijdragen; beschouwt het gemeenschappelijk programma Ambient Assisted Living (GP AAL) daarbij als belangrijk instrument om het dagelijks leven van mensen door middel van technische hulpmiddelen te vergemakkelijken;

50.  spoort de Commissie ertoe aan om in haar beoordeling van oplossingen voor zelfstandig wonen rekening te houden met de problemen die voortvloeien uit de in talrijke lidstaten bestaande kloof tussen de gemiddelde verwachte levensduur in goede gezondheid en de pensioenleeftijd, die inhoudt dat veel mensen potentieel een periode doormaken waarin ze niet meer in staat zijn te werken maar nog niet in aanmerking komen voor de uitkering van een volledig pensioen;

51.  herinnert eraan dat bejaarden een troef zijn voor onze maatschappijen en dat het van essentieel belang is van hun kennis en ervaring op alle terreinen van het leven te profiteren en hun zelfstandig leven zo lang mogelijk te ondersteunen;

52.  is van oordeel dat het van cruciaal belang is het informatie-isolement van de oudere generatie te bestrijden en dat de toegang tot en het gebruik van nieuwe technologieën een van de wezenlijke instrumenten vormen voor actief en gezond ouder worden en de sociale inclusie van bejaarden;

53.  verzoekt de Commissie zich in te zetten voor reële toegankelijkheid in de leefomgeving door steun voor aanpassing van woningen van ouderen omwille van hun zelfstandigheid; beklemtoont dat aanpassing van woningen de beste preventie biedt tegen huiselijke ongevallen, die de oorzaak kunnen zijn van zware handicaps en de daaruit voortvloeiende aanzienlijke kosten voor de overheid en voor familieleden, en die actief en gezond ouder worden in de weg staan;

54.  steunt het doel van de Commissie om leeftijdsvriendelijke omgevingen tot stand te brengen om te voorkomen dat het potentieel van ouderen en de vaardigheden die zij (nog) hebben gehinderd worden door hun omgeving, en om hen te helpen hun fysieke en cognitieve vaardigheden zo lang mogelijk te behouden en in een vertrouwde en veilige leefomgeving te wonen, zodat ook sociaal isolement voorkomen wordt; verzoekt de Commissie echter de totstandbrenging van omgevingen die voor iedereen zijn ontworpen („design for all”) te stimuleren en benadrukt dat deze milieus in een brede context moeten worden gezien en niet alleen de gebouwde stedelijke en plattelandsomgeving met comfortabele, veilige en toegankelijke huizen, bestrating, steden, enz. moeten omvatten, maar ook de sociale, psychologische, ecologische, culturele en natuurlijke omgeving, waarin diverse vormen van activiteiten worden aangeboden en elk individu de kans heeft op persoonlijke verwezenlijking en gedeelde motivatie; beklemtoont dat ouderen in deze stedelijke omgeving beter moeten kunnen profiteren van de voordelen van het leven in een dichtbevolkt gebied dankzij een makkelijkere toegang tot essentiële faciliteiten, en wijst erop dat veel mensen ondanks de voortschrijdende verstedelijking nog steeds op het platteland wonen, waar eveneens innoverende oplossingen nodig zijn;

55.  wijst er eveneens op hoe belangrijk het is de inrichting van huizen van ouderen zo aan te passen dat huishoudelijke ongevallen en valpartijen beter worden voorkomen en ouderen langer zelfstandig kunnen blijven wonen; spoort de lidstaten ertoe aan ervoor te zorgen dat ouderen in aanmerking komen voor subsidie voor de aanpassing van woningen; pleit voor maatregelen die verhinderen dat oudere en aan huis gebonden personen geïsoleerd raken en die het stigma van al dan niet leeftijdsgebonden aandoeningen doorbreken;

56.  benadrukt de noodzaak van een evenwicht tussen landelijke en stedelijke gebieden op het vlak van ouderenzorg; is van mening dat de problemen inzake mobiliteit waarmee oudere mensen in plattelandsgebieden te maken krijgen, moeten worden aangepakt door middel van technologische ICT-innovaties;

57.  onderstreept dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de inclusie van ouder wordende mensen die in afgelegen gebieden wonen of die in meer dan één opzicht benadeeld zijn;

58.  steunt het streven van de Commissie om leeftijdsvriendelijke omgevingen te creëren, teneinde te voorkomen dat de potentiële (en resterende) mogelijkheden van ouderen door hun omgeving worden belemmerd; benadrukt dat deze omgevingen in een brede context moeten worden opgevat en niet alleen betrekking dienen te hebben op de gebouwde omgeving, maar ook op de sociale, psychologische, culturele en natuurlijke omgeving; spoort de Commissie in dit verband ook aan een Europese Toegankelijkheidswet voor te stellen;

59.  verzoekt de Commissie de bestaande oplossingen en best practices op het gebied van de aanpak voor actief ouder worden onder de loep te nemen om tot een nieuwe benadering te komen en een alomvattend en passend systeem voor actief ouder worden op te zetten in alle lidstaten;

60.  stelt voor dat voor actief ouder worden plaats wordt ingeruimd in het beleid van de Unie in het kader van titel XII (inzake onderwijs en sport) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

61.  wijst erop dat de verwijdering van obstakels in de gebouwde omgeving ten behoeve van gehandicapten ook ten goede komt aan ouderen, die daardoor langer onafhankelijk en actief kunnen blijven; acht het daarom van belang dat deze werkzaamheden ook in kleinere plaatsen worden uitgevoerd, waar veel ouderen wonen;

62.  bepleit dat mensen aangespoord worden „actieve gepensioneerden” te worden;

63.  verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen ter bestrijding van discriminatie van ouderen bij de toegang tot de arbeidsmarkt, op de werkplek en bij het verrichten van arbeid, met het oog op de totstandbrenging van een consequent generatievriendelijke arbeidswereld;

64.  verzoekt de werkgevers, indien nodig, hun inspanningen op te voeren om de arbeidsomstandigheden aan de gezondheidstoestand en de capaciteiten van oudere werknemers aan te passen en een positiever beeld van senioren op de werkplek te bevorderen;

65.  wijst erop dat ouder worden niet alleen uitdagingen inhoudt, maar ook mogelijkheden biedt, met name innovatiemogelijkheden die op lange termijn kunnen bijdragen tot het scheppen van banen en een toename van de economische gezondheid in Europa;

Horizontale kwesties

66.  is verheugd over de aanpak van de Commissie ten aanzien van financieringsinstrumenten, normaliseringsprocessen, archiefopbouw, synergie en vereenvoudigde samenwerking en uitwisseling van best practices tussen de lidstaten; benadrukt echter dat het een eerste vereiste is dat deze doelstellingen aan werkelijke behoeften en verlangens worden gekoppeld (d.w.z. dat beleidsmaatregelen, programma's en diensten empirisch onderbouwd zijn en dus door representatieve beoordeling en regelmatige monitoring worden ondersteund, zodat een leeftijdsvriendelijke Unie snel en makkelijk tot stand kan worden gebracht); verzoekt de Commissie daarom de ontwikkeling van gestandaardiseerde instrumenten voor beoordeling en toezicht op gang te brengen zodat de benodigde gegevens worden geleverd voor gedegen beleidsaanbevelingen, programontwikkeling en zorgverlening;

67.  steunt de aanpak van de Commissie ten aanzien van leeftijdsvriendelijke innovaties; verzoekt de Commissie echter ervoor te zorgen dat deze innovaties op eindgebruikers gericht zijn en gebruiksvriendelijk zijn en hun potentieel actief meenemen; verzoekt de Commissie daarom een methode te ontwikkelen aan de hand waarvan de huidige en toekomstige behoeften van ouderen kunnen worden geëvalueerd, en de eindgebruikers meer te betrekken bij haar beleid en haar financieringsprogramma's; brengt in herinnering dat zaken die op de behoeften van ouderen worden afgestemd, doorgaans alle generaties ten goede blijken te komen;

68.   stelt dat er behoefte is aan betere coördinatie tussen de verschillende niveaus waarop wordt gezocht naar oplossingen voor actief en gezond ouder worden en aan meerlagige governance op dit terrein; is van mening dat de regionale en plaatselijke overheden niet louter als uitvoerders moeten worden beschouwd maar bij het gehele proces van besluitvorming en beoordeling betrokken moeten worden;

69.  benadrukt de belangrijke rol van de lokale en regionale actoren bij de modernisering, verbetering en rationalisering van de dienstverlening op het gebied van gezondheid en sociale diensten teneinde modellen te creëren waarmee betere resultaten voor de personen op de arbeidsmarkt worden gehaald;

70.  is ingenomen met de bestaande initiatieven betreffende toegankelijkheid, zoals de Access City Award (prijs voor de best toegankelijke stad); vraagt dat de Commissie ambitieuze Europese toegankelijkheidswetgeving goedkeurt met als doel de markt van toegankelijke goederen en diensten te ontwikkelen;

71.  pleit voor het idee om informele opleiding aan te bieden aan leden van jongere generaties zodat deze gewone basisdiensten kunnen verstrekken aan oudere mensen;

72.  wijst op het wezenlijke belang van meer investeringen in en uitgaven voor onderwijs, opleidingen en vervolgopleidingen, waarbij de prioriteit dient te liggen bij „een leven lang leren” en de bevordering van gezonde levenswijzen om ervoor te zorgen dat een generatievriendelijke arbeidswereld ontstaat en ook oudere werknemers zich in een veranderende technologische omgeving staande kunnen houden; dringt er in verband hiermee op aan dat sterk de nadruk wordt gelegd op een leven lang leren in het kader van het „Erasmus voor iedereen”-programma, dat een effectief instrument is ter bevordering van onderwijs en permanente beroepsontwikkeling voor burgers van de Unie van alle leeftijden;

73.  benadrukt het feit dat er behoefte is aan een holistische aanpak van ouder worden en aan een algemene ontwikkeling en hervorming, niet alleen op het gebied van een leven lang leren en de arbeidsmarkt, maar ook met betrekking tot de toegang hiertoe, met inbegrip van factoren zoals vervoer, infrastructuur en gebouwen;

74.  onderstreept de noodzaak van het invoeren van systemen voor de ondersteuning van mantelzorgers;

75.  steunt de aanpak van de Commissie ten aanzien van de bevordering van de creatie van leeftijdsvriendelijke omgevingen, die moeten worden beschouwd als een cruciale hulp voor actief en gezond ouder worden gedurende de volledige levensduur; wijst er evenwel op dat het bevorderen van de creatie van leeftijdsvriendelijke omgevingen niet volstaat om daadwerkelijke verbeteringen tot stand te brengen op het vlak van onder meer de mobiliteit van personen, de begaanbaarheid van wijken, de faciliteiten van gemeenschappen voor sociale participatie en de toegang tot hoogwaardige en betaalbare gezondheidszorg en zorgverlening alsook aangepaste en betaalbare huisvesting;

76.  is ingenomen met de doelstelling ouderdomsvriendelijke omgevingen te bevorderen als essentieel instrument om oudere werknemers en werkzoekenden te ondersteunen en inclusieve samenlevingen te bevorderen die gelijke kansen bieden voor iedereen;

77.  onderstreept het belang van het garanderen van de gezondheid en veiligheid op het werk als een voorwaarde voor een duurzaam beroepsleven en actief ouder worden, met name voor werknemers met handicaps of chronische aandoeningen; wijst erop dat ICT en machines hierbij een centrale rol kunnen spelen door de fysieke taken voor onze verouderende beroepsbevolking te vergemakkelijken; verzoekt de Commissie en de lidstaten de technologie in kwestie in voorkomend geval te bevorderen; is verheugd over de erkenning van het belang van preventie in de eerste pijler van het strategische uitvoeringsplan; is ervan overtuigd dat preventie ook een centrale rol speelt op het werk via een verbetering van de gezondheid op het werk en een hieruit voortvloeiende vermindering van de druk op de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg;

78.  is ervan overtuigd dat uitgebreide hervormingen noodzakelijk zijn om ernstige tekorten met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkten te voorkomen en te vermijden, omdat deze tekorten de economische stagnatie zouden verergeren en een bedreiging zouden vormen voor het welvaartspeil in Europa; onderstreept in dit verband het feit dat een ruim perspectief moet worden ontwikkeld om rekening te houden met kwesties als economisch beleid, werkgelegenheid, sociale zekerheid, sociale bescherming, de gelijkheid van vrouwen en mannen en discriminatie;

79.  verheugt zich over de huidige initiatieven betreffende normalisering zoals de mandaten op het vlak van „design for all” en de toegankelijkheid van ICT en van de gebouwde omgeving; stelt vast dat de Commissie zich ertoe verbonden heeft gelijkaardige initiatieven te lanceren voor Europese normen inzake e-gezondheid en zelfstandig leven; vraagt dat de Commissie en de voor normalisering bevoegde instanties gebruikers in grotere mate bij deze initiatieven betrekken, zodat hun behoeften naar behoren in aanmerking worden genomen;

80.  verzoekt de Commissie en de lidstaten campagnes te starten ter verbetering van de perceptie bij de bevolking van de bijdrage en de productiviteit van oudere werknemers, met name diegenen met handicaps of chronische aandoeningen;

81.  is van mening dat ouderen behoefte hebben aan een adequaat inkomensniveau, huisvesting, toegang tot alle soorten diensten op het gebied van gezondheid en op sociaal en cultureel gebied en sterke sociale netwerken om hun levenskwaliteit te verbeteren en ook dat zij behoefte hebben aan mogelijkheden om, indien zij dat wensen, een bijdrage te blijven leveren op de arbeidsmarkt, zonder beperkingen die voortvloeien uit leeftijdsdiscriminatie;

82.  benadrukt het feit dat het belangrijk is oudere vrijwilligers en generatieoverschrijdend vrijwilligerswerk te ondersteunen; is van mening dat vrijwilligerswerk en initiatieven van ouderen voor ouderen ten behoeve van de verouderende bevolking een instrument kunnen zijn van inclusie en tegelijk een redelijke bijdrage kunnen leveren tot de duurzaamheid van de systemen voor langetermijnzorg; moedigt daarom ontwikkeling en innovatie op dit gebied aan;

o
o   o

83.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 225 van 27.7.2012, blz. 46.
(2) PB C 229 van 31.7.2012, blz. 13.


Voorbereidingen COP 16 CITES
PDF 143kWORD 29k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2013 over de strategische doelstellingen van de EU voor de 16e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), die van 3 t/m 14 maart 2013 in Bangkok (Thailand) zal plaatsvinden (2012/2838(RSP))
P7_TA(2013)0047B7-0047/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanstaande 16e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen (CoP16) bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), die van 3 t/m 14 maart 2013 in Bangkok (Thailand) zal plaatsvinden,

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de belangrijkste doelstellingen voor de CoP16 bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), die van 3 t/m 14 maart 2013 in Bangkok (Thailand) zal plaatsvinden (O-000201/2012 – B7-0109/2013 and O-000202/2012 – B7-0110/2013),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat CITES met 177 partijen, waaronder de 27 lidstaten van de Europese Unie, 's werelds grootste overeenkomst is voor de instandhouding van in het wild levende dier- en plantensoorten en de voorkoming van overexploitatie ervan door de internationale handel;

B.  overwegende dat de doelstelling van CITES is ervoor te zorgen dat de internationale handel in wilde dieren en planten geen bedreiging vormt voor het overleven ervan in het wild;

C.  overwegende dat welvaart op de lange termijn moet prevaleren boven economische belangen op korte termijn;

D.  overwegende dat de exploitatie van wilde soorten, de illegale handel in wilde dieren en planten, de vernietiging van habitats, de klimaatverandering en de consumptie van natuurlijke hulpbronnen door de mens de belangrijkste oorzaken zijn van de verschraling van de biodiversiteit;

E.  overwegende dat de afbakening van intacte bossen en het wegenvrij houden van gebieden kosteneffectieve methoden zijn om de biodiversiteit en ecosysteemdiensten in stand te houden;

F.  overwegende dat in bijlage 4 van Resolutie Conf. 9.24 (rev. CoP15) over CITES verwezen wordt naar voorzorgsmaatregelen die bij wijziging van de bijlagen in overweging genomen of uitgevoerd moeten worden;

G.  overwegende dat de besluiten van CITES op wetenschappelijke gegevens gebaseerd moeten zijn;

H.  overwegende dat in het kader van CITES de soorten op basis van hun staat van instandhouding en omvang van de internationale handel zijn opgenomen in bijlagen, waarbij bijlage I soorten bevat die met uitroeiing bedreigd zijn en waarin commerciële handel verboden is en bijlage II soorten bevat waarin de handel moet worden gecontroleerd om een gebruik te voorkomen dat niet te verenigen is met hun overleven;

I.  overwegende dat de in CITES-bijlage I opgenomen soorten sterk beschermd worden en elke commerciële handel in daarin opgenomen soorten verboden is; overwegende dat elke vergunning om in beslag genomen exemplaren of producten (bijvoorbeeld ivoor, tijgerbeenderen of hoorn van neushoorns) te verkopen het doel van de CITES-overeenkomst zou ondermijnen;

J.  overwegende dat uit periodieke evaluatie is gebleken dat CITES een succes is voor bepaalde in bijlage I opgenomen soorten die nu naar bijlage II kunnen worden verplaatst;

K.  overwegende dat in Aichi-doelstelling 12 van het strategisch plan voor biodiversiteit 2011-2020 in het kader van het Verdrag inzake biologische diversiteit wordt bepaald dat uiterlijk in 2020 de uitroeiing van soorten waarvan bekend is dat zij bedreigd zijn, voorkomen is en dat hun staat van instandhouding, vooral van de soorten waarvan de populatie het meest achteruitgaat, verbeterd en ondersteund is;

L.  overwegende dat in Aichi-doelstelling 6 van het strategisch plan voor biodiversiteit 2011-2020 in het kader van het Verdrag inzake biologische diversiteit wordt bepaald dat uiterlijk in 2020 alle vissen, ongewervelde dieren en waterplanten duurzaam, legaal en volgens de ecosysteemgerichte aanpak beheerd en geoogst worden, zodat overbevissing wordt voorkomen, herstelplannen en -maatregelen uitgevoerd worden voor alle overbeviste soorten, de visserij geen belangrijke negatieve effecten heeft op bedreigde soorten en kwetsbare ecosystemen en de gevolgen van de visserij voor de bestanden, soorten en ecosystemen binnen aanvaardbare ecologische grenzen blijven;

M.  overwegende dat transparantie van de besluitvorming in internationale milieu-instellingen een cruciale factor is voor de doeltreffende werking van deze instellingen; overwegende dat in het slotdocument van de Rio+20-conferentie, „The Future We Want”, wordt herbevestigd dat „om onze doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling te bereiken, we op alle niveaus doeltreffende, transparante, controleerbare en democratische instellingen nodig hebben”; en overwegende dat de bevordering van transparantie ook deel uitmaakt van de „Strategische visie voor CITES: 2008 - 2013”, die deel uitmaakt van Resolutie Conf. 14.2 over de CITES-overeenkomst;

N.  overwegende dat in het huidige CITES-reglement is bepaald dat geheime stemmingen „normaal niet gebruikt worden” voor andere kwesties dan de verkiezing van functionarissen en gastlanden; overwegende dat ondanks deze regel een groot aantal beslissingen op de laatste CoP bij geheime stemming werd genomen; overwegende dat geheime stemmingen regelmatig gebruikt worden voor gevoelige en belangrijke kwesties, zoals met betrekking tot mariene soorten of de handel in ivoor;

O.  overwegende dat de haringhaai uiterst gevoelig is voor overbevissing;

P.  overwegende dat de hamerhaai wereldwijd bedreigd wordt door de internationale handel in vinnen en de bijvangst, die een historische afname van de populaties hebben veroorzaakt;

Q.  overwegende dat de aanzienlijk toegenomen olifantenstroperij momenteel de olifantenpopulaties in alle vier Afrikaanse subregio's treft en aanleiding geeft voor ernstige en toenemende bezorgdheid; overwegende dat de hoeveelheden in beslag genomen illegaal ivoor tussen 2009 en 2011 een ongekende hoogte hebben bereikt;

R.  overwegende dat de niet-duurzame en onethische trofeejacht heeft geleid tot een grootschalige achteruitgang van in CITES-bijlage I en II opgenomen bedreigde soorten; overwegende dat de trofeejacht de doelstelling van de CITES-overeenkomst ernstig ondermijnt;

S.  overwegende dat wegens een gebrek aan doeltreffende handhaving de in CITES-bijlage I en II opgenomen bedreigde soorten nog steeds uit winstbejag worden gedood;

T.  overwegende dat ongeveer 80 % van de neushoornpopulatie van Afrika te vinden is in Zuid-Afrika; overwegende dat de stroperij op deze dieren in alle landen waar zij voorkomen snel toeneemt;

U.  overwegende dat er nog steeds illegaal gehandeld wordt in tijgers en andere in bijlage I opgenomen Aziatische grote katachtigen, maar dat er aan CITES te weinig verslag wordt uitgebracht over handhavingsmaatregelen, en meer specifiek over de naleving van CITES-besluit 14.69, waar de EU zich in 2007 achter schaarde, om de tijgerfokkerij af te bouwen en ervoor te zorgen dat tijgers niet gefokt worden voor de handel (de binnenlandse handel incluis) in de delen of afgeleide producten daarvan;

V.  overwegende dat de klimaatverandering een aanzienlijke bedreiging vormt voor de ijsbeer (Ursus maritimus); overwegende dat de jacht op en de commerciële handel in delen van ijsberen ook een belangrijke bedreiging vormen;

W.  overwegende dat de Europese Unie een belangrijke invoermarkt is van reptielen die als huisdier worden gehouden, met inbegrip van in CITES opgenomen soorten;

X.  overwegende dat veel schildpadsoorten zwaar worden geëxploiteerd voor de voedingsmarkten en de internationale handel in huisdieren;

Y.  overwegende dat de door de internationale handel in rogkieuwplaten veroorzaakte toenemende druk van de visserij heeft geleid tot een belangrijke achteruitgang van de bestanden van de manta (Manta spp.) en andere rogsoorten;

Z.  overwegende dat internationale visserijinstrumenten en CITES dezelfde doelstelling moeten nastreven: het langetermijnbehoud van visbestanden op volle zee, waarbij onder andere rekening wordt gehouden met het effect van bijvangst op niet-doelsoorten;

AA.  overwegende dat de CITES-overeenkomst momenteel onduidelijke bepalingen bevat over de aanvoer vanuit zee en in het bijzonder bepalingen over de „toestand van binnenkomst” wanneer soorten op volle zee worden gevangen;

AB.  overwegende dat de CITES-werkgroep over aanvoer vanuit zee een oplossing heeft voorgesteld waarbij de bevoegdheid van de vlaggenstaat die voor het afleveren van de CITES-documentatie verantwoordelijk is, wordt geëerbiedigd met enkele, kleine uitzonderingen met betrekking tot gecharterde vissersvaartuigen;

AC.  overwegende dat voor de juiste werking van de CITES-overeenkomst de partijen de komende jaren waarschijnlijk beduidend meer financiële middelen ter beschikking zullen moeten stellen;

AD.  overwegende dat de Europese Unie niet rechtstreeks bijdraagt tot de CITES-overeenkomst; overwegende dat zij via haar ontwikkelingshulp wel een van de voornaamste donoren is;

1.  verzoekt de Europese Unie en de lidstaten het voorzorgsbeginsel als leidraad te gebruiken bij al hun besluiten over werkdocumenten en registratievoorstellen, en daarbij in het bijzonder rekening te houden met het beginsel „de gebruiker betaalt”, de ecosysteemaanpak en traditionele instandhoudingsbeginselen;

2.  dringt er op aan dat de Europese Unie en de lidstaten met één stem spreken en de snelheid en efficiëntie van hun interne besluitvorming verbeterd wordt om spoedig tot overeenstemming te kunnen komen over een intern EU-standpunt voor de 16e conferentie van de CITES-partijen en optimaal te profiteren van het feit dat 27 van de CITES-partijen ook lid zijn van de EU teneinde besluiten van de CoP16 in de richting van voorzorgsmaatregelen te sturen;

3.  roept de Europese Unie op een leidende rol te spelen in de bescherming van bedreigde soorten door actief deel te nemen aan de onderhandelingen over de CITES-overeenkomst en mazen in de regelgeving die de situatie verergeren, dichten; betreurt het dat er aantijgingen geweest zijn tegen lidstaten en EU-burgers als zouden zij gebruikt worden als tussenpersoon voor het vervoer van hoorn van neushoorns naar Vietnam of andere landen waar het een hoge commerciële waarde heeft en zo de vraag en de stroperij verder stimuleren;

4.  dringt er bij de Europese Unie en de lidstaten op aan zowel voor als tijdens de conferentie toenadering te zoeken tot derde landen en allianties met hen aan te gaan;

5.  moedigt de CITES-partijen aan verdere mogelijkheden te onderzoeken ter versterking van de samenwerking, coördinatie en synergieën tussen de overeenkomsten inzake biodiversiteit op alle relevante niveaus;

Transparantie van de besluitvorming

6.  is sterk gekant tegen het algemeen gebruik van geheime stemmingen binnen CITES, aangezien in het CITES-reglement is bepaald dat er alleen in uitzonderlijke omstandigheden gebruik mag worden gemaakt van geheime stemmingen; steunt in deze context het desbetreffende voorstel van Denemarken namens de EU-lidstaten;

7.  is verheugd over het voorstel van Denemarken namens de EU-lidstaten om in Resolutie Conf. 11.1 (rev. CoP15) een nieuwe paragraaf over belangenconflicten op te nemen;

Financiering

8.  zet de Commissie ertoe aan om via haar ontwikkelingshulp de continuïteit van de financiering te garanderen teneinde de CITES-doelstellingen te bereiken; verwijst in deze context specifiek naar het bestaande MIKE-programma voor het toezicht op het illegaal doden van olifanten, waaraan de EU zich wellicht opnieuw zal moeten committeren, afhankelijk van de resultaten van een onafhankelijke evaluatie en effectiviteitsbeoordeling;

9.  moedigt de Commissie en de EU-lidstaten ertoe aan de mogelijkheden te onderzoeken om op lange termijn financiële steun te verschaffen aan de CITES-overeenkomst via het Europees Ontwikkelingsfonds;

10.  steunt het voorstel dat CITES het Wereldmilieufonds (GEF) verzoekt te fungeren als financieel mechanisme voor CITES en dat tevens wordt aangevangen met de biodiversiteitsstrategie voor GEF 6 zodat deze een soortencomponent te bevat(1).

Aanvoer vanuit de zee

11.  is verheugd over de discussies en vooruitgang van de CITES-werkgroep over aanvoer vanuit zee; steunt CoP16 Doc.32 ter verbetering van de handhaving van de regels voor in de CITES-lijst opgenomen mariene soorten die gevangen zijn in zeeën die niet tot het rechtsgebied van enige staat behoren, en roept de partijen op het werk over dit onderwerp af te ronden op de CoP16-vergadering;

Haaien

12.  verheugt zich over het voorstel van Brazilië, de Comoren, Kroatië, Egypte en Denemarken namens de EU-lidstaten om de haringhaai (Lamna nasus) op te nemen in bijlage II; dringt er bij de Europese Unie en de lidstaten op aan dit voorstel te steunen;

13.  verheugt zich over het voorstel van Brazilië, Colombia, Costa Rica, Ecuador, Honduras, Mexico en Denemarken namens de EU-lidstaten om de drie hamerhaaisoorten (Sphyrna spp) op te nemen in bijlage II; dringt er bij de Europese Unie en de lidstaten op aan dit voorstel te steunen;

14.  dringt er bij de Europese Unie en de lidstaten op aan de opname van de oceanische witpunthaai (Carcharhinus longimanus) in CITES-bijlage II te steunen, zoals voorgesteld door Brazilië, Colombia en de Verenigde Staten van Amerika;

Olifantenivoor en hoorn van neushoorns

15.  in ingenomen met de intrekking van het Tanzaniaanse voorstel om de Afrikaanse olifant (Loxodonta africana) van bijlage I naar bijlage II te verplaatsen en voor de eenmalige verkoop van Tanzaniaanse voorraden olifantenivoor;

16.  dringt er bij de Europese Unie en de lidstaten op aan alle voorstellen om de Afrikaanse olifant naar een lagere bijlage te verplaatsen of de handel in Afrikaans olifantenivoor toe te staan af te wijzen tot een beoordeling kan gemaakt worden van de gevolgen van de eenmalige verkoop door Botswana, Namibië, Zuid-Afrika en Zimbabwe in november 2008, en tot wordt vastgesteld dat deze eenmalige verkoop geen negatieve gevolgen heeft gehad voor de olifantenpopulaties in die landen of in de buurlanden;

17.  stimuleert de CITES-partijen, met de huidige olifantenstroperijcrisis in het achterhoofd, om een voorzorgsbenadering te volgen en hun besluiten te baseren op de mogelijke gevolgen voor de instandhouding van olifanten en de tenuitvoerlegging van het actieplan voor de Afrikaanse olifant wanneer nagedacht wordt over het besluitvormingsmechanisme voor toekomstige handel in olifantenivoor na het volledige moratorium van negen jaar dat begonnen is na de eenmalige verkoop door Botswana, Namibië, Zuid-Afrika en Zimbabwe in november 2008; roept de Europese Unie en de lidstaten dan ook op steun te verlenen aan het voorstel tot wijziging van besluit 14.77 over een besluitvormingsmechanisme voor toekomstige handel in olifantenivoor, zoals voorgesteld door Benin, Burkina Faso, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Ivoorkust, Kenia, Liberia, Nigeria en Togo;

18.  moedigt de CITES-partijen aan steun te verlenen aan de goedkeuring van de resolutie over het actieplan voor de Afrikaanse olifant, zoals voorgesteld door Nigeria en Rwanda, en aan de tenuitvoerlegging van dit plan als de meest efficiënte stap voorwaarts voor de instandhouding van olifanten in heel Afrika;

19.  roept de Europese Unie, de lidstaten en alle CITES-partijen op het voorstel van Kenia te steunen om een tijdelijk nulquotum op de export van neushoorntrofeeën uit Zuid-Afrika en Swaziland in te stellen, en roept alle CITES-partijen op te onderzoeken hoe de vraag naar hoorn van neushoorns kan worden verminderd;

20.  roept de partijen op de jaarlijkse nationale uitvoerquota voor de trofeejacht van in CITES-bijlage I en II opgenomen bedreigde soorten te beperken;

21.  verzoekt alle partijen waar hoorn van neushoorns wordt geconsumeerd, en in het bijzonder Vietnam, met klem om maatregelen te nemen teneinde de illegale invoer van hoorn van neushoorns te stoppen en zware straffen op te leggen aan diegenen die de wetgeving overtreden, en om maatregelen te nemen teneinde consumenten te informeren over de gevolgen van hun consumptie voor de populaties van wilde neushoorns; roept de Europese Unie en de lidstaten op deze kwesties aan te pakken tijdens handelsonderhandelingen met de betrokken partijen;

Grote katachtigen

22.  dringt er bij de Europese Unie en de lidstaten op aan op te roepen tot de opschorting van de handel met partijen die CITES-besluit 14.69 over tijgers niet naleven en partijen die het fokken van tijgers voor de handel in de delen en afgeleide producten daarvan aanmoedigen;

23.  dringt er bij de CITES-partijen op aan de niet-duurzame en onethische trofeejacht, die een grootschalige achteruitgang heeft veroorzaakt van populaties van de Afrikaanse leeuw, een halt toe te roepen;

24.  betreurt het dat er geen voorstel is ingediend om de leeuw (Panthera leo) te verplaatsen van CITES-bijlage II naar bijlage I;

Reptielen

25.  roept de Europese Unie en de lidstaten op steun te verlenen aan een reeks voorstellen om verschillende soorten zee- en landschildpadden van Noord-Amerika en Azië op te nemen in CITES-bijlage II en zeven soorten te verplaatsen naar bijlage I;

26.  dringt er bij de Europese Unie en de lidstaten op aan, wat betreft de alternatieve voorstellen over drie soorten zoetwaterdoosschildpadden (Cuora galbinifrons, Mauremys annamensis en Geoemyda japonica), steun te verlenen aan de krachtigere voorstellen van de landen waar zij voorkomen (Vietnam en Japan), die overeenstemmen met de gespecialiseerde aanbevelingen van een CITES-workshop in Singapore;

27.  roept de Europese Unie en de lidstaten op steun te verlenen aan het voorstel voor opname van de Nieuw-Zeelandse groene gekko (Naultinus spp.) en de Mangshan groefkopadder (Protobothrops mangshanensis) in CITES-bijlage II, zoals voorgesteld door de enige landen waar zij voorkomen, respectievelijk Nieuw-Zeeland en China;

28.  roept de Europese Unie en de lidstaten op steun te verlenen aan een door Zwitserland ingediend ontwerpbesluit over de handel in en het beheer ter instandhouding van slangen;

Andere soorten

29.  roept de Europese Unie en de lidstaten op steun te verlenen aan een door Ethiopië, Kenia en Oeganda ingediend ontwerpbesluit om de legale en illegale handel in jachtluipaarden te bestuderen;

30.  verheugt zich over het werk dat de Internationale Commissie voor het behoud van de Atlantische tonijn (ICCAT) heeft uitgevoerd na de impuls die van de CITES CoP15 in 2010 uitging;

31.  betreurt het dat er geen voorstel is ingediend om de blauwvintonijn (Thunnus thynnus) in CITES-bijlage I op te nemen;

32.  betreurt het dat er geen voorstel is ingediend om de Corallium spp. en Paracorallium spp. in CITES-bijlage II op te nemen;

33.  dringt er bij de Europese Unie en de lidstaten op aan zich te scharen achter:

   de opname van de manta (Manta spp.) in CITES-bijlage II, zoals voorgesteld door Brazilië, Colombia en Ecuador; en de opname van andere rogsoorten in bijlage II, zoals voorgesteld door Colombia en Ecuador;
   de verplaatsing van ijsberen (Ursus maritimus) van CITES-bijlage II naar bijlage I, zoals voorgesteld door de Verenigde Staten van Amerika en gesteund door de Russische Federatie;
   de verplaatsing van de West-Afrikaanse lamantijn (Trichesurus senegalensis) van bijlage II naar bijlage I, zoals voorgesteld door Benin, Senegal en Sierra Leone;
   de verplaatsing van de zoetwaterzaagrog (Pristis microdon) van bijlage II naar bijlage I, zoals voorgesteld door Australië;
   de opname van verschillende palissanderhoutsoorten (Dalbergia spp.) en ebbenhoutsoorten (Diospyros spp.) in CITES-bijlage II, zoals voorgesteld door Madagaskar, Belize, Thailand en Vietnam;
   de opname van verschillende soorten die internationaal verhandeld worden als sierplanten (Adenia firingalavensis, Adenia subsessifolia, Cyphostemma laza, Operculicarya decaryi, Senna meridionalis, Uncarina stellulifera en Uncarina grandidieri) in CITES-bijlage II, zoals voorgesteld door het enige land waar zij voorkomen, Madagaskar;

34.  roept de Europese Unie en de EU-lidstaten op zich te verzetten tegen:

o
o   o

   de voorgestelde wijziging aan de Strategische visieverklaring voor CITES, waardoor CITES moet bijdragen aan andere globaal overeengekomen doelstellingen in plaats van de huidige doelstelling om „bij te dragen aan de aanzienlijke vermindering van biodiversiteitsverlies”;
   de opruiming of verkoop van illegaal verhandelde en in beslag genomen exemplaren van in bijlage I, II en III opgenomen soorten, zoals voorgesteld door Indonesië;
   de verplaatsing van drie krokodillensoorten (Crocodylus acutus, C. porosus, en C. siamensis) van CITES-bijlage I naar bijlage II, zoals voorgesteld door Colombia en Thailand;
   de verplaatsing van de Attwater prairiehoen (Tympanuchus cupido attwateri) van bijlage I naar bijlage II, zoals verzocht door de commissie dieren, aangezien de populaties van deze subsoort in het wild in 2012 met 58 % zijn achteruitgegaan tot slechts 46 in het wild levende vogels, hoewel de laatste in beslag genomen illegale vracht plaatshad in 1998;
   de schrapping van de Sonnerats hoen (Gallus sonnerati) en de bloedfazant (Ithaginis cruentus) uit bijlage II, zoals verzocht door de commissie dieren, aangezien de populaties in het wild van beide soorten geleidelijk achteruitgaan, de internationale handel in de Gallus sonnerati voor de huisdierenmarkt aanzienlijk is, sommige ondersoorten van de Ithaginis cruentus met een zeer beperkte populatie in een klein verspreidingsgebied leven en China als land waar zij voorkomen zich verzet tegen de schrapping van bloedfazanten;
   de schrapping van de keizerspecht (Campephilusimperialis) uit bijlage I, aangezien regelmatig anekdotische berichten van waarnemingen worden nagetrokken, hoewel deze soort als „mogelijk uitgestorven” wordt beschouwd;
   de schrapping van de maagbroedende kikkers (Rheobatrachus silus en Rheobatrachus vitellinus) uit CITES-bijlage II, zoals voorgesteld door Australië, aangezien deze soort misschien nog niet uitgestorven is en momenteel veldonderzoek wordt uitgevoerd om overgebleven populaties te vinden;

35.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de CITES-partijen en het CITES-secretariaat.

(1) http://www.cites.org/eng/cop/16/doc/E-CoP16-08-04.pdf


Richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2014 - overige afdelingen
PDF 219kWORD 26k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2013 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2014, afdeling I – Europees Parlement, afdeling II – Raad, afdeling IV – Hof van Justitie, afdeling V – Rekenkamer, afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité, afdeling VII – Comité van de Regio's, afdeling VIII – Europese Ombudsman, afdeling IX – Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, afdeling X – Europese Dienst voor extern optreden (2013/2003(BUD))
P7_TA(2013)0048A7-0020/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1),

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2011, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(3),

–  gezien titel II, hoofdstuk 7, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7-0020/2013),

A.  overwegende dat er nog steeds geen overeenstemming is bereikt over het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode 2014-2020 en dat bijgevolg het maximum voor rubriek 5 van de EU-begroting voor 2014 nog niet is vastgesteld; overwegende dat het maximum voor rubriek 5 in 2013 9 181 miljoen EUR bedraagt in lopende prijzen(4), en dat dit maximum, na de jaarlijkse technische aanpassing(5), zou blijven gelden in 2014 indien niet tijdig overeenstemming wordt bereikt over het komende MFK;

B.  overwegende dat, nu de overheidsschulden zorgen voor een zware last en er een soberheidsbeleid wordt gevoerd om de nationale begrotingen op orde te krijgen, het Europees Parlement en alle EU-instellingen op budgettair gebied een beleid moeten blijven voeren met een hoge mate van verantwoordelijkheid, toezicht en terughoudendheid;

C.  overwegende dat het probleemloos functioneren van het Parlement een even belangrijk uitgangspunt moet vormen;

D.  overwegende dat bepaalde investeringen duurzame gevolgen kunnen hebben voor de begroting van de instelling en daarom overwogen moeten worden, ook al is er weinig manoeuvreerruimte;

E.  overwegende dat het Europees Parlement in dit stadium van de jaarlijkse procedure in afwachting is van de ramingen van de overige instellingen en van de voorstellen van zijn eigen Bureau voor de begroting 2014;

F.  overwegende dat rekening zal moeten worden gehouden met de eenmalige financiële gevolgen van de Europese verkiezingen midden 2014;

Algemeen kader en prioriteiten voor de begroting van 2014

1.  is van mening dat de instellingen hun administratieve begroting moeten blijven beperken of bevriezen in solidariteit met de moeilijke economische en budgettaire toestand in de lidstaten, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van de kernactiviteiten van de instellingen, de eerbiediging van de wettelijke verplichtingen en de noodzaak te investeren in ontwikkeling;

2.  is van mening dat de kredieten voor 2014 gebaseerd moeten zijn op een grondige analyse van de uitvoering van de kredieten in 2012 en 2013, met het oog op het realiseren van bezuinigingen op lijnen waar zich problemen hebben voorgedaan bij de tenuitvoerlegging; is van mening dat werkelijke bezuinigingen en verhogingen van de efficiëntie kunnen worden bereikt door vast te stellen waar begrotingslijnen elkaar overlappen en elkaars doeltreffendheid verminderen;

3.  dringt er bij de instellingen op aan waar mogelijk en gerechtvaardigd hun onderlinge samenwerking te versterken met het oog op het uitwisselen van optimale werkmethoden en om besparingen te identificeren door menselijke en technische middelen te bundelen en te delen, bijvoorbeeld met betrekking tot informatietechnologiesystemen, vertaling, vertolking en vervoersdiensten, alsook eventueel op andere gebieden;

Parlement

4.  benadrukt het feit dat institutionele terughoudendheid ervoor heeft gezorgd dat de begroting van het EP in reële termen is verlaagd, rekening houdend met de relevante inflatieniveaus; herinnert eraan dat dit mogelijk werd gemaakt door strikte begrotingsplanning en strikt begrotingstoezicht, de sterke inzet van zijn verantwoordelijke commissie en de reorganisatie van de werkzaamheden, met name besparingen op met reizen verband houdende begrotingslijnen, minder en kortere missies, meer videoconferenties en geoptimaliseerde vertaal- en tolkendiensten; herinnert eraan dat wordt geschat dat de reeds overeengekomen structurele hervormingen, waarvan enkele al sinds 2011 van toepassing zijn, jaarlijkse besparingen van ongeveer 29 miljoen EUR mogelijk zullen maken, met verdere besparingen ter hoogte van 10 miljoen EUR met betrekking tot de voorspelde rentevoet voor vastgoedfinanciering in de loop van de komende jaren, mogelijk gemaakt door voorafbetalingen, ondanks de noodzaak de uitbreiding van de bevoegdheden en de extra kosten van 18 bijkomende leden na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon en de voorbereiding van de toetreding van Kroatië te absorberen;

5.  herinnert eraan dat de bevriezing van alle vergoedingen van de leden op het niveau van 2011 tot het einde van de huidige zittingsperiode en het feit dat de dienstreisvergoedingen van het personeel niet geïndexeerd zijn sinds 2007 zichtbare tekenen van terughoudendheid zijn;

6.  pleit voor de voortzetting van de structurele en organisatorische hervormingen met het oog op meer efficiëntie, zonder het hoge niveau van wetgeven en de kwaliteit van de werkomstandigheden in gevaar te brengen; steunt organisatorische vernieuwing om de doeltreffendheid van het Parlement en de kwaliteit van de diensten voor en werkomstandigheden van de leden te verbeteren, met inbegrip van onder meer een efficiëntere structurering van het werkritme van het Parlement en vertaal- en tolkendiensten (zonder het meertaligheidsbeginsel op de helling te zetten), optimale logistieke oplossingen, waaronder vervoerslogistiek voor leden en hun medewerkers, besparingen op cateringkosten, betere interne onderzoeksbijstand, en de voortzetting en verdere ontwikkeling van een papierloos Parlement en e-vergaderingen; herinnert aan het verzoek om een kosten-batenanalyse van papierloze vergaderingen en verzoekt de administratie om deze uiterlijk medio 2013 aan de Begrotingscommissie te presenteren;

7.  roept op tot de invoering van afgeslankte en efficiënte managementmethoden in het Parlement om de administratieve lasten te verlagen, wat de instelling tijd en geld zou besparen;

8.  is van mening dat de gezamenlijke werkgroep voor de begroting van het Parlement van de Begrotingscommissie en het Bureau op basis van haar in 2012 gestarte werkzaamheden een nuttige rol zou kunnen spelen in dit hervormingsproces door het identificeren van mogelijke manieren om te besparen en het nadenken over en aan de Begrotingscommissie presenteren van ideeën voor het verbeteren van de efficiëntie; merkt op dat deze werkgroep de voor haar vastgestelde doelstellingen eind 2011 reeds grotendeels had bereikt, met name met betrekking tot de vermindering van de uitgaven voor reizen; is, in het licht van de preliminaire bevindingen van de werkgroep, onder meer op basis van een vergelijkende studie van de begroting van het Europees Parlement en de begrotingen van het Amerikaanse Congres en een staal van de parlementen van de lidstaten, voorstander van een voortzetting van haar werkzaamheden en de ontwikkeling van een overeenkomstig actieplan, dat zowel aan de Begrotingscommissie als het Bureau gepresenteerd moet worden ter behandeling gedurende de procedure voor de begroting 2014 van het Parlement; herinnert aan zijn resolutie van 23 oktober 2012(6), waarin de verwachting wordt uitgesproken dat deze studie „langetermijnbezuinigingen in de begroting van het Europees Parlement oplevert en ideeën bevat voor een verbetering van de efficiëntie ervan in 2013 en de jaren nadien”; merkt op dat de totale uitgaven van het Europees Parlement per inwoner lager liggen dan die van vergelijkbare parlementen van de lidstaten en het Amerikaanse Congres; merkt bovendien op dat het nodig is de controlerende rol van het Parlement te versterken en te zorgen voor beter gerichte onderzoeksondersteuning zodat het zijn rol op het vlak van democratische vertegenwoordiging kan vervullen;

9.  is meer algemeen genomen tevreden met de intensievere samenwerking tussen de Begrotingscommissie en het Bureau tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure; staat paraat om de samenwerking tussen de secretaris-generaal, het Bureau en de Begrotingscommissie gedurende het hele jaar verder te intensiveren, om een soepele begrotingsprocedure en een effectieve uitvoering van de begroting te garanderen; verwacht dat het Bureau een voorzichtige, op behoeften gebaseerde ontwerpraming indient waarin rekening wordt gehouden met verhogingen die vervolgens nodig kunnen zijn als gevolg van wettelijk bindende verplichtingen, in het bijzonder de eenmalige kosten in verband met de overgangsregelingen voor de leden voor de Europese verkiezingen in 2014; vraagt de secretaris-generaal informatie te leveren over de kosten van de omschakelingsregelingen voor de vorige verkiezingen van het Europees Parlement;

10.   herinnert aan het besluit van de plenaire vergadering om de Raad te verzoeken uiterlijk 2013 een routekaart te presenteren met betrekking tot de meerdere werklocaties van het EP en verwacht dat de betrokken commissies, de secretaris-generaal en het Bureau actuele cijfers en informatie aan de leden zullen verstrekken over de financiële en milieugevolgen van het stelsel van meerdere werklocaties; verzoekt de diensten van het EP een effectbeoordeling van dit vraagstuk uit te voeren en daarbij ook aandacht te besteden aan de gevolgen van de aanwezigheid of gedeeltelijke aanwezigheid van het EP voor de respectievelijke gemeenschappen en regio's en uiterlijk juni 2013 een beoordeling hiervan te presenteren zodat in het kader van het volgende MFK met deze bevindingen rekening kan worden gehouden;

11.   verzoekt de relevante diensten van het Parlement een beoordeling uit te voeren van de overeenkomst tussen de Luxemburgse autoriteiten en het Europees Parlement inzake de hoeveelheid personeel die in Luxemburg aanwezig dient te zijn, tegen de achtergrond van een aanpassing van de behoeften van het Parlement; is van mening dat deze beoordeling voorstellen moet bevatten over het heronderhandelen van deze overeenkomst, onverminderd de toepasselijke juridische bepalingen;

12.  herinnert aan de begrotingsresoluties van het Parlement, inclusief de recentste resolutie van 23 oktober 2012(7), waarin wordt gevraagd om een transparant besluitvormingsproces voor het gebouwenbeleid, op basis van vroegtijdige informatie, waarbij geen nieuw onroerend goed meer wordt aangekocht tot het eind van de huidige legislatuur; vraagt te worden geïnformeerd over de vaststellingen van de secretaris-generaal met betrekking tot de renovatiewerkzaamheden en de verplaatsing van kantoren in de komende jaren en over het tijdschema hiervoor, met inbegrip van informatie over een tijdelijk gebouw voor het personeel van het Parlement in de komende jaren, met name met betrekking tot de structurele problemen in het Paul-Henri Spaakgebouw (PHS) en de aankoop van het Trebel-gebouw;

13.  erkent de inspanningen die in 2012 zijn geleverd om te communiceren met de Begrotingscommissie over de stand van zaken met betrekking tot het KAD-gebouw en verzoekt deze communicatie voort te zetten voor de gehele duur van het project, in het bijzonder wat betreft de resultaten van de gewijzigde aanbestedingsprocedure; neemt kennis van het feit dat er aanpassingen werden doorgevoerd en er sprake is van een inkrimping met 8 000 m2 teneinde het vooraf bepaalde totaalbedrag voor het KAD-project aan te houden of er onder te blijven, naar aanleiding van een verzoek van de Begrotingscommissie; is ingenomen met de besparingen van meer dan 10 miljoen EUR aan rentebetalingen in de komende jaren – in vergelijking met de in 2012 geraamde financiering van het project – door transfers voor vroegtijdige betalingen van voorschotten voor zowel het KAD-gebouw als het Trebel-gebouw; is van mening dat de bouwprojecten van het Parlement met zorg moeten worden behandeld en dat voorzichtigheid voorrang moet krijgen op ambitie, gelet op het feit dat een groeiende meerderheid van de leden voorstander is van nieuwe werkomstandigheden(8); pleit voor de voortzetting van deze vruchtbare dialoog en vraagt dat de gevraagde informatie tijdig wordt aangeleverd;

Andere instellingen

14.  is er zich bewust van dat de context en het resultaat van de recente begrotingsprocedures voor de meeste instellingen weinig speelruimte heeft overgelaten gelet op de toename van het aantal taken dat hen is toevertrouwd, en in het bijzonder de verhoogde werkdruk van het Hof van Justitie en de bijzondere behoeften van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO);

15.  is er zich bewust van dat de EDEO een relatief nieuwe instelling is die zich nog steeds in een groeifase bevindt, en dat zijn netwerk van missies verder dient te worden uitgebreid om de politieke prioriteiten van de EU te kunnen realiseren; merkt op dat de EDEO op unieke wijze is blootgesteld aan de inflatie in derde landen, aan wisselkoersschommelingen en aan de bijzondere veiligheidssituatie van zijn personeel;

16.  beschouwt ongerechtvaardigde besparingen over de hele linie en een ongedifferentieerde aanpak van de begrotingen van de instellingen als contraproductief; is voornemens zijn aanpak per geval te blijven volgen;

17.  herhaalt zijn in eerdere begrotingscycli vastgestelde standpunt dat hij verwacht dat alle instellingen inspanningen zullen blijven leveren om te besparen en een hoge mate van begrotingsdiscipline aan de dag zullen blijven leggen bij het opstellen van hun begrotingsramingen;

o
o   o

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's, de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden.

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(2) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.
(3) PB C 344 van 12.11.2012.
(4) Het maximum van rubriek 5 is inclusief de bijdrage van het personeel aan het pensioenstelsel.
(5) Artikel 24 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (PB C 139 van 14.6.2006, blz. 3).
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0359, paragraaf 93.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0359.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0359.


Maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei
PDF 142kWORD 32k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2013 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei (2012/2098(INI)
P7_TA(2013)0049A7-0017/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de resolutie van de Raad van 3 december 2001 betreffende de follow-up van het Groenboek over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen(1),

–  gezien de resolutie van de Raad van 6 februari 2003 inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie met als titel „Modernisering van het vennootschapsrecht en verbetering van de corporate governance in de Europese Unie - Een actieplan” (COM(2003)0284) (Actieplan corporate governance),

–  gezien de mededeling van de Commissie met als titel „Pakket verantwoordelijke ondernemingen” (COM(2011)0685),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Initiatief voor sociaal ondernemerschap – Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie” (COM(2011)0682),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien zijn resolutie van 30 mei 2002 over het Groenboek van de Commissie „De bevordering van een Europees kader voor de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven”(3),

–  gezien zijn resolutie van 13 mei 2003 over de mededeling van de Commissie over de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven: een bijdrage van het bedrijfsleven aan duurzame ontwikkeling(4),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2007 inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen: een nieuw partnerschap(5),

–  gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité van 24 mei 2012 over de mededeling van de Commissie met als titel „Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 voor maatschappelijk verantwoord ondernemen(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie met als titel „Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 voor maatschappelijk verantwoord ondernemen” (COM(2011)0681),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0017/2013),

Naar een moderne opvatting over maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO): enkele overwegingen vooraf

1.  onderstreept dat bedrijven de taken van de overheid op het vlak van de bevordering en de uitvoering van en de controle op de sociale en milieuvoorschriften niet kunnen overnemen;

2.  benadrukt dat de huidige wereldwijde economische crisis is voortgekomen uit fundamentele fouten met betrekking tot transparantie, controleerbaarheid, verantwoordelijkheid en kortetermijndenken, en dat de EU de plicht heeft ervoor te zorgen dat iedereen hier lering uit trekt; toont zich verheugd over het voornemen van de Commissie om Eurobarometer-enquêtes uit te voeren met betrekking tot het vertrouwen in ondernemingen; dringt erop aan dat de resultaten van deze enquêtes door alle belanghebbenden volledig worden besproken en opgevolgd; is een warm voorstander van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en is van mening dat MVO - indien dit door alle en niet alleen door grote ondernemingen wordt toegepast - een grote bijdrage kan leveren aan het herstel van het verloren vertrouwen, hetgeen noodzakelijk is voor een duurzaam economische herstel, en de sociale gevolgen van de economische crisis kan verlichten; wijst erop dat wanneer ondernemingen verantwoordelijkheid voor de maatschappij, het milieu en werknemers nemen, dit een win-winsituatie creëert die kan zorgen voor het vertrouwen dat noodzakelijk is voor economisch succes; is van mening dat het opnemen van maatschappelijk verantwoord ondernemen in een duurzame bedrijfsstrategie zowel in het belang van de onderneming als in dat van de gehele maatschappij is; beklemtoont dat veel ondernemingen - met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) - op dit gebied een uitstekend voorbeeld hebben neergezet;

3.  is van mening dat het bedrijfsleven kan bijdragen aan de totstandkoming van een sociale markteconomie en de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie door het scheppen van banen en het bevorderen van economisch herstel;

4.  is van mening dat het debat over maatschappelijk verantwoord ondernemen moet worden geplaatst in een bredere context, die weliswaar het in eerste instantie vrijwillige karakter van MVO garandeert maar tegelijkertijd, waar nodig, ruimte biedt voor een dialoog over regelgevende maatregelen;

5.  gaat akkoord met de nieuwe, door de Commissie voorgestelde definitie van MVO, die het conflict tussen de vrijwillige en de verplichte benadering wegneemt;

6.  is van mening dat ondernemingsbestuur (corporate governance) een fundamenteel element van maatschappelijk verantwoord ondernemen is, met name wat betreft de betrekkingen met de overheid en met de werknemers en de organisaties die hen vertegenwoordigen, en wat betreft het beleid ten aanzien van bonussen, vertrekpremies en lonen; is van mening dat buitensporige bonussen, vertrekpremies en lonen voor managers, met name wanneer een bedrijf in moeilijkheden verkeert, onverenigbaar zijn met maatschappelijk verantwoord gedrag;

7.  is van mening dat het fiscale beleid van een bedrijf als een onderdeel van MVO moet worden beschouwd, en dat strategieën die gericht zijn op belastingontduiking of gebruikmaking van belastingparadijzen derhalve onverenigbaar zijn met maatschappelijk verantwoord gedrag;

8.  is van mening dat bij de beoordeling van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van een bedrijf ook rekening moet worden gehouden met het gedrag van de bedrijven die deel uitmaken van zijn toeleveringsketen en dat van zijn eventuele onderaannemers;

De banden tussen MVO, de burgers, de mededinging en de innovatie versterken

9.  verzoekt de Commissie en de nationale autoriteiten innovatieve ondernemingsmodellen te bevorderen die de wisselwerking tussen bedrijven en de maatschappelijke context waarin zij functioneren versterken;

10.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de besprekingen die momenteel gaande zijn over de herziening van de jaarrekening- en transparantierichtlijnen, zodat de nieuw voorgestelde MVO-strategie een aanvulling vormt op de herziene richtlijn;

11.  benadrukt dat het van belang is innovatieve oplossingen te ondersteunen die bedrijven in staat stellen zich te richten op sociale en milieugerelateerde uitdagingen, zoals intelligente vervoerssystemen en milieuefficiënte, toegankelijke en voor iedereen ontworpen producten;

12.  moedigt de initiatieven van de Commissie aan om de zichtbaarheid van MVO en de verspreiding van beste praktijken te bevorderen, en is een warm voorstander van de invoering van een Europese MVO-prijs voor bedrijven en partnerschappen; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan te overwegen of er hiertoe, naast andere maatregelen, een Europees sociaal keurmerk kan worden ingevoerd;

13.  is ingenomen met de oprichting van MVO-platforms waaraan verschillende belanghebbenden deelnemen, en stemt in met de gekozen sectorale aanpak;

14.  erkent het belang en het potentieel van het „Enterprise 2020”-initiatief van het MVO-Europa-netwerk, dat een significante bijdrage kan leveren aan het versterken van de koppeling tussen MVO en concurrentievermogen door de verspreiding van optimale werkmethoden in de hand te werken; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer synergieën te bewerkstelligen met betrekking tot de doelstelling van beleidsmaatregelen en initiatieven ten behoeve van sociale innovatie en het scheppen van werkgelegenheid; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan om de inspanningen van het MVO-Europa-netwerk te ondersteunen, met als hoofddoel de samenwerking tussen het bedrijfsleven en de lidstaten te verbeteren, teneinde de ontwikkeling van nationale actieplannen en de verspreiding van goede praktijken te bevorderen;

15.  sluit zich aan bij het voorstel van de Commissie om periodiek onderzoek te doen naar het vertrouwen van de burgers in en hun houding ten aanzien van de door bedrijven uitgevoerde MVO-strategieën; pleit ervoor de inhoud van deze onderzoeken te koppelen aan de herziening van het actieplan voor duurzame consumptie en productie, teneinde de factoren die een meer verantwoorde consumptie in de weg staan te identificeren;

De transparantie en de doelmatigheid van het MVO-beleid verbeteren

16.  dringt er bij de Commissie op aan om, in aanvulling op de richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken, specifieke maatregelen voor te stellen om misleidende en onjuiste informatie met betrekking tot verplichtingen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en in verband met de sociale en milieueffecten van producten en diensten tegen te gaan, met speciale aandacht voor de indiening en behandeling van klachten op basis van een open en duidelijke procedure en de instelling van onderzoeken; is van mening dat „greenwashing” niet alleen misleidend en verwarrend is voor consumenten, overheden en investeerders, maar ook het vertrouwen in MVO als doeltreffend instrument voor het verwezenlijken van duurzame en inclusieve groei ondermijnt;

17.  deelt de mening dat in openbare aanbestedingen meer rekening moet worden gehouden met sociale en milieuoverwegingen; dringt er in dat verband op aan dat het gunningscriterium van de laagste prijs wordt geschrapt en dat de verantwoordingsplicht in de gehele onderaannemingsketen wordt vergroot;

18.  vraagt de Commissie verdere initiatieven te nemen ter ontsluiting en versterking van het MVO-potentieel om de klimaatverandering tegen te gaan (door het te koppelen aan hulpbronnen- en energie-efficiëntie), bijvoorbeeld in de procedures die ondernemingen hanteren om hun grondstoffen in te kopen;

19.  onderstreept dat EU-hulp aan regeringen van derde landen bij de tenuitvoerlegging van sociale en milieuregelgeving tezamen met doeltreffende inspectieregelingen een noodzakelijke aanvulling vormt op de inspanningen om het door het Europese bedrijfsleven betrachte MVO wereldwijd uit te dragen;

20.  onderstreept dat maatschappelijk verantwoord investeren (MVI) een van de manieren is om MVO bij investeringsbeslissingen in de praktijk te brengen; merkt op dat er op dit moment geen universele definitie van MVI bestaat, maar dat hierbij doorgaans de financiële doeleinden van investeerders worden gekoppeld aan diens zorgen omtrent sociale, ecologische en ethische kwesties en omtrent het ondernemingsbestuur;

21.  erkent het belang van de verspreiding door het bedrijfsleven van informatie over duurzaamheid, zoals sociale en milieufactoren, teneinde de risico's met betrekking tot duurzaamheid te identificeren en het vertrouwen van investeerders en consumenten te vergroten; wijst op de substantiële vooruitgang die op dit gebied is geboekt en verzoekt de Commissie de doelstelling van de internationale geïntegreerde verslagleggingsraad (IIRC) om geïntegreerde verslaglegging binnen het komende decennium tot de wereldwijde norm te maken, te ondersteunen;

22.  benadrukt dat strikte eerbiediging van de mensenrechten, oprechte toewijding en transparantie noodzakelijk zijn om maatschappelijk verantwoord ondernemerschap in de hele toeleveringsketen te waarborgen, de duurzame voetafdruk van Europese bedrijven te meten, en belastingontduiking en illegale geldstromen te bestrijden;

23.  benadrukt dat verantwoord ondernemen niet mag worden teruggebracht tot een marketinginstrument, en alleen ten volle tot ontwikkeling kan komen indien het in de algemene bedrijfsaanpak wordt opgenomen en bij de dagelijkse gang van zaken en in de financiële strategie in de praktijk wordt gebracht; zou graag een verband zien tussen verantwoord ondernemen en goed ondernemingsbestuur; is van mening dat de Commissie bedrijven moet aansporen om besluiten over maatschappelijk verantwoord ondernemen op het niveau van de raad van bestuur te nemen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan codes voor bedrijfsbestuur in te voeren die het belang van verantwoordelijkheid voor iedereen in het bedrijf weerspiegelen en een duidelijk verband leggen tussen de milieu-, sociale en mensenrechtenprestaties van het bedrijf enerzijds en de financiële resultaten van het bedrijf anderzijds;

24.  onderstreept dat ondernemingen die zich voor MVO inzetten, voor beleggers en consumenten gemakkelijk herkenbaar zouden moeten zijn, aangezien zij op deze manier in hun inspanningen worden aangemoedigd;

25.  benadrukt dat maatschappelijk verantwoord investeren (MVI), als onderdeel van de toepassing van MVO bij investeringsbesluiten, ervoor zorgt dat investeerders hun financiële en economische doeleinden koppelen aan hun sociale, milieu-, ethische, culturele en onderwijsoverwegingen;

26.  volgt aandachtig het huidige debat over het wetgevingsvoorstel betreffende de transparantie van de sociale en milieu-informatie die door bedrijven wordt verstrekt; pleit ervoor een wetsvoorstel aan te nemen dat de grootst mogelijke flexibiliteit van handelen biedt, teneinde rekening te houden met het multidimensionale karakter van MVO en de diversiteit van het door bedrijven gevoerde MVO-beleid, en dat bovendien voldoende vergelijkbaarheid waarborgt om in de behoeften van investeerders en andere belanghebbenden te voorzien en om consumenten eenvoudig toegang te verschaffen tot informatie met betrekking tot het effect van bedrijven op de maatschappij, met inbegrip van bestuursaspecten en de levenscycluskostenmethode; is van mening dat deze informatie inzake duurzaamheid in voorkomend geval ook betrekking moet hebben op onderaannemers en op de toeleveringsketen en dat zij gebaseerd moet zijn op mondiaal aanvaarde methoden, zoals die van het „Global Reporting Initiative” of die van de internationale geïntegreerde verslagleggingsraad; dringt voorts aan op een uitzonderingsregeling of een vereenvoudigd kader voor kmo's;

27.  dringt aan op een intensiever en meer inclusief en transparant toezicht op de beginselen van MVO in het handelsbeleid van de EU, met duidelijke criteria voor het meten van verbeteringen, teneinde het vertrouwen in het systeem te vergroten;

28.  moedigt zowel de EU als de lidstaten aan concrete informatie te verstrekken over en onderwijs en opleidingen te verzorgen met betrekking tot MVO, zodat bedrijven de voordelen die MVO biedt volledig kunnen benutten en MVO binnen hun organisatiecultuur ku