Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2082(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0203/2013

Ingediende teksten :

A7-0203/2013

Debatten :

PV 12/06/2013 - 17
CRE 12/06/2013 - 17

Stemmingen :

PV 13/06/2013 - 7.8
CRE 13/06/2013 - 7.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0279

Aangenomen teksten
PDF 227kWORD 29k
Donderdag 13 juni 2013 - Straatsburg
Bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of overtuiging
P7_TA(2013)0279A7-0203/2013

Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad van 13 juni 2013 over de ontwerprichtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging (2013/2082(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de ontwerpaanbeveling aan de Raad, ingediend door Laima Liucija Andrikienė, namens de PPE­Fractie, over de ontwerprichtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging (B7-0164/2013),

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en Algemene Opmerking nr. 22 van het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties(1),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van de Raad over intolerantie, discriminatie en geweld op grond van religie of overtuiging van 2009 en 2011(2),

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie, die op 25 juni 2012 door de Raad zijn aangenomen(3),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2011 getiteld „Een centrale plaats voor mensenrechten en democratie in het externe optreden van de EU - voor een meer doeltreffende aanpak” (COM(2011)0886),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 13 juni 2012 over de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten(4) en het Besluit van de Raad 2012/440/CFSP van 25 juli 2012 tot benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten(5),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2012 over de herziening van de mensenrechtenstrategie van de EU(6),

–  gezien zijn resoluties over de jaarverslagen over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake(7),

–  gezien artikel 36 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de ontwerprichtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging („de richtsnoeren”),

–  gezien artikel 121, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0203/2013),

A.  overwegende dat in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is bepaald dat de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationale recht de leidraad vormen voor al het extern optreden van de EU;

B.  overwegende dat het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging, inclusief theïstische, niet-theïstische en atheïstische overtuigingen, het recht om niet te geloven en het recht om van godsdienst of overtuiging te wisselen, een universeel mensenrecht en een fundamentele vrijheid van ieder mens is en sterk verweven met andere mensenrechten en fundamentele vrijheden, zoals vastgelegd in artikel 18 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens;

C.  overwegende dat het Europees Parlement herhaaldelijk heeft aangedrongen op een ambitieus instrumentarium om de vrijheid van godsdienst en overtuiging een vooraanstaande plaats als onderdeel van het buitenlands beleid van de EU te geven;

D.  overwegende dat het Europees Parlement in dit verband ingenomen was met het voornemen van de EU om richtsnoeren betreffende de vrijheid van godsdienst en overtuiging te formuleren overeenkomstig het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie, en dat het erop aan heeft gedrongen dat het Parlement en maatschappelijke organisaties bij de opstelling van deze richtsnoeren betrokken worden;

E.  overwegende dat alle staten overeenkomstig de internationale rechtsnormen verplicht zijn doeltreffende bescherming te bieden aan al hun burgers en alle andere personen die onder hun respectieve jurisdicties vallen; overwegende dat in sommige delen van de wereld veel melding wordt gemaakt van de vervolging van mensen en hun families, gemeenschappen, gebedshuizen en instellingen, op grond van hun specifieke godsdienst, hun overtuigingen of een rechtmatige openlijke uiting van hun godsdienst of overtuiging; overwegende dat discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging nog altijd overal ter wereld voorkomt, ook in Europa en haar buurlanden, en overwegende dat personen die tot specifieke godsdienstige (minderheids)gemeenschappen behoren, en niet-gelovigen, nog steeds hun rechten worden ontzegd en vaak worden gediscrimineerd, gearresteerd, veroordeeld en in veel landen zelfs geëxecuteerd vanwege hun godsdienst of overtuiging;

1.  beveelt de Raad het volgende aan:

Redenen om maatregelen te nemen

(a)  In het extern beleid van de EU moet prioriteit worden verleend aan de bevordering van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging, alsmede aan het voorkomen van inbreuken op dit recht;

(b)  Geweld tegen en vervolging en discriminatie van mensen die tot godsdienstige (minderheids)gemeenschappen behoren, of mensen met niet-religieuze overtuigingen, komen nog steeds voor in grote delen van de wereld; het gebrek aan religieuze tolerantie en de ontbrekende bereidheid tot dialoog en tot oecumenisch samenleven leiden vaak tot politieke onrust, geweld en gewapende conflicten, met het gevolg dat mensenlevens worden bedreigd en de regionale stabiliteit wordt ondermijnd; de krachtige en onmiddellijke veroordeling door de Europese Unie van alle vormen van geweld en discriminatie moet een fundamenteel onderdeel vormen van het EU-beleid op het gebied van vrijheid van godsdienst en overtuiging; er moet bijzondere aandacht worden besteed aan de situatie van personen die van godsdienst of overtuiging wisselen, omdat zij in de praktijk in een aantal landen zijn blootgesteld aan sociale druk, intimidatie of openlijk geweld;

Doel en toepassingsgebied

(c)  Het doel en toepassingsgebied van de EU-richtsnoeren moeten zijn: bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in derde landen, integratie van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in al het extern optreden en het mensenrechtenbeleid van de EU, en ontwikkeling van duidelijke ijkpunten, maatstaven, normen en een praktische oriëntatie om de bevordering van de vrijheid van godsdienst en overtuiging een prominentere plaats in het werk van ambtenaren van de EU-instellingen en de lidstaten te geven, en op deze manier bij te dragen aan meer samenhang, doeltreffendheid en zichtbaarheid van de EU in haar buitenlandse betrekkingen;

Definities

(d)  Aangezien de geslaagde toepassing ervan afhankelijk is, dienen in de richtsnoeren duidelijke definities te worden gehanteerd en het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging op passende en volledige wijze te worden beschermd, in overeenstemming met het internationaal recht, in zowel de individuele als de openbare uitingen ervan alsmede in de individuele, collectieve en institutionele dimensie ervan, inclusief het recht om te geloven of niet te geloven, het recht om van godsdienst of overtuiging te wisselen, de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging, evenals het recht van ouders om hun kinderen volgens hun morele, religieuze of niet-religieuze overtuigingen op te voeden; eveneens zijn er duidelijke definities en volledige bescherming vereist voor wat betreft de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van godsdienstige instellingen en instellingen die een overtuiging uitdragen en de eerbiediging van hun onafhankelijkheid, het recht op gewetensbezwaren, het recht op asiel, het recht om rustdagen in acht te nemen en feestdagen en ceremonies te vieren in overeenstemming met de voorschriften van een godsdienst of overtuiging, en het fundamentele recht op bescherming van eigendom;

Operationele richtsnoeren

(e)  De richtsnoeren moeten stoelen op het internationaal recht en de verdragen die door de internationale gemeenschap erkend en geratificeerd zijn;

Evenredigheid

(f)  Zoals in de ontwerprichtsnoeren wordt gesteld en in overeenstemming met de door de internationale gemeenschap goedgekeurde beginselen, mag niemand worden gedwongen tot het hebben of aanvaarden van een godsdienst of overtuiging en mag de vrijheid van ouders en voogden om te zorgen voor een religieuze en morele opvoeding niet worden ingeperkt. Elke andere uiting van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging kan slechts „in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen”(8); tegelijkertijd moeten de beperkingen strikt worden uitgelegd en in rechtstreekse en passende verhouding staan tot de beschermde rechten van anderen en moet het juiste evenwicht worden bereikt; het evenredigheidscriterium moet derhalve in de richtsnoeren worden benadrukt;

Vrijheid van meningsuiting

(g)  Hoewel de vrijheid van godsdienst en overtuiging en de vrijheid van meningsuiting elkaar versterkende rechten zijn, dient de EU in gevallen waarin deze twee rechten tegenover elkaar komen te staan ook rekening te houden met het feit dat moderne media-instrumenten kunnen zorgen voor grotere onderlinge verbondenheid tussen culturen en geloofsovertuigingen; er moeten derhalve maatregelen worden getroffen ter preventie van intercultureel geweld als reactie op de vrijheid van meningsuiting in de vorm van kritiek en met name spot en hoon; in deze context moet de EU bijdragen aan het verminderen van dergelijke spanningen, bijvoorbeeld door onderling begrip en de dialoog te bevorderen, en iedere gewelddaad die is gepleegd als reactie op dergelijke uitingen krachtig veroordelen, en zich fel kanten tegen elke poging om de vrijheid van meningsuiting in religieuze aangelegenheden strafbaar te stellen, zoals blasfemiewetten;

De collectieve dimensie van de vrijheid van godsdienst en overtuiging

(h)  In de richtsnoeren moet worden benadrukt dat het recht van elk individu om de vrijheid van godsdienst en overtuiging alleen of in gemeenschap met anderen uit te oefenen een onontbeerlijk onderdeel van de vrijheid van godsdienst en overtuiging vormt; dit omvat:

   de vrijheid om in verband met een godsdienst of overtuiging erediensten te houden of te vergaderen, en om hiertoe gebedshuizen te bouwen en te onderhouden,
   de vrijheid om niet deel te nemen aan een bepaalde religieuze activiteit of manifestatie,
   de vrijheid om passende godsdienstige, media-, onderwijs-, gezondheids-, maatschappelijke, liefdadigheids- of humanitaire instellingen te bouwen en te onderhouden,
   de vrijheid om vrijwillige financiële en andere bijdragen van individuen en instellingen te vragen en te ontvangen,
   de vrijheid om geschikte leiders op te leiden, te benoemen, te verkiezen of door erfopvolging aan te wijzen, overeenkomstig de vereisten en normen van de betreffende godsdienst of overtuiging,
   de vrijheid om op nationaal en internationaal niveau contact met individuen en gemeenschappen over kwesties op het gebied van godsdienst en overtuiging tot stand te brengen en te onderhouden; daarnaast moet in de richtsnoeren worden vermeld dat het recht om godsdienst in gemeenschap met anderen uit te oefenen (waarbij de individuele vrijheden altijd moeten worden geëerbiedigd) niet onnodig mag worden beperkt tot officieel erkende gebedshuizen, en dat de EU alle onrechtmatige beperkingen van de vrijheid van vergadering dient te veroordelen; in de richtsnoeren moet worden onderstreept dat staten de plicht hebben neutraal en onpartijdig te blijven ten opzichte van religieuze groeperingen, ook voor wat symbolische of financiële steun betreft;
   i) is van mening dat secularisme, in de zin van een strikte scheiding tussen de godsdienstige en politieke autoriteiten, inhoudt dat elke vorm van religieuze inmenging in het functioneren van de overheid en elke vorm van publieke inmenging in religieuze aangelegenheden worden verworpen, tenzij voor de handhaving van de voorschriften op het gebied van veiligheid en openbare orde (inclusief de eerbiediging van de vrijheid van anderen), en dat secularisme voor iedereen (gelovigen, agnosten of atheïsten) in dezelfde mate het recht op vrijheid van geweten waarborgt;

Inschrijvingsvereisten

(j)  De EU moet maatregelen treffen wanneer het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging op onrechtmatige wijze wordt beperkt in de inschrijvingsvereisten van religieuze organisaties of organisaties met een bepaalde overtuiging. Inschrijving dient niet te worden beschouwd als een voorwaarde voor het genieten van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging, omdat dit recht niet afhankelijk kan zijn van administratieve of wettelijke vereisten; de EU moet zich inzetten voor de afschaffing van alle wetgeving die leidt tot discriminatie van mensen met niet-godsdienstige overtuigingen of mensen die van godsdienst of overtuiging zijn gewisseld, zoals de verplichting om de godsdienst van een persoon te vermelden in zijn/haar documenten van de burgerlijke stand;

Opleiding

(k)  Zoals erkend in internationaal aanvaarde normen staat het de ouders of wettelijke voogd van een kind vrij te zorgen voor een religieuze en morele opvoeding voor hun kinderen in overeenstemming met hun eigen overtuigingen, en wordt het kind niet gedwongen om tegen de wens van zijn/haar ouders of wettelijke voogd onderwijs op het gebied van godsdienst of overtuiging te volgen, waarbij het belang van het kind het leidend beginsel is; het recht van ouders om hun kinderen in overeenstemming met hun godsdienstige of niet-godsdienstige overtuigingen op te voeden, omvat het recht om ongepaste inmenging van overheids- en niet-overheidsactoren in hun opvoeding die in strijd is met hun godsdienstige of niet-godsdienstige overtuigingen, te weigeren; in de richtsnoeren moeten deze aspecten van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging worden benadrukt, en middels de richtsnoeren moet ook secularisering in het openbaar onderwijs worden gewaarborgd, en de EU-delegaties moeten passende maatregelen nemen indien dit beginsel wordt geschonden;

Familierecht en sociale wetgeving

(l)  De EU moet bijzondere aandacht besteden aan discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging binnen het familierecht en de sociale wetgeving van derde landen, met name, maar niet uitsluitend, in de context van het recht om te huwen en het gezagsrecht;

Het recht op gewetensbezwaren

(m)  Het recht op gewetensbezwaren tegen militaire dienst moet in de richtsnoeren zijn opgenomen als een rechtmatige uitoefening van het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; de EU moet staten met een verplichte militaire dienst verzoeken om een alternatieve dienst toe te staan met een vreedzaam of civiel karakter, in het algemeen belang en zonder bestraffende aard, en om gewetensbezwaarden niet te straffen, ook niet door middel van een gevangenisstraf, voor het weigeren van militaire dienst;

Asiel

(n)  De EU moet derde landen aansporen om vluchtelingen toe te laten die op grond van hun godsdienst of overtuiging worden vervolgd, en om hen asielbescherming te bieden, in het bijzonder wanneer vluchtelingen worden bedreigd met de dood of met geweld. De EU-lidstaten moeten zich meer inspannen om vluchtelingen toe te laten die op grond van hun godsdienst of overtuiging worden vervolgd;

Steun voor en samenwerking met maatschappelijke organisaties

(o)  Steun voor en samenwerking met een breed scala van maatschappelijke organisaties, inclusief mensenrechtenorganisaties en religieuze groeperingen en groeperingen die een overtuiging uitdragen, is bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de richtsnoeren van het grootste belang voor de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging. De centrale punten voor mensenrechten in de EU-delegaties moeten derhalve regelmatig contact onderhouden met deze organisaties, teneinde potentiële problemen op het gebied van de vrijheid van godsdienst en overtuiging zo snel mogelijk op te sporen in hun respectieve landen;

Toezicht en evaluatie

(p)  De Europese Dienst voor extern optreden moet zorgen voor passende en voortdurende controle en evaluaties van de situatie op het gebied van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in de wereld, onder de verantwoordelijkheid van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en in het EU-jaarverslag over de mensenrechten in de wereld moet een sectie gewijd blijven aan dit onderwerp, met inbegrip van aanbevelingen voor verbetering; het toezicht op de situatie op het gebied van de vrijheid van godsdienst en overtuiging moet een van de belangrijkste punten in de betrekkingen van de EU met derde landen zijn, naast andere mensenrechten en fundamentele vrijheden, met name in de context van het Europees nabuurschapsbeleid; dit moet blijken uit alle overeenkomsten, herzieningen en verslagen; de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten moet tijdens al zijn/haar activiteiten bijzondere aandacht besteden aan kwesties inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging, alsmede een zichtbare rol spelen bij de bevordering van deze vrijheid in de externe betrekkingen van de EU; hij/zij moet ook samenwerken met het Europees Parlement en zijn relevante commissies op het gebied van bezorgdheden en de geboekte vooruitgang alsmede contact onderhouden met relevante niet-gouvernementele organisaties;

(q)  Er moet een reeks instrumenten worden goedgekeurd voor de controle, evaluatie en ondersteuning van de EU-richtsnoeren. Deze circulaire moet gericht zijn op operationele instrumenten om beter in te spelen op de in de richtsnoeren beschreven prioritaire actieterreinen, en onder meer:

   een gedetailleerde controlelijst voor situatieanalyse omvatten, teneinde de situatie op het gebied van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging in het respectieve land te volgen en te controleren met het oog op het vaststellen van vorderingen/tegenslagen;
   de EU-missiehoofden verplichten om regelmatig verslag uit te brengen over kwesties met betrekking tot de vrijheid van godsdienst en overtuiging, met een gedetailleerde evaluatie van de situatie alsmede van het bestaan van inbreuken op het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging evenals van onderdrukking van voorvechters ervan of andere individuen, door specifieke gevallen van duidelijke schending van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging vast te stellen; deze verslagen van de EU-missiehoofden moeten zoveel mogelijk worden gestandaardiseerd, zodat ze kunnen worden vergeleken;
   gericht zijn op concreet optreden in internationale fora of ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten die van nut zijn geweest voor de bescherming en bevordering van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging, inclusief de succesvolle behandeling van specifieke gevallen (individuen, groeperingen, minderheden, instellingen) van discriminatie of vervolging op grond van godsdienst of overtuigingen;
   opnieuw benadrukken dat de steun die wordt verleend aan slachtoffers van discriminatie of vervolging op grond van hun godsdienst of overtuigingen veelvoudig kan zijn, inclusief de uitnodiging tot het toelichten van hun situatie in de EU-instellingen;

Deze reeks instrumenten (circulaire) moet in overleg met belanghebbenden worden opgesteld en vóór het einde van 2013 gereed zijn;
Gebruik van externe financiële instrumenten

(r)  De externe financiële instrumenten van de EU moeten ten aanzien van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in een bepaald land als stimulans en als potentiële sanctie (bijvoorbeeld bevriezing van financiering) worden ingezet, omdat dit een integraal onderdeel vormt van de beoordeling van de algemene mensenrechtensituatie in het land; in het geval van een ernstige verslechtering van de mensenrechtensituatie en de vrijheid van godsdienst en overtuiging moet de EU de mensenrechtenbepalingen toepassen die reeds zijn vastgelegd in de externe overeenkomsten tussen de EU en het land in kwestie; het gebruik van mensenrechtenbepalingen in externe EU-overeenkomsten moet een bindend karakter hebben en systematisch in alle overeenkomsten van de EU met derde landen worden geïntegreerd;

EU-optreden in multilaterale fora

(s)  De EU moet haar initiatieven in diverse multilaterale fora voortzetten, met het oog op de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging; in voorkomend geval moet EU derde landen op verzoek ondersteuning bieden bij de opstelling van wetgeving ter bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging;

Evaluatie

(t)  Krachtens artikel 36 van het Verdrag betreffende de Europese Unie moet het Europees Parlement betrokken worden bij de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren, die binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de richtsnoeren moet worden uitgevoerd; de evaluatie moet gebaseerd zijn op een analyse van de reactie van de EU op concrete situaties die verband houden met de schending van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in derde landen; het Europees Parlement moet regelmatig op de hoogte worden gebracht van door de EU-delegaties vastgestelde problematische gebieden of ontwikkelingen; zijn relevante commissies dienen gedetailleerde informatie te ontvangen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en, ter informatie, aan de Commissie.

(1) Algemene Opmerking van het Mensenrechtencomité van de VN in de zin van artikel 40, lid 4, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten CCPR/C/21/Rev.1/Add.4, 27 september 1993.
(2) Raad van de Europese Unie 24.11.2009, 21.2.2011.
(3) Raad van de Europese Unie 11855/12.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0250.
(5) PB L 200 van 27.7.2012, blz. 21.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0504.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0489, P7_TA(2012)0126, P7_TA(2012)0503.
(8) VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie en overtuiging, art. 1, lid 3, A/RES/36/55.

Juridische mededeling - Privacybeleid