Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 12 maart 2013 - Straatsburg
Richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur ***I
 Speciaal verslag van de Europese ombudsman (luchthaven van Wenen)
 Boekhoudregels en actieplannen inzake broeikasgasemissies en -verwijderingen als resultaat van activiteiten met betrekking tot landgebruik ***I
 Bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en overige informatie over klimaatverandering ***I
 Onlinebeslechting van consumentengeschillen ***I
 Alternatieve beslechting van consumentengeschillen ***I
 Associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie *
 Radioactieve stoffen in water dat bestemd is voor menselijke consumptie ***I
 Economisch en budgettair toezicht op lidstaten die ernstige moeilijkheden ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit in het eurogebied ***I
 Het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone ***I
 Europese durfkapitaalfondsen ***I
 Europese sociaalondernemerschapsfondsen ***I
 Gevolgen van de economische crisis voor de gendergelijkheid en de rechten van de vrouw
 Uitbanning van genderstereotypen in de EU
 De situatie van vrouwen in Noord-Afrika
 Financiering van de EU-samenwerking met de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en met de landen en de gebieden overzee voor de periode 2014-2020
 Meer voordelen van EU-milieumaatregelen

Richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur ***I
PDF 200kWORD 26k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG (COM(2011)0658 – C7-0371/2011 – 2011/0300(COD))
P7_TA(2013)0061A7-0036/2013

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0658),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 172 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0371/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 februari 2012(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 19 juli 2012(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 5 december 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie internationale handel, de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0036/2013),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2010 van het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009

P7_TC1-COD(2011)0300


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 347/2013.)

(1) PB C 143 van 22.5.2012, blz. 125.
(2) PB C 277 van 13.9.2012, blz. 137.


Speciaal verslag van de Europese ombudsman (luchthaven van Wenen)
PDF 134kWORD 27k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over het speciaal verslag van de Europese ombudsman over zijn onderzoek naar klacht 2591/2010/GG tegen de Europese Commissie (over de uitbreiding van de luchthaven van Wenen) (2012/2264(INI))
P7_TA(2013)0062A7-0022/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien het speciaal verslag van de Europese ombudsman aan het Europees Parlement,

–  gezien artikel 228 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt(1), inzonderheid artikel 3, lid 7,

–  gezien artikel 205, lid 2, eerste zin, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften (A7-0022/2013),

A.  overwegende dat artikel 228 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de Europese ombudsman de bevoegdheid geeft om kennis te nemen van klachten van burgers van de Europese Unie over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de instellingen of organen van de Europese Unie;

B.  overwegende dat klachten van burgers van de Europese Unie een belangrijke bron van informatie over mogelijke overtredingen van de Europese regelgeving vormen;

C.  overwegende dat volgens artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie „eenieder (...) er recht op (heeft) dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld”;

D.  overwegende dat de term „wanbeheer” noch in de verdragen, noch in het statuut van de ombudsman nader wordt omschreven, zodat deze taak toekomt aan de ombudsman, onverminderd de uitleggingsbevoegdheid van het Hof van Justitie; overwegende dat de ombudsman in zijn eerste jaarverslag een niet-uitputtende lijst heeft opgenomen van gedragingen die als wanbeheer kunnen worden beschouwd;

E.  overwegende dat de Europese ombudsman naar aanleiding van een dringend verzoek van het Parlement om een duidelijke definitie van wanbeheer te verstrekken in zijn jaarverslag over 1997 heeft geoordeeld dat „er sprake is van wanbeheer wanneer een openbare instelling niet handelt volgens een regel of beginsel waaraan zij gebonden is”;

F.  overwegende dat deze definitie werd aangevuld met de verklaring dat, wanneer de Europese ombudsman onderzoekt of een communautaire instelling of orgaan heeft gehandeld in overeenstemming met de regels en beginselen waaraan zij gehouden is, zijn eerste en belangrijkste taak erin gelegen moet zijn vast te stellen of zij rechtmatig heeft gehandeld;

G.  overwegende dat de ombudsman ook toezicht houdt op de naleving van de administratieve gedragscodes die de instellingen hebben aangenomen en waarin algemene beginselen van het bestuursrecht zijn opgenomen, waaronder het dienstbaarheidsbeginsel, en van het Handvest van de grondrechten, dat volledig van toepassing is op de diensten van de EU;

H.  overwegende dat de ombudsman op 16,5 jaar tijd slechts 18 speciale verslagen heeft ingediend en zich tot dusver altijd coöperatief en verantwoordelijk heeft opgesteld door deze verslagen aan het Europees Parlement alleen als laatste politiek middel in te zetten, waarmee hij blijk heeft gegeven van zijn algemene streven naar consensusoplossingen;

I.  overwegende dat dit speciaal verslag betrekking heeft op de manier waarop de Commissie een klacht heeft behandeld die in 2006 door 27 burgerinitiatieven werd ingediend tegen wat zij beschouwden als de negatieve gevolgen van de uitbreiding van de luchthaven van Wenen;

J.  overwegende dat artikel 2 van de MER-richtlijn(2) bepaalt dat de lidstaten zich ervan moeten verzekeren dat projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben aan een beoordeling van die effecten worden onderworpen voordat een vergunning voor de uitvoering ervan kan worden verleend;

K.  overwegende dat de Commissie tot de conclusie is gekomen dat de werkzaamheden voor de uitbreiding van de luchthaven werden uitgevoerd zonder de vereiste milieueffectrapportage (MER) en dat zij Oostenrijk op 21 maart 2007 een schriftelijke aanmaning heeft gestuurd wegens niet-uitvoering van de MER; overwegende dat Oostenrijk in zijn antwoord van 7 mei 2007 niet kon ontkennen dat de bedoelde infrastructuurmaatregelen hebben geleid tot een aanzienlijke toename van het luchtverkeer en de hinder ingevolge het luchtverkeer boven Wenen, i.e. dat deze maatregelen een aanzienlijk milieueffect hadden;

L.  overwegende dat de Commissie, gezien het feit dat de werkzaamheden volledig of nagenoeg volledig waren afgerond, Oostenrijk niet voor het EHvJ wilde dagen, maar er de voorkeur aan gaf met de Oostenrijkse autoriteiten tot een vergelijk te komen om deze nalatigheid zo goed mogelijk op te vangen; overwegende dat de Commissie met de Oostenrijkse autoriteiten was overeengekomen dat deze een ex post-MER zouden uitvoeren, onder meer om na te gaan welke verzachtende maatregelen nodig zouden zijn om de geluidshinder voor de bewoners in de buurt van de luchthaven te verminderen;

M.  overwegende dat de ombudsman deze keuze van de Commissie heeft geaccepteerd; overwegende dat de klagers ontevreden waren over de manier waarop de ex post-MER werd uitgevoerd en met name kritiek leverden op het feit dat zij geen toegang hadden tot beroepsmogelijkheden zoals voorzien in de MER-richtlijn en dat de autoriteit die bevoegd was voor de MER, nl. het Oostenrijkse Ministerie van vervoer, destijds ook de vergunningen voor de werkzaamheden in kwestie had afgeleverd en er dus sprake was van een belangenconflict;

N.  overwegende dat de ombudsman na onderzoek tot de conclusie kwam dat hij niet kon bevestigen dat de Commissie ervoor gezorgd had dat de ex post-MER naar behoren werd uitgevoerd; overwegende dat hij de zaak desondanks heeft gesloten omdat hij de mening was toegedaan dat geen verdere actie van zijn kant nodig was, aangezien de inbreukprocedure nog steeds liep en de Commissie had verklaard de procedure pas te zullen sluiten nadat de Oostenrijkse autoriteiten de nodige stappen hadden ondernomen;

O.  overwegende dat de klagers zich in november 2010 opnieuw tot de ombudsman hebben gericht en dat een tweede onderzoek werd ingesteld, waarbij de ombudsman het dossier van de Commissie heeft bestudeerd; overwegende dat volgens de ombudsman uit het dossier niet bleek dat de informatie die de klagers tijdens de ex post-MER hadden verstrekt met de Oostenrijkse autoriteiten was besproken, noch dat het besluit van de ombudsman inzake de eerste klacht aanleiding had gegeven tot enige correspondentie, behalve de MER-verslagen van Oostenrijk;

P.  overwegende dat de ombudsman op grond hiervan tot de conclusie kwam dat de Commissie geen rekening had gehouden met zijn bevindingen van het eerste onderzoek, en dat zij met name in haar antwoorden aan de ombudsman geen uitsluitsel had gegeven over de beroepsmogelijkheden tegen de ex post-MER, en dat zij niet had aangedrongen op de aanwijzing van een andere autoriteit voor het uitvoeren van de MER dan het Ministerie van vervoer dat de werkzaamheden had goedgekeurd;

Q.  overwegende dat de ombudsman een ontwerpaanbeveling aan de Commissie heeft geformuleerd, waarin deze werd opgeroepen haar aanpak bij de afhandeling van de inbreukklacht over de luchthaven van Wenen die de klagers hadden ingediend te herzien en de tekortkomingen waarop de ombudsman had gewezen te verhelpen, en waarin werd onderstreept dat de Commissie in haar verdere optreden in het kader van deze inbreukprocedure rekening moest houden met de verplichting voor de nationale autoriteiten om ervoor te zorgen dat (i) klagers toegang hebben tot een beroepsprocedure en (ii) stappen worden ondernomen met betrekking tot het duidelijke belangenconflict bij de toepassing van Richtlijn 85/337/EEG;

R.  overwegende dat de Commissie in haar antwoord aan de ombudsman ten aanzien van het eerste punt aanvoerde dat zij de kwestie van de beroepsmogelijkheden met de Oostenrijkse autoriteiten had aangekaart, maar hun standpunt had aanvaard dat dit een probleem zou stellen voor de nationale wetgeving inzake de gerechtelijke procedure, en erop wees dat de Oostenrijkse autoriteiten zich ertoe hadden verplicht ervoor te zorgen dat de cumulatieve effecten van de vorige werkzaamheden, waarvoor alleen een ex post-MER werd verricht, ten volle in aanmerking zouden worden genomen in de MER over een nieuwe derde baan, waarvoor een volledige rechterlijke toetsing mogelijk zou zijn;

S.  overwegende dat de Commissie in verband met de tweede aantijging van wanbeheer aanvoerde dat de MER-richtlijn geen voorschriften bevat met betrekking tot de verdeling van bevoegdheden voor de MER-procedure in de lidstaten, dat het in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel de exclusieve bevoegdheid is van de lidstaten, die instaan voor de organisatie van hun eigen diensten, om te bepalen welke autoriteiten belast worden met de procedures uit hoofde van de MER-richtlijn, en dat het in alle lidstaten een algemeen bestuursrechtelijk beginsel is dat een instantie die een onrechtmatig besluit heeft genomen waartegen administratief of gerechtelijk beroep is aangetekend, de situatie ook moet rechtzetten;

T.  overwegende dat de ontwerpaanbeveling dus geen resultaat heeft opgeleverd en dat de ombudsman heeft geoordeeld dat de Commissie in dit geval heeft gefaald om passende stappen te ondernemen tegen een duidelijke inbreuk op het EU-recht door ervoor te zorgen dat de ex post-MER op onpartijdige wijze werd verricht, en niet naar behoren gevolg heeft gegeven aan de aanbeveling van de ombudsman inzake de toegang tot beroepsmogelijkheden tegen deze rapportage;

U.  overwegende dat de ombudsman derhalve heeft geoordeeld dat deze kwestie onder de aandacht van het Parlement moest worden gebracht;

V.  overwegende dat de Commissie op 26 oktober 2012 een voorstel voor een herziening van de MER-richtlijn heeft ingediend; overwegende dat de Commissie juridische zaken een wetgevingsinitiatiefverslag heeft opgesteld waarin wordt aangedrongen op een algemene regeling inzake bestuursrechtelijke procedures voor de administratieve diensten van de EU;

De aanbeveling van de ombudsman

1.  verwelkomt het speciaal verslag van de ombudsman, waarin belangrijke kwesties in verband met de toepassing van de MER-richtlijn en het verloop van de inbreukprocedures aan bod komen;

2.  herinnert eraan dat sprake is van wanbeheer wanneer een openbare instelling niet handelt volgens een regel of beginsel waaraan zij gebonden is;

3.  merkt op dat het vermeende wanbeheer betrekking heeft op de manier waarop de Commissie de inbreukprocedure tegen Oostenrijk heeft afgehandeld, met name dat zij er niet voor heeft gezorgd dat de autoriteit die de vergunningen voor de werkzaamheden zonder de vereiste milieueffectrapportage had afgegeven niet verantwoordelijk zou zijn voor de uitvoering van de ex post-MER, noch heeft verzekerd dat de klager toegang had tot beroepsmogelijkheden tegen deze rapportage;

4.  onderstreept dat dit speciaal verslag niet ingaat op de vraag of de Oostenrijkse autoriteiten verkeerd hebben gehandeld, maar nagaat of de Commissie haar verplichtingen bij het onderzoek en de afhandeling van een ingekomen klacht en bij het opvolgen van de verzoeken en aanbevelingen van de ombudsman na diens eerste onderzoek in deze zaak is nagekomen;

5.  deelt de zorg van de ombudsman over de mogelijke negatieve gevolgen van belangenconflicten bij de uitvoering van milieueffectrapportages en is het ermee eens dat moet worden gezocht naar middelen om deze kwestie aan te pakken; begrijpt tegelijk het standpunt van de Commissie dat zij haar bevoegdheden zou hebben overschreden indien zij de Oostenrijkse autoriteiten had gevraagd een andere instantie voor de ex post-rapportage aan te wijzen;

6.  raadt de bevoegde autoriteiten in de lidstaten aan om ook in de huidige stand van de wetgeving al rekening te houden met mogelijke belangenconflicten en zich voor te bereiden op toekomstige wijzigingen in het ter zake geldende EU-recht; beklemtoont de rol van de nationale ombudsmannen als belangrijke bemiddelaars die de burgers kunnen helpen om stappen te ondernemen tegen mogelijke belangenconflicten en gevallen van wanbeheer binnen de overheidsdiensten van de lidstaten;

7.  meent met betrekking tot de tweede aantijging van de ombudsman dat eerlijke, actieve en volledige betrokkenheid van de plaatselijke bevolking bij de toepassing van de MER-richtlijn van essentieel belang is; meent derhalve dat vaker een beroep moet worden gedaan op open en transparante bemiddelingsprocedures in de aanloop naar projecten die mogelijk een grote impact hebben op het plaatselijke milieu en de menselijke gezondheid; verwelkomt in dit verband de publieke dialoog die vóór de MER over de aanleg van een derde baan op de luchthaven van Wenen werd gehouden, die ook een evaluatie omvatte van de cumulatieve impact (bv. geluidshinder) van de uitbreidingen waarop deze inbreukprocedure betrekking heeft, en wel voorzag in voldoende beroepsmogelijkheden;

8.  is het met de ombudsman eens dat het bijhouden en actualiseren van duidelijke informatie deel uitmaakt van goed administratief bestuur, aangezien dit het bv. voor de ombudsman mogelijk maakt om na te gaan of naar behoren met zijn aanbevelingen rekening is gehouden;

9.  acht het tevens wenselijk en een belangrijk aspect van goed administratief bestuur om een passende, duidelijke en consequente correspondentie te onderhouden met de klagers tijdens een inbreukprocedure en met de ombudsman tijdens zijn onderzoek;

10.  verwelkomt de verklaring van de Commissie dat zij voornemens is haar handelwijze op beide punten, schriftelijke informatie en gedegen correspondentie, te verbeteren, teneinde communicatieproblemen zoals die zich in onderhavig geval hebben voorgedaan, te voorkomen;

11.  onderstreept dat noch de Commissie, noch de Oostenrijkse autoriteiten bestaande Europese wetten hebben overtreden bij de uitvoering van de ex post-MER, die het gevolg was van een specifieke onderhandelde ad hocprocedure; wijst er echter op dat de EU-wetgeving geen rechtsgrond biedt voor een dergelijke procedure en dat deze situatie dus moet worden beschouwd als uitzonderlijk en het gevolge van een voorafgaande niet-naleving van de richtlijn, die niet kan worden rechtgezet;

12.  meent dat de Commissie in haar onderhandelingen met de Oostenrijkse autoriteiten meer inspanningen had kunnen doen met betrekking tot de beroepsmogelijkheden, rekening houdend met de omzetting van de desbetreffende bepalingen (artikel 10 bis) in de Oostenrijkse wetgeving in 2005, alsook met betrekking tot het belangenconflict bij het bevoegde Oostenrijkse ministerie, rekening houdend met het algemene beginsel in de EU-jurisprudentie dat niet alleen de letter van de wet moet worden gevolgd, maar dat ook het doel en de geest van de wetgeving in acht moet worden genomen;

De zaak van de luchthaven van Wenen, de herziening van de MER-richtlijn en de verordening inzake goed bestuur

13.  meent dat de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de inbreukprocedure van de Commissie en zodoende ook tot de klacht bij de Europese ombudsman ernstige vragen doen rijzen in verband met de tenuitvoerlegging van Richtlijn 85/337/EEG in de lidstaten, in dit geval in Oostenrijk, op dat moment; verwelkomt dat bij de herziening van de federale Oostenrijkse wet tot uitvoering van de MER-richtlijn onder meer terdege rekening is gehouden met de bevindingen van de genoemde inbreukprocedure en dat de Oostenrijkse wetgeving ter zake op dit moment dus in overeenstemming is met het EU-recht;

14.  herinnert eraan dat bij de Commissie verzoekschriften in de loop der jaren verschillende gevallen zijn gemeld waarbij lidstaten de planning en uitvoering van projecten hadden toegestaan zonder de vereiste MER;

15.  meent dat belanghebbende burgers, indien het waarschijnlijk is dat projecten strijdig zijn met de fundamentele voorschriften van de MER-richtlijn, moeten beschikken over doeltreffende rechtsinstrumenten om van de bevoegde MER-autoriteit onmiddellijk uitsluitsel te krijgen over de conformiteit van projecten met de EU-voorschriften, teneinde onomkeerbare schade door de uitvoering van dergelijke projecten te voorkomen;

16.  wijst er tevens op dat in de huidige MER-richtlijn geen sprake is van ex post-MER, en dat deze oplossing door de Commissie werd onderhandeld om het hoofd te bieden aan een bestaande situatie waarbij de vergunningen reeds waren toegekend en de werken waren uitgevoerd;

17.  wijst erop dat de zaak van de luchthaven van Wenen tekortkomingen in de bestaande MER-richtlijn aan het licht heeft gebracht, zoals wat te doen met projecten die in de praktijk onomkeerbaar zijn omdat zij al uitgevoerd zijn, waarbij mogelijk al schade aan het milieu is toegebracht, en hoe om te gaan met een belangenconflict bij de bevoegde autoriteiten, zoals in dit geval werd gemeld;

18.  verwijst naar het jaarverslag 2011 van zijn Commissie verzoekschriften, waarin werd gewezen op de noodzaak van objectiviteit en onpartijdigheid bij de uitvoering van MER; herinnert eraan dat de Commissie werd verzocht de MER-richtlijn te versterken door daarin duidelijke criteria op te nemen inzake de onafhankelijkheid van deskundigenstudies, gezamenlijke EU-drempels, een maximumtermijn voor de procedure, met inbegrip van effectieve openbare raadpleging, de eis om beslissingen te rechtvaardigen, het verplicht bestuderen van redelijke alternatieven en een mechanisme voor kwaliteitscontrole;

19.  verwelkomt het voorstel van de Commissie voor een herziening van de MER-richtlijn met de bedoeling deze te versterken; zal zich in nauwe samenwerking met de Commissie en de Raad blijven inzetten om ervoor te zorgen dat deze belangrijke richtlijn op steeds doeltreffender en objectiever wijze bijdraagt aan de gestelde doelen(3);

20.  wijst erop dat de bestaande richtlijn geen voorschriften bevat inzake de objectiviteit en onpartijdigheid van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het afgeven van vergunningen, noch voor instanties die een MER verrichten; merkt op dat de richtlijn evenmin voorschriften bevat over de te volgen procedure wanneer een project al volledig of nagenoeg volledig is afgerond, noch bepaalt hoe belanghebbende burgers via een duidelijke en onbureaucratische procedure van de bevoegde MER-autoriteit onmiddellijk uitsluitsel kunnen krijgen over de conformiteit met de EU-voorschriften van dergelijke projecten die waarschijnlijk strijdig zijn met de fundamentele voorschriften van de MER-richtlijn; meent derhalve dat de herziening van de MER-richtlijn een goede gelegenheid biedt om dergelijke voorschriften en bepalingen in te voeren;

21.  meent dat uit deze zaak tevens blijkt dat naast maatregelen ter versterking van de MER-richtlijn ook duidelijker procedures moeten worden vastgesteld voor inbreukprocedures, bij voorkeur door de goedkeuring van een algemene regeling inzake administratieve procedures voor de diensten van de EU, waarbij de positie van de klager wordt versterkt; meent dat een dergelijke regeling een passend instrument zou zijn om te verduidelijken wat de verplichtingen van de autoriteiten zijn in de communicatie met klagers bij een inbreukprocedure of met instanties die Europese burgers vertegenwoordigen zoals de Commissie verzoekschriften en de ombudsman, bv. door de invoering van een verplichting om zo spoedig mogelijk gevolg te geven aan aanbevelingen van de ombudsman, teneinde misverstanden zoals die zich in onderhavig geval hebben voorgedaan, te voorkomen;

o
o   o

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese ombudsman, het Europees Netwerk van ombudsmannen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 113 van 4.5.1994, blz. 15.
(2) Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (gewijzigd).
(3) COM(2012)0628.


Boekhoudregels en actieplannen inzake broeikasgasemissies en -verwijderingen als resultaat van activiteiten met betrekking tot landgebruik ***I
PDF 198kWORD 37k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad inzake boekhoudregels en actieplannen voor broeikasgasemissies en -verwijderingen als resultaat van activiteiten met betrekking tot landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (COM(2012)0093 – C7-0074/2012 – 2012/0042(COD))
P7_TA(2013)0063A7-0317/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0093),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0074/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2012(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 21 december 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A7-0317/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2013 met het oog op de vaststelling van Besluit nr. …/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake boekhoudregels met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen als gevolg van activiteiten met betrekking tot landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw en inzake informatie betreffende acties met betrekking tot deze activiteiten

P7_TC1-COD(2012)0042


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit nr. 529/2013/EU.)

(1) PB C 351 van 15.11.2012, blz. 85.


Bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en overige informatie over klimaatverandering ***I
PDF 199kWORD 38k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering (COM(2011)0789 – C7-0433/2011 – 2011/0372(COD))
P7_TA(2013)0064A7-0191/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0789),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0433/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 28 maart 2012(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 19 juli 2012(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 21 december 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie industrie, onderzoek en energie (A7-0191/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG

P7_TC1-COD(2011)0372


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 525/2013.)

(1) PB C 181 van 21.6.2012, blz. 169.
(2) PB C 277 van 13.9.2012, blz. 51.


Onlinebeslechting van consumentengeschillen ***I
PDF 197kWORD 30k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen (Verordening ODR consumenten) (COM(2011)0794 – C7-0453/2011 – 2011/0374(COD))
P7_TA(2013)0065A7-0236/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0794),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0453/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Nederlandse Eerste kamer, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 28 maart 2012(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 12 december 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie juridische zaken (A7-0236/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG (Verordening ODR consumenten)

P7_TC1-COD(2011)0374


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 524/2013.)

(1) PB C 181 van 21.6.2012, blz. 99.


Alternatieve beslechting van consumentengeschillen ***I
PDF 199kWORD 29k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG (Richtlijn ADR consumenten) (COM(2011)0793 – C7-0454/2011 – 2011/0373(COD))
P7_TA(2013)0066A7-0280/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0793),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0454/2011),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken over de rechtsgrondslag,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Nederlandse Eerste Kamer en de Duitse Bondsraad, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 28 maart 2012(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 12 december 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 55 en 37 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie juridische zaken (A7-0280/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2013 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2013/…/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG (Richtlijn ADR consumenten)

P7_TC1-COD(2011)0373


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn 2013/11/EU.)

(1) PB C 181 van 21.6.2012, blz. 93.


Associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie *
PDF 583kWORD 65k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie („LGO-besluit”) (COM(2012)0362 – C7-0285/2012 – 2012/0195(CNS))
P7_TA(2013)0067A7-0052/2013

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2012)0362),

–  gezien artikel 203 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0285/2012),

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie visserij (A7-0052/2013),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een besluit
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)  Gezien het belang van de associatie van de landen en gebieden overzee als doeltreffende vertegenwoordiger van de LGO in hun dialoog met de Commissie en de lidstaten van de Unie, dient die associatie tot actieve medespeler bij de samenwerking te worden gemaakt met als doel de gemeenschappelijke belangen van de LGO binnen de associatie te verdedigen.
Amendement 2
Voorstel voor een besluit
Overweging 6
(6)  De bijdrage van het maatschappelijk middenveld aan de ontwikkeling van de LGO kan worden vergroot door maatschappelijke organisaties op alle samenwerkingsterreinen te versterken.
(6)  De bijdrage van het maatschappelijk middenveld aan de ontwikkeling van de LGO kan worden vergroot door maatschappelijke organisaties op alle samenwerkingsterreinen te versterken en hen meer verantwoordelijkheid te geven.
Amendement 3
Voorstel voor een besluit
Overweging 10
(10)  De LGO beschikken over een rijke terrestrische en mariene biodiversiteit. Klimaatverandering kan de natuurlijke omgeving van de LGO beïnvloeden en vormt een bedreiging voor hun duurzame ontwikkeling. Maatregelen voor de instandhouding van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, vermindering van het rampenrisico, duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en bevordering van duurzame energie dragen bij tot aanpassing aan klimaatverandering in de LGO en vermindering van de gevolgen ervan.
(10)  De LGO beschikken over een rijke terrestrische en mariene biodiversiteit. Klimaatverandering kan de natuurlijke omgeving van de LGO beïnvloeden en vormt een bedreiging voor hun duurzame ontwikkeling. Maatregelen voor de instandhouding van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, vermindering van het rampenrisico, duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en bevordering van duurzame energie kunnen de LGO helpen zich aan te passen aan de klimaatverandering en de gevolgen ervan te verminderen. De LGO moeten tevens kunnen deelnemen aan horizontale programma's van de Unie, zoals het programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE).
Amendement 4
Voorstel voor een besluit
Overweging 12
(12)  Het is van belang om de LGO te steunen bij hun streven minder afhankelijk te worden van fossiele brandstoffen, teneinde hun kwetsbaarheid voor de toegang tot brandstoffen en de volatiliteit van de prijzen ervan te verminderen en zo hun economie veerkrachtiger en minder kwetsbaar voor externe schokken te maken.
(12)  Het is van belang om de LGO te steunen bij hun streven minder afhankelijk te worden van fossiele brandstoffen, teneinde hun kwetsbaarheid voor de toegang tot brandstoffen en de volatiliteit van de prijzen ervan te verminderen en zo hun economie veerkrachtiger en minder kwetsbaar voor externe schokken te maken, met name op het vlak van werkgelegenheid.
Amendement 5
Voorstel voor een besluit
Overweging 14
(14)  De afgelegen geografische positie van de LGO heeft nadelige gevolgen voor hun concurrentievermogen en het is derhalve van belang hun toegankelijkheid te vergroten.
(14)  De afgelegen geografische positie van de LGO is een uitdaging voor hun economische ontwikkeling en het is derhalve van belang hun toegankelijkheid te vergroten.
Amendement 6
Voorstel voor een besluit
Overweging 15
(15)  De Unie en de LGO erkennen het belang van onderwijs als hefboom voor de duurzame ontwikkeling van de LGO.
(15)  De Unie en de LGO erkennen het belang van onderwijs en beroepsopleiding als hefboom voor de duurzame ontwikkeling van de LGO.
Amendement 7
Voorstel voor een besluit
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  Verbetering van de arbeidsomstandigheden en de rechten van werknemers en vakbonden moeten een kerndoel van de samenwerking zijn. In dit proces is een belangrijke rol weggelegd voor de vakbonden en andere werknemersvertegenwoordigers.
Amendement 8
Voorstel voor een besluit
Overweging 17
(17)  Overdraagbare ziekten die in de LGO voorkomen, zoals dengue in het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en chikungunya in de Indische Oceaan, kunnen aanzienlijke problemen opleveren voor de gezondheid en de economie. Niet alleen tasten zij de productiviteit van de getroffen bevolking aan, ook kunnen epidemieën in de LGO grote gevolgen hebben voor het toerisme, dat een van de belangrijkste pijlers van de economie van veel van de LGO is. Doordat grote aantallen toeristen en migrerende werknemers naar de LGO reizen, zijn deze kwetsbaar voor geïmporteerde infectieziekten. Anderzijds bestaat het gevaar dat door de grote stroom van reizigers vanuit de LGO overdraagbare ziekten in Europa worden geïntroduceerd. Veilig toerisme is daarom een kritische factor voor de duurzaamheid van de LGO-economieën die sterk van het toerisme afhankelijk zijn.
(17)  Overdraagbare ziekten die in de LGO voorkomen, zoals dengue in het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en chikungunya in de Indische Oceaan, kunnen aanzienlijke problemen opleveren voor de gezondheid en de economie. Niet alleen tasten zij de productiviteit van de getroffen bevolking aan, ook kunnen epidemieën in de LGO grote gevolgen hebben voor het toerisme, dat een van de belangrijkste pijlers van de economie van veel van de LGO is. Doordat grote aantallen toeristen en migrerende werknemers naar de LGO reizen, zijn deze kwetsbaar voor geïmporteerde infectieziekten. Een laagdrempelige en regelmatige toegang tot arbeidsgeneeskundige diensten kan de omvang van epidemieën verminderen. Anderzijds bestaat het gevaar dat door de grote stroom van reizigers vanuit de LGO overdraagbare ziekten in Europa worden geïntroduceerd. Veilig toerisme is daarom een kritische factor voor de duurzaamheid van de LGO-economieën die sterk van het toerisme afhankelijk zijn.
Amendement 9
Voorstel voor een besluit
Overweging 18
(18)  De associatie tussen de Unie en de LGO dient rekening te houden met en bij te dragen tot de instandhouding van de culturele diversiteit en identiteit van de LGO.
(18)  De associatie tussen de Unie en de LGO moet naar behoren rekening houden met en bijdragen tot de instandhouding van de culturele diversiteit en identiteit van de LGO. Zij moet tevens naar behoren rekening houden met en bijdragen tot de bescherming en de eerbiediging van de rechten van de inheemse volkeren van de LGO.
Amendement 10
Voorstel voor een besluit
Overweging 19
(19)  De Unie erkent het belang van de ontwikkeling van een actiever partnerschap met de LGO ten aanzien van goed bestuur en de bestrijding van georganiseerde misdaad, mensenhandel, terrorisme en corruptie.
(19)  De Unie erkent het belang van de ontwikkeling van een actiever partnerschap met de LGO ten aanzien van goed economisch, sociaal en fiscaal bestuur en de bestrijding van georganiseerde misdaad, mensenhandel, terrorisme en corruptie.
Amendement 11
Voorstel voor een besluit
Overweging 20
(20)  De samenwerking tussen de Unie en de LGO inzake handel en handelsgerelateerde vraagstukken dient bij te dragen tot duurzame ontwikkeling op economisch, sociaal en milieubeschermingsgebied.
(20)  De samenwerking tussen de Unie en de LGO inzake handel en handelsgerelateerde vraagstukken dient stelselmatig bij te dragen tot duurzame ontwikkeling op economisch, sociaal en milieubeschermingsgebied.
Amendement 12
Voorstel voor een besluit
Overweging 21
(21)  De ontwikkelingen op wereldniveau, zoals die tot uiting komen in het proces van steeds verdergaande liberalisering van het handelsverkeer, zijn sterk van invloed op de Unie, die de belangrijkste handelspartner van de LGO is, de ACS-staten in de geografische nabijheid van de LGO en hun andere economische partners.
(21)  De ontwikkelingen op wereldniveau, zoals die tot uiting komen in het proces van steeds verdergaande liberalisering van het handelsverkeer en die niet bepaald gunstig uitpakken voor de kleine insulaire gebieden, dwingen de Unie, die de belangrijkste handelspartner van de LGO is, om beter rekening te houden met de belangen van de LGO in de handelsovereenkomsten die zij sluit met buurlanden van de LGO. Dit brengt een gedeelde verantwoordelijkheid met zich mee om stelselmatig in elk partnerschap of elke handelsovereenkomst clausules op te nemen over de naleving van sociale minimumnormen.
Amendement 13
Voorstel voor een besluit
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)  Aangezien bezuinigingsbeleid nadelige effecten heeft gehad op de werkgelegenheid, moeten de LGO en de Unie samenwerken om met dit beleid te breken en ambitieuze programma's voor openbare investeringen na te streven, daar zij de enige manier vormen om behoorlijke leef- en arbeidsomstandigheden te waarborgen voor het merendeel van de bevolking in zowel de LGO als de Unie.
Amendement 14
Voorstel voor een besluit
Overweging 22
(22)  De LGO zijn kwetsbare eilanden die adequate bescherming behoeven, ook wat het afvalbeheer betreft. Wat radioactief afval betreft, wordt hierin voorzien bij artikel 198 van het Euratom-Verdrag en uit hoofde daarvan aangenomen secundaire wetgeving, behalve voor Groenland, waarop het Euratom-Verdrag niet van toepassing is. Voor ander afval moet nader worden aangegeven welke EU-voorschriften er ten aanzien van de LGO moeten worden toegepast.
(22)  De LGO zijn kwetsbare eilanden die adequate bescherming behoeven, ook op het gebied van afvalbeheer en het indijken van radioactieve besmetting. Wat radioactief afval betreft, wordt hierin voorzien bij artikel 198 van het Euratom-Verdrag en uit hoofde daarvan aangenomen secundaire wetgeving, behalve voor Groenland, waarop het Euratom-Verdrag niet van toepassing is. Voor ander afval moet nader worden aangegeven welke EU-voorschriften er ten aanzien van de LGO moeten worden toegepast. Voor radioactieve besmetting, met name in verband met kernproeven, moet worden vastgesteld welke regels van de Unie van toepassing kunnen zijn op de LGO, om de biodiversiteit en de bevolking tegen deze vormen van vervuiling te beschermen.
Amendement 15
Voorstel voor een besluit
Overweging 26
(26)  In verband met de doelstellingen van integratie en de ontwikkelingen in het mondiale handelsverkeer op het gebied van diensten en vestiging dient steun te worden geboden voor de ontwikkeling van dienstenmarkten en investeringsmogelijkheden, door de toegang tot de markt van de Unie voor diensten en investeringen van de LGO te verbeteren. De Unie dient daartoe de LGO de gunstigst mogelijke behandeling te bieden, zoals die aan andere handelspartners wordt geboden, door middel van brede meestbegunstigingsclausules; er dient voor de LGO te worden voorzien in flexibeler mogelijkheden voor handelsbetrekkingen door de behandeling die de LGO de Unie verlenen te beperken tot wat zij aan andere belangrijke handelsmachten hebben geboden.
(26)  In verband met de doelstellingen van integratie en de ontwikkelingen in het mondiale handelsverkeer op het gebied van diensten en vestiging dient steun te worden geboden voor de ontwikkeling van dienstenmarkten en investeringsmogelijkheden, door de toegang tot de markt van de Unie voor diensten en investeringen van de LGO te verbeteren en door de toegang tot openbare aanbestedingen voor hen te vergemakkelijken. De Unie dient daartoe de LGO de gunstigst mogelijke behandeling te bieden, zoals die aan andere handelspartners wordt geboden, door middel van brede meestbegunstigingsclausules; er dient voor de LGO te worden voorzien in flexibeler mogelijkheden voor handelsbetrekkingen door de behandeling die de LGO de Unie verlenen te beperken tot wat zij aan andere belangrijke handelsmachten hebben geboden.
Amendement 16
Voorstel voor een besluit
Overweging 28
(28)  Sanitaire en fytosanitaire maatregelen en technische handelsbelemmeringen kunnen gevolgen hebben voor het handelsverkeer en vereisen samenwerking. De samenwerking inzake handel en handelsgerelateerde vraagstukken dient zich tevens uit te strekken tot het mededingingsbeleid en intellectuele-eigendomsrechten, aangezien die van invloed zijn op de rechtvaardige verdeling van de uit handel voortvloeiende baten.
(28)  Sanitaire en fytosanitaire maatregelen en technische handelsbelemmeringen kunnen gevolgen hebben voor het handelsverkeer en voor de werkgelegenheid en vereisen samenwerking. De samenwerking inzake handel en handelsgerelateerde vraagstukken dient zich tevens uit te strekken tot het werkgelegenheidsbeleid, met name met betrekking tot jongeren, mededingingsbeleid en intellectuele-eigendomsrechten, aangezien die van invloed zijn op de rechtvaardige verdeling van de uit handel voortvloeiende baten.
Amendement 17
Voorstel voor een besluit
Overweging 29
(29)  Opdat de LGO op zo gunstig mogelijke voorwaarden kunnen deelnemen aan de interne markt van de Unie en aan regionale, subregionale en internationale markten, is het van belang de capaciteit van de LGO op hiervoor relevante gebieden te ontwikkelen. Hiertoe behoren de ontwikkeling van het menselijk potentieel en vaardigheden, de ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf, de diversifiëring van economische sectoren en de toepassing van een passend juridisch kader voor de totstandbrenging van een voor investeringen gunstig ondernemingsklimaat.
(29)  Opdat de LGO op zo gunstig mogelijke voorwaarden kunnen deelnemen aan de interne markt van de Unie en aan regionale, subregionale en internationale markten, is het van belang de capaciteit van de LGO op hiervoor relevante gebieden te ontwikkelen. Hiertoe behoren de ontwikkeling van het menselijk potentieel en vaardigheden door het aanbieden van adequate beroeps- en vervolgopleidingen, bevordering van de ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf, vergemakkelijking van de toegang tot microfinanciering en leningen, de diversifiëring van economische sectoren en de toepassing van een passend juridisch kader voor de totstandbrenging van een voor investeringen gunstig ondernemingsklimaat. In dat kader zouden door samenvoeging van het EOF en de in de algemene begroting van de Unie vermelde instrumenten waarvoor de LGO in aanmerking komen, de beoogde investeringen gerationaliseerd kunnen worden en zou het hefboomeffect ervan kunnen worden versterkt.
Amendement 18
Voorstel voor een besluit
Overweging 30 bis (nieuw)
(30 bis)  De LGO kunnen een sleutelrol spelen in de bestrijding van belastingparadijzen. In dit verband moet worden gewezen op de noodzaak tot een echte transparante financiële sector te komen.
Amendement 19
Voorstel voor een besluit
Overweging 33
(33)  De procedures van de artikelen 9 en 82 betreffende financiële bijstand verlenen de LGO met name de hoofdverantwoordelijkheid voor de programmering van het elfde EOF en de uitvoering van de samenwerking. De samenwerking geschiedt grotendeels overeenkomstig de territoriale bepalingen van de LGO en ligt ten grondslag aan de steun voor de monitoring, evaluatie en audit van de geprogrammeerde maatregelen. Bovendien moet worden verduidelijkt dat de LGO in aanmerking komen voor de verschillende financieringsbronnen bedoeld in artikel 76.
(33)  De procedures van de artikelen 9 en 82 betreffende financiële bijstand verlenen de LGO met name de hoofdverantwoordelijkheid voor de programmering van het elfde EOF en de uitvoering van de samenwerking. De samenwerking geschiedt grotendeels overeenkomstig de territoriale bepalingen van de LGO en ligt ten grondslag aan de steun voor de monitoring, evaluatie en audit van de geprogrammeerde maatregelen. Bovendien moet worden verduidelijkt dat de LGO in aanmerking komen voor de verschillende financieringsbronnen bedoeld in artikel 76, en dat de Commissie ertoe gehouden is de toegang van de LGO tot de horizontale programma's te vergemakkelijken door haar „LGO-strategie” toe te passen, zoals voorgeschreven in artikel 88, lid 2 bis.
Amendement 20
Voorstel voor een besluit
Overweging 34
(34)  Teneinde nadere voorschriften vast te stellen voor de opstelling, de follow-up, de audit, de evaluatie, de toetsing en de tenuitvoerlegging van de programmeringsdocumenten, alsook voor de rapportage en het aanbrengen van financiële correcties, dient ten aanzien van deel IV van dit besluit aan de Commissie de bevoegdheid te worden gedelegeerd om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Teneinde rekening te houden met technologische ontwikkelingen en wijzigingen van de douanewetgeving dient de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen tot wijziging van de aanhangsels van bijlage VI bij dit besluit, eveneens aan de Commissie te worden gedelegeerd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden het nodige overleg pleegt, ook op het niveau van deskundigen. Bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen dient de Commissie ervoor te zorgen dat de desbetreffende documenten gelijktijdig, tijdig en op passende wijze bij de Raad worden ingediend.
(34)  Teneinde nadere voorschriften vast te stellen voor de opstelling, de follow-up, de audit, de evaluatie, de toetsing en de tenuitvoerlegging van de programmeringsdocumenten, alsook voor de rapportage en het aanbrengen van financiële correcties, dient ten aanzien van deel IV van dit besluit aan de Commissie de bevoegdheid te worden gedelegeerd om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Met het oog op de vaststelling van besluiten over de overeenkomst inzake cumulatie van de oorsprong tussen een LGO en een land waarmee de Unie een vrijhandelsovereenkomst heeft gesloten, over afwijkingen van het systeem van geregistreerde exporteurs, en over de tijdelijke afwijking van de bepalingen van bijlage VI, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen voor wat betreft bijlage VI van dit besluit. Teneinde rekening te houden met technologische ontwikkelingen en wijzigingen van de douanewetgeving dient de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen tot wijziging van de aanhangsels van bijlage VI bij dit besluit, eveneens aan de Commissie te worden gedelegeerd. Met het oog op de aanneming van besluiten betreffende tijdelijke intrekking van de voordelen van de preferentiële regelingen en betreffende voorafgaande toezichtmaatregelen overeenkomstig bijlage VII, alsmede van voorlopige en definitieve vrijwaringsmaatregelen overeenkomstig bijlage VIII, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen voor wat betreft bijlagen VII en VIII bij dit besluit. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden het nodige overleg pleegt, ook op het niveau van deskundigen. Bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen dient de Commissie ervoor te zorgen dat de desbetreffende documenten gelijktijdig, tijdig en op passende wijze bij het Europees Parlement en de Raad worden ingediend.
Amendement 21
Voorstel voor een besluit
Artikel 2 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. Om deze doelstellingen te kunnen bereiken wordt rekening gehouden met de identiteit en de geografische, politieke, economische en sociale situatie van elke LGO.

Amendement 22
Voorstel voor een besluit
Artikel 5 – lid 2 – letter b
b) bevordering van groene groei;
b) bevordering van groene groei en groene banen in alle sectoren waarin er sprake is van groene groei;
Amendement 23
Voorstel voor een besluit
Artikel 6 – lid 1
1.  Om hun onderlinge betrekkingen te versterken, streven de Unie en de LGO ernaar hun bevolking met de associatie bekend te maken, in het bijzonder door de ontwikkeling van banden en samenwerking tussen autoriteiten, wetenschappers, maatschappelijke organisaties en bedrijven van de LGO enerzijds en die van de Unie anderzijds te bevorderen.
1.  Om hun onderlinge betrekkingen te versterken, streven de Unie en de LGO ernaar hun bevolking met de associatie en de gemeenschappelijke voordelen ervan bekend te maken, in het bijzonder door de ontwikkeling van banden en samenwerking tussen autoriteiten, wetenschappers, maatschappelijke organisaties, sociale partners en bedrijven van de LGO enerzijds en die van de Unie anderzijds te bevorderen. Met het oog hierop ziet de Unie toe op een effectieve deelname van de LGO aan de informatie- en communicatieprogramma's en met name de informatiecentra „Europe Direct”, teneinde de Unie dichter bij de burgers in de LGO te brengen.
Amendement 24
Voorstel voor een besluit
Artikel 6 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. De Commissie bevordert partnerschappen met de LGO in het kader van alle programma's en instrumenten van de Unie waarin is voorzien in de algemene begroting van de Unie zoals bedoeld in artikel 88.

Amendement 25
Voorstel voor een besluit
Artikel 7 – lid 3
3.  De associatie is gericht op ondersteuning van de samenwerking tussen de LGO en andere partners op de in deel I en deel II van dit besluit bepaalde samenwerkingsgebieden. Het doel van de associatie in dit verband is het stimuleren van de samenwerking tussen de LGO en de ultraperifere gebieden als vermeld in artikel 349 van het Verdrag, hun buurlanden die behoren tot de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) en hun andere buurlanden. Om dat doel te bereiken, verbetert de Unie de coördinatie en stimuleert zij synergieën tussen de samenwerkingsprogramma’s die door verschillende financieringsinstrumenten van de EU worden gesteund.
3.  De associatie is gericht op ondersteuning van de samenwerking tussen de LGO en andere partners op de in deel I en deel II van dit besluit bepaalde samenwerkingsgebieden. Het doel van de associatie in dit verband is het stimuleren van de samenwerking tussen de LGO en de ultraperifere gebieden als vermeld in artikel 349 van het Verdrag, hun buurlanden die behoren tot de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) en hun andere buurlanden. Om dat doel te bereiken, verbetert de Unie de coördinatie en stimuleert zij synergieën tussen de samenwerkingsprogramma's die door verschillende financieringsinstrumenten van de EU worden gesteund, met inbegrip van de programma's voor territoriale samenwerking in het kader van het cohesiebeleid. Bovendien betrekt de Unie de LGO bij haar politieke dialoog met de buurlanden van de LGO en informeert zij deze over de agenda en de resoluties en aanbevelingen van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU. Voorts steunen de lidstaten en de Commissie elk verzoek van de LGO-autoriteiten om als waarnemers deel te nemen aan de plenaire vergaderingen van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU met inachtneming van het reglement van orde van deze vergadering.
Amendement 26
Voorstel voor een besluit
Artikel 7 – lid 4 – letter d
d) de deelname van de LGO aan de ontwikkeling van regionale markten binnen organisaties voor regionale integratie;
d) de deelname van de LGO aan de ontwikkeling van regionale organisaties en regionale markten binnen organisaties voor regionale integratie;
Amendement 27
Voorstel voor een besluit
Artikel 9 – lid 2 - inleidende formule
2.  De LGO voeren waar nodig een dialoog en overleg met autoriteiten en instanties zoals:
2.  De LGO voeren waar nodig een dialoog en overleg met autoriteiten, parlementsleden en instanties zoals:
Amendement 28
Voorstel voor een besluit
Artikel 9 – lid 2 – letter a bis (nieuw)
a bis) de op nationaal en Europees niveau gekozen parlementsleden van de LGO;
Amendement 29
Voorstel voor een besluit
Artikel 9 – lid 2 – letter c bis (nieuw)
c bis) de entiteiten waarvan alle LGO deel uitmaken, in het bijzonder de associatie van de landen en gebieden overzee (OCTA);
Amendement 30
Voorstel voor een besluit
Artikel 10 – lid 1 – letter b bis (nieuw)
b bis) de op nationaal en Europees niveau gekozen parlementsleden van de LGO;
Amendement 31
Voorstel voor een besluit
Artikel 12 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis. Dankzij de dialoog kunnen de LGO kennisnemen van de verschillende horizontale regionale programma's en van de lopende EOF-maatregelen en krijgen ze de mogelijkheid hieraan deel te nemen.

Amendement 32
Voorstel voor een besluit
Artikel 13 – lid 1 – letter a
a) jaarlijks vindt een forum voor dialoog tussen de LGO en de EU (het LGO-EU-forum) plaats, waaraan wordt deelgenomen door de autoriteiten van de LGO, vertegenwoordigers van de lidstaten en de Commissie. Leden van het Europees Parlement, vertegenwoordigers van de EIB en vertegenwoordigers van de ultraperifere gebieden worden indien nodig bij het LGO-EU-forum betrokken;
a) jaarlijks vindt een forum voor dialoog tussen de LGO en de EU (het LGO-EU-forum) plaats, waaraan wordt deelgenomen door de autoriteiten van de LGO, de gekozen parlementsleden van de LGO, vertegenwoordigers van de lidstaten en de Commissie. De leden van het Europees Parlement zijn erbij betrokken. Vertegenwoordigers van de EIB, vertegenwoordigers van de ultraperifere gebieden, en naburige, al dan niet tot de ACS behorende staten worden indien nodig bij het LGO-EU-forum betrokken;
Amendement 33
Voorstel voor een besluit
Artikel 13 – lid 1 – letter b
b) op regelmatige basis voeren de Commissie, de LGO en de lidstaten waarmee de LGO banden hebben trilateraal overleg. Dit overleg vindt in de regel viermaal per jaar plaats op initiatief van de Commissie of op verzoek van de LGO en de lidstaten waarmee zij banden hebben;
b) op regelmatige basis voeren de Commissie, de LGO en de lidstaten waarmee de LGO banden hebben trilateraal overleg. Dit overleg vindt minimaal viermaal per jaar plaats, al naar gelang de behoefte, op initiatief van de Commissie of op verzoek van een of meer LGO en de lidstaten waarmee zij banden hebben;
Amendement 34
Voorstel voor een besluit
Artikel 15 – alinea 1 – letter c bis (nieuw)
c bis) ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen die een economisch duurzame activiteit verrichten en de rijkdom van het ecosysteem van de gebieden benutten, in het bijzonder op het gebied van onderzoek, landbouw, ambachtelijke productie en toerisme;
Amendement 35
Voorstel voor een besluit
Artikel 17 – letter b
b) het in overeenstemming brengen van economische en sociale activiteiten als visserij en aquacultuur, toerisme en zeevervoer met het potentieel van mariene zones en kustgebieden in termen van hernieuwbare energie en grondstoffen, met inachtneming van de gevolgen van klimaatverandering en menselijke activiteiten.
b) het in overeenstemming brengen van economische en sociale activiteiten als visserij en aquacultuur, landbouw, toerisme, zee- en luchtvervoer, industrie, mijnactiviteiten en ruimtelijke ordening, met het potentieel van mariene zones en kustgebieden in termen van hernieuwbare energie en grondstoffen, met inachtneming van de gevolgen van klimaatverandering en verontreiniging vanaf het vasteland door menselijke en dierlijke activiteiten.
Amendement 36
Voorstel voor een besluit
Artikel 19 – lid 1 – letter c
c) streven naar regelmatig overleg over het behoud en het beheer van de levende mariene rijkdommen en informatie-uitwisseling over de ontwikkeling van de situatie van de bestanden tussen de Unie en de LGO in de relevante fora van de associatie, zoals bedoeld in artikel 13, zonder daarbij afbreuk te doen aan bestaande of toekomstige bilaterale partnerschapsovereenkomsten op visserijgebied.
c) streven naar regelmatig overleg over het behoud en het beheer van de levende mariene rijkdommen en informatie-uitwisseling over de ontwikkeling van de situatie van de bestanden tussen de Unie en de LGO in de relevante fora van de associatie, zoals bedoeld in artikel 13, zonder daarbij afbreuk te doen aan bestaande of toekomstige door de Unie gesloten partnerschapsovereenkomsten op visserijgebied.
Amendement 37
Voorstel voor een besluit
Artikel 19 – lid 2 – letter b
b) dialoog en samenwerking inzake de instandhouding van de visserijbestanden, alsook maatregelen ter bestrijding van illegale, niet-gereglementeerde en niet-aangegeven visserij en effectieve samenwerking met regionale organisaties voor visserijbeheer en binnen dergelijke organisaties. De dialoog en de samenwerking betreffen tevens controle- en inspectieregelingen, stimuleringsregeringen en verplichtingen inzake doeltreffender beheer van de visserij en de kustomgeving op de lange termijn.
b) dialoog en samenwerking inzake de instandhouding van de visserijbestanden, alsook maatregelen ter bestrijding van illegale, niet-gereglementeerde en niet-aangegeven visserij en effectieve samenwerking met regionale organisaties voor visserijbeheer en binnen dergelijke organisaties. De dialoog en de samenwerking betreffen tevens controle- en inspectieregelingen, stimuleringsregeringen en verplichtingen inzake doeltreffender beheer van de visserij en de kustomgeving op de lange termijn. De dialoog en de samenwerking gaan gepaard met een grotere inspanning van de Commissie om een duurzaam visserijbeheer te bevorderen, door steun te verlenen aan de lokale systemen van monitoring en controle door middel van partnerschapsovereenkomsten met de LGO die met de Unie zijn geassocieerd.
Amendement 38
Voorstel voor een besluit
Artikel 20 – lid 2
2.  Vooral in gebieden met een achterstand op het gebied van watervoorziening en sanitatie moet aandacht worden geschonken aan de toegang tot drinkwater- en sanitatiediensten, die rechtstreeks bijdraagt tot de ontwikkeling van het menselijk potentieel door verbetering van de gezondheid en verhoging van de productie.
2.  Vooral in gebieden met een achterstand op het gebied van watervoorziening en sanitatie en in voor natuurrampen gevoelige gebieden moet aandacht worden geschonken aan de toegang tot drinkwater- en sanitatiediensten, die rechtstreeks bijdraagt tot de ontwikkeling van het menselijk potentieel door verbetering van de gezondheid en verhoging van de productie.
Amendement 39
Voorstel voor een besluit
Artikel 21
De samenwerking op het gebied van afvalbeheer in het kader van de associatie kan betrekking hebben op bevordering van goede milieupraktijken bij alle activiteiten op het gebied van afvalbeheer, met inbegrip van het verminderen van afval, recycling of andere processen om secundaire grondstoffen aan het afval te onttrekken, en afvalverwijdering.

De samenwerking op het gebied van afvalbeheer in het kader van de associatie kan betrekking hebben op bevordering van goede milieupraktijken bij alle activiteiten op het gebied van het beheer van afval van menselijke of dierlijke oorsprong, met inbegrip van het verminderen van afval, recycling of andere processen om secundaire grondstoffen aan het afval te onttrekken, en afvalverwijdering.

Amendement 40
Voorstel voor een besluit
Artikel 25 – lid 2 – letter b
b) vervoer over de weg, per spoor, door de lucht, over zee en over de binnenwateren;
b) openbare en andere duurzame vervoerswijzen over de weg, vervoer per spoor, door de lucht, over zee en over de binnenwateren;
Amendement 41
Voorstel voor een besluit
Artikel 29
De samenwerking inzake diensten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT) in het kader van de associatie is gericht op het stimuleren van innovatie, economische groei en verbetering van het dagelijkse leven voor zowel burgers als bedrijven in de LGO, met inbegrip van het stimuleren van toegankelijkheid voor personen met een handicap. De samenwerking is met name gericht op vergroting van de regelgevingscapaciteit van de LGO en kan steun bieden voor de uitbreiding van ICT-netwerken en -diensten met de volgende maatregelen:

De samenwerking inzake diensten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT) in het kader van de associatie is gericht op het stimuleren van innovatie, economische groei, samenwerking, de vrijheid van meningsuiting, de werkgelegenheid en verbetering van het dagelijkse leven voor zowel burgers als bedrijven in de LGO, met inbegrip van het stimuleren van toegankelijkheid voor personen met een handicap. De samenwerking is met name gericht op vergroting van de regelgevingscapaciteit van de LGO en kan steun bieden voor de uitbreiding van ICT-netwerken en -diensten met de volgende maatregelen:

a) totstandbrenging van een voorspelbaar regelgevingsklimaat dat gelijke tred houdt met de technologische ontwikkelingen, groei en innovatie stimuleert en concurrentie en consumentenbescherming stimuleert;
a) totstandbrenging van een voorspelbaar regelgevingsklimaat dat gelijke tred houdt met de technologische ontwikkelingen, groei en innovatie stimuleert en concurrentie en consumentenbescherming stimuleert;
b) dialoog over de diverse beleidsaspecten van stimulering en monitoring van de informatiemaatschappij;
b) dialoog over de diverse beleidsaspecten van stimulering en monitoring van de informatiemaatschappij;
c) uitwisseling van informatie over normen en interoperabiliteitsvraagstukken;
c) uitwisseling van informatie over normen en interoperabiliteitsvraagstukken;
d) bevordering van de samenwerking op het gebied van ICT-onderzoek en op ICT gebaseerde onderzoeksinfrastructuur;
d) bevordering van de samenwerking op het gebied van ICT-onderzoek en op ICT gebaseerde onderzoeksinfrastructuur;
e) ontwikkeling van diensten en toepassingen op gebieden van grote maatschappelijke betekenis.
e) ontwikkeling van diensten en toepassingen op gebieden van grote maatschappelijke betekenis, zoals onderwijs en beroepsopleiding.
Amendement 42
Voorstel voor een besluit
Artikel 30 – inleidende formule
De samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie in het kader van de associatie kan betrekking hebben op wetenschap en technologie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën, teneinde bij te dragen tot de duurzame ontwikkeling van de LGO en excellence en het industriële concurrentievermogen in de LGO te stimuleren. De samenwerking kan met name inhouden:

De samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie in het kader van de associatie kan betrekking hebben op wetenschap, onderwijs en technologie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën, teneinde bij te dragen tot de duurzame ontwikkeling van de LGO en excellence en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven en met name kmo's in de LGO te stimuleren. De samenwerking kan met name inhouden:

Amendement 43
Voorstel voor een besluit
Artikel 30 – letter b
b) beleidsvorming en institutionele opbouw in de LGO en gecoördineerde maatregelen op plaatselijk, nationaal of regionaal niveau met het oog op de ontwikkeling van activiteiten op het gebied van wetenschap, technologie en innovatie en de toepassing daarvan;
b) beleidsvorming en institutionele opbouw in de LGO en gecoördineerde maatregelen op plaatselijk, nationaal of regionaal niveau met het oog op de ontwikkeling van activiteiten op het gebied van wetenschap, onderwijs, technologie en innovatie en de toepassing daarvan;
Amendement 44
Voorstel voor een besluit
Artikel 30 – letter d
d) deelname van afzonderlijke onderzoekers, onderzoeksinstellingen en rechtspersonen uit de LGO aan het samenwerkingskader met betrekking tot onderzoeks- en innovatieprogramma’s in de Unie;
d) deelname van afzonderlijke onderzoekers, onderzoeksinstellingen, kmo's en rechtspersonen uit de LGO aan het samenwerkingskader met betrekking tot programma's van de Unie op het gebied van onderzoek, innovatie en concurrentiekracht van het bedrijfsleven en met name kmo's;
Amendement 45
Voorstel voor een besluit
Artikel 30 – letter e
e) opleiding, internationale mobiliteit en uitwisseling van LGO-onderzoekers.
e) opleiding en internationale mobiliteit van LGO-onderzoekers -en studenten en uitwisseling van onderzoekers en studenten.
Amendement 46
Voorstel voor een besluit
Artikel 31 – lid 1
1.  De Unie ziet erop toe dat natuurlijke personen uit de LGO, zoals gedefinieerd in artikel 49, op dezelfde basis als onderdanen van de lidstaten kunnen deelnemen aan initiatieven van de Unie met betrekking tot jongeren.
1.  De Unie ziet erop toe dat natuurlijke personen uit de LGO, zoals gedefinieerd in artikel 49, op dezelfde basis als onderdanen van de lidstaten deelnemen aan de initiatieven en programma's van de Unie met betrekking tot jongeren.
Amendement 47
Voorstel voor een besluit
Artikel 31 – lid 2
2.  De associatie is gericht op versterking van de banden tussen jongeren in de LGO en jongeren in de Unie, onder meer door de leermobiliteit van jongeren uit de LGO te stimuleren en het wederzijds begrip tussen jongeren te bevorderen.
2.  De associatie is gericht op versterking van de banden tussen jongeren in de LGO en jongeren in de Unie, onder meer door basis-, beroeps of vervolgopleiding, studie-uitwisselingen en leermobiliteit van jongeren uit de LGO te stimuleren en intercultureel leren en het wederzijds begrip tussen jongeren te bevorderen.
Amendement 48
Voorstel voor een besluit
Artikel 31 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. De Unie en de LGO werken samen om jongeren actief te laten deelnemen aan de arbeidsmarkt en zo jongerenwerkloosheid te vermijden.

Amendement 49
Voorstel voor een besluit
Artikel 32 – lid 1 – letter a bis (nieuw)
a bis) het bieden van mogelijkheden voor studenten om werkervaring op te doen en nuttige vaardigheden voor de arbeidsmarkt te ontwikkelen;
Amendement 50
Voorstel voor een besluit
Artikel 32 – lid 1 – letter b
b) steun voor de LGO bij het formuleren en uitvoeren van het onderwijsbeleid.
b) steun voor de LGO bij het formuleren en uitvoeren van het onderwijsbeleid en het beleid inzake formele en informele beroepsopleiding.
Amendement 51
Voorstel voor een besluit
Artikel 32 – lid 2
2.  De Unie ziet erop toe dat natuurlijke personen uit de LGO, zoals gedefinieerd in artikel 49, op dezelfde basis als onderdanen van de lidstaten kunnen deelnemen aan onderwijsinitiatieven van de Unie.
2.  De Unie ziet erop toe dat natuurlijke personen uit de LGO, zoals gedefinieerd in artikel 49, deelnemen aan onderwijs- en beroepsopleidingsinitiatieven van de Unie en met name aan het programma „Erasmus voor iedereen”.
Amendement 52
Voorstel voor een besluit
Artikel 32 – lid 3
3.  De Unie ziet erop toe dat onderwijsinstellingen en -organisaties van de LGO op dezelfde basis als onderwijsinstellingen en -organisaties van de lidstaten kunnen deelnemen aan samenwerkingsinitiatieven van de Unie op onderwijsgebied.
3.  De Unie ziet erop toe dat onderwijs- en beroepsopleidingsinstellingen en -organisaties van de LGO op dezelfde basis als onderwijs- en beroepsopleidingsinstellingen en -organisaties van de lidstaten kunnen deelnemen aan samenwerkingsinitiatieven van de Unie op onderwijsgebied.
Amendement 53
Voorstel voor een besluit
Artikel 33 – lid 1
1.  De Unie en de LGO voeren een dialoog op het gebied van werkgelegenheid en sociaal beleid teneinde bij te dragen tot de economische en sociale ontwikkeling van de LGO en de bevordering van fatsoenlijk werk in de LGO en de regio’s waar zij gelegen zijn. Deze dialoog is tevens gericht op ondersteuning van de inspanningen van de autoriteiten van de LGO om beleid en wetgeving op dit gebied te ontwikkelen.
1.  De Unie en de LGO voeren een dialoog op het gebied van werkgelegenheid en sociaal beleid teneinde bij te dragen tot de economische en sociale ontwikkeling van de LGO en de bevordering van fatsoenlijk werk en sociale integratie in een groene economie in de LGO en de regio's waar zij gelegen zijn. Deze dialoog is tevens gericht op ondersteuning van de inspanningen van de autoriteiten van de LGO om beleid en wetgeving op dit gebied te ontwikkelen.
Amendement 54
Voorstel voor een besluit
Artikel 33 – lid 2
2.  De dialoog omvat voornamelijk de uitwisseling van informatie en beste praktijken inzake beleid en wetgeving op het gebied van werkgelegenheid en sociaal beleid die voor de Unie en de LGO van wederzijds belang zijn. In dit verband worden onderwerpen als de ontwikkeling van vaardigheden, sociale bescherming, gelijke kansen, non-discriminatie en toegankelijkheid voor personen met een handicap, gezondheid en veiligheid op het werk en andere arbeidsnormen in aanmerking genomen.
2.  De dialoog omvat voornamelijk de uitwisseling van informatie en beste praktijken inzake beleid en wetgeving op het gebied van werkgelegenheid en sociaal beleid die voor de Unie en de LGO van wederzijds belang zijn. Het scheppen van banen, met name in kmo's, wordt gestimuleerd door de bevordering van ambitieuze sociale normen. De dialoog stimuleert alle innoverende maatregelen voor de bescherming van het milieu en de gezondheid van werknemers en burgers die gericht zijn op het scheppen van banen op terreinen waarop de LGO een groot ontwikkelingspotentieel hebben, zoals de biodiversiteit, minerale rijkdommen en nieuwe technologieën, en terreinen met betrekking tot de verbetering van de toegankelijkheid. In dit verband worden onderwerpen als het anticiperen op nodige vaardigheden in de toekomst, de ontwikkeling van vaardigheden, de opleiding van gekwalificeerde arbeidskrachten naargelang de behoeften op de arbeidsmarkt, sociale bescherming, gelijke kansen, non-discriminatie en toegankelijkheid voor personen met een handicap, gezondheid en veiligheid op het werk en andere arbeidsnormen in aanmerking genomen.
Amendement 55
Voorstel voor een besluit
Artikel 33 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. De Unie en de LGO werken samen om optimale werkmethoden uit te wisselen voor een actief arbeidsmarktbeleid, een krachtig sociaal overleg, arbeidsnormen en sociale bescherming om de rechten van werknemers te waarborgen.

Amendement 56
Voorstel voor een besluit
Artikel 33 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter. De Unie en de LGO werken samen om een evenwicht te scheppen tussen zekerheid en flexibiliteit op de arbeidsmarkt door omvattende toepassing van flexizekerheidsbeginselen, en om arbeidsmarktsegmentering aan te pakken door zowel adequate sociale bescherming te bieden voor mensen in een overgangssituatie of mensen met tijdelijke contracten of deeltijdcontracten, als toegang te verschaffen tot opleiding, loopbaanontwikkeling en voltijds werk;

Amendement 57
Voorstel voor een besluit
Artikel 33 – lid 2 quater (nieuw)
2 quater. Ontvolking, met inbegrip van „brain drain” en emigratie van jongeren, is een uitdaging voor vele LGO, en daarom moeten de Unie en de LGO samenwerken om de rechten van migrerende werknemers op de arbeidsmarkt te beschermen.

Amendement 58
Voorstel voor een besluit
Artikel 33 bis (nieuw)
Artikel 33 bis

Vrij verkeer van werknemers

1.  Onverminderd de bepalingen inzake volksgezondheid, openbare veiligheid en openbare orde onthouden de lidstaten van de Unie zich ervan werknemers uit de LGO te discrimineren met betrekking tot toegang tot werk, loon en andere arbeidsvoorwaarden.
2.  De autoriteiten van de LGO bieden werknemers uit de lidstaten een minstens even zo gunstige behandeling als onderdanen van derde landen en discrimineren zij niet tussen onderdanen van lidstaten. Met als doel de lokale werkgelegenheid te bevorderen, kunnen de autoriteiten van een LGO evenwel regelingen opstellen ten gunste van lokale werknemers. In dat geval stellen de autoriteiten van de LGO de Commissie in kennis van de door hen aangenomen regelingen en informeert de Commissie de lidstaten.
3.  Dit artikel is niet toepassing op arbeidsplaatsen bij de overheid.
Amendement 59
Voorstel voor een besluit
Artikel 33 ter (nieuw)
Artikel 33 ter

Sociale dialoog en ontwikkeling van de sociale democratie

De bevordering van de sociale dialoog en de ontwikkeling van de sociale democratie kunnen in het kader van de associatie worden ondersteund door onder meer de volgende maatregelen:

- acties voor opleiding van de sociale partners,
- acties gericht op communicatie en het scheppen van kaders voor de bevordering en de ontwikkeling van de sociale dialoog en de ontwikkeling van de sociale democratie,
- acties voor de uitwisseling van de positieve sociale praktijken op regionaal en lokaal niveau.
Amendement 60
Voorstel voor een besluit
Artikel 34 – letter a
a) versterking van de paraatheid en responscapaciteit ten aanzien van grensoverschrijdende bedreigingen voor de volksgezondheid zoals infectieziekten, op basis van de bestaande structuren en gericht op ongebruikelijke gebeurtenissen;
a) versterking van de paraatheid en responscapaciteit ten aanzien van grensoverschrijdende bedreigingen voor de volksgezondheid zoals infectieziekten, op basis van de bestaande structuren en de arbeidsgeneeskunde en gericht op ongebruikelijke gebeurtenissen;
Amendement 61
Voorstel voor een besluit
Artikel 34 – letter a bis (nieuw)
a bis) de Unie en de LGO organiseren uitwisselingen van optimale werkmethoden ter bevordering van de doeltreffendheid op de werkplek. Het is van belang ervoor te zorgen dat alle werknemers onder een preventiebeleid vallen en daadwerkelijk kunnen rekenen op de eerbiediging van hun grondrecht op gezondheid;
Amendement 62
Voorstel voor een besluit
Artikel 34 – letter b
b) capaciteitsopbouw door middel van versterking van de regionale volksgezondheidsnetwerken, facilitering van de uitwisseling van informatie onder deskundigen en bevordering van goede opleiding;
b) capaciteitsopbouw door middel van versterking van de regionale volksgezondheidsnetwerken, facilitering van de uitwisseling van informatie onder deskundigen, bevordering van goede opleiding en de invoering van telegeneeskunde;
Amendement 63
Voorstel voor een besluit
Artikel 34 bis (nieuw)
Artikel 34 bis

Veiligheid en gezondheid op het werk

De samenwerking inzake gezondheid en veiligheid op het werk in het kader van de associatie is gericht op de versterking van de capaciteiten van de LGO op het gebied van de preventie van ziekten en arbeidsongevallen door onder meer de volgende maatregelen:

- maatregelen voor het doen van onderzoek en de ontwikkeling van expertise op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk met betrekking tot risico's die specifiek zijn voor het betreffende territorium,
- assistentie bij de modernisering van de regelgeving inzake gezondheid en veiligheid op het werk,
- ondersteuning van acties ter bevordering van de preventie van arbeidsrisico's.
Amendement 64
Voorstel voor een besluit
Artikel 38 – titel
Bescherming van cultureel erfgoed en historische monumenten

Cultureel erfgoed en historische monumenten

Amendement 65
Voorstel voor een besluit
Artikel 38 – inleidende formule
De samenwerking op het gebied van cultureel erfgoed en historische monumenten is gericht op bevordering van de uitwisseling van deskundigheid en beste praktijken door middel van:

De samenwerking op het gebied van cultureel erfgoed en historische monumenten is gericht op bevordering van de uitwisseling van deskundigheid en beste werkmethoden en een optimale benutting van het potentieel van het erfgoed op duurzame basis door middel van:

Amendement 66
Voorstel voor een besluit
Artikel 38 – alinea 1 bis (nieuw)
De samenwerking kan tevens tot doel hebben de kennis over en het behoud en de exploitatie van het materiële en immateriële culturele erfgoed van de LGO te bevorderen.

Amendement 67
Voorstel voor een besluit
Artikel 44 bis (nieuw)
Artikel 44 bis

Handelsakkoorden met derde landen

Wanneer de Unie onderhandelt over een handelsovereenkomst met een derde land, streeft zij ernaar de aan producten van de Unie toegekende tariefpreferenties uit te breiden tot producten afkomstig uit de LGO.

Amendement 68
Voorstel voor een besluit
Artikel 54 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis. Wanneer met derde landen wordt onderhandeld over handelsovereenkomsten die een gevaar kunnen vormen voor traditionele bedrijfstakken die kenmerkend zijn voor de LGO, voert de Commissie een voorafgaande effectbeoordeling uit om de mogelijke gevolgen ervan te meten, op basis van de door de Internationale Arbeidsorganisatie en de VN vastgestelde criteria. De Commissie dient deze effectbeoordelingen ex ante vóór de sluiting van de internationale overeenkomsten in kwestie toe te sturen aan het Europees Parlement, de Raad en de overheden en lokale autoriteiten van de LGO.

Amendement 69
Voorstel voor een besluit
Artikel 57 – lid 1 – letter b
b) facilitering van de verwijdering van handels- en investeringsbelemmeringen inzake goederen en diensten die van bijzonder belang zijn voor de vermindering van de gevolgen van klimaatverandering, zoals duurzame hernieuwbare energie en energiezuinige producten en diensten, onder meer door vaststelling van beleidskaders die bevorderlijk zijn voor de toepassing van de beste beschikbare technologieën en door promotie van normen die aan de ecologische en economische behoeften beantwoorden en technische handelsbelemmeringen tot een minimum terugdringen;
b) facilitering van de verwijdering van handels- en investeringsbelemmeringen inzake goederen en diensten die van bijzonder belang zijn voor de vermindering van de gevolgen van klimaatverandering, zoals duurzame hernieuwbare energie en energiezuinige producten en diensten, onder meer door vaststelling van beleidskaders die bevorderlijk zijn voor de toepassing van de beste beschikbare technologieën en door promotie van normen die aan de ecologische, sociale en economische behoeften beantwoorden en technische handelsbelemmeringen tot een minimum terugdringen;
Amendement 70
Voorstel voor een besluit
Artikel 57 – lid 1 – letter c
c) bevordering van de handel in goederen die bijdragen tot betere sociale voorwaarden en milieuvriendelijker praktijken, waaronder producten die onder vrijwillige duurzaamheidsregelingen vallen, zoals programma’s voor eerlijke en ethische handel, milieukeurmerken en certificeringsregelingen voor op natuurlijke hulpbronnen gebaseerde producten;
c) bevordering van de handel in goederen die bijdragen tot betere sociale voorwaarden en milieuvriendelijker praktijken, waaronder producten die onder vrijwillige duurzaamheidsregelingen vallen, zoals programma's voor eerlijke en ethische handel, milieukeurmerken, sociale keurmerken en certificeringsregelingen voor op natuurlijke hulpbronnen gebaseerde producten;
Amendement 71
Voorstel voor een besluit
Artikel 62
De samenwerking in het kader van de associatie op het gebied van het consumentenbeleid, de bescherming van de gezondheid van de consument en de handel kan het opstellen van wet- en regelgeving op het gebied van het consumentenbeleid en de bescherming van de gezondheid van de consument omvatten, teneinde onnodige handelsbelemmeringen te voorkomen.

De samenwerking in het kader van de associatie op het gebied van het consumentenbeleid, de bescherming van de gezondheid van de consument en de handel kan de mogelijkheid tot tijdelijke erkenning van de door de LGO vastgestelde regels en procedures en het opstellen van wet- en regelgeving op het gebied van het consumentenbeleid en de bescherming van de gezondheid van de consument omvatten, teneinde onnodige handelsbelemmeringen te voorkomen.

Amendement 72
Voorstel voor een besluit
Artikel 68 – letter a
a) versterken van het vermogen van de LGO om beleid te formuleren en uit te voeren dat nodig is om hun handel in goederen en diensten te ontwikkelen;
a) versterken van het vermogen van de LGO om beleid te formuleren en uit te voeren dat nodig is om hun handel in goederen en diensten te ontwikkelen, met name via nieuwe informatie- en communicatietechnologieën;
Amendement 73
Voorstel voor een besluit
Artikel 68 – letter b
b) aanmoedigen van de inspanningen van de LGO om passende wet- en regelgeving, institutionele kaders en de nodige administratieve procedures tot stand te brengen;
b) aanmoedigen van de inspanningen van de LGO om passende wet- en regelgeving, institutionele kaders en de nodige administratieve procedures tot stand te brengen, met name om de verbetering van de sociale normen te bevorderen en een sociaal klimaat te scheppen dat gunstig is voor de groei;
Amendement 74
Voorstel voor een besluit
Artikel 68 – letter d
d) faciliteren van markt- en productontwikkeling, met inbegrip van verbetering van de productkwaliteit;
d) faciliteren van markt- en productontwikkeling en -diversificatie, met inbegrip van verbetering van de productkwaliteit;
Amendement 75
Voorstel voor een besluit
Artikel 68 – letter e
e) bijdragen tot de ontwikkeling van het menselijk potentieel en beroepsvaardigheden die voor de handel in goederen en diensten relevant zijn;
e) bijdragen tot de ontwikkeling van het menselijk potentieel en beroepsvaardigheden die voor de handel in goederen en diensten relevant zijn, door gepaste opleidingen aan te bieden;
Amendement 76
Voorstel voor een besluit
Artikel 68 – letter f
f) vergroten van de capaciteit van zakelijke tussenpersonen om aan LGO-bedrijven diensten te verlenen die relevant zijn voor hun exportactiviteiten, zoals marktonderzoek;
f) vergroten van de capaciteit van zakelijke tussenpersonen om aan LGO-bedrijven diensten te verlenen die relevant zijn voor hun exportactiviteiten, zoals marktonderzoek, door betere gebruikmaking van nieuwe technologieën;
Amendement 77
Voorstel voor een besluit
Artikel 79 – lid 2
2.  De Unie steunt de inspanningen van de LGO tot ontwikkeling van betrouwbare statistische gegevens op die gebieden.
2.  De Unie steunt de inspanningen van de LGO tot ontwikkeling van betrouwbare statistische gegevens op die gebieden. Zij steunt ook de inspanningen van de LGO om de onderlinge vergelijkbaarheid van hun macro-economische indicatoren te verbeteren, met name middels de berekening van koopkrachtpariteiten.
Amendement 78
Voorstel voor een besluit
Artikel 80 – lid 2
2.  Op initiatief van de LGO kunnen studies of maatregelen op het gebied van technische bijstand worden gefinancierd voor de uitvoering van de in de programmeringsdocumenten opgenomen activiteiten. De Commissie kan beslissen dergelijke studies of maatregelen te financieren uit de programmeerbare steun of uit het voor maatregelen inzake technische samenwerking bestemde budget.
2.  Op initiatief van de LGO kunnen studies of maatregelen op het gebied van technische bijstand worden gefinancierd voor de uitvoering van de in het kader van dit besluit geplande activiteiten. De Commissie kan beslissen dergelijke studies of maatregelen te financieren uit de programmeerbare steun of uit het voor maatregelen inzake technische samenwerking bestemde budget.
Amendement 79
Voorstel voor een besluit
Artikel 80 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. De Commissie belegt minstens een keer per jaar, bij voorkeur in samenhang met het LGO-EU-forum, een technische bijeenkomst tussen de territoriale en gedelegeerde ordonnateurs om de geïnstitutionaliseerde technische dialoog te versterken en de programmering en de uitvoering van de fondsen nader uit te werken;

Amendement 80
Voorstel voor een besluit
Artikel 82 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)
De Commissie ziet erop toe dat er in de programmeringsvoorschriften rekening wordt gehouden met de beperkte menselijke en administratieve hulpbronnen van de LGO en met de institutionele banden met de lidstaten waartoe zij behoren.

Amendement 81
Voorstel voor een besluit
Artikel 82 – lid 5
5.  De autoriteiten van de LGO en de Commissie zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de goedkeuring van het programmeringsdocument.
5.  De autoriteiten van de LGO en de Commissie zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de goedkeuring van het programmeringsdocument. Met het oog daarop wordt over het programmeringsdocument een gedachtewisseling gehouden tussen de LGO, de desbetreffende lidstaat en de Commissie. Tijdens deze gedachtewisseling worden technische bijeenkomsten belegd tussen de territoriale ordonnateurs enerzijds en de vertegenwoordigers van alle bij de programmering betrokken diensten van de Commissie, bureaus en delegaties anderzijds, voor zover mogelijk in het verlengde van het „LGO-EU-forum”.
Amendement 82
Voorstel voor een besluit
Artikel 83 – lid 1
1.  De Commissie besteedt de voor de LGO bestemde middelen van het elfde EOF op een van de in het financieel reglement van het elfde EOF voorgeschreven wijzen en overeenkomstig de voorwaarden van dit besluit en de maatregelen ter uitvoering van dit besluit. Zij sluit daartoe financieringsovereenkomsten met de bevoegde autoriteiten van de LGO.
1.  De Commissie besteedt de voor de LGO bestemde middelen van het elfde EOF op een van de in het financieel reglement van het elfde EOF voorgeschreven wijzen en overeenkomstig de voorwaarden van dit besluit en de maatregelen ter uitvoering van dit besluit. Zij sluit daartoe financieringsovereenkomsten met de bevoegde autoriteiten van de LGO en belegt technische bijeenkomsten tussen de territoriale ordonnateurs enerzijds en de vertegenwoordigers van alle bij de programmering betrokken diensten van de Commissie, bureaus en delegaties anderzijds, in zoverre mogelijk in het verlengde van het „LGO-EU-forum”.
Amendement 83
Voorstel voor een besluit
Artikel 84 – lid 8
8.  De Commissie licht het comité in over de follow-up, de evaluatie en de audit van de programmeringsdocumenten.
8.  De Commissie licht het comité en het Europees Parlement gelijktijdig in over de follow-up, de evaluatie en de audit van de programmeringsdocumenten.
Amendement 84
Voorstel voor een besluit
Artikel 88 – lid 2
2.  LGO komen tevens in aanmerking voor steun uit hoofde van programma’s van de Unie voor samenwerking met andere landen, met name ontwikkelingslanden, overeenkomstig de voorschriften, doelstellingen en regelingen van die programma’s.
2.  LGO ontvangen tevens steun uit hoofde van programma's van de Unie voor samenwerking met andere landen overeenkomstig de voorschriften, doelstellingen en regelingen van die programma's.
Amendement 85
Voorstel voor een besluit
Artikel 88 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. Om te zorgen voor een doeltreffende en efficiënte deelname van de LGO aan de verschillende horizontale programma's van de Unie, werkt de Commissie een daadwerkelijke LGO-strategie uit, en stelt daarbij in elke DG een „LGO-referent” aan. Deze LGO-referenten nemen deel aan de uitwerking van jaarlijkse werkprogramma's voor ieder programma, met name via overleg met de verschillende diensten van de Commissie, om ervoor te zorgen dat de behoeften en specifieke kenmerken van de LGO in aanmerking worden genomen. Voorts stelt de Commissie de LGO zo spoedig mogelijk op de hoogte van de publicatie van oproepen tot het indienen van voorstellen in het kader van de verschillende horizontale programma's.

Amendement 86
Voorstel voor een besluit
Artikel 89 – lid 1
1.  De Commissie is bevoegd om volgens de procedure van artikel 90 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van de voorschriften van dit besluit, binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding ervan, en tot wijziging van de aanhangsels van bijlage VI in verband met technologische ontwikkelingen en wijzigingen van de douanewetgeving.
1.  De Commissie is bevoegd om volgens de procedure van artikel 90 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van de voorschriften van dit besluit, binnen zes maanden na de inwerkingtreding ervan, en tot wijziging van de aanhangsels van bijlage VI in verband met technologische ontwikkelingen en wijzigingen van de douanewetgeving.
Amendement 87
Voorstel voor een besluit
Artikel 90 – lid 3
3.  De Raad kan de in artikel 89 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld. Het laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  De Raad kan de in artikel 89 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld. Het laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Indien de Raad een interne procedure is begonnen om te besluiten of hij de bevoegdheidsdelegatie wenst in te trekken, brengt hij het Europees Parlement en de Commissie hiervan binnen een redelijke termijn voordat een definitief besluit wordt genomen, op de hoogte en geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheden mogelijk worden ingetrokken en waarom.

Amendement 88
Voorstel voor een besluit
Artikel 90 – lid 4
4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij de Raad daarvan in kennis.
4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.
Amendement 89
Voorstel voor een besluit
Artikel 90 – lid 5 – alinea 1 bis (nieuw)
Indien de Raad voornemens is bezwaar aan te tekenen, brengt hij het Europees Parlement hiervan binnen een redelijke termijn voordat een definitief besluit wordt genomen op de hoogte, en geeft daarbij aan tegen welke gedelegeerde handeling hij bezwaar wil aantekenen en waarom.

Amendement 90
Voorstel voor een besluit
Artikel 90 bis (nieuw)
Artikel 90 bis

Spoedprocedure

1.  Overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen treden onverwijld in werking en zijn van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.
2.  De Raad kan overeenkomstig de in artikel 90, lid 5, bedoelde procedure bezwaar aantekenen tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na kennisgeving van het besluit tot bezwaarmaking door de Raad.
Amendement 91
Voorstel voor een besluit
Artikel 91 – alinea 1 - inleidende formule
De Raad, handelend overeenkomstig het Verdrag, beslist over elke aanpassing van dit besluit die noodzakelijk is wanneer:

De Raad, handelend overeenkomstig het Verdrag, beslist na raadpleging van het Europees Parlement over elke aanpassing van dit besluit die noodzakelijk is wanneer:

Amendement 92
Voorstel voor een besluit
Bijlage I
LIJST VAN GEÏSOLEERDE LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE

LIJST VAN GEÏSOLEERDE LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE

-  Falklandeilanden
-  Falklandeilanden
-  Sint-Helena, Ascension en Tristan da Cunha
-  Sint-Helena, Ascension en Tristan da Cunha
-  Saint-Pierre en Miquelon
-  Saint-Pierre en Miquelon
-  Wallis en Futuna
Amendement 93
Voorstel voor een besluit
Bijlage II – artikel 1 – punt 1
1.  Voor de doelstellingen vermeld in dit besluit en voor de periode van zeven jaar van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 wordt het totale bedrag van de financiële steun van de EU in het kader van het elfde EOF, dat bij het intern akkoord waarbij het elfde EOF wordt ingesteld is vastgesteld op [343,4 miljoen] euro, als volgt verdeeld:
1.  Voor de doelstellingen vermeld in dit besluit en voor de periode van zeven jaar van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 wordt het totale bedrag van de financiële steun van de EU in het kader van het elfde EOF, dat bij het intern akkoord waarbij het elfde EOF wordt ingesteld is vastgesteld op [360,57 miljoen] euro, als volgt verdeeld:
a) [330,4 miljoen] euro, in de vorm van niet-terugvorderbare steun, voor programmeerbare langlopende ontwikkelingssteun, humanitaire hulp, spoedhulp, hulp aan vluchtelingen en aanvullende steun bij fluctuaties van de exportopbrengsten, alsmede voor steun voor regionale ontwikkeling en integratie;
a) [345,57 miljoen] euro, in de vorm van niet-terugvorderbare steun, voor programmeerbare langlopende ontwikkelingssteun, humanitaire hulp, spoedhulp, hulp aan vluchtelingen en aanvullende steun bij fluctuaties van de exportopbrengsten, alsmede voor steun voor regionale ontwikkeling en integratie;
b) [5 miljoen] euro voor de financiering van rentesubsidies en technische bijstand in het kader van de LGO-investeringsfaciliteit bedoeld in bijlage IV;
b) [5 miljoen] euro voor de financiering van rentesubsidies en technische bijstand in het kader van de LGO-investeringsfaciliteit bedoeld in bijlage IV;
c) [8 miljoen] euro voor onderzoeken of technische bijstand overeenkomstig artikel 79 van dit besluit en voor een algemene evaluatie van dit besluit die moet worden uitgevoerd ten laatste vier jaar voor het verstrijken van dit besluit.
c) [10 miljoen] euro voor onderzoeken of technische bijstand overeenkomstig artikel 79 van dit besluit en voor een algemene evaluatie van dit besluit die moet worden uitgevoerd ten laatste vier jaar voor het verstrijken van dit besluit.
Amendement 94
Voorstel voor een besluit
Bijlage II – artikel 3 - inleidende formule
Het in artikel 1, lid 1, onder a), van deze bijlage genoemde bedrag van [330,4 miljoen] euro wordt toegewezen op basis van de behoeften en de prestaties van de LGO, overeenkomstig onderstaande criteria:

Het in artikel 1, lid 1, onder a), van deze bijlage genoemde bedrag van [345,57 miljoen] euro wordt toegewezen op basis van de behoeften en de prestaties van de LGO, overeenkomstig onderstaande criteria:

Amendement 95
Voorstel voor een besluit
Bijlage II – artikel 3 – lid 5
2. [105 miljoen] euro wordt toegewezen als steun voor regionale ontwikkeling en integratie, overeenkomstig artikel 7 van dit besluit, met name betreffende de prioriteiten en gebieden van wederzijds belang als bepaald in artikel 5, en via overleg in de in artikel 13 bedoelde organen van het EU/LGO-partnerschap. Dit moet worden gecoördineerd met andere financiële instrumenten van de Unie, in een samenwerking tussen de LGO en de ultraperifere gebieden die in artikel 349 van het Verdrag worden vermeld.
2. [120,17 miljoen] euro wordt toegewezen als steun voor regionale ontwikkeling en integratie, overeenkomstig artikel 7 van dit besluit, met name betreffende de prioriteiten en gebieden van wederzijds belang als bepaald in artikel 5, en via overleg in de in artikel 13 bedoelde organen van het EU/LGO-partnerschap. Dit moet worden gecoördineerd met andere financiële instrumenten van de Unie, in een samenwerking tussen de LGO en de ultraperifere gebieden die in artikel 349 van het Verdrag worden vermeld.
Amendement 96
Voorstel voor een besluit
Bijlage VI – artikel 3 – lid 39 – letter g
g) producten van de aquacultuur wanneer de vis, schelp- en weekdieren aldaar zijn geboren en gekweekt;
g) producten van de aquacultuur wanneer de vis, schelp- en weekdieren aldaar zijn gekweekt;
Amendement 97
Voorstel voor een besluit
Bijlage VI – artikel 10 – lid 6
6.  De Commissie stelt een maatregel vast die voorziet in de in lid 1 bedoelde cumulatie door middel van uitvoeringshandelingen. Deze uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 64, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure aangenomen.
6.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 90 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot een maatregel die voorziet in de in lid 1 bedoelde cumulatie.
Amendement 98
Voorstel voor een besluit
Bijlage VI – artikel 16 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis. Afwijkingen op het gebied van visserijproducten worden toegekend aan LGO voor ten hoogste 2 500 ton aan visserijproducten die vallen onder de GN-codes 030471, 030483, 030532, 030562, 030614, 0307299010 en 160510.

De verzoeken om afwijkingen worden door een LGO of een lidstaat, met inachtneming van bovengenoemd contingent, ingediend bij het Comité, dat deze afwijkingen automatisch verleent en deze door middel van een besluit in werking doet treden.

Amendement 99
Voorstel voor een besluit
Bijlage VI – artikel 16 – lid 8
8.  De Commissie stelt een maatregel vast die voorziet in een in lid 1 bedoelde tijdelijke afwijking door middel van uitvoeringshandelingen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 64, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
8.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 90 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot een maatregel die voorziet in een in lid 1 bedoelde tijdelijke afwijking.
Amendement 100
Voorstel voor een besluit
Bijlage VI – artikel 63 – lid 3
3.  De Commissie stelt een maatregel vast die voorziet in een in lid 1 bedoelde tijdelijke afwijking door middel van uitvoeringshandelingen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 64, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 90 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot een maatregel die voorziet in een in lid 1 bedoelde tijdelijke afwijking.
Amendement 101
Voorstel voor een besluit
Bijlage VI – Artikel 64
Comitéprocedures

Schrappen

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Comité douanewetboek, dat is ingesteld bij artikel 247 bis van Verordening (EEG) nr. 2913/92.
2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Amendement 102
Voorstel voor een besluit
Bijlage VII – artikel 2 – lid 1
1.  De Commissie kan de in dit besluit bedoelde preferentiële tijdelijk intrekken voor alle dan wel bepaalde producten van oorsprong uit een begunstigd land, wanneer zij van oordeel is dat er voldoende bewijs is dat tijdelijke intrekking om de in de leden 1 en 2 van artikel 1 van deze bijlage genoemde redenen gerechtvaardigd is, mits zij voordien:
1.  De Commissie kan de in dit besluit bedoelde preferentiële regelingen tijdelijk intrekken door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 90, voor alle dan wel bepaalde producten van oorsprong uit een begunstigd land, wanneer zij van oordeel is dat er voldoende bewijs is dat tijdelijke intrekking om de in de leden 1 en 2 van artikel 1 van deze bijlage genoemde redenen gerechtvaardigd is, mits zij voordien:
a) overeenkomstig de in artikel 3, lid 2, bedoelde procedure het in artikel 10 van bijlage VIII bedoelde comité heeft geraadpleegd;
b) de lidstaten heeft opgeroepen afdoende voorzorgsmaatregelen te treffen om de financiële belangen van de Unie te vrijwaren en/of ervoor te zorgen dat het begunstigde land zijn verplichtingen nakomt; alsmede
b) de lidstaten heeft opgeroepen afdoende voorzorgsmaatregelen te treffen om de financiële belangen van de Unie te vrijwaren en/of ervoor te zorgen dat het begunstigde land zijn verplichtingen nakomt; alsmede
c) in het Publicatieblad van de Europese Unie heeft aangekondigd dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de toepassing van de preferentiële regelingen en/of de nakoming door het begunstigde land van zijn verplichtingen, hetgeen afbreuk kan doen aan zijn rechten om gebruik te blijven maken van de bij dit besluit toegekende voordelen.
c) in het Publicatieblad van de Europese Unie heeft aangekondigd dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de toepassing van de preferentiële regelingen en/of de nakoming door het begunstigde land van zijn verplichtingen, hetgeen afbreuk kan doen aan zijn rechten om gebruik te blijven maken van de bij dit besluit toegekende voordelen.
De Commissie stelt de betrokken LGO in kennis van elk overeenkomstig dit lid genomen besluit voordat dit van kracht wordt. De Commissie stelt ook het in artikel 10 van bijlage VIII bedoelde comité hiervan in kennis.

De Commissie stelt de betrokken LGO in kennis van elk overeenkomstig dit lid genomen besluit voordat dit van kracht wordt.

Amendement 103
Voorstel voor een besluit
Bijlage VII – artikel 2 – lid 2
2.  De tijdelijke-intrekkingsperiode duurt niet langer dan zes maanden. Na het verstrijken van deze periode besluit de Commissie de tijdelijke intrekking te beëindigen nadat zij het in artikel 10 van bijlage VIII bedoelde comité hiervan in kennis heeft gesteld, dan wel om de tijdelijke-intrekkingsperiode volgens de in lid 1 van dit artikel bedoelde procedure te verlengen.
2.  De tijdelijke-intrekkingsperiode duurt niet langer dan zes maanden. Na het verstrijken van deze periode besluit de Commissie de tijdelijke intrekking te beëindigen, dan wel om de tijdelijke-intrekkingsperiode volgens de in lid 1 van dit artikel bedoelde procedure te verlengen.
Amendement 104
Voorstel voor een besluit
Bijlage VII – artikel 3
Comitéprocedure

Schrappen

1.  Voor de uitvoering van artikel 2 wordt de Commissie bijgestaan door het in artikel 10 van bijlage VIII bedoelde comité.
2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Amendement 105
Voorstel voor een besluit
Bijlage VIII – artikel 5 – lid 2
2.  De Commissie stelt voorafgaande toezichtmaatregelen vast volgens de raadplegingsprocedure als bedoeld in artikel 6 van deze bijlage.
2.  De Commissie stelt voorafgaande toezichtmaatregelen vast volgens de in artikel 6 van deze bijlage bedoelde procedure.
Amendement 106
Voorstel voor een besluit
Bijlage VIII – artikel 6 – lid 1
1.  Om dwingende redenen in verband met de moeilijk ongedaan te maken verslechtering van de economische en/of financiële situatie van producenten in de Unie, kunnen voorlopige maatregelen worden opgelegd. Voorlopige maatregelen zijn niet meer dan 200 dagen van toepassing. De Commissie stelt voorlopige maatregelen vast volgens de raadplegingsprocedure als bedoeld in artikel 10 van deze bijlage. In geval van dwingende redenen van urgentie stelt de Commissie onmiddellijk toepasbare voorlopige vrijwaringsmaatregelen vast overeenkomstig de in artikel 10 bij deze bijlage bedoelde procedure.
1.  Om dwingende redenen in verband met de moeilijk ongedaan te maken verslechtering van de economische en/of financiële situatie van producenten in de Unie, kunnen voorlopige maatregelen worden opgelegd. Voorlopige maatregelen zijn niet meer dan 200 dagen van toepassing. De Commissie stelt voorlopige maatregelen vast door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 90. In geval van dwingende redenen van urgentie stelt de Commissie door middel van gedelegeerde handelingen onmiddellijk toepasbare voorlopige vrijwaringsmaatregelen vast overeenkomstig artikel 90 bis.
Amendement 107
Voorstel voor een besluit
Bijlage VIII – artikel 7 – lid 1
1.  Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat niet aan de in artikel 2 van deze bijlage bedoelde voorwaarden is voldaan, stelt de Commissie overeenkomstig de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 4 van deze bijlage een besluit vast om het onderzoek en de procedure te beëindigen. De Commissie publiceert een verslag met haar bevindingen en gemotiveerde conclusies over alle relevante feitelijke en juridische kwesties, waarbij zij naar behoren rekening houdt met de bescherming van vertrouwelijke informatie in de zin van artikel 9 van deze bijlage.
1.  Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat niet aan de in artikel 2 van deze bijlage bedoelde voorwaarden is voldaan, stelt de Commissie een besluit vast om het onderzoek te beëindigen. De Commissie publiceert een verslag met haar bevindingen en gemotiveerde conclusies over alle relevante feitelijke en juridische kwesties, waarbij zij naar behoren rekening houdt met de bescherming van vertrouwelijke informatie in de zin van artikel 9 van deze bijlage.
Amendement 108
Voorstel voor een besluit
Bijlage VIII – artikel 7 – lid 2
2.  Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat aan de in artikel 2 van deze bijlage bedoelde voorwaarden is voldaan, stelt de Commissie volgens de in artikel 4 bedoelde onderzoeksprocedure een besluit tot oplegging van definitieve vrijwaringsmaatregelen vast. De Commissie publiceert een verslag met een samenvatting van de voor het besluit relevante concrete feiten en overwegingen, waarbij zij naar behoren rekening houdt met de bescherming van vertrouwelijke informatie in de zin van artikel 9 van deze bijlage en stelt de autoriteiten van de LGO onverwijld in kennis van haar besluit de nodige vrijwaringsmaatregelen te nemen.
2.  Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat aan de in artikel 2 van deze bijlage bedoelde voorwaarden is voldaan, stelt de Commissie door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 90 een besluit tot oplegging van definitieve vrijwaringsmaatregelen vast. De Commissie publiceert een verslag met een samenvatting van de voor het besluit relevante concrete feiten en overwegingen, waarbij zij naar behoren rekening houdt met de bescherming van vertrouwelijke informatie in de zin van artikel 9 van deze bijlage en stelt de autoriteiten van de LGO onverwijld in kennis van haar besluit de nodige vrijwaringsmaatregelen te nemen.
Amendement 109
Voorstel voor een besluit
Bijlage VIII – artikel 10
Comitéprocedure

Schrappen

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is ingesteld bij artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 260/2009 van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
4.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 4, van toepassing.

Radioactieve stoffen in water dat bestemd is voor menselijke consumptie ***I
PDF 592kWORD 69k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijk gebruik bestemd water (COM(2012)0147 – C7-0105/2012 – 2012/0074(COD))
P7_TA(2013)0068A7-0033/2013

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2012)0147),

–  gezien de artikelen 31 en 32 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0105/2012),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken over de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 mei 2012(1),

–  gezien de artikelen 55 en 37 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A7-0033/2013),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raadtot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijk gebruik bestemd water en tot wijziging van Richtlijn 98/83/EG van de Raad [Am. 1]

P7_TC1-COD(2012)0074


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name de artikelen 31 en 32,betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie, opgesteld na advies van een door het Wetenschappelijk en Technisch Comité aangewezen groep van wetenschappelijke deskundigen uit de lidstaten, overeenkomstig artikel 31 van het Verdrag,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Na raadpleging van het Europees ParlementHandelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3), [Am. 2]

Overwegende hetgeen volgt:

(-1)  Overeenkomstig artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) berust het beleid van de Unie op milieugebied op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen en draagt het bij tot het nastreven van doelstellingen als behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, en de bescherming van de gezondheid van de mens. [Am. 3]

(1)  Eén van de manieren waarop radioactieveschadelijke stoffen het menselijke lichaam binnendringen is de ingestie van water. De ingestie van radioactieve isotopen of radionucliden kan leiden tot een aantal gezondheidsproblemen. Overeenkomstig Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad(4) moet de blootstelling van de gehele bevolking, met inachtneming van de cumulatieve blootstelling op de lange termijn, aan handelingen die een risico op ioniserende straling kunnen inhouden, zo laag als redelijkerwijze mogelijk worden gehouden. [Am. 4]

(1 bis)  Het filteren van radioactieve isotopen uit water leidt ertoe dat filters radioactief afval worden die in dat geval met de nodige voorzichtigheid en in overeenstemming met de geldende procedures moeten worden verwerkt. [Am. 5]

(1 ter)  Het proces voor het verwijderen van radioactieve isotopen uit water is afhankelijk van nationale laboratoria, het regelmatig bijhouden van metingen, en onderzoek. [Am. 6]

(1 quater)  De informatie die door de lidstaten wordt verstrekt in het driejaarlijks verslag over de drinkwaterrichtlijn is onvolledig of ontbreekt wat betreft de radioactiviteitsniveaus in drinkwater. [Am. 7]

(1 quinquies)  Om de kosten van de behandeling van drinkwater te kunnen terugdringen, zijn preventieve maatregelen noodzakelijk. [Am. 8]

(2)  Met het oog op het belang voorTeneinde een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen, moeten gemeenschappelijke normen worden vastgesteld voorvan de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, moeten de kwaliteitsnormen die een indicatorfunctie hebben op communautair niveau worden vastgesteld en moet tevens worden voorzien in toezicht op de naleving van deze normen. [Am. 9]

(3)  De indicatorparameters voor radioactieve stoffen zijn al vastgesteld bij bijlage I, deel C, en de daaraan verbonden toezichtsbepalingen zijn neergelegd in bijlage II bij Richtlijn 98/83/EG van de Raad(5). Deze parameters vallen echter binnen het toepassingsgebied van de basisnormen als omschreven in artikel 30 van het Euratom-Verdrag. [Am. 10]

(3 bis)  De parameterwaarden zijn gebaseerd op de beschikbare wetenschappelijke kennis, met inachtneming van het voorzorgsbeginsel. Deze waarden zijn gekozen om ervoor te zorgen dat voor menselijke consumptie bestemd water een leven lang veilig kan worden gebruikt, waarbij de meest kwetsbare burgers als referentiepunt worden genomen, en om derhalve een hoog niveau van gezondheidsbescherming te bieden. [Am. 11]

(4)  De eisen voor controleniveaus van radioactiviteit in voor menselijke consumptie bestemd water moeten daarom worden vastgesteld bij specifiekegekoppeld aan de eisen die zijn vastgelegd in bestaande wetgeving dievoor andere chemische stoffen die in water voorkomen en een schadelijk effect hebben op het milieu en de menselijke gezondheid. Deze maatregel zou de uniformiteit, samenhang en volledigheid van de wetgeving inzake stralingsbeschermingde bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu overeenkomstig het Euratom-Verdrag waarborgt.VWEU waarborgen. [Am. 12]

(5)  De bepalingen vanIn deze richtlijn werden hebben voorrang op die vanworden de indicatorparameters bijgewerkt die opgenomen zijn in bijlage I, deel C, bij Richtlijn 98/83/EG, wat de besmetting van drinkwater meten worden regels vastgelegd inzake de controle op de aanwezigheid van radioactieve stoffen betreftin drinkwater. [Am. 13]

(6)  Wanneer niet aan een parameter met indicatorfunctie wordt voldaan, moet de betrokken lidstaat onderzoeken of er daardoor een risicoverplicht worden gesteld te bepalen wat de oorzaak hiervan is en te beoordelen welk risiconiveau dit vormt voor de volksgezondheid, ontstaat en moet die lidstaat waar nodigook op lange termijn, en hoe ingegrepen kan worden, alsmede maatregelen te treffen waarmee kan worden gewaarborgd dat de watervoorziening zo spoedig mogelijk in overeenstemming is met de in de onderhavige richtlijn vastgestelde kwaliteitscriteria. Deze noodzakelijke herstelmaatregelen kunnen zelfs zover gaan dat de betrokken exploitatie wordt gesloten wanneerom de waterkwaliteit te herstelleneen dergelijke maatregel noodzakelijk maakt. De hoogste prioriteit moet worden verleend aan maatregelen die het probleem bij de bron oplossen. De consumenten moeten onmiddellijk worden geïnformeerd over de risico's, de al door de autoriteiten genomen maatregelen en de tijd die nodig zal zijn voordat de herstelmaatregelen effect hebben. [Am. 14]

(7)  De consument moet op adequate en behoorlijke wijzevolledig en behoorlijk worden geïnformeerd over de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water via gemakkelijk toegankelijke publicaties. Er moet op elk moment door lokale overheden geactualiseerde informatie aan de consumenten beschikbaar worden gesteld over risicogebieden met potentiële bronnen van radioactieve besmetting en regionale waterkwaliteit. [Am. 15]

(7 bis)  Het is noodzakelijk water dat in de voedingsmiddelenindustrie wordt gebruikt ook in het toepassingsgebied van deze richtlijn op te nemen. [Am. 16]

(8)  Natuurlijk mineraalwater en als geneesmiddel gebruikt water moeten van deze richtlijn worden uitgesloten, aangezien voor dergelijke soorten water speciale voorschriften zijn vastgesteld bij Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad(6) en Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad(7). De Commissie moet wel uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn een voorstel tot wijziging van Richtlijn 2009/54/EG indienen om de controlevereisten voor natuurlijk mineraalwater af te stemmen op de in deze richtlijn en Richtlijn 98/83/EG vastgelegde vereisten. De controle op voor verkoop bestemd water in flessen of andere houders, ander dan natuurlijk mineraalwater, met als doel erop toe te zien dat de niveaus van radioactieve stoffen in overeenstemming zijn met de in deze richtlijn vastgelegde parameterwaarden, moet gebeuren overeenkomstig de beginselen van risicoanalyse en kritische controlepunten als vereist bij Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad(8). [Am. 17]

(9)  Elke lidstaat moet gedegen programma's voor het controleren van voor menselijke consumptie bestemd water uitwerken om regelmatig na te gaan, of dit water voldoet aan de voorschriften van deze richtlijn. [Am. 18]

(10)  De methoden voor de analyse van de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water moeten betrouwbare en vergelijkbare resultaten opleveren. Dergelijke controleprogramma's moeten bij de lokale behoeften aansluiten en aan de minimale controlevoorschriften van deze richtlijn voldoen. [Am. 19]

(10 bis)  Het is zaak de natuurlijke radioactiviteit en door de mens veroorzaakte besmetting op verschillende wijze en volgens verschillende dosimetrische criteria te beheren. De lidstaten moeten erop toezien dat nucleaire activiteiten niet tot besmetting van drinkwatervoorraden leiden. [Am. 20]

(11)  Aanbeveling 2001/928/Euratom van de Commissie(9) heeft betrekking op de radiologische kwaliteit van drinkwater wat radon en langlevende vervalproducten van radon betreft, en het is passend deze radionucliden op te nemen in het toepassingsgebied van deze richtlijn.

(11 bis)  Teneinde de samenhang op het gebied van het Europese waterbeleid te waarborgen, moeten de in deze richtlijn vastgestelde parameterwaarden, frequenties en methoden voor het toezicht op radioactieve stoffen verenigbaar zijn met Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad(10) en Richtlijn 98/83/EG van de Raad. Bovendien dient de Commissie te garanderen dat naar deze richtlijn wordt verwezen wanneer er een evaluatie van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(11) en Richtlijn 2006/118/EG plaatsvindt, teneinde alle soorten water volledig te beschermen tegen besmetting met radioactieve stoffen, [Am. 21]

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij dezeDeze richtlijn wordenbetreft voorschriften vastgesteldinzake de kwaliteit van voor de bescherming van de volksgezondheid wat radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water betreft. Tevens worden parameterwaarden, frequenties en methoden voor het toezicht opteneinde de volksgezondheid te beschermen tegen de nadelige gevolgen van de besmetting van dit water met radioactieve stoffen. vastgesteld. [Am. 22]

Artikel 2

Definities

In de zin van deze richtlijn gelden de definities van artikel 2 van Richtlijn 98/83/EG.

Naast de definities waarnaar wordt verwezen in lid 1 zijn de volgende definities van toepassing:

   1) „radioactieve stof”: iedere stof die een of meer radionucliden bevat waarvan de activiteit of de concentratie, voor zover het de stralingsbescherming betreft, niet mag worden verwaarloosd;
   2) „totale indicatieve dosis” (TID): de effectieve volgdosis voor één jaar ingestie ten gevolge van alle radionucliden waarvan de aanwezigheid in het drinkwater is aangetoond, zowel van natuurlijke als artificiële oorsprong, met uitzondering van kalium-40, radon en kortlevende vervalproducten van radon;
   3) „parameterwaarde”: de waarde waaraan voor menselijke consumptie bestemd water dient te voldoen. Indien een parameterwaarde wordt overschreden, beoordelen de lidstaten het risiconiveau van de aanwezigheid van radioactieve stoffen en nemen ze op basis van de resultaten van deze beoordeling onmiddellijk herstelmaatregelen om te zorgen voor de naleving van de in deze richtlijn opgenomen vereisten. [Am. 23]

Artikel 3

Toepassingsgebied

Deze richtlijn is van toepassing op voor menselijk gebruikmenselijke consumptie bestemd water zoals gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 98/83/EG, onder voorbehoud van de in artikel 3, lid 1, van die richtlijn vastgelegde uitzonderingen en overeenkomstig artikel 3, lid 2, van die richtlijn. [Am. 24]

Artikel 4

Algemene verplichtingen

Onverminderd de bepalingen van artikel 6, lid 3, onder a), van Richtlijn 96/29/EuratomDe lidstaten nemen de lidstaten de nodige maatregelen om een passend controleprogramma vast te stellen om te verzekeren dat voor menselijke consumptie bestemd water voldoet aan de overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde parameterwaarden. Aan de lidstaten wordt een gids met beste praktijken verstrekt door de Commissie.

De lidstaten zorgen ervoor dat de maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn er in geen geval, direct of indirect, toe kunnen leiden dat de huidige kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water achteruitgaat of dat de verontreiniging van voor de drinkwaterproductie bestemd water toeneemt. [Am. 25]

Er worden nieuwe technologieën ontwikkeld die de tijd die nodig is om radioactief afval van het milieu te isoleren na een natuurramp, tot een minimum beperken.[Am. 26]

De lidstaten nemen alle noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat radioactief afval uit gefilterd drinkwater volgens de geldende voorschriften wordt verwerkt. De Commissie verstrekt aan de lidstaten richtsnoeren voor dit proces. [Am. 27]

De lidstaten voeren risicobeoordelingen uit van opslagplaatsen van radioactief afval die gevolgen kunnen hebben voor grondwater of andere bronnen van drinkwater of die gevaar kunnen lopen door natuurrampen. [Am. 28]

De Commissie voert een onderzoek uit naar de „cocktaileffecten” van andere chemische stoffen in combinatie met radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water. De Commissie past de desbetreffende wetgeving op basis van de resultaten van dat onderzoek aan.[Am. 29]

De Commissie voert een evaluatie uit van de tenuitvoerlegging van Richtlijn2000/60/EG in de lidstaten. [Am. 30]

Artikel 5

Parameterwaarden

De lidstaten stellen de parameterwaarden voor het toezicht op radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water vast overeenkomstig bijlage I; wat voor verkoop bestemd water in flessen of andere houders betreft, laat dit de beginselen van risicoanalyse en kritische controlepunten als vereist bij Verordening (EG) nr. 852/2004 onverlet.

Artikel 6

Controle

De lidstaten zorgen voor regelmatige en nauwgezette controle op voor menselijke consumptie bestemd water overeenkomstig bijlage II, om na te gaan of de concentraties van radioactieve stoffen de overeenkomstig artikel 5 vastgelegde parameterwaarden niet overschrijden. De controle houdt rekening met de cumulatieve blootstelling van de bevolking op de lange termijn en wordt uitgevoerd in het kader van de controles als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 98/83/EG. Hiertoe behoren referentieanalyses die bedoeld zijn om het radioactieve gehalte van het water te bepalen en om de analytische strategie en de periodieke analyses te optimaliseren overeenkomstig de in bijlage III vastgelegde methodes. De frequentie van de controle voor periodieke analyses kan worden aangepast via een risicogebaseerde benadering, op basis van de resultaten van de referentieanalyses die steeds verplicht zijn. In dergelijke gevallen delen de lidstaten zowel de redenen voor deze beslissing als de resultaten van de referentieanalyses in kwestie mede aan de Commissie, en maken ze deze openbaar. [Am. 31]

Artikel 7

Bemonsteringslocaties

De lidstaten kunnen monsters nemen:

   (a) in het geval van via een distributienetwerk aangeleverd water, op het punt binnen het leveringsgebied of in de behandelingsfaciliteit wanneer kan worden aangetoond dat een dergelijke bemonstering dezelfde of betere meetwaarden oplevert;
   (b) in het geval van water dat geleverd wordt uit een tankschip of tankauto, op het punt waar het water uit het tankschip of de tankauto komt;
   (c) in het geval van voor verkoop bestemd water in flessen of andere houders, op het punt waarop de flessen of houders worden gevuld; of
   (d) in het geval van water dat wordt gebruikt in een levensmiddelenbedrijf, op het punt waar het in het bedrijf wordt gebruikt.

Artikel 8

Bemonstering en analyse

1.  Er worden monsters genomen die representatief zijn voor de kwaliteit van het water dat het hele jaar door wordt geconsumeerd, en die monsters worden geanalyseerd overeenkomstig de in bijlage III uiteengezette methoden.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat alle laboratoria die monsters van voor menselijke consumptie bestemd water analyseren, over een analytisch kwaliteitscontrolesysteem beschikken. Ze zorgen ervoor dat dit systeem onderworpen wordt aan occasionelewillekeurige controles, ten minste eenmaal per jaar, door een onafhankelijke controleur die is goedgekeurd door de daarvoor bevoegde instanties. [Am. 32]

2 bis.  De financiering van de controlemaatregelen geschiedt overeenkomstig hoofdstuk IV van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad(12). Bij vervuiling ten gevolge van menselijke activiteiten komen de kosten ten laste van de vervuiler. [Am. 33]

Artikel 9

Remediërende maatregelen en kennisgeving aan de consument

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat elk geval waarin niet aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden is voldaan, onmiddellijk wordt onderzocht om de oorzaak vast te stellen.

1 bis.  Informatie over de risicobeoordeling van kerncentrales en de omliggende gebieden ten aanzien van radioactieve stoffen in het water wordt aan het publiek openbaar gemaakt. [Am. 34]

1 ter.  De lidstaten zorgen ervoor dat informatie met betrekking tot de aanwezigheid van radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water wordt opgenomen in het driejaarlijks verslag over de waterkwaliteit, bedoeld in artikel 13, lid 2, van Richtlijn 98/83/EG. [Am. 35]

2.  Wanneer niet wordt voldaan aan de overeenkomstig artikel 5 vastgelegde parameterwaarden is voldaan, gaatdie zijn vastgesteld voor radon en voor de TID afkomstig van natuurlijke bronnen, beoordeelt de betrokken lidstaat na of dit een risicoonmiddellijk welk risiconiveau dit vormt voor de volksgezondheid vormt. Als er een risico bestaaten hoe ingegrepen kan worden, met inachtneming van de plaatselijke omstandigheden. Op basis van de resultaten hiervan, neemt dedeze lidstaat remediërende maatregelen om de waterkwaliteit weer op peil te brengenwaarmee kan worden gewaarborgd dat de watervoorziening in overeenstemming is met de in de onderhavige richtlijn vastgestelde kwaliteitscriteria.

2 bis.  Wanneer niet is voldaan aan de parameterwaarden die voor tritium en de TID afkomstig van menselijke activiteiten zijn vastgesteld, zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat het onverwijld ingestelde onderzoek aan het licht brengt wat de aard, de omvang en de volledige dosimetrische weerslag van de vervuiling is. Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met alle milieus die hiervan de gevolgen kunnen ondervinden en met alle wijzen van blootstelling. De betrokken lidstaat zorgt ervoor dat de nodige tegenmaatregelen worden getroffen, opdat de waterkwaliteit weer aan de parameterwaarden voldoet. Bij de oplossingen wordt de voorkeur gegeven aan het verhelpen van het probleem bij de vervuilingsbron. De noodzakelijke herstelmaatregelen kunnen zelfs zover gaan dat de betrokken exploitatie wordt gesloten wanneer de waterkwaliteit een dergelijke maatregel noodzakelijk maakt. De betrokken lidstaat zorgt ervoor dat de kosten van de herstelmaatregelen worden gedragen door de vervuiler. [Am. 36]

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de resultaten van de overeenkomstig artikel 8 uitgevoerde analyses worden gepubliceerd, zo spoedig mogelijk voor het publiek toegankelijk worden gemaakt en opgenomen worden in de verslagen bedoeld in artikel 13 van Richtlijn 98/83/EG. Wanneer het risico voor de volksgezondheid niet-verwaarloosbaar is, zorgt de lidstaat ervoorer samen met de verantwoordelijke partij(en) voor, dat de consumenten daarvan in kennis worden gesteldonverwijld worden gewaarschuwd en dat ze volledige informatie ontvangen over het risico voor de volksgezondheid en over hoe met de ontstane problemen moet worden omgegaan. Deze informatie wordt openbaar gemaakt en zo snel mogelijk beschikbaar gesteld via internet. Ze zorgen er eveneens voor dat onverwijld wordt overgegaan op alternatieve, niet-verontreinigde watervoorziening. [Am. 37]

Artikel 9 bis

Wijzigingen van Richtlijn 98/83/EG

Richtlijn 98/83/EG werd als volgt gewijzigd:

1)  In deel C van bijlage I wordt de afdeling „Radioactiviteit” geschrapt.

2)  In paragraaf 2 van tabel (A) van bijlage II worden de laatste twee zinnen geschrapt. [Am. 38]

Artikel 9 ter

Herziening van de bijlagen

1.  Ten minste om de vijf jaar beziet de Commissie de bijlagen opnieuw in het licht van de vooruitgang van wetenschap en techniek. Zij is bevoegd overeenkomstig artikel 9 quater gedelegeerde handelingen wijzigingen vast te stellen om de bijlagen aan te passen in het licht van die vooruitgang.

2.  De Commissie maakt haar beweegredenen om bijlagen al dan niet aan te passen openbaar onder verwijzing naar de door haar in overweging genomen wetenschappelijke rapporten. [Am. 39]

Artikel 9 quater

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 9 ter bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van…(13). De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  De in artikel 9 ter bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 9 ter vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking als het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving heeft gemaakt, of als zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van deze termijn hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt deze termijn met twee maanden verlengd. [Am. 40]

Artikel 9 quinquies

Informatie en rapportage

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat adequate en actuele informatie over de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water voor consumenten beschikbaar is, en niet alleen wanneer een gevaar voor de menselijke gezondheid als niet-verwaarloosbaar kan worden beschouwd.

2.  Elke lidstaat die watersystemen heeft in gebieden met mogelijke – door de mens veroorzaakte of natuurlijke – bronnen van radioactieve besmetting, neemt informatie over de concentraties van radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water op in zijn driejaarlijks verslag over de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water, zoals bedoeld in artikel 13 van Richtlijn 98/83/EG.

3.  De Commissie neemt de bevindingen van de lidstaten met betrekking tot radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water op in haar verslag inzake de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water in de Gemeenschap, zoals bedoeld in artikel 13 van Richtlijn 98/83/EG. [Am. 41]

Artikel 10

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk … (14)[één jaar na de in artikel 11 genoemde datum – in te voegen door het Bureau voor publicaties] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van de tekst van die bepalingen. [Am. 42]

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 11

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 12

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te,

Voor de Raad

De voorzitter

BIJLAGE I

Parameterwaarden voor radon en tritium en parameterwaarden voor de totale indicatieve dosis, voor andere radioactieve stoffen, in voor menselijke consumptie bestemd water

Radioactiviteit

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Toelichting

Radon222 Rn

10020

Bq/l

Tritium

10020

Bq/l

Totale indicatieve dosis (afkomstig van natuurlijke bronnen)

0,10

mSv/jaar

(opmerking 1)

Totale indicatieve dosis (afkomstig van menselijke activiteiten)

0,01

mSv/jaar

Opmerking 1:met uitzondering van tritium, kalium-40, radon en kortlevende vervalproducten van radon.[Am. 43]

BIJLAGE II

Controle op radioactieve stoffen

1.  Algemene beginselen en controlefrequenties

en lidstaat is niet verplicht drinkwater op tritium en radon te controleren op tritium of radioactiviteit omen de totale indicatieve dosis (TID) vast te leggen, wanneer op basis van andere controles voldoende kan worden vastgesteld dat zowel de tritiumniveaus als de berekende totale indicatieve dosis ver beneden de parameterwaarde liggen. De controle van drinkwater op radon is niet vereist wanneer een lidstaat er zich op basis van andere controleactiviteiten van heeft vergewist dat de radonniveaus ver beneden de parameterwaarden liggen. In dat geval deelt de lidstaat de redenen voor deze beslissing mede aan de Commissie, met inbegrip van de resultaten van de andere uitgevoerde controlesstellen voor de natuurlijke radioactiviteit en de door menselijke activiteiten veroorzaakte radioactiviteit.

Tot de controles behoren referentieanalyses en periodieke analyses.

De referentieanalyses moeten worden uitgevoerd in het kader van de behandeling van de aanvraag voor een vergunning voor de levering van drinkwater. Voor bestaande waterleidingnetten stellen de lidstaten de termijnen vast waarbinnen deze analyses uitgevoerd moeten zijn naargelang van de geleverde waterhoeveelheden en het potentiële risico ten gevolge van de natuurlijke radioactiviteit dan wel de door menselijke activiteiten veroorzaakte radioactiviteit. Met de referentieanalyses moeten alle relevante natuurlijke en artificiële radionucliden kunnen worden aangetoond en gekwantificeerd.

Wat de natuurlijke radioactiviteit betreft moeten ten minste de volgende negen radionucliden gemeten kunnen worden: uranium-238, uranium-234, radium-226, radon-222, lood-210, polonium-210, radium-228 (zo nodig via het eerste vervalproduct, actinium-228), actinium-227 (zo nodig via het eerste vervalproduct, thorium-227).

Wat de door menselijke activiteiten veroorzaakte radioactiviteit betreft, moeten de potentiële besmettingsbronnen worden onderzocht; aan de hand van de resultaten van dat onderzoek wordt bepaald welke radionucliden gemeten zullen worden. Afgezien van de specifieke metingen op grond van de resultaten van het onderzoek omvat de referentieanalyse in ieder geval tritium, koolstof-14, strontium-90 en de plutoniumisotopen, alsmede een gammaspectrometrische analyse ter bepaling van de activiteit van de voornaamste artificiële gammastralers (met name kobalt-60, jodium-131, cesium-134, cesium-137 en americium-241).

Aan de hand van de resultaten van de referentieanalyses wordt de analysestrategie voor de periodieke controles vastgesteld. Voor de periodieke controles geldt een frequentie die overeenkomt met die welke in punt 4 vermeld staat, met dien verstande dat de resultaten van de referentieanalyses aanleiding tot een intensievere bewaking kunnen geven. [Am. 44]

2.  Radon en Tritium

De controle van drinkwater op radon of tritium wordt uitgevoerd waar er een bron van radon of tritium aanwezig is binnen het waterwinningsgebied en er niet op basis van andere bewakingsprogramma's of ander onderzoek kan worden aangetoond dat het radon- of tritiumniveau ver beneden de indicatorparameterwaarde van 100 Bq/l ligt. Wanneer monitoring van de radon- of tritiumniveaus vereist is, wordt de controle uitgevoerd overeenkomstig de controlefrequentie.

3.  Totale indicatieve dosis

De monitoring van het drinkwater wat de totale indicatieve dosis (TID) betreft moet worden uitgevoerd waar er een bron van artificiële of verhoogde natuurlijke radioactiviteit is binnen het waterwinningsgebied en er niet op basis van andere bewakingsprogramma's of ander onderzoek kan worden aangetoond dat het TID-niveau ver beneden de indicatorparameterwaarde van 0,1 mSv/jaar ligt. Wanneer moet worden gecontroleerd op artificiële radionuclideniveaus, moet dit gebeuren overeenkomstig de in de tabel aangegeven controlefrequentie. In het geval de natuurlijke radionuclideniveaus moeten worden gecontroleerd, leggen de lidstaten de frequentie van de controles vast rekening houdend met alle beschikbare relevante gegevens inzake tijdelijke schommelingen van natuurlijke radionuclideniveaus in verschillende watertypes. Afhankelijk van de verwachte schommelingen kan de controlefrequentie variëren van één controlemeting tot de vastgelegde controlefrequentie. Wanneer slechts één controle op natuurlijke radioactiviteit nodig is, moet er opnieuw worden gecontroleerd als zich veranderingen in de voorziening voordoen die de concentratie van radionucliden in drinkwater naar verwachting zullen beïnvloeden.

Wanneer er methoden voor het verwijderen van radionucliden uit drinkwater zijn toegepast om te verzekeren dat de parameterwaarden niet worden overschreden, moet de controle worden uitgevoerd met de controlefrequentie.

Wanneer de resultaten van andere dan de door de eerste alinea van dit punt verplichte controleprogramma's of onderzoeken worden gebruikt om te verzekeren dat aan deze richtlijn is voldaan, deelt de lidstaat de redenen voor deze beslissing mede aan de Commissie, met inbegrip van de relevante resultaten van deze bewakingsprogramma's of onderzoeken.[Am. 45]

4.  De controlefrequentie is zoals vastgelegd in de volgende tabel:

TABEL

Controlefrequentie van voor menselijke consumptie bestemd water aangeleverd door een distributienetwerk

Dagelijks binnen een leveringsgebied gedistribueerde of geproduceerde hoeveelheid water

(Opmerkingen 1 en 2)

Aantal monsternemingen

per jaar

(opmerking 3)

≤ 100

(opmerking 4)

> 100 ≤ 1 000

1

> 1 000 ≤ 10 000

1

+ 1 voor elke 3 300 m³/d en fractie daarvan van de totale hoeveelheid

> 10 000 ≤ 100 000

3

+ 1 voor elke 10 000 m³/d en fractie daarvan van de totale hoeveelheid

> 100 000

10

+ 1 voor elke 25 000 m³/d en fractie daarvan van de totale hoeveelheid

Opmerking 1: een leveringsgebied is een geografisch afgebakend gebied waarbinnen het voor menselijke consumptie bestemde water afkomstig is uit één of enkele bronnen en waarbinnen het water kan worden geacht van vrijwel uniforme kwaliteit te zijn.

Opmerking 2: de hoeveelheden zijn gemiddelden berekend over een kalenderjaar. De lidstaten mogen zich bij het vaststellen van de minimumfrequentie baseren op het aantal inwoners in een leveringsgebied in plaats van op de hoeveelheid water uitgaande van een waterverbruik van 200 l/dag/hoofd van de bevolking mits het desbetreffende water niet buiten het bewuste gebied wordt geleverd. [Am. 46]

Opmerking 3: voor zover mogelijk moet het aantal monsters gelijkelijk over plaats en tijd worden verdeeld.

Opmerking 4: de frequentie wordt bepaald door de betrokken lidstaat.

BIJLAGE III

Bemonstering en analysemethoden

1.  Natuurlijke radioactiviteit

1.1.1  Controle op naleving van de totale indicatieve dosis (TID) voor natuurlijke radioactiviteit.

Om de indicatorparameterwaarde voor TID te controleren mogen de lidstaten controlemethoden voor brutoalfa- en brutobèta-activiteit gebruiken, waarbij tritium, kalium-40, radon en kortlevende vervalproducten van radon worden uitgesloten. De lidstaten mogen gebruikmaken van screeningsmethoden om vast te stellen welke wateren wellicht tot overschrijding van de TID aanleiding geven zodat nadere analyses nodig zijn. De lidstaten moeten aantonen dat de gebruikte methode geen vals negatieve uitkomsten oplevert (water dat volgens de test aan de TID-norm voldoet terwijl consumptie tot dosiswaarden leidt die boven de parameterwaarde van 0,1 mSv/jaar liggen). Bij de controlestrategie wordt rekening gehouden met de resultaten van de verkennende radiologische analyse van het water. [Am. 47]

Als de brutoalfa- en brutobèta-activiteit kleiner is dan respectievelijk 0,1 Bq/l en 1,0 Bq/l, mogen de lidstaten aannemen dat de TID geringer is dan de indicatorparameterwaarde van 0,1 mSv/jaar en dat er geen stralingsonderzoek nodig is, behalve wanneer uit andere gegevensbronnen is gebleken dat in het drinkwater specifieke radionucliden aanwezig zijn die een TID hoger dan 0,1 mSv/jaar zouden kunnen veroorzaken. Lidstaten die gebruik willen maken van opsporingstechnieken op basis van de meting van de globale alfa-activiteit en de globale bèta-activiteit moeten waakzaam zijn voor eventuele beperkingen van de metingen (bijvoorbeeld het ontbreken van de meting van de bèta-straling met een lage energie), op correcte wijze de richtwaarde kiezen die bepaalt of water aan de eisen voldoet, met name voor de globale bèta-activiteit, en rekening houden met het gecombineerde effect van de bèta- en alfa-activiteit. [Am. 48]

Als de brutoalfa-activiteit meer bedraagt dan 0,1 Bq/l of als de brutobèta-activiteit meer bedraagt dan 1,0 Bq/l moet op specifieke radionucliden worden geanalyseerd. Welke radionucliden moeten worden gemeten, wordt vastgelegd door de lidstaten waarbij alle relevante gegevens inzake mogelijke bronnen van radioactiviteit in aanmerking worden genomen. Aangezien verhoogde tritiumniveaus kunnen wijzen op de aanwezigheid van andere artificiële radionucliden, moeten tritium, brutoalfa- en brutobèta-activiteit in hetzelfde monster worden gemeten.

Ter vervanging van de hierboven besproken controle van brutoalfa- en brutobèta-activiteit, kunnen de lidstaten besluiten andere betrouwbare testmethoden voor radionucliden te gebruiken om de aanwezigheid van radioactiviteit in drinkwater aan te tonen. Als één van de activiteitsconcentraties meer bedraagt dan 20% van de desbetreffende referentieconcentratie of als de tritiumconcentratie hoger ligt dan de parameterwaarde van 100 Bq/l, is een analyse van andere radionucliden vereist. Welke radionucliden moeten worden gemeten, wordt vastgelegd door de lidstaten waarbij alle relevante gegevens inzake mogelijke bronnen van radioactiviteit in aanmerking worden genomen.

1.1.1  Keuze van de richtwaarde

Ten aanzien van de totale bèta-activiteit of de totale bèta-restactiviteit (minus de bijdrage van kalium-40) garandeert een richtwaarde van 1 Bq/l niet noodzakelijkerwijs dat aan de parameterwaarde van 0,1 mSv/jaar wordt voldaan. De lidstaten moeten de activiteit per volume-eenheid van lood-210 en radium-228, twee sterke bètastralers, nagaan. Voor een volwassen consument is de TID bereikt als de activiteit per volume-eenheid 0,2 Bq/l bedraagt (gecumuleerde activiteit van radium-228 en lood-210), oftewel een vijfde deel van de richtwaarde van 1 Bq/l; voor de kritische groep van kinderen jonger dan 1 jaar en uitgaande van een consumptie van 55 cl water per dag, is de TID bereikt als de activiteit van radium-228 in de buurt komt van 0,02 Bq/l of als de activiteit van lood-210 in de buurt komt van 0,06 Bq/l.

Ten aanzien van de totale alfa-activiteit moeten de lidstaten de bijdrage van polonium-210 nagaan, daar een richtwaarde van 0,1 Bq/l niet noodzakelijkerwijs garandeert dat aan de parameterwaarde van 0,1 mSv/jaar wordt voldaan. Voor de kritische groep van kinderen jonger dan 1 jaar en uitgaande van een consumptie van 55 cl water per dag, is de TID overschreden als de activiteit per volume-eenheid van polonium-210 0,02 Bq/l bereikt, oftewel een vijfde deel van de richtwaarde van 0,1 Bq/l. [Am. 49]

1.1.2.  Som van alfa- en bètabijdragen

De TID is het totaal van de stralingsdoses van alle radionucliden (alfa- en bètastralers) in het water. De resultaten van de metingen van de totale alfa-activiteit en de totale bèta-activiteit moeten dus samen worden genomen om te beoordelen of de TID overschreden wordt.

Elke lidstaat dient ervoor te zorgen dat aan de volgende formule is voldaan:

totale alfa-activiteit / richtwaarde totaal alfa + totale bèta-activiteit / richtwaarde totaal bèta < 1 [Am. 50]

2.1.2  Berekening van de TID

De TID is de effectieve volgdosis voor één jaar ingestie ten gevolge van alle natuurlijke radionucliden waarvan de aanwezigheid in het drinkwater is aangetoond, zowel van natuurlijke als van artificiële oorsprong, met uitzondering van tritium, kalium-40, radon en kortlevende vervalproducten van radon. De TID wordt berekend op basis van de radionuclideconcentratiesactiviteit per volume-eenheid van de radionucliden en de dosiscoëfficiënten voor volwassenen die vastgelegd zijn vastgelegd in bijlage III, tabel A, van Richtlijn 96/29/Euratom, Richtlijn 96/29/Euratom, of op basis van recentere informatie die wordt erkend is door de bevoegde instanties van de lidstaat. De berekening wordt uitgevoerd voor de meest blootgestelde bevolkingscategorie, de zogenaamde kritische groep, aan de hand van door de Commissie vastgestelde standaardconsumptiepatronen. Voor de natuurlijke radionucliden bestaat de kritische groep uit de kinderen van minder dan één jaar oud. Wanneer aan de volgende formule is voldaan, mogen de lidstaten aannemen dat de TID lager ligt dan de indicatorparameterwaarde van 0,1 mSv/jaar en dat er geen verder onderzoek nodig is: [Am. 51]

20130312-P7_TA(2013)0068_NL-p0000001.fig (1)

waarin:

Ci(obs) = geobserveerde radionuclideconcentratie i

Ci(ref) = referentieconcentratie van radionuclide i

n = aantal waargenomen radionucliden.

Wanneer niet aan de formule is voldaan, wordtmoeten er aanvullende analyses worden uitgevoerd om na te gaan of het verkregen resultaat representatief is. Hoe groter de overschrijding van de parameterwaarde, alleen als overschreden beschouwd als de radionucliden gedurende een volledig jaar voortdurend aanwezig zijn met vergelijkbare activiteitsconcentraties.des te eerder moeten deze verificaties worden uitgevoerd. De lidstaten leggen de mate waarin herbemonstering nodig is en de daarvoor geldende termijnen vast om ervoor te verzekeren dat de gemeten waarden representatief zijnzorgen dat de parameterwaarde voor een gemiddelde activiteitsconcentratie gedurende een volledig jaarde TID daadwerkelijk overschreden is. [Am. 52]

Referentieconcentraties voor natuurlijke radioactiviteit in drinkwater1

Herkomst

Nuclide

Referentie-concentratie

Kritische leeftijd

Natuurlijk

U-2382

3,0 Bq/l1,47 Bq/l

< 1 jaar

U-2342

2,8 Bq/l1,35 Bq/l

< 1 jaar

Ra-226

0,5 Bq/l0,11 Bq/l

< 1 jaar

Ra-228

0,2 Bq/l0,02 Bq/l

< 1 jaar

Pb-210

0,2 Bq/l0,06 Bq/l

< 1 jaar

Po-210

0,1 Bq/l0,02 Bq/l

< 1 jaar

Artificieel

C-14

240 Bq/l

Sr-90

4,9 Bq/l

Pu-239/Pu-240

0,6 Bq/l

Am-241

0,7 Bq/l

Co-60

40 Bq/l

Cs-134

7,2 Bq/l

Cs-137

11 Bq/l

I-131

6,2 Bq/l

1 Deze tabel omvat de meest voorkomende natuurlijke en artificiële radionucliden. Referentieconcentraties voor andere radionucliden kunnen worden berekend aan de hand van de dosiscoëfficiënten voor volwassen zoals vastgelegd in bijlage III, tabel A, bij Richtlijn 96/29/Euratom, of aan de hand van recentere informatie die wordt erkend door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat. waarbij een ingestie van 730 liter per jaar wordt aangenomen. De berekening wordt uitgevoerd voor de meest blootgestelde leeftijdscategorie teneinde aan de totale indicatieve dosis van 0,1 mSv te kunnen voldoen, ongeacht de leeftijd van de verbruiker. De Commissie stelt de waterinname van de verschillende leeftijdscategorieën vast.

2 Eén milligram (mg) natuurlijk uraan bevat 12,3 Bq afkomstig van U-238 en 12,3 Bq afkomstig van U-234. Deze tabel toont enkel de stralingseigenschappen, niet de chemische toxiciteit, van uraan. [Am. 53]

2 bis.  Radiologisch effect van menselijke activiteiten

Welke radionucliden moeten worden gemeten, wordt bepaald door de lidstaten aan de hand van de gegevens inzake mogelijke bronnen van door menselijke activiteiten veroorzaakte radioactiviteit.

2 bis.1.  Meting van tritium

In het kader van de referentieanalyse en ingeval er een periodieke controle voor deze parameter vereist is, wordt er een specifieke analyse uitgevoerd om het tritiumniveau te bepalen. Een activiteit per volume-eenheid van meer dan 10 Bq/l wijst op een anomalie waarvan de bron moet worden onderzocht, en op de mogelijke aanwezigheid van andere artificiële radionucliden. De parameterwaarde van 20 Bq/l is een drempelwaarde waarboven onderzoek naar de bron van de besmetting noodzakelijk is en het publiek geïnformeerd moet worden. De referentieconcentratie die overeenkomt met de parameterwaarde van 0,01 mSv/jaar, bedraagt 680 Bq/l (500 Bq/l als rekening wordt gehouden met de foetus).

2 bis.2.  Berekening van de aan menselijke activiteiten gerelateerde TID-waarde

De TID is de effectieve volgdosis voor één jaar ingestie ten gevolge van alle van menselijke activiteiten afkomstige radionucliden waarvan de aanwezigheid in het drinkwater is aangetoond, met inbegrip van tritium.

De TID wordt berekend op basis van de activiteit per volume-eenheid van de radionucliden en de dosiscoëfficiënten die vastgelegd zijn in tabel (A) van bijlage III van Richtlijn 96/29/Euratom, of op basis van recentere informatie die erkend is door de bevoegde instanties van de lidstaat. De berekening wordt uitgevoerd voor de meest blootgestelde bevolkingscategorie, de zogenaamde kritische groep, aan de hand van door de Commissie vastgestelde standaardconsumptiepatronen.

De lidstaten kunnen de referentieconcentraties gebruiken die overeenkomen met de parameterwaarde van 0,01 mSv/jaar. Wanneer aan de volgende formule is voldaan, kunnen de lidstaten dan aannemen dat de indicatorparameterwaarde niet overschreden is en dat er geen verder onderzoek nodig is:

20130312-P7_TA(2013)0068_NL-p0000002.fig

waarin:

Ci(obs) = geobserveerde radionuclideconcentratie i

Ci(ref) = referentieconcentratie van radionuclide i

n = aantal waargenomen radionucliden.

Wanneer niet aan deze formule voldaan is, moeten er onverwijld aanvullende analyses worden uitgevoerd om de geldigheid van het verkregen resultaat te verifiëren en de bron van de verontreiniging vast te stellen. [Am. 54]

Referentieconcentraties voor van menselijke activiteiten afkomstige radioactiviteit in drinkwater1

Nuclide

Referentieconcentratie

Kritische leeftijd

H-3

680 Bq/l/500 Bq/l

2-7 jaar / foetus

C-14

21 Bq/l

2-7 jaar

Sr-90

0,22 Bq/l

< 1 jaar

Pu-239/Pu-240

0,012 Bq/l

< 1 jaar

Am-241

0,013 Bq/l

< 1 jaar

Co-60

0,9 Bq/l

< 1 jaar

Cs-134

0,7 Bq/l

Volwassenen

Cs-137

1,1 Bq/l

Volwassenen

I-131

0,19 Bq/l

1-2 jaar

1Deze tabel omvat de meest voorkomende artificiële radionucliden. Referentieconcentraties voor andere radionucliden kunnen worden berekend aan de hand van de dosiscoëfficiënten zoals vastgelegd in tabel (A) van bijlage III bij Richtlijn 96/29/Euratom, of aan de hand van recentere informatie die erkend is door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat. De berekening wordt uitgevoerd voor de meest blootgestelde leeftijdscategorie teneinde aan de totale indicatieve dosis van 0,01 mSv te kunnen voldoen, ongeacht de leeftijd van de verbruiker. De Commissie stelt de waterinname van de verschillende leeftijdscategorieën vast.

[Am. 55]

3.  Prestatiekenmerken en analysemethoden

Voor onderstaande radioactiviteitsparameters geldt dat door middel van de toegepaste analysemethode met de aangegeven aantoonbaarheidsgrens ten minste concentraties moeten kunnen worden gemeten die gelijk zijn aan de parameterwaarde.

KenmerkenNuclide

Aantoonbaarheidsgrens

(opmerking 1)

Toelichting

Radon

10 Bq/l

opmerking 2, 3

Tritium

10 Bq/l

opmerking 2, 3

BrutoalfaTotaal alfa

0,04 Bq/l

opmerking 2, 4

BrutobètaTotaal bèta

0,4 Bq/l

opmerking 2, 4

U-238

0,02 Bq/l

opmerking 2, 6

U-234

0,02 Bq/l

opmerking 2, 6

Ra-226

0,04 Bq/l

opmerking 2

Ra-228

0,080,01 Bq/l

opmerking 2, 5

Pb-210

0,02 Bq/l

opmerking 2

Po-210

0,01 Bq/l

opmerking 2

C-14

20 Bq/l

opmerking 2

Sr-90

0,40,1 Bq/l

opmerking 2

Pu-239/Pu-240

0,040,01 Bq/l

opmerking 2

Am-241

0,060,01 Bq/l

opmerking 2

Co-60

0,50,1 Bq/l

opmerking 2

Cs-134

0,50,1 Bq/l

opmerking 2

Cs-137

0,50,1 Bq/l

opmerking 2

I-131

0,50,1 Bq/l

opmerking 2

Opmerking 1: de aantoonbaarheidsgrens wordt berekend aan de hand van ISO 11929-7, vaststelling van de aantoonbaarheidsgrens en beslissingsdrempels voor de meting van ioniserende straling - deel 7: Grondbeginselen en algemene toepassingen, met een foutkans van de eerste en tweede soort van telkens 0,05.

Opmerking 2: meetonzekerheden kunnen worden berekend en aangegeven als volledige standaardmeetonzekerheden of als uitgebreide standaardmeetonzekerheden met een uitbreidingsfactor van 1,96, volgens de ISO-leidraad voor de bepaling en aanduiding van de meetonzekerheid (ISO, Genève 1993, herziene herdruk Genève, 1995).

Opmerking 3: de aantoonbaarheidsgrens voor tritium is 10%50% van de parameterwaarde van 10020 Bq/l.

Opmerking 4: de aantoonbaarheidsgrens voor de brutoalfa- en brutobèta-totale alfa- en totale bèta-activiteitactiviteit is 40% van de meetwaardecontrolewaarden van respectievelijk 0,1 en 1,0 Bq/l.
Deze waarden kunnen pas worden gebruikt als uitgesloten is dat er een aanzienlijke bijdrage wordt geleverd door zeer radiotoxische isotopen (lood-210, radium-228 en polonium-210).

Opmerking 5: deze aantoonbaarheidsgrens is enkel toepasbaar op routinecontroles; voor een nieuwe waterbron waarvoor het aannemelijk is dat Ra-228 meer bedraagt dan 20% van de referentieconcentratie is de aantoonbaarheidsgrens voor de eerste controle 0,02 Bq/l voor Ra-228 nuclidespecifieke metingen. Dit geldt ook waar een volgende controle nodig is.

Opmerking 6: de lage waarde van de gespecificeerde aantoonbaarheidsgrens voor U is te wijten aan de inachtneming van de chemotoxiciteit van uraan. [Am. 56]

(1) PB C 229 van 31.7.2012, blz. 145.
(2)1 PB C 229 van 31.7.2012, blz. 145.
(3)2 Standpunt van het Europees Parlement van 12 maart 2013.
(4)3 Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PB L 159 van 29.6.1996, blz. 1).
(5) Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32).
(6) Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater (PB L 164 van 26.6.2009, blz. 45).
(7) Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
(8) Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1).
(9) Aanbeveling 2001/928/Euratom van de Commissie van 20 december 2001 betreffende de bescherming van de bevolking tegen blootstelling aan radon in drinkwater (PB L 344 van 28.12.2001, blz. 85).
(10) Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang (PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19).
(11) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(12) Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1).
(13)* De datum van inwerkingtreding van deze verordening.
(14)* Twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.


Economisch en budgettair toezicht op lidstaten die ernstige moeilijkheden ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit in het eurogebied ***I
PDF 257kWORD 30k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versterking van economisch toezicht en begrotingstoezicht op de lidstaten die bedreigd worden door ernstige problemen of deze ervaren ten aanzien van hun financiële stabiliteit in het eurogebied (COM(2011)0819 – C7-0449/2011 – 2011/0385(COD))
P7_TA(2013)0069A7-0172/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2011)0819),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 136 en artikel 121, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0449/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 7 maart 2012(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 28 februari 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0172/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit in het eurogebied

P7_TC1-COD(2011)0385


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 472/2013.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Europese Commissie

Zodra de door de Commissie voorgestelde wetgeving betreffende de twopack is aangenomen, is de Commissie voornemens op korte termijn stappen te zetten naar een hechte EMU als geschetst in de Blauwdruk. De stappen op korte termijn (6 à 12 maanden) omvatten:

   In haar Blauwdruk voor een hechte EMU was de Commissie van oordeel dat op middellange termijn een aflossingsfonds en eurobills onder bepaalde strenge voorwaarden mogelijke elementen van een diepe en echte EMU konden zijn. Het leidende beginsel zou zijn dat alle stappen naar het verder gemeenschappelijk maken van het risico hand in hand moeten gaan met grotere budgettaire discipline en integratie. De vereiste diepere integratie van de financiële regelgeving, het budgettair en economisch beleid en de overeenkomstige instrumenten moeten van evenredige politieke integratie en democratische legitimiteit vergezeld gaan en verantwoordingsplicht garanderen.

De Commissie zal een Deskundigengroep oprichten om de analyse te verdiepen betreffende de mogelijke voordelen, risico's, vereisten en belemmeringen van de gedeeltelijke vervanging van de nationale uitgifte van schuld door de gezamenlijke uitgifte in de vorm van een aflossingsfonds en eurobills. De Groep zal tot taak hebben grondig te beoordelen wat de kenmerken ervan kunnen zijn in termen van juridische bepalingen, financiële architectuur en het noodzakelijke aanvullende economische en budgettaire kader. Democratische verantwoordingsplicht wordt een centrale kwestie om in overweging te nemen.

De Groep zal rekening houden met de aan de gang zijnde hervorming van de Europese economische en budgettaire governance en zal de toegevoegde waarde van dergelijke instrumenten in deze context beoordelen. De Groep zal bijzondere aandacht schenken aan recente en aan de gang zijnde hervormingen, zoals de uitvoering van het twopack, het ESM en alle andere relevante instrumenten.

In zijn analyse zal de Groep bijzondere aandacht schenken aan de houdbaarheid van de publieke financiën, het vermijden van moreel risico alsook aan andere centrale kwesties, zoals financiële stabiliteit, financiële integratie en doorwerking van het monetaire beleid.

De leden van de Groep zullen deskundigen zijn op het gebied van recht en economie, publieke financiën, financiële markten en overheidsschuldbeheer. De Groep zal worden uitgenodigd uiterlijk maart 2014 zijn eindrapport aan de Commissie te presenteren. De Commissie zal het rapport beoordelen en in voorkomend geval voorstellen doen vóór het einde van zijn mandaat.

   Een verkenning van verdere manieren binnen het preventief deel van het stabiliteits- en groeipact om onder bepaalde voorwaarden te voorzien in de niet-terugkerende, publieke investeringsprogramma's met een bewezen impact op de houdbaarheid van de publieke financiën die de lidstaten bij de beoordeling van hun stabiliteits- en convergentieprogramma hebben opgesteld; deze zal in de lente-zomer 2013 plaatsvinden in de context van de publicatie van haar mededeling inzake de kalender voor convergentie naar de middellangetermijndoelstelling toe.
   Na het besluit betreffende het volgende meerjarig financieel kader voor de EU en vóór het einde van 2013 zal de Commissie de volgende voorstellen indienen om het bestaande kader voor economische governance aan te vullen: i) maatregelen om grotere voorafgaande coördinatie van belangrijke hervormingsprojecten te garanderen en ii) de instelling van een „instrument voor convergentie en concurrentievermogen” om financiële steun te verlenen voor de tijdige uitvoering van duurzame groei verbeterende structurele hervormingen. Dit nieuwe systeem zou, volledig in overeenstemming met de communautaire methode, voortbouwen op de bestaande EU-toezichtsprocedures. Het zou een combinatie zijn van diepere integratie van het economische beleid met financiële ondersteuning, en hiermee het beginsel respecteren volgens hetwelk stappen naar meer verantwoordelijkheid en economische discipline met meer solidariteit worden gecombineerd. Het zou er met name toe strekken de capaciteit van een lidstaat om asymmetrische schokken op te vangen te verbeteren. Dit instrument zou dienstdoen als de initiële fase naar de totstandbrenging van een sterkere budgettaire capaciteit.
   Voorts zegt de Commissie toe op snelle en omvattende wijze een follow-up te zullen geven: i) aan haar actieplan om de strijd tegen belastingfraude en belastingontwijking te versterken, met name met het oog op de herziening van de in het actieplan bepaalde richtsnoeren; ii) aan de maatregelen en voorstellen die zij betreffende haar pakket van 2012 voor het werkgelegenheids- en sociaal beleid heeft aangekondigd.
   Na de aanneming van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme, de indiening van een voorstel voor een Gemeenschappelijk Afwikkelingsmechanisme, dat belast zou zijn met de herstructurering en afwikkeling van banken binnen de lidstaten die aan de Bankenunie deelnemen.
   Voor het einde van 2013, de indiening van een voorstel uit hoofde van artikel 138, lid 2, VWEU om een gezamenlijk standpunt vast te stellen teneinde een waarnemersstatus te verwerven van de eurozone in de executive board van het IMF, en vervolgens voor een gemeenschappelijke zetel.

Voortbouwend op de in de Blauwdruk aangekondigde kortetermijnstappen die bij secundaire wetgeving kunnen worden verwezenlijkt, zegt de Commissie toe voor de volgende verkiezingen van het Europees Parlement in 2014 tijdig expliciete ideeën voor Verdragswijzigingen te zullen indienen voor een debat met het oog op het vaststellen van de wetgevingsbasis voor de op middellange termijn beoogde stappen, die voorziet in de instelling van een substantieel versterkt economisch en budgettair toezichts- en controlekader, een verder ontwikkelde Europese budgettaire capaciteit ter ondersteuning van solidariteit en de uitvoering van duurzame groei verbeterende structurele hervormingen alsook de diepere integratie van de besluitvorming op beleidsgebieden als fiscaliteit en arbeidsmarkten als belangrijk solidariteitsinstrument.

(1) PB C 141 van 17.5.2012, blz. 7.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 13 juni 2012 (Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0242).


Het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone ***I
PDF 258kWORD 31k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en van de Raad betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van het eurogebied (COM(2011)0821 – C7-0448/2011– 2011/0386(COD))
P7_TA(2013)0070A7-0173/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0821),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 136 en artikel 121, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0448/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Franse senaat en de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 7 maart 2012(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 28 februari 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0173/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone

P7_TC1-COD(2011)0386


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 473/2013.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Europese Commissie

Zodra de door de Commissie voorgestelde wetgeving betreffende de twopack is aangenomen, is de Commissie voornemens op korte termijn stappen te zetten naar een hechte EMU als geschetst in de Blauwdruk. De stappen op korte termijn (6 à 12 maanden) omvatten:

   In haar Blauwdruk voor een hechte EMU was de Commissie van oordeel dat op middellange termijn een aflossingsfonds en eurobills onder bepaalde strenge voorwaarden mogelijke elementen van een diepe en echte EMU konden zijn. Het leidende beginsel zou zijn dat alle stappen naar het verder gemeenschappelijk maken van het risico hand in hand moeten gaan met grotere budgettaire discipline en integratie. De vereiste diepere integratie van de financiële regelgeving, het budgettair en economisch beleid en de overeenkomstige instrumenten moeten van evenredige politieke integratie en democratische legitimiteit vergezeld gaan en verantwoordingsplicht garanderen.

De Commissie zal een Deskundigengroep oprichten om de analyse te verdiepen betreffende de mogelijke voordelen, risico's, vereisten en belemmeringen van de gedeeltelijke vervanging van de nationale uitgifte van schuld door de gezamenlijke uitgifte in de vorm van een aflossingsfonds en eurobills. De Groep zal tot taak hebben grondig te beoordelen wat de kenmerken ervan kunnen zijn in termen van juridische bepalingen, financiële architectuur en het noodzakelijke aanvullende economische en budgettaire kader. Democratische verantwoordingsplicht wordt een centrale kwestie om in overweging te nemen.

De Groep zal rekening houden met de aan de gang zijnde hervorming van de Europese economische en budgettaire governance en zal de toegevoegde waarde van dergelijke instrumenten in deze context beoordelen. De Groep zal bijzondere aandacht schenken aan recente en aan de gang zijnde hervormingen, zoals de uitvoering van het twopack, het ESM en alle andere relevante instrumenten.

In zijn analyse zal de Groep bijzondere aandacht schenken aan de houdbaarheid van de publieke financiën, het vermijden van moreel risico alsook aan andere centrale kwesties, zoals financiële stabiliteit, financiële integratie en doorwerking van het monetaire beleid.

De leden van de Groep zullen deskundigen zijn op het gebied van recht en economie, publieke financiën, financiële markten en overheidsschuldbeheer. De Groep zal worden uitgenodigd uiterlijk maart 2014 zijn eindrapport aan de Commissie te presenteren. De Commissie zal het rapport beoordelen en in voorkomend geval voorstellen doen vóór het einde van zijn mandaat.

   Een verkenning van verdere manieren binnen het preventief deel van het stabiliteits- en groeipact om onder bepaalde voorwaarden te voorzien in de niet-terugkerende, publieke investeringsprogramma's met een bewezen impact op de houdbaarheid van de publieke financiën die de lidstaten bij de beoordeling van hun stabiliteits- en convergentieprogramma hebben opgesteld; deze zal in de lente-zomer 2013 plaatsvinden in de context van de publicatie van haar mededeling inzake de kalender voor convergentie naar de middellangetermijndoelstelling toe.
   Na het besluit betreffende het volgende meerjarig financieel kader voor de EU en vóór het einde van 2013 zal de Commissie de volgende voorstellen indienen om het bestaande kader voor economische governance aan te vullen: i) maatregelen om grotere voorafgaande coördinatie van belangrijke hervormingsprojecten te garanderen en ii) de instelling van een „instrument voor convergentie en concurrentievermogen” om financiële steun te verlenen voor de tijdige uitvoering van duurzame groei verbeterende structurele hervormingen. Dit nieuwe systeem zou, volledig in overeenstemming met de communautaire methode, voortbouwen op de bestaande EU-toezichtsprocedures. Het zou een combinatie zijn van diepere integratie van het economische beleid met financiële ondersteuning, en hiermee het beginsel respecteren volgens hetwelk stappen naar meer verantwoordelijkheid en economische discipline met meer solidariteit worden gecombineerd. Het zou er met name toe strekken de capaciteit van een lidstaat om asymmetrische schokken op te vangen te verbeteren. Dit instrument zou dienstdoen als de initiële fase naar de totstandbrenging van een sterkere budgettaire capaciteit.
   Voorts zegt de Commissie toe op snelle en omvattende wijze een follow-up te zullen geven: i) aan haar actieplan om de strijd tegen belastingfraude en belastingontwijking te versterken, met name met het oog op de herziening van de in het actieplan bepaalde richtsnoeren; ii) aan de maatregelen en voorstellen die zij betreffende haar pakket van 2012 voor het werkgelegenheids- en sociaal beleid heeft aangekondigd.
   Na de aanneming van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme, de indiening van een voorstel voor een Gemeenschappelijk Afwikkelingsmechanisme, dat belast zou zijn met de herstructurering en afwikkeling van banken binnen de lidstaten die aan de Bankenunie deelnemen.
   Voor het einde van 2013, de indiening van een voorstel uit hoofde van artikel 138, lid 2, VWEU om een gezamenlijk standpunt vast te stellen teneinde een waarnemersstatus te verwerven van de eurozone in de executive board van het IMF, en vervolgens voor een gemeenschappelijke zetel.

Voortbouwend op de in de Blauwdruk aangekondigde kortetermijnstappen die bij secundaire wetgeving kunnen worden verwezenlijkt, zegt de Commissie toe voor de volgende verkiezingen van het Europees Parlement in 2014 tijdig expliciete ideeën voor Verdragswijzigingen te zullen indienen voor een debat met het oog op het vaststellen van de wetgevingsbasis voor de op middellange termijn beoogde stappen, die voorziet in de instelling van een substantieel versterkt economisch en budgettair toezichts- en controlekader, een verder ontwikkelde Europese budgettaire capaciteit ter ondersteuning van solidariteit en de uitvoering van duurzame groei verbeterende structurele hervormingen alsook de diepere integratie van de besluitvorming op beleidsgebieden als fiscaliteit en arbeidsmarkten als belangrijk solidariteitsinstrument.

(1) PB C 141 van 17.5.2012, blz. 7.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 13 juni 2012 (Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0243).


Europese durfkapitaalfondsen ***I
PDF 198kWORD 22k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese durfkapitaalfondsen (COM(2011)0860 – C7-0490/2011 – 2011/0417(COD))
P7_TA(2013)0071A7-0193/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0860),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0490/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 april 2012(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 12 december 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A7-0193/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese durfkapitaalfondsen

P7_TC1-COD(2011)0417


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 345/2013.)

(1) PB C 191 van 29.6.2012, blz. 72.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 13 september 2012 (Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0346).


Europese sociaalondernemerschapsfondsen ***I
PDF 197kWORD 22k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (COM(2011)0862 – C7-0489/2011 – 2011/0418(COD))
P7_TA(2013)0072A7-0194/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0862),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0489/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 mei 2012(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 12 december 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie juridische zaken (A7-0194/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen

P7_TC1-COD(2011)0418


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 346/2013.)

(1) PB C 229 van 31.7.2012, blz. 55.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 13 september 2012 (Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0345).


Gevolgen van de economische crisis voor de gendergelijkheid en de rechten van de vrouw
PDF 183kWORD 44k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over de gevolgen van de economische crisis voor de gendergelijkheid en de rechten van de vrouw (2012/2301(INI))
P7_TA(2013)0073A7-0048/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8, 153, lid 1, onder i), en 157, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 18 april 2012 getiteld „Naar een banenrijk herstel” (COM(2012)0173) en het bijbehorende document over de benutting van het werkgelegenheidspotentieel van de persoonlijke en huishoudelijke dienstverlening (SWD(2012)0095),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 6 oktober 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie (COM(2011)0609),

–  gezien het Europees Pact voor gendergelijkheid (2011-2020) dat in maart 2011 door de Europese Raad is aangenomen,

–  gezien het verslag van de Commissie van 2011 over de vooruitgang op het vlak van gelijkheid tussen vrouwen en mannen in 2010 (SEC(2011)0193),

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 21 september 2010 getiteld „Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen – 2010-2015” (COM(2010)0491),

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende „de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten – Deel II van de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020” (COM(2010)0193),

–  gezien Richtlijn 2006/123/EG van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt(1),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van 5 juli 2006 over de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van man en vrouw in arbeid en beroep (herschikking)(2),

–  gezien de Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 ter uitvoering van het gelijkheidsbeginsel tussen mannen en vrouwen in de toegang tot en het leveren van goederen en diensten(3),

–  gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 18 december 1979,

–  gezien zijn resolutie van 6 mei 2009 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten(4),

–  gezien zijn resolutie van 7 september 2010 over de rol van de vrouw in een vergrijzende samenleving(5),

–  gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over de genderaspecten van de economische neergang en de financiële crisis(6),

–  gezien zijn resolutie van 19 oktober 2010 over vrouwen in onzeker dienstverband(7),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 maart 2011 over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie - 2010(8),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over armoede bij vrouwen in de Europese Unie(9),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2011 over vrouwen en leidinggevende functies in het bedrijfsleven(10),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over ondernemerschap voor vrouwen in het midden- en kleinbedrijf(11),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over de situatie van alleenstaande moeders(12),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2012 over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie - 2011(13),

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(14),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2012 over de rol van vrouwen in de groene economie(15),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2012 over de arbeidsomstandigheden van vrouwen in de dienstensector(16),

–  gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over de EU-strategie voor de integratie van de Roma(17),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0048/2013),

A.   overwegende dat de Europese Unie met de grootste economische en financiële crisis wordt geconfronteerd sinds de Grote Depressie van de jaren dertig, en dat ten gevolge van deze crisis de werkloosheid in alle lidstaten, maar vooral in de zuidelijke lidstaten, aanzienlijk is toegenomen; dat deze crisis vooral ernstige gevolgen heeft voor kwetsbare mensen en met name vrouwen die zowel rechtstreeks - doordat zij hun baan verliezen of minder salaris krijgen en in een onzekere arbeidssituatie belanden – als onrechtstreeks - door de bezuinigingen op de openbare diensten en sociale bijstand- worden geraakt; dat het derhalve onder andere van cruciaal belang is om het perspectief van gendergelijkheid zeer serieus te betrekken in de aanpak van en de oplossingen voor deze crisis;

B.   overwegende dat het recht op werk een essentiële voorwaarde is om gelijke rechten in de praktijk te kunnen brengen en voor de economische onafhankelijkheid en de beroepsmatigeontplooiing van vrouwen; overwegende dat de huidige crisis niet alleen een financiële en economische crisis is, maar ook een crisis op het gebied van de democratie, gelijkheid, sociale zorg en gendergelijkheid, en dat deze ook als excuus wordt gebruikt om inspanningen die essentieel zijn voor de aanpak van klimaatverandering en toekomstige milieuproblemen te verminderen of zelfs te staken;

C.   overwegende dat recente studies hebben uitgewezen dat slechts 5 % van de besluitvormers bij financiële instellingen in de Unie vrouw is, terwijl alle centrale-bankpresidenten in de lidstaten man zijn; overwegende dat genderstudies hebben uitgewezen dat vrouwen op een andere manier leiding geven, in die zin dat zij risico vermijden en zich meer op de langere termijn richten;

D.   overwegende dat de economische crisis aanvankelijk een grotere impact had op mannen dan op vrouwen; overwegende dat de werkloosheidsstijging bij mannen in een ander tempo verloopt dan bij vrouwen; vrouwen werden aanvankelijk niet door de crisis getroffen maar krijgen nu in toenemende mate de effecten ervan te voelen (hogere en groeiende aantallen in onzekere en parttime banen, groter ontslagrisico, lagere salarissen, minder goede sociale bescherming enz.) en zij zullen er ook langduriger onder te lijden hebben; overwegende dat deze fase veel minder goed is gedocumenteerd bij gebreke van betrouwbare en vergelijkbare statistische gegevens, en dat het effect van de crisis voor vrouwen daarom licht wordt onderschat;

E.   overwegende dat vrouwen als motor voor economische ontwikkeling een cruciale rol spelen; overwegende dat een verdere verbetering van de positie van vrouwen economisch voordelig kan zijn en gemeenschappen en gezinnen uit de armoede kan halen;

F.   overwegende dat in een crisissituatie het arbeidsmarktbeleid eerder gericht zal zijn op het algemene werkgelegenheidsniveau dan op economisch inactieve vrouwen;

G.   overwegende dat werkloze vrouwen dikwijls niet in de officiële cijfers zijn opgenomen en dat genderongelijkheid op het punt van inactiviteitspercentages dikwijls wordt onderschat omdat vrouwen zich om verschillende redenen (zwangerschap, gezinstaken, tijdgebrek) vaker van de arbeidsmarkt terugtrekken en onbetaald of informeel werkzaam zijn, in het huishouden, als verzorger van afhankelijke gezins- of familieleden, of in het grijze circuit, terwijl er momenteel nog maar weinig studies voorhanden zijn naar de gevolgen van besparingen in overheidsuitgaven op terrein van gendergelijkheid;

H.   overwegende dat de bezuinigingen die door de overheden in het kader van de besparingsplannen worden doorgevoerd voornamelijk de openbare sector raken, met de daartoe behorende welzijnsdiensten, waar voornamelijk vrouwen werken en gebruik van maken - ongeveer 70% van het personeel in de openbare sector is vrouw –, maar ook de particuliere sector, en dat vrouwen nu de voornaamste slachtoffers worden van de bezuinigingsmaatregelen; overwegende dat tot op heden geen enkel land het effect van de voorgestelde bezuinigingen op de overheidsuitgaven en de consequenties van begrotingsconsolidering vanuit een genderperspectief heeft onderzocht, niet voor elke maatregel afzonderlijk en evenmin voor alle maatregelen gezamenlijk;

I.   overwegende dat vrouwen vaker afhankelijk zijn van sociale uitkeringen die als onderdeel van de bezuinigingsmaatregelen ook lager worden;

J.   overwegende dat een crisissituatie als de huidige noopt tot ingrijpende structurele hervormingen van de arbeidsmarkt;

K.  E. overwegende dat voor vrouwen de afname van de werkgelegenheid vooral gepaard gaat met een nieuwe aanpassing van het werkrooster, met inbegrip van een langere arbeidstijd vaak in verschillende wisseldiensten; en dat het herstel zeer waarschijnlijk spoediger zal plaatsvinden in de industriële sector en zo eerder een herstel van de werkgelegenheid meebrengt voor mannen dan voor vrouwen; overwegende dat bezuinigingsmaatregelen op de openbare diensten dus een langduriger effect zullen hebben op de werkgelegenheid onder vrouwen, waardoor de vooruitgang die op gebied van gendergelijkheid is gemaakt, op de lange termijn op losse schroeven komt te staan;

L.   overwegende dat de crisis bijdraagt aan een toenemende uitbuiting van vrouwen zowel in de legale als in de illegale economie; overwegende dat de gevolgen ervan op langere termijn tevens repercussies zullen hebben voor de vrouwen met niet-lineair verlopende carrières (waarbij ook in slecht betaalde, parttimebanen, dienstverbanden op basis van oproepcontracten, atypische en of zelfs informele banen) dikwijls gedwongen in deeltijd, waardoor deze vrouwen een onvolledige pensioenopbouw hebben en meer kans lopen tot armoede te vervallen; overwegende dat vrouwen uiteindelijk slechts aanspraak hebben op een zeer klein pensioen en daardoor onder de armoedegrens geraken; overwegende dat het gevaar dreigt van een hele verloren generatie van jonge mannen en vrouwen die door economische problemen verstoken blijven van kansen op de arbeidmarkt, zekere banen en vaak ook opleidingsmogelijkheden;

M.  overwegende dat de crisis de problemen bij het combineren van werk en gezin nog verder zal vergroten; overwegende dat het hebben van kinderen de werkgelegenheid van vrouwen en mannen op verschillend wijze beïnvloedt: het aandeel moeders op de arbeidsmarkt is 12 % lager dan het aandeel vrouwen zonder kinderen, terwijl de werkgelegenheid van vaders 8,7 % hoger is dan die van mannen zonder kinderen;

N.   overwegende dat bij de huidige en voorgenomen initiatieven en beleidsmaatregelen om uit de crisis te komen geen rekening is gehouden met de genderdimensie;

O.   overwegende dat de werkgelegenheid van vrouwen wordt beïnvloed door genderstereotypen als bijvoorbeeld het idee dat werkloosheid onder mannen ernstiger is dan onder vrouwen, naast de toch al grote verzameling genderstereotypen die een ongunstige uitwerking hebben op de arbeidskansen van vrouwen; overwegende dat de aanpak van de werkloosheid onder mannen in de praktijk anders is dan die onder vrouwen, omdat mannen nog steeds worden gezien als de belangrijkste kostwinners en vrouwen als degenen die vooral verantwoordelijk zijn voor de zorgtaken in het gezin;

P.   overwegende dat in 2010(18) rond 23% van de burgers van de Europese Unie de kans liep op armoede of sociale uitsluiting, en dat deze verpaupering van de bevolking in de meerderheid van de gevallen vrouwen betreft die dikwijls vele moeilijkheden tegelijk het hoofd moeten bieden, zoals in het geval van oudere alleenstaande vrouwen en eenoudergezinnen (waarvan meestal een vrouw aan het hoofd staat); hierbij vallen te noemen de moeilijkheid bij het behouden of opnieuw vinden van een baan in zulke omstandigheden, de moeilijkheden rond huisvesting en zorg voor afhankelijke personen (kinderen, ouders, personen met een ziekte of handicap), en de moeilijkheid van het combineren bij de combinatie van werk en gezinsleven vanwege het gebrek aan passende ondersteunende structuren en het uiteenlopende nationale beleid op dit punt in de 27 EU-lidstaten;

Q.   overwegende dat de sociale en economische omstandigheden van veel achtergestelde gemeenschappen door de crisis zijn verslechterd en dat hierdoor ook het percentage vroegtijdige schoolverlating onder meisjes omhoog is gegaan en dat ze nog kwetsbaarder zijn geworden voor mensenhandel;

R.   overwegende dat door bezuinigingen op diensten en uitkeringen de economische onafhankelijkheid van vrouwen in gevaar is gebracht, aangezien uitkeringen voor hen vaak een belangrijke bron van inkomsten vormen en vrouwen in de regel meer gebruik maken van openbare diensten dan mannen. overwegende dat alleenstaande moeders en alleenstaande vrouwelijke gepensioneerden alles bijeen het meeste moeten inleveren;

S.   overwegende dat steeds meer vrouwen genoegen nemen met informeel en onbetaald werk (al dan niet vrijwillig) met minder sociale bescherming, om aan de crisis te ontsnappen; overwegende dat huishoudelijke arbeid volgens een studie van de OESO(19), 33% van het bbp van de OESO-landen uitmaakt;

T.   stelt vast dat de afgenomen verschillen in werkloosheidscijfers tussen mannen en vrouwen eerder duiden op een algehele verslechtering van de levens- en arbeidsomstandigheden dan op een grotere gelijkheid tussen vrouwen en mannen;

U.  overwegende dat vrouwen in het beroepsleven een stimulerende rol spelen in het herstel van de groei; dat zij ervoor zorgen dat het gezinsinkomen toeneemt en dat dit vervolgens leidt tot een verhoogde consumptie en een verhoogde economische activiteit; overwegende dat de gelijkheid tussen mannen en vrouwen derhalve een positief effect heeft op de productiviteit en de economische groei;

V.  overwegende dat uit de recente secundaire analyse van het vijfde EWCS („Vrouwen, mannen en arbeidsomstandigheden in Europa: secundaire analyse van het vijfde Europees onderzoek naar arbeidsomstandigheden”, Eurofound 2012, wordt gepubliceerd in 2013) blijkt dat gendersegregatie zowel voor vrouwelijke als mannelijke werknemers nadelig is; Zowel mannen als vrouwen zeggen dat ze zich beter voelen op het werk en dat hun arbeidssatisfactie groter is, als ze met collega's van beide geslachten werken. overwegende dat er nog ruimte is voor het tegengaan van gendersegregatie op de arbeidsmarkt, de genderpolarisatie in de beroepswereld en het bestaan van werkplekken met een „monocultuur’ van uitsluitend mannen of vrouwen (aangezien drie vijfde van de werknemers in Europa in een ”éénslachtige’ werkomgeving);

W.  overwegende dat er maatregelen op het gebied van gendergelijkheid zijn geschrapt of uitgesteld en dat mogelijke bezuinigingen in de toekomst een negatieve uitwerking zullen hebben op de werkgelegenheid van vrouwen en op de bevordering van gelijke kansen;

X.  overwegende dat de economische neergang niet mag worden aangegrepen als excuus om de op het gebied van het beleid gericht op het combineren van werk en privéleven gemaakte vorderingen af te remmen of om te bezuinigen op opvangvoorzieningen voor hulpbehoevenden en verlofregelingen, hetgeen vooral voor vrouwen de toegang tot de arbeidsmarkt zou bemoeilijken;

Y.  overwegende dat geweld tegen vrouwen in alle landen en alle lagen van de bevolking een wijdverbreid verschijnsel is; overwegende dat stress om economische redenen ertoe kan leiden dat misbruik vaker voorkomt en gewelddadiger en ernstiger is; overwegende dat uit onderzoek is gebleken dat geweld tegen vrouwen toeneemt als mannen te maken hebben met gedwongen verhuizing of bezitsverlies ten gevolge van de economische crisis;

Z.  overwegende dat vrouwen het meest hebben geprofiteerd van de banengroei in de Europese Unie tussen 1998 (arbeidsparticipatie vrouwen in de EU: 55,6%) en 2008 (arbeidsparticipatie vrouwen in de EU: 62,8%)(20); dat de werkgelegenheid voor vrouwen met 12,7% is toegenomen en met slechts 3,18% voor mannen maar dat in 2012 de werkloosheid enigszins hoger blijft voor vrouwen(21) (10,7% voor vrouwen en 10,6% voor mannen);

AA.  overwegende dat in 2011 van de vrouwen 31,6% in deeltijd werkte tegenover 8,1% bij de mannen;

1.   herinnert eraan dat de gelijkheid van mannen en vrouwen een van de grondbeginselen is van de Europese Unie en een van de fundamentele uitgangspunten moet vormen voor de op de huidige economische en financiële crisis te vinden antwoorden, zoals investeringen in de publieke sector, de welzijnssector en duurzame woningbouw, duurzaam vervoer, etc., en verwerving van overheidsinkomsten door middel van een efficiënter belastingbeleid; betreurt het feit dat in de beleidsreacties op de crisis, waaronder herstelplannen, geen aandacht is besteed aan het herkennen, analyseren en corrigeren van de gendereffecten van de crisis; keurt het af dat integratie van het genderbeleid in de strategie voor de periode na Lissabon vrijwel volledig ontbreekt; verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten in de werkgelegenheids- en macro-economische richtsnoeren gendergelijkheid op te nemen middels specifieke doelstellingen;

2.   verzoekt de Europese Commissie de genderdimensie in al het beleid te integreren, in het bijzonder op de volgende gebieden: het effect van bezuinigingsmaatregelen en het economisch herstel na de crisis; economische governance, duurzame ontwikkeling en groene banen; beroepsonderwijs en -opleiding: migratie, samenwerking en ontwikkeling; gezondheid en veiligheid; en maatregelen die worden gepland of uitgevoerd om de gevolgen van de crisis tegen te gaan of te beperken;

3.   roept de lidstaten op de directe en de langetermijngevolgen van de economische crisis voor vrouwen te onderzoeken en te benadrukken, in het bijzonder de vraag of en hoe hierdoor de bestaande genderongelijkheid nog groter wordt, en de gevolgen hiervan, zoals een toegenomen risico van op gender gebaseerd geweld, verslechtering van de gezondheid van moeders en kinderen en armoede onder oudere vrouwen;

4.   herinnert eraan dat in 2008 de arbeidsdeelname van vrouwen 62,8% bedroeg na een voortdurende stijging gedurende meer dan tien jaar, en dat dit percentage in de Europese Unie sinds het begin van de economische crisis enigszins is afgenomen en voor het jaar 2011 op 62,3% is vastgesteld; wijst daarom op de noodzaak van duurzame antwoorden met mainstreaming van gendergelijkheid in het beleid van de EU en de lidstaten, tot behoud van de werkgelegenheid en het herstel van de groei;

5.   roept de Commissie op een verdere aanpassing van de structuurfondsen te overwegen, teneinde aanvullende steun te waarborgen voor sectoren waarbinnen veel vrouwen werkzaam zijn en die waarschijnlijk gevolgen zullen ondervinden van de crisis, evenals steun voor kinderopvang, opleiding en toegang tot arbeid;

6.   benadrukt het belang van het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting, dat een vlaggenschipinitiatief is; vraagt de lidstaten om volledig gebruik te maken van het programma „Europa voor de burger” en het toekomstige programma voor sociale verandering en innovatie, met name als het gaat om de daadwerkelijke verwezenlijking van de doelstellingen inzake gendergelijkheid; onderstreept het belang van het Daphne III-programma, met name wat betreft de bescherming van vrouwen tegen iedere vorm van geweld en de verwezenlijking van een hoog niveau van gezondheidsbescherming, welzijn en sociale cohesie;

7.   onderstreept dat ofschoon de werkloosheidscijfers voor mannen en voor vrouwen te vergelijken zijn, vrouwen toch anders door de crisis worden geraakt; wijst erop dat de arbeidsvoorwaarden voor vrouwen veel onzekerder zijn geworden vooral door de steeds grotere verbreiding van atypische contractvormen, en dat hun inkomsten aanzienlijk zijn gedaald, als gevolg van een aantal factoren zoals de nog steeds bestaande loonkloof (bijna 17%) tussen mannen en vrouwen en de daaruit voortvloeiende verschillen in de hoogte van de werkloosheidsuitkering, de opkomst van gedwongen deeltijdwerk, en de toename van tijdelijke en tijdgebonden contracten, ten koste van meer stabiele banen; mede ook door de nog steeds bestaande loonkloof tussen mannen en vrouwen en het daaruit voortvloeiende hoogteverschil in de werkloosheidsuitkeringen, is de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt in deze crisis verslechterd; wijst erop dat ervaringen uit eerdere crises hebben geleerd dat de werkgelegenheid zich voor mannen sneller herstelt die voor vrouwen;

8.   verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk met een voorstel voor een richtlijn te komen met maatregelen om een einde te maken aan het loonverschil tussen mannen en vrouwen voor hetzelfde of gelijkwaardig werk;

9.   herinnert eraan dat er zeer grote verschillen bestaan tussen de lidstaten van de Europese Unie, waarbij de arbeidsparticipatie van vrouwen varieert van 48,6% tot 77,2%, en dat dit contrast vraagt om een specifieke en maatgesneden respons als onderdeel van een overkoepelende Europese aanpak; onderstreept bovendien dat er gemeenschappelijke, betrouwbare indicatoren en daarom betrouwbare en vergelijkbare statistische gegevens nodig zijn om de verschillende behoeften in kaart te kunnen brengen en daar adequaat op in te spelen;

10.   herinnert eraan dat reeds voor de uitbraak van de economische crisis vrouwen de meeste precaire banen en deeltijdbanen bezetten en dat deze tendens is versterkt door de crisis, waardoor tal van vrouwen een verhoogd risico op sociale uitsluiting lopen; wijst erop dat dit vooral in Zuid-Europese landen het geval was;

11.   wijst er met bezorgdheid op dat de werkloosheid onder jonge vrouwen is gestegen van 18,8% in 2009 tot 20,8% in 2011, en dat de crisis vooral hard zal toeslaan onder de vrouwen in achterstandssituaties zoals onder meer vrouwen met een handicap, immigrantenvrouwen, vrouwen die tot een etnische minderheid behoren, laagopgeleide vrouwen, langdurig werkloze vrouwen, alleenstaande moeders, vrouwen zonder inkomen, vrouwen met personen ten laste; is ingenomen met het pakket maatregelen van de Commissie om de onaanvaardbaar hoge niveaus van jeugdwerkloosheid en sociale uitsluiting aan te pakken en jongeren banen, onderwijs en opleiding te bieden;

12.   is van mening dat het recht op werk een essentiële voorwaarde is om gelijke rechten in de praktijk te kunnen brengen en voor de economische onafhankelijkheid en de beroepsmatige ontplooiing van vrouwen en dringt daarom aan op de uitbanning van marginaal werk door erkenning van het belang en de waarde van banen met rechten;

13.   roept de EU en haar lidstaten op tot een herformulering van de huidige antwoorden op de economische crisis om te waarborgen dat de getroffen maatregelen gericht zijn op de lange termijn en dat er geen sprake is van ondergraving van het welzijnsbeleid en de publieke structuren die een voorwaarde vormen voor meer gendergelijkheid, zoals sociale diensten en zorgfaciliteiten, gezondheidszorg, onderwijs en rechten van werknemers;

14.   herinnert eraan dat het voor vrouwen steeds moeilijker wordt om van onderwijs naar werk over te stappen en dat dit er uiteindelijk toe leidt dat mannen en vrouwen hun vaardigheden verschillend inschatten;

15.   is van mening dat de structurele hervormingen die uit de aanpak van de huidige crisis zullen voortvloeien, de gelegenheid bieden tot het rechtzetten van bepaalde discriminerende gedragingen op grond van gender die nog veel te vaak op de Europese arbeidsmarkt voorkomen;

16.   onderstreept dat het gewicht van vrouwen die actief zijn in de informele economie groter is dan van mannen, mede doordat de sectoren waarin vrouwen traditioneel het vaakst actief zijn, zoals huishoudelijk werk of zorg, minder onderworpen zijn aan regelgeving; wijst er anderzijds op dat de informele economie ten gevolge van de crisis is toegenomen, hoewel hierop moeilijk zicht te krijgen is bij gebreke van betrouwbare gegevens over de frequentie en het effect ervan;

17.   benadrukt dat vrouwen cruciaal zijn geweest bij de bestrijding van de crisis; is ervan overtuigd dat vrouwen een aanzienlijk potentieel vormen voor de verbetering van de concurrentiekracht en de prestaties van de bedrijven, in het bijzonder als zij er bestuursposten bezetten; dat het derhalve met name dringend nodig is om hen bij de voorbereiding en het beheer van herstelplannen te betrekken om zo de sociale samenhang te verbeteren;

18.   benadrukt dat de huidige economische en financiële crisis en de daaruit voortvloeiende bezuinigingen de resultaten van het beleid ter bevordering van de gendergelijkheid niet in gevaar mogen brengen, en geen voorwendsel mogen zijn om de inspanningen ter zake te verminderen; meent integendeel dat de lidstaten moeten worden aangespoord het genderbeleid in hun arbeidsmarktbeleid op te nemen, als deel van de oplossing om uit de crisis te komen, in die zin dat de vaardigheden en capaciteiten van alle Europeanen moeten worden ingezet en volledig benut; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat in alle voorgenomen begrotingsbeleid het aspect van gendermainstreaming wordt opgenomen;

19.   benadrukt dat rechten voor vrouwen niet moeten worden gezien, begrepen of nagestreefd als rivaliserend ten opzichte van rechten voor mannen, aangezien de verbetering van het zorgaanbod en de overheidsvoorzieningen voor gezinnen een voorwaarde is voor de participatie van zowel mannen als vrouwen op de arbeidsmarkt; wijst erop dat het delen van huishoudelijke en gezinstaken moet worden bevorderd; verzoekt de lidstaten met maatregelen te komen of bestaande maatregelen uit te breiden om een einde te maken aan genderdiscriminatie en oneerlijke taakverdeling, bijvoorbeeld door mannen aan te moedigen gebruik te maken van hun recht om voor kinderen en zieke of gehandicapte familieleden te zorgen;

20.   benadrukt dat er binnen de Europese Unie sprake is van een dalend geboortecijfer, wat nog versterkt wordt door de crisis, omdat stellen, en met name jongere vrouwen, vanwege de werkloosheid, marginalisering en onzekerheid over de toekomst, het besluit om kinderen te krijgen uitstellen, waardoor de vergrijzingstrend binnen de Europese Unie nog verder toeneemt;

21.   benadrukt dat het belangrijk is het macro-economische, sociale en arbeidsmarktbeleid te hervormen teneinde economische en sociale rechtvaardigheid voor vrouwen te waarborgen, strategieën te ontwikkelen ter bevordering van de eerlijke verdeling van rijkdom, een minimuminkomen en behoorlijke lonen en pensioenen te garanderen, het loonverschil tussen mannen en vrouwen te verkleinen, meer kwalitatief hoogwaardige banen voor vrouwen te creëren waaraan rechten verbonden zijn, om hen in staat te stellen te profiteren van hoogwaardige publieke voorzieningen, en de sociale voorzieningen en de plaatselijke dienstverlening te verbeteren, met inbegrip van crèches, peuterspeelzalen en andere vormen van voorschoolse opvang, dagopvang, gemeenschappelijk buurthuizen en centra voor gezinsondersteuning, alsmede „intergenerationele centra”;

22.   wijst erop dat de bezuinigingen op de overheidsuitgaven niet genderneutraal zijn maar veeleer het resultaat van het macrostructurele beleid van de Europese Unie, in het bijzonder de maatregelen die worden toegepast in het kader van het „economisch bestuur” en van de financiële aanpassingsprogramma's, die steeds meer leiden tot genderongelijkheid, vrouwenwerkloosheid en feminisering van de armoede; acht derhalve beleidswijziging nodig, aangezien vrouwen in meerderheid in de openbare sector werkzaam zijn en de voornaamste doelgroep vormen zijn van sociale beleidsmaatregelen; dringt dan ook aan op verhoging van de desbetreffende begrotingslijnen;

23.   verzoekt de lidstaten en de Europese instellingen om bij de planning van bezuinigingsmaatregelen gendereffectbeoordelingen uit te voeren, om te zorgen dat de gevolgen hiervan zo genderneutraal mogelijk zijn;

24.   verzoekt de lidstaten om genderbudgettering in te voeren om overheidsprogramma's en –beleid te analyseren, te onderzoeken wat de gevolgen hiervan zijn voor de toewijzing van middelen en welke bijdrage ze leveren aan de gelijkheid van vrouwen en mannen;

25.   benadrukt dat vrouwen een grotere kans hebben op een langzamere loopbaanontwikkeling dan mannen, doordat zij eerder genoegen nemen met een startpositie op lager niveau of in deeltijd, en dat vrouwen in deze situatie bijgevolg kwetsbaarder zijn, een onbevredigend inkomensniveau hebben en sterker onder armoede gebukt gaan;

26.   verzoekt de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten doeltreffende voorzieningen te garanderen voor betaalbare, toegankelijke en goede opvang van en zorg voor kinderen en andere afhankelijke personen die aansluiten bij de arbeidstijden van vrouwen en mannen met een fulltimebaan;

27.   wijst op de noodzaak van onmiddellijke stappen voor de uitvoering van beleidsmaatregelen voor herintreding en integratie in de bedrijfswereld voor de werknemers uit de openbare sector, die voor de meerderheid uit vrouwen bestaan, en wier banen door de bezuinigingen op de openbare diensten worden bedreigd;

28.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om het perspectief van gendergelijkheid te mainstreamen in al het werkgelegenheidsbeleid, de noodzakelijke maatregelen te nemen om vrouwen weer aan het werk te krijgen in niet alleen laagbetaalde maar ook leidinggevende functies en deze benadering in alle richtsnoeren van de Europese Unie met betrekking tot werkgelegenheid een plaats te geven dringt aan, vooral met het oog op het volgende meerjarig financieel kader 2014-2020, op een goede genderbudgettering om de doelstellingen van het pact voor gendergelijkheid en de Europa 2020-strategie te verwezenlijken;

29.   betreurt dat in de jaarlijkse groeianalyse 2013 niet wordt gerept van grotere arbeidsmarktparticipatie van vrouwen, hoewel dit een van de kerndoelen van de EU 2020-strategie is; verzoekt de Raad bij de opstelling van de richtsnoeren voor het economisch beleid van dit jaar in het kader van het Europees Semester de bevordering van participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt als prioriteit toe te voegen;

30.  verzoekt de lidstaten de gendergelijkheid in alle toekomstige nationale hervormingsprogramma's op te nemen en systematisch aan te pakken;

31.  dringt bij de lidstaten aan op een actief arbeidsmarktbeleid, een sterke sociale dialoog, arbeidsnormen en sociale bescherming, teneinde de rechten van vrouwen, met inbegrip van migrantenvrouwen, te waarborgen en gedwongen arbeid en zwartwerk te bestrijden;

32.   verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om de deelname van moeders aan de arbeidsmarkt te stimuleren, zoals telewerken of beleidsmaatregelen voor opleiding en herscholing, zodat de terugkeer naar de arbeidsmarkt na afwezigheid wegens moederschap kan worden vergemakkelijkt;

33.   verwelkomt het voorstel voor een richtlijn ter verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen, waardoor vrouwen toegang kunnen krijgen tot hoger gekwalificeerde en beter betaalde banen, en vraagt de lidstaten dringend dit voorstel te steunen en zich voor te bereiden op de omzetting ervan; dringt erop aan dat gelijksoortige bindende regelgeving ook bij andere werkgevers wordt ingevoerd, zoals bij overheidsinstellingen, bestuursinstanties en organisaties op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau, die het goede voorbeeld zouden moeten geven wat betreft gendergelijkheid in besluitvormingsprocessen;

34.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om met het oog op de bevordering van het evenwicht tussen mannen en vrouwen een strategie uit te werken voor niet onder deze richtlijn vallende kleine en middelgrote ondernemingen; laakt het feit dat vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in raden van bestuur van financiële instellingen, en daardoor nagenoeg zijn uitgesloten van de besluitvorming in financiële aangelegenheden; verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten de deelname van vrouwen aan de besluitvorming op alle niveaus te verbeteren, met name op het gebied van budgettering en regelingen met betrekking tot het bestuur van Europese financiële stelsels, waaronder de Europese Centrale Bank; onderstreept in dit verband het belang van het bevorderen van het financieel alfabetisme bij meisjes en vrouwen;

35.   verzoekt de lidstaten beleid uit te stippelen voor uitgebreide scholing van werknemers in de sectoren die het meest worden getroffen door de nadelige gevolgen van de crisis of de globalisering ter voorbereiding op de verdere ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en op nieuwe banen, en daarbij te letten de specifieke positie van vrouwen en op het feit dat vrouwen vaker dan mannen hun carrière moeten onderbreken om de zorg op zich te kunnen nemen voor kinderen of oude en zieke familieleden, met de gevolgen van dien voor hun loopbaan; verzoekt om een systematische uitvoering van opleidingsplannen in de bedrijven zodat werknemers kunnen worden omgeschoold, zodat op de werknemers persoonlijk toegesneden voorstellen kunnen worden gedaan voor een andere functie, en aangepaste opleidingen worden aangeboden aan werkzoekenden en laaggeschoolde werknemers; verzoekt hen tevens om een volledig overzicht te maken van de personeelstekorten, opgesplitst per arbeidsmarktsegment, zodat een deel van de vrouwen zich gericht kan voorbereiden en naar werk kan zoeken;

36.  verzoekt de lidstaten hun socialezekerheidsstelsels te herzien met het oog op de individualisering van pensioenrechten en aanspraken uit hoofde van socialezekerheidsregelingen, om zo een einde te maken aan het „kostwinnersvoordeel” en gelijke pensioenrechten te garanderen;

37.   onderstreept dat door de bezuinigingen in de zorgsector het werk in feite op de schouders van de vrouwen wordt gelegd, en de gendergelijkheid wordt ondermijnd; en verzoekt alle lidstaten plannen voor zorgvoorzieningen te ontwikkelen waardoor sociale gerechtigheid en gendergelijkheid kunnen worden bewerkstelligd;

38.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om beleid en programma's voor beroepsopleidingen voor vrouwen te bevorderen, waarbij vooral aandacht moet worden besteed aan de dringende behoefte aan permanente-educatieprogramma’s en aan verwerving van nieuwe vaardigheden op het gebied van nieuwe technologieën en IT, zodat vrouwen beter toegang kunnen krijgen tot en participeren in verschillende bedrijfstakken zoals de economische en financiële sectoren waarin weinig vrouwen werkzaam zijn, en daarbij specifieke ondersteunende maatregelen te nemen waardoor vrouwen werk, opleiding en gezinsleven kunnen combineren; herinnert aan de belangrijke rol die het Europees Sociaal Fonds met zijn opleidingsbeleid bij de arbeidsmarktintegratie heeft gespeeld en verzoekt de lidstaten en de lagere overheden het gebruik van dit fonds te bevorderen ten gunste van met name de vrouwen die het sterkst door de economische crisis worden getroffen;

39.   onderstreept het belang van investeringen in vrouwen en gendergelijkheid;

40.   dringt er bij de lidstaten op aan de actieve inclusie of re-integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt te bevorderen en de werkgelegenheid van vrouwen in de strategische ontwikkelingssectoren te stimuleren, door middel van specifieke maatregelen voor flexibele werktijden, gelijke beloning en herziening van belasting- en pensioenregelingen, alsmede maatregelen voor „een leven lang leren” ter verwerving van de vaardigheden en kwalificaties die nodig zijn om de sociale en werkgelegenheidsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie te halen; onderstreept het belang van opleiding op hoog niveau ter stimulering van de toegang van vrouwen tot sectoren waarin zij ondervertegenwoordigd zijn, zoals wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling, zeker op een moment waarop Europa behoefte heeft aan meer onderzoekers om innovatie te bevorderen en de economie te versterken; roept de Commissie op een verdere aanpassing van de structuurfondsen te overwegen, teneinde aanvullende steun te waarborgen voor sectoren waarbinnen veel vrouwen werkzaam zijn en die waarschijnlijk gevolgen zullen ondervinden van de crisis, evenals steun voor kinderopvang, opleiding en toegang tot arbeid;

41.   herinnert eraan dat in vele lidstaten de toegang tot de eerste voltijdbaan voor jonge vrouwen (leeftijdcategorie 15-24 jaar) is verslechterd sinds het begin van de crisis en dat om deze situatie het hoofd te bieden, velen onder hen hun studie hebben voortgezet; constateert dat deze ontwikkeling de vrouwen over het geheel genomen weliswaar meer opleiding en daardoor meer bescherming oplevert, maar dat zij met die kwalificaties niet evenveel in aanzien stijgen als bij mannen het geval zou zijn; verzoekt de lidstaten zich te richten op strategieën waarbij onderwijs- en scholingsbeleid gepaard gaat met werkgelegenheidsbeleid speciaal voor jonge vrouwen;

42.   verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat in het curriculum van middelbare scholen een elementaire basiskennis van financiën en ondernemerschap wordt opgenomen;

43.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om de gevolgen van de nieuwe pensioenstelsels voor de verschillende categorieën van vrouwen te berekenen, waarbij zij in het bijzonder aandacht moeten besteden aan deeltijdse en atypische contracten, en om de sociale vangnetsystemen aan te passen, in het bijzonder aan de jongere generaties;

44.  verzoekt de lidstaten het ondernemerschap onder vrouwen te bevorderen en daarmee hun economische positie te helpen versterken, door vrouwen, met name jonge vrouwen en immigrantenvrouwen die een bedrijf beginnen, aan te moedigen en te steunen, door vrouwen gemakkelijker toegang te bezorgen tot financiering, bijvoorbeeld via microkrediet, technische bijstand en begeleidende maatregelen, door bevordering van nieuwe financierings- en ondersteuningsinstrumenten en stimulering van vrouwelijk ondernemerschap en sponsornetwerken, en uitwisseling van goede praktijken tussen lidstaten en marktdeelnemers; onderstreept dat investeringen in vrouwen en gendergelijkheid van groot belang zijn om economische stabiliteit te garanderen en economische schokken te voorkomen;

45.   verzoekt de lidstaten de participatie van vrouwen op alle niveaus van besluitvorming te verbeteren;

46.   verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten om meer te doen aan de bevordering van ondernemerschap onder vrouwen, waartoe ook financiële steun behoort aan vrouwelijke ondernemers;

47.   verzoekt de lidstaten het vrouwelijk ondernemerschap in de groene economie, als bron van nieuwe werkgelegenheid, te bevorderen; merkt op dat hernieuwbare energie nieuwe arbeidsmogelijkheden kan creëren voor vrouwelijke ondernemers in verafgelegen en perifere gebieden van de Europese Unie waar de werkloosheid van vrouwen bijzonder hoog is en er veel potentie is voor de exploitatie van alternatieve vormen van energie zoals wind- en zonne-energie;

48.   onderstreept het belang van actief arbeidsmarktbeleid, arbeidsinspecties en sociale dialoog, alsook van bijscholing teneinde de vergroening van de economie te bevorderen;

49.   verzoekt de lidstaten het scheppen van banen te steunen in de sociale en solidaire economie, waar het onbetaalde werk van vrouwen overheerst, en vooral nieuwe oplossingen te zoeken en toe te passen waardoor niet-geregistreerd legaal werk aan profiel wint;

50.   verzoekt de lidstaten de zorg- en gezondheidssector te steunen om voorwaarden te scheppen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie inzake de werkgelegenheid van vrouwen;

51.   vraagt de lidstaten dringend de effecten in het oog te houden en tegen te gaan van bezuinigingen op publieke zorg- en gezondheidsdiensten die tot herprivatisering van de zorg leiden, om de zorgtaak op de schouders van vrouwen niet nog zwaarder te maken omdat dit hen weer in een traditionele gezinsrol zou terugdringen; benadrukt dat besparingen op het gebied van moederschap, vaderschap, ouderschapsverlof en kinderbijslag en andere zorg- en gezinsgerelateerde uitkeringen het inkomen van alle vrouwen met zorgtaken aanzienlijk hebben verlaagd;

52.  herinnert eraan dat er nog steeds stereotype opvattingen bestaan over de plaats van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt, en dat vrouwen proberen hun werkverplichtingen met hun gezinsleven te verzoenen en dat zij daarom kwetsbaarder zijn voor veranderingen in hun werk dan mannen;

53.   dringt aan op een beleid inzake openbaar vervoer, met name door uitbreiding en verbetering van het openbaar vervoer, op een zodanige manier dat met gendergelijkheid rekening wordt gehouden, zodat vrouwen dankzij een reële mobiliteit actiever aan de arbeidsmarkt kunnen deelnemen en een baan kunnen zoeken;

54.   is bezorgd over de situatie van vrouwen in plattelandsgebieden, waar de toegang tot verschillende diensten is verslechterd; verzoekt de lidstaten in plattelandsgebieden te zorgen voor functionerend openbaar vervoer, medische zorg en andere essentiële diensten, om de migratie naar de grote steden te beperken en te voorkomen dat perifere gebieden worden gemarginaliseerd;

55.  benadrukt het belang van daadwerkelijke waarborgen voor een goede afstemming tussen werk, gezin en privéleven, om de deelname van vrouwen uit alle sociale geledingen aan het sociale en politieke leven te versterken;

56.   benadrukt dat het Europees programma „Erasmus voor jonge ondernemers” vooral steun moet geven aan de participatie van vrouwen, opdat vrouwen evenveel zelfvertrouwen krijgen, kennis kunnen opdoen via de ondernemingen in de interne markt en de noodzakelijke vaardigheden voor het managen en ontwikkelen van een bedrijf kunnen verwerven;

57.   benadrukt dat bezuinigingen op openbare diensten voor kinderopvang rechtstreeks van invloed zijn op de economische onafhankelijkheid van vrouwen en het evenwicht tussen werk en privéleven; verzoekt de Commissie en de Raad een actieplan goed te keuren om de doelstellingen te verwezenlijken zoals die zijn vastgesteld in Barcelona voor een betere bekostiging van de verschillende vormen van kinderopvang met het opzetten van crèches van één of meerdere bedrijven; acht het belangrijk dat op sectoraal, nationaal en regionaal niveau tussen bedrijfsleiding en werknemers collectief wordt onderhandeld met het oog op een beter evenwicht tussen werk en gezinsleven, en dat de toegangs- en aanwezigheidsregels voor kinderopvangsregelingen die aan bepaalde categorieën van vrouwelijke functies verbonden zijn, worden versoepeld, waarbij ook een minimum-opzeggingstermijn van drie maanden voor kindercrèches moet gelden zodat vrouwen gezin en werk kunnen blijven combineren;

58.   dringt aan op de bevordering van adequate moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlofregelingen en de ondersteuning van initiatieven van ondernemingen die flexibele werktijden en interne kinderopvang aanbieden, alsmede op de toewijzing van meer middelen voor onderwijs, programma's voor een leven lang leren en beroepskwalificatie- en herscholingsprogramma's en de invoering van adequate steun voor gezinsverzorgers, inclusief respijtzorg;

59.   onderstreept de noodzaak van investeringen in betaalbare kwaliteitsdiensten – zoals kinderopvang, scholen waar kinderen de hele dag terecht kunnen en ouderenzorg – die gendergelijkheid helpen bevorderen, zorgen voor een beter evenwicht tussen werk en gezin en een kader creëren dat de entree of terugkeer op de arbeidsmarkt begunstigt;

60.   onderstreept dat het essentieel is nieuwe structuren voor kinderopvang te openen maar daarnaast de informele systemen voor kinderopvang te professionaliseren door kwaliteitsnormen vast te stellen, de voorwaarden van de beloning te verbeteren en de betrokkenen scholing te bieden; bovendien moet rekening worden gehouden met de specifieke behoeften van ouders met atypische werktijden en alleenstaande ouders;

61.   benadrukt dat regeringen en werkgevers hun verantwoordelijkheid moeten nemen waar het gaat om de vernieuwing van de generaties en de rechten op het gebied van moederschap en vaderschap, waarbij het recht van vrouwen om zowel moeder als werknemer te zijn zonder hun rechten op het gebied van werk te verliezen, voorop moet staan;

62.   onderstreept de noodzaak om de gevolgen van de economische en financiële crisis voor gezinnen te verminderen (waarbij vooral te denken valt aan scheiding, alleenstaande moeders, en situaties waarbij de kinderen aan de zorg van familieleden of instanties zijn toevertrouwd), ermee rekening houdend dat van een vrouw vaak wordt verwacht dat zij de huishoudelijke taken op zich zal nemen; onderstreept dat vrouwen als gevolg daarvan aan een groter armoederisico blootstaan;

63.   benadrukt dat de bezuinigingen die sommige lidstaten hebben doorgevoerd in de budgetten voor kinderzorg, vroegschoolse en buitenschoolse opvang, toelages voor maaltijden en transport naar school en steun voor de zorg voor afhankelijke personen, rechtstreekse gevolgen hebben voor vrouwen, die de meeste extra taken op zich moeten nemen die uit dit alles voortvloeien; onderstreept dat dit betekent dat vrouwen dikwijls op parttime werk moeten overschakelen (met alle sociale nadelen van dien zoals minder inkomen en lager pensioen) ; meent dat het openbare stelsel van voorzieningen op het gebied van kinderdagverblijven en crèches en van buitenschoolse activiteiten voor kinderen moet worden uitgebreid, tezamen met het openbare stelsel van ouderenondersteuning en een openbaar stelsel van gemeenteziekenhuizen;

64.   vraagt de Commissie en de lidstaten in te gaan op de bijzondere behoeften van Roma-vrouwen en -meisjes door alle beleidsmaatregelen ten behoeve van de inclusie van Roma in een genderperspectief te plaatsen, en bescherming te bieden aan bijzonder kwetsbare subgroepen;

65.  benadrukt dat bezuinigingen op openbare diensten voor kinderopvang rechtstreeks van invloed zijn op de economische onafhankelijkheid van vrouwen; wijst erop dat in 2010 28,3% van het niet of parttime werken van vrouwen te verklaren was door het gebrek aan opvangdiensten, tegenover 27,9% in 2009, en dat in 2010 de arbeidsparticipatie van vrouwen met kleine kinderen in de EU 12,7% lager was dan bij vrouwen zonder kinderen, een groter verschil dus dan in 2008 toen het nog 11,5% bedroeg;

66.   verzoekt de lidstaten te investeren in de zorgsector als een potentiële groeisector voor zowel vrouwen als mannen om de traditionele toewijzing van de verzorgende taken aan de vrouw, waardoor gendersegregatie op de arbeidsmarkt in de hand wordt gewerkt, te doorbreken; onderstreept dat bezuinigingen in de zorgsector leiden tot een verschuiving van publieke zorg naar onbetaalde zorg binnen huishoudens; wijst met nadruk op de behoefte aan fatsoenlijke contracten en sociale bescherming voor werkers in de thuiszorg;

67.   vraagt de lidstaten om - in afwachting van een Europese harmonisatie van moeder-, vader- en ouderschapsverlof - de desbetreffende toelagen en andere gezinsbijslagen op hun huidige peil te handhaven zodat vrouwen er niet in inkomen op achteruitgaan, en er tevens voor te zorgen dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de rechten van vrouwen op gebied van moederschapsverlof;

68.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om de stijgende frequentie van discriminatie van zwangere vrouwen op de arbeidsmarkt, waarover vanuit verschillende lidstaten wordt bericht, nauwlettend in het oog te houden;

69.  stelt dat armoede onder vrouwen niet alleen het gevolg is van de huidige economische crisis maar ook van tal van andere factoren, waaronder stereotypering, de loon- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen, onvoldoende herverdelingsmechanismen binnen het verzorgingsstelsel, de onmogelijkheid om het werk en het gezinsleven te combineren, de langere levensverwachting van vrouwen en, in het algemeen, alle soorten van seksespecifieke discriminatie die vooral vrouwen treft ; beklemtoont dat de crisis deze situatie van voortdurende ongelijkheid verergert; acht het zaak stereotypering in alle domeinen en stadia van het leven tegen te gaan omdat zulke stereotypering door hun invloed op de keuzes van vrouwen op de gebieden onderwijs, opleiding, werk, verdeling van huiselijke en gezinstaken, deelname aan het openbaar leven en deelname aan en vertegenwoordiging in besluitvormende posities, alsmede op het verschil in salariëring tussen mannen en vrouwen, tot de hardnekkigste oorzaken van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen behoren;

70.   verzoekt de Commissie om een herziening van Richtlijn 2006/54/EG ter hand te nemen, met name op het punt van de loonkloof tussen mannen en vrouwen, zoals het Europees Parlement heeft bepleit in zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid;

71.   verzoekt de lidstaten en de Commissie oplossingen voor te stellen om vrouwen te helpen hun arbeidsloopbaan voor te zetten en met name de loonongelijkheid tegen te gaan die voortvloeit uit periodes van moederschapsverlof;

72.  maakt de lidstaten opmerkzaam op het feit dat er behoefte is aan inkomensondersteunende maatregelen, waaronder regelingen voor minimuminkomens en sociale ondersteuningsprogramma's voor mensen die moeite hebben om in hun fundamentele levensbehoeften te voorzien, in het bijzonder mensen met kinderen of zorgtaken en dan vooral alleenstaande ouders;

73.   signaleert dat de economische crisis intimidatie, misbruik en geweld tegen vrouwen in al zijn vormen, en met name ook een toename van prostitutie, in de hand werkt; onderstreept dat vrouwen wereldwijd ten prooi vallen aan de meest wijdverbreide mensenrechtenschendingen, op alle culturele, sociale en economische niveaus; benadrukt tevens dat de beschikbare overheidsmiddelen, zowel financieel als personeel, waarmee kan worden ingegrepen ten behoeve van door armoede bedreigde groepen of in situaties waarin kinderen en jongeren, ouderen en mensen met een handicap, en daklozen, gevaar lopen, moeten worden verhoogd;

74.   dringt er bij de lidstaten op aan het directe en langetermijneffect van de economische crisis op vrouwen te evalueren en op de voorgrond te plaatsen, met name wat betreft de vraag of en hoe zij bestaande ongelijkheden tussen mannen en vrouwen verergert, alsook hiermee samenhangende gevolgen zoals een verhoogd risico op geweld op grond van geslacht, een verslechterende gezondheid van moeder en kind en armoede onder oudere vrouwen;

75.   onderstreept dat vrouwen in de huidige omstandigheden van economische crisis en begrotingsdiscipline over minder middelen beschikken om zichzelf en hun kinderen te beschermen tegen geweld, en dat het dus des te belangrijker is om de directe financiële consequenties van geweld tegen vrouwen en kinderen voor het gerechtelijk apparaat, de sociale dienstverlening en de gezondheidszorg te voorkomen;

76.  benadrukt dat het institutionele kader voor het gendergelijkheidsbeleid, zoals instellingen voor gelijke behandeling en vrouwenorganisaties, onder bezuinigingen op de subsidiëring te lijden heeft; vraagt de lidstaten het peil van hun overheidsuitgaven voor organen, projecten en vrouwenorganisaties voor gendergelijkheid te handhaven, aangezien deze doeltreffende middelen bieden voor het vinden van duurzame oplossingen voor de crisis en kunnen zorgen voor actieve deelname aan de voorbereiding van toekomstige stimulansmaatregelen; merkt op dat bezuinigingen in de subsidiëring van vrouwenorganisaties afbreuk doen aan de maatschappelijke en politieke participatie van vrouwen waardoor vrouwen nog minder stem krijgen in de maatschappij;

77.   vraagt het Europees Instituut voor gendergelijkheid om de permanente waarneming en beoordeling op zich te nemen van de consequenties die de economische crisis heft voor de arbeidsomstandigheden voor vrouwen, in termen van discriminatie bij sollicitaties, verhoging van de werklast, sociale druk en spanningen op het werk, pesterijen en psychologische intimidatie; benadrukt dat de volle ernst van het effect van de crisis voor vrouwen onvoldoende tot uiting komen in de bestaande cijfers; verzoekt de Europese Commissie ook om uitvoering van een gendereffectbeoordeling van haar economische beleidsmaatregelen in respons op de huidige crisis;

78.   dringt bij de lidstaten aan op krachtige ondersteuning van genderbudgettering ter vergroting van de gendergelijkheid, door de negatieve effecten van inkomsten en uitgaven te corrigeren en de aansturing en verantwoording te verbeteren, met name voor wat betreft de nationale begrotingen;

79.   verzoekt de lidstaten begrotingsinstrumenten goed te keuren die bijdragen aan de gelijkheid tussen vrouwen en mannen;

80.   verzoekt alle lidstaten het verdrag van de IAO inzake huishoudelijk personeel (Verdrag 189) te ratificeren;

81.   onderstreept dat het van belang is een goed evenwicht tussen zekerheid en flexibiliteit te waarborgen op de arbeidsmarkt door consistente toepassing van flexizekerheidsbeginselen, en arbeidsmarktsegmentering aan te pakken door zowel adequate sociale bescherming te bieden voor mensen die zich in een overgangspositie bevinden of mensen met tijdelijke of deeltijdcontracten, als toegang te verschaffen tot mogelijkheden voor opleiding, loopbaanontwikkeling en voltijds werk;

82.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36.
(2) PB L 204 van 26.07.06, blz. 23.
(3) PB L 373 van 21.12.04, blz. 37.
(4) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 23.
(5) PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 49.
(6) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 79.
(7) PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 1.
(8) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 65.
(9) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 77.
(10) PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 134.
(11) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 56.
(12) Aangenomen teksten P7_TA(2011)0458.
(13) Aangenomen teksten P7_TA(2012)0069.
(14) Aangenomen teksten P7_TA(2012)0225.
(15) Aangenomen teksten P7_TA(2012)0321.
(16) Aangenomen teksten P7_TA(2012)0322.
(17) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 112.
(18) Eurostat, in 2010 liep 23% van de burgers van de Europese Unie de kans op armoede of sociale uitsluiting - Issue 9/2012.
(19) OECD, Society at a Glance 2011, OECD Social Indicators, @OECD2011.
(20) Eurostat: arbeidsparticipatie van vrouwen, EU-27.
(21) Eurostat: geharmoniseerd werkloosheidspercentage van mannen en vrouwen, september 2012, Europese Unie.


Uitbanning van genderstereotypen in de EU
PDF 163kWORD 37k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over de uitbanning van genderstereotypen in de EU (2012/2116(INI))
P7_TA(2013)0074A7-0401/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de verklaring en het actieplatform van Peking die op 15 september 1995 tijdens de vierde wereldvrouwenconferentie zijn aangenomen en gezien de resoluties van het Parlement van 18 mei 2000 over de follow-up van het actieplatform van Peking(1), van 10 maart 2005 over de follow-up van de vierde wereldvrouwenconferentie - Het actieplatform van Peking (Peking +10)(2) en van 25 februari 2010 over de follow-up van het Peking +15 - VN-actieprogramma voor gendergelijkheid(3),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarin de nadruk wordt gelegd op waarden die de lidstaten gemeen hebben zoals pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van mannen en vrouwen,

–  gezien artikel 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dat betrekking heeft op de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht,

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking)(4), en Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten(5),

–  gezien Richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van Richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden(6),

–  gezien de conclusies van de Raad van 2 december 1998 waarin is vastgelegd dat de jaarlijkse evaluatie van de uitvoering van het actieplatform van Peking kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren en benchmarks zal omvatten,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de EU-ministers voor gendergelijkheid afgelegd op 4 februari 2005 in het kader van de tienjaarlijkse beoordeling van het actieplatform van Peking, waarin zij onder andere opnieuw hun krachtige steun voor en betrokkenheid bij de volledige en doeltreffende tenuitvoerlegging van de verklaring en het actieplatform van Peking bevestigen,

–  gezien de conclusies van de Raad van 2 en 3 juni 2005 waarin de lidstaten en de Commissie worden opgeroepen de institutionele mechanismen ter bevordering van gendergelijkheid te versterken en een kader te creëren voor de beoordeling van de tenuitvoerlegging van het actieplatform van Peking, om zo een samenhangender en systematischer toezicht op de voortgang mogelijk te maken,

–  gezien het Europees Pact voor gendergelijkheid (2011-2020) dat in maart 2011 door de Europese Raad is aangenomen(7),

–  gezien de „Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015” van de Commissie, gepresenteerd op 21 september 2010, en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie over acties om de strategie ten uitvoer te leggen (COM(2010)0491, SEC(2010)1080),

–  gezien zijn resolutie van 3 september 2008 over het effect van marketing en reclame op de gelijkheid tussen vrouwen en mannen(8),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2012 over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie(9),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0401/2012),

A.  overwegende dat in artikel 8 VWEU is bepaald dat de Unie bij elk optreden ernaar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen;

B.  overwegende dat ondanks het feit dat er in veel lidstaten enige vooruitgang is geboekt, veel vrouwen nog altijd een onevenredig deel van de last dragen als het gaat om de opvoeding van kinderen en de zorg voor andere afhankelijke personen; overwegende dat de hardnekkigheid van stereotypen een evenredige verdeling van de taken in verband met gezin en huishouding tussen mannen en vrouwen in de weg staat en dat de gelijkheid op de arbeidsmarkt daardoor wordt belemmerd;

C.  overwegende dat stereotypen nog steeds bestaan op alle niveaus van de samenleving en in alle leeftijdsgroepen en dat ze de manier beïnvloeden waarop we naar elkaar kijken door te sterk vereenvoudigde veronderstellingen die zijn gebaseerd op sociaal tot stand gekomen normen, praktijken en overtuigingen die vaak een culturele en religieuze grondslag en drijfveer hebben en de onderliggende machtsverhouding weergeven en doen voortduren;

D.  overwegende dat alle directe en indirecte vormen van genderdiscriminatie uit de wereld moeten worden geholpen om het recht van vrouwen op gelijke behandeling te kunnen waarborgen, en om de culturele perceptie dat vrouwen in vele opzichten niet van betekenis zijn of minderwaardiger dan mannen te veranderen;

E.  overwegende dat traditionele genderrollen en stereotypen nog altijd van grote invloed zijn op de rolverdeling tussen vrouwen en mannen thuis, op het werk en in de samenleving in het algemeen, waarbij vrouwen vaak worden afgeschilderd als degenen die de zorg over de huishouding en de kinderen hebben, terwijl mannen worden afgeschilderd als degenen die brood op de plank brengen en hun gezin beschermen; overwegende dat stereotypen bijdragen aan het voortduren van overerfde obstakels voor het verwezenlijken van gendergelijkheid en aan het beperken van de arbeidskeuze en de mogelijkheden voor persoonlijke ontwikkeling van vrouwen, waardoor zij hun volledige potentieel als individuen en economische actoren niet kunnen ontplooien, en dat deze daarom ernstige obstakels vormen voor de verwezenlijking van de gelijkheid van mannen en vrouwen;

F.  overwegende dat traditionele rolpatronen gevormd en opgelegd worden door een breed scala aan sociale invloeden - de media en het onderwijs in het bijzonder - en dat ze worden ingeprent tijdens de socialisatiefasen in de kindertijd en puberteit en mensen er daardoor voor hun hele leven aan vastzitten;

G.  overwegende dat vrouwen in plattelandsgebieden met nog meer discriminatie en gendergerelateerde stereotypen te kampen hebben dan vrouwen in stedelijke gebieden en dat de arbeidsdeelname van vrouwen in plattelandsgebieden veel lager is dan die van vrouwen in steden;

H.  overwegende dat genderstereotypen vaak gepaard gaan met andere stereotypen, zoals stereotypen op grond van leeftijd, migratiestatus, seksuele geaardheid, handicap, enz., en daarom vrouwen met meerdere identiteiten harder treffen;

I.  overwegende dat geweld tegen vrouwen een schending van de mensenrechten vormt die alle sociale, culturele en economische lagen van de maatschappij treft;

Media en cultuur

J.  overwegende dat discriminatie op grond van geslacht nog steeds vaak voorkomt in de media, communicatie en reclame, wat de reproductie van genderstereotypen in de hand werkt, in het bijzonder door het tonen van vrouwen als seksobjecten om de verkoop te bevorderen; overwegende dat in reclame vrouwen bijvoorbeeld 27% van de afgebeelde werknemers en beroepsbeoefenaars vertegenwoordigen, tegen 60% van de afgebeelde personen die zich van huishoudelijke taken kwijten of voor de kinderen zorgen; overwegende dat reclame en de media evenals als krachtige katalysator kunnen fungeren in de strijd tegen stereotypen en gendergerelateerde vooroordelen;

K.  overwegende dat kinderen al in hun prille kinderjaren te maken krijgen met genderstereotypen via rolmodellen in televisieseries en -programma's, discussies, spellen, videospellen en reclame, studiematerieel en onderwijsprogramma's, houdingen op school, in het gezin en in de samenleving, die invloed hebben op hun opvatting over hoe mannen en vrouwen zich moeten gedragen en hun weerslag hebben op de rest van hun leven en op hun ambities voor de toekomst;

L.  overwegende dat de manier waarop meisjes worden afgebeeld in de openbare ruimte het respect in de samenleving voor hen aantast en het geweld tegen meisjes bevordert; overwegende dat hoewel de media een positieve opvoedende rol kunnen spelen, onder andere reclame en kinderprogramma's bol staan van de stereotypen over jonge meisjes en daarmee de traditionele houdingen en gedragingen vaak juist versterken;

M.  overwegende dat er een steeds sterkere tendens is om in televisieprogramma's, computerspelen en muziekvideoclips, onder andere voor commerciële doeleinden, provocerend geklede vrouwen in seksuele poses te tonen, hetgeen verder bijdraagt aan genderstereotypen; overwegende dat de teksten van liedjes voor jongeren seksueel getinte inhoud bevatten, hetgeen vaak geweld tegen vrouwen en meisjes in de hand werkt;

N.  overwegende dat jonge vrouwen en mannen de grootste slachtoffers zijn van de nieuwe culturele status van pornografie; overwegende dat de „mainstreaming van pornografie”, dat wil zeggen het huidige culturele proces waarin pornografie steeds meer als een steeds wijder geaccepteerd, vaak geïdealiseerd cultureel element ons dagelijks leven binnendringt, bijzonder zichtbaar is binnen de jeugdcultuur: van tienertelevisie en lifestyletijdschriften tot muziekvideo's en op jongeren gerichte reclamespots;

Onderwijs en opleiding

O.  overwegende dat toegang tot officieel basis-, voortgezet en hoger en universitair onderwijs alsook de inhoud van het curriculum dat meisjes en jongens voorgeschoteld krijgen een grote bepalende factor voor genderverschillen zijn en dientengevolge voor hun keuzes en hun toegang tot rechten; overwegende dat de toegang van zowel meisjes als jongens tot onderwijs in de EU in vergelijking met andere delen van de wereld over het algemeen weliswaar minder problematisch lijkt, maar dat er toch op gewezen moet worden dat meisjes en jongens niet gelijk zijn bij hun toegang tot en volledige gebruikmaking van de onderwijssystemen en -kansen; overwegende dat in het bijzonder de toegang van meisjes uit minderheden zoals de Romagemeenschap, migrantenmeisjes, asielzoekers, vluchtelingen alsook meisjes met een handicap in een aantal landen zeer problematisch blijft;

P.  overwegende dat kinderen al van jongs af aan zich gelijkheid eigen kunnen maken en dat een opvoeding gebaseerd op gelijkheid kinderen kan leren te strijden tegen genderstereotypen;

Q.  overwegende dat de nog steeds bestaande stereotypen met betrekking tot de opleidings- en beroepskeuzes voor vrouwen de bestaande ongelijkheden in stand helpen te houden; overwegende dat onderwijs en opleidingen nog altijd genderstereotypen doorgeven, doordat vrouwen en mannen vaak traditionele onderwijs- en opleidingstrajecten volgen, en dat dit grote gevolgen heeft op de arbeidsmarkt, waardoor de diversificatie van loopbanen beperkt blijft en vrouwen vaak in beroepen terechtkomen die minder gewaardeerd en beloond worden;

R.  overwegende dat jongens en meisjes in het onderwijs nog altijd niet worden aangemoedigd om zich in gelijke mate te interesseren voor alle vakken, in het bijzonder wetenschappelijke en technische vakken;

S.  overwegende dat hoewel veel Europese landen beroepskeuzebegeleiding aanbieden waarin aandacht wordt besteed aan het genderaspect, deze begeleiding gewoonlijk is toegespitst op meisjes, die worden aangemoedigd om voor een technologische of natuurwetenschappelijke richting te kiezen, en er geen initiatieven bestaan om jongens aan te moedigen om voor onderwijs, gezondheidszorg of menswetenschappen te kiezen;

Arbeidsmarkt

T.  overwegende dat de impact van genderstereotypen op onderwijs en opleiding grote gevolgen heeft voor de arbeidsmarkt, waar vrouwen nog altijd met horizontale en verticale segregatie te kampen hebben, en overwegende dat mede hierdoor bepaalde sectoren nog altijd als „mannensectoren” (met meer dan 85% mannen) worden beschouwd en de salarissen in deze sectoren daardoor hoger liggen dan in sectoren die als „vrouwensectoren” (met meer dan 70% vrouwen) gelden; overwegende dat bovendien in het algemeen meer vrouwen dan mannen een baan met een lagere sociaal-economische status hebben en dat dit hun zelfvertrouwen en eigenwaarde aantast;

U.  overwegende dat genderstereotypen op de arbeidsmarkt de toegang van vrouwen tot bepaalde sectoren blijven beperken, zoals de technische sector, de brandbestrijding, de productie, de bouw, timmerwerk, mechanica, de natuurwetenschappen en nieuwe technologieën, maar ook van mannen tot sectoren gericht op de zorg voor kinderen (verloskunde, kinderverzorging, enz.);

V.  overwegende dat een betere kennis van de beroepen op de arbeidsmarkt een betere toegang tot alle soorten beroepsopleidingen zou bevorderen;

W.  overwegende dat genderstereotypen contraproductief zijn en dat deze op de arbeidsmarkt tot arbeidsverdeling naar geslacht binnen bepaalde beroepen leiden en dus de loonkloof tussen mannen en vrouwen vergroten;

X.  overwegende dat in 2010 vrouwen in de EU nog steeds gemiddeld zo'n 16,4% minder verdienden dan mannen voor dezelfde banen en de loonkloof binnen lidstaten verschilt en in een aantal van de lidstaten in 2011 een gemiddelde van 22% overschreed; overwegende dat hoewel de oorzaken van deze loonkloof meerledig en complex zijn, de loonkloof vaak het gevolg is van genderstereotypen en een eenzijdige kijk op vrouwen vanuit het oogpunt van de traditionele rolverdeling;

Y.  overwegende dat, wat de combinatie van werk en privéleven betreft, de verhouding tussen vrouwen en mannen in „flexibele banen” en deeltijdbanen in het algemeen onevenredig is; hieruit kan men afleiden dat het eeuwenoude beeld dat voornamelijk de vrouw instaat voor de zorg van het gezin nog steeds leeft, waardoor zij genoodzaakt is om een deeltijdfunctie met een flexibel werkrooster of van beperkte duur uit te oefenen en haar loopbaanontwikkeling en bevorderingsmogelijkheden worden beperkt;

Z.  overwegende dat loopbaanonderbreking van vrouwen wegens zwangerschaps- of ouderschapsverlof de loonkloof tussen vrouwen en mannen en het verschil in pensioen vergroot;

Economische en politieke besluitvorming

AA.  overwegende dat uit een onderzoek van de Commissie van 2011 blijkt dat in 2012 in de Europese Unie 14% van de bestuursleden van de grootste beursgenoteerde ondernemingen vrouw is, wat erop wijst dat een zogenaamd „glazen plafond” bestaat waardoor vrouwen moeilijk kunnen opklimmen tot het topmanagement en zij geen gelijke kansen op promotie hebben;

AB.  overwegende dat, ondanks de verbeteringen van de laatste jaren, vrouwen ondervertegenwoordigd blijven in de politieke besluitvorming op zowel lokaal en nationaal als EU-niveau; overwegende dat de vertegenwoordiging van vrouwen in nationale regeringen en parlementen is gestegen van 21% in 2004 tot 23% in 2009 en in het Europees Parlement van 30% in 2004 tot 35% in 2009;

AC.  overwegende dat in de organen voor politieke en economische besluitvorming genderstereotypen en seksisme nog altijd de overhand hebben, waarbij er regelmatig seksistische opmerkingen worden gemaakt en vrouwen worden lastiggevallen, soms uitmondend in regelrechte seksuele intimidatie van vrouwen en seksueel geweld tegen hen;

AD.  overwegende dat genderstereotypen moeten worden uitgebannen, in het bijzonder bij ondernemingen, waar de meeste leidinggevende functies door mannen worden bekleed, aangezien onder andere hierdoor jonge vrouwen in hun ambities worden geremd en vrouwen minder geneigd zijn om zich kandidaat te stellen voor topmanagementfuncties in de financiële, economische en politieke besluitvorming in zowel overheids- als privébedrijven;

EU-optreden

1.  merkt op dat onvoldoende vooruitgang wordt geboekt bij het waarmaken van de beloften van de EU en verschillende regeringen in het kader van het actieplatform van Peking; benadrukt dat er nieuwe indicatoren voor genderstereotypen alsook analyseverslagen op EU-niveau moeten komen; nodigt het Europees Instituut voor gendergelijkheid uit om op dit gebied in actie te komen;

2.  merkt op dat, ondanks het streven van de EU naar gelijkheid tussen mannen en vrouwen, de wetgeving over non-discriminatie van vrouwen en gendergelijkheid op het gebied van sociale zekerheid, onderwijs en media, werkgelegenheid en lonen, ontoereikend is; benadrukt dat op deze gebieden de bestaande wetgeving scherper moet worden uitgevoerd en nieuwe wetgeving moet worden ontwikkeld; verzoekt de Commissie om gendergelijkheid te integreren in alle beleidsterreinen, opdat het groeipotentieel van de Europese beroepsbevolking wordt versterkt;

3.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om efficiënt gebruik te maken van de middelen uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) voor langetermijnstrategieën om de sectoren van de arbeidsmarkt waarin vrouwen vanwege genderstereotypen ondervertegenwoordigd zijn vertrouwder en aantrekkelijker voor hen te maken; is van mening dat de strategieën gericht moeten zijn op positieve actie, een leven lang leren en het actief aanmoedigen van meisjes om niet-traditioneel „vrouwelijke” studies aan te vatten, zoals informatietechnologie en werktuigbouw, en op maatregelen voor een beter evenwicht tussen werk en privéleven voor vrouwen en mannen;

4.  vraagt de Commissie de acties van de lidstaten te steunen ten behoeve van het wegnemen van stereotypen en het bevorderen van de toegang voor iedereen tot onderwijs en werk zonder door stereotypen te worden belemmerd;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten aanzienlijke en langdurige steun te verlenen aan het huidige Daphne-programma en het komende programma Rechten en burgerschap, om geweld tegen vrouwen en genderstereotypen te bestrijden;

6.  verzoekt de Commissie en de lidstaten strategieën te ontwikkelen ter bestrijding van de diepere oorzaken van discriminatie en geweld ten opzichte van vrouwen, verschanst in stereotypen en ongelijkheden tussen mannen en vrouwen, en te beginnen bij het afbreken van genderstereotypen;

Media en cultuur

7.  vestigt de aandacht op het feit dat genderstereotypen in reclamespots tijdens kinderprogramma's op tv alsook in deze programma's een bijzonder probleem zijn, aangezien ze gendersocialisering kunnen beïnvloeden en bijgevolg de manier waarop kinderen zichzelf, hun gezin en de buitenwereld zien; benadrukt dat het belangrijk is om de blootstelling van kinderen aan genderstereotypen te reduceren mogelijk met behulp van kritisch mediaonderwijs op school;

8.  acht het van groot belang dat ook jongens worden betrokken bij het gendermainstreamingproces en dringt er dan ook op aan dat er specifiek voor dat doel opgezette oefeningen gedaan worden met hen om hen zo van stereotypen bewust te maken;

9.  benadrukt dat reclame vaak discriminerende en/of onwaardige boodschappen overbrengt die gebaseerd zijn op alle vormen van genderstereotypen, waardoor de strategieën voor gendergelijkheid worden belemmerd; roept de Commissie, de lidstaten, het maatschappelijk middenveld en zelfregulerende instanties in de reclamesector op nauw samen te werken om dergelijke praktijken te bestrijden, met name door een beroep te doen op doeltreffende middelen die ervoor zorgen dat de menselijke waardigheid en eerlijkheid worden geëerbiedigd in marketing en reclame;

10.  wijst er tevens op dat reclame een doeltreffend hulpmiddel kan zijn om stereotypen aan te vechten en er het hoofd aan te bieden, en eveneens een hefboom kan vormen tegen racisme, seksisme en discriminatie, wat onontbeerlijk is in de multiculturele samenlevingen van vandaag; roept de Commissie, de lidstaten en reclamemakers op opleidings- en onderwijsactiviteiten te versterken als een manier om stereotypen uit de wereld te helpen, discriminatie te bestrijden en gendergelijkheid te bevorderen, met name op jonge leeftijd; dringt er in het bijzonder bij de lidstaten op aan een nauwe samenwerking tot stand te brengen en te ontwikkelen tussen bestaande scholen voor marketing, communicatie en reclame, om te helpen zorgen voor een degelijke opleiding voor de toekomstige werknemers in de sector;

11.  benadrukt dat speciale cursussen over genderstereotypen in de media moeten worden gegeven aan nationale reclame code commissies en aan zelfregulerende en regulerende instanties zodat ze zich bewust worden van de negatieve invloed van beelden op tv, op internet en in marketing- en reclamecampagnes die discrimineren op basis van geslacht;

12.  verzoekt de EU om bewustwordingscampagnes inzake nultolerantie in de gehele EU voor seksistische beledigingen en vernederende beelden van vrouwen en meisjes in de media, te ontwikkelen;

13.  verzoekt de EU en de lidstaten om mediaprofessionals scholing te bieden over en bewust te maken van de schadelijke effecten van genderstereotypen en goede praktijken op dit vlak;

14.  acht het belangrijk de voorstelling van de vrouw te bevorderen op een manier die haar waardigheid eerbiedigt, alsook om hardnekkige genderstereotypen te bestrijden, in het bijzonder de invloed van vernederende beelden, een en ander onder volledige eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid;

15.  verzoekt de EU en de lidstaten concrete invulling te geven aan zijn resolutie van 16 september 1997 over discriminatie van vrouwen in de reclame(10);

16.  roept de Commissie op de lidstaten te assisteren in hun strijd tegen de seksualisering van meisjes, niet alleen via het verzamelen van noodzakelijke gegevens, het bevorderen van goede praktijken en het organiseren van informatiecampagnes, maar ook via financiële steun voor maatregelen in de lidstaten, met name voor vrouwenorganisaties die tegen de seksualisering van en geweld tegen vrouwen en meisjes strijden;

17.  verzoekt de lidstaten maatregelen uit te voeren voor positieve acties om ervoor te zorgen dat meer vrouwen toegang hebben tot managementposities in de media, met inbegrip van posities in het topmanagement;

18.  verzoekt de lidstaten om onderzoek te doen en onderling vergelijkbare gegevens te vergaren over vrouwen en de media, onder meer met betrekking tot de manier waarop vrouwen uit specifieke groepen als gehandicapten en etnische minderheden daarin weergegeven worden;

Onderwijs en opleiding

19.  benadrukt dat in het lager, secundair en hoger onderwijs speciale cursussen loopbaanbegeleiding moeten worden gegeven, om jongeren op de hoogte te brengen van de negatieve gevolgen van genderstereotypen en hen te motiveren om te studeren of zich kandidaat te stellen voor banen die in het verleden als typisch „mannelijk” of „vrouwelijk” werden bestempeld; verzoekt om ondersteuning van acties die de verspreiding van genderstereotypen onder jonge kinderen beperken;

20.  beklemtoont dat de gelijkheid van vrouwen en mannen al vanaf jonge leeftijd moet worden bevorderd om efficiënt te strijden tegen stereotypen, discriminatie en geweld op grond van gender, met inbegrip van onderwijs in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Europese Handvest tot bescherming van de rechten van de mens op school;

21.  benadrukt de behoefte aan onderwijsprogramma's die ingaan op de gelijkheid van mannen en vrouwen, respect voor de medemens, respect tussen jongeren, respectvolle seksualiteit en verwerping van alle vormen van geweld, alsook het belang van opleidingen voor onderwijzers op dit vlak;

22.  benadrukt dat het genderaspect op scholen een plaats moet krijgen en moedigt scholen dan ook aan om met bewustwordingslessen en praktische oefeningen gelijkheid van mannen en vrouwen op universiteiten te bevorderen;

23.  benadrukt dat opleidingen moeten worden samengesteld en opgezet voor onderwijzers, supervisoren, directeuren en alle andere personen die zijn betrokken bij onderwijsprogramma's voor kinderen, zodat zij over alle pedagogische instrumenten beschikken voor het bestrijden van op gender gebaseerde stereotypen en het bevorderen van de gelijkheid van vrouwen en mannen;

24.  wijst erop dat hoewel de meeste EU-landen een beleid voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen in het hoger onderwijs voeren, nagenoeg al het beleid en alle projecten zijn toegespitst op vrouwen; verzoekt de lidstaten daarom om algemene nationale strategieën en initiatieven uit te werken tegen genderstereotypen in het hoger onderwijs die gericht zijn op mannen;

25.  pleit voor een gepaste voorbereiding van leerkrachten en opleiders in het formeel en informeel onderwijs door middel van onmisbare opleidingen op het vlak van gelijkheid van vrouwen/meisjes en mannen/jongens en het ontdekken van en reageren op verschillende soorten daarmee verbonden misbruik en seksueel geweld;

26.  wijst erop dat een beleid moet worden uitgewerkt dat de nadruk legt op het afbreken van genderstereotypen vanaf jonge leeftijd en op opleidingen voor bewustmaking van onderwijzers en leerlingen, en dat loopbaandiversificatie voor zowel vrouwen als mannen stimuleert en steunt;

27.  verzoekt de EU en de lidstaten om actief beleid te voeren om meisjes uit minderheden en meisjes afkomstig uit migrantengemeenschappen toegang tot onderwijs en onderwijssystemen te verzekeren;

28.  verzoekt de lidstaten om de leerplannen en de verdere inhoud van schoolboeken aan een analyse te onderwerpen ter voorbereiding van hervormingen tot opname van genderkwesties als vakoverschrijdend thema in al het onderwijsmateriaal, zowel door genderstereotypen te bestrijden als door de bijdrage en de rol van vrouwen aan en in de geschiedenis, de literatuur, de kunsten, enz. beter zichtbaar te maken, dit alles reeds vanaf de vroegste jaren van het onderwijstraject;

29.  verzoekt de EU om een Europese dimensie tot stand te brengen in het onderwijs, onder meer door te zorgen voor de uitwisseling van goede praktijken op het vlak van gendergelijkheid als onderwijsinstrument en door gendergerelateerde statistische gegevens over alle aspecten van het onderwijs op nationaal en Europees niveau te ontwikkelen en te vergaren;

30.  roept de EU op om alle evaluatieprogramma's te voorzien van kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren op het vlak van gendergelijkheid teneinde de kwaliteit van het onderwijs op Europese scholen op dit gebied te kunnen beoordelen;

Arbeidsmarkt

31.  vestigt de aandacht op het feit dat de bezorgdheid over de negatieve invloed van genderstereotypen op de loonkloof van 16,4% toeneemt en verzoekt de Commissie en de lidstaten om hiermee rekening te houden wanneer ze nieuw beleid ontwikkelen;

32.  wijst erop dat uit de beschikbare gegevens blijkt dat door vrouwen verworven kwalificaties en ervaring financieel minder worden beloond dan die verworven door mannen, deels omdat het werk van de vrouw altijd is beschouwd als een aanvulling op het gezinsinkomen, wat aanzienlijk heeft bijgedragen tot het ontstaan en de instandhouding van de loonverschillen tussen mannen en vrouwen;

33.  benadrukt dat bewustmakingsactiviteiten nodig zijn om werknemers en werkgevers in te lichten over het verband tussen genderstereotypen enerzijds en de kloof tussen de lonen en de banen van mannen en vrouwen anderzijds, om andere maatschappelijke belanghebbenden te informeren over het feit dat genderstereotypen de mogelijkheden van vrouwen op zowel de arbeidsmarkt als in hun privéleven beperken, om overheids- en privébedrijven en -agentschappen aan te moedigen doorzichtig te werk te gaan, en om gelijk loon voor gelijk werk en werk van gelijke waarde te garanderen;

34.  roept de lidstaten op om de loonstructuren te herzien binnen beroepen die gedomineerd worden door vrouwen, om zo genderstereotypen die verankerd zijn in de loonkloofproblematiek tegen te gaan; dringt er bij de lidstaten, werkgevers en vakverenigingen op aan om bruikbare en concrete jobevaluatie-instrumenten te ontwikkelen en toe te passen die kunnen helpen bepalen wat gelijkwaardig werk is en zodoende gelijk loon voor vrouwen en mannen kunnen helpen verzekeren;

35.  dringt er bij de lidstaten op aan beleid vast te stellen dat erop gericht is om de mogelijkheden van goedkope kinderopvang van hoge kwaliteit voor werkende ouders in heel Europa uit te breiden en te helpen constructies op te zetten waarmee ouders die voor ondernemingen werken een betere balans tussen werk en gezin kunnen vinden, met name door de oprichting en voortzetting van faciliteiten voor kinderopvang bij ondernemingen te ondersteunen; moedigt de lidstaten eveneens aan de faciliteiten voor zorg voor andere categorieën afhankelijke personen (ouderen, personen met een handicap, behoeftigen) te verbeteren, waardoor door een betere afstemming van werk en gezinsleven, vrouwen worden aangemoedigd actief deel te nemen aan de arbeidsmarkt;

36.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om te zorgen voor flexibele vormen van werkgelegenheid alsook voor gepaste vormen van ouderschapsverlof voor zowel mannen als vrouwen;

37.  wijst op het feit dat genderstereotypen de tendens hebben zichzelf waar te maken en dat wanneer vrouwen niet de kans krijgen zichzelf te bewijzen, zij er nooit in zullen slagen de belemmeringen op te heffen die hun vooruitgang in de weg staan;

38.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om het ondernemerschap onder vrouwen alsmede programma's voor zelfstandig ondernemerschap te bevorderen, en passende scholing, financiering en ondersteuning te bieden;

39.  herinnert de Commissie eraan dat voornamelijk oudere vrouwen het slachtoffer zijn van de loonkloof, die ook gevolgen heeft voor de pensioenen, waardoor zij een groter risico lopen op extreme en blijvende armoede zodra zij de pensioenleeftijd bereiken;

40.  merkt op dat als gevolg van de nieuwe EU-pensioenregels meer oudere vrouwen in armoede zullen terechtkomen wanneer zij de pensioenleeftijd bereiken; benadrukt daarom het belang om geen amendementen in het witboek te steunen die de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen vergroten;

41.  verzoekt de Commissie om een analyse uit te voeren van de tenuitvoerlegging van de EU-richtlijn inzake seksuele intimidatie op het werk en een verslag op te stellen over de nog bestaande tekortkomingen en problemen, met het oog op de versterking van de wetgeving en de maatregelen van de lidstaten op dit vlak;

Economische en politieke besluitvorming

42.  vestigt de aandacht op het feit dat in 2009 23% van de nationale regeringsleden een vrouw was en steunt de invoering van verplichte quota om het aantal vrouwen in regeringen en nationale parlementen en in de regionale en gemeentelijke politiek, evenals in de EU-instellingen te verhogen; dringt eveneens aan op bewustwordings- en stimuleringscampagnes om vrouwen aan te moedigen politiek actiever te worden en zich kandidaat te stellen voor de lokale of nationale politiek;

43.  brengt in herinnering dat de Europese verkiezingen van 2014, gevolgd door de benoeming van de volgende Commissie en de benoemingen voor de „topbanen” binnen de EU, een uitgelezen kans zijn om richting paritaire democratie binnen de EU te gaan en voor de EU om een rolmodel te worden op dit gebied;

44.  roept de lidstaten op om pariteit te steunen door een vrouw en een man voor te stellen als kandidaat voor de functie van Europees commissaris; roept de voorgedragen voorzitter van de Commissie op om te streven naar pariteit bij de samenstelling van de Commissie; roept de Commissie op om publiekelijk steun te geven aan deze procedure;

45.  herinnert eraan dat in 2010 de leden van raden van bestuur in Europa slechts voor 12% uit vrouwen bestonden; steunt het streven van de Commissie om verplichte quota voor vrouwen in verantwoordelijke functies bij de grootste beursgenoteerde bedrijven vast te stellen;

Overige acties

46.  verzoekt de lidstaten hun benadering van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt en van mechanismen die werkenden in staat stellen een balans te vinden tussen werk en gezin, te herzien, aangezien stereotypen beroepensegregatie en de loonkloof tussen mannen en vrouwen in de hand kunnen werken;

47.  verzoekt de lidstaten om van de strijd tegen geweld jegens vrouwen een prioritair strafrechtbeleid te maken; spoort de lidstaten aan hiertoe de samenwerking tussen hun gerechtelijke autoriteiten en nationale politiediensten alsook de uitwisseling van goede praktijken te intensiveren;

48.  benadrukt dat alle vormen van geweld tegen vrouwen moeten worden bestreden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om in onderling overleg actie te ondernemen, in de vorm van bijvoorbeeld bewustmakings- en voorlichtingscampagnes, op het gebied van gendergeweld, en strategieën te ontwikkelen om de maatschappelijke stereotypen over vrouwen te veranderen via voorlichting en de media, en de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen; dringt nogmaals aan op de noodzaak zich niet alleen op de slachtoffers maar ook op de daders te richten, om laatstgenoemden bewuster te maken en bij te dragen aan een verandering van de stereotypen en vastgeroeste sociale overtuigingen die ervoor zorgen dat de omstandigheden die dit soort geweld voortbrengen en de acceptatie daarvan in stand blijven;

49.  spoort de Commissie en de lidstaten aan gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen te bevorderen, onder meer via informatiecampagnes die de rol en deelname van vrouwen op politiek, economisch en sociaal gebied alsook op het vlak van sport, gezondheid, kunst, wetenschap en op alle andere niveaus van de samenleving in een positief daglicht zetten;

50.  is van mening dat er zowel op nationaal als op Europees niveau wetgevende en niet-wetgevende maatregelen nodig zijn om stereotypen de wereld uit te helpen, om een einde te maken aan loonverschillen en om te zorgen voor een grotere deelname van vrouwen in sectoren die door mannen gedomineerd worden en voor een grotere erkenning van de vaardigheden en de economische waarde van vrouwen op de werkvloer, teneinde horizontale en verticale uitsluiting te voorkomen en de vertegenwoordiging van vrouwen in de besluitvormingsorganen in de politiek en in het bedrijfsleven te verbeteren;

51.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een daadkrachtig beleid te voeren om genderstereotypen te bestrijden en mannen ertoe aan te zetten in gelijke mate te participeren in huishoudelijke taken en in de zorg voor de kinderen, in het bijzonder door middel van stimulansen voor mannen om ouderschaps- en vaderschapsverlof te nemen, hetgeen hun rechten als ouder zal versterken, voor een grotere mate van gelijkheid tussen vrouwen en mannen zal zorgen en tot een passender verdeling van de gezins- en huishoudelijke taken zal leiden, en vrouwen beter in staat zal stellen volledig aan de arbeidsmarkt deel te nemen; verzoekt de lidstaten eveneens om werkgevers te overtuigen om gezinsvriendelijke maatregelen te treffen;

52.  verzoekt de Commissie en de nationale regeringen van de lidstaten om aanvullend onderzoek naar genderstereotypering aan te moedigen en meer statistische gegevens over genderstereotypen te verzamelen door gepaste indicatoren voor genderstereotypering te ontwikkelen;

53.  brengt bij de Commissie in herinnering dat gendergelijkheid als beginsel verankerd is in artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

54.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het werkgelegenheidspotentieel van mannen en vrouwen in verschillende beroepsgroepen te steunen, teneinde te waarborgen dat aan de eisen van de arbeidsmarkt wordt voldaan en dat beide geslachten gelijke kansen krijgen;

55.  verzoekt de Commissie om alle vormen van geweld, discriminatie en stereotypering tegen vrouwen te bestrijden, opdat zij al hun mensenrechten ten volste kunnen genieten;

56.  verzoekt de Commissie om de lidstaten aan te sporen hun beloftes die zij in het Europees Pact voor gendergelijkheid hebben gedaan, na te komen;

57.  moedigt het Europees Instituut voor gendergelijkheid en de verschillende nationale instituten voor gendergelijkheid aan om verder onderzoek naar de grondoorzaken van genderstereotypen en het effect van stereotypen op gendergelijkheid te stimuleren, en benadrukt dat het belangrijk is nieuwe ideeën en onderzoek over beste praktijken uit te wisselen om genderstereotypen in de lidstaten en de EU-instellingen uit te kunnen bannen;

58.  herinnert de Commissie aan de resolutie van het Parlement van 3 september 2008 over het effect van marketing en reclame op de gelijkheid tussen vrouwen en mannen, en verzoekt haar om een gevolg te geven aan de aanbevelingen in deze resolutie;

59.  verzoekt de EU en de lidstaten om bewustmakings-, onderwijs en opleidingscampagnes te voeren om discriminerende culturele normen alsook de heersende seksistische stereotypen en maatschappelijke stigmatisering, die geweld tegen vrouwen legitimeren en voortzetten, te bestrijden, alsook om te verzekeren dat geweld niet gerechtvaardigd kan worden op grond van gebruiken, tradities of religieuze overwegingen;

60.  verzoekt de EU en de lidstaten om de uitwisseling van goede modellen te bevorderen, peer learning-activiteiten tussen lidstaten mogelijk te maken en financiering ter beschikking te stellen voor campagnes op EU- en op nationaal niveau ter bestrijding van genderstereotypen;

61.  verzoekt de EU de huidige kloof tussen de Europese wetgeving tegen rassendiscriminatie enerzijds en discriminatie op basis van geslacht anderzijds te dichten en nieuwe wetgeving in te dienen om te zorgen voor gelijkheid van mannen en vrouwen in onderwijs en de media;

62.  verzoekt de EU en de lidstaten om voorzorgsmaatregelen te treffen (in de vorm van ombudspersonen of mediatoezichthouders met deskundigen op het vlak van gendergelijkheid) om ervoor te zorgen dat de sectoriële gedragscodes tevens betrekking hebben op gendergelijkheid en ook daadwerkelijk worden nageleefd, alsmede om ervoor te zorgen dat het publiek indien nodig klachten hieromtrent kan indienen;

o
o   o

63.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 59 van 23.2.2001, blz. 258.
(2) PB C 320E van 15.12.2005, blz. 247.
(3) PB C 348E van 21.12.2010, blz. 11.
(4) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(5) PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.
(6) PB L 269 van 5.10.2002, blz. 15.
(7) Bijlage bij de conclusies van de Raad van 7 maart 2011.
(8) PB C 295E van 4.12.2009, blz. 43.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0069.
(10) PB C 304 van 6.10.1997, blz. 60.


De situatie van vrouwen in Noord-Afrika
PDF 165kWORD 42k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over de situatie van vrouwen in Noord-Afrika (2012/2102(INI))
P7_TA(2013)0075A7-0047/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 5, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Africa-EU Strategic Partnership: Joint Africa-EU Strategy,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 „Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015” (COM(2010)0491),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, „Een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse Zeegebied” (COM(2011)0200), „Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden” (COM(2011)0303) en „Resultaten boeken voor een nieuw Europees nabuurschapsbeleid” (JOIN(2012)0014),

–  gezien de thematische en geografische financiële instrumenten van de Commissie met betrekking tot democratisering en mensenrechten (zoals het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) en het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI)),

–  gezien de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel 2012-2016 (COM(2012)0286),

–  gezien de resolutie van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa over „Gelijkheid van mannen en vrouwen: een voorwaarde voor het welslagen van de Arabische Lente”(1),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 18 december 1979 (CEDAW), het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 en het Facultatieve Protocol op het laatstgenoemde verdrag, inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie van 25 mei 2000,

–  gezien Resolutie 67/167 van de Algemene Vergadering van de VN van 20 december 2012 over vrouwelijke genitale verminking,

–  gezien de in september 1995 in Peking gehouden vierde Wereldvrouwenconferentie, de verklaring van Peking en het in Peking onderschreven actieprogramma (Platform for Action), alsmede de daaropvolgende slotdocumenten betreffende verdere acties en initiatieven voor de uitvoering van de verklaring van Peking en het actieprogramma die tijdens de speciale VN-vergaderingen Peking +5 en Peking +10 respectievelijk op 9 juni 2000, 11 maart 2005 en 2 maart 2010 werden aangenomen,

–  gezien het protocol bij het Afrikaanse handvest inzake de mensenrechten en de rechten van volkeren met betrekking tot de rechten van vrouwen in Afrika,

–  gezien de werkzaamheden van de Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied,

–  gezien het proces van Istanbul en Marrakesh en de conclusies van de eerste en tweede Euromediterrane ministersconferentie in Istanbul in 2006 respectievelijk in Marrakesh in 2009 over „De versterking van de rol van de vrouw in de samenleving”, welke conferenties werden gehouden op 14 t/m 15 november 2006 in Istanbul en op 11 t/m 12 november 2009 in Marrakesh,

–  gezien de conclusies van de dialogen in de MENA-regio (Midden-Oosten en Noord-afrika) tussen maatschappelijke organisaties, overheidsorganen en politieke leiders die in juni en november 2012 in Beiroet en Amman hebben plaatsgevonden in het kader van het door de EU gefinancierde regionale project „Bevorderen van een gemeenschappelijke agenda voor de gelijkheid van vrouw en man via het proces van Istanbul”,

–  gezien het programma 'Spring forward for Women', het gezamenlijke regionale programma voor de zuidelijke Middellandse Zeeregio, uitgevoerd door de Commissie en UN Women,

–  gezien „A report card on adolescents”, de 10e uitgave van het UNICEF-voortgangsrapport over de situatie van kinderen,

–  gezien het verslag over menselijke ontwikkeling in Arabische landen van de UNDP uit 2005 „Naar een prominentere rol voor vrouwen in de Arabische wereld” en het verslag uit 2009 „Uitdagingen voor menselijke veiligheid in de Arabische regio”, met name het hoofdstuk over de persoonlijke onveiligheid van kwetsbare groepen,

–  gezien zijn resolutie van 17 februari 2011 over de situatie in Egypte(2),

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2011 over de zuidelijke nabuurschapslanden en in het bijzonder Libië(3),

–  gezien zijn resolutie van 7 april 2011 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid - de zuidelijke dimensie(4),

–  gezien zijn resolutie van 7 april 2011 over het gebruik van seksueel geweld in de conflicten in Noord-Afrika en het Midden-Oosten(5),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2012 over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie - 2011(6),

–  gezien zijn aanbeveling van 29 maart 2012 aan de Raad over de modaliteiten voor de mogelijke oprichting van een Europees Fonds voor Democratie (EDD)(7),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0047/2013),

A.  overwegende dat veel vrouwen, en met name jonge vrouwen, in Noord-Afrika sterk betrokken waren bij de Arabische Lente en vanaf het begin af aan deelnamen aan betogingen, het publieke en politieke debat en verkiezingen, een actieve rol speelden op het maatschappelijk middenveld, o.a. in de sociale media en op blogs, en derhalve een sleutelrol speelden en nog steeds spelen in het democratiseringsproces in hun landen en bij de bevordering van ontwikkeling en cohesie;

B.  overwegende dat deze landen een proces van politieke en democratische overgang doormaken waarbij hun grondwet moet worden gewijzigd of aangepast, en dat vrouwen, ongeacht of zij parlementariër of verkozen zijn of deel uitmaken van het maatschappelijk middenveld, daar op actieve en consistente wijze bij worden betrokken; overwegende dat het resultaat hiervan bepalend is voor het democratisch functioneren van die landen en voor de fundamentele rechten en vrijheden, en van invloed zal zijn op de status van vrouwen;

C.  overwegende dat de rol die vrouwen op het ogenblik van de revolutie spelen niet verschilt van de rol die zij moeten spelen bij het proces van democratische ontwikkeling en wederopbouw van de staat; voorts overwegende dat het welslagen van dit proces afhankelijk is van de actieve betrokkenheid van vrouwen op alle niveaus van de besluitvorming;

D.  overwegende dat vrouwen in deze landen, zij het in ongelijke mate, een prominentere plek hebben verworven in het hoger onderwijs, het maatschappelijk middenveld, ondernemingen en instellingen, zelfs als de daadwerkelijke uitoefening van hun rechten onder dictatoriale en paternalistische regimes beperkt was en de deelname van vrouwen aan verschillende beperkende voorwaarden was gebonden;

E.  overwegende dat de rechten van de vrouw een van de meest besproken kwesties zijn in het huidige politieke proces en de voornaamste zorg van vrouwen, omdat zij het risico lopen van een terugslag en intimidatie, waardoor hun kansen op een gedeelde democratie en gelijke kansen voor man en vrouw zouden kunnen afnemen;

F.  overwegende dat verschillende genderkwesties, zoals de rechten van meisjes en vrouwen als integraal onderdeel van de universele mensenrechten, gelijke rechten en naleving van internationale verdragen centraal staan in de constitutionele debatten;

G.  overwegende dat de vertegenwoordiging van vrouwen in de politiek en in leidinggevende functies in alle sectoren van land tot land verschilt, maar procentueel gezien teleurstellend is in vergelijking met de sterke betrokkenheid van vrouwen bij de verschillende protestbewegingen en de daaropvolgende verkiezingen alsmede met de toegenomen percentages hoogopgeleide vrouwen;

H.  overwegende dat er in het hernieuwde nabuurschapsbeleid van de EU meer nadruk gelegd zou moeten worden op gendergelijkheid, de zelfredzaamheid van vrouwen en ondersteuning van het maatschappelijk middenveld;

I.  overwegende dat op dit moment de specifieke steun van de EU aan gendervraagstukken in de regio 92 miljoen euro bedraagt, waarvan 77 miljoen euro bilateraal wordt besteed en 15 miljoen euro regionaal;

J.  overwegende dat van de bilaterale programma's van de EU het belangrijkste in Marokko zal worden uitgevoerd, met een begroting van 45 miljoen euro voor „het bevorderen van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen”, en overwegende dat in Egypte een programma van 4 miljoen euro zal worden uitgevoerd door UN Women, de organisatie die momenteel in Tunesië en Libië bilaterale programma's uitvoert voor vrouwen in de aanloop naar verkiezingen;

K.  overwegende dat de sociaal-economische situatie, met name de hoge werkloosheid onder jongeren en vrouwen, en armoede, die vaak tot de marginalisering van vrouwen leiden en hen steeds kwetsbaarder maken, de belangrijkste oorzaak was van de opstanden in de regio, tezamen met het streven naar rechten, waardigheid en rechtvaardigheid;

L.  overwegende dat meisjes en vrouwen tijdens en na de opstanden in de gehele regio slachtoffer waren van veelvuldig seksueel geweld, inclusief verkrachtingen en maagdelijkheidstests die werden uitgevoerd als middel om politieke druk uit te oefenen op vrouwen, o.a. door de veiligheidstroepen, en openlijke seksuele intimidatie; overwegende dat gendergerelateerde intimidatie door extremistische bewegingen steeds vaker wordt toegepast;

M.  overwegende dat de situatie van migrantenvrouwen en –kinderen nog kritieker is door de onveiligheid in sommige delen van de regio en door de economische crisis;

N.  overwegende dat het gevaar van mensenhandel stijgt in landen die een overgangsproces doormaken en in gebieden waar burgers geconfronteerd worden met conflicten of waar veel vluchtelingen of ontheemden worden aangetroffen;

O.  overwegende dat er één fundamentele kwestie is die in de constitutionele debatten aan de orde komt, nl. of in de grondwet moet worden bepaald dat de islam de godsdienst van het volk of de staat is;

P.  overwegende dat de publieke participatie bij het grondwettelijk referendum in Egypte in december 2012 onvoldoende was en dat het ontwerp niet de instemming van alle partijen heeft gekregen, waardoor een aantal twijfels en verschillende mogelijke interpretaties blijven bestaan over een aantal belangrijke constitutionele vraagstukken, waaronder de rechten van vrouwen;

Q.  overwegende dat de parlementaire dimensie van de Unie voor het Middellandse Zeegebied (UMZ) en het proces van Istanbul en Marrakesh voor wetgevers tot de beste instrumenten behoren om over al deze onderwerpen van gedachten te wisselen en dat binnen de parlementaire vergadering van de UMZ een Commissie rechten van de vrouw bestaat, waarvan op de juiste manier gebruik moet worden gemaakt;

Vrouwenrechten

1.  dringt er bij de autoriteiten van de betrokken lidstaten op aan in hun grondwet het beginsel van gelijkheid van man en vrouw onomkeerbaar op te nemen, zodat expliciet duidelijk wordt gemaakt dat alle vormen van discriminatie van en geweld tegen vrouwen en meisjes verboden zijn, dat uitvoering van positieve acties mogelijk is en dat de politieke, economische en sociale rechten van de vrouw vast verankerd zijn; doet een beroep op de wetgevers in deze landen om alle bestaande wetten te hervormen en het gelijkheidsbeginsel op te nemen in alle projecten of wetgevingsvoorstellen die tot discriminatie van vrouwen zouden kunnen leiden, bij voorbeeld met betrekking tot huwelijk, scheiding, voogdij over kinderen, ouderlijke rechten, nationaliteit, erfenis en rechtspositie, in overeenstemming met internationale en regionale rechtsinstrumenten, en vraagt hen te waarborgen dat er binnenlandse mechanismen bestaan voor de bescherming van de rechten van de vrouw;

2.  doet een beroep op de nationale autoriteiten om de gelijkheid van man en vrouw te waarborgen in het wetboek van strafrecht en socialezekerheidsstelsels;

3.  benadrukt dat een gelijke participatie van vrouwen en mannen op alle terreinen een essentieel aspect van de democratie is en dat bestuurlijke betrokkenheid van vrouwen een voorwaarde vormt voor sociaaleconomische vooruitgang, sociale samenhang en een rechtvaardig democratisch bestuur; dringt er daarom bij alle landen met klem op aan om van gendergelijkheid een speerpunt te maken in hun programma's ter bevordering van de democratie;

4.  onderstreept dat de overgangsprocessen die zich momenteel in Noord-Afrika voltrekken, pas zullen uitmonden in democratische politieke stelsels en samenlevingen wanneer de gendergelijkheid, met vrijheid bij de keuze van de eigen levensstijl, een feit is;

5.  dringt er bij de nationale autoriteiten in Noord-Afrika op aan het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) volledig te implementeren, de bijbehorende protocollen en de internationale mensenrechtenverdragen en derhalve alle voorbehouden ten aanzien van het CEDAW in te trekken; verzoekt hen tevens mee te werken met de VN-mechanismen ter bescherming van de rechten van meisjes en vrouwen;

6.  herinnert aan het open debat onder islamitische vrouwelijke intellectuelen om religieuze teksten te interpreteren vanuit het oogpunt van de rechten van de vrouw en gendergelijkheid;

7.  herinnert eraan dat het van belang is de vrijheid van meningsuiting en godsdienst en het pluralisme onder meer te waarborgen door het bevorderen van wederzijds respect en een interconfessionele dialoog, met name tussen vrouwen;

8.  roept de staten op om een algemeen, alomvattend en actief debat op gang te brengen met alle betrokkenen, onder meer het maatschappelijk middenveld, de sociale partners, de plaatselijke vrouwenbewegingen, de plaatselijke autoriteiten en de religieuze leiders, en erop toe te zien dat de rechten van vrouwen en het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen worden beschermd en gewaarborgd;

9.  herinnert eraan dat geen enkele monotheïstische godsdienst geweld tussen mensen voorstaat of hiervoor mag worden misbruikt;

10.  verzoekt de Noord-Afrikaanse landen wetten en concrete maatregelen vast te stellen die alle vormen van geweld tegen vrouwen verbieden en sancties voor overtredingen bevatten, inclusief huiselijk en seksueel geweld, seksuele intimidatie en schadelijke traditionele praktijken als genitale verminking van vrouwen en gedwongen huwelijken, inzonderheid in het geval van minderjarige meisjes; onderstreept het belang van slachtofferbescherming en specifieke hulpverlening; is verheugd over de recente campagne tegen huiselijk geweld die gestart is door de Tunesische minister voor Vrouwen- en Gezinszaken, alsook over de aanhoudende inspanningen op dit gebied van Marokko, dat in 2012 een tiende nationale campagne ter bestrijding van geweld tegen vrouwen heeft georganiseerd;

11.  herinnert aan de dubbele discriminatie waarmee lesbische vrouwen te maken krijgen, en verzoekt de nationale autoriteiten in Noord-Afrika homoseksualiteit te decriminaliseren en erop toe te zien dat vrouwen niet op grond van hun seksuele geaardheid worden gediscrimineerd;

12.  benadrukt dat alle gewelddaden tegen vrouwen, in het bijzonder seksueel geweld, moeten worden bestraft, door ervoor te zorgen dat er een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar dergelijke misdaden, dat hierbij vervolging wordt ingesteld en zware bestraffing plaatsvindt, dat minderjarigen door het rechtsstelsel adequaat worden beschermd en dat alle vrouwen onbelemmerd toegang tot de rechter hebben, zonder discriminatie op grond van godsdienst en/of etnische herkomst;

13.  verzoekt de nationale regeringen een toereikende opleiding te bieden om ervoor te zorgen dat medewerkers van justitie en veiligheidstroepen behoorlijk zijn voorbereid op de behandeling van seksuele geweldsmisdrijven en de slachtoffers daarvan; onderstreept het belang van een rechtsstelsel voor de overgangsperiode waarin de genderproblematiek wordt onderkend;

14.  veroordeelt het plegen van alle vormen van geweld, met name seksueel geweld, vóór, tijdens en ná de opstanden en het aanhoudend gebruik ervan als vorm van politieke druk en als middel voor het onderdrukken, intimideren en vernederen van vrouwen; doet een beroep op de nationale rechtsstelsels om deze misdrijven met adequate maatregelen te vervolgen, en benadrukt dat het Internationaal Strafhof zou kunnen optreden als er op nationaal niveau geen rechtsmiddelen kunnen worden ingezet;

15.  wijst erop dat de vrouwen in Noord-Afrika tijdens en na de opstanden kwetsbaarder zijn geworden en vaker tot de slachtoffers behoorden;

16.  verzoekt de Noord-Afrikaanse landen om voor de slachtoffers van seksueel geweld tijdens en na de opstanden een strategie te ontwikkelen die deze slachtoffers een adequate schadevergoeding en economische, sociale en psychologische hulp biedt; verzoekt de autoriteiten in de Noord-Afrikaanse landen prioriteit toe te kennen aan het voor de rechter brengen van de daders;

17.  veroordeelt de praktijk van vrouwelijke genitale verminking die in sommige delen van Egypte nog steeds wordt toegepast, en verzoekt de nationale autoriteiten meer werk te maken van de toepassing van het verbod, en de Commissie programma's vast te stellen die de uitbanning van deze praktijk tot doel hebben, o.a. door het inschakelen van ngo's en door middel van gezondheidsonderwijs; onderstreept voorts het belang van bewustmaking, mobilisering van de gemeenschap, onderwijs en opleiding en de noodzaak van het betrekken van de nationale, regionale en lokale overheden, maatschappelijke organisaties en religieuze en andere leiders bij de bestrijding van de praktijk van vrouwelijke genitale verminking;

18.  is verheugd dat steeds meer landen in de regio hebben besloten de wettelijke huwbare leeftijd voor meisjes in de afgelopen decennia op te trekken (16 in Egypte, 18 in Marokko en 20 in Tunesië en Libië) en veroordeelt iedere poging om deze leeftijd weer te verlagen of de effecten van dergelijke hervormingen te beperken, omdat huwelijken op jonge leeftijd, die vaak worden afgedwongen, niet alleen nadelig zijn voor de rechten, de lichamelijke en geestelijke gezondheid en het onderwijspeil van meisjes, maar ook omdat armoede op die manier wordt gecontinueerd en zo de economische groei nadelig wordt beïnvloed;

19.  onderstreept dat discriminatie en geweld tegen vrouwen en meisjes in geen geval kunnen worden gerechtvaardigd door cultuur, traditie of godsdienst;

20.  benadrukt de noodzaak om vooral bij de opzet van nieuwe gezondheidsbeleidsvormen de toegang tot gezondheids- en maatschappelijke bescherming en diensten voor meisjes en vrouwen te verbeteren, met name op het gebied van gezondheid en rechten tijdens de zwangerschap en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; vraagt de nationale autoriteiten om onverkorte uitvoering van het actieprogramma van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD), en van de VN-agenda voor ontwikkeling en bevolking en vestigt de aandacht op de conclusies van het rapport van het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA)„Een vrije keuze: gezinsplanning, mensenrechten en ontwikkeling”;

21.  wijst op het belang van specifieke maatregelen om vrouwen over hun rechten te informeren, en op het belang van samenwerking met maatschappelijke organisaties en overheidsinstanties met het oog op de voorbereiding van hervormingen en de uitvoering van antidiscriminatiewetgeving;

Deelname van vrouwen aan de besluitvorming

22.  benadrukt dat de actieve deelname van vrouwen aan het openbare en politieke leven, als demonstranten, kiezers, kandidaten en gekozen vertegenwoordigers, aantoont dat zij de wil hebben hun burgerrechten ten volle uit te oefenen en zich in te zetten voor de opbouw van een democratische samenleving; wijst erop dat de recente gebeurtenissen tijdens de Arabische Lente aantonen dat vrouwen een belangrijke rol kunnen spelen in revolutionaire bewegingen; dringt er derhalve op aan dat alle noodzakelijke maatregelen worden getroffen, waaronder positieve maatregelen en quota, om toe te werken naar een situatie waarin vrouwen op alle bestuurlijke niveaus (van lokaal tot nationaal, van uitvoerende tot wetgevende macht) op voet van gelijkheid deelnemen aan de besluitvorming;

23.  acht het van het grootste belang dat meer vrouwen worden betrokken bij de opstelling van wetsteksten in de nationale parlementen, teneinde een rechtvaardiger wetgevingspraktijk en een werkelijk democratische gang van zaken te waarborgen;

24.  steunt de idee van vele vrouwelijke parlementariërs in deze landen dat vrouwenrechten, gendergelijkheid, de actieve deelname van vrouwen aan het politieke, economische en maatschappelijke leven dankzij verbetering van hun competenties, en de bestrijding van discriminatie beter bevorderd en geïmplementeerd kunnen worden in de wetgeving door de oprichting van een vrouwenraad of een bijzondere parlementaire commissie voor gendergelijkheid, waar deze nog niet bestaat, om het onderwerp te behandelen en gendermainstreaming in het parlementaire werk te waarborgen;

25.  dringt erop aan dat vrouwen op alle besluitvormingsniveaus sterker moeten worden vertegenwoordigd, met name in de instituties, politieke partijen, vakbonden en de publieke sector (o.a. rechterlijke macht), en benadrukt dat vrouwen vaak in een aantal sectoren goed vertegenwoordigd zijn maar minder op hoge posities, ten dele door aanhoudende discriminatie en denken in stereotypen en door het fenomeen van het glazen plafond;

26.  is van mening dat als voorwaarde voor een democratisch overgangsproces seksespecifiek beleid met bijbehorende mechanismen moet worden uitgevoerd om te waarborgen dat vrouwen volwaardig en op voet van gelijkheid deelnemen aan de besluitvorming in het openbare leven, zij het op politiek, economisch, sociaal of milieugebied;

27.  benadrukt de belangrijke rol van onderwijs en media bij het bevorderen van een maatschappelijke mentaliteitsverandering en bij het omarmen van democratische beginselen met het oog op respect voor de menselijke waardigheid en een goede verstandhouding tussen de geslachten;

28.  onderstreept dat het van belang is meer vrouwen te betrekken bij vredesoverleg, bemiddeling, binnenlandse verzoening en vredesprocessen;

29.  onderstreept het belang van de organisatie en financiering van opleidingen om vrouwen voor te bereiden op politiek leiderschap, en van andere maatregelen die bijdragen tot de ontvoogding van vrouwen en tot hun actieve participatie op politiek, economisch en sociaal gebied;

Verbetering van de positie van de vrouw

30.  prijst landen die hun inspanningen op het gebied van onderwijs aan meisjes hebben geïntensiveerd; wijst er echter nogmaals op dat de toegang tot onderwijs, en dan met name hoger onderwijs en inhaalonderwijs, voor meisjes en vrouwen moet worden verbeterd; wijst erop dat er nog steeds het nodige moet gebeuren om analfabetisme onder vrouwen uit te bannen en dat het accent moet liggen op beroepsopleidingen, met inbegrip van cursussen om de digitale kennis van vrouwen te bevorderen; beveelt aan om gendergelijkheid op te nemen in de leerplannen;

31.  wijst erop dat de toegang van meisjes tot het middelbaar en hoger onderwijs en de kwaliteit van het onderwijs prioriteiten moeten zijn voor de regeringen en de parlementen van de Noord-Afrikaanse landen, omdat zij ertoe kunnen bijdragen ontwikkeling en economische groei en een duurzame democratie te verzekeren;

32.  vraagt dat beleid wordt ontwikkeld dat rekening houdt met de specifieke situatie van de meest kwetsbare groepen van vrouwen: jonge meisjes, gehandicapte vrouwen, vrouwelijke migranten en vrouwen uit etnische minderheden, alsook lesbiennes en transseksuelen;

33.  benadrukt dat er nog veel meer moet gebeuren om te zorgen voor economische onafhankelijkheid van vrouwen en hun deelname aan economische activiteiten te stimuleren, met inbegrip van de agrarische en de dienstensector; wijst erop dat economische onafhankelijkheid vrouwen weerbaarder maakt tegen geweld en vernedering; is van mening dat uitwisseling van beste praktijken tussen ondernemers, vakbonden en het maatschappelijk middenveld op regionaal niveau moet worden gestimuleerd, met name om de meest benadeelde vrouwen in plattelandsgebieden en arme stedelijke gebieden te steunen;

34.  verzoekt de regeringen van de Noord-Afrikaanse landen een grotere arbeidsmarktparticipatie van vrouwen aan te moedigen en te ondersteunen en alle nodige maatregelen te nemen om discriminatie op de werkplek op grond van geslacht te voorkomen; benadrukt dat er behoefte is aan instrumenten waarmee vrouwen in staat kunnen worden gesteld de arbeidsmarkt te betreden op terreinen die voor hen traditioneel niet open stonden;

35.  beseft welke rol de media spelen bij het onder de aandacht brengen van kwesties die verband houden met de situatie van vrouwen en hun rol in de samenleving, en welke invloed de media hebben op de houding van de burgers in hun land; beveelt de opstelling van een actieplan aan dat vrouwen in de media moet ondersteunen, als beroepskeuze en als mogelijkheid om na te gaan hoe vrouwen op de televisie worden voorgesteld, via de productie van televisieprogramma's en het gebruik van de nieuwe media (internet en sociale netwerken) om de politieke participatie van vrouwen te stimuleren en om de boodschap te verspreiden dat traditie en gelijke kansen harmonieus kunnen samengaan;

36.  beveelt aan dat er stappen moeten worden genomen om de verbetering van de positie van vrouwen te monitoren, ook met betrekking tot hun rechten als werknemer, met name in de industriële sector en de dienstverlenende sector, in plattelands- en stedelijke gebieden, en om vrouwelijk ondernemerschap en gelijke beloning te stimuleren;

37.  wijst erop dat er een positieve correlatie bestaat tussen de omvang van de kmo-sector van een land en het tempo van de economische groei; is van mening dat microfinanciering een zeer nuttig instrument is om de positie van vrouwen te verbeteren, en herinnert eraan dat investeren in vrouwen ook inhoudt dat er geïnvesteerd wordt in gezinnen en gemeenschappen en dat het armoede en sociaaleconomische onrust helpt uit te bannen, de sociale samenhang versterkt en bovendien vrouwen economisch onafhankelijker maakt; herinnert eraan dat microfinanciering verder gaat dan louter kredietverlening maar ook management, financieel en commercieel advies en spaarregelingen omvat;

38.  verzoekt de nationale autoriteiten een kaderbeleid voor microfinanciering uit te werken om te voorkomen dat vrouwen bij gebrek aan informatie of ingevolge een rechtsvacuüm worden geconfronteerd met nadelige gevolgen zoals overmatige schulden;

39.  moedigt de Noord-Afrikaanse landen aan maatregelen te nemen om het ondernemerschap van vrouwen te begeleiden en te ondersteunen, onder meer door het bieden van rechtsbescherming en het verstrekken van voorlichting en opleidingen op het gebied van sociale promotie en management;

40.  is een voorstander van de verbetering van de positie van de vrouw door middel van uitwisselingsprogramma's in het kader waarvan leden van vrouwenorganisaties en vrouwelijke wetenschappers uit verschillende landen elkaar kunnen ontmoeten en ervaringen en geleerde lessen kunnen uitwisselen, om zo strategieën en acties te kunnen uitdenken die kunnen worden gebruikt bij verschillende behoeften en achtergronden;

41.  onderstreept dat het van belang is de programma's en acties voor de verbetering van de positie van de vrouw in deze regio op drie niveaus uit te voeren: ten eerste op institutioneel niveau, door aan te dringen op gendergelijkheid via hervorming van het juridische kader en nieuwe wetsvoorstellen, in combinatie met technische hulpverlening; ten tweede door ondersteuning van maatschappelijke organisaties die zich kunnen inzetten voor de rechten van de vrouw en de inbreng van vrouwen in het besluitvormingsproces kunnen vergroten; en ten derde door rechtstreeks op lokaal niveau actief te worden, met name in plattelandsgebieden, om sociale gedragspatronen en tradities te veranderen en vrouwen ruimte te bieden in het sociale, economische en politieke leven van hun gemeenschap;

Europees nabuurschapsbeleid/EU-optreden

42.  benadrukt dat vrouwenrechten, gendergelijkheid en verbetering van de positie van vrouwen in de ENPI-programma’s centraal moeten worden gesteld, omdat dat de belangrijkste indicatoren zijn om vooruitgang op het vlak van democratisering en mensenrechten te beoordelen; is van mening dat er in ieder landenstrategiedocument en in ieder nationaal indicatief programma meer aandacht moet worden besteed aan gendergelijkheid;

43.  verzoekt de Commissie het mainstreamen van genderkwesties in de verschillende EU-maatregelen, ongeacht het centrale thema daarvan, voort te zetten en te intensiveren, en zet de Commissie ertoe aan om voor de uitvoering te blijven samenwerken met internationale organisaties, zoals UN Women;

44.  moedigt de Commissie aan een aanpak die uitgaat van gendermainstreaming te volgen bij het opstellen van de landenspecifieke stappenplannen om een dialoog te kunnen aangaan met maatschappelijke organisaties in Noord-Afrikaanse landen, om de ongelijkheden tussen vrouwen en mannen te verminderen en de voorwaarden te scheppen voor gelijke deelname van vrouwen en mannen aan besluitvormingsprocessen;

45.  verzoekt de VV/HV de dialoog met regionale Arabische instellingen te intensiveren om te bereiken dat zij een vooraanstaande rol spelen bij het mainstreamen van de rechten van de vrouw en aanverwant beleid in de gehele regio;

46.  verzoekt de VV/HV en de Commissie om uitvoering van het gezamenlijke werkprogramma inzake samenwerking dat met de Liga van Arabische Staten is ondertekend, met name ten aanzien van de versterking van de positie van de vrouw en de mensenrechten;

47.  verzoekt de Commissie om verhoging van het bedrag dat is uitgetrokken voor steun aan vrouwen in de regio; is van mening dat bij deze steun steeds rekening moet worden gehouden met de bijzondere kenmerken van elk land en de gemeenschappelijke problemen waarmee zij op regionaal vlak te maken hebben, zoals die van politieke en economische aard, waarbij moet worden nagegaan hoe regionale en bilaterale programma's elkaar kunnen aanvullen;

48.  verzoekt de Commissie de ontwikkeling van leiderschapsprogramma's voor vrouwelijke opinieleiders en leiders in de zakenwereld en de financiële sector te stimuleren en bestaande programma's op dit gebied te blijven steunen;

49.  is van mening dat de vrouwenrechten en gendergelijkheid voldoende in aanmerking moeten worden genomen in de toezeggingen van de partners overeenkomstig het „meer-voor-meer’-beginsel van het hernieuwde nabuurschapsbeleid; doet daarom een beroep op de VV/HV en de Commissie om duidelijke criteria te ontwikkelen voor het garanderen van en het toezien op de geboekte vooruitgang door middel van een transparant, inclusief proces, mede in overleg met vrouwenrechten- en maatschappelijke organisaties;

50.  dringt er bij de speciale EU-vertegenwoordiger voor de mensenrechten op aan om, in het verlengde van de herziene mensenrechtenstrategie van de EU, bijzondere aandacht te besteden aan de vrouwenrechten in Noord-Afrika;

51.  benadrukt dat het van belang is vrouwen aan te moedigen deel te nemen aan het verkiezingsproces en verzoekt de autoriteiten van de betrokken landen derhalve het recht van vrouwen om deel te nemen aan het verkiezingsproces in hun grondwet te verankeren, teneinde de hinderpalen voor een daadwerkelijke participatie van vrouwen in dit proces weg te werken; verzoekt de EU nauw met de nationale regeringen samen te werken om hun goede praktijken aan de hand te doen inzake voorlichting aan vrouwen over hun politieke rechten en hun kiesrecht; herinnert eraan dat dit gedurende de gehele verkiezingscyclus moet gebeuren door middel van ondersteuningsprogramma’s en dat het zo nodig zorgvuldig moet worden gemonitord door de EU EOM;

52.  verzoekt de Commissie verder toe te zien op de naleving van de aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissies van de Europese Unie in de Noord-Afrikaanse landen inzake vrouwenrechten en hierover een rapport voor te leggen aan het Europees Parlement;

53.  verzoekt de HV/VV en de Commissie om tijdens het politieke en beleidsoverleg met de Noord-Afrikaanse landen de juridische achterstelling van vrouwelijke werknemers in het arbeidsrecht aan de orde te stellen, in overeenstemming met het „meer-voor-meer’-beginsel, en de participatie van vrouwen in vakbonden te bevorderen;

54.  verzoekt de Commissie en andere donors programma's te bevorderen gericht op gelijke toegang tot de arbeidsmarkt en opleiding voor alle vrouwen, en de financiële middelen te verhogen voor de ondersteuning van capaciteitsopbouw van maatschappelijke organisaties van en voor vrouwen en van vrouwennetwerken op nationaal en regionaal niveau;

55.  spoort de Commissie aan de nadruk te leggen op positieve voorbeelden van vrouwelijk ondernemerschap waarbij vrouwen uit Noord-Afrikaanse landen betrokken zijn, of van organisaties waaraan vrouwelijke ondernemers uit Europa en Noord-Afrika deelnemen, eveneens op het gebied van technologie en industrie; verzoekt de Commissie dan ook instrumenten te ontwikkelen voor de verspreiding van dergelijke ervaringen zodat deze een zo nuttig mogelijke en stimulerende bijdrage kunnen leveren aan minder dynamische situaties, doordat de aandacht wordt gevestigd op de ontwikkelingsmogelijkheden van de betrokken gemeenschappen;

56.  dringt er bij de Commissie op aan bij de beoordeling van landen waarmee wordt onderhandeld over „een diepe en brede vrijhandelsovereenkomst’, rekening te houden met de potentiële sociale gevolgen van de overeenkomst voor de mensenrechten in het bijzonder de rechten van vrouwen, onder meer in de informele sector;

57.  verzoekt de Commissie steun te verlenen voor maatregelen om ervoor te zorgen dat aan de specifieke behoeften van vrouwen in crisis- en conflictsituaties, waaronder ook blootstelling aan geweld op grond van geslacht, direct en adequaat tegemoet wordt gekomen;

58.  verzoekt de VV/HV en de Commissie om tijdens politieke en beleidsoverlegbijeenkomsten met de Noord-Afrikaanse landen zodanige omstandigheden te garanderen dat het maatschappelijk middenveld onbelemmerd zijn activiteiten kan ontplooien en kan meewerken aan democratische veranderingen;

59.  dringt er bij de Commissie op aan het personeel in de EU-delegaties in de regio dat belast is met gendergelijkheid uit te breiden en te garanderen dat vrouwen en ngo’s betrokken worden bij het raadplegingsproces over de programmering;

60.  verwelkomt de nieuwe vestigingen van het agentschap van de Verenigde Naties „UN Women” in Noord-Afrika en moedigt de delegaties van de EU in de betrokken landen aan, verder met deze agentschappen samen te werken met het oog op maatregelen om de gelijke behandeling van mannen en vrouwen te verzekeren en de rechten van vrouwen na de Arabische Lente te bevorderen;

61.  dringt er bij de Commissie op aan het opzetten en financieren van adviescentra en vrouwenhuizen aan te moedigen, omdat vrouwen er advies kunnen inwinnen over allerlei onderwerpen, van politieke rechten tot juridisch advies, over gezondheid en bescherming tegen huiselijk geweld, omdat een holistische benadering gunstig is voor vrouwen en ook discreter als het gaat om geweld;

62.  moedigt de nationale autoriteiten in Noord-Afrika aan om voorlichtingsprogramma's over huiselijk geweld op te zetten in combinatie met de opening van opvanghuizen voor vrouwen die met huiselijk geweld te maken hebben gehad of momenteel hebben;

63.  verzoekt de autoriteiten in Noord-Afrikaanse landen om te zorgen voor toereikende medische en psychologische bijstand, gratis juridische dienstverlening en toegang tot de rechter en klachtenregelingen voor vrouwelijke slachtoffers en getuigen van geweld;

64.  herinnert eraan dat steun voor het maatschappelijk middenveld, ngo’s en vrouwenorganisaties ook moet worden verleend via de UMZ-instrumenten; verzoekt de Commissie de samenwerking tussen vrouwenorganisaties in de EU en hun tegenhangers in Noord-Afrika te vergemakkelijken;

65.  verzoekt de Commissie steun te verlenen aan de inspanningen in de Noord-Afrikaanse landen om een diepgewortelde, duurzame democratie op te bouwen die stoelt op eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de rechten van de vrouw en op de beginselen van gelijkheid van man en vrouw, non-discriminatie en de rechtsstaat; benadrukt dat de ontwikkeling van een actief burgerschap in de regio moet worden ondersteund met technische en financiële hulp aan het maatschappelijk middenveld, zodat er een democratische politieke cultuur kan ontstaan;

66.  verzoekt de Commissie om bij handelsoverleg volledige transparantie te betrachten, ook ten aanzien van alle achtergrondinformatie, die als basis dient voor voorstellen voor handelsakkoorden; dringt aan op de actieve betrokkenheid van vrouwengroepen en maatschappelijke organisaties gedurende het gehele proces;

67.  dringt er bij de parlementaire vergadering van de UMZ op aan ieder jaar in maart een zitting te wijden aan de situatie van vrouwen in de regio;

68.  verzoekt de Commissie zich in te zetten voor de versterking van het proces van Istanbul en Marrakesh en steun te verlenen voor programma's waarmee de dialoog tussen het maatschappelijk middenveld en de regeringen in de Euromed-regio wordt bevorderd;

69.  is van mening dat het pas opgerichte Europees Fonds voor Democratie (EDD) bijzondere aandacht moet besteden aan de betrokkenheid van vrouwen bij het proces van democratische hervormingen in Noord-Afrika, door vrouwenorganisaties en projecten op seksespecifieke gebieden te ondersteunen, zoals het aanmoedigen van interculturele en interreligieuze dialoog, het tegengaan van geweld, het scheppen van werkgelegenheid, het bevorderen van culturele en politieke participatie, gelijke toegang tot de rechter, gezondheidszorg en onderwijs voor vrouwen en meisjes, en een einde te maken aan de bestaande discriminatie van vrouwen en de schendingen van vrouwenrechten of deze te voorkomen;

70.  vraagt de Commissie en de lidstaten, en met name de EU-coördinator voor de bestrijding van mensenhandel, om rekening te houden met en een gesloten front te vormen bij de coördinatie van de activiteiten van het externe EU-beleid in het kader de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel 2012-2016; is van mening dat de nationale autoriteiten in Noord-Afrika moeten worden aangemoedigd om, waar mogelijk, bij de bestrijding van mensenhandel samen te werken met andere landen in de regio;

71.  dringt er bij de Commissie op aan vrouwenprojecten te ondersteunen en vrouwennetwerken in universiteiten, de media, culturele instanties, de filmindustrie en overige creatieve sectoren te versterken, en hamert op het belang van versterking van de culturele betrekkingen tussen beide oevers van de Middellandse Zee, o.a. door sociale media, digitale platforms en satellietverbindingen;

72.  verzoekt de regeringen en autoriteiten van de lidstaten de rechten van de vrouw centraal te stellen in hun diplomatieke en handelsbetrekkingen met de Noord-Afrikaanse landen;

73.  dringt er bij de Commissie op aan de uitwisselingsprogramma’s voor hoger onderwijs, zoals Erasmus Mundus, te versterken en de deelname van jonge vrouwen aan te moedigen; dringt tevens aan op ontwikkeling van interregionale samenwerking (door twinning of door peer-to-peer uitwisselingen) tussen regio’s ten noorden en ten zuiden van de Middellandse Zee;

74.  is verheugd over de mobiliteitspartnerschappen voor zover zij uitwisselingen vergemakkelijken en de migratie op een menselijke en waardige manier helpen beheersen;

o
o   o

75.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) Resolutie 1873 (2012), aangenomen door de Assemblee op 24 april 2012 (13e zitting).
(2) PB C 188 E van 28.6.2012, blz. 26.
(3) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 158.
(4) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 114.
(5) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 126.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0069.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0113.


Financiering van de EU-samenwerking met de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en met de landen en de gebieden overzee voor de periode 2014-2020
PDF 149kWORD 32k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over de opstelling van het meerjarig financieel kader betreffende de financiering van de EU-samenwerking met de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de landen en gebieden overzee voor de periode 2014-2020 (Elfde Europees Ontwikkelingsfonds) (2012/2222(INI))
P7_TA(2013)0076A7-0049/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de op 23 juni 2000 door de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (de ACS-landen) enerzijds en de Europese Gemeenschap (EG) en de lidstaten anderzijds ondertekende Overeenkomst van Cotonou(1),

–  gezien deel IV van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het LGO-besluit van 27 november 2001(2) waarmee de EU (voorheen de EG) verbonden wordt met een reeks landen en gebieden overzee (LGO's),

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie („LGO-besluit”) (COM(2012)0362), dat door de Commissie werd aangenomen op 16 juli 2012, en waarover momenteel wordt onderhandeld door de Raad,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 december 2011 over de opstelling van het meerjarig financieel kader betreffende de financiering van de EU-samenwerking met de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de landen en gebieden overzee voor de periode 2014-2020 (Elfde Europees Ontwikkelingsfonds) (COM(2011)0837),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 oktober 2011 met als titel „Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering” (COM(2011)0637),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 juni 2001 met als titel „Actieprogramma voor de horizontale integratie van het gendergelijkheidsaspect in de ontwikkelingssamenwerking van de Gemeenschap” (COM(2001)0295),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 september 2012 met als titel „Aan de basis van democratie en duurzame ontwikkeling: het maatschappelijke engagement van Europa in de externe betrekkingen” (COM(2012)0492),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 juni 2011 met als titel „Een begroting voor Europa 2020” (COM(2011)0500),

–  gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling van 20 december 2005 alsook de Europese routekaart voor ontwikkeling en de hieruit voortvloeiende beleidslijnen,

–  gezien de Europese consensus over humanitaire hulp van 18 december 2007,

–  gezien de conclusies van de Raad van 29 juni 2012 en 15 oktober 2012,

–  gezien artikel 32 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, dat op 23 december 2010 door de Europese Unie is geratificeerd,

–  gezien de resolutie over de integratie van personen met een handicap in ontwikkelingslanden van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU (ACP-EU/100.954/11),

–  gezien het Actieplan van de Europese Unie voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkelingssamenwerking (2010-2015),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van vrouwen en meisjes,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0049/2013),

A.  overwegende dat het intern akkoord waarbij het tiende EOF is ingesteld op 31 december 2013 afloopt; overwegende dat de Commissie in haar mededeling COM(2011)0837 een ontwerp van intern akkoord presenteert dat vanaf 1 januari 2014 dit akkoord dient te vervangen;

B.  overwegende dat in de Raad wordt onderhandeld over dit voorstel voor de periode 2014-2020, zonder dat het Parlement hierbij is betrokken; overwegende dat het Parlement er echter door niets van wordt weerhouden een initiatiefverslag op te stellen betreffende het elfde EOF op basis van de mededeling van de Commissie over het ontwerp van intern akkoord;

C.  overwegende dat de Commissie niet voornemens is het EOF op te nemen in de begroting voor 2014 maar slechts vanaf 2021, hetgeen zeer betreurenswaardig is; overwegende dat het nodig is dit vanaf heden voor te bereiden, zodat het niet leidt tot een vermindering van de middelen die worden toegewezen aan het partnerschap ACS-EU en aan de ontwikkelingssamenwerking in het algemeen;

D.  overwegende dat het nodig is voldoende middelen uit te trekken voor het elfde EOF, zodat de Unie de op internationaal niveau vastgestelde verbintenissen betreffende ontwikkeling kan naleven en 0,7% van het bbp aan ontwikkelingshulp kan besteden, en zo kan bijdragen aan de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's);

E.  overwegende dat uit de verslagen over de vooruitgang bij het behalen van de MDG's blijkt dat de resultaten ongelijk zijn en dat met name de MDG's op het gebied van de gezondheid van moeder en kind in 2015 in de meeste ACS-landen niet zullen worden gehaald;

F.  overwegende dat de financiële voorstellen voor de periode 2014-2020 die momenteel worden besproken in de Raad zorgwekkend zijn voor de toekomst van het Europese ontwikkelingsbeleid maar ook voor de associatie van de LGO's met de EU;

G.  overwegende dat de hulpverlening van de EU, ondanks het feit dat er nog veel vooruitgang dient te worden geboekt, steeds doeltreffender is en dat de communautaire maatregelen met het oog op internationale solidariteit worden ondersteund door meer dan drie vierde van de Europese burgers;

H.  overwegende dat innovatieve financieringen onmisbaar zijn voor de toename van de openbare ontwikkelingssteun, door de economische en financiële wereld op een duurzamere manier te doen bijdragen;

I.  overwegende dat de donoren moeten stoppen met pleiten voor het beginsel van de eigen inbreng van de partnerlanden terwijl ze hen tegelijkertijd de nodige financiële middelen ontzeggen om hun instellingen en hun dienstverlening aan de bevolking te consolideren;

J.  overwegende dat het dringend nodig is dat de ontwikkelingslanden zich een belastingstelsel toemeten dat gebaseerd is op de bijdragecapaciteit van hun burgers;

K.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling betreffende de agenda voor verandering voornemens is het beginsel van differentiatie toe te passen bij de toewijzing van middelen van het Europese ontwikkelingsbeleid, waarvan het elfde EOF deel uitmaakt, en de beginselen van thematische concentratie invoert, alsook de gebruikmaking van een combinatie van subsidies en leningen en van ondersteuning van de privésector;

L.  overwegende dat in de Europese consensus inzake ontwikkeling en de Overeenkomst van Cotonou de centrale rol wordt erkend die de maatschappelijke organisaties en de plaatselijke en regionale autoriteiten spelen bij de bestrijding van armoede en bij de inspanningen op het vlak van goed bestuur;

M.  overwegende dat in het LGO-besluit de specificiteit van de LGO's wordt erkend, die worden geconfronteerd met andere problemen dan de ACS-landen; overwegende dat de LGO's dus niet meer onder het EOF moeten vallen, maar onder een ad-hoc financieel instrument dat wordt opgenomen in de begroting van de EU;

N.  overwegende dat in partnerschapsovereenkomst 2000/483/EG tussen de ACS-landen enerzijds en de EG en de lidstaten anderzijds, die op 23 juni 2000 in Cotonou is ondertekend, is bepaald dat „op een systematische manier rekening dient te worden gehouden met de situatie van vrouwen en genderkwesties op alle vlakken, zowel politiek, economisch als sociaal”;

O.  overwegende dat in het actieplan van de Europese Unie het belang wordt onderkend van de inzet van vrouwen en een gendergelijkheidsperspectief voor de ontwikkeling van de partnerlanden en de verwezenlijking van de MDG's; overwegende dat gelijkheid van mannen en vrouwen volgens de „agenda voor verandering” een van de prioriteiten van het optreden van de EU is;

Doelstellingen van het elfde EOF

1.  herinnert eraan dat de voornaamste doelstelling van zowel het Europese ontwikkelingsbeleid (krachtens artikel 208 van het VWEU) als van de Overeenkomst van Cotonou en de Europese consensus voor ontwikkeling bestaat in de terugdringing, en op termijn de volledige uitroeiing van de armoede; staat er bijgevolg op dat ten minste 90% van de in het kader van het elfde EOF aan de ACS-landen toegewezen middelen voldoen aan de door de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand van de OESO vastgestelde criteria voor officiële ontwikkelingshulp (ODA);

2.  is van mening dat het met het oog op de verwezenlijking van deze doelstellingen nodig is meer inspanningen te leveren voor de MDG's waarvoor het minste vooruitgang is geboekt, en met name de doelstellingen die betrekking hebben op de sociale basisvoorzieningen en de gelijkheid van mannen en vrouwen, zoals vastgesteld in de artikelen 22, 25 en 31 van de Overeenkomst van Cotonou; herbevestigt zijn steun voor het initiatief en de MDG-contracten, en verzoekt de Commissie en de lidstaten om, in overleg met de ACS-landen, in het elfde EOF een aandeel van 20% toe te wijzen aan de verstrekking van maatschappelijke basisvoorzieningen, met name op het vlak van gezondheidszorg en basisonderwijs, om MDG's 2, 3, 4, 5 en 6 te kunnen verwezenlijken alsook de andere verplichtingen met betrekking tot ontwikkeling die op internationaal niveau zijn vastgesteld; wenst in dit opzicht dat de in het Actieprogramma voor de horizontale integratie van het gendergelijkheidsaspect in de ontwikkelingssamenwerking van de Unie voorgestelde prestatie-indicatoren op het gebied van gendergelijkheid in het kader van het elfde EOF en de programmering ervan worden toegepast om te waarborgen dat de specifieke acties en de bevordering van gendergelijkheid in alle programma's op de juiste manier worden uitgevoerd en gevolgd;

3.  verzoekt de Commissie en de partnerlanden om prioriteit te verlenen aan de steun ter versterking van de gezondheidsstelsels om de toegang tot basiszorg voor de gezondheid van moeder en kind en voor reproductieve gezondheid te waarborgen, waarbij de nadruk wordt gelegd op de armste bevolkingsgroepen en de bestrijding van hiv/aids, eraan herinnerend dat deze doelstellingen millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling zijn waarvoor de vooruitgang in vele ACS-landen teleurstellend was;

4.  is van mening dat om bovenstaande doelstelling te verwezenlijken het van wezenlijk belang is de kwetsbaarste groepen in de samenleving, met inbegrip van onder andere vrouwen, kinderen en personen met een handicap, te betrekken bij alle projecten voor armoedebestrijding, zowel bij de programmering, de uitvoering als bij de evaluatie ervan;

5.  is verheugd over het voornemen van de Commissie om vraagstukken betreffende sociale bescherming in ontwikkelingslanden op meer strategische en gecoördineerde wijze te benaderen en verzoekt om de ontwikkeling, in samenwerking met de ACS-landen, van geïntegreerd beleid op het gebied van sociale bescherming waarin eveneens rekening wordt gehouden met de ondersteuning van basismechanismen zoals de invoering van een minimum niveau van sociale zekerheid in het kader van het elfde EOF;

Bevordering van de economische en sociale ontwikkeling van de LGO's

6.  herinnert eraan dat het EOF niet alleen het ACS/EU-partnerschap financiert, maar ook de LGO/EU-associatie, waartoe met name 26 LGO's behoren;

7.  is ingenomen met het feit dat in het LGO-besluit wordt erkend dat het nodig is een nieuw duurzaam partnerschap met de LGO's tot stand te brengen, rond vier nieuwe doelstellingen:

   vergroting van het concurrentievermogen van de LGO's;
   versterking van hun aanpassingsvermogen;
   vermindering van hun kwetsbaarheid;
   bevordering van hun samenwerking met andere partners;

8.  betreurt het ontbreken van een financieel instrument voor de LGO's dat in de begroting van de Unie kan worden opgenomen om democratisch en transparant toezicht op de in dit kader toegekende middelen mogelijk te maken;

9.  roept op tot een betere samenwerking tussen de ultraperifere gebieden, de ACS-landen en de derde landen die grenzen aan de LGO's, tot een gecombineerd gebruik van de verschillende financiële instrumenten die op deze regio's en landen van toepassing zijn, en tot een betere toegang van de LGO's en de ultraperifere gebieden tot de plenaire zittingen van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, als waarnemers, onverminderd het interne reglement van de vergadering;

Opneming in de begroting en financiële toewijzing

10.  dringt eens te meer aan op het feit dat het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) in de begroting wordt opgenomen in de volgende programmeringsperiode en zeker vanaf 2021, met de volledige overdracht ervan naar rubriek 4 van het MFK („Europa als Wereldspeler”), omdat dit zou bijdragen aan een efficiëntere bevordering van de prioriteiten van de Unie en van de thematische ondersteuning, en zou zorgen voor beter democratisch toezicht en een hogere zichtbaarheid en voorstelbaarheid van de acties van de EU als 's werelds grootste donor van ontwikkelingshulp, alsook voor een betere samenhang;

11.  vraagt de Commissie de opneming in de begroting van het EOF in de best mogelijke omstandigheden voor te bereiden door regelmatig het Europees Parlement te informeren en door middel van nauw overleg met de ACS-landen, om hun toekomstige betrokkenheid bij de uitvoering van het EOF te waarborgen;

12.  is verheugd dat de verdeelsleutels van de lidstaten in het elfde EOF in de buurt komen van de verdeelsleutels die van kracht zijn voor de EU-begroting en is verheugd over het feit dat de duur van de programmeringsperiode van het elfde EOF is afgestemd op de looptijd van het meerjarig financieel kader van de Unie;

13.  steunt het voorstel van de Commissie om een totaalbedrag van 30 319 000 000 EUR (prijzen van 2011) toe te kennen aan het elfde EOF, en wenst dat de voor het elfde EOF en voor de andere ontwikkelingsinstrumenten, met inbegrip van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, vastgelegde bedragen ervoor kunnen zorgen dat het huidige niveau van de officiële ontwikkelingshulp (ODA) van de Unie kan worden aangehouden, of zelfs verhoogd, en dat op die manier kan worden bijgedragen tot het bereiken van de gemeenschappelijke doelstelling van de lidstaten van de Unie om 0,7% van hun bbp te besteden aan ODA;

14.  onderstreept, gezien het hoge risico op rampen in bepaalde ACS-landen, het belang van hoge investeringen in de vermindering van risico's op rampen in de door het EOF gefinancierde ontwikkelingsprogramma's; onderstreept dat deze investeringen van wezenlijk belang zijn om in een noodsituatie in de behoeften te kunnen voorzien en de weerbaarheid van de ACS-landen te verhogen;

15.  betreurt ten zeerste de op 8 februari 2013 door de lidstaten bereikte overeenkomst die een vermindering met 11% van de in juli 2012 door de Commissie voorgestelde begroting van het elfde EOF in het vooruitzicht stelt; legt de nadruk op de ernstige tegenstrijdigheid tussen de herhaalde toezeggingen van de Raad om tegen 2015 de doelstellingen op het vlak van ontwikkelingshulp te bereiken en de aanzienlijke verlagingen van de kredieten die voor internationale ontwikkeling worden gereserveerd in zowel de nationale begrotingen als in de begroting van de Unie;

16.  is van mening dat de Unie en haar lidstaten, als eerste verstrekkers van ODA, door dergelijke begrotingsbezuinigingen door te voeren een groot deel van de verantwoordelijkheid zullen dragen indien de doelstelling om de armoede in de wereld met de helft terug te dringen niet wordt bereikt tegen 2015;

17.  benadrukt het belang van een begroting van de Unie waarmee de bestaande uitdagingen kunnen worden aangegaan, met name in tijden van crisis, aangezien ze financieringen toelaat die niet kunnen worden gedragen op nationaal niveau, in het bijzonder op het vlak van ontwikkelingsfinanciering; roept in dit opzicht, en om ervoor te zorgen dat de begroting van de Unie niet meer wordt gegijzeld door de enkelvoudige kwestie van het niveau van de betalingskredieten, krachtig op tot de totstandbrenging van eigen middelen, bijvoorbeeld door een belasting op financiële transacties;

18.  wenst, ongeacht de verdeelsleutels en bedragen die uiteindelijk voor het elfde EOF worden vastgesteld, dat het bedrag dat in de verdeling van de totale toewijzingen van het EOF aan de LGO's wordt toegewezen gelijk is aan het door de Commissie voorgestelde bedrag;

19.  wenst dat in het kader van het elfde EOF, de verhouding van de middelen die worden toegewezen aan de samenwerking tussen de ACS-landen onderling en de regionale samenwerking identiek is aan die voor het tiende EOF, waarbij evenwel dient te worden gezorgd voor de beschikbaarheid van niet-toegekende en flexibele middelen en voor maximale complementariteit met het toekomstige pan-Afrikaanse programma, voorzien binnen het kader van het komende financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, aangezien met een gedeelte van deze middelen het nieuwe schema om exogene schokken met een internationale dimensie (met name financiële, humanitaire of voedselcrises) die een ACS-land kunnen treffen, op te vangen, zal worden gefinancierd, evenals humanitaire noodhulp; benadrukt het belang van deze programma's die bijdragen tot de versterking van de capaciteit van ACS-landen om zich voor te bereiden op schokken, van hun weerbaarheid en van de coördinatie van de noodmaatregelen en de maatregelen op het vlak van rehabilitatie en ontwikkeling;

20.  is van mening dat het nodig is om ongeveer 5% van de middelen van het EOF toe te wijzen aan ondersteunende uitgaven van de Commissie, om een doeltreffend beheer van dit instrument te waarborgen;

Hervorming van het Europees ontwikkelingsbeleid en het elfde EOF

21.  herinnert eraan dat de Overeenkomst van Cotonou het belangrijkste referentiekader voor het elfde EOF moet blijven;

22.  is van oordeel dat de concrete uitvoering van het beginsel van differentiatie bij de toegang tot middelen uit het elfde EOF enkel positief kan zijn indien dit beginsel wordt gekoppeld aan een kwetsbaarheidsindex, die dient als aanvulling op het criterium van het bbp, en die een nationale index voor het meten van de armoede en ongelijkheid omvat, en die rekening houdt met de bijzondere situatie van de kleine insulaire ontwikkelingslanden, overeenkomstig artikel 2, laatste streepje, van de Overeenkomst van Cotonou; herinnert eraan dat enkel de instandhouding van een nauwe politieke dialoog de aanvaarding van dit beginsel door onze ACS-partners mogelijk zal maken;

23.  erkent echter dat, in het kader van de politieke dialoog, de toepassing van het beginsel van differentiatie een onmisbaar middel is dat toelaat de ACS-landen met een gemiddeld en hoger gemiddeld inkomen vooruitgang te laten boeken op weg naar de totstandbrenging van een „welvaartsstaat” en de uitwerking van nationaal beleid ter herverdeling van de rijkdom en ter bestrijding van de armoede en de ongelijkheden;

24.  staat er echter op dat het belangrijk is alle nationale enveloppen te behouden in het kader van het elfde EOF, gelet op het feit dat de Europese ontwikkelingshulp nog steeds een doorslaggevende invloed kan hebben in bepaalde ACS-landen met een gemiddeld en hoger gemiddeld inkomen, ter begeleiding van de hervormingen met het oog op de vermindering van de ongelijkheden;

25.  is van mening dat de differentiatie eveneens rekening dient te houden met de bijzondere situatie van kwetsbare landen, uitgaande van het beginsel dat de gevolgen voor de bevolking van een mislukte staat zeer negatief zijn en de geboekte vooruitgang op het vlak van ontwikkeling ongedaan maken; benadrukt dat de vestiging van de rechtsstaat in een mislukte staat veel moeilijker is en langer duurt dan versterkte steun aan landen die als kwetsbaar worden geïdentificeerd, en staat er in dit opzicht op dat de hele Sahel en de Hoorn van Afrika bijzondere aandacht moeten krijgen in het kader van de programmering van het elfde EOF;

26.  constateert dat het programma voor verandering nieuwe voorstellen bevat, met name de combinatie van subsidies en leningen en steun aan de particuliere sector; bevestigt dat gebruikmaking van deze nieuwe mechanismen er in de eerste plaats op gericht moet zijn de ingezetenen van ontwikkelingslanden te vrijwaren van armoede en de afhankelijkheid van steunverlening, en bij te dragen aan de versterking van de particuliere sector in de ACS-landen, met het gevaar om in het tegengestelde geval een ontwikkeling en groei in de hand te werken die onevenwichtig zijn; verzoekt de Commissie het Europees Parlement op de hoogte te brengen van de uitkomst van het onderzoek waartoe zij onlangs opdracht heeft gegeven over de deelname van de particuliere sector aan de ontwikkeling en de uitbreiding van de activiteiten voor het combineren van subsidies en leningen van de Unie;

27.  erkent dat de nieuwe financieringswijzen, zoals de combinatie van subsidies en leningen, duidelijke voordelen bieden nu de overheidsmiddelen schaars zijn geworden; verzoekt de Commissie en de EIB toch diepgaande en onafhankelijke effectbeoordelingen uit te voeren om de gevolgen van deze nieuwe financieringsmodaliteiten voor de armoede, het milieu enz. te berekenen; is in dit opzicht verheugd over de recente invoering van het kader voor resultatenmeting (REM, Results Measurement Framework), dat de EIB in staat stelt het effect in termen van ontwikkeling van al haar verrichtingen buiten de Unie te meten; verzoekt de Commissie om richtsnoeren en nauwkeurige criteria bekend te maken ter verduidelijking van de beginselen aan de hand waarvan projecten moeten worden geselecteerd in het kader van de uitvoering van deze nieuwe soorten instrumenten; roept tot slot op tot een versterking van de synergieën en de complementariteit tussen de activiteiten van de Commissie, de EIB en de andere Europese bilaterale financiële instellingen, zoals de ontwikkelingsbanken;

28.  erkent voorts dat het belangrijk is de particuliere sector en in het bijzonder micro-ondernemingen en kmo's te ondersteunen om de creatie van rijkdom en de totstandkoming van een gunstig ondernemingsklimaat te bevorderen met het oog op meer inclusieve en duurzame groei die een impact heeft op de vermindering van de armoede;

29.  neemt kennis van de instelling van een „EU-platform voor externe samenwerking en ontwikkeling”, met het Parlement als waarnemer, om de bestaande harmoniseringsmechanismen voor het combineren van subsidies en leningen sturing te bieden; is van mening dat noch het maatschappelijk middenveld, noch de EIB, op adequate wijze bij deze nieuwe structuur betrokken zijn; verzoekt de Commissie dan ook het maatschappelijk middenveld rechtstreeks bij de werkzaamheden van het platform te betrekken en in het beheer van het platform de unieke rol van de EIB als financiële instelling van de EU, te erkennen;

30.  neemt kennis van de door de Commissie in haar programma voor verandering voorgestelde thematische concentratie; benadrukt dat de concentratie de specifieke behoeften van bepaalde landen niet mag maskeren en herinnert eraan dat, aangezien democratische eigen verantwoordelijkheid aan de basis ligt van de doeltreffendheid van de hulpverlening, de dialoog met alle ontwikkelingsactoren, en met name de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de plaatselijke autoriteiten, evenals de flexibiliteit, de kern moeten vormen van de vaststelling van de concentratiesectoren die zullen worden opgenomen in de nationale indicatieve programma's;

31.  roept op tot de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de resolutie over de integratie van personen met een handicap in ontwikkelingslanden van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, in het bijzonder de artikelen 19, 20, 21 en 22, om te waarborgen dat het elfde EOF inclusief en voor iedereen toegankelijk is;

32.  is verheugd over het feit dat het door de VN ontwikkelende initiatief „Duurzame energie voor iedereen” in het kader van het tiende EOF een aanzienlijke steun, ter waarde van 500 miljoen euro, van de Unie krijgt, en verzoekt om de voortzetting hiervan in het kader van het elfde EOF;

33.  is verheugd over het feit dat de landbouw, in het bijzonder de ondersteuning van familiebedrijven, tot de prioriteiten van het toekomstige Europese ontwikkelingsbeleid behoort; herinnert aan de slecht nagekomen verplichting die de ACS-landen in de verklaring van Maputo zijn aangegaan om 10% van hun nationale begrotingsontvangsten aan landbouw en plattelandsontwikkeling te besteden;

34.  benadrukt dat de thematische concentratie de algemene begrotingssteun, die zou moeten bijdragen aan de verbetering van het beheer van de overheidsfinanciën van begunstigde landen, niet in gevaar mag brengen; wenst dat dit instrument een belangrijke plaats behoudt in het elfde EOF, en dat tegelijkertijd de dialoog inzake mensenrechten tussen de Commissie en de ACS-landen wordt versterkt;

Democratische controle

35.  neemt kennis van de vrijwillig door de Commissie aangegane verplichting om het Europees Parlement op de hoogte te brengen van de strategiedocumenten in het kader van het elfde EOF, maar betreurt het gebrek aan concrete zeggenschap van het Parlement over de zo door de Commissie genomen maatregelen; herinnert voorts aan de eveneens centrale rol die de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU kan spelen bij het democratische toezicht op alle strategiedocumenten van het EOF, overeenkomstig artikel 17 van de Overeenkomst van Cotonou, in het bijzonder lid 2, derde streepje;

36.  herhaalt dat het belangrijk is het beginsel „democratische eigen verantwoordelijkheid” te eerbiedigen, zoals gedefinieerd in het programma voor de doeltreffendheid van de hulp; vraagt daarom aan de Commissie om steun te blijven verlenen aan de versterking van de capaciteiten van de nationale parlementen en de rekenkamers van de ACS-landen, alsook aan de informatieverstrekking aan het maatschappelijk middenveld, en verzoekt de ACS-landen hun nationale parlementen op een actieve manier te betrekken, om ervoor te zorgen dat de in de per land opgestelde strategiedocumenten vooropgestelde betaling van middelen onderworpen is aan parlementaire controle achteraf; uit in dit opzicht zijn waardering voor de werkzaamheden van het Bureau voor de bevordering van de parlementaire democratie, die van onschatbare waarde zijn; beveelt echter eveneens aan dat alle ministeries deelnemen aan de besprekingen tussen de nationale ordonnateur en de betrokken delegatie van de Unie, om ervoor te zorgen dat deze documenten een volledig beeld geven van de behoeften inzake ontwikkeling op nationaal niveau;

37.  is van oordeel dat transparantie en verantwoordingsplicht bij de toewijzing van de middelen van het EOF en toezicht op de gefinancierde projecten, met inbegrip van rechtstreekse steun aan nationale begrotingen, van wezenlijk belang zijn;

38.  benadrukt de onmisbare bijdrage die de maatschappelijke organisaties en de plaatselijke en regionale autoriteiten leveren aan het verstrekken van basisvoorzieningen, democratische controle, de ondersteuning van gemarginaliseerde groepen en de bevordering van de mensenrechten en de gelijkheid tussen vrouwen en mannen, en nodigt de Commissie, de LGO's en de ACS-landen uit om bij de programmering, de uitvoering en de beoordeling van het elfde EOF nauw samen te werken met de maatschappelijke organisaties en de plaatselijke en regionale autoriteiten en deze te raadplegen, overeenkomstig de artikelen 2, 6 en 70 van de Overeenkomst van Cotonou; vraagt de Commissie om in de voortgangsverslagen die gepland zijn voor de opvolging van het elfde EOF een deel op te nemen met gedetailleerde informatie over de stand van zaken met betrekking tot de raadplegingen op nationaal niveau van de maatschappelijke organisaties en de plaatselijke en regionale autoriteiten door de delegaties van de Unie;

Doeltreffendheid van de ontwikkeling

39.  herbevestigt de voordelen van de gemeenschappelijke programmering van de steun tussen de Unie en de lidstaten, die toelaat de zichtbaarheid, de impact en de doeltreffendheid van het Europese ontwikkelingsbeleid te verbeteren, en dubbel werk en verspillingen te voorkomen; onderstreept echter dat het nodig is de regels van het gemeenschappelijke kader voor de meerjarige programmering te verdiepen en te verduidelijken; benadrukt de uiterst belangrijke rol die de delegaties van de EU kunnen spelen die voor nog meer transparantie in dit proces moeten zorgen, met name door naast de overheden ook de niet-gouvernementele actoren van de betreffende begunstigde landen bij de werkzaamheden te betrekken;

40.  vraagt de Commissie nauwgezet artikel 19 C, lid 1, van bijlage IV van de Overeenkomst van Cotonou na te leven die de naleving van de sociale en ecologische normen tot voorwaarde maakt voor het behalen van overheidsopdrachten die worden gefinancierd uit het elfde EOF in de ACS-landen, om zo de beginselen van duurzame ontwikkeling en de sociale verantwoordelijkheid van ondernemingen te bevorderen;

41.  benadrukt dat de bestrijding van de armoede en het streven naar doeltreffende ontwikkeling met name afhankelijk zijn van de capaciteit om de inkomsten op nationaal niveau te mobiliseren, wat inhoudt dat efficiënte en duurzame stelsels voor belastinginning een prioriteit moeten vormen van het ACS-EU-partnerschap, om zo de belastinginning te verbeteren en belastingontwijking en de toevlucht tot belastingparadijzen te voorkomen;

42.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie met als titel „De toekomstige strategie inzake EU-begrotingssteun aan derde landen”; benadrukt het belang van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou, op basis waarvan de steunverlening aan een land kan worden opgeschort indien dit land de beginselen van de overeenkomst niet naleeft;

43.  herinnert eraan dat begrotingssteun zeer veel voordelen biedt, zoals het bijbrengen van verantwoordelijkheidsgevoel, een preciezere evaluatie van de resultaten, een grotere samenhang van het gevoerde beleid, een betere voorspelbaarheid en een maximale benutting van de middelen die rechtstreeks ten goede komt van de bevolkingen;

44.  benadrukt dat rekening moet worden gehouden met de situatie van vrouwen, niet alleen als kwetsbare bevolkingsgroep, maar ook als groep die het ontwikkelingsbeleid actief kan faciliteren; benadrukt in dit opzicht dat vrouwen een cruciale rol spelen op het vlak van voeding en voedselzekerheid - niet in de laatste plaats omdat ze verantwoordelijk zijn voor 80% van de landbouw in Afrika - hoewel ze nog steeds zelden eigenaar kunnen worden van het land dat zij verbouwen; benadrukt evenzo dat vrouwen zich bekwaam hebben getoond om problemen en conflicten op te lossen, en dringt er daarom bij de Commissie en de ACS-landen op aan de rol van vrouwen in actiegroepen en werkgroepen te versterken;

45.  verzoekt de Commissie gebruik te maken van de prestatie-indicatoren die vastgelegd zijn in het Europese actieplan inzake gelijke kansen voor mannen en vrouwen en versterking van de positie van vrouwen binnen de ontwikkelingssamenwerking;

o
o   o

   46. verlangt dat de Commissie het Europees Parlement in kennis stelt van de vorderingen bij de uitvoering van het Europese actieplan inzake gelijke kansen voor mannen en vrouwen en versterking van de positie van vrouwen binnen de ontwikkelingssamenwerking;
   47. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden, alsook aan de regeringen en parlementen van de EU-lidstaten en, in voorkomend geval, van de ACS-landen en de LGO's.

(1) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3. Overeenkomst herzien in Luxemburg op 25 juni 2005 (PB L 287 van 28.10.2005, blz. 4) en in Ouagadougou op 22 juni 2010 (PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3).
(2) PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1. Besluit gewijzigd bij Besluit 2007/249/EG (PB L 109 van 26.4.2007, blz. 33).


Meer voordelen van EU-milieumaatregelen
PDF 145kWORD 30k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over meer voordelen door EU-milieumaatregelen: vertrouwen kweken door de kennis en de reactiecapaciteit te verbeteren (2012/2104(INI))
P7_TA(2013)0077A7-0028/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 11 van het VEU en artikel 5 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien de artikelen 191 en 192 van het VWEU,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving van de Europese Gemeenschap (COM(2008)0773),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de evaluatie van het milieubeleid 2008 (COM(2009)0304) en de bijlage daarbij,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, getiteld „Meer voordelen door EU-milieumaatregelen: vertrouwen kweken door de kennis en de reactiecapaciteit te verbeteren” (COM(2012)0095),

–  gezien het 29ste jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2011) (COM (2012)0714),

–  gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over de herziening van het zesde milieuactieprogramma en vaststelling van prioriteiten voor het zevende milieuactieprogramma – Een beter milieu voor een beter bestaan(1),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 december 2010 over de verbetering van de beleidsinstrumenten op milieugebied,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Raad van 19 april 2012 over het zevende milieuactieprogramma,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord „Beter wetgeven”(2),

–  gezien het verkennend advies van het Comité van de Regio's getiteld „De rol van regionale en lokale overheden in het toekomstige milieubeleid”(3),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's getiteld „De ontwikkeling van een 7e milieuactieprogramma (map): betere tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving(4),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (COM(2003)0624) en het standpunt van het Parlement in eerste lezing(5),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie verzoekschriften (A7-0028/2013),

Algemene opmerkingen

A.  overwegende dat een groot deel van de EU-wetgeving uit richtlijnen bestaat, waarin algemene voorschriften en doelstellingen worden vastgesteld, maar de lidstaten en de lokale en regionale overheden worden vrijgelaten om de middelen te kiezen om deze doelstellingen te verwezenlijken;

B.  overwegende dat de nationale autoriteiten, zeer vaak op lokaal en regionaal niveau, de hoofdverantwoordelijkheid dragen voor de waarborging van een doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de EU-wetgeving;

C.  overwegende dat een ondoeltreffende tenuitvoerlegging niet alleen schade aan het milieu en de volksgezondheid berokkent, maar ook onzekerheid schept bij de industrie en belemmeringen vormt voor de interne markt, alsook meer bureaucratie en derhalve hogere kosten met zich meebrengt;

D.  overwegende dat uit studies is gebleken dat met de volledige tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving in de afvalsector alleen 400 000 banen zouden worden gecreëerd en 72 miljard EUR per jaar zou worden bespaard(6);

E.  overwegende dat de onbevredigende tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving wordt weerspiegeld in het hoge aantal inbreuken en klachten op dit gebied;

F.  overwegende dat het gebrek aan nauwkeurige informatie over en kennis van de stand van de tenuitvoerlegging, alsmede het gebrek aan kwantitatieve gegevens voor de verschillende milieusectoren een belemmering vormen voor de correcte tenuitvoerlegging van het milieu-acquis;

G.  overwegende dat volgens de Commissie de jaarlijkse kosten van het niet ten uitvoer leggen van de EU-milieuwetgeving momenteel 50 miljard EUR aan gezondheidskosten en directe milieukosten bedragen, los van de negatieve invloed op de toestand van het milieu in de EU; overwegende dat vanaf 2020 deze jaarlijkse kosten tot 90 miljard EUR zullen oplopen(7);

H.  overwegende dat de problemen die zich voordoen bij de tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving tweeledig kunnen zijn, met aan de ene kant vertraagde of onvoldoende tenuitvoerlegging en aan de andere kant „overdreven tenuitvoerlegging” („vergulding”), waarbij beide aspecten ingaan tegen de oorspronkelijke beleidsideeën achter de EU-milieuwetgeving;

I.  overwegende dat er zowel tussen als binnen de lidstaten aanzienlijke verschillen in de tenuitvoerlegging bestaan, die een negatief effect op het milieu hebben en derhalve een meer systematische en holistische benadering noodzakelijk maken om deze „tenuitvoerleggingskloof” te overbruggen;

J.  overwegende dat in 2011 de meeste schendingen van het EU-recht werden vastgesteld op het gebied van milieu (299), hetgeen 17 % van alle schendingen uitmaakte, en dat in 2011 114 nieuwe inbreukprocedures werden geopend op dit gebied(8);

K.  overwegende dat de volledige naleving van de EU-milieuwetgeving een verplichting uit hoofde van het Verdrag en een criterium voor het gebruik van EU-middelen in de lidstaten is; overwegende dat de lidstaten daarom tijdig en op kostenefficiënte wijze de milieuwetgeving ten uitvoer moeten leggen om de staat van het milieu in de EU te verbeteren;

L.  overwegende dat het zesde milieuactieprogramma werd ondermijnd door aanhoudende tekortkomingen in de tenuitvoerlegging in rijpe beleidssectoren zoals bestrijding van luchtverontreiniging, afvalbeheer, water- en afvalwaterbehandeling en natuurbehoud;

Tenuitvoerlegging als gemeenschappelijke taak en kans

1.  is verheugd over de mededeling van de Commissie getiteld „Meer voordelen door EU-milieumaatregelen: vertrouwen kweken door de kennis en de reactiecapaciteit te verbeteren” (COM(2012)0095);

2.  dringt er bij de lidstaten op aan alle nodige maatregelen te nemen om het milieu te beschermen en duurzame ontwikkeling te stimuleren, zonder de noodzaak van een gezonde en concurrerende economie uit het oog te verliezen; benadrukt dat lokale gemeenschappen veel zeggenschap moeten hebben wanneer het gaat om het vinden van een balans tussen de behoeften van de bevolking en die van het milieu;

3.  is van mening dat de regionale en lokale overheden bij de vaststelling van het EU-milieubeleid beter kunnen samenwerken en kunnen zorgen voor een betere tenuitvoerlegging van de wetgeving;

4.  is van mening dat de administratieve last niet altijd het gevolg is van overdreven tenuitvoerlegging of het gebrek aan tenuitvoerlegging; merkt op dat administratieve kosten onvermijdelijk zijn, maar dat deze zo laag mogelijk moeten worden gehouden vanwege het negatieve effect ervan op de burgers en de industrie;

5.  merkt op dat een groot deel van de onnodige administratieve kosten in verband met de milieuwetgeving te wijten is aan ontoereikende of inefficiënte administratieve praktijken van particulieren en overheden in diverse lidstaten en bij hun lokale of regionale overheden;

6.  benadrukt dat alleen door de tijdige en correcte tenuitvoerlegging (omzetting) van de EU-wetgeving door de lidstaten en de regionale en lokale overheden ervoor kan worden gezorgd dat de gewenste resultaten van het EU-beleid in kwestie worden behaald;

7.  benadrukt dat zowel het garanderen van een gelijk speelveld en een gemeenschappelijke markt als een geharmoniseerde aanpak centraal staan in de EU-wetgeving;

8.  is van mening dat een efficiënte tenuitvoerlegging voordelen voor de industrie kan opleveren, bijvoorbeeld doordat de administratieve lasten worden verminderd, investeringszekerheid wordt geboden en hierdoor meer banen worden gecreëerd;

9.  betreurt dat de burgers pas kennis nemen van de EU-wetgeving na de inwerkingtreding ervan; is van mening dat er eerder informatie moet worden uitgewisseld tussen de wetgevers en de burgers om een hoger acceptatieniveau en meer begrip voor de doelstelling van de EU-wetgeving te bewerkstelligen;

10.  verklaart dat de Commissie als hoedster van de Verdragen eerder moet optreden om een betere en snellere tenuitvoerlegging mogelijk te maken; vraagt de Commissie te onderzoeken wat er gedaan moet worden om de correcte omzetting, tenuitvoerlegging en handhaving van de milieuwetgeving te garanderen;

11.  stelt vast op dat door de huidige versnippering van de tenuitvoerlegging in de lidstaten het gelijke speelveld voor de industrie wordt ondermijnd en de onzekerheid over de precieze vereisten wordt vergroot, waardoor investeringen in de milieugebieden waar banen kunnen worden gecreëerd, worden ontmoedigd;

12.  benadrukt dat de verantwoordelijkheid van de Europese instellingen met betrekking tot de EU-wetgeving niet eindigt met de aanneming van wetgeving door het Parlement en de Raad en dat het Europees Parlement bereid is de lidstaten te helpen om voor een efficiëntere tenuitvoerlegging te zorgen;

13.  roept de Commissie, de lidstaten en de betrokken regio’s op de informatiestroom te verbeteren en de transparantie te vergroten door middel van actievere en frequentere uitwisseling van informatie;

Oplossingen om een efficiëntere tenuitvoerlegging te waarborgen

14.  is van mening dat de volledige tenuitvoerlegging en handhaving op alle niveaus essentieel is en, in voorkomend geval, mogelijk verder moet worden versterkt; onderstreept derhalve de behoefte aan duidelijke, samenhangende en niet-overlappende milieuwetgeving; onderstreept de noodzaak van coördinatie, complementariteit en het wegnemen van wetgevingslacunes tussen de diverse regelgevingsinstrumenten die de EU-milieuwetgeving vormen;

15.  is van mening dat de milieuwetgeving efficiënter ten uitvoer kan worden gelegd door de verspreiding van optimale praktijken tussen de lidstaten en tussen de regionale en lokale overheden die verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving en door nauwere samenwerking met de Europese instellingen;

16.  betreurt dat er te weinig bekend is over de werkzaamheden op nationaal, regionaal en lokaal niveau met betrekking tot de naleving en handhaving en verzoekt de Commissie derhalve om hierin met de hulp van haar netwerken en instanties, zoals het Europees Milieuagentschap, verbetering te brengen;

17.  wijst op het belang van de versterking en monitoring van de voor de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving relevante indicatoren en stimuleert het opzetten van een gebruikersvriendelijke website, waarop de meest recente indicatormetingen beschikbaar zouden zijn en het mogelijk zou zijn om informele vergelijkingen tussen de lidstaten te maken;

18.  is van mening dat de Commissie zelf centraal zou moeten staan in de inspanningen om een betere tenuitvoerlegging te garanderen en betreurt dat deze inspanningen momenteel steeds vaker worden doorverwezen naar andere instanties, die vaak niet de bevoegdheden, het personeel of de financiële middelen van de Commissie hebben;

19.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan bij te dragen aan de verbetering van de kennis en de capaciteit van de personen die betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving op nationaal, regionaal en lokaal niveau, om meer voordelen door deze wetgeving te garanderen; is voorts van mening dat het aangaan van een dialoog met de relevante belanghebbenden de tenuitvoerlegging ook zou verbeteren;

20.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om partnerschapsovereenkomsten voor de tenuitvoerlegging te sluiten tussen de Commissie en de afzonderlijke lidstaten of tussen de lidstaten, om een betere tenuitvoerlegging te bevorderen en problemen bij de tenuitvoerlegging vast te stellen en op te lossen;

21.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of meer betrokkenheid van de lokale overheden bij het gehele proces van het definiëren van het milieubeleid nuttig zou zijn voor het verbeteren van de tenuitvoerlegging van de wetgeving over de hele linie, met inbegrip van de mogelijkheid om teams samen te stellen voor de omzetting van de milieuwetgeving op regionaal en lokaal niveau;

22.  adviseert een systematisch en gemakkelijk toegankelijk online informatie-instrument over de tenuitvoerlegging te ontwikkelen; verzoekt alle actoren, maar met name de industrie en de burgers, om de uitvoerende instanties feedback te geven over problemen die zich voordoen bij de tenuitvoerlegging; waardeert de beschikbaarheid van betrouwbare, vergelijkbare en gemakkelijk toegankelijke informatie over de staat van het milieu en acht deze van essentieel belang om de stand van de tenuitvoerlegging effectief na te gaan;

23.  dringt bij de Commissie aan op de heroverweging van de vraag naar de invoering van een database voor optimale praktijken, die het mogelijk maakt de optimale praktijken voor de tenuitvoerlegging te verspreiden over de lidstaten, de regionale en de lokale overheden; verzoekt de Commissie te onderzoeken op welke manieren de informatie- en communicatietechnologie kan worden ingezet om online zo veel mogelijk nuttige informatie te verschaffen over hoe de EU-milieuwetgeving ten uitvoer moet worden gelegd;

24.  benadrukt het belang van een versterkte controle op de toepassing van de milieuwetgeving; dringt hiertoe erop aan de bestaande capaciteiten te versterken en de verschillende controleorganen in de lidstaten op elkaar af te stemmen op basis van EU-richtsnoeren;

25.  onderstreept dat de EU-wetgeving de oorzaken van milieuschade moet aanpakken aan de hand van de regeling van de wettelijke aansprakelijkheid voor milieuschade en het maatschappelijk verantwoord ondernemen; acht het met het oog hierop van fundamenteel belang om alle nodige maatregelen te nemen ter bevordering en verspreiding van maatschappelijk verantwoord ondernemen op milieugebied, omdat dit van ondernemingen eist dat zij ontvankelijk zijn voor de strategie voor duurzame ontwikkeling;

26.  herinnert eraan dat de correcte tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving veel voordelen kan opleveren: drie voorbeelden van dergelijke voordelen zijn een gelijk speelveld voor economische actoren op de interne markt, het geven van een impuls aan innovatie en pioniersvoordelen voor EU-bedrijven;

27.  onderstreept dat een hoge mate van milieubescherming een van de fundamentele doelstellingen van de Europese Unie is en dat deze rechtstreekse voordelen voor de burgers zou opleveren, zoals betere leefomstandigheden door een betere luchtkwaliteit, minder lawaai en minder gezondheidsproblemen;

28.  benadrukt dat de EU voor zichzelf een ambitieuze agenda heeft opgesteld om toe te werken naar een veerkrachtige, hulpbronnenefficiënte en koolstofarme economie tegen 2050 en dat engagement op alle niveaus noodzakelijk is om dit doel te bereiken; herinnert eraan dat een gezamenlijke inspanning van essentieel belang is om ervoor te zorgen dat de EU-economie groeit op een manier die de beperkingen van de hulpbronnen en de grenzen van de mogelijkheden van onze planeet respecteert;

29.  betreurt het feit dat de behandeling van het voorstel voor een richtlijn betreffende toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden(9) geblokkeerd zit in de fase van de eerste lezing; nodigt de medewetgevers dan ook uit hun standpunten opnieuw te bekijken om uit deze impasse te komen;

30.  is in dit verband van mening dat de gerechtelijke instanties van de lidstaten die te maken hebben met inbreuken op en niet-naleving van de EU-milieuwetgeving, kennis moeten uitwisselen;

31.  acht de monitoring van de tenuitvoerleggingsactiviteiten van groot belang en onderstreept derhalve de waarde van het werk van het Europees Milieuagentschap op dat gebied, in overeenstemming met zijn wettelijke taakomschrijving;

32.  onderstreept de belangrijke rol van het Europees Milieuagentschap bij het bieden van een gedegen kennisbasis ter ondersteuning van het beleid en de tenuitvoerlegging, en erkent het werk dat het Europees Milieuagentschap op dit gebied heeft verricht; dringt bij het Europees Milieuagentschap aan op de verdere ontwikkeling van zijn capaciteiten om de Commissie en de lidstaten te helpen de kwaliteit van de monitoring en de vergelijkbaarheid van de milieu-informatie die in de verschillende delen van de EU is verzameld, te garanderen; moedigt voorts het Europees Milieuagentschap aan zich ook te richten op capaciteitsopbouw en de verspreiding van optimale praktijken in de lidstaten; rekent erop dat in de nieuwe strategie van het Europees Milieuagentschap uitgebreider aandacht wordt besteed aan de tenuitvoerlegging;

33.  ondersteunt het plan van de Commissie om de lidstaten te vragen om, met steun van de Commissie, gestructureerde tenuitvoerleggings- en informatiekaders (SIIF's - structured implementation and information frameworks) te ontwikkelen voor de voornaamste EU-milieuwetgeving, teneinde de belangrijkste bepalingen van een richtlijn te verduidelijken en aan te geven welke informatiesoorten nodig zijn om aan te tonen hoe de EU-wetgeving wordt uitgevoerd;

34.  merkt op dat indieners van verzoekschriften vaak hun bezorgdheid uiten over verschillende terreinen van het milieubeleid, zoals stortplaatsen, afvalverwerking, natuurlijke habitats en lucht- en watervervuiling; juicht hun inspanningen toe om de autoriteiten ertoe te brengen rekenschap af te leggen, en roept de lidstaten op om zich open en coöperatief op te stellen;

35.  dringt er bij de Commissie op aan om, in samenwerking met de nationale autoriteiten en in voorkomend geval samen met het Europees Milieuagentschap, een klachtenafdeling in het leven te roepen waar de burgers problemen in verband met de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving kunnen melden;

36.  onderstreept dat doeltreffende inspecties van cruciaal belang zijn en dringt er bij de lidstaten op aan om hun inspectiecapaciteiten conform de optimale praktijken te versterken; pleit voor gemeenschappelijke minimumcriteria voor inspecties om een rechtvaardige tenuitvoerlegging in alle delen van de EU te garanderen;

37.  dringt er bij alle actoren op aan de inspectie- en toezichtactiviteiten op elkaar af te stemmen om de beschikbare middelen efficiënter te gebruiken; benadrukt ook de waarde van een systematischer gebruik van collegiale toetsingen, zoals de Commissie heeft aangegeven; benadrukt dat het noodzakelijk is de bestaande inspecties aan te vullen met nauwere samenwerking en collegiale toetsingen tussen de inspectiediensten; moedigt het Netwerk van de Europese Unie voor de implementatie en handhaving van de milieuwetgeving (IMPEL) aan hiertoe actie te ondernemen; verzoekt de Commissie bovendien om kennis en capaciteitsopbouw te bevorderen door de ondersteuning van netwerken van rechters en openbare aanklagers, en om in nauwe samenwerking met het Comité van de Regio's de economische en milieukosten ingevolge de niet-naleving te verminderen en een gelijk speelveld te garanderen;

38.  dringt er bij de Commissie op aan een inspectie-eenheid inzake milieuwetgeving in te stellen, die tot taak heeft toezicht te houden op en te helpen bij de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving; dringt erop aan dat deze eenheid nieuwe technologieën gaat gebruiken en gaat samenwerken met lokale agentschappen om de inspectiekosten laag te houden; is van mening dat deze eenheid op basis van kostprijs moet opereren en dat de inkomsten aan de EU-begroting moeten worden toegewezen en moeten worden gereserveerd voor diensten in verband met een betere tenuitvoerlegging;

39.  moedigt de lidstaten aan correlatietabellen op te stellen en te publiceren waarin de omzetting van de EU-richtlijnen in nationale wetgeving wordt beschreven ten einde de transparantie en openheid van het wetgevingsproces te verbeteren en het voor zowel de Commissie als de nationale parlementen gemakkelijker te maken toezicht te houden op de juiste tenuitvoerlegging van EU-wetgeving;

40.  onderstreept dat rechters en openbare aanklagers een sleutelrol spelen bij de handhaving van de milieuwetgeving en dat het daarom van essentieel belang is dat zij met betrekking tot dit beleid goed worden opgeleid en geïnformeerd;

41.  benadrukt de belangrijke rol van de burgers in het tenuitvoerleggingsproces en dringt er bij de lidstaten en de Europese Commissie op aan hen op een gestructureerde manier bij dit proces te betrekken; wijst in dit verband tevens op het belang van de toegang van de burgers tot de rechter;

42.  verzoekt de Commissie en de lidstaten expliciet een duidelijk tijdsbestek af te bakenen waarbinnen een besluit moet worden genomen in rechtszaken met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving, opdat de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving en de vertraging bij rechtszaken niet als excuus worden gebruikt om naleving achterwege te laten en investeringen te belemmeren; verzoekt de Commissie te onderzoeken hoeveel investeringen zijn ingehouden ten gevolge van vertragingen in gerechtelijke procedures met betrekking tot onregelmatigheden bij de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving;

43.  onderstreept dat het van essentieel belang is dat de burgers en de NGO's al in een vroeg stadium actief worden geïnformeerd over het EU-milieubeleid om hen bij het opstellen en verwezenlijken van dergelijk beleid te betrekken; dringt er daarom op aan - ook met het oog op de bevindingen van de Groep van onafhankelijke belanghebbenden op hoog niveau inzake administratieve lasten - dat er in dit verband meer moeite wordt gedaan om het vertrouwen van het publiek in de EU-milieuwetgeving te vergroten, rekening houdend met het feit dat een beter milieu voor een beter bestaan niet eenzijdig door de instellingen kan worden gerealiseerd zonder de steun van de maatschappij zelf;

44.  Roept, met betrekking tot projecten met een eventuele grensoverschrijdende impact op het milieu, elke lidstaat ertoe op de betrokken bevolking en autoriteiten in andere lidstaten zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen en de maatregelen te treffen die nodig zijn om te waarborgen dat zij naar behoren worden geraadpleegd;

45.  dringt er bij de lidstaten op aan om de EU-milieuwetgeving op de meest heldere, simpele en gebruiksvriendelijke wijze toe te passen en de efficiëntie ervan te waarborgen.

46.  verzoekt de lidstaten verdere vooruitgang te boeken bij de volledige en correcte tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving en de goedgekeurde beleidslijnen en strategieën in het kader van het 7e Milieuactieprogramma en te zorgen voor voldoende capaciteit en middelen voor de volledige tenuitvoerlegging ervan, ook in tijden van besparingen, aangezien het niet of onvolledig ten uitvoer leggen van de EU-milieuwetgeving niet alleen onwettig is, maar de samenleving op lange termijn ook veel meer kost;

47.  onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat de wetgeving op het doel is afgestemd en het meest recente wetenschappelijk onderzoek weerspiegelt; verzoekt de EU en de lidstaten derhalve regelmatig te beoordelen of de EU-milieuwetgeving aan deze eisen voldoet en om deze, indien nodig, dienovereenkomstig aan te passen;

48.  erkent dat overeenstemming in eerste lezing kan leiden tot de ontoereikende tenuitvoerlegging van de wetgeving als de concrete inhoud nog in de uitvoeringsbepalingen moet worden omschreven; vraagt alle actoren derhalve te garanderen dat de besluitvorming gebaseerd is op een ondubbelzinnige politieke wil; benadrukt de behoefte aan duidelijke, samenhangende milieuwetgeving die is opgesteld op basis van feedback en openbare beleidsevaluaties;

49.  is van mening dat de Commissie in de EU-wetgeving richtlijnen moet blijven gebruiken zodat de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten de Europese wetgeving overeenkomstig hun eigen specifieke situatie ten uitvoer te kunnen leggen; vraagt de Commissie echter de reeds in haar voorstel uiteengezette steun verder te verhogen middels de in de effectbeoordeling bedoelde nadere studies of maatregelen;

50.  juicht de introductie van milieueffectbeoordelingen toe en verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de desbetreffende wetgeving beter ten uitvoer wordt gelegd, en dat daarbij met name beter rekening wordt gehouden met de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen en van bewoners, en van flora en fauna; is verontrust over het langzame tempo dat de lidstaten vaak aan de dag leggen bij de uitvoering van zulke effectbeoordelingen en dringt erop aan om bij de komende herziening van de desbetreffende richtlijn waarborgen in te voeren voor de onpartijdigheid en objectiviteit van deze beoordelingen;

o
o   o

51.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de Regio's en de parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0147.
(2) PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.
(3) PB C 15 van 18.1.2011, blz. 4.
(4) PB C 17 van 19.1.2013, blz. 30.
(5) PB C 103 E van 29.4.2004, blz. 626.
(6) BIOS-verslag (COM(2012)0095).
(7) Europese Commissie, Directoraat-generaal milieu „The costs of not implementing the environmental acquis” eindverslag, ENV.G.1/FRA/2006/0073, september 2011.
(8) 29ste jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2001) (COM(2012)0714).
(9) COM(2003)0624.

Juridische mededeling - Privacybeleid