Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 14 maart 2013 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Stappenplan Energie 2050
 Risico- en veiligheidsevaluaties van kerncentrales in de Europese Unie („stresstests”)
 Krachtiger bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat
 Bescherming van de volksgezondheid tegen hormoonontregelaars
 Integratie van migranten, gevolgen voor de arbeidsmarkt en de externe dimensie van de coördinatie van de sociale zekerheid
 Aan asbest gerelateerde bedreigingen voor de gezondheid en vooruitzichten op afschaffing van alle bestaande vormen van asbest
 Statuut van de Europese onderlinge maatschappij
 De situatie in Egypte
 Nucleaire dreigingen en mensenrechten in Noord-Korea
 De Betrekkingen EU-China
 Wedstrijdmanipulatie en corruptie in de sportwereld
 De mondiale waardeketen voor katoen
 De situatie in Bangladesh
 Irak: de benarde toestand van minderheidsgroeperingen, met name van de Iraakse Turkmenen
 De zaak van Arafat Jaradat en de situatie van Palestijnse gedetineerden in Israëlische gevangenissen

Stappenplan Energie 2050
PDF 205kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over het Stappenplan Energie 2050, een toekomst met energie (2012/2103(INI))
P7_TA(2013)0088A7-0035/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie „Stappenplan Energie 2050” en de bijbehorende werkdocumenten (COM(2011)0885),

–  gezien Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie(1),

–  gezien zijn resolutie van 12 juni 2012(2) over samenwerking op gebied van energiebeleid buiten onze grenzen: een strategische benadering van gegarandeerde, duurzame en concurrerende energievoorziening,

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2012 over een routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050(3),

–  gezien zijn resolutie over industriële, energetische en andere aspecten van schaliegas en -olie(4) en zijn resolutie over de gevolgen voor het milieu van de winning van schaliegas en schalieolie(5), die op 21 november 2012 zijn aangenomen,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0035/2013),

A.  overwegende dat eraan herinnerd dient te worden dat het EU-energiebeleid berust op duurzaamheid, de continuïteit van de energievoorziening en concurrentievermogen;

B.  overwegende dat het concurrentievermogen van de Europese industrie in overweging genomen moet worden via een aangepast beleid en aangepaste instrumenten en door ruimte te laten voor een proces waarbij de EU-economie opnieuw geïndustrialiseerd wordt;

C.  overwegende dat het in het belang van de lidstaten is dat zij hun afhankelijkheid van ingevoerde energie met volatiele prijzen afbouwen en hun energievoorraden diversifiëren;

D.  overwegende dat de uitdaging van energiezekerheid erin bestaat onzekerheden weg te nemen die tot spanningen tussen landen leiden en om marktinefficiënties te verminderen die de voordelen van handel in de weg staan, zowel voor leveranciers als voor consumenten;

E.  overwegende dat het belangrijk is om reeds in een vroege fase over aanwijzingen te beschikken of de doelstellingen van het stappenplan kunnen worden verwezenlijkt en om het effect op de economie van de EU te beoordelen, niet in het minst op het vlak van mondiaal concurrentievermogen, werkgelegenheid en sociale zekerheid;

F.  overwegende dat de lidstaten, de energiebedrijven en de bevolking een duidelijk beeld moeten krijgen van de richting waarin het EU-energiebeleid zich ontwikkelt, dat ondersteund moet worden met meer zekerheid, onder andere in de vorm van mijlpalen en streefcijfers voor 2030, om langetermijninvesteringen aan te moedigen en de risico's ervan te beperken;

Doelstellingen van het Stappenplan Energie 2050 van de EU

1.  erkent dat het voordelen zou opleveren voor de lidstaten als zij zouden samenwerken aan een omvorming van het energiesysteem; steunt daarom het Stappenplan Energie 2050 van de Commissie als basis om wetgevings- en andere initiatieven inzake energiebeleid te nemen met als doel om voor 2030 een beleidskader te ontwikkelen, met inbegrip van mijlpalen en streefcijfers voor energie-efficiëntie, broeikasgasemissies en hernieuwbare energie, teneinde een ambitieus en stabiel regelgevings- en wetgevingskader te creëren; merkt op dat er een pan-Europese governance nodig is om streefcijfers inzake energie voor 2050 en de tussenliggende periode te bepalen; stelt voor om in een geest van solidariteit een strategie vast te stellen die de lidstaten in staat stelt in het kader van het stappenplan in een geest van solidariteit samen te werken – de oprichting van een Europese Energiegemeenschap; pleit ervoor om werkzaamheden te verrichten om het beleidskader voor 2030 tijdig vast te stellen om investeerders voldoende zekerheid te bieden;

2.  merkt op dat de voorgestelde scenario's voor 2050 niet deterministisch van aard zijn, maar eerder als basis dienen voor een constructieve dialoog over hoe het Europese energiesysteem kan worden omgevormd om tegemoet te komen aan de langetermijndoelstelling om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 80 à 95% te beperken in vergelijking met de emissieniveaus van 1990; benadrukt dat alle toekomstige energievooruitzichten, met inbegrip van het Stappenplan Energie, zijn gebaseerd op bepaalde veronderstellingen wat betreft technologische en economische ontwikkelingen; verzoekt de Commissie daarom het stappenplan regelmatig bij te werken; wijst erop dat de effectbeoordeling van de Commissie geen nadere analyse omvat van de mogelijke trajecten van elke afzonderlijke lidstaat, groep lidstaten of regionale cluster tot 2050;

3.  is verheugd over het feit dat de Commissie in haar Stappenplan Energie 2050 verschillende scenario's schetst; benadrukt dat zowel de scenario's op basis van de huidige trends als de scenario's op basis van het koolstofarm maken van de economie slechts ramingen zijn; merkt op dat zij zeker niet met alle mogelijke ontwikkelingen rekening houden en dus slechts ideeën voor de toekomstige Europese energievoorzieningsstructuur kunnen aanreiken;

4.  onderstreept de noodzaak om de voor het Stappenplan Energie 2050 gemaakte ramingen verder te ontwikkelen, ook op basis van andere modellen dan het PRIMES-model, en aan te vullen met andere scenario's voor een koolstofarme economie teneinde meer inzicht te krijgen in de bestaande alternatieve ontwikkelingsmogelijkheden voor de veilige, kosteneffectieve en emissiearme Europese energievoorziening van de toekomst;

5.  erkent dat elektriciteit uit koolstofarme bronnen onmisbaar is voor de overgang naar een koolstofarme economie, wat inhoudt dat de elektriciteitssector in de EU tegen 2050 nagenoeg koolstofvrij moet zijn;

6.  benadrukt het belang van het energiebeleid van de EU in volle economische en financiële crisis; beklemtoont de rol die energie speelt in het stimuleren van groei en economisch concurrentievermogen en het creëren van banen in de EU; roept de Commissie op om strategieën voor na 2020 voor te stellen en spoedig te komen met een beleidskader voor het EU-energiebeleid voor 2030; is van mening dat dit beleidskader moet stroken met de EU-agenda voor een koolstofarme economie voor 2050 en rekening moet houden met de „no regrets”-opties in het stappenplan; vraagt om maatregelen ter beperking van de negatieve invloed van energie op het milieu, rekening houdend met de gevolgen van de genomen maatregelen voor het concurrentievermogen van de nationale economieën en de Europese economie en voor de zekerheid van de energievoorziening van de burgers;

7.  wijst op de alarmerende situatie in Bulgarije gedurende de eerste maanden van 2013 en op de noodzaak om lage elektriciteitsprijzen te garanderen door middel van een EU-energiebeleid dat het concurrentievermogen van de economieën van de lidstaten op de wereldmarkt waarborgt; benadrukt dat dit aspect, gedurende de economische crisis, in overweging moet worden genomen;

8.  merkt op dat het voeren van milieu- en klimaatbeleid zonder rekening te houden met uitdagingen als energiezekerheid, niet in de plaats mag komen van een energiebeleid dat moet worden gevoerd volgens het beginsel van duurzame ontwikkeling en dat de huidige en toekomstige generaties gelijke, universele en concurrerende toegang biedt tot energiebronnen, met respect voor de natuurlijke omgeving;

9.  moedigt de lidstaten aan een extra inspanning te leveren om de huidige streefcijfers voor 2020 inzake het EU-energiebeleid van de EU te halen, met name de energie-efficiëntiedoelstelling van 20%, die aan het huidige tempo niet zal worden verwezenlijkt; benadrukt dat een tijdige en volledige tenuitvoerlegging van alle bepalingen van de richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen(6) van essentieel belang is voor de verwezenlijking van de bindende doelstelling van de EU om de emissies tegen 2020 met minstens 20% te verminderen;

10.  verzoekt de Commissie de strategie van regionale energiespecialisatie aan te nemen, zodat de regio's de energiebronnen kunnen ontwikkelen die het meest efficiënt zijn om de Europese doelstellingen voor 2050 te verwezenlijken, zoals zonne-energie in het zuiden en windenergie in het noorden;

11.  beschouwt de overgang naar een koolstofarme en energie-efficiënte economie als kans voor niet alleen duurzaamheid, maar ook energiezekerheid en concurrentievermogen in Europa, en meent dat een verminderde uitstoot van broeikasgassen een concurrentievoordeel kan opleveren op de groeiende wereldmarkt voor energiegerelateerde goederen en diensten; onderstreept dat hier een kans ligt voor de kmo's in de EU die actief zijn op de markt voor hernieuwbare energie, wat de ontwikkeling van het ondernemerschap en de innovatie fors kan stimuleren en een van de belangrijkste middelen kan vormen voor het scheppen van banen;

12.  benadrukt dat een duidelijk, samenhangend en consistent beleid en regelgevingskader van het grootste belang is om de nodige investeringen voor „no regrets”-technologie, zoals gedefinieerd in het stappenplan, op economisch efficiënte en duurzame wijze te helpen bevorderen; wijst op de kerndoelstellingen van de Europa 2020-strategie voor intelligente, duurzame en inclusieve groei en dringt aan op de voortzetting van deze beleidsbenadering na 2020; merkt op dat de huidige strategieën voor 2020 moeten worden geëvalueerd teneinde een weloverwogen en evenwichtige beslissing te kunnen nemen over de strategieën voor na 2020; onderstreept het belang van een energiestrategie die erop gericht is energiezekerheid, economisch concurrentievermogen, werkgelegenheid, sociale aspecten en milieuduurzaamheid in de EU te bevorderen door maatregelen zoals een toename van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, diversificatie van toeleveringsroutes, leveranciers en energiebronnen, met betere interconnecties tussen de lidstaten, energie-efficiëntie en een efficiënter en geoptimaliseerd ontwerp van het elektriciteitssysteem om investeringen in duurzame energieproductie en backup- en balanceringstechnologie te stimuleren;

13.  merkt op dat goed werkende koolstofmarkten en de prijzen van energiebronnen een belangrijke sturende rol spelen in het gedrag van marktdeelnemers, zoals bedrijfsleven en consumenten; vraagt dat het beleidskader voor na 2020 wordt gebaseerd op het beginsel „de vervuiler betaalt” en op langetermijnvoorschriften om de marktdeelnemers zekerheid te bieden;

14.  herinnert eraan dat het de bevoegdheid van de lidstaten is hun eigen energiemix te bepalen; erkent dat het Stappenplan Energie 2050 de nationale, regionale en lokale inspanningen om de energievoorziening te moderniseren aanvult; erkent bijgevolg dat de lidstaten moeten samenwerken op basis van gemeenschappelijke doelstellingen; benadrukt voorts dat in de totstandbrenging van een goed gecoördineerde, EU-brede, onderling verbonden en duurzame energietransformatie een bijzonder belangrijke rol is weggelegd voor de EU, die er onder meer voor moet zorgen dat het nationale beleid strookt met de doelstellingen en de wetgeving van de EU; vraagt de lidstaten en de Commissie opties te blijven nastreven die, als onderdeel van de mondiale inspanning, op technologisch diverse, duurzame, economisch efficiënte, concurrerende en veilige wijze aan de langetermijndoelstellingen van de EU inzake energie en klimaatverandering (zoals overeengekomen door de Raad) kunnen voldoen en die de markt daarbij zo weinig mogelijk verstoren, en op nationaal niveau inspanningen te blijven leveren om het potentieel voor kosteneffectieve energiebesparingen ten volle te benutten, onder andere ondersteund door de beschikbare financiële instrumenten van de EU; erkent tegelijk de voordelen van het ontwikkelen van een gecoördineerde en zo nodig gemeenschappelijke Europese benadering die de nodige ruimte moet laten voor de specifieke kenmerken van kleinschalige energiesystemen en de daaruit voortvloeiende behoefte aan flexibiliteit;

15.  benadrukt dat energiesystemen die gebaseerd zijn op eigen, toegankelijke energiebronnen in de EU-lidstaten de hoeksteen vormen van de energiezekerheid van de EU; acht het vanuit dit oogpunt dan ook het meest rationeel dat de lidstaten energietechnologieën ontwikkelen die aansluiten bij hun potentieel en ervaring en die hun, met inachtneming van de milieu- en klimaatnormen, een continue en stabiele energievoorziening garanderen;

16.  wijst erop de geplande maatregelen niet vooral gericht dienen te zijn op de verwezenlijking van top-down scenario's inzake reductiedoelstellingen zoals nu het geval is, maar wel op de uitvoering van actiescenario's die rekening houden met kwesties zoals het bestaande potentieel in de lidstaten, de vooruitzichten voor de ontwikkeling van economisch efficiënte nieuwe technologieën en de mondiale gevolgen de uitvoering van het voorgestelde beleid, zodat reductiedoelstellingen voor de volgende jaren kunnen worden voorgesteld (bottom-up benadering);

17.  erkent de conclusie van het Stappenplan Energie 2050 dat de overgang naar een duurzame energiesector in de hele EU technisch en economisch haalbaar is en, volgens de analyse van de Commissie, op lange termijn minder zal kosten dan het voortzetten van het huidige beleid; wijst er echter op dat rekening moet worden gehouden met de nationale context, die sterk kan verschillen van lidstaat tot lidstaat;

18.  is van mening dat de doelstellingen voor 2050 nooit zullen worden bereikt tenzij de EU haar verantwoordelijkheid op zich neemt en een centrale rol gaat spelen in de overgang, met name voor enorme projecten zoals offshorewindmolens in de Noordzee; meent dat de EU voor grensoverschrijdende infrastructuur die verscheidene of alle lidstaten aanbelangt, prioritaire projecten moet vaststellen en als belangrijke investeerder moet optreden, als hefboom voor particuliere investeringen;

19.  erkent dat het toenemende belang van elektriciteit in de toekomstige energiemix betekent dat alle manieren om op koolstofarme wijze elektriciteit te produceren (met efficiënte conversie, hernieuwbare energiebronnen, koolstofafvang en -opslag (CCS) en kernenergie) zullen moeten worden aangewend om de klimaatdoelstellingen te bereiken zonder het concurrentievermogen en de continuïteit van de energievoorziening in het gedrang te brengen;

20.  benadrukt dat een volledig ontwikkelde, grensoverschrijdende energie-infrastructuur en een informatie-uitwisselingsmechanisme in de Unie voorwaarden zijn voor het welslagen van het stappenplan; wijst daarom op de noodzaak van een sterke coördinatie van het beleid van de lidstaten en van gezamenlijke maatregelen, solidariteit en transparantie op het vlak van extern energiebeleid, energiezekerheid en nieuwe investeringen in energie-infrastructuur;

21.  betreurt dat de Commissie de aanbevelingen van de aan peer review onderworpen adviesgroep voor het Stappenplan Energie 2050 niet heeft toegepast; vraagt de Commissie een geactualiseerde versie van het Stappenplan Energie op te stellen waarin die aanbevelingen worden meegenomen;

Belangrijkste elementen van een langetermijnstrategie

22.  is verheugd dat in het Stappenplan Energie 2050 wordt geconcludeerd dat er gelijkenissen zijn tussen de maatregelen die in de geanalyseerde scenario's genomen moeten worden om het energiesysteem van de EU om te vormen; is in dit verband verheugd dat de Commissie concludeert dat een groter aandeel hernieuwbare energiebronnen, meer energie-efficiëntie en energie-infrastructuur, waaronder slimme netwerken, de „no regrets”-opties zijn, met name wanneer zij marktgestuurd zijn, ongeacht de specifieke weg die wordt gekozen om tegen 2050 een koolstofarm energiesysteem te verwezenlijken; verzoekt de Commissie een gecombineerd scenario „groot aandeel hernieuwbare bronnen” en „hoge energie-efficiëntie” te onderzoeken; is van mening dat er een keuze moet worden gemaakt ten aanzien van welke weg men wil inslaan om de investeringszekerheid te vergroten;

23.  is van mening dat de financiële crisis moet worden aangegrepen om het maatschappijmodel van de EU om te vormen tot een uiterst energie-efficiënte, volledig op hernieuwbare energie gebaseerde en klimaatbestendige economie;

24.  erkent dat een groter aandeel hernieuwbare energiebronnen in de energiemix na 2020 een essentieel onderdeel van een duurzamer energiesysteem is; erkent voorts dat alle scenario's die in de mededeling van de Commissie worden onderzocht, uitgaan van een groter aandeel hernieuwbare energie in de energiemix van de EU, namelijk ongeveer 30% van het bruto-eindverbruik van energie in 2030 en ten minste 55% in 2050; benadrukt dat een beter energie-efficiëntiebeleid een groter aandeel hernieuwbare energie in de hand kan werken; vraagt de Commissie om gedecentraliseerde stroomopwekking uitdrukkelijk mee te nemen in de ramingen voor de toekomst; vraagt de Commissie voorts om de financiële, technische en infrastructurele hindernissen die de groei van gedecentraliseerde stroomopwekking in de lidstaten belemmeren, duidelijk in kaart te brengen;

Energie-efficiëntie

25.  benadrukt dat een verbeterde energie-efficiëntie en energiebesparingen een essentiële rol zullen spelen in de omvorming van het energiesysteem en dat het halen van de doelstellingen voor 2020 een voorwaarde vormt voor verdere vooruitgang tegen 2050; beveelt in dit verband aan dat de lidstaten meer inspanningen leveren om de onlangs goedgekeurde energie-efficiëntierichtlijn volledig toe te passen, en dat bewustmakingscampagnes en energie-efficiëntie worden opgenomen in de nationale leerplannen in de lidstaten; beveelt de lidstaten en de Commissie aan meer te doen om nationale ideeën en nationale ontwikkelingsbanken bij die omvorming te betrekken en de uitwisseling van best practices te bevorderen; herinnert eraan dat energie-efficiëntie, als die correct wordt toegepast, voor de EU een kosteneffectieve manier is om haar langetermijndoelstellingen inzake energiebesparing, klimaatverandering en economische en energiezekerheid te verwezenlijken; erkent dat een verschuiving naar een energie-efficiëntere economie de verspreiding van innovatieve technologische oplossingen kan versnellen, de invoer van fossiele brandstoffen kan doen afnemen en het concurrentievermogen en de groei van de industrie in de Unie kan bevorderen; is van oordeel dat het streven naar een beter energie-efficiëntiebeleid gepaard moet gaan met een sterke focus op de hele vraag- en aanbodketen voor energie, waaronder transformatie, transmissie, distributie en voorziening, alsook het verbruik van de industrie, de bouwsector en de huishoudens; benadrukt dat het verminderen van het energieverbruik in gebouwen een centrale plaats moet krijgen in het langetermijnbeleid van de EU inzake energie-efficiëntiebeleid, omdat de renovatie van bestaande gebouwen enorm veel energie kan helpen besparen; benadrukt dat het huidige tempo en de kwaliteit van de renovaties aanzienlijk moeten worden verhoogd opdat de EU haar energieverbruik in het bestaande gebouwenbestand tegen 2050 met 80% kan verlagen in vergelijking met 2010; vraagt de lidstaten in dit verband ambitieuze langetermijnstrategieën voor de renovatie van gebouwen op te stellen, zoals de energie-efficiëntierichtlijn vereist;

26.  wijst op de dringende behoefte aan nieuwe, gemoderniseerde, slimme en flexibele energie-infrastructuur, met name slimme netwerken, om een meer flexibele backup- en balanceringscapaciteit mogelijk te maken, met inbegrip van afzonderlijke micro-opwekkings- en opslageenheden, nieuwe vormen van gebruik van elektriciteit (zoals elektrische voertuigen) en vraagresponsprogramma's (waaronder slimme meters) en een volledig geïntegreerde Europees netsysteem, om onder andere alle energiebronnen in de hele EU te integreren, zoals nodig is gebleken; herinnert eraan dat kostenoptimaal beleid verschilt naar gelang van de vraagpatronen, het potentiële aanbod, de geografische kenmerken en de economische context op plaatselijk niveau; benadrukt voorts de dringende noodzaak van de vaststelling van een stabiel en voorspelbaar regelgevingskader, van EU-brede marktmechanismen ter bevordering van flexibiliteit, waaronder reservecapaciteit en opslag, en van medefinanciering van infrastructuurprojecten van gemeenschappelijk belang door de EU, in overeenstemming met de richtsnoeren voor de energie-infrastructuur en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen;

27.  merkt op dat financiële middelen van de EU en de lidstaten, met inbegrip van begrotings- en investeringsbeleid, een voorwaarde zijn om in Europa nieuwe energie-infrastructuur aan te leggen, rekening houdend met de kosten van de aanleg van nieuwe voorzieningen en de buitengebruikstelling van verouderde voorzieningen en met programma's voor sociaal herstel van de desbetreffende regio's;

28.  vraagt de Commissie in een breed verband het potentieel van de diverse technologieën voor energieopslag in de EU te onderzoeken, door de integratie van interne energiemarkt van de EU, met inbegrip van netwerkcapaciteit, energie- en klimaatbeleid en consumentenbescherming, zodat de doelstellingen van het energie- en klimaatbeleid van de EU kunnen worden verwezenlijkt, de afhankelijkheid van de invoer van energie van buiten de EU afneemt en er een echte interne markt en een level playing field voor energie ontstaan, met de best mogelijke energiezekerheid voor de toekomst;

Hernieuwbare energie

29.  benadrukt dat een meer Europese benadering van het beleid inzake hernieuwbare energie cruciaal is op middellange tot lange termijn; moedigt de lidstaten en hun regio's aan om beter samen te werken, onder meer door in grotere mate gebruik te maken van de samenwerkingsregelingen in de richtlijn hernieuwbare energie om de efficiëntie van de uitbreiding van hernieuwbare energie te optimaliseren, de kosten van hernieuwbare energie te drukken en ervoor te zorgen dat er in de EU meer wordt geïnvesteerd waar dat het productiefst en efficiëntst is, rekening houdend met de specifieke kenmerken van elke lidstaat; benadrukt het belang van streefcijfers; benadrukt in dit verband de belangrijke faciliterende rol van de Commissie bij het coördineren, financieel steunen en opstellen van de nodige analyses van de voorraden en het potentieel van hernieuwbare energiebronnen in de lidstaten, is verheugd over de aankondiging van de Commissie dat zij richtsnoeren zal opstellen voor de handel in hernieuwbare energie; wijst erop dat hernieuwbare energie op lange termijn een centrale plaats zal innemen in de energiemix van Europa, naarmate er wordt overgeschakeld van technologische ontwikkeling naar massaproductie en verspreiding, van kleinschalig tot grootschaliger − waarbij plaatselijke en meer afgelegen bronnen worden geïntegreerd − en van gesubsidieerd naar concurrerend; benadrukt dat het toenemende gebruik van hernieuwbare energie wijzigingen in het beleid en de structuur van de energiemarkt vereist om de markten aan deze werkelijkheid aan te passen en tot een sterkere marktintegratie te komen, met name door de stabiliteit van het netsysteem te bevorderen door flexibiliteit en diensten; wijst op het belang van stabiele regelgevingskaders, zowel op het niveau van de EU als op dat van de lidstaten, om investeringen te stimuleren; wijst op de behoefte aan vereenvoudigde administratieve procedures en stabiele en doeltreffende steunregelingen die mettertijd kunnen worden aangepast en geleidelijk kunnen worden afgeschaft zodra de technologieën en leveringsketens marktwaardig en concurrerend worden en onvolkomenheden in de marktwerking zijn verholpen; benadrukt evenwel dat veranderingen met terugwerkende kracht in de steunregelingen nadelig zijn voor het vertrouwen van de investeerders en zo de risico's en kosten van investeringen in hernieuwbare energiebronnen vergroten;

30.  erkent dat de doelstellingen inzake hernieuwbare energie succesvol zijn gebleken en verzoekt de lidstaten om het nodige stabiele beleid te voeren om hun doelstellingen voor 2020 te kunnen bereiken;

31.  herinnert aan de rol van projecten als Desertec en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in naburige regio's; wijst erop dat het project Helios voorziet in het transport van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen uit Zuidoost-Europa naar Midden-Europa en in de verdere uitbreiding van windenergie in de Noordzee en andere regio's; benadrukt dat de mogelijkheid om elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in te voeren uit buurregio's moet worden aangevuld met stimulansen en maatregelen voor de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen, bijvoorbeeld in het zuidelijke Middellandse Zeegebied en in het Noordzeegebied, en met meer interconnecties tussen de Europese netwerken;

32.  wijst erop dat stabiele energievoorziening bij de huidige stand van de technologie voor veel hernieuwbare energiebronnen nog niet mogelijk is, waardoor het aanhouden van strategische voorraden van conventionele energiebronnen noodzakelijk is; vraagt de Commissie daarom te analyseren hoe hernieuwbare energiebronnen op duurzame wijze kunnen worden ontwikkeld en vooral hoe stabiele hernieuwbare energiebronnen kunnen worden gesteund; meent dat er bij minder stabiele energiebronnen moet worden onderzocht of het voorzien in reservevermogen kosteneffectief is en energieopslagtechnologie moet worden ontwikkeld;

33.  wijst erop dat er om op de lange termijn een koolstofarme elektriciteitsvoorziening van de EU te bereiken, nauwer moet worden samengewerkt met buurlanden en -regio's zoals Noorwegen, Zwitserland en het zuidelijke Middellandse Zeegebied; benadrukt dat Europa baat kan hebben bij de belangrijke bronnen van hernieuwbare energie die in die regio's worden ontwikkeld om aan de plaatselijke vraag tegemoet te komen alsook om, door de ontwikkeling van onderlinge netverbindingen over grote afstanden, een beperkt percentage van de vraag in de EU op te vangen; merkt op dat betere interconnecties de lidstaten in staat zullen stellen hernieuwbare elektriciteit uit- en in te voeren om een betrouwbare energievoorziening te verzekeren en variabele bronnen voor het opwekken van elektriciteit, zoals wind, in evenwicht te brengen; wijst er in dit verband op dat interconnecties met Noorwegen een bijzonder voordeel voor de EU biedt, aangezien deze toegang bieden tot de grote electriciteitsopslagcapaciteit van de Noorse waterkrachtcentrales;

34.  wijst erop dat micro-opwekking belangrijk is om het aandeel van hernieuwbare energiebronnen te vergroten; wijst er voorts op dat micro-opwekking belangrijk is om de energie-efficiëntie te vergroten, de energievoorziening veilig te stellen, burgers bewust te maken van hun eigen energieverbruik en de klimaatverandering tegen te gaan; benadrukt in dat opzicht dat er een samenhangende EU-strategie voor micro-opwekking moet komen die maatregelen omvat voor het moderniseren van de energie-infrastructuur, het beperken van de wetgevingslast en het uitwisselen van best practices inzake fiscale stimulansen;

35.  wijst erop dat er voor na 2020 een voldoende krachtig beleidskader nodig is voor hernieuwbare-energietechnologieën waarvoor nog geen netpariteit is bereikt, dat gericht is op convergentie en, in een latere fase, afbouw van subsidies;

36.  merkt op dat de scenario's in het Stappenplan Energie 2050 een groter aandeel van biobrandstoffen veronderstellen; is in dat verband van mening dat de Commissie de overstap naar biobrandstoffen van de derde generatie op basis van afvalproducten van voedselgewassen moet ondersteunen en vergelijkbare voorwaarden moet opleggen voor ingevoerde biobrandstoffen;

37.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen om de efficiëntie van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen binnen de EU en haar regio's te vergroten; is van mening dat er op middellange termijn regionale marktgroepen voor hernieuwbare energie zouden kunnen worden gevormd;

38.  verzoekt de lidstaten en de Commissie een mondiaal open marktbeleid voor hernieuwbare producten te ondersteunen en te bevorderen en alle handelsbelemmeringen weg te nemen, om zo het concurrentievermogen van de EU te vergroten door de uitvoer van technologie voor hernieuwbare energie te bevorderen;

39.  erkent dat de streefcijfers voor hernieuwbare energie succesvol zijn gebleken en verlengd moeten worden tot 2030; verzoek de lidstaten te blijven werken aan de verwezenlijking van hun doelstellingen voor 2020; is bezorgd over het toenemende aantal abrupte wijzigingen in de steunmechanismen voor hernieuwbare energie in de lidstaten, met name wijzigingen met terugwerkende kracht en bevriezingen van steun; verzoekt de Commissie nauwgezet toezicht te houden op de uitvoering van de richtlijn hernieuwbare energie en zo nodig in te grijpen; verzoekt de lidstaten om een stabiel kader te bieden voor investeringen in hernieuwbare energie, met inbegrip van stabiele en regelmatig herziene steunregelingen en gestroomlijnde administratieve procedures;

40.  roept de Commissie en de lidstaten op de bedragen die zijn uitgetrokken voor maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie in het volgende meerjarig financieel kader fors te verhogen;

Infrastructuur en de interne energiemarkt

41.  benadrukt dat, aangezien de EU energiezekerheid en energieonafhankelijkheid nastreeft, de klemtoon moet worden verschoven naar een model van onderlinge energieafhankelijkheid tussen de lidstaten door ervoor te zorgen dat de interne energiemarkt van de EU en de slimme en supernetinfrastructuur die noord en zuid en oost en west met elkaar verbindt, snel voltooid worden, zodat de comparatieve voordelen van elke lidstaat alsook het potentieel van een gedecentraliseerde energieproductie op microniveau en intelligente energie-infrastructuren in alle lidstaten ten volle kunnen worden benut; beklemtoont dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de ontwikkelingen van het beleid en de regelgeving in de lidstaten volledig stroken met de bepalingen van de drie liberaliseringspakketten, de laatste knelpunten in de infrastructuur en onvolkomenheden in de markwerking weg te werken en geen nieuwe hindernissen voor de integratie van de elektriciteits- en gasmarkt op te werpen; wijst er verder met klem op dat de beslissingen inzake energiebeleid in elk nationaal stelsel ook in acht moeten nemen dat dergelijke beslissingen de andere lidstaten kunnen beïnvloeden; oppert dat het wenselijk zou zijn na te gaan of en hoe de expertise en de faciliteiten van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) kunnen worden ingezet bij de uitvoering van bovengenoemde taken;

42.  erkent dat energie-infrastructuurprojecten worden gekenmerkt door grote investeringen vooraf welke in grote mate kunnen worden verminderd door de mogelijkheden voor energiebesparing volledig te benutten, en gewoonlijk 20 à 60 jaar operationeel zijn; herinnert eraan dat het huidige marktklimaat bijzonder onvoorspelbaar is en dat investeerders daarom aarzelen om aan energie-infrastructuurontwikkeling te doen; benadrukt dat nieuwe strategieën, met inbegrip van de „energiebesparingen eerst”-strategie, en innovatieve instrumenten moeten worden gestimuleerd om de behoefte aan investeringen in infrastructuur te beperken, om een vlotte aanpassing aan de snel veranderende omstandigheden mogelijk te maken;

43.  benadrukt dat het huidige beleid en de vigerende regelgeving ten uitvoer moeten worden gelegd zodat de bestaande energie-infrastructuur beter wordt gebruikt in het belang van de EU-consumenten; verzoekt de Commissie en het ACER nauwlettender toe te zien op de nationale toepassing van regels zoals die welke betrekking hebben op het „use it or lose it”-beginsel;

44.  benadrukt de noodzaak van een volledig geïntegreerde Europese energiemarkt tegen 2014; wijst op het belang van de volledige uitvoering van de wetgeving inzake de interne energiemarkt in alle lidstaten en de noodzaak te waarborgen dat geen enkele lidstaat of regio na 2015 geïsoleerd blijft van de Europese gas- en elektriciteitsnetwerken; beklemtoont dat er rekening moet worden gehouden met de maatschappelijke gevolgen en de energiekosten en dat ervoor moet worden gezorgd dat de energieprijzen de kosten, met inbegrip van milieukosten die momenteel niet volledig in aanmerking worden genomen, beter weerspiegelen;

45.  neemt nota van de totstandbrenging van een mechanisme voor informatie-uitwisseling voor intergouvernementele overeenkomsten tussen de lidstaten en derde landen inzake energiebeleid, aangezien dit mechanisme meer transparantie, coördinatie en doeltreffendheid van het beleid in de EU als geheel beoogt; verzoekt de lidstaten meer ambitie aan de dag te leggen bij het tegenhouden van overeenkomsten die strijdig zijn met de wetgeving inzake de interne energiemarkt; is van oordeel dat de Commissie de gelegenheid moet krijgen om ontwerpovereenkomsten te toetsen op hun verenigbaarheid met die wetgeving en om zo nodig aan de onderhandelingen deel te nemen; is van mening dat het mechanisme voor informatie-uitwisseling een stap op weg naar verdere coördinatie bij de aankoop van energie buiten de EU vormt, hetgeen van essentieel belang is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het Stappenplan Energie 2050;

46.  benadrukt de noodzaak om de stimulansen voor investeerders in de energiemarkt te vergroten door de rentabiliteit te verhogen en bureaucratische procedures te vergemakkelijken zonder deze te versoepelen;

47.  erkent dat de financiële crisis het moeilijker heeft gemaakt om de nodige investeringen aan te trekken om de omvorming van het energiesysteem te financieren; wijst op de nieuwe uitdagingen, zoals de behoefte aan flexibele reserve- en balanceringshulpbronnen in het energiesysteem (bv. flexibele opwekking, een solide transmissienetwerk, opslag, vraagbeheersing, micro-opwekking en interconnectie), om de toename van variabele opwekking uit hernieuwbare energiebronnen te helpen opvangen; onderstreept het belang van infrastructuur op distributieniveau en de rol die proactieve consumenten en distributiesysteembeheerders (DSB's) vervullen bij de integratie van decentrale energieproducten en efficiëntieverhogende maatregelen aan de vraagzijde in het systeem; benadrukt dat er behoefte is aan een goede beoordeling van de beschikbare capaciteit in Europa, aan voldoende interconnecties en aan flexibele balancerings- en reservecapaciteit om het aanbod op de vraag af te stemmen en zo de continuïteit van de elektriciteits- en gasvoorziening te garanderen; onderstreept dat de integratie van gedecentraliseerde energiebronnen en de verwezenlijking van de algemene energiebeleidsdoelstellingen aanzienlijk zouden worden bevorderd als een hogere prioriteit zou worden gegeven aan beheer en opwekking aan de vraagzijde;

48.  benadrukt dat, aangezien de huidige infrastructuur verouderd is, enorme investeringen nodig zijn in elk scenario van de mededeling van de Commissie over het Stappenplan Energie 2050; wijst erop dat dit in elk scenario zal leiden tot een stijging van de energieprijzen tot 2030; neemt er voorts nota van dat volgens de Commissie het grootste deel van deze stijging in het referentiescenario al aan de gang is, aangezien deze stijging een gevolg is van het feit dat oude, reeds volledig afgeschreven opwekkingscapaciteit in de komende twintig jaar moet worden vervangen;

49.  beklemtoont dat de energiezekerheid van de Europese Unie ook afhankelijk is van een grotere verscheidenheid aan invoerbronnen; wijst er in dit verband op dat de Unie op actieve wijze nauwer met haar partners moet gaan samenwerken; stelt vast dat de voltooiing van de zuidelijke corridor vertraging oploopt; benadrukt dat er voor energiezekerheid moet worden gezorgd door energiediversificatie; herinnert aan de aanzienlijke bijdrage van vloeibaar aardgas (LNG) en LNG-vloten tot de energievoorziening van de EU en wijst op de mogelijkheid van een extra LNG-corridor in het oostelijke Middellandse Zeegebied, die zou dienen als flexibele energiebron en als stimulans voor meer mededinging op de interne energiemarkt van de EU;

50.  herhaalt dat de strategische partnerschappen van de Unie met productie- en doorvoerlanden, en met name landen die onder het Europees Nabuurschapsbeleid (ENB) vallen, adequate instrumenten, voorspelbaarheid, stabiliteit en langetermijninvesteringen vereisen; benadrukt dat hiertoe de klimaatdoelstellingen van de Unie moeten worden ondersteund door investeringen van de EU in infrastructuur gericht op diversificatie van de aanvoerroutes en het vergroten van de energiezekerheid van de Unie, zoals Nabucco;

51.  herinnert eraan dat de markten, overeenkomstig het pakket interne energiemarkt, de belangrijkste rol spelen in het financieren van investeringen in energie-infrastructuur; erkent dat bepaalde innovatieve of strategisch belangrijke projecten die uit het oogpunt van voorzieningszekerheid, solidariteit en duurzaamheid gerechtvaardigd zijn, maar waarvoor op de markt onvoldoende financiering te vinden is, soms beperkte overheidssteun nodig hebben om particuliere financiering aan te trekken; benadrukt dat dergelijke projecten moeten worden geselecteerd aan de hand van duidelijke, transparante criteria die concurrentieverstoring voorkomen en rekening houden met de belangen van de consumenten, en volledig moeten stroken met de energie- en klimaatdoelstellingen van de EU;

52.  benadrukt dat de meeste scenario's van het Stappenplan Energie 2050 niet haalbaar zijn zonder de ontwikkeling van plaatselijke intelligente distributienetten voor elektriciteit en gas; is van mening dat de Unie naast grensoverschrijdende projecten maatregelen moet vaststellen ter ondersteuning van de ontwikkeling of renovatie van plaatselijke netten en de toegang hiertoe van beschermde consumenten in het bijzonder;

53.  benadrukt het belang van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, waarvan een aanzienlijk financieringsbedrag gereserveerd wordt voor de omvorming en verdere ontwikkeling van de energie-infrastructuur in de EU; benadrukt dat het belangrijk is om cruciale duurzame projecten op zowel grote als kleine schaal te identificeren en te ondersteunen;

54.  benadrukt de rol van een éénloketbenadering in aanvulling op de vereenvoudigingsdoelstellingen van de EU om de bureaucratische rompslomp te verminderen, waardoor de goedkeurings- en vergunningsprocedures worden versneld en de administratieve lasten voor bedrijven die een goedkeuring aanvragen voor de ontwikkeling van energie-infrastructuur, worden verlicht en tegelijk de naleving van de geldende regels wordt gewaarborgd; roept de lidstaten in dit verband op hun procedures te herzien;

55.  verzoekt de Commissie de onzekerheid over de regelgeving voor institutionele investeerders zo spoedig mogelijk aan te pakken voor wat betreft de interpretatie van het derde energiepakket als het gaat om een passieve investeerder in zowel transmissie- als opwekkingscapaciteit;

56.  verzoekt de Commissie het gebrek aan stimulansen voor investeringen in intelligente netwerken voor DSB's en transmissiesysteembeheerders (TSB's) in informatie- en communicatietechnologie (ICT) en andere innovatieve technologieën die een beter en toegenomen gebruik van het bestaande netwerk vergemakkelijken, zo spoedig mogelijk aan te pakken;

Sociale dimensie

57.  is ingenomen met het feit dat de sociale dimensie is meegenomen in het Stappenplan Energie 2050; meent dat er dit verband bijzondere aandacht moet worden besteed aan energiearmoede en werkgelegenheid; benadrukt met betrekking tot energiearmoede dat energie voor iedereen betaalbaar moet zijn, en vraagt de Commissie, de lidstaten, de lokale overheden en de bevoegde sociale instanties samen te werken aan oplossingen op maat om problemen zoals elektriciteits- en verwarmingsarmoede aan te pakken, met speciale nadruk op kwetsbare huishoudens met een laag inkomen, die het zwaarst onder de hogere energieprijzen te lijden hebben; is daarom van mening dat een dergelijke strategie energie-efficiëntie en energiebesparingen moet bevorderen, omdat dit een van de efficiëntste manieren is om de energiefacturen te verlichten, nationale maatregelen zoals belastingen, overheidsopdrachten, prijzen van verwarming enz. moet analyseren, met name wanneer die een belemmering vormen voor investeringen in energie-efficiëntie of de optimalisatie van de productie en het gebruik van warmte, en aanbevelingen moeten bevatten over goede en slechte werkwijzen; benadrukt dat het belangrijk is om meer energie-efficiëntiemaatregelen te ontwikkelen en erover te communiceren, maatregelen aan de vraag- en aanbodzijde te bevorderen en bewustmakingscampagnes op te zetten om de nodige gedragswijziging in de hand te werken; vraagt de lidstaten regelmatig verslag uit te brengen over de maatregelen die zij hebben genomen om huishoudens te beschermen tegen stijgende energiefacturen en energiearmoede; vraagt de Commissie ten behoeve van de werkgelegenheid maatregelen te bevorderen om onderwijs en herscholing aan te passen om de lidstaten aan hooggekwalificeerde arbeidskrachten te helpen die een rol kunnen spelen in de energieovergang; vraagt de Commissie het Parlement tegen eind 2013 nadere informatie te verstrekken over het effect van deze overgang op de werkgelegenheid in de energie- en dienstensector, en concrete mechanismen uit te werken om de betrokken werknemers en sectoren te helpen; beveelt aan dat de lidstaten rekening houden met de externe kosten en baten van energieopwekking en -verbruik, zoals de voordelen van een betere luchtkwaliteit voor de gezondheid; meent dat sociaal overleg over de gevolgen van het Stappenplan Energie, waarbij alle belanghebbenden betrokken moeten worden, tijdens de overgang een essentiële factor is en zal blijven;

58.  wijst erop dat vaststelling van een decarbonisatiestrategie die geen rekening houdt met de situatie van sommige lidstaten kan leiden tot een enorme toename van de energiearmoede in bepaalde lidstaten, die optreedt wanneer de energie-uitgaven meer dan 10% van het huishoudbudget uitmaken;

59.  benadrukt de noodzaak om consumenten te beschermen tegen hoge energieprijzen en ondernemingen te beschermen tegen oneerlijke concurrentie alsook kunstmatige lage prijzen van bedrijven buiten de EU, overeenkomstig de dringende verzoeken die zijn gedaan tijdens de Rio+20-top met betrekking tot de versterkte rol van de WTO;

60.  dringt er bij de lidstaten en de internationale gemeenschap op aan onderwijsinstellingen die geschoolde werkkrachten alsook de volgende generatie wetenschappers en innoveerders op het gebied van veilige energievoorziening en veilig energieverbruik, energiezekerheid en energie-efficiëntie kunnen opleiden, te stimuleren; herinnert in dit verband aan de belangrijke rol die Horizon 2020 en het Europees Instituut voor innovatie en technologie vervullen in het dichten van de kloof tussen onderwijs, onderzoek en toepassing in de energiesector;

61.  wenst de nadruk te leggen op het belang van transparante prijzen en consumentenvoorlichting; is in dit verband van mening dat het de taak van de Commissie is voor elk gekozen scenario het effect van deze factoren op de door particulieren en bedrijven betaalde energieprijzen zo nauwkeurig mogelijk te berekenen;

De rol van specifieke energiebronnen

62.  is van mening dat alle koolstofarme technologieën moeten worden ingezet voor het ambitieuze streven naar een koolstofarm energiesysteem van de EU in het algemeen en een koolstofarme elektriciteitssector in het bijzonder; erkent dat er onduidelijkheid zal blijven bestaan over welke technologieën binnen de vereiste termijn technisch en commercieel inzetbaar zullen zijn; benadrukt dat er flexibiliteit moet worden gehandhaafd om aanpassing aan de technologische en sociaaleconomische veranderingen die zich zullen voordoen mogelijk te maken;

63.  erkent dat conventionele fossiele brandstoffen ten minste gedurende de overgang naar een koolstofarm energiesysteem waarschijnlijk deel zullen blijven uitmaken van het energiesysteem;

64.  erkent dat kernenergie momenteel gebruikt wordt als een belangrijke energiebron met weinig emissies; verzoekt de Commissie en de lidstaten om, in het licht van de lessen die zijn getrokken uit het ongeluk in Fukushima in 2011, de veiligheid van kernenergie te verbeteren, gebruikmakend van de resultaten van de recente stresstests voor kerncentrales;

65.  is het eens met de Commissie dat kernenergie een belangrijke bijdrage zal blijven leveren aangezien sommige lidstaten kernenergie blijven beschouwen als een zekere, betrouwbare en betaalbare bron om op een koolstofarme manier elektriciteit op te wekken; erkent dat uit de scenarioanalyse blijkt dat kernenergie kan bijdragen tot lagere systeemkosten en lagere elektriciteitsprijzen;

66.  is het eens met de Commissie dat aardgas op korte tot middellange termijn een belangrijke rol zal spelen in de omvorming van het energiesysteem, aangezien het een relatief snelle en kostenefficiënte manier is om de afhankelijkheid van andere, meer vervuilende fossiele brandstoffen te verminderen; benadrukt dat de gasaanvoerroutes naar de Europese Unie moeten worden gediversifieerd; waarschuwt voor investeringen die zouden kunnen leiden tot een niet terug te draaien afhankelijkheid van fossiele brandstoffen;

67.  erkent het potentieel van aardgas als flexibele reserve om de variabele voorziening van hernieuwbare energie in evenwicht te houden, naast elektriciteitsopslag, interconnecties en vraagrespons; is van mening dat er meer belang moet worden toegekend aan gas, met name indien technologieën voor koolstofafvang en -opslag meer algemeen beschikbaar worden; meent dat de beoogde vermindering van de broeikasgasemissies centraal moet staan in de overwegingen ter zake en de belangrijkste factor moet zijn bij het maken van energiekeuzes;

68.  is van mening dat de rol van vloeibaar petroleumgas (LPG), als een flexibele en betrouwbare energiebron op plaatsen met een gebrek aan infrastructuur, niet moet worden vergeten;

69.  benadrukt dat de verwachte toename van de gas- en elektriciteitsinvoer uit derde landen in de EU op korte en lange termijn moet worden aangepakt met het oog op de zekerstelling van de energievoorziening; herhaalt dat deze uitdaging voor sommige regio's en lidstaten nauw verband houdt met de afhankelijkheid van olie- en gasinvoer uit één derde land; erkent dat er door deze uitdaging onder meer behoefte is aan een grotere rol voor binnenlandse en hernieuwbare energiebronnen, die van vitaal belang zijn voor de concurrentiekracht en de voorzieningszekerheid, en aan maatregelen met het oog op de diversificatie van het aanbod van energieleveranciers, -routes en -bronnen; beseft dat een van de strategische doelstellingen in dit verband de verwezenlijking tegen 2020 van de zuidelijke gascorridor is, opdat ongeveer 10 à 20 % van de gasbehoefte van de EU via die route kan worden aangevoerd en iedere Europese regio reële toegang tot ten minste twee verschillende gasbronnen heeft;

70.  merkt op dat CCS een rol zou kunnen spelen in het koolstofarm maken van de sector tegen 2050; merkt evenwel op dat de CCS zich momenteel nog in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase bevindt; merkt op dat de ontwikkeling van CCS zeer onzeker blijft door onopgeloste problemen zoals vertragingen van onbepaalde tijd, hoge kosten en problemen met de doeltreffendheid; benadrukt dat op een economisch efficiënte, veilige en duurzame wijze ontwikkelde CCS zo spoedig mogelijk op commerciële schaal in gebruik moet zijn; beklemtoont dat CCS ook een belangrijke optie is voor het koolstofarm maken van verschillende energie-intensieve industrieën zoals olieraffinage, aluminiumsmelterijen en cementproductie; verzoekt de Commissie met een tussentijds evaluatierapport te komen over de resultaten van de door de EU gesubsidieerde demonstratieprojecten voor steenkoolcentrales;

71.  benadrukt het belang van beleidsmaatregelen, overheidsfinanciering en een passende koolstofprijs om de vroegtijdige toepassing van CCS-technologie in Europa vanaf 2020 te demonstreren en te garanderen; onderstreept het belang van het demonstratieprogramma van de EU voor de algemene aanvaarding van en steun voor CCS als belangrijke technologie voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen;

72.  verzoekt de Commissie kennisdeling en samenwerking binnen de EU en op internationaal niveau mogelijk te maken en te bevorderen opdat engineering van het hoogste niveau op peil gehouden wordt in CCS-demonstratieprojecten; verzoekt de Commissie vroegtijdige investeringen in pijpleidinginfrastructuur te ondersteunen en om grensoverschrijdende planning te coördineren ten einde toegang tot CO2-putten vanaf 2020 te waarborgen, en om onderzoek te doen om opslagreservoirs in Europa te karakteriseren; verzoekt de Commissie actief samen te werken met de lidstaten en de sector om te communiceren over de voordelen en veiligheid van CCS teneinde het vertrouwen van de burger in deze technologie te vergroten;

73.  neemt er nota van dat een optimaal, veilig en duurzaam gebruik en dito ontwikkeling van binnenlandse en regionale energiebronnen en het concurrentievermogen van de benodigde infrastructuur voor de stabiele levering van binnenlandse of ingevoerde energiebronnen kunnen bijdragen tot een grotere energiezekerheid en om die reden een prioriteit moeten zijn bij het opstellen van het energiebeleid van de EU;

74.  merkt op dat het, zolang de vraag naar producten op basis van ruwe olie aanhoudt, belangrijk is een Europese aanwezigheid in de raffinage-industrie te handhaven, teneinde de energievoorzieningszekerheid te helpen waarborgen, het concurrentievermogen van downstreamsectoren zoals de petrochemische sector te bevorderen, wereldwijde normen voor de kwaliteit van brandstofraffinage vast te stellen, op de naleving van de milieuvoorschriften toe te zien en de werkgelegenheid in deze sectoren te behouden; benadrukt ook de vaststelling in het Stappenplan Energie dat olie waarschijnlijk zelfs in 2050 nog deel zal uitmaken van de energiemix, weliswaar met een veel kleiner aandeel en voornamelijk voor passagiers- en goederenvervoer;

75.  is van mening dat speciale aandacht moet worden geschonken aan de lidstaten waar steenkool momenteel de voornaamste energiebron is en/of waar steenkoolproductie en elektriciteitsproductie op basis van steenkool essentiële regionale bronnen van werkgelegenheid zijn; meent dat aanvullende, door de EU gesteunde sociale maatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat de scenario's van het Stappenplan Energie 2050 door de bevolking van deze regio's worden geaccepteerd;

Mondiale uitdagingen op het gebied van energie

76.  beseft dat de EU in een mondiale context opereert en dat alleen optreden misschien niet alle verwachte voordelen met zich meebrengt; herinnert aan de conclusies van de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie van november 2011 over het versterken van de externe dimensie van het energiebeleid van de EU, waarin de Raad wees op de behoefte aan een bredere en meer gecoördineerde EU-benadering van de internationale betrekkingen op energiegebied om de mondiale energieproblemen en de klimaatverandering aan te pakken, en op de noodzaak om kwesties in verband met concurrentievermogen en koolstoflekkage op te lossen en de strengste veiligheidsnormen inzake kernenergie te handhaven en te bevorderen en tegelijk te zorgen voor een veilige, zekere, duurzame en gediversifieerde energievoorziening;

77.  benadrukt dat het nodig is de energiezekerheid en uiteindelijk de zelfvoorziening van de EU te waarborgen, voornamelijk door energie-efficiëntie, energiebesparingen en hernieuwbare energie te bevorderen, wat samen met andere alternatieve energiebronnen de invoerafhankelijkheid zal verminderen; neemt nota van de groeiende belangstelling voor de exploratie van olie- en gasvelden in de Middellandse en de Zwarte Zee; gelooft dat er dringend een alomvattend EU-beleid inzake olie- en gasboringen in zee moet worden ontwikkeld; meent dat de nadruk moet worden gelegd op mogelijke risico's en op de afbakening van exclusieve economische zones (EEZ's) van EU-lidstaten en relevante derde landen in overeenstemming met het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos), dat alle lidstaten van de EU en de EU zelf ondertekend hebben;

78.  benadrukt dat het verlenen van licentieverleningsrechten voor boringen en de afbakening van EEZ's een bron van spanningen met derde landen zal worden, en dat de EU deze kwestie hoog op de politieke agenda moet houden en moet proberen internationale onenigheid te voorkomen; onderstreept dat energie moet worden gebruikt als een motor voor vrede, milieubescherming, samenwerking en stabiliteit;

79.  dringt erop aan dat de gezamenlijke energieroutekaart van de EU en Rusland wordt gebaseerd op de beginselen van wederzijds respect en wederkerigheid die verankerd zijn in de regels van de Wereldhandelsorganisatie, het Verdrag inzake het Energiehandvest en het derde energiepakket; verzoekt de Commissie de EU-regels betreffende de interne markt en mededinging effectief toe te passen op alle ondernemingen die op het EU-grondgebied in de energiesector werkzaam zijn; is in dit verband ingenomen met het recente onderzoek naar concurrentievervalsing door Gazprom en haar Europese dochterondernemingen en betreurt het politiek gemotiveerde besluit van de president van de Russische Federatie waardoor Russische energiebedrijven geen medewerking aan de EU-instellingen mogen verlenen; beklemtoont dat van iedere onderneming in de energiesector wordt verwacht dat zij onderzoeksinstanties volledige medewerking verleent; verzoekt de Commissie met een passende reactie op dit besluit te komen en ervoor te zorgen dat het onderzoek kan worden voortgezet;

80.  verzoekt de Commissie om een omvattende lijst van energieprioriteiten op korte, middellange en lange termijn op te stellen die de EU in haar betrekkingen met de buurlanden moet nastreven, met het oog op het tot stand brengen van een gezamenlijke juridische ruimte op basis van beginselen en normen voor de interne energiemarkt die stoelen op het acquis; benadrukt hoe belangrijk het is de Energiegemeenschap verder uit te breiden, met name met de kandidaat-landen en de landen van het Oostelijk Partnerschap, Centraal-Azië en het Middellandse Zeegebied, en juridische controlemechanismen in te stellen om gebrekkige toepassing van het acquis tegen te gaan; verlangt dat de Unie blijk geeft van solidariteit met haar partners in de Energiegemeenschap; veroordeelt in dit verband de recente dreigementen van Rusland aan het adres van Moldavië;

81.  benadrukt dat het energiebeleid van de EU op geen enkele wijze in strijd mag zijn met de basisbeginselen waarop de EU gegrondvest is, met name wat betreft de democratie en de mensenrechten; verzoekt de Commissie in dit verband in haar energiebetrekkingen producerende en doorvoerlanden die de Europese waarden onderschrijven, te bevoorrechten;

82.  beklemtoont dat het belangrijk is de samenwerking en dialoog met andere strategische energiepartners te versterken; is van mening dat de toenemende invloed van opkomende economieën op de mondiale energiemarkten alsook de toename van hun vraag naar energie het voor de EU essentieel maken om uitgebreid met deze partners samen te werken op alle energiegebieden; merkt op dat de Europese Unie op lange termijn de coördinatie moet vergroten wat betreft het aankopen van energie uit derde landen; vraagt om nauwere samenwerking tussen de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), zodat de EU met één stem kan spreken over kwesties in verband met het energiebeleid, zoals dat is vastgesteld in de EU-wetgeving en volgens de aanwijzingen van het directoraat-generaal Energie van de Commissie; herinnert eraan dat het Parlement regelmatig moet worden geïnformeerd over de ontwikkelingen op dit gebied;

83.  benadrukt dat het EU-Verdrag oproept tot solidariteit tussen de lidstaten, hetgeen deel zou moeten uitmaken van zowel het dagelijkse functioneren als het crisisbeheer van het interne en externe energiebeleid; verzoekt de Commissie om een duidelijke definitie van „energiesolidariteit” te geven om ervoor te zorgen dat alle lidstaten deze eerbiedigen;

84.  benadrukt dat er niet zal worden toegegeven op de veiligheid en zekerheid van zowel traditionele (bv. nucleaire) als nieuwe energiebronnen (bv. niet-conventionele olie en niet-conventioneel gas) en is van mening dat de EU zich moet blijven inspannen om het veiligheids- en zekerheidskader te versterken en het voortouw moet nemen in internationale inspanningen op dit gebied;

85.  benadrukt dat naarmate de lidstaten door middel van investeringen in infrastructuur en de goedkeuring van gemeenschappelijke regels een begin maken met het koppelen en integreren van hun nationale markten, ook aanhoudend moet worden geïnvesteerd in samenwerking met Rusland teneinde creatieve en wederzijds aanvaardbare maatregelen vast te stellen die gericht zijn op het verkleinen van de verschillen tussen de twee energiemarkten;

86.  benadrukt dat, aangezien de energievoorziening verschuift naar ontwikkelende economieën, de EU een intensieve dialoog moet aangaan en nauw moet samenwerken met de BRIC-landen op het gebied van energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen, schone steenkool, CCS, intelligente netwerken, onderzoek naar kernfusie en nucleaire veiligheid; benadrukt dat de EU ook een helder beleid moet ontwikkelen voor samenwerking met deze landen op het gebied van onderzoek en innovatie in de energiesector;

87.  roept de EU op een actieve rol te blijven spelen in de internationale onderhandelingen over een mondiaal klimaatakkoord; benadrukt dat de EU moet weten wat de gevolgen zouden zijn indien het sluiten van een mondiale overeenkomst inzake klimaatverandering zou falen; betreurt het dat het Stappenplan geen scenario bevat waarin een dergelijke overeenkomst niet wordt gesloten; benadrukt dat de totstandkoming van een juridisch bindend, wereldwijd akkoord over emissiereductie met deelname van 's werelds grootste veroorzakers van uitstoot, zoals China, India, de VS en Brazilië, de kansen op een daadwerkelijke vermindering van de uitstoot van broeikasgassen zal vergroten; wijst erop dat de uitdaging die koolstoflekkage inhoudt, moet worden aangepakt door te voorkomen dat energie-intensieve industrieën zich buiten de EU gaan vestigen;

Regeling voor de handel in emissierechten (ETS)

88.  erkent dat de ETS momenteel het belangrijkste, maar niet het enige, instrument voor het verminderen van de industriële uitstoot van broeikasgassen en het stimuleren van investeringen in veilige en duurzame koolstofarme technologieën is; merkt op dat een structurele verbetering van het ETS nodig is opdat de regeling beter op een economische baisse of opleving kan inspelen, investeerders weer zekerheid kan geven en op de markt gebaseerde stimulansen kan versterken voor investeringen in en de toepassing van koolstofarme technologieën; wijst erop dat structurele veranderingen in de ETS een zorgvuldige beoordeling vergen van de ecologische, economische en maatschappelijke gevolgen alsook van het effect op koolstofarme investeringen, op de elektriciteitsprijzen en op het concurrentievermogen van energie-intensieve industrieën, met name wat het risico van koolstoflekkage betreft; vraagt de Commissie en de lidstaten de ontwikkeling van innovatieve, veilige en duurzame technologische oplossingen door Europese industrieën te vergemakkelijken en aan te moedigen;

89.  vraagt de Commissie zo spoedig mogelijk met een aanvullende beoordeling te komen waarin suggesties worden gedaan voor aanbevolen maatregelen die het risico op koolstoflekkage door de verplaatsing van productiefaciliteiten naar plaatsen buiten de EU kunnen voorkomen, en waarin met name aanvullende scenario's aan bod komen waarin er slechts beperkte of geen verdere mondiale maatregelen worden genomen om de CO2-uitstoot te beperken;

90.  benadrukt dat de niet-ETS-sectoren ongeveer 55% van de broeikasgasemissies in de EU veroorzaken en dat het essentieel is ervoor te zorgen dat naast de ETS-sectoren ook de niet-ETS-sectoren hun verantwoordelijkheid om de emissies te beperken op zich nemen; benadrukt de noodzaak van politieke richtsnoeren op het niveau van de EU en van concrete maatregelen om dit probleem aan te pakken;

91.  erkent dat de ETS met onverwachte problemen te maken heeft en dat het groeiende overschot aan rechten nog vele jaren afbreuk zal doen aan de stimulans om koolstofarme investeringen te doen; wijst erop dat dit ten koste gaat van de doeltreffendheid van de ETS als belangrijkste mechanisme van de EU ter vermindering van uitstoot waarbij gelijke voorwaarden gelden voor concurrerende technologieën, ondernemingen de mogelijkheid krijgen om hun eigen mitigatiestrategie te ontwikkelen en specifieke maatregelen worden genomen om koolstoflekkage te voorkomen; vraagt de Commissie maatregelen te nemen om de onvolmaaktheden van de ETS te verhelpen en de ETS te doen functioneren zoals oorspronkelijk was gepland; stelt voor dat deze maatregelen het volgende omvatten:

   (a) zo spoedig mogelijk een verslag voorleggen aan het Parlement en de Raad, waarin onder meer wordt onderzocht wat de gevolgen zijn voor stimulansen voor investeringen in koolstofarme technologieën en het risico van koolstoflekkage; vóór het begin van de derde fase moet de Commissie zo nodig de in artikel 10, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG bedoelde verordening wijzigen met het oog op de uitvoering van passende maatregelen, die onder meer de inhouding van de nodige hoeveelheid emissierechten kunnen omvatten;
   (b) zo spoedig mogelijk een wetgevingsvoorstel indienen om de vereiste lineaire jaarlijkse vermindering met 1,74% te wijzigen om aan de vereisten voor de CO2-reductiedoelstelling voor 2050 te voldoen;
   (c) een beoordeling maken en publiceren van het nut van het vaststellen van een grensprijs voor de veiling van emissierechten;
   (d) stappen ondernemen om de input van relevante informatie in en de transparantie van het ETS-register te verhogen ten einde een effectievere monitoring en evaluatie mogelijk te maken;

Onderzoek, menselijke middelen, nieuwe technologieën en alternatieve brandstoffen

92.  gelooft dat prijzen een cruciale rol spelen in energiegerelateerde investeringen en energieproductie; merkt op dat het uiteenlopende beleid van de verschillende lidstaten om hernieuwbare energie te bevorderen moet worden beschouwd als een leercurve; is van mening dat de recente relatief hoge prijzen van fossiele brandstoffen de ontwikkeling van hernieuwbare energie zullen bevorderen, mits een einde wordt gemaakt aan beleids- en markttekortkomingen; beveelt aan dat de lidstaten efficiëntere steunregelingen voor hernieuwbare energie bevorderen en ondersteunen om de stijging van de energieprijzen te beperken; vraagt de Commissie opties te onderzoeken voor een meer gecoördineerd, convergerend en geïntegreerd Europees systeem van steun voor hernieuwbare energie;

93.  gelooft dat de stijging van de energiefacturen in Europa in de voorbije jaren aanleiding heeft gegeven tot een „slimme” benadering van energie-efficiëntie en energiebesparingen waarbij mensen hun gezond verstand gebruiken; benadrukt de noodzaak om deze natuurlijke doch ontoereikende gedragsverandering te begeleiden met de juiste beleidsmaatregelen en financiële steun om verdere energiebesparingen te bevorderen; benadrukt de noodzaak om consumenten ertoe aan te zetten hun eigen energie op te wekken; benadrukt dat de rol van ICT en de toepassing daarvan via intelligente netwerken steeds belangrijker zijn voor de ontwikkeling van efficiënt energieverbruik en met name voor de ontwikkeling van vraagresponsprogramma's (waaronder slimme meters), die consumenten moeten helpen om actieve belanghebbenden in energie-efficiëntie te worden door hun in real time bevattelijke gegevens te verschaffen over het energieverbruik in huishoudens en bedrijven en over het overschot dat terugvloeit naar het net, alsook informatie over energie-maatregelen en mogelijkheden op het vlak van energie-efficiëntie;

94.  is van mening dat energie-infrastructuur zich meer op de eindgebruiker moet richten, met meer nadruk op de interactie tussen distributiesysteemcapaciteiten en verbruik en benadrukt de noodzaak van tweerichtingsstromen voor elektriciteit en informatie in real time; wijst op de voordelen voor de consumenten van nieuwe technologieën, zoals vraagbeheersing en vraagresponssystemen, die de energie-efficiëntie van vraag en aanbod verbeteren;

95.  meent dat er dringend slimme netwerken moeten komen en dat deze een noodzakelijke voorwaarde zijn voor de integratie van gedistribueerde hernieuwbare energie en een efficiënter energieverbruik (die van groot belang zijn voor verwezenlijking van de 20-20-20-doelstellingen van het klimaat- en energiepakket;

96.  wijst nadrukkelijk op de rol van slimme netten, die een tweerichtingsverkeer tussen elektriciteitsproducenten en klanten mogelijk maken, en klanten in staat stellen hun elektriciteitsgebruik in het oog te houden en aan te passen; beschouwt een sterke bescherming van persoonsgegevens en consumentenvoorlichtingsprogramma's, zoals informatiecampagnes op scholen en universiteiten, als essentieel, in het bijzonder wanneer slimme meters werkelijk effect moeten sorteren; onderstreept dat de lidstaten de relevante informatie op websites voor consumenten toegankelijk moeten maken en dat alle betrokken actoren, zoals bouwondernemingen, architecten en leveranciers van verwarmings-, koelings- en elektriciteitsinstallaties, geactualiseerde informatie kunnen krijgen en prijzen en diensten kunnen vergelijken, om aan de hand daarvan de energieleverancier te kiezen die het meest aan hun doeleinden beantwoordt;

97.  vraagt de Commissie te waarborgen dat met Horizon 2020 en de Europese innovatiepartnerschappen in het kader van de Innovatie-Unie prioriteit wordt gegeven aan de optimalisering van het energiesysteem en aan de noodzakelijke ontwikkeling van alle soorten duurzame koolstofarme technologieën om het concurrentievermogen van de EU te stimuleren, werkgelegenheidskansen te bevorderen en prikkels te geven voor verantwoord omgaan met energie; ondersteunt in dit verband de doelstellingen van het Europees strategisch plan voor energietechnologie en van de aanverwante Europese industriële initiatieven; benadrukt dat ook het bevorderen van de energie-efficiëntie en het verlagen van de kosten van hernieuwbare energie door technologische verbeteringen en innovatie de hoogste prioriteit moeten krijgen, onder meer door een groter deel van de overheidsbegroting voor onderzoek te reserveren voor onderzoek naar hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, met name in het kader van Horizon 2020 en het SET-plan;

98.  blijft van mening dat onderzoek naar nieuwe alternatieve brandstoffen van essentieel belang is om de langetermijndoelstellingen op het gebied van milieu- en klimaatbeleid te realiseren en verwacht in dit verband dat het Horizon 2020-programma daartoe de noodzakelijke aanzetten geeft;

99.  benadrukt het belang van verder onderzoek en ontwikkeling van overheidsinstellingen en van de sector, met het oog op meer energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie en aardgas in het wegvervoer, de zeevaart en de luchtvaart;

Verwarming en koeling

100.  vraagt dat er meer aandacht wordt besteed aan de verwarmings- en koelingssector; vraagt de EU in dit verband te overwegen om de verwarming- en koelingsector volledig te integreren in de omvorming van het energiesysteem; merkt op dat deze sector vandaag ongeveer 45% van het bruto-eindverbruik van energie in Europa vertegenwoordigt en dat een beter inzicht in de belangrijke rol die verwarming en koeling spelen noodzakelijk is; verzoekt de Commissie daarom om de nodige gegevens te verzamelen over de energiebronnen voor en het gebruik van verwarming en koeling en over de distributie van warmte aan de verschillende soorten eindgebruikers (zoals woningen, industrie, tertiaire sector); pleit voor de ontwikkeling van warmtekrachtkoppelingscentrales die hernieuwbare of teruggewonnen warmte gebruiken, en steunt verder onderzoek naar koel- en verwarmingssystemen om het ambitieuze beleid van de EU te verwezenlijken; vraagt de publieke autoriteiten om de vraagverwachtingen voor 2050 te actualiseren en een beoordeling van het effect op de regionale ondergrond uit te voeren om de hulpbronnen optimaal te verdelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorts – onder andere via O&O en innovatieve financiële instrumenten – meer financiering toe te wijzen aan plaatselijke energie-infrastructuur, zoals stadsverwarming en -koeling, die efficiënte, koolstofarme of koolstofvrije oplossingen kan aanreiken die invoer en uitwisseling/vervoer van energie over heel Europa kunnen vervangen; merkt op dat onmiddellijk beschikbare oplossingen op het vlak van hernieuwbare energie (geothermische energie, biomassa, met inbegrip van biologisch afbreekbaar afval, zonnewarmte en hydro-/aerothermische energie) in combinatie met energie-efficiëntiemaatregelen, de volledige vraag naar warmte tegen 2050 op een meer kosteneffectievere manier koolstofarm kunnen maken, en tegelijk het probleem van energie-armoede kunnen aanpakken;

Slotopmerkingen

101.  is verheugd over de geplande mededeling van de Commissie over CCS, de interne markt, energie-efficiëntie en energietechnologieën om verdere vooruitgang te boeken met de politieke keuzes die zijn gemaakt in het Stappenplan Energie 2050;

102.  is van mening dat, om de continuïteit van de energievoorziening te verzekeren, de regio's aan de buitengrenzen van de EU bijzondere aandacht moeten krijgen in de vorm van steun voor de aansluiting en de ontwikkeling van nieuwe energie-infrastructuur, in samenwerking met de buurlanden;

103.  merkt op dat de verschillende geografische omstandigheden het onmogelijk maken om op alle regio's een uniform energiebeleid toe te passen; is zich ervan bewust dat de beleidskaders van de EU in acht moeten worden genomen, maar meent dat elke Europese regio, onverminderd de criteria voor een gemeenschappelijk optreden, moet worden toegestaan een individueel plan na te streven dat is aangepast aan haar situatie en economie, en de energiebronnen te ontwikkelen waarmee de doelstellingen van het Stappenplan Energie 2050 op de meest effectieve wijze kunnen worden verwezenlijkt, en herinnert eraan dat met name de opwekking van hernieuwbare energie zeer belangrijk is voor de ontwikkeling en de werkgelegenheid in zowel plattelandsgebieden als andere gebieden; verzoekt alle regio's daarom energiestrategieën te ontwikkelen en toe te passen, en te overwegen energie op te nemen in hun strategieën voor onderzoek en innovatie met het oog op slimme specialisatie;

104.  benadrukt het belang van transparantie, democratisch toezicht en inspraak van het maatschappelijk middenveld in de betrekkingen met derde landen op energiegebied;

105.  onderstreept dat het belangrijk is het totale energieverbruik te verminderen en de energie-efficiëntie in de vervoersector te vergroten, mede door vervoersplanning en subsidie voor openbaar vervoer op lidstaatniveau; onderstreept ook dat projecten voor hernieuwbare energie uit hoofde van het programma voor de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie (TEN-T en TEN-E) moeten worden bespoedigd;

106.  is van mening dat voor de algemene doelstelling van een koolstofarme economie een aanzienlijke emissiebeperking in de vervoerssector noodzakelijk is, wat verdere ontwikkeling van alternatieve brandstoffen, een verhoging van de efficiëntie van vervoermiddelen en een aanzienlijke stijging van het elektriciteitsgebruik en derhalve grote investeringen in elektriciteitsinfrastructuur, netwerkbeheer en opslag van energie met zich meebrengt; merkt op dat er snel moet worden opgetreden om niet gebonden te blijven aan een hoger emissiepad wegens de lange levenscyclus van infrastructuur;

107.  beveelt ten zeerste aan om de conclusies van het werkdocument van de diensten van de Commissie „Regio's 2020 – een beoordeling van de toekomstige uitdagingen voor de EU-regio's” op te nemen over het belang om ook rekening te houden met het potentieel van de ultraperifere en minder ontwikkelde regio's op het gebied van energievoorziening in de komende jaren;

108.  vestigt de aandacht op het complexe verband tussen energie, voedselvoorziening en veiligheid, met name ten aanzien van niet-duurzame biobrandstoffen van de eerste generatie die negatieve sociale en milieueffecten kunnen hebben op ontwikkelingslanden; beveelt daarom aan meer te investeren in duurzame geavanceerde biobrandstoffen uit landbouwafvalstoffen en zeewier en deze verder te ontwikkelen;

109.  herinnert aan het belang van de milieu-integriteit van energieproductie; verzoek de lidstaten de eisen van de milieueffectbeoordelingsprocedure strikt toe te passen op alle soorten energieproductie, waaronder onconventioneel aardgas;

110.  verzoekt de Commissie om de zogenoemde „energiezekerheidsclausule” op te nemen in alle handels-, associatie-, partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten met producerende en doorvoerlanden, waarin een gedragscode vastgelegd dient te worden en expliciet vermeld dient te worden welke maatregelen er getroffen moeten worden bij een eenzijdige wijziging van de voorwaarden door een van de partners;

111.  wijst op het belang van brede samenwerking in de Arctische regio, in het bijzonder tussen landen in het Euro-Atlantische gebied, met inbegrip van een overeenkomst over een bijzondere regeling; roept de Commissie daarom op te komen met een alomvattende beoordeling van de voordelen en risico's van EU-betrokkenheid in het Noordpoolgebied, met inbegrip van een milieurisicoanalyse, gezien de grote kwetsbaarheid en onmisbaarheid van deze gebieden, met name het hoge Noordpoolgebied;

112.  wijst erop dat de Arctische wateren een aangrenzend marien milieu vormen van bijzonder belang voor de Europese Unie, en dat zij een belangrijke rol spelen bij het tegengaan van de klimaatverandering; benadrukt dat speciale aandacht moet worden besteed aan de ernstige milieuzorgen met betrekking tot de Arctische wateren, teneinde de bescherming van het milieu in de Arctische wateren in verband met eventuele offshore-olie- en -gasactiviteiten, inclusief onderzoeksactiviteiten, te waarborgen, daarbij rekening houdend met het risico op zware ongevallen en de noodzaak daar doeltreffend op te reageren; spoort de lidstaten die tot de Arctische Raad behoren aan zich actief in te spannen om de hoogst mogelijke milieuveiligheidsnormen in dit kwetsbare en unieke ecosysteem te handhaven, onder meer door internationale instrumenten te creëren voor de voorkoming van, de paraatheid met betrekking tot, en de respons op mariene olievervuiling in de Arctische wateren, en door, in het bijzonder, overheden actief aan te sporen geen vergunningen af te geven voor offshore-olie- en -gasactiviteiten, met inbegrip van onderzoeksactiviteiten, zolang een doeltreffende respons op dergelijke ongevallen niet kan worden gewaarborgd;

o
o   o

113.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten P7_TA(2012)0238.
(3) Aangenomen teksten P7_TA(2012)0086.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0444.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0443.
(6) Richtlijn 2009/28/EG van 23 april 2009 (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16). Een voorstel tot wijziging (COM(2012)0595) wordt momenteel besproken.


Risico- en veiligheidsevaluaties van kerncentrales in de Europese Unie („stresstests”)
PDF 139kWORD 29k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over de risico- en veiligheidsbeoordelingen („stress tests”) van kerncentrales in de Europese Unie en gerelateerde activiteiten (2012/2830(RSP))
P7_TA(2013)0089B7-0086/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2012 inzake de volledige risico- en veiligheidsevaluatie („stress tests”) van kerncentrales in de Europese Unie en gerelateerde activiteiten (COM(2012)0571),

–  gezien de onderzoeksbezoeken aan de centrales die door de Groep Europese regelgevers op het gebied van nucleaire veiligheid (Ensreg) werden georganiseerd als follow-up na de voltooiing van het evaluatieproces over de „stresstests”, met het doel om informatie uit te wisselen over de maatregelen die in de kerncentrale getroffen, gepland of in overweging genomen zijn ter verbetering van de veiligheid naar aanleiding van de „stresstests”, en om goede praktijken en opmerkelijke successen vast te stellen en eventuele lering die getrokken is uit de uitvoering van de maatregelen of de moeilijkheden die daarbij zijn opgetreden,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 24 en 25 maart 2011, met name het daarin geformuleerde verzoek aan de onafhankelijke nationale autoriteiten in de EU om een alomvattende en transparante risico- en veiligheidsbeoordeling van alle kerncentrales in de EU uit te voeren, in het kader van de lering die getrokken is uit het ongeval in de kerncentrale van Fukushima-Daiichi in Japan,

–  gezien de goedkeuring van het actieplan van de Ensreg op 1 augustus 2012, waarmee wordt gewaarborgd dat de nationale regelgevende instanties en de Ensreg op een consistente manier gevolg zullen geven aan de aanbevelingen en de suggesties van de „peer reviews” over de „stresstests”,

–  gezien Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties(1), waarin wordt benadrukt dat de nationale verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de veiligheid van nucleaire installaties een grondbeginsel is en dat de voornaamste verantwoordelijkheid voor het toezicht op nucleaire veiligheidsinstallaties bij de nationale regelgevende instanties berust,

–  gezien het verslag van de Ensreg inzake de „peer review” over de „stresstests”, dat is aangenomen door de Ensreg en de Commissie, en de bijbehorende gezamenlijke verklaring van de Ensreg en de Commissie van 26 april 2012,

–  gezien de kernramp in de kerncentrale Fukushima-Daiichi in Japan van 2011,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 28 en 29 juni 2012, met name het verzoek aan de lidstaten om ervoor te zorgen dat de aanbevelingen in het verslag van de Ensreg volledig en tijdig worden uitgevoerd na de voltooiing van de „stresstests” voor nucleaire veiligheid,

–  gezien Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad van 19 juli 2011 tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtsof en radioactief afva(2)l,

–  gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, met name de artikelen 2 en 30,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de volledige risico- en veiligheidsevaluatie („stress tests”) van kerncentrales in de Europese Unie en gerelateerde activiteiten (O-000183/2012 - B7-0108/2013),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie van het Europees Parlement van 16 oktober 2012 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid (A7-0327/2012) wordt verlangd dat nucleaire veiligheid in derde landen voldoet aan Europese veiligheidsnormen;

B.  overwegende dat de volledige risico- en veiligheidsevaluatie („stress tests”) van kerncentrales in de Europese Unie en gerelateerde activiteiten zijn uitgevoerd om de paraatheid van kerncentrales bij een aantal extreme omstandigheden te onderzoeken;

1.  neemt nota van de mededeling van de Commissie over de „stress tests” die na het incident in Fukushima zijn uitgevoerd en over de resultaten daarvan; is ingenomen met het initiatief van de Commissie, in het bijzonder via de Ensreg, en de nationale regelgevende instanties om 45 reactoren in de EU en 20 reactoren buiten de EU aan een „stresstest”-procedure te onderwerpen; onderstreept het nut van deze procedure en het feit dat het hierbij om een op mondiaal vlak unieke exercitie gaat; verwacht dat de resultaten van de „stresstests” zullen bijdragen aan de bevordering van een cultuur van nucleaire veiligheid in Europa en daarmee een internationaal voorbeeld kunnen stellen; looft de inspanningen om de „stresstests” zo transparant mogelijk te maken;

2.  neemt kennis van de belangrijkste conclusies van het verslag over de „peer reviews”, waarin vier hoofdterreinen voor verbetering in Europa worden onderscheiden: 1) advisering door de Western European Nuclear Regulators Association (organisatie van nucleaire toezichthoudende autoriteiten in West-Europa - WENRA) over de beoordeling van natuurlijke risico's en marges, rekening houdend met de bestaande richtsnoeren van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA); 2) onderstreping van het belang van periodieke veiligheidsbeoordelingen; 3) tenuitvoerlegging van erkende maatregelen ter bescherming van de integriteit van de omhulling; en 4) minimalisering van het aantal ongelukken ten gevolge van natuurlijke risico's en beperking van hun gevolgen;

3.  onderkent dat landen na de „stresstests” zijn begonnen maatregelen uit te voeren of te plannen die de veiligheid van hun centrales in de hand zullen werken, gezien de lering die getrokken is uit de ramp in de centrale van Fukushima; verwelkomt het feit dat de Ensreg en de Commissie overeenstemming hebben bereikt over een actieplan voor de follow-up van de aanbevelingen en ook dat alle maatregelen ter verbetering van de nucleaire veiligheid op Europees niveau zullen worden uitgewisseld; beklemtoont dat de Commissie op grond van „peer review” maatregelen heeft vastgesteld die op EU-niveau moeten worden overwogen; roept alle betrokkenen op een adequate en acute follow-up te geven aan alle bevindingen en aanbevelingen in die „peer review”, waaronder aan de daarin geïdentificeerde goede praktijken; beveelt in dit verband aan om de leidende rol van de Ensreg bij het toezicht op de uitvoering - op grond van nationale actieplannen- van de aanbevelingen van de „peer reviews” te bekrachtigen; verzoekt de Ensreg regelmatig verslag uit te brengen aan de Commissie, het Europees Parlement en de Raad over de vooruitgang die wordt geboekt, en vindt dat het Parlement elk jaar op de hoogte moet worden gesteld van en geraadpleegd moet worden over resultaten, maatregelen en plannen op het vlak van nucleaire veiligheid;

4.  herinnert er echter aan dat de reikwijdte van de door de Commissie en de Ensreg geïnitieerde „stresstests” beperkt was en dat ze in de eerste plaats bedoeld waren om de degelijkheid en de paraatheid van kerncentrales in het geval van ernstige externe gebeurtenissen te beoordelen; is dan ook van oordeel dat de „stresstests” hoofdzakelijk tot doel hadden de degelijkheid en de paraatheid van kerncentrales in het geval van ernstige externe gebeurtenissen te beoordelen en niet bedoeld waren ter vervanging van de volledige veiligheidstoetsing van kerncentrales die onder verantwoordelijkheid van de lidstaten ter beoordeling van de nucleaire veiligheid van kerncentrales wordt uitgevoerd; dringt er dan ook bij de Commissie op aan de algemene degelijkheid van kerncentrales (vooral met betrekking tot mogelijke scheuren in drukvaten) als een specifiek criterium op te nemen in toekomstige „stresstests”;

5.  benadrukt dat de stresstests onvolledig zijn en dat er geen rekening is gehouden met risico's als indirecte gebeurtenissen, slijtage, menselijke fouten, concrete mankementen in de reactorvaten en tal van andere tekortkomingen; onderstreept dan ook dat een stresstest, zelfs als die geslaagd is, geen garantie is voor de veiligheid van een kerncentrale;

6.  merkt op dat de huidige resultaten ook de situatie in een aantal niet-EU-landen weerspiegelen, zij het dat de „stresstests” daar soms met gebruikmaking van andere methodes en tijdsschema's zijn uitgevoerd;

7.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan niet-EU-landen (en vooral buurlanden) die over kerncentrales beschikken, aan te moedigen de „stresstest”-procedure toe te passen en de resultaten daarvan mee te delen; benadrukt dat het belangrijk is de internationale nucleaire veiligheids- en beveiligingsnormen te verscherpen en adequaat toe te passen; moedigt de EU aan de internationale samenwerking op dit vlak voort te zetten, met name in de context van het IAEA;

8.  merkt op dat het Verdrag inzake nucleaire veiligheid een rechtsinstrument is dat gericht is op de bevordering van een hoog niveau van nucleaire veiligheid op mondiaal niveau en de verdragspartijen (waaronder Euratom) ertoe verplicht tijdens hun periodieke bijeenkomsten onder auspiciën van het IAEA verslagen over de naleving van hun verplichtingen op het gebied van „peer review” in te dienen; dringt erop aan het instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid (INSC) te gebruiken om „stresstests” - op basis van de ervaring die in Europa is opgedaan - ook in de rest van de wereld ingang te doen vinden;

9.  brengt in herinnering dat de gevaren van radioactief afval opnieuw onder de aandacht gebracht zijn door de ramp in de kerncentrale van Fukushima; merkt op dat natuurrampen zoals aardbevingen en tsunami's ook van invloed kunnen zijn op de veiligheid van bestaande of in aanbouw zijnde kerncentrales in de EU en haar buurlanden met een hoog aardbevings- en tsunamirisico, zoals de centrale van Akkuyu in Turkije; vindt dat er - naast de maatregelen voor kerncentrales zelf - op het niveau van de EU en de lidstaten alles aan moet worden gedaan om te waarborgen dat de verwerking van radioactief afval niet in hoogrisicogebieden plaatsvindt; verzoekt de Commissie ertoe bij te dragen dat de beste installaties voor het op een zo veilig mogelijke wijze opslaan van radioactief afval op een transparante en onbevooroordeelde manier worden uitgekozen; dringt er bij buurlanden en kandidaat-lidstaten op aan zich aan te sluiten bij het communautaire systeem voor de snelle uitwisseling van informatie in geval van stralingsgevaar (Ecurie);

10.  verzoekt de lidstaten en nationale regelgevende instanties de aanbevelingen en suggesties uit het „peer review”-verslag van de Ensreg uit te voeren, met inbegrip van de goede praktijken die daarin zijn vastgesteld, en in voorkomend geval hun wetgeving aan te passen om rekening te houden met de lering die uit de ramp in Fukushima-Daiichi getrokken is;

11.  verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen voor de definitie van de beginselen op het gebied van nucleaire veiligheidsvoorschriften voor kerncentrales in de EU die in bedrijf zijn, ontmanteld worden of al ontmanteld zijn;

12.  verlangt dat zolang kerncentrales nog in bedrijf zijn de onafhankelijkheid en de transparantie van de toezichtsinstanties de hoogste prioriteit moet krijgen;

13.  is van mening dat er verschillende nationale benaderingen bestaan om de effecten van vliegrampen op de veiligheid van kerncentrales te beoordelen; merkt op dat „vliegrampen in de veiligheidsbeoordelingen niet expliciet als ontstaansfeit worden beschouwd” en dat alleen de effecten van vliegrampen geschetst zijn in de specificaties van de „stresstests”; betreurt het echter dat slechts vier lidstaten zulke beoordelingen in hun „stresstest”-verslagen hebben opgenomen; merkt echter op dat er in de specificaties van de „stresstests” vermeld staat dat „de beoordeling van de gevolgen van falende veiligheidsfuncties ook relevant is als de ontstane situatie een indirect ontstaansfeit heeft, zoals (...) een vliegramp”; merkt verder op dat dit risico in eerste instantie deel uitmaakt van de nationale veiligheidsaangelegenheden en de soevereiniteit van de lidstaten, hetgeen aanleiding is geweest voor de oprichting van een Groep ad hoc inzake nucleaire beveiliging (AHGNS) voor het gedetailleerd beoordelen van deze kwestie en het formuleren van conclusies; weet dat er verdere uitwisselingen tussen de lidstaten over dit onderwerp gepland staan in de juiste fora, zoals de Ensra (Europese vereniging van regelgevende instanties op het gebied van nucleaire beveiliging); verzoekt alle betrokken partijen, inclusief de lidstaten, de Commissie, de Ensreg, de Ensra en de exploitanten van kerncentrales, samen te werken om te anticiperen op de risico's van vliegrampen en daartoe een gemeenschappelijke aanpak overeen te komen, in de onderkenning dat dit risico deel uitmaakt van nationale veiligheidsaangelegenheden en de soevereiniteit van de lidstaten;

14.  onderstreept dat de EU over 47 kerncentrales met 111 reactoren beschikt waarvoor geldt dat er meer dan 100 000 mensen in een straal van 30 km wonen; betreurt dat de reikwijdte van de „stresstests” niet tot „off-site”-paraatheid in noodgevallen is uitgebreid, hoewel deze factor van groot belang is voor het beperken van de effecten van een mogelijke ramp met een kerncentrale voor de bevolking; juicht het toe dat de Commissie, ondersteund door de Ensreg, de aanzet heeft gegeven voor een studie naar grensoverschrijdende regio's in de EU; vraagt de Commissie als onderdeel van de aangekondigde verordening betreffende nucleaire veiligheid aanbevelingen te doen over grensoverschrijdende en binnenlandse „off-site” preventieve maatregelen; beveelt in dit verband aan de bevoegde grensoverschrijdende autoriteiten op nationaal en regionaal niveau bij dit proces te betrekken, bijvoorbeeld daar waar het gaat om hun actieplannen op het gebied van veiligheid en hun ervaringen met informatie- en communicatieprocessen voor kerncentrales die in de onmiddellijke nabijheid van de landsgrenzen zijn gebouwd;

15.  verlangt dat de burgers van de EU volledig worden geïnformeerd en geraadpleegd over de nucleaire veiligheid in de Europese Unie;

16.  onderstreept dat de beschikbaarheid van gekwalificeerd en ervaren personeel cruciaal is voor grote nucleaire veiligheid; hamert er daarom op dat op EU- en nationaal niveau alle noodzakelijke maatregelen ten uitvoer worden gelegd om een hoog niveau van vaardigheden op het gebied van nucleaire veiligheid, afvalbeheer, bescherming tegen straling en de paraatheid bij noodsituaties te bevorderen en in stand te houden; verzoekt de Commissie de grensoverschrijdende uitwisseling van deskundigen en goede praktijken te bevorderen, en onderstreept het belang van het waarborgen van passende arbeidsomstandigheden, met name met betrekking tot arbeidstijd, teneinde de nucleaire veiligheid niet in gevaar te brengen;

17.  doet de aanbeveling dat de EU internationale inspanningen voor de ontwikkeling van de hoogste veiligheidsnormen steunt die strikt moeten worden toegepast, gelijke tred moeten houden met de wetenschappelijke vooruitgang, en de legitieme bezwaren van de burgers moeten weerspiegelen; beklemtoont in dit verband de rol van de EU in het nabuurschapsbeleid als instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan zich gezamenlijk te verplichten tot verscherping van de internationale nucleaire veiligheidsnormen en tot de adequate toepassing daarvan, in nauwe samenwerking met het IAEA, het secretariaat van het Espoo-Verdrag en andere relevante internationale organisaties; verzoekt de Commissie het post-Fukushima actieplan van het IAEA te steunen en een integraal actieplan met concrete afspraken voor de uitvoering daarvan in te dienen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan in coöperatie met het IAEA constructief samen te werken met landen die geen transparante „stresstests” voor nucleaire veiligheid hebben uitgevoerd, zoals Belarus, Rusland en Turkije, en dringt er bij deze landen op aan de internationale veiligheidsnormen in acht te nemen en tijdens alle stadia van de voorbereiding, bouw, exploitatie en ontmanteling van kerncentrales samen te werken met internationale deskundigen; is in dit verband van mening dat de EU ten volle gebruik moet maken van de bij internationale organisaties en instanties aanwezige expertise;

18.  is van oordeel dat de EU overeenkomstig het Euratom-Verdrag op het vlak van nucleaire veiligheid nauw moet samenwerken met het IAEA; onderstreept dat in het kader van verordening van de Raad tot vaststelling van een instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid onder andere Japan hulp moet worden geboden bij de stabilisatie en de sanering van de kerncentrale van Fukushima- Daiichi en bij stralingsbescherming en voedselveiligheid in Japan;

19.  merkt op dat de nationale regelgevende instanties op grond van de „stresstests” hebben geconcludeerd dat er geen technische redenen zijn voor de sluiting van kerncentrales in de EU; onderstreept overigens dat uit de „stresstests” ook is gebleken dat bijna alle kerncentrales op hun specifieke situatie toegesneden veiligheidsverbeteringen moeten doorvoeren, aangezien een vrij groot aantal technische opwaarderingsmaatregelen is geïdentificeerd, en dat de implementatie van eerder genomen maatregelen nog niet is voltooid; dringt aan op onmiddellijke tenuitvoerlegging van de noodzakelijke opwaarderingsmaatregelen, en wijst erop dat maatregelen met betrekking tot nucleaire beveiliging en veiligheid niet mogen worden beïnvloed door de bezuinigingsmaatregelen die door de lidstaten zijn opgelegd;

20.  verlangt met het oog op efficiënte beleidsvorming en een transparante maatschappelijke discussie dat de eerste raming van de totale kosten voor de noodzakelijke maatregelen ter verbetering van de veiligheid waarvoor een aanbeveling is gedaan in de „stresstests” met betrekking tot de 132 reactoren die in de EU in bedrijf zijn (10 tot 25 miljard euro voor de komende jaren) verder wordt gestaafd met een meer gedetailleerde kostenanalyse die moet worden uitgevoerd door de nationale regelgevende instanties in samenwerking met de exploitanten van kerncentrales, en die - indien mogelijk - gekoppeld wordt aan de keuze voor gedane aanbevelingen; is van mening dat wat de kosten van zulke verbeteringen ook zijn, deze volledig moeten worden gedragen door de exploitanten van de kerncentrales en niet door de belastingbetaler; verzoekt de Commissie hierop streng toezicht uit te oefenen, waaronder in het kader van haar bevoegdheden op het vlak van het mededingingsbeleid;

21.  beklemtoont dat een algemeen beleid inzake nucleaire beveiliging en veiligheid de volgende zaken moet omvatten: alle kerncentrales, de veiligheid van splijtstof en reactoren, afvalbeheer en ontmanteling, bedrijfsveiligheid, voldoende personeel, voortdurende verbetering van de veiligheidsomstandigheden van alle werknemers in deze sector, paraatheid bij noodsituaties, met inbegrip van grensoverschrijdende „off-site”-noodplannen, en de garantie voor sterke en onafhankelijke regelgevende instanties;

22.  is van mening dat zolang de bestaande kerncentrales in bedrijf blijven en nieuwe kerncentrales gebouwd worden het niveau van nucleaire veiligheid in de EU, maar ook in derde (buur)landen, als eerste prioriteit moet voldoen aan de hoogste veiligheids- en beveiligingspraktijken en -normen in de wereld; acht het van cruciaal belang dat er aandacht wordt besteed aan deze kwesties gedurende de hele levenscyclus van kerncentrales, dus ook bij hun eventuele ontmanteling; onderstreept dat de kosten die tijdens de levenscyclus van kerncentrales ontstaan (in verband met locatiekeuze, ontwerp, bouw, inbedrijfname, werking en ontmanteling) bij de veiligheidsbeoordeling van een kerncentrale moeten worden meegewogen; vindt dat kosten- en risicoanalyses een belangrijke rol toekomt bij de besluiten betreffen het al dan niet open houden van kerncentrales;

23.  is van mening dat de beheersing van alle externe gevaren een beoordelingsprocedure moet doorlopen die ten minste in overeenstemming is met de richtsnoeren van het IAEA, waarbij ook niet-technische aspecten niet mogen worden onderschat;

24.  merkt op dat de verschillen tussen de lidstaten kunnen leiden tot uiteenlopende benaderingen van de regelgeving op het gebied van nucleaire veiligheid, maar dat alle lidstaten partij zijn bij de nucleaire veiligheidsnormen van het IAEA en verplicht zijn de bepalingen van de uniale wetgeving inzake nucleaire veiligheid in acht te nemen en uit te voeren;

25.  onderkent dat volgens de mededeling van de Commissie en het „peer review”-verslag van de Ensreg de „stresstests” hebben laten zien dat periodieke veiligheidsbeoordelingen een toegevoegde waarde vormen als efficiënt hulpmiddel om de veiligheid en de degelijkheid van kerncentrales te handhaven en te verbeteren; wijst bijvoorbeeld op het standpunt van de Ensreg dat er ten minste elke 5 of 10 jaar een herbeoordeling moet plaats vinden van de risico's op natuurrampen en van de daartoe getroffen voorzieningen binnen de kerncentrales; doet de aanbeveling dat periodieke beoordelingen gebaseerd moeten zijn op gemeenschappelijke veiligheidsnormen en dat de herziening van het wettelijk kader inzake nucleaire veiligheid ook moet gelden voor de desbetreffende bepalingen;

26.  is verheugd over de op stapel staande herziening van de Richtlijn betreffende nucleaire veiligheid, die ambitieus moet zijn en de mogelijkheid moet bieden om aanzienlijke verbeteringen aan te brengen op terreinen als veiligheidsprocedures en -kaders – met name door de vaststelling en toepassing van bindende nucleaire-veiligheidsnormen conform de meest moderne werkwijzen in de EU op technisch, regelgevings- en operationeel vlak – en de rol en de middelen van nucleaire regelgevende instanties, waarbij met de onafhankelijkheid, de openheid en de transparantie van deze instanties moeten worden vergroot, en het toezicht en de „peer review” moeten worden verbeterd; onderstreept dat bij de herziening van het wettelijk kader inzake nucleaire veiligheid rekening moet worden gehouden met lopende internationale activiteiten, onder andere op het niveau van het IAEA;

27.  vraagt de Commissie een voorstel in te dienen om te garanderen dat de nationale nucleaire regelgevende instanties volkomen onafhankelijk zijn van om het even welke organisatie of instelling die kernenergie promoot of kerncentrales beheert;

28.  onderkent dat de aanbevelingen moeten worden opgevolgd in nauwe samenwerking met de autoriteiten die voor nucleaire veiligheid verantwoordelijk zijn, en dat de mate waarin het toepassingsgebied van de periodieke veiligheidsbeoordeling uitgebreid dient te worden, moet worden vastgesteld; wijst nogmaals op het belang van grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van goede praktijken op dit vlak, alsook op het belang van coördinatie bij de uitwisseling van kennis; is tegelijkertijd van oordeel dat grensoverschrijdend voor garanties ten aanzien van veiligheid en het toezicht daarop moet worden gezorgd; is in dit verband van oordeel dat rekening moet worden gehouden met de mensen die binnen een straal van 50 km rond een kerncentrale wonen, en dat indien de meerderheid daarvan in een aangrenzende lidstaat woont de bevoegde autoriteit van die lidstaat ook bij het besluitvormingsproces moet worden betrokken;

29.  pleit ervoor dat de lidstaten en de Unie samen voorlichting en bewustmaking moeten bevorderen om burgers te informeren over de noodzaak en de voordelen van „stresstests”;

30.  is in dit verband ingenomen met de intentie van de Commissie om voorstellen te ontwikkelen voor wetgevings- en niet-wetgevingsinstrumenten op het vlak van nucleaire verzekeringen en aansprakelijkheid; wijst erop dat nucleaire aansprakelijkheid van burgers al is opgenomen in internationale verdragen (Parijs en Wenen); is evenwel van oordeel dat exploitanten van kerncentrales en afvalverwerkers moeten worden verplicht om door middel van verzekeringen en andere financiële instrumenten over alle nodige financiële middelen te beschikken om in het geval van een ongeluk alle kosten te kunnen vergoeden van schade aan mensen en het milieu waarvoor zij de aansprakelijkheid dragen; verzoekt de Commissie in dit verband hiervoor ten laatste eind 2013 voorstellen uit te werken en voor te leggen;

31.  verzoekt de EU en de lidstaten ten behoeve van de democratie en met het oog op inspraak van het Europees Parlement, transparantie en volledige toegang van het publiek tot informatie, kernenergie krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op dezelfde wijze als alle andere energiebronnen te behandelen;

32.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Europese Raad, en de nationale parlementen.

(1) PB L 172 van 2.7.2009, blz. 18.
(2) PB L 199 van 2.8.2011, blz. 48.


Krachtiger bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat
PDF 130kWORD 26k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over de opvoering van de strijd tegen racisme, vreemdelingenhaat en haatmisdrijven (2013/2543(RSP))
P7_TA(2013)0090RC-B7-0121/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de internationale mensenrechteninstrumenten die discriminatie verbieden, met name het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (UNCERD),

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, met name artikel 14,

–  gezien artikel 21 van het Handvest van de grondrechten, dat iedere vorm van discriminatie, met name op grond van ras, etnische afkomst, taal, godsdienst of het behoren tot een nationale minderheid, verbiedt,

–  gezien artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), waarin wordt bepaald dat „[…] de Unie berust [op waarden als] eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen”,

–  gezien artikel 10 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin wordt bepaald dat „[de Unie] bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden streeft […] naar bestrijding van iedere discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid”,

–  gezien artikel 19 VWEU, dat de EU een politiek mandaat geeft om „passende maatregelen [te] nemen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden”,

–  gezien artikel 67 VWEU, waarin staat dat „de Unie […] ernaar [streeft] een hoog niveau van veiligheid te waarborgen, door middel van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van […] racisme en vreemdelingenhaat”,

–  gezien artikel 83, lid 2, van het VWEU,

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten(1),

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(2) (richtlijn inzake rassengelijkheid),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(3) (de richtlijn inzake gelijke behandeling in arbeid),

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(4) (het kaderbesluit betreffende racisme en vreemdelingenhaat),

–  gezien het EU-kader voor nationale strategieën inzake de integratie van Roma,

–  gezien zijn eerdere resoluties over racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme, religieuze onverdraagzaamheid, zigeunerhaat, homofobie, transfobie, discriminatie, op vooroordelen gebaseerd geweld en extremisme, en zijn resolutie van 22 mei 2012 over een EU-aanpak van het strafrecht(5),

–  gezien het Bureau voor de grondrechten (FRA) en zijn werkzaamheden op het gebied van non-discriminatie, racisme, vreemdelingenhaat en aanverwante vormen van onverdraagzaamheid en op vooroordelen gebaseerd geweld(6),

–  gezien artikel 110, lid 2 en lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Ierse voorzitterschap tijdens de informele Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 17 en 18 januari 2013 een discussie heeft aangezwengeld over EU-maatregelen ter bestrijding van haatmisdaden, racisme, antisemitisme, vreemdelingenhaat en homofobie, en daarbij benadrukte dat er behoefte is aan betere bescherming en gegevensverzameling, alsmede aan een grotere inzet van leiders voor de „actieve instandhouding van Europese waarden en voor de bevordering van een klimaat van wederzijds respect voor en inclusie van personen met een verschillende religieuze of etnische achtergrond of seksuele geaardheid”;

B.  overwegende dat op 21 maart jaarlijks de Internationale Dag van de uitbanning van rassendiscriminatie plaatsvindt ter herdenking van de moord op 69 anti-apartheidsdemonstranten in Zuid-Afrika in 1960;

C.  overwegende dat het van essentieel belang is de door racisme en vreemdelingenhaat ingegeven bloedbaden in de Europese geschiedenis te gedenken en de herinnering eraan levend te houden;

D.  overwegende dat de Europese Unie is gebaseerd op de gemeenschappelijke waarden van eerbiediging van democratie, mensenrechten en de rechtsstaat en is gegrondvest op de verdere bevordering van verdraagzaamheid;

E.  overwegende dat racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme, religieuze onverdraagzaamheid, zigeunerhaat, homofobie, transfobie, en aanverwante vormen van onverdraagzaamheid berusten op overtuigingen, vooroordelen en gedragingen die discriminatie, geweld en haat op bepaalde gronden – inclusief kenmerkende eigenschappen en sociale status – legitimeren;

F.  overwegende dat discriminatie en haatdelicten – d.w.z. geweld en delicten op grond van racisme, vreemdelingenhaat, zigeunerhaat, antisemitisme, religieuze onverdraagzaamheid of de seksuele gerichtheid van een persoon, genderidentiteit of het behoren tot een minderheidsgroep, of op grond van de in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten opgesomde redenen – in de EU toenemen, hoewel alle lidstaten het verbod op discriminatie in hun rechtsstelsels hebben ingevoerd om gelijkheid voor iedereen te bevorderen;

G.  overwegende dat uit verslagen van het Bureau voor de grondrechten (FRA) blijkt dat een op de vier mensen uit een minderheidsgroep het slachtoffer is geweest van een misdrijf op grond van ras, en dat bijna 90% van alle aanvallen of bedreigingen waarmee migranten of leden van etnische minderheidsgroepen te maken krijgen, niet bij de politie wordt gemeld; overwegende dat slechts vier EU-lidstaten gegevens verzamelen of bekendmaken over specifieke misdaden jegens Roma en dat slechts acht lidstaten een register bijhouden van misdaden op grond van de (vermeende) seksuele geaardheid van het slachtoffer;

H.  overwegende dat het belangrijk is dat de EU en haar lidstaten actie ondernemen ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat, door ervoor te zorgen dat via het onderwijs een cultuur van respect en verdraagzaamheid wordt bevorderd die dergelijk gedrag kan voorkomen, en door erop toe te zien dat haatdelicten worden gemeld door de slachtoffers, onderzocht door de rechtshandhavingsinstanties en bestraft door het gerechtelijk apparaat;

I.  overwegende dat de huidige economische crisis het solidariteitsbeginsel op de proef stelt en dat de lidstaten in tijden van economische crisis waakzaam moeten blijven teneinde de verlokkingen van groeiende onverdraagzaamheid en stigmatisering af te wenden;

J.  overwegende dat de EU een reeks instrumenten in het leven heeft geroepen om dergelijke daden en discriminatie te bestrijden, met name Richtlijn 2000/43/EG van de Raad houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (richtlijn inzake rassengelijkheid), Richtlijn 2000/78/EG van de Raad tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (richtlijn inzake gelijke behandeling in arbeid), Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (kaderbesluit betreffende racisme en vreemdelingenhaat), het EU-kader voor nationale strategieën inzake de integratie van Roma en Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten;

K.  overwegende dat het Commissievoorstel uit 2008 voor een richtlijn van de Raad ter bescherming van gelijke behandeling op andere gebieden dan werkgelegenheid, ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid (richtlijn inzake gelijke behandeling) na vijf jaar van discussie niet is goedgekeurd door de Raad wegens hevig verzet van enkele lidstaten;

L.  overwegende dat het Parlement de Commissie, de Raad en de lidstaten herhaaldelijk heeft verzocht de strijd tegen geweld en discriminatie op basis van vooroordelen, met inbegrip van racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme, religieuze onverdraagzaamheid, zigeunerhaat, homofobie en transfobie, op te voeren;

M.  overwegende dat de Commissie in het licht van de toenemende dreiging van gewelddadig extremisme onlangs heeft gewaarschuwd voor politieke debatten met een racistische, extremistische en populistische inslag, die er onder meer toe kunnen leiden dat „eenzame wolven” overgaan tot het plegen van willekeurige moorden;

N.  overwegende dat alle landen die lid zijn van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), waaronder alle EU-lidstaten, hebben erkend dat haatdelicten (dat wil zeggen strafbare feiten die zijn gepleegd op grond van vooroordelen) met behulp van het strafrecht en specifieke, op maat gemaakte beleidsmaatregelen moeten worden aangepakt;

1.  onderstreept dat geen enkele vorm van onverdraagzaamheid of discriminatie in de Europese Unie mag worden geduld;

2.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten de strijd tegen haatdelicten en vormen van discriminerend gedrag op te voeren;

3.  dringt aan op een veelomvattende strategie voor de bestrijding van haatdelicten, op vooroordelen gebaseerd geweld en discriminatie;

4.  benadrukt dat het van belang is dat iedereen zich terdege bewust is van zijn rechten met betrekking tot bescherming tegen haatdelicten, en dringt er bij de lidstaten op aan alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat aangifte wordt gedaan van haatdelicten en racistische en xenofobe misdrijven, en te waarborgen dat personen die aangifte doen van delicten of slachtoffer zijn van racistische en xenofobe misdrijven naar behoren worden beschermd;

5.  herinnert aan zijn eerdere verzoeken om herziening van Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad, met name ten aanzien van uitingen en handelingen van antisemitisme, religieuze onverdraagzaamheid, zigeunerhaat, homofobie en transfobie;

6.   dringt er bij de Raad en de lidstaten op aan de richtlijn inzake gelijke behandeling onverwijld goed te keuren, aangezien deze richtlijn een van de belangrijkste EU-instrumenten vormt om werkelijk gelijke kansen in de EU te bevorderen en te waarborgen en geweld op grond van vooroordelen en discriminatie tegen te gaan;

7.  dringt aan op maatregelen om via periodieke herzieningen, controles en ondersteuning toe te zien op de tenuitvoerlegging van nationale strategieën inzake de integratie van Roma teneinde lokale, regionale en nationale instanties in staat te stellen om met inachtneming van de mensenrechten en met gebruikmaking van de beschikbare middelen, inclusief EU-middelen, doeltreffende beleidsmaatregelen, programma's en acties voor de integratie van Roma te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen en nauwlettend toe te zien op de eerbiediging van de grondrechten en op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf.

8.  dringt aan op inwilliging van het herhaalde verzoek van het Parlement een routekaart op te stellen voor gelijkheid ongeacht seksuele gerichtheid en genderidentiteit;

9.  verzoekt de EU het UNCERD te ondertekenen, aangezien alle lidstaten dit verdrag reeds hebben geratificeerd;

10.  dringt aan op maatregelen om erop toe te zien dat in alle relevante strafrechtelijke EU-instrumenten, inclusief het kaderbesluit, een breder spectrum aan graduele sancties wordt opgenomen, waaronder, in voorkomend geval, alternatieve straffen zoals taakstraffen, waarbij de grondrechten, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, volledig moeten worden geëerbiedigd;

11.  dringt aan op een sterkere rol van nationale instanties die zijn belast met de bestrijding van discriminatie, zodat diegenen die haatzaaiende uitingen bevorderen en aanzetten tot haatdelicten gemakkelijker ter verantwoording kunnen worden geroepen;

12.  dringt aan op steun voor opleidingsprogramma's voor rechtshandhavings- en gerechtelijke instanties, alsook voor de desbetreffende EU-agentschappen, met het oog op het voorkomen en het bestrijden van discriminerende praktijken en haatdelicten;

13.  dringt aan op de verzameling van veelomvattendere, betrouwbare gegevens over haatmisdrijven, dat wil zeggen gegevens die ten minste de volgende informatie bevatten: het aantal incidenten waarvan het publiek aangifte heeft gedaan en dat door de autoriteiten is geregistreerd, het aantal veroordelingen, de redenen om misdrijven als discriminerend te bestempelen, de opgelegde straf, alsook enquêtes inzake slachtofferschap van misdrijven over de aard en de omvang van misdrijven waarvan geen aangifte is gedaan, de ervaringen van slachtoffers van misdrijven met rechtshandhavingsinstanties, de redenen om geen aangifte te doen en de vraag of slachtoffers van haatmisdrijven zich bewust zijn van hun rechten;

14.  dringt erop aan mechanismen in het leven te roepen om ervoor te zorgen dat haatdelicten zichtbaar worden in de EU, door erop toe te zien dat op vooroordelen gebaseerde delicten strafbaar zijn, dat deze als zodanig naar behoren worden geregistreerd en daadwerkelijk worden onderzocht, dat overtreders worden vervolgd en gestraft en dat slachtoffers adequate bijstand, bescherming en schadevergoeding wordt geboden, hetgeen slachtoffers van haatdelicten en getuigen ertoe moet aanzetten incidenten aan te geven;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(2) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(3) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(4) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0208.
(6) Bijvoorbeeld: „Making hate crime visible in the European Union: acknowledging victims’ rights”, http://fra.europa.eu/sites/default/files/fra-2012_hate-crime.pdf


Bescherming van de volksgezondheid tegen hormoonontregelaars
PDF 146kWORD 33k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over de bescherming van de volksgezondheid tegen hormoonontregelaars (2012/2066(INI))
P7_TA(2013)0091A7-0027/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen(1) (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie („de Reach-verordening”),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden(4),

–  gezien Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(5) („de KRW”),

–  gezien Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden(6),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten(7),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijnen 2000/60/EG en 2008/105/EG betreffende prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid,

–  gezien het conceptueel kader van de OESO voor het testen en beoordelen van hormoonontregelaars,

–  gezien de ontwerpleidraad met gestandaardiseerde richtsnoeren voor het testen van chemische stoffen op hormoonontregelende eigenschappen (2011),

–  gezien het ontwerp-evaluatieverslag met als titel: „stand van de wetenschap op het gebied van nieuwe methodes voor het screenen en testen in vitro en in vivo en eindpunten voor de beoordeling van hormoonontregelaars”,

–  gezien het nog te presenteren voorstel van de Commissie over een „blauwdruk voor het behoud van de Europese wateren”,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de communautaire strategie voor hormoonontregelaars – een groep stoffen waarvan wordt vermoed dat ze de hormoonhuishouding van mensen en in het wild levende dieren ontregelen (COM(1999)0706, COM(2001)0262 en SEC(2004)1372),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie „vierde verslag over de tenuitvoerlegging van de communautaire strategie voor hormoonontregelaars – een groep stoffen waarvan wordt vermoed dat ze de hormoonhuishouding van mensen en in het wild levende dieren ontregelen” (COM(1999)0706, SEC(2011)1001),

–  gezien de Europese strategie voor milieu en gezondheid en het EU-actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010, waarin het onder andere noodzakelijk wordt geacht in risicobeoordelingen rekening te houden met gecombineerde blootstelling aan chemische stoffen,

–  gezien de mededeling van de Commissie over het voorzorgsbeginsel (COM(2000)0001),

–  gezien technisch verslag nr. 2/2012 van het Europees Milieuagentschap met als titel „de gevolgen van hormoonontregelaars voor mensen, wilde dieren en hun leefomgevingen”,

–  gezien zijn resolutie van 20 oktober 1998 over hormoonontregelende chemische stoffen(8),

–  gezien zijn resolutie van 6 mei 2010 over de mededeling van de Commissie over kankerbestrijding: een Europees partnerschap(9),

–  gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over de herziening van het zesde milieuactieprogramma en vaststelling van prioriteiten voor het zevende milieuactieprogramma – Een beter milieu voor een beter bestaan(10),

–  gezien de studie van de Commissie „Study on the scientific evaluation of 12 substances in the context of the endocrine disruptor priority list of actions”,

–  gezien het rapport van DHI Water and Environment over verbetering van de lijst van prioritaire maatregelen met betrekking tot hormoonontregelende stoffen met bijzondere aandacht voor chemische stoffen met een laag productievolume,

–  gezien het rapport „State-of-the-art assessment of endocrine disrupters”, (Project Contract Number 070307/2009/550687/SER/D3),

–  gezien het rapport „The impacts of endocrine disrupters on wildlife, people and their environments” (de gevolgen van hormoonontregelende stoffen voor mensen, wilde dieren en hun leefomgevingen), Weybridge+15 (1996-2011) (ISSN 1725-2237),

–  gezien Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt,

–  gezien de door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en het Internationaal Programma voor chemische veiligheid (IPCS) opgestelde definitie van hormoonontregelaars(11),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0027/2013),

A.  overwegende dat er de afgelopen 20 jaar sprake is van een toename van hormoongerelateerde ziekten en aandoeningen bij de mens, zoals achteruitgang van de spermakwaliteit, een steeds vroeger intredende pubertijd, het vaker voorkomen van misvormingen aan geslachtsorganen en het vaker voorkomen van bepaalde vormen van kanker en stofwisselingsziekten; overwegende dat bepaalde neurologische aandoeningen en neurodegeneratieve ziekten, neurologische ontwikkelingsstoornissen, afwijkingen van het immuunsysteem en epigenetische aandoeningen mogelijkerwijs verband houden met blootstelling aan chemische stoffen met hormoonontregelende eigenschappen; overwegende dat verder onderzoek naar de oorzaken van deze aandoeningen noodzakelijk is;

B.  overwegende dat chemische stoffen die hormoonontregelende eigenschappen hebben, oestrogene en anti-oestrogene effecten kunnen hebben en het vrouwelijk voortplantingssysteem kunnen verstoren, de hormoonspiegels en de menstruatiecyclus van vrouwen kunnen beïnvloeden, evenals hun vruchtbaarheid, kunnen bijdragen aan het ontstaan van baarmoederaandoeningen zoals baarmoederfibromen en endometriose en gevolgen kunnen hebben voor borstontwikkeling en lactatie; overwegende dat is aangetoond dat deze stoffen gezondheidsrisico's opleveren zoals een vroeg intredende pubertijd bij meisjes, borstkanker, miskramen en verminderde vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid;

C.  overwegende dat uit steeds meer wetenschappelijk onderzoek blijkt dat hormoonontregelaars, en met name combinaties daarvan, een rol spelen in het ontstaan van chronische ziekten, waaronder hormoongerelateerde vormen van kanker, ernstig overgewicht, diabetes en hart- en vaatziekten, en problemen op het gebied van de voortplanting;

D.  overwegende dat inmiddels overtuigend wetenschappelijk bewezen is dat hormoongerelateerde ziekten bij in het wild levende dieren, zoals voortplantingsstoornissen, de vermannelijking van gastropoden, de vervrouwelijking van vissen en de achteruitgang van de populaties weekdieren over de hele wereld, samenhangen met de aanwezigheid van chemische stoffen met hormoonontregelende eigenschappen;

E.  overwegende dat er vele oorzaken kunnen zijn voor de toename van hormoongerelateerde ziekten bij de mens; overwegende dat inmiddels overtuigend wetenschappelijk bewezen is dat deze toename ten dele te wijten is aan de gevolgen van hormoonontregelende chemische stoffen;

F.  overwegende dat het bijzonder moeilijk is om het causaal verband tussen blootstelling aan verschillende chemische stoffen en verstoring van het hormonaal evenwicht met mogelijk schadelijke gevolgen voor de gezondheid aan te tonen;

G.  overwegende dat het bij chemische stoffen met hormoonontregelende eigenschappen om een aantal redenen nog moeilijker is om dit causaal verband aan te tonen:

   de latentietijd tussen blootstelling en epigenetische effecten kan zeer lang zijn en hormoonontregelaars kunnen gedurende een aantal generaties schadelijke effecten hebben;
   de kans op schadelijke gevolgen hangt af van de periode van ontwikkeling waarin de blootstelling plaatsvindt, waarbij kritische perioden, zoals bijvoorbeeld het foetale stadium, zeer kort kunnen zijn;
   mensen komen gedurende hun leven in aanraking met veel verschillende chemische stoffen in complexe mengsels;
   hormoonontregelaars kunnen met elkaar of met het endocriene stelsel van het lichaam een reactie aangaan;
   hormoonontregelaars kunnen reeds bij zeer lage concentraties tot gevolgen leiden, waardoor schadelijke effecten zich al kunnen voordoen bij blootstelling aan lage doses; in gevallen waarin de dosis-responsrelatie niet-monotoon is, is er sprake van een nog geringere voorspelbaarheid;
   de kennis over het endocriene stelsel van mens en dier is nog beperkt;

H.  overwegende dat de EU-wetgeving wettelijke voorschriften bevat inzake hormoonontregelaars, maar dat criteria om te bepalen wanneer een bepaalde stof aangemerkt moet worden als hormoonontregelaar ontbreken, waardoor de wettelijke voorschriften niet correct kunnen worden toegepast; overwegende dat er een tijdschema moet worden opgesteld om snelle toepassing van de toekomstige criteria te waarborgen;

I.  overwegende dat er op EU-niveau geen gecoördineerde of gecombineerde toezichtprogramma's zijn die zich specifiek richten op hormoonontregelaars;

J.  overwegende dat er weinig of geen coördinatie is met betrekking tot de wijze waarop in het kader van de verschillende toezichtprogramma's gegevens worden verzameld, beheerd en beoordeeld en hoe verslaglegging plaatsvindt;

K.  overwegende dat het op dit moment juridisch niet mogelijk is om rekening te houden met combinatie-effecten van hormoonontregelaars die afkomstig zijn van producten of goederen die vallen onder verschillende wettelijke voorschriften;

L.  overwegende dat de in het kader van de EU-wetgeving inzake chemische stoffen geldende gegevensvereisten ontoereikend zijn om hormoonontregelende eigenschappen op toereikende wijze te kunnen vaststellen;

M.  overwegende dat enkele EU-wetten bedoeld zijn om de burgers te beschermen tegen blootstelling aan schadelijke chemische stoffen, maar dat de huidige EU-wetgeving zich uitsluitend richt op de beoordeling van blootstelling aan afzonderlijke stoffen en niet voorziet in een omvattende, geïntegreerde beoordeling van de cumulatieve effecten waarbij rekening wordt gehouden met verschillende manieren van blootstelling of verschillende productsoorten;

1.  is op basis van een algemene beoordeling van de thans beschikbare kennis van mening dat de Commissie en de wetgevers op grond van het voorzorgsbeginsel overeenkomstig artikel 192, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) gehouden zijn passende maatregelen te nemen om de kortstondige en langdurige blootstelling van mensen aan hormoonontregelaars waar nodig te beperken en zich veel intensiever in te zetten om de wetenschappelijke kennis over de effecten van hormoonontregelaars op de gezondheid van de mens te vergroten;

2.  wijst erop dat het voorzorgsbeginsel van toepassing is in een wereld die gekenmerkt wordt door wetenschappelijke onzekerheid en waarin risico's uitsluitend kunnen worden bepaald op basis van onvolledige kennis die noch voor altijd vastligt, noch onweerlegbaar is, maar waarin gehandeld moet worden om mogelijk schadelijke of onomkeerbare gevolgen voor de volksgezondheid en/of het milieu te voorkomen of zo klein mogelijk te houden;

3.  is van oordeel dat als redelijkerwijs aangenomen kan worden dat hormoonontregelaars schadelijke effecten hebben, maatregelen getroffen moeten worden ter bescherming van de volksgezondheid; benadrukt voorts dat gelet op het feit dat hormoonontregelaars schadelijke of onomkeerbare gevolgen kunnen hebben, het ontbreken van precieze kennis, waaronder definitief bewijs over causale verbanden, er niet aan in de weg mag staan conform het voorzorgsbeginsel maatregelen te treffen ter bescherming van de volksgezondheid, waarbij evenwel het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd moet worden;

4.  is van oordeel dat de bescherming van vrouwen tegen de mogelijke risico's van hormoonontregelaars voor hun reproductieve gezondheid van het allergrootste belang is; dringt er daarom bij de Commissie op aan prioriteit te verlenen aan de financiering van onderzoek naar de effecten van hormoonontregelaars op de gezondheid van vrouwen en langlopend onderzoek te steunen waarbij de gezondheid van vrouwen gedurende een lange tijd wordt gevolgd, om op basis van feitenmateriaal conclusies te kunnen trekken over de langetermijn- en generatie-overschrijdende effecten van blootstelling aan hormoonontregelaars;

5.  dringt er om die reden bij de Commissie op aan om zo snel mogelijk voorstellen in te dienen met overkoepelende criteria, gebaseerd op de definitie van hormoonontregelaars zoals die is opgesteld door het Internationaal Programma voor chemische veiligheid van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO/IPCS), en vereisten op het gebied van onderzoek en informatie voor op de commerciële markt beschikbare chemische stoffen, en in de EU-wetgeving vast te leggen welke stoffen geacht worden hormoonontregelende eigenschappen te bezitten; vindt dat nagedacht moet worden over invoering van hormoonontregelaars als wettelijke klasse, ingedeeld in verschillende categorieën op basis van bewijskracht;

6.  benadrukt dat het belangrijk is dat de criteria voor het vaststellen van hormoonontregelende eigenschappen gebaseerd worden op een omvattende gevarenbeoordeling, uitgevoerd op basis van de modernste wetenschappelijke inzichten en rekening houdend met mogelijke combinatie effecten, langetermijneffecten en effecten van blootstelling gedurende kritische perioden van ontwikkeling; is van oordeel dat de gevarenbeoordeling vervolgens gebruikt moet worden in het kader van de risicobeoordeling en risicobeoordelingsprocedures zoals voorgeschreven in verschillende relevante wetten;

7.  verzoekt de Commissie op het gebied van chemicaliënbeleid verdere maatregelen te treffen en onderzoek naar de hormoonontregelende eigenschappen van afzonderlijke chemische stoffen te bevorderen, alsook onderzoek naar de cumulatieve effecten van bepaalde combinaties van stoffen op het hormoonstelsel;

8.  is van mening dat de criteria voor het definiëren van hormoonontregelaars gebaseerd moeten worden op de criteria voor het vaststellen van „schadelijke effecten” en „endocriene werking” en dat de definitie van de WHO/IPCS daarbij een passend uitgangspunt is; is van oordeel dat zowel „schadelijke effecten” als „endocriene werking” onderzocht moeten worden en in een omvattende beoordeling naast elkaar getoetst moeten worden; is van oordeel dat waargenomen effecten geacht moeten worden schadelijk te zijn als dat uit wetenschappelijke gegevens blijkt; benadrukt dat rekening gehouden moet worden met mogelijke combinatie-effecten, zoals de effecten van mengsels of cocktails van chemische stoffen;

9.  benadrukt dat de criteria op grond waarvan wordt bepaald wanneer er sprake is van een hormoonontregelaar wetenschappelijk gefundeerd en horizontaal moeten zijn; is van oordeel dat een op bewijskracht steunende aanpak gevolgd moet worden en dat niet op basis van één afzonderlijk criterium vastgesteld kan worden of er al dan niet sprake is van een hormoonontregelaar; is van mening dat er vervolgens op basis van de geldende wetgeving een sociaaleconomische beoordeling moet worden uitgevoerd;

10.  is van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of een stof al dan niet hormoonontregelende eigenschappen heeft, gekeken moet worden naar alle collegiaal getoetste wetenschappelijke gegevens en informatie, met inbegrip van een overzicht van de wetenschappelijke literatuur en niet-GLP-onderzoeken, met inachtneming van alle sterke en zwakke punten; acht het verder belangrijk dat gebruik wordt gemaakt van moderne methoden en actueel onderzoek;

11.  dringt er bij de Commissie op aan om in alle EU-wetgeving op dit gebied passende onderzoeksvereisten op te nemen voor het identificeren van stoffen met hormoonontregelende eigenschappen; is van mening dat de modernste en internationaal erkende testmethoden, zoals die zijn ontwikkeld door bijvoorbeeld de OESO, het European Union Reference Laboratory for Alternatives to Animal Testing (EURL ECVAM) of in het kader van het programma voor screening van hormoonontregelaars van het Environmental Protection Agency van de VS (US EPA), moeten worden toegepast; merkt op dat de OESO-testmethoden onder meer betrekking hebben op geslachtshormonen, schildklierhormonen en steroïdeproductie; merkt anderzijds op dat er geen tests bestaan voor veel andere deelgebieden van het endocriene stelsel, zoals voor insuline of groeihormonen; is van oordeel dat testmethoden en richtsnoeren zodanig ontwikkeld moeten worden dat beter rekening wordt gehouden met hormoonontregelende stoffen, de mogelijke effecten van blootstelling aan geringe doses, combinatie-effecten en niet-monotone dosis-responsrelaties, met name in samenhang met kritische perioden tijdens de ontwikkeling;

12.  is van oordeel dat de ontwikkeling van testmethoden zonder dieren moet worden bevorderd om veiligheidsgegevens te verkrijgen die relevant zijn voor de mens en om de momenteel gebruikte dierproeven te vervangen;

13.  is van mening dat het gebruik van testmethoden zonder dieren moet worden bevorderd, dat andere risicobeoordelingsstrategieën moeten worden ontwikkeld, dat dierproeven tot een minimum moeten worden beperkt en dat proeven met gewervelde dieren slechts in laatste instantie mogen worden uitgevoerd; herinnert eraan dat tests op gewervelde dieren op grond van Richtlijn 2010/63/EU moeten worden vervangen, beperkt of verfijnd; verzoekt derhalve de Commissie om regels op te stellen om duplicatie van proeven te voorkomen en ervoor te zorgen dat er een verbod komt op duplicatie van tests en studies met gewervelde dieren;

14.  verzoekt de Commissie en de lidstaten registers aan te leggen van ziekten op het gebied van de voortplanting om het gebrek aan gegevens hierover op EU-niveau te verhelpen;

15.  verzoekt de Commissie en de lidstaten betrouwbare gegevens op te stellen over de sociaaleconomische gevolgen van hormoongerelateerde ziekten en aandoeningen;

16.  is van mening dat besluitvormende organen de mogelijkheid moeten hebben om, als er voldoende gegevens beschikbaar zijn, stoffen met een gelijksoortig werkingsmechanisme en identieke eigenschappen als één categorie te behandelen en dat het nuttig kan zijn om, wanneer er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, stoffen als één categorie te behandelen op basis van hun gelijkaardige structuur, bijvoorbeeld om prioriteiten vast te stellen voor verder onderzoek, teneinde de bevolking zo snel en doeltreffend mogelijk te beschermen tegen de effecten van blootstelling aan hormoonontregelaars en de aantallen experimenten op dieren omlaag te brengen; stelt zich op het standpunt dat chemische stoffen met een gelijksoortige structuur als één categorie behandeld moeten kunnen worden als de fabrikant of importeur niet ten genoegen van de relevante besluitvormende organen kan aantonen dat een bepaalde chemische stof veilig is; wijst erop dat deze organen in een dergelijk geval informatie over chemische stoffen met een gelijksoortige structuur mogen gebruiken ter aanvulling van de beschikbare informatie over een bepaalde chemische stof waarover zij zich een oordeel moeten vormen met het oog op het nemen van een besluit over het treffen van eventuele maatregelen;

17.  dringt er bij de Commissie op aan haar EU-strategie inzake hormoonontregelaars aldus te herzien dat de bescherming van de volksgezondheid daadwerkelijk voorop wordt gesteld door sterker de nadruk te leggen op het voorzorgsbeginsel, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, met als doel het verminderen van de blootstelling van mensen aan hormoonontregelaars;

18.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan meer rekening te houden met het feit dat consumenten de beschikking moeten hebben over betrouwbare informatie – in een passende vorm en in begrijpelijke taal – over de gevaren en effecten van hormoonontregelaars en de mogelijkheden om zich te beschermen;

19.  dringt er bij de Commissie op aan een concreet tijdschema vast te stellen voor de toepassing van de nieuwe criteria en de gewijzigde testvoorschriften inzake hormoonontregelaars in relevante wetgeving, waaronder analyses van de goedkeuring van werkzame stoffen die worden gebruikt in pesticiden en biociden, alsmede een routekaart met specifieke maatregelen en doelstellingen om de blootstelling aan hormoonontregelaars te verminderen;

20.  is van oordeel dat de databank met gegevens over stoffen met hormonale werking, die is ontwikkeld in het kader van de huidige strategie, continu geactualiseerd moet worden;

21.  dringt er bij de Commissie op aan om in het kader van de huidige evaluatie van de communautaire strategie voor hormoonontregelaars van 1999 een systematisch onderzoek te verrichten naar alle bestaande wetgeving op dit gebied en waar nodig uiterlijk 1 juni 2015 de bestaande wetgeving te wijzigen of voorstellen voor nieuwe wetgeving in te dienen, waaronder wetgeving inzake gevaren- en risicobeoordelingen, met het oog op het verminderen van de blootstelling van mensen, en met name kwetsbare groepen zoals zwangere vrouwen, baby's, kinderen en tieners, aan hormoonontregelaars;

22.  verzoekt de Commissie om bij de toekomstige herziening van de EU-strategie inzake hormoonontregelaars een gedetailleerd tijdschema vast te stellen en daarbij ook tussendoelen aan te geven, ter zake van:

   de toepassing van toekomstige criteria voor de identificatie van mogelijke hormoonontregelaars;
   de herziening van de wetgeving als bedoeld in paragraaf 22;
   de publicatie van een geregeld bij te werken prioriteitenlijst inzake hormoonontregelaars die voor het eerst uiterlijk 20 december 2014 gepubliceerd zou moeten worden;
   de vaststelling van alle maatregelen die vereist zijn om de blootstelling van de EU-bevolking en het milieu aan hormoonontregelaars te verminderen;

23.  is van oordeel dat hormoonontregelaars aangemerkt moeten worden als „zeer zorgwekkende stoffen” in de zin van de Reach-verordening of het equivalent daarvan overeenkomstig andere wetgeving;

24.  wijst erop dat het op basis van de huidige wetenschap niet mogelijk is grenswaarden vast te leggen waaronder schadelijke effecten niet optreden, en dat hormoonontregelaars dus beschouwd moeten worden als „stoffen zonder drempelwaarde” waarvoor geldt dat blootstelling, hoe gering ook, al risico's met zich kan meebrengen, tenzij de fabrikant wetenschappelijk bewijs voor een bepaalde drempel kan aanleveren, rekening houdend met een verhoogde gevoeligheid tijdens kritische perioden tijdens de ontwikkeling en met de effecten van mengsels;

25.  dringt er bij de Commissie op aan onderzoeksprojecten die zich richten op stoffen waarvan wordt vermoed dat ze van invloed zijn op het endocriene stelsel te steunen en daarbij de nadruk te leggen op onderzoek naar de effecten van lage concentraties en gecombineerde blootstelling, waaronder de ontwikkeling van nieuwe test- en analysemethoden, en tevens steun te verlenen aan een paradigmaverschuiving in de richting van routes van toxiciteit/schadelijke effecten; verzoekt de Commissie hormoonontregelende stoffen, de combinatie-effecten daarvan en aanverwante onderwerpen te integreren in de prioriteiten van het kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling;

26.  verzoekt de Commissie in-vitro- en in-silicomethoden te ontwikkelen om dierproeven voor onderzoek naar hormoonontregelaars tot een minimum te beperken;

27.  dringt er bij de Commissie op aan vast te leggen dat alle uit derde landen geïmporteerde producten moeten voldoen aan alle huidige en toekomstige EU-wetgeving inzake hormoonontregelaars;

28.  verzoekt de Commissie om bij de voorbereiding van de nodige wetswijzigingen ter verbetering van de bescherming van de gezondheid van mensen tegen chemische stoffen met hormoonontregelende eigenschappen samen te werken met alle betrokken partijen en belanghebbenden en voorlichtingscampagnes op te zetten;

29.  verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is een onderzoekscentrum voor hormoonontregelaars op te richten dat onderzoek doet naar hormoonontregelaars en de kennis over hormoonontregelaars op EU-niveau coördineert;

30.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat de criteria voor het identificeren van bekende, vermoedelijke en potentiële hormoonontregelaars in alle huidige en toekomstige wetgeving op dit gebied horizontaal worden toegepast om een hoog beschermingsniveau te verwezenlijken;

31.  benadrukt dat hoewel deze resolutie alleen betrekking heeft op de bescherming van de menselijke gezondheid tegen hormoonontregelaars, het van even groot belang is om krachtige maatregelen te nemen ter bescherming van de wilde flora en fauna en het milieu tegen hormoonontregelaars;

32.  dringt er bij de Commissie op aan publieke voorlichtingsprogramma's over de aan hormoonontregelaars verbonden gezondheidsrisico's te bevorderen en te financieren om consumenten in staat te stellen met volledige kennis van zaken hun gedrag en leefwijze aan te passen; vindt dat deze voorlichtingsprogramma's zich met name moeten richten op de kwetsbaarste groepen (zwangere vrouwen en kinderen), zodat tijdig voorzorgsmaatregelen genomen kunnen worden;

33.  roept de lidstaten op de opleidingsprogramma's voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg op dit gebied te verbeteren;

34.  is verheugd dat hormoonontregelaars (EDC's) zijn aangewezen als één van de actuele thema's die aan de orde worden gesteld in het beleidskader van de strategische aanpak van het internationale beheer van chemische stoffen (SAICM); verzoekt de Commissie en de lidstaten de activiteiten in het kader van SAICM te steunen en op alle relevante internationale fora, zoals de WHO, en het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), actief beleid te bevorderen dat gericht is op vermindering van de blootstelling van de mens en het milieu aan hormoonontregelaars;

35.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.
(2) PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.
(3) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(4) PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.
(5) PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
(6) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71.
(7) PB L 342 van 22.12.2009, blz. 59.
(8) PB C 341 van 9.11.1998, blz. 37.
(9) PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 95.
(10) Aangenomen teksten P7_TA(2012)0147.
(11) De definitie in het rapport van de WHO/IPCS (2002): „Hormoonontregelaars zijn exogene stoffen of mengsels van stoffen die een of meer functies van het hormoonsysteem verstoren en als gevolg daarvan schadelijke gezondheidseffecten veroorzaken in een intact organisme of het nageslacht of (deel)populaties daarvan. Potentiële hormoonontregelaars zijn exogene stoffen of mengsels van stoffen met eigenschappen waarvan verwacht zou kunnen worden dat ze leiden tot verstoring van de hormoonhuishouding van een intact organisme of van het nageslacht of (deel)populaties daarvan.” (http://www.who.int/ipcs/publications/en/ch1.pdf)


Integratie van migranten, gevolgen voor de arbeidsmarkt en de externe dimensie van de coördinatie van de sociale zekerheid
PDF 183kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over integratie van migranten, gevolgen voor de arbeidsmarkt en externe dimensie van de coördinatie van de sociale zekerheid in de EU 2012/2131(INI).
P7_TA(2013)0092A7-0040/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 15, 18, 20, 21 en 34 daarvan,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 maart 2012 getiteld „De externe dimensie van de coördinatie van de sociale zekerheid door de EU” (COM(2012)0153),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 november 2011 getiteld „De totaalaanpak van migratie en mobiliteit” (COM(2011)0743),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 juli 2011 getiteld „Europese agenda voor de integratie van onderdanen van derde landen” (COM(2011)0455),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 april 2012 getiteld „Naar een banenrijk herstel” (COM(2012)0173),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 februari 2012 over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van des Regio’s: Europese agenda voor de integratie van onderdanen van derde landen (SOC/427),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 16 februari 2012 getiteld „Nieuwe Europese integratieagenda”,

–  gezien het initiatiefadvies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 september 2012: „De bijdrage van allochtone ondernemers aan de economie van de EU”(1),

–  gezien de Eurofound-studie van 2011 met de titel „Promoting ethnic entrepreneurship in the European cities” („Het bevorderen van etnisch ondernemerschap in de Europese steden”),

–  gezien het gezamenlijk verslag 2012 van 20 februari 2012,

–  gezien het verslag van de Commissie van 5 december 2011over de resultaten en over de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de uitvoering van het Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen voor de periode 2007-2009 (COM(2011)0847),

–  gezien het samenvattende verslag „Sixth meeting of the European Integration Forum: the involvement of countries of origin in the integration process (Brussels, 9 and 10 November 2011)”,

–  gezien de studie „De integratie van migranten en haar gevolgen voor de arbeidsmarkt”, (Europees Parlement, 2011),

–  gezien de studie „EMN-syntheseverslag: voorzien in de behoefte aan arbeidskracht door middel van migratie”, (Europees Parlement, 2011),

–  gezien de studie „Gallup World Poll: the many faces of global migration’ (IOM and Gallup, 2011),

–  gezien de Eurofound-publicaties „Quality of Life in Ethnically Diverse Neighbourhoods” („De levenskwaliteit in etnisch heterogene wijken”) (2011), „Working conditions of Nationals with a Foreign Background” („Arbeidsomstandigheden van onderdanen met een buitenlandse achtergrond”) (2011) en „Employment and Working Conditions of Migrant Workers”(„Werkgelegenheid en arbeidsomstandigheden van migranten”) (2007),

–  gezien het onderzoek dat is uitgevoerd door het Europees netwerk van steden voor lokaal integratiebeleid (CLIP), dat is opgericht door het Congres van gemeenten en regio's van de Raad van Europa, de stad Stuttgart en Eurofound,

–  gezien de conclusies van de Raad van 4 mei 2010 en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten in het kader van de Raad bijeen, over „Integratie als aanjager van ontwikkeling en sociale samenhang”,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 maart 2010 over het onderwerp „Integratie en sociale agenda” (SOC/364),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 februari 2010 over het onderwerp „Integratie en sociale agenda” (SOC/362),

–  gezien het programma van Stockholm „Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger”, aangenomen door de Europese Raad (10 -11 december 2009),

–  gezien Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging(2),

–  gezien Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen(3),

–  gezien Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven(4),

–  gezien Richtlijn 2009/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen(5),

–  gezien Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan („blauwe kaart-richtlijn”)(6),

–  gezien Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven(7),

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2009 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie 2004-2008(8),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 mei 2007 getiteld „Circulaire migratie en mobiliteitspartnerschappen tussen de Europese Unie en derde landen” (COM(2007)0248),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 juli 2006 over strategieën en middelen voor de integratie van immigranten in de Europese Unie(9),

–  gezien Richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 september 2005, getiteld „Een gemeenschappelijke agenda voor integratie - Kader voor de integratie van onderdanen van derde landen in de Europese Unie” (COM(2005)0389),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 mei 2005 getiteld „Het Haags Programma: tien prioriteiten voor de komende vijf jaar, het partnerschap voor Europese vernieuwing op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht” (COM(2005)0184),

–  gezien de conclusies van 19 november 2004 van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten over de gemeenschappelijke basisbeginselen voor het beleid inzake de integratie van immigranten in de Europese Unie,

–  gezien het programma van Tampere waarover op 15 en 16 oktober 1999 overeenstemming werd bereikt,

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(11),

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(12),

–  gelet op Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(13),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1231/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot uitbreiding van Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 tot onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze verordeningen vallen(14),

–  gezien de voorstellen van de Commissie van 30 maart 2012 met betrekking tot de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (COM(2012)0156, COM(2012)0157, COM(2012)0158 en COM(2012)0152),

–  gezien de uitspraken van het Europees Hof van Justitie in de zaken C-214/94, C-112/75, C-110/73, C-247/96, C-300/84, C-237/83, C-60/93 en C-485/07,

–  gezien de artikelen 48, 78, 79 en 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0040/2013),

A.  overwegende dat de Europese beroepsbevolking vanaf 2012 krimpt en zonder immigratie in de komende tien jaar met 14 miljoen mensen terugloopt; overwegende dat deze cijfers van lidstaat tot lidstaat sterk uiteenlopen;

B.  overwegende dat in 2011 in de 27 lidstaten van de EU 48,9 miljoen mensen woonden die in het buitenland werden geboren (dat is 9,7% van de totale bevolking van de EU), waarvan 16,5 mensen miljoen afkomstig waren van een andere EU-lidstaat (3,3%) en 32,4 miljoen van buiten de EU (6,4%);

C.  overwegende dat dit gebrek aan vakbekwame werknemers ondanks een werkloosheidspercentage in de EU van ca. 10 % (23,8 miljoen) zich al doet gevoelen en in de komende jaren nog zal toenemen: zo zullen in 2015 in geheel Europa al tussen de 380.000 en 700.000 IT- vacatures bestaan; overwegende dat maatregelen die een einde moeten maken aan dit tekort aan vakbekwaam personeel gericht moeten zijn op een betere scholing, beroepsopleiding, de ontwikkeling van vakbekwaamheid en loopbaanbevorderingsbeleid van de zijde van de lidstaten en het bedrijfsleven, de identificatie van nieuwe doelgroepen en een betere toegankelijkheid op voet van gelijkheid tot hoger onderwijs voor EU-burgers;

D.  overwegende dat, blijkens onderzoek van Eurobarometer, 70% van de EU-burgers denkt dat immigranten nodig zijn voor de Europese economie; overwegende dat het aantal in landen buiten de EU-27 geboren onderdanen wordt geschat op 32 miljoen, wat overeenkomt met 6,5% van de totale bevolking;

E.  overwegende dat de arbeidsparticipatie van onderdanen van derde landen tussen de 20 en 64 jaar in de EU gemiddeld 10% onder de participatiegraad van de autochtone bevolking ligt en dat bovendien veel migranten in de EU banen onder hun kwalificatieniveau hebben of werken in een onzeker dienstverband, een verschijnsel dat kan worden tegengegaan door uitbreiding van de werkingssfeer van algemeen toepasbare, collectieve loonovereenkomsten waar deze bestaan; overwegende dat de vraag naar vakbekwaam personeel stijgt en in een hoger tempo zal toenemen dan die naar minder gekwalificeerde werknemers, maar dat het gemiddelde opleidingsniveau van onderdanen uit derde landen lager ligt dan het opleidingsniveau van EU-burgers, en jongeren met een migratie-achtergrond een hoger risico lopen het onderwijs- en opleidingssysteem te verlaten zonder een diploma hoger middelbaar onderwijs behaald te hebben;

F.  overwegende dat de EU weliswaar een gestage toestroom aan migranten kan verwachten, maar op wereldschaal moet meedoen aan de wedloop om de beste en meest getalenteerde mensen om talent aan te trekken en te behouden; overwegende dat de demografische veranderingen en de toenemende wereldwijde concurrentie betekenen dat de EU aandacht moet besteden aan problemen die deze vormen van migratie kunnen afschrikken en ook sociale innovatie moet bevorderen;

G.  overwegende dat door verscheidenheid gekenmerkte, open en tolerante samenlevingen waarschijnlijk eerder geschoolde werknemers aantrekken die beschikken over het menselijke en creatieve kapitaal dat vereist is om kenniseconomieën een impuls te geven en dat de aantrekkingskracht van Europa derhalve ook afhangt van een actieve benadering van de werkgelegenheid, het bieden van gelijke toegang tot werk, het vooruitzicht op een geslaagde integratie door waarborging van toegang op voet van gelijkheid en non-discriminatie op het terrein van werk en scholing, alsmede gelijkheid en een succesvolle scholing of opleiding van leerlingen met een migratie-achtergrond in het kader van een cultuur die maakt dat migranten zich welkom voelen, en van het uit de weg ruimen van administratieve hinderpalen;

H.  overwegende dat genderstereotypen dieper geworteld zijn binnen immigrantengemeenschappen en dat migrantenvrouwen vaker slachtoffer zijn van verschillende soorten geweld jegens vrouwen, in het bijzonder gedwongen huwelijken, genitale verminking, zogenaamde eerwraak, geweld in intieme relaties, seksuele intimidatie op het werk, mensenhandel en seksuele uitbuiting;

I.  overwegende dat uit cijfers van de Gallup World Poll 2011 blijkt dat in de gehele wereld het aantal potentiële migranten die verklaren bij voorkeur tijdelijk voor een arbeidsverblijf in een ander land het eigen land te verlaten twee maal zo groot is als het aantal dat permanent naar een ander land zou willen emigreren;

J.  overwegende dat werkgelegenheid de sleutel tot een geslaagde integratie biedt en dat in de integratiebeginselen van de EU wordt benadrukt dat een duurzame, betaalde baan of zelfstandig ondernemerschap van hoge kwaliteit van essentieel belang zijn voor het proces van integratie, aangezien deze „een centrale plaats innemen bij de participatie van immigranten aan de samenleving van het gastland, en voor het zichtbaar maken van hun bijdragen”;

K.  overwegende dat naar schatting 1,9 tot 3,8 miljoen immigranten in een onregelmatige situatie in de EU wonen en werken;

L.  overwegende dat sinds 2000 dank zij de bijdrage van immigranten ongeveer een kwart van alle nieuw ontstane arbeidsplaatsen werd gecreëerd; overwegende dat migranten steeds vaker als zelfstandig ondernemer hun weg naar de arbeidsmarkt proberen te vinden, maar daarbij ook vaker met financiële problemen te maken krijgen; overwegende dat ondernemers met een migratie-achtergrond en door etnische minderheden gedreven ondernemingen een belangrijke rol kunnen spelen bij de werkgelegenheidsschepping en een functie als leider in de gemeenschap en bruggenbouwer naar wereldmarkten kunnen vervullen en aldus aan een geslaagdere integratie kunnen bijdragen; overwegende dat de lidstaten daarom meer informatie aan deze groepen moeten verstrekken en ze bewust moeten maken van de mogelijkheden die voor hen openstaan, bij voorbeeld door een 'one-stop-shop'-website te ontwikkelen voor aspirant-ondernemers die informatie geeft over mogelijkheden en uitdagingen, over Europese en nationale subsidies en over ondersteuning biedende organisaties en instanties op het gebied van zelfstandig ondernemerschap;

M.  overwegende dat leerlingen met een migratie-achtergrond zich in het onderwijssysteem nog steeds in een nadelige positie bevinden en vaker dan anderen hun opleiding afbreken zonder een diploma te hebben behaald;

N.  overwegende dat bureaucratische obstakels, niet-erkenning van kwalificaties en het gebrek aan mogelijkheden tot bijscholing de oorzaak zijn van het feit dat de „skills mismatch” en de daarmee gepaard gaande „brain waste” vaker voorkomen bij immigranten dan bij autochtonen;

O.  overwegende dat de economische globalisering hand in hand gaat met de sociale globalisering en dat dit vooral gevolgen heeft voor de externe coördinatie van de sociale zekerheid voor onderdanen van lidstaten van de EU en van derde landen;

P.  overwegende dat werkgelegenheidsbeleid en nabuurschapsbeleid hand in hand gaan in de zin dat beter kan worden voorzien in de vraag naar arbeidskrachten op de Europese arbeidsmarkt;

Q.  overwegende dat het voor de individuele lidstaten onmogelijk zal zijn om met alle derde landen bilaterale wederzijdse overeenkomsten over de sociale zekerheid te sluiten en dat een poging daartoe zou leiden tot een gefragmenteerd systeem met een ongelijke behandeling van de burgers van de diverse lidstaten van de EU, en voorts overwegende dat daarom optreden op Europees niveau nodig is; overwegende dat daarom optreden op Europees niveau nodig is;

R.  overwegende dat de behandeling van het thema integratie van onderdanen van derde landen op de arbeidsmarkt en de daarmee verband houdende integratie in het algemeen verdeeld is over een groot aantal directoraten-generaal van de Commissie en van de Europese dienst voor extern optreden;

S.  overwegende dat ook tussen de afzonderlijke afdelingen en niveaus van overheidsinstanties en verschillende organen een dergelijke gefragmenteerde benadering op nationaal niveau mogelijk is, terwijl lokale en regionale autoriteiten van cruciale betekenis zijn om integratiestrategieën op het niveau van de bevolking uit te voeren;

T.  overwegende dat vrouwelijke migranten vaker te maken krijgen met werkloosheid, laagbetaalde banen en de „skills mismatch”;

U.  overwegende dat migrantenvrouwen vaak werkzaam zijn in sectoren als de informele zorg, die in sommige lidstaten niet door het socialezekerheidsstelsel worden erkend, en overwegende dat zij derhalve niet kunnen terugvallen op een pensioenregeling wanneer zij met pensioen gaan en bijgevolg op hogere leeftijd onder armoede gebukt gaan;

V.  overwegende dat een groot deel van de studenten uit derde landen in de EU niet in de EU werken na voltooiing van hun studie;

W.  overwegende dat mensen met een migratie-achtergrond vaker lijden onder slechte schoolprestaties, sociale uitsluiting met inbegrip van problemen op het gebied van arbeidsparticipatie, racisme, vreemdelingenhaat en discriminatie, allemaal factoren die hun integratie op de arbeidsmarkt in de weg staan;

1.  benadrukt dat voor de integratie op de arbeidsmarkt en in de maatschappij enerzijds inzet van beide zijden nodig is, in het bijzonder bij het leren van een taal, kennis van en respect voor de juridische, politieke en sociale stelsels, zeden, gebruiken en het deel uitmaken van de samenleving in het land waarin men is opgenomen en anderzijds door een maatschappij op te bouwen waarin niemand wordt uitgesloten en die toegang biedt tot de arbeidsmarkt tot instellingen, alsook tot onderwijs, sociale zekerheid, gezondheidszorg, tot goederen, diensten en huisvesting, en die het recht verschaft aan het democratische proces deel te nemen; benadrukt derhalve dat onderwijsinstellingen, religieuze en sociale instellingen, sport- en culturele verenigingen, de strijdkrachten, de sociale partners, in het bijzonder de vakbonden, ondernemingen en aanwervingsbureaus in dit verband een bijzondere maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben en herinnert er ook aan dat iedere actor het integratieproces verschillende sterke punten heeft te bieden;

2.  meent dat een wederzijds engagement voor integratie slechts dan op de grootst mogelijke steun in de samenleving zal kunnen rekenen indien het op een succesvolle manier kan worden gemainstreamd en indien de lidstaten de kwestie actief en openlijk bespreken met het publiek en geloofwaardige manieren aanreiken om de huidige uitdagingen het hoofd te bieden;

3.  merkt op dat integratie een voortdurend proces in twee richtingen is waarbij zowel de onderdanen van buiten de EU als de samenleving van het gastland betrokken moeten zijn; is ingenomen met de vele goede praktijkvoorbeelden in de hele EU van de integratie van migranten, asielzoekers en personen die internationale bescherming genieten, vaak door middel van projecten die worden uitgevoerd door plaatselijke autoriteiten, die een sleutelrol spelen bij de verwezenlijking van integratiedoelstellingen;

4.  wijst erop dat de meest doeltreffende integratie in plaatselijke gemeenschappen begint en dringt bijgevolg aan op EU-steun voor de oprichting van een integratienetwerk van plaatselijke en regionale autoriteiten, met de betrokkenheid van alle maatschappelijke organisaties die actief zijn op het terrein in overeenstemming met de „bottom-upbenadering”, en mogelijk naar het voorbeeld van de projecten CLIP(15), ERLAIM(16), ROUTES, City2City en EUROCITIES; benadrukt dat steden in dit opzicht een belangrijke rol te spelen hebben en bijzondere steun verdienen;

5.  verlangt dat de lidstaten resoluut optreden tegen discriminatie van onderdanen van derde landen en andere EU-burgers, in het bijzonder tegen formele en informele discriminatie bij het zoeken naar werk en op de werkplek; is van mening dat strenge maatregelen moeten worden genomen tegen de discriminatie en het racisme die de economische en financiële crisis met zich meebrengt en tegen de daarmee gepaard gaande stijging van de werkloosheid; benadrukt dat werkgevers wettelijk verplicht zijn alle werknemers gelijk te behandelen en niet te discrimineren op grond van godsdienst, geslacht, etnische origine of nationaliteit, waarmee zij naleving van de grondrechten, non-discriminatie en gelijke kansen bevorderen, hetgeen cruciaal is voor het integratieproces; verlangt dat de Commissie en de lidstaten erop toezien dat de beloning en de rechten in het kader van collectieve overeenkomsten in de gastlanden ook voor migranten worden nageleefd; vraagt de lidstaten toe te zien op een daadwerkelijke naleving teneinde loon- en sociale dumping tegen te gaan, gemeenschappelijke richtsnoeren op te stellen voor het aanpakken van arbeidsgerelateerde discriminatie en maatregelen te treffen om de negatieve uitwerkingen op te vangen die wettelijke voorschriften op het leven van migranten kunnen hebben en bovendien activerend beleid te ondersteunen die een snellere groei kunnen bevorderen, maar ook kunnen leiden tot terugdringing van ongelijkheid en inkomensverschillen;

6.  roept de lidstaten op hun migratiebeleid op het gebied van werkgelegenheid beter te integreren om het tekort aan arbeidskrachten te verhelpen en de binnenlandse productie te stimuleren;

7.  verzoekt de Commissie om de uitbreidingslanden middels pretoetredingssteun en nauwer toezicht op de gemaakte vorderingen te helpen nog meer inspanningen te leveren voor de sociale en economische inclusie van de Roma, met extra aandacht voor de situatie van Roma-vrouwen en -meisjes;

8.  is van mening dat het integratiebeleid en de integratiemaatregelen van de lidstaten gedifferentieerder, individueel gerichter en hoogwaardiger moeten worden, waarbij het vooral noodzakelijk is een differentiëring aan te brengen tussen de behoeften van de verschillende doelgroepen, bijvoorbeeld hooggekwalificeerden en laaggekwalificeerden, EU-burgers en onderdanen van derde landen, migranten met en migranten zonder het vooruitzicht op een baan, met en zonder talenkennis of met en zonder familiebanden in het gastland, zodat wordt ingegaan op de behoeften van alle migranten; wijst er opnieuw op dat participatie afhangt van de beschikbaarheid en betaalbaarheid van dergelijke maatregelen en eveneens van het recht om vergezeld te worden door naaste familieleden en van het recht op werk voor levenspartners;

9.   herinnert eraan dat ongeveer de helft van de migranten in de EU vrouwen zijn en dat een onafhankelijk migratiestatuut voor vrouwen en het recht om te werken voor echtgenoten cruciale elementen zijn om te zorgen voor een doeltreffende integratie;

10.  wenst dat op lokaal, nationaal en Europees niveau een alomvattende benadering wordt gekozen die vergelijkbaar is met de gender mainstreaming; dringt op invoering van het beginsel van „integratie mainstreaming”, wat inhoudt dat bij alle instrumenten op politiek, wetgevend en financieel terrein rekening wordt gehouden met integratievraagstukken en roept derhalve de lidstaten op, de nationale contactpunten voor integratie verslag te laten uitbrengen over de voortgang die op dit vlak wordt gemaakt; vraagt de Commissie daarnaast om instelling van een multidisciplinaire integratiewerkgroep die zich bezighoudt met de onderwerpen integratie, (arbeids-)migratie en integratie op de arbeidsmarkt en die alle daarmee belaste directoraten-generaal, de Europese dienst voor extern optreden evenals de belanghebbenden omvat;

11.  is verheugd over de oprichting van het Europese Integratieforum, dat een platform biedt voor het maatschappelijk middenveld om uitdagingen en prioriteiten op het vlak van kwesties met betrekking tot de integratie van migranten te bespreken; is voorstander van sterkere verbindingen tussen het Forum en het lopende politieke en wetgevende proces op EU-niveau;

12.  is van mening dat succesvolle integratie eveneens deelname aan politieke besluitvormingsprocessen inhoudt, en dat met name de deelname van migranten aan het maatschappelijke leven moet worden bevorderd; is bijgevolg voorstander van een uitbreiding van de mogelijkheden voor deelname aan het maatschappelijke leven en voor politieke medezeggenschap van personen met een migratieachtergrond, en van stimulansen om dergelijke mogelijkheden te benutten;

13.  wijst opnieuw op het belang van stemrecht voor migranten, met name op plaatselijk niveau, als belangrijk hulpmiddel voor integratie en actief burgerschap; is bezorgd over de politieke ondervertegenwoordiging van minderheden op alle bestuursniveaus, met inbegrip van het niveau van de lidstaten en in het Europees Parlement;

14.  benadrukt dat het belangrijk is te onderkennen dat een sterke culturele identiteit geen afbreuk hoeft te doen aan de sterkte van de nationale identiteit, en dat de nationale identiteit voldoende open en flexibel moet zijn om de specifieke kenmerken van de verschillende culturele achtergronden van burgers, die tezamen een pluralistische staat vormen, in zich op te nemen en een plaats te geven;

15.  onderstreept dat de landen van herkomst er ook verantwoordelijk voor zijn dat integratie op de arbeidsmarkt wordt vergemakkelijkt door het aanbieden van betaalbare taal- en andere voorbereidende cursussen, door informatie aan te bieden, door erop toe te zien dat aanwervingsbureaus zich verantwoord gedragen en door contacten met hun diaspora en/of de desbetreffende diensten van hun in het gastland gevestigde ambassades te onderhouden; moedigt de landen van herkomst derhalve aan om door te gaan met de ontwikkeling van programma's in dit verband;

16.  verlangt dat in het kader van taal- en integratieprogramma's - onafhankelijk van de historische en culturele achtergrond, de kwalificaties of het professionele expertisegebied van de immigrant - de geschiedenis, cultuur, waarden en beginselen van de Europese democratie, de rechtsstaatsregels en de Europese herinnering worden onderwezen, dat daarbij aandacht wordt besteed aan de rechten en andere beginselen die zijn vervat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en waarbij ook diepgewortelde genderstereotypen worden bestreden;

17.  wijst erop dat vrouwelijke migranten een steeds belangrijkere rol spelen bij de integratie, aangezien zij een groot potentieel voor de arbeidsmarkt vormen en dikwijls een belangrijke rol spelen bij de opvoeding van de kinderen en het doorgeven van normen en waarden, maar ook omdat zij het vaakst te maken krijgen met discriminatie en geweld; verzoekt de Commissie en de lidstaten de juridische en sociale positie van vrouwen significant te verbeteren om discriminatie op alle beleidsterreinen te vermijden en de potentiële bijdrage die vrouwen met name aan de economische en sociale ontwikkeling kunnen leveren, te benutten;

18.  verzoekt de lidstaten om onderwijs- en communicatieprogramma's op te zetten teneinde migrantenvrouwen voor te lichten over hun rechten en verantwoordelijkheden en om meertalige adviesdiensten voor vrouwen in het leven te roepen;

19.  doet een beroep op de Commissie en de lidstaten om nauw samen te werken met netwerken en ngo's die zich bezighouden met problemen in verband met migrantenvrouwen, teneinde genderbewust beleid te ontwikkelen en het concept van gendergelijkheid te mainstreamen waarmee de mensenrechten van migrantenvrouwen worden beschermd, gelijke kansen worden geboden op het stuk van de werkgelegenheid en de toegang tot de arbeidsmarkt, waarbij gelijke rechten worden gewaarborgd, en alle soorten geweld, arbeids- en seksuele uitbuiting, genitale verminking van vrouwen, oneerlijke praktijken, ontvoering, slavernij, gedwongen huwelijken en handel in vrouwen worden bestreden en voorkomen;

20.  onderstreept dat het gebrek aan geschoolde werknemers tegelijkertijd door middel van gericht onderwijs, gerichte beroepsopleidingen en levenslange leerprocessen in de lidstaten, ook in bedrijven, moet worden aangepakt; stelt daartoe voor de internationale dimensie van het EU-mobiliteitsprogramma voor „levenslang leren” te verbreden; benadrukt verder dat onderpresteren en hoge percentages vroegtijdige schoolverlaters onder kinderen van migrerende werknemers terug moeten worden gedrongen door de rechten van minderjarigen op scholing te garanderen met behulp van maatregelen als financiering, studiebeurzen, vervolgopleidingen en het verstrekken, in zo veel mogelijk talen, van informatie over de onderwijsstelsels in de lidstaten en de daaraan verbonden rechten en plichten; herinnert aan het succes van het duale onderwijs/beroepsopleidingsstelsel dat sommige lidstaten gebruiken om jonge migranten te helpen toegang tot de arbeidsmarkt te krijgen en de werkloosheid onder jongeren te doen dalen; acht het noodzakelijk dat onderwijzend personeel zo wordt opgeleid dat het met diversiteit kan omgaan, en na te denken over middelen om migranten aan te werven voor banen in de overheidssector, in het bijzonder als docenten; moedigt de lidstaten aan om tot etnische minderheden behorende ondernemers te steunen en hun belangrijke rol bij integratie, werkgelegenheidsschepping en leiderschap van gemeenschappen ter erkennen;

21.  dringt er bij de lidstaten op aan hun studenten uit het buitenland te informeren over de mogelijkheden op de arbeidsmarkt na hun studie en hun makkelijker toegang tot de nationale arbeidsmarkt te bieden, aangezien deze studenten door het leven in het gastland, hun taalkennis en de afronding van een opleiding reeds in het desbetreffende land als geïntegreerd mogen worden beschouwd; wijst er bovendien op dat het voor de EU ook economisch ongunstig is de investeringen in een universitaire studie te verspelen omdat de betrokkenen geen arbeidsplaatsen in de EU mogen bezetten; doet daarom een beroep op de lidstaten de vraag naar arbeidskrachten beter te beoordelen en eerlijke kansen te creëren voor migranten die hun studie hebben afgerond op het grondgebied van een EU-lidstaat en op zoek zijn naar een baan;

22.  wijst er nogmaals op dat werkzoekenden op de Europese arbeidsmarkten voornamelijk afkomstig zijn uit de naburige landen van de EU en een echte troef vormen voor de ontwikkeling van deze markten, en dat overeenkomsten op het gebied van onderwijsprogramma's, historische achtergrond en talen belangrijke pluspunten voor hun integratie zijn;

23.  vraagt de Commissie te mogelijkheid te onderzoeken van het opzetten en invoeren van een gemeenschappelijk Europees, op transparante criteria gebaseerd toegangsstelsel te ontwikkelen en in te voeren, dat aansluit bij de benadering van het Europees kwalificatiekader van het vergaren en overdragen van (studie)punten, en waaraan de lidstaten op vrijwillige basis zouden kunnen deelnemen; constateert dat een dergelijk stelsel aan de arbeidsmarktomstandigheden moet worden aangepast om de werving van dringend noodzakelijke vakmensen te vergemakkelijken;

24.  onderstreept dat het beginsel van gelijk loon en gelijke arbeidsvoorwaarden voor gelijk werk op dezelfde werkplek van toepassing moet zijn op uit de EU en uit derde landen afkomstige vakmensen;

25.  verlangt van de Commissie om in verband met het bovengenoemde toegangsstelsel na te denken over de ontwikkeling van een internationaal platform bij EURES voor gestandaardiseerde banen- en deskundigheidsprofielen, daarbij rekening houdend met de benadering van het Europees kwalificatiekader van het accumuleren en overdragen van punten, teneinde zo het werven en het vergelijken van de capaciteiten, vakbekwaamheden en kwalificaties van werkzoekende migranten te vergemakkelijken;

26.  wijst er met nadruk op dat deelneming aan een toegangsstelsel dat gebaseerd zou zijn op de benadering van het Europees kwalificatiekader van de vergaring en overdracht van punten de aantrekkingskracht van de lidstaten voor gekwalificeerde onderdanen van derde landen zou verhogen en dat het voor hen ook een vereenvoudiging zou opleveren;

27.  onderstreept het belang van een op de behoeften gerichte, gekwalificeerde migratie die vergezeld gaat van integratiemaatregelen, en wenst dat de Commissie en de lidstaten samen met hun regio's en steden een gemeenschappelijke Europese coördinatie voor het vaststellen van de behoefte aan arbeidskracht invoeren om de arbeidsmigratie beter te sturen; is daarom ingenomen met het voorstel van de Commissie om een Europees platform voor dialoog over het beheer van arbeidsmigratie in te stellen en tevens een regelmatige, systematische beoordeling van de EU-arbeidsmarkten op het gebied van vraag en aanbod tot 2020 in te voeren, die is opgedeeld naar sector, beroep, kwalificatieniveau en lidstaat; merkt op dat een dergelijk plan tevens het tekort aan arbeidskrachten in de EU op de korte, middellange en lange termijn duidelijk in kaart moet brengen;

28.  bepleit dat een dergelijk stelsel ten minste voorziet in een lijst van beroepen die met een gebrek aan vakmensen kampen en in een analyse van de behoeften aan de hand van gegevens van werkgevers;

29.  vraagt de lidstaten, rekening houdend met de communautaire preferentieclausule en zowel ondanks als wegens het voortdurende gebrek aan vakmensen, de mobiliteit binnen de EU te bevorderen en zo de wervingsvoorwaarden, de werving zelf en de integratie van EU-burgers uit andere lidstaten te vergemakkelijken; roept de lidstaten op middelen en instrumenten te ontwikkelen om oplossingen te vinden voor tekorten aan arbeidskrachten door middel van mobiliteit binnen de EU en te investeren in diensten voor de re-integratie van EU-migranten die er niet in geslaagd zijn een baan te vinden en daarom teruggegaan zijn naar hun land van herkomst;

30.  benadrukt dat het niet passend is het onderwerp arbeidsmigratie te gebruiken om het publiek bang te maken; merkt op dat vooropgezette, op vooroordelen en wrok gebaseerde meningen de solidariteit ondermijnen die de hoeksteen van de samenleving vormt, en dat de populistische uitbuiting van het onderwerp bijgevolg krachtig dient te worden verworpen;

31.  wijst opnieuw op de belangrijke rol die massamedia spelen bij het vormen van de publieke opinie betreffende immigratie en integratie, en roept op tot verantwoordelijke journalistiek om wederzijds respect en begrip met betrekking tot gelijkenissen en verschillen in de hand te werken;

32.  wenst dat migranten, vluchtelingen en asielzoekers makkelijker toegang tot de arbeidsmarkt krijgen, zonder te stuiten op moeilijkheden die deze toegang in de weg staan, en dat zij kunnen rekenen op een snelle en betaalbare beoordeling en, indien van toepassing, erkenning en validering van hun diploma's, kwalificaties en capaciteiten, die zij door middel van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs hebben verworven; vraagt de Commissie daarom concrete voorstellen te doen voor een mechanisme voor de erkenning van kwalificaties en diploma's van onderdanen van derde landen, waaronder een effectieve beoordeling van hun capaciteiten in het geval dat documenten niet kunnen worden voorgelegd; wijst erop dat het derhalve van belang is transparantie te ondersteunen ten aanzien van vaardigheden, kwalificaties en capaciteiten in partnerlanden;

33.  wijst erop dat arbeidsmarktgeoriënteerde immigratie positieve effecten op de socialezekerheidsstelsels in de gastlidstaten kan hebben, een goed gekwalificeerd arbeidspotentieel waarborgt en tevens concurrentievoordelen oplevert dankzij culturele diversiteit (talenkennis, buitenlandervaring, mobiliteit, enz.);

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om samen met de partnerlanden sterker de nadruk te leggen op de bestrijding van kinderarbeid, zodat voor volwassenen fatsoenlijke banen worden gecreëerd en kinderen een geschikte opleiding kunnen volgen;

35.  bepleit het in praktijk brengen van de vrijheid van vereniging van vakbonden en van het recht op collectief onderhandelen zonder uitzondering, voor het realiseren, verbeteren en verdedigen van fatsoenlijke arbeidsomstandigheden;

36.  wenst dat migranten zo snel mogelijk worden voorbereid op de arbeidsmarkt ter plaatse wijst in dit verband op de beproefde praktijken voor opneming op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld het aanwijzen van mentoren voor migranten, integratieloodsen en de benadering „migranten voor migranten” en beroepsgerelateerde taalcursussen, alsook het bieden van hulp aan en begeleiding van migrantenkinderen in de leerplichtige leeftijd, en ondersteuning van startende ondernemingen van gekwalificeerde personen met een migratie-achtergrond;

37.  wijst erop dat het leren van de taal van het gastland de basis vormt voor succes op de op dienstverlening gerichte Europese arbeidsmarkt; onderstreept voorts dat de lidstaten voldoende mogelijkheden voor het leren van talen moeten creëren, zodat taalbarrières op het werk niet langer een obstakel vormen; is zeer te spreken over de eigen initiatieven die het bedrijfsleven op dit gebied ontplooit;

38.  roept de lidstaten in dit verband op migranten beter te informeren over de kansen en uitdagingen, over Europese en nationale subsidies, en over ondersteuning biedende organisaties en lichamen op het gebied van zelfstandig ondernemerschap;

39.  stelt aan de Commissie voor om het jaar 2016 uit te roepen tot het Europese jaar van de integratie en vraagt haar het accent te leggen op „integratie door middel van werk”; vraagt de Commissie het jaar van de integratie inhoud te geven met concrete wetsteksten en benchmarks voor de lidstaten;

40.  dringt er bij de lidstaten op aan de beproefde praktijken bij de bevordering van diversiteit op de arbeidsplaats uit te werken en verder te ontwikkelen, zoals coaching, steun voor starters, integratieprogramma's, gesubsidieerde arbeid, focusgroepen, diversifiëringsplannen, individuele begeleiding, training van taalkennis en van competenties en anti-discriminatiecampagnes;

41.  merkt op dat er in veel lidstaten onvoldoende inspanningen worden geleverd om migranten te integreren en dat er bijgevolg nog steeds behoefte is aan gerichte inspanningen van de overheden; meent dat dit ook te wijten is aan een verkeerde aanpak waarbij migranten hoofdzakelijk als een risico voor de veiligheid worden voorgesteld, en dat de positieve integratieaspecten onvoldoende worden waargenomen; meent dat vaak daarom in het land van herkomst verworven kwalificaties niet naar behoren worden erkend;

42.  wijst op de mogelijkheden die er zijn om het potentieel van de circulaire (arbeids)migratie te laten uitmonden in een „triple win situation”, waarbij zowel de migrant als het gastland en het land van herkomst profiteren, en dringt er bij de lidstaten op aan zich open te stellen voor deze vorm van immigratie en emigratie en hem te vergemakkelijken;

43.  benadrukt dat het bij circulaire migratie belangrijk is het individu centraal te stellen en dat zijn verworven kennis en vaardigheden bij terugkeer ingezet moeten kunnen worden;

44.  doet een beroep op de Commissie en de lidstaten de samenwerking met derde landen op het gebied van de circulaire migratie te versterken en dit onderwerp in onderhandelingen en overeenkomsten mee te nemen, in het bijzonder de totaalaanpak van migratie en mobiliteit en de daaraan verbonden dialogen over migratie en mobiliteit en mobiliteitspartnerschappen;

45.  aanvaardt, indien een van de partijen niet gereed is om de volledige reeks verplichtingen die voortvloeien uit een mobiliteitspartnerschap aan te gaan, als alternatief kader gemeenschappelijke agenda's voor migratie en mobiliteit tussen de EU en derde landen, maar benadrukt dat dit slechts een overgangsfase kan zijn;

46.  is in dit verband bijzonder ingenomen met de geplande instelling van „Migration and Mobility Resource Centres” (MMRC's) in de partnerlanden in het kader van de mobiliteitspartnerschappen en de gemeenschappelijke agenda's, en vraagt het idee van dergelijke centra ook aan andere derde landen voor te stellen;

47.  dringt aan op de bevordering van intelligente strategieën betreffende de circulaire migratie die de noodzakelijke middelen en juridische garanties en voorwaarden bieden om veilige arbeidsplaatsen te creëren en onregelmatige immigratie te voorkomen;

48.  merkt op dat voor het welslagen van dit soort samenwerking een engagement op de lange termijn nodig is en de EU een unieke positie inneemt om dit engagement aan te gaan via haar financiële instrumenten, bijvoorbeeld door ondersteuning van terugkeer- en integratieprogramma's met als onderdeel circulaire migratie;

49.  onderstreept dat het noodzakelijk is programma's voor circulaire migratie flexibel vorm te geven en daarbij rekening te houden met artikel 8 van het EVRM, Richtlijn 2003/109/EG en Richtlijn 2003/86/EG;

50.  onderstreept dat daarbij een taal- en vaardigheidstraining voor de aankomst in het gastland alsmede een voorbereiding op de terugkeer zinvol zijn en herinnert aan de mogelijkheid om zogenaamde „pre departure desks” (bureaus die het vertrek voorbereiden) zowel in het land van herkomst als in het gastland in te richten;

51.  verzoekt de Commissie in dit verband, in aanmerking nemend dat migratie en arbeidsmarktpolitiek hand in hand dienen te gaan, zich sterker te richten op de verbanden tussen de behoefte aan arbeidskrachten, circulaire migratie, ontwikkelingsbeleid en buitenlands- en nabuurschapsbeleid, en aan zo'n beleid voorrang te geven; is zeer te spreken over de financiële ondersteuning die de EU tot dusver heeft verstrekt voor migratiebeheer in derde landen, bijvoorbeeld Migratie EU expertise II (MIEUX II) en verlangt dat bij de financiering van Europese projecten een maximale hoeveelheid synergieën tussen het Europees Sociaal Fonds en het Fonds voor asiel en migratie tot stand komt;

52.  is opgetogen over de bestaande EU-instrumenten voor de formulering van integratiebeleid, zoals het netwerk van nationale contactpunten voor integratie, de Europese website over integratie, het Europees handboek betreffende integratie, het Europees Integratiefonds, het Fonds voor asiel en migratie, de EU-portaalsite over immigratie en de Europese integratiemodules;

53.  verwijst opnieuw naar de gemeenschappelijke basisbeginselen van de EU inzake de integratie van immigranten; betreurt het dat de lidstaten momenteel geen gebruik maken van het volledige potentieel van het Europees Integratiefonds en herinnert eraan dat dit fonds tot doel heeft de maatregelen van de lidstaten te ondersteunen om de gemeenschappelijke basisbeginselen inzake de integratie van immigranten toe te passen;

54.  benadrukt dat de optimale praktijken in de lidstaten en niet-EU-landen met het meest genderneutrale immigratiebeleid moeten worden vastgesteld en gedeeld en dat de uitwisseling ervan moet worden bevorderd;

55.  benadrukt dat het Europees jaar van de burgers 2013 optimaal moet worden benut om de vrije mobiliteit en de volledige participatie van migrantenvrouwen in de Europese samenleving tot speerpunt te maken;

56.  verzoekt de lidstaten om op migranten gerichte campagnes ter bestrijding van diepgewortelde genderstereotypen in de betrokken gemeenschappen te organiseren, opdat de integratie en de deelname van migrantenvrouwen aan het maatschappelijk leven, de economie, scholing en de arbeidsmarkt wordt verbeterd en gendergerelateerd geweld wordt bestreden;

57.  vraagt aandacht voor het feit dat veel potentiële migranten in hun land van herkomst met lange wachttijden in de consulaire dienst van de lidstaten te kampen hebben en dat daarom een snelle, betrouwbare en soepele bemiddeling voor een circulair dienstverband uiterst moeilijk is; verzoekt daarom de Commissie en de lidstaten daarom intensiever na te denken over de opbouw van een gemeenschappelijke Europese consulaire dienst in de EU-delegaties en ambassades van de lidstaten;

58.  moedigt de opleiding aan van het personeel bij de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), in het bijzonder van het personeel in EU-delegaties, inzake de algehele aanpak van migratie, om effectieve mainstreaming van het communautaire immigratiebeleid in haar externe optreden te verzekeren;

59.  spoort de EDEO met klem aan te streven naar een meer actieve coördinerende rol in de externe dimensie van de uitwerking van het migratiebeleid;

60.  herinnert aan het belang van een slim grensbeheer van de zijde van de EU, en aan de mogelijkheid tot controle door middel van biometrische gegevens;

61.  is van mening dat voor toegang en verblijf duidelijke, eerlijke en niet-discriminerende regels moeten gelden die overeen dienen te stemmen met de normen van de rechtsstaat op nationaal en EU-niveau; wijst erop dat toegangscriteria eenvoudig te begrijpen moeten zijn en een lange tijd geldig moeten blijven; merkt op dat de mogelijkheid om in de nabije toekomst verblijfsvergunningen van lange termijn in te voeren een belangrijk vooruitzicht is met het oog op integratie; onderstreept dat talenkennis belangrijk is en dient te worden aangemoedigd en ondersteund, maar dat ze niet mag worden gebruikt als selectie- of sanctiecriterium;

62.  merkt, verwijzend naar richtlijnen 2008/115/EG en 2009/52/EG, op dat illegale arbeidsmigratie niet enkel kan worden verminderd door middel van doeltreffend toezicht, maar eveneens door op een effectievere manier kansen te bieden voor legale immigratie;

63.  betreurt de recente wijzigingen aan de regelgeving inzake het „recht op nationaliteit bij geboorte” in bepaalde lidstaten, waardoor het aantal staatlozen in de EU toeneemt;

64.  onderstreept dat zowel legale als illegale immigratie fenomenen van deze tijd zijn en dat er een gemeenschappelijk rechtskader inzake migratiebeleid nodig is voor de bescherming van migranten en mogelijke slachtoffers, met name vrouwen en kinderen, die kwetsbaar zijn voor verschillende vormen van georganiseerde misdaad in de context van migratie, zoals mensenhandel; benadrukt ook dat illegale migratie kan worden verminderd door middel van een gemeenschappelijk rechtskader;

65.  betreurt het feit dat veel migrantenvrouwen in hun land van oorsprong worden misleid met de belofte van een arbeidscontract in een ontwikkeld land en zelfs worden gekidnapt om door criminelen en netwerken van mensenhandelaren seksueel te worden uitgebuit; verzoekt de lidstaten hun inspanningen te verhogen om deze onmenselijke misbruikpraktijken te bestrijden;

66.  doet een beroep op de Raad, de Commissie en de lidstaten om een juridisch kader te scheppen waarmee vrouwelijke immigranten het recht op een eigen paspoort en verblijfsvergunning wordt gegarandeerd en waarmee het mogelijk is eenieder die hun deze documenten ontneemt strafrechtelijk aansprakelijk te stellen;

67.  benadrukt dat migrantenvrouwen, onafhankelijk van hun opleidingsniveau en beroepservaring, voor het merendeel werkzaam zijn in de huishoudelijke dienstverlening en de persoonlijke verzorging; stelt aan de kaak dat het overgrote deel van deze vrouwen geen contract heeft en een erg laag salaris ontvangt zonder dat enige aanspraak op sociale rechten kan worden gemaakt;

68.  is ingenomen met het feit dat het IAO-Verdrag nr. 189 over huishoudelijk werkers in 2013 in werking treedt, en verzoekt alle EU-lidstaten het verdrag onverwijld te ratificeren;

69.  is verheugd over de reeds bestaande besluiten van de EU over de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels die tot stand zijn gekomen met Algerije, Marokko, Tunesië, Kroatië, Macedonië en Israël, en over de lopende onderhandelingen over vergelijkbare overeenkomsten met Montenegro, San Marino, Albanië en Turkije; roept de Commissie evenwel op de coördinatie van de sociale zekerheid voor onderdanen van derde landen ter hand te nemen, in het bijzonder het behoud van rechten bij het verlaten van en de terugkeer in de EU, en het migratiebeleid van de EU aan te vullen met adequate maatregelen die gericht zijn op de reeds verworven socialezekerheidsrechten van de migranten;

70.  toont zich in dit verband ook ingenomen met het Ibero-Amerikaans akkoord over sociale zekerheid en doet de suggestie de mogelijkheid te scheppen dat nog meer lidstaten dan Portugal en Spanje tot deze overeenkomst als platform van de Europese coördinatie toetreden; benadrukt dat bilaterale overeenkomsten tussen EU-lidstaten en derde landen weliswaar kunnen voorzien in betere bescherming op het gebied van sociale zekerheid, maar dat onderdanen van derde landen bij een verhuizing uit een EU-lidstaat naar een andere EU-lidstaat vanwege deze overeenkomsten wellicht niet goed op de hoogte zijn van hun socialezekerheidsrechten; is daarom verheugd over het voorstel van de Commissie een EU-mechanisme in te stellen voor de uitwisseling van goede praktijken en informatie over coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en stelt voor dat de Commissie de bestaande, bilaterale nationale overeenkomsten op transparante wijze verzamelt, verwerkt en beschikbaar stelt; verzoekt de Commissie te zorgen voor begeleiding van lidstaten die een bilaterale overeenkomst aangaan, waarbij zowel de EU-wetgeving inzake coördinatie van de sociale zekerheid als de IAO-verdragen inzake sociale zekerheid worden nageleefd, zodat een uniformere toepassing binnen de EU kan worden gewaarborgd;

71.  doet een beroep op de lidstaten en de Commissie de werkingssfeer van de associatieovereenkomsten van de EU met zowel derde landen als grotere regio's op het punt van de sociale zekerheid te verbreden; verlangt derhalve dat de externe dimensie van de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels een belangrijk punt wordt in de externe betrekkingen van de EU en in de onderhandelingen met derde landen;

72.  wijst erop dat door uitvaardiging van Verordening (EU) Nr. 1231/2010 weliswaar werd bereikt dat de rechten op grond van Verordening (EG) Nr. 883/2004 tot onderdanen van beide landen werden uitgebreid, maar dat slechts bij grensoverschrijdende activiteiten binnen de EU aanspraak op deze rechten kan worden gemaakt, zodat de meerderheid van de onderdanen van derde landen is uitgesloten; verwacht dat reeds in de EU-wetgeving opgenomen maatregelen inzake toegang tot sociale zekerheid, zoals de gecombineerde vergunning-richtlijn, volledig ten uitvoer worden gelegd;

73.  is in dit verband ingenomen met de uitgebreidere regelgeving voor onderdanen van derde landen in Richtlijn 2009/50/EG (de blauwe kaart-richtlijn), en verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging van de richtlijn en de gevolgen ervan op de arbeidsmarkt te evalueren;

74.  benadrukt dat de rechten van EU-burgers ook buiten de EU, en daarbij ook wanneer zij in derde landen werken of gewerkt hebben, moeten worden beschermd;

75.  wenst daarom dat gestreefd wordt naar een uniforme en wederzijdse EU-benadering voor de coördinatie van de sociale zekerheid tegenover derde landen die voor alle EU-burgers en onderdanen van derde landen geldt en geen afbreuk doet aan de rechten van onderdanen van derde landen die voortvloeien uit de associatieverdragen en de jurisprudentie van het Hof van Justitie;

76.  stelt voor om in dit verband ook aandacht te geven aan een facultatief, vrijwillig en overkoepelend „28e regime voor financiële participatie van werknemers” voor immigranten en EU-burgers in andere EU-Landen;

77.  is ingenomen met de invoering van de Europese ziektekostenverzekeringskaart, en dringt erop aan dat het gebruik van de kaart wordt uitgebreid en vereenvoudigd;

78.  benadrukt dat de aantrekkingskracht van de Europese arbeidsmarkt er ook van afhangt of aanspraken op pensioenen en sociale zorg overdraagbaar zijn en bij een eventuele terugkeer geldig blijven;

79.  is ingenomen met de vaststelling van de gecombineerde vergunning-richtlijn, op grond waarvan onderdanen van derde landen en hun nabestaanden pensioenen kunnen overdragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 883/2004; verzoekt het huidige en volgende EU-voorzitterschap om samen met de Commissie onderhandelingen te hervatten over het voorstel voor een richtlijn betreffende de overdraagbaarheid van aanvullende pensioenrechten;

80.  benadrukt dat de EU een pioniersrol kan vervullen in de externe dimensie van de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, en in de positie verkeert om wereldwijd geldende normen te stellen;

81.  wijst erop dat de juiste informatiesystemen voor migranten ontwikkeld moeten worden, onder andere op het gebied van toegang tot de relevante programma's en diensten, waarmee potentiële migranten een juiste inschatting kunnen maken van de kosten en baten van migratie en ondersteund worden bij het nemen van een beslissing; stelt voor immigranten direct bij aankomst te informeren over hun rechtspositie bij terugkeer; wenst dat het MISSOC (Systeem van wederzijdse informatie over sociale bescherming in de lidstaten van de EU) voor dit doel wordt gebruikt;

82.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om Europese en nationale voorlichtingscampagnes te organiseren ter bevordering van de participatie van migrantenvrouwen aan het democratische leven, alsook om uitwisselingsplatformen voor migrantenvrouwen op te zetten en te ondersteunen;

83.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de nationale parlementen.

(1) CESE 638/2012 - SOC/449.
(2) PB L 251 van 3.10.2003, blz. 12.
(3) PB L 16 van 23.01.04, blz. 44.
(4) PB L 343 van 23.12.11, blz. 1.
(5) PB L 168 van 30.6.2009, blz. 24.
(6) PB L 155 van 18.6.2009, blz. 17.
(7) PB L 348 van 24.12.08, blz. 98.
(8) PB C 46 E van 24.2.2010, blz. 48.
(9) PB C 303 E van 13.12.2006, blz. 845.
(10) PB L 289 van 3.11.2005, blz. 15.
(11) PB L 303 van 02.12.2000, blz. 16.
(12) PB L 180 van 19.07.2000, blz. 22.
(13) PB L 166 van 30.04.2004, blz. 1.
(14) PB L 344 van 29.12.2010, blz. 1.
(15) Europees netwerk van steden voor lokaal integratiebeleid.
(16) Europese regionale en plaatselijke overheden voor de integratie van migranten.


Aan asbest gerelateerde bedreigingen voor de gezondheid en vooruitzichten op afschaffing van alle bestaande vormen van asbest
PDF 243kWORD 37k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over aan asbest gerelateerde bedreigingen voor de gezondheid op de werkplek en vooruitzichten op afschaffing van alle bestaande vormen van asbest (2012/2065(INI))
P7_TA(2013)0093A7-0025/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name de preambule en de artikelen 3 en 6 daarvan,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name de artikelen 6, 9, 151, 153, 156 en 168 daarvan,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 1, 3, 6, 31, 37 en 35 daarvan,

–  gezien de resolutie over asbest van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) van 1 juni 2006,

–  gezien de IAO-Conventie van 16 juni 1989 over de veiligheid bij het gebruik van asbest,

–  gezien de verklaringen van de Wereldgezondheidsorganisatie over asbest,

–  gezien de verklaring over de bescherming van werknemers van de Asbestconferentie in Dresden (2003),

–  gezien de resolutie van de Raad van 29 juni 1978 betreffende een actieprogramma van de Europese Gemeenschappen inzake de veiligheid en de gezondheid op het werk, in het bijzonder paragraaf 4 daarvan(1),

–  gezien Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (kaderrichtlijn)(2),

–  gezien Richtlijn 92/57/EEG van de Raad van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor tijdelijke en mobiele bouwplaatsen(3),

–  gezien Richtlijn 2009/148/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk(4),

–  gezien aanbeveling 90/326/EEC van de Commissie aan de lidstaten van 22 mei 1990 betreffende de goedkeuring van een Europese lijst van beroepsziekten(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Verbetering van de arbeidskwaliteit en -productiviteit: communautaire strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk” (COM(2007)0062),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 24 april 2011 getiteld „Tussentijdse evaluatie van de Europese strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk” (SEC(2011)0547),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2008 over de communautaire strategie 2007-2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk(6),

–  gezien zijn resolutie van 7 mei 2009 over de ontwerpverordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) betreffende bijlage XVII(7),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over de tussentijdse evaluatie van de Europese strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk(8),

–  gezien het rapport van het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie (CHFA) over de Europese asbestcampagne (2006),

–  gezien het rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie Ziektepreventie door een gezonde omgeving: te ondernemen stappen ten aanzien van chemische stoffen waaraan grote risico's verbonden zijn voor de volksgezondheid(9),

–  gezien Monograph 100C van het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IARC) getiteld „Arsenicum, Metalen, Vezels, en Stof: Een overzicht van carcinogene stoffen voor de mens” (2012)(10),

–  gezien de verklaring „Mondiaal asbestverbod en de uitbanning van aan asbest gerelateerde ziekten” van de Internationale Commissie voor gezondheid op het werk (ICOH)(11),

–  gezien de informatienota's van de Commissie betreffende beroepsziekten - Diagnosehandleiding (2009)(12),

–  gezien het Eurogip onderzoeksverslag 24/E (april 2006) getiteld „asbestgerelateerde beroepsziekten in Europa: Erkenning - Cijfers - Specifieke instrumenten”(13),

–  gezien het Eurogip rapport 08-E (augustus 2004) getiteld „Kosten en financiering van beroepsziekten in Europa”(14),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0025/2013),

A.  overwegende dat alle soorten asbest gevaarlijk zijn, de aan deze materie verbonden risico's zijn aangetoond en hiervoor regelingen zijn getroffen; overwegende dat de meest schadelijke gevolgen voor de gezondheid van het inademen van asbestvezels tientallen jaren na blootstelling optreden;

B.  overwegende dat reeds in 1977 een door de Europese Commissie aangestelde groep deskundigen het volgende concludeerde: „Er is geen theoretisch bewijs voor een blootstellingsgrens beneden welke kankers niet voorkomen. Een veilige blootstellingslimiet voor asbest is tot op heden niet vastgesteld”; overwegende dat alle relevante wetenschappelijke adviesorganen zich in de loop der jaren bij dit standpunt hebben aangesloten; overwegende dat het door rechtbanken algemeen aanvaard wordt dat er voor asbest geen blootstellingsgrens bekend is beneden welke er geen risico bestaat;

C.  overwegende dat Richtlijn 1999/77/EG stelt dat „er nog geen drempelwaarde voor blootstelling is bepaald beneden welke chrysotiel niet carcinogeen is” en dat „de menselijke gezondheid doeltreffend kan worden beschermd door een verbod van het gebruik van chrysotielasbestvezels en producten die deze bevatten”;

D.  overwegende dat er een verhoogde kans op kanker is waargenomen onder bevolkingsgroepen die blootgesteld zijn geweest aan zeer kleine hoeveelheden asbestvezels, inclusief chrysotielvezels;

E.  overwegende dat de opslag van asbestafval op stortplaatsen niet de veiligste methode lijkt te zijn om definitief een einde te maken aan het vrijkomen van asbestvezels in het milieu (in het bijzonder in de lucht en in het grondwater) en dat het derhalve sterk de voorkeur verdient te kiezen voor installaties die het asbest inert maken;

F.  overwegende dat de aanleg van stortplaatsen voor asbesthoudend afval slechts een tijdelijke oplossing is voor het probleem, dat zo aan de toekomstige generaties wordt overgelaten, aangezien asbestvezels haast niet vergaan met de tijd;

G.  overwegende dat ondanks het verbod op het gebruik van asbest het nog steeds wordt aangetroffen in tal van schepen, treinen, bunkers, tunnels, galerijen, publieke en particuliere waterleidingen en met name gebouwen, waaronder tal van openbare gebouwen;

H.  overwegende dat het ondanks dit verbod met de huidige markttoezichtstructuren niet mogelijk is te waarborgen dat er geen asbest op de Europese markt wordt geïmporteerd;

I.  overwegende dat tal van lidstaten sloop-, bouw- en onderhoudspersoneel en andere werknemers die zich met de verwijdering van asbesthoudende materialen bezighouden, dienovereenkomstig hebben geschoold;

J.  overwegende dat tal van werknemers bij hun beroepswerkzaamheden aan asbest worden blootgesteld, in het bijzonder in de onderhouds- en decontaminatiesectoren;

K.  overwegende dat het doel moet zijn banen en arbeidsruimten te creëren die bevorderlijk zijn voor de gezondheid en het welzijn van de individuele mens en dus voor de vooruitgang, via het werk, van heel de samenleving;

L.  overwegende dat problemen die verband houden met een gebrekkige gezondheid en veiligheid op het werk niet alleen een menselijke dimensie hebben, maar ook negatieve gevolgen met zich meebrengen voor de economie; meer in het bijzonder zijn aan gezondheid en veiligheid op het werk gerelateerde problemen een belemmering voor de groei en het concurrentievermogen en doen ze daarnaast de kosten van de socialezekerheidsstelsels de pan uitrijzen;

M.  overwegende dat in tal van lidstaten waar al lang een asbestverbod geldt, jonge werknemers en bouwvakkers bij sanerings- of sloopwerkzaamheden het mogelijk in gebouwen aanwezige asbest niet herkennen;

N.  overwegende dat veel asbesthoudende materialen reeds zijn verwijderd, omhuld of ingekapseld en tal van eigenaren van bedrijven en gebouwen over zeer gedetailleerde documenten beschikken betreffende de plekken waar asbest is verwijderd;

O.  overwegende dat de verwijdering van asbesthoudende materialen uit gebouwen, met name in de economisch minder ontwikkelde lidstaten en in landelijke gebieden, de eigenaars van de gebouwen financieel belast en daarom ook in de toekomst actief moet worden ondersteund op nationaal en EU-niveau;

P.  overwegende dat asbesthoudende materialen normaliter een levensduur van 30 tot 50 jaar hebben; overwegende dat dit zal leiden tot een stijging van de betrokken sanerings- en bouwprojecten en daarmede tot een stijging van het aantal aan asbest blootgestelde werknemers;

Q.  overwegende dat het succes van de asbestregelgeving in de lidstaten door de gebrekkige kennis van de bestaande asbesthoudende materialen beperkt is, alsook door de gebrekkige beroepsopleiding en kwalificaties van in bouw en onderhoud werkzaam personeel, met inbegrip van bouwvakkers die slechts af en toe met asbest werken;

R.  overwegende dat er op het lokale niveau onvoldoende expertise beschikbaar is en er ernstige tekortkomingen zijn bij het uitvoeren van preventie-, toezichts- en wetshandhavingstaken, die vaak te versnipperd plaatsvinden;

S.  overwegende dat asbesthoudende materialen zich vaak op verborgen en/of onbekende plekken bevinden en de bekendheid van deze plekken mettertijd sterk afneemt;

T.  overwegende dat een verplichte controle van gebouwen, schepen, treinen, machines, bunkers, tunnels, galerijen, publieke en particuliere waterleidingen en stortplaatsen op asbest een solide en gedegen basis voor nationale, regionale en Europese asbestverwijderingsprogramma's zou vormen;

U.  overwegende dat de Europese Unie weliswaar een ambitieus energie-efficiëntiebeleid heeft ontwikkeld en dat met de herziene energie-efficiëntierichtlijn in elke lidstaat een langetermijnstrategie voor het renoveren van gebouwen zal worden ingevoerd, doch dat deze strategie niet gepaard gaat met asbestverwijderingsstrategieën;

V.  overwegende dat twijfels over de aanwezigheid, de inkapseling of de verwijdering van asbest in specifieke gebouwen tot conflicten tussen werkgevers en werknemers kunnen leiden; voorts overwegende dat voorafgaande kennis van de aanwezigheid van asbest tot veel veiligere arbeidsomstandigheden, met name bij renovatiewerkzaamheden, zal leiden;

W.  overwegende dat, in overeenstemming met Richtlijn 92/57/EEG(15), in gevaarlijke situaties werkkleding en eigen kleding en persoonlijke eigendommen afzonderlijk dienen te kunnen worden bewaard;

X.  overwegende dat het inkapselen of omhullen van asbesthoudende materialen alleen mag worden toegestaan als de materialen naar behoren van waarschuwingstekens zijn voorzien;

Y.  overwegende dat in drie lidstaten asbestvezels in elektrolysecellen nog steeds zijn toegestaan, terwijl er alternatieve technieken bestaan die in andere landen met succes worden toegepast;

Z.  overwegende dat er tussen de systemen van de lidstaten voor wat betreft de erkenning van aan asbest gerelateerde beroepsziekten nog steeds onaanvaardbaar grote verschillen bestaan;

AA.  overwegende dat het lage niveau van aangifte van aan asbest gerelateerde ziekten een van de grootste obstakels voor de behandeling van slachtoffers is;

AB.  overwegende dat de nationale programma's voor de gezondheidsbewaking van aan asbest blootgestelde werknemers in de Europese Unie sterk verschillen, met name voor wat betreft het medisch toezicht na pensionering;

AC.  overwegende dat blootstelling aan asbest een bedreiging voor de bevolking in het algemeen vormt en in een algemeen erkende mate ziekten veroorzaakt(16);

AD.  overwegende dat het aantal aan asbest gerelateerde ziekten in de EU volgens schattingen van de Wereldgezondheidsorganisatie 20.000 tot 30.000 gevallen per jaar bedraagt en dat hiermee het hoogtepunt nog niet is bereikt;

AE.  overwegende dat slachtoffers door de zeer lange incubatietijd en de gebrekkige kennis van medisch personeel vaak geen tijdige en adequate hulp van zorgverleners krijgen;

AF.  overwegende dat Polen de enige lidstaat is die een actieplan voor een asbestvrij land heeft aangenomen;

AG.  overwegende dat de controles van de arbeidsinspecties in tal van lidstaten worden gereduceerd en dat de tendens naar deregulering de aan asbest verbonden gevaren vergroot;

AH.  overwegende dat tal van bouwvakkers en gebruikers van gebouwen onbeschermd aan hoge niveaus van asbest blijven blootgesteld;

AI.  overwegende dat er ondanks het verbod nog miljoenen tonnen asbest in gebouwen aanwezig zijn en dat er geen register bestaat van de plaatsen waar het asbest zich bevindt en van de hoeveelheden asbest die nog moeten worden verwijderd;

AJ.  overwegende dat er bij elk nieuw wetgevingsvoorstel rekening moet worden gehouden met de bestaande wetgeving op nationaal en Europees niveau en dat er als voorbereiding op nieuwe wetgeving een gedetailleerde studie moet worden gemaakt van de mogelijke gevolgen ervan alsook een analyse van de kosten en de baten;

Opsporing en registratie van asbest

1.  roept de EU ertoe op overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2009/148/EG een model voor de opsporing en registratie van asbest te ontwikkelen, toe te passen en te ondersteunen, en de eigenaars van openbare of bedrijfsgebouwen ertoe te verplichten:

a. de gebouwen op de aanwezigheid van asbesthoudende materialen te onderzoeken;

b. plannen voor te bereiden voor het risicobeheer van deze materialen;

c. ervoor te zorgen dat deze informatie ter beschikking wordt gesteld van de werknemers die mogelijkerwijs deze materialen moeten losmaken of verwijderen;

d. om wanneer het lidstaten betreft die reeds verplichte opsporingsregelingen hanteren, de doeltreffendheid daarvan te vergroten;

   2. dringt er bij de Europese Unie op aan modellen te ontwikkelen om toezicht te houden op in particuliere en openbare gebouwen aanwezig asbest, inclusief toezicht op residentiële en niet-residentiële gebouwen, gronden, infrastructuur, logistieke middelen en leidingen;
   3. dringt er bij de EU op aan modellen te ontwikkelen voor de monitoring van in de lucht zwevende asbestvezels op werkplekken, in de bebouwde kom en op stortplaatsen en van asbestvezels die via leidingen van asbestcement in het drinkwater terechtkomen;
   4. dringt er bij de EU op aan tegen 2008 een effectbeoordeling en een kosten-batenanalyse op te maken van de mogelijkheid tot het opstellen van actieplannen voor de veilige verwijdering van asbest uit openbare gebouwen en gebouwen waar diensten worden verleend en die regelmatig voor het publiek toegankelijk moeten zijn, en informatie en richtsnoeren te verstrekken om particuliere huiseigenaren ertoe aan te sporen hun eigendom effectief op asbesthoudende materialen te laten controleren en een risico-evaluatie te laten opmaken naar het voorbeeld van Polen; in het geval van integrale nationale actieplannen voor asbestverwijdering moeten de bevoegde ministeries de acties coördineren en moeten de verantwoordelijke autoriteiten van de betrokken lidstaat toezien op de conformiteit van de plaatselijke verwijderingsregelingen;
   5. dringt er bij de Commissie op aan de asbestproblematiek ook in andere beleidsvormen, zoals het EU-beleid inzake energie-efficiëntie en het EU-beleid inzake afval, te integreren;
   6. stelt voor een strategie voor de renovatie van gebouwen ter verbetering van hun energie-efficiëntie te combineren met de gelijktijdige stapsgewijze verwijdering van alle asbest;
   7. dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten aan te bevelen openbare asbestregisters op te zetten die werknemers en werkgevers van relevante informatie moeten voorzien over de gevaren van asbest alvorens tot renovatiewerkzaamheden wordt overgegaan, en de reeds bestaande en door de EU-wetgeving verplicht gestelde gezondheids- en veiligheidsbescherming aan te vullen;
   8. dringt er bij de Commissie op aan, in samenwerking met de lidstaten een efficiënte en vlotte tenuitvoerlegging van de Europese asbestwetgeving te waarborgen en de desbetreffende officiële inspecties te intensiveren;
   9. verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten en de relevante belanghebbenden – inclusief de sociale partners – structuren op te zetten en te ontwikkelen voor adviesverstrekking en doorlopende voorlichting, aangezien de informatieverstrekking over asbest voor werkgevers en werknemers tekortschiet;
   10. dringt er bij de Commissie op aan om in samenwerking met de nationale autoriteiten de noodzakelijke ondersteuning te bieden om ervoor te zorgen dat alle in de EU werkzame arbeidskrachten worden beschermd, aangezien kleine en middelgrote ondernemingen, waar de meeste Europese werknemers actief zijn, zich in een bijzonder kwetsbare positie bevinden wat betreft de toepassing van de wetgeving inzake gezondheid en veiligheid;
   11. dringt er bij de lidstaten op aan de voorschriften van Richtlijn 2009/148/EG zorgvuldig toe te passen en na te leven en erop toe te zien dat de verantwoordelijke autoriteiten van de lidstaten naar behoren worden geïnformeerd omtrent bestaande plannen voor de verwijdering van asbesthoudende materialen;
   12. verzoekt de secretarissen-generaal van de EU-instellingen om een compleet overzicht van in EU-gebouwen aanwezige asbesthoudende materialen te geven, dat voor het publiek toegankelijk zou moeten zijn; verzoekt de EU-instellingen het goede voorbeeld te geven door openbare asbestregisters aan te leggen;
   13. dringt er bij de Europese Unie op aan differentiëring tussen bros en niet-bros asbest verplicht te stellen;
   14. verzoekt de Commissie de bouw van installaties voor het behandelen en inert maken van asbesthoudend afval in de gehele EU te bevorderen en geleidelijk een einde te maken aan elke vorm van opslag van dit afval in stortplaatsen;

Waarborging van kwalificaties en scholing

15.  verzoekt de Commissie samen met de lidstaten een werkgroep op te richten voor de ontwikkeling van minimale asbestspecifieke kwalificaties voor bouwkundig ingenieurs, architecten en werknemers van geregistreerde asbestverwijderingsbedrijven en asbestspecifieke kwalificaties vast te stellen voor de scholing van andere werknemers die mogelijkerwijs aan asbest worden blootgesteld, zoals werknemers in de scheepsbouwsector of landbouwers, waarbij in het bijzonder de aandacht moet uitgaan naar mensen die bij asbestverwijdering in het veld een leidinggevende functie vervullen door ervoor te zorgen dat zij beter opgeleid worden en beter beschermingsmateriaal krijgen en dat hun activiteiten beter worden gecontroleerd door de verantwoordelijke autoriteiten van de lidstaten;

16.  dringt erop aan dat de EU conform artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2009/148/EG, samen met de sociale partners en andere belanghebbenden, programma's en bewustmakingsactiviteiten ontwikkelt met betrekking tot asbestgerelateerde risico's en tot de noodzaak van een passende opleiding voor alle medewerkers die wellicht met asbesthoudende materialen te maken krijgen, en dat zij betere informatie verstrekt over de bestaande asbestwetgeving en praktische richtsnoeren geeft over de manieren waarop hieraan kan worden voldaan;

17.  benadrukt dat de opleiding van al degenen (werkgevers, toezichthouders en werknemers) die betrokken zijn bij werkzaamheden waar asbest aan te pas komt (of kan komen), het volgende moet omvatten: de eigenschappen van asbest en de invloed van asbest op de gezondheid, met inbegrip van het synergetische effect van roken; de soorten materialen of producten die mogelijk asbest bevatten en waar zij waarschijnlijk voorkomen; de vraag hoe de toestand van de materialen of producten van invloed kan zijn op het gemak waarmee de vezels loskomen; en hoe moet worden gereageerd wanneer er materiaal wordt aangetroffen waarvan wordt vermoed dat het asbest bevat;

18.  verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten een specifieke richtlijn voor te stellen waarin minimumvereisten worden voorgesteld voor de beroepsopleiding van in bouw en onderhoud werkzaam personeel, met inbegrip van leidinggevend personeel en bouwvakkers die af en toe met asbest werken, alsook van personeel op stortplaatsen voor asbesthoudend afval en in centra die gespecialiseerd zijn in de behandeling, de veilige verwijdering en de afvoer van asbesthoudend afval, om samen te werken met en ondersteuning te verlenen aan de sociale partners en andere belanghebbenden met het oog op een effectievere toepassing van artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2009/148/EG door betere bewustmaking omtrent de noodzaak van een adequate opleiding en om de nodige informatie en benodigdheden te verschaffen om daarin te voorzien; deze opleiding moet met regelmatige tussenpozen gratis aan de werknemers worden verstrekt;

19.  verzoekt de Europese Unie er via het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie (CHFA) en de nationale arbeidsinspecties zorg voor te dragen dat arbeidsinspecteurs scholing in asbesthoudende materialen krijgen en dat arbeidsinspecteurs die in het veld werken een adequate beschermingsuitrusting krijgen;

20.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat bedrijfsartsen de noodzakelijke scholing krijgen opdat zij op de hoogte zijn van de laatste stand van zaken wat asbest betreft en de werknemers die zij onder hun hoede hebben van de noodzakelijke informatie kunnen voorzien;

Uitwerking van asbestverwijderingsprogramma's

21.  verzoekt de Europese Unie met de sociale partners en andere belanghebbenden samen te werken op Europees, nationaal en regionaal niveau om actieplannen voor asbestbeheer en -verwijdering te ontwikkelen en gezamenlijk toe te passen; deze actieplannen moeten de volgende elementen omvatten: wetgevingsvoorstellen; scholing en voorlichting; scholing van werknemers in de publieke sector; nationale en internationale scholing; programma's om de verwijdering van asbest te financieren; bewustmakingsacties in verband met asbestverwijdering en de verwijdering van asbesthoudende producten uit o.a. gebouwen, openbare voorzieningen en locaties waar vroeger asbestfabrieken hebben gestaan; het schoonmaken van bedrijfsterreinen en de aanleg van installaties voor de vernietiging van asbest en asbesthoudende afvalstoffen; controle op de effectiviteit van de bestaande wettelijke voorschriften; beoordeling van de blootstelling van gevaar lopend personeel; en bescherming van de gezondheid;

22.  verzoekt de lidstaten zich ervoor te beijveren dat asbest zo snel mogelijk uitgefaseerd wordt;

23.  benadrukt de noodzaak tot ontwikkeling van veilige werkprocedures, met inbegrip van het correcte gebruik van persoonlijke beschermingsuitrusting voor werknemers die mogelijkerwijs in de nabijheid van asbesthoudende materialen werken;

24.  verzoekt de Commissie een onderzoek in te stellen met het oog op de herziening van de bestaande grenswaarde voor asbestvezels; een eventuele verlaging van de desbetreffende waarde en de reëel vast te stellen waarde moeten zijn gebaseerd op degelijk wetenschappelijk bewijsmateriaal;

25.  dringt er bij de Europese Unie op aan om de PCOM-methode (optische fasecontrastmicroscopie) te vervangen door de ATEM-methode (accuracy of transmission electron microscopy), die accurater is en beter in staat om kleine deeltjes op te sporen;

26.  verzoekt de Europese Unie op basis van de door de Wereldgezondheidsorganisatie uiteengezette beginselen een routekaart voor een asbestvrije werkplek en een asbestvrij milieu uit te werken(17);

27.  verzoekt de Europese Unie met klem er via CHFA en de nationale arbeidsinspecties zorg voor te dragen dat de EU-asbestverordeningen en de nationale asbestregelgevingen volledig worden nageleefd;

28.  verzoekt de Commissie in de komende communautaire strategie voor gezondheid en veiligheid 2014-2020 een gecoördineerde asbeststrategie op te nemen en het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk doeltreffende instrumenten te verschaffen om de inzameling en verspreiding van technische, wetenschappelijke en economische informatie in de lidstaten te verbeteren en de uitwerking en de tenuitvoerlegging te vergemakkelijken van nationaal beleid dat bedoeld is om de veiligheid en de gezondheid van werknemers te beschermen;

29.  verzoekt de Commissie de vooruitgang in de ontwikkeling van in elektrolyse-installaties gebruikte chrysotielvrije membranen te evalueren in overeenstemming met Bijlage XVII, deel 6 bij de REACH-Verordening en te waarborgen dat er vóór afloop van de in 2009 toegekende uitzonderingsperiode van tien jaar wordt voorzien in een alternatief;

30.  verzoekt de Europese Unie de evaluaties vooraf van vervangproducten voor asbest te versterken;

31.  roept de Commissie op steun te verlenen aan activiteiten voor onderzoek en sanering die erop gericht zijn te voorkomen dat losse asbestvezels opnieuw in de lucht terechtkomen en/of dat de vezelachtige kristalstructuur van asbest wordt vernietigd;

32.  wijst erop dat er met betrekking tot het beheer van asbestafval – met instemming van de bevolking – maatregelen moeten worden getroffen om stimulansen en steun te bieden aan onderzoek en technologieën met betrekking tot milieuvriendelijke alternatieven, en om procedés te ontwikkelen, zoals het inertiseren van asbesthoudend afval, om actieve asbestvezels onschadelijk te maken en om te zetten in materiaal dat geen risico voor de volksgezondheid inhoudt;

33.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de controle op te voeren teneinde alle belanghebbenden, met name die welke betrokken zijn bij de behandeling van asbestafval op stortplaatsen, te verplichten zich te houden aan alle gezondheidsvoorschriften van Richtlijn 2009/148/EG en te waarborgen dat asbesthoudend afval, ongeacht het gehalte aan vezels,wordt aangemerkt als een gevaarlijke en schadelijke stof overeenkomstig het bijgewerkte Besluit 2000/532/EG; onderstreept dat dergelijk afval uitsluitend gedeponeerd mag worden op specifieke stortplaatsen voor gevaarlijk afval, zoals bepaald in Richtlijn 1999/31/EG of, indien hiervoor toestemming is verleend, uitsluitend mag worden verwerkt in specifieke, geteste en veilige bedrijven voor het verwerken en inertiseren ervan, waarbij de betrokken bevolking van een en ander in kennis moet worden gesteld;

Erkenning van asbestgerelateerde ziekten

34.  stelt vast dat de twee aanbevelingen inzake beroepsziekten niet tot geharmoniseerde nationale normen en procedures voor de identificatie, aangifte, erkenning en schadeloosstelling voor asbestgerelateerde ziekten hebben geleid en dat de nationale systemen daardoor onderling nog steeds sterk verschillen;

35.  dringt er bij de Commissie op aan Aanbeveling 2003/670/EG te wijzigen, deze aan de nieuwste medische inzichten aan te passen en hierin larynxkanker en eierstokkanker als asbestgerelateerde ziekten op te nemen;

36.  betreurt het gebrek aan informatie uit een aantal lidstaten dat het opmaken van een betrouwbare prognose omtrent het mesothelioomsterftecijfer in Europa in de weg staat, terwijl er volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) alleen al in de EU jaarlijks tussen de 20 000 en 30 000 gevallen van asbestgerelateerde ziekten worden vastgesteld en er tot 2030 in de EU naar verwachting meer dan 300 000 burgers zullen sterven als gevolg van mesothelioom; hecht in dit verband grote waarde aan informatie en scholing voor de burger alsmede uitwisseling van optimale methodes tussen de lidstaten voor de diagnose van asbestgerelateerde ziekten;

37.  onderstreept dat alle soorten asbestgerelateerde ziekten, zoals longkanker en pleuraal mesothelioom – die veroorzaakt worden door inademing van zwevende asbestvezels welke klein genoeg zijn om de longblaasjes te bereiken en te lang om door macrofagen te kunnen worden opgenomen, evenals verschillende soorten kanker die niet alleen ontstaan door inademing van zwevende vezels, maar ook door het inslikken van water dat dergelijke vezels bevat (bijvoorbeeld uit asbesthoudende waterleidingen) – zich kennelijk pas na tientallen jaren, soms na meer dan 40 jaar, kunnen manifesteren als een gezondheidsrisico;

38.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat alle gevallen van asbestose, mesothelioom en aanverwante ziekten worden geregistreerd door middel van de systematische verzameling van gegevens over beroepsgerelateerde en niet-beroepsgerelateerde asbestziekten, dat pleurale plaques worden aangemerkt en officieel worden geregistreerd als asbestgerelateerde ziekte en dat de aanwezigheid van asbest met de hulp van specifieke waarnemingscentra op betrouwbare wijze in kaart wordt gebracht; benadrukt dat een dergelijk register en dergelijke kaarten op EU-niveau de precieze locatie moeten aangeven van openbare en particuliere locaties waar zich asbest bevindt, en duidelijke gegevens moeten bevatten over stortplaatsen waar asbestafval aanwezig is, om te voorkomen dat de grond waarin dit materiaal begraven is, onbedoeld in beweging wordt gebracht en om bij te dragen aan preventie- en herstelmaatregelen;

39.  roept de Commissie en de lidstaten op actief onderzoek uit te voeren naar de omvang en ernst van klinisch meetbare psychologische gevolgen, in gemeenschappen in de hele EU, van ziekten die uitsluitend aan blootstelling aan asbest toe te schrijven zijn(18);

40.  verzoekt verzekerings- en schadevergoedingsinstanties met een gezamenlijke aanpak voor de erkenning en schadeloosstelling van asbestgerelateerde beroepsziekten te komen;

41.  verlangt dat de erkenningsprocedures worden vereenvoudigd en vergemakkelijkt;

42.  verzoekt de Commissie snel een voorstel uit te werken voor de wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk, en te garanderen dat de gezondheid van werknemers die het risico lopen aan carcinogenen blootgesteld te worden, beschermd en gevrijwaard wordt door de bevordering en de uitwisseling van optimale preventie- en diagnosepraktijken;

43.  verzoekt de Europese Unie zorg te dragen voor de erkenning van alle asbestgerelateerde ziekten, inclusief pleurale plaques, als beroepsziekten;

44.  stelt vast dat het door de zeer lange incubatietijd voor asbestslachtoffers vaak niet mogelijk is het causale verband met hun beroepsmatige blootstelling aan asbest aan te tonen;

45.  verzoekt de lidstaten de bewijslast niet bij de slachtoffers te leggen, doch hun recht op schadevergoeding te verruimen, zoals voorgesteld in Aanbeveling 2003/670/EC van de Commissie(19);

46.  dringt er bij de Europese Unie op aan de lidstaten voor te stellen stappen te ondernemen om te bewerkstelligen dat alle gevallen van asbestgerelateerde beroepsziekten worden erkend, aan de bevoegde autoriteit worden gemeld en door deskundigen worden onderzocht;

47.  verlangt dat overtreders worden vervolgd en bestraft, en wel in die zin dat eventueel in de nationale strafwetgevingen vervatte belemmeringen hiervoor worden geïdentificeerd en geschrapt;

48.  verzoekt de Commissie optimale praktijken te verspreiden aangaande nationale richtsnoeren, alsook praktijken voor de nationale procedures voor de erkenning van asbestgerelateerde ziekten;

49.  verzoekt de Commissie de uitwisseling van optimale praktijken voor de scholing van medisch personeel ter zake van de diagnose van asbestgerelateerde ziekten te ondersteunen;

50.  verzoekt de ter zake bevoegde agentschappen van de Europese Unie om samen met onafhankelijke medische en technische deskundigen het wetenschappelijk bewijs te leveren dat nodig is om aan te tonen dat bepaalde arbeidsomstandigheden asbestgerelateerde ziekten hebben veroorzaakt;

Steun voor asbestslachtoffersverenigingen

51.  verzoekt de Commissie asbestslachtoffersverenigingen te steunen door deze toegang te geven tot professioneel advies en hun leden praktische hulp te bieden;

52.  verzoekt de Commissie een EU-netwerk van asbestslachtoffers te steunen;

Strategieën voor een mondiaal verbod op asbest

53.  benadrukt dat alle asbestslachtoffers en hun familieleden in de EU, ongeacht de bron van blootstelling of de beroepsstatus van de blootgestelde persoon, recht moeten hebben op het ontvangen van snelle en passende medische zorg en voldoende financiële steun van hun nationale gezondheidsstelsel;

54.  verzoekt de Europese Unie met internationale organisaties samen te werken aan instrumenten om de asbestmarkt als gifhandel aan te merken;

55.  verlangt, meer in het algemeen, dat de veiligheid en gezondheid van werknemers in de nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen en een resultaatverplichting voor werkgevers vormen, onder verwijzing naar Kaderrichtlijn 89/391/EEG;

56.  verzoekt de Europese Unie van de vermelding van chrysotiel in Bijlage III van het Verdrag van Rotterdam een topprioriteit te maken;

57.  verzoekt de Europese Unie de onaanvaardbare dumping van asbest in ontwikkelingslanden op fora waar over handelsakkoorden wordt gesproken, in het bijzonder in het kader van de WTO, aan te kaarten en diplomatieke en financiële druk uit te oefenen op asbestexporterende landen om de asbestmijnen te sluiten en een einde te maken aan de illegale en immorele praktijk van de export van afgedankte asbestbevattende schepen;

58.  roept de EU op om in samenwerking met de Wereldgezondheidsorganisatie, derde landen en andere internationale organisaties wereldwijd te streven naar hoge niveaus van gezondheid en veiligheid op het werk door onder meer de door asbest veroorzaakte problemen onder de aandacht te brengen en daarvoor gezondheidsbeshermingsgerichte oplossingen aan te dragen;

59.  verzoekt de Europese Unie de export van asbestvrije technologieën en van asbestkennis naar de ontwikkelingslanden verder te ontwikkelen en te ondersteunen;

60.  spreekt zijn afkeuring uit over Europese financiële investeringen in asbestindustrieën, waar ook ter wereld;

61.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat vaartuigen die asbest aan boord hebben als lading in doorvoer binnen de Europese Unie niet kunnen aanmeren en geen gebruik kunnen maken van havenfaciliteiten of van tijdelijke opslag;

o
o   o

62.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) „Een preventie- en beschermingsactie ontwikkelen ten aanzien van stoffen waarvan het carcinogene karakter erkend wordt en daartoe blootstellingslimieten, de wijze van bemonstering en de meetmethoden, alsmede adequate voorschriften inzake hygiëne op het werk en zo nodig verbodsbepalingen vaststellen.”
(2) PB L 183 van 29. 6.1989, blz. 1.
(3) PB L 245 van 26. 8.1992, blz. 6.
(4) PB L 330 van 16. 12.2009, blz. 28.
(5) PB L 160 van 26.6.1990, blz. 39.
(6) PB C 41 E van 19.2.2009, blz. 14.
(7) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 106.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0589.
(9) http://www.who.int/ipcs/features/10chemicals_en.pdf
(10) http://monographs.iarc.fr/ENG/Monographs/vol100C/mono100C.pdf
(11) http://www.icohweb.org/site_new/multimedia/news/pdf/ICOH%20Statement%20on%20global%20asbestos%20ban.pdf
(12) http://ec.europa.eu/social/BlobServlet?docId=5601&langId=en
(13) http://www.eurogip.fr/en/docs/EUROGIP-24E-AsbestosOccDiseases.pdf
(14) http://www.europeanforum.org/pdf/Eurogip-08_E-cost.pdf
(15) Richtlijn 92/57/EEG: Bijlage IV DEEL A ALGEMENE MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOOR DE ARBEIDSPLAATSEN OP BOUWPLAATSEN 14.1.2 Indien de omstandigheden zulks vereisen (gevaarlijke stoffen, vocht en vuil) dienen werkkleding en eigen kleding en persoonlijke eigendommen afzonderlijk te kunnen worden bewaard.
(16) Een parlementaire commissie concludeerde in 1978 na een onderzoeksperiode van 18 maanden dat asbest „een gevaar inhield zowel voor werknemers in de asbestindustrie als voor werknemers die er in andere situaties aan worden blootgesteld” (Europees Parlement 1978).
(17) WHO - „Global Health Risks:Mortality and burden of disease attributable to selected major risks” - http://www.who.int/healthinfo/global_burden_disease/GlobalHealthRisks_report_full.pdf and http://www.who.int/ipcs/assessment/public_health/asbestos/en/
(18) Zowel voor slachtoffers als voor hun familie is mesothelioom een zwaar lot, niet in de laatste plaats uit psychologisch oogpunt. Uit onderzoek in Casale Monferrato, uitgevoerd door de universiteit van Turijn (prof. A. Granieri) is gebleken dat personen die aan mesothelioom lijden en hun familie verschillende psychologische symptomen vertonen welke onder de wetenschappelijk aanvaarde definitie van posttraumatische stress-stoornis (PTSS) vallen.
(19) PB L 238 van 25.9.2003, blz. 28.


Statuut van de Europese onderlinge maatschappij
PDF 237kWORD 35k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het Statuut van de Europese onderlinge maatschappij (2012/2039 (INL)).
P7_TA(2013)0094A7-0018/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het voorstel van Commissie voor een verordening van de Raad betreffende het statuut van de Europese onderlinge maatschappij (COM(1991)0273) en het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(1993)0252),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 september 2005 over het resultaat van de screening van wetgevingsvoorstellen die bij de wetgever hangende zijn (COM(2005)0462),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 april 2011 getiteld „Akte voor de interne markt – Twaalf hefbomen voor het stimuleren van de groei en het versterken van het vertrouwen”(COM(2011)0206),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2011 getiteld „Initiatief voor sociaal ondernemerschap – Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie” (COM(2011)0682),

–  gezien zijn resolutie van 16 mei 2006 over het resultaat van de screening van wetgevingsvoorstellen die bij de wetgever hangende zijn(1),

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2006 over recente ontwikkelingen en vooruitzichten op het gebied van het vennootschapsrecht(2),

–  gezien zijn resolutie van 19 februari 2009 over de sociale economie(3),

–  gezien zijn resolutie van 23 november 2010 over de civielrechtelijke, handelsrechtelijke, familierechtelijke en internationaal-privaatrechtelijke aspecten van het actieplan tot uitvoering van het programma van Stockholm(4),

–  gezien zijn verklaring van 10 maart 2011 over de opstelling van een Europees Statuut voor onderlinge maatschappijen, verenigingen en stichtingen(5),

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2012 over de toekomst van het Europese vennootschapsrecht(6),

–  gezien de beoordeling van de Europese toegevoegde waarde van een statuut voor Europese onderlinge maatschappijen, door de Afdeling Europese Toegevoegde Waarde op 21 januari 2013(7) overgelegd aan de Commissie juridische zaken,

–  gezien de artikelen 42 en 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0018/2013),

A.  overwegende dat de Commissie haar voorstel voor een verordening betreffende het statuut van de Europese onderlinge maatschappij in maart 2006 heeft ingetrokken;

B.  overwegende dat in 2003 de verordening betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE)(8) werd vastgesteld en dat de Commissie op 8 februari 2012 een voorstel heeft ingediend voor een verordening van de Raad betreffende het statuut van de Europese stichting (FE);

C.  overwegende dat in de studie die in 2011 in opdracht van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken werd uitgevoerd duidelijk wordt uiteengezet wat de sociale, politieke en economische gevolgen zullen zijn van ingrijpen door de Unie op het gebied van onderlinge maatschappijen;

D.  overwegende dat het Parlement de laatste jaren een aantal resoluties heeft aangenomen met daarin het verzoek om vaststelling van een verordening betreffende het statuut van de Europese onderlinge maatschappij; overwegende dat het betreurenswaardig is dat de Commissie, na intrekking van het voorstel voor een statuut voor een Europese onderlinge maatschappij in 2006, nog geen nieuw voorstel heeft ingediend dat onderlinge maatschappijen een adequaat rechtsinstrument zou geven om hun grensoverschrijdende activiteiten gemakkelijker te doen verlopen;

E.  overwegende dat de Commissie heeft toegezegd een aantal eerdere voorstellen inzake het statuut van de Europese onderlinge maatschappij te evalueren en opnieuw aan de hand van een omvattende effectbeoordeling te beoordelen of het noodzakelijk is wetgeving vast te stellen; overwegende dat het Parlement ingenomen is met de studie die de Commissie in dit verband heeft laten uitvoeren naar de huidige situatie en de vooruitzichten van onderlinge maatschappijen in de Unie, waarin de problemen aan bod komen waarmee onderlinge maatschappijen te maken hebben vanwege het ontbreken van een juridisch kader in een aantal lidstaten, alsmede de problemen bij de oprichting van nieuwe onderlinge maatschappijen ten gevolge van kapitaalvereisten en het gebrek aan mogelijkheden om samenwerkingsverbanden aan te gaan; overwegende dat de Commissie passende oplossingen voor deze problemen dient voor te stellen, waaronder een statuut, om de bijdrage van onderlinge maatschappijen aan de sociale economie beter te erkennen;

F.  overwegende dat het prijzenswaardig is dat de Commissie de noodzaak van een statuut heeft erkend en heeft beloofd te zorgen voor een betere wetgeving voor de organisaties van de sociale economie (onderlinge maatschappijen inbegrepen) en daarbij heeft onderstreept dat onderlinge maatschappijen over de grenzen heen moeten kunnen opereren om een bijdrage te kunnen leveren aan de Europese inspanningen gericht op „het stimuleren van de groei en het versterken van het vertrouwen” in de Europese Economische Ruimte(9);

G.  overwegende dat het derhalve wenselijk is dat dit Europees statuut ambitieus en innoverend is en gericht is op de bescherming van werknemers en hun gezin als zij gebruik maken van hun recht op vrij verkeer binnen de Unie;

H.  overwegende dat onderlinge maatschappijen groepen zijn, op vrijwillige basis, van rechtspersonen of natuurlijke personen, opgericht om de belangen van hun leden te dienen en niet zozeer om rendement te behalen op investeringen; overwegende dat zij opereren op basis van de beginselen van vrijwilligheid, open lidmaatschap en solidariteit tussen de leden en bestuurd worden overeenkomstig democratische beginselen (zoals het beginsel één lid, één stem bij onderlinge maatschappijen die bestaan uit natuurlijke personen), en dus bijdragen aan een verantwoord en duurzaam bestuur;

I.  overwegende dat onderlinge maatschappijen in Europa vanwege hun diversiteit, wat betreft de diensten die zij verlenen, hun omvang, hun doelstellingen en hun geografische gevolgen in een zeer uiteenlopend kader functioneren;

J.  overwegende dat in Europa twee typen onderlinge maatschappijen het meest voorkomen, te weten de 'onderlinge bijstand- of voorzorgsmaatschappij' en de 'onderlinge verzekeringsmaatschappij'; overwegende dat een 'onderlinge bijstandsmaatschappij' welzijnsrisico's dekt als aanvulling op of geïntegreerd in het wettelijke sociale beschermingsstelsel; overwegende dat de 'onderlinge verzekeringsmaatschappij' alle soorten eigendoms- en levensrisico's kan dekken en in een aantal lidstaten zelfs op andere gebieden diensten kan verlenen, zoals huisvesting of kredietverlening;

K.  overwegende dat onderlinge maatschappijen zeer divers zijn, maar allemaal diensten en voorzieningen bieden ten bate van hun leden, op basis van solidariteit en door middel van collectieve financiering; overwegende dat zij democratisch georganiseerd zijn en dat behaalde winst ten goede komt aan de leden;

L.  overwegende dat de Unie er, om gelijke concurrentievoorwaarden te waarborgen en een bijdrage te leveren aan haar eigen economische ontwikkeling, voor moet zorgen dat onderlinge maatschappijen, die in de meeste lidstaten als organisatievorm erkend worden, over passende wettelijke instrumenten beschikken waarmee zij de ontwikkeling van hun grensoverschrijdende activiteiten kunnen stimuleren en kunnen profiteren van de interne markt;

M.  overwegende dat onderlinge maatschappijen in de economie van de Unie een zeer belangrijke plaats innemen, omdat zij aan meer dan 160 miljoen Europese burgers gezondheidszorg en sociale uitkeringen verstrekken en betaalbare verzekeringsdiensten bieden; overwegende dat zij meer dan 180 miljard euro in verzekeringspremies vertegenwoordigen en werk bieden aan meer dan 350 000 mensen;

N.  overwegende dat onderlinge maatschappijen de toegang tot zorg vergemakkelijken, de sociale integratie verbeteren een grote bijdrage leveren aan de verstrekking van diensten van algemeen belang binnen de Unie;

O.  overwegende dat in 2010 ongeveer 12,3 miljoen Europese burgers werkzaam waren in een andere lidstaat dan hun eigen, hetgeen overeenkomt met 2,5% van de actieve bevolking van de Unie;

P.  overwegende dat in een aantal lidstaten wettelijke ziekenfondsen niet als ondernemingen in de private sector mogen opereren;

Q.  overwegende dat onderlinge maatschappijen goed zijn voor 25% van de verzekeringsmarkt en 70% van het totale aantal in die sector actieve ondernemingen; overwegende dat onderlinge maatschappijen op de interne markt niet langer over het hoofd mogen worden gezien(10) en dus een Europees statuut moeten krijgen om op gelijke voet te staan met andere ondernemingsvormen in de Unie; overwegende dat diversiteit van ondernemingsvormen een pluspunt is dat ten volle moet worden erkend en gestimuleerd;

R.  overwegende dat onderlinge maatschappijen een belangrijke rol vervullen of zouden moeten vervullen in de economieën van de lidstaten, aangezien zij bijdragen aan de strategische doelstellingen van de Unie die door demografische tendensen worden onderbouwd, te weten het zorgen voor een inclusieve groei met toegang tot basisvoorzieningen, sociale rechten en dienstverlening voor iedereen, toegang tot passende gezondheidszorg en langdurige zorg op basis van solidariteit, betaalbaarheid, gelijke behandeling en niet-uitsluiting, en het bieden van de zekerheid dat ouderen door hun behoefte aan aanvullende zorg niet tot armoede en financiële afhankelijkheid vervallen;

S.  overwegende dat onderlinge maatschappijen met name actief zijn op het gebied van gezondheid, langtermijnzorg, pensioenen en sociale uitkeringen, met inbegrip van de noden van de vergrijzende bevolking; overwegende dat de betrokkenheid van onderlinge maatschappijen als belangrijke belanghebbende partijen cruciaal is voor de langetermijntoekomst van de sociale zekerheid, aangezien de vergrijzing van de bevolking Europa momenteel voor grote uitdagingen stelt, omdat ze het nationale begrotingsevenwicht op de proef stelt en de overheidsuitgaven voor de sociale bescherming onder druk dreigt te zetten; overwegende dat onderlinge maatschappijen weliswaar een belangrijke rol kunnen spelen door sociaal verantwoorde pensioenregelingen in de particuliere sector aan te bieden, maar niet in de plaats kunnen komen van een sterke eerste pijler van het pensioenstelsel;

T.  overwegende dat er een beroep wordt gedaan op de particuliere sector om bij te dragen aan het vinden van oplossingen voor de uitdagingen in verband met de herziening van de socialezekerheidsstelsels en de sociale economie binnen de Unie; overwegende dat het voor de hand ligt dat onderlinge maatschappijen, die er immers belang bij hebben dat deze doelen worden bereikt, hierin een rol spelen;

U.  overwegende dat onderlinge maatschappijen, die solidariteit en democratisch bestuur als uitgangspunt hanteren en geen aandeelhouders kennen, zich richten op het welzijn van hun leden en dus naar hun aard op een maatschappelijk verantwoorde wijze opereren;

V.  overwegende dat de waarden van de onderlinge maatschappijen overeenstemmen met de fundamentele beginselen van het Europees sociaal model; overwegende dat onderlinge maatschappijen niet alleen solidariteit als uitgangspunt hanteren, maar binnen de sociale markteconomie van de Unie ook zeer belangrijke actoren zijn en dus meer erkenning zouden moeten krijgen, meer bepaald door de invoering van een Europees statuut;

W.  overwegende dat de toename van de uitgaven voor gezondheidszorg en pensioenen belangrijke gevolgen kan hebben voor het behoud en de dekking van de huidige socialezekerheidsstelsels; overwegende dat onderlinge maatschappijen de kernwaarden van de verzorgingsstaat bevorderen, zoals solidariteit, gelijke behandeling, gelijke toegang en hoogwaardige maatschappelijke dienstverlening in de particuliere sector; overwegende dat een versterking van de bijdrage van de onderlinge maatschappijen aan de Europese sociale markteconomie niet ten koste mag gaan van het optreden van de lidstaten op het gebied van sociale zekerheid; overwegende dat vrijwillige sociale zekerheid niet in de plaats mag komen van wettelijke sociale zekerheid; overwegende dat de diversiteit van de sociale zekerheidsstelsels, die in sommige gevallen volledig bekostigd worden door de staat, soms volledig door onderlinge maatschappijen en soms door beiden tezamen, geëerbiedigd moet worden; overwegende dat het statuut van de Europese onderlinge maatschappij essentieel is maar dat het niet mag dienen om de tekortkomingen van de lidstaten op het gebied van sociale zekerheid te verhelpen;

X.  overwegende dat het wenselijk is dat het voor alle werknemers, met name werknemers in kleine ondernemingen, gemakkelijker wordt lid te worden van een onderlinge maatschappij en dat zij daartoe moeten worden aangemoedigd;

Y.  overwegende dat het wenselijk is dat werknemers in dat geval door middel van een vrijstelling van sociale bijdragen of belastingverlichting worden aangemoedigd om lid te worden van een onderlinge maatschappij;

Z.  overwegende dat onderlinge maatschappijen, gelet op de uitdagingen op het gebied van sociale zekerheid waarvoor regeringen zich geplaatst zien, kunnen helpen met de totstandbrenging van een betaalbaar vangnet voor personen die risico lopen; overwegende dat onderlinge maatschappijen de burgers van de Unie bijkomende en betaalbare kansen bieden;

AA.  overwegende dat in bepaalde onderlinge maatschappijen het vrijwillig aspect heel sterk aanwezig is en dat deze ethiek in stand gehouden en gestimuleerd moet worden;

AB.  overwegende dat onderlinge maatschappijen in sommige lidstaten hun leden niet alleen verzekeringsdiensten bieden, maar ook kredietdiensten in de vorm van zachte of renteloze leningen;

AC.  overwegende dat onderlinge maatschappijen ten opzichte van hun op commerciële leest geschoeide tegenhangers een toegevoegde waarde hebben die op het niveau van de Unie nog groter is vanwege hun economische omvang en de positieve aspecten verbonden aan het kunnen opereren op een markt zo groot als de hele Unie;

AD.  overwegende dat de sociale economie, en met name onderlinge maatschappijen, door rentabiliteit en solidariteit met elkaar te verenigen, een sleutelrol speelt binnen de economie van de Unie, aangezien zij kwalitatief goede en lokale banen genereert, de sociale, economische en territoriale cohesie versterkt, sociaal kapitaal genereert, actief burgerschap aanmoedigt en bijdraagt tot meer sociale welvaart op basis van solidariteit, een type economie creëert, gebaseerd op democratische waarden, waarin mensen op de eerste plaats komen, en bovendien duurzame ontwikkeling en sociale, ecologische en technologische innovatie steunt;

AE.  overwegende dat van de onderlinge maatschappijen verwacht wordt dat zij een rol spelen bij de aanpak van deze uitdagingen samen met de particuliere sector en dat zij daarom binnen de Unie moeten kunnen opereren onder gelijke concurrentievoorwaarden als die welke voor andere ondernemingsvormen gelden; overwegende dat de bestaande Europese statuten, zoals die voor de Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) of de Europese Vennootschap (SE), niet geschikt zijn voor onderlinge maatschappijen omdat zij een ander bestuursmodel kennen;

AF.  overwegende dat het hiaat in de wetgeving van de Unie betreurenswaardig is, aangezien onderlinge maatschappijen niet specifiek vermeld worden in de verdragen en de eerbiediging van deze ondernemingsmodellen ook niet geregeld wordt in afgeleid recht, dat slechts betrekking heeft op overheids- en particuliere ondernemingen, hetgeen de status van onderlinge maatschappijen ondermijnt en in de weg staat aan hun ontwikkeling en de totstandbrenging van grensoverschrijdend opererende groepen;

AG.  overwegende dat het statuut van de Europese onderlinge maatschappij van groot belang is voor een betere integratie van onderlinge maatschappijen in de interne markt, voor een grotere bekendheid van hun specifieke kenmerken en om ervoor te zorgen dat onderlinge maatschappijen meer kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020 strategie inzake groei en werkgelegenheid; overwegende dat een Europees statuut tevens de mobiliteit van de Europese burgers zal verbeteren omdat onderlinge maatschappijen dan in verschillende lidstaten diensten kunnen verlenen, hetgeen voor meer continuïteit en samenhang op de interne markt zorgt;

AH.  overwegende dat invoering van het Europees statuut voor onderlinge maatschappijen een manier is om het mutualistische model in een uitgebreide Unie te bevorderen, in het bijzonder in de nieuwe lidstaten, waarvan een aantal dit model niet kent; overwegende dat een verordening van de Unie, die uiteraard in de hele Unie van toepassing zal zijn, het dubbele voordeel heeft dat zij enerzijds deze landen een Europees referentiestatuut aanreikt en anderzijds bijdraagt aan de status en het imago van deze ondernemingsvorm;

AI.  overwegende dat het statuut onderlinge maatschappijen kansen kan bieden om aan schaaleconomie te doen om in de toekomst concurrerend te blijven en de erkenning van de waarde van onderlinge maatschappijen in de beleidsvorming binnen de Unie zal vergroten;

AJ.  overwegende dat onderlinge maatschappijen solide en duurzame organisaties zijn, die degelijk weerstand hebben geboden aan de financiële crisis in alle economieën en bijgedragen hebben aan een weerbaarder en gediversifieerdere markt, met name op het gebied van verzekeringen en sociale zekerheid; overwegende dat onderlinge maatschappijen met name actief zijn op het gebied van de vergrijzing en de sociale behoeften van de bevolking; overwegende dat de inbreng van onderlinge maatschappijen op het gebied van pensioenen de mogelijkheden van de burgers van de Unie vergroot en dat onderlinge maatschappijen dus belangrijk zijn voor het behoud van het Europees sociaal model;

AK.  overwegende dat onderlinge maatschappijen geen aandeelhouders hebben, maar een systeem van gezamenlijk eigendom kennen, en dat de winst meestal geïnvesteerd wordt in plaats van uitgekeerd aan de leden; overwegende dat onderlinge maatschappijen daardoor beter weerstand hebben kunnen bieden aan de crisis dan andere organisaties in de particuliere sector;

AL.  overwegende dat een Europees statuut zal fungeren als vrijwillig instrument naast de bestaande nationale wettelijke bepalingen inzake onderlinge maatschappijen en dus geen gevolgen zal hebben voor reeds bestaande statuten, maar veeleer een '28ste' regeling zou zijn om het voor onderlinge maatschappijen gemakkelijker te maken grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien;

AM.  overwegende dat de Commissie rekening moet houden met de specifieke kenmerken van onderlinge maatschappijen om gelijke mededingingsvoorwaarden te garanderen en verdere ongelijke behandeling te voorkomen en er bovendien voor moet zorgen dat nieuwe wetgeving proportioneel is en een eerlijke, concurrerende en duurzame markt waarborgt;

AN.  overwegende dat de roep om diversificatie in de verzekeringssector steeds sterker wordt, waardoor de rol van onderlinge maatschappijen ten opzichte van ondernemingen met aandeelhouders steeds sterker wordt als het erom gaat de sector in zijn geheel competitiever, minder risicogevoelig en beter bestand tegen veranderende financiële en economische omstandigheden te maken;

AO.  overwegende dat onderlinge maatschappijen te maken hebben met een felle en toenemende concurrentie, met name in de verzekeringssector, ten gevolge waarvan zij in sommige gevallen de overstap maken naar demutualisering en financialisering;

AP.  overwegende dat in ten minste zes lidstaten van de Unie en de Europese Economische Ruimte de onderlinge maatschappij als rechtsvorm niet bestaat; overwegende dat dit de markt verstoort; overwegende dat een Europees statuut dit zal kunnen verhelpen en zal kunnen leiden tot de oprichting van onderlinge maatschappijen in die lidstaten;

AQ.  overwegende dat onderlinge maatschappijen niet over rechtsinstrumenten beschikken waarmee zij hun ontwikkeling en hun grensoverschrijdende activiteiten binnen de interne markt gemakkelijker kunnen maken; overwegende dat onderlinge maatschappijen nog altijd in het nadeel zijn omdat andere ondernemingsvormen wel een Europees statuut kennen; overwegende dat onderlinge maatschappijen, bij gebrek aan een Europees statuut, voor grensoverschrijdende activiteiten vaak hun toevlucht moeten nemen tot ongeschikte rechtsinstrumenten en demutualisering;

AR.  overwegende dat de nationale bepalingen inzake onderlinge maatschappijen binnen de Unie zeer verschillend zijn en dat het Europees statuut gebruikt kan worden voor de oprichting van transnationale onderlinge maatschappijen, hetgeen het socialezekerheidsmodel van de Unie zal versterken;

AS.  overwegende dat onderlinge maatschappijen hun eigen concept zouden moeten propageren en toekomstige leden ervan zouden moeten overtuigen dat deze rechtsvorm een kostenefficiënt en duurzaam alternatief biedt voor commerciële dienstverleners;

AT.  overwegende dat voorkomen moet worden dat onderlinge maatschappijen met het oog op hun concurrentiepositie dezelfde maatregelen nemen als hun commerciële tegenhangers, zoals de invoering van risicoselectie of strenge lidmaatschapseisen of de uitgifte van aandelen om hun solvabiliteitsmarges te verruimen;

AU.  overwegende dat onderlinge maatschappijen, en met name middelgrote, zich gedwongen kunnen zien onderdeel uit te gaan maken van grotere organisaties en zelfs van naamloze vennootschappen (door middel van demutualisering), waardoor de afstand tussen de desbetreffende organisatie en de verzekeringnemers wordt vergroot;

AV.  overwegende dat het ontbreken van een statuut grensoverschrijdende samenwerking tussen en fusies van onderlinge maatschappijen in de weg blijft staan;

1.  verzoekt de Commissie in het licht van de resultaten van de recente studie naar de positie van onderlinge maatschappijen in de Unie en gelet op de uitdrukkelijke en meermaals door het Parlement uitgesproken wens om een statuut voor een Europese onderlinge maatschappij tot stand te brengen, spoedig op grond van artikel 352 dan wel artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan de hand van de gedetailleerde, in de bijgaande bijlage opgenomen aanbevelingen een of meerdere voorstellen in te dienen krachtens welke onderlinge maatschappijen de mogelijkheid krijgen op Europees niveau en over de grenzen heen te opereren;

2.  constateert dat deze aanbevelingen in overeenstemming zijn met de grondrechten en het subsidiariteitsbeginsel;

3.  is van oordeel dat de financiële gevolgen van het verlangde voorstel gedekt moeten worden door passende begrotingstoewijzingen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande gedetailleerde aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

BIJLAGE

GEDETAILLEERDE AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Aanbevelingen inzake het statuut van de Europese onderlinge maatschappij

Aanbeveling 1 (inzake de doelstellingen van het statuut van de Europese onderlinge maatschappij)

Het Europees Parlement is van oordeel dat de diversiteit van ondernemingen duidelijk verankerd moet worden in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en stelt voor onderlinge maatschappijen op te nemen in artikel 54 van dit verdrag.

Het Europees Parlement is van mening dat voor het creëren van een gelijk speelveld voor onderlinge maatschappijen een combinatie van strategieën en maatregelen noodzakelijk is, waaronder een Europees statuut dat onderlinge maatschappijen in gelijke mate in staat stelt om hun organisatie en activiteiten een Europese dimensie te geven en dat passende rechtsinstrumenten biedt voor grensoverschrijdende en transnationale activiteiten. Op die manier kunnen onderlinge maatschappijen in de hele Unie hun activiteiten ontplooien op basis van hun eigen specifieke bestuursregels.

Het Europees Parlement is van oordeel dat het statuut van de Europese onderlinge maatschappij een vrijwillig stelsel in de vorm van een optioneel instrument in het leven zal roepen krachtens hetwelk onderlinge maatschappijen de mogelijkheid krijgen in verschillende lidstaten te opereren, waarbij de onderlinge maatschappij ook wordt geïntroduceerd in landen waar deze rechtsvorm tot nu toe niet bestond, en is op grond daarvan van mening dat de Europese onderlinge maatschappij erkend moet worden als een nieuwe Europese rechtsvorm met een specifiek uniaal karakter.

Het Europees Parlement wijst er daarbij tevens op dat wetgevingsinitiatieven in dit kader geen afbreuk zullen doen aan de bestaande nationale wettelijke regelingen en niet bedoeld zijn om de wettelijke voorschriften van de lidstaten op het gebied van onderlinge maatschappijen nader tot elkaar te brengen.

Het Europees Parlement bekrachtigt dat met een verordening betreffende het statuut van de Europese onderlinge maatschappij de volgende doelstellingen worden beoogd:

   het doen verdwijnen van alle belemmeringen voor grensoverschrijdende samenwerking tussen onderlinge maatschappijen, daarbij rekening houdend met de specifieke kenmerken die diepgeworteld zijn in de verschillende nationale rechtsstelsels, en onderlinge maatschappijen de mogelijkheid bieden ongehinderd activiteiten te ontplooien op de Europese interne markt, hetgeen de beginselen van de interne markt zelf versterkt;
   het voor personen die in verschillende lidstaten woonachtig zijn of voor rechtspersonen die onder het recht van verschillende lidstaten ressorteren mogelijk maken een Europese onderlinge maatschappij op te richten;
   de mogelijkheid creëren om een Europese onderlinge maatschappij op te richten door middel van een grensoverschrijdende fusie tussen twee of meer bestaande onderlinge maatschappijen, aangezien de richtlijn inzake grensoverschrijdende fusies(11) niet van toepassing is op onderlinge maatschappijen;
   de mogelijkheid creëren om een Europese onderlinge maatschappij op te richten door middel van herstructurering of omzetting van een nationale onderlinge maatschappij in de nieuwe rechtsvorm zonder dat daarvoor ontbinding noodzakelijk is, als de desbetreffende maatschappij haar statutaire zetel en hoofdkantoor heeft in een en dezelfde lidstaat;
   de mogelijkheid creëren tot oprichting van een Europese onderlinge groep en onderlinge maatschappijen de mogelijkheid bieden de voordelen te benutten van een Europese groep van onderlinge maatschappijen, in het bijzonder in het kader van de richtlijn Solvabiliteit II(12) voor onderlinge maatschappijen die verzekeringen aanbieden.

Aanbeveling 2 (inzake de onderdelen van het statuut van de Europese onderlinge maatschappij)

Het Europees Parlement verzoekt de Commissie om er rekening mee te houden dat als ze een dergelijke optioneel instrument in de wetgeving van de lidstaten in het leven roept, dit de kenmerken en beginselen met betrekking tot het bestuur van onderlinge maatschappijen moet bevatten.

Het Europees Parlement wijst erop dat een voorstel voor het statuut van de Europese onderlinge maatschappij rekening moet houden met de bijzondere regels die gelden voor de werkwijze van onderlinge maatschappijen en die afwijken van die van andere economische actoren:

   onderlinge maatschappijen bieden een breed scala aan verzekeringsdiensten, kredietdiensten en andere diensten ten bate van hun leden, op basis van solidariteit en door middel van collectieve financiering;
   als tegenprestatie betalen de leden contributie of een gelijksoortige bijdrage, die in hoogte variabel kan zijn;
   de leden hebben geen individuele zeggenschap over het vermogen van de onderlinge maatschappij.

Het Europees Parlement is van mening dat in het statuut gedetailleerde en duidelijke voorwaarden moeten worden opgenomen voor de invoering van een doeltreffende en daadwerkelijk nieuwe categorie van Europese onderlinge maatschappijen en vindt het in dit verband belangrijk dat niet vergeten wordt dat eerdere modelstatuten, die de lidstaten een aanzienlijke flexibiliteit boden en slechts een geringe toegevoegde waarde hadden, er niet in zijn geslaagd de voorwaarden vast te stellen voor een succesvol gebruik van een dergelijk Europees instrument.

Het Europees Parlement verzoekt de Commissie om in het voorstel voor een verordening op basis van artikel 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de voornaamste kenmerken van onderlinge maatschappijen van natuurlijke personen op te nemen, namelijk het beginsel van non-discriminatie voor wat betreft risicoselectie en democratische sturing door de leden met het oog op het verbeteren van de sociale omstandigheden van lokale gemeenschappen en de samenleving in het algemeen in de geest van gemeenschappelijkheid.

Het Europees Parlement onderstreept het belang van het beginsel van solidariteit binnen onderlinge maatschappijen waar klanten ook leden zijn en dus dezelfde belangen hebben, herinnert aan het beginsel van gemeenschappelijk en ondeelbaar kapitaal en onderstreept het belang van het beginsel van de belangeloze verdeling bij vereffening, d.w.z. dat de activa verdeeld worden onder andere onderlinge maatschappijen of worden toegewezen aan een instantie die tot doel heeft onderlinge maatschappijen te steunen en te bevorderen.

Aanbeveling 3 (inzake de reikwijdte en het toepassingsgebied van het statuut van de Europese onderlinge maatschappij)

Het Europees Parlement wil met betrekking tot de reikwijdte en het toepassingsgebied van het statuut van de Europese onderlinge maatschappij de volgende aspecten benadrukken:

   het statuut mag geen afbreuk doen aan de verplichte en/of wettelijke socialezekerheidsstelsels die in sommige lidstaten door onderlinge maatschappijen worden beheerd, noch aan de vrijheid van lidstaten om te beslissen of zij het beheer van dergelijke stelsels al dan niet aan onderlinge maatschappijen overlaten, en onder welke voorwaarden;
   gezien het specifiek communautaire karakter van een Europese onderlinge maatschappij mag de beheersregeling in het statuut geen afbreuk doen aan de wetgeving van de lidstaten of vooruitlopen op in andere communautaire teksten inzake vennootschapsrecht te maken keuzes;
   de verordening mag geen andere rechtsgebieden bestrijken, zoals de medezeggenschap van werknemers, arbeidsrecht, fiscaal recht, mededingingsrecht, het recht inzake intellectuele en industriële eigendom, of het recht inzake faillissement en surseance van betaling;
   aangezien het kader waarbinnen onderlinge maatschappijen opereren van lidstaat tot lidstaat verschilt, moet de verordening Europese onderlinge maatschappijen garanderen dat zij hun eigen doelstellingen vrij kunnen bepalen en hun leden een breed scala aan diensten kunnen aanbieden, waaronder sociale en ziektekostenverzekeringen en de verstrekking van kredieten.

Aanbeveling 4 (inzake het beheer van Europese onderlinge maatschappijen)

De Europese onderlinge maatschappij moet op democratische wijze worden beheerd en collectief worden gefinancierd ten bate van haar leden. In het statuut moet worden vastgelegd dat de collectieve eigendom van de onderlinge maatschappij bij de leden berust.

In het statuut van de Europese onderlinge maatschappij moeten bepalingen worden opgenomen met betrekking tot bestuur en beheer die voorzien in: een algemene vergadering (in de vorm van een vergadering van alle leden of een vergadering van gevolmachtigden van de leden), een toezichthoudend en een leidinggevend of bestuursorgaan, afhankelijk van de vorm die in de statuten wordt vastgelegd.

Elk lid (natuurlijke of rechtspersoon) of gevolmachtigde moet in de algemene vergadering in beginsel dezelfde stemrechten hebben.

Het lid of de leden van het leidinggevend orgaan moet(en) benoemd en ontslagen worden door het toezichthoudend orgaan. Een lidstaat moet evenwel kunnen bepalen of toestaan dat in de statuten wordt bepaald dat het lid of de leden van het leidinggevend orgaan benoemd wordt of worden door de algemene vergadering.

Niemand mag tegelijkertijd lid zijn van het leidinggevend en van het toezichthoudend orgaan.

Er moet nauwlettend worden toegezien op de gevolgen van de richtlijn Solvabiliteit II voor het bestuur van onderlinge maatschappijen.

(1) PB C 297 E van 7.12.2006, blz. 140.
(2) PB C 303 E van 13.12.2006, blz. 114.
(3). PB C 76 E van 25.3.2010, blz. 16.
(4) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 19.
(5) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 187.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0259.
(7) http://www.europarl.europa.eu/committees/en/studiesdownload.html?languageDocument=EN&file=83593
(8) Verordening (EG) nr. 1435/2003 van de Raad van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) (PB L 207 van 18.8.2003, blz. 1).
(9) Mededeling van de Commissie van 13 april 2011 met als titel „Akte voor de interne markt: Twaalf hefbomen voor het stimuleren van de groei en het versterken van het vertrouwen – Samen werk maken van een nieuwe groei” (COM(2011)0206).
(10) Zie COM(2011)0206, reeds eerder vermeld.
(11) Richtlijn 2005/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen (PB L 310 van 25.11.2005, blz. 1).
(12) Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).


De situatie in Egypte
PDF 144kWORD 30k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over de situatie in Egypte (2013/2542(RSP))
P7_TA(2013)0095RC-B7-0095/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Egypte, met name die van 16 februari 2012 over de recente ontwikkelingen in Egypte(1) en die van 15 maart 2012 over mensenhandel in de Sinaï(2),

–  gezien zijn plenaire debatten over Egypte en het Midden-Oosten van 12 juni 2012, 4 juli 2012 en 12 december 2012,

–  gezien de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter (HV/VV) Catherine Ashton en haar woordvoerder in 2012 over Egypte, met name die van 25 mei 2012 over de presidentsverkiezingen in Egypte, van 1 juni 2012 over het opheffen van de noodtoestand in Egypte, van 15 juni 2012 over de uitspraak van het Constitutionele Hooggerechtshof van Egypte, van 20 juni 2012 over de politieke situatie in Egypte, van 24 juni 2012 over de verkiezing van Mohammed Morsi tot president van Egypte, van 13 september 2012 over de nieuwe task force EU-Egypte, van 5 december 2012 waarin zij oproept tot een nationale politieke dialoog, van 25 december 2012 over het referendum in Egypte en van 25 januari 2013 over de doden die in Port Said zijn gevallen,

–  gezien de conclusies van de Raad van 27 februari 2012, 25 juni 2012, 19 november 2012 en 10 december 2012 over Egypte en van 31 januari 2013 betreffende EU-steun voor duurzame verandering in samenlevingen in transitie en van 8 februari 2013 over de Arabische Lente,

–  gezien het pakket van het Europese nabuurschapsbeleid (ENP), voortgangsverslag voor Egypte, van 15 mei 2012,

–  gezien de bijeenkomst van de task force EU-Egypte op 13-14 november 2012 en de conclusies daarvan,

–  gezien de „verklaring van Cairo” van de tweede ministersbijeenkomst van de Europese Unie en de Liga van Arabische ministers van buitenlandse Zaken van 13 november 2012,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1099/2012 van de Raad van 26 november 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 270/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte,

–  gezien de verklaringen van de voorzitter van de Europese Raad, Herman Van Rompuy na zijn ontmoetingen met de Egyptische president Mohamed Morsi van 13 september 2012 en13 januari 2013,

–  gezien het Commissiememorandum van 8 februari 2013, getiteld „EU's response to the ”Arab Spring’: the state-of-play after two years„, (de reactie van de EU op de Arabische Lente: de stand van zaken na twee jaar),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 15 mei 2012 van de Commissie en de VV/HV aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met als titel „Resultaten boeken voor een nieuw Europees nabuurschapsbeleid”,

–  gezien de Associatieovereenkomst EU-Egypte van 2001 (in werking getreden op 1 juni 2004), ondersteund door het in 2007 overeengekomen Actieplan en het Europees nabuurschapsbeleid,

–  gezien de verklaringen van de Hoge commissaris voor de mensenrechten van de VN, Navi Pillay, van 7 december 2012 over het geweld in Egypte en de belangrijkste problemen met de ontwerpgrondwet, en van 29 januari 2013 over de behoefte aan een serieuze dialoog en de beëindiging van het buitensporige gebruik van geweld,

–  gezien de verklaring van 31 januari 2013 van de uitvoerend directeur van UN Women, Michelle Bachelet, waarin zij uiting geeft aan haar ernstige bezorgdheid over de escalatie van het geweld tegen vrouwen in het openbare leven in Egypte,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, waarbij Egypte partij is, en het Internationale Verdrag betreffende de rechten van het kind van 1989, waarbij Egypte partij zal zijn,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Egypte een belangrijke partner van de Europese Unie in het zuidelijke Middellandse Zeegebied is; overwegende dat politieke, economische en sociale ontwikkelingen in Egypte verstrekkende gevolgen hebben in de gehele regio en daarbuiten;

B.  overwegende dat Mohammed Morsi de presidentsverkiezingen van mei en juni 2012 heeft gewonnen met 51,7% van de stemmen en als eerste Islamistische kandidaat tot staatsleider in de Arabische wereld werd verkozen; overwegende dat deze vrije en eerlijke presidentsverkiezingen een mijlpaal vertegenwoordigden in de overgang naar de democratie;

C.  overwegende dat op 14 juni 2012 het Egyptische Constitutionele Hooggerechtshof de parlementsverkiezingen van 2012 ongrondwettig heeft verklaard en heeft gesteld dat een derde van de winnaars op ongrondwettige wijze waren verkozen en daarbij de wet op politieke uitsluiting heeft ingetrokken;

D.  overwegende dat op 22 november 2012, acht dagen na de bijeenkomst van de task force EU-Egypte en één dag na de door tussenkomst van Egypte tot stand gekomen staakt-het-vuren-overeenkomst tussen Israel en Hamas, president Morsi een constitutionele verklaring heeft afgelegd waarin onder meer het presidentschap aan rechterlijke controle werd onttrokken; overwegende dat de president die verklaring enkele dagen later weer introk, maar dat er toen reeds escalerende betogingen gaande waren;

E.  overwegende dat de justitiële instellingen en rechtbanken voortdurend worden blootgesteld aan pressie, aanvallen, intimidatie en obstructie van de zijde van diverse politieke actoren en krachten in Egypte; overwegende dat het Constitutionele Hof in november 2012 zijn werkzaamheden heeft opgeschort nadat het gerechtsgebouw door aanhangers van de president en hun bondgenoten werd belaagd; overwegende dat het gedwongen ontslag van de openbare aanklager in oktober 2012 en de benoeming van zijn opvolger hebben geleid tot felle kritiek en protest van de zijde van rechters, justitiële ambtenaren en andere betrokkenen; overwegende dat deze inmenging in het rechtswezen het vertrouwen van de Egyptische bevolking in de eerlijkheid en onpartijdigheid van het justitiële apparaat ondermijnt;

F.  overwegende dat de constituerende assemblee op 30 november 2012 de ontwerpgrondwet heeft aangenomen; overwegende dat bij het op 15 en 22 december 2012 gehouden referendum de ontwerpgrondwet goedgekeurd is met 63,8% van de stemmen maar met een opkomst van slechts 32,9%; overwegende dat het proces van opstelling en goedkeuring van de nieuwe grondwet niet tot een consensus heeft geleid, maar integendeel de interne verdeeldheid in de Egyptische samenleving nog heeft aangescherpt; overwegende dat velen, zowel in als buiten Egypte, zich bezorgd hebben getoond over een aantal artikelen in de nieuwe grondwet, waaronder het statuut van de sharia in de binnenlandse wetgeving, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de rol van militaire rechtbanken, de fundamentele vrijheden en de rechten van vrouwen;

G.  overwegende dat vervroegde parlementsverkiezingen uitgeschreven zijn voor eind april 2013; overwegende dat het Hoogste comité voor de verkiezingen in Egypte ermee heeft ingestemd dat vier niet-gouvernementele organisaties, alsmede de Europese Unie, de Liga van Arabische staten en de Afrikaanse Unie, de verkiezingen „gadeslaan”; overwegende dat het Constitutionele Hooggerechtshof op 18 februari 2013 verschillende artikelen van deze kieswet ongrondwettelijk heeft verklaard en aan de Sjoera-raad heeft gevraagd deze te wijzigen; overwegende dat de oppositiekrachten onder leiding van het Front voor Nationale Redding uit protest tegen het gebrek aan wettelijke garanties voor vrije en eerlijke verkiezingen een boycot van de komende parlementsverkiezingen hebben aangekondigd; overwegende dat de Egyptische Verkiezingscommissie op 7 maart 2013 de komende parlementsverkiezingen heeft opgeschort na de beslissing van het Administratieve Hof van Cairo om ze stop te zetten omdat de Sjoera-raad, na veranderingen te hebben aangebracht in de kieswet, deze niet heeft teruggestuurd naar het Constitutionele Hooggerechtshof voor een laatste toetsing;

H.  overwegende dat naar aanleiding van gewelddadige confrontaties tussen betogers en veiligheidstroepen, waarbij tientallen doden zijn gevallen, aan de vooravond van en in de weken na de tweede verjaardag van de revolutie van 25 januari, die in de hand werden gewerkt door de toenemende wetteloosheid in Egypte, de snelle achteruitgang van de Egyptische economie en de tientallen doodvonnissen tegen burgers die betrokken waren bij de bloedige voetbalrellen van 2012 in Port Said, president Morsi in diverse Egyptische steden de noodtoestand heeft uitgeroepen, waarop het leger waarschuwde voor „ een ineenstorting van de staat”; overwegende dat de leiders van de oppositie president Morsi op 30 januari 2013 gezamenlijk verzochten een einde te maken aan het geweld tegen de betogers, een regering van nationale eenheid te vormen en een nationale dialoog te starten als de enige manier om de huidige politieke en maatschappelijke verdeeldheid en spanningen te overwinnen; overwegende dat president Morsi het verzoek om een regering van nationale eenheid van de hand wees; overwegende dat president Morsi op 26 februari 2013 een nationale dialoog op gang heeft gebracht die door vooraanstaande oppositiekrachten werd geboycot;

I.  overwegende dat 42 personen, onder wie twee politieambtenaren, het leven lieten bij ongeregeldheden nadat een rechtbank op 26 januari 2013 adviseerde 21 inwoners van Port Said ter dood te veroordelen wegens de dodelijke slachtoffers die een jaar daarvoor na een voetbalwedstrijd vielen; overwegende dat op 9 maart 2013 dit vonnis werd bevestigd en tegen de overige 52 beklaagden een uitspraak werd uitgebracht; overwegende dat Europees Parlement in zijn resolutie van 16 februari 2012 heeft opgeroepen tot een onafhankelijk onderzoek naar de gebeurtenissen die tot deze tragedie hebben geleid en tot de berechting van degenen die ervoor verantwoordelijk waren; overwegende dat de Europese Unie de doodstraf in alle gevallen en in alle omstandigheden afwijst en in het kader van de bescherming van de menselijke waardigheid steeds heeft geijverd voor de wereldwijde afschaffing daarvan;

J.  overwegende dat de toenemende politieke spanningen de interne verdeeldheid in de Egyptische samenleving nog hebben versterkt en aanleiding hebben gegeven tot aanhoudende straatprotesten en gewelddadige confrontaties, waarbij willekeurige vrijheidsberoving, intimidatie, kidnapping en foltering worden gebruikt; overwegende dat gevallen van buitensporig en dodelijk geweld van de politie, veiligheidskrachten en niet-geïdentificeerde groepen tegen vreedzame betogers vaak ongestraft blijven; overwegende dat de veiligheid en de openbare orde met beleid en onder algehele eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden moeten worden gehandhaafd;

K.  overwegende dat de publieke opinie in Egypte zeer kritisch staat tegenover beperkingen van de vrijheid van meningsuiting; overwegende dat het wetboek van strafrecht en de zojuist aangenomen grondwet een serieuze beknotting kunnen betekenen van de vrijheid van meningsuiting, zowel online als via andere media; overwegende dat de digitale vrijheden de uitoefening van de universele mensenrechten mogelijk maken en te allen tijde gehandhaafd moeten blijven; overwegende dat fysiek geweld en intimidatie tegen journalisten fors zijn toegenomen; overwegende dat er tegen oppositionele media een aantal gerechtelijke procedures zijn ingesteld wegens belediging van de president; overwegende dat strafvervolging van journalisten, met name van oppositionele media, en komieken zoals Gamal Fahmy, Bassem Youssef en Okasha Tawfiq, wordt voortgezet; overwegende dat er, naar bericht wordt, 24 zaken aanhangig zijn gemaakt wegens belediging van de president; overwegende dat het aantal blasfemiezaken is toegenomen sinds het aantreden van president Morsi;

L.  overwegende dat het wetsvoorstel inzake de bescherming van het recht om vreedzaam in het openbaar te demonstreren grote beperkingen stelt aan het recht om vreedzaam in het openbaar te vergaderen;

M.  overwegende dat de Egyptische vrouwen zich in de huidige overgangsperiode in een bijzonder kwetsbare situatie bevinden; overwegende dat vrouwelijke demonstranten volgens rapporten van Egyptische en internationale mensenrechtenorganisaties vaak het slachtoffer zijn van geweld, seksuele aanranding, maagdelijkheidstests en andere vernederende behandelingen door de veiligheidskrachten, terwijl vrouwenrechtenactivisten worden bedreigd en geïntimideerd; overwegende dat vrouwen zwaar zijn gediscrimineerd op het stuk van politieke medezeggenschap; overwegende dat de Egyptische Nationale raad voor vrouwen (National Council for Women, NCW) en het maatschappelijk midden kritiek hebben geleverd op het zwijgen van de autoriteiten die het geweld tegen vrouwen niet hebben veroordeeld, waardoor een verkeerd signaal ten aanzien van de eerbiediging in Egypte van de rechten van de vrouw is gegeven;

N.  overwegende dat maatschappelijke organisaties en internationale ngo's in Egypte worden geconfronteerd met toenemende druk en steeds meer ernstige moeilijkheden ondervinden om in Egypte te kunnen werken; overwegende dat diverse ontwerpen van een nieuwe wet op burgerlijke verenigingen en stichtingen aanleiding hebben gegeven tot bezorgdheid onder maatschappelijke activisten en organisaties, aangezien erin strikte beperkingen worden gesteld aan de financiering van ngo's, met name vanuit het buitenland, opdringerige controle door de autoriteiten mogelijk wordt gemaakt en alle vormen van sociale activiteit of vereniging worden beperkt; overwegende dat deze ook zal leiden tot een beperking van fact finding bezoeken en andere essentiële activiteiten in geheel Egypte, en in de praktijk maatschappelijke organisaties zal beletten hun werk te doen;

O.  overwegende dat de EU de voornaamste economische partner van Egypte is en de belangrijkste bron van buitenlandse investeringen en ontwikkelingssamenwerking; overwegende dat op 13 en 14 november 2012 de task force EU-Egypte, met als covoorzitters de HV/VV en de Egyptische minister van buitenlandse zaken Kamel Amr, in Cairo bijeenkwam en instemde met een belangrijk pakket economische en politieke steunmaatregelen om Egypte bij het overgangsproces te helpen, en dat de EU in totaal bijna 5 miljard EUR zal bijdragen in de vorm van leningen en subsidies voor de periode 2012-2013; overwegende dat de financiële bijstand voor een deel afhangt van de vraag of Egypte erin slaagt met het Internationaal Monetair Fonds een financieel akkoord te sluiten en ook tot overeenkomst te komen over punten als de mensenrechten, democratie en een goed economisch beheer; overwegende dat de nakoming van deze toezeggingen en de versnelde levering van EU-steun voor Egypte van cruciaal belang zijn;

P.  overwegende dat de Task force zich nadrukkelijk heeft verplicht tot de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten (inclusief de rechten van vrouwen en gendergelijkheid met het oog op de emancipatie van vrouwen op alle terreinen), van de vrijheid van meningsuiting en vereniging en de vrijheid van godsdienst of overtuiging, en dat zij alle vormen van aansporing tot religieuze haat, onverdraagzaamheid, vijandigheid of geweld heeft veroordeeld;

Q.  overwegende dat het succes van het Europese nabuurschapsbeleid, en de hervormingen op het gebied van de mensenrechten, met name vrouwenrechten, zal afhangen van de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij de uitvoering van het relevante beleid;

R.  overwegende dat Egypte zich in een rampzalige economische situatie bevindt waarin de reserves aan buitenlandse valuta zeer geslonken zijn en het Egyptische pond de laagste wisselkoers sinds 2004 kent; overwegende dat economische vooruitgang van het land zal afhangen van een politieke en sociale stabiliteit op de lange termijn; overwegende dat Egypte een kritieke overgangsperiode doormaakt en aanzienlijke uitdagingen en moeilijkheden het hoofd moet bieden in dit proces op weg naar democratie; overwegende dat deze overgang moet zijn gebaseerd op de kernwaarden zoals sociale rechtvaardigheid, de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de rechtsstaat en goed bestuur;

S.  overwegende dat de teruggave van bezittingen die door het voormalige regime zijn ontvreemd niet alleen economisch belang heeft, maar ook een positieve bijdrage kan leveren uit een oogpunt van rechtvaardigheid en verantwoording jegens het Egyptische volk, en dat dit derhalve een ​​belangrijke politieke aangelegenheid van hoge symbolische betekenis is in de betrekkingen tussen de EU en Egypte; overwegende dat de bezittingen in de EU van 19 personen die verantwoordelijk waren voor het verduisteren van Egyptische overheidsgelden, onder wie voormalig president Mubarak, sinds maart 2011 zijn bevroren; overwegende dat de Raad op 26 november 2012 een nieuwe verordening heeft aangenomen om de teruggave van deze onwettig verkregen middelen te vergemakkelijken; overwegende dat de Task force heeft toegezegd binnen drie maanden de laatste hand te zullen leggen aan een stappenplan dat onder meer de oprichting van een door de EDEO gecoördineerde groep voor de terugvordering van vermogen kan omvatten;

1.  betuigt zijn solidariteit met het Egyptische volk in deze cruciale periode van overgang naar democratie in het land; dringt er bij de Egyptische autoriteiten op aan volledig garant te staan voor de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting en vreedzame vereniging, de pers- en mediavrijheid, de rechten van de vrouw, de vrijheid van godsdienst, geweten en denken, de bescherming van minderheden en de strijd tegen discriminatie op grond van seksuele geaardheid, en in te staan voor toepassing van de regels van de rechtsstaat, de scheiding der machten, onafhankelijkheid van het justitiële apparaat, de strijd tegen straffeloosheid en een eerlijke rechtsgang, omdat het hier gaat om essentiële componenten van een vrije, democratische samenleving;

2.  uit zijn diepe bezorgdheid over de toenemende interne verdeeldheid in de Egyptische samenleving en de aanhoudende gewelddadige incidenten; herinnert de Egyptische overheid en veiligheidskrachten eraan dat zij de plicht hebben de veiligheid en orde in het land te herstellen en te handhaven; vraagt alle politieke actoren zich terughoudend op te stellen om verder geweld in het belang van het land te voorkomen; pleit ook voor een ernstig, onafhankelijk en transparant onderzoek naar de moorden, folteringen, vernederende behandelingen en intimidatie van vreedzame betogers, met name vrouwen, en dringt erop aan dat de verantwoordelijken worden berecht; dringt er bij de autoriteiten op aan internationale normen bij hun optreden strikt na te leven; betreurt ten zeerste het aanzienlijke verlies aan mensenlevens en het grote aantal gewonden gedurende de recente ongeregeldheden en betuigt zijn medeleven aan de familieleden van de slachtoffers;

3.  wijst eens te meer op het krachtige en principiële verzet van de EU tegen de doodstraf en roept op tot de instelling van een algeheel verbod op de voltrekking van de doodstraf in Egypte; dringt er bij Egypte op aan het Tweede Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, gericht op de afschaffing van de doodstraf, te ratificeren; dringt erop aan dat de doodstraffen die op 26 januari 2013 zijn uitgesproken tegen 21 supporters van de voetbalclub Al-Masry in gevangenisstraffen worden omgezet;

4.  neemt kennis van het besluit van de Egyptische Verkiezingscommissie om de komende parlementsverkiezingen te annuleren en roept de Egyptische regering op deze periode te benutten om een op consensus en gedeelde verantwoordelijkheid gebaseerd politiek proces op gang te brengen via een waarachtige nationale dialoog waaraan alle democratische politieke krachten op zinvolle wijze kunnen deelnemen; roept alle politieke krachten in Egypte op hieraan mee te werken; spoort de EU en haar lidstaten aan om de Egyptische autoriteiten, politieke partijen en het maatschappelijk middenveld te blijven steunen en bij te staan in hun inspanningen om dit doel te bereiken; is verheugd dat de Egyptische autoriteiten de EU hebben uitgenodigd om als waarnemer bij de komende parlementsverkiezingen op te treden ongeacht de annulering van de verkiezingen; herinnert aan zijn aanbod om een volledige waarnemingsmissie naar de verkiezingen te sturen;

5.  is gealarmeerd door de toeneming van het geweld tegen vrouwen, in het bijzonder vrouwelijke betogers en vrouwenrechtenactivisten, en door het feit dat de autoriteiten niet bij machte zijn gebleken dit geweld te voorkomen en te veroordelen of de geweldplegers ter verantwoording te roepen; doet een beroep op president Morsi en op de leiders van de regerings- en oppositiepartijen blijk te geven van een sterk politiek leiderschap bij de aanpak van het gendergerelateerde geweld en ervoor te zorgen dat alle incidenten waarbij sprake was van tegen vrouwen gerichte seksuele misdrijven en intimidaties daadwerkelijk worden onderzocht, dat de plegers van deze misdrijven voor de rechter worden gebracht en te waarborgen dat de slachtoffers een gepaste schadeloosstelling krijgen; dringt er bij president Morsi op aan iets te doen tegen deze chronische, tegen vrouwen gerichte geweldpleging en discriminatie door aanneming van de anti- intimidatiewetgeving die door vrouwenrechtenactivisten is voorgesteld; vraagt de Egyptische autoriteiten alle vormen van geweld en agressie tegen vrouwen te veroordelen; dringt er bij de regering op aan politieke participatie van vrouwen te bevorderen en te ondersteunen door de huidige negatieve tendens op dit gebied te doen keren;

6.  wenst dat de Egyptische autoriteiten de politie en veiligheidskrachten hervormen, alle wetten die het onbeperkt gebruik van geweld door de politie en veiligheidskrachten tegen burgers toestaan, afschaffen; benadrukt de noodzaak om in overleg met het maatschappelijk middenveld, een afzonderlijk juridisch kader te ontwikkelen dat het recht om vreedzaam te demonstreren en in het openbaar te vergaderen waarborgt en maatschappelijke organisaties de mogelijkheid geeft om ongehinderd te functioneren en gebruik te maken van financiële bijdragen uit het buitenland;

7.  schaart zich volledig achter de door maatschappelijke organisaties getoonde inzet vanwege het belang en de hoge kwaliteit van hun werkzaamheden ter bevordering van vrede, democratie en mensenrechten en dringt erop aan dat onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan alle vormen van pressie, intimidatie of pesterijen tegen vakbonden, journalisten of bloggers;

8.  is bezorgd over de situatie van het Egyptische justitiële apparaat; dringt er bij de Egyptische regering en de politieke krachten van het land op aan de onafhankelijkheid en integriteit van de justitiële instellingen in het land ten volle te eerbiedigen, te ondersteunen en te bevorderen; benadrukt de behoefte aan de voortzetting van de hervormingen van het strafrechtsysteem om een toereikend juridisch kader te waarborgen waarin straffeloosheid en foltering worden tegengaan en grondrechten worden geëerbiedigd; spoort de Egyptische autoriteiten ertoe aan een proces van waarachtige justitiële transitie op gang te brengen teneinde de aansprakelijkheidskwesties met betrekking tot de vóór, tijdens en na de revolutie van 2011 begane mensenrechtenschendingen te regelen;

9.  uit zijn bezorgdheid over de beperkingen die aan de vrijheid van godsdienst, geweten en levensovertuiging worden gesteld; is in dit verband verheugd over de oprichting op 18 februari 2013 van een Egyptische Raad van Kerken, die bestaat uit de vijf grootste christelijke stromingen in het land en een mandaat heeft om onder meer een dialoog tussen moslims en christenen te bevorderen; is van mening dat inspanningen nodig zijn om de uittocht van christenen uit Egypte tot staan te brengen, omdat die niet alleen het voortbestaan van een van de oudste Egyptische gemeenschappen in gevaar brengt, maar ook schadelijk is voor de Egyptische economie doordat geschoolde krachten het land verlaten;

10.  vraagt de Egyptische autoriteiten over te gaan tot ondertekening en ratificering van het Statuut van Rome tot instelling van het Internationaal strafhof in Den Haag en geen staatshoofden uit te nodigen tegen wie het Internationaal strafhof een arrestatiebevel heeft uitgevaardigd;

11.  betuigt zijn welgemeende steun aan de hervormingen die moeten leiden tot democratie, toepassing van de regels van de rechtsstaat en sociale gerechtigheid in Egypte, zoals tot uiting gebracht door het Egyptische volk; herhaalt zijn oproep om na te gaan of het mogelijk is de noodtoestand in het land op te heffen; dringt aan op onmiddellijke beëindiging van de vervolging van burgers door militaire rechtbanken;

12.  spreekt opnieuw zijn blijvende bezorgdheid uit over de voortdurende mensensmokkel en mensenhandel en omtrent de situatie van illegale migranten in het land, met name in de Sinaï-regio; dringt bij de Egyptische autoriteiten aan op een verdere intensivering van hun inspanningen om deze problemen het hoofd te bieden, met name middels volledige tenuitvoerlegging van de nationale vluchtelingenwetgeving en door VN-agentschappen en mensenrechtenorganisaties volledige toegang tot de betrokken personen in de Sinaï te verlenen;

13.  is uiterst bezorgd over de snel verslechterende economische situatie van Egypte en de langdurige onderhandelingen met het IMF over een leningovereenkomst; is ingenomen met de hernieuwde inspanningen van de regering om deze onderhandelingen nieuw leven in te blazen; moedigt de ontwikkeling aan van een economische samenwerking tussen de EU en Egypte met een versterkte bilaterale dialoog over de economische hervormingen, die een belangrijke stap zou betekenen naar het aankweken van vertrouwen onder investeerders;

14.  dringt er bij de HV/VV en de Commissie op aan het beginsel „meer voor meer” coherenter en meer op de praktijk afgestemd te ontwikkelen, met een bijzondere nadruk op maatschappelijke organisaties, rechten van vrouwen en minderheden, zodat het duidelijke voorwaarden en ijkpunten omvat voor het geval dat de Egyptische regering afstand zou nemen van de democratische hervormingen en de eerbiediging van mensenrechten en vrijheden en zodat het de hoeksteen vormt van het herziene Europese nabuurschapsbeleid van de EU, in de betrekkingen van de EU met de Egyptische regering, zonder dat dit ten koste mag gaan van de leefomstandigheden van de bevolking;

15.  dringt er bij de HV/VV op aan de Egyptische autoriteiten en president Morsi te houden aan hun verplichting de mensenrechten en fundamentele vrijheden te eerbiedigen; vraagt de EU geen enkele begrotingssteun aan de Egyptische autoriteiten te verlenen indien geen aanzienlijke vooruitgang is geboekt met betrekking tot de eerbiediging van mensenrechten en vrijheden, een democratisch bestuur en respect voor de regels van de rechtsstaat;

16.  betuigt zijn volledige steun aan een intensivering van de samenwerking tussen de EU en Egypte, met betrekking tot de Associatieovereenkomst en haar actieplannen, een geslaagde voortzetting van de task force EU- Egypte, regelmatige dialogen over de mensenrechten, een toegenomen commerciële samenwerking, een mobiliteitsverbetering voor Egyptenaren – met name studenten – voor reizen naar de EU, de onderhandelingen over een verstrekkende en alomvattende vrijhandelsovereenkomst of een toekomstige marktintegratie;

17.  verzoekt de EU en haar lidstaten verdere aanzienlijke inspanningen te doen om de teruggave aan het Egyptische volk van bezittingen die door het voormalige regime zijn ontvreemd te vergemakkelijken; vraagt de EU in dit verband een groep onderzoekers, juristen en officieren van justitie uit de lidstaten en andere Europese landen samen te stellen om de Egyptische autoriteiten bij dit proces juridische ondersteuning en bijstand te verlenen;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten en de Egyptische autoriteiten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0064.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0092.


Nucleaire dreigingen en mensenrechten in Noord-Korea
PDF 122kWORD 23k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over nucleaire dreigingen en mensenrechten in de Democratische Volksrepubliek Korea (2013/2565(RSP))
P7_TA(2013)0096RC-B7-0132/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de Democratische Volksrepubliek Korea (DVK),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over de DVK van 18 februari 2013,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 825 (1993), 1540 (2004), 1695 (2006) en 1887 (2009),

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en alle relevante internationale mensenrechteninstrumenten, waaronder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, die door de DVK zijn goedgekeurd en geratificeerd,

–  gezien het Verdrag van 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien de relevante resoluties van de VN-Mensenrechtenraad, met name die van 19 maart 2012, aangenomen bij consensus, over de mensenrechtensituatie in de DVK,

–  gezien het verslag van 1 februari 2013 van Marzuki Darusman, de bijzondere rapporteur voor de mensenrechtensituatie in de DVK,

–  gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Raad van de Europese Unie en de VN-Veiligheidsraad hun veroordeling hebben uitgesproken over het feit dat de DVK op 12 december 2012 met behulp van ballistische rakettechnologie een raket heeft gelanceerd en op 12 februari 2013 een kernproef heeft uitgevoerd, hetgeen duidelijk in strijd is met de internationale verplichtingen van de DVK uit hoofde van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad en een ernstige bedreiging van de regionale en internationale vrede en stabiliteit vormt;

B.  overwegende dat de verspreiding van nucleaire, chemische en biologische wapens en hun lanceerinrichtingen een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid is; overwegende dat de DVK in 2003 het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (NPV) heeft opgezegd, sinds 2006 kernproeven uitvoert en in 2009 officieel heeft verklaard een kernwapen te hebben ontwikkeld; overwegende dat het doorzetten van de onwettige nucleaire en ballistische programma's een uitdaging is voor het internationale non-proliferatiestelsel, en regionale spanningen dreigt te vergroten;

C.  overwegende dat dit niet bevorderlijk is voor het doel dat de DVK zegt na te streven, namelijk het vergroten van haar veiligheid; overwegende dat de DVK met haar militair georiënteerde economie ver verwijderd is gebleven van de uitgesproken doelstelling van een sterke en welvarende natie, en de bevolking integendeel met haar bezitsdrang naar massavernietigingswapens en hun lanceerinrichtingen steeds meer in isolement en armoede heeft gedreven;

D.  overwegende dat de DVK onlangs is teruggekomen op het wapenstilstandsakkoord met de Republiek Korea en de hotline tussen Pyongyang en Seoul heeft verbroken; overwegende dat het Koreaanse schiereiland al decennialang spanningen en militaire confrontaties kent; overwegende dat de EU sterk voorstander is van het idee van een kernvrij Koreaans schiereiland en de hervatting van het zespartijenoverleg van essentieel belang acht voor vrede en stabiliteit in de regio;

E.  overwegende dat het regime van de DVK niet heeft samengewerkt met de VN en alle resoluties van de VN-Mensenrechtenraad en de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties inzake de mensenrechten in Noord-Korea heeft verworpen; overwegende dat het regime evenmin heeft samengewerkt met de bijzondere rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in het land, en alle hulp van de Hoge VN-Commissaris voor de rechten van de mens heeft afgewezen;

F.  overwegende dat de Europese Unie de naleving van mensenrechten en democratie wereldwijd verdedigt en bevordert; overwegende dat de mensenrechtensituatie en de humanitaire situatie in de DVK zeer alarmerend zijn; overwegende dat de regering van de DVK geen politieke oppositie, vrije en eerlijke verkiezingen, vrije media, vrijheid van godsdienst, van vereniging of van beweging en collectieve arbeidsovereenkomsten toestaat;

G.  overwegende dat het gerechtelijk apparaat ondergeschikt is aan de staat en de doodstraf voor een breed scala misdaden tegen de staat geldt en in het strafwetboek periodiek wordt uitgebreid, waarbij burgers, met inbegrip van kinderen, worden gedwongen openbare executies bij te wonen; overwegende dat de overheidsautoriteiten stelselmatig overgaan tot buitengerechtelijke executies en willekeurige opsluiting en het doen verdwijnen van mensen – inclusief het ontvoeren van buitenlanders – en meer dan 200 000 mensen vasthouden in gevangenissen en zogenaamde heropvoedingskampen;

H.  overwegende dat de bevolking van de DVK sinds decennia wordt geconfronteerd met een ontwikkelingsachterstand, een gebrekkige gezondheidszorg en ernstige ondervoeding van moeders en kinderen, in een context van politiek en economisch isolement, terugkerende natuurrampen en stijgingen van internationale voedsel- en olieprijzen; overwegende dat grote aantallen burgers honger lijden en in belangrijke mate afhankelijk zijn van internationale voedselhulp; overwegende dat massale voedseltekorten en hongersnood grote gevolgen hebben voor een breed spectrum van mensenrechten; overwegende dat tienduizenden Noord-Koreanen naar China zijn gevlucht en hun land hebben verlaten om aan de alom heersende honger en repressie te ontkomen;

Nucleaire dreiging

1.  staat afkeurend tegenover het feit dat de DVK kernproeven en raketlanceringen uitvoert en verzoekt de DVK met klem geen verdere provocerende stappen te nemen door alle activiteiten rond haar ballistische raketprogramma op te schorten en haar huidige kernprogramma's volledig en onomkeerbaar te beëindigen; vraagt de DVK om het Alomvattende Kernstopverdrag onverwijld te ondertekenen en te bekrachtigen;

2.  veroordeelt de officiële aankondiging van de DVK dat het land zich het recht voorbehoudt om een preventieve aanval met kernwapens uit te voeren; doet een beroep op de DVK om het Handvest van de Verenigde Naties na te leven dat haar leden ertoe verplicht zich te onthouden van dreigingen met of gebruik van geweld tegen een andere staat;

3.  betreurt dat de DVK het niet-aanvalspact met Zuid-Korea heeft herroepen, haar hotline met Seoul heeft verbroken en hun gemeenschappelijke grenspost heeft gesloten, en haar frontlijntroepen in staat van paraatheid heeft gebracht voor een eventuele oorlog; is ingenomen met het feit dat de Raad en de VN-Veiligheidsraad zich op 7 maart 2013 naar aanleiding van de laatste kernproef in een stemming hebben uitgesproken voor strengere sancties; verzoekt de DVK een constructief pad te bewandelen door aansluiting te zoeken bij de internationale gemeenschap en zo bij te dragen tot de regionale stabiliteit en meer welvaart voor de Noord-Koreanen;

4.  dringt er bij de DVK op aan haar eerder gedane toezeggingen voor een moratorium op raketlanceringen te herbevestigen en opnieuw toe te treden tot het non-proliferatieverdrag, dat de hoeksteen van het nucleaire non-proliferatieregime vormt en als basis fungeert voor het streven naar nucleaire ontwapening en het vreedzame gebruik van kernenergie; onderstreept het belang van grotere inspanningen om het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens te versterken; herinnert aan de slotverklaring van de Toetsingsconferentie van het nucleaire Non-Proliferatieverdrag van 2010, waarin uiting wordt gegeven aan diepe bezorgdheid over de rampzalige gevolgen van het gebruik van kernwapens en wordt herbevestigd dat alle staten te allen tijde de toepasselijke internationale wetgeving moeten naleven, inclusief het internationale humanitaire recht;

5.  pleit uitdrukkelijk voor een diplomatieke en politieke oplossing voor de Noord-Koreaanse nucleaire kwestie; verklaart andermaal het zespartijenoverleg te steunen en verlangt dat dit overleg wordt hervat; dringt bij alle deelnemers aan het zespartijenoverleg aan op méér inspanningen; roept de DVK ertoe op opnieuw op constructieve wijze met de internationale gemeenschap te gaan praten, en in het bijzonder met de leden van het zespartijenoverleg, en wel met het oog op duurzame vrede en veiligheid op een kernwapenvrij Koreaans schiereiland, als de beste wijze om een welvarender en stabielere toekomst voor de DVK te verzekeren;

6.  vraagt de Volksrepubliek China, als permanent lid van de VN-Veiligheidsraad en voornaamste handelspartner van de DVK, haar invloed op dat land aan te wenden en te proberen verdere escalatie van de situatie te voorkomen, en wijst erop dat de Volksrepubliek China resolutie 2094 (2013) van de VN-Veiligheidsraad heeft gesteund; neemt kennis van de consensus tussen de leden van de VN-Veiligheidsraad in hun reactie op de recente kernproef van de DVK;

7.  onderstreept in dit verband dat de wereldwijde inspanningen voor nucleaire ontwapening moeten worden opgevoerd; roept op tot het treffen van maatregelen voor het creëren van vertrouwen;

Mensenrechten

8.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de erger wordende schendingen van de mensenrechten in de DVK, die door eerdere en de huidige speciale rapporteur van de VN voor Noord-Korea zijn omschreven als flagrant, wijdverspreid en systematisch en als ernstiger dan waar ook ter wereld, en die mogelijkerwijs beschouwd kunnen worden als misdaden tegen de menselijkheid; roept de DVK ertoe op om een zinvolle dialoog over de mensenrechten aan te gaan met de EU;

9.  verzoekt de regering van de DVK haar verplichtingen uit hoofde van de mensenrechteninstrumenten waarbij het land partij is na te komen en erop toe te zien dat humanitaire organisaties, onafhankelijke mensenrechtenwaarnemers en de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie van de DVK toegang hebben tot het land en de noodzakelijke medewerking krijgen;

10.  is ingenomen met de oprichting van een VN-onderzoekscommissie voor de DVK, zoals voorgesteld door de Europese Unie en Japan;

11.  vraagt de overheid om een moratorium op alle terechtstellingen en de afschaffing van de doodstraf in de nabije komst; verzoekt de DVK een einde te maken aan buitengerechtelijke executies en onvrijwillige verdwijningen, politieke gevangenen vrij te laten en haar burgers toe te staan vrij te reizen, zowel in Noord-Korea zelf als naar het buitenland; verzoekt de DVK vrije meningsuiting en persvrijheid voor nationale en internationale media toe te staan en haar burgers ongecensureerde toegang tot het internet te verlenen;

12.  spreekt zijn bijzondere bezorgdheid uit over de ernst van de voedselsituatie in het land en de gevolgen daarvan voor de economische, sociale en culturele rechten van de bevolking; verzoekt de Europese Commissie de huidige humanitaire hulpprogramma's en de communicatiekanalen met de DVK in stand te houden en erop toe te zien dat de goederen veilig aankomen bij het beoogde deel van de bevolking; vraagt de autoriteiten van de DVK ervoor te zorgen dat alle burgers conform de humanitaire beginselen naargelang hun behoefte toegang krijgen tot voedsel- en humanitaire hulp;

o
o   o

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU inzake de mensenrechten, de regering van de Democratische Volksrepubliek Korea, de regering van de Republiek Korea, de regering van de Volksrepubliek China, de speciale rapporteur van de VN inzake de mensenrechtensituatie in de DVK en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.


De Betrekkingen EU-China
PDF 180kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over de betrekkingen EU-China (2012/2137(INI))
P7_TA(2013)0097A7-0434/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de diplomatieke betrekkingen tussen de EU en China die in mei 1975 zijn aangeknoopt,

–  gezien het voornaamste rechtskader voor de betrekkingen met China, namelijk de handels- en economische samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en China van mei 1985(1), die betrekking heeft op de economische en handelsrelaties en het samenwerkingsprogramma EU-China,

–  gezien de onderhandelingen over een nieuwe partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst die sinds 2007 worden gevoerd,

–  gezien het in 2003 gelanceerde strategische partnerschap EU-China,

–  gezien de gestructureerde EU-China politieke dialoog, die officieel is ingevoerd in 1994, en de strategische dialoog op hoog niveau over strategische kwesties en kwesties inzake buitenlands beleid, ingevoerd in 2010,

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 24 oktober 2006 aan de Raad en het Europees Parlement „EU – China: Hechtere partners, groeiende verantwoordelijkheden” (COM(2006)0631),

–  gezien de beleidsnota van de Commissie „Op weg naar een volwassen partnerschap: gezamenlijke belangen en taken in de betrekkingen tussen de EU en China” (COM (2003) 0533), die is bekrachtigd door de Europese Raad op 13 oktober 2003,

–   gezien de beleidsrichtsnoeren voor Oost-Azië van de Raad,

–  gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 11-12 december 2006 getiteld „Strategisch partnerschap EU-China”,

–  gezien het strategiedocument van de Commissie voor China 2007-2013, het indicatief meerjarenprogramma 2011-2013, en de tussentijdse evaluatie van het strategiedocument en de herziening van het meerjarig indicatief programma 2011-2013 van 2010,

–  gezien het allereerste beleidsdocument van China over de EU van 13 oktober 2003,

–  gezien de EU-China dialoog over de mensenrechten, gestart in 1995, en gezien de laatste twee rondes van de dialoog, de 30e ronde gehouden in Peking op 16 juni 2011 en de 31e ronde gehouden te Brussel op 29 mei 2012,

–  gezien de bijna 60 sectorale dialogen die tussen China en de Europese Unie lopen met betrekking tot onder meer het milieu, regionaal beleid, werkgelegenheid en sociale zaken, en het maatschappelijk middenveld,

–  gezien de instelling in februari 2012 van de intermenselijke dialoog op hoog niveau tussen de EU en China, die als kader dient voor alle gezamenlijke initiatieven van de EU en China op dit gebied,

–  gezien de overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de EG en China van december 1998, die in werking is getreden in 2000(2) en is vernieuwd in 2004 en 2009, de partnerschapsovereenkomst inzake wetenschap en technologie van 20 mei 2009, en de gezamenlijke verklaring EG-China over samenwerking op energiegebied van 8 december 2010,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst met China voor het satellietnavigatieprogramma Galileo van de EU, getekend op 30 oktober 2003,

–  gezien de 15e top EU-China, die heeft plaatsgevonden op 20 september 2012 in Brussel, en de gezamenlijke verklaring die aan het slot van de top is afgelegd,

–  gezien het partnerschap EU-China inzake klimaatverandering en de gemeenschappelijke verklaring over klimaatverandering van de 8e top EU-China in september 2005,

–  gezien de gezamenlijke verklaring over energiezekerheid van de EU en China van 3 mei 2012 in Brussel en gezien de 5e bijeenkomst van de Energiedialoog tussen de EG en China in november 2011,

–  gezien de China-EU rondetafelconferenties,

–  gezien het 18e Nationaal Congres van de Communistische Partij van China, dat van 8 tot 14 november 2012 plaatsvond, en de veranderingen in de leiding van het Permanent Comité van het Politburo waartoe het congres heeft besloten,

–  gezien zijn meest recente interparlementaire bijeenkomst met China, die heeft plaatsgevonden op 11 en 12 juli 2012 in Brussel,

–   gezien zijn recente resoluties over China, met name de resoluties van 23 mei 2012, getiteld „EU en China: handelsonevenwicht?”(3), van 2 februari 2012 over het buitenlands beleid van de EU ten aanzien van de BRIC-landen en andere opkomende wereldmachten: doelstellingen en strategieën(4), en van 12 september 2012 over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)(5),

–  gezien zijn resoluties van 7 september 2006 over de betrekkingen tussen de EU en China(6) en van 5 februari 2009 over de economische en handelsbetrekkingen met China(7),

–  gezien zijn resoluties van 21 januari 2010 over schendingen van de mensenrechten in China, met name de zaak van Liu Xiaobo(8), van 10 maart 2011 over de situatie en het cultureel erfgoed in Kashgar (Autonome Regio Xinjiang Oeigoer, China)(9), van 7 april 2011 over de het geval van Ai Weiwei(10), van 5 juli 2012 over het schandaal van gedwongen abortussen in China(11), van 26 november 2009 over China: de rechten van minderheden en de toepassing van de doodstraf(12), van 16 december 2010 over het jaarverslag over de mensenrechten in de wereld in 2009 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(13),

–  gezien het na de gebeurtenissen op het Tiananmen-plein in juni 1989 ingestelde wapenembargo van de EU, dat door het Parlement werd gesteund in zijn resolutie van 2 februari 2006 over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het gemeenschappelijk en buitenlands veiligheidsbeleid(14),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 juli 2005 over de betrekkingen tussen de EU, China en Taiwan en de veiligheid in het Verre Oosten(15),

–  gezien zijn eerdere resoluties over Tibet en de situatie van de mensenrechten in China, in het bijzonder zijn resoluties van 25 november 2010 over Tibet: plannen om het Chinees tot voornaamste onderwijstaal te maken(16), van 27 oktober 2011 over Tibet, met name zelfverbranding door nonnen en monniken(17), en van 14 juni 2012 over Tibet: de situatie van de mensenrechten(18),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0434/2012),

A.  overwegende dat het strategisch partnerschap EU-China van groot belang is voor de betrekkingen tussen de EU en China, en verder overwegende dat deze betrekkingen van groot belang zijn voor het vinden van antwoorden op wereldwijde problemen, zoals de mondiale en regionale veiligheid, de economische crisis, de regulering van het mondiale financiële en marktstelsel, de energiebevoorradingszekerheid, massavernietigingswapens en nucleaire non-proliferatie, klimaatverandering, de economische en sociale ontwikkeling van een markteconomie, de bevordering van de democratie en de mensenrechten, de bestrijding van georganiseerde misdaad, terrorisme en piraterij, alsook als kader voor het aanpakken van bilaterale kwesties tussen de EU en China;

B.  overwegende dat een strategisch partnerschap alleen mogelijk is indien sprake is van wederzijdse verantwoordelijkheid en een goed onderling vertrouwen, en dient te stoelen op universele waarden;

C.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en China zich sinds de ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst EU-China in 1985 sterk hebben ontwikkeld; overwegende dat de Commissie in 2006 haar centrale beleidsstrategie ten opzichte van China heeft aangenomen en in het kader daarvan in januari 2007 onderhandelingen is begonnen over een alomvattend partnerschaps- en samenwerkingsakkoord, teneinde de betrekkingen tussen de EU en China met name op het gebied van handel en investeringen verder te verbeteren;

D.  overwegende dat China een sociaal-economisch overgangsproces doormaakt van een uitgebreid model van een door de staat gecontroleerde economie naar een model gebaseerd op meer economische vrijheid, waardoor voor een groot deel van de Chinese bevolking een verhoging van de levensstandaard mogelijk is geworden;

E.  overwegende dat er evenwel geen soortgelijke vooruitgang is geboekt op het gebied van politieke vrijheden;

F.  overwegende dat de rechten van de mens universeel, onvervreemdbaar, ondeelbaar en onderling afhankelijk zijn; overwegende dat China meer gericht is op de economische en sociale rechten van de mens (zoals voedsel, kleding, economische ontwikkeling), terwijl de EU een bredere benadering heeft van de rechten van de mens, en daaronder uitdrukkelijk de burger en politieke rechten rekent (bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting, godsdienst, vereniging);

G.  overwegende dat Chinese burgerrechtactivisten hebben gerapporteerd over hun vrijheidsberoving toen zij onder begeleiding van de politie gedurende een aantal maanden verdwenen, zonder arrestatiebevel of aanklacht, en zonder enig contact met hun familie of rechtsbijstand;

H.  overwegende dat president Hu Jintao het hoogste niveau van de rechterlijke macht reeds in 2007 heeft opgedragen dat de rechters zich moeten laten leiden door drie 'soevereine machten': de partij, het volk en de wet, in deze volgorde, en dat het Chinese Ministerie van Justitie in maart 2012 heeft gedecreteerd dat alle advocaten een eed van trouw aan de Chinese communistische partij (CCP) moeten afleggen om hun vergunning te verkrijgen of te vernieuwen;

I.  overwegende dat het schokkende nieuws van half juni 2012 over de uiterst wrede gedwongen abortus van de ongeboren dochter van de zeven maanden zwangere Feng Jianmei de discussie over de afschaffing van de officiële eenkindpolitiek opnieuw heeft doen oplaaien;

J.  overwegende dat ondanks de vooruitgang van de Chinese overheid met de bevordering van een aantal economische en sociale rechten, de uitoefening van de rechten van vrije meningsuiting, vereniging, vergadering, pers en van de toetreding tot de vakbonden consequent wordt onderdrukt; overwegende dat mensenrechtenorganisaties ernstige schendingen van de mensenrechten door de Chinese autoriteiten blijven rapporteren, waaronder de veroordeling van bekende dissidenten, zoals de gevangen Nobelprijswinnaar voor de vrede Liu Xiaobo, uitgebreide beperkingen van de media- en internetvrijheid, aangescherpt toezicht op en intimidatie van advocaten, mensenrechtenactivisten en niet-gouvernementele organisaties, uitgebreide controle en onderdrukking van Oeigoeren, Tibetanen en hun vrijheden, en een toenemend aantal gedwongen verdwijningen en willekeurige detenties, ook in geheime, illegale detentiecentra die bekend staan als de „zwarte gevangenissen”; overwegende dat het repressieve beleid tegen de fundamentele vrijheden van Tibetanen in de afgelopen jaren heeft geleid tot een zorgwekkend aantal zelfverbrandingen;

K.  overwegende dat China een staat is die zich aangesloten heeft bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) en een permanent lid is van de VN-Veiligheidsraad; overwegende dat China door deze status de bijzondere plicht heeft om zijn internationale juridische verplichtingen uit hoofde van het ICCPR en het Handvest van de Verenigde Naties na te komen;

L.  overwegende dat Hu Jia, winnaar van de Sacharovprijs 2008, nog altijd onder huisarrest staat en onder uitgebreide controle en met beperkte communicatie;

M.   overwegende dat de Chinese staat slechts vijf religies erkent, namelijk het boeddhisme, het taoïsme, de islam en het christendom (zowel het katholicisme en het protestantisme); overwegende dat al deze religies gecentraliseerd bestuursorganen hebben met hun hoofdkantoor in Peking en ambtenaren die loyaal aan de CCP zijn; overwegende dat de CCP religieuze leiders benoemt en niet-goedgekeurde religieuze groeperingen, zoals Falun Gong, sinds 1999 heeft verboden als doel de uitroeiing van de praktijk; overwegende dat in vervolg op dit gebod mensenrechtenorganisaties melding hebben gemaakt van buitenwettelijke dwangmaatregelen, zoals willekeurige arrestaties, dwangarbeid en fysieke marteling, met soms de dood tot gevolg;

N.  overwegende dat de Autonome regio Tibet en andere autonome Tibetaanse regio's, en de Oeigoerse Autonome regio Xinjiang belangrijke gebieden voor de regionale, militaire en economische ambities van China zijn geworden en daarom door de huidige Chinese regering als centrale kwesties op het gebied van de 'territoriale integriteit' worden beschouwd; overwegende dat sinds 2009 ten minste 90 Tibetanen zich door zelfverbranding om het leven hebben gebracht in de Tibetaanse gebieden van de Volksrepubliek China, met inbegrip van de Tibetaanse Autonome Regio (TAR) en de Tibetaanse Autonome Gebieden in de provincies Gansu, Sichuan en Qinghai;

O.  overwegende dat de openstelling van de Chinese economie weliswaar grote voordelen heeft opgeleverd, zoals betere toegang tot de arbeidsmarkt en een daling van de werkloosheid op het platteland, maar dat niet alle lagen van de Chinese bevolking in gelijke mate van de sterke economische groei in het land hebben geprofiteerd en dat er grote verschillen tussen de stedelijke en de plattelandsgebieden van het land ontstaan;

P.  overwegende dat ongelijkheid in inkomen, toegang tot de arbeidsmarkt, sociale zekerheid, gezondheid en onderwijs tussen de stedelijke en de plattelandsbevolking een aanzienlijke uitdaging voor het beleid op het gebied van maatschappelijke samenhang voor China betekent;

Q.  overwegende dat de samenwerking tussen de EU en China op het gebied van wetenschap en technologie een zaak van gemeenschappelijk belang is; overwegende dat het internetgebruik in China enorm is toegenomen en er nu meer dan 500 miljoen gebruikers zijn, waardoor een publieke opinie online wordt gecreëerd; overwegende dat de internetomgeving desalniettemin zeer beperkt blijft;

R.  overwegende dat de EU de belangrijkste toeristische bestemming in de wereld is, dat naar verwachting 100 miljoen Chinezen tussen nu en 2020 buiten hun eigen land zullen gaan reizen en dat het dus zaak is initiatieven te ondersteunen die erop gericht zijn deze nieuwe toeristische stromen aan te boren;

S.  overwegende dat China de grootste kooldioxide-uitstoot ter wereld heeft en de emissies nog steeds snel toenemen; overwegende dat de CO2-uitstoot van China per hoofd van de bevolking 6,8 ton bedraagt in 2010 en naar verwachting de emissie per inwoner van VS al in 2017 zal inhalen;

T.  overwegende dat China zijn inspanningen met betrekking tot de op de markt gebaseerde systemen voor de handel in emissierechten opvoert; overwegende dat China in dit verband zeven proefprojecten uitvoert met als doel de invoering van een nationale regeling voor de emissiehandel in 2015;

U.  overwegende dat de 21e eeuw getuige is van de terugkeer van China als economische en handelsmacht op het wereldtoneel, dankzij de snelle groei van zijn economische macht en ondoorzichtige militaire opbouw;

V.  overwegende dat de EU zich in de context van de betrekkingen tussen de Volksrepubliek China en Taiwan aan haar één-China-beleid houdt;

W.  overwegende dat de positieve rol van de Volksrepubliek China in Zuidoost-Azië met betrekking tot de economische regionale groei en dynamiek steeds meer wordt overschaduwd door territoriale geschillen in de Zuid-Chinese Zee met Vietnam, Maleisië, Indonesië, Brunei, de Filippijnen en Taiwan, en in de Oost-Chinese Zee met Japan en Taiwan - gebieden die alle rijk zijn aan vis, maar ook aan olie- en gasreserves;

X.  overwegende dat China nauwe betrekkingen onderhoudt met Noord-Korea, waarbij Noord-Korea economisch grotendeels afhankelijk is van China, met een instroom van Chinees geld en toeristen die van vitaal belang zijn voor het voortbestaan van het regime van Pjongjang in zijn huidige vorm;

Y. overwegende dat China met Rusland, vier Centraal-Aziatische landen (Kazachstan, Kirgizstan, Tadzjikistan en Oezbekistan) en vier waarnemerslanden (India, Iran, Mongolië en Pakistan) samenwerkt in de Samenwerkingsorganisatie van Sjanghai (SCO); overwegende dat de komende tien jaar de Chinese investeringen in Centraal-Azië zullen stijgen van 20 miljard tot 100 miljard dollar, zoals is verklaard op de SCO-top in Peking op 6 juni 2012;

Z.  overwegende dat de nauwer wordende betrekkingen tussen Peking en Washington, in combinatie met de sterke financieel-economische banden tussen beide landen, tot de werkelijk belangrijke bilaterale banden in de wereld horen; overwegende dat Europa de belangrijkste handelspartner van China is;

AA.  overwegende dat nergens ter wereld de explosieve groei van China zichtbaarder is dan in Afrika en Latijns-Amerika; overwegende dat dit met name blijkt uit de indrukwekkende stijging met 80% van het onderlinge handelsvolume van China en Afrika, dat volgens cijfers van het Chinese Ministerie van Handel tussen 2009 en 2011 met 80% gestegen is tot USD 166,3 miljard; overwegende dat de Chinese directe investeringen in Afrika in 2011 met 58,9% zijn gestegen tot USD 1,7 miljard; overwegende dat de Chinese belangen in Afrika duidelijk worden wanneer men kijkt naar de belangrijke ontwikkelingsprojecten waarbij het land betrokken is, zoals spoorwegen, wegen en projecten op het gebied van sociaal welzijn;

Strategisch partnerschap EU-China en samenwerking met China

1.  schaart zich achter de publieke verbintenis die de EU en China tijdens hun Strategische Dialoog op hoog niveau van 9-10 juli 2012 in Peking zijn aangegaan om een goed voorbeeld van internationale samenwerking in de 21e eeuw te geven, gebaseerd op gedeelde belangen en onderling begrip; ondersteunt en stimuleert de bijna 60 sectorale dialogen tussen de EU en China in de overtuiging dat een verbeterde en sterk ontwikkelde samenwerking tot wederzijds voordeel zal strekken voor zowel de EU als China; dringt evenwel aan op intensivering van de dialoog op de gebieden mensenrechten, het milieu, veiligheid, energie en, in het bijzonder, de bestrijding van namaak, gezien de gevolgen ervan voor de gezondheid en de veiligheid; moedigt in het bijzonder inspanningen aan om actief naar synergieën te streven tussen het 12e Vijfjarenplan van China en de 2020-strategie van de Unie, met het oog op een verdieping van de pragmatische samenwerking op diverse gebieden; is daarnaast van mening dat het concept 'strategisch partnerschap' nauwkeuriger moet worden gedefinieerd; dringt erop aan dat de groei van de economische en handelsbetrekkingen met China gepaard gaat met aanzienlijke vooruitgang in de politieke dialoog over de mensenrechten en de rechtsstaat;

2.  verwacht dat de lidstaten de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO), en in het bijzonder zijn delegatie in Peking, een duidelijk mandaat zullen geven om het strategisch partnerschap EU-China te versterken door eensluidende standpunten in te nemen ten aanzien van de Chinese overheid, en zich te onthouden van de uitvoering van bilaterale initiatieven op het gebied van het buitenlandse beleid, die de inspanningen van de EDEO in gevaar kunnen brengen; vraagt de EU ten aanzien van China een langetermijnstrategie te ontplooien en zo te zorgen voor operationele coördinatie, zowel tussen de instellingen van de EU onderling, als tussen de EU en de lidstaten; verwacht van de Chinese autoriteiten op alle politieke niveaus dat zij het strategisch partnerschap EU-China versterken door een consistente en transparante toepassing van wederzijdse en internationale afspraken en regels;

3.  is verheugd over de afspraken die tijdens de 15e EU-China-top van 20 september 2012 in Brussel zijn gemaakt; dringt erop aan dat deze spoedig in de praktijk worden gebracht en uitgevoerd, hetgeen een versterking zou betekenen van de betrekkingen tussen de Unie en China;

4.   is ook verheugd over de afspraken die tijdens de 15e top EU-Chinazijn gemaakt, in het bijzonder betreffende onderhandelingen over een investeringsovereenkomst en over een regelmatige dialoog over defensie- en veiligheidskwesties;

5.  is van mening dat de betrekkingen tussen de EU en China, zowel op economisch en handelsgebied als inzake culturele en maatschappelijke vraagstukken, een van de belangrijkste factoren voor de ontwikkeling en verbetering van beide samenlevingen kunnen zijn en beschouwt deze samenwerking daarom als essentieel voor de belangen van beide partijen;

6.   is ingenomen met de start en de geslaagde eerste ronde van de intermenselijke dialoog op hoog niveau tussen de EU en China; uit zijn voldoening over de voortgang en resultaten van het Jaar van de Interculturele Dialoog EU-China, en neemt nota van de overeenkomst die op de 15e top EU-China is bereikt over een reeks vervolgacties op verschillende gebieden zoals onderwijs, cultuur, meertaligheid en jeugd;

7.  verzoekt de Commissie, de Raad en de bevoegde Chinese autoriteiten om samen met het Parlement de toeristische stromen vanuit China naar de EU te vergemakkelijken, door de visumprocedures voor Chinese staatsburgers te harmoniseren en te versnellen, in het bijzonder voor zakenmensen en congresgangers;

8.  is ingenomen met de oproep van beide partijen tijdens de 15e Top EU-China voor de lancering van een alomvattende dialoog EU-China op het juiste niveau over mobiliteit en migratie, en met de wederzijdse inzet om te blijven zoeken naar manieren om uitwisseling voor Chinese en EU-burgers te vergemakkelijken, met inbegrip van een wederzijdse vrijstelling van de visumplicht voor houders van een diplomatiek paspoort;

9.  onderstreept dat China niet alleen de tweede economie van de wereld is en de grootste exporteur in de wereldeconomie, maar ook een steeds belangrijkere politieke macht;

Binnenlandse situatie

10.  benadrukt dat China in de afgelopen decennia belangrijke sociale vorderingen heeft bereikt; onderstreept dat een dergelijke verbetering van de levensstandaard voor zo'n enorm land in zo'n korte tijd uniek is in de geschiedenis; merkt op dat de economische groei in China sinds 1990 meer dan een half miljard mensen uit de armoede heeft getild;

11.  is verheugd over het 12e Vijfjarenplan (2011-2015), goedgekeurd door het Nationale Volkscongres in maart 2012, dat een sterke aanpak beoogt van de negatieve neveneffecten van een ongekende periode van aanhoudend hoge economische groei, zoals de acute bedreigingen voor het milieu, regionale ongelijkheid, stijgende inkomensongelijkheid en voortgezette collectieve protesten rond sociale, economische en juridische grieven;

12.  wijst erop dat het belangrijk is om raakvlakken tussen de EU 2020-strategie en het Chinese 12e Vijfjarenplan te zoeken;

13.  verwelkomt het succesvolle Chinese economisch beleid, maar deelt de kritiek van onafhankelijke Chinese deskundigen en waarnemers dat deze trend ernstig wordt bedreigd door corruptieschandalen, een gebrek aan transparantie, en een 'rode aristocratie' van naaste familieleden van de voormalige en huidige partijleiders, die beschikken over enorme fortuinen dankzij hun politieke en economische connecties, een ernstige situatie die onlangs in de schijnwerpers kwam door de Bo Xilai-affaire;

14.  ziet uit naar de spoedige uitvoering van de herhaalde oproepen tot democratisering en politieke hervormingen binnen de CCP door het nieuwe leiderschap van de partij; is van mening dat alleen effectieve politieke hervormingen gericht op de vorming van inclusieve, democratische en verantwoordelijke instellingen, die de etnische, religieuze, politieke en sociale diversiteit van China weerspiegelen, de weg kunnen effenen voor duurzame groei en stabiliteit, en een eind kunnen maken aan de semi-onafhankelijke positie van autoritaire provinciale, districts- en lokale partijbazen, die de reputatie van China's nationale leiderschap zowel intern als extern ernstig schaden met hun machtsmisbruik, waarbij in het bijzonder wordt verwezen naar de uiterst kostbare en endemische gevallen van corruptie; is van oordeel dat dit soort gevallen moeten worden aangepakt door de introductie van mechanismen voor het afleggen van rekenschap, zoals onderkend door voorzitter Hu Jintao tijdens het 18e congres van de CCP in november 2012;

15.  deelt en steunt de krachtige afwijzing door Chinese advocaten van een verplichte eed van trouw aan de CCP met als argument dat het een aanval is op het gerechtelijk systeem in flagrante tegenspraak met de internationale rechtsnormen, omdat elke advocaat een eed zou moeten afleggen op de grondwet en geen trouw zou moeten zweren aan een politieke partij of organisatie;

16.  onderstreept dat, hoewel gedwongen abortussen strikt verboden zijn in China, ambtenaren van de gezinsplanning herhaaldelijk vrouwen dwingen tot onmenselijke praktijken zoals gedwongen abortus of sterilisatie; veroordeelt de zogenaamde 'heffing voor sociaal onderhoud', een vaak exorbitante boete die ouders moeten betalen in het geval van meer geboorten, zoals het geval was in de tragedie van Feng Jianmei; wijst erop dat uit officiële statistieken blijkt dat in 2011 8 400 klachten zijn binnengekomen over misdragingen door ambtenaren van de gezinsplanning; steunt de roep in China om beëindiging van de éénkindpolitiek met zijn vele achterdeurtjes, in het bijzonder in het licht van de demografische ontwikkeling in China, en benadrukt de ernstige schadelijke sociale en psychologische effecten ervan, zoals sociale scheefgroei, een groter wordende genderongelijkheid, een algemeen verspreid negatief sentiment over de geboorte van een meisje en het nog altijd groter wordende onevenwicht tussen het aantal jongens en meisjes, dat 'kleine keizertjes' creëert, de traditionele gezinsstructuur verstoort en de opname van jonge mensen op de arbeidsmarkt negatief beïnvloedt; dringt er bij de Chinese leiders op aan een oplossing voor dit probleem als een topprioriteit te beschouwen;

17.  neemt nota van de felle protesten van de werknemers van het bedrijf Foxconn en dringt aan op eerbiediging van de rechten van de werknemers; steunt de strijd voor behoorlijke lonen en arbeidsomstandigheden;

18.  is ingenomen met China's inspanningen om uiterlijk in 2015 een landelijk systeem van emissiehandel tot stand te brengen, dat in de toekomst kan worden geïntegreerd met andere koolstofhandelssystemen, met name het emissiehandelssysteem van de EU; merkt echter op dat China nog niet een volledig functionerende volwassen markteconomie heeft, hetgeen een duidelijke voorwaarde is voor een goed functionerend systeem voor emissiehandel;

19.  dringt er bij de Chinese regering op aan de meting van verontreinigende stoffen en emissies uit te breiden om het gebrek aan betrouwbare koolstofemissiegegevens te verhelpen, een betere juridische infrastructuur in te voeren en de capaciteitsopbouw op bestuurlijk niveau te vergroten; verwelkomt in dit verband de financieringsovereenkomst tussen de EU en China van 20 september 2012 ter bevordering van het milieu, de overgang naar een koolstofarme economie en een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in China;

20.  neemt kennis van het besluit van het bestuurshoofd van Hong Kong om de uitvoering van een controversieel nationaal onderwijsprogramma na massale demonstraties en wijdverspreide oppositie niet af te dwingen; dringt er bij de autoriteiten in Peking op aan het principe van „één land, twee systemen” volledig te eerbiedigen, in overeenstemming met de overeenkomst die is gesloten vóór de overdracht van de voormalige Britse kolonie aan de Volksrepubliek China; is verheugd over de hoge opkomst bij de recente verkiezingen van de Wetgevende Raad en verwacht dat het algemeen kiesrecht voor de verkiezing van de leden van deze vergadering op de kortst mogelijke termijn wordt ingevoerd;

Mensenrechten en democratie

21.  bewondert en steunt de moed en het activisme van de Chinese burgers die blijk geven van maatschappelijke verantwoordelijkheid door universeel erkende sociale en mensenrechten te bevorderen en te verdedigen, en alom bekende maatschappelijke gevaren en/of strafbare feiten, zoals corruptie, ambtsmisbruik, milieuschade, aidsbesmetting, voedselvergiftiging, bouwfraude met betrekking tot scholen, en illegale onteigening van grond en onroerend goed, die vaak door plaatselijke partijfunctionarissen worden gepleegd, aan de kaak te stellen en te corrigeren; hekelt alle gevallen van officiële represailles tegen deze Chinese burgers; dringt er bij de Chinese leiders op aan de burgerlijke verantwoordelijkheid voor de naleving van de sociale mensenrechten aan te moedigen en officieel vervolgde en gestrafte verdedigers van deze rechten te rehabiliteren; herinnert de Chinese leiders eraan dat zij zich strikt aan de nationale en internationale mensenrechtenwetgeving dienen te houden;

22.  steunt krachtig de kritische opmerkingen van de Chinese advocaten en juristen dat de vernederende detentie van verdachten van meer dan 15 dagen in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), dat China in oktober 1998 heeft ondertekend; maakt zich zorgen over het feit dat de Chinese regering nog altijd weigert het internationale verdrag inzake politieke rechten en burgerrechten te ratificeren; betreurt het feit dat volgens de nieuwe wet van strafvordering van 2013 de politie en staatsveiligheidsautoriteiten een verdachte zelfs meer dan 14 maanden kunnen vasthouden zonder bijstand van een advocaat; steunt ten volle de kritiek van Chinese juristen dat de politie de mogelijkheid heeft niet alleen om verdachten onder huisarrest te houden, maar ook om ze vast te houden krachtens een „arrestatie op een bepaalde plaats”; steunt alle initiatieven van Chinese juristen om de wet van strafvordering van de Volksrepubliek China echt te hervormen;

23.  dringt er bij China op aan te voldoen aan sociale minimumnormen; onderstreept dat het belangrijk is alle regels van de ILO, inclusief de regels die betrekking hebben op het recht op de vrije oprichting van onafhankelijke vakbonden, na te leven en snel uit te voeren; verwelkomt in dit verband de uitvoering van het arbeidscontractenrecht en dringt er op aan dat het wetgevingskader wordt aangevuld met een wet inzake collectieve arbeidsovereenkomsten; dringt er bij de Chinese autoriteiten en de Europese investeerders en bedrijven die actief zijn in China op aan om de internationale arbeidsnormen te eerbiedigen, en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en de naleving van de mensenrechten in China te waarborgen; is van mening dat de EU geen toegang tot de markt moet toestaan voor goederen die zijn geproduceerd met kinderarbeid of in productiefaciliteiten die de internationale arbeidsnormen en de mensenrechten ernstig schenden, zoals gevangeniswerkkampen;

24.  is van mening dat de onevenwichtigheden in de handel tussen de EU en China de bestaande verschillen qua maatschappelijk, economisch en democratisch model weerspiegelen; is van mening dat ook de niet-bestaande of gebrekkige naleving van bepaalde rechten in China hiertoe bijdraagt; acht het van belang dat een strategie wordt uitgewerkt voor de dialoog met China, waarbij van start wordt gegaan met de arbeidsmarktvraagstukken;

25.  vreest dat het aantal executies van gevangenen krachtens de Chinese doodstrafwetgeving, alsook de haast waarmee hun proces en daaropvolgende executie worden uitgevoerd, indruisen tegen de geest van het mensenrecht op een vrij en eerlijk proces, daar bij de snelheid die door de Chinese autoriteiten wordt toegepast procedurefouten en andere fouten over het hoofd gezien kunnen worden en dit kan leiden tot de executie van onschuldige mensen; is van mening dat de toepassing van de doodstraf in een ondoorzichtige gerechtelijk systeem, waarin volledige transparantie ontbreekt en de rechten van de gevangene nog steeds niet ontwikkeld zijn, een ernstige fout is; vraagt de Chinese autoriteiten hun beleid ten aanzien van de doodstraf te heroverwegen;

26.  onderstreept dat het strategisch partnerschap tussen de EU en China onder andere betrekking heeft op persvrijheid op basis van wederkerigheid, hetgeen inhoudt persvrijheid voor de Chinese media in Europa en persvrijheid voor de Europese media in China; verwacht van alle Europese instellingen dat zij dit fundamentele mensenrechtenbeginsel in hun contacten met hun Chinese (gespreks)partners krachtig verdedigen;

27.  betreurt het dat de Chinese autoriteiten toezicht en censuur uitoefenen op het internet; merkt bezorgd op dat de Chinese regering bezig is het toezicht op het internet te verscherpen door middel van een nieuwe wet die een verbod inhoudt op verraad van staatsgeheimen, het schaden van de nationale trots, het in gevaar brengen van de etnische eenheid van het land of het oproepen tot 'illegale protesten' of 'massabijeenkomsten'; constateert dat hiermee de deur open wordt gezet voor ongebreidelde censuur of vervolging; is bezorgd over het gebrek aan waarborgen in de nieuwe wet, waardoor de mogelijkheid bestaat dat er misbruik van wordt gemaakt; onderstreept dat de termen „illegale protesten” en „massabijeenkomsten” alleen gebruikt zouden moeten worden in situaties waarin een effectieve wet bestaat voor vreedzame en wettige protesten; moedigt de Chinese regering aan om de uiting van allerlei meningen op het internet, in de media en, meer in het algemeen, in de publieke sfeer toe te laten; herinnert eraan dat het recht op vrije meningsuiting op het internet onlangs door de VN-Mensenrechtenraad is erkend;

28.  maakt zich zorgen over de inwerkingtreding van nieuwe bepalingen inzake controle van het internet, die de sluiting van blogs legaliseren, maar ook in zware straffen voorzien voor bloggers, journalisten en advocaten die hen verdedigen;

29.  benadrukt dat in een land met meer dan 500 miljoen internetgebruikers, digitale vrijheden de enige weg zijn naar een bloeiende en ontwikkelde cyberspace; dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan de enorme cyberruimte die in hun land is ontwikkeld zowel veilig te stellen als te beschermen en hun inspanningen te richten op verbetering hiervan en niet op censuur en controle;

30.  erkent de belangrijke inspanningen van de Chinese regering om Tibet en Xinjiang economisch te ontwikkelen en de impact hiervan op nomadengemeenschappen en traditionele bestaanswijzen; dringt er bij de Chinese regering op aan op een politiek verantwoorde manier te handelen door de Tibetaanse en Oeigoerse bevolking op zinvolle wijze te betrekken bij bestuurskwesties zoals het beheer van hulpbronnen en het vaststellen van prioriteiten voor economische ontwikkeling, en culturele aspecten zoals taal en godsdient te respecteren in plaats van uit te wissen; wijst er met klem op dat de Chinese regering geen duurzame stabiliteit in Tibet of Xinjiang, of wederzijds respect tussen Chinezen, Tibetanen en Oeigoeren, tot stand zal kunnen brengen middels gedwongen assimilatie, culturele vernietiging en/of onderdrukking door de politie en veiligheidstroepen, maar alleen middels aandacht voor alle klachten van de inheemse bevolkingsgroepen, teneinde op die manier een daadwerkelijke gedeelde verantwoordelijkheid te creëren voor het welzijn van beide autonome provincies; dringt er bij de Chinese regering op aan een einde te maken aan het verbod voor onafhankelijke waarnemers om naar de regio's te komen;

31.  benadrukt dat er, ondanks een beleid van harde repressie, een religieuze opleving in China plaatsvindt, die blijkt uit de heropening of wederopbouw van talloze gebedsplaatsen; dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan op te houden met beleid en praktijken die het fundamentele recht van de burger op vrijheid van godsdienst en geloofsovertuiging beknotten;

32.  verzoekt de Chinese autoriteiten de protestantse huiskerken en ondergrondse katholieke kerken, alsook die van andere godsdiensten, officieel te erkennen; onderstreept in dit verband dat in het internationaal recht inzake mensenrechten de vrijheid van godsdient en geloof wordt erkend ongeacht de inschrijvingsstatus, d.w.z. dat inschrijving geen wettelijke voorwaarde voor godsdienstoefening mag zijn; veroordeelt ten stelligste alle pogingen van de autoriteiten om de niet-geregistreerde kerken van hun fundamentele recht op vrijheid van godsdienst te beroven door verplicht te stellen dat zij onder toezicht van door de staat gecontroleerde bestuursraden werken, door beslag te leggen op hun eigendom, en zelfs door toepassing van detentie en gevangenschap in een poging hen het zwijgen op te leggen, hetgeen hun religieuze autonomie aan banden legt en hun activiteiten ernstig beperkt;

33.  deelt de kritiek van Chinese juristen dat de fundamentele tekortkomingen van de Chinese wetsbepalingen over religie gelegen zijn in de grondwet, omdat het beginsel van de „vrijheid van godsdienst” als bepaald in de punten 1 en 2 van artikel 36 strijdig zijn met het principe van „beperkingen op de religie” in de punten 3 en 4, zonder dat wordt verduidelijkt welk beginsel voorrang heeft; sluit zich aan bij de oproep van de Chinese juristen om de vrijheid van godsdienst vast te leggen als het beginsel dat voorrang heeft in de grondwet;

34.  erkent de inspanningen om de doodstraf in China te controleren en zorgvuldig toe te passen, maar blijft bezorgd dat de Chinese regering nog steeds aan haar beleid vasthoudt om geen details vrij te geven over de aantallen gevangenen die jaarlijks worden geëxecuteerd, en informatie over de doodstraf als staatsgeheim te behandelen; dringt er voorts bij de Chinese autoriteiten op aan het gepolitiseerde gebruik van de doodstraf te stoppen en te zorgen voor procedurele waarborgen in zijn rechtsstelsel ter bescherming van de ter doodveroordeelden, met inbegrip van het recht op een eerlijk proces volgens de internationale normen;

35.  betreurt dat in het kader van de mensenrechtendialoog tussen de EU en China nog altijd geen echte vooruitgang wordt geboekt en geen concrete en zichtbare resultaten worden behaald; herinnert eraan dat bij de vaststelling van een nieuwe EU-mensenrechtenstrategie, de EU-ministers van Buitenlandse Zaken in juni 2012 hebben toegezegd dat de EU voortaan mensenrechtenkwesties in alle passende vormen van bilaterale dialoog, ook op het hoogste niveau, krachtig aan de orde zal stellen; verzoekt de onlangs benoemde speciale EU-afgezant voor mensenrechten, de EDEO, de Raad en de Commissie hun inspanningen op te voeren om dit proces nieuw leven in te blazen en deze dialoog effectiever en resultaatgericht te maken, waaronder middels voorbereidende bijeenkomsten met zowel internationale als lokale maatschappelijke organisaties en ngo's in aanwezigheid van de autoriteiten van beide partijen; is van mening dat een dergelijke dialoog moet worden opgenomen in alle contacten met ambtenaren van strategische partners, zoals China; benadrukt het belang om alle problemen met betrekking tot de mensenrechten en de rechtsstaat in China en de EU grondig aan te pakken; is van mening dat de EU-China topontmoetingen en besprekingen over de mensenrechten een serie transparante kwesties die moeten worden besproken en concrete criteria moeten inhouden; dringt er bij Catherine Ashton, de hoge vertegenwoordiger van de EU voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, op aan dat zij haar bezorgdheid over schendingen van de mensenrechten in China uitspreekt en in het openbaar verwijst naar concrete gevallen en kwesties die met Chinese ambtenaren in alle ontmoetingen zijn besproken; moedigt de ambtenaren van de EU-lidstaten aan op coherente en gecoördineerde wijze dezelfde lijn te volgen; dringt er bij EU-ondernemingen met activiteiten in China op aan te handelen volgens de VN-richtsnoeren inzake ondernemen en mensenrechten, en dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de naleving op de voet te volgen;

Betrekkingen tussen China en Taiwan

36.  herinnert aan het één-China-beleid van de EU: is ingenomen met de toenemende contacten tussen de Volksrepubliek China en Taiwan; benadrukt de verbetering in de betrekkingen tussen China en Taiwan, maar merkt op dat deze nog steeds ernstig worden ondermijnd door de Chinese raketten die op Taiwan gericht zijn en de internationale isolering van Taiwan door China; steunt Taiwan's zinvolle deelname aan internationale organisaties, zoals bekrachtigd door verklaring 9486/09 van de Raad van 8 mei 2009;

37.  is verheugd over de grote belangstelling van miljoenen Chinese burgers voor de presidents- en parlementsverkiezingen in Taiwan op 14 januari 2012, die voor het eerst direct op het internet konden worden gevolgd;

38.  is ingenomen met de sterke economische banden tussen het vasteland van China en Taiwan, alsook de nieuwe opening van Taiwan ten aanzien van Chinese toeristen en de culturele samenwerking; is van mening dat de internationalisering van handel en investeringen de beste waarborg zijn voor de stabiliteit van Taiwan; dringt er dan ook bij de Taiwanese regering op aan naast zijn investeringen in de Volksrepubliek China ook elders te investeren;

Externe situatie

39.  dringt er bij de Volksrepubliek China op aan haar mondiale positie op een meer verantwoorde manier te gebruiken, in het bijzonder in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, waar zij beschikt over een permanente zetel en het vetorecht; benadrukt in dit licht dat China moet stoppen zijn veto uit te spreken over resoluties in de VN-Veiligheidsraad die interventie in Syrië toestaan om de burgeroorlog te stoppen en het Syrische volk in staat te stellen de toekomst van hun land in een democratisch en vrij proces in eigen hand te nemen; onderstreept dat China zich ook in de G20 verantwoordelijk moet opstellen wat het aanpakken van de wereldwijde financiële crisis betreft, overeenkomstig de bijdrage van het land op mondiaal vlak, door zich te houden aan de WTO-regels en aan alle internationale overeenkomsten en verdragen die het land heeft ondertekend;

40.  dringt er bij de Volksrepubliek China op aan zich te binden aan de eerbiediging van het VN-Handvest en het internationaal recht in het nasterven van haar doelen in het buitenland;

41.  waardeert het dat China van de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad de grootste bijdrage levert aan vredestroepen, waarvoor vooral zijn snel moderniserende marine verantwoordelijk is; is in dit verband verheugd over de toegenomen samenwerking met de EU bij de bestrijding van piraterij in de Golf van Aden; vraagt China, als permanent lid van de VN-Veiligheidsraad, op verantwoordelijke wijze met de internationale gemeenschap samen te werken ten aanzien van belangrijke mondiale veiligheidskwesties, zoals de situatie in Syrië en Iran;

42.  erkent China's verantwoordelijkheid met betrekking tot het waarborgen van veiligheid voor zijn burgers en het op zich nemen van een rol van bevorderaar van vrede en stabiliteit in de wereld, en is ingenomen met zijn toegenomen participatie in de VN; dringt echter aan op meer transparantie en een nauwere samenwerking van China met de EU en de VN inzake deze kwesties, en op het vermijden van een geïsoleerde positie in de ontwikkeling van zijn buitenlands beleid;

43.  doet een beroep op China om zijn beleid van 'niet-inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van landen' te herzien in geval van ernstige schending van het internationaal humanitair recht;

44.  is verheugd over de in juli 2012 gestarte dialoog tussen de EU en China over defensie- en veiligheidsbeleid; stelt voor deze dialoog uit te breiden tot heel Oost- en Zuidoost Azië;

45.  verzoekt China een einde te maken aan de groeiende internationale ongerustheid over zijn niet-transparante militaire budget;

46.  onderstreept het mondiale belang van de Zuid-Chinese Zee, waar eenderde van de totale wereldhandel doorheen gaat; maakt zich zorgen om de toenemende spanning in het gebied en verzoekt alle betrokken partijen dan ook met klem af te zien van unilateraal beleid en unilaterale militaire acties, de toon te matigen en hun botsende territoriale claims in de Zuid-Chinese Zee op te lossen middels internationale geschilbeslechtingsmechanismen overeenkomstig het internationaal recht, in het bijzonder het VN-Verdrag betreffende het recht van de zee, met het oog op het waarborgen van regionale stabiliteit;

47.  maakt zich ernstige zorgen om de oplopende spanningen tussen China en Japan; doet met klem een beroep op China en Japan elkaar niet als vijand te beschouwen, en is teleurgesteld dat beide landen de 40e verjaardag van hun onderlinge diplomatieke betrekkingen niet hebben aangegrepen voor constructieve onderhandelingen;

48.  verzoekt alle betrokken partijen (China, Japan en Taiwan), op grond van het grote belang van de Europese Unie bij de veiligheid en stabiliteit in Oost-Azië, terughoudendheid te betonen en maatregelen te nemen om de situatie op de betwiste eilanden tot rust te brengen; dringt er bij alle betrokken partijen op aan geschillen vreedzaam te beslechten, in een geest van samenwerking en met eerbiediging van het internationaal recht, in het bijzonder het VN-Verdrag inzake het zeerecht, en afspraken te maken over de-escalatiemaatregelen voor gevallen waarin zich onvoorziene incidenten voordoen;

49.  neemt nota van het recente initiatief van Taiwan voor een consensus over een gedragscode voor de Oost-Chinese Zee en de invoering van een mechanisme voor alle partijen om samen te werken bij de exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen in de regio, met inbegrip van capaciteit voor de opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen;

50.  merkt op dat de rol van China in de samenwerking tussen de twee partijen op het Koreaanse schiereiland van vitaal belang is en roept de Volksrepubliek China op om actiever te streven naar een nauwere samenwerking tussen Noord en Zuid;

51.  merkt op en betreurt dat het voortbestaan van het dictatoriale en repressieve Noord-Koreaanse regime wezenlijk afhangt van China; is verheugd over de blijk van verantwoordelijkheid die China heeft gegeven door te stemmen voor een krachtige veroordeling door de VN-Veiligheidsraad op 15 april 2012 van de mislukte raketlancering door Noord-Korea, alom beschouwd als een poging tot een ballistische raket-test; hoopt dat China verantwoordelijkheid blijft nemen voor stabiliteit op het Koreaanse schiereiland, hoopt op een snelle hervatting van het zespartijenoverleg over de Noord-Koreaanse nucleaire dreiging, en vooral op een drastische verbetering van de dagelijkse levensomstandigheden van de Noord-Koreaanse burgers, die kan worden verwezenlijkt door Chinese stimuleringsmaatregelen;

52.  wijst op de groeiende rol van China in de Centraal-Aziatische regio, vanwege de handel en economische en energie-projecten; is van mening dat China een belangrijke rol kan spelen in de ontwikkeling van de landen van Centraal-Azië en doet een beroep op de Volksrepubliek China om betere betrekkingen tussen die landen te stimuleren, als een belangrijke stap in de richting van de regionale samenwerking; wijst erop dat de belangrijkste doelstellingen van China in de SCO zijn om vrede en stabiliteit in Centraal-Azië te bereiken door gezamenlijke bestrijding van de zogenaamde „drie kwaden”: extremisme, separatisme en terrorisme; wijst op het grote strategische en economische belang dat China in de regio heeft vanwege de exploitatie van de enorme olie- en gasreserves en door het aansluiten van Centraal-Azië op de kusstreek van China via de aanleg van spoorwegen en snelwegen;

53.  is ingenomen met de banden die zich ontwikkelen tussen China en Afghanistan, met voor het eerst in de geschiedenis besprekingen op het niveau van de hogere bestuurslagen; is van mening dat China een cruciale rol kan spelen in de stabilisering van Afghanistan via een 'zachte-macht'-aanpak en dringt aan op de ontwikkeling van een nauwe samenwerking tussen de EU en China over deze kwestie;

54.  merkt op dat de nieuwe Amerikaanse strategie van hernieuwde aandacht voor Azië door de Chinese leiders wordt gezien als een poging van de VS om de snelle economische en politieke opmars van China in te dammen; moedigt China en de Verenigde Staten aan spanningen en een wapenwedloop in de Stille Oceaan te vermijden; dringt er bij China op aan de vrijheid van het verkeer op zee te waarborgen;

55.  is van oordeel dat terdege rekening moet worden gehouden met de economische, sociale en milieugevolgen van de toenemende Chinese investeringen in ontwikkelingslanden;

56.  merkt op dat de toenemende Chinese aanwezigheid in Afrika heeft bijgedragen tot economische ontwikkeling, waarbij de nadruk vooral ligt op infrastructuurprojecten; constateert met voldoening dat de Chinese leiders de ernstige kritiek op hun onevenwichtige, op grondstoffen gerichte Afrikabeleid tijdens het Forum van de Chinees-Afrikaanse samenwerking (FOCAC), op 20 juli 2012 in Peking, ter harte hebben genomen, hetgeen blijkt uit de huidige duidelijke bevordering van een diversificatie van de Chinese activiteiten op het Afrikaanse continent; is verheugd over de belofte van staat- en partijleider Hu Jintao op deze FOCAC-bijeenkomst om de komende drie jaar een recordkrediet van 20 miljard dollar te verlenen aan Afrikaanse landen voor de ontwikkeling van hun infrastructuur, landbouw, industrie en kmo's; is verheugd over de steun die China heeft uitgesproken voor het Initiatief voor transparantie van winningsindustrieën (EITI) en moedigt de Chinese autoriteiten aan om de wereldwijde trend naar meer transparantie te volgen en hun concrete inzet op dit gebied te vergroten; verzoekt de Europese Unie waakzaam te blijven wat de politieke, economische, sociale en milieu-invloed van de toenemende Chinese investeringen in Afrika betreft;

57.  is bezorgd over het feit dat de toenemende Chinese aanwezigheid in Afrika heeft geleid tot ernstige sociale spanningen, maar is verheugd over het feit dat de Chinese bedrijven te kennen hebben gegeven dat zij bereid zijn meer nadruk te leggen op de sociale verantwoordelijkheid in hun Afrikaanse activiteiten; dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan om het beleid in Afrika te verankeren in de beginselen en eerbiediging van de mensenrechten, de bevordering van duurzame ontwikkeling en menselijke veiligheid;

58.  wijst op de groeiende aanwezigheid van China in de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen in Latijns-Amerika, waarbij de uitvoer van natuurlijke hulpbronnen naar China met meer dan 50% is gestegen;

59.  spoort China, de grootste uitstoter wereldwijd van CO2, aan om een proactievere en constructievere houding aan te nemen ter bevordering van de samenwerking van de mondiale gemeenschap om de klimaatverandering het hoofd te bieden; is ingenomen met het witboek dat de Chinese autoriteiten in november 2011 hebben gepubliceerd over de aangenomen beleidsmaatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering, en hoopt dat deze spoedig ten uitvoer worden gelegd;

60.  merkt op dat intermenselijke contacten een cruciale rol kunnen spelen in de ontwikkeling van een beter wederzijds begrip tussen China en de EU, alsmede tussen China en een aantal van haar andere partners, zoals de VS; verwelkomt in dit verband de programma's ter bevordering van de mobiliteit tussen China en de EU;

61.  verzoekt China de verbetering van de rechtszekerheid voor buitenlandse bedrijven, op grond van de beginselen gelijkheid, wederkerigheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen, tot een absolute prioriteit te maken;

o
o   o

62.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de EDEO, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de toetredende landen en kandidaat-lidstaten, de regering van de Volksrepubliek China, het Chinese Nationale Volkscongres, de regering van Taiwan en de Taiwanese wetgevende Yuan.

(1) PB L 250 van 19.9.1985, blz. 2.
(2) PB L 6 van 11.1.2000, blz. 40.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0218.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0017.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0334.
(6) PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 219.
(7) PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 132.
(8) PB C 305 E van 11.11.10, blz. 9.
(9) PB C 199 E van 07.07.12, blz. 185.
(10) PB C 296 E van 02.10.12, blz. 137.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0301.
(12) PB C 285 E van 21.10.10, blz. 80.
(13) PB C 169 E van 15.06.12, blz. 81.
(14) PB C 288 E van 25.11.2006, blz. 59.
(15) PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 471.
(16) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 118.
(17) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0474.
(18) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0257.


Wedstrijdmanipulatie en corruptie in de sportwereld
PDF 125kWORD 24k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over wedstrijdmanipulatie en corruptie in de sport (2013/2567(RSP))
P7_TA(2013)0098RC-B7-0130/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de Verklaring van Nicosia van 20 september 2012 over de bestrijding van wedstrijdmanipulatie,

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 18 januari 2011 getiteld „Ontwikkeling van de Europese dimensie van de sport” (COM(2011)0012),

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2012 over de Europese dimensie van de sport(1),

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2009 over de integriteit van onlinegokken(2),

–  gezien het Witboek Sport van de Commissie (COM(2007)0391),

–  gezien zijn resolutie van 14 april 2005 over de bestrijding van doping in de sport(3),

–  gezien de Mededeling van de Commissie getiteld „Corruptiebestrijding in de EU” (COM(2011)0308),

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2011 over onlinegokken op de interne markt(4),

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 23 oktober 2012 getiteld „Een breed Europees kader voor onlinegokken” (COM(2012)0596),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 24 maart 2011 over onlinegokken op de interne markt (COM(2011)0128),

–  gezien zijn resolutie van 15 september 2011 over de inspanningen van de EU ter bestrijding van corruptie(5),

–  gezien de voorbereidende actie getiteld „Europese partnerschappen met betrekking tot sport” en in het bijzonder de ontwikkeling van projecten gericht op het voorkomen van gevallen van wedstrijdmanipulatie door middel van voorlichting en informatieverstrekking aan betrokken partijen,

–  gezien de Aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad tot verlening van machtiging aan de Europese Commissie om namens de EU deel te nemen aan onderhandelingen over een internationaal verdrag van de Raad van Europa ter bestrijding van de manipulatie van sportuitslagen (COM(2012)0655),

–  gezien de resultaten van de studie van maart 2012 getiteld „Wedstrijdmanipulatie in de sport”, waar door de Commissie om was gevraagd,

–  gezien de antidopingovereenkomst van de Raad van Europa van 16 november 1989,

–  gezien de Aanbeveling van het comité van ministers van de Raad van Europa van 28 september 2011 over bevordering van de integriteit van de sport en bestrijding van de manipulatie van uitslagen, met name wedstrijdmanipulatie,

–  gezien artikel 110, lid 2 en lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat een gezamenlijk onderzoeksteam van Europol met de codenaam 'Operation Veto' grootschalige wedstrijdmanipulatie in de afgelopen jaren aan het licht heeft gebracht, met in de hele wereld 680 verdachte wedstrijden, waarvan 380 in Europa, en verder overwegende dat het team een wijdverbreid wedstrijdmanipulatienetwerk in kaart heeft gebracht dat de sport in het hart heeft geraakt, met 425 verdachten en 50 anderen die reeds zijn gearresteerd;

B.  overwegende dat Europol heeft aangegeven dat deze aantallen slechts 'het topje van de ijsberg' vormen;

C.  overwegende dat wedstrijdmanipulatie in een groot aantal lidstaten voorkomt, hetgeen zeer zorgwekkend is gezien de band tussen wedstrijdmanipulatie enerzijds en de georganiseerde criminaliteit anderzijds, en gezien het feit dat wedstrijdmanipulatie een grote bedreiging vormt voor het sportestablishment in bijna alle lidstaten;

D.  overwegende dat wedstrijdmanipulatie een vorm van criminaliteit is die hoge inkomsten genereert, terwijl de pak- en veroordelingskans uitermate laag is, en verder overwegende dat wedstrijdmanipulatie om die redenen door criminele organisaties gebruikt wordt in hun illegale praktijken, zoals het witwassen van geld en de handel in verdovende middelen en mensen;

E.  overwegende dat 'spot-fixing', een illegale activiteit in de sport waarbij een specifiek onderdeel van een wedstrijd, maar niet noodzakelijkerwijs de einduitslag, wordt gemanipuleerd, moeilijker kan worden ontdekt dan traditionele wedstrijdmanipulatie;

F.  overwegende dat criminele organisaties op een internationale schaal actief zijn en overal vertakkingen hebben, hetgeen betekent dat geen enkele instantie, geen enkel land en geen enkele organisatie wedstrijdmanipulatie alleen kan aanpakken;

G.  overwegende dat alle sporten het slachtoffer kunnen worden en de integriteit van de sport wordt bedreigd;

H.  overwegende dat de bestaande controlemechanismen gemanipuleerde wedstrijden niet onmiddellijk herkennen als gevolg van de wereldwijde aard van deze illegale activiteiten;

I.  overwegende dat transparantie, verantwoordingsplicht en democratie – met andere woorden goed bestuur – in sportorganisaties randvoorwaarden zijn voor een succesvolle deelname van de sport aan de bestrijding van wedstrijdmanipulatie en fraude in de sport;

J.  overwegende dat veel sportorganisaties reeds maatregelen hebben getroffen op dit gebied, bijvoorbeeld door gedragscodes op te stellen en een „zero tolerance”-beleid in te voeren;

K.  overwegende dat weddenschappen op gemanipuleerde wedstrijden voornamelijk door wedkantoren buiten de EU worden aangeboden, hetgeen een internationale aanpak van de bestrijding van wedstrijdmanipulatie noodzakelijk maakt;

L.  overwegende dat deskundigen zich steeds meer zorgen maken over de kwaadwillige intenties van sommige individuen die voetbalclubs overnemen als een middel om wedstrijdmanipulatie mogelijk te maken en geld wit te wassen;

M.  overwegende dat spelersvakbonden aangeven dat wedstrijdmanipulatie ook tot afgeleide problemen leidt, zoals het niet op tijd uitbetalen van salarissen aan spelers, en de intimidatie en afpersing van spelers;

1.  roept alle betrokken partijen op hun verantwoordelijkheid te nemen en een alomvattende aanpak te ontwikkelen door elkaars inspanningen op het vlak van de bestrijding van wedstrijdmanipulatie aan te vullen;

2.  verzoekt de Commissie een gecoördineerde aanpak te ontwikkelen voor de bestrijding van wedstrijdmanipulatie en georganiseerde criminaliteit door de inspanningen op dit vlak van de belangrijkste betrokken partijen, zoals sportorganisaties, de nationale politie en gerechtelijke autoriteiten, en wedkantoren op elkaar af te stemmen, en te zorgen voor een platform voor discussie en de uitwisseling van informatie en goede praktijken;

3.  verzoekt sportorganisaties zowel intern, als ten aanzien van externe contractanten een 'zero tolerance'-beleid met betrekking tot corruptie te voeren, teneinde te voorkomen dat hun leden toegeven aan druk van buitenaf;

4.  verzoekt sportorganisaties voor alle betrokkenen (spelers, trainers, scheidsrechters, medisch en technisch personeel, en club- en bondsbestuurders) een gedragscode op te stellen, met een beschrijving van de gevaren van wedstrijdmanipulatie, een onomwonden verbod op het manipuleren van wedstrijden voor weddenschappen of andere doeleinden, de sancties die op wedstrijdmanipulatie staan en een verbod op het afsluiten van weddenschappen op eigen wedstrijden, en een verplichting om alle pogingen tot of kennis van wedstrijdmanipulatie te melden, in combinatie met een doeltreffend mechanisme voor de bescherming van klokkenluiders;

5.  verzoekt alle sportbonden en overkoepelende sportorganen zich aan de regels inzake goed bestuur te houden om de kans dat ze het slachtoffer van wedstrijdmanipulatie worden te verkleinen;

6.  wijst op het belang van educatie voor het beschermen van de integriteit van de sport; verzoekt de lidstaten en de sportbonden derhalve te zorgen voor passende voorlichting en educatie van sportlieden en consumenten, vanaf jonge leeftijd en op alle niveaus, zowel amateur- als profsport;

7.  spoort sportorganisaties aan alomvattende, met name op minderjarigen gerichte preventie- en voorlichtingsprogramma's te ontwikkelen en te implementeren, met heldere verplichtingen voor clubs, competities en bonden, en een disciplinair orgaan in te stellen voor het bestraffen van personen die zich aan wedstrijdmanipulatie schuldig maken;

8.  verzoekt de Commissie alle lidstaten met klem aan te sporen wedstrijdmanipulatie expliciet in hun strafrecht opnemen, passende minimumstraffen vast te stellen en bestaande achterdeurtjes te sluiten, met volledige inachtneming van de grondrechten;

9.  is verheugd over de discussies in de Raad van Europa over een overeenkomst inzake de bestrijding van de manipulatie van sportuitslagen, die de nationale systemen van de noodzakelijke instrumenten, expertise en middelen zal voorzien voor het aanpakken van deze bedreiging;

10.  spoort sportorganisaties aan hoge en overtuigende bestuursnormen toe te passen;

11.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle lidstaten het afsluiten van weddenschappen op competities voor minderjarigen verbieden;

12.  verzoekt de lidstaten een gespecialiseerde wethandhavingseenheid in het leven te roepen voor de bestrijding van wedstrijdmanipulatie en als knooppunt voor communicatie en samenwerking tussen de belangrijkste betrokkenen, en wedkantoren te verplichten deze eenheid en sportorganisaties informatie over onregelmatige wedpatronen te verstrekken, zodat nader onderzoek kan worden gedaan en de desbetreffende situaties in voorkomend geval aan de vervolgende instanties kunnen worden doorverwezen;

13.  verzoekt de lidstaten de samenwerking tussen de Europese wethandhavingsdiensten te verbeteren door middel van de oprichting van gezamenlijke onderzoeksteams en samenwerking tussen opsporingsautoriteiten; onderstreept het belang van het ontwikkelen en in de praktijk handhaven van maatregelen gericht op het aanpakken van illegale wedsites en van het anoniem afsluiten van weddenschappen; is van oordeel dat gezorgd moet worden voor de uitwisseling van informatie over personen die genoemd zijn in connectie met, of die veroordeeld zijn voor, het benaderen van spelers met het oog op wedstrijdmanipulatie;

14.  verzoekt de lidstaten regelgevende instanties in het leven te roepen voor het in kaart brengen en bestrijden van illegale activiteiten op het gebied van sportweddenschappen, en bewijzen van wedstrijdmanipulatie, fraude in de sport en andere vormen van corruptie in de sport, zowel in Europa, als daarbuiten, te verzamelen, uit te wisselen, te analyseren en te verspreiden; onderstreept het belang van nauwe samenwerking met andere regelgevende instanties, waaronder vergunningverlenende autoriteiten, handhavingsorganen en de politie;

15.  verzoekt de Commissie met klem de uitwisseling van informatie tussen deze regelgevende instanties over illegale of verdachte wedactiviteiten in de sport te vergemakkelijken;

16.  verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem samenwerking met derde landen tot stand te brengen met het oog op het bestrijden van de georganiseerde criminaliteit in verband met wedstrijdmanipulatie, onder andere door deel te nemen aan de onderhandelingen over een overeenkomst van de Raad van Europa ter bestrijding van de manipulatie van sportuitslagen;

17.  is verheugd over de publicatie door de Commissie van het tweejaarlijkse verslag over corruptiebestrijding 2013, met een landenanalyse voor elke lidstaat en op maat gesneden aanbevelingen;

18.  spoort de Raad aan zich in te zetten voor het verwezenlijken van de doelstellingen van het EU-werkplan voor sport 2011-2014, in het bijzonder voor de ontwikkeling van voorlichtingsprogramma's in de lidstaten gericht op het vergroten van het bewustzijn van sportwaarden als integriteit, 'fair play' en respect voor anderen;

19.  verwelkomt het initiatief van de Commissie voor de goedkeuring - in 2014 - van een aanbeveling betreffende goede praktijken op het gebied van het voorkomen en bestrijden van aan gokken gerelateerde wedstrijdmanipulatie;

20.  juicht het toe dat tijdens de vijfde internationale conferentie van ministers en hoge ambtenaren belast met lichamelijke opvoeding en sport (MINEPS) aandacht zal worden besteed aan de integriteit van de sport en de bestrijding van wedstrijdmanipulatie, en is van oordeel dat dit een passend forum is om te praten over een mondiaal orgaan voor het aanpakken van wedstrijdmanipulatie, waar alle betrokken partijen elkaar kunnen ontmoeten, informatie kunnen uitwisselen, hun optreden kunnen coördineren en concepten van goed bestuur onder de aandacht kunnen brengen;

21.  verzoekt de Commissie in kaart te brengen welke derde landen wat aan gokken gerelateerde manipulatie van wedstrijden in de EU betreft een specifiek probleem vormen - de zogenaamde 'Aziatische wedparadijzen' - en de samenwerking met deze landen op het vlak van het bestrijden van wedstrijdmanipulatie op te voeren;

22.  verzoekt de Raad de discussies over het voorstel voor een nieuwe witwasrichtlijn (COM(2013)0045) snel en op ambitieuze wijze voort te zetten om het gebruik van sportweddenschappen voor het witwassen van geld aan te pakken;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsook aan de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de Europese, internationale en nationale sportbonden.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0025.
(2) PB C 87 E van 1.4.2010, blz. 30.
(3) PB C 33 E van 9.2.2006, blz. 590.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0492.
(5) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 121.


De mondiale waardeketen voor katoen
PDF 139kWORD 27k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over duurzaamheid in de mondiale waardeketen van katoen (2012/2841(RSP))
P7_TA(2013)0099B7-0092/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 3, 6 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien artikel 206 en artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 4 betreffende katoen bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Helleense Republiek en de aanpassingen van de Verdragen,

–  gezien essentiële verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), waaronder Verdrag nr. 138 van 26 juni 1973 betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces, Verdrag nr. 182 van 17 juni 1999 betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid, Verdrag nr. 184 van 21 juni 2001 betreffende veiligheid en gezondheid in de landbouw, Verdrag nr. 87 van 9 juli 1948 betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en bescherming van het vakverenigingsrecht, Verdrag nr. 98 van 8 juni 1949 inzake het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, Verdrag nr. 141 van 23 juni 1975 betreffende organisaties van personen die in de landbouw werkzaam zijn, Verdrag nr. 155 van 22 juni 1981 betreffende arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu en het Verdrag van de Verenigde Naties van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind,

–  gezien het Internationaal Programma voor de Afschaffing van Kinderarbeid (International Programme for the Elimination of Child Labour, IPEC) en het Understanding Children's Work (UCW)-programma,

–  gezien het lidmaatschap van de EU van internationale grondstoffenorganisaties (International Commodity Bodies, ICB's),

–  gezien het resultaat van de 71e plenaire vergadering van het Internationaal Raadgevend Comité voor Katoen (International Cotton Advisory Committee, ICAC) die is gehouden van 7 t/m 11 oktober 2012,

–  gezien de resolutie over katoen van de 95e vergadering van de ACS-Raad van Ministers die is gehouden van 10 t/m 15 juni 2012 in Port Vila (Vanuatu),

–  gezien zijn resoluties van 25 november 2010 over mensenrechten en sociale en ecologische normen in internationale handelsovereenkomsten(1) en over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de toepassing van een stelsel van algemene tariefpreferenties(3),

–  gezien zijn eerdere resoluties over de handel in grondstoffen, de toegang tot grondstoffen, de prijsvolatiliteit op de landbouwgrondstoffenmarkten, de derivatenmarkten, duurzame ontwikkeling, de watervoorraden, kinderarbeid en de uitbuiting van kinderen in de ontwikkelingslanden,

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2011(4) waarbij het zijn goedkeuring onthoudt aan een textielprotocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Oezbekistan wegens bezorgdheid met betrekking tot het gebruik van gedwongen kinderarbeid op katoenplantages,

–  gezien het Global Compact van de VN, de Europese strategie voor grondstoffen, de EU-strategie inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen, de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling, Samenhang in het ontwikkelingsbeleid, het strategisch kader en het actieplan van de EU inzake de mensenrechten en democratie,

–  gezien de verklaring van de Commissie van 14 maart 2013 inzake de duurzaamheid van de waardeketen van katoen,

–  gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat katoen een van de gewassen met het grootste grondgebruik is, een belangrijke werkverschaffer en een vitaal niet-voor-de-voeding-bestemd landbouwproduct voor plattelandsgemeenschappen, handelaren, de textielindustrie en consumenten overal ter wereld;

B.  overwegende dat katoen de meest gebruikte natuurlijke vezel is en in meer dan 100 landen wordt geteeld, terwijl ongeveer 150 landen betrokken zijn bij de handel erin;

C.  overwegende dat naar schatting 100 miljoen plattelandsgezinnen bij de katoenproductie betrokken zijn en dat de katoensector een belangrijke bron is van werkgelegenheid en inkomsten voor meer dan 250 miljoen mensen in de productie-, de verwerkings-, de opslag- en de transportfase van de landbouwwaardeketen;

D.  overwegende dat de katoenproductie gedomineerd wordt door China, India en de Verenigde Staten, terwijl de grootste exporteurs de Verenigde Staten, India, Australië en Brazilië zijn en de grootste importeurs China, Bangladesh en Turkije; overwegende dat Oezbekistan de op vier na grootste katoenexporteur ter wereld is en de op vijf na grootste producent;

E.  overwegende dat het overgrote deel van de door Bangladesh ingevoerde katoen wordt gebruikt voor de vervaardiging van voor de export bestemde textielproducten en kleding, die 80% van de totale industriële uitvoer vormen; overwegende dat de textielproducten en kleding die het land produceert voor het grootste deel worden uitgevoerd naar ontwikkelde landen, met name de EU-lidstaten, Canada en de VS;

F.  overwegende dat katoen in de EU wordt geteeld op 370 000 hectaren, door ongeveer 100 000 producenten, vooral in Griekenland en Spanje, waar 340 000 ton ontpitte katoen wordt geproduceerd, hetgeen overeenkomt met 1% van de mondiale productie van ontpitte katoen;

G.  overwegende dat de EU netto-exporteur van katoen is geworden in 2009 en een aandeel heeft van 2,8% van de exportmarkt, met Turkije, Egypte en China als belangrijkste exportbestemmingen;

H.  overwegende dat de waarde van de export van de textiel- en kledingindustrie van de EU in 2011 in totaal 39 miljard EUR bedroeg en dat deze industrie werkgelegenheid bood aan meer dan 1,8 miljoen werknemers in 146 000 bedrijven in de hele EU(5);

I.  overwegende dat de ecologische voetafdruk van katoen wordt vergroot door een overmatig gebruik van pesticiden (goed voor 7% van het wereldverbruik), insecticiden (neerkomend op 15% van het wereldverbruik) en water, wat leidt tot bodemaantasting, verontreiniging en teloorgang van de biodiversiteit;

J.  overwegende dat het grootste deel van de mondiale katoenoogst afkomstig is van geïrrigeerde grond, met een aanzienlijke belasting van de zoetwatervoorraden; overwegende dat door katoen mondiaal meer bestrijdingsmiddelen vrijkomen dan door welk ander gewas ook;

K.  overwegende dat de EU de grootste verstrekker is van katoengerelateerde ontwikkelingshulp, via het partnerschap tussen de EU en Afrika inzake katoen en andere programma's(6), en dat zij in 2009 de grootste importeur ter wereld was van textiel en kleding uit de minst ontwikkelde landen (MOL's);

L.  overwegende dat de hervorming van het stelsel van algemene preferenties van de Unie (SAP)(7) zal zorgen voor sterkere stimulansen via de SAP+-regeling voor de eerbiediging van essentiële mensenrechten, arbeidsrechten, milieunormen en normen op het gebied van governance;

M.  overwegende dat de reële omvang van de kinderarbeid in de waardeketen van katoen moeilijk te schatten is, door de onvolledige en gefragmenteerde informatie;

N.  overwegende dat volgens de raming van de IAO meer dan 215 miljoen kinderen overal ter wereld kinderarbeid verrichten en 60 % van hen werkzaam zijn in de landbouwsector(8);

O.  overwegende dat in deze resolutie de term kinderarbeid wordt gebruikt volgens de definitie van IAO-Verdrag nr. 138 betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces en IAO-Verdrag nr. 182 betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid;

P.  overwegende dat in het grote merendeel van de grote katoenproducerende landen overal ter wereld verschillende vormen van kinderarbeid en dwangarbeid voorkomen, tijdens de teelt, de oogst van vezelpluis en zaden en de ontpitting van katoen(9);

Q.  overwegende dat de kinderarbeid en dwangarbeid in de katoen- en de textielsector niet kan worden aangepakt los van de belangrijkste oorzaken ervan: plattelandsarmoede en te weinig alternatieven om een inkomen te genereren, onvoldoende bescherming van de rechten van het kind, achterwege blijven van de invoering van leerplicht voor alle kinderen, starre gemeenschapsstructuren en de overheersende attitudes;

R.  overwegende dat de arbeidsvoorwaarden, waaronder de gezondheids- en veiligheidsnormen alsook het loonniveau, in de katoenproductie en de vervaardiging van textiel en kleding, met name in de MOL's en de ontwikkelingslanden, een punt van grote zorg blijven; overwegende dat er sinds 2006 alleen al in Bangladesh 470 mensen om het leven zijn gekomen bij branden in textielbedrijven;

S.  overwegende dat het ICAC 41 landen samenbrengt die katoen produceren, consumeren en verhandelen en de transparantie op de katoenmarkt wil verbeteren door het bewustzijn te vergroten, de internationale samenwerking te bevorderen, statistische gegevens te verzamelen en technische informatie en prognoses met betrekking tot de katoen- en de textielmarkt te verstrekken;

T.  overwegende dat het ICAC een van de weinige overblijvende ICB's is waarvan de Unie nog geen lid is en dat zeven EU-lidstaten momenteel lid van het ICAC zijn;

U.  overwegende dat katoen van vitaal belang is voor de doelstellingen van de Unie op het gebied van handel, ontwikkeling en landbouw;

V.  overwegende dat toetreding van de Unie tot het ICAC de samenwerking op het gebied van katoenkwesties en de samenhang van de acties van de Unie zou verbeteren en de invloed van de Unie met betrekking tot het bepalen van de katoenagenda zou vergroten;

W.  overwegende dat de Unie door lidmaatschap van het ICAC meer toegang zou krijgen tot informatie en analytisch advies en dat dit lidmaatschap koppelingen en partnerschappen zou faciliteren tussen de textielsector, de katoenproducenten en de overheid;

X.  overwegende dat het Parlement zal worden verzocht zijn goedkeuring aan de toetreding van de Unie tot het ICAC te hechten;

1.  verzoekt om nadere inspanningen om handelsverstorende maatregelen te bestrijden en om de transparantie van de grondstofderivatenmarkten te verbeteren;

2.  dringt er bij alle belanghebbenden in de katoensector op aan om via het ICAC onverwijld samen te werken en de aantasting van het milieu drastisch te beperken, inclusief de voetafdruk op het gebied van water en het gebruik van pesticiden en insecticiden; benadrukt dat die onhoudbare productiemethoden de basis onder de toekomstige katoenproductie wegslaan; beschouwt de toetreding van de Unie tot het ICAC als een middel om een gezamenlijk werkprogramma van het ICAC te ontwikkelen dat daarop gericht is;

3.  onderstreept het feit dat het belangrijk is mensenrechtenschendingen, schendingen van het arbeidsrecht en milieuvervuiling in de hele waardeketen van katoen, met inbegrip van de textiel- en kledingsector, te bestrijden; stelt voor dat het ICAC mogelijkheden ontwikkelt om ngo's beter in staat te stellen tot onafhankelijke monitoring van mensenrechtenschendingen in de hele waardeketen van katoen, en verzoekt de Unie zich hiervoor sterk te maken wanneer zij tot het ICAC is toegetreden;

4.  benadrukt dat de juiste voorwaarden moeten worden geschapen om ervoor te zorgen dat kleinschalige producenten uit ontwikkelingslanden toegang krijgen tot de belangrijkste waardeketens die de textiel- en kledingindustrie van de Unie bedienen, dat zij in de waardeketen van katoen/textiel/kleding opklimmen en dat zij het potentieel van biologisch katoen en katoen uit eerlijke handel benutten; verzoekt de Commissie na te gaan hoe via de wetgeving inzake overheidsaanbestedingen in de EU het gebruik van katoen uit eerlijke handel kan worden gestimuleerd;

5.  dringt er bij de Commissie op aan in de context van de EPO-onderhandelingen en de nationale ontwikkelingsplannen uit hoofde van het DCI (financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking) haar inspanningen op te voeren om de nationale en regionale katoenstrategieën in de katoenproducerende MOL's te ondersteunen;

6.  veroordeelt scherp het gebruik van kinderarbeid en dwangarbeid op de katoenplantages;

7.  is van mening dat alleen een holistisch en gecoördineerd kader voor de aanpak van de basisoorzaken van kinder- en dwangarbeid - en dat wordt uitgevoerd op lange termijn -, kan leiden tot een duurzamere waardeketen van katoen; verzoekt de EU niettemin aantijgingen van slavernij of dwangarbeid in de toeleveringsketen van katoen serieus te nemen en met passende sancties te reageren;

8.  benadrukt dat de duurzaamheid van de katoensector afhangt van de producenten, handelaren, leveranciers van benodigdheden, textielproducenten, detailhandelaren, merken, regeringen, maatschappelijk middenveld en consumenten die bij de sector zijn betrokken; wijst erop dat regelingen voor eerlijke handel voorzien in nauwere samenwerking tussen consumenten en producenten, o.a. in de katoensector, en wenst dat hun deskundigheid en goede praktijken door de Commissie worden geëvalueerd;

9.  vraagt alle katoenproducerende landen om een geschikte omgeving te creëren voor adequate monitoring en rapportage met betrekking tot de arbeidsomstandigheden in de katoensector door instanties van de overheid, de sector zelf, onafhankelijke ngo's en de vakbonden en om landbouwersorganisaties en vakbonden te steunen bij hun inspanningen om het inkomensniveau te verhogen en de arbeidsomstandigheden op de katoenplantages te verbeteren; onderstreept dat zij die het zware werk in de katoensector verrichten, een behoorlijke boterham met hun werk moeten verdienen en moeten delen in de winst die de katoenproducerende landen maken;

10.  is tevreden met het Better Cotton Initiative (BCI), Cotton Made in Africa, de Global Organic Textile Standard (GOTS) en andere samenwerkingsinitiatieven die bedoeld zijn om de duurzaamheid van de waardeketen van katoen en textiel te vergroten;

11.  roept de landen die het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en de IAO-Verdragen nrs. 138 en 182 alsmede de IAO-Verdragen nrs. 87, 98, 141 en 155 nog moeten ratificeren, ertoe op dit onverwijld te doen en deze verdragen snel uit te voeren; is van mening dat regeringen alle nodige beleidsmaatregelen moeten treffen om het bewustzijn met betrekking tot de bestaande nationale en internationale regels op het gebied van kinderarbeid en de centrale IAO-verdragen in de gehele productieketen van katoen te vergroten;

12.  herinnert eraan dat de preferenties die verleend worden via het SAP, het belangrijkste instrument van het EU-handelsbeleid om essentiële mensen- en arbeidsrechten en duurzame ontwikkeling te bevorderen, tijdelijk kunnen worden opgeschort in geval van ernstige en systematische schending van fundamentele mensen- en arbeidsrechten die in de essentiële VN- of IAO-verdragen zijn verankerd; wijst nadrukkelijk op de verantwoordelijkheid van Europese ondernemingen om deze normen in hun toeleveringsketens in acht te nemen;

13.  benadrukt dat de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur (SAP+) belangrijk is;

14.  verzoekt de Commissie zich te buigen over de uitwerking van een doeltreffend traceermechanisme voor goederen die met behulp van kinderarbeid of dwangarbeid geproduceerd worden en indien wenselijk een wetgevingsvoorstel hieromtrent aan het Parlement voor te leggen;

15.  verzoekt de Raad een besluit te nemen over de vorm van het ICAC-lidmaatschap, waarbij de Unie tot het ICAC kan toetreden in het kader van een exclusieve bevoegdheid;

16.  verzoekt de bij de waardeketen van katoen betrokken partijen om unilaterale maatregelen - bijvoorbeeld een exportverbod - te vermijden, te streven naar meer transparantie en coördinatie om de prijsvolatiliteit en de speculatiemogelijkheden te beperken en zich in te zetten om te zorgen voor traceerbaarheid in het kader van de handel in katoenvezels op de open markt;

17.  acht het belangrijk de katoenproductie in de Unie te vrijwaren, door versterking van de tijdelijke herstructureringsmaatregelen voor de meest getroffen regio's;

18.  vraagt het ICAC om via zijn Expert Panel on Social, Environmental and Economic Performance of Cotton (SEEP) periodiek de sociale en milieu-impact van de katoenproductie te beoordelen en de bevindingen openbaar te maken;

19.  verzoekt het ICAC de mogelijkheid te onderzoeken om een effectief mondiaal etiketteringsregeling in te voeren, teneinde te garanderen dat artikelen geproduceerd zijn zonder kinder- of dwangarbeid in welke fase van de toeleveringsketen en het productieproces ook;

20.  verzoekt de Volksrepubliek China, de grootste katoenmarkt met de grootste katoenreserves, te overwegen lid van het ICAC te worden en een constructieve rol in de katoensector te spelen; verzoekt de Volksrepubliek China bovendien dringend het gebruik van kinder- en dwangarbeid in de katoen- en textielsector te bestrijden;

21.  verzoekt de Commissie:

   i. periodiek verslag uit te brengen aan het Parlement over haar werkzaamheden in ICB's, inclusief het ICAC;
   ii. het potentieel van het ICAC-lidmaatschap volledig te benutten om te streven naar meer markttransparantie in de katoen-/kledingindustrie en naar duurzaamheid;
   iii. prompt op te treden tegen eventuele uitvoerrestricties voor katoen of andere handelingen die buitensporige prijsschommelingen tot gevolg hebben;
   iv. ervoor te blijven zorgen dat de stem van de Europese katoentelers, -ontpitters, -handelaren en -onderzoekers wordt gehoord;
   v. de coördinatie, verzameling van statistische gegevens, prognoses, informatiedeling en monitoring met betrekking tot de mondiale toeleverings- en waardeketen van katoen te verbeteren;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, het ICAC, de IAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO), het Internationaal Fonds voor agrarische ontwikkeling (IFAD), het Kinderfonds van de Verenigde Naties (UNICEF), de Wereldbank, de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de regering van de Volksrepubliek China.

(1) PB C 99 E van 03.04.12, blz. 31.
(2) PB C 99 E van 03.04.12, blz. 101.
(3) PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0586.
(5) „The EU-27 Textile and Clothing Industry in the year 2011’, Europese vereniging van textielbedrijven (Euratex), 2011.
(6) De Europese Unie en haar lidstaten hebben in totaal voor meer dan €350 miljoen besteed aan ontwikkelingshulp aan de Afrikaanse katoenindustrie. Zie de gegevens van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) over ontwikkelingshulp aan katoenproducerende landen, 31.5.2012.
(7) Zie aangenomen teksten van 13 juni 2012, P7_TA(2012)0241.
(8) LO-IPEC, „Global Child Labour Developments: Measuring Trends from 2004 to 2008’, 2011.
(9) „Literature Review and Research Evaluation relating to Social Impacts of Global Cotton Production for ICAC Expert Panel on the Social, Environmental and Economic Performance of Cotton (SEEP)’, juli 2008.


De situatie in Bangladesh
PDF 123kWORD 23k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over de situatie in Bangladesh (2013/2561(RSP))
P7_TA(2013)0100RC-B7-0133/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in Bangladesh, met name die van 17 januari 2013(1), 6 september 2007(2) en 10 juli 2008(3),

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek Bangladesh inzake partnerschap en ontwikkeling(4),

–  gezien de wet inzake een internationaal strafhof (International Crimes Tribunal Act), die het Bengalese parlement in 1973 heeft aangenomen om te voorzien in de aanhouding, vervolging en bestraffing van personen voor genocide, misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden, en andere misdaden op grond van het internationaal recht,

–  gezien de verklaringen die de woordvoerder van hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton heeft afgelegd op 22 januari 2013 over de doodstraf die het Bangladeshtribunaal (International Crimes Tribunal – ICT) had uitgesproken, en op 2 maart 2013 over het geweld in Bangladesh,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 7 februari 2013 van de speciale VN-rapporteur inzake buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies en de speciale VN-rapporteur over de onafhankelijkheid van rechters en advocaten,

–  gezien de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, de Universele Verklaring van de rechten van de mens, de slotverklaring en het actieprogramma van de Wereldconferentie over de rechten van de mens (Wenen, 1993) en de Verklaring van Kopenhagen van 1995 inzake sociale ontwikkeling en het bijbehorende actieprogramma,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU en Bangladesh al lang goede betrekkingen onderhouden, onder andere door de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling;

B.  overwegende dat de door de Awami Liga aangevoerde regering onder leiding van Sheikh Hasina, ter nakoming van een centrale kiesbelofte, een tribunaal voor oorlogsmisdaden heeft opgericht ter berechting van de bloedbaden die plaatsvonden tijdens de negen maanden durende afscheidingsoorlog tussen het voormalige Oost- en West-Pakistan in 1971, waarbij tussen 300 000 en 3 miljoen mensen omkwamen en circa 200 000 vrouwen werden verkracht;

C.  overwegende dat het trauma van een van de ergste gevallen van massamoord in de geschiedenis 40 jaar later nog steeds zijn sporen nalaat in het leven van veel Bengalezen, en dat de rechtszaken bedoeld zijn om hen een belangrijk moment van erkenning en compensatie te bieden voor het leed dat hen is berokkend;

D.  overwegende dat het ICT op 21 januari 2013 zijn veroordeling uitsprak van Abdul Kalam Azad voor misdaden tegen de menselijkheid die hij beging tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in 1971, en hem bij verstek ter dood veroordeelde;

E.  overwegende dat het ICT op 5 februari 2013 Abdul Qader Mollah tot levenslang veroordeelde, wat leidde tot emotioneel geladen maar grotendeels vreedzame protesten van vooral jongeren, op het Shabagh-plein in Dhaka; overwegende dat deze zogenaamde „Shabagh-beweging” ertoe opriep in het vonnis de doodstraf toe te passen en in de maatschappij en de politiek religieus extremisme te bannen;

F.  overwegende dat de regering meteen na de protesten de wet inzake het ICT uit 1973 heeft gewijzigd om een bepaling in te voeren zodat klagers beroep kunnen aantekenen tegen een oordeel van het tribunaal; overwegende dat de uitspraak tegen Abdul Qader Mollah dus in doodstraf kan worden omgezet; overwegende dat deze vorm van wetgeving met terugwerkende kracht de normen voor een eerlijke rechtsgang schendt, de legitimiteit van de werkzaamheden van het ICT ondermijnt en een schending vormt van het internationaalrechtelijke verbod op dubbele bestraffing („ne bis in idem”), dat ook is neergelegd in artikel 14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij Bangladesh partij is;

G.  overwegende dat verscheidene leiders van de regerende Awami Liga, met inbegrip van de minister van Binnenlandse Zaken, hun steun hebben uitgesproken voor de oproepen van de Shabagh-beweging, die erop aandringt de partij Jamaat-e-Islami te verbieden en met de partij verbonden media te sluiten;

H.  overwegende dat het ICT op 28 februari 2013 bekendmaakte dat het Delwar Hossain Sayeedi, de ondervoorzitter van Jamaat-e-Islami, tot de doodstraf veroordeelt, mede op beschuldiging van de vervolging van de hindoeminderheid;

I.  overwegende dat de situatie na dit laatste vonnis verslechterde, met gewelddadige protesten tegen de uitspraak van aanhangers van Jamaat-e-Islami, waarbij meer dan 60 doden vielen; overwegende dat de politie, volgens informatie van ngo's, de aanvallen van leden en sympathisanten van de partij onder meer beantwoordde door met scherp te schieten;

J.  overwegende dat er berichten zijn van recente aanvallen door Jamaat-activisten en sommige aanhangers van de Bengalese Nationalistische Partij op meer dan 40 hindoetempels, -huizen en -winkels in heel Bangladesh, waardoor honderden mensen dakloos werden; overwegende dat de Bengalese hindoe- en andere minderheden (zoals de ahmadiyyagemeenschap) herhaaldelijk periodes van geweld en vervolging te verduren hebben gekregen, met name tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in 1971 en na de verkiezingen van 2001, en dat, als gevolg daarvan, tussen 2001 en 2011 circa 900 000 hindoes Bangladesh hebben verlaten;

K.  overwegende dat er in verscheidene andere zaken gerechtelijke procedures bij het ICT lopen en dat er een ernstig risico bestaat dat de beklaagden schuldig bevonden en ter dood veroordeeld worden;

L.  overwegende dat de speciale VN-rapporteur inzake buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies en de speciale VN-rapporteur over de onafhankelijkheid van rechters en advocaten, alsook mensenrechtenorganisaties, hun bezorgdheid hebben geuit over de vermeende tekortkomingen van het tribunaal wat betreft eerlijke processen en een behoorlijke rechtsgang, en met name het feit dat een van de processen bij verstek werd gevoerd;

1.  maakt zich grote zorgen over de recente uitbarsting van geweld in Bangladesh na de vonnissen van het ICT en geeft uiting aan zijn verdriet over de doden die onlangs zijn gevallen;

2.  betuigt zijn medeleven met de familieleden en kennissen van de doden en gewonden ten gevolge van het geweld;

3.  erkent dat het noodzakelijk is verzoening te bewerkstelligen, recht te doen geschieden en verdachten ter verantwoording te roepen voor de misdaden die tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in 1971 zijn begaan; benadrukt de belangrijke rol van het ICT in dat opzicht;

4.  herhaalt sterk gekant te zijn tegen het gebruik van de doodstraf, in alle gevallen en onder alle omstandigheden;

5.  roept de Bengalese autoriteiten ertoe op alle doodstraffen om te zetten in andere straffen, voort te bouwen op de positieve ontwikkeling dat er in 2012 geen executies hebben plaatsgevonden, en een officieel moratorium op terechtstellingen in te voeren als een eerste stap in de richting van de afschaffing van de doodstraf;

6.  betreurt de gemelde onregelmatigheden in de werking van het ICT, zoals de vermeende intimidatie, belaging en gedwongen verdwijning van getuigen, alsook bewijzen van ongeoorloofde samenwerking tussen rechters, aanklagers en de regering; dringt er met name op aan dat de wetshandhavingsinstanties de maatregelen aanscherpen om een efficiënte bescherming van getuigen te waarborgen;

7.  dringt er bij de regering van Bangladesh op aan ervoor te zorgen dat het ICT strikt de nationale en internationale normen van rechtspleging in acht neemt; benadrukt in dit verband de garantie van een vrij, eerlijk en transparant proces en het recht van slachtoffers op bescherming, waarheid, gerechtigheid en genoegdoening;

8.  verzoekt de regering van Bangladesh zich nog meer in te spannen om de rechtstaat te handhaven; wijst er nogmaals op dat zij haar internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten moet nakomen;

9.  veroordeelt met klem het geweld van de aanhangers van Jamaat-e-Islami en aanverwante partijen tegen ordehandhavers, voorstanders van de uitspraken van het ICT, en religieuze en etnische minderheden; spreekt zijn krachtige veroordeling uit over elk willekeurig geweld tegen gewone burgers;

10.  uit zijn bezorgdheid over het hoge aantal slachtoffers; verzoekt de regering de veiligheidsdiensten op te dragen zich strikt aan hun verplichting te houden zich zo terughoudend mogelijk op te stellen en dodelijk geweld te vermijden, en een grondig onderzoek in te stellen naar de dood van al wie tijdens de betogingen is omgekomen;

11.  dringt er bij de Bengalese autoriteiten op aan ervoor te zorgen dat alle beschuldigingen van foltering en mishandeling onpartijdig worden onderzocht, en dat degenen die schuldig worden bevonden, worden berecht;

12.  dringt er bij alle politieke leiders in het land op aan de politieke spanningen te doen afnemen om verder geweld te voorkomen, en hun aanhangers op te dragen niet aan gewelddaden deel te nemen; roept alle politieke partijen in Bangladesh op met elkaar in dialoog te treden;

13.  roept de pers op niet aan te zetten tot op confrontatie gericht geweld; dringt er bij de regering op aan ervoor te zorgen dat journalisten en uitgevers vreedzaam hun mening kunnen uiten zonder lastiggevallen, geïntimideerd, in hechtenis gehouden of gefolterd te worden;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en de regering en het parlement van Bangladesh.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0027.
(2) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 240.
(3) PB C 294 E van 3.12.2009, blz. 77.
(4) PB L 118 van 27.4.2001, blz. 48.


Irak: de benarde toestand van minderheidsgroeperingen, met name van de Iraakse Turkmenen
PDF 125kWORD 24k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over Irak: de situatie van minderheden, inclusief de Irakese Turkmenen (2013/2562(RSP))
P7_TA(2013)0101RC-B7-0147/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Irak, met name die van 6 april 2006 over Irak: de Assyrische gemeenschap; de situatie in de gevangenissen(1) en die van 25 november 2010 over Irak: de doodstraf (in het bijzonder het geval Tariq Aziz) en het geweld tegen christenen(2),

–  gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds, en zijn wetgevingsresolutie van 17 januari 2013 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds(3),

–  gezien het gemeenschappelijk strategisch document voor Irak (2011-2013) van de Commissie,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de EU (VV:HV), Catherine Ashton, van 25 januari 2013 over de recente golf van terroristische aanslagen in Irak,

–  gezien de verklaring van de HV/VV, Catherine Ashton, van 24 januari 2013 over de moorden op de begrafenis in Tuz Khurmatu,

–  gezien het International Compact met Irak, dat opgestart is door VN-secretaris-generaal Ban Ki-Moon en Iraaks premier Nouri al-Maliki in 2007, met daarin het engagement om arme en kwetsbare groepen te beschermen tegen ontbering en verhongering,

–  gezien het „Mensenrechtenrapport over de mensenrechten in Irak: januari tot juni 2012” dat gezamenlijk is gepresenteerd door de missie van de Verenigde Naties voor bijstand aan Irak (United Nations Assistance Mission in Iraq, UNAMI) en de Commissie op 19 december 2012,

–  gezien het begeleidende persbericht van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (Office of the High Commissioner for Human Rights, OHCHR) van de VN, Navi Pillay, met de verklaring dat het aantal terechtstellingen dat tot op dat moment in 2012 had plaatsgehad en de wijze waarop de terechtstellingen waren uitgevoerd, namelijk in grote groepen, uiterst gevaarlijk was, niet te verantwoorden was en dreigde de gedeeltelijke en weifelachtige vooruitgang met betrekking tot de rechtstaat in Irak ernstig te ondermijnen,

–  gezien de verklaring van VN-secretaris-generaal Ban Ki-Moon van 25 januari 2013 waarin deze de recente golf van terroristische aanslagen in heel Irak, waarbij honderden zijn gedood en vele anderen gewond, streng veroordeelt,

–  gezien de Verklaring van de VN van 1981 inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie gebaseerd op religie of geloof,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, waarbij Irak partij is,

–  gelet op artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Irak nog steeds geconfronteerd wordt met ernstige politieke, veiligheids- en sociaaleconomische uitdagingen en dat het politieke toneel in het land uiterst gefragmenteerd is en geteisterd wordt door geweld, met ernstige negatieve gevolgen voor het legitieme verlangen van het Irakese volk naar vrede, welvaart en een echte overgang naar democratie;

B.  overwegende dat de Irakese grondwet gelijkheid voor de wet garandeert voor alle burgers en met name in artikel 125 de administratieve, politieke, culturele en onderwijsrechten van de diverse nationaliteiten als Turkmenen, Chaldeeërs, Assyriërs en alle andere nationaliteiten en dat artikel 31 van de grondwet van de Koerdische regio, die van kracht is sinds 2009, nationale, culturele en administratieve autonomie garandeert voor Turkmenen, Arabieren, Chaldeeërs, Assyriërs, Aramezen, Armeniërs en anderen die burger zijn van Koerdistan, wanneer zij de meerderheid van de bevolking vertegenwoordigen;

C.  overwegende dat het Irakese parlement op 9 april 2012 zijn goedkeuring heeft gehecht aan de Hoge Commissie voor de mensenrechten, die wel niet volledig operationeel is, maar die de eerste onafhankelijke mensenrechtencommissie is in de geschiedenis van het land;

D.  overwegende dat het in de politieke dialoog met zijn Irakese tegenhangers focust op de mensenrechtensituatie in Irak, die ernstige bezorgdheid blijft wekken, gezien de onbevredigende situatie voor kwetsbare groepen, inclusief minderheden;

E.  overwegende dat in de overeenkomst tussen de EU en Irak en met name in de mensenrechtenclausule hiervan het feit wordt benadrukt dat bij de politieke dialoog tussen de EU en Irak moet worden gefocust op de mensenrechten en op een versterking van de democratische instellingen;

F.  overwegende dat Irak al lang de thuis is van diverse etnische en religieuze minderheden, inclusief Turkmenen, christenen, Koerden, shabakken, mandeeën, Armeniërs, jazidi's, Baha'i, zwarte Irakezen, Assyriërs, joden, Palestijnen en anderen;

G.  overwegende dat ten aanzien van de minderheden in Irak assimilatiemaatregelen zijn genomen en dat zij ondervertegenwoordigd zijn in de Irakese regering en overheidsorganen; dat als gevolg hiervan de populaties van minderheidsgroepen in Irak de laatste jaren drastisch zijn geslonken, doordat velen het land zijn ontvlucht, terwijl anderen zijn gedwongen zich elders in Irak te vestigen;

H.  overwegende dat Turkmenen naar verluidt de op twee na grootste etnische groep in Irak zijn; overwegende dat er een conflict aan de gang is tussen Turkmenen en Koerden over Kirkuk, een regio die rijk is aan olie en andere natuurlijke hulpbronnen, waarbij op Turkmenen aanvallen zijn uitgevoerd en Turkmenen zijn ontvoerd, zowel door Koerdische strijders als door Arabische extremistische groepen; overwegende dat zowel soennitische als sjiitische Turkmenen zijn geviseerd om sektarische redenen;

I.  overwegende dat het conflict dat aan de gang is tussen de Irakese centrale regering en het regionale bestuur van Koerdistan, recent is geëscaleerd, hetgeen negatieve gevolgen heeft voor de veiligheidssituatie in de regio en een gevaar oplevert voor de vreedzame co-existentie van verschillende etnische groepen, met name Koerden, Arabieren en Turkmenen;

J.  overwegende dat naast territoriale spanningen Noord-Irak ook het terrein is van klaarblijkelijk sektarische aanvallen, waarbij de sjiitische bevolking frequent wordt geviseerd door soennitische groepen; overwegende dat op 31 december 2012 39 pelgrims zijn gedood tijdens het sjiitische festival van Arba'een; overwegende dat op 23 januari 2013 bij een aanval op een sjiitische moskee in Tuz Khurmatu, een dorp in de provincie Nineveh in Noord-Irak, een gebied dat betwist wordt door de Irakese regering en het regionale bestuur van Koerdistan en waar en significante Turkmeense bevolking woont, op zijn minst 42 doden en 117 gewonden zijn gevallen;

K.  overwegende dat ondanks een significante verbetering van de veiligheidssituatie de hoeveelheid geweld waarmee de Irakese bevolking wordt geconfronteerd, onaanvaardbaar hoog blijft, met dagelijks berichten van bomaanslagen en vuurgevechten; en overwegende dat de voortdurende spanning en het voortdurende geweld ervoor zorgen dat de meeste Irakezen onzeker zijn over hun toekomst en het onmogelijk maken om de economische en sociale integratie van de Irakese bevolking als geheel te bevorderen;

1.  is zeer bezorgd door de toenemende gewelddaden tegen de burgerbevolking in Irak, met name tussen soennieten en sjiieten, maar ook door de aanvallen tegen bijzonder kwetsbare groepen als religieuze, etnische en culturele minderheden, en verzoekt de Irakese autoriteiten de veiligheid en de openbare orde te verbeteren en terrorisme en sektarisch geweld te bestrijden in het hele land;

2.  veroordeelt de aanval van 23 januari 2013 op de Turkmeense begrafenis in Tuz Khurmatu van een overheidsambtenaar die de dag voordien was vermoord, waarbij op zijn minst 42 doden en 117 gewonden zijn gevallen, de aanval van 3 februari 2013, waarbij bij een zelfmoordbomaanslag bij een politiekantoor in Kirkuk 30 personen zijn gedood en 70 verwond, en de aanval van 16 december 2012, toen 2 Turkmeense leraren zijn ontvoerd, gemarteld en levend verbrand;

3.  veroordeelt krachtig alle terroristische aanvallen en spreekt zijn medeleven uit met de families en vrienden van de overledenen en de gewonden;

4.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit door het feit dat de nieuwe vlaag van instabiliteit en sektarisch geweld in Irak de ophanden zijnde provinciale verkiezingen van 20 april 2013 in gevaar kan brengen, waarvan de annulering de kans op een democratischere en inclusievere bestuursstructuur zou schaden;

5.  betreurt het feit dat ondanks de vermelding in de grondwet van de rechten van Turkmenen en andere minderheden, deze minderheden nog steeds voortdurend worden getroffen door etnisch en sektarisch geweld en discriminatie;

6.  verzoekt zowel de Irakese regering als het regionale bestuur van Koerdistan de aanvallen te veroordelen en snel een grondig onderzoek van de recente terroristische aanvallen in de regio uit te voeren, inclusief de uiterst dodelijke recente bomaanslag op de sjiitische moskee in Tuz Khurmatu, en de verantwoordelijken voor het gerecht te brengen;

7.  verzoekt de Irakese regering en het regionale bestuur van Koerdistan onmiddellijk stappen te ondernemen om het territoriale geschil in de Nineveh-vlakte te de-escaleren, de multiculturele, multi-etnische en multireligieuze diversiteit van de provincie te erkennen en de burgers ervan toe te staan hun identiteit, inclusief hun taal, religie en cultuur, vrij te kiezen;

8.  verzoekt de politieke krachten die vertegenwoordigd zijn in de Irakese Raad van Volksvertegenwoordigers, om een echte, inclusieve nationale dialoog te starten met als doel te zorgen voor effectief democratisch bestuur in Irak, met eerbiediging van de individuele en collectieve rechten van alle Irakese burgers; dringt bij de Irakese regering aan op de organisatie van een nationale volkstelling, die voortdurend wordt uitgesteld, om na te gaan hoe groot de Turkmeense en andere minderheidspopulaties zijn;

9.  verzoekt de Irakese regering en alle politieke leiders de nodige maatregelen te nemen om te zorgen voor veiligheid en bescherming van de Irakese burgers in het algemeen en van de leden van kwetsbare etnische en religieuze minderheden in het bijzonder; verzoekt de regering de veiligheidsdiensten op te dragen bij de ordehandhaving terughoudend te werk te gaan, overeenkomstig de regels van de rechtstaat en de internationale normen;

10.  is in deze samenhang tevreden met de recente start van een reorganisatie- en rehabilitatieprogramma voor detentiecentra en gevangenissen onder de autoriteit van het Irakese ministerie van Justitie en hoopt dat dit zal helpen om een einde te maken aan het endemische gebruik van foltering en de wijd verbreide straffeloosheid in Irak, die door de mensenrechtenorganisaties wordt betreurd;

11.  betreurt ten zeerste het hoge aantal terechtstellingen in Irak, waar vaak de doodstraf wordt uitgesproken na een oneerlijk proces en op basis van bekentenissen die zijn verkregen onder dwang; dringt er bij de Irakese regering op aan snel een moratorium af te kondigen op alle terechtstellingen, met het oog op de afschaffing van de doodstraf in de nabije toekomst;

12.  benadrukt het feit dat door de Irakese autoriteiten en de internationale hulporganisaties gecoördineerde actie moet worden ondernomen om kwetsbare groepen te helpen en adequate omstandigheden te scheppen voor hun veiligheid en waardigheid, met name initiatieven ter bevordering van een dialoog en wederzijds respect tussen alle religieuze en ethische gemeenschappen in Irak;

13.  benadrukt het feit dat het belangrijk is om in de EU JUST LEX-initiatieven indien mogelijk voldoende aandacht te geven aan de rechten van de Turkmenen en van minderheden in het algemeen en is tevreden met de successen van de EU JUST LEX-missie en de uitvoering ervan in Irak;

14.  benadrukt het feit dat de met de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Irak opgerichte samenwerkingsraad moet worden gebruikt als kanaal om de Irakese partner te informeren over de bezorgdheid met betrekking tot de situatie van de etnische en religieuze minderheden in het land;

15.  verzoekt de internationale gemeenschap en de EU de Irakese regering te helpen bij de organisatie van vreedzame, vrije en eerlijke regionale verkiezingen in april 2013;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en de Raad van Volksvertegenwoordigers van Irak, het regionale bestuur van Koerdistan, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de VN-Mensenrechtenraad.

(1) PB C 293 E van 2.12.2006, blz. 322.
(2) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 115.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0022.


De zaak van Arafat Jaradat en de situatie van Palestijnse gedetineerden in Israëlische gevangenissen
PDF 122kWORD 23k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over de zaak van Arafat Jaradat en de situatie van Palestijnse gedetineerden in Israëlische gevangenissen (2013/2563(RSP))
P7_TA(2013)0102RC-B7-0154/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 4 september 2008 over de situatie van Palestijnse gedetineerden in Israëlische gevangenissen(1) en die van 5 juli 2012 over het EU-beleid inzake de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem(2),

–  gezien de verklaring van 16 februari 2013 van de woordvoerder van hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton over de situatie van Palestijnse hongerstakers in Israël,

–  gezien de lokale EU-verklaring van 8 mei 2012 over Palestijnse gevangenen in hongerstaking,

–  gezien de Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds (associatieovereenkomst EU-Israël), en met name artikel 2 inzake de mensenrechten,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien de vierde Conventie van Genève van 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de VN van 1966,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 1979,

–  gezien het VN-Verdrag van 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989,

–  gezien de desbetreffende VN-resoluties over het conflict in het Midden-Oosten,

–  gezien de verklaring van 19 februari 2013 van Ban Ki-moon, secretaris-generaal van de VN, waarin hij zijn zorgen uit over de situatie van Palestijnse gevangenen in hongerstaking in Israël, de verklaring van 13 februari 2013 van Navi Pillay, hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten, over Palestijnse gevangenen en de verklaring van 27 februari 2013 van Richard Falk, speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten in de bezette Palestijnse gebieden, over de dood van de Palestijnse gevangene Arafat Jaradat,

–  gezien het UNICEF-verslag van februari 2013 met de titel „Kinderen in militaire detentie in Israël: observaties en aanbevelingen”,

–  gelet op artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Arafat Jaradat op 18 februari 2013 werd gearresteerd op verdenking van het gooien van stenen naar Israëlische doelwitten, en overwegende dat hij op 23 februari 2013 in de Megiddogevangenis is overleden; overwegende dat de oorzaak van zijn dood omstreden is; overwegende dat de Israëlische autoriteiten beweren dat hij is overleden aan een hartaanval, en overwegende dat de tijdens autopsie vastgestelde bloeduitstortingen en gebroken ribben karakteristiek zijn voor de reanimatiepogingen die zijn uitgevoerd door de gevangenisdienst; overwegende dat de Palestijnse autoriteiten op grond van deze autopsie beweren dat hij is overleden aan de gevolgen van foltering;

B.  overwegende dat bijna alle 4 500 Palestijnse gedetineerden in Israël hebben deelgenomen aan een hongerstaking en voedsel weigerden uit protest tegen de dood van de heer Jaradat; overwegende dat er de afgelopen dagen schermutselingen hebben plaatsgevonden in de straten van de Westelijke Jordaanoever, waarbij Palestijnen de omstandigheden van Palestijnse gevangenen in Israëlische gevangenissen aan de kaak stelden;

C.  overwegende dat de kwestie van Palestijnse gevangenen en gedetineerden verreikende politieke, sociale en humanitaire gevolgen heeft; overwegende dat Palestijnse politieke gevangenen en ex-gedetineerden een vooraanstaande rol spelen in de Palestijnse samenleving; overwegende dat momenteel meer dan 4 800 Palestijnse gevangenen en gedetineerden, waaronder veel vrouwen en kinderen, meer dan 100 gedetineerden van vóór de akkoorden van Oslo en 15 leden van de Palestijnse Wetgevende Raad (PLC) in Israël in hechtenis zitten; overwegende dat 178 van hen – waaronder 9 PLC-leden – vastzitten in administratieve detentie; overwegende dat er volgens een verklaring van maart 2013 van Palestijnse en Israëlische mensenrechtenorganisaties sinds 1967 minstens 71 Palestijnse gedetineerden zouden zijn overleden als direct resultaat van foltering in Israëlische bewaringscentra;

D.  overwegende dat de overgrote meerderheid van de Palestijnse gedetineerden uit de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook wordt vastgehouden in gevangenissen op Israëlisch grondgebied; overwegende dat het voor de meesten van hen vaak onmogelijk of zeer ingewikkeld is gebruik te maken van hun recht op bezoek van familieleden;

E.  overwegende dat Israëlische militaire administratieve aanhoudingsbevelen detentie zonder aanklacht of rechtszaak mogelijk maken op grond van bewijs dat onaanvaardbaar is voor zowel de gedetineerden als hun advocaten, en overwegende dat dergelijke bevelen tot zes maanden kunnen duren en voor onbepaalde tijd kunnen worden verlengd; overwegende dat het Israëlische hooggerechtshof de militaire rechtbanken en het corps van de militaire advocaat-generaal onlangs heeft bekritiseerd om hun optreden rondom het verlengen van administratieve aanhoudingsbevelen;

F.  overwegende dat Palestijnse politieke gevangenen herhaaldelijk met honderden tegelijk in hongerstaking zijn gegaan; overwegende dat verschillende Palestijnse gedetineerden hun hongerstaking momenteel hebben verlengd;

G.  overwegende dat vrouwelijke gevangenen een bijzonder kwetsbare groep zijn onder de Palestijnse gedetineerden;

H.  overwegende dat ieder jaar in de Westelijke Jordaanoever naar schatting 700 Palestijnse kinderen worden gearresteerd door Israëlische veiligheidstroepen; overwegende dat mishandeling van deze kinderen veelvuldig en systematisch voorkomt, volgens een Unicef-verslag uit februari 2013 betreffende de behandeling van Palestijnse kinderen die in contact komen met het Israëlische militaire detentiesysteem;

I.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Israël krachtens artikel 2 van de associatieovereenkomst stoelen op eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen, die een essentieel onderdeel van deze overeenkomst vormen; overwegende dat het actieplan EU-Israël de eerbiediging van de mensenrechten en van het internationaal humanitair recht benadrukt als een van de waarden die beide partijen in gemeen hebben;

1.  spreekt zijn diepe verontrusting uit over de dood van de Palestijnse gevangene Arafat Jaradat op 23 februari 2013 terwijl hij in Israëlische hechtenis zat, en betuigt zijn medeleven aan zijn familie;

2.  is zeer verontrust over de hernieuwde spanningen in de Westelijke Jordaanoever na de dood onder omstreden omstandigheden van de heer Jaradat in de Megiddogevangenis; verzoekt alle partijen maximale zelfbeheersing te betrachten, zich te weerhouden van provocerende handelingen om verder geweld te voorkomen en positieve stappen te zetten om de waarheid boven tafel te krijgen en de huidige spanningen te kalmeren;

3.  verzoekt de Israëlische autoriteiten spoedig een onafhankelijk, onpartijdig en transparant onderzoek te openen naar de omstandigheden waaronder de heer Jaradat is gestorven, en naar alle aantijgingen van foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of straffen van Palestijnse gevangenen;

4.  herhaalt zijn steun voor de legitieme veiligheidszorgen van Israël; is echter van mening dat de rechtsstaat ten volle moet worden geëerbiedigd bij de behandeling van gevangenen, daar dit een wezenlijke stap is voor een democratisch land; dringt er daarom bij de Israëlische regering op aan dat zij de rechten van Palestijnse gedetineerden eerbiedigt en hun gezondheid en levens beschermt;

5.  maakt zich zorgen over de Palestijnse gedetineerden die zonder aanklacht in administratieve detentie worden gehouden; benadrukt dat deze gedetineerden in staat van beschuldiging moeten worden gesteld en moeten worden berecht, met juridische garanties en in overeenstemming met internationale normen, of meteen moeten worden vrijgelaten;

6.  dringt aan op de onmiddellijke toepassing van het recht van gevangenen familiebezoek te ontvangen en verzoekt de Israëlische autoriteiten de nodige voorwarden te scheppen voor de uitoefening van dit recht;

7.  uit zijn ernstige zorgen over de situatie en gezondheid van Palestijnse gedetineerden in verlengde hongerstaking; spreekt zijn steun uit voor de inspanningen van het Internationale Comité van het Rode Kruis voor het redden van de levens van gevangenen en gedetineerden die zich in een kritieke toestand bevinden, en verzoekt Israël met klem alle hongerstakers onbeperkte toegang tot medische zorg te bieden;

8.  dringt nogmaals aan op de onmiddellijke vrijlating van alle PLC-leden die in hechtenis zitten, waaronder Marwan Barghouti;

9.  verzoekt de Israëlische autoriteiten erop toe te zien dat Palestijnse vrouwen en kinderen in hechtenis adequaat worden beschermd en correct worden behandeld, in overeenstemming met de desbetreffende internationale verdragen waarbij Israël partij is;

10.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden en de lidstaten om het lot van Palestijnse gevangenen en gedetineerden, met inbegrip van vrouwen en kinderen, nauwlettend te volgen, en om deze kwestie in politieke dialogen met Israël op alle niveaus aan te kaarten; dringt erop aan dat deze kwestie moet worden opgenomen in het volgende voortgangsverslag over het Europees nabuurschapsbeleid met betrekking tot Israël;

11.  dringt aan op een onderzoeksmissie ter evaluatie van de huidige situatie met betrekking tot de detentieomstandigheden van Palestijnse gevangenen, met inbegrip van vrouwen en kinderen, en het gebruik van administratieve detentie;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de Israëlische regering, de Knesset, de voorzitter van de Palestijnse Autoriteit, de Palestijnse Wetgevende Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de gezant van het Kwartet voor het Midden-Oosten, de voorzitter van de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering, de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN en het Internationale Comité van het Rode Kruis.

(1) PB C 295 E van 4.12.2009, blz. 47.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0298.

Juridische mededeling - Privacybeleid