Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2054(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0246/2013

Ingediende teksten :

A7-0246/2013

Debatten :

Stemmingen :

PV 04/07/2013 - 13.11
CRE 04/07/2013 - 13.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0330

Aangenomen teksten
PDF 206kWORD 40k
Donderdag 4 juli 2013 - Straatsburg
Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2013 - Uitgaven in verband met de toetreding van Kroatië tot de EU
P7_TA(2013)0330A7-0246/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2013 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2013 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie (11607/2013 – C7-0199/2013 – 2013/2054(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1),

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, definitief vastgesteld op 12 december 2012(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3) (hierna het "IIA van 17 mei 2006"), en met name punt 29,

–  gezien het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging, wat het meerjarig financieel kader betreft, van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer om met de uit de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie voortvloeiende uitgaven rekening te houden (COM(2013)0157),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2013, goedgekeurd door de Commissie op 18 maart 2013 (COM(2013)0156),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2013, goedgekeurd door de Raad op 26 juni 2013 (11607/2013 – C7-0199/2013),

–  gezien de artikelen 75 ter en 75 sexies van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7-0246/2013),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2013 tot doel heeft om de vastleggings- en betalingskredieten die nodig zijn ter dekking van de uitgaven in verband met de toetreding van Kroatië tot de Unie per 1 juli 2013 op te nemen in de begroting 2013;

B.  overwegende dat de Commissie tegelijkertijd, ingevolge punt 29 van het IIA van 17 mei 2006, een voorstel heeft ingediend tot aanpassing van het meerjarig financieel kader, om deze wijzigingen mogelijk te maken;

C.  overwegende dat de voorgestelde verhoging van 655,1 miljoen EUR aan vastleggingen en 374 miljoen EUR aan betalingen in overeenstemming is met het financiële pakket dat is overeengekomen op de toetredingsconferentie van 30 juni 2011, exclusief rubriek 5, aangezien de administratieve uitgaven in verband met de toetreding van Kroatië reeds zijn verdisconteerd in de begroting 2013;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2013, zoals door de Commissie ingediend, en van het standpunt van de Raad daarover;

2.  onderstreept de puur technische aard van deze gewijzigde begroting, die eenvoudigweg voortvloeit uit de unanieme overeenstemming inzake het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie als 28e lidstaat van de Unie; wijst erop dat de gewijzigde begroting om die reden gescheiden is gehouden van het politieke debat dat momenteel op interinstitutioneel niveau plaatsvindt over de wijze waarop de kwestie van de uitstaande betalingen uit 2012 moet worden geregeld, en van de onderhandelingen over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2013;

3.  herinnert eraan dat overeenkomstig punt 29 van het IIA van 17 mei 2006 de middelen ter financiering van deze gewijzigde begroting gedekt moeten worden door een aanpassing van het financieel kader, in de vorm van een herziening van de maxima voor 2013 voor vastleggingen en betalingen;

4.  herhaalt zijn standpunt dat de in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde termijn van acht weken om de nationale parlementen te informeren over ontwerpwetgevingshandelingen niet van toepassing is op begrotingsaangelegenheden; betreurt het daarom dat de Raad, ondanks het uiterst strakke tijdschema voor de inwerkingtreding van deze gewijzigde begroting, deze termijn toch heeft laten verstrijken alvorens een standpunt vast te stellen, waardoor het Parlement veel minder tijd had voor de vaststelling van de gewijzigde begroting overeenkomstig het Verdrag;

5.  betreurt ook dat de Raad, zelfs na het verstrijken van de termijn van acht weken, slechts met moeite overeenstemming heeft weten te bereiken over deze gewijzigde begroting, waardoor er vertraging is opgetreden bij de beschikbaarstelling van de per 1 juli 2013 benodigde middelen voor Kroatië; waarschuwt dat dit geen precedent mag worden voor toekomstige uitbreidingen;

6.  is ingenomen met het feit dat de Raad er uiteindelijk mee kon instemmen dat de maxima van 2013 voor de betalingen met de vereiste 374 miljoen EUR zonder enige compensatie worden verhoogd; is van mening dat dit, aangezien het slechts om een beperkt bedrag gaat en er momenteel een tekort aan betalingskredieten is in de begroting 2013, de juiste manier is om de verplichting na te komen die de lidstaten op zich hebben genomen toen zij het Toetredingsverdrag ondertekenden en om het bepaalde in punt 29 van het IIA van 17 mei 2006 na te leven;

7.  betreurt echter dat de Raad met betrekking tot de herziening van de vastleggingen besloten heeft het politieke belang van aanvaarding van het Commissievoorstel als zodanig naast zich neer te leggen en daarentegen te kiezen voor beschikbaarstelling van de vereiste kredieten door middel van compensatie; wijst erop dat dit indruist tegen de geest van het besluit dat met algemene stemmen genomen is toen het Toetredingsverdrag werd ondertekend, en in strijd is met het IIA van 17 mei 2006; wijst er met nadruk op dat een dergelijk besluit een verkeerd politiek signaal geeft, niet alleen aan Kroatië, maar ook aan de andere kandidaat-lidstaten; onderstreept dat dit besluit alleen wordt geaccepteerd omdat het betrekking heeft op de laatste zes maanden van het huidige MFK (2007-2013); wijst erop dat besluit dit geen precedent mag vormen voor eventuele toekomstige uitbreidingen gedurende de looptijd van het volgende MFK (2014-2020);

8.  betreurt het dat rubriek 5 gekozen is als de hoofdbron voor de compensatie van de vastleggingen, aangezien dat ertoe zou kunnen leiden dat er onvoldoende middelen overblijven om de aangevochten salarisverhogingen te dekken ingeval het Hof van Justitie daarover nog in 2013 uitspraak zou doen;

9.  besluit niettemin, gezien het politieke belang en de juridische urgentie van de beschikbaarstelling van de nodige financiering voor Kroatië, het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2013 ongeamendeerd goed te keuren;

10.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 1/2013 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 66 van 8.3.2013.
(3) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid