Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2057(INL)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0393/2013

Ingediende teksten :

A7-0393/2013

Debatten :

Stemmingen :

PV 11/12/2013 - 4.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0558

Aangenomen teksten
PDF 162kWORD 78k
Woensdag 11 december 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
EU-donorcoördinatie met betrekking tot ontwikkelingshulp
P7_TA(2013)0558A7-0393/2013
Resolutie
 Bijlage

Resolutie van het Europees Parlement van 11 december 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende EU-donorcoördinatie met betrekking tot ontwikkelingshulp (2013/2057(INL))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 9 en 151 en artikel 153, lid 1, onder e),

–  gezien de artikelen 209 en 210 VWEU,

–  gezien de millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000,

–  gezien de Verklaring van Parijs van 2005, de Actieagenda van Accra (AAA) van 2008 en het Mondiaal Partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking van 2011,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: de Europese consensus(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 oktober 2011 met als titel "Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering" (COM(2011)0637),

–  gezien de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 over "Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering"(2),

–  gezien de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 15 mei 2007, over de "de gedragscode van de Europese Unie inzake complementariteit en taakverdeling in het ontwikkelingsbeleid"(3),

–  gezien zijn resolutie van 28 september 2006 over "Meer en beter samenwerken: het pakket 2006 inzake de doeltreffendheid van de bijstand van de EU"(4),

–  gezien zijn resolutie van 22 mei 2008 over het vervolg op de Verklaring van Parijs van 2005 over de doeltreffendheid van de hulp(5),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 inzake het vierde forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp(6),

–  gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 17 november 2009 over een operationeel kader inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp(7),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken (ministers van Ontwikkelingssamenwerking) van 14 juni 2010 over de taakverdeling tussen meerdere landen(8), waarin het operationeel kader inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp op een aantal punten wordt aangevuld of gewijzigd,

–  gezien de conclusies van 9 december 2010 van de Raad Buitenlandse Zaken (ministers van Ontwikkelingssamenwerking) over wederzijdse aansprakelijkheid en transparantie: het vierde hoofdstuk van het operationele kader van de EU inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp(9),

–  gezien de geconsolideerde tekst over het operationele kader inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp van het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie van 11 januari 2011(10),

–  gezien het rapport van oktober 2009 met als titel "Agenda voor doeltreffendheid van hulp: de voordelen van een Europese aanpak", in opdracht van het Directoraat-generaal ontwikkeling van de Commissie(11),

–  gezien het eindrapport van maart 2011 met als titel "Gezamenlijke meerjarenprogrammering", in opdracht van het Directoraat-generaal ontwikkeling van de Commissie(12),

–  gezien het eindverslag van de evaluatie van de Verklaring van Parijs - tweede fase, dat in mei 2011 is gepubliceerd,

–  gezien het rapport over de kosten van een niet-verenigd Europa betreffende betere coördinatie tussen EU-donoren, gepresenteerd door de Commissie ontwikkelingssamenwerking op 10 juli 2013,

–  gezien Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese Dienst voor extern optreden(13), met name artikel 9 betreffende instrumenten voor extern optreden en programmering,

–  gezien de artikelen 42 en 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van zijn Commissie ontwikkelingsamenwerking en het advies van zijn Commissie buitenlandse zaken (A7-0393/2013),

A.  overwegende dat volgens schattingen opgenomen in het bovengenoemde rapport over de kosten van een niet-verenigd Europa jaarlijks een bedrag van 800 miljoen EUR aan transactiekosten zou kunnen worden bespaard als de EU en haar lidstaten hun hulpinspanningen op minder landen en activiteiten zouden richten; voorts overwegende dat jaarlijks een bijkomend bedrag van 8,4 miljard EUR zou kunnen worden bespaard als de toewijzingen per land volledig zouden worden gecoördineerd en uitsluitend gericht zouden zijn op armoedebestrijding;

B.  overwegende dat gezien er in het algemeen beperkte vooruitgang is geboekt bij het bereiken van het VN-doel om tegen 2015, 0,7 % van het bruto nationaal inkomen aan officiële ontwikkelingshulp te besteden, doeltreffender coördinatie op EU-niveau uiterst belangrijk is;

C.  overwegende dat gezien de veranderde demografie in de wereld en de toekomstige sterkere onderlinge afhankelijkheid tussen de huidige ontwikkelingswereld en de EU als geheel, een efficiënter inzet van ontwikkelingshulp niet alleen zal leiden tot doeltreffender bijstand in de betrokken landen maar ook tot sterker wederzijds respect in de toekomst;

D.  overwegende dat een gecoördineerd EU-optreden, in het bijzonder door de oprichting van een commissie met vertegenwoordigers van de Commissie, de Raad en het Europees Parlement, een toegevoegde waarde heeft die, in termen van beleid en middelen, groter is dan de som van de individuele maatregelen van haar 28 lidstaten en de Commissie;

E.  overwegende dat de EU en haar lidstaten een voorbeeldfunctie moeten blijven vervullen wat betreft het tegengaan van versnippering van hulp door de in Parijs, Accra en Busan gedane toezeggingen inzake de doeltreffendheid van internationale hulp en ontwikkeling, volledig in te lossen en door voort te bouwen op de vorderingen die zijn gemaakt in het lopende proces van gezamenlijke programmering;

F.  overwegende dat EU-donorcoördinatie moet bijdragen tot de doelstelling om alle formele en informele gebonden hulp te beëindigen en de "Agenda voor doeltreffendheid van hulp" om te vormen tot een "Agenda voor doeltreffendheid van ontwikkeling";

G.  overwegende dat EU-initiatieven om donorcoördinatie te verbeteren hoofdzakelijk vrijwillig en niet-bindend van aard zijn; voorts overwegende dat de gedragscode van de Europese Unie inzake complementariteit en taakverdeling in het ontwikkelingsbeleid weinig resultaten heeft opgeleverd;

H.  overwegende dat de Verdragen de EU de rechtsgrond bieden om de samenhang en de doeltreffendheid van haar externe optreden te versterken;

I.  overwegende dat de Commissie de drijvende kracht moet zijn achter de volledige uitvoering op EU-niveau van de agenda voor doeltreffende hulp en ontwikkeling;

1.  roept de EU en haar lidstaten ertoe op hun toezeggingen op grond van de Verklaring van Parijs, de Actieagenda van Accra en het mondiaal partnerschap van Busan voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking na te leven, hetgeen in het bijzonder wordt belemmerd door een gebrek aan politieke wil, bureaucratische procedures en hoge transactiekosten; herinnert er in dit verband aan dat het eerbiedigen van het beginsel van "democratische eigen verantwoordelijkheid" een essentiële voorwaarde is voor het verwezenlijken van de agenda voor de doeltreffendheid van de hulp, hetgeen inhoudt dat de ontwikkelingsstrategieën door de betrokken landen worden gestuurd en een afspiegeling zijn van de verbintenissen van alle nationale actoren;

2.  verzoekt de EU en haar lidstaten ten volle gebruik te maken van de wettelijke bepalingen van het VWEU met betrekking tot ontwikkeling, waarin wordt aangedrongen op complementariteit van het optreden van de EU en de lidstaten inzake ontwikkelingssamenwerking (artikelen 208 en 210 VWEU), teneinde de doeltreffende coördinatie tussen EU‑donoren te bevorderen;

3.  pleit voor betere coördinatie tussen de EU en haar lidstaten, onder meer door gezamenlijke programmering, bijvoorbeeld bij de taakverdeling binnen landen om te voorkomen dat dubbel werk wordt verricht en de transactiekosten oplopen; beklemtoont tevens de noodzaak om een zorgvuldige analyse te verrichten van de specifieke behoeften van elk ontvangend land en er tegelijk voor te zorgen dat gefinancierde projecten verankerd zijn in de plaatselijke economie en ten goede komen aan diegenen die daaraan het meest behoefte hebben;

4.  pleit voor een betere coördinatie tussen de EU en haar lidstaten bij de taakverdeling tussen landen, zodat er een einde wordt gemaakt aan een situatie waarin bepaalde landen een voorkeursbehandeling krijgen ("aid darlings") en andere juist niet ("aid orphans"); beklemtoont dat het EU-beleid inzake de taakverdeling ervoor moet zorgen dat horizontale kwesties zoals mensenrechten, gendergelijkheid en klimaatverandering voldoende aandacht krijgen; onderstreept voorts dat het doel om de weerslag van hulp te vergroten en een betere kosten-/batenverhouding te verwezenlijken niet mag leiden tot een risicoschuw ontwikkelingsbeleid dat zich alleen concentreert op "gemakkelijke landen";

5.  dringt erop aan dat de relatieve voordelen van de EU en haar lidstaten bij de taakverdeling op het gebied van ontwikkeling opnieuw worden geëvalueerd door de beoordeling van sterke en zwakke punten, in samenwerking met de betrokken lidstaat (of de Commissie) en andere donoren en partnerlanden;

6.  merkt echter op dat er ook behoefte is aan betere coördinatie met de internationale gemeenschap en belangrijker nog, met lokale spelers, in het bijzonder lokale regeringen, nationale parlementen, het maatschappelijk middenveld en ngo's; herinnert eraan dat millenniumdoelstelling voor ontwikkeling nr. 8, "het opzetten van een mondiaal partnerschap voor ontwikkeling", brede participatie en nauwe samenwerking tussen alle spelers op het gebied van ontwikkeling bevordert;

7.  benadrukt dat multilaterale ontwikkelingsorganisaties, door de bundeling van middelen verstrekt door donorlanden, de doeltreffendheid van hulp kunnen verhogen en de efficiëntie kunnen maximaliseren; merkt op dat het gebruik van door internationale organisaties verstrekte middelen donoren ook helpt informatie uit te wisselen over de ontwikkelingsactiviteiten, wat leidt tot grotere transparantie en een betere verantwoording;

8.  benadrukt dat het belangrijk is de capaciteit van die landen te ontwikkelen zodat zij de vaardigheden, deskundigheid en instellingen kunnen opbouwen die vereist zijn om hun eigen ontwikkeling doeltreffend te beheren; onderstreept het belang van vrije handel, een markteconomie en ondernemerschap voor ontwikkelingslanden zelf om armoede te kunnen tegengaan, en zo duurzame economische ontwikkeling te scheppen en hun afhankelijkheid van hulp af te bouwen; beklemtoont eveneens het belang van het bevorderen en beschermen van goed bestuur, en dat de autoriteiten van de begunstigde landen corruptie moeten bestrijden en fiscale infrastructuur moeten opbouwen, zodat zij hun belastinginkomsten kunnen verzekeren en belastingontduiking en onwettige kapitaalvlucht kunnen bestrijden;

9.  beklemtoont dat niet-traditionele donoren een steeds grotere rol gaan spelen, evenals investeringen uit de private sector en filantropische geldstromen naar ontwikkelingslanden, wat de coördinatie extra bemoeilijkt; is van oordeel dat moet worden bekeken of deze aspecten ook kunnen worden opgenomen in het nieuwe kader voor EU-donorcoördinatie met betrekking tot ontwikkelingshulp, voortbouwend op de via het partnerschap van Busan voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking aangegane verbintenissen;

10.  onderstreept het belang van een gedifferentieerde aanpak voor doeltreffende hulp, waarbij rekening wordt gehouden met het ontwikkelingsniveau van partnerlanden (minst ontwikkelde landen, kwetsbare landen en landen met een middeninkomen) en hun specifieke behoeften; meent dat deze gedifferentieerde aanpak gebaseerd moet zijn op multidimensionale ontwikkelingsindicatoren die verder gaan dan het bbp, waarbij rekening wordt gehouden met binnenlandse armoede, ongelijkheid en kwetsbaarheid;

11.  verzoekt de lidstaten ten volle gebruik te maken van de nieuwe elektronische instrumenten voor de coördinatie van projecten, zoals de databank voor de officiële ontwikkelingshulp aan Mozambique (ODAMoz), die door de EU is gefinancierd;

12.  roept de EU ertoe op ervoor te zorgen dat de toezeggingen voor de doeltreffendheid van hulp en ontwikkeling, volledig tot uiting komen in alle financiële mechanismen voor ontwikkelingssamenwerking;

13.  benadrukt dat gezien de bezuinigingen op nationale begrotingen en de EU‑begroting als gevolg van de economische problemen en vanwege de toenemende politieke wil om een effectiever uitgavenpatroon voor ontwikkelingshulp tentoon te spreiden, verhoogde donorcoördinatie een vereiste is, die in de eerste plaats door de EU moet worden bevorderd, en dat deze coördinatie betrekking moet hebben op alle belangrijke aspecten van alle ontwikkelingsprojecten, met inbegrip van planning, toezicht en evaluatie;

14.  meent dat bij de huidige EU-initiatieven ter versterking van de donorcoördinatie, vanwege de vrijwillige en niet-bindende aard ervan, de bestaande mogelijkheden om de ontwikkelingssteun van de EU en haar lidstaten doeltreffender en efficiënter te maken niet volledig worden benut; roept de EU en haar lidstaten dan ook op om een nieuw instrument voor coördinatie tot stand te brengen in de vorm van een verordening;

15.  verzoekt de Commissie om bij voorkeur tegen 31 december 2015 en uiterlijk tijdens het eerste halfjaar van 2016, op grond van de artikelen 209 en 210 VWEU, een voorstel voor een handeling inzake regelgevingsaspecten van EU-donorcoördinatie met betrekking tot ontwikkelingshulp in te dienen, na de aanneming en tenuitvoerlegging van een stappenplan met voorbereidende acties ter vereenvoudiging van de uitvoering van deze regelgevingsaspecten, en daarbij de in de hierbij gevoegde bijlage opgenomen gedetailleerde aanbevelingen te volgen;

16.  verzoekt de Commissie en de EDEO dat stappenplan te evalueren aan de hand van een aantal vooraf overeengekomen indicatoren; meent dat bij dit proces enerzijds de EU‑delegaties en diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten in partnerlanden en anderzijds DG DEVCO en de EDEO samen met vertegenwoordigers van de lidstaten moeten worden betrokken; meent dat de Commissie en de EDEO in het kader van dit proces verslag moeten uitbrengen aan het Europees Parlement, zodat het kan instemmen met de tenuitvoerlegging van het stappenplan;

17.  bevestigt dat deze aanbevelingen in overeenstemming zijn met de grondrechten en het subsidiariteitsbeginsel;

18.  is van oordeel dat het verlangde voorstel geen financiële gevolgen heeft;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande gedetailleerde aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

(1)PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(2) Document nr. 9369/12.
(3) Document nr. 9558/07.
(4) PB C 306 E van 15.12.2006, blz. 373.
(5) PB C 279 E van 19.11.2009, blz. 100.
(6) PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 80.
(7) Document nr. 15912/09.
(8) Document nr. 11081/10.
(9) Document nr. 17769/10.
(10) Document nr. 18239/10.
(11) Project nr. 2008/170204 – Versie 1.
(12) Project nr. 2010/250763 – Versie 1.
(13) PB L 201 van 20.5.2010, blz. 3.


BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE:

GEDETAILLEERDE AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Aanbeveling 1 (over het doel en de strekking van de vast te stellen verordening)

Het doel van de verordening is de mechanismen en praktijken gericht op betere samenhang en effectieve coördinatie van ontwikkelingshulp te codificeren en te versterken. De verordening dient een passende oplossing te bieden om de doeltreffendheid en efficiëntie van de EU-ontwikkelingssteun te verhogen.

De verordening dient van toepassing te zijn op de lidstaten en de instellingen van de EU.

Aanbeveling 2 (over de algemene beginselen waarop de EU-donorcoördinatie dient te worden gebaseerd)

In de verordening dienen de volgende beginselen te worden gecodificeerd:

—  Eigen verantwoordelijkheid: De EU en haar lidstaten dienen de partnerlanden de leiding in handen te laten en zich achter nationale overheidsstrategieën te scharen. Zij dienen zo nodig maatregelen te nemen om partnerlanden beter in staat te stellen om de leiding te nemen over operationele kaders voor donorcoördinatie.

—  Harmonisatie: De EU en haar lidstaten dienen gemeenschappelijke programmeringsregelingen op nationaal niveau (gezamenlijke programmering) uit te voeren en samen te werken om het aantal afzonderlijke, vaak overlappende acties ter plaatse en diagnostische evaluaties te verminderen. Zij dienen eveneens bevoegdheden over te dragen aan "leidende donoren" voor de uitvoering van activiteiten waarvoor een van die donoren in de sector of het land in kwestie een relatief voordeel heeft.

—  Aanpassing: De EU en haar lidstaten dienen hun algemene steun (landenstrategieën, beleidsdialogen en ontwikkelingssamenwerkingsprogramma's) te baseren op de nationale ontwikkelingsstrategieën van hun partners en de periodieke evaluaties van de vorderingen bij de uitvoering van die strategieën. Om administratieve rompslomp tegen te gaan, dienen zij in de eerste plaats nationale systemen te gebruiken. De EU en haar lidstaten dienen geen speciale structuren te creëren voor het dagelijks beheer en de uitvoering van met hulp gefinancierde projecten en programma's.

—  Voorspelbaarheid van de middelen: Met het oog op de effectieve coördinatie van hun ontwikkelingsinspanningen, dienen de EU en haar lidstaten ontwikkelingslanden tijdig te informeren over hun toekomstige uitgaven en/of uitvoeringsplannen, met indicatieve toewijzingen, om de partnerlanden in staat te stellen deze op te nemen in hun planning voor de middellange termijn.

—  Transparantie en wederzijdse verantwoording: De EU en de lidstaten dienen samen te werken met de partnerlanden om gezamenlijk overeengekomen kaders vast te stellen die zorgen voor betrouwbare evaluaties van de resultaten, transparantie en controleerbaarheid van nationale systemen, en om de beschikbaarheid en kwaliteit van data in de partnerlanden te verbeteren. Sleutelinitiatieven ter verwezenlijking van deze doelstellingen zoals de EU-Transparantiewaarborg en het Internationaal Initiatief inzake transparantie van ontwikkelingshulp dienen verder te worden bevorderd.

—  Gedifferentieerde aanpak: Bij de uitvoering van deze verordening dient te worden gekozen voor een gedifferentieerde aanpak gebaseerd op de ontwikkelingscontext en -behoeften van de partnerlanden en -regio's, die hun een specifieke samenwerking biedt, toegesneden op hun eigen behoeften, strategieën, prioriteiten en pluspunten.

—  Herziening, evaluatie en bespreking van resultaten: De EU dient toezicht te houden op en verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van de verordening. Jaarlijks dient verslag te worden uitgebracht over de genomen maatregelen aan de nationale parlementen en het Europees Parlement.

Aanbeveling 3 (over gezamenlijke programmering)

De verordening dient de toezegging van de lidstaten en de Commissie te codificeren om hun deelname aan gezamenlijke meerjarenprogrammering op basis van de ontwikkelingsstrategieën van de partnerlanden te verhogen, hetgeen er onder andere toe moet leiden dat de EU- en de nationale programmeringscycli zo goed mogelijk op elkaar worden afgestemd op het niveau van de partnerlanden. Het gezamenlijke programmeringskader is een pragmatisch instrument voor een betere taakverdeling en dient de bestaande regelingen voor donorcoördinatie aan te vullen en te versterken om onnodige parallelle processen te voorkomen.

De verordening dient ervoor te zorgen dat de EU actief toezicht houdt op de vorderingen op centraal en op nationaal niveau om te waarboren dat de gedane toezeggingen gestaag gestand worden gedaan en de stappenplannen voor de uitvoering van het gezamenlijke EU-programmeringskader naar behoren worden nageleefd.

Aanbeveling 4 (over taakverdeling)

De EU en haar lidstaten hebben een veelheid aan richtsnoeren ontwikkeld over de manier waarop taken effectief dienen te worden verdeeld. De gedragscode van de Europese Unie inzake complementariteit en taakverdeling in het ontwikkelingsbeleid vormt een leidraad voor de EU en de lidstaten en dient snel te worden ingevoerd in alle partnerlanden.

Aanbeveling 4.1: over taakverdeling binnen landen

De EU en haar lidstaten dienen de transactiekosten te verlagen door het aantal EU-donoren dat betrokken is bij de sectorale beleidsdialoog en de samenwerkingsactiviteiten te beperken. Met het oog hierop dienen zij sectorale exitplannen te ontwikkelen en uit te voeren, teneinde een sterkere concentratie op bepaalde sectoren tot stand te brengen op basis van een dialoog met de regeringen van de partnerlanden en andere donoren, en op grond van een effectanalyse van mogelijke financieringstekorten.

Aanbeveling 4.2: over taakverdeling tussen landen

Om versnippering van hulp over vele landen en een overvloed aan donoren te voorkomen, dienen de EU en de lidstaten ervoor te zorgen dat zij met kennis van zaken middelen toewijzen, door onder andere rekening te houden met de plannen van andere lidstaten en de mogelijke invloed van de EU. De lidstaten dienen zich in te zetten voor sterkere geografische concentratie en de Commissie dient een coördinerende rol te vervullen, in het bijzonder in achtergestelde landen ("orphan countries"). In dit kader kunnen gezamenlijke EU-studies en ­strategieën voor zowel "aid darlings" als "aid orphans" als basis dienen voor een betere taakverdeling tussen de verschillende landen.

Aanbeveling 5 (over het toezicht op de vorderingen op centraal en nationaal niveau)

De verordening dient de mechanismen te codificeren voor het doorgeven van aanwijzigen van vorderingen wat betreft versterkte donorcoördinatie op nationaal niveau, waaronder a) uitgesplitste informatie over alle relevante hulpstromen; b) vooruitgang wat betreft processen voor gezamenlijke programmering, met bijzondere aandacht voor taakverdeling; c) aanwijzingen van verlaagde transactiekosten door middel van taakverdeling; en d) de opname van gezamenlijke programmering en taakverdeling in de strategische planningsprocessen.

Deze informatie dient de partnerlanden ter beschikking te worden gesteld zodat zij deze kunnen opnemen in hun documenten betreffende de nationale begroting, ter bevordering van de transparantie ten opzichte van parlementen, het maatschappelijk middenveld en andere relevante betrokkenen.

Aanbeveling 6 (over de deelname van nationale parlementen aan het toezicht op donorcoördinatie)

De verordening dient bepalingen te bevatten om de deelname van nationale parlementen aan het toezicht op donorcoördinatie te doen toenemen. Hiertoe dienen jaarlijkse vergaderingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen te worden gehouden om de vorderingen te evalueren en de resultaten te bespreken.

Aanbeveling 7 (over het jaarverslag aan het Europees Parlement en de Raad)

De verordening dient bepalingen te bevatten over evaluatie door middel van een jaarverslag. De Commissie dient de vorderingen gemaakt bij de uitvoering van de op grond van de verordening genomen maatregelen, te bestuderen en het Europees Parlement en de Raad, evenals het in aanbeveling 9 genoemde comité, een jaarverslag te doen toekomen over de uitvoering ervan en de resultaten in termen van coördinatie van EU-bijstand.

Dit verslag dient tevens te worden voorgelegd aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s.

Het jaarverslag dient te worden gebaseerd op informatie over het voorafgaande jaar afkomstig van de hoofdzetel en het terrein. Het verslag dient een evaluatie te bevatten van de resultaten van de inspanningen ter verbetering van de coördinatie van het ontwikkelingsbeleid van de EU en de lidstaten, waarbij zo veel mogelijk gebruik wordt gemaakt van specifieke en meetbare indicatoren van de gemaakte vorderingen bij de realisatie van de doelstellingen van de verordening.

Aanbeveling 8 (over de herziening)

De Commissie dient een verslag bij het Europees Parlement en de Raad in te dienen waarin de tenuitvoerlegging van de verordening in de eerste drie jaar wordt geëvalueerd, met, indien nodig, een wetsvoorstel waarin de vereiste wijzigingen worden gepresenteerd.

Aanbeveling 9 (over de oprichting van het Coördinatiecomité)

De verordening dient bepalingen te bevatten voor de oprichting van een comité. Dit comité dient een reglement aan te nemen en te zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de Commissie, de Raad en het Europees Parlement.

Juridische mededeling - Privacybeleid