Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 13 juni 2013 - Straatsburg
Tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst EG/Centraal-Afrika ***
 Tweede wijziging van de Overeenkomst van Cotonou van 23 juni 2000 ***
 Vrijheid van pers en media in de wereld
 Hergebruik van overheidsinformatie ***I
 Financiële diensten: gebrek aan vooruitgang in de Raad en vertraging in de Commissie bij de goedkeuring van bepaalde voorstellen
 Situatie in Turkije
 Evaluatie van 2013 van de organisatie en het functioneren van de EDEO
 Bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of overtuiging
 Een breder trans-Atlantisch partnerschap
 Wederopbouw en democratisering van Mali
 Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Afghanistan
 Millenniumontwikkelingsdoelstellingen
 Rechtsstaat in Rusland
 Azerbeidzjan: de zaak-Ilgar Mammadov
 Situatie van de Rohingya-moslims

Tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst EG/Centraal-Afrika ***
PDF 192kWORD 19k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot sluiting van de interim-overeenkomst met het oog op een economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Centraal-Afrika, anderzijds (14757/2012 – C7-0369/2012 – 2008/0139(NLE))
P7_TA(2013)0272A7-0190/2013

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (14757/2012),

–  gezien de ontwerpinterim-overeenkomst met het oog op een economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Centraal-Afrika, anderzijds (13485/2011),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, artikel 211 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0369/2012),

–  gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0190/2013),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Kameroen.


Tweede wijziging van de Overeenkomst van Cotonou van 23 juni 2000 ***
PDF 199kWORD 19k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tot tweede wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005 (16894/2011 – C7-0469/2011 – 2011/0207(NLE))
P7_TA(2013)0273A7-0110/2013

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (16894/2011),

–  gezien de overeenkomst tot tweede wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005 (09565/2010)(1),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 217 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0469/2011),

–  gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Commissie internationale handel (A7-0110/2013),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  heeft ernstige bedenkingen bij delen van de overeenkomst die het standpunt van het Europees Parlement en de waarden van de Unie niet weerspiegelen;

3.  verzoekt alle partijen dringend de ontoereikende bepalingen dienovereenkomstig aan te passen bij een derde herziening van de overeenkomst, waaronder de expliciete opneming van non-discriminatie op grond van seksuele geaardheid in artikel 8, lid 4;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan.

(1) PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.


Vrijheid van pers en media in de wereld
PDF 154kWORD 37k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over vrijheid van pers en media in de wereld (2011/2081(INI))
P7_TA(2013)0274A7-0176/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 19 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Unesco-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen,

–  gezien artikel 13 van het VN-verdrag inzake de rechten van het kind, waarin het recht op vrijheid van meningsuiting van kinderen wordt erkend,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 28 maart 2008 (7/36) tot verlenging van het mandaat van de speciale rapporteur inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting(1),

–  gezien de verslagen van de bijzondere rapporteur van de VN Frank La Rue inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting(2), waarin ook de toepasselijkheid van internationale normen en voorschriften voor mensenrechten betreffende het recht van vrijheid van mening en meningsuiting op het internet als communicatiemiddel wordt benadrukt,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 5 juli 2012 met als titel „The promotion, protection and enjoyment of human rights on the Internet”(3), waarin het belang van de bescherming van de mensenrechten en de vrije informatiestroom op het internet wordt erkend,

–  gezien het verslag van 21 maart 2011 van de bijzondere rapporteur van de VN John Ruggie over mensenrechten en transnationale ondernemingen en andere bedrijven, met de titel „Guiding Principles on Business and Human Rights: Implementing the United Nations 'Protect, Respect and Remedy' Framework”(4),

–  gezien resolutie S/RES/1738 van 23 december 2006 van de VN-Veiligheidsraad over aanvallen op journalisten, mediaprofessionals en aanverwant personeel in gewapende conflicten(5),

–  gezien het Verdrag van Genève van 12 augustus 1949(6), en met name artikel 79 van het aanvullend protocol I betreffende de bescherming van journalisten die gevaarlijke beroepswerkzaamheden verrichten in gebieden waar zich gewapende conflicten voordoen,

–  gezien het VN-actieplan inzake de veiligheid van journalisten en de kwestie van straffeloosheid, dat op 12 april 2012 goedgekeurd werd door de Coördinatieraad van de hoogste uitvoerende functionarissen van de organisaties binnen het systeem van de Verenigde Naties(7),

–  gezien de resolutie 1920 (2013) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa met de titel „The State of Media Freedom in Europe” die op 24 januari 2013 aangenomen is,

–  gezien de verrichte werkzaamheden van de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa (OVSE) op het gebied van mediavrijheid, en met name de verslagen van de OVSE-vertegenwoordiger voor mediavrijheid,

–  gezien de rapporten van ngo's over de media, zoals die van Verslaggevers zonder Grenzen (index van persvrijheid), de organisatie Freedom House (rapporten onder de naam „Freedom of the Press”) en het International Press Institute („Death Watch” en de jaarlijkse „World Press Freedom Review”),

–  gezien zijn resolutie van 6 februari 2013 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: het bevorderen van de belangen in de samenleving en de weg naar duurzaam en inclusief herstel(8),

–  gezien zijn resolutie van 6 februari 2013 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei(9),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2012 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake(10),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over de komende wereldconferentie over internationale telecommunicatie (WCIT-12) van de Internationale Telecommunicatie-unie en de mogelijke uitbreiding van het toepassingsgebied van internationale telecommunicatieregelgeving(11),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(12),

–  gezien het nieuwe strategisch kader en het actieplan voor mensenrechten en democratie (11855/2012), dat de Raad op 25 juni 2012 aangenomen heeft,

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 13 juni 2012 over de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten(13),

–  gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger, Catherine Ashton, namens de Europese Unie ter gelegenheid van de Dag van de Persvrijheid(14),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2011 met als titel „Een centrale plaats voor mensenrechten en democratie in het externe optreden van de EU – Voor een meer doeltreffende aanpak” (COM(2011)0886),

–  gezien de mededeling van 12 december 2011 van de Commissaris voor Digitale agenda over de „No Disconnect Strategy”(15),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 25 oktober 2011, getiteld „Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen” (COM(2011)0681),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2011 over het externe beleid van de EU ter bevordering van democratie(16),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie van 25 mei 2011 met als titel „Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden” (COM(2011)0303),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2008 over mediageletterdheid in een digitale wereld(17),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1889/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot instelling van een financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld (EIDHR)(18) en alle andere EU-instrumenten voor externe financiering,

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2006 over de mensenrechten- en de democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten(19),

–  gezien zijn resoluties over urgente gevallen van schendingen van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, met inbegrip van zijn landenspecifieke resoluties waarin kwesties worden aangekaart met betrekking tot pers- en mediavrijheid, en met name de opsluiting van bloggers en journalisten,

–  gezien artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name de bepaling dat „de vrijheid en de pluriformiteit van de media worden geëerbiedigd”,

–  gezien de artikelen 3 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de richtsnoeren van de Europese Unie inzake mensenrechten,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens van de Raad van Europa en de lopende onderhandelingen over de toetreding van de EU tot dat verdrag,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0176/2013),

De beginselen en rol van de pers en media

A.  overwegende dat vrijheid van meningsuiting een universeel mensenrecht is waarop democratie is gegrond en van essentieel belang is om andere rechten waar mensen in de hele wereld naar streven, zoals ontwikkeling, en de waardigheid en zelfontplooiing van ieder mens, te kunnen verwezenlijken;

B.  overwegende dat beperkingen van de vrijheid van meningsuiting ernstige gevolgen hebben, deze zeer gering moeten zijn en enkel onder strenge voorwaarden gerechtvaardigd kunnen worden, vastgelegd in wetgeving die in het kader van het internationaal recht als legitiem wordt beschouwd; overwegende dat vrijheid van meningsuiting een grondrecht is dat nauw verbonden is met vrijheid en pluralisme van de pers en media; /overwegende dat staten die het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) ondertekend hebben, de onafhankelijkheid, vrijheid en pluralisme van pers en media moeten waarborgen;

C.  overwegende dat mediaplatforms van cruciaal belang zijn voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting; overwegende dat de onafhankelijke pers, als een collectieve manifestatie van vrije meningsuiting, een van de belangrijkste spelers in het medialandschap is en als waakhond van de democratie optreedt;

D.  overwegende dat persvrijheid, de media, de digitale sector en de journalistiek als collectieve goederen worden beschouwd;

E.  overwegende dat (digitale) mediaplatforms steeds vaker een mondiaal karakter hebben en het aantal gebruikers daarvan toeneemt;

F.  overwegende dat mensenrechtenactivisten het internet en de media als instrument gebruiken;

G.  overwegende dat netneutraliteit een grondbeginsel is van open internet, communicatie bevordert door te zorgen voor concurrentie en transparantie, nieuwe zakelijke mogelijkheden biedt en innovatie, werkgelegenheid en groei stimuleert;

H.  overwegende dat de vrijheid van mening en meningsuiting en die van journalisten en media in de hele wereld bedreigd worden en journalisten dikwijls ook verdedigers van mensenrechten zijn die de vrijheid van vereniging, opinie, godsdienst en geloof bevorderen; overwegende echter dat journalisten dikwijls vervolgd en gevangengezet worden;

I.  overwegende dat nieuwe digitale en online mediaplatforms aan meer diversiteit en pluriformiteit bijgedragen hebben;

J.  overwegende dat de inspanningen en programma's van de EU om de pers- en mediavrijheid wereldwijd te beschermen en bevorderen, optimaal moeten worden benut door voort te bouwen op het waardevolle werk dat door het maatschappelijk middenveld en journalistieke organisaties wordt verricht;

K.  overwegende dat de EU op internationaal niveau enkel geloofwaardig kan overkomen wanneer de pers- en mediavrijheid binnen de Unie zelf gewaarborgd en geëerbiedigd wordt;

Recente ontwikkelingen

1.  onderkent dat regeringen als eerste verantwoordelijk zijn voor het waarborgen en beschermen van de pers- en mediavrijheid; wijst erop dat regeringen tevens de belangrijkste partij zijn die de pers- en mediavrijheid belemmeren, en in de ergste gevallen steeds vaker voor juridische druk kiezen om die vrijheid te beperken, bijvoorbeeld door misbruik te maken van wetgeving ter beteugeling van terrorisme en extremisme en wetten met betrekking tot de nationale veiligheid, verraad of subversie; merkt op dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen kwesties van nationale veiligheid en de vrijheid van informatie teneinde misbruik te voorkomen en de onafhankelijkheid van de pers en de media te waarborgen; stelt tevens vast dat mediaconglomeraten die in handen van politici zijn, soms de taak hebben om desinformatiecampagnes te voeren; benadrukt het cruciale belang dat de pers en de media onafhankelijk moeten kunnen functioneren, zonder aan politieke en financiële druk bloot te staan; maakt zich grote zorgen over de neerwaartse tendens in de beoordelingen van de pers- en mediavrijheid in diverse landen binnen en buiten Europa, volgens de meest recente jaarlijkse indexen en analyseverslagen (zie de lijst in de bijlage aan het eind van verslag A7-0176/2013);

2.  benadrukt dat vrije, onafhankelijke en pluralistische online en traditionele media een hoeksteen van de democratie en de pluriformiteit vormen; erkent het belang van informatiebronnen als werkelijke waarborg voor vrijheid en mediapluralisme; wijst erop dat het handhaven en versterken van de vrijheid en de onafhankelijkheid van de media in de wereld van gemeenschappelijk belang is; merkt op dat vrije en onafhankelijke media en vrije informatie-uitwisseling een cruciale rol spelen in de democratische hervormingen van niet-democratische regimes;

3.  betreurt het dat journalisten over de hele wereld vaak, en veelal straffeloos, verwond of vermoord worden dan wel het slachtoffer worden van ernstige mishandelingen; onderstreept dan ook het belang om straffeloosheid te bestrijden; benadrukt dat de autoriteiten bedreiging van journalisten en tegen hun gericht geweld slechts kunnen aanpakken of hun veiligheid kunnen waarborgen als de politieke, gerechtelijke en politieautoriteiten streng optreden tegen degenen die journalisten en hun werk aanvallen; wijst erop dat straffeloosheid niet alleen gevolgen heeft voor de persvrijheid maar ook voor de dagelijkse werkzaamheden van journalisten alsook een klimaat van angst en zelfcensuur schept; is van mening dat de EU zich krachtdadiger moet opstellen ten opzichte van landen waar dergelijke handelingen ongestraft blijven en dringt er bij alle staten op aan de veiligheid van journalisten te waarborgen;

4.  onderstreept dat wetten, regelgeving, intimidatie, geldboeten of grote eigendomsconcentratie bij politici of anderen met belangenconflicten, de vrije vergaring van en toegang tot informatie kunnen beperken en de vrijheid van meningsuiting in gevaar kunnen brengen;

5.  benadrukt dat regeringen onrechtstreeks druk kunnen uitoefenen op de pers en de media; is van mening dat in landen waar de media sterk afhankelijk zijn van door de overheid betaalde advertenties, deze afhankelijkheid kan worden gebruikt om de media onder druk te zetten en dat ook licenties of fiscale boeten een middel zijn om het functioneren van kritische media te beperken;

6.  betreurt het dat meningsuiting steeds vaker strafbaar wordt gesteld; brengt in herinnering dat in de hele wereld journalisten vanwege hun werkzaamheden dikwijls worden opgesloten; beseft dat wetgeving in verband met laster, heiligschennis en smaad, alsook wetten met betrekking op „aantasting van het imago in het buitenland” of „homoseksuele propaganda”, worden aangewend om journalisten te censureren, op te sluiten en de vrije meningsuiting te belemmeren; betreurt het dat censuur zelfcensuur in de hand werkt; roept op een einde te maken aan de intimidatie van journalisten die hun werk op onafhankelijke wijze, zonder angst voor geweld en tegenbeschuldigingen moeten kunnen uitvoeren, en de onmiddellijke vrijlating van alle journalisten en bloggers die vanwege hun werk onterecht zijn opgesloten;

7.  spreekt zijn scherpe veroordeling uit over het feit dat veel journalisten geen toegang hebben tot juridische bijstand terwijl deze beroepsgroep zich in de strijd voor de mensenrechten steeds vaker, zowel online als offline, in de frontlinie bevindt;

8.  beschouwt de tendens van concentratie van media-eigendom in grote concerns als een bedreiging voor de vrijheid en pluriformiteit van de media, met name indien digitalisering gelijktijdig plaatsvindt; benadrukt het belang van een open en stimulerende onderliggende media-infrastructuur, alsook van het bestaan van onafhankelijke regelgevende instanties;

9.  erkent het potentieel van particuliere stichtingen en ngo's om kwaliteitsjournalistiek te ondersteunen en aan innovatie een impuls te geven;

10.  benadrukt dat bedrijven in een mondiaal en digitaal verbonden wereld niet alleen te maken krijgen met nieuwe verantwoordelijkheden, maar ook met nieuwe uitdagingen op gebieden die van oudsher waren voorbehouden aan overheidsinstellingen; is zich ervan bewust dat het blokkeren door overheden van online inhoud en diensten de redactionele onafhankelijkheid en de continuïteit van de dienstverlening onder druk hebben gezet;

11.  beseft dat media te vaak worden gebruikt als en/of betrokken worden bij traditionele propaganda-instrumenten, en dat financiële en politieke onafhankelijkheid evenals pluriformiteit, met name wat de publieke media betreft, van essentieel belang zijn; benadrukt dat de vrije en onafhankelijke media een cruciale rol spelen bij het verdiepen van de democratie, het zoveel mogelijk betrekken van het maatschappelijk middenveld bij maatschappelijke discussies en aangelegenheden en het versterken van de positie van burgers op de weg naar democratie;

12.  ondersteunt de ontwikkeling van gedragscodes voor journalisten en voor degenen die betrokken zijn bij het beheer van mediakanalen, teneinde de volledige onafhankelijkheid van journalisten en mediaorganen te waarborgen; erkent het belang van de handhaving van dergelijke gedragscodes door de instelling van onafhankelijke regelgevende organen;

Digitalisering

13.  erkent de mogelijke impact van de steeds meer gedigitaliseerde media en hun emanciperende werking op gebruikers door toenemende geïnformeerdheid en kritisch denken en beseft dat deze ontwikkelingen met name autoritaire regimes angst inboezemen;

14.  is zich bewust van de belangrijke rol die digitale en online mediaplatforms de laatste jaren bij de verschillende opstanden tegen dictatoriale regimes hebben gespeeld;

15.  benadrukt dat toegang tot zowel online als offline informatie noodzakelijk is voor de opinievorming en meningsuiting, alsook voor de publicatie en communicatie van inhoud via mediaplatforms, aangezien dit essentiële middelen zijn om de overheid te controleren;

16.  erkent dat de digitalisering van de media en van informatie het bereik en de effecten ervan heeft vergroot, maar ook dat de subtiele scheidslijn tussen informatie en opinie daardoor is vervaagd; wijst op de aanzienlijke toename van door gebruikers gegenereerde inhoud en burgerjournalistiek;

17.  is van oordeel dat de digitalisering van de pers en media nieuwe lagen toevoegt aan het medialandschap, en vragen oproept over toegang, kwaliteit, de objectiviteit van informatie en de bescherming daarvan;

18.  benadrukt dat digitalisering het voor het publiek gemakkelijker maakt om informatie te vergaren en overheidsfunctionarissen te controleren, en ervoor zorgt dat gegevens en documentatie uitgewisseld en verspreid worden en onrecht en corruptie aan het licht worden gebracht;

19.  benadrukt dat wereldwijde interoperabiliteit en passende regelgeving vereist zijn om alle mogelijkheden van IT-infrastructuren te kunnen benutten en dat deze ICT-aspecten in zowel het bestaande als in het zich ontwikkelende medialandschap moeten worden geïntegreerd, tezamen met de basisvoorwaarden onafhankelijkheid, pluriformiteit en diversiteit;

20.  betreurt alle pogingen om verschillende vormen van een „gesloten internet” tot stand te brengen, aangezien dit ernstige schendingen van het recht op informatie opleveren; dringt er bij alle autoriteiten op aan van dergelijke pogingen af te zien;

21.  maakt zich zorgen over grootschalige controle en censuur, en de tendens om te blokkeren en filteren, wat niet alleen gevolgen heeft voor de media en het werk van journalisten en bloggers, maar ook de werkzaamheden van het maatschappelijk middenveld hindert om belangrijke politieke, economische en sociale veranderingen teweeg te brengen; veroordeelt alle arrestaties van bloggers en pogingen daartoe en beschouwt dit als een aanval op de vrijheid van mening en meningsuiting;

22.  betreurt het feit dat talrijke technologieën en diensten die in derde landen worden gebruikt bij mensenrechtenschendingen door censuur van informatie, grootschalig toezicht, controle, en het traceren en opsporen van burgers en hun activiteiten op (mobiele) telefoonnetwerken en het internet, uit de EU afkomstig zijn; dringt er bij de Commissie op aan alle nodige stappen te ondernemen om deze „digitale wapenhandel” een halt toe te roepen;

23.  benadrukt dat meer begrip nodig is van de rol van bemiddelaars en hun verantwoordelijkheden; is van mening dat regulerende instanties kunnen bijdragen aan de instandhouding van de concurrentie, maar dat ook moet worden gezocht naar nieuwe manieren om particuliere spelers in te schakelen, zodat de publieke waarde van informatie behouden blijft; erkent dat zelfregulering bepaalde risico's kan inhouden wanneer er een gebrek is aan (democratisch) toezicht;

24.  wijst erop dat digitale en datagestuurde (computer) platforms of diensten zoals zoekmachines in particulier bezit zijn, en dat transparantie daarvan vereist om de publieke waarde van informatie in stand te houden en beperkingen van de toegang tot informatie en vrijheid van meningsuiting te vermijden;

25.  onderstreept dat klokkenluiders en bronnen moeten worden beschermd en dat de EU zich daartoe op mondiaal niveau moet inzetten;

26.  spreekt zijn scherpe veroordeling uit over elke poging om het internet of andere online mediaplatforms te gebruiken voor de bevordering en ondersteuning van terroristische activiteiten; dringt er bij de autoriteiten op aan in dit verband duidelijk stelling te nemen;

Beleid en externe acties van de EU

27.  onderstreept dat het voor de EU, om als een gemeenschap van waarden beschouwd te worden, het van essentieel belang is om de pers- en mediavrijheid wereldwijd te bevorderen en te beschermen; benadrukt dat de EU optimaal politieke leiderschap moet tonen om te zorgen dat journalisten wereldwijd beschermd worden;

28.  is van mening dat de EU het voorbeeld moet geven door onafhankelijke, pluralistische en diverse media te waarborgen, en de situatie, vrijheid en veiligheid van journalisten en bloggers te beschermen; onderstreept dat de EU zich in dit verband niet moet inlaten met inhoud, maar vooral zou moeten bijdragen aan een gunstig klimaat en aan het op mondiaal niveau terugdringen van beperkingen van de vrijheid van meningsuiting;

29.  stelt met bezorgdheid vast dat in de afgelopen jaren sommige media zelf, met name in de EU, de aandacht hebben getrokken vanwege onethisch en naar verluidt onrechtmatig handelen; is van mening dat de EU enkel een voorbeeldfunctie kan vervullen als zij de problemen binnen haar eigen grenzen aanpakt;

30.  spoort de Commissie aan om nauwlettend op de onafhankelijkheid van de pers en media in de lidstaten toe te zien;

31.  is van oordeel dat de EU zich weliswaar via verschillende beleidsmaatregelen en programma's voor pers- en mediavrijheid inzet, maar het haar nog ontbreekt aan gerichte aandacht voor dit onderwerp in het algemeen, en aan een samenhangende, aansturende visie en streefdoelen;

32.  is van oordeel dat het ontbreken van een alomvattende strategie versnippering tot gevolg heeft en het gevaar met zich meebrengt dat de belangrijke beleidsbeginselen van transparantie en verantwoordingsplicht worden opgegeven;

Strategie

33.  spoort de Commissie en met name DG DEVCO en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) aan om hun samenwerking en programmacoördinatie te verbeteren, met name door politieke en diplomatieke werkzaamheden te bundelen en door gezamenlijk uitvoering te geven aan financiering en projecten, met inbegrip van de controle en evaluatie daarvan; verzoekt de Commissie om de voorgaande, huidige en toekomstige programmering te evalueren, en om de resultaten openbaar te maken;

34.  dringt aan om ad-hocfinanciering van projecten in te ruilen voor een meer duurzame aanpak, waarbij ook particuliere donoren en andere gesprekspartners worden betrokken; erkent dat de programmering gericht moet worden aangepakt, zowel op nationaal als op regionaal niveau;

35.  dringt er bij de EU op aan een grotere rol te spelen in met name de kandidaat-lidstaten, alsook met betrekking tot haar naaste zuidelijke en oostelijke buren en in het kader van handels- en associatieonderhandelingen; verzoekt de EU een strategie vast te stellen om ervoor te zorgen dat wetswijzigingen in derde landen die pluralisme en persvrijheid beperken nauwlettend worden gevolgd en dat daarover een standpunt wordt ingenomen;

36.  benadrukt dat bestaande externe financiële instrumenten, zoals het EIDHR, geografische en andere instrumenten, flexibel moeten worden ingezet om bij te dragen aan de versterking van het maatschappelijk middenveld; benadrukt dat lokale eigen inbreng en capaciteitsopbouw van essentieel belang zijn voor duurzame ontwikkeling en groei;

37.  benadrukt dat de EU steun moet verlenen aan de voorlichting en scholing van beleidsmakers, regelgevende instanties en media in derde landen met het doel de pers- en mediavrijheid evenals passende en technologieneutrale vormen van marktregulering te bevorderen; wijst er hierbij met name op dat in overgangsperioden vrijheden vaak worden ingeperkt onder het mom van stabiliteit en veiligheid;

38.  benadrukt dat de ontwikkeling van de media en de waarborging van vrijheid van meningsuiting een belangrijke rol moeten spelen in de dialoog met de landen; onderstreept dat duidelijke streefdoelen en voorwaarden moeten worden nageleefd in de handels-, partnerschaps-, samenwerkings- en associatieovereenkomsten met derde landen en hulpprogramma's, in overeenstemming met artikel 21 VEU; dringt er bij EDEO en de Commissie op aan de verslagen en aanbevelingen van het Parlement in het kader van de onderhandelingen voor dergelijke overeenkomsten, in acht te nemen en uit te voeren; brengt in herinnering dat voor de geloofwaardigheid en de doeltreffendheid van de EU in haar betrekkingen en interacties met derde landen, de samenhang, consistentie en transparantie met betrekking tot de uitvoering van en het toezicht op deze fundamentele mensenrechten tussen het Europees Parlement, de EDEO en de Commissie van cruciaal belang zijn;

39.  verzoekt de Commissie de bestrijding van straffeloosheid tot een van de prioriteiten van haar programma's voor vrijheid van meningsuiting en de media te maken, ook door steun en deskundigheid te bieden bij onderzoeken naar misdrijven tegen journalisten via de oprichting van fondsen voor rechtsbijstand;

40.  is van mening dat EU-financiering niet beperkt moet blijven tot gespecialiseerde internationale organisaties (bemiddelaars) maar dat ook lokale organisaties daarvoor in aanmerking moeten komen;

41.  verzoekt de Commissie de vertrouwelijkheidsclausules voor de financiering van haar mensenrechtenbeleid ten aanzien van pers en media te herzien, aangezien journalisten, mediakanalen of ngo's daardoor in diskrediet kunnen worden gebracht, en daarmee ook de geloofwaardigheid van EU-mensenrechtenactiviteiten kan worden aangetast, die op zichzelf open en transparant zijn;

42.  meent dat pers- en mediaprogramma's zich ook moeten richten op de verbetering van (juridische en staats-) structuren en op de ondersteuning van lokale mediabedrijven en ondernemingen, teneinde hun transparantie, onafhankelijkheid, duurzaamheidscapaciteit, professionalisme en openheid te vergroten; onderstreept dat in het mediabeleid van de EU naar een zo groot mogelijke pluriformiteit en diversiteit moet worden gestreefd door onafhankelijke media en startende bedrijven te steunen;

43.  herinnert eraan dat vrijheid van meningsuiting en mediapluralisme, ook op het internet, Europese kernwaarden zijn; onderstreept het fundamenteel belang van pers- en mediavrijheid in het uitbreidingsbeleid van de EU en van digitale vrijheden in deze context, aangezien deze vrijheden als mensenrechten worden beschouwd en derhalve deel uitmaken van de politieke criteria van Kopenhagen;

44.  is van oordeel dat de EU steun aan pers en media moet verwerken in haar programma's voor verkiezingsondersteuning, bijvoorbeeld door de samenwerking tussen organen voor toezicht op de verkiezingen in derde landen en de pers te bevorderen, zodat de transparantie en legitimiteit van het verkiezingsproces en van de resultaten worden verbeterd;

45.  is van mening dat de EU zich in overgangslanden in de context van het verzoenings- en wederopbouwproces moet richten op pers- en mediavrijheid;

46.  spreekt zijn grote waardering uit over het belangrijke werk dat een aantal internationale (journalistieke) organisaties verricht die zich bezighouden met pers- en mediavrijheid; dringt erop aan dat deze organisaties de volledige steun van de EU moeten krijgen gezien het cruciale belang van hun netwerkactiviteiten;

47.  verzoekt de EDEO optimaal gebruik te maken van de deelname van de EU aan multilaterale fora die zich richten op de pers, media en digitale vrijheden, bijvoorbeeld in het kader van de Raad van Europa, de OVSE en ook de VN;

48.  verzoekt de Commissie, de Raad en de EDEO zo spoedig mogelijk een strategie voor pers- en mediavrijheid in het kader van het buitenlands beleid van de EU goed te keuren en de aanbevelingen in het onderhavige verslag te verwerken in de komende richtsnoeren voor vrijheid van meningsuiting (online en offline);

49.  verzoekt om het onderhavige verslag in nauwe samenhang met zijn resolutie over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU te lezen en te aanvaarden;

o
o   o

50.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, het bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, Unesco, de Raad van Europa, en de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa.

(1) http://ap.ohchr.org/Documents/E/HRC/resolutions/A_HRC_RES_7_36.pdf
(2) Met name die van 16 mei 2011 (A/HRC/17/27), 10 augustus 2011 (A/66/290), 4 juni 2012 (A/HRC/20/17) en 7 september 2012 (A/67/357), te raadplegen via http://www.ohchr.org/EN/Issues/FreedomOpinion/Pages/Annual.aspx
(3) http://daccess-dds-ny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/G12/153/25/PDF/G1215325.pdf?OpenElement
(4) http://www.ohchr.org/Documents/Issues/Business/A-HRC-17-31_AEV.pdf
(5) http://documents-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/N06/681/60/pdf/N0668160.pdf?OpenElement
(6) http://www.un-documents.net/gc-p1.htm
(7) http://www.unesco.org/new/fileadmin/MULTIMEDIA/HQ/CI/CI/pdf/official_documents/un_plan_action_safety_en.pdf
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0050.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0049.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0503.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0451.
(12) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0470.
(13) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0250.
(14) http://eeas.europa.eu/top_stories/2012/20120503_world_press_freedom_day_en.htm. http://europa.eu/rapid/press-release_PRES-13-181_nl.htm.
(15) http://blogs.ec.europa.eu/neelie-kroes/ict-human-rights-guidance
(16) PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 165.
(17) PB C 45 E van 23.2.2010, blz. 9.
(18) PB L 386 van 29.12.2006, blz. 1.
(19) PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 107.


Hergebruik van overheidsinformatie ***I
PDF 198kWORD 20k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/98/EG inzake het hergebruik van overheidsinformatie (COM(2011)0877 – C7-0502/2011 – 2011/0430(COD))
P7_TA(2013)0275A7-0404/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0877),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7–0502/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 april 2012(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 19 april 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie juridische zaken (A7-0404/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 191 van 29.6.2012, blz. 129.


Financiële diensten: gebrek aan vooruitgang in de Raad en vertraging in de Commissie bij de goedkeuring van bepaalde voorstellen
PDF 134kWORD 27k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over financiële diensten: gebrek aan vooruitgang in de Raad en vertraging in de Commissie bij de goedkeuring van bepaalde voorstellen (2013/2658(RSP))
P7_TA(2013)0276B7-0304/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 12 juli 2010 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende depositogarantiestelsels (herschikking) (COM(2010)0368),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 12 juli 2010 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de beleggerscompensatiestelsels (COM(2010)0371),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 19 januari 2011 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/EG wat de bevoegdheden van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en van de Europese Autoriteit voor effecten en markten betreft (COM(2011)0008), hierna „Omnibus II/Solvabiliteit II” genoemd,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 20 oktober 2011 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende markten voor financiële instrumenten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad (herschikking) (COM(2011)0656) en het voorstel van de Commissie van 20 oktober 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening [EMIR] betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (COM(2011)0652), hierna de „MiFID-herziening” genoemd,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 20 oktober 2011 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende strafrechtelijke sancties voor handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (COM(2011)0654) en het voorstel van de Commissie van 20 oktober 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) (COM(2011)0651), hierna „MAD/MAR” genoemd,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 7 maart 2012 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen (Central Securities Depositories – csd's) en houdende wijziging van Richtlijn 98/26/EG (COM(2012)0073),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 6 juni 2012 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 77/91/EEG, 82/891/EEG, 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG en 2011/35/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (COM(2012)0280),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 3 juli 2012 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) wat bewaardertaken, beloningsbeleid en sancties betreft (COM(2012)0350), hierna „icbe V” genoemd,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 3 juli 2012 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende verzekeringsbemiddeling (herschikking) (COM(2012)0360), hierna „IMD II” genoemd,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 2010 over het werkprogramma van de Commissie voor 2010 (COM(2010)0135), en met name de verwijzing naar de beoogde goedkeuring in 2010 van een wetgevingsvoorstel voor een richtlijn inzake rechtszekerheid in het effectenrecht,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 oktober 2010 over het werkprogramma van de Commissie voor 2011 (COM(2010)0623), en met name de verwijzing naar de beoogde goedkeuring in 2011 van een wetgevingsvoorstel voor een richtlijn inzake rechtszekerheid in het effectenrecht,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 november 2011 over het werkprogramma van de Commissie voor 2012 (COM(2011)0777), en met name de verwijzing naar de beoogde goedkeuring in 2012 van een wetgevingsvoorstel voor een richtlijn inzake het effectenrecht en een wetgevingsvoorstel voor een herziening van Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt(1),

–  gezien de conclusies die de Europese Raad op zijn bijeenkomst op 1 en 2 maart 2012 heeft goedgekeurd, met name de verwijzing naar de MiFID-herziening,

–  gezien de aanbeveling van het Europees Comité voor systeemrisico's van 20 december 2012 inzake geldmarktfondsen(2),

–  gezien zijn resolutie van 20 november 2012 over schaduwbankieren(3),

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over financiële diensten: gebrek aan vooruitgang in de Raad en vertraging in de Commissie bij de goedkeuring van bepaalde voorstellen (O-000063/2013 – B7-0208/2013 en O-000065/2013 – B7-0209/2013),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat voor het herstel van de EU-economie een stabiele financiële sector vereist is die de reële economie op concurrerende wijze van financiering voorziet; overwegende dat het daartoe noodzakelijk is de bankenunie te voltooien, zoals is overeengekomen en bevestigd door de verschillende EU-instellingen die verantwoordelijkheid dragen voor deze cruciale sector van onze economie;

B.  overwegende dat het voorstel voor een herziening van de richtlijn depositogarantiestelsels (DGS) op 12 juli 2010 door de Commissie is goedgekeurd en dat het Parlement na vruchteloze onderhandelingen met de Raad op 16 februari 2012(4) in eerste lezing over het voorstel heeft gestemd;

C.  overwegende dat het voorstel voor een herziening van de richtlijn beleggerscompensatiestelsels (BCS) op 12 juli 2010 door de Commissie is goedgekeurd en dat het Parlement, gezien het feit dat de Raad niet bereid was een algemene benadering goed te keuren en onderhandelingen aan te gaan, op 5 juli 2011(5) in eerste lezing over het voorstel heeft gestemd;

D.  overwegende dat de Commissie haar voorstellen voor de MiFID-herziening op 20 oktober 2011 heeft goedgekeurd, waarna het Parlement deze voorstellen snel heeft behandeld en op 26 oktober 2012(6) amendementen daarop heeft aangenomen, slechts een jaar na de indiening van de voorstellen; overwegende dat het Parlement sindsdien wacht op het begin van de onderhandelingen met de Raad met het oog op een mogelijk akkoord in eerste lezing;

E.  overwegende dat de Europese Raad op zijn bijeenkomst op 1 en 2 maart 2012 besloot dat de medewetgevers uiterlijk in december 2012 overeenstemming moesten bereiken over de voorstellen voor de MiFID-herziening;

F.  overwegende dat de Commissie haar voorstel inzake centrale effectenbewaarinstellingen (csd's) op 7 maart 2012 heeft goedgekeurd en dat de parlementaire Commissie economische en monetaire zaken haar verslag op 4 februari 2013 (A7-0039/2013) heeft goedgekeurd en sindsdien wacht op het begin van de onderhandelingen met de Raad met het oog op een mogelijk akkoord in eerste lezing;

G.  overwegende dat de oorspronkelijke verwachting was dat het voorstel van de Commissie voor een richtlijn inzake rechtszekerheid in het effectenrecht in de loop van 2010 zou worden goedgekeurd en dat dit voorstel vervolgens is opgenomen in het wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2011 en 2012, maar nog niet is goedgekeurd;

H.  overwegende dat Richtlijn 2007/64/EG betreffende betalingsdiensten in de interne markt bepaalt dat de Commissie uiterlijk op 1 november 2012 een verslag moet indienen over de uitvoering en het effect van die richtlijn, eventueel vergezeld van een herzieningsvoorstel; overwegende dat de Commissie dit verslag en dit herzieningsvoorstel nog niet heeft ingediend;

I.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie over schaduwbankieren heeft aangedrongen op aanvullende maatregelen ten aanzien van geldmarktfondsen, met name om de veerkracht van deze fondsen te versterken en het liquiditeitsrisico te dekken, en dat bij deze maatregelen rekening dient te worden gehouden met de kort na die resolutie gepubliceerde aanbeveling van het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) om een einde te maken aan geldmarktfondsen die een constante intrinsieke waarde bieden;

J.  overwegende dat de Commissie op grond van artikel 5 van Richtlijn 2011/89/EG(7) een volledige evaluatie moet uitvoeren van Richtlijn 2002/87/EG (richtlijn financiële conglomeraten)(8), waarin met name wordt gekeken naar de werkingssfeer van die richtlijn, de uitbreiding van het toepassingsgebied met niet-gereguleerde entiteiten, de identificatiecriteria voor financiële conglomeraten in handen van meer algemene niet-financiële groepen, systeemrelevante financiële conglomeraten en verplichte stresstesten, en per 31 december 2012 verslag moet uitbrengen aan Parlement en Raad, gevolgd door passende wetgevingsvoorstellen;

K.  overwegende dat de Commissie na deze evaluatie op 20 december 2012 haar verslag heeft ingediend, waarin zij concludeerde dat de criteria voor de definitie en identificatie van een conglomeraat, de identificatie van de moederentiteit die uiteindelijk verantwoordelijk is voor naleving van de voor de hele groep geldende voorschriften en de versterking van de handhavingsinspanningen ten aanzien van die entiteit de belangrijkste punten zijn die in een toekomstige herziening van de richtlijn financiële conglomeraten behandeld zouden kunnen worden, maar dat zij besloten had in 2013 geen daartoe strekkend wetgevingsvoorstel te zullen indienen;

L.  overwegende dat de Commissie heeft toegezegd de situatie permanent te zullen volgen om een passend tijdstip te bepalen voor de goedkeuring van voorstellen voor de herziening van de richtlijn financiële conglomeraten, met name gelet op de lopende onderhandelingen over CRD IV (richtlijn kapitaalvereisten) en één enkel toezichtsmechanisme (SSM);

M.  overwegende dat de Commissie bij diverse gelegenheden heeft aangegeven dat zij van plan is een uitgebreide studie uit te voeren naar de doeltreffendheid en proportionaliteit van de maatregelen die sinds het begin van de financiële crisis zijn genomen in het kader van de financiële regulering;

1.  wijst opnieuw op zijn bereidheid om de eerste lezing van alle Commissievoorstellen over financiële diensten die momenteel op tafel liggen, af te ronden voordat de zittingsperiode in het voorjaar van 2014 afloopt;

2.  benadrukt dat, teneinde de efficiëntie en soliditeit van de financiële markten in de Unie zo snel mogelijk verder te versterken, de hangende Commissievoorstellen spoedig moeten worden goedgekeurd om zo vertraging bij de inwerkingtreding van de relevante wetgeving te vermijden;

3.  onderstreept zijn vaste overtuiging dat stabiliteit in de financiële sector en het welslagen van alle structurele hervormingen van deze sector voorwaarden zijn om duurzame economische groei en werkgelegenheid in de Europese Unie te realiseren;

4.  wijst erop dat het duidelijk blijk heeft gegeven van zijn bereidheid en vermogen om de voorstellen van de Commissie ter regulering van de financiële diensten snel en binnen een zeer kort tijdsbestek te behandelen, bijvoorbeeld in de context van het SSM, Solvabiliteit II en de MiFID-herziening; is van plan dezelfde constructieve en snelle benadering te volgen ten aanzien van de komende Commissievoorstellen;

5.  dringt bij de Commissie aan op een versnelling van haar werktempo waar het gaat om de nog uitstaande wetgevingsinitiatieven op het gebied van de financiële diensten die zij de afgelopen twee jaar heeft aangekondigd; verzoekt de Commissie in het bijzonder om haar voorstel voor een richtlijn inzake het effectenrecht, dat inmiddels meer dan twee jaar vertraging heeft opgelopen, met spoed goed te keuren en zo spoedig mogelijk te komen met de nog uitstaande herziening van de richtlijn betalingsdiensten in de interne markt; verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een voorstel inzake geldmarktfondsen goed te keuren en daarbij ten volle rekening te houden met de relevante aanbevelingen van het ESRB;

6.  is van mening dat de Commissie, nu de onderhandelingen over CRD IV en het SSM zijn afgerond, onverwijld voorstellen moet indienen voor een volledige herziening van de richtlijn financiële conglomeraten uit 2002;

7.  herinnert de Commissie aan haar toezegging om vóór het einde van het mandaat een studie met een kosten-batenanalyse uit te voeren naar de doeltreffendheid en proportionaliteit van de vele wetsteksten die sinds het begin van de financiële crisis zijn goedgekeurd, waarbij deze studie een beoordeling moet inhouden van het gezamenlijke effect van alle EU-wetgeving inzake de financiële markt die sinds het begin van het mandaat in de Unie is voorgesteld, goedgekeurd en uitgevoerd; verlangt dat hiermee zo snel mogelijk een begin wordt gemaakt; in de studie moeten ook de gevolgen van het niet voltooien van de bankenunie in de verschillende lidstaten worden geëvalueerd, inclusief het effect op de staatsschuld;

8.  verzoekt de Commissie met name om zo spoedig mogelijk haar voorstellen goed te keuren voor een ontwerpverordening tot invoering van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en inzake de follow-up van de aanbevelingen van de commissie-Liikanen (deskundigengroep op hoog niveau) met betrekking tot de structurele hervorming van de banken; onderstreept dat het belangrijk is dat de medewetgevers deze nieuwe voorstellen op korte termijn via de medebeslissingsprocedure kunnen behandelen, zodat de betrokken maatregelen spoedig in werking kunnen treden;

9.  verzoekt de Commissie de financiële ontwikkelingen adequater weer te geven in haar jaarlijkse groeianalyse, zoals het Parlement heeft gevraagd in zijn resoluties van 15 december 2011(9) en 18 april 2013(10);

10.  dringt bij de Raad aan op heropening van de onderhandelingen over DGS, een zaak van cruciale betekenis en rechtstreeks belang voor de burgers van de Europese Unie alsmede voor het vertrouwen in en de stabiliteit van het financiële stelsel; wijst erop dat de noodzaak van snelle goedkeuring van dat voorstel onlangs is bevestigd door de Cypriotische crisis; herinnert eraan dat een gemeenschappelijk Europees depositogarantiefonds met goed functionerende depositogarantiestelsels die berusten op een adequate financiering, waardoor de geloofwaardigheid en het vertrouwen van beleggers worden versterkt, het streefdoel op lange termijn zou kunnen zijn, zodra er een effectief afwikkelingskader en een effectief gemeenschappelijk toezichtmechanisme in werking zijn getreden; benadrukt het belang ervan voor de correcte totstandbrenging van de bankenunie en voor het realiseren van de algemene doelstelling van stabiele financiële markten; is van mening dat het DGS-voorstel parallel moet worden aangenomen met de richtlijn voor de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen;

11.  betreurt het gebrek aan capaciteit en vastberadenheid bij de Raad en de lidstaten om de afspraken te maken die nodig zijn om uitvoering te geven aan de openbare toezeggingen die moeten leiden tot de voltooiing van de bankenunie;

12.  verzoekt de Raad zo spoedig mogelijk een standpunt inzake de BCS-richtlijn in te nemen, zodat de onderhandelingen van start kunnen gaan over een onderwerp dat concrete gevolgen heeft voor de EU-burgers, omdat de richtlijn bedoeld is om de bescherming van de afzonderlijke belegger te versterken;

13.  herinnert aan de toezegging van de G20 dat alle gestandaardiseerde otc-derivatencontracten uiterlijk eind 2012 via beurzen of, waar van toepassing, via elektronische handelsplatforms verhandeld moeten worden en via centrale tegenpartijen verrekend moeten worden; dringt er daarom op aan dat de Raad de tijd die van deze zittingsperiode nog resteert, benut om het werk aan de MiFID-herziening af te ronden, zodat de Commissievoorstellen nog voor de Europese verkiezingen in mei 2014 kunnen worden goedgekeurd;

14.  verzoekt de Raad zijn werk aan de csd-verordening voort te zetten om een spoedig begin van de onderhandelingen met het Parlement en de Commissie mogelijk te maken, dit met het oog op een tijdige tenuitvoerlegging vóór invoering van Target2Securities;

15.  verzoekt de Raad snel tot onderhandelingen met het Parlement over te gaan over andere belangrijke dossiers op het gebied van consumenten- en beleggersbescherming waarover de bevoegde commissie van het Parlement al heeft gestemd of binnenkort zal stemmen, zoals – afgezien van de MiFID-herziening - icbe V en IMD II;

16.  verzoekt de Raad zo spoedig mogelijk tot een standpunt te komen inzake het voorstel van de Commissie voor een richtlijn voor de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, omdat dit een essentieel instrument is om de risico's voor de belastingbetalers in de EU als gevolg van bankfaillissementen in de toekomst te beperken;

17.  verzoekt de Raad ervoor te zorgen dat hij klaar is om de onderhandelingen met het Parlement over Omnibus II/Solvabiliteit II op korte termijn af te ronden, zodra de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen haar effectbeoordeling van de eerder in de trialoog besproken voorschriften voor langetermijngaranties beschikbaar maakt; dringt aan op snelle goedkeuring van de voorstellen betreffende MAD/MAR;

18.  dringt erop aan dat de Commissie, tijdig genoeg voor een behandeling door het Parlement tijdens de lopende zittingsperiode, met voorstellen komt voor verzekeringsgarantiestelsels en voor een kader voor het herstel en de afwikkeling van andere financiële instellingen dan banken, met inbegrip van een kader dat ten minste van toepassing is op grotere, grensoverschrijdende verzekeringsgroepen en verzekeringsgroepen die zich in aanzienlijke mate bezighouden met niet-traditionele en niet-verzekeringsactiviteiten;

19.  verzoekt de Raad opheldering te geven over de criteria aan de hand waarvan is besloten om dossiers al dan niet verder te behandelen, en uiteen te zetten op welke wijze rekening is gehouden met de kruisverbanden tussen dossiers;

20.  verzoekt de Raad gedetailleerd uiteen te zetten hoe hij te werk gaat om de nodige middelen bijeen te krijgen en de overgang van het ene voorzitterschap naar het andere soepeler en efficiënter te laten verlopen;

21.  verzoekt de Raad – gezien het gebrek aan vooruitgang in de werkgroepen van de Raad – zijn politieke verantwoordelijkheid te nemen en standpunten bij gekwalificeerde meerderheid vast te stellen, zoals bepaald in de Verdragen;

22.  onderstreept de verantwoordelijkheid van de medewetgevers om alle noodzakelijke stappen te nemen om ervoor te zorgen dat de hangende voorstellen zo spoedig mogelijk en, waar van toepassing en haalbaar, nog voor het einde van de lopende zittingsperiode kunnen worden goedgekeurd;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 319 van 5.12.2007, blz. 1.
(2) PB C 146 van 25.5.2013, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0427.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0049.
(5) PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 328.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0406 en P7_TA(2012)0407.
(7) PB L 326 van 8.12.2011, blz. 113.
(8) PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0583.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0188.


Situatie in Turkije
PDF 121kWORD 24k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de situatie in Turkije (2013/2664(RSP))
P7_TA(2013)0277RC-B7-0305/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties, en met name die van 18 april 2013 over het voortgangsverslag 2012 over Turkije(1),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het kader voor de onderhandelingen met Turkije van 3 oktober 2005,

–  gezien Besluit 2008/157/EG van de Raad van 18 februari 2008 betreffende de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het toetredingspartnerschap met de Republiek Turkije(2) („het Toetredingspartnerschap”), alsmede de eerdere besluiten van de Raad betreffende het Toetredingspartnerschap van 2001, 2003 en 2006,

–  gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Turkse politie in de vroege ochtend van vrijdag 31 mei 2013 met extreem geweld heeft geprobeerd een groep demonstranten uiteen te drijven, die de afgelopen weken protesteerden tegen de geplande kap van bomen in het kader van een nieuw bouwproject in het Gezipark op het Taksimplein in Istanbul;

B.  overwegende dat het hardhandige politieoptreden heeft geleid tot gevechten met de betogers, die zich snel hebben uitgebreid naar andere steden in Turkije, en overwegende dat bij deze gevechten vier mensen zijn omgekomen en meer dan duizend werden gewond, dat massale arrestaties zijn verricht en dat ernstige schade is veroorzaakt aan particuliere en publieke eigendom; overwegende dat op grote schaal traangas is ingezet waarbij er traangasgranaten rechtstreeks op de betogers zijn afgevuurd, waardoor ernstige verwondingen werden toegebracht;

C.  overwegende dat de demonstraties werden gesteund vanuit verschillende lagen van de Turkse samenleving; overwegende dat mannen en vrouwen in gelijke mate aan de protesten deelnamen;

D.  overwegende dat de aanvankelijke scherpe veroordeling door de Turkse regering contraproductief lijkt te zijn geweest;

E.  overwegende dat artikel 34 van de Turkse grondwet het recht garandeert om zonder toestemming vreedzame vergaderingen en demonstraties zonder wapens te organiseren; overwegende dat artikel 26 van de Turkse grondwet de vrijheid van meningsuiting garandeert, en de artikelen 27 en 28 van de grondwet de „vrijheid van meningsuiting” alsmede de „ongehinderde verspreiding van gedachtegoed”;

F.  overwegende dat de protesten verband houden met de bezorgdheid in bepaalde groepen binnen de Turkse maatschappij als gevolg van een reeks recente besluiten en wetshandelingen met betrekking tot kwesties als beperkingen op de verkoop van alcohol en hervormingen van het onderwijs;

G.  overwegende dat de demonstranten steeds luider protesteren tegen wat zij voelen als gemis van een minderhedenvertegenwoordiging, tegen het autoritaire bestuur, en tegen misstanden in Turkije waar het gaat om rechtsstatelijkheid, goed bestuur, eerlijk proces en behoorlijke rechtsgang;

H.  overwegende dat de Turkse mainstreammedia zich niet hebben uitgelaten over de demonstraties, en dat Twittergebruikers zijn gearresteerd;

I.  overwegende dat Turkije als kandidaat-land voor toetreding tot de EU verplicht is de democratie te eerbiedigen en te bevorderen en de democratische rechten en vrijheden en de mensenrechten te versterken;

J.  overwegende dat commissaris Füle en HV/VV Catherine Ashton op de gebeurtenissen hebben gereageerd;

K.  overwegende dat de vrijheid van vereniging en vergadering, de vrijheid van meningsuiting (inclusief via sociale media, zowel online als offline) en de persvrijheid fundamentele principes van de EU zijn;

1.  betuigt zijn medeleven met de families van de betogers en de politieagenten die zijn omgekomen en wenst de vele gewonden een spoedig herstel;

2.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het buitensporige gebruik van geweld door de Turkse politie als antwoord op de vreedzame, legitieme protesten in het Gezipark in Istanbul en verzoekt de Turkse autoriteiten het politiegeweld grondig te onderzoeken, de aansprakelijke personen voor het gerecht te brengen, en schadevergoeding aan te bieden aan de slachtoffers; waarschuwt de Turkse regering geen harde maatregelen tegen de demonstranten te nemen, en dringt er bij de premier op aan zich als verenigende en verzoenende partij op te stellen teneinde verdere escalatie te voorkomen;

3.  betreurt dat het politiegeweld op en rond het Taksimplein maar doorgaat, ondanks de door de Turkse autoriteiten aangekondigde gesprekken met sommigen van de demonstratieleiders, zodat het uitzicht op gesprekken tussen regering en demonstranten steeds geringer wordt;

4.  verzoekt de Turkse autoriteiten de rechten van alle burgers op vrijheid van meningsuiting, vreedzame vergadering en vreedzaam protest te garanderen en te eerbiedigen; dringt aan op de onmiddellijke vrijlating van alle vreedzame betogers die in hechtenis zijn genomen; verlangt dat alle arrestanten onbeperkte toegang krijgen tot de advocaat van hun keuze; wenst te worden geïnformeerd omtrent het precieze aantal arrestanten en gewonden;

5.  betreurt de zeer harde reacties van de Turkse regering en premier Erdoğan, wier onwil om stappen te nemen in de richting van verzoening, onvermogen om zijn excuses aan te bieden en onwil om de reacties van een deel van de Turkse bevolking te begrijpen slechts hebben bijgedragen tot een verdere polarisering van de Turkse samenleving;

6.  verheugt zich over de gematigde reactie van president Gül en de door vicepremier Arinç betuigde verontschuldigingen aan de gewonde betogers alsmede over hun dialoog met het Taksimplatform en figuren van de politieke oppositie om spanningen weg te nemen; onderstreept hoezeer het belangrijk is dat tussen de Turkse regering en de vreedzame betogers een dialoog wordt gevoerd;

7.  herinnert Turkije eraan dat in een inclusieve, pluralistische democratie alle burgers zich vertegenwoordigd moeten voelen en het een taak is voor de meerderheid om de oppositie en het maatschappelijk middenveld bij het besluitvormingsproces te betrekken; herinnert ook de oppositiepartijen aan het feit dat het hun taak is hun bijdrage te leveren aan de totstandbrenging van een democratische politieke cultuur met eerbiediging van andere meningen en standpunten;

8.  maakt zich zorgen over de voortdurende confrontatie tussen de politieke partijen en het gebrek aan bereidheid van de regering en de oppositie om te streven naar consensus over belangrijke hervormingen; dringt er bij alle politieke actoren, de regering en de oppositie op aan samen te werken om de politieke pluraliteit in overheidsinstellingen te vergroten en de modernisering en democratisering van de staat en de samenleving te bevorderen;

9.  wijst op de essentiële rol van een systeem van „checks and balances” (wederzijdse controle) in het bestuur van een moderne, democratische staat, dat in het huidige constitutionele proces moet zijn terug te zien en dat gebaseerd moet zijn op het beginsel van de scheiding der machten en het evenwicht tussen de uitvoerende, wetgevende en de rechterlijke macht, de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden – met name de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid – en een participerende politieke cultuur die een daadwerkelijke afspiegeling biedt van een pluralistische, democratische samenleving; is van mening dat de organisatie van vreedzame en legitieme protesten op zichzelf blijkt geeft van de dynamiek van het Turkse maatschappelijk middenveld; herinnert Turkije eraan hoe belangrijk het is dat de inspanningen tot verdere verbetering van zijn democratische instellingen, de rechtsstaat en de inachtneming van fundamentele vrijheden worden voortgezet;

10.  benadrukt de noodzaak van voortdurende intensieve scholing van de politie en het gerechtelijk apparaat, zowel in het kader van hun formele opleiding als gedurende hun actieve loopbaan, inzake de tenuitvoerlegging van het protocol van Istanbul (een reeks internationale richtsnoeren tegen marteling en mishandeling) alsmede op het gebied van het grote belang van individuele rechten en vrijheden;

11.  dringt er bij de lokale en nationale autoriteiten in Turkije op aan het publiek bij alle plannen voor stads- en regionale ontwikkeling te raadplegen; herinnert eraan dat economische groei in evenwicht moet worden gebracht met sociale, ecologische, culturele en historische factoren; vindt dat alle daarvoor in aanmerking komende projecten in Turkije, zonder uitzondering, aan milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen;

12.  merkt op dat deze ongekende protestgolf ook uiting geeft aan de toenemende onvrede onder delen van de Turkse bevolking over de wijze waarop ook de persoonlijke levensstijl aan regels wordt gebonden; herhaalt dat regeringen, in een democratische bestuursvorm, tolerantie moeten bevorderen en de vrijheid van godsdienst en overtuiging voor alle burgers moeten waarborgen; roept de regering op de pluraliteit en rijkdom van de Turkse samenleving te respecteren en degenen met een seculiere levensstijl te beschermen;

13.  waarschuwt dat de geloofwaardigheid van de regionale rol van Turkije als voorvechter van democratische verandering in de zuidelijke buurlanden door het agressieve politieoptreden wordt ondermijnd;

14.  herinnert eraan dat de vrijheid van meningsuiting en de pluriformiteit van de media Europese kernwaarden zijn en dat echte vrijheid van meningsuiting een voorwaarde is voor een daadwerkelijk democratische, vrije en pluralistische samenleving; brengt in herinnering dat de vrijheid van meningsuiting niet alleen geldt voor informatie of ideeën die gunstig worden onthaald of die als ongevaarlijk worden beschouwd, maar ook, overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, voor informatie en ideeën die de staat of een bepaald deel van de bevolking beledigen, schokken of storen;

15.  maakt zich zorgen over de achteruitgang van de persvrijheid, bepaalde gevallen van censuur en de groeiende zelfcensuur in de Turkse media, ook op het internet; verzoekt de Turkse regering het beginsel van persvrijheid hoog te houden; benadrukt dat een onafhankelijke pers van essentieel belang is voor een democratische samenleving, en wijst in dit verband op de cruciale rol van de rechter voor de bescherming en versterking van de persvrijheid, die daarmee een publieke ruimte moet waarborgen voor vrij en voor ieder toegankelijk debat; is bezorgd over het grote aantal journalisten in de gevangenis en de vele lopende rechtszaken tegen journalisten; verlangt vrijlating van actievoerders via de sociale media; beschouwt als zeer betreurenswaardig het besluit van de RTUK (Hoge Raad voor Radio en Televisie) om de TV-zenders die vanaf het begin rapportages hebben gewijd aan de gebeurtenissen rond het Gezipark, te straffen wegens „beschadiging van de fysieke, morele en psychische ontwikkeling van kinderen en jongeren”;

16.  herhaalt zijn zorg over het feit dat de meeste media geconcentreerd zijn in handen van grote conglomeraten met een breed scala aan zakelijke belangen; dringt andermaal aan op de aanneming van een nieuwe mediawet waarin onder meer de kwesties van onafhankelijkheid, eigendom en bestuurlijke controle worden geregeld;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, de secretaris-generaal van de Raad van Europa, de voorzitter van het Europees Hof voor de rechten van de mens, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Republiek Turkije.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0184.
(2) PB L 51 van 26.2.2008, blz. 4.


Evaluatie van 2013 van de organisatie en het functioneren van de EDEO
PDF 149kWORD 34k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 13 juni 2013 aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en vicevoorzitter van de Commissie, de Raad en de Commissie over de evaluatie in 2013 van de organisatie en het functioneren van de EDEO (2012/2253(INI))
P7_TA(2013)0278A7-0147/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 27, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), dat voorziet in de oprichting van een Europese dienst voor extern optreden (EDEO) die de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid bijstaat,

–  gezien artikel 21, lid 3, VEU waarin is bepaald dat de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de Raad en de Commissie bijstaat om de samenhang tussen de diverse onderdelen van het externe optreden van de Unie te verzekeren,

–  gezien artikel 26, lid 2, VEU waarin is bepaald dat de Raad en de hoge vertegenwoordiger toezien op de eenheid, de samenhang en de doeltreffendheid van het optreden van de Unie,

–  gezien artikel 35, derde alinea, VEU waarin is bepaald dat de diplomatieke en consulaire missies van de lidstaten en de delegaties van de Unie bijdragen tot de uitvoering van het recht op bescherming van de burgers van de Unie op het grondgebied van derde landen,

–  gezien artikel 36 VEU waarin is bepaald dat de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en vicevoorzitter van de Commissie (hierna hv/vv) het Europees Parlement regelmatig raadpleegt over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, het Parlement informeert over de ontwikkeling van de beleidsmaatregelen en erop toeziet dat de opvattingen van het Parlement naar behoren in aanmerking worden genomen,

–  gezien artikel 42 TEU waarin is bepaald dat de hv/vv bevoegd is om voorstellen te doen op het gebied van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, waaronder het opzetten van missies, waarbij gebruik kan worden gemaakt van nationale middelen en van instrumenten van de Unie,

–  gezien artikel 13, lid 3, van het Besluit van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese dienst voor extern optreden (hierna EDEO-besluit), waarin is bepaald dat de hoge vertegenwoordiger uiterlijk medio 2013 een evaluatie uitvoert van de organisatie en de werking van de EDEO, onder meer ook de toepassing van artikel 6, leden 6 en 8, met betrekking tot geografisch evenwicht, indien nodig vergezeld van voorstellen tot herziening van dit besluit,

–  gezien de artikelen 298 en 336 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin de wetgevingsprocedure voor personeelszaken wordt vastgesteld,

–  gezien de verklaring van de hv/vv over politieke verantwoordingsplicht (hierna hv/vv-verklaring)(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 6, lid 9, van het EDEO-besluit opgestelde verslag van 24 juli 2012 over de personeelsbezetting van de EDEO voor 2012,

–  gezien artikel 97 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole (A7-0147/2013),

A.   overwegende dat het Verdrag van Lissabon de doelstelling vaststelt om de eenheid, de samenhang en de doeltreffendheid van het externe optreden van de Unie te waarborgen;

B.  overwegende dat de EDEO een nieuwe dienst is met een hybride structuur, die een beroep doet op communautaire en intergouvernementele middelen en in de EU de eerste in zijn soort is; overwegende dat daarom niet kan worden verwacht dat de dienst twee jaar na zijn oprichting reeds optimaal functioneert; overwegende dat een evaluatie van de organisatie en werking van de dienst gebaseerd moet zijn op eerlijke en opbouwende kritiek;

C.   overwegende dat het succes van de EDEO moet worden afgemeten naar zijn vermogen om een integraal antwoord van de EU te bieden op de uitdagingen en verantwoordelijkheden van het extern beleid en om efficiënter gebruik te maken van de schaarse middelen door nauwere samenwerking en schaalvoordelen op Europees en nationaal niveau;

D.  overwegende dat de drieledige rol van de hv/vv de meest tastbare uiting is van dit streven naar een grotere samenhang in het externe optreden van de EU;

E.  overwegende dat de huidige structuur binnen de Commissie niet naar behoren is afgestemd op de specifieke rol van de hv/vv in het externe optreden van de EU;

F.  overwegende dat de uiteenlopende taken die in het Verdrag van Lissabon aan de hv/vv zijn toevertrouwd de aanwijzing van (een) politieke adjunct(en) vereisen om de hv/vv bij de uitoefening van zijn/haar taken bij te staan;

G.  overwegende dat de operationele besluitvorming en beleidsvoering op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid/het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GBVB/GVDB) om structurele en procedurele redenen te langzaam verlopen; overwegende dat dit opnieuw duidelijk is geworden tijdens de crisis in Mali, toen de besluitvorming langzaam verliep en financieringsbesluiten niet onverwijld werden goedgekeurd en uitgevoerd;

H.  overwegende dat de EDEO een gestroomlijnde, resultaatgerichte, efficiënte structuur moet krijgen die steun voor politiek leiderschap kan bieden op het gebied van externe betrekkingen, inzonderheid met betrekking tot het GBVB, en de besluitvorming in de Raad vergemakkelijkt; overwegende dat de EDEO daarom op korte termijn op gecoördineerde wijze expertise moet kunnen verstrekken vanuit verschillende diensten, ook binnen de Commissie; overwegende dat de huidige structuur van de EDEO te topzwaar is en te veel besluitvormingsniveaus telt;

I.   overwegende dat de mogelijkheden voor snelle inzet van de EU-gevechtsgroepen nog niet worden benut;

J.  overwegende dat de in het verleden opgedane ervaring duidelijk aantoont dat voor het uitvoeren van GVDB-missies een permanent hoofdkwartier in Brussel nodig is;

K.  overwegende dat bij de Arabische revoluties duidelijk is geworden dat de EU niet in staat is om op korte termijn een herschikking van de middelen, met inbegrip van personeel, te verzekeren om het hoofd te bieden aan nieuwe politieke prioriteiten; overwegende dat de omvang en beroepsprofielen van de EU-delegaties afgestemd moeten zijn op de strategische belangen van de Unie;

L.   overwegende dat de rol van de EDEO bij de vaststelling van strategische richtsnoeren en de tenuitvoerlegging van de externe financieringsinstrumenten van de EU moet worden versterkt overeenkomstig de krachtlijnen van het buitenlands beleid;

M.  overwegende dat het belang van een betere coördinatie en goed bestuur op het gebied van ontwikkelingsaangelegenheden op internationaal niveau moet worden bevestigd, om de EU in staat te stellen met één stem te spreken en aan zichtbaarheid te winnen;

N.  overwegende dat de EDEO met name in een tijd van begrotingsbesparingen een katalysator moet zijn voor meer synergie, niet alleen binnen het institutionele kader van de EU, maar ook tussen de EU en haar lidstaten;

O.   overwegende dat de EDEO, nu de regeringen van de lidstaten hun diplomatieke en consulaire aanwezigheid drastisch verminderen, moet worden gezien en benut als een kans om nauwere samenwerking en synergie te bevorderen;

P.  overwegende dat meer inspanningen moeten worden gedaan om overlappingen in de werkzaamheden en structuur van de EDEO, de Commissie (met name DG DEVCO en het Europees Bureau voor humanitaire hulp ECHO) en het Secretariaat van de Raad te voorkomen;

Q.  overwegende dat de doelstelling dat een derde van het personeel afkomstig moet zijn uit de lidstaten is bereikt; overwegende dat de drie groepen personeelsleden (afkomstig van de Commissie, het Secretariaat van de Raad en de nationale diplomatieke diensten) evenredig over alle niveaus en tussen delegaties en hoofdkwartier moeten worden gespreid;

R.  overwegende dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in AD- en hogere functies, en oververtegenwoordigd zijn in AST-functies;

S.  overwegende dat elke wijziging van de voorschriften met betrekking tot het personeel moet worden goedgekeurd via de gewone wetgevingsprocedure;

T.   overwegende dat de EDEO duidelijk inspanningen moet doen om lessen uit vorige operationele ervaringen te trekken en daarnaar te handelen, met name op het gebied van conflictpreventie, conflictbemiddeling, crisisbeheer, verzoening en vredesopbouw;

U.  overwegende dat nu, tweeënhalf jaar na de goedkeuring van de hv/vv-verklaring, een grondige evaluatie moet worden verricht van de politieke verantwoordingsplicht van de EDEO tegenover het Parlement, met name in hoeverre het Parlement wordt geraadpleegd over strategische besluiten en in welke mate rekening wordt gehouden met zijn standpunten en opmerkingen;

V.   overwegende dat deze evaluatie ook moet onderzoeken hoe verbetering kan worden gebracht in de verantwoording van de hv/vv en EDEO-ambtenaren tegenover het Parlement en zijn organen, en in de manier waarop de EDEO gevolg geeft aan de resoluties van het Parlement;

W.  overwegende dat het van essentieel belang is dat parlementair toezicht wordt uitgeoefend op het buitenlands beleid van de EU opdat het externe optreden van de Unie door haar burgers beter wordt begrepen en gesteund; overwegende dat parlementair toezicht de legitimiteit van het externe optreden versterkt;

X.  overwegende dat de huidige financiële procedures in de delegaties flexibiliteit missen, hetgeen negatieve gevolgen heeft voor de werklast van het personeel;

1.   beveelt de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter, de Raad en de Commissie het volgende aan, rekening houdend met het feit dat aanzienlijke vooruitgang is geboekt bij het opzetten van de EDEO, maar dat nog meer kan worden gedaan ter bevordering van synergie, coördinatie tussen de instellingen en politiek leiderschap bij de combinatie van de taken van hoge vertegenwoordiger, vicevoorzitter van de Commissie en voorzitter van de Raad Buitenlandse Zaken, door het instrumentele karakter van de dienst te versterken;

Ten aanzien van leiderschap en een rationelere en efficiëntere structuur van de diplomatieke dienst voor de 21e eeuw

2.   de hv/vv te ondersteunen bij de uitoefening van de vele taken die hem/haar overeenkomstig het VEU zijn toevertrouwd, door de aanwijzing van (een) politieke adjunct(en), die verantwoording moet(en) afleggen aan het Parlement en voor de bevoegde commissie van het Parlement verschijnen alvorens zijn hun ambt aanvatten, en die bevoegd zijn om namens de hv/vv op te treden; te waarborgen dat de RELEX-commissarissen de hv/vv kunnen vertegenwoordigen voor parlementaire aangelegenheden en in de internationale betrekkingen; voorts de mogelijkheid te overwegen om de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten te betrekken bij specifieke taken en opdrachten namens de Unie, teneinde de gezamenlijke EU-standpunten kracht bij te zetten;

3.   de hiërarchische structuur van de EDEO te vereenvoudigen en de rol van zijn uitvoerend secretaris-generaal uit te breiden door een duidelijke gezagsstructuur vast te stellen die een doeltreffende besluitvorming en tijdige beleidsrespons mogelijk maakt, in dit verband de taken van directeur-generaal administratie en directeur administratie te rationaliseren, de hiërarchische structuur van de beheersdirectoraten te vereenvoudigen, de bevoegdheden binnen de beheersstructuur van de EDEO duidelijk af te bakenen en de huidige op de Bestuursraad gebaseerde structuur te herzien, om de efficiëntie, transparantie en samenhang van de besluitvorming te verbeteren; in dezelfde geest, ervoor te zorgen dat de hv/vv politiek advies krijgt, bijvoorbeeld via een Politieke Raad, van alle relevante institutionele actoren, dat hem/haar inzicht geeft in de gevolgen van door de EDEO te ondernemen acties;

4.   de coördinerende rol van de hv/vv alsook zijn/haar rol als initiatiefnemer en politiek leiderschap te verbeteren door ervoor te zorgen dat hij/zij binnen de volgende Commissie zijn/haar bevoegdheden als vicevoorzitter van de Commissie ten volle kan uitoefenen en belast wordt met het voorzitterschap van de RELEX-groep, uitgebreid met andere commissarissen die betrokken zijn bij externe betrekkingen, om de praktijk van gezamenlijke voorstellen en gezamenlijke besluiten verder te ontwikkelen;

5.  ten volle gebruik te maken van de synergie van de EDEO en in deze context de mogelijkheid te overwegen van besluiten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over GBVB-zaken, zoals bepaald in artikel 31, lid 2, VEU en na te gaan of de stemming bij gekwalificeerde meerderheid over GBVB-kwesties via de desbetreffende overbruggingsclausule kan worden uitgebreid;

6.   ervoor te zorgen dat de EDEO in overeenstemming met artikel 9, lid 3, van het EDEO-besluit een voortrekkersrol speelt bij het vaststellen van de strategieën voor de relevante externe financieringsinstrumenten en over de nodige expertise beschikt om op dit gebied een leidende rol op zich te nemen;

7.   tegelijkertijd het communautaire karakter van het nabuurschapsbeleid te handhaven, rekening houdend met het feit dat het Parlement de intergouvernementalisering van Uniebeleid afwijst en de Commissie krachtens het Verdrag hoofdverantwoordelijk is om namens de Unie over internationale overeenkomsten te onderhandelen;

8.   de coördinatie tussen de Dienst instrumenten buitenlands beleid en de EDEO verder te verbeteren;

9.  ervoor te zorgen dat de speciale vertegenwoordigers van de Europese Unie (SVEU's) nauw worden betrokken bij het werk van de EDEO door de vertegenwoordigers en hun staf in de structuur van de EDEO te verankeren en hen zo vaak mogelijk ook de taak van hoofd van de EU-delegatie toe te vertrouwen;

10.   een grondige en systematische evaluatie te verrichten met het oog op de harmonisatie van de door de Commissie en het Secretariaat van de Raad opgezette structuren voor extern beleid, teneinde de huidige overlappingen weg te werken en kostenefficiëntie te bevorderen; de resultaten van deze evaluatie voor te leggen aan het Parlement;

11.   in dezelfde geest de praktijk van gemeenschappelijke technische en logistieke diensten van de instellingen verder te ontwikkelen, met het oog op schaalvoordelen en een efficiëntere werking; in eerste instantie de verschillende logistieke diensten van de Commissie en de EDEO voor vroegtijdige waarschuwing, risicobeoordeling en veiligheidstaken met betrekking tot feiten buiten de Unie, samen te brengen in één enkele gezamenlijke structuur, waarin die diensten gehouden zijn om samen te werken;

12.  in overleg met de lidstaten na te gaan hoe op middellange tot lange termijn schaalvoordelen kunnen worden verwezenlijkt tussen de diplomatieke diensten van de lidstaten en de EDEO in derde landen, ook wat betreft het verstrekken van consulaire diensten;

13.  te kiezen voor een samenhangende aanpak wat betreft het voorzitterschap van werkgroepen van de Raad en een einde te maken aan het roulerende voorzitterschap van deze groepen;

14.  in overeenstemming met artikel 24 VEU ervoor te zorgen dat de lidstaten in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun geven aan het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie, het optreden van de Unie eerbiedigen en de EDEO bij de uitvoering van zijn taken ondersteunen;

15.  daartoe nauwere samenwerking met de lidstaten aan te moedigen en gezamenlijke politieke rapportage tussen delegaties en ambassades te bevorderen;

Ten aanzien van de passende structuur voor een geïntegreerde aanpak

16.   de mogelijkheden van het Verdrag van Lissabon ten volle te benutten door te streven naar een geïntegreerde aanpak waarbij diplomatieke, economische en ontwikkelingsinstrumenten alsook – in laatste instantie en in overeenstemming met het VN-Handvest – militaire middelen worden ingezet voor gemeenschappelijke strategische beleidsdoelstellingen, om de veiligheid en welvaart van met name de EU-burgers en het nabije en verdere nabuurschap te beschermen en te bevorderen; in deze context te zorgen voor samenhang tussen maatregelen op korte en langere termijn; er voorts voor te zorgen dat de EDEO de capaciteit heeft voor strategisch denken en om voorstellen te doen voor de tenuitvoerlegging van belangrijke vernieuwingen waarin het Verdrag van Lissabon voorziet, bijvoorbeeld het toevertrouwen van de tenuitvoerlegging van bepaalde taken aan groepen capabele lidstaten en de ontwikkeling van permanente gestructureerde samenwerking, inclusief het gebruik van gevechtsgroepen;

17.   daartoe verder te werken aan het opzetten van een passende structuur (bv. een Crisiscomité) die zowel conflictpreventie, crisisrespons, vredesopbouw, de betrokken externe beleidsinstrumenten en de instrumenten van het veiligheidsbeleid en het GVDB omvat en de coördinatie verzekert met de geografische eenheden, delegaties en andere beleidsondersteunende afdelingen die betrokken zijn bij crisisbeheer, voortbouwend op het concept van het Crisisplatform; algemene samenhang binnen de EDEO te verzekeren en overlappingen te voorkomen; voorts een betere interinstitutionele coördinatie en duidelijke afbakening van de taken te verzekeren;

18.  te zorgen voor een doeltreffende en geïntegreerde planning en snellere besluitvorming voor GVDB-operaties, door de desbetreffende planningscapaciteiten van het Directoraat crisisbeheersing en planning (CMDP) en het civiele plannings- en uitvoeringsvermogen (CPCC) samen te voegen; daarnaast te zorgen voor een permanente uitvoeringsstructuur door de oprichting van een permanent militair operationeel hoofdkwartier, gecombineerd met een civiele uitvoeringscapaciteit, om de doeltreffende uitvoering van militaire en civiele operaties te verzekeren en tegelijk hun respectieve hiërarchische structuren te vrijwaren;

Ten aanzien van de hervorming van de financiële procedures met het oog op doeltreffend extern optreden

19.  ten volle gebruik te maken van de flexibiliteit die het Financieel Reglement biedt met betrekking tot het financieel beheer van administratieve en operationele uitgaven zodat delegatiehoofden, indien de omstandigheden dit vereisen, taken kunnen delegeren aan hun adjunct of aan personeelsleden van de Commissie, hetgeen het beheer en de goede werking van de delegaties ten goede zou komen en delegatiehoofden zou toelaten zich op hun politieke taken te concentreren;

20.  de procedures voor het beheer van GBVB-middelen bij de Dienst instrumenten buitenlands beleid te bespoedigen, teneinde een flexibele en snelle respons in crisissituaties te verzekeren en er met name voor te zorgen dat civiele GVDB-operaties onverwijld en op efficiënte wijze worden uitgevoerd; in dit verband na te gaan of wijzigingen in het Financieel Reglement kunnen worden aangebracht zonder afbreuk te doen aan de transparantie;

21.   de flexibiliteit en reactiviteit van de externe EU-steun te verbeteren door de regels voor de besluitvorming inzake programmering en uitgaven uit hoofde van de externe financieringsinstrumenten te herzien;

22.  de financiële aansprakelijkheid te verbeteren door te zorgen voor volledige transparantie voor alle GBVB-begrotingslijnen, inclusief GVDB-operaties, SVEU's, non-proliferatie en conflictpreventie;

Ten aanzien van de delegaties

23.  de EDEO meer inspraak te geven in de (her)toewijzing van personeelsleden van de Commissie aan de EU-delegaties, om ervoor te zorgen dat de omvang en de beroepsprofielen van de delegaties afgestemd zijn op de strategische belangen en politieke prioriteiten van de Unie;

24.   het nodige te doen om te verzekeren dat hoofden van EU-delegaties worden aangesteld op grond van hun verdiensten en gedegen kennis van de belangen, waarden en beleidsvormen van de Unie, zodat alleen gemotiveerde en uiterst bekwame en efficiënte personen voor deze gevoelige functies worden geselecteerd;

25.  ervoor te zorgen dat het delegatiehoofd met name in delegaties die slechts een beperkt aantal EDEO-personeelsleden tellen, personeel van de Commissie overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het EDEO-besluit ook kan belasten met politieke analyses en politieke rapportage;

26.  in deze context het gezag van de delegatiehoofden uit te breiden tot het volledige personeelsbestand, met inbegrip van het personeel van de Commissie, en ervoor te zorgen dat het delegatiehoofd alle instructies ontvangt die door het hoofdkwartier worden uitgevaardigd;

27.   de mogelijkheden van het EDEO-besluit en het VEU ten volle te benutten, met name door de coördinerende rol van de delegaties te versterken, vooral in crisissituaties, en door hen in staat te stellen consulaire bescherming te bieden aan EU-burgers uit lidstaten die in een bepaald land geen vertegenwoordiging hebben; ervoor te zorgen dat bijkomende taken niet ten koste gaan van de middelen voor bestaande beleidsvormen, instellingen en prioriteiten op EU-niveau;

28.   nu de meeste EU-delegaties een contactpunt voor de mensenrechten hebben, ervoor te zorgen dat de mensenrechten en met name de rechten van de vrouw worden geïntegreerd in de aanpak van elke delegatie en elk bureau in de EU; voorts zichtbaarheid te geven aan de Europese cultuur, op basis van haar verscheidenheid; er waar nodig voor te zorgen dat de EU-delegaties onder hun huidige personeel beschikken over een verbindingsofficier voor het Europees Parlement die ermee wordt belast de delegaties van het Parlement in derde landen passende ondersteuning te bieden en onderzoeken in te stellen, uitgaande van het beginsel dat EU-delegaties alle EU-instellingen op dezelfde wijze vertegenwoordigen;

29.   voorts te verzekeren dat delegaties beschikken over expertise op de beleidsterreinen (bv. klimaatverandering, energiezekerheid, sociaal en arbeidsbeleid, cultuur, enz.) die van belang zijn voor de betrekkingen van de EU met het land in kwestie;

30.   ervoor te zorgen dat, in voorkomend geval, elke delegatie een veiligheids- en defensieattaché heeft, met name waar delegaties in politiek instabiele of wankele situaties moeten werken of waar onlangs een GVDB-missie is afgerond, teneinde continuïteit van de werking en passend toezicht op de politieke situatie te verzekeren;

31.  verzoekt de hv/vv opdracht te geven voor een evaluatie van de veiligheidsmaatregelen en -vereisten bij de EU-delegaties in het buitenland, om te waarborgen dat veiligheidsbesluiten worden genomen door de EDEO en niet door externe veiligheidsondernemingen;

Ten aanzien van de toepassing van de Verklaring over politieke verantwoordingsplicht

32.  in overeenstemming met de in juni 2010 in Madrid gesloten vierpartijenovereenkomst toe te zien op de volledige en daadwerkelijke nakoming van de verplichting van artikel 36 VEU om ervoor te zorgen dat de opvattingen van het Europees Parlement naar behoren in aanmerking worden genomen, bijvoorbeeld door een proactieve en systematische raadpleging van de bevoegde commissie van het Parlement vóór de goedkeuring van strategieën en mandaten op het gebied van het GBVB/GVDB;

33.  toe te zien op volledige politieke rapportage van de delegaties van de Unie aan de belangrijkste bevoegde personen in het Parlement, met gereguleerde toegang;

34.  ervoor te zorgen dat het Parlement overeenkomstig artikel 218, lid 10, VWEU in iedere fase van de procedure onverwijld en ten volle wordt geïnformeerd over de onderhandelingen met het oog op internationale overeenkomsten, met inbegrip van overeenkomsten op het gebied van het GBVB;

35.  gezien de positieve ervaringen met het verschijnen van nieuwe delegatiehoofden en SVEU's voor de AFET-commissie alvorens hun taken aan te vatten, deze praktijk uit te breiden tot nieuwe hoofden van GVDB-missies en -operaties;

36.  erop toe te zien dat nieuwe delegatiehoofden na hun aanstelling door de hv/vv door de bevoegde commissie van het Parlement officieel in hun ambt worden bevestigd alvorens zij hun taken aanvatten;

37.  vóór elke bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken systematisch van gedachten te wisselen met de bevoegde commissie van het Parlement en na elke Raadsbijeenkomst bij deze commissie verslag uit te brengen;

Ten aanzien van opleiding en het bevorderen van een Europese diplomatieke korpsgeest

38.  gemeenschappelijke opleidingsprogramma's en andere concrete maatregelen te bevorderen zodat een Europese korpsgeest kan groeien bij het EDEO-personeel dat een uiteenlopende diplomatieke cultuur en institutionele achtergrond heeft, en de mogelijkheid van gezamenlijke opleidingsinitiatieven voor EDEO-personeel en nationale diplomaten te overwegen als permanente bijscholing;

39.  in deze geest de bestaande onderwijs- en opleidingsprogramma's op Europees en nationaal niveau te herzien en te consolideren naast de bestaande opleidingen van de Europese veiligheids- en defensieacademie;

Ten aanzien van de personeelsvoorziening

40.   de inspanningen met het oog op een beter genderevenwicht voort te zetten en te intensiveren, daarbij terdege rekening houdend met verdienste en bekwaamheid; het belang te onderstrepen van een evenwicht op het niveau van de delegatiehoofden en andere managementsfuncties; overgangsmaatregelen in te voeren en een actieplan uit te werken om begeleidingsprogramma's, speciale opleidingen en een gezinsvriendelijke werkomgeving te bevorderen, teneinde de vertegenwoordiging van vrouwen te verbeteren en de structurele hinderpalen voor hun diplomatieke carrière weg te werken;

41.   alle nodige maatregelen te nemen om de geografische vertegenwoordiging in leidinggevende posities en in alle andere rangen en functies gelijk te trekken, met als doel een gedeelde politieke verantwoordelijkheid voor de EDEO bij ambtenaren en personeelsleden uit de lidstaten te bevorderen en aan te moedigen, in overeenstemming met artikel 6, leden 6 en 8, van het EDEO-besluit;

42.  aangezien de doelstelling dat een derde van het personeel afkomstig moet zijn uit de lidstaten is bereikt, ervoor te zorgen er op managementsniveau geen concentratie aan personeel uit de nationale ministeries ontstaat, om aldus carrièremogelijkheden voor iedereen te creëren, en zich nu in de eerste plaats in te zetten voor het aanwerven van nieuw, vast EU-personeel; in dat verband na te gaan wat de mogelijkheden zijn voor nationale diplomaten die bij de EDEO werken om te solliciteren op vaste posten binnen de dienst;

43.  zich te verzetten tegen alle pogingen tot inmenging van de lidstaten in de aanwervingsprocedure voor EDEO-personeel, om een echte Europese korpsgeest te ontwikkelen en te verzekeren dat de dienst alleen gemeenschappelijke Europese belangen nastreeft; ervoor te zorgen dat de EDEO nu de overgangsperiode is afgelopen eigen, onafhankelijke aanwervingsprocedures kan ontwikkelen, die ook open staan voor ambtenaren van alle EU-instellingen en voor externe kandidaten, via algemene vergelijkende onderzoeken;

44.   in het licht van de bijzondere rol die het Parlement speelt bij het bepalen van de doelstellingen en fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de bevoegdheden van het Parlement als begrotingsautoriteit, zijn rol in het democratisch toezicht op het buitenlands beleid en zijn ervaring met parlementaire externe betrekkingen, met name de mogelijkheid te overwegen om ambtenaren van het Europees Parlement per 1 juli 2013 op voet van gelijkheid met ambtenaren van de Raad en de Commissie toe te laten te solliciteren op ambten van de EDEO;

45.  ervoor te zorgen dat de EDEO beschikt over de passende combinatie van vaardigheden voor conflictrespons, met name door het ontwikkelen van vaardigheden op het gebied van bemiddeling en dialoog;

Op langere termijn

46.  vraagt dat, in de context van een toekomstige overeenkomst, de verdere ontwikkeling van het GBVB/GVDB en van de rol van de EDEO, inclusief een naamsverandering, op de agenda wordt geplaatst;

o
o   o

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 210 van 3.8.2010, blz. 1.


Bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of overtuiging
PDF 227kWORD 29k
Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad van 13 juni 2013 over de ontwerprichtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging (2013/2082(INI))
P7_TA(2013)0279A7-0203/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de ontwerpaanbeveling aan de Raad, ingediend door Laima Liucija Andrikienė, namens de PPE­Fractie, over de ontwerprichtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging (B7-0164/2013),

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en Algemene Opmerking nr. 22 van het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties(1),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van de Raad over intolerantie, discriminatie en geweld op grond van religie of overtuiging van 2009 en 2011(2),

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie, die op 25 juni 2012 door de Raad zijn aangenomen(3),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2011 getiteld „Een centrale plaats voor mensenrechten en democratie in het externe optreden van de EU - voor een meer doeltreffende aanpak” (COM(2011)0886),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 13 juni 2012 over de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten(4) en het Besluit van de Raad 2012/440/CFSP van 25 juli 2012 tot benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten(5),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2012 over de herziening van de mensenrechtenstrategie van de EU(6),

–  gezien zijn resoluties over de jaarverslagen over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake(7),

–  gezien artikel 36 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de ontwerprichtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging („de richtsnoeren”),

–  gezien artikel 121, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0203/2013),

A.  overwegende dat in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is bepaald dat de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationale recht de leidraad vormen voor al het extern optreden van de EU;

B.  overwegende dat het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging, inclusief theïstische, niet-theïstische en atheïstische overtuigingen, het recht om niet te geloven en het recht om van godsdienst of overtuiging te wisselen, een universeel mensenrecht en een fundamentele vrijheid van ieder mens is en sterk verweven met andere mensenrechten en fundamentele vrijheden, zoals vastgelegd in artikel 18 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens;

C.  overwegende dat het Europees Parlement herhaaldelijk heeft aangedrongen op een ambitieus instrumentarium om de vrijheid van godsdienst en overtuiging een vooraanstaande plaats als onderdeel van het buitenlands beleid van de EU te geven;

D.  overwegende dat het Europees Parlement in dit verband ingenomen was met het voornemen van de EU om richtsnoeren betreffende de vrijheid van godsdienst en overtuiging te formuleren overeenkomstig het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie, en dat het erop aan heeft gedrongen dat het Parlement en maatschappelijke organisaties bij de opstelling van deze richtsnoeren betrokken worden;

E.  overwegende dat alle staten overeenkomstig de internationale rechtsnormen verplicht zijn doeltreffende bescherming te bieden aan al hun burgers en alle andere personen die onder hun respectieve jurisdicties vallen; overwegende dat in sommige delen van de wereld veel melding wordt gemaakt van de vervolging van mensen en hun families, gemeenschappen, gebedshuizen en instellingen, op grond van hun specifieke godsdienst, hun overtuigingen of een rechtmatige openlijke uiting van hun godsdienst of overtuiging; overwegende dat discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging nog altijd overal ter wereld voorkomt, ook in Europa en haar buurlanden, en overwegende dat personen die tot specifieke godsdienstige (minderheids)gemeenschappen behoren, en niet-gelovigen, nog steeds hun rechten worden ontzegd en vaak worden gediscrimineerd, gearresteerd, veroordeeld en in veel landen zelfs geëxecuteerd vanwege hun godsdienst of overtuiging;

1.  beveelt de Raad het volgende aan:

Redenen om maatregelen te nemen

(a)  In het extern beleid van de EU moet prioriteit worden verleend aan de bevordering van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging, alsmede aan het voorkomen van inbreuken op dit recht;

(b)  Geweld tegen en vervolging en discriminatie van mensen die tot godsdienstige (minderheids)gemeenschappen behoren, of mensen met niet-religieuze overtuigingen, komen nog steeds voor in grote delen van de wereld; het gebrek aan religieuze tolerantie en de ontbrekende bereidheid tot dialoog en tot oecumenisch samenleven leiden vaak tot politieke onrust, geweld en gewapende conflicten, met het gevolg dat mensenlevens worden bedreigd en de regionale stabiliteit wordt ondermijnd; de krachtige en onmiddellijke veroordeling door de Europese Unie van alle vormen van geweld en discriminatie moet een fundamenteel onderdeel vormen van het EU-beleid op het gebied van vrijheid van godsdienst en overtuiging; er moet bijzondere aandacht worden besteed aan de situatie van personen die van godsdienst of overtuiging wisselen, omdat zij in de praktijk in een aantal landen zijn blootgesteld aan sociale druk, intimidatie of openlijk geweld;

Doel en toepassingsgebied

(c)  Het doel en toepassingsgebied van de EU-richtsnoeren moeten zijn: bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in derde landen, integratie van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in al het extern optreden en het mensenrechtenbeleid van de EU, en ontwikkeling van duidelijke ijkpunten, maatstaven, normen en een praktische oriëntatie om de bevordering van de vrijheid van godsdienst en overtuiging een prominentere plaats in het werk van ambtenaren van de EU-instellingen en de lidstaten te geven, en op deze manier bij te dragen aan meer samenhang, doeltreffendheid en zichtbaarheid van de EU in haar buitenlandse betrekkingen;

Definities

(d)  Aangezien de geslaagde toepassing ervan afhankelijk is, dienen in de richtsnoeren duidelijke definities te worden gehanteerd en het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging op passende en volledige wijze te worden beschermd, in overeenstemming met het internationaal recht, in zowel de individuele als de openbare uitingen ervan alsmede in de individuele, collectieve en institutionele dimensie ervan, inclusief het recht om te geloven of niet te geloven, het recht om van godsdienst of overtuiging te wisselen, de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging, evenals het recht van ouders om hun kinderen volgens hun morele, religieuze of niet-religieuze overtuigingen op te voeden; eveneens zijn er duidelijke definities en volledige bescherming vereist voor wat betreft de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van godsdienstige instellingen en instellingen die een overtuiging uitdragen en de eerbiediging van hun onafhankelijkheid, het recht op gewetensbezwaren, het recht op asiel, het recht om rustdagen in acht te nemen en feestdagen en ceremonies te vieren in overeenstemming met de voorschriften van een godsdienst of overtuiging, en het fundamentele recht op bescherming van eigendom;

Operationele richtsnoeren

(e)  De richtsnoeren moeten stoelen op het internationaal recht en de verdragen die door de internationale gemeenschap erkend en geratificeerd zijn;

Evenredigheid

(f)  Zoals in de ontwerprichtsnoeren wordt gesteld en in overeenstemming met de door de internationale gemeenschap goedgekeurde beginselen, mag niemand worden gedwongen tot het hebben of aanvaarden van een godsdienst of overtuiging en mag de vrijheid van ouders en voogden om te zorgen voor een religieuze en morele opvoeding niet worden ingeperkt. Elke andere uiting van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging kan slechts „in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen”(8); tegelijkertijd moeten de beperkingen strikt worden uitgelegd en in rechtstreekse en passende verhouding staan tot de beschermde rechten van anderen en moet het juiste evenwicht worden bereikt; het evenredigheidscriterium moet derhalve in de richtsnoeren worden benadrukt;

Vrijheid van meningsuiting

(g)  Hoewel de vrijheid van godsdienst en overtuiging en de vrijheid van meningsuiting elkaar versterkende rechten zijn, dient de EU in gevallen waarin deze twee rechten tegenover elkaar komen te staan ook rekening te houden met het feit dat moderne media-instrumenten kunnen zorgen voor grotere onderlinge verbondenheid tussen culturen en geloofsovertuigingen; er moeten derhalve maatregelen worden getroffen ter preventie van intercultureel geweld als reactie op de vrijheid van meningsuiting in de vorm van kritiek en met name spot en hoon; in deze context moet de EU bijdragen aan het verminderen van dergelijke spanningen, bijvoorbeeld door onderling begrip en de dialoog te bevorderen, en iedere gewelddaad die is gepleegd als reactie op dergelijke uitingen krachtig veroordelen, en zich fel kanten tegen elke poging om de vrijheid van meningsuiting in religieuze aangelegenheden strafbaar te stellen, zoals blasfemiewetten;

De collectieve dimensie van de vrijheid van godsdienst en overtuiging

(h)  In de richtsnoeren moet worden benadrukt dat het recht van elk individu om de vrijheid van godsdienst en overtuiging alleen of in gemeenschap met anderen uit te oefenen een onontbeerlijk onderdeel van de vrijheid van godsdienst en overtuiging vormt; dit omvat:

   de vrijheid om in verband met een godsdienst of overtuiging erediensten te houden of te vergaderen, en om hiertoe gebedshuizen te bouwen en te onderhouden,
   de vrijheid om niet deel te nemen aan een bepaalde religieuze activiteit of manifestatie,
   de vrijheid om passende godsdienstige, media-, onderwijs-, gezondheids-, maatschappelijke, liefdadigheids- of humanitaire instellingen te bouwen en te onderhouden,
   de vrijheid om vrijwillige financiële en andere bijdragen van individuen en instellingen te vragen en te ontvangen,
   de vrijheid om geschikte leiders op te leiden, te benoemen, te verkiezen of door erfopvolging aan te wijzen, overeenkomstig de vereisten en normen van de betreffende godsdienst of overtuiging,
   de vrijheid om op nationaal en internationaal niveau contact met individuen en gemeenschappen over kwesties op het gebied van godsdienst en overtuiging tot stand te brengen en te onderhouden; daarnaast moet in de richtsnoeren worden vermeld dat het recht om godsdienst in gemeenschap met anderen uit te oefenen (waarbij de individuele vrijheden altijd moeten worden geëerbiedigd) niet onnodig mag worden beperkt tot officieel erkende gebedshuizen, en dat de EU alle onrechtmatige beperkingen van de vrijheid van vergadering dient te veroordelen; in de richtsnoeren moet worden onderstreept dat staten de plicht hebben neutraal en onpartijdig te blijven ten opzichte van religieuze groeperingen, ook voor wat symbolische of financiële steun betreft;
   i) is van mening dat secularisme, in de zin van een strikte scheiding tussen de godsdienstige en politieke autoriteiten, inhoudt dat elke vorm van religieuze inmenging in het functioneren van de overheid en elke vorm van publieke inmenging in religieuze aangelegenheden worden verworpen, tenzij voor de handhaving van de voorschriften op het gebied van veiligheid en openbare orde (inclusief de eerbiediging van de vrijheid van anderen), en dat secularisme voor iedereen (gelovigen, agnosten of atheïsten) in dezelfde mate het recht op vrijheid van geweten waarborgt;

Inschrijvingsvereisten

(j)  De EU moet maatregelen treffen wanneer het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging op onrechtmatige wijze wordt beperkt in de inschrijvingsvereisten van religieuze organisaties of organisaties met een bepaalde overtuiging. Inschrijving dient niet te worden beschouwd als een voorwaarde voor het genieten van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging, omdat dit recht niet afhankelijk kan zijn van administratieve of wettelijke vereisten; de EU moet zich inzetten voor de afschaffing van alle wetgeving die leidt tot discriminatie van mensen met niet-godsdienstige overtuigingen of mensen die van godsdienst of overtuiging zijn gewisseld, zoals de verplichting om de godsdienst van een persoon te vermelden in zijn/haar documenten van de burgerlijke stand;

Opleiding

(k)  Zoals erkend in internationaal aanvaarde normen staat het de ouders of wettelijke voogd van een kind vrij te zorgen voor een religieuze en morele opvoeding voor hun kinderen in overeenstemming met hun eigen overtuigingen, en wordt het kind niet gedwongen om tegen de wens van zijn/haar ouders of wettelijke voogd onderwijs op het gebied van godsdienst of overtuiging te volgen, waarbij het belang van het kind het leidend beginsel is; het recht van ouders om hun kinderen in overeenstemming met hun godsdienstige of niet-godsdienstige overtuigingen op te voeden, omvat het recht om ongepaste inmenging van overheids- en niet-overheidsactoren in hun opvoeding die in strijd is met hun godsdienstige of niet-godsdienstige overtuigingen, te weigeren; in de richtsnoeren moeten deze aspecten van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging worden benadrukt, en middels de richtsnoeren moet ook secularisering in het openbaar onderwijs worden gewaarborgd, en de EU-delegaties moeten passende maatregelen nemen indien dit beginsel wordt geschonden;

Familierecht en sociale wetgeving

(l)  De EU moet bijzondere aandacht besteden aan discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging binnen het familierecht en de sociale wetgeving van derde landen, met name, maar niet uitsluitend, in de context van het recht om te huwen en het gezagsrecht;

Het recht op gewetensbezwaren

(m)  Het recht op gewetensbezwaren tegen militaire dienst moet in de richtsnoeren zijn opgenomen als een rechtmatige uitoefening van het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; de EU moet staten met een verplichte militaire dienst verzoeken om een alternatieve dienst toe te staan met een vreedzaam of civiel karakter, in het algemeen belang en zonder bestraffende aard, en om gewetensbezwaarden niet te straffen, ook niet door middel van een gevangenisstraf, voor het weigeren van militaire dienst;

Asiel

(n)  De EU moet derde landen aansporen om vluchtelingen toe te laten die op grond van hun godsdienst of overtuiging worden vervolgd, en om hen asielbescherming te bieden, in het bijzonder wanneer vluchtelingen worden bedreigd met de dood of met geweld. De EU-lidstaten moeten zich meer inspannen om vluchtelingen toe te laten die op grond van hun godsdienst of overtuiging worden vervolgd;

Steun voor en samenwerking met maatschappelijke organisaties

(o)  Steun voor en samenwerking met een breed scala van maatschappelijke organisaties, inclusief mensenrechtenorganisaties en religieuze groeperingen en groeperingen die een overtuiging uitdragen, is bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de richtsnoeren van het grootste belang voor de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging. De centrale punten voor mensenrechten in de EU-delegaties moeten derhalve regelmatig contact onderhouden met deze organisaties, teneinde potentiële problemen op het gebied van de vrijheid van godsdienst en overtuiging zo snel mogelijk op te sporen in hun respectieve landen;

Toezicht en evaluatie

(p)  De Europese Dienst voor extern optreden moet zorgen voor passende en voortdurende controle en evaluaties van de situatie op het gebied van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in de wereld, onder de verantwoordelijkheid van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en in het EU-jaarverslag over de mensenrechten in de wereld moet een sectie gewijd blijven aan dit onderwerp, met inbegrip van aanbevelingen voor verbetering; het toezicht op de situatie op het gebied van de vrijheid van godsdienst en overtuiging moet een van de belangrijkste punten in de betrekkingen van de EU met derde landen zijn, naast andere mensenrechten en fundamentele vrijheden, met name in de context van het Europees nabuurschapsbeleid; dit moet blijken uit alle overeenkomsten, herzieningen en verslagen; de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten moet tijdens al zijn/haar activiteiten bijzondere aandacht besteden aan kwesties inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging, alsmede een zichtbare rol spelen bij de bevordering van deze vrijheid in de externe betrekkingen van de EU; hij/zij moet ook samenwerken met het Europees Parlement en zijn relevante commissies op het gebied van bezorgdheden en de geboekte vooruitgang alsmede contact onderhouden met relevante niet-gouvernementele organisaties;

(q)  Er moet een reeks instrumenten worden goedgekeurd voor de controle, evaluatie en ondersteuning van de EU-richtsnoeren. Deze circulaire moet gericht zijn op operationele instrumenten om beter in te spelen op de in de richtsnoeren beschreven prioritaire actieterreinen, en onder meer:

   een gedetailleerde controlelijst voor situatieanalyse omvatten, teneinde de situatie op het gebied van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging in het respectieve land te volgen en te controleren met het oog op het vaststellen van vorderingen/tegenslagen;
   de EU-missiehoofden verplichten om regelmatig verslag uit te brengen over kwesties met betrekking tot de vrijheid van godsdienst en overtuiging, met een gedetailleerde evaluatie van de situatie alsmede van het bestaan van inbreuken op het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging evenals van onderdrukking van voorvechters ervan of andere individuen, door specifieke gevallen van duidelijke schending van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging vast te stellen; deze verslagen van de EU-missiehoofden moeten zoveel mogelijk worden gestandaardiseerd, zodat ze kunnen worden vergeleken;
   gericht zijn op concreet optreden in internationale fora of ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten die van nut zijn geweest voor de bescherming en bevordering van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging, inclusief de succesvolle behandeling van specifieke gevallen (individuen, groeperingen, minderheden, instellingen) van discriminatie of vervolging op grond van godsdienst of overtuigingen;
   opnieuw benadrukken dat de steun die wordt verleend aan slachtoffers van discriminatie of vervolging op grond van hun godsdienst of overtuigingen veelvoudig kan zijn, inclusief de uitnodiging tot het toelichten van hun situatie in de EU-instellingen;

Deze reeks instrumenten (circulaire) moet in overleg met belanghebbenden worden opgesteld en vóór het einde van 2013 gereed zijn;
Gebruik van externe financiële instrumenten

(r)  De externe financiële instrumenten van de EU moeten ten aanzien van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in een bepaald land als stimulans en als potentiële sanctie (bijvoorbeeld bevriezing van financiering) worden ingezet, omdat dit een integraal onderdeel vormt van de beoordeling van de algemene mensenrechtensituatie in het land; in het geval van een ernstige verslechtering van de mensenrechtensituatie en de vrijheid van godsdienst en overtuiging moet de EU de mensenrechtenbepalingen toepassen die reeds zijn vastgelegd in de externe overeenkomsten tussen de EU en het land in kwestie; het gebruik van mensenrechtenbepalingen in externe EU-overeenkomsten moet een bindend karakter hebben en systematisch in alle overeenkomsten van de EU met derde landen worden geïntegreerd;

EU-optreden in multilaterale fora

(s)  De EU moet haar initiatieven in diverse multilaterale fora voortzetten, met het oog op de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging; in voorkomend geval moet EU derde landen op verzoek ondersteuning bieden bij de opstelling van wetgeving ter bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging;

Evaluatie

(t)  Krachtens artikel 36 van het Verdrag betreffende de Europese Unie moet het Europees Parlement betrokken worden bij de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren, die binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de richtsnoeren moet worden uitgevoerd; de evaluatie moet gebaseerd zijn op een analyse van de reactie van de EU op concrete situaties die verband houden met de schending van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in derde landen; het Europees Parlement moet regelmatig op de hoogte worden gebracht van door de EU-delegaties vastgestelde problematische gebieden of ontwikkelingen; zijn relevante commissies dienen gedetailleerde informatie te ontvangen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en, ter informatie, aan de Commissie.

(1) Algemene Opmerking van het Mensenrechtencomité van de VN in de zin van artikel 40, lid 4, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten CCPR/C/21/Rev.1/Add.4, 27 september 1993.
(2) Raad van de Europese Unie 24.11.2009, 21.2.2011.
(3) Raad van de Europese Unie 11855/12.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0250.
(5) PB L 200 van 27.7.2012, blz. 21.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0504.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0489, P7_TA(2012)0126, P7_TA(2012)0503.
(8) VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie en overtuiging, art. 1, lid 3, A/RES/36/55.


Een breder trans-Atlantisch partnerschap
PDF 156kWORD 34k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de rol van de EU bij de bevordering van een breder trans-Atlantisch partnerschap (2012/2287(INI))
P7_TA(2013)0280A7-0173/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over trans-Atlantische betrekkingen, met name zijn resolutie van 1 juni 2006 over de verbetering van de betrekkingen tussen de EU en de VS in het kader van een trans-Atlantische partnerschapsovereenkomst(1), zijn resolutie van 26 maart 2009 over de stand van de trans-Atlantische betrekkingen in de nasleep van de VS-verkiezingen(2) en zijn resolutie van 17 november 2011 over de EU-VS-top van 28 november 2011(3),

–  gezien de resultaten van de EU-VS-top van 28 november 2011 in Washington, D.C.,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaringen van de 71e trans-Atlantische wetgeversdialoog die in december 2011 in Jacksonville werd gehouden, de 72e trans-Atlantische wetgeversdialoog die in juni 2012 in Kopenhagen en Straatsburg werd gehouden en de 73e trans-Atlantische wetgeversdialoog die in november 2012 in Washington, D.C., plaatsvond,

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2012 over handels- en economische betrekkingen met de Verenigde Staten(4), waarin het idee om onderhandelingen te beginnen over een uitgebreide economische overeenkomst wordt ondersteund, en gezien zijn resolutie van 23 mei 2013(5) over het onderhandelingsmandaat,

–  gezien de verklaring van 13 februari 2013 van de president van de VS Barack Obama, de voorzitter van de Europese Raad Herman Van Rompuy en de voorzitter van de Europese Commissie José Manuel Barroso, waarin wordt aangekondigd dat zowel de Verenigde Staten als de Europese Unie de interne procedures in gang zullen zetten om de onderhandelingen over een trans-Atlantische handels- en investeringsovereenkomst te beginnen,

–  gezien de verklaring van de top van de Noord-Atlantische Raad die op 20 mei 2012 in Chicago werd gehouden,

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2012 over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid(6), zijn resolutie van 22 november 2012 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(7), en zijn resolutie van 22 november 2012 over cyberveiligheid en -defensie(8),

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Europese Unie en de Verenigde Staten van 12 juli 2012 over de regio Azië - Stille Oceaan,

–  gezien het document van het Amerikaanse Ministerie van Defensie van januari 2012 getiteld „Sustaining US Global Leadership: Priorities for 21st century Defense”, waarin de veranderingen in de militaire strategie van de VS uiteen worden gezet,

–  gezien de tweede inaugurele rede van de president van de VS Barack Obama op 21 januari 2013, zijn „State of the Union”-toespraak op 12 februari 2013 en de opmerkingen van de vicepresident van de VS Joseph Biden tijdens de veiligheidsconferentie in München op 2 februari 2013,

–  gezien het strategisch partnerschap van de EU met Brazilië (2007) en Mexico (2008), de associatieovereenkomsten van de EU met Mexico, Chili en Midden-Amerika, de handelsovereenkomsten met Colombia en Peru, de lopende onderhandelingen met Canada over een strategische partnerschapsovereenkomst en een uitgebreide economische en handelsovereenkomst, en de huidige onderhandelingen met de Mercosur,

–  gezien zijn resolutie van 12 juni 2012 over de vaststelling van een nieuwe ontwikkelingssamenwerking met Latijns-Amerika(9), waarin wordt benadrukt dat de EU het regionale integratieproces in Latijns-Amerika steunt, zoals dit wordt vertegenwoordigd door de Celac, de UNASUR, de Mercosur, het SICA, de Caricom en de Pacifische Alliantie,

–  gezien de geregelde topbijeenkomsten van de EU en de VS met Latijns-Amerikaanse landen, de tweejaarlijkse EU-Celac-top en de top van de Amerika´s, die naar verwachting beide in 2015 zullen plaatsvinden,

–  gezien de betrekkingen van de EU met de aan de Atlantische oceaan gelegen Afrikaanse regionale en subregionale organisaties, zoals met name de Afrikaanse Unie (AU), de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (Ecowas), de Economische Gemeenschap van Centraal-Afrikaanse Staten (Ceeac) en de Ontwikkelingsgemeenschap van zuidelijk Afrika (SADC),

–  gezien de verklaringen van de G20-leiders, het slotdocument van de werkgroep van het VN-stelsel voor de VN-ontwikkelingsagenda na 2015 („Realising the Future We Want for All”), en het slotdocument van de conferentie van de Verenigde Naties betreffende duurzame ontwikkeling („The future we want”),

–  gezien zijn resoluties over, onder meer, de Arabische lente, Mali, het Midden-Oosten, Syrië, Iran, Afghanistan, het Oostelijk Partnerschap, Rusland en China,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0173/2013),

A.  overwegende dat binnen het hele Atlantische bekken de belangrijkste politieke en economische betrekkingen die tussen de EU en de VS zijn; overwegende dat de nieuwe termijn van het presidentschap van Obama moet worden aangegrepen om deze betrekkingen door middel van een ambitieuze nieuwe agenda te versterken;

B.  overwegende dat het trans-Atlantisch partnerschap berust op sterke politieke, culturele, economische en historische betrekkingen, op gedeelde waarden, zoals vrijheid, democratie, mensenrechten en de rechtsstaat, en op gemeenschappelijke doelen, zoals welvaart, open en geïntegreerde economieën, sociale vooruitgang en integratie, duurzame ontwikkeling en de vreedzame oplossing van conflicten;

C.  overwegende dat de mondiale economische neergang heeft geleid tot significante bezuinigingen op de defensie-uitgaven in zowel de EU als de VS;

D.  overwegende dat de EU en de VS in een gemondialiseerde, complexe en in toenemende mate multipolaire wereld, ondanks de economische crisis, een belangrijke constructieve rol moeten blijven spelen in de mondiale politiek en de wereldeconomie, alsook bij de vormgeving van het internationale klimaat, en dat zij regionale conflicten en mondiale uitdagingen samen, op een multilaterale basis tegemoet moeten treden, met name in het kader van internationale organisaties; overwegende dat zij met het oog hierop de betrokkenheid moeten waarborgen van nieuwe belangrijke mogendheden, met inbegrip van de twee Latijns-Amerikaanse strategische partners van de EU, Brazilië en Mexico, en van Canada;

E.  overwegende dat, naast de verschuiving in het mondiale landschap als gevolg van de groei van de Aziatische opkomende machten, recentelijk door denktanks, internationale organisaties en enkele regeringen wordt gewezen op het groeiende belang van het Atlantische bekken als geheel, met inbegrip van de zuidelijke dimensie ervan, en op de noodzaak van samenwerking tussen de landen die ertoe behoren, teneinde al deze landen in staat te stellen om te gaan met problemen die zich in de bredere regio voordoen;

F.  overwegende dat Latijns-Amerika een regio is die vele waarden, belangen en historische achtergronden deelt met de EU en de VS, en hiermee steeds nauwere economische betrekkingen onderhoudt; overwegende dat Latijns-Amerikaanse landen een groot aantal regionale of subregionale organisaties hebben opgericht; overwegende dat het nuttig is om na te gaan op welke terreinen er verschillende manieren van trilaterale samenwerking kunnen worden ontwikkeld; overwegende dat samenwerkingsverbanden zouden kunnen worden uitgebreid zodat hierin ook de Afrikaanse landen van het Atlantische bekken kunnen worden opgenomen; overwegende dat het van belang is dat de samenwerking in de transatlantische ruimte berust op compromissen tussen de diverse belangen, en overwegende dat alle partijen het recht moeten behouden om hun eigen nationale prioriteiten en ontwikkelingsaanpak te volgen;

G.  overwegende dat enkele landen, met name China, en ook andere landen zoals India, steeds actiever worden in het Atlantische bekkengebied, met name in de zuidelijke Atlantische Oceaan, waar hun acties worden beïnvloed door hun behoefte aan grondstoffen en voedsel;

H.  overwegende dat het bredere trans-Atlantische partnerschap kwesties als ontwikkeling, veiligheid, energie en immigratie moet aanpakken, alsook een geleidelijke economische en politieke convergentie moet bevorderen;

I.  overwegende dat er andere actuele kwesties en conflicten zijn, die verder reiken dan het bredere Atlantische perspectief, met het oog waarop gecoördineerd optreden van de EU en de VS essentieel is;

J.  overwegende dat een toename van het aantal en de verdere perfectionering van grootschalige cyberaanvallen heeft geleid tot de herziening van gerelateerde wetgeving, in het kader waarvan de VS vrijwillige-meldingsmechanismen hebben ingesteld, terwijl de EU voornemens is striktere verplichte maatregelen aan te nemen;

Bilaterale betrekkingen

1.  feliciteert Barack Obama met zijn herverkiezing als president van de Verenigde Staten van Amerika; nodigt hem uit om de plenaire vergadering van het Europees Parlement in Straatsburg toe te spreken tijdens zijn volgende bezoek aan Europa;

2.  dringt erop aan zo spoedig mogelijk een EU-VS-top te houden teneinde een gemeenschappelijke agenda vast te stellen met korte- en langetermijndoelstellingen met betrekking tot zowel bilaterale aangelegenheden als mondiale en regionale kwesties;

3.  erkent de langetermijngevolgen voor het trans-Atlantische partnerschap van de verschuiving van het zwaartepunt van het geopolitieke beleid van de VS naar Azië; benadrukt de noodzaak van een constructieve, samenhangende en strategische respons van de EU; is van mening dat dit voor de EU tevens een kans vormt om actiever betrokken te raken bij de regio Azië-Stille Oceaan, als autonome wereldspeler, maar in nauwe samenwerking met de VS, en om op deze manier de strategische dimensie van het trans-Atlantische partnerschap te verdiepen;

4.  is ingenomen met de officiële aankondiging van onderhandelingen over een trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap; benadrukt dat deze overeenkomst de economieën van de EU en de VS aanzienlijk zal versterken en de betrekkingen tussen de EU en de VS een nieuwe impuls zal geven; wijst erop dat het mondiale effect van de overeenkomst verder zal reiken dan de bilaterale betrekkingen, aangezien zij voorziet in een gemeenschappelijke benadering ten aanzien van regels en normen met betrekking tot mondiale handel, investeringen en handelsgerelateerde gebieden; benadrukt de noodzaak van een sterke politieke wil en een constructieve houding met het oog op een efficiënt verloop van de onderhandelingen; verwacht dat de onderhandelingen over het trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap een nieuw politiek momentum in de trans-Atlantische betrekkingen zal creëren, dat zou kunnen en moeten worden gebruikt om nauwere samenwerking op andere gebieden, waaronder buitenlands beleid, te bevorderen;

5.  verzoekt de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/ vicevoorzitter van de Europese Commissie (hv/vv), de Raad, de Commissie en de EU-lidstaten het EU-beleid ten aanzien van de Amerikaanse regering beter te coördineren, teneinde overtuigend uit te dragen dat de EU een coherente en efficiënte internationale speler is; benadrukt dat het van belang is om ook het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid te versterken, gezien de verschillende crises die kunnen ontstaan in aangrenzende regio´s van de EU en gezien de „leading from behind”-doctrine van de VS;

6.  herhaalt zijn suggestie om een Trans-Atlantische Politieke Raad op te richten die moet fungeren als orgaan voor systematisch overleg en coördinatie met betrekking tot buitenlands- en veiligheidsbeleid, onder leiding van de hv/vv en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken;

7.  benadrukt de bijdrage die de trans-Atlantische wetgeversdialoog, als een op inhoud gebaseerd constructief orgaan, levert aan de versterking van de betrekkingen tussen de EU en de VS door een forum voor parlementaire dialoog te bieden, doelstellingen vast te stellen en kwesties van gemeenschappelijke zorg te coördineren; verwelkomt de opening van het verbindingsbureau van het Europees Parlement in Washington en moedigt het Amerikaanse Congres aan hetzelfde te doen in Brussel; dringt aan op voortzetting van de uitwisseling van personeel tussen de beide instellingen;

8.  veroordeelt met klem de terroristische aanslagen in Boston op 15 april 2013; spoort beide partners aan om de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde misdaad voort te zetten en om, tegelijkertijd, de mensenrechten en fundamentele vrijheden te eerbiedigen; is diep bezorgd over recente onthullingen over bewakingsactiviteiten en operaties inzake gegevensverzameling van de VS in het kader van her PRISM-programma, en hun gevolgen voor de bescherming van de vrijheden van de EU-burgers; verzoekt de Commissie en de Raad het probleem aan te kaarten tijdens de volgende EU-VS bijeenkomst van de JBZ-ministers van 14 juni 2013; neemt nota van het feit dat de overeenkomst betreffende persoonsgegevens van passagiers en de overeenkomst betreffende het programma voor het opsporen van de financiering van terroristische activiteiten (de SWIFT-overeenkomst), die beide door het Europees Parlement zijn goedgekeurd, reeds in werking zijn getreden; roept de partners op om hun samenwerking met betrekking tot de overeenkomst inzake gegevensprivacy en -bescherming te intensiveren, teneinde de onderhandelingen op zodanige wijze af te ronden dat een passende transparantie van gegevensverwerking en voldoende bescherming van persoonsgegevens worden gewaarborgd;

9.  wijst op het toenemende belang van het gebruik van onbemande vliegtuigen (drones); onderstreept de noodzaak van een krachtig debat over gewapende drones, de beperkingen en de transparantie ervan en de controle erop; is verheugd over het huidige debat in de VS en verwacht dat spoedig een omvattend regelgevingskader zal worden vastgesteld; is in dit opzicht ingenomen met de besluiten die president Obama in zijn toespraak van 23 mei 2013 heeft aangekondigd, namelijk om formeel nieuwe beperkingen in te voeren voor het gebruik van drones als dodelijk wapen en om het Congres mogelijkheden te laten onderzoeken om een beter overzicht te krijgen van dergelijk gebruik; verzoekt beide partners deel te nemen aan intensieve gesprekken over gewapende drones en benadrukt dat er stappen moeten worden gezet naar toekomstige internationale regelgeving op dit gebied, gezien de mondiale gevolgen;

10.  wijst er nogmaals op dat de EU de VS op politiek en technisch niveau moet blijven aanspreken op de langlopende kwestie van de visumplicht voor burgers van vier EU-lidstaten;

11.  wijst andermaal op het toenemende belang van cyberdefensie en is ingenomen met de oprichting, tijdens de top in 2010, van de werkgroep cyberbeveiliging en cybercriminaliteit; is van mening dat de EU en de VS in het bijzonder prioriteit moeten geven aan hun samenwerking op het gebied van cyberveiligheid, met speciale aandacht voor het bestrijden van cyberaanvallen en het gezamenlijk bevorderen van inspanningen op internationaal niveau voor de ontwikkeling van een veelomvattend en transparant internationaal kader dat minimumnormen vaststelt voor beleid inzake cyberveiligheid, waarbij tegelijkertijd de fundamentele vrijheden worden geëerbiedigd;

12.  betreurt dat de EU en de VS van plan zijn om verschillende niveaus van cyberbeveiliging toe te passen in een tijd dat de NAVO aandringt op intensievere samenwerking; benadrukt dat deze inconsistenties niet alleen een bedreiging vormen voor de cyberdefensie, maar tevens handelsgerelateerde problemen kunnen creëren voor ondernemingen die in beide rechtsgebieden actief zijn;

13.  is ingenomen met de hernieuwde belofte van president Obama in zijn toespraak van 23 mei 2013 om Guantánamo te sluiten; herhaalt zijn oproep om de gedetineerden die niets ten laste is gelegd zo spoedig mogelijk naar hun eigen land of een ander veilig land te laten terugkeren, Guantánamo-gedetineerden tegen wie voldoende toelaatbaar bewijsmateriaal bestaat onverwijld in een eerlijke en openbare rechtszitting te laten berechten door een onafhankelijke, onpartijdige rechtbank en te waarborgen dat zij, indien zij worden veroordeeld, in de Verenigde Staten gevangen worden gezet in overeenstemming met de toepasselijke internationale normen en beginselen;

14.  onderstreept het voortdurende belang van de NAVO als hoeksteen van de trans-Atlantische veiligheid; dringt nogmaals aan op versterking van het strategisch partnerschap tussen de EU en de NAVO;

De Atlantische en mondiale agenda

15.  dringt er bij beide partners op aan te kijken naar terreinen waarop en kaders waarbinnen trans-Atlantische samenwerking op pragmatische wijze kan worden vormgegeven, en om samen met andere Atlantische landen te onderzoeken in hoeverre de uitbreiding van deze samenwerking nuttig is; onderstreept dat vanuit het standpunt van de EU mogelijk kan worden samengewerkt op onder meer het gebied van economische en sociale kwesties, mondiaal bestuur, het democratiseringsproces, mensenrechten, ontwikkelingssamenwerking, klimaatverandering, veiligheid en energie; verzoekt de partners de mogelijkheid te onderzoeken om in het kader van deze trilaterale dialogen gebruik te maken van de in Latijns-Amerika opgezette en traditioneel door de EU ondersteunde regionale en subregionale structuren;

16.  pleit voor geregeld onderling overleg tussen de partners met betrekking tot hun respectievelijke toppen met Latijns-Amerikaanse landen in een regionaal kader, te weten de tweejaarlijkse EU-CELAC-top en de door de Organisatie van Amerikaanse Staten georganiseerde „Top van de Amerika's”;

17.  benadrukt dat er reeds diverse multilaterale kaders bestaan voor specifieke kwesties met een sterke trilaterale component, zoals het initiatief inzake regionale veiligheid in Midden-Amerika;

18.  herinnert aan de positieve rol die Canada – waarmee beide partners solide betrekkingen onderhouden – kan spelen in een bredere trans-Atlantische samenwerking;

19.  verzoekt beide partners tevens de mogelijkheid van bredere samenwerking met de aan de Atlantische oceaan gelegen Afrikaanse landen te bestuderen, en om bovendien relevante samenwerkingsterreinen en kaders vast te stellen, daarbij rekening houdend met de relevante Afrikaanse organisaties;

20.  dringt er bij de EU en de VS op aan op gecoördineerde wijze samen te werken teneinde bij te dragen tot een stabiele internationale orde van vrede en samenwerking, gebaseerd op daadwerkelijk multilateralisme met deelname van de opkomende spelers, inclusief de landen aan de zuidelijke Atlantische oceaan; spoort de partners aan te blijven werken aan het VN-hervormingsprogramma, andere Atlantische landen daarbij te betrekken en rekening te houden met de belangen van deze landen; benadrukt de noodzaak van een intensievere samenwerking tussen de EU en de Amerikaanse landen in de VN;

21.  herinnert eraan dat het Internationaal Strafhof een in toenemende mate onontbeerlijk instrument van het internationaal recht is en een fundamenteel element van het buitenlands beleid van de EU vormt voor wat betreft de doelstelling een eind te maken aan straffeloosheid; spreekt, in het kader van het tienjarig bestaan ervan, zijn waardering uit voor het Internationaal Strafhof; is verheugd over de stap van de regering-Obama om opnieuw een werkrelatie met het Hof aan te gaan en verwacht verdere stappen van de VS in de richting van het opnieuw ondertekenen en ratificeren van het Statuut van Rome;

22.  verzoekt de EU en de VS om gezamenlijk te werken aan het versterken van regionale en subregionale organisaties in het Atlantische bekken, gezien de belangrijke rol die deze organisaties spelen bij de bevordering van economische en politieke integratie;

23.  dringt er bij de partners op aan een nieuwe impuls aan de G20 te geven, onder meer door tegelijkertijd de andere Atlantische mogendheden op voet van gelijkheid bij dit forum te betrekken; benadrukt dat, gezien de herverkiezing van president Obama en het aantreden van een groot aantal nieuwe leiders in belangrijke landen van de G20, dit het juiste moment is om de volgende vergadering van de G20 ambitieuzer en operationeler te maken, en verwacht dat deze kwestie tijdens de volgende bilaterale top zal worden besproken;

24.  onderstreept dat de uiteindelijke sluiting van het trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap perspectieven creëert voor een brede economische ruimte die Noord-Amerika, de EU en de vele Latijns-Amerikaanse landen waarmee de partners economische overeenkomsten hebben gesloten, omvat;

25.  benadrukt dat de integratie van twee van 's werelds grootste markteconomieën een geopolitiek model voor de bevordering van democratische waarden kan creëren;

26.  benadrukt dat democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten centraal moeten staan voor de landen van het Atlantische bekken; spoort aan tot verdere samenwerking tussen programma's van de EU en de VS ter bevordering van democratie, vrije en eerlijke verkiezingen en de eerbiediging van mensenrechten;

27.  benadrukt het belang van coördinatie bij de bestrijding van de gevaren voor de mondiale veiligheid, zoals terrorisme, mislukte staten, mensenhandel, wapens en drugs, georganiseerde misdaad, piraterij en cybercriminaliteit, allemaal gevaren die op dit moment een bedreiging vormen voor het Atlantische bekken; onderstreept de noodzaak van een intensivering van de uitgebreide samenwerking tussen alle landen van het Atlantische bekken bij de strijd tegen drugshandel, een fenomeen dat in opkomst is in West-Afrika en in de Sahel; is ingenomen met de steun van de partners voor het regionale actieplan inzake drugs van de Ecowas;

28.  wijst met name op de uiterst belangrijke rol die maritieme veiligheid moet spelen in de Atlantische ruimte; verwelkomt de inspanningen van de partners, in nauwe samenwerking met de Ecowas en de Ceeac, om piraterij te bestrijden en de maritieme veiligheid in de Golf van Guinee te bevorderen;

29.  benadrukt het belang van diversifiëring van energieleveranciers, -bronnen en -transportroutes; wijst met klem op de groeiende relevantie van de landen van het Atlantische bekken wat betreft energieproductie en -reserves en grondstoffen, die allemaal aanzienlijke mogelijkheden voor diversifiëring bieden; spoort de Energieraad EU-VS aan om samen met de andere landen van het Atlantische bekken de mogelijkheid te bestuderen samen te werken op het gebied van energieveiligheids- en duurzaamheidskwesties, onder meer wat betreft technologieën voor hernieuwbare energie; pleit tevens voor onderzoek naar de mogelijkheid van nauwere samenwerking op het gebied van efficiënt gebruik van grondstoffen en recycling;

30.  is ingenomen met de aandacht die president Obama in zijn inaugurele rede besteedde aan de hernieuwing van de capaciteit van de Verenigde Staten om crises in het buitenland te beheersen, en spreekt de hoop uit dat de reeds bestaande samenwerking tussen de EU en de VS bij crisisbeheersing, en in toenemende mate crisispreventie, in Oost-Afrika wordt uitgebreid naar de aan de Atlantische oceaan gelegen landen; verzoekt beide partners in dit verband om volledig en constructief gebruik te maken van de kaderovereenkomst van 2011 over de deelname van de VS aan het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid; dringt er bij de lidstaten van de EU op aan serieus deel te nemen aan gezamenlijke „pooling and sharing”-projecten, zodat zij op autonome wijze de in artikel 43 van het Verdrag van Lissabon omschreven taken kunnen vervullen;

31.  roept de EU en de VS op om hun dialoog en samenwerking op het gebied van ontwikkeling verder te versterken, teneinde de kwaliteit en de effectiviteit van hun ontwikkelingshulp te verbeteren; dringt er bij beide partners op aan om de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling tegen 2015 te blijven bevorderen; stelt met tevredenheid vast dat de partners een werkgroep hebben opgericht ter voorbereiding van een agenda voor na 2015 met betrekking tot de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling; dringt er bij de partners op aan om in het kader van deze doelstellingen nauw samen te werken met de aan de Atlantische oceaan gelegen landen, gezien het bijzondere belang van de doelstellingen voor deze groep landen; dringt er bij de EU en de VS op aan om in het kader van dit reflectieproces de vraag te onderzoeken hoe de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling voor de periode na 2015 en de duurzame-ontwikkelingsdoelen aan elkaar kunnen worden gekoppeld;

32.  is verheugd over de hernieuwde betrokkenheid van president Obama met betrekking tot de strijd tegen de klimaatverandering; dringt er bij de partners op aan zo spoedig mogelijk, en uiterlijk in 2015, overeenstemming te bereiken over bindende toezeggingen inzake de reductie van broeikasgasemissies overeenkomstig de doelstelling om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2°C; verwacht dat deze kwestie tijdens de volgende bilaterale top zal worden besproken; benadrukt de noodzaak om de Atlantische landen bij deze inspanningen te betrekken, met name gezien het schadelijke effect van klimaatverandering in deze landen en wereldwijd op de voedselproductie, de biodiversiteit, woestijnvorming en extreme weersomstandigheden; acht het van essentieel belang dat de EU en de VS het voortouw nemen bij het tot stand brengen van een mondiale overeenkomst over de regulering van luchtvaartemissies in het kader van de Algemene Vergadering van de ICAO; herbevestigt de noodzaak van een nauwe trans-Atlantische samenwerking op het gebied van de winning van schaliegas;

33.  verzoekt de EU en de VS om een gemeenschappelijke strategie te volgen op internationale fora, met name de VN, ten aanzien van de vermindering van massavernietigingswapens en conventionele wapens, en om de Atlantische landen bij deze inspanningen te betrekken; verwacht van de VS en Rusland dat zij verdere vooruitgang boeken op het gebied van nucleaire ontwapening; is zeer verheugd over de recente goedkeuring van het wapenhandelsverdrag door de Algemene Vergadering van de VN, en dringt er bij de EU-lidstaten en de VS op aan dit verdrag spoedig te ondertekenen;

34.  moedigt denktanks en onderzoekers aan onderzoek te blijven doen naar bredere trans-Atlantische samenwerking, die tevens bijdraagt aan de idee van een bredere Atlantische gemeenschap;

35.  benadrukt dat culturele uitwisselingen in het kader van onderwijsprogramma's van fundamenteel belang zijn voor de ontwikkeling van gemeenschappelijke waarden en, derhalve, voor het bouwen van bruggen tussen partners binnen het Atlantische bekken;

Actuele kwesties en conflicten

36.  verzoekt de partners prioriteit te geven aan nauwe coördinatie met betrekking tot ondersteuning van de democratische omwenteling in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, op basis van een alomvattende en voorwaardelijke strategie van aan democratische hervormingen gekoppelde hulp en stimulansen; verzoekt de partners om de steun voor de oppositie in Syrië zo nauw mogelijk te coördineren en om druk te blijven uitoefenen op Rusland en China, teneinde zo spoedig mogelijk een politieke oplossing te vinden voor de tragische crisis in het land; steunt de oproep voor een vredesconferentie over Syrië in Genève; onderstreept de noodzaak van een gemeenschappelijk antwoord op de politieke instabiliteit en de dreigende economische crisis in Egypte; spoort aan tot samenwerking bij het ondersteunen van democratiseringsprogramma's in het gebied;

37.  onderstreept de noodzaak van coördinatie tussen de EU, haar lidstaten, de VS, de AU, de Ecowas, de VN en andere actoren teneinde de tenuitvoerlegging van de routekaart voor het overgangsproces in Mali te bevorderen, alsook van financiële en logistieke ondersteuning van de internationale ondersteuningsmissie ten behoeve van Mali onder Afrikaanse leiding (Afisma), die gereed is haar bevoegdheden over te dragen aan de geïntegreerde multidimensionele stabilisatiemissie van de VN in Mali, overeenkomstig resolutie 2100 van de VN-Veiligheidsraad die op 25 april 2013 werd aangenomen;

38.  betreurt het vastlopen van het vredesproces in het Midden-Oosten; is ingenomen met het feit dat president Obama tijdens zijn eerste buitenlandse reis na zijn herverkiezing Israël, de Palestijnse Autoriteit en Jordanië heeft bezocht, alsook met het feit dat het vredesproces in het Midden-Oosten opnieuw een topprioriteit is geworden, zoals blijkt uit de huidige inspanningen van de minister van buitenlandse zaken, John Kerry; is verheugd dat president Obama zich heeft verbonden aan een tweestatenoplossing; verzoekt de VS zich in te zetten voor een bevriezing van de bouw van nederzettingen en samen met de EU te werken aan de hervatting van de rechtstreekse onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen; deelt de visie van president Obama met betrekking tot de voortdurende bouw van nederzettingen door Israël alsook met betrekking tot de noodzaak om de veiligheid van Israël te waarborgen;

39.  dringt er bij de beide partners op aan te blijven werken aan een diplomatieke oplossing voor de Iraanse nucleaire kwestie teneinde spoedig te komen tot een veelomvattend langetermijnakkoord dat het internationale vertrouwen in de uitsluitend vreedzame aard van het Iraanse atoomprogramma versterkt, en dat tegelijkertijd de legitieme rechten van Iran inzake het vreedzaam gebruik van kernenergie overeenkomstig het non-proliferatieverdrag eerbiedigt; verzoekt de EU en de VS om, in het kader van de EU 3+3 (P5+1)-onderhandelingen met Iran, een gecoördineerde en voorwaardelijke verlichting van de sancties te overwegen in ruil voor onderling overeengekomen en verifieerbare stappen door de Iraanse regering die erop zijn gericht alle openstaande kwesties met betrekking tot het Iraanse atoomprogramma op te lossen, waarbij Iran de bepalingen van het non-proliferatieverdrag en de eisen van de Internationale Organisatie voor atoomenergie (IAEA) volledig moet naleven; verzoekt beide partners hun benadering van de betrekkingen met Iran te verbreden en daarbij zowel de mensenrechtensituatie in Iran als het bredere regionale veiligheidsbeeld in aanmerking te nemen, alsook om het maatschappelijk middenveld van Iran en Iraanse ngo´s hierbij te betrekken;

40.  dringt er bij de partners op aan om, in samenwerking met de Afghaanse regering, gezamenlijk een alomvattende benadering ten aanzien van Afghanistan uit te werken voor de periode na 2014; onderstreept dat goed getrainde en uitgeruste Afghaanse militaire en politiemachten, in combinatie met humanitaire en sociaaleconomische ontwikkeling, goed bestuur en een op de rechtsstaat gericht beleid, van cruciaal belang zijn voor vrede, stabiliteit en veiligheid in het land, terwijl een veel grotere betrokkenheid van de buurlanden van Afghanistan bij deze doelstellingen eveneens noodzakelijk is; benadrukt tevens de noodzaak van een democratisch en inclusief politiek proces in het land; erkent dat de NAVO een fundamentele rol heeft gespeeld bij de coördinatie van de veiligheidsrespons op de terroristische dreiging in Afghanistan, met inbegrip van wederopbouw en herstel, alsook dat de NAVO ook na 2014 mogelijk een rol zal blijven spelen;

41.  benadrukt het belang van het Oostelijk Partnerschap voor de EU; onderstreept dat het van belang is om de landen van deze naburige regio zowel op politiek als economisch gebied dichter bij de EU en de gedeelde waarden van de trans-Atlantische partners te brengen; dringt aan op actieve coördinatie tussen de EU en de VS op dit gebied en benadrukt de noodzaak van gemeenschappelijke inspanningen om democratische hervormingen te bevorderen, democratische instellingen te consolideren en de vreedzame oplossing van geschillen te versterken; spreekt zijn waardering uit voor de aanhoudende steun van de VS voor het uitbreidingsproces op de westelijke Balkan, en spoort beide partners aan om vast te houden aan een gecoördineerde benadering ten aanzien van de landen in deze regio;

42.  verzoekt beide partners hun beleid ten aanzien van Rusland beter te coördineren en daarbij kritische betrokkenheid als leiddraad te nemen; benadrukt het belang van samenwerking met Rusland op het gebied van mondiale uitdagingen, met inbegrip van ontwapening en non-proliferatie; dringt er bij de EU en de VS op aan een bijdrage te leveren aan het Russische moderniseringsproces, waarbij de nadruk moet liggen op consolidering van democratie, mensenrechten en de rechtsstaat alsook op bevordering van gediversifieerde en sociaal rechtvaardige economische groei; benadrukt dat het van belang is om persoonlijke contacten te bevorderen; betreurt in dit verband de nieuwe restrictieve wet inzake ngo´s en de toenemende druk die door de Russische autoriteiten wordt uitgeoefend op in Rusland gevestigde ngo-kantoren; benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de toezeggingen die Rusland heeft gedaan toen het toetrad tot de WTO een belangrijk onderdeel vormt van de moderniseringsagenda van het land; verzoekt beide partners om constructieve besprekingen met Rusland aan te gaan over vastgelopen conflicten; verwelkomt de goedkeuring van de Magnitsky-lijst door het Amerikaanse Congres en brengt zijn resolutie van oktober 2012 in herinnering;

43.  wijst op de verschuiving van de internationale aandacht richting Oost-Azië als gevolg van de politieke en economische opkomst van de regio Azië/Stille Oceaan; is verheugd over de recente instelling van nauwer overleg tussen de EU en de VS met betrekking tot deze regio en is van mening dat dit kan leiden tot nauwere samenwerking tussen de EU en de VS met betrekking tot Azië; wijst in het bijzonder op de noodzaak van een gecoördineerde respons op kwesties die mogelijk een bedreiging vormen voor de vrede in de regio, met name in het geval van het conflict in de Zuid-Chinese Zee, dat in enkele Aziatische landen een agressieve vorm van nationalisme aanwakkert en de maritieme veiligheid in het gedrang brengt;

44.  veroordeelt krachtig de escalerende oorlogsretoriek van de zijde van Noord-Korea en de rechtstreeks tegen de VS gerichte bedreigingen in reactie op de recente Resolutie 2087 van de VN-Veiligheidsraad, waarmee zwaardere sancties zijn ingesteld; dringt er bij Pyongyang op aan de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, waarin wordt opgeroepen tot stopzetting van zijn nucleaire programma´s en programma´s voor ballistische raketten, te eerbiedigen; dringt er bij beide zijden op aan om kalm te blijven en langs diplomatieke kanalen naar vrede te streven; dringt er bij de EU, de VS en Zuid-Korea op aan om de dialoog met China te intensiveren teneinde het regime in Pyongyang in het gareel te houden;

45.  dringt bij de EU en de VS aan op gecoördineerde inspanningen om het nieuwe Chinese leiderschap ertoe te bewegen zich actiever bezig te houden met kwesties en conflicten op de mondiale agenda; is ingenomen met het feit dat de EU en China zijn overeengekomen om een regelmatige dialoog over defensie- en veiligheidsbeleid te voeren, en om regelmatige contacten te onderhouden tussen speciale vertegenwoordigers en speciale afgezanten; herinnert eraan dat het van groot belang is een open dialoog met China te blijven voeren over goed bestuur en eerbiediging van de mensenrechten;

o
o   o

46.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, en aan de Amerikaanse regering en het Amerikaanse Congres.

(1) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 226.
(2) PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 198.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0510.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0388.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0227.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0334.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0455.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0457.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0235.


Wederopbouw en democratisering van Mali
PDF 147kWORD 31k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de wederopbouw en democratisering van Mali (2013/2587(RSP))
P7_TA(2013)0281B7-0254/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over de situatie in Mali(1) en zijn resolutie van 14 juni 2012 over de mensenrechten en de veiligheidssituatie in het Sahelgebied(2),

–  gezien de in maart 2011 aangenomen EU-strategie voor veiligheid en ontwikkeling in de Sahel,

–  gezien de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN) 2056 (2012) en 2071 (2012) over de situatie in Mali,

–  gezien de resolutie van de VN-Veiligheidsraad 2085 (2012) waarin toestemming wordt gegeven voor een internationale ondersteuningsmissie ten behoeve van Mali onder Afrikaanse leiding (Afisma),

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 22 maart, 26 maart, 7 april, 21 december en 23 december 2012, alsmede die van 11 januari, 7 maart en 7 juni 2013 over de situatie in Mali,

–  gezien de conclusies van de Raad van de EU inzake de Sahel van 23 maart 2012 waarbij de Raad zijn goedkeuring hecht aan het crisisbeheersingsconcept voor een civiele GVDB-missie op het gebied van advies, bijstand en opleiding in de Sahel,

–  gezien de conclusies van de Raad van de EU van 31 januari, van 18 februari, van 23 april en van 27 mei 2013 inzake Mali,

–  gezien de brief van 25 maart 2013 van de overgangsinstanties in Mali aan de secretaris-generaal van de VN met het verzoek om een VN-operatie in te zetten teneinde de autoriteit en de soevereiniteit van de Malinese staat in het hele nationale grondgebied te stabiliseren en te herstellen,

–  gezien de brief van 26 maart 2013 van de voorzitter van de Ecowas-commissie aan de secretaris-generaal van de VN met het verzoek om de omvorming van Afisma in een stabilisatiemissie van de Verenigde Naties,

–  gezien VN-Resolutie 2100 (2013) die is aangenomen door de Veiligheidsraad tijdens zijn 6952e vergadering op 25 april 2013 voor de oprichting van een vredesmacht,

–  gezien het transitiestappenplan voor Mali dat op 29 januari 2013 door de nationale vergadering van Mali met algemene stemmen is aangenomen,

–  gezien het Afrikaanse Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien alle Afrikaanse en internationale mensenrechtenverdragen die door Mali zijn ondertekend,

–  gezien de schriftelijke vragen O-000040 – B7-0205/2013 en O-000041 – B7-0206/2013 aan de Raad en de Commissie, respectievelijk over de wederopbouw en de democratisering van Mali,

–  gezien de conferentie voor ontwikkelingsdonors „Samen voor een nieuw Mali”, die op 15 mei 2013 in Brussel werd gehouden,

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de gevolgen van de militaire staatsgreep in Mali in maart 2012, de bezetting van het noordelijke deel van het land door gewapende jihadistische rebellengroeperingen, en het daaropvolgende gewapende conflict in het noordelijke deel van het land voelbaar zijn tot ver buiten Mali en het Sahelgebied, en dat deze ook elders in Afrika en in Europa repercussies hebben;

B.  overwegende dat Mali een van de tien armste landen ter wereld is en de 182ste plaats inneemt in de groep van 187 landen die op de menselijke ontwikkelingsindex van de UNDP voor 2013 staan; overwegende dat Mali al vóór de huidige crisis gebukt ging onder sociaaleconomische verschillen tussen Noord en Zuid, maar ook last had van zwakke democratische instellingen, slecht bestuur, corruptie en georganiseerde misdaad;

C.  overwegende dat kapitein Amadou Haya Sanogo, die is benoemd tot hoofd van het Militair Comité voor de hervorming van de strijdkrachten en de veiligheid, nog steeds een gevaarlijke figuur is die in staat blijft om veel schade aan te richten, met name in het kader van zijn nieuwe functies, die hem rechtstreekse contacten bezorgen bij het leger;

D.  overwegende dat er een stappenplan voor de transitie is goedgekeurd door de Malinese autoriteiten en dat er een Commissie voor dialoog en verzoening is opgezet; overwegende dat de EU samen met de Malinese overgangsautoriteiten en andere regionale en internationale organisaties met het oog op duurzame vrede een begin hebben gemaakt met de implementatie van het stappenplan;

E.  overwegende dat de politieke dialoog en de verzoening tussen etnische groepen, die ten doel hebben de vrede te bewaren en de verschillende etnische groepen in het land zover te krijgen dat zij bereid zijn samen te leven, een uitdaging vormen voor de wederopbouw van Mali; overwegende dat de situatie in Kidal, dat nog steeds gecontroleerd wordt door de Toearegs van de Nationale Beweging voor de Bevrijding van Azawad (MNLA), het verzoeningsproces in gevaar zou kunnen brengen; overwegende dat alleen groeperingen die de grondwet van Mali en de integriteit van het grondgebied respecteren zullen mogen deelnemen aan de Commissie voor dialoog en verzoening;

F.  overwegende dat op de op 29 januari 2013 door de Afrikaanse Unie (AU) in Addis Abeba georganiseerde donorenconferentie voor een totaalbedrag van 337 200 000 EUR door donoren is toegezegd voor het oplossen van de crisis in Mali, van welk bedrag de EU 50 miljoen euro heeft toegekend voor de Afisma-missie, en dat in het kader van het stabiliteitsinstrument 20 miljoen EUR aan directe steun voor de Malinese rechtshandhavings- en justitiële instanties, de lokale autoriteiten, voor de dialoog- en wederopbouwinitiatieven en de eerste fasen van het voorbereidingsproces voor de komende verkiezingen zijn toegewezen;

G.  overwegende dat de Commissie een geleidelijke hervatting van de ontwikkelingshulp ten bedrage van 250 miljoen EUR heeft aangekondigd voor ondersteuning van gebieden zoals: verzoening en conflictpreventie; het verkiezingsproces; de verstrekking van basisdiensten zoals gezondheidszorg en de toegang tot water en sanitaire voorzieningen; het verbeteren van de voedselzekerheid en het herstel van de economie;

H.  overwegende dat talrijke internationale en niet-gouvernementele organisaties in Mali behulpzaam zijn bij de verstrekking van basisdiensten aan lokale gemeenschappen, met inbegrip van voedselhulp, beschikbaarheid van water en gezondheidszorg;

I.  overwegende dat de internationale gemeenschap en Mali het eens zijn over het feit dat het Plan voor een duurzaam herstel van Mali (PRED) een degelijke basis vormt voor wederzijdse toezeggingen; overwegende dat de uitvoering van het PRED controle op en evaluatie van de geplande programma's en uitgaven vergt; overwegende dat de steun van de donoren voor het PRED afhangt van het feit of Mali zijn toezeggingen nakomt, en vooral of het land de noodzakelijke hervormingen op het vlak van democratisch bestuur doorvoert;

J.  overwegende dat de Franse militaire operatie „Serval”, die op 11 januari 2013 ter ondersteuning van het Malinese leger is gelanceerd naar aanleiding van een offensief van radicale islamistische groeperingen, succesvol is geweest bij de herovering van een aantal door de rebellen ingenomen noordelijke steden en gebieden, en dat de Franse troepen volgens de Franse regering in april 2013 een begin hebben gemaakt met hun gefaseerde terugtrekking uit Mali;

K.  overwegende dat de op grond van een VN-mandaat opererende en onder Afrikaanse leiding staande internationale ondersteuningsmissie in Mali (Afisma) reeds 6 500 troepen in het land heeft; overwegende dat VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon heeft gepleit voor de stationering van een VN-vredesmacht in Mali om het land te stabiliseren;

L.  overwegende dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 25 april 2013 Resolutie 2100 (2013) heeft aangenomen, in de zin van hoofdstuk VII van het VN-Handvest, tot oprichting van de geïntegreerde stabilisatiemissie van de VN in Mali (MINUSMA), conform de aanbevelingen van de secretaris-generaal van de VN; overwegende dat de 12 600-sterke troepenmacht van MINUSMA het op 1 juli 2013 zal overnemen van Afisma, waarbij de Franse troepen, op verzoek van de VN-secretaris-generaal, mogen interveniëren om onderdelen van MINUSMA te ondersteunen wanneer zij zich in onmiddellijk en ernstig gevaar bevinden;

M.  overwegende dat de veiligheidssituatie in Noord-Mali sinds de Franse interventie weliswaar is verbeterd, maar dat de strijd tegen de radicale islamistische groeperingen doorgaat; overwegende dat de strijd tegen geïsoleerde terroristische bedreigingen in sommige noordelijke gebieden – zoals de recente dreigingen in Timboektoe en Gao, die de noodzaak aantoonden van een krachtige stabiliserende reactie en van snelleresponscapaciteiten – onverdroten moet worden voortgezet; overwegende dat de gewapende extremisten steeds vaker hun toevlucht nemen tot asymmetrische tactieken, zoals guerrillahinderlagen, zelfmoordaanslagen, autobommen en het gebruik van antipersoneelmijnen; overwegende dat de handhaving van vrede en veiligheid op de middellange en lange termijn derhalve een bijzonder lastige karwei is;

N.  overwegende dat de situatie in Mali een bedreiging vormt voor de internationale vrede en veiligheid en noopt tot een reactie die verder gaat dan het aanpakken van alleen maar veiligheidsbedreigingen, en ook een langetermijninzet vergt van de zijde van de internationale gemeenschap en een resoluut optreden om de diepgewortelde politieke, bestuurlijke, ontwikkelings- en humanitaire problemen te bestrijden;

O.  overwegende dat er in de afgelopen twee decennia regelmatig verkiezingen zijn gehouden in Mali, en overwegende dat het land vóór de staatsgreep beschouwd werd als een toonbeeld van democratie in Afrika, hoewel de economie van het land nooit voldoende op gang kwam om jonge mensen een betere toekomst te bieden (velen van hen werden gedwongen te migreren) of de levensstandaard van de bevolking als geheel te verhogen;

P.  overwegende dat het herstel van de economische ontwikkeling in Mali noopt tot gerichte hulp die specifiek bedoeld is voor het dekken van de reële behoeften van het land;

Q.  overwegende dat de Malinese crisis vele facetten heeft en complex is, en niet kan worden gereduceerd tot een etnisch conflict; overwegende dat oplossingen daarom allesomvattend moeten zijn en coherent, en zowel het economische, sociale als het milieubeleid, gericht op verhoging van de levensstandaard van de bevolking, moeten omvatten en overwegende dat er, om dit te bereiken, moet worden ingezien welke fouten er in het verleden zijn gemaakt door de interne en externe factoren van de mislukking van de economische ontwikkeling van Mali te analyseren;

R.  overwegende dat een ongrondwettelijke regeringswissel een belangrijke belemmering vormt voor vrede, veiligheid en ontwikkeling; overwegende dat in artikel 25 van het Afrikaanse Handvest met betrekking tot democratie, verkiezingen en bestuur is bepaald dat individuele daders niet wordt toegestaan deel te nemen aan verkiezingen die worden gehouden om de democratische orde te herstellen en verantwoordelijke posities in politieke staatsinstellingen te bekleden;

S.  overwegende dat de mensenrechtensituatie in Mali fors is verslechterd na het begin van de opstand in het noorden van het land en de militaire staatsgreep op 22 maart 2012;

T.  overwegende dat Mali grootschalige humanitaire hulp nodig heeft en dat grofweg een miljoen mensen voedselhulp nodig hebben gehad, waaronder 174 129 vluchtelingen in buurlanden en 300 783 binnenlandse ontheemden; overwegende dat er een geïntegreerde terugkeerstrategie moet worden ontwikkeld tegen de tijd dat de omstandigheden in het noorden bevorderlijk zijn voor een veilige, vrijwillige en waardige terugkeer;

U.  overwegende dat 750 000 mensen directe voedselhulp nodig hebben en dat 660 000 kinderen het risico lopen ondervoed te raken, van wie er 210 000 met ernstige ondervoeding worden bedreigd; overwegende dat de toegang tot sociale basisvoorzieningen beperkt blijft, met name in het noorden;

V.  overwegende dat er in februari 2013 op een door de Unesco georganiseerde bijeenkomst van internationale deskundigen een actieplan is goedgekeurd voor het herstel van het cultureel erfgoed en de bescherming van antieke manuscripten in Mali;

W.  overwegende dat de Europese Unie veel belang hecht aan de eerbiediging van de mensenrechten; overwegende dat de bevolking in het noorden van Mali in een sfeer van angst leeft en dat hun mensenrechten systematisch worden geschonden door radicale islamistische groeperingen;

X.  overwegende dat op 15 mei 2013 in Brussel een donorconferentie op hoog niveau heeft plaatsgevonden „Together for a New Mali’, waarop delegaties uit 108 landen aanwezig waren, waaronder 13 staatshoofden en regeringsleiders, een groot aantal ministers van Buitenlandse Zaken en ervaren vertegenwoordigers van regionale en internationale instellingen, alsmede vertegenwoordigers van lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld; overwegende dat de donoren zich ertoe hebben verplicht om in de komende twee jaar 3,25 miljard EUR aan Mali te doneren, waarbij de EU het voortouw nam door 520 miljoen EUR toe te zeggen;

Y.  overwegende dat de EU collectief 1,35 miljard EUR aan steun zal uittrekken voor het Plan voor een duurzaam herstel van Mali (PRED), waaraan de Commissie 523,9 EUR zal bijdragen, inclusief 12 miljoen EUR aan humanitaire hulp om in de meest dringende behoeften te voorzien;

Z.  overwegende dat de situatie in Kidal onzeker blijft en de aanstaande presidentsverkiezingen dreigt te verstoren, ondanks de bemiddelingspogingen van Burkina Faso;

1.  bevestigt nogmaals zijn gehechtheid aan de soevereiniteit, de eenheid en de territoriale integriteit van Mali; staat positief tegenover de Franse interventie ter ondersteuning van deze principes als een eerste stap op weg naar de wederopbouw en democratisering van Mali; dringt aan op een krachtige betrokkenheid van de EU bij dit proces;

2.  steunt het onder Malinese leiding staande politieke proces om het land in staat te stellen op lange termijn politieke stabiliteit en economische welvaart te bereiken; onderstreept het belang van een integratiegerichte nationale dialoog en van het verzoeningsproces als pogingen om een daadwerkelijke en democratische politieke oplossing voor de huidige crisis in het land te vinden; verwelkomt in dit verband de instelling van het Comité voor nationale dialoog en verzoening op 6 maart 2013, en spreekt de hoop uit dat het snel operationeel wordt gemaakt; is verheugd over de benoeming van een vrouw en een Toeareg als ondervoorzitters van dit Comité, als een teken van bereidheid tot integratie en pluralisme in het politieke proces;

3.  is ernstig bezorgd over de situatie in Kidal, waar Toearegs van de MNLA nog steeds weigeren de controle af te staan aan het Malinese leger en daardoor het wederopbouwproces ernstig belemmeren; nodigt de regering en de MNLA uit tot het houden van een oriënterend gesprek over de deelname van de MNLA aan het Comité voor nationale dialoog en verzoening;

4.  dringt ter ondersteuning van de transitie aan op de snelle implementatie van de routekaart, in afwachting dat de constitutionele orde en de rechtsstaat in het hele land zijn hersteld middels de organisatie van democratische, vrije, eerlijke en transparante verkiezingen in 2013; is verheugd over de toezegging van de zijde van de Malinese autoriteiten om de verkiezingen op 28 juli en 11 augustus 2013 te organiseren, alsook over de verklaringen van de leiders van de overgangsregering om zich bij de verkiezingen niet kandidaat te stellen; onderkent de problemen die de organisatie van de verkiezingen met zich meebrengt, met inbegrip van taken zoals het waarborgen van de veiligheid in de noordelijke gebieden, de afgifte van biometrische kiezerskaarten en het registreren van vluchtelingen op de kiezerslijsten, en roept de EU en haar internationale partners ertoe op krachtiger hun steun te betuigen voor het aanstaande verkiezingsproces; verwelkomt in dit verband het voornemen tot het sturen van een EU-verkiezingswaarnemingsmissie, zoals de Malinese regering had gevraagd;

5.  onderschrijft de opvatting dat de presidents- en parlementsverkiezingen worden gezien als een eerste stap naar herstel van de democratie, en dat het houden van de verkiezingen een essentiële voorwaarde is voor het waarborgen van de geloofwaardigheid en legitimiteit van toekomstige regeringen;

6.  is verheugd over de bemiddeling van de president van Burkina Faso bij de lopende onderhandelingen in Ouagadougou tussen de Malinese regering en de Toearegrebellen; vraagt dat de onderhandelingen spoedig worden afgerond en herhaalt dat het vastbesloten is om het herstel van het staatsgezag op het hele Malinese grondgebied en de komende verkiezingen, ook in de Kidal-regio en in vluchtelingenkampen, te steunen;

7.  wijst er met klem op dat politieke oplossingen voor de wederopbouw van Mali gepaard moeten gaan met een duidelijke strategie voor duurzame economische ontwikkeling ter bestrijding van de werkeloosheid opdat de bevolking in haar levensonderhoud kan voorzien, en benadrukt dat de verstrekking van basisdiensten zoals gezondheidszorg, onderwijs, water- en sanitaire voorzieningen moet worden hervat als essentiële voorwaarde voor het herstel van de stabiliteit in het land; is van mening dat institutionele hervormingen noodzakelijk zijn om politieke stabiliteit te garanderen en om de Malinese gemeenschap als geheel te betrekken bij de opbouw van de toekomst van het land; benadrukt tevens de noodzaak tot versterking van de democratische processen en de democratische controleerbaarheid in het hele land als voorwaarde voor het bereiken van betere ontwikkelingsresultaten;

8.  is ingenomen met het plan voor duurzaam herstel voor 2013-2014 dat deel uitmaakt van het stappenplan voor transitie van 29 januari 2013 en het strategisch kader voor groei en armoedebestrijding 2012-2017 van december 2011 (CSCRP 2012-2017);

9.  is ervan overtuigd dat een vereiste voor het succes van het Plan voor het duurzaam herstel van Mali is dat er rekening wordt gehouden met de regionale en subregionale dimensie, vooral via de consolidatie van goed bestuur en meer economische integratie, de ontwikkeling van de economische infrastructuur, de ontwikkeling van het personeel in de gezondheidszorg en het onderwijs, en het opzetten van een partnerschap voor het mobiliseren van hulpbronnen en het controleren van evaluaties;

10.  nodigt de Malinese regering ertoe uit samen te werken met relevante internationale organisaties en ngo's om de bevolking van Mali te kunnen voorzien van adequate en gecoördineerde steun;

11.  is van mening dat de ontwikkelingsproblemen van Mali zowel nopen tot adequate financiering als tot een betere coördinatie, zowel op EU-niveau als met andere internationale donoren; is een sterk voorstander van een aanpak op maat die zich vooral richt op de behoeften van het land en die de vorderingen bij de implementatie van de routekaart en het herstel van de rechtsstaat weerspiegelt;

12.  roept de EU en haar internationale partners ertoe op de West-Afrikaanse regeringen te helpen in hun strijd tegen drugshandel en verspreiding van wapens; roept de landen in de regio ertoe op een evenwichtige en duurzame ontwikkelingsstrategie te verheffen tot de kern van hun ontwikkelingsbeleid, de bevolking in het algemeen openbare basisvoorzieningen te verstrekken en met name voor jongeren werkgelegenheidskansen te scheppen;

13.  roept de EU, de VN en de individuele staten ertoe op logistieke en technische ondersteuning te bieden om de Malinezen bij te staan in hun strijd tegen drugshandel en de verspreiding van wapens; verzoekt alle landen in de Sahelregio hun veiligheidsbeleid onderling te coördineren om een krachtig antwoord te kunnen bieden op de illegale handel;

14.  benadrukt dat veiligheid en ontwikkeling in de Sahel een wederzijds versterkende werking hebben; is ingenomen met de initiële interventie die is ondernomen door Frankrijk, versterkt door de Afisma (en met ingang van 1 juli 2013 de Minusma), om verdere destabilisatie een halt toe te roepen en extremistische krachten tegen te gaan; onderstreept de belangrijke aanvullende rol van de EU-opleidingsmissie (EUTM Mali) bij het verstrekken van essentiële hulp voor de opbouw van de langetermijncapaciteit van het Malinese leger; brengt in herinnering dat de stabiliteit, veiligheid en territoriale integriteit van het land op lange termijn uitsluitend kunnen worden gewaarborgd indien niet alleen gewelddadige radicale extremisten en wapen-, drugs- en mensenhandelaren worden bestreden, maar dat er tevens alternatieven voor illegale activiteiten moeten worden gestimuleerd ten behoeve van arme bevolkingsgroepen en werkloze jongeren;

15.  onderstreept de noodzaak van een regionale oplossing op basis van een regionale overeenkomst die wordt ondersteund door een conferentie van de landen van de subregio, met name Algerije en Mauritanië;

16.  dringt aan op een intensievere hervorming van de Malinese strijdkrachten en op de opbouw van breder opgezette veiligheidsdiensten onder democratisch burgertoezicht om de stabiliteit van het land te waarborgen en het vertrouwen in de rol van de veiligheidssector te versterken ter bevordering van een duurzame vrede en democratie in het land;

17.  roept de Malinese regering ertoe op bijzondere aandacht te besteden aan de bevordering van de mensenrechten op het gehele grondgebied van Mali, en om allen te vervolgen die ernstige schendingen van de mensenrechten hebben begaan, ongeacht of zij behoren tot radicale islamitische groeperingen of tot het Malinese leger;

18.  prijst de inspanningen van de Afrikaanse landen die hebben bijgedragen tot Afisma en is verheugd over de stationering van Afisma in Mali; is eveneens verheugd over de aanneming door de VN-Veiligheidsraad van Resolutie 2100(2013) tot oprichting van de multidimensionele geïntegreerde stabilisatiemissie in Mali (MINUSMA), een operatie met een stevig mandaat om het land te stabiliseren, de tenuitvoerlegging van het stappenplan voor transitie te ondersteunen, burgers te beschermen, de mensenrechten te bevorderen en te beschermen, de levering van noodhulp te ondersteunen, het cultureel erfgoed te helpen beschermen en de rechtspleging op nationaal en internationaal niveau te ondersteunen; drukt de hoop uit dat MINUSMA op korte termijn volledig operationeel zal zijn en dat de veiligheidssituatie zodanig is dat de vredesmacht op 1 juli 2013 gestationeerd kan worden;

19.  is ingenomen met de lancering van de EU-opleidingsmissie ten behoeve van Mali (EUTM) op 18 februari 2013 en met haar taak de hervorming van de Malinese strijdkrachten onder democratisch burgertoezicht te ondersteunen; wijst eens te meer op de dringende noodzaak tot ondersteuning van de Malinese regering om ervoor te zorgen dat zij de territoriale integriteit van het land op langere termijn kan handhaven, waarvoor zij o.a. over de nodige middelen moet beschikken om de essentiële asymmetrische bedreigingen die uitgaan van radicale islamistische groeperingen en van de mensen-, goederen- en wapenhandel het hoofd te bieden; is van mening dat de EU moet overwegen in de opleidingsprogramma's voor de Malinese strijdkrachten ook te voorzien in modules op het gebied van goede praktijken, mensenrechten en corruptiebestrijding;

20.  wijst op de complementaire bijdrage van EUCAP Sahel Niger bij het geven van trainingen ter versterking van de veiligheidssector in de buurlanden en bij de coördinatie met EUTM Mali via een verbindingsofficier in Bamako; verzoekt de VV / HV te voorzien in alternatieve mogelijkheden voor het verstrekken van soortgelijke steun voor de hervorming van de veiligheidssector in Mali in zijn algemeenheid (met inbegrip van de politie, de nationale garde, de gendarmerie en de justitiële sector), onder meer door na te gaan of een en ander niet kan worden bewerkstelligd door uitbreiding van het mandaat van EUTM Mali of EUCAP Sahel Niger, dan wel door een nieuwe GVDB-missie te creëren met het oog op een bredere hervorming van de civiele veiligheidssector;

21.  veroordeelt de schendingen van de mensenrechten en dringt erop aan dat de daders hiervoor aansprakelijk worden gesteld; is verheugd over het besluit van het Internationaal Strafhof (ICC) om hiernaar een onderzoek in te stellen en roept de Malinese autoriteiten ertoe op het ICC daarbij hun medewerking te verlenen; is ingenomen met de stationering van de eerste mensenrechtenwaarnemers in Mali, overeenkomstig de besluiten van de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie en de Ecowas; onderstreept dat de politieke wederopbouw en de geloofwaardigheid daarvan staan of vallen met de invoering van de nodige justitiële overgangsmechanismen;

22.  dringt aan op voortzetting van de humanitaire hulp aan behoeftige burgers en op maatregelen om de vrije en vrijwillige terugkeer van de vluchtelingen te waarborgen; benadrukt de noodzaak een duidelijk onderscheid te blijven maken tussen humanitaire en politieke c.q. veiligheidsagenda's teneinde de onpartijdigheid van het gevoerde humanitaire beleid, de veiligheid van humanitaire hulpverleners en de toegang tot hulp voor mensen in nood te waarborgen;

23.  verzoekt alle veiligheidstroepen in Mali de veiligheid in het land te verzekeren, zodat de humanitaire hulp de gehele bevolking kan bereiken;

24.  spreekt opnieuw zijn veroordeling uit over de plundering en vernietiging van locaties van cultuurhistorisch belang in het land; is verheugd over de recente maatregelen van de Unesco met het oog op het herstel van het cultureel erfgoed van Mali;

25.  is van mening dat de EU in het licht van de Malinese crisis de nodige aanpassingen moet aanbrengen in de Europese strategie voor veiligheid en ontwikkeling in de Sahel; onderstreept de noodzaak van een betere integratie tussen de ontwikkelings- en veiligheidspijlers van deze strategie, en van een betere coördinatie van de daarbij ingezette beleidsinstrumenten; onderstreept de noodzaak tot verbetering van de vroegesignaleringssystemen van de EU, zodat zij de preventieve dimensie van deze strategie effectief gestalte kan geven;

26.  is ingenomen met de positieve resultaten en de conclusies van de door de EU en Frankrijk samen met Mali georganiseerde donorconferentie op hoog niveau „Together fo a New Mali” die op 15 mei 2013 in Brussel heeft plaatsgevonden ter ondersteuning van het Plan voor een duurzaam herstel van Mali; roept de EU en haar internationale partners ertoe op hun toezeggingen te effectueren in het kader van een efficiënte en gecoördineerde follow-up van de conferentie; benadrukt in dit verband dat het belangrijk is de aanzet te geven tot een algehele bestuurlijke hervorming in Mali, een nieuw decentralisatiebeleid vast te stellen en de voorwaarden te scheppen voor duurzame economische en sociale ontwikkeling in Mali;

27.  onderstreept de noodzaak tot nauwere regionale samenwerking en is van mening dat de EU haar politieke invloed en haar financieel potentieel moet gebruiken om haar partners in de regio ertoe aan te zetten hun vaak ongecoördineerde politieke, diplomatieke en militaire initiatieven beter op elkaar te doen aansluiten teneinde de veelvoudige problemen waarmee de Sahel af te rekenen heeft effectiever te kunnen aanpakken;

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en de Nationale Vergadering van Mali, de Afrikaanse Unie, de Ecowas, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties en de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0141.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0263.


Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Afghanistan
PDF 127kWORD 25k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Afghanistan (2013/2665(RSP))
P7_TA(2013)0282RC-B7-0274/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere verslagen en resoluties over Afghanistan en met name zijn resolutie van 16 december 2010 over een nieuwe strategie voor Afghanistan(1), zijn resolutie van 15 december 2011 over de begrotingscontrole op de financiële bijstand van de EU aan Afghanistan(2) en zijn resolutie van 15 december 2011 over de situatie van vrouwen in Afghanistan en Pakistan(3),

–  gezien de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over Afghanistan, waaronder resolutie 2096 van maart 2013,

–  gezien de conclusies van de internationale conferenties over Afghanistan in 2011 en 2012, waaronder die in Bonn in december 2011, in Chicago in mei 2012, in Kabul in juni 2012 en in Tokio in juli 2012,

–  gezien de verklaring die op 19 november 2012 door de delegatie van de EU in Afghanistan is afgegeven in overeenstemming met de chefs de poste van de EU, inzake de terechtstelling van ter dood veroordeelden,

–  gezien het besluit van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU van 27 mei 2013 om de politiemissie van de EU in Afghanistan (EUPOL) te verlengen tot 31 december 2014,

–  gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU de wederopbouw en ontwikkeling van Afghanistan sinds 2002 steunt en zich nog steeds inzet voor een vreedzame overgang en inclusieve en duurzame ontwikkeling in Afghanistan, alsook stabiliteit en veiligheid in de gehele regio;

B.  overwegende dat de EU-bijstand van 2011 tot 2013 geconcentreerd was op essentiële bestuurssectoren (zoals de politie), landbouw, plattelandsontwikkeling, volksgezondheid en sociale bescherming;

C.  overwegende dat de onderhandelingen over een samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de EU en Afghanistan nagenoeg afgerond zijn, en dat de samenwerking daarmee op een nieuw, alomvattend niveau zal worden getild en een nieuw juridisch kader zal krijgen;

D.  overwegende dat het Parlement heeft aangedrongen op een vijfjarenplan voor de afbouw van de opiumteelt in Afghanistan door alternatieve ontwikkeling;

E.  overwegende dat de EU de opleiding van de Afghaanse politie en de capaciteitsopbouw in Afghanistan ondersteunt, en dat de EUPOL-missie sinds 2007 meewerkt aan een duurzame en doeltreffende civiele politiemacht die zal bijdragen tot een strafrechtstelsel onder Afghaans gezag;

F.  overwegende dat het aantal drugsverslaafde Afghaanse burgers volgens UNODC nog steeds toeneemt, met alle sociale gevolgen van dien voor de bevolking;

G.  overwegende dat de EU weliswaar een actieve rol speelt bij de ondersteuning van drugsbestrijding, maar dat er slechts weinig substantiële resultaten geboekt zijn;

H.  overwegende dat de gebrekkige coördinatie tussen de donorlanden en de Afghaanse regering er debet aan is dat de EU-bijdragen voor Afghanistan niet erg effectief zijn;

I.  overwegende dat het Europees Parlement sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon een essentiële rol speelt doordat het de vereiste goedkeuring aan nieuwe samenwerkingsovereenkomsten verleent;

1.  bevestigt zijn aanhoudende steun voor de opbouw van een Afghaanse staat met een sterker democratisch bestel, dat nationale soevereiniteit, staatseenheid, territoriale integriteit en welvaart voor het Afghaanse volk kan garanderen; bevestigt nogmaals dat een vreedzame toekomst voor Afghanistan berust op de opbouw van een stabiele, veilige en economisch levensvatbare staat, vrij van terrorisme en drugs, gebaseerd op de rechtsstaat, een sterker democratisch bestel, naleving van de scheiding der machten, een sterk parlement en eerbiediging van de grondrechten; apprecieert in dit verband de belangrijke bijdrage van de EU-ontwikkelingssamenwerking en van de EUPOL-missie in Afghanistan, en is verheugd over de verlenging van die missie;

2.  juicht de in de afgelopen tien jaar geleverde inspanningen en geboekte vooruitgang toe; blijft evenwel bezorgd over de veiligheidssituatie en het aanhoudende geweld in Afghanistan, dat een bedreiging vormt voor de plaatselijke bevolking, en met name vrouwen en kinderen, de nationale ordehandhavers en het buitenlandse militaire en civiele personeel;

3.  vraagt de Afghaanse regering met nadruk zich voor te bereiden om na de terugtrekking van de internationale strijdkrachten de volle verantwoordelijkheid voor de veiligheid op zich te nemen; verlangt dat de EU en de lidstaten zich sterker inzetten voor militaire en civiele capaciteitsopbouw door de regering en ordehandhavingsautoriteiten in Afghanistan teneinde stabiliteit en veiligheid te realiseren als essentiële basis voor sociaaleconomische ontwikkeling en een vacuüm te voorkomen als het land na 2014 zelf volledig verantwoordelijk is voor zijn veiligheid; wijst op het risico dat de terugtrekking van de internationale strijdkrachten in 2014 een economisch vacuüm zou kunnen creëren;

4.  spreekt zijn steun uit voor de onderhandelingen over een samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling en beklemtoont dat deze overeenkomst moet resulteren in een meer strategische aanpak en steun voor de Afghaanse autoriteiten tijdens en na de terugtrekking van de internationale troepenmacht;

5.  benadrukt hoe belangrijk het is dat deze nieuwe overeenkomst voorziet in een alomvattende en duurzame aanpak van de uitdagingen op het vlak van veiligheid, economie, bestuur en ontwikkeling in Afghanistan, die met elkaar samenhangen;

6.  verzoekt de Afghaanse autoriteiten alle doodvonnissen om te zetten en opnieuw een moratorium op executies in te stellen in het vooruitzicht van de definitieve afschaffing van de doodstraf;

7.  betreurt het gebrek aan politiek elan om de onderhandelingen over de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling af te ronden; roept de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Afghaanse regering er dan ook toe op de onderhandelingen spoedig af te ronden;

8.  verzoekt de EU om in het kader van de nieuwe overeenkomst haar inspanningen ter ondersteuning van de democratische waarden, de rechtsstaat, betrouwbaar bestuur (met inbegrip van de strijd tegen corruptie), een onafhankelijk gerechtelijk apparaat, de mensenrechten en een echt maatschappelijk middenveld voort te zetten;

9.  betreurt dat de EDEO het Parlement onvoldoende over alle onderhandelingsfasen heeft ingelicht, hoewel hij daartoe verplicht was; herinnert eraan dat het Parlement op het gebied van buitenlandse zaken bij het Verdrag van Lissabon nieuwe bevoegdheden heeft gekregen en verlangt dat de EDEO en de Raad in deze kwestie van zulk eminent belang hun volledige medewerking verlenen;

10.  onderstreept de noodzaak van verdere sociaaleconomische ontwikkeling en economische diversificatie; wijst in dit verband op de mogelijkheden om de groei te stimuleren door energiebronnen te exploiteren en een grotere plaats in te ruimen voor de winningsindustrie; onderstreept echter tegelijk dat de winningsindustrie transparant moet functioneren en de in het internationaal initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën vastgestelde normen moet toepassen;

11.  wijst erop dat er de afgelopen tien jaar wel enige vooruitgang is geboekt op het vlak van gendergelijkheid en grondrechten, maar dat vrouwen in Afghanistan nog steeds de meest kwetsbare bevolkingsgroep vormen en blootstaan aan bedreigingen, intimidatie en geweld en onder discriminerende wetten te lijden hebben; wijst op de noodzaak, zowel vanuit juridisch als praktisch oogpunt, van volledige maatschappelijke integratie en volledige participatie van vrouwen, alsook reële mondigheid; spreekt in krachtige termen zijn veroordeling uit over het feit dat veel vrouwen het slachtoffer zijn van voortdurende bedreigingen en geweld en dat er de afgelopen jaren diverse prominent in het Afghaanse openbare leven opererende vrouwen zijn vermoord of dat er pogingen zijn ondernomen om hen van het leven te beroven, terwijl de daders niet zijn berecht;

12.  onderstreept de noodzaak tot voortzetting van de steun voor de ontwikkeling van de infrastructuurvoorzieningen in tal van sectoren, waaronder scholen, ziekenhuizen, transport- en energienetwerken, landbouw en de emancipatie van vrouwen in Afghanistan, geheel in de lijn van de ontwikkelingshulp die de EU ook al vóór de interventie in 2001 leverde;

13.  betreurt dat het drugsbestrijdingsinitiatief van de EU tot dusver geen bevredigend resultaat heeft opgeleverd; wijst erop dat de productie van en de handel in drugs een bron van inkomsten zijn voor „opstandige” groeperingen en de corruptie op verschillende niveaus aanwakkeren; benadrukt dat het accent bij de drugsbestrijding vooral moet komen te liggen op ondersteuning van alternatieve inkomensbronnen voor de boeren; wijst in dit verband op de noodzaak van een bredere strategie met het oog op duurzame plattelandsontwikkeling en waterbeheer;

14.  wijst er nogmaals op dat meer dan 90 % van de heroïne in Europa afkomstig is uit Afghanistan en dat de kosten voor de volksgezondheid in de Europese landen in de miljarden dollars lopen; merkt evenwel op dat de opiumproductie een cruciaal sociaal, economisch en veiligheidsvraagstuk vormt; stelt tot zijn spijt vast dat de opiumproductie in 2011 met 61 % is gestegen ten opzichte van 2010, en in dat jaar 9 % van het bbp van Afghanistan opleverde;

15.  wijst erop dat er van 2009 tot 2011 door de VS en de internationale gemeenschap 1,1 miljard dollar aan drugsbestrijding is uitgegeven, zonder merkbaar effect op productie en handel; wijst er andermaal op dat het Parlement meermalen heeft aangedrongen op de invoering van een vijfjarenplan voor de uitroeiing van de opiumteelt met specifieke termijnen en ijkpunten, uit te voeren door een daartoe op te richten bureau met zijn eigen budget en personeel op basis van samenwerking tussen de EU, de VS en de Russische Federatie, die het voornaamste slachtoffer van de Afghaanse heroïne is en de grootste opiatenmarkt ter wereld vormt;

16.  wijst erop dat de EU van 2002 tot eind 2011 in totaal zo'n 2,5 miljard euro aan steun aan Afghanistan heeft verleend, waarvan 493 miljoen aan humanitaire hulp; constateert tot zijn spijt dat deze gigantische buitenlandse hulp slechts een beperkt effect heeft gehad; verzoekt de Rekenkamer een speciaal verslag op te stellen over de doeltreffendheid van de EU-steun aan Afghanistan tijdens het voorbije decennium, naar het voorbeeld van het verslag over de EULEX-missie in Kosovo;

17.  spreekt zijn extreme bezorgdheid uit over de inefficiëntie van de internationale financiële steun en van de Afghaanse overheidsstructuren, alsook over het gebrek aan transparantie en de beperkte mechanismen om donoren ter verantwoording te roepen;

18.  moet helaas constateren dat een aanzienlijk deel van de Europese en de andere internationale financiële steun ergens in de distributieketen verloren is gegaan, en vestigt de aandacht op de vier voornaamste manieren waarop dit geschiedt: verspilling, te hoge uitgaven ten behoeve van tussenpersonen en veiligheid, overfacturering en corruptie;

19.  wijst er andermaal op dat de EU-steun gecoördineerd moet worden via een gezamenlijke benadering waarbij zowel de lidstaten als de internationale actoren in het kader van een gemeenschappelijke strategie moeten worden betrokken; is ingenomen met de strategische consensus tussen de Afghaanse regering en de internationale gemeenschap inzake een hernieuwd, duurzaam partnerschap voor het komende decennium, zoals vastgelegd in de conclusies van de Afghanistan-conferentie van Tokio en het kader van Tokio voor wederzijdse verantwoording;

20.  onderstreept het belang van een brede en inclusieve aanpak, onder gezag en verantwoordelijkheid van de Afghanen, van de verzoening in Afghanistan voor alle partijen die afzien van geweld, de grondwet – met inbegrip van de bepalingen inzake mensenrechten en met name de rechten van vrouwen – naleven en bereid zijn mee te werken aan de opbouw van een vreedzaam Afghanistan; dringt erop aan dat de politieke oppositie, het maatschappelijk middenveld in het algemeen en vrouwen in het bijzonder worden betrokken bij het vredesproces, dat zo inclusief mogelijk moet zijn; vraagt dat de rol van de Hoge Raad voor de vrede op dit gebied wordt uitgebreid en dat de klemtoon meer komt te liggen op het eigenlijke vredesproces;

21.  herinnert eraan dat de Afghaanse regering op de internationale Afghanistan-conferenties van Kabul en Tokio heeft toegezegd het verkiezingsproces in Afghanistan te zullen versterken en verbeteren, onder meer door blijvende hervormingen, zodat verkiezingen in de toekomst aan de internationale normen voldoen; is verheugd over de bekendmaking van de datum voor de presidents- en de provincieraadsverkiezingen in 2014 en de voorbereidingen van Afghanistan voor die verkiezingen; beklemtoont dat de verkiezingsopkomst gestimuleerd moet worden, hetgeen kan afhangen van de veiligheidssituatie, met name in de provincies in het zuiden en het oosten; herinnert de Afghaanse autoriteiten aan het belang van toezicht door nationale en internationale waarnemers op het nationale kiesregister en op de organisatie en het verloop van de stembusgang bij de komende verkiezingen; vraagt de EU om steun te verlenen bij de organisatie van de komende verkiezingen indien de Afghaanse autoriteiten daarom verzoeken;

22.  benadrukt de noodzaak van regionale samenwerking, die de bevordering van stabiliteit en veiligheid in de grotere regio ten doel heeft; dringt aan op nauwere samenwerking met Rusland, Pakistan, de Centraal-Aziatische landen, India en Iran in een regionaal kader, teneinde veiligheidsproblemen, grensoverschrijdende mensenhandel en handel in goederen, alsook illegale drugsproductie en drugshandel aan te pakken;

23.  dringt aan op betere samenwerking tussen de EDEO en het Parlement wat betreft de EU-steun aan Afghanistan, met inbegrip van de voortgang van de onderhandelingen; wenst dat de EDEO het Parlement volledig informeert over de onderhandelingen en regelmatig verslag uitbrengt eens de overeenkomst is gesloten;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Afghanistan, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

(1) PB C 169 E van 15.6.2012, blz. 108.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0578.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0591.


Millenniumontwikkelingsdoelstellingen
PDF 347kWORD 44k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 inzake de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling – vaststelling van het kader voor de periode na 2015 (2012/2289(INI))
P7_TA(2013)0283A7-0165/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000,

–  gezien de resolutie met de titel „Keeping the promise: United to achieve the Millennium Development Goals”, aangenomen door de Algemene Vergadering tijdens de bijeenkomst op hoog niveau van de Algemene Vergadering van de VN over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, tijdens de 65e zitting 2010,

–  gezien de in september 1995 in Peking gehouden vierde Wereldvrouwenconferentie, de verklaring van Peking en het in Peking onderschreven actieprogramma (Platform for Action), alsmede de daaropvolgende slotdocumenten die tijdens de speciale VN-vergaderingen Peking +5, Peking +10 en Peking +15 op respectievelijk 9 juni 2000, 11 maart 2005 en 2 maart 2010 zijn aangenomen en verdere acties en initiatieven voor de uitvoering van de verklaring van Peking en het actieprogramma betreffen, waarin de lidstaten beloofd hebben actie te ondernemen voor de bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen op 12 gebieden,

–  gezien het actieprogramma van Istanboel voor de minst ontwikkelde landen voor de jaren 2011-2020,

–  gezien de uitvoering van het actieprogramma van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD), dat in 1994 werd vastgesteld in Caïro en waarin wordt erkend dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van wezenlijk belang zijn voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien het in januari 2010 gepubliceerde verslag van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) met de titel „Beyond the Midpoint: Achieving the Millenium Development Goals”,

–  gezien het verslag van het UNDP over de menselijke ontwikkeling in 2010 met de titel „The Real Wealth of Nations: Pathways to Human Development”,

–  gezien het „Gender Chart 2012” van de VN, waarin de vooruitgang wat betreft de gendergelijkheidsaspecten van de acht millenniumontwikkelingsdoelstellingen worden geëvalueerd,

–  gezien het verslag van het UNDP over de menselijke ontwikkeling in 2011,

–  gezien de slotverklaring die is aangenomen tijdens de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling (Rio+20), gehouden in Rio de Janeiro, Brazilië, van 20 t/m 22 juni 2012,

–  gezien het verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) dat in 1979 door de Algemene Vergadering van de VN is aangenomen, waarin wordt vastgesteld wat wordt aangemerkt als discriminatie van vrouwen en een agenda voor nationale actie wordt opgesteld om dergelijke discriminatie een halt toe te roepen,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en het wettelijk kader van de mensenrechten,

–  gezien de werkzaamheden van het System Task Team van de VN in het kader van de VN-ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015, gezamenlijk geleid door de VN-afdeling economische en sociale zaken (UN DESA) en het UNDP, met steun van alle VN-organisaties en in overleg met belanghebbenden,

–  gezien het VN-verslag van juni 2012 gericht aan de secretaris-generaal van de VN, met de titel „Realizing the future we want for all”,

–  gezien de werkzaamheden van het panel op hoog niveau van vooraanstaande personen van de secretaris-generaal van de VN in het kader van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 en de uitkomst van de Rio+20-conferentie,

–  gezien de consensus van Monterrey, aangenomen tijdens de internationale conferentie over de financiering van ontwikkeling, die van 18 t/m 22 maart 2002 werd gehouden in Monterrey, Mexico,

–  gezien de verklaring en het actieplan aangenomen op het forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp gehouden in Busan in december 2011,

–  gezien de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en de Actieagenda van Accra,

–  gezien de Europese Consensus inzake ontwikkeling(1) en de EU-Gedragscode over complementariteit en arbeidsverdeling in het ontwikkelingsbeleid(2),

–  gezien artikel 7 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin opnieuw is vastgelegd dat de EU toeziet op de samenhang tussen haar beleidsmaatregelen en optredens, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen,

–  gezien artikel 208 VWEU dat bepaalt dat de Unie „bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening [houdt] met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking”,

–  gezien de mededeling van de Commissie met de titel „Beleidscoherentie voor ontwikkeling” (COM(2005)0134) van 12 april 2005, en de conclusies van de Raad met de titel „Beleidscoherentie voor ontwikkeling” (3166e Raad Buitenlandse Zaken van 14 mei 2012),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 met de titel „Een EU-beleidskader voor steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen” (COM(2010)0127),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 2010 met de titel „Humanitaire voedselhulp” (COM(2010)0126),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2012 met de titel „De EU-aanpak inzake weerbaarheid: lessen uit de voedselzekerheidscrises” (COM(2012)0586),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 maart 2013 met de titel „Betere voeding voor moeders en kinderen in het kader van de buitenlandse hulp: een Europees beleidskader” (COM(2013)0141),

–  gezien het Europees Ontwikkelingsverslag met de titel „Millennium Development Goals at Midpoint: Where do we stand and where do we need to go?” van 19 september 2008,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 februari 2013 met de titel „Een waardig leven voor iedereen: armoede uitroeien en de wereld een duurzame toekomst geven” (COM(2013)0092),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen (COM(2011)0843, SEC(2011)1475, SEC(2011)1476),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (COM(2011)0840) van 7 december 2011,

–  gezien de mededeling van de Commissie met de titel „Een begroting voor Europa 2020” (COM(2011)0500) van 29 juni 2011 en het werkdocument van de Commissie met de titel „Een begroting voor Europa 2020: het huidige financieringssysteem, de toekomstige uitdagingen, de resultaten van de raadpleging van belanghebbenden en verschillende opties inzake de belangrijkste horizontale en sectorale kwesties” (SEC(2011)0868) van dezelfde datum,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad met de titel „De rol van Europa in de wereld: een nieuwe aanpak voor de financiering van het externe optreden van de EU” (COM(2011)0865) van 7 december 2011,

–  gezien de mededeling van de Commissie met de titel „Opstelling van het meerjarig financieel kader betreffende de financiering van de EU-samenwerking met de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de landen en gebieden overzee voor de periode 2014-2020” (COM(2011)0837) van 7 december 2011,

–  gezien de conclusies van de Raad over EU-steun voor duurzame verandering in samenlevingen in een overgangssituatie, 3218e Raad Buitenlandse Zaken van 31 januari 2013,

–  gezien de conclusies van de Raad met de titel „Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering”, 3166e Raad Buitenlandse Zaken van 14 mei 2012,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met de titel „Aan de basis van democratie en duurzame ontwikkeling: het maatschappelijke engagement van Europa in de externe betrekkingen” (COM(2012)0492) van 12 september 2012,

–  gezien de openbare raadplegingen van de Commissie inzake de voorbereiding van een EU-standpunt met betrekking tot een ontwikkelingskader voor de periode na 2015(3), die van 15 juni 2012 tot 15 september 2012 zijn gehouden en die openstonden voor alle geïnteresseerde belanghebbenden, individuen, (onder andere gouvernementele/niet-gouvernementele, parlementaire, academische, particuliere) organisaties en landen,

–  gezien de mededeling van de Commissie met de titel „EU-twaalfpuntenplan ter ondersteuning van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling” (COM(2010)0159) van 21 april 2010,

  gezien zijn resolutie van 15 juni 2010 over „de vorderingen bij de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling: tussentijdse herziening ter voorbereiding op de VN-bijeenkomst op hoog niveau in september 2010”(4),

  gezien het onderzoek met de titel „Millennium Development Goals and beyond 2015 – a strong EU engagement” van januari 2013,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0165/2013),

A.  overwegende dat de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's) hebben geleid tot een vergroting van het bewustzijn omtrent de uitbanning van de armoede in de wereld als urgent probleem en prioriteit voor wereldwijde maatregelen dankzij een beperkt aantal concrete en tijdgebonden doelen; overwegende dat er, twee jaar voor de streefdatum van de MDG's, significante vorderingen zijn gemaakt: de doelstelling om extreme armoede met de helft te verminderen is behaald, net zoals de doelstelling om het percentage mensen dat geen betrouwbare toegang heeft tot verbeterde drinkwaterbronnen te halveren, de situatie van meer dan 200 miljoen mensen die in sloppenwijken leven is verbeterd, er zijn nu evenveel meisjes in het basisonderwijs ingeschreven als jongens en er is sprake van een versnelde vooruitgang in het terugdringen van kinder- en moedersterfte; overwegende dat de huidige MDG's evenwel onvoldoende de fundamentele oorzaken van armoede aanpakken, zoals ongelijkheden binnen en tussen landen, sociale uitsluiting, biodiversiteit en bestuur;

B.  overwegende dat de door de Commissie, de Raad en het Parlement ondertekende Europese consensus voor ontwikkeling een acquis communautaire is; herinnerend aan het belang en bereik van dit document, dat de Europese routekaart is geworden op het gebied van ontwikkeling, alsmede het acquis en de richtsnoeren die hieruit voortvloeien;

C.  overwegende dat de MDG’s armoede hebben helpen definiëren als een onvermogen om te voorzien in de noodzakelijke levensbehoeften op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, milieu, voeding, werkgelegenheid, huisvesting en gendergelijkheid;

D.  overwegende dat mondiale uitdagingen blijven bestaan en naar verwachting zullen toenemen – armoede, honger en ondervoeding, een gebrek aan toegang tot hoogwaardige gezondheidszorg voor iedereen, beperkte toegang tot geneesmiddelen, een gebrek aan behoorlijke, veilige sanitaire voorzieningen en hygiëne, een ontoereikend niveau van basis- en middelbaar onderwijs van goede kwaliteit, hoge werkloosheid, met name onder jongeren, een gebrek aan sociale bescherming en naleving van de mensenrechten, ongelijkheden, onder andere tussen mannen en vrouwen, aantasting van het milieu en klimaatverandering – waardoor de noodzaak ontstaat nieuwe ontwikkelingstrajecten te vinden die kunnen leiden tot inclusieve en duurzame ontwikkeling voor iedereen;

E.  overwegende dat bijna een miljard mensen op de wereld ondervoed en meer dan 200 miljoen mensen werkloos zijn; overwegende dat slechts 28% van de wereldbevolking wordt gedekt door alomvattende socialebeschermingsstelsels, hetgeen wijst op een hoog niveau van informeel werk, en overwegende dat naar schatting 1,4 miljard mensen geen toegang tot toereikende energiediensten hebben, waardoor zij tot armoede veroordeeld zijn;

F.  overwegende dat door ondervoeding in ontwikkelingslanden naar schatting 2,6 miljoen kinderen per jaar sterven en het aantal ondervoede mensen als gevolg van de klimaatverandering naar verwachting zal toenemen;

G.  overwegende dat voor 2020 naar schatting 140 miljoen meisjes zullen worden uitgehuwelijkt als het aantal gesloten kinderhuwelijken in de komende jaren constant blijft;

H.  overwegende dat driekwart van de armen in de wereld in middeninkomenslanden leeft en dat volgens de World Development Indicators 2008 van de Wereldbank de ongelijkheden in inkomen en welvaart binnen landen sinds het begin van de jaren ’80 zijn toegenomen, ook in landen met een hoog inkomen; overwegende dat inkomens- en werkonzekerheid ook zijn toegenomen als gevolg van door de globalisering veroorzaakte tendensen gebaseerd op uitbesteding van werk en zwakkere arbeidsbescherming;

I.  overwegende dat naar verwachting in 2015 ruim 600 miljoen mensen nog steeds onverbeterde waterbronnen zal gebruiken met risico's voor de volksgezondheid en een miljard mensen, waaronder 70% vrouwen, zal moeten rondkomen met minder dan 1,25 USD per dag, in met name Afrikaanse landen maar ook in opkomende landen, en dat indien de huidige trends doorzetten, de MDG om het percentage mensen dat leeft zonder elementaire sanitaire voorzieningen te halveren pas in 2049 zal worden gehaald; overwegende dat momenteel bijna 200 miljoen mensen werkloos zijn, waaronder circa 74 miljoen jongeren tussen 15 en 24 jaar, en dat slechts 20% van de wereldbevolking een toereikende socialezekerheidsdekking geniet, terwijl meer dan helft helemaal geen sociale zekerheid kent; overwegende dat dankzij het uitroepen van 2015 tot het Europees jaar van de ontwikkeling, de Europese burger bewust kan worden gemaakt van het belang van de nieuwe MDG's;

J.  overwegende dat de wereldwijde crises op het gebied van voedsel, energie en financiën in de periode 2007-2010, in combinatie met de wereldwijde economische recessie en de klimaatverandering, de kwetsbaarheid van de mondiale voedselvoorzieningssystemen aan het licht hebben gebracht, evenals de tekortkomingen van de financiële en grondstoffenmarkten en van de mechanismen voor mondiaal bestuur;

K.  overwegende dat duurzaamheidsvraagstukken, onder meer de dringende noodzaak de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en te komen tot billijkere en duurzamere vormen van beheer en bestuur van de natuurlijk hulpbronnen, boven aan de veranderingsagenda staan;

L.  overwegende dat de VN-Verklaring inzake het recht op ontwikkeling van 1986 bevestigt dat ontwikkeling een fundamenteel mensenrecht is; overwegende dat de verklaring een „op mensenrechten gebaseerde” aanpak tot doel stelt, gekenmerkt door de eerbiediging van alle mensenrechten (economische, sociale, culturele, burgerlijke en politieke) en overwegende dat de verklaring de internationale samenwerking beoogt te versterken;

M.  overwegende dat het behalen van de MDG's voor het verstrijken van de streefdatum grotendeels afhangt van de realisatie van het wereldwijd partnerschap voor ontwikkeling en overwegende dat de EU en haar lidstaten zich aan hun toezeggingen moeten houden en niet mogen toestaan dat de voortgang vanwege de huidige economische en financiële crisis wordt gestaakt;

N.  overwegende dat artikel 208 VWEU vaststelt dat het terugdringen en het op de lange termijn uitbannen van de armoede het hoofddoel van het ontwikkelingsbeleid van de EU is;

O.  overwegende dat 50 jaar donorgestuurd ontwikkelingsbeleid heeft geleid tot een buitensporige verslaafdheid en afhankelijkheid(5);

P.  overwegende dat de VN nauw en op inclusieve wijze samenwerkt met alle belanghebbenden om voort te bouwen op het momentum dat is gecreëerd door de MGD's en verder te gaan met een ambitieuze ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015, die gebaseerd moet zijn op betere steun, betere coördinatie en naleving van de beginselen inzake beleidscoherentie;

Q.  overwegende dat de toezegging van de EU om de beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) te waarborgen, in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van 2005, is herbevestigd in de conclusies van 14 mei 2012(6);

R.  overwegende dat de EU, als ’s werelds grootste donor, vastbesloten is om de MDG’s op tijd te verwezenlijken en zeer nauw betrokken is bij de onderhandelingen over de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015;

S.  overwegende dat het Europees Parlement bijzonder belang hecht aan dit proces en van oordeel is dat de EU moet optreden als drijvende kracht achter het kader voor de periode na 2015;

T.  overwegende dat een aanzienlijk aantal kwetsbare of door conflicten getroffen staten nog geen enkele MDG hebben behaald(7);

U.  overwegende dat een gebrek aan vrede, veiligheid, democratie, eerbiediging van de mensenrechten en politieke stabiliteit, in combinatie met corruptie en schendingen van de mensenrechten, verhindert dat arme landen hun ontwikkelingspotentieel verwezenlijken;

V.  overwegende dat 75% van de armen in de wereld in middeninkomenslanden (MIC's) leeft, ondanks de groei van deze landen, en dat de specifieke situatie in de MIC's dan ook niet over het hoofd mag worden gezien bij de herziening van de MDG's, waarbij rekening wordt gehouden met het differentiatiebeginsel dat is overeengekomen in de nieuwe ontwikkelingsagenda;

I.Millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en nieuwe uitdagingen

1.  bevestigt dat de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling die in 2000 zijn vastgesteld tot de vele in de middeninkomenslanden en ontwikkelingslanden behaalde successen behoren, en dat deze resultaten correct moeten worden geanalyseerd met het oog op het toekomstige kader, zodat algemenere en duurzamere resultaten worden geboekt;

2.  onderstreept dat het mondiale landschap in de afgelopen tien jaar sterk is veranderd, net zoals de aard van de armoede, en dat de groeiende kloof en ongelijkheid tussen en binnen landen belangrijke thema's zijn geworden in het kader van de uitbanning van de armoede;

3.  merkt op dat hoewel enkele ontwikkelingslanden donor zijn geworden, deze nog steeds met hoge en stijgende niveaus van ongelijkheid worden geconfronteerd die vergelijkbaar zijn met die in andere ontwikkelingslanden; merkt op dat onder andere klimaatverandering, voedselonzekerheid, migratie, werkloosheid, demografische verandering, corruptie, beperkte middelen, niet-duurzame groei, financiële en economische crises en schendingen van de mensenrechten complexe en onderling samenhangende uitdagingen vormen;

4.  herinnert eraan dat de aantasting van het milieu het bereiken van de MDG’s, waaronder de doelstelling van het uitbannen van extreme armoede en honger, in gevaar brengt; wijst er in het bijzonder op dat blijvende ongelijkheden en onenigheid over schaarse hulpbronnen tot de voornaamste factoren behoren die conflicten, honger, onveiligheid en geweld in de hand werken, die op hun beurt de menselijke ontwikkeling en pogingen om tot een duurzame ontwikkeling te komen belemmeren; dringt aan op een meer holistische aanpak die recht doet aan de resultaten en follow-up van de Rio+20-conferentie over duurzame ontwikkeling;

5.  herinnert eraan dat er samenhang moet bestaan tussen de beleidsmaatregelen van de EU op handelsgebied en op ontwikkelingsgebied, met name wat betreft de ultraperifere gebieden;

6.  verzoekt de EU met klem om tijdens de besprekingen over het kader voor de periode na 2015 tot en met de VN-top de leiding te nemen en krachtig met één stem te spreken, en een gemeenschappelijk, doeltreffend en ambitieus standpunt vast te stellen met betrekking tot de beginselen en doelstellingen die deel moeten uitmaken van het nieuwe ontwikkelingskader voor de periode na 2015; merkt op dat er één alomvattend en geïntegreerd kader met duidelijk benchmarks moet zijn dat de voornaamste ontwikkelings- en duurzaamheidskwesties omvat en dat dit kader tegelijkertijd universeel en mondiaal van aard moet zijn, welvaart, mensenrechten en welzijn voor iedereen moet bevorderen, moet leiden tot directe en actieve betrokkenheid van alle landen bij het opzetten en uitvoeren ervan en rekening moet houden met de rol en de verantwoordelijkheden van de rijkere landen - die verdergaan dan de financiering - bij het welslagen ervan;

7.  wijst erop dat het wereldwijd partnerschap voor ontwikkeling moet worden aangepast aan de gewijzigde context en nauw moet aanknopen bij de nieuwe dimensies van de agenda voor de periode na 2015; beklemtoont dat een herzien en versterkt wereldwijd partnerschap voor ontwikkeling essentieel is voor de uitvoering van de agenda voor de periode na 2015 en voor het bestaan van doeltreffende verantwoordingsmechanismen op alle niveaus;

8.  is van oordeel dat deze uniforme benadering vraagt om een deugdelijke coördinatie tussen de EU en de lidstaten voorafgaand aan de presentatie ervan op de herfsttop in New York en om sterke zichtbaarheid tijdens het onderhandelingsproces onder leiding van Europese commissaris voor Ontwikkeling; verzoekt de EU, wereldwijd de belangrijkste donor, om haar rol als belangrijkste speler voor de agenda voor de periode na 2015 ten volle te vervullen;

9.  dringt erop aan dat de doelstellingen van het ontwikkelingskader voor de periode na 2015 zowel de MDG’s als de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s) omvatten en welvaart en welzijn voor iedereen bevorderen, met inbegrip van achtergestelde bevolkingsgroepen, zoals vrouwen, kinderen, ouderen en mensen met een handicap; benadrukt dat er sprake moet zijn van echte flexibiliteit bij het naar vermogen vaststellen van nationale doelstellingen met directe en actieve betrokkenheid van ontwikkelingslanden en ontwikkelingspartners, in het bijzonder het maatschappelijk middenveld; wijst erop dat de rijke landen sterke toezeggingen moeten doen, wat betreft zowel hun eigen ontwikkeling als hun beleid dat invloed heeft op andere landen;

10.  benadrukt dat het gebrek aan vorderingen met de MDG's die betrekking hebben op de positie van vrouwen, niet alleen veroorzaakt wordt door financiële of technische obstakels, maar met name te wijten is aan een gebrek aan politieke wil;

II.Uitbanning van armoede

11.  dringt erop aan dat de uitbanning van de armoede, het hoofddoel van de ontwikkelingssamenwerking van de EU, en de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling op sociaal en milieugebied in de wereld tot de noodzakelijke mondiale prioriteiten voor de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 worden gemaakt;

12.  beklemtoont dat ongelijkheid de economische ontwikkeling en de armoedebestrijding belemmert; wijst er in het bijzonder op dat hoge niveaus van ongelijkheid het opzetten van brede, op herverdeling gebaseerde en fiscaal houdbare socialezekerheidsstelsels die zijn gestoeld op de beginselen van sociale solidariteit, bemoeilijken, en tegelijkertijd kunnen leiden tot een toename van de criminaliteit of gewelddadige conflicten, met name in multi-etnische samenlevingen; is van oordeel dat de structurele oorzaken van armoede moeten worden aangepakt om echte veranderingen in de maatschappij mogelijk te maken;

13.  erkent dat de vraagstukken ontwikkeling en armoedebestrijding verweven zijn met de uitdagingen op het gebied van vrede en veiligheid, het milieu, mensenrechten, gendergelijkheid, democratie en goed bestuur; pleit dan ook voor een vernieuwde aanpak van de uitbanning van de armoede waarin rekening wordt gehouden met het belang van inclusieve economische ontwikkeling en groei, herverdeling van de rijkdom door middel van begrotingsmiddelen, waardig werk, doeltreffende beroepsopleiding, milieuduurzaamheid, mensenrechten en goed bestuur;

14.  pleit voor een verankering van de agenda voor de periode na de MDG’s in de Verklaring inzake het recht op ontwikkeling van 1986, die niet alleen bevestigt dat ontwikkeling een fundamenteel mensenrecht is, maar eveneens ontwikkeling als een proces benadert;

15.  pleit ervoor dat gelijke behandeling van mannen en vrouwen een standaardonderdeel wordt van een op groei gerichte benadering om een einde te maken aan armoede en dat gendergelijkheid wordt opgenomen in alle EU-programma’s, -beleidslijnen en -strategieën en in het gehele kader voor de periode na 2015;

16.  beklemtoont dat inclusiviteit een dynamisch begrip is dat verder gaat dan een strategie die de armen begunstigt en inhoudt dat het aandachtsveld wordt verruimd naar kwetsbare bevolkingsgroepen met zeer onzekere middelen van bestaan, hetgeen ervoor pleit de ontwikkelingsstrategie in het macro-economische kader te verankeren; is van oordeel dat het voor het toezicht op de inclusiviteit en de duurzaamheid van de ontwikkelingsvooruitgang en op de mate waarin rekening wordt gehouden met de behoeften van de minstbedeelde en kwetsbaarste groepen, van cruciaal belang is dat er kwalitatieve indicatoren worden vastgesteld;

17.  verzoekt in dit verband om een bredere definitie van armoede dan een die alleen is gebaseerd op het bruto binnenlands product (BBP); beklemtoont dat mondiale en nationale gemiddelden veel van de armen van de wereld uitsluiten;

Gezondheidszorg, voeding, onderwijs en sociale bescherming

18.  erkent dat voor de bestrijding van ondervoeding bij moeders en kinderen ontwikkelingsstrategieën op lange termijn nodig zijn, waarbij de nadruk ligt op sectoren die de ondervoeding beïnvloeden, zoals gezondheid, onderwijs, water en sanitaire voorzieningen, alsmede de landbouw;

19.  wijst erop dat het feit dat het welzijn van mensen van vele factoren afhankelijk is, volledig moet worden erkend; herinnert er in dit verband aan dat gezondheidszorg, voeding, sociale bescherming, gendergelijkheid en onderwijs aanzienlijk bijdragen aan de uitbanning van armoede en aan inclusieve economische ontwikkeling;

20.  benadrukt dat de genderkloof allereerst in het onderwijs moet worden gedicht, om de gemiddelde kwaliteit van het menselijk kapitaal te verhogen, en in de tweede plaats in de gezondheidszorg, om betere vooruitgang te maken bij het verbeteren van de gezondheid van moeders en het verminderen van de kindersterfte;

21.  vraagt de EU het recht op de hoogst haalbare gezondheidsnorm krachtig te verdedigen, met inbegrip van de seksuele en reproductieve gezondheid en de daaraan verbonden rechten en de integratie van hiv/aids, onder meer door het aanbieden van vrijwillige gezinsplanning, veilige abortus en voorbehoedsmiddelen;

22.  benadrukt dat het MDG-kader voor de periode na 2015 een specifieke doelstelling betreffende de uitbanning van alle vormen van geweld tegen vrouwen omvat;

23.  benadrukt dat gezondheidszorg voor iedereen - waarbij de nadruk zowel op behandelingen als op preventie ligt -, geschikte en voedzame levensmiddelen voor iedereen en goed onderwijs voor iedereen en op alle niveaus met het oog op tewerkstelling, moeten worden beschouwd als belangrijke doelstellingen van de agenda voor de periode na 2015;

24.  dringt erop aan dat het kader voor de periode na 2015 allereerst doelstellingen omvat op het gebied van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van goede gezondheidszorg waarbij de nadruk ligt op gezondheidsbevordering, preventie en geneesmethoden met inbegrip van de seksuele en reproductieve gezondheid en de daaraan verbonden rechten en hiv/aids als belangrijke onderdelen, evenals concrete maatregelen met het oog op de invoering van elementaire stelsels voor gezondheidszorg die alle mensen toegang bieden tot preventie, behandeling, zorg en ondersteuning, met inbegrip van de meest gemarginaliseerde en kwetsbare groepen, zoals minderheden, gevangenen, migranten, personen zonder geldige verblijfsvergunning, sekswerkers en drugsgebruikers;

25.  dringt aan op wereldwijde versnelde maatregelen om de moedersterfte, sterfte onder pasgeborenen en kindersterfte terug te dringen en wijst eens te meer op het wezenlijke belang van universele toegang tot reproductievegezondheidszorg;

26.  dringt aan op voortzetting van de steun voor onderzoek naar effectievere en duurzame preventie- en behandelingsprogramma's, waaronder het onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot effectieve vormen van medische ingrepen, zoals vaccins, geneesmiddelen en diagnosetechnieken;

27.  benadrukt dat vrouwen, aangezien ze verantwoordelijk zijn voor 80% van de landbouw in Afrika, een cruciale rol spelen op het vlak van voeding en voedselzekerheid, terwijl ze nog steeds weinig of geen toegang hebben tot de eigendom van het land dat zij bebouwen; onderstreept dat de uitbanning van honger daarom afhangt van de steun aan kleine boeren, zodat zij voldoende voedsel voor zichzelf en hun gezin kunnen produceren; herinnert eraan dat de meerderheid van de kleine boeren vrouw is; dringt aan op een in alle elementen van de programmering inzake voedselzekerheid geïntegreerde gendergevoelige benadering; onderstreept de noodzaak om ondervoeding door middel van wetenschappelijk gefundeerde maatregelen te voorkomen en te behandelen, waarbij prioriteit wordt gegeven aan zwangere vrouwen en jonge kinderen;

28.  onderstreept de noodzaak om ter versterking van de gezondheidsstelsels gezondheidsprogramma's te ontwikkelen en uit te voeren, gezien het feit dat de wereldwijde economische crisis de vooruitgang op het gebied van de bestrijding van hiv/aids, tuberculose, malaria en verwaarloosde tropische ziekten ondermijnd heeft;

29.  benadrukt het belang van de doelstelling met betrekking tot de verbetering van de zwangerschapszorg om de sterfte onder moeders terug te dringen en seksuele en reproductieve gezondheid en gezinsplanning voor iedereen bereikbaar te maken; benadrukt het belang van voorlichting over en bewustzijn van seksuele en reproductieve gezondheid als een onontbeerlijk deel van de agenda voor de gezondheid van vrouwen;

30.  benadrukt dat bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de opleiding van zowel mannen als vrouwen inzake genderkwesties vanaf een vroeg schoolstadium, zodat attitudes en maatschappelijke stereotypes geleidelijk veranderen en gendergelijkheid overal ter wereld een basisbeginsel wordt;

31.  dringt erop aan dat de door de EU verstrekte humanitaire hulp die bijdraagt aan de verwezenlijking van de MDG's niet onderhevig moet zijn aan de door de Verenigde Staten of andere donoren opgelegde beperkingen op humanitaire hulp, met name door te zorgen voor toegang tot abortus voor vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn van verkrachting in gewapende conflicten;

32.  erkent dat kansen op waardig werk arme huishoudens de mogelijkheid bieden zich aan de armoede te ontworstelen en individuen en gezinnen bij uitstek in staat stellen om hun gevoel van eigenwaarde te versterken, hun gemeenschapsgevoel te vergroten en een productieve bijdrage te leveren; pleit ervoor dat volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk tot een centrale doelstelling van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 worden gemaakt en pleit ervoor dat deze doelstelling wordt gesteund door de invoering van degelijke nationale socialebeschermingsniveaus om de armoede te verminderen en de weerbaarheid te vergroten;

33.  benadrukt dat gezondheidsvoorlichting en -opleiding belangrijke elementen voor een betere volksgezondheid zijn;

34.  dringt erop aan dat bijzondere aandacht wordt geschonken aan het bestrijden van niet-overdraagbare ziekten, zoals kanker;

35.  pleit ervoor dat het MDG-kader voor de periode na 2015 de zelfredzaamheid van vrouwen en de gendergelijkheid bevordert door de genderkloof op alle niveaus van het onderwijs te dichten, middels specifieke doelstellingen, waaronder algemene toegang tot en de voltooiing van goed onderwijs (lager, middelbaar en hoger) en beroepsonderwijs met een beleidskader dat gericht is op het scheppen van jeugdvriendelijke banen, de uitbanning van analfabetisme onder vrouwen, evenals toegang tot uitgebreide seksuele voorlichting, op school en daarbuiten;

III.Goed bestuur

36.  benadrukt dat het kader voor duurzame ontwikkeling voor de periode na 2015, naleving van het beginsel van democratisch bestuur en de mensenrechten vereist, evenals doeltreffende, transparante en controleerbare instellingen en partners op alle niveaus en een mondig en stelselmatig bij het democratisch proces betrokken maatschappelijk middenveld; benadrukt dat het kader moet uitgaan van de sleutelbegrippen participatiedemocratie en effectief burgerschap door de volledige en betere uitoefening van burgerlijke en politieke rechten;

37.  verzoekt de EU haar ervaring en expertise met de ontwikkelingslanden te delen door toegang te bieden tot relevante kennis op het gebied van duurzame ontwikkeling en met name de ervaringen die de lidstaten met overgangsprocessen hebben, te delen;

38.  is van oordeel dat de lopende onderhandelingen en het lopende debat zodanig moeten worden georganiseerd dat deze leiden tot een duidelijk streven naar democratisch bestuur in het nieuwe ontwikkelingskader;

39.  onderstreept dat de klimaatverandering, de recente voedselprijzencrisis en de wereldwijde financiële crisis in verband kunnen worden gebracht met het gebrek aan behoorlijk mondiaal bestuur; benadrukt derhalve dat mondiaal bestuur een belangrijk onderdeel moet vormen van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015;

40.  betreurt het gebrek aan samenhang tussen instellingen voor mondiaal bestuur, in het bijzonder wat betreft multilaterale handel, financiën en milieustructuren; is van oordeel dat, nu landen bij gebrek aan mondiaal bestuur regionale oplossingen zijn gaan nastreven om te voorzien in regiospecifieke ontwikkelingsbehoeften, dergelijke regelingen moeten worden gecoördineerd om versnipperd beleid dat niet goed aansluit op multilaterale regelingen en internationale normen, te voorkomen; is meer in het algemeen van mening dat maatregelen op mondiaal niveau noodzakelijk zijn ter aanvulling van de nationale inspanningen;

41.  merkt op dat, hoewel de opzet van het MDG-kader het mogelijk heeft gemaakt concrete, tijdgebonden doelstellingen vast te stellen die kunnen worden bewaakt met statistisch onderbouwde indicatoren, de betrokkenen deze doelstellingen nog onvoldoende eigen hebben gemaakt; waarschuwt in dit verband voor het opleggen van een standaardaanpak en is van mening dat mondiale doelstellingen moeten worden toegesneden op en aangepast aan de context en de uitgangssituatie in de verschillende landen en regio’s;

42.  merkt op dat autoriteiten op alle niveaus een cruciale rol spelen bij de uitvoering van een agenda voor duurzame ontwikkeling door hun deelname aan beleidsdebatten, het omzetten van toezeggingen in wetgeving, het ter verantwoording roepen van overheden voor hun sociaal, milieu- en justitieel beleid en door voort te bouwen op het beginsel van eigen inbreng;

43.  spoort de internationale gemeenschap aan zich in het bijzonder te richten op de totstandbrenging van een gunstig participatieklimaat dat organisaties uit het maatschappelijk middenveld, de particuliere sector, liefdadigheidsinstellingen en andere onafhankelijke ontwikkelingspartners, evenals nationale parlementen en plaatselijke autoriteiten op lokaal, nationaal en regionaal niveau in staat stelt hun verantwoordelijkheden te nemen bij het opstellen van beleid en het houden van toezicht op de uitvoering ervan, en zo effectief bij te dragen aan het kader voor de periode na 2015;

44.  dringt er verder op aan dat jongeren, in het bijzonder meisjes en jonge vrouwen, in staat worden gesteld een vooraanstaande rol te spelen in het kader voor de periode na 2015, en wijst er op dat participatie van jongeren in het bestuur brede voordelen kan hebben, en onder andere democratische besluitvormingsstructuren en -processen kan bevorderen en het welzijn van jongeren en hun gemeenschappen kan verbeteren;

Op mensenrechten gebaseerde aanpak

45.  wenst dat beginselen op het gebied van de mensenrechten ten grondslag komen te liggen aan het kader voor de periode na 2015, dat met name problemen moet aanpakken op het gebied van ongelijkheid, schadelijke traditionele praktijken, discriminatie, gendergerelateerd geweld, participatie en empowerment van gemarginaliseerde en achtergestelde leden van de samenleving, met bijzondere aandacht voor de rechten van jongeren, vrouwen, migranten, mensen met hiv, mensen die vanwege hun kaste worden gediscrimineerd, homo-, bi- en transseksuelen en mensen met een handicap;

46.  pleit in dit verband voor een aparte doelstelling om de aanhoudende ongelijkheden waar vrouwen en meisjes mee te maken hebben aan te pakken, en tegelijkertijd de noodzakelijke politieke bereidheid, middelen en eigen inbreng te bevorderen om duurzame en doeltreffende maatregelen tot stand te brengen;

47.  benadrukt dat de ontwikkelingsagenda van de VN voor de periode na 2015 moet uitgaan van een op de mensenrechten gebaseerde aanpak, waarvan ook sociale en economische rechten deel uitmaken, evenals burgerlijke en politieke rechten die verband houden met vrede en veiligheid, alsook het recht op ontwikkeling;

48.  pleit voor de vaststelling van een overkoepelende gelijkheidsdoelstelling;

49.  spoort de EU aan ontwikkelingslanden te ondersteunen bij het opbouwen van politieke wil en het opvoeren van hun inspanningen voor de ratificatie en tenuitvoerlegging van rechtsinstrumenten met betrekking tot de mensenrechten gericht op het verbieden van discriminatie of wettelijke, beleids- en regeltechnische obstakels en sanctiebepalingen op basis van leeftijd, gender, ras, etniciteit, kaste, cultuur, godsdienst, overtuiging, echtelijke staat, invaliditeit, hiv-status, nationaliteit, migratiesituatie, taalvaardigheden, seksuele gerichtheid, genderidentiteit of andere factoren en status; spoort de EU eveneens aan ontwikkelingslanden te ondersteunen bij het opbouwen van passende socialebeschermingsniveaus;

50.  dringt erop aan dat alle landen het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen ratificeren om de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen;

Vrede, veiligheid en ontwikkeling

51.  benadrukt dat gewapende conflicten en post-conflictsituaties behoren tot de belangrijkste obstakels voor ontwikkeling en voor de vermindering van armoede, en de democratie in gevaar brengen; benadrukt tevens dat vrede en veiligheid, en ontwikkeling en mensenrechten met elkaar verband houden en elkaar versterken; moedigt de Unie dan ook aan om alle relevante instrumenten te gebruiken, zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de instrumenten beschikbaar in het kader van de overeenkomst van Cotonou, om conflicten beter te kunnen voorkomen;

52.  vraagt in dit verband om capaciteitsopbouw prioriteit te geven in door conflicten getroffen en fragiele staten; is van oordeel dat doeltreffende internationale partnerschappen, methoden voor kennisuitwisseling en capaciteitsontwikkeling gebaseerd op de ervaring met overgangsprocessen van EU-lidstaten, voortbouwend op het model van de nieuwe afspraken voor optreden in fragiele staten dat tijdens het vierde forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in Busan is gelanceerd, noodzakelijk zijn voor het stabiliseren en ontwikkelen van deze staten;

53.  vraagt de EU haar nauwe betrokkenheid bij fragiele staten te handhaven door geïntegreerde antwoorden te bieden in het kader van ontwikkelingsbeleid, humanitaire hulp te verstrekken en bij te dragen aan de vermindering van risico's op rampen, conflictpreventie en staatsvorming;

54.  is van oordeel dat het kader voor de periode na 2015 recht moet doen aan de in Busan overeengekomen doelstellingen inzake vredesopbouw en staatsvorming;

55.  benadrukt dat de preventie van geweld en discriminatie, met name seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes, dient te worden opgenomen in het kader voor de periode na 2015 en dat alomvattende beschermingsstelsels die voor iedereen toegankelijk zijn in het leven moeten worden geroepen of moeten worden versterkt;

IV.Duurzaamheid

56.  verzoekt de EU op inclusieve en transparante wijze bij te dragen aan het versterken van de samenhang tussen de SDG's op sociaal en milieugebied en de ontwikkelingsdoelen voor de periode na 2015;

57.  benadrukt dat het eindresultaat een enkele ontwikkelingsagenda' moet zijn, waarmee doublures van inspanningen en middelen worden vermeden; onderstreept dat, aangezien milieu- en ontwikkelingsvraagstukken op mondiaal niveau doorgaans afzonderlijk worden behandeld, de EU nieuwe manieren moet zoeken om de kloof tussen deze nauw met elkaar verbonden onderwerpen, ook op institutioneel vlak, te overbruggen;

58.  beklemtoont dat duurzaamheid een belangrijke uitdaging is, waarbij het uitblijven van een oplossing alle aspecten van de menselijke ontwikkeling in gevaar brengt; erkent in het bijzonder de verbondenheid van vraagstukken inzake voedsel, duurzame en betrouwbare toegang tot energie, water, duurzaam landgebruik, efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de bescherming van mariene en andere ecosystemen en biodiversiteit, ontbossing en de beperking van en aanpassing aan klimaatverandering, rampenrisicovermindering, duurzame productie en consumptie, sociale integratie en waardig werk in het armoedebestrijdingskader;

59.  merkt op dat universele toegang tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, als een horizontale elementaire vorm van sociale dienstverlening om alle doelstellingen te verwezenlijken, evenals tot moderne, betrouwbare, betaalbare, klimaatvriendelijke en duurzame energiediensten, een belangrijke drijvende kracht is achter armoedebestrijding en inclusieve duurzame groei;

60.  onderstreept dat voor de verwezenlijking van energiezekerheid behoefte is aan strategieën gericht op de diversificatie van bronnen, waaronder zonne-energie, de bescherming van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen, de vermindering van risico's op rampen, het integrale beheer van watervoorraden en de verbetering van markten, infrastructuur en regelgeving;

61.  pleit tevens voor concrete maatregelen ter bevordering en ontwikkeling van gezonde mariene ecosystemen, duurzame visserij en duurzame aquacultuur, die een belangrijke rol kunnen spelen op het gebied van voedselzekerheid, voeding en duurzame landbouw;

62.  wijst erop dat het differentiatiebeginsel dat is vastgelegd in de nieuwe ontwikkelingsagenda terdege in de praktijk moet worden gebracht; dringt erop aan dat de opkomende landen hun verantwoordelijkheid nemen bij de herverdeling van de inkomsten onder hun burgers via de staatsbegroting om de armoedekloof te dichten;

V.Naar een EU-standpunt inzake het ontwikkelingskader voor de periode na 2015
Financiering van de MDG's voor de periode na 2015

63.  herinnert aan de gedane toezegging om voor 2015 0,7% van het bruto nationaal inkomen toe te wijzen aan officiële ontwikkelingshulp (ODA); benadrukt dat dit niveau moet worden gehandhaafd in een toekomstig kader en verzoekt de lidstaten dit te regelen via bindende wetgeving en meerjarige begrotingsschema’s goed te keuren om de doelstelling te bereiken;

64.  benadrukt dat het belangrijk is dat de EU-begroting is opgewassen tegen de uitdagingen waarmee zij wordt geconfronteerd, in het bijzonder in tijden van crisis, vooral voor de financiering van ontwikkeling; pleit in dit opzicht, mede om ervoor te zorgen dat de EU-begroting niet langer wordt gegijzeld door de hoogte van de betalingskredieten alleen, voor het scheppen van eigen middelen, bijvoorbeeld door middel van een belasting op financiële transacties, waarvan een deel moet worden toegewezen aan rubriek IV van de EU-begroting;

65.  benadrukt dat de middelen die worden uitgetrokken voor de bestrijding van de klimaatverandering en de aanpassing aan de gevolgen ervan een echte aanvulling moeten vormen op de bestaande toezeggingen; vraagt de EU derhalve voor te stellen dat andere financieringsbronnen dan officiële ontwikkelingshulp beschikbaar worden gemaakt voor de klimaatfinanciering, zodat tijdens discussies over de periode na 2015 de rol van respectievelijk officiële ontwikkelingshulp en de financiering voor aanpassing bij de duurzame uitbanning van armoede kunnen worden verduidelijkt;

66.  verzoekt de Commissie besprekingen met alle belanghebbenden over financieringsmechanismen te stimuleren teneinde te voldoen aan de financiële behoeften in een ontwikkelingslandschap in de periode na 2015;

67.  herinnert eraan dat tijdens het forum voor ontwikkelingssamenwerking van de VN van 2012 nadrukkelijk werd gewezen op de behoefte aan een betere coördinatie tussen verschillende steunmechanismen en donoren, in plaats van onderlinge wedijver; vraagt de EU te ijveren voor een agenda voor doeltreffende ontwikkelingshulp aangezien de EU en de lidstaten een gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen om de fragmentatie van de ontwikkelingshulp tegen te gaan;

Innovatieve financieringsmechanismen

68.  verzoekt de Commissie om in samenwerking met andere donoren op mondiaal niveau te blijven werken aan andere innovatieve financieringsmechanismen voor ontwikkeling aangezien deze en nieuwe partnerschappen een cruciale rol zullen spelen in een nieuw ontwikkelingslandschap, ter aanvulling van andere bronnen en compromissen op het gebied van de financiering voor duurzame ontwikkeling; verzoekt nogmaals de EU-lidstaten die hebben toegezegd de belasting op financiële transacties in te voeren, een deel van deze middelen te gebruiken voor duurzame ontwikkeling en de bestrijding van klimaatverandering;

69.  merkt op dat de EU een geïntegreerde en complementaire aanpak van financiering, onder meer door middel van publiek-private partnerschappen, moet bevorderen;

70.  vraagt de EU sociale, ethische en milieuvriendelijke overheidsopdrachten op internationaal niveau aan te moedigen als instrument voor het verwezenlijken van het kader voor de periode na 2015;

71.  verzoekt de EU de mechanismen voor het combineren van leningen en subsidies terdege te evalueren – in het bijzonder met betrekking tot ontwikkeling en financiële additionaliteit, transparantie en verantwoordelijkheid, lokale eigen inbreng en schuldenrisico - voordat de mix van leningen en subsidies verder wordt ontwikkeld om financiële middelen voor ontwikkeling te stimuleren en microkrediet te bevorderen; verzoekt de Commissie om richtsnoeren en nauwkeurige criteria bekend te maken die gebaseerd zijn op geharmoniseerde strategieën ter vermindering van armoede en een duidelijke invloed op duurzame ontwikkeling hebben na invoering van de nieuwe regelingen;

Verhogen van de binnenlandse ontvangsten door middel van doeltreffende belastingheffing en het bestrijden van corruptie

72.  herhaalt het verzoek om de bestrijding van corruptie, het witwassen van geld, belastingparadijzen, illegale kapitaalbewegingen en schadelijke belastingstructuren als topprioriteit op de EU-agenda bij internationale financierings- en ontwikkelingsinstellingen te plaatsen, om ontwikkelingslanden in staat te stellen hun binnenlandse inkomsten te verhogen;

73.  wijst erop dat op korte termijn meer binnenlandse middelen moeten worden vrijgemaakt en verzoekt de EU en de internationale gemeenschap dan ook hun steun aan ontwikkelingslanden te verhogen bij het vaststellen van een doeltreffend fiscaal beleid en een duurzame belastinggrondslag en het versterken van de capaciteit, vaardigheden en kwalificaties van hun overheden voor de aanpak van illegale geldstromen, belastingontwijking, belastingontduiking en fraude en voor een betere inning van de belastingen;

74.  herinnert eraan dat de kwaliteit van de financiële verslaglegging van wezenlijk belang is voor een doeltreffende bestrijding van belastingontduiking; onderstreept dan ook het belang van volledige transparantie van de bedrijfsrapportering van de winst en de betaalde belastingen, in het bijzonder - maar niet uitsluitend - door bedrijven die betrokken zijn bij de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen; verzoekt de Commissie te ijveren voor de opname in de International Financial Reporting Standard (internationale standaard voor financiële verslaglegging) van de International Accounting Standards Board van de vereiste dat alle multinationale ondernemingen hun opbrengsten en betaalde belastingen per land rapporteren; wijst er nogmaals op dat een dergelijke vereiste aansluit bij de noodzaak van een grotere sociale verantwoordelijkheid van multinationale ondernemingen;

Toezichtmechanismen en indicatoren

75.  wijst op de dringende behoefte om te komen tot een passende mix van kwantitatieve en kwalitatieve maatstaven voor ontwikkeling;

76.  merkt op dat een nieuwe reeks van indicatoren naast het BBP nodig is om welvaart en ontwikkeling te bereiken en nieuwe problemen op sociaal en milieugebied op te lossen, en indicatoren zoals de index van de menselijke ontwikkeling, de armoederatio per hoofd van de bevolking, de armoedekloofindex en de Gini-coëfficiënt voor inkomens moet omvatten;

77.  merkt op dat duidelijke en meetbare indicatoren, met inbegrip van prestaties en resultaten, cruciaal zijn voor het toezicht houden op en de verslaglegging over de gemaakte vorderingen ten aanzien van onder meer de uitbanning van de armoede en de economische en sociale ontwikkeling en dat deze onder andere betrekking dienen te hebben op gendergelijkheid, werkgelegenheid, sociale bescherming (bijvoorbeeld toegang tot gezondheidszorg en pensioenen, bescherming tegen de risico's van werkloosheid en bescherming tegen inkomensverlies door vrouwen, kinderen en ouderen), invaliditeit, migratie en minderheidsstatussen;

78.  vraagt de EU referentiegegevens, indicatoren en doelstellingen te ontwikkelen voor het meten van de impact van de beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD);

Particuliere sector

79.  benadrukt dat de UN Guiding Principles on Business and Human Rights dringend moeten worden toegepast; roept in dit verband alle landen op een echt regelgevend kader voor het bedrijfsleven vast te stellen, gericht op de bevordering van volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk, de eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de ILO-normen, transparantie en sociale en milieunormen;

80.  is van oordeel dat de steun aan de particuliere sector er in de eerste plaats op gericht moet zijn de bevolking van de ontwikkelingslanden uit de armoede te halen en bij te dragen aan de versterking van de particuliere sector in de ontwikkelingslanden, om onevenwichtige ontwikkeling en groei te voorkomen;

81.  spoort in de EU gevestigde ondernemingen met productiefaciliteiten in de ontwikkelingslanden aan hun verplichtingen na te komen met betrekking tot de eerbiediging van mensenrechten en vrijheden, sociale en milieunormen, gendergelijkheid, fundamentele arbeidsnormen, internationale overeenkomsten en de betaling van belastingen op een transparante manier;

82.  wijst op het belang van het beschermen van particulier eigendom om het investeringsklimaat te verbeteren en de rechtsstaat te versterken;

83.  benadrukt dat hoewel de particuliere sector een cruciale rol speelt in de economie, het de hoofdverantwoordelijkheid van de staat is om goede basisdiensten te leveren aan zijn burgers en daardoor bij te dragen aan de bestrijding van de armoede;

84.  benadrukt dat actoren uit de openbare en particuliere sectoren nieuwe manieren moeten vinden om hun belangen, capaciteiten en inspanningen te verenigen voor het verwezenlijken van de agenda voor de periode na 2015;

85.  onderstreept dat economische groei en ontwikkeling duurzaam en inclusief moeten zijn en moeten bijdragen aan het versterken van de productiecapaciteit, het scheppen van waardige banen en sociale inclusie voor iedereen, om ontwikkelingslanden in staat te stellen hun economieën te veranderen; vraagt om de vaststelling van nationale socialebeschermingsniveaus in ontwikkelingslanden en de afschaffing van alle vormen van kinderarbeid;

86.  wijst erop dat Fair Trade een handelspartnerschap is, gebaseerd op dialoog, transparantie en respect, met als doel de internationale handel rechtvaardiger te maken(8); is van mening dat Fair Trade een voorbeeld is van een geslaagd partnerschap, waarbij een groot aantal belanghebbenden overal ter wereld en in verschillende stadia van de toeleveringsketens betrokken zijn, dat ervoor zorgt dat achtergestelde producenten toegang hebben tot de markt, duurzame middelen van bestaan garandeert, arbeidsnormen respecteert, kinderarbeid geleidelijk afschaft en ecologisch verantwoorde landbouw en productiepraktijken aanmoedigt;

Beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) en coördinatie tussen donoren

87.  verzoekt de EU ervoor te zorgen dat PCD stevig is ingebed in het kader voor de periode na 2015 en bijzondere aandacht te blijven besteden aan de volgende prioritaire gebieden: handel en financiën, gezondheid en onderwijs, klimaatverandering, natuurlijke hulpbronnen, landbouw, visserij, gezondheidszorg, voedsel en voedselzekerheid, migratie, energie, vredes- en veiligheidsbeleid en mensenrechten;

88.  merkt op dat handel van groot belang kan zijn voor het verminderen van de armoede, en tevens leidt tot meer rechtvaardigheid en transparantie, en duurzame menselijke ontwikkeling en economische groei bevordert; vraagt de EU met klem om er in dit verband op toe te zien dat haar handelsbeleid goed aansluit op haar ontwikkelingsdoelstellingen;

89.  is van oordeel dat dankzij de MDG’s de aandacht voor ontwikkelingshulp is vergroot, maar dat de nadruk niet uitsluitend op hulp moet liggen; is van mening dat een nieuwe benadering noodzakelijk is die ook mondiaal bestuur omvat, met bijzondere aandacht voor beleidscoherentie voor ontwikkeling en mondiale collectieve voorzieningen;

90.  is van oordeel dat in een ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 essentiële mondiale collectieve voorzieningen moeten worden vastgesteld, moet worden bepaald hoe deze worden gefinancierd en moet wordt aangegeven welke mondiale instellingen verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de levering ervan;

91.  is van oordeel dat het uitgangspunt van PCD meer moet behelzen dan het niet berokkenen van schade, zowel in Europa als daarbuiten, en gericht moet zijn op een meer geïntegreerde benadering waarbij de internationale handel, het milieu en het internationaal financieel systeem worden beschouwd als onderdelen van mondiaal overheidsbeleid dat bijdraagt aan mondiale ontwikkelingsdoelstellingen; steunt in dit verband de oprichting van een mondiale economische raad in het kader van de Verenigde Naties;

92.  merkt op dat PCD alleen echte en doeltreffende resultaten kan behalen door middel van een gezamenlijke inspanning en de actieve betrokkenheid van ontwikkelde en ontwikkelingslanden, opkomende economieën en internationale organisaties;

93.  benadrukt dat het toekomstige kader voor ontwikkeling een verwijzing dient te bevatten naar hulp en het concept van de „doeltreffendheid van de ontwikkeling”; is in het bijzonder van mening dat de omschakeling van een agenda voor de „doeltreffendheid van de ontwikkelingshulp” naar een agenda voor de „doeltreffendheid van de ontwikkeling” veronderstelt dat ontwikkelingshulp, hulp bij het verstrekken van mondiale collectieve voorzieningen en aanpassing aan bestaande structuren voor mondiaal bestuur worden gecombineerd om beter te kunnen reageren op mondiale uitdagingen;

94.  spoort de EU aan als een drijvende kracht op te treden en op inclusieve en transparante wijze te zorgen voor complementariteit en taakverdeling binnen het ontwikkelingsproces, onder meer door het gebruik van gezamenlijke programmering te intensiveren;

Uitvoerige richtsnoeren voor een ontwikkelingskader voor de periode na 2015

95.  is ingenomen met de ambitieuze en boeiende mededeling van de Commissie van 27 februari 2013 met de titel „Een waardig leven voor iedereen”;

96.  benadrukt dat rekening dient te worden gehouden met de volgende uitgangspunten bij het vaststellen van een samenhangend EU-standpunt met het oog op de onderhandelingen over een nieuw ontwikkelingskader:

   a. de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 dient rekening te houden met de nieuwe mondiale, regionale, nationale en lokale realiteiten en uitdagingen;
   b. bij het bepalen van de toekomstige agenda moet men zich laten leiden door de volledige participatie en eigen inbreng van de ontwikkelingslanden en de middeninkomenslanden, terwijl de nieuwe verantwoordelijkheden en de gegenereerde lasten gelijkelijk en billijk tussen alle landen moeten worden gedeeld;
   c. de toekomstige agenda moet ambitieus, universeel, mondiaal van aard, breed en flexibel zijn, met doelstellingen die afgestemd zijn op elk land en die eenvoudig, bondig, actiegericht en eenvoudig over te brengen zijn en aansluiten op de lokale, nationale en regionale context, en moet een beperkt aantal concrete en meetbare doelstellingen omvatten;
   d. het is van wezenlijk belang om de beginselen van wederzijdse verantwoordelijkheid, verantwoording, transparantie, democratie, mensenrechten, eigen inbreng, goed bestuur, rechtsstatelijkheid, vrede en veiligheid, gelijkheid en rechtvaardigheid en gendergelijkheid te eerbiedigen en ervoor te zorgen dat deze worden opgenomen in de toekomstige agenda;
   e. de verwezenlijking van de toekomstige doelstellingen hangt af van het vermogen van alle ontwikkelingslanden om hun verantwoordelijkheid voor het welzijn van hun burgers te vervullen, de meest kwetsbare personen te bevrijden van armoede, ongelijkheid tegen te gaan en tegelijkertijd de mensenrechtenbeginselen te eerbiedigen;
   f. bijzondere aandacht moet worden besteed aan het versneld bereiken van gendergelijkheid en versterken van de zelfredzaamheid van meisjes en vrouwen in alle geledingen van de maatschappij;
   g. het nieuwe kader moet de economische, sociale en ecologische dimensie van duurzame ontwikkeling verenigen;
  h. het is noodzakelijk om alle mogelijke financiële middelen en innovatieve financieringsmechanismen voor ontwikkeling te mobiliseren, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan:
   i) de bestrijding van corruptie, belastingparadijzen, belastingontduiking en -ontwijking en van illegale kapitaalbewegingen;
   ii) de verantwoordelijkheden van opkomende economieën in het kader van de ontwikkelingsagenda en de bevordering van zuid-zuid- en trilaterale samenwerking;
   iii) de verbetering van toezichtmechanismen;
   iv) officiële ontwikkelingshulp;
   v) PCD;
   i. er moet voor worden gezorgd dat het nieuwe kader ook andere partners dan de nationale overheden omvat om een gunstig klimaat tot stand te brengen dat daadwerkelijke, op democratie gebaseerde eigen inbreng bevordert en het maatschappelijk middenveld ondersteunt;
   j. PCD zal absoluut cruciaal zijn voor het welslagen van een toekomstig kader vanwege de veranderende aard van de armoede en de impact van binnenlands beleid in de mondiale context;
   k. duidelijke verantwoordingsmechanismen zijn noodzakelijk om ervoor te zorgen dat landen hun toezeggingen nakomen en de problemen op het gebied van armoede en duurzaamheid aanpakken waarop het kader voor de periode na 2015 betrekking zal hebben;
o
o o

97.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(2) Conclusies van de Raad 9558/07 van 15.5.2007.
(3) http://ec.europa.eu/europeaid/what/millenium-development-goals/index_en.htm
(4) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 48.
(5) http://www.ecdpm-talkingpoints.org/african-consultations-post2015-development-agenda
(6) Document 9317/12.
(7) OESO et al., 2011, „Conflict, fragility and armed violence are major factors preventing the achievement of the MDGs”.
(8) Zie de definitie in het Charter of Fair Trade Principles van de World Fair Trade Organisation.


Rechtsstaat in Rusland
PDF 131kWORD 26k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de rechtsstaat in Rusland (2013/2667(RSP))
P7_TA(2013)0284RC-B7-0269/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Rusland, met name die van 17 februari 2011 over de regels van de rechtsstaat in Rusland(1), die van 13 september 2012 over het politieke gebruik van de rechtspleging in Rusland(2) en die van 13 december 2012 met aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Raad, de Commissie en de Europese dienst voor extern optreden inzake de onderhandelingen over de nieuwe overeenkomst EU-Rusland(3),

–  gezien de bestaande partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, en de lopende onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland,

–  gezien het „moderniseringspartnerschap” waartoe in 2010 het startsein werd gegeven in Rostov aan de Don, en de toezegging van de Russische leiders dat zij zich sterk willen maken voor de rechtsstaat als fundament voor de modernisering van Rusland,

–  gezien de Russische grondwet, en met name artikel 118 daarvan, dat stipuleert dat in de Russische Federatie uitsluitend recht wordt gesproken door rechtbanken, en artikel 120 daarvan, dat stipuleert dat rechters onafhankelijk zijn en uitsluitend ondergeschikt aan de Russische grondwet en de federale wetten,

–  gezien het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld,

–  gezien de resultaten van de top EU-Rusland van 3-4 juni 2013 en het overleg over de mensenrechten van 19 mei 2013,

–  gezien de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de Vereniging Golos, over de situatie van de ngo's in de Russische Federatie en over de zaak Magnitsky,

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de verklaring van de VN over mensenrechtenactivisten en de verklaring van de VN inzake het recht en de verantwoordelijkheid van individuele personen, groepen en organen van de samenleving om algemeen erkende mensenrechten en fundamentele vrijheden te bevorderen en te beschermen,

–  gezien het feit dat het Europees Parlement de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken in 2009 heeft toegekend aan Memorial, een Russische niet-gouvernementele organisatie die onder meer campagne voert voor de rechten van politieke gevangenen in Rusland, en gezien de toenemende steun in het Europees Parlement voor Memorial als kandidaat voor de Nobelprijs voor de Vrede,

–  gezien de adviezen van de Commissie van Venetië inzake Russische federale wet nr. 65 van 8 juni 2012 betreffende vergaderingen, bijeenkomsten, demonstraties, marsen en het organiseren van stakingsposten en het wetboek van administratieve overtredingen, inzake de Russische federale wet betreffende de bestrijding van extremistische activiteiten en inzake de Russische federale wet betreffende de Federale Veiligheidsdienst (FSB),

–  gezien de artikelen artikel 122, lid 5, en 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie zich blijft inzetten voor de verdere verdieping en ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Rusland overeenkomstig de beginselen die besloten liggen in het Partnerschap voor modernisering, dat gebaseerd is op een diepe wederzijdse gehechtheid aan de democratische beginselen, de eerbiediging van de grondrechten en de mensenrechten, de rechtsstaat, het vrije woord, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vergadering, en de eerbiediging van de menselijke waardigheid en gelijkheid;

B.  overwegende dat Rusland zich als lid van de Raad van Europa en van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en als ondertekenaar van VN-verklaringen heeft verplicht tot de bescherming en bevordering van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat;

C.  overwegende dat er grote bezorgdheid blijft bestaan over de ontwikkelingen in de Russische Federatie ten aanzien van de eerbiediging en bescherming van de rechten van de mens en de naleving van algemeen aanvaarde democratische beginselen, regels en procedures;

D.  overwegende dat de vrijheid van de pers en de media, zowel online als offline, een essentieel aspect is van een democratische en open samenleving, maar ook van fundamenteel belang is bij het tegengaan van corruptie en de bescherming van de mensenrechten en de rechtsstaat; overwegende dat de onafhankelijke pers, als een collectieve manifestatie van vrije meningsuiting, een van de belangrijkste spelers in het medialandschap is en als waakhond van de democratie optreedt;

E.  overwegende dat diverse onderzoeken en gerechtelijke procedures in de afgelopen jaren, onder andere in de zaken Magnitsky, Chodorkovsky en Politkovskaja, twijfel hebben doen rijzen aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de justitiële instellingen van de Russische Federatie; overwegende dat bovengenoemde geruchtmakende zaken slechts de in het buitenland bekendste voorbeelden zijn van het feit dat de Russische staat stelselmatig nalaat de rechtsstaat te handhaven en zijn burgers recht te doen;

F.  overwegende dat Alexei Navalny, een prominente advocaat, corruptiebestrijder en maatschappelijk activist, momenteel in Rusland terechtstaat op beschuldigingen die er naar zijn opvatting op wijzen dat het gaat om een politiek gemotiveerde poging om hem te straffen als een van de meest prominente tegenstanders van de regering; overwegende dat Navalny consequent de enorme corruptie binnen de hoogste niveaus van het Russische staatsapparaat aan de kaak heeft gesteld;

G.  overwegende dat het openbaar ministerie activisten van de oppositie die op 6 mei 2012 – de dag vóór de inauguratie van president Poetin – hadden deelgenomen aan de „Miljoenenmars”, blijft vervolgen; overwegende dat de demonstratie op het Bolotnaya-plein volgens betrouwbare onafhankelijke rapporten met geweld werd verstoord door de oproerpolitie, die de deelnemers onderwierp aan disproportioneel en arbitrair geweld; overwegende dat volgens rapporten van de Presidentiële Raad voor de mensenrechten, de ombudsman voor de mensenrechten en een onafhankelijke onderzoekscommissie bestaande uit hooggeplaatste prominenten zowel de Russische autoriteiten als de politie voor het geweld verantwoordelijk waren;

H.  overwegende dat de wetten die de afgelopen maanden zijn goedgekeurd met betrekking tot de registratie van politieke partijen, de financiering van ngo's, het recht van vergadering, extremisme, laster en de toepassing van internetfiltersystemen aanzienlijk hebben bijgedragen aan de verslechtering van het klimaat ten aanzien van de ontwikkeling van een echte civiele samenleving in Rusland;

I.  overwegende dat het Russische parlement in juli 2012 een wet heeft aangenomen waarin wordt bepaald dat Russische ngo's die zich bezighouden met politieke activiteiten en steun ontvangen uit het buitenland als „buitenlandse agenten” zullen worden geregistreerd; overwegende dat de nieuwe wetten inzake ngo's en inzake het recht van vergadering zijn ingezet om het maatschappelijk middenveld te onderdrukken, afwijkende politieke meningen te doen verstommen en ngo's, democratische oppositie en de media te intimideren;

J.  overwegende dat de federale autoriteiten niets hebben ondernomen om te beletten dat discriminerende wetgeving waarbij een verbod is ingesteld op „het voeren van homoseksuele propaganda” in negen Russische regio's in werking is getreden; overwegende dat de Doema onlangs op nationaal niveau een soortgelijke wet heeft ingevoerd;

K.  overwegende dat leden van de Presidentiële Raad voor de mensenrechten hebben geklaagd over pesterijen, intimidatie, ondervragingen, het doorzoeken van hun kantoren en woningen en andere maatregelen die door de Russische ordehandhavers zijn uitgevoerd;

L.  overwegende dat de verdere ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Rusland wordt tegengehouden doordat Rusland er niet in slaagt de democratische waarden volledig te omarmen en de rechtsstaat te versterken;

1.  herinnert Rusland aan het belang van volledige naleving van zijn internationale wettelijke verplichtingen als lid van de Raad van Europa, alsook van de fundamentele mensenrechten en de rechtsstaat die zijn verankerd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR);

2.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de recente repressieve wetten en de willekeurige toepassing daarvan door de Russische autoriteiten, wat vaak leidt tot intimidatie van ngo's, activisten uit het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenactivisten en minderheden;

3.  is diep bezorgd over het feit dat Rusland er niet in slaagt zijn internationale wettelijke verplichtingen na te komen om de vrijheid van vereniging, meningsuiting en vergadering te respecteren, hetgeen een bedreiging vormt voor zowel het voortbestaan van de bruisende civiele samenleving in Rusland als voor de samenwerking met de EU;

4.  uit nogmaals zijn teleurstelling over de wet waarbij aan Russische niet-commerciële organisaties die zich bezighouden met politieke activiteiten en die gefinancierd worden uit het buitenland de status van „buitenlandse agent” wordt toegekend; dringt er bij de Russische autoriteiten op aan ngo's niet meer als „buitenlandse agenten” te laten registreren op basis van een wet die het staatstoezicht op ngo's heeft uitgebreid en waarin een vage definitie van politieke activiteiten is opgenomen waardoor ngo's worden gestigmatiseerd en een klimaat wordt gecreëerd dat het maatschappelijk middenveld vijandig gezind is;

5.  is van mening dat de wijdverbreide, gerichte en indringerige inspecties, de confiscatie van eigendommen en het opleggen van administratiefrechtelijke boetes aan Russische ngo's en hun activisten die naar verluidt buitenlandse steun zouden ontvangen, onaanvaardbaar zijn en indruisen tegen het recht op vrijheid van vereniging; hekelt voorts het feit dat er invallen worden uitgevoerd bij en pressie wordt uitgeoefend op een aantal internationale politieke stichtingen; acht het zeer te betreuren dat enkele ngo's reeds voor het gerecht zijn gedaagd, zoals Memorial in Sint-Petersburg, of al zijn veroordeeld, zoals Golos en het Levada Centrum; is bezorgd over de onderzoeken die zijn ingesteld tegen internationale niet-gouvernementele organisaties die actief zijn bij de opbouw van de democratie in Rusland, met inbegrip van internationale instituten;

6.  dringt er bij de Russische autoriteiten op aan deze problemen aan te pakken door de bovengenoemde wetten in overeenstemming te brengen met de internationale normen en de internationale en constitutionele mensenrechtenverplichtingen van Rusland, alsook met zijn eigen grondwet, met name door onnodige wettelijke, administratiefrechtelijke en andere beperkingen op de activiteiten van ngo's te schrappen;

7.  dringt er bij de vicevoorzitter / hoge vertegenwoordiger, de EDEO en de Commissie op aan tijdens de lopende onderhandelingen over het volgende meerjarig financieel kader en in de loop van de programmeringsfase rekening te houden met de verslechterende situatie van het maatschappelijk middenveld, de gedwongen terugtrekking van andere internationale donoren en de steeds talrijkere verzoeken om steun van de EU, en derhalve te voorzien in een aanzienlijke uitbreiding van de financiële steun van de Unie aan de ngo's en het maatschappelijk middenveld;

8.  is ernstig bezorgd over de negatieve gevolgen van de invoering van een federale wet op „homoseksuele propaganda”, die de discriminatie en het geweld tegen lesbiennes, homo's, biseksuelen, transgenders en interseksuelen zou kunnen doen toenemen;

9.  roept de Russische autoriteiten ertoe op politiek pluralisme, vrije media, de rechtsstaat, de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het justitieel apparaat, de vrijheid van meningsuiting en vergadering – ook op het internet – effectieve en onafhankelijke vakbonden en non-discriminatie te waarborgen als een noodzakelijke voorwaarde voor de verdere ontwikkeling en modernisering van Rusland op een zodanige wijze dat het de individuele en collectieve rechten van al haar burgers erkent en beschermt; wijst er nogmaals op dat staten volgens het internationale recht verplicht zijn de financiering van activiteiten van het maatschappelijk middenveld direct of indirect te ondersteunen, met name door het creëren van een gunstig klimaat en zonder hun onafhankelijkheid te belemmeren;

10.  geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over meldingen van politiek gemotiveerde processen, oneerlijke procedures en het niet-onderzoeken van ernstige misdrijven zoals moord, intimidatie en andere gewelddaden, zoals blijkt in de zaken Magnitsky, Chodorkovsky, Politkovskaja en in andere gevallen; dringt er bij de Russische gerechtelijke en rechtshandhavingautoriteiten op aan dat zij hun taken effectief, onpartijdig en onafhankelijk uitvoeren om plegers van misdaden voor het gerecht te brengen;

11.  herinnert aan zijn aanbeveling betreffende gemeenschappelijke visumbeperkingen voor Russische functionarissen die betrokken zijn bij de zaak van ​​Sergej Magnitsky en verzoekt de Raad en de Commissie een EU-breed visumverbod in te stellen tegen – en de in de EU aangehouden financiële tegoeden te bevriezen van – alle functionarissen die betrokken zijn bij de dood van Magnitsky, die postuum wordt vervolgd, alsook jegens andere ernstige mensenrechtenschenders in Rusland; onderstreept dat deze personen niet mogen profiteren van enigerlei visumfaciliteiten in het kader van de desbetreffende overeenkomst tussen de EU en Rusland;

12.  dringt er bij de lidstaten op aan visumaanvragen van vervolgde Russische politieke activisten te vergemakkelijken en positief te beoordelen;

13.  is verheugd over de recente heropening van de procedure in de affaire van de moord op Anna Politkovskaja, meer dan zes jaar nadat ze is neergeschoten, maar deelt de bezorgdheid dat het antwoord op de vraag wie opdracht heeft gegeven tot de moord waarschijnlijk niet aan het licht zal komen;

14.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de zaak van Alexei Navalny en betreurt de naar wordt aangenomen politiek gemotiveerde aard van diens vervolging; verzoekt de Russische autoriteiten met klem erop toe te zien dat hem zijn volle rechten worden toegekend en dat zijn proces voldoet aan de internationaal gangbare normen van een eerlijke procesvoering; dringt er in dit verband bij de EU-delegatie en de missies van de lidstaten in Rusland op aan toezicht uit te oefenen op de processen tegen alle mensenrechtenverdedigers, waaronder ook Navalny en anderen, met name op regionaal niveau;

15.  dringt er bij Rusland in verband met de „miljoenenmars” op aan een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de gewelddaden op het Bolotnaya-plein en in het bijzonder een enquête in te stellen naar de beschuldigingen van buitensporig gebruik van geweld tegen demonstranten; uit zijn bezorgdheid over het naar verluidt politiek gemotiveerde karakter van de vervolgingen in verband met de gewelddaden op het Bolotnaya-Plein;

16.  dringt er bij de Russische autoriteiten op aan de vrijheid van de pers en de media zowel online als offline te garanderen, een pluriform medialandschap te bevorderen, zodat mediaplatforms, journalisten en bloggers hun essentiële rol in de Russische samenleving zelfstandig kunnen vervullen, en het vrije verkeer van informatie te waarborgen en de vrijheid van meningsuiting te garanderen; onderstreept het belang van de wetgeving op het gebied van de vrijheid van informatie, die essentieel is voor journalisten en maatschappelijke organisaties om hun rol als waakhonden goed te kunnen vervullen;

17.  roept Rusland op volledig mee te werken aan de speciale procedures van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, onder meer door een permanente uitnodiging te doen uitgaan voor bezoeken aan het land en door positief te reageren op nog in te willigen verzoeken om toegang voor de speciale rapporteurs van de VN inzake de bescherming van mensenrechtenactivisten, de vrijheid van vereniging en vergadering en de vrijheid van meningsuiting in Rusland; roept Rusland ertoe op in te gaan op de aanbevelingen die binnen de Mensenrechtenraad zijn gedaan in het kader van de universele periodieke doorlichting van Rusland om wetgeving die de werkzaamheden van ngo's ongunstig beïnvloedt in te trekken of te herzien en op te houden met de obstructie van mensenrechtenactiviteiten;

18.  verzoekt de Raad de conclusies van de EU-Raad Buitenlandse Zaken inzake de mensenrechten in Rusland aan te nemen, hetgeen bevorderlijk zou zijn om kritische ondersteuning te bieden aan allen die zich in Rusland bezighouden met de bescherming van de mensenrechten en ook om de 27 EU-lidstaten en de EU-instellingen vast te leggen op een gemeenschappelijke boodschap en een gemeenschappelijke strategie met betrekking tot de mensenrechten in Rusland;

19.  dringt er bij Rusland op aan alle mogelijke voorzieningen te treffen om ervoor te zorgen dat alle leden van de Presidentiële Raad voor de mensenrechten, en meer in het algemeen allen die zich inzetten voor de verdediging van de mensenrechten in Rusland, bescherming wordt geboden tegen pesterijen en intimidatie;

20.  spoort de voorzitters van de Raad en de Commissie, alsmede de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, ertoe aan deze zaken van nabij te blijven volgen, deze kwesties binnen verschillende fora en bijeenkomsten met Rusland aan te kaarten en aan het Parlement verslag uit te brengen over hun contacten met de Russische autoriteiten;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

(1) PB C 188 E van 28.6.2012, blz. 37.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0352.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0505.


Azerbeidzjan: de zaak-Ilgar Mammadov
PDF 127kWORD 24k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over Azerbeidzjan: de zaak-Ilgar Mammadov (2013/2668(RSP))
P7_TA(2013)0285RC-B7-0289/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in Azerbeidzjan, met name die over de mensenrechten en de rechtsstaat,

–   gezien de gezamenlijke verklaring van 9 februari 2013 van Catherine Ashton, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en Štefan Füle, commissaris, over de arrestaties van de heer Tofiq Yaqublu, columnist voor een krant en ondervoorzitter van de oppositiepartij Musavat, en van de heer Ilgar Mammadov, leider en presidentskandidaat van de Republikeinse Alternatieve Partij (REAL),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 7 juni 2013 van de respectieve woordvoerders van Catherine Ashton en commissaris Füle over beteugeling van de vrijheid van meningsuiting in Azerbeidzjan,

–  gezien de verklaring van 3 mei 2013 van Thorbjørn Jagland, secretaris-generaal van de Raad van Europa, over nieuwe aanklachten tegen de heer Mammadov,

–  gezien de verklaring van 18 maart 2013 van het Congres van lokale en regionale overheden van de Raad van Europa,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 52 Azerbeidzjaanse middenveldsorganisaties die om de vrijlating van de heer Mammadov en de heer Yaqublu verzoeken,

–  gezien de bestaande betrekkingen tussen de EU en Azerbeidzjan, die van 1999 dateren en weerspiegeld worden in de uitvoering van het actieplan in het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid (ENB), de oprichting van het Oostelijk Partnerschap, de onderhandelingen over een associatieovereenkomst EU-Azerbeidzjan, en de deelname van Azerbeidzjan aan de Parlementaire Vergadering Euronest,

–  gezien de lopende onderhandelingen tussen de EU en Azerbeidzjan over een associatieovereenkomst,

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over „Een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU”(1),

–  gezien het in het kader van het ENB opgestelde voortgangsverslag 2012 over Azerbeidzjan van 20 maart 2013,

–  gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de heer Mammadov, leider van de oppositiebeweging REAL en directeur van de politieke hogeschool van de Raad van Europa in Bakoe, en de heer Yaqublu, ondervoorzitter van de oppositiepartij Musavat, op 4 februari 2013 werden gearresteerd door de Azerbeidzjaanse autoriteiten en sindsdien onrechtmatig in hechtenis worden gehouden; overwegende dat de heer Mammadov ervan beschuldigd wordt bij zijn bezoek aan de stad Ismaili te hebben aangezet tot rellen;

B.   overwegende dat zijn initiële voorarrest twee keer werd verlengd met de klaarblijkelijke bedoeling hem tijdens de komende verkiezingen achter de tralies te hebben; overwegende dat Ilgar Mammadov volgens recente berichten in een strafcel is geplaatst, wat doet vermoeden dat hij geviseerd wordt;

C.   overwegende dat de algemene mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan er stelselmatig op achteruit is gegaan de afgelopen jaren, ondanks de goedkeuring van het ENB-actieplan, met toenemende druk op en intimidatie van ngo's en onafhankelijke media, wat heeft gezorgd voor angst bij veel oppositieleden en voorvechters van de mensenrechten, alsook bij jongeren en activisten die actief zijn op sociale netwerken, met zelfcensuur bij journalisten tot gevolg;

D.   overwegende dat de heer Mammadov voor zijn arrestatie was aangewezen als de kandidaat van de oppositiepartij REAL voor de presidentsverkiezingen in Azerbeidzjan in oktober 2013;

E.   overwegende dat mensenrechtenactivisten en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld de arrestatie van Mammadov onrechtmatig en politiek gemotiveerd noemen, en spreken van een poging tot intimidatie van de oppositie;

F.   overwegende dat de Commissie, de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en de regeringen van de lidstaten hun ernstige bezorgdheid over deze zaak hebben uitgesproken;

G.   overwegende dat de EU haar ernstige bezorgdheid over de manipulatie van de rechterlijke macht voor politieke doeleinden heeft uitgesproken;

H.  overwegende dat de vertegenwoordiger van de Raad van Europa in Bakoe niet werd toegelaten tot de eerste rechtszitting in februari 2013, en dat een groep ambassadeurs van de Raad van Europa die Azerbeidzjan onlangs bezocht geen toestemming kreeg om Ilgar Mammadov te ontmoeten;

I.  overwegende dat de vrijheid van zowel de digitale als reguliere pers en media een cruciaal onderdeel is van een democratische en open samenleving en essentieel is voor de bescherming van de mensenrechten en de rechtsstaat;

J.   overwegende dat journalisten, bloggers, activisten en andere onafhankelijke denkers onverminderd geconfronteerd worden met ernstige beperkingen van hun vrijheid van meningsuiting in Azerbeidzjan en moeten vrezen voor vervolging op grond van valse aanklachten, voor pesterijen, intimidatie en fysieke aanvallen;

K.  overwegende dat er sinds 2006 niet meer betoogd mag worden in het centrum van Bakoe, en dat er onlangs nieuwe, strenge boetes en langere periodes van administratieve aanhouding zijn ingevoerd voor organisatoren en deelnemers van ongeoorloofde publieke bijeenkomsten;

L.  overwegende dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten onlangs hebben gevraagd de status van de missie van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) in Bakoe te verlagen tot „programmacoördinatiebureau”, wat wordt beschouwd als een poging om de verwachte kritiek van de OVSE op de presidentsverkiezingen in oktober 2013 te temperen;

M.  overwegende dat het parlement van Azerbeidzjan, het Milli Mejlis, tegen de gemaakte afspraken in een herziening van de strafwet heeft doorgevoerd die maakt dat smaad op het internet tot drie jaar cel kan leiden, een maatregel die een bijkomende belemmering creëert voor het functioneren van onafhankelijke en onpartijdige media in Azerbeidzjan;

N.  overwegende dat Azerbeidzjan momenteel deelneemt aan het overleg met de Commissie van Venetië van de Raad van Europa over de hervorming van de smaadwetgeving in het land, die zich opdringt naar aanleiding van twee arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mensen ten nadele van Azerbeidzjan; overwegende dat het Azerbeidzjaanse parlement niettemin nieuwe wetswijzigingen heeft aangenomen die de toepassing van smaadbepalingen op online meningsuiting vergemakkelijken;

O.  overwegende dat Azerbeidzjan lid is van de Raad van Europa en in 2014 het roterende voorzitterschap van deze organisatie zal uitoefenen, en overwegende dat het land partij is bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens;

P.  overwegende dat Azerbeidzjan actief deelneemt aan het ENB en het Oostelijk Partnerschap, betrokken is bij de onderhandelingen over een associatieovereenkomst en bij de bevordering van samenwerkingsinitiatieven in het kader van het Oostelijk Partnerschap, een stichtend lid is van Euronest, en zich ertoe verbindt de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat, stuk voor stuk essentiële waarden van deze initiatieven, te eerbiedigen;

Q.  overwegende dat Azerbeidzjan nieuwe wetten heeft aangenomen waarin de definitie van smaad wordt verruimd, de regels betreffende de financiering van ngo's worden aangescherpt, en strengere straffen voor inbreuken in verband met openbare bijeenkomsten worden ingevoerd;

R.  overwegende dat Azerbeidzjan voor de periode 2012-2013 als niet-permanent lid zitting heeft in de VN-Veiligheidsraad en zich ertoe heeft verbonden de in het Handvest van de Verenigde Naties en de Universele Verklaring van de rechten van de mens verankerde waarden in ere te houden;

S.  overwegende dat 2013 een belangrijk verkiezingsjaar is voor Azerbeidzjan, dat zich ertoe heeft verbonden het algemene klimaat voor democratische verkiezingen te verbeteren;

1.  benadrukt dat de volwaardige eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat centraal staat in het kader voor samenwerking met het Oostelijk Partnerschap en in de toezeggingen van Azerbeidzjan binnen de Raad van Europa en de OVSE;

2.   veroordeelt de hechtenis van de heer Mammadov stellig, dringt aan op zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating, roept de Azerbeidzjaanse autoriteiten op de man niet langer te vervolgen en de aanklachten tegen hem op snelle, billijke, transparante en onafhankelijke wijze te onderzoeken;

3.   verzoekt de EU de Republiek Azerbeidzjan bij te staan en verder te ondersteunen in haar inspanningen voor de versterking van de democratie en de rechtsstaat en voor de hervorming van het gerechtelijk apparaat en de rechtshandhavingssystemen, met bijzondere aandacht voor de bescherming van de mensenrechten;

4.   toont zich zeer bezorgd over de berichten van mensenrechtenactivisten en binnenlandse en internationale ngo's over valse aanklachten tegen politici, activisten en journalisten;

5.   veroordeelt de intimidatie, aanhouding, hechtenis en vervolging van leiders en leden van oppositiepartijen, activisten, journalisten en bloggers op grond van het loutere feit dat ze hun mening hebben geuit en hun fundamentele rechten en vrijheden hebben uitgeoefend conform internationale normen;

6.   verzoekt de Azerbeidzjaanse autoriteiten de vrijheid van zowel de digitale als reguliere pers en media ten volle te eerbiedigen en de vrijheid van meningsuiting te waarborgen;

7.   verzoekt de Azerbeidzjaanse autoriteiten hun smaadwetgeving te herzien en smaad in de toekomst te bestraffen met evenredige boetes, niet met opsluiting;

8.   verzoekt de Azerbeidzjaanse autoriteiten de vrijheid van vergadering van de Azerbeidzjaanse bevolking ten volle te eerbiedigen;

9.   ondersteunt de lopende onderhandelingen over een associatieovereenkomst EU-Azerbeidzjan en herhaalt zijn standpunt dat een dergelijke overeenkomst clausules en benchmarks dient te omvatten met betrekking tot de bescherming en de bevordering van de mensenrechten, met name op het vlak van de vrijheid van media, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van vergadering, die aansluiten bij de beginselen en rechten die zijn verankerd in de grondwet van Azerbeidzjan, alsook bij de toezeggingen die Azerbeidzjan deed binnen de Raad van Europa en de OVSE;

10.  roept de Azerbeidjaanse autoriteiten op de verkiezingswetgeving, de vrijheid van vergadering, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van media af te stemmen op de internationale normen en te zorgen voor de volledige handhaving ervan;

11.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) om het „meer voor meer”-beginsel strikt toe te passen, met bijzondere nadruk op inclusieve, vrije en eerlijke verkiezingen, een onafhankelijke rechterlijke macht, democratische hervormingen, fundamentele rechten en vrijheden, en om duidelijk aan te geven wat de gevolgen zijn indien de nodige hervormingen uitblijven;

12.  dringt er bij de Azerbeidjaanse autoriteiten op aan zich nog meer in te spannen voor een hervorming van alle aspecten van het rechtsstelsel: vervolging, proces, vonnis, hechtenis en beroep;

13.  verzoekt Commissievoorzitter Barroso Azerbeidzjan aan te spreken op de bedenkelijke mensenrechtensituatie in het land, met verwijzing naar het meest recente voortgangsverslag in het kader van het ENB, dit tijdens het geplande bezoek van president Ilham Aliev aan Brussel;

14.  staat achter het werk van de EDEO en roept de EU-delegatie in Bakoe op nauw te blijven toezien op de zorgpunten inzake de mensenrechten tijdens het komende verkiezingsproces, steun te betuigen aan mensenrechtenactivisten door evenementen van het maatschappelijk middenveld bij te wonen en zich namens hen uit te spreken, rechtszaken op de voet te volgen, en de vrijheid van media te bevorderen, onder meer door erop aan te dringen dat onafhankelijke radio- en televisiezenders tijdens de verkiezingscampagne ongestoord kunnen uitzenden;

15.  verzoekt de Azerbeidzjaanse autoriteiten om het Mensenrechtenhuis van Azerbeidzjan onvoorwaardelijke toestemming te geven zijn activiteiten te hervatten, en om het Centrum voor verkiezingstoezicht en democratische studies en de Mensenrechtenclub officieel te registreren, zonder verder uitstel of administratieve hinderpalen;

16.  roept de Azerbeidzjaanse autoriteiten op alle arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot het land na te leven;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Dienst voor extern optreden, de Europese Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de Republiek Azerbeidzjan, de Raad van Europa, de OVSE en de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0470.


Situatie van de Rohingya-moslims
PDF 132kWORD 27k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de situatie van de Rohingya-moslims (2013/2669(RSP))
P7_TA(2013)0286RC-B7-0295/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Birma/Myanmar, met name die van 20 april 2012(1), 13 september 2012(2) en 22 november 2012(3),

–  gezien zijn resolutie van 23 mei 2013 over de hernieuwde toekenning aan Myanmar/Birma van de voordelen van algemene tariefpreferenties(4),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van de EU van 22 april 2013 over Myanmar/Birma,

–  gezien de verklaring van 27 november 2012 van de hoge vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, over de resolutie van 2012 van de Algemene Vergadering van de VN over de situatie van de mensenrechten in Myanmar,

–  gezien de verklaring die de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, op 1 juni 2013 aflegde over de overeenkomst gesloten tussen de regering van Myanmar/Birma en de Onafhankelijkheidsbeweging van Kachin,

–  gezien de verklaring van 9 augustus 2012 van de commissaris van de EU voor internationale samenwerking, humanitaire hulp en crisisbestrijding, Kristalina Georgieva, over de situatie van de Rohingya-moslims,

–  gezien het eindverslag van het delegatiebezoek aan Birma/Myanmar van 3 tot 5 april 2013 door de Subcommissie mensenrechten,

–  gezien de beperkende maatregelen van de Europese Unie, neergelegd in Besluit 2010/232/GBVB van de Raad van 26 april 2010 en laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 1083/2011 van de Raad van 27 oktober 2011,

–  gezien de verklaring die de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, op 23 maart 2013 aflegde over de gewelddadige conflicten in de plaats Meiktila in Birma/Myanmar,

–  gezien de verklaring die de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, op 2 april 2013 aflegde over het bericht van de dood van 13 kinderen die waren omgekomen bij een brand in een moslimschool in Birma,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966,

–  gezien het VN-verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen en het aanvullende protocol hierbij van 1967,

–  gezien resolutie 67/233 van 24 december 2012 van de Algemene Vergadering van de VN over de situatie van de mensenrechten in Myanmar,

–  gezien de oproep van de UNHCR van 13 november 2012 aan de regeringen in Zuidoost-Azië om hun grenzen open te houden voor personen die Birma over zee ontvluchten,

–  gezien het verslag van 6 maart 2013 van de speciale rapporteur van de Verenigde Naties over de mensenrechtensituatie in Birma/Myanmar, alsmede zijn verklaring van 11 juni 2013 dat „de schendingen van de mensenrechten van de Rohingya's in de staat Rakhine op omvangrijke en stelselmatige wijze worden gepleegd”,

–  gezien de verklaring van Aun San Suu Kyi van 27 mei 2013 over het „tweekindbeleid” voor Rohingya-moslims,

–   gezien het besluit van de ASEAN-top van november 2011 om het voorzitterschap van de ASEAN in 2014 toe te kennen aan Birma/Myanmar,

–   gezien het rapport van Human Rights Watch getiteld „All You Can Do is Pray: Crimes Against Humanity and Ethnic Cleansing of Rohingya Muslims in Burma’s Arakan State” van 22 april 2013,

–  gelet op de artikelen 122, lid 5, en 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de vervolging van en het geweld tegen de Rohingya-minderheid steeds erger worden, vooral in de vorm van vernietiging van eigendom en van gebedshuizen, massale arrestaties, willekeurige opsluiting, marteling, verkrachting en het beperken van de bewegingsvrijheid, de huwelijksrechten en de toegang tot onderwijs;

B.  overwegende dat het religieus geweld dat begon in de staat Rakhine zich over het land heeft verspreid; overwegende dat tussen maart en mei 2013 verschillende aanvallen op moslims zijn gemeld in de divisie Rangoon, Mandalay en Bago, alsmede in de staten Kachin en Shan, met als gevolg 46 doden en meer dan 14 000 ontheemden;

C.  overwegende dat het sektarisch geweld zich nu heeft verspreid naar een nieuwe regio in Birma, getuige het feit dat winkels in de stad Lashio in de staat Shan op 28 mei 2013 door een menigte in brand zijn gestoken en drie Rohingya-vrouwen in de plaats Parein op 4 juni 2013 door de politie zijn gedood bij een conflict over huisvesting voor leden van de ontheemde minderheid;

D.  overwegende dat meer dan 130 000 ontheemde Rohingya's in kampen en andere gebieden verblijven en de regering van Birma/Myanmar slechts in beperkte en ontoereikende mate humanitaire hulp aan de getroffen Rohingya-bevolking toelaat; overwegende dat veel Rohingya's in gebieden moeten verblijven die regelmatig overstromen, waar zij blootgesteld zijn aan moessonregens en cyclonen; overwegende dat zij niet naar huis terug kunnen keren vanwege het aanhoudende geweld of omdat hun huizen zijn vernietigd, ofwel omdat zij door veiligheidstroepen worden belet de kampen te verlaten waar zij worden vastgehouden;

E.  overwegende dat tienduizenden Rohingya's over zee zijn gevlucht om aan de vervolging te ontkomen, en overwegende dat honderden van hen om het leven zijn gekomen door zinkende boten of doordat zij weer de zee opgejaagd werden; overwegende dat bijna 1700 Rohingya's die Birma ontvluchtten volgens berichten onder mensonterende omstandigheden worden vastgehouden in Thaise detentiecentra voor immigranten;

F.  overwegende dat de onafhankelijke onderzoekscommissie die in augustus 2012 is opgericht om het sektarisch geweld in de staat Rakhine te onderzoeken op 23 april 2013 een rapport heeft uitgebracht met aanbevelingen om de spanningen te verminderen, maar niettemin heeft geweigerd de Rohingya-identiteit te erkennen, geen verantwoordelijken heeft aangewezen voor de mensenrechtenschendingen tijdens de onlusten, zich uitsprak voor een „tijdelijke scheiding” van de moslim- en boeddhistische gemeenschappen, en de aanbeveling deed om onaanvaardbare geboortebeperkingsprogramma's voor moslims in te voeren;

G.  overwegende dat de president van Myanmar/Birma U Thein Sein in een toespraak op 6 mei 2013 de belofte deed dat zijn regering de grondrechten van moslims in de staat Rakhine zou garanderen, en dat hij weliswaar enkele stappen heeft ondernomen om de burgerrechten in het land uit te breiden, maar dat de dramatische situatie van de Rohingya's, en van de interetnische betrekkingen in het algemeen, het gehele hervormingsproces in Birma/Myanmar in gevaar zou kunnen brengen; overwegende dat geloofwaardige onafhankelijke berichten wijzen op de medeplichtigheid van de autoriteiten van Birma/Myanmar aan misdaden tegen de menselijkheid gericht tegen de Rohingya-bevolking, die ertoe hebben geleid dat de staat Rakhine grotendeels naar religie is opgesplitst;

H.  overwegende dat de regering van Birma/Myanmar onlangs heeft aangekondigd het tweekindbeleid opnieuw te zullen invoeren; overwegende dat dit door de speciale rapporteur van de VN over de mensenrechten in Birma/Myanmar, Tomás Ojea Quintana, is veroordeeld als een discriminerende dwangmaatregel tegen de Rohingya's in de staat Rakhine, die een schending inhoudt van de fundamentele mensenrechten van de Rohingya's en van de internationale verplichtingen en verbintenissen op het gebied van de mensenrechten;

I.  overwegende dat de internationale gemeenschap er bij de regering van Birma/Myanmar op heeft aangedrongen haar wet op het staatsburgerschap van 1982 te herzien, om ervoor te zorgen dat de Rohingya's niet langer staatloos zijn en de diepere oorzaken van de al lang bestaande discriminatie tegen de Rohingya-bevolking worden aangepakt;

J.  overwegende dat dr. Tun Aung, een 65-jarige arts en gerespecteerd leider in de gemeenschap in de staat Rakhine, in juni 2012 werd gearresteerd en veroordeeld tot 17 jaar gevangenisstraf op grond van beschuldigingen die door een groot aantal mensenrechtengroeperingen, waaronder Amnesty International, zijn gekenschetst als politiek gemotiveerd;

K.  overwegende dat volgens het rapport van 22 april 2013 van Human Rights Watch getiteld „All You Can Do is Pray: Crimes Against Humanity and Ethnic Cleansing of Rohingya Muslims in Burma’s Arakan State”, de misdaden die vorig jaar tegen de Rohingya's zijn begaan, naar verluidt ook door overheidsinstanties, neerkomen op misdaden tegen de menselijkheid en etnische zuivering; overwegende dat in dit rapport ook bewijzen worden vermeld voor vier massagraven in de staat Rakhine, daterend uit 2012;

L.  overwegende dat de pers- en mediavrijheid, zowel online als offline, een cruciale rol spelen bij het opsporen en documenteren van mensenrechtenschendingen en het ter verantwoording roepen van regeringen;

M.  overwegende dat volgens de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens eenieder het recht heeft om in geval van vervolging asiel aan te vragen;

1.  veroordeelt de ernstige schendingen van de mensenrechten en het geweld tegen de Rohingya-moslims in Birma/Myanmar en roept alle partijen op zich te onthouden van geweld;

2.  spreekt zijn medeleven uit met de slachtoffers van het geweld en de onrechtmatige vervolging in Birma/Myanmar;

3.  wijst op de stappen die president U Thein Sein en andere hervormers in Birma/Myanmar in de loop van het jaar hebben ondernomen om democratische hervormingen door te voeren; betreurt echter dat de regering niet in staat is geweest om de Rohingya's te beschermen tegen het georganiseerde geweld, en roept de regering en de gehele samenleving van Birma/Myanmar op om ogenblikkelijk een einde te maken aan de mensenrechtenschendingen, en de plegers van de gewelddadige aanvallen en andere gerelateerde misdaden voor het gerecht te brengen;

4.  dringt er bij de regering van Birma/Myanmar op aan ervoor te zorgen dat haar veiligheidsdiensten alles in het werk stellen om de Rohingya-moslims te beschermen tegen gewelddadigheden; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de beschuldigingen dat leden van de veiligheidsdiensten van Birma/Myanmar hebben deelgenomen aan de gewelddadigheden, en herhaalt zijn dringende oproep om met hulp van de Verenigde Naties een volledig en onafhankelijk onderzoek naar deze beschuldigingen uit te voeren;

5.  benadrukt dat dringend maatregelen moeten worden genomen met het oog op de humanitaire risico's waar alle ontheemden in Birma/Myanmar mee te maken hebben, en met name de Rohingya's; herhaalt zijn oproep aan de regering van Birma/Myanmar om VN-agentschappen en humanitaire ngo's, alsmede journalisten en diplomaten, ongehinderd toegang te verlenen tot alle delen van het land, waaronder de staat Rakhine, en onbeperkte en volledige toegang te waarborgen voor humanitaire steun aan alle gemeenschappen die getroffen worden door conflicten en sektarisch geweld; roept de autoriteiten van Myanmar/Birma op de omstandigheden in de ontheemdenkampen van de Rohingya's met spoed te verbeteren;

6.  dringt er bij alle landen in de regio op aan hun internationale verplichtingen met betrekking tot de rechten van vluchtelingen na te komen, hun grenzen open te stellen voor Rohingya's die asiel zoeken en ze tenminste tijdelijke bescherming te bieden, en tevens de regering van Birma/Myanmar te helpen bij het vinden van duurzame, rechtvaardige oplossingen voor de onderliggende oorzaken;

7.  roept de regering van Thailand op onmiddellijk een einde te maken aan de onmenselijke opsluiting van minstens 1700 Rohingya-asielzoekers en ze toegang te verlenen tot vluchtelingenagentschappen van de VN; betreurt het feit dat de regering van Thailand tot nu toe geen toestemming heeft gegeven aan de UNHCR om onderzoek te doen ter vaststelling van de vluchtelingenstatus van Rohingya-asielzoekers;

8.  dringt er bij de regering van Birma/Myanmar op aan de vestiging van een OHCHR-kantoor toe te staan, met bijkantoren in de staten, om een goede controle van de mensenrechtensituatie in het land mogelijk te maken;

9.  verwelkomt de belofte van president U Thein Sein dat alle geweldplegers vervolgd zullen worden, alsmede zijn inzet voor een multiculturele, multi-etnische en multireligieuze samenleving; roept de president op verdere maatregelen te nemen om de rechtsstaat door te voeren en de achterliggende oorzaken van het geweld aan te pakken;

10.  is ingenomen met de mededeling van president U Thein Sein van 4 juni 2013 dat alle politieke gevangenen in Birma/Myanmar zullen worden vrijgelaten; herhaalt zijn standpunt dat de vrijlating van alle politieke gevangenen, waaronder dr. Tun Aung, onmiddellijk en onvoorwaardelijk moet plaatsvinden, met volledige toekenning van hun rechten en vrijheden;

11.  dringt er bij de regering op aan te blijven werken aan duurzame oplossingen voor de onderliggende oorzaken van de spanningen, waaronder maatregelen om de status van de Rohingya's te regelen, en deze te implementeren; herhaalt zijn eerdere oproepen voor een wijziging of herroeping van de wet op het burgerschap van 1982, om te garanderen dat de Rohingya's gelijke toegang hebben tot het burgerschap van Birma/Myanmar, met zowel rechten als plichten, en de gewijzigde of vervangen wet te laten aansluiten bij internationale normen op het gebied van de mensenrechten en met de verplichtingen van het land uit hoofde van artikel 7 van het VN-Verdrag voor de rechten van het kind;

12.  uit kritiek op de verklaring van de minister van Immigratie Khin Yi van 11 juni 2013, waarin hij zijn steun uitspreekt voor de herinvoering van het tweekindbeleid;

13.  verwelkomt de recente verklaring van oppositieleider Aung San Suu Kyi tegen de herinvoering van het tweekindbeleid voor Rohingya's, en dringt er bij de regering van Birma/Myanmar op aan deze regel ogenblikkelijk in te trekken, tegelijk met andere dwingende of discriminerende beleidsmaatregelen, regels, voorschriften of wetten;

14.  benadrukt het belang van wets- en administratieve wijzigingen om ervoor te zorgen dat een zo groot mogelijk deel van de bevolking van Birma/Myanmar, dus ook minderheden, deelneemt aan de verkiezingen van 2014;

15.  verzoekt de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger deze kwestie op het hoogst mogelijke politieke niveau aan te kaarten bij haar ontmoetingen met vertegenwoordigers van Birma/Myanmar en andere ASEAN-landen;

16.  herinnert eraan dat de Europese Unie recentelijk het stelsel van algemene preferenties (SAP) voor Birma/Myanmar opnieuw heeft ingesteld; herhaalt dat deze preferenties zijn gebonden aan voorwaarden op het gebied van de eerbiediging van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten; dringt er bij de Commissie op aan nauwlettend in het oog te houden welke voortgang de autoriteiten van Myanmar/Birma boeken bij de naleving van deze voorwaarden;

17.  verzoekt de Commissie om, wanneer zij bij het Parlement en de Raad een gedelegeerde handeling indient die tot doel heeft de SAP-regelingen voor Birma/Myanmar na 31 december 2013 voort te zetten, dit voorstel vergezeld te laten gaan van een verslag dat aantoont dat er geen sprake is van ernstige en systematische schendingen van de beginselen neergelegd in de verdragen die worden genoemd in de SAP-verordening, met specifieke aandacht voor de Rohingya's;

18.  verzoekt de Commissie om op doeltreffende en omvattende manier te beoordelen wat de gevolgen zijn van de geplande bilaterale investeringovereenkomst voor de mensenrechten, voordat zij haar voorstel voor onderhandelingsrichtsnoeren indient, alsook om het Parlement en maatschappelijke organisaties nauw bij dit proces te betrekken;

19.  verwacht dat de EDEO het Parlement regelmatig raadpleegt en op de hoogte houdt van het proces tot instelling van een mensenrechtendialoog met Birma/Myanmar; vraagt de EDEO en de lidstaten een lijst op te stellen van gedetailleerde normen op het gebied van de mensenrechten om de voortgang van het hervormingsproces in Myanmar/Birma te kunnen beoordelen; benadrukt dat verdere ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en de regering van Birma/Myanmar pas kan plaatsvinden als merkbare vooruitgang wordt geboekt, met name wat betreft de situatie van de Rohingya's;

20.  roept op tot een substantiële en zichtbare betrokkenheid van maatschappelijk organisaties, waarin ook de Rohingya's vertegenwoordigd moeten zijn, bij de Task Force EU-Birma/Myanmar die later dit jaar wordt opgericht, waarbij moet worden voortgebouwd op de ervaringen van de Task Force EU-Egypte;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regering en het parlement van Birma/Myanmar, de vice-voorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van de EU, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Birma/Myanmar, de secretaris-generaal van de ASEAN, de intergouvernementele commissie voor de mensenrechten van de ASEAN, de speciale vertegenwoordiger van de VN voor de mensenrechten in Myanmar/Birma, de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN, de VN-Raad voor de mensenrechten en de regeringen en parlementen van andere landen in de regio.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0142.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0355.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0464.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0218.

Juridische mededeling - Privacybeleid