Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2663(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0549/2013

Ingediende teksten :

B7-0549/2013

Debatten :

PV 11/12/2013 - 16
CRE 11/12/2013 - 16

Stemmingen :

PV 12/12/2013 - 12.22
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0600

Aangenomen teksten
PDF 135kWORD 55k
Donderdag 12 december 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Beleid voor groene infrastructuur
P7_TA(2013)0600B7-0549/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over Groene infrastructuur (GI) - Het natuurlijke kapitaal van Europa vergroten (2013/2663(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien het zevende milieuactieprogramma,

–  gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal" (COM (2013)0249),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik (COM(2011)0571),

–  gezien de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 (COM(2011)0244),

–  gezien richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand(1),

–  gezien Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(2),

–  gezien de conclusies van de Raad Milieu van juni 2011 en die van 17 december 2012 (punt 14),

–  gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020(3), met name paragraaf 50,

–  gezien de studie getiteld "De economische aspecten van ecosystemen en biodiversiteit" (TEEB)(4),

–  gezien het Witboek van de Commissie getiteld "Aanpassing aan de klimaatverandering: naar een Europees actiekader" (COM(2009)0147) en de mededeling van de Commissie getiteld "Een EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering" (COM(2013)0216),

–  gezien de vraag aan de Commissie over "Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal" (O-000094/2013 – B7-0525/2013),

–  gezien de "Territoriale Agenda van de Europese Unie 2020: naar een inclusief, slim en duurzaam Europa van diverse regio’s",

–  gezien de doelstellingen van Aichi van het "strategisch plan voor biodiversiteit in de periode 2011-2020", dat in oktober 2010 door de partijen bij het Verdrag inzake biodiversiteit werd aangenomen,

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de afname van de biodiversiteit en de verslechtering van de toestand van onze ecosystemen moeten worden aangepakt om ervoor te zorgen dat er voort ecosysteemdiensten worden geleverd en dat het natuurlijke kapitaal wordt beschermd voor de huidige generatie en voor toekomstige generaties;

B.  overwegende dat groene infrastructuur bijdraagt om ervoor te zorgen dat de natuur het volledige potentieel kan vrijgeven van de ecosysteemdiensten die zij de maatschappij kan leveren;

C.  overwegende dat de afname van de biodiversiteit moet worden aangepakt om het natuurlijke kapitaal te beschermen zowel voor de huidige generatie als voor toekomstige generaties;

D.  overwegende dat antropogene druk de biodiversiteit en de integriteit van de ecosystemen in de Europese Unie in gevaar brengt, ook door de fragmentatie en de vernietiging van natuurlijke habitats, de klimaatverandering en het intensievere gebruik van seminatuurlijke habitats;

E.  overwegende dat biodiversiteit en het welzijn van de menselijke maatschappij nauw met elkaar verbonden zijn;

F.  overwegende dat het, teneinde de biodiversiteit van de Unie te behouden en te versterken, van belang is de fragmentatie tot een minimum te beperken en de ecologische connectiviteit te versterken;

G.  overwegende dat overeenkomstig Aichi-biodiversiteitsdoelstelling nr. 11 "tegen 2020 ten minste 17% van de aardoppervlakte en binnenwateren en 10% van de kust- en mariene gebieden, vooral de gebieden die van bijzonder belang zijn voor de biodiversiteit en de ecosysteemdiensten, behouden worden door middel van effectieve en op billijke wijze beheerde, ecologisch representatieve en goed verbonden systemen van beschermde gebieden en andere effectieve gebiedsgebonden instandhoudingsmaatregelen en geïntegreerd worden in de bredere land- en zeegezichten";

H.  overwegende dat groene infrastructuur en landbouw nauw met elkaar verbonden zijn op het vlak van landbouwproductiviteit en bescherming van het agrarisch erfgoed en vanwege de impact van de landbouwactiviteiten op de planning op het gebied van ruimtelijke ordening en grondgebruik;

I.  overwegende dat uit ervaring blijkt dat projecten op het gebied van groene infrastructuur een uitstekende gelegenheid bieden om de natuur te integreren in de maatschappij, met inbegrip van stadsomgevingen, waar een steeds groter deel van de bevolking woont, die blootstaat aan de ernstige gevolgen van het "stedelijk hitte-eilandeffect";

J.  overwegende dat informatie over de manier om in diverse landschappen groene infrastructuur op efficiënte wijze te creëren, beschermen, bevorderen en gebruiken, moet worden verspreid onder de belanghebbenden en moet worden gepubliceerd;

K.  overwegende dat de ervaring heeft uitgewezen dat de planning en ontwikkeling van infrastructuurprojecten sleutelfasen zijn waarin ervoor moet worden gezorgd dat de ecologische, economische en de maatschappelijke behoeften met elkaar worden geïntegreerd, zowel in stadslandschappen als in rurale landschappen;

L.  overwegende dat in regionale, stedelijke en infrastructuurprogramma's en -projecten die medegefinancierd worden door de EU, elementen van groene infrastructuur moeten worden geïntegreerd en dat deze de impact op de bestaande ecosystemen moeten verzachten, om de ecologische, maatschappelijke en economische voordelen van deze programma's en projecten te vergroten;

M.  overwegende dat groene infrastructuur een hele reeks ecologische, economische en sociale voordelen oplevert via natuurlijke oplossingen, die over het algemeen minder duur en duurzamer zijn en kunnen bijdragen tot het scheppen van banen;

N.  overwegende dat investeringen in groene infrastructuur gewoonlijk een hoog rendement opleveren;

Algemene opmerkingen

1.  is tevreden met de mededeling over groene infrastructuur en met de intentie van de Commissie om de hierin uiteengezette doelstellingen actief na te streven;

2.  erkent dat groene infrastructuur van centraal belang is om het natuurlijke kapitaal van Europa op doeltreffende wijze te beschermen, om de natuurlijke habitats en soorten in stand te houden, alsook om de goede ecologische toestand van de watermassa's te vrijwaren;

3.  benadrukt dat groene infrastructuur een bijdrage kan leveren aan de verschillende doelstellingen van de Unie voor 2020 en wijst erop dat groene infrastructuur dringend moet worden ontplooid en moet worden geïntegreerd in de uitvoeringsinstrumenten van het meerjarig financieel kader, teneinde daadwerkelijk bij te dragen aan het halen van de biodiversiteitsdoelstellingen van de Unie;

4.  erkent dat de ontplooiing van groene infrastructuur de Unie zal helpen om te voldoen aan de internationale verplichtingen die zij is aangegaan in het kader van de Aichi-biodiversiteitsdoelstellingen en het strategisch biodiversiteitsplan voor de periode 2011-2020;

5.  is tevreden met de innoverende aanpak van groene infrastructuur, die kosteneffectief is en diverse voordelen en oplossingen biedt waarbij ecologische, sociale en economische doelstellingen met elkaar kunnen worden verzoend;

Integratie in verschillende beleidsterreinen

6.  benadrukt dat groene infrastructuur in alle beleidsdomeinen van de EU en overeenkomstige financieringsregelingen moet worden geïntegreerd door de beste praktijken van de lidstaten als voorbeeld te gebruiken;

7.  wijst erop dat groene infrastructuur een bijzonder belangrijke rol kan spelen in steden, waar vandaag een steeds groter deel van de bevolking woont en waar GI diensten kan leveren als schone lucht, beheersing van de temperatuur en verzachting van het lokale "hitte-eilandeffect", recreatiegebieden, bescherming tegen overstromingen, regenwaterretentie en voorkoming van overstromingen, instandhouding van het grondwaterpeil, de afname van biodiversiteit herstellen of stoppen, matiging van extreme klimaatgebeurtenissen en de effecten daarvan en verbetering van de gezondheid van burgers en de levenskwaliteit in het algemeen, onder meer door te voorzien in toegankelijke en betaalbare locaties voor lichaamsbeweging; benadrukt het verband tussen groene infrastructuur en volksgezondheid en is van mening dat investeringen in groene infrastructuur tevens investeringen in volksgezondheid zijn;

8.  benadrukt dat de bijdrage van groene infrastructuur een essentieel begeleidend element is van het Natura 2000-netwerk doordat zij de coherentie en de veerkracht van dit netwerk versterkt, dat de bescherming dient van essentiële soorten en habitats van de Europese natuur, en helpt bij de instandhouding van de levering van ecosysteemdiensten die worden geraamd op honderden miljarden EUR per jaar; wijst in dit verband op de complementariteit tussen de wetgeving omtrent Natura 2000 en het initiatief groene infrastructuur;

9.  dringt er bij de lidstaten op aan kwesties in verband met groene infrastructuur te integreren in de ruimtelijke ordening en er prioriteit aan te geven door belanghebbenden "in het veld" en lokale bewoners te raadplagen en hen via voorlichtingscampagnes bewust te maken, waarbij alle besluitvormingsniveaus (lokaal, regionaal en nationaal) worden betrokken, en vraagt de Commissie richtsnoeren en benchmarking op dit gebied te ondersteunen om ervoor te zorgen dat groene infrastructuur in de hele Unie een standaardonderdeel van ruimtelijke ordening en territoriale ontwikkeling wordt; merkt op dat eventuele negatieve effecten op de ecosystemen en de bestaande groene infrastructuur uitvoerig moeten worden beoordeeld in de vergunningsprocedures voor nieuwe ontwikkelingen of grijze infrastructuur, teneinde deze effecten te voorkomen en te verzachten en daadwerkelijk te zorgen voor maatschappelijke langetermijnvoordelen;

10.  roept de Commissie en de lidstaten op gebruik te maken van alle EU-financieringsinstrumenten, o.a. in het kader van het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouwbeleid, in het bijzonder ecologische aandachtsgebieden, om groene infrastructuur, waar gepast, te bevorderen, teneinde te zorgen voor de levering van een brede waaier van ecosysteemdiensten en voor de bescherming van de natuurlijke processen in plattelands- en stadsgebieden; roept de Commissie op regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over het gebruik van GLB-middelen ter ondersteuning van groene infrastructuur; benadrukt in dit opzicht de belangrijke rol van groene infrastructuur voor de bescherming van bijen en bijgevolg voor het goede verloop van de bestuiving;

11.  onderstreept dat groene infrastructuur positieve effecten heeft op de vermindering van de klimaatverandering, doordat zij een positieve invloed heeft op de koolstofvoorraden en de broeikasgasevenwichten, vooral met betrekking tot het behoud van veengronden, seminatuurlijke en natuurlijke bossen en wouden en andere koolstofrijke ecosystemen, en zo bijdraagt tot de tenuitvoerlegging van het klimaatbeleid van de EU;

12.  ondersteunt inspanningen om ruimtelijke ordening en de ontwikkeling van groene infrastructuur in kustgebieden te koppelen, teneinde de biodiversiteit te waarborgen en te zorgen voor de duurzame ontwikkeling van kustlandschappen;

13.  wijst op de essentiële rol die groene infrastructuur speelt in de aanpassing aan de klimaatverandering, aangezien zij de ecologische samenhang tussen de Natura 2000-gebieden vergroot, grotere mobiliteit en veranderingen in de spreiding van de soorten over en binnen de Natura 2000-gebieden vergemakkelijkt en voorziet in de schaalaanpassing van het landschap ten behoeve van de biodiversiteit, waarmee groene infrastructuur bijdraagt tot de tenuitvoerlegging van het EU-natuurbeleid en ecosysteemgerichte aanpassingen aanmoedigt en realiseert in andere sectoren, waaronder waterbeheer en voedselveiligheid;

14.  meent dat het essentieel is voor de lidstaten, en met name de lidstaten die grenzen aan de zee, om groene infrastructuur toe te passen rond hun havengebieden en vervoersplannen te ontwikkelen die de vergroening van deze gebieden bevorderen;

15.  vestigt de aandacht op het feit dat een vermindering van de aan natuurrampen verbonden risico's – zoals overstromingen en bosbranden – ook een positief effect is van de creatie of het herstel van groene infrastructuur, bijvoorbeeld in de vorm van natuurlijke overstromingsgebieden, bosareaal, drasland enz., hetgeen de rampbestendigheid kan verbeteren, kan helpen bij de aanpassing aan de klimaatverandering en de daarmee gepaard gaande kosten voor de samenleving aanzienlijk kan doen verminderen;

16.  wijst erop dat de bosbouwsector volledig bij dit beleidsterrein moet worden betrokken om de vele voordelen te kunnen benutten, naast de productie van hout en biomassa, die duurzaam bosbeheer en de instandhouding van natuurlijke bossen opleveren, en om gefragmenteerd of vernietigd bosareaal te herstellen;

17.  is tevreden met het initiatief om groene infrastructuur te bevorderen als een instrument om bij te dragen tot het filteren van water, tot de preventie van erosie, tot het behoud van de grondwaterspiegel en bijgevolg ook tot de juiste tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water, de hoogwaterrichtlijn en de toepasselijke waterwetgeving, zoals voorgesteld in het plan, en tot geïntegreerd kustbeheer en mariene ruimtelijke ordening;

18.  wijst erop dat het belangrijk is de vereisten op het gebied van groene infrastructuur goed te integreren in de tenuitvoerlegging van de instrumenten van het structuur- en het cohesiebeleid van de EU, met name voor de financiering van groene infrastructuur in steden, en dringt er bij de bevoegde instanties op aan om desbetreffende acties te bevorderen;

19.  benadrukt het feit dat groene infrastructuur moet worden geïntegreerd in operationele programma's in het kader van EU-financieringsinstrumenten voor de periode 2014-2020;

20.  dringt er bij de Commissie op aan om tijdig, d.i. uiterlijk eind 2013, de in de mededeling aangekondigde richtsnoeren en ondersteunend materiaal te voltooien om het begrip van groene infrastructuur te verbeteren en groene infrastructuur op de relevante beleidsterreinen te bevorderen, alsmede te zorgen voor financieringsmogelijkheden via operationele programma's;

21.  roept de lidstaten, de regionale en de plaatselijke overheden ertoe op om de bestaande financieringsmogelijkheden zo goed mogelijk te benutten teneinde investeringen in gecoördineerde en samenhangende projecten voor groene infrastructuur te bevorderen;

Ontwikkeling van een strategie voor groene infrastructuur

22.  benadrukt dat de deelname van de privésector aan de investeringen in groene infrastructuur moet worden vergroot en verzoekt de Commissie en de EIB snel een financieringsfaciliteit met innoverende financieringsmechanismen in te stellen en operationeel te maken om investeringen in groene infrastructuur en andere projecten in verband met het natuurlijke kapitaal te ondersteunen, en tegelijk de reële langetermijnondersteuning voor de ecosysteemfuncties te beoordelen; wijst er voorts op dat ook bijkomende financieringsbronnen op lokaal, regionaal en nationaal niveau zullen moeten worden onderzocht;

23.  is ervan overtuigd dat de ontplooiing van groene infrastructuur ondersteund moet worden door degelijke gegevens en grondige kennis en spoort de Commissie aan er samen met het Europees Milieuagentschap, de lidstaten en andere belanghebbenden voor te zorgen dat de Unie haar capaciteit vergroot voor het in kaart brengen en beoordelen van de ecosystemen en de daarmee samenhangende ecosysteemdiensten, en dat naar behoren rekening wordt gehouden met deze informatie en kennis, onder meer bij de planning en oplevering van door de EU medegefinancierde projecten;

24.  dringt er bij de Commissie op aan onderzoek, innovatie, capaciteitsopbouw, onderwijs, informatie, voorlichtings- en bewustmakingsprojecten voor de bevolking op dit gebied te bevorderen en de uitwisseling van informatie en goede praktijken te ondersteunen; wijst erop dat vaardigheden en de opleiding van personeel dat met deze innoverende aanpak overweg kan en de door ecosystemen geleverde voordelen behoorlijk kan waarderen, met name in de sectoren watervoorziening en -zuivering, afval, bouw, rampenbeheer, landbouw, toerisme en gezondheid, de ontwikkeling van groene infrastructuur faciliteren;

25.  is van mening dat integratie in alle beleidsterreinen een basisvoorwaarde is om een geloofwaardig beleid met betrekking tot groene infrastructuur te kunnen voeren;

26.  benadrukt de rol die landeigenaars en -beheerders, organisaties uit het maatschappelijk middenveld, burgerwetenschap, burgerverantwoordelijkheid en inspraak van het publiek kunnen spelen bij de planning, de tenuitvoerlegging, het behoud en het monitoren van projecten voor groene infrastructuur op lokaal niveau en dringt er bij de lidstaten op aan dergelijke processen te faciliteren;

27.  is het eens met de ontwikkeling van een strategie die bestaat uit de opbouw van prioritaire assen voor projecten op het gebied van groene infrastructuur in Europa en benadrukt het feit dat meer grensoverschrijdende interregionale strategieën en projecten nodig zijn;

28.  steunt de in de mededeling aangekondigde TEN-G en verzoekt de Commissie haar belofte inzake de ontwikkeling van een TEN-G-regeling tegen 2015 na te komen;

29.  benadrukt dat er met betrekking tot groene infrastructuur potentieel is voor innovatie en dat kmo's op dit vlak een sleutelrol kunnen spelen; wijst erop dat gemeenschappelijke normen, certificering en etikettering moeten dienen als steun voor de investeringen in groene infrastructuur en de nodige ruimte moet scheppen voor pioniers;

30.  kijkt uit naar de evaluatie van de biodiversiteitsstrategie in 2015, de daaropvolgende evaluatie van de mededeling betreffende groene infrastructuur in 2017, om groene infrastructuur verder te verankeren in de geplande investeringen op dit gebied op EU-niveau, en de tussentijdse evaluatie van relevante beleidsterreinen (de "gezondheidscontrole" van het GLB, de tussentijdse evaluatie van het regionale beleid enz.);

o
o   o

31.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.
(2) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(3) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 99.
(4) http://www.teebweb.org

Juridische mededeling - Privacybeleid