Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2982(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B7-0563/2013

Debatten :

PV 12/12/2013 - 17.3
CRE 12/12/2013 - 17.3

Stemmingen :

PV 12/12/2013 - 18.3
CRE 12/12/2013 - 18.3

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0604

Aangenomen teksten
PDF 124kWORD 45k
Donderdag 12 december 2013 - Straatsburg
Situatie in Sri Lanka
P7_TA(2013)0604RC-B7-0563/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over de situatie in Sri Lanka (2013/2982(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resoluties van 22 oktober 2009(1) en 12 mei 2011(2) over de situatie in Sri Lanka,

–  gezien het eindverslag van de onderzoekscommissie naar geleerde lessen en verzoening ("Lessons Learnt and Reconciliation Commission") van Sri Lanka van november 2011,

–  gezien de resoluties van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties van 18 maart 2013 en 22 maart 2012 inzake het bevorderen van verzoening en verantwoording in Sri Lanka,

–  gezien het verslag van het panel voor interne toetsing van de VN-secretaris-generaal van november 2012 inzake het VN-optreden in Sri Lanka gedurende de laatste fase van de oorlog in Sri Lanka en de nasleep daarvan, waarin wordt onderzocht waarom de internationale gemeenschap er niet in geslaagd is burgers te beschermen tegen grootschalige schendingen van het humanitaire recht en de mensenrechtenwetgeving,

–  gezien de verklaring van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, Navi Pillay, van 31 augustus 2013 en haar verslag aan de Mensenrechtenraad van de VN van 25 september 2013,

–  gezien het verslag van de Franse liefdadigheidsorganisatie "Action Contre la Faim" over de terechtstelling in 2006 van 17 van haar plaatselijke personeelsleden in de noordelijke stad Muttur,

–  gezien de plaatselijke verklaring van de Europese Unie van 5 december 2012 over de rechtsstaat in Sri Lanka(3),

–  gezien de verklaring van 18 januari 2013 van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Catherine Ashton, namens de Europese Unie over de vervolging van de voormalige Sri Lankaanse opperrechter Shirani Bandaranayake,

–  gezien de recente bijeenkomst van regeringsleiders van het Gemenebest van Naties in Colombo en het verzoek van David Cameron, premier van het VK, om een onafhankelijk onderzoek naar vermeende oorlogsmisdaden te verrichten,

–  gezien de verdragen waarbij Sri Lanka partij is, in het bijzonder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, het Verdrag inzake de rechten van het kind, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en het Verdrag tegen corruptie,

–  gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in mei 2009 een eind kwam aan het decennialange conflict tussen de regering van Sri Lanka en de separatistische Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE) in het noorden van het land met de nederlaag en de overgave van laatstgenoemden en het overlijden van hun leider;

B.  overwegende dat in de laatste maanden van het conflict naar schatting tienduizenden burgers de dood vonden of gewond raakten tijdens hevige gevechten in dichtbevolkte gebieden, en dat circa 6 000 burgers nog worden vermist;

C.  overwegende dat de secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-moon, en de president van Sri Lanka, Mahinda Rajapaksa, op 23 mei 2009 een gezamenlijke verklaring hebben ondertekend waarin de Sri Lankaanse regering ermee instemde maatregelen te treffen om verantwoording af te leggen voor vermeende oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid tijdens de laatste fase van het interne conflict dat 26 jaar heeft geduurd;

D.  overwegende dat president Rajapaksa op 15 mei 2010 een onderzoekscommissie naar geleerde lessen en verzoening (LLRC) heeft benoemd; overwegende dat het grote aantal personen dat naar verluidt op eigen initiatief een verklaring voor de LLRC heeft afgelegd, getuigt van de nadrukkelijke wens en noodzaak om een nationale dialoog over het conflict op te starten;

E.  overwegende dat uit het verslag van het VN-deskundigenpanel van 26 april 2011 blijkt dat volgens geloofwaardige berichten zowel regeringstroepen als de LTTE oorlogsmisdaden hebben begaan in de maanden voorafgaand aan mei 2009, de maand waarin regeringstroepen de separatisten overwonnen;

F.  overwegende dat uit de ernst van de beschuldigingen die in dat verslag worden geuit en de voortgezette internationale campagne voor een nauwkeurige beoordeling van de gebeurtenissen, ook in de marge van de recente top van het Gemenebest van Naties, nadrukkelijk blijkt dat deze kwestie moet worden opgelost voordat in Sri Lanka sprake kan zijn van blijvende verzoening;

G.  overwegende dat er in overeenstemming met een belangrijke aanbeveling in het LLRC-verslag op dit moment in Sri Lanka een nationale volkstelling plaatsvindt, teneinde op grond van gegevens uit de eerste hand vast te stellen hoeveel burgers de dood vonden of gewond raakten, alsmede onder welke omstandigheden de doden en gewonden vielen, en hoeveel materiële schade er is veroorzaakt gedurende het conflict;

H.  overwegende dat in augustus 2013 een presidentiële onderzoekscommissie in het leven is geroepen om onderzoek te doen naar en verslag uit te brengen over de verdwijningen in de noordelijke en oostelijke provincies tussen 1990 en 2009;

I.  overwegende dat Navi Pillay de Sri Lankaanse regering op 25 september 2013 heeft verzocht de tijd die nog rest voordat zij de VN-Mensenrechtenraad tijdens de vergadering in maart 2014 verslag over het land zal uitbrengen, te gebruiken om "een geloofwaardig nationaal proces met tastbare resultaten op te starten", met inbegrip van de "gerechtelijke vervolging van individuele misdadigers", omdat anders "de internationale gemeenschap verplicht is haar eigen onderzoeksmechanismen in te stellen";

J.  overwegende dat het panel voor interne toetsing inzake het functioneren van de VN in Sri Lanka tijdens de laatste fase van de oorlog tot de conclusie is gekomen dat het onvermogen van de VN-instellingen "om op te komen voor de rechten van de mensen die zij hadden moeten helpen", "neerkwam op een onvermogen van de VN om op te treden in het kader van institutionele mandaten om te voldoen aan beschermingsverplichtingen";

1.  spreekt zijn waardering uit voor het herstel van de vrede in Sri Lanka, hetgeen een grote opluchting is voor de hele bevolking, en erkent de inspanningen die de regering van Sri Lanka heeft geleverd om, met steun van de internationale gemeenschap, de infrastructuur opnieuw op te bouwen en de meerderheid van de 400 000 binnenlands ontheemden een nieuw onderkomen te bieden;

2.  wijst op de vooruitgang die is geboekt met betrekking tot de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, het drietalige beleid -dat blijkt uit de lessen Singalees, Tamil en Engels die aan ambtenaren worden gegeven-, en de onlangs overeengekomen nationale volkstelling waarmee de gedurende de burgeroorlog veroorzaakte "menselijke en materiële schade" wordt bepaald;

3.  is ingenomen met de eerste verkiezingen ooit gehouden voor de provinciale raad in de noordelijke provincie, die werden gehouden op 21 september 2013 en met een overweldigende meerderheid zijn gewonnen door de Tamil National Alliance (TNA);

4.  hoopt dat het vredesdividend resultaat oplevert, de ontwikkelingsagenda van het land verder versterkt en ervoor zorgt dat de burgers en een toenemend aantal buitenlandse bezoekers ten volle kunnen profiteren van de natuurlijke en culturele mogelijkheden die het land te bieden heeft; benadrukt dat voor stabiliteit op de lange termijn werkelijke verzoening met volledige deelname van de plaatselijke bevolkingsgroepen nodig is;

5.  stelt bezorgd vast dat de aanwezigheid van regeringstroepen in de voormalige conflictgebieden nog altijd van aanzienlijke omvang is, hetgeen leidt tot schendingen van de mensenrechten, waaronder landroof, met meer dan duizend aanhangige zaken waarbij landeigenaars zijn betrokken die hun grond zijn verloren, alsmede een zorgwekkend aantal meldingen van seksuele aanranding en ander misbruik van vrouwen, waarbij de bijzondere kwetsbaarheid van de tienduizenden oorlogsweduwen in aanmerking wordt genomen;

6.  prijst het nationale actieplan voor de tenuitvoerlegging van de LLRC-aanbevelingen, en verzoekt de regering meer inspanningen te leveren om de aanbevelingen volledig ten uitvoer te leggen, namelijk door een geloofwaardig onderzoek te verrichten naar de talrijke beschuldigingen van buitengerechtelijke executies en gedwongen verdwijningen, het noorden van Sri Lanka verder te demilitariseren, onpartijdige beslechtingsmechanismen voor territoriale geschillen te voltooien, het detentiebeleid opnieuw te evalueren, voormalige onafhankelijke civiele instellingen te versterken (zoals de politie, de rechterlijke macht en de mensenrechtencommissie) en een politieke langetermijnregeling vast te stellen voor de verdere decentralisatie van bevoegdheden naar de provincies; verzoekt de presidentiële onderzoekscommissie om niet alleen de verdwijningen te onderzoeken in de noordelijke en oostelijke provincies, maar ook in de rest van het land;

7.  spreekt grote bezorgdheid uit over de aanhoudende berichten over intimidatie en schendingen van de mensenrechten (ook door politietroepen), buitengerechtelijke executies, martelingen en schendingen van het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering, evenals over de represailles tegen verdedigers van de mensenrechten, leden van het maatschappelijk middenveld en journalisten, bedreigingen van de rechterlijke onafhankelijkheid en de rechtsstaat, en discriminatie op basis van godsdienst of overtuiging; verzoekt de regering van Sri Lanka de nodige maatregelen te nemen;

8.  is ingenomen met het feit dat de overheid onlangs stappen heeft ondernomen met het oog op een onderzoek naar de vermeende moord op 17 plaatselijke hulpverleners van de Franse liefdadigheidsorganisatie Action Contre la Faim in de noordelijke stad Muttur door regeringstroepen, alsmede naar de moord op vijf jongeren in Trincomalee in 2006; dringt er bij de autoriteiten op aan al het mogelijke in het werk te stellen om de verantwoordelijken voor deze moorden voor het gerecht te brengen;

9.  dringt er bij de regering van Sri Lanka op aan gehoor te geven aan de verzoeken om verantwoording af te leggen voor de vermeende schendingen van internationale mensenrechten en humanitaire wetgeving tijdens de oorlog door vóór maart 2014 een onafhankelijk en geloofwaardig onderzoek te openen naar de vermeende schendingen, en is van mening dat de VN anders een internationaal onderzoek dient te openen;

10.  beveelt de regering van Sri Lanka aan een doeltreffend wetsvoorstel ter bescherming van getuigen te ontwerpen, zodat de getuigen van dergelijke misdaden voldoende bescherming wordt geboden;

11.  prijst de mijnopruimingswerkzaamzaamheden van het Sri Lankaanse leger en internationale ngo's zoals de HALO Trust, en onderkent de omvangrijke financiering die door de EU ter beschikking is gesteld, alsmede de door het VK aangekondigde extra financiële middelen; dringt er bij de regering en het leger van Sri Lanka alsmede bij de EU en de lidstaten op aan om de nodige hulpmiddelen te blijven verstrekken met het oog op de verdere opruiming van landmijnen, die een ernstige belemmering vormen voor wederopbouw en economisch herstel; verzoekt Sri Lanka eens te meer toe te treden tot het Mijnenverbodsverdrag van Ottawa;

12.  stelt bezorgd vast dat de LTTE, die in het verleden willekeurige terreurdaden hebben gepleegd, volgens het recente rapport van Europol over de situatie en tendensen van het terrorisme in de EU nog steeds internationaal actief zijn;

13.  verzoekt de VN en haar lidstaten om de fouten van de internationale gemeenschap in Sri Lanka zorgvuldig te analyseren en om passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de VN, wanneer zij in de toekomst met een vergelijkbare situatie wordt geconfronteerd, aan veel hogere normen kan voldoen met betrekking tot haar beschermingsverplichtingen en humanitaire verantwoordelijkheden;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de Mensenrechtenraad van de VN en de regering en het parlement van Sri Lanka.

(1) PB C 265 E van 30.9.2010, blz. 29.
(2) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 156.
(3) http://eeas.europa.eu/delegations/sri_lanka/documents/press_corner/20121205_en.pdf

Juridische mededeling - Privacybeleid