Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 12 september 2013 - Straatsburg
De Europese culturele en creatieve sector als bron voor groei en banen
 Activiteiten van de Europese ombudsman in 2012
 Derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum ***I
 De Europese Bankautoriteit en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen ***I
 Specifieke taken voor de Europese Centrale Bank betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen *
 Toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik ervan in de Unie ***I
 Micro-opwekking
 Gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers
 EU-strategie inzake cyberveiligheid: een open, veilige en beveiligde cyberruimte
 De digitale agenda voor groei, mobiliteit en werkgelegenheid
 Situatie in Syrië
 Situatie in Egypte
 Maritieme dimensie van het gemeenschappelijk veiligheids-en defensiebeleid
 De militaire structuren van de EU: stand van zaken en toekomstperspectieven
 EU-beleid ten aanzien van Belarus
 Druk vanwege Rusland op de landen van het Oostelijk Partnerschap (in de context van de aanstaande top van het Oostelijk Partnerschap in Vilnius)
 Interneveiligheidsstrategie van de EU
 Europese strategie voor gezondheid en veiligheid op het werk
 Grensoverschrijdende collectieve onderhandelingen en transnationale sociale dialoog
 De situatie van niet-begeleide minderjarigen in de EU
 Situatie in de Democratische Republiek Congo
 Situatie in de Centraal-Afrikaanse Republiek
 Situatie in Bahrein

De Europese culturele en creatieve sector als bron voor groei en banen
PDF 165kWORD 37k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over "Bevordering van de Europese culturele en creatieve sector als bron voor groei en banen" (2012/2302(INI))
P7_TA(2013)0368A7-0248/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de bijeenkomst van de algemene conferentie van de Organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur (UNESCO) van 20 oktober 2005 over de bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen (UNESCO-verdrag over de bescherming van de culturele diversiteit),

–  gezien Besluit 2006/515/EG van de Raad van 18 mei 2006 inzake de sluiting van het UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen(1),

–  gezien de conclusies van de Raad van 13 en 14 november 2006 en 24 en 25 mei 2007(2), met name over de bijdrage die de culturele en creatieve sectoren leveren tot verwezenlijking van de Lissabon-doelen, en de resolutie van de Raad van 16 november 2007 over een Europese agenda voor cultuur(3),

–  gezien Besluit nr. 1855/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van het programma Cultuur (2007-2013)(4),

–  gezien Besluit 1718/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende de uitvoering van een programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector (MEDIA 2007)(5),

–  gezien zijn resolutie van 10 april 2008 over een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering(6),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2007 over de sociale status van de kunstenaar(7),

–  gezien zijn resolutie van 10 april 2008 over de culturele industrieën in Europa(8),

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 over cultuur als katalysator voor creativiteit en innovatie(9),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2009 getiteld "Auteursrecht in de kenniseconomie"(COM(2009)0532),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 27 april 2010 getiteld "Het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken" (COM(2010)0183),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 30 juni 2010 getiteld "Europa, toeristische topbestemming in de wereld – een nieuw beleidskader voor het toerisme in Europa" (COM(2010)0352),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over de culturele dimensies van het externe optreden van de EU(10),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 getiteld "Het potentieel van de culturele en creatieve industrieën vrijmaken"(11),

–  gezien de conclusies van de Raad van 10 december 2012 over de "Actualisering van de mededeling over het industriebeleid: Een sterkere Europese industrie ten dienste van de groei en de economische heropleving"(12),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 december 2012 inzake de inhoud in de interne digitale markt (COM(2012)0789),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 26 september 2012 getiteld "De concurrentiepositie van de Europese geavanceerde industrie" (SWD(2012)0286),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 26 september 2012 met als titel "Steun aan culturele en creatieve sectoren ten behoeve van groei en banen in de EU" (COM(2012)0537),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 30 mei 2013(13),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0248/2013),

A.  overwegende dat de creatieve en de culturele sector (CCS) een belangrijke rol spelen in de economische en sociale ontwikkeling van de Unie (in het eerste geval met name met betrekking tot kmo's) doordat zij de verspreiding van innovatie in andere sectoren bevorderen, en overwegende dat zij een prominente rol spelen in de Europa 2020-strategie die gericht is op slimme, duurzame en inclusieve groei;

B.  overwegende dat de CCS een substantiële bijdrage leveren aan de bevordering van de sociale cohesie en creativiteit, alsmede aan de culturele en linguïstische diversiteit in de Unie;

C.  overwegende dat de culturele sector het minst geleden heeft onder deze tijden van economische crisis en daarmee aantoont een strategisch domein voor maatschappelijke ontwikkeling te zijn;

D.  overwegende dat de CCS zowel moeten worden erkend om hun intrinsieke culturele waarde als om hun belangrijke bijdrage aan het welzijn van de burgers, aan de sociale integratie en samenhang, en aan de economie van de Unie in termen van groei en werkgelegenheid, alsmede om hun impact op de toeristische sector;

E.  overwegende dat de Europese culturele en creatieve productie een aanzienlijke economische impact heeft in tal van sectoren, zoals toerisme, handel, digitale technologie enz.;

F.  overwegende dat de CCS een grote verscheidenheid aan creatieve activiteiten en aan diensten met eigen specifieke kenmerken qua financierings- en ontwikkelingsmodellen behelzen; overwegende dat met deze verscheidenheid dan ook rekening moet worden gehouden bij de uitwerking van ondersteunings- of samenwerkingsstrategieën, onder meer waar het internationale samenwerking betreft;

G.  overwegende dat festivals in Europa voor de ontwikkeling van de Europese culturele productie zorgen en culturele, sociale, economische en toeristische waarde creëren op territoriaal niveau;

H.  overwegende dat de creatieve en de culturele sector voor het grootste gedeelte bestaan uit kleine en middelgrote ondernemingen, die de basis vormen van de economie van de Europese Unie;

I.  overwegende dat de Europese Commissie in haar werkdocument van 26 september 2012(14) het belang heeft erkend van de geavanceerde culturele en creatieve economische sector (modeartikelen, juwelen en horloges, parfums en cosmetica, accessoires, lederwaren, meubelen en artikelen voor de inrichting, huishoudelijke apparaten, gastronomie, wijnen en spiritualiën, auto's, boten, hotels en vrijetijdsbesteding, detailhandel en veilinghuizen, en de uitgeverijsector) en overwegende dat bedrijven in de geavanceerde sector een drijvende kracht kunnen vormen voor alle CCS;

J.  overwegende dat de versterking van de werknemersrechten in de CCS bijdraagt tot de structurering, de levensvatbaarheid en de geloofwaardigheid van de economische activiteit en de versterking van de werkgelegenheid;

K.  overwegende dat mobiliteit een belangrijk kenmerk van de CCS is, maar dat deze te kampen heeft met tal van belemmeringen die per land en per regio verschillen en met name verband houden met de moeilijkheden om visa te verkrijgen, met het ontbreken van een status voor kunstenaars en met de specifieke en uiteenlopende voorwaarden voor de productie van kunst;

L.  overwegende dat het lopende proefproject "Economie van de culturele verscheidenheid" een overzicht over uitdagingen en oplossingen voor de CCS moet opleveren;

M.  overwegende dat de burgers van de Unie al op jonge leeftijd cultureel en kunstzinnig onderwijs moeten ontvangen opdat zij een eigen visie op kunst en cultuur en hun eigen stem kunnen ontwikkelen en zich bewust kunnen worden van de grote diversiteit van culturen in Europa, om zo hun eigen creativiteit en wijze van expressie te stimuleren en culturele diversiteit tot stand te brengen;

N.  overwegende dat er nauwer moet worden samengewerkt door de opleidingsinstellingen en de bedrijven in de CCS om rekening te houden met de evolutie van beroepen en de behoefte aan vaardigheden, teneinde de uitwisseling van informatie en het creëren van gemengde vaardigheden te bevorderen;

O.  overwegende dat de creatieve en culturele sector in Europa beduidend diverser en rijker is dan die in andere delen van de wereld en dat hiervan moet worden geprofiteerd om de groei te stimuleren;

P.  overwegende dat de overgang naar het digitale tijdperk de CCS kansen biedt doordat er nieuwe behoeften en diensten ontstaan die de ontwikkeling van nieuwe economische modellen met zich meebrengen;

Q.  overwegende dat de ontwikkeling van nieuwe economische modellen voor online toegang tot culturele werken in volle gang is en moet worden aangemoedigd door een stabiel juridisch kader dat investeringen in de CCS bevordert;

R.  overwegende dat het voor de CCS van essentieel belang is dat de toegang tot stabiele en aan hun behoeften aangepaste financieringsmodellen wordt gewaarborgd voor hun toekomstige ontwikkeling;

S.  overwegende dat de CCS een belangrijke rol spelen in de strategieën voor ruimtelijke ontwikkeling op lokale en regionale schaal om de doelstellingen voor sociale cohesie en economische groei te verwezenlijken;

De voorwaarden die nodig zijn voor een bloeiende creatieve en culturele sector

1.  herinnert eraan dat de CCS goede economische resultaten boeken, een belangrijke rol spelen in de sociale cohesie en werkgelegenheid blijven scheppen, met name onder jongeren, en veel innovatiemogelijkheden creëren, ondanks de problemen die de economieën momenteel ondervinden als gevolg van de vereisten van de Unie wat betreft begrotingsdiscipline;

2.  benadrukt dat er behoefte is aan actuele en betrouwbare statistische gegevens over de CCS, met name over hun concrete situatie, hun specifieke kenmerken, met name wat status betreft, hun potentieel in termen van werkgelegenheid en groei, en hun economische impact op andere sectoren, zodat er besluiten kunnen worden genomen over de meest relevante beleidsmaatregelen om de bevordering van deze sectoren efficiënt te waarborgen; bepleit de oprichting van een waarnemingscentrum voor of een database over de CCS;

3.  verzoekt de Commissie studies te blijven ontwikkelen en gegevens te blijven verzamelen over de economische en sociale rol van de CCS, met name als overkoepelend, sectoroverschrijdend element in de economie;

4.  betreurt dat de acties die de Commissie in haar mededeling over de CCS(15) heeft voorgesteld beperkt zijn qua tijd en omvang; benadrukt dat juist rekening gehouden moet worden met de vooruitzichten van deze sectoren op de langere termijn en dat er een programma moet worden opgesteld met structurele en concrete maatregelen in het kader van de Europa 2020-strategie; herinnert eraan dat de steun van de Unie, de lidstaten en de lokale overheden voor culturele werken van cruciaal belang is;

5.  verzoekt de Commissie een brede forumdiscussie te beleggen, uitgaande van het bestaande platform, over het potentieel van de creatieve en de culturele industrie, met deelname van de belanghebbenden in deze sectoren om tot concrete oplossingen te komen en zo actief mee te werken aan het opstellen van een gestructureerd beleidsprogramma voor de middellange en lange termijn;

6.  roept de Commissie en de lidstaten op de centrale rol van de CCS op het gebied van innovatie te benadrukken, teneinde sectoroverschrijdende samenwerkingsverbanden te creëren, stapelings- en clustereffecten teweeg te brengen en nieuwe mogelijkheden voor investeringen en werkgelegenheid te scheppen;

7.  stelt vast dat onderzoek ten behoeve van innovatie moet worden gesteund om via het aanbieden van innoverende, creatieve producten te kunnen uitbreiden naar nieuwe markten;

8.  acht het steunen en stimuleren van de ontwikkeling van synergieën met andere sectoren essentieel voor het aanjagen van de economische groei; benadrukt in dat verband de rol die het culturele toerisme speelt bij de totstandbrenging van rijkdom, in de vorm van kennismaking met het cultureel erfgoed en het bezoeken van artistieke evenementen zoals festivals, maar bijvoorbeeld ook taalreizen;

9.  benadrukt het zeer diverse karakter van onze culturele en creatieve ecosystemen en dringt erop aan hierop in te spelen door een gemeenschappelijke identiteit te bevorderen middels het aanmoedigen van coproducties en het creëren van ruimtes voor dialoog en uitwisseling tussen de verschillende actoren in de CCS, teneinde nieuwe koppelingen tussen actoren en overdracht van vaardigheden en kennis naar andere sectoren van de economie te bewerkstelligen; onderstreept dat deze initiatieven ruimte zouden moeten bieden aan de gemeenschappelijke belangen en tegelijkertijd rekening moeten houden met de culturele diversiteit, waarvan de rijkdom, de inspirerende kracht en het ontwikkelingspotentieel, die als geheel een gemeenschappelijke Europese identiteit helpen bevorderen, erkend moeten worden;

10.  benadrukt het belang van het bevorderen van wederzijdse kennis en overdracht van vaardigheden en kennis, hetgeen van essentieel belang is voor de samenwerking tussen creatieve bedrijven via concurrentieclusters, initiatieven van een buitengewone kwaliteit en netwerken, om aldus een voor de CCS gemeenschappelijke cultuur te creëren, waarbij de verschillende activiteitengebieden worden aangemoedigd samen te werken om beter het hoofd te bieden aan de nieuwe economische en maatschappelijke uitdagingen;

11.  dringt erop aan de regiogebondenheid te versterken, vaardigheden tussen sectoren uit te wisselen door clusters te ontwikkelen, en uitwisselingen te optimaliseren om investeerders aan te trekken teneinde de verschillende creatieve en culturele bedrijven (zko's, het mkb, ngo's en culturele instellingen) in staat te stellen om groei en werkgelegenheid te blijven bevorderen;

12.  wijst erop dat de meerderheid van de ondernemingen in de CCS kleine en middelgrote ondernemingen zijn, en benadrukt daarom dat zij in dit kader bijzondere steun verdienen;

13.  dringt erop aan dat de CCS, waardoor Europa zich in cultureel opzicht nu juist zo onderscheidt, op het niveau van de Unie en de lidstaten wordt ondersteund en erkend wat zichtbaarheid betreft;

14.  vestigt de aandacht op de uiteenlopende regelgeving ten aanzien van de CCS en dringt aan op maatregelen voor harmonisatie van regelgeving en praktijk in de Unie;

Arbeidsvoorwaarden voor werknemers in de culturele en de creatieve sector

15.  stelt nogmaals dat het van wezenlijk belang is een sociale status te waarborgen voor mensen die in de CCS werken, zodat zij kunnen profiteren van bevredigende arbeidsvoorwaarden en van passende maatregelen op het gebied van belastingen, recht op arbeid, sociale bescherming en auteursrechten, teneinde hun mobiliteit binnen de EU te verbeteren;

16.  dringt erop aan maatregelen te overwegen voor eerlijke subsidiëring en betaling van onafhankelijke kunstenaars; dringt er verder op aan de coördinatie tussen de verschillende Europese systemen van sociale zekerheid voor deze kunstenaars te verbeteren, waarbij rekening gehouden wordt met hun grote mobiliteit;

17.  verzoekt de Commissie en de lidstaten socialezekerheidssystemen toe te snijden op de sectoren van creatieve arbeid, vooral ook de digitale sector, en daarbij voldoende rekening te houden met het feit dat creatieve beroepsbeoefenaars vaak afwisselend als zelfstandige en als werknemer moeten werken of gelijktijdig op beide manieren werken;

18.  verzoekt de Commissie en de lidstaten creatieve beroepsbeoefenaars betaalbare toegang tot een ziektekostenverzekering en een (vrijwillige) werkloosheidsverzekering, alsmede een bedrijfs- en particulier pensioen voor zelfstandigen te bieden;

19.  verzoekt de Commissie en de lidstaten sociale minimumnormen en cao-overeenkomsten in de CCS te bevorderen, onder meer door overheidssubsidies aan de inachtneming van dergelijke normen te koppelen;

Onderwijs en opleiding

20.  benadrukt dat het van belang is dat de lidstaten hun opleidings-, stage- en kwalificatiesystemen verbeteren, zodat studenten in culturele en kunstzinnige richtingen een volledige opleiding ontvangen die rekening houdt met de actuele behoeften van de beroepsgroep, teneinde het bedrijfsleven en de onderwijswereld nader tot elkaar te brengen en te zorgen voor een effectieve tenuitvoerlegging in alle lidstaten; is van mening dat binnen informaticaopleidingen voldoende aandacht dient te worden besteed aan de mogelijkheden binnen de sector van online content (bijvoorbeeld gaming);

21.  is van mening dat bij het onderwijs in culturele, creatieve of artistieke vakken ook aandacht moet worden besteed aan vaardigheden die nodig zijn voor het oprichten van een bedrijf in de CCS;

22.  is van mening dat het van cruciaal belang is de aantrekkelijkheid en het imago van handenarbeid-, kunst- en culturele opleidingen bij leerlingen, ouders en instellingen te versterken, en de realiteit ten aanzien van toekomstperspectieven en het scheppen van rijkdom aan te tonen, met name middels de oprichting van een waarnemingscentrum of een database;

23.  benadrukt het belang van het stimuleren en behouden van ambachtelijke ondernemingen binnen de CCS;

24.  verzoekt de Europese Commissie het specifieke karakter van beroepen van buitengewone kwaliteit te erkennen, die ware kweekvijvers voor werkgelegenheid in Europa vormen en die op vier voor alle geavanceerde CCS gemeenschappelijke criteria zijn gebaseerd: innovatie en creativiteit, uitmuntendheid en esthetiek, knowhow en technologie, alsook leren tijdens de hele loopbaan en stimulering van kennis;

25.  is van mening dat de banden tussen het onderwijssysteem (met inbegrip van universiteiten, waarbij hun onafhankelijkheid gewaarborgd blijft), de onderzoekscentra, de opleidingsinstellingen en de bedrijven in de CCS (waaronder kmo’s) moeten worden aangehaald, teneinde het concurrentievermogen van deze banenrijke sectoren te vergroten, meer inclusieve sectoroverschrijdende en interdisciplinaire synergie te creëren, met name via de oprichting van een platform voor uitwisselingen, kennisallianties, allianties voor bedrijfstakspecifieke vaardigheden en partnerschappen, de deelnemers te helpen denken en handelen op een manier die kan leiden tot collectief succes, de waarde van het menselijk kapitaal van de Unie verder te vergroten, te zorgen voor een betere kennis onder de actoren, specifieke vaardigheden te identificeren en beter inzicht te krijgen in de evolutie van beroepen en vaardigheden, en ondernemingsgeest aan te moedigen;

26.  moedigt de Commissie aan om kennisallianties op te zetten tussen hogeronderwijsinstellingen en ondernemingen in de CCS;

27.  moedigt de Commissie aan om allianties voor bedrijfstakspecifieke vaardigheden op te zetten tussen instellingen voor beroepsonderwijs en –opleiding en ondernemingen in de CCS;

28.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan door te gaan op de ingeslagen weg van de wederzijdse erkenning van studierichtingen, beroepsvaardigheden en diploma's van culturele en kunstopleidingen;

29.  herinnert eraan dat gestimuleerd moet worden dat kinderen al vanaf zeer jonge leeftijd en ook later toegang hebben tot en onderwezen worden in cultuur en mediageletterdheid om de ontwikkeling van hun creativiteit en talenten te bevorderen en de smaak van cultuur over te brengen;

30.  wijst op de dringende noodzaak om de creativiteit van jonge kunstenaars te bevorderen en de deelname van de samenleving aan het scheppen van cultuur te steunen;

31.  is van mening dat culturele en kunstzinnige vorming noodzakelijk is voor gelijke kansen, voor democratisering van cultuur en voor sociale cohesie, als middel voor individuele en collectieve uiting, voor dialoog en voor wederzijds begrip; onderstreept bovendien dat deze vorming leerlingen in staat te stelt een cultuur voor zichzelf te scheppen, hun artistieke ontplooiing te bevorderen, met kunstenaars en kunstwerken kennis te maken en culturele plaatsen te bezoeken;

32.  verzoekt de Commissie en de Raad na te denken over de invoering van een Europees repertorium van knowhow met het oog op behoud en bevordering daarvan; verzoekt de lidstaten en de actoren in de CCS tot het ontwikkelen van opleidingen ter overdracht van deze knowhow;

Financiering van de creatieve en de culturele sector

33.  is van mening dat er adequate financieringssystemen voor de CCS, en met name voor kmo's, mogelijk gemaakt en gegarandeerd moeten worden, en dat zij verzekerd moeten zijn van doelmatige toepassingsinstrumenten; benadrukt dat de beleidslijnen voor steun aan de CCS moeten worden voortgezet en versterkt om zo te zorgen voor een duurzame, onafhankelijke en kwalitatief hoogstaande creatieve sector; verzoekt de Commissie en de Raad te voorzien in middelen voor de evaluatie van immateriële producties, met name met behulp van een waarnemingscentrum of een database, en na te denken over de invoering van een culturele investeringsbank;

34.  wijst in dit verband ook op nieuwe mogelijkheden als crowdfunding en crowdinvestment;

35.  dringt er bij de lidstaten op aan in hun sociaal en economisch beleid rekening te houden met adequate steun en financiering voor de CCS;

36.  onderstreept dat ook in tijden van economische crisis de Europese financiering van de CCS moet worden ondersteund; verzoekt het Parlement uitdrukkelijk om te pleiten voor een ambitieuze en omvangrijke begroting voor cultuur; verzoekt de Raad dan ook de door de Commissie voorgestelde begroting voor het programma "Creatief Europa" niet te verlagen;

37.  herhaalt dat het belangrijk is om consultants- en adviesdiensten te ontwikkelen op het gebied van financiering en bedrijfseconomie, zodat (zeer) kleine en middelgrote ondernemingen de instrumenten beheersen die noodzakelijk zijn om een bedrijf goed te besturen teneinde het scheppen, de productie, de bevordering en de distributie van culturele goederen en diensten te verbeteren;

38.  dringt erop aan dat de lidstaten en professionals de vaardigheden inzake projectonderbouwing van de actoren in de CCS versterken middels de opleiding van professionals of de invoering van relevante structuren voor het vergemakkelijken van het ontwerp van financieringsplannen;

39.  is ingenomen met het voorstel om in het kader van de programma's Creatief Europa, COSME en Horizon 2000 leningsfaciliteiten in te stellen, aangezien deze instrumenten in meer gediversifieerde financieringsmogelijkheden voor de CCS voorzien;

40.  onderstreept dat binnen de financiële instellingen meer kennis over de specifieke kenmerken van de CCS nodig is om de toegang van de CCS tot particuliere financieringsbronnen te verbeteren;

41.  verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te treffen door te pleiten voor gemengde financieringsmodellen, zoals publiek-private partnerschappen, die aan transparantiecriteria zijn onderworpen en die de vereiste overheidsfinanciering niet in het gedrang mogen brengen, door leninggarantieregelingen voor microbedrijven te ontwikkelen en door alternatieve financieringsmodellen, zoals crowdfunding, te onderzoeken;

42.  dringt er bij de lidstaten op aan te zoeken naar alternatieve maatregelen voor de financiering van de CCS, vooral in tijden van crisis; is van mening dat het mecenaat in dit verband een goed alternatief zou zijn;

43.  is van mening dat, in de audiovisuele sector, de deelname van audiovisuele diensten aan de financiering van Europese audiovisuele werken van cruciaal belang is voor de bevordering van de kunst en zou moeten worden versterkt door een nauwkeurige en cijfermatige omzetting van de richtlijn Audiovisuele mediadiensten(16);

44.  dringt er bij de Raad, de Commissie en de lidstaten op aan een gunstig regelgevings- en fiscaal kader in te voeren en daarbij met name een gunstig ondernemingsklimaat voor kmo's in de CCS te scheppen door de administratieve en regelgevingslasten voor dergelijke ondernemingen te verminderen;

45.  dringt er bij de Raad, de Commissie en de lidstaten op aan verdere stappen te zetten in de belastingharmonisatie en met name de fiscale verschillen tussen de lidstaten ten aanzien van cultuurgoederen weg te nemen;

46.  herinnert eraan dat de CCS een groot aantal kleine en middelgrote bedrijven telt en acht het noodzakelijk hiervoor een speciale belastingregeling in te voeren teneinde hun groei te bevorderen en te voorkomen dat zij verdwijnen;

47.  herinnert eraan dat de structuurfondsen aantrekkelijke vooruitzichten bieden wat betreft financiering ten behoeve van cultuur, creativiteit en innovatie in de Unie, gezien het feit dat investeringen in cultuur in aanmerking komen voor financiering op grond van alledrie de doelstellingen van het cohesiebeleid, te weten convergentie, verbetering van het regionale concurrentievermogen en werkgelegenheid;

48.  betreurt het voorstel van enkele lidstaten om het budget voor de Connecting Europe Facility in het komende meerjarig financieel kader MFK met EUR 8,2 miljard te verlagen, daar dit negatieve gevolgen voor de bevordering van de uitbreiding van de breedbandinfrastructuur en daardoor ook voor de ontwikkeling van online bedrijfsmodellen van de CCS zou hebben;

49.  verzoekt de lidstaten en de Commissie gebruik te maken van de bestaande en toekomstige instrumenten en programma's, zoals Media of de in het kader van het programma Creatief Europa voorziene garantiefaciliteit, en via concrete maatregelen de toegang van de actoren in de CCS tot financiering via deze instrumenten te vergemakkelijken, met bijzondere nadruk op een zo doeltreffend mogelijke toepassing van de digitalisering van platforms teneinde de aanvraag-, beoordelings- en beheersprocedures te vereenvoudigen en de administratieve lasten tot een minimum te beperken;

50.  moedigt de EU-instellingen aan om in het MFK 2014-2020 in een ambitieus financieringsniveau voor het onderdeel MEDIA te voorzien;

Kansen en uitdagingen van digitalisering, mondialisering en toegang tot internationale markten

51.  is van mening dat digitale en online-instrumenten en -platforms de CCS ongekende mogelijkheden bieden om zowel binnen als buiten de Unie nieuwe bedrijfsmodellen te ontwikkelen, nieuw publiek te trekken en hun markten uit te breiden;

52.  benadrukt dat het bestaan van 27 verschillende stelsels voor het beheer van intellectuele-eigendomsrechten een bijzondere last vormt voor de CCS van Europa en dat het huidige gefragmenteerde kader moet worden hervormd om de toegang tot inhoud en een grotere (wereldwijde) verspreiding ervan te vergemakkelijken, zodat kunstenaars, scheppers, consumenten, bedrijven en het publiek kunnen profiteren van digitale ontwikkelingen, nieuwe distributiekanalen en nieuwe bedrijfsmodellen en andere kansen kunnen benutten;

53.  is van mening dat in het digitale tijdperk een modern en evenwichtig systeem voor de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten (IER's), dat ervoor zorgt dat alle categorieën rechthebbenden een billijke betaling ontvangen en dat de consumenten gemakkelijk toegang hebben tot gevarieerde, legale inhoud en een ruime keuze hebben uit een divers linguïstisch en cultureel aanbod, een essentiële voorwaarde is, willen bedrijven in de CCS concurrerend blijven;

54.  onderstreept dat de bescherming van IER's geen bedreiging mag vormen voor de neutraliteit van het internet;

55.  wijst op de exponentiële toename van innovatieve digitale diensten voor toegang tot culturele werken en benadrukt dat moet worden gezorgd voor een stabiel ecosysteem dat investeringen in de CCS, het scheppen van banen in Europa en de bevordering van innovatieve verdienmodellen stimuleert;

56.  verzoekt de Commissie derhalve wat IER's betreft een regelgevingskader te ontwikkelen dat is aangepast aan de specifieke kenmerken van de verschillende sectoren, en het kader voor auteursrechten te harmoniseren en te hervormen om de toegang tot inhoud te verbeteren en de positie en de keuzevrijheid van de scheppers te versterken, en spoort aan tot een betere verdeling van de verantwoordelijkheden binnen de gehele digitale waardeketen, waarbij terdege met het concurrentievermogen van de CCS rekening wordt gehouden;

57.  benadrukt in dit opzicht de belangrijke rol die organisaties voor collectief beheer spelen wat betreft de toegang tot het culturele erfgoed, om de effectieve tenuitvoerlegging van IER's te waarborgen en de door gebruikers te nemen stappen te vereenvoudigen;

58.  wijst op het potentieel van de CCS voor internationale samenwerking en voor de export en op het feit dat het in het belang van de Unie is om de uitwisseling van professionals uit de sector, evenals uit derde landen, voorop te stellen en creatief talent aan te trekken en te ontwikkelen; herinnert aan de belangrijke rol van de creatieve en de culturele sector bij de verspreiding van de Europese cultuur en de aantrekkelijkheid en uitstraling ervan;

59.  wijst op de noodzaak bij te dragen tot de wederzijdse erkenning van de status van kunstenaars en na te denken over het verschaffen van kansen voor mobiliteit en over het optimale gebruik van opleidingsprogramma's, netwerken en het vrije verkeer van mensen die in de CCS werken, met name culturele actoren, maar ook van kunstenaars en werken;

60.  acht het absoluut noodzakelijk dat de Unie en de lidstaten de mogelijkheid behouden hun cultureel en audiovisueel beleid te handhaven en verder te ontwikkelen binnen het kader van hun wetgeving, normen en conventies, inclusief het UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen; dringt er daarom op aan dat de uitsluiting van diensten voor culturele en audiovisuele inhoud, ook online, duidelijk in overeenkomsten tussen de Unie en derde landen wordt vermeld; benadrukt in dit opzicht dat de culturele en de audiovisuele sector van het mandaat voor de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en de Verenigde Staten moeten worden uitgesloten, aangezien cultuur- en creatieve goederen geen gewone handelsgoederen zijn;

61.  benadrukt dat het, overeenkomstig het UNESCO-verdrag van 2005, voor de Europese Unie en de lidstaten mogelijk moet blijven aan het digitale tijdperk aangepaste beleidslijnen ten behoeve van de culturele diversiteit te ontwerpen en te ontwikkelen;

62.  benadrukt dat de beleidsmaatregelen op het vlak van digitalisering van werken moeten worden versterkt, teneinde werken van het Europees erfgoed voor een zo ruim mogelijk publiek toegankelijk te maken;

63.  onderstreept het belang van culturele diplomatie en benadrukt dat de EU als mondiale speler moet optreden om het concurrentievermogen van de CCS van de Unie op mondiaal niveau te versterken;

64.  verzoekt de Commissie voor de CCS passende hulpmiddelen voor te stellen om uitvoer naar internationale markten onder goede omstandigheden mogelijk te maken;

65.  verzoekt om het stimuleren van de CCS middels de Europese Dienst voor extern optreden;

66.  wijst erop dat cultuur een indirecte impact op de andere economische sectoren heeft; spoort daarom de CCS aan hun samenwerking met andere sectoren, zoals de informatie- en communicatietechnologie (ICT) en het toerisme, te intensiveren, teneinde het hoofd te bieden aan de uitdagingen van de digitalisering, de mondialisering en de toegang tot de internationale markten;

Lokale en regionale ontwikkeling

67.  wijst op het belang van regionaal beleid op het gebied van kunst en cultuur, en derhalve op de centrale rol van lokale, regionale en macroregionale autoriteiten bij de bevordering en ondersteuning van de CCS, waaronder de bevordering van de volkscultuur, middels geschikte hulpmiddelen en passende financiering; is verheugd over de initiatieven van overheidsdiensten ter ontwikkeling van regionale bedrijfsondersteuningsstructuren voor de creatieve industrieën, onder meer door middel van door de EU gefinancierde projecten;

68.  benadrukt dat de culturele en de creatieve sector in Europese en nationale sociaaleconomische strategieën moeten worden geïntegreerd; onderstreept dat diverse beleidsvlakken, onder meer het industrie-, onderwijs- en innovatiebeleid en het op toerisme en regionale, stedelijke, lokale en ruimtelijke ontwikkeling gerichte beleid nader gecoördineerd moeten worden; spoort lokale en regionale instanties er eveneens toe aan om conform het subsidiariteitsbeginsel in hun economische strategieën voor de middellange en lange termijn rekening te houden met de CCS;

69.  wijst op het sectoroverschrijdende karakter van de culturele en de creatieve sector als een aantrekkelijk instrument voor communicatie en op het internationale belang van deze bedrijfstakken, niet alleen voor de wereldeconomie maar ook voor duurzame, slimme en inclusieve groei, innovatie, ondernemerschap, sociale cohesie en maatschappelijke ontwikkeling; benadrukt dat deze sectoren op lokaal en regionaal niveau veel mogelijkheden voor groei bieden, aangezien zij ondernemers binnen de culturele en de creatieve sector nieuwe afzetmogelijkheden bieden en daarmee zorgen voor werkgelegenheid in de culturele sector;

70.  is van mening dat de verschillende bekwaamheden binnen deze sectoren en de interactie tussen makers en technici vaak hun wortels hebben op lokaal niveau, en daarom moeten worden ondersteund door middel van de oprichting van lokale en regionale platformen, netwerken, clusters, starterscentra en partnerschappen, die synergievorming zouden bevorderen, mechanismen voor de financiering van creativiteit en innovatie zouden helpen identificeren en het beheer van vacatures en financieringsmogelijkheden zouden ondersteunen;

71.  herinnert aan de impact van cultuur op de economische en sociale vernieuwing van steden; dringt er bij de Europese Commissie op aan intercollegiaal leren tussen stadsbesturen te ondersteunen, teneinde uitwisseling van goede praktijken tussen lokale beleidsmakers te bevorderen;

72.  is van mening dat de modernisering van de culturele infrastructuur een nieuwe impuls kan geven aan stedelijke gebieden, met daaruit voortvloeiende sociale en economische voordelen;

73.  pleit voor het exploiteren van het verborgen economische potentieel van de creatieve sectoren om de levenskwaliteit in de steden en regio's te verbeteren;

74.  pleit voor een aanpak op basis van territoriale dynamiek met het oog op een lokale en regionale governance van cultuur met betrokkenheid van alle actoren (kunstenaars, lokale instanties, vertegenwoordigers van de beroepskringen enz.);

75.  benadrukt dat de culturele en de creatieve sector meer en betere banen in de regio's kunnen scheppen en op die manier kunnen bijdragen tot sociale en territoriale integratie; is bezorgd dat deze aspecten van de CCS onvoldoende zijn onderzocht en onvoldoende worden ondersteund; beklemtoont dat er voor deze sectoren op alle niveaus, maar in het bijzonder op regionaal en lokaal niveau, onvoldoende statistische gegevens worden verzameld; benadrukt dat er onderzoek moet worden gedaan naar de uitwerking van ICT op de culturele en de creatieve sector, zodat deze sectoren zich kunnen aanpassen aan de nieuwe technologische omgeving en kunnen inhaken op de technologische ontwikkelingen;

76.  benadrukt dat de CCS, vooral de kmo’s, een belangrijke hefboom vormen voor groei en ontwikkeling op lokaal, regionaal en grensoverschrijdend (nationaal) niveau, met name middels de bevordering van het cultureel erfgoed, het toerisme en kenniscentra, middels verhoging van de aantrekkelijkheid van de regio's, alsmede via speciale aandacht voor regio’s met belangrijk cultureel erfgoed, herstructurering van het sociaal-economisch weefsel, de opkomst van nieuwe bedrijvigheid en het scheppen van stabiele en duurzame werkgelegenheid; wijst erop dat dit in het bijzonder voor de toerismesector geldt, omdat steden en regio’s met een sterke culturele sector voor reizigers zeer aantrekkelijk zijn;

77.  benadrukt het belang van onderwijsprogramma's die creativiteit van jongs af aan bevorderen en die een impuls geven aan het kunst- en cultuuronderwijs door bij leerlingen in het basis- en middelbaar onderwijs belangstelling te wekken voor het werk en de producten van de creatieve sector; beklemtoont dat lokale en regionale instanties, die immers doorgaans verantwoordelijk zijn voor het kleuter- en lager onderwijs, een belangrijke educatieve en culturele rol moeten spelen bij het onder de aandacht brengen van cultuur en creativiteit als een volwaardig onderdeel van de regionale en stedelijke ontwikkeling; onderstreept dat niet-formele vaardigheidstrainingen voor volwassenen belangrijk zijn voor hun aanpassing aan een voortdurend veranderende arbeidsmarkt;

78.  benadrukt dat de financiering die beschikbaar is uit hoofde van het toekomstig MFK, met name uit hoofde van het ESF en het EFRO, moet worden ingezet ter versterking van de culturele en creatieve bedrijfstakken en van de institutionele en administratieve capaciteit op nationaal, regionaal en lokaal niveau om met deze sectoren samen te werken, met als doel de economische, maatschappelijke, educatieve en culturele voordelen die deze bedrijfstakken opleveren, te vergroten; vestigt de aandacht op de ultraperifere gebieden, waar het gecompliceerder is om de culturele en creatieve bedrijfstakken te starten en uit te bouwen;

79.  is in dit opzicht van mening dat de door bepaalde nationale of regionale steunregelingen aan de cinematografische industrie opgelegde territoriale clausules uit dit verband tussen cultuur en grondgebied voortvloeien en moeten kunnen worden gehandhaafd volgens de criteria in de mededeling inzake film van 2001(17);

80.  merkt op dat de CCS voorwerp zijn van dynamische veranderingen en het mogelijk maken dat clusters ontstaan die de drijvende kracht vormen achter de vooruitgang en ontwikkeling van steden en regio's;

81.  wijst erop dat de culturele en de creatieve sector bijdragen tot het behoud en de verbetering van Europa's onmetelijke culturele, historische en architecturale erfgoed; benadrukt het belang van mobiel cultureel erfgoed, dat wil zeggen kunstvoorwerpen die in de loop van de geschiedenis en tot op heden door de menselijke creativiteit tot stand zijn gebracht; benadrukt dat de CCS belangrijk zijn voor de ontwikkeling van het toerisme in de EU en van groot belang zijn voor toeristen uit zowel EU-landen als derde landen; is gezien deze toegevoegde waarde van mening dat er in de volgende EU-begroting en in de nationale en regionale programma's voor de periode 2014-2020 aanzienlijke steun moet worden voorzien voor de CCS, die immers belangrijke economische mogelijkheden scheppen;

82.  wijst op de behoefte aan behoud van het nationaal erfgoed en nationale en internationale promotie van het cultuurgoed van een gegeven regio;

83.  is van mening dat creatieve mensen, producten en diensten als onderdeel van de culturele diversiteit van de EU de basis moeten vormen voor een sterke interne Europese markt en goed ontwikkelde regio's, evenals voor de lokale economie, waar ze kunnen bijdragen tot het creëren van nieuwe economische activiteiten en nieuwe banen; dringt erop aan om via de culturele en creatieve bedrijfstakken nieuwe investeringen en veelzijdig talent naar Europa te lokken; benadrukt dat ondernemers in de CCS niet gemakkelijk toegang hebben tot financiering; verzoekt de lidstaten om ter ondersteuning van de creatieve economie en ter ondersteuning van nieuwe, aan de Europese markt aangepaste bedrijfsmodellen voor de culturele en creatieve sector adequate sociale en fiscale maatregelen te nemen, die de mobiliteit van kunstenaars en werknemers in de culturele en de creatieve sector bevorderen en hen helpen belemmeringen die het gevolg zijn van uiteenlopende fiscale en sociale regelingen uit de weg te ruimen en taalbarrières te overbruggen, en verzoekt de lidstaten eveneens om zich in te zetten voor meer onderling begrip tussen verschillende landen en culturen;

o
o   o

84.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 201 van 25.7.2006, blz. 15.
(2) PB C 311 van 21.12.2007, blz. 7.
(3) PB C 287 van 29.11.2007, blz. 1.
(4) PB L 372 van 27.12.2006, blz. 1.
(5) PB L 327 van 24.11.2006, blz. 12.
(6) PB C 247 E van 15.10.2009, blz. 32.
(7) PB C 125 E van 22.5.2008, blz. 223.
(8) PB C 247 E van 15.10.2009, blz. 25.
(9) Doc.8749/1/09 REV 1 en 8749/1/09 REV 1 COR 1.
(10) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 135.
(11) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 142.
(12) Doc.17566/12.
(13) CdR 2391/2012.
(14) SWD(2012)0286.
(15) COM(2012)0537.
(16) PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1. Gecorrigeerde versie gepubliceerd in PB L 263 van 6.10.2010, blz. 15.
(17) PB C 43 van 16.2.2002, blz. 6.


Activiteiten van de Europese ombudsman in 2012
PDF 145kWORD 33k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over het jaarverslag over de activiteiten van de Ombudsman in 2012 (2013/2051(INI))
P7_TA(2013)0369A7-0257/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien het jaarverslag over de activiteiten van de Ombudsman in 2012,

–  gezien artikel 24, lid 3, artikel 228 en artikel 298 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 41 en 43 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 18 juni 2008(1) over de aanneming van een besluit van het Europees Parlement tot wijziging van zijn besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt(2),

–  gezien de raamovereenkomst over samenwerking die op 15 maart 2006 is gesloten tussen het Europees Parlement en de Ombudsman, en die op 1 april 2006 in werking is getreden,

–  gezien de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de Ombudsman van 1 januari 2009(3),

–  gezien zijn voorgaande resoluties over de activiteiten van de Ombudsman,

–  gezien artikel 205, lid 2, tweede en derde zin, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften (A7-0257/2013),

A.  overwegende dat het Jaarverslag 2012 over de activiteiten van de Ombudsman op 21 mei 2013 officieel is aangeboden aan de Voorzitter van het Europees Parlement en dat de Ombudsman, de heer Nikiforos Diamandouros, zijn verslag op 28 mei 2013 in Brussel aan de Commissie verzoekschriften heeft gepresenteerd;

B.  overwegende dat het Jaarverslag 2012 het laatste jaarverslag van de heer Diamandouros als Ombudsman is, aangezien hij op 14 maart 2013 de Voorzitter van het Europees Parlement in kennis heeft gesteld van zijn voornemen op 1 oktober 2013 met pensioen te gaan; overwegende dat de heer Diamandouros in 2003 voor het eerst verkozen werd als Ombudsman en vervolgens opnieuw in 2005 en 2010;

C.  overwegende dat de heer Diamandouros tien jaar als Ombudsman in functie is geweest; overwegende dat zijn opvolger wordt verkozen voor de periode van 1 oktober 2013 tot de Europese verkiezingen in 2014, waarna het nieuwe Europees Parlement een nieuwe verkiezingsprocedure moet starten;

D.  overwegende dat artikel 24 VWEU bepaalt:"Iedere burger van de Unie kan zich wenden tot de overeenkomstig artikel 228 ingestelde ombudsman";

E.  overwegende dat artikel 228 VWEU de Ombudsman in staat stelt om klachten te ontvangen betreffende gevallen van wanbeheer in de werkzaamheden van instellingen, organen en instanties van de EU, met uitzondering van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak;

F.  overwegende dat overeenkomstig artikel 298 VWEU de instellingen, organen en instanties van de EU "steunen op een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat" en dat hetzelfde artikel de mogelijkheid biedt hiertoe middels verordeningen concrete en voor het gehele EU-bestuur toepasbare bepalingen in de secundaire wetgeving vast te stellen;

G.  overwegende dat artikel 41 van het Handvest van de grondrechten het volgende bepaalt: "Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld";

H.  overwegende dat de EU 2013 heeft uitgeroepen tot "Europees Jaar van de burger" om de twintigste verjaardag van het EU-burgerschap te vieren;

I.  overwegende dat artikel 43 van het Handvest van de grondrechten bepaalt dat "iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat het recht [heeft] zich tot de ombudsman van de Unie te wenden over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen of organen, met uitzondering van het Hof van Justitie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak";

J.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 6 september 2001 de door de Ombudsman opgestelde Code van goed administratief gedrag, heeft goedgekeurd;

K.  overwegende dat er sprake is van wanbeheer, wanneer een openbare instelling niet handelt volgens een regel of beginsel waaraan zij gebonden is;

L.  overwegende dat deze omschrijving wanbeheer niet beperkt tot gevallen waarin de overtreden regel of het overtreden beginsel wettelijk bindend is; overwegende dat de beginselen van goede bestuurspraktijken een hoger verplichtingsniveau inhouden dan de wet, waarmee van de EU-instellingen niet alleen verlangd wordt dat zij aan hun wettelijke verplichtingen voldoen, maar ook dat zij servicegericht zijn en erop toezien dat alle leden van de bevolking naar behoren worden behandeld met rechtvaardigheid, onpartijdigheid en waardigheid en hun rechten ten volle kunnen uitoefenen;

M.  overwegende dat de Ombudsman in 2012 2442 klachten heeft ontvangen (2510 in 2011) en 2460 klachten heeft behandeld (2544 in 2011); overwegende dat 740 klachten (30%) binnen zijn mandaat vielen;

N.  overwegende dat de meeste klachten (56%) in elektronische vorm worden ontvangen voor registratie via de interactieve website van de Europese Ombudsman, welke beschikbaar is in alle 23 officiële talen;

O.  overwegende dat de Ombudsman 450 onderzoeken heeft ingesteld (382 in 2011) naar aanleiding van klachten; overwegende dat dit een toename van 18% is ten opzichte van 2011; overwegende dat hij 15 initiatiefonderzoeken is gestart (14 in 2011) en één speciaal verslag heeft voorgelegd aan het Europees Parlement;

P.  overwegende dat de Ombudsman 390 onderzoeken heeft afgesloten (waaronder tien initiatiefonderzoeken), waarvan 206 uit 2012, 113 uit 2011 en 71 uit voorgaande jaren; overwegende dat 85,3% (324) van de afgesloten onderzoeken verzoeken van burgers betrof en 14,7% (56) van vennootschappen, verenigingen of andere rechtspersonen;

Q.  overwegende dat 1467 ontvangen klachten onder de bevoegdheid van een lid van het Europees Netwerk van ombudsmannen vielen; overwegende dat dit netwerk bestaat uit nationale en regionale ombudsmannen en vergelijkbare organen in de EU, de EER, Zwitserland en de kandidaat-lidstaten; overwegende dat de Commissie verzoekschriften van het Europees Parlement een volwaardig lid van het netwerk is; overwegende dat de Ombudsman 63 klachten aan deze commissie heeft doorgegeven;

R.  overwegende dat 52,7% van de in 2012 ingestelde onderzoeken de Europese Commissie betrof, 3,0% de Europese dienst voor extern optreden, 1,5% de Europese Investeringsbank en 20,9% overige instellingen, instanties of organen van de EU;

S.  overwegende dat de in 2012 onderzochte gevallen van vermeend wanbeheer overwegend betrekking hadden op rechtmatigheid (27,7%), verzoeken om informatie (12,5%), eerlijkheid (10,3%), termijnen voor besluiten (8%) en verzoeken om toegang tot documenten (6,7%);

T.  overwegende dat de Ombudsman in 76 afgesloten zaken (19%) geen wanbeheer vastgesteld, en in 56 zaken (14%) wel;

U.  overwegende dat de vaststelling dat er geen sprake was van wanbeheer niet per se een negatief resultaat is voor de indieners, aangezien zij hun voordeel kunnen doen met een volledige toelichting door de betrokken instelling en met de onafhankelijke analyse van de zaak door de Ombudsman, en zeker weten dat de betrokken instelling heeft gehandeld overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur;

V.  overwegende dat in 2012 in 80 gevallen een minnelijke schikking is getroffen of het probleem is opgelost door de betrokken instelling; overwegende dat, als de Ombudsman geen wanbeheer vaststelt of als er geen redenen zijn om een onderzoek voort te zetten, hij een aanvullende opmerking kan maken; overwegende dat een aanvullende opmerking is bedoeld om een instelling te adviseren over hoe zij de kwaliteit van haar dienstverlening aan burgers kan verbeteren;

W.  overwegende dat de Ombudsman 47 zaken waarin hij wanbeheer vaststelde, heeft afgesloten door een kritische opmerking te maken aan het adres van de instelling; overwegende dat in negen gevallen de betrokken instelling een ontwerpaanbeveling heeft aanvaard;

X.  overwegende dat de Ombudsman een kritische opmerking maakt als:

   (i) het voor de betrokken instelling niet langer mogelijk is het wanbeheer te beëindigen,
   (ii) het wanbeheer geen algemene gevolgen lijkt te hebben en
   (iii) het niet nodig lijkt dat gevolg wordt gegeven aan de zaak; overwegende dat de Ombudsman ook een kritische opmerking maakt als hij van mening is dat een ontwerpaanbeveling geen nut zou hebben of als de instelling een ontwerpaanbeveling niet aanvaardt en het niet passend wordt geacht een speciaal verslag in te dienen;
   Y. overwegende dat de Ombudsman een ontwerpaanbeveling uitgeeft als de betrokken instelling het wanbeheer ongedaan kan maken of als het wanbeheer bijzonder ernstig is of algemene gevolgen heeft; overwegende dat de Ombudsman 17 ontwerpaanbevelingen heeft uitgegeven in 2012;
   Z. overwegende dat de Ombudsman in 2012 één speciaal verslag naar het Parlement heeft gezonden; overwegende dat dit speciaal verslag betrekking had op de manier waarop de Commissie een klacht heeft behandeld die door burgerinitiatieven werd ingediend tegen wat zij beschouwden als de negatieve gevolgen van de uitbreiding van de luchthaven van Wenen; overwegende dat een speciaal verslag aan het Europees Parlement het krachtigste middel van de Ombudsman is en de laatste belangrijke stap die de Ombudsman kan zetten in de behandeling van een zaak;
   AA. overwegende dat in het verslag van het Parlement over het speciale verslag werd geconcludeerd dat de bekommernissen van de Ombudsman over mogelijk wanbeheer gerechtvaardigd waren;
   AB. overwegende dat de Ombudsman elk jaar een onderzoek publiceert naar de manier waarop de instellingen gevolg geven aan zijn kritische en aanvullende opmerkingen; overwegende dat het onderzoek van 2011 liet zien dat in 84% van de zaken op bevredigende wijze gevolg was gegeven aan kritische en aanvullende opmerkingen;
   AC. overwegende dat de aandacht van de Ombudsman in 2012 in het bijzonder is uitgegaan naar de integratie van personen met verschillende graden van handicap; overwegende dat de Ombudsman zich, samen met de Commissie verzoekschriften van het Europees Parlement, de Europese Commissie, het Europees Bureau voor de grondrechten en het Europees Gehandicaptenforum, inspant om de uitvoering van het EU-kader volgens het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap te beschermen, te bevorderen en te bewaken; overwegende dat dit het eerste mensenrechtenverdrag is dat door de EU is bekrachtigd;
   AD. overwegende dat de Raad van de EU het voorstel heeft bekrachtigd voor een kader op EU-niveau - met inbegrip van de Ombudsman en de Commissie verzoekschriften - voor de bewaking van de uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;
   AE. overwegende dat de Ombudsman in 2012 officieel erkend is als “Committed to Excellence” door de Europese Stichting voor Kwaliteitsbeheer;

1.  keurt het door de Europese Ombudsman ingediende jaarverslag over het jaar 2012 goed; neemt kennis van het feit dat de heer Diamandouros op 1 oktober 2013 met pensioen gaat;

2.  is de heer Diamandouros erkentelijk voor zijn voorbeeldige werk als Ombudsman in de achterliggende tien jaar en voor de resultaten die hij heeft bereikt in het streven naar een eerlijkere en transparantere EU; hoopt dat hij in goede gezondheid van zijn pensioen kan genieten en wenst hem het allerbeste toe in zijn verdere levensloop;

3.  erkent het voortreffelijke werk dat de Ombudsman heeft verricht om de dialoog met burgers, maatschappelijke organisaties, de instellingen en andere belanghebbenden op alle niveaus zowel te versterken als te verdiepen;

4.  is van oordeel, in overweging nemende dat de helft van de Europese burgers het ermee eens is dat het op een na belangrijkste recht van burgers het recht op goed beheer is, dat de inspanningen die de Ombudsman zich getroost om meer openheid, transparantie en verantwoording in de besluitvormingsprocessen en besturen in de Europese Unie te bewerkstelligen, een doorslaggevende bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van een Unie waarin "de besluiten in zo groot mogelijke openheid en zo dicht mogelijk bij de burger" worden genomen en uitgevoerd, zoals is bepaald in artikel 1 VEU; roept de volgende Europese Ombudsman op om het goede werk voort te zetten dat haar voorganger heeft verricht om deze belangrijke doelen te bereiken;

5.  erkent met respect de niet aflatende inzet waarmee de Ombudsman zich tot de burgers heeft gewend om hen bewust te maken van hun rechten uit hoofde van de Verdragen, en de besturen van de instellingen en organen van de EU heeft aangemoedigd om transparanter en meer servicegericht te worden;

6.  is van oordeel dat de Ombudsman zijn bevoegdheden altijd actief en evenwichtig heeft uitgeoefend en dankt hem voor de voortreffelijke werkrelatie en samenwerking met het Europees Parlement, in het bijzonder de Commissie verzoekschriften;

7.  merkt op dat 52% van de Europese burgers van oordeel is dat het de belangrijkste functie van de Ombudsman is te waarborgen dat EU-burgers hun rechten kennen en weten hoe ze die moeten uitoefenen; de Ombudsman moet derhalve zijn communicatie naar de burgers van Europa toe verbeteren en beter samenwerken met het Europees Netwerk van ombudsmannen;

8.  pleit voor de nodige stappen die moeten worden ondernomen om de procedures voor het klachtenonderzoek, het uitvoeren van onderzoeken en het nemen van beslissingen te bespoedigen;

9.  herhaalt dat 42% van de Europese burgers niet tevreden is met de mate van transparantie in het EU-bestuur en benadrukt dat de Ombudsman moet doorgaan met EU-instellingen te helpen meer open, doeltreffend en burgervriendelijk te worden, zodat bruggen tussen de instellingen en burgers worden gebouwd;

10.  merkt op dat klachten in verband met transparantie altijd bovenaan de klachtenlijst van de Ombudsman hebben gestaan; merkt tevens op dat het aantal van deze klachten een dalende lijn vertoont, van het piekjaar 2008, waarin 36% van de indieners een gebrek aan transparantie aanvoerde, naar 21,5% in 2012; meent dat dit erop wijst dat de EU-instellingen aanzienlijke inspanningen hebben geleverd om hun transparantie te vergroten; roept de instellingen, instanties en organen van de EU op mee te werken aan een verdere verlaging van dat percentage door samen te werken met de Europese Ombudsman en zijn aanbevelingen uit te voeren; blijft evenwel bezorgd over het nog steeds hoge aantal klachten over openheid, openbaarheid en persoonsgegevens, aangezien deze kwesties een bedreiging vormen voor de interinstitutionele dialoog, het publieke imago van de EU en de houding van het publiek ten opzichte van de EU;

11.  herhaalt dat transparantie, openheid, toegang tot informatie, eerbiediging van de rechten van burgers en strikte ethische normen essentieel zijn om het vertrouwen van de burgers in de institutionele organen te bewaren en dat dit vertrouwen in het bijzonder in de huidige moeilijke economische situatie van het grootste belang is voor de toekomst van de Europese integratie;

12.  roept de EU-instellingen op, gezien de toenemende digitalisering van het openbare bestuur, aandacht te besteden aan de bijzondere behoeften van oudere mensen, die voor een groot deel niet vertrouwd zijn met moderne informatie- en communicatietechnologieën, en dit te compenseren met behulp van gebruiksvriendelijke toepassingen, geschikte online-hulpprogramma's en gemakkelijk toegankelijke, niet-digitale contactmogelijkheden;

13.  merkt op dat de Ombudsman 2442 klachten heeft ontvangen in 2012 en dat dit een recordjaar was ten aanzien van zowel ingestelde onderzoeken (465 = 18% meer dan in 2011) als afgesloten onderzoeken (390 = 23% meer dan in 2011);

14.  is verheugd over de tien door de Ombudsman gepresenteerde voorbeeldzaken, die op allerlei gebieden als model kunnen dienen voor administratieve praktijken in de diverse EU-instellingen;

15.  is van oordeel dat de afname van het totale aantal klachten dat bij de Ombudsman is ingediend in 2012 ten opzichte van voorgaande jaren, nieuw bewijs is van het succes van de interactieve gids op zijn website, een krachtig middel dat er mede voor moet zorgen dat minder burgers zich met hun klacht ten onrechte tot de Ombudsman richten, en dat meer mogelijkheden biedt om indieners te informeren over waar zij wel terecht kunnen; merkt op dat de ontwikkeling bevestigt dat steeds meer mensen zich om de juiste redenen tot de Europese Ombudsman wenden; stelt voor dat de leden van het Europees Parlement, de instellingen, organen en agentschappen van de EU alsook de leden van het Europees Netwerk van ombudsmannen op hun websites en socialemediakanalen een directe link naar de interactieve gids installeren;

16.  wijst op het feit dat het aantal klachten buiten het mandaat van de Ombudsman (1720) het laagste in tien jaar was; roept de Ombudsman op zich te blijven inzetten voor een verdere verlaging van dat aantal;

17.  erkent de belangrijke bijdrage van het Europees Netwerk van ombudsmannen en benadrukt het nut van een efficiënte samenwerking ten gunste van Europese burgers; merkt op dat 60% van de klachten die de Ombudsman in 2012 heeft behandeld, onder de bevoegdheid van een lid van dat netwerk viel; herinnert eraan dat de Commissie verzoekschriften volwaardig lid van het netwerk is; merkt op dat de Ombudsman 63 klachten aan deze commissie heeft doorgegeven in 2012; feliciteert de Europese Ombudsman met zijn geslaagde coördinatie van het netwerk; is van mening dat dit een noodzakelijke functie van de activiteiten van de Ombudsman is en dat samenwerking binnen het netwerk verdiept zou moeten worden om de uitvoering van Europees recht op nationaal niveau te verbeteren; beveelt aan dat het netwerk uitgebreid wordt met relevante nationale organen; is van oordeel dat de deelname van de Ombudsman aan Europese en internationale verenigingen van ombudsmannen voortgezet en versterkt zou moeten worden;

18.  merkt op dat, evenals in voorgaande jaren, de meeste door de Ombudsman ingestelde onderzoeken betrekking hadden op de Commissie (52,7%); merkt op dat het aantal in 2012 gestelde onderzoeken betreffende het Europees Parlement bijna twee keer zo hoog was als dat in 2011; roept het secretariaat van het Europees Parlement op zijn volledige medewerking te verlenen aan de Ombudsman en naleving en samenhang van diens aanbevelingen en opmerkingen over bestuurspraktijken te waarborgen;

19.  benadrukt het feit dat ieder gesloten onderzoek een stap in de juiste richting is en een goede kans om de verbeteringen in te voeren die het publiek heeft aangewezen en waarom het heeft gevraagd, als een manier om de Europese burgers zoveel mogelijk inspraak te geven in het Europese wetgevingsproces;

20.  prijst de Ombudsman voor zijn initiatief een reeks beginselen voor openbare dienstverlening te publiceren als richtsnoer voor het gedrag van EU-ambtenaren; brengt in herinnering dat de vijf beginselen voor openbare dienstverlening als volgt zijn: verplichting jegens de Europese Unie en haar burgers, integriteit, objectiviteit, respect voor anderen en transparantie; roept de instellingen, instanties en organen van de EU op zich in al hun activiteiten te laten leiden door deze beginselen;

21.  verwelkomt het feit dat de Ombudsman in juni 2013 een nieuwe uitgave van de Europese Code van goed administratief gedrag heeft gepubliceerd, mede op basis van de beginselen van het Europees bestuursrecht in de jurisprudentie van de Europese rechtbanken;

22.  is verheugd over de betrokkenheid van de Ombudsman bij een aantal verschillende, aan beter openbaar bestuur gewijde conferenties, onder meer een conferentie die hij samen met het Research Network on EU Administrative Law (ReNEUAL) heeft georganiseerd;

23.  herhaalt de oproep die het in zijn resolutie van 15 januari 2013(4) heeft gedaan aan de Commissie om gemeenschappelijke bindende regels en beginselen voor bestuursrechtelijke procedures in de EU-administratie vast te stellen en hiertoe een ontwerpverordening te presenteren op basis van artikel 298 VWEU; beschouwt de ervaringen van de Ombudsman tot nu toe en zijn desbetreffende publicaties als een geschikte inhoudelijke grondslag voor een dergelijk wetsvoorstel; meent dat dit de beste manier zou zijn om een blijvende verandering in de bestuurscultuur van de EU-instellingen te waarborgen;

24.  merkt tot zijn genoegen op dat de instellingen 98 positieve reacties hebben gegeven op de 120 opmerkingen en aanbevelingen van de Ombudsman in het kader van zijn onderzoeken in 2012, hetgeen betekent dat in 82% van de gevallen de EU-instellingen gehoor hebben gegeven aan de adviezen van de Ombudsman; roept alle instellingen, instanties en organen van de EU op hun uiterste best te doen om volledige naleving van de opmerkingen en aanbevelingen van de Ombudsman te waarborgen en de Ombudsman te ondersteunen door snel te reageren op zijn onderzoeken, onder meer door samen met de Ombudsman te proberen de termijnen van het onderzoeksproces te verkorten;

25.  herinnert eraan dat de Ombudsman in 2012 één speciaal verslag aan het Europees Parlement heeft gezonden, dat gaat over het verzuim van de Commissie een oplossing te vinden voor een belangenconflict in de behandeling van de uitbreiding van de luchthaven van Wenen, het gebrek aan milieueffectrapportage over die uitbreiding, en de afwezigheid van beroepsprocedures voor degenen die bezwaar maakten tegen het bouwproject en het ontbreken van MER; erkent de gepastheid van een dergelijk verslag in het licht van deze specifieke kwesties; herinnert eraan dat dit speciale verslag voor de Commissie verzoekschriften aanleiding was om toekomstgerichte voorstellen voor de huidige herziening van de MER-richtlijn op te stellen;

26.  is van oordeel dat, vooral wanneer er een ontwerp van aanbeveling wordt opgesteld, de wetenschap dat de volgende stap misschien een speciaal verslag aan het Europees Parlement is, een instelling of instantie vaak helpt overtuigen om haar mening te herzien;

27.  merkt op dat de vorige Ombudsman en de huidige Ombudsman in 17 en een half jaar slechts 18 speciale verslagen hebben ingediend; is van mening dat dit aantoont dat de EU-instellingen in de meeste gevallen bereid zijn tot samenwerking; erkent het belang van deze verslagen en moedigt de Ombudsman aan om dergelijke zaken verder te onderzoeken wanneer het gaat om belangrijke gevallen van wanbeheer in verband met instellingen, organen, instanties en agentschappen van de EU;

28.  benadrukt dat de International Right to Know Day, op 28 september, een initiatief is dat de zichtbaarheid van de Ombudsman onder het Europese publiek vergroot en een voorbeeld is van een goede praktijk;

29.  verwelkomt de deelneming van de Ombudsman, samen met de Commissie verzoekschriften van het Europees Parlement, het Europees Gehandicaptenforum, de Europese Commissie en het Europees Bureau voor de grondrechten, aan het kader op EU-niveau volgens artikel 33, lid 2, dat beoogt de uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap te beschermen, te bevorderen en te bewaken; roept de Ombudsman op om in zijn werk bijzondere nadruk te leggen op de behoeften van zeer kwetsbare sociale groepen, met inbegrip van personen met een handicap;

30.  verwelkomt de pogingen van de Ombudsman om de tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de instellingen van de EU te waarborgen, mede via zijn initiatiefonderzoeken; verwacht dat een andere, soortgelijke plicht aan de Ombudsman zal worden toevertrouwd wanneer de Unie toetreedt tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

31.  benadrukt het belang van de initiatiefonderzoeken van de Ombudsman, die hem in staat stellen onderwerpen te behandelen die anders niet onder zijn aandacht zouden komen als gevolg van het feit dat het publiek niet de vereiste informatie of middelen heeft om zich tot hem te wenden; acht het van belang om de zichtbaarheid van het ambt van de Europese Ombudsman te vergroten;

32.  verwelkomt de goedkeuring in 2012 van een wet tot oprichting van een ombudsbureau in Turkije; erkent de rol van de steun en het advies van de Europese Ombudsman in deze ontwikkeling; is verheugd over het feit dat alle kandidaat-lidstaten nu op nationaal niveau een ombudsbureau hebben opgericht; is van oordeel dat de ervaring leert dat de Ombudsman als instelling buitengewoon nuttig is voor de bevordering van behoorlijk bestuur, de rechtsstaat en de bescherming van de mensenrechten, en dat de lidstaten die nog geen ombudsbureau hebben opgericht, er goed aan zouden doen actief te overwegen dat te doen; roept de Europese Ombudsman op om door te gaan met toekomstige kandidaat-landen in dit proces te begeleiden;

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en het verslag van de Commissie verzoekschriften te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de Europese Ombudsman, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de ombudsmannen of soortgelijke bevoegde organen aldaar.

(1) PB C 286 van 27.11.2009, blz. 172.
(2) PB L 113 van 4.5.1994, blz. 15.
(3) Aangenomen op 8 juli 2002 en gewijzigd bij besluiten van de Ombudsman van 5 april 2004 en 3 december 2008.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0004.


Derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum ***I
PDF 192kWORD 21k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (COM(2011)0290 – C7-0135/2011 – 2011/0138(COD))
P7_TA(2013)0370A7-0139/2013

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0290),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7–0135/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 18 juli 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0139/2013),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 september 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld

P7_TC1-COD(2011)0138


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1289/2013.)


De Europese Bankautoriteit en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen ***I
PDF 208kWORD 23k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) wat de interactie daarvan betreft met Verordening (EU) nr…/… van de Raad waarbij aan de ECB specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (COM(2012)0512 – C7-0289/2012 – 2012/0244(COD))
P7_TA(2013)0371A7-0393/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0512),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0289/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 27 november 2012(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 november 2012(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 18 april 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien de brief van de Commissie juridische zaken,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie constitutionele zaken (A7–0393/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  neemt kennis van de gemeenschappelijke verklaring van de voorzitter van het Europees Parlement en de president van de Europese Centrale Bank die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd,

3.  beklemtoont dat punt 47 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer van toepassing dient te zijn op de uitbreiding van het takenpakket van de Europese Bankautoriteit; benadrukt dat elk besluit van de wetgevingsautoriteit met het oog op die uitbreiding geen afbreuk mag doen aan de besluiten van de begrotingsautoriteit in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure;

4.  verzoekt de Commissie een financieel memorandum in te dienen dat ten volle rekening houdt met de uitkomst van het wetgevingsakkoord tussen het Europees Parlement en de Raad om te voldoen aan de begrotings- en personele eisen van de Europese Bankautoriteit, de diensten van de Commissie en mogelijkerwijs van de Europese Centrale Bank;

5.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 september 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen krachtens Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad

P7_TC1-COD(2012)0244


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1022/2013.)

Bijlage bij de wetgevingsresolutie

Verklaring van de voorzitter van het Europees Parlement en de president van de Europese Centrale Bank ter gelegenheid van de stemming in het EP met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen

Overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad, en met name in artikel 20, zeggen wij, de voorzitter van het Europees Parlement en de president van de Europese Centrale Bank, hierbij onze volle steun toe aan de ontwerptekst van het interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank tot samenwerking bij procedures met betrekking tot het tussen onze respectieve onderhandelingsteams overeengekomen Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (GTM). Wij roepen de beide instellingen er dan ook toe op, het interinstitutioneel akkoord zo snel mogelijk goed te keuren.

Het akkoord bepaalt dat de ECB bij de uitoefening van haar taken in het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (GTM) jegens het Europees Parlement strikte verantwoording moet afleggen en passende waarborgen moet bieden voor de bescherming van vertrouwelijke informatie. Het ontwerp van interinstitutioneel akkoord voorziet met name in een stringente parlementaire controle op de toezichthoudende taken van de ECB door middel van regelmatige gedachtewisselingen met de verantwoordelijke commissie van het Parlement, in vertrouwelijke mondelinge gesprekken met het bureau van die commissie, en in nadere toegang tot informatie, o.a. ook tot het verslag van de werkzaamheden van de raad van toezicht. Tevens wordt gegarandeerd dat de ECB met het Europees Parlement zal samenwerken in het kader van zijn onderzoeksactiviteiten.

Daarnaast is in het ontwerp van interinstitutionele overeenkomst nadrukkelijk bepaald dat het Parlement ook betrokken wordt bij de procedure voor de selectie van de voorzitter van de raad van toezicht. In het licht van onze gezamenlijke doelstelling om zo snel mogelijk voortgang te maken met de instelling van het GTM – een belangrijke stap op weg naar een volledige bankenunie – zijn onze beide instellingen voornemens op korte termijn over te gaan tot de eerste selectieprocedure voor de benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht.

Straatsburg/Frankfurt, 12 september 2013

Martin Schulz Mario Draghi

(1) PB C 30 van 1.2.2013, blz. 6.
(2) PB C 11 van 15.1.2013, blz. 34.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 22 mei 2013 (Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0212).


Specifieke taken voor de Europese Centrale Bank betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen *
PDF 204kWORD 23k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over het voorstel voor een verordening van de Raad waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (COM(2012)0511 – C7-0314/2012 – 2012/0242(CNS))
P7_TA(2013)0372A7-0392/2012

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2012)0511),

–  gezien artikel 127, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0314/2012),

–  gezien protocol nr. 4 betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank,

–  gezien de brief van de Commissie juridische zaken,

–  gezien de brief van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie constitutionele zaken (A7-0392/2012),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement(1);

2.  neemt kennis van de gemeenschappelijke verklaring van de voorzitter van het Europees Parlement en de president van de Europese Centrale Bank die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd,

3.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

4.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

5.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement vastgesteld op 12 september 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen

P7_TC1-CNS(2012)0242


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1024/2013.)

Bijlage bij de wetgevingsresolutie

Verklaring van de voorzitter van het Europees Parlement en de president van de Europese Centrale Bank ter gelegenheid van de stemming in het EP met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen

Overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad, en met name in artikel 20, zeggen wij, de voorzitter van het Europees Parlement en de president van de Europese Centrale Bank, hierbij onze volle steun toe aan de ontwerptekst van het interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank tot samenwerking bij procedures met betrekking tot het tussen onze respectieve onderhandelingsteams overeengekomen Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (GTM). Wij roepen de beide instellingen er dan ook toe op, het interinstitutioneel akkoord zo snel mogelijk goed te keuren.

Het akkoord bepaalt dat de ECB bij de uitoefening van haar taken in het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (GTM) jegens het Europees Parlement strikte verantwoording moet afleggen en passende waarborgen moet bieden voor de bescherming van vertrouwelijke informatie. Het ontwerp van interinstitutioneel akkoord voorziet met name in een stringente parlementaire controle op de toezichthoudende taken van de ECB door middel van regelmatige gedachtewisselingen met de verantwoordelijke commissie van het Parlement, in vertrouwelijke mondelinge gesprekken met het bureau van die commissie, en in nadere toegang tot informatie, o.a. ook tot het verslag van de werkzaamheden van de raad van toezicht. Tevens wordt gegarandeerd dat de ECB met het Europees Parlement zal samenwerken in het kader van zijn onderzoeksactiviteiten.

Daarnaast is in het ontwerp van interinstitutionele overeenkomst nadrukkelijk bepaald dat het Parlement ook betrokken wordt bij de procedure voor de selectie van de voorzitter van de raad van toezicht. In het licht van onze gezamenlijke doelstelling om zo snel mogelijk voortgang te maken met de instelling van het GTM – een belangrijke stap op weg naar een volledige bankenunie – zijn onze beide instellingen voornemens op korte termijn over te gaan tot de eerste selectieprocedure voor de benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht.

Straatsburg/Frankfurt, 12 september 2013

Martin Schulz Mario Draghi

(1) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 22 mei 2013 (Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0213).


Toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik ervan in de Unie ***I
PDF 386kWORD 66k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 12 september 2013 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik ervan in de Unie (COM(2012)0576 – C7-0322/2012 – 2012/0278(COD))(1)
P7_TA(2013)0373A7-0263/2013

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Visum -1 (nieuw)
Gezien het Verdrag inzake biologische diversiteit en het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik,
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging -1 (nieuw)
(-1) De Unie heeft een "EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020" ingevoerd, waarmee zij zich ertoe verplicht haar bijdrage tot het voorkomen van wereldwijd biodiversiteitsverlies voor 2020 op te voeren.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Een breed scala van spelers in de Unie, waaronder academische onderzoekers en bedrijven uit verschillende sectoren, gebruikt genetische rijkdommen voor onderzoeks-, ontwikkelings- en commercialiseringsdoeleinden; een aantal gebruikt ook traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen.
(1)  Een breed scala van gebruikers en verstrekkers in de Unie, waaronder academische onderzoekers en bedrijven uit verschillende sectoren, gebruikt genetische rijkdommen voor onderzoeks-, ontwikkelings- en commercialiseringsdoeleinden; een aantal gebruikt ook traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen. Onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten impliceren niet alleen onderzoek en analyse van de genetische of biochemische samenstelling van genetische rijkdommen maar ook maatregelen om innovatie en praktische toepassingen te genereren. Een succesvolle uitvoering van het Protocol van Nagoya hangt ook af van de wijze waarop gebruikers en verstrekkers van genetische rijkdommen of traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen in staat zijn te onderhandelen over voorwaarden ter bevordering van het behoud van biodiversiteit overeenkomstig de "EU-biodiversiteitsstrategie tot 2020".
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Genetische rijkdommen zijn de genenpoel in zowel natuurlijke populaties als gecultiveerde of gedomesticeerde rassen en spelen een significante en groeiende rol in tal van economische sectoren, waaronder de productie van levensmiddelen, de bosbouw, de ontwikkeling van geneesmiddelen of de ontwikkeling van biologische bronnen van hernieuwbare energie.
(2)  Genetische rijkdommen zijn de genenpoel in zowel natuurlijke populaties als gecultiveerde of gedomesticeerde rassen en spelen een significante en groeiende rol in tal van economische sectoren, waaronder de productie van levensmiddelen, de bosbouw, biotechnologie, de ontwikkeling en productie van geneesmiddelen, cosmetica of de ontwikkeling van biologische bronnen van energie. Genetische rijkdommen spelen een belangrijke rol bij de uitvoering van strategieën voor het herstel van beschadigde ecosystemen en het behoud van bedreigde soorten.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  De Unie erkent de onderlinge afhankelijkheid van alle landen ten aanzien van genetische rijkdommen voor voedsel en landbouw alsook het specifieke karakter van die rijkdommen en het belang ervan voor het bereiken van wereldwijde voedselzekerheid en voor duurzame ontwikkeling van de landbouw in de context van armoedebestrijding en klimaatverandering, en is zich bewust van de fundamentele rol van het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische rijkdommen voor voedsel en landbouw en de FAO-commissie genetische rijkdommen voor voedsel en landbouw in dit verband.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 2 ter (nieuw)
(2 ter)  Het onderzoek naar genetische rijkdommen breidt zich geleidelijk uit tot nieuwe gebieden, met name oceanen – nog altijd 's werelds minst verkende en minst bekende milieu. Met name de diepe oceaan vormt de laatste grote grens van onze planeet, wat de reden is voor de groeiende interesse voor het onderzoeken, verkennen en winnen van de daarin aanwezige rijkdommen. Tegen deze achtergrond vormt de bestudering van de enorme biodiversiteit in de diepzee-ecosystemen een opkomend onderzoeksterrein dat zeer veel belooft voor wat betreft de ontdekking van genetische rijkdommen, die voor de meest uiteenlopende doeleinden zouden kunnen worden gebruikt.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 2 quater (nieuw)
(2 quater)  Het is een gangbare praktijk om alle plantgenetische rijkdommen voor voedsel en landbouw in te ruilen voor onderzoek, veredeling en scholing krachtens de bepalingen en voorwaarden van de modelovereenkomst inzake overdracht van materiaal die is ingesteld onder het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische rijkdommen voor voeding en landbouw zoals vastgesteld in het memorandum van overeenstemming voor de instelling van het geïntegreerde systeem voor een Europese genenbank (AEGIS); overeenkomstig artikel 4, lid 3, van het Protocol van Nagoya wordt erkend dat deze praktijk de doelstellingen van het verdrag en het Protocol van Nagoya steunt en niet tegenwerkt.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  De traditionele kennis waarover inheemse en plaatselijke gemeenschappen beschikken, kan belangrijke informatie opleveren die tot de wetenschappelijke ontdekking van interessante genetische of biochemische eigenschappen van genetische rijkdommen kan leiden.
(3)  De traditionele kennis waarover inheemse en plaatselijke gemeenschappen beschikken, kan belangrijke informatie opleveren die tot de wetenschappelijke ontdekking van mogelijk waardevolle genetische of biochemische eigenschappen van genetische rijkdommen kan leiden, waaronder de kennis, innovaties en praktijken van inheemse en plaatselijke gemeenschappen met een traditionele levensstijl die relevant is voor de instandhouding en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit. De rechten van deze gemeenschappen, als vastgelegd in Verdrag nr. 169 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende inheemse en in stamverband levende volkeren, alsook in de in 2007 door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen verklaring over de rechten van inheemse volkeren, moeten geëerbiedigd worden, en uitvoeringsmaatregelen van de Unie moeten dit vergemakkelijken.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Er zij aan herinnerd dat volgens het Europees Octrooiverdrag, planten- en dierenrassen en werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten of dieren niet octrooieerbaar zijn. Als uitvindingen gebaseerd zijn op genetische rijkdommen of bestanddelen daarvan, moet bij octrooiaanvragen die ook betrekking hebben op deze genetische rijkdommen, producten – met inbegrip van derivaten – en werkwijzen die zijn afgeleid van het gebruik van biotechnologie, of traditionele kennis in verband met de genetische rijkdommen, aan de desbetreffende autoriteiten worden meegedeeld welke genetische rijkdommen zijn gebruikt en wat de oorsprong ervan is; deze informatie moet worden doorgegeven aan de bevoegde autoriteit. Dezelfde verplichting moet gelden voor nieuwe kwekersrechten.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 ter (nieuw)
(3 ter)  De bevoegdheid en verantwoordelijkheid voor de praktische uitvoering van maatregelen om inheemse en plaatselijke gemeenschappen binnen de Unie te beschermen in regelingen betreffende toegang en batenverdeling blijven voorbehouden aan de lidstaten en hun rechtbanken.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Genetische rijkdommen moeten ter plaatse in stand worden gehouden en duurzaam worden gebruikt, en de voordelen die voortvloeien uit het gebruik ervan moeten op eerlijke en billijke wijze worden verdeeld. Dit draagt bij aan de uitbanning van armoede en zodoende aan de verwezenlijking van de VN-millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, zoals onderkend in de preambule van het op 29 oktober 2010 door de partijen bij het Verdrag aangenomen Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik (het Protocol van Nagoya). In hun hoedanigheid van partijen bij het Verdrag hebben de Unie en de meeste van haar lidstaten het Protocol van Nagoya ondertekend. Er moet draagvlak zijn voor de capaciteit om het Protocol daadwerkelijk ten uitvoer te leggen.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)  Batenverdeling dient te worden gezien in een context waarin biodiversiteitrijke ontwikkelingslanden de verstrekking van genetische rijkdommen domineren en de gebruikers hoofdzakelijk in de ontwikkelde landen te vinden zijn. Toegang en batenverdeling kunnen niet alleen bijdragen tot het behoud en een duurzaam gebruik van de biodiversiteit, maar ook aan de uitroeiing van de armoede en aan milieuduurzaamheid en op die manier bijdragen aan de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen, zoals onderkend in de preambule van het Protocol van Nagoya. De tenuitvoerlegging van het Protocol van Nagoya moet ook op de verwezenlijking van dit potentieel zijn gericht.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 quater (nieuw)
(4 quater)  Het recht op voedsel zoals neergelegd in artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en in artikel 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, alsook het recht op het genot van het hoogst haalbare gezondheidsniveau overeenkomstig artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, zijn van allesoverstijgend belang en moeten te allen tijde worden beschermd.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 quinquies (nieuw)
(4 quinquies)  De kennis in verband met genetische rijkdommen is net als de genetische rijkdommen zelf voor het grootste gedeelte geconcentreerd in de ontwikkelingslanden, met name in inheemse en plaatselijke gemeenschappen. De rechten van deze gemeenschappen zoals neergelegd in verdrag 169 van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) inzake inheemse en tribale volkeren en de in 2007 door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen Verklaring over de rechten van inheemse volkeren, dienen te worden geëerbiedigd en uitvoeringsmaatregelen van de Unie moeten dit bevorderen.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  In het verdrag wordt erkend dat staten soevereine rechten hebben op de natuurlijke rijkdommen in hun jurisdictie en dat zij het gezag hebben om de toegang tot hun genetische rijkdommen te reguleren. Krachtens het verdrag moeten alle partijen de toegang faciliteren tot de genetische rijkdommen waarop zij soevereine rechten hebben. Het verdrag verplicht alle partijen maatregelen te nemen om de resultaten van onderzoek en ontwikkeling en de voordelen die voortvloeien uit het commerciële en andere gebruik van genetische rijkdommen op een eerlijke en billijke wijze te delen met de partij die deze rijkdommen verstrekt. Deze verdeling geschiedt op onderling overeengekomen voorwaarden. Het verdrag betreft ook de toegang tot en de batenverdeling met betrekking tot de kennis, innovaties en gebruiken van inheemse en plaatselijke gemeenschappen die relevant zijn voor de instandhouding en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit.
(5)  In het verdrag wordt erkend dat staten soevereine rechten hebben op de natuurlijke rijkdommen in hun jurisdictie en dat zij het gezag hebben om de toegang tot hun genetische rijkdommen te reguleren. Krachtens het verdrag moeten alle partijen de toegang faciliteren tot de genetische rijkdommen waarop zij soevereine rechten hebben, met het oog op milieuvriendelijk gebruik door andere partijen. Het verdrag verplicht alle partijen maatregelen te nemen om de resultaten van onderzoek en ontwikkeling en de voordelen die voortvloeien uit het commerciële en andere gebruik van genetische rijkdommen op een eerlijke en billijke wijze te delen met de partij die deze rijkdommen verstrekt. Deze verdeling geschiedt na voorafgaande geïnformeerde toestemming van het land van herkomst van deze rijkdommen, en de baten zijn gebaseerd op onderling overeengekomen voorwaarden. Het verdrag betreft ook de toegang tot en de batenverdeling met betrekking tot de kennis, innovaties en gebruiken van inheemse en plaatselijke gemeenschappen die relevant zijn voor de instandhouding en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit. Een eerlijke en billijke verdeling tussen alle partijen van de mogelijkheden, ontwikkelingen en voordelen die voortvloeien uit het gebruik van genetische rijkdommen kan enkel worden gewaarborgd door een evenwichtig en duurzaam gebruik van de genetische rijkdommen en een daadwerkelijke betrokkenheid van plaatselijke gemeenschappen.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik, gevoegd bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (het Protocol van Nagoya), is een internationaal verdrag dat op 29 oktober 2010 is goedgekeurd door de partijen bij het verdrag. Het Protocol van Nagoya breidt de algemene regels inzake toegang en batenverdeling van het verdrag aanzienlijk uit voor het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen.
(6)  Het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik, gevoegd bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (het Protocol van Nagoya), is een internationaal verdrag dat op 29 oktober 2010 is goedgekeurd door de partijen bij het verdrag. In het Protocol van Nagoya worden de algemene regels inzake toegang en monetaire en niet-monetaire batenverdeling van het verdrag nader gespecificeerd voor de toepassing en daaropvolgende verhandeling van genetische rijkdommen en traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Het Protocol van Nagoya is van toepassing op genetische rijkdommen die binnen de reikwijdte van artikel 15 van het verdrag vallen, in tegenstelling tot de grotere reikwijdte van artikel 4 van het verdrag. Dit houdt in dat het Protocol van Nagoya zich niet uitstrekt tot de volledige werkingssfeer van artikel 4, zoals tot activiteiten die plaatsvinden in zeegebieden buiten de nationale jurisdictie. Desalniettemin weerhoudt niets in het Protocol van Nagoya de partijen ervan om hun beginselen uit te breiden naar activiteiten die in dergelijke zeegebieden plaatsvinden.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  Het is belangrijk dat er een duidelijk en solide kader voor de uitvoering van het Protocol van Nagoya wordt vastgesteld dat de mogelijkheden voor op de natuur gebaseerde onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten in de Unie verbetert. Het is ook essentieel om het gebruik van illegaal verkregen genetische rijkdommen of van de traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen in de Unie te voorkomen en de doeltreffende uitvoering van verbintenissen inzake batenverdeling die op onderling overeengekomen voorwaarden tussen verstrekkers en gebruikers zijn vastgesteld, te ondersteunen.
(8)  Het is belangrijk dat er een duidelijk en solide kader voor de uitvoering van het Protocol van Nagoya en de relevante bepalingen van het Verdrag wordt vastgesteld dat de belangrijkste doelstelling ervan bevordert, namelijk het behoud van de biologische diversiteit, het duurzaam gebruik van de componenten daarvan en de eerlijke en billijke verdeling van de uit het gebruik van genetische rijkdommen voortvloeiende baten. Dit omvat het voorkomen van het gebruik van illegaal verkregen genetische rijkdommen of van de traditionele kennis in verband met dergelijke rijkdommen in de Unie. Het is tevens van cruciaal belang de mogelijkheden voor op de natuur gebaseerde onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten in de Unie te vergroten, met name door de rechtszekerheid in verband met het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis te verbeteren.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)  Toepassing van illegaal verworven genetische rijkdommen, of daaropvolgende verhandeling van op die rijkdommen gebaseerde producten of traditionele kennis dienaangaande moet worden verboden.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 8 ter (nieuw)
(8 ter)  Het met deze verordening ingestelde kader is tevens noodzakelijk voor de instandhouding en vergroting van het vertrouwen tussen de partijen, inheemse en plaatselijke gemeenschappen en belangengroepen die bij de toegang tot en batenverdeling van genetische rijkdommen zijn betrokken.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Ter wille van de rechtszekerheid is het belangrijk dat de regels ter uitvoering van het Protocol van Nagoya uitsluitend van toepassing zijn op de genetische rijkdommen en de traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen waartoe toegang wordt verkregen na de inwerkingtreding van het Protocol van Nagoya voor de Unie.
(9)  Ter wille van de rechtszekerheid is het belangrijk dat de regels ter uitvoering van het Protocol van Nagoya uitsluitend van toepassing zijn op de eerste verwerving of een nieuw gebruik van genetische rijkdommen en de traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen die plaatsvindt of begint na de inwerkingtreding van het Protocol van Nagoya voor de Unie.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Het is belangrijk om, overeenkomstig het Protocol van Nagoya, te definiëren dat het gebruik van genetische rijkdommen betrekking heeft op onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot de genetische of biochemische samenstelling van monsters van genetisch materiaal, met inbegrip van onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot geïsoleerde verbindingen die zijn geëxtraheerd uit genetische materiaal dat verkregen is binnen de jurisdictie van een partij bij het Protocol van Nagoya.
(11)  Het is belangrijk om, overeenkomstig het Protocol van Nagoya, te definiëren dat de toepassing van genetische rijkdommen betrekking heeft op onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot de genetische of biochemische samenstelling van genetische rijkdommen. Onder "onderzoek en ontwikkeling" moet worden verstaan: het onderzoek naar en de bestudering van de genetische of biochemische samenstelling van genetische rijkdommen met het oog op vaststelling van feiten en het trekken van conclusies, met inbegrip van de totstandbrenging van innovaties en praktische toepassingen.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Met het oog op een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Protocol van Nagoya moeten alle gebruikers van genetische rijkdommen en van traditionele kennis in verband met zulke rijkdommen ertoe worden verplicht de passende zorgvuldigheid in acht te nemen om te verzekeren dat de toegang tot de gebruikte genetische rijkdommen en de traditionele kennis dienaangaande is verkregen overeenkomstig de toepasselijke wettelijke vereisten en om te waarborgen dat de voordelen, indien van toepassing, worden gedeeld. Gelet op de verscheidenheid aan gebruikers binnen de Unie is het echter niet passend alle gebruikers te verplichten dezelfde maatregelen ter inachtneming van de passende zorgvuldigheid te treffen. Daarom moeten slechts minimumkenmerken voor zorgvuldigheidsmaatregelen worden vastgesteld. De specifieke keuzes van de gebruikers inzake de instrumenten en maatregelen om de passende zorgvuldigheid in acht te nemen, moeten worden ondersteund door de erkenning van beste praktijken alsook door aanvullende maatregelen ter ondersteuning van sectorspecifieke gedragscodes, modelcontractclausules en richtsnoeren, teneinde de rechtszekerheid te verhogen en de kosten te verlagen. De verplichting voor gebruikers om informatie met betrekking tot toegang en batenverdeling te bewaren, moet van beperkte duur zijn, overeenkomstig de tijd die nodig is voor een mogelijke innovatie.
(14)  Met het oog op een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Protocol van Nagoya moeten alle gebruikers van genetische rijkdommen en van traditionele kennis in verband met zulke rijkdommen ertoe worden verplicht de passende zorgvuldigheid in acht te nemen om te verzekeren dat de toegang tot de gebruikte genetische rijkdommen en de traditionele kennis dienaangaande is verkregen overeenkomstig de toepasselijke wettelijke vereisten en om te waarborgen dat de voordelen worden gedeeld. Gelet op de verscheidenheid aan gebruikers binnen de Unie is het echter niet passend alle gebruikers te verplichten dezelfde maatregelen ter inachtneming van de passende zorgvuldigheid te treffen. De specifieke keuzes van de gebruikers inzake de instrumenten en maatregelen om de passende zorgvuldigheid in acht te nemen, moeten worden ondersteund door de erkenning van beste praktijken alsook door sectorspecifieke gedragscodes, modelcontractclausules en richtsnoeren, teneinde de rechtszekerheid te verhogen en de kosten te verlagen. De verplichting voor gebruikers om informatie met betrekking tot toegang en batenverdeling te bewaren, moet van beperkte duur zijn, overeenkomstig de tijd die nodig is voor een mogelijke innovatie.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  Voor een succesvolle tenuitvoerlegging van het Protocol van Nagoya is het noodzakelijk dat de gebruikers en verstrekkers van genetische rijkdommen of traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen via onderhandelingen tot onderling overeengekomen voorwaarden komen die niet alleen tot een eerlijke batenverdeling leiden, maar ook bijdragen tot het bredere doel van het Protocol van Nagoya, namelijk de instandhouding van biologische diversiteit.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Bij de omschrijving van zorgvuldigheidsmaatregelen die bijzonder geschikt zijn om er met een hoge mate van rechtszekerheid en tegen lage kosten voor te zorgen dat het systeem voor de tenuitvoerlegging van het Protocol van Nagoya wordt nageleefd, moet een belangrijke rol zijn weggelegd voor door gebruikers ontwikkelde beste praktijken. Gebruikers moeten in staat worden gesteld voort te bouwen op bestaande gedragscodes inzake toegang en batenverdeling die zijn ontwikkeld voor de academische sector en verschillende bedrijfssectoren. Verenigingen van gebruikers moeten de Commissie kunnen verzoeken te bepalen of een specifieke combinatie van procedures, instrumenten of mechanismen waarop toezicht wordt gehouden door de vereniging, als beste praktijk kan worden erkend. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten nagaan of de toepassing van een erkende beste praktijk door een gebruiker het risico van die gebruiker op niet-naleving verlaagt en een vermindering van het aantal nalevingscontroles rechtvaardigt. Hetzelfde moet gelden voor beste praktijken die zijn aangenomen door de gezamenlijke partijen bij het Protocol van Nagoya.
Schrappen
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  De gebruikers moeten op vastgestelde punten in de keten van activiteiten die samen het gebruik vormen, aangeven dat zij de passende zorgvuldigheid in acht hebben genomen. Passende punten voor zulke verklaringen zijn de ontvangst van openbare middelen voor onderzoek, het verzoek om marktgoedkeuring van een op basis van genetische rijkdommen ontwikkeld product of, indien geen marktgoedkeuring vereist is, het tijdstip van de marktintroductie. Er zij op gewezen dat de verklaring die wordt gedaan bij het verzoek om marktgoedkeuring geen deel uitmaakt van de eigenlijk goedkeuringsprocedure en wordt gericht tot de krachtens deze verordening aangewezen bevoegde autoriteiten.
(17)  De gebruikers moeten op vastgestelde punten in de keten van activiteiten aangeven dat zij de passende zorgvuldigheid in acht hebben genomen en daar bewijs voor leveren. Passende punten voor zulke verklaringen zijn de instelling van voorafgaande geïnformeerde toestemming en onderling overeengekomen voorwaarden, de ontvangst van middelen voor onderzoek bij indiening van een aanvraag voor intellectuele-eigendomsrechten bij de desbetreffende nationale, regionale of internationale instellingen, het verzoek om marktgoedkeuring van een op basis van genetische rijkdommen ontwikkeld product of, indien geen marktgoedkeuring vereist is, het tijdstip van de marktintroductie. Er zij op gewezen dat de verklaring die wordt gedaan bij de indiening van een aanvraag voor intellectuele-eigendomsrechten of bij het verzoek om marktgoedkeuring geen deel uitmaakt van de eigenlijke goedkeuringsprocedure en wordt gericht tot de krachtens deze verordening aangewezen bevoegde autoriteiten.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Het vergaren van genetische rijkdommen in het wild gebeurt meestal voor niet-commerciële doeleinden door aan universiteiten verbonden onderzoekers of verzamelaars. In het overgrote deel van de gevallen en in nagenoeg alle sectoren wordt toegang tot onlangs vergaarde genetische rijkdommen verkregen via tussenpersonen, collecties of actoren die genetische rijkdommen in derde landen verwerven.
(18)  Het vergaren van genetische rijkdommen in het wild gebeurt meestal door particuliere verzamelaars en bedrijven, vaak met commerciële doeleinden, en door academische onderzoekers of wetenschappelijke instellingen met niet-commerciële doeleinden. In het overgrote deel van de gevallen en in nagenoeg alle sectoren wordt toegang tot onlangs vergaarde genetische rijkdommen verkregen via tussenpersonen, collecties of actoren die genetische rijkdommen in derde landen verwerven voor zowel commerciële als niet-commerciële doeleinden. Met deze verordening moet worden gewaarborgd dat de bepalingen inzake onderling overeengekomen voorwaarden voor de eerste toegang, die van belang zijn voor overdrachten aan derden door alle betrokken partijen worden nageleefd. In veel gevallen kan daaropvolgend gebruik of verhandeling hernieuwde onderling overeengekomen voorwaarden vereisen.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  Collecties vormen belangrijke verstrekkers van in de Unie gebruikte genetische rijkdommen en in de Unie gebruikte traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen. Er moet een systeem van door de Unie vertrouwde collecties worden opgezet. Een dergelijk systeem zorgt ervoor dat collecties die zijn opgenomen in het register van door de Unie vertrouwde collecties op doeltreffende wijze maatregelen toepassen om uitsluitend monsters van genetische rijkdommen aan derden te verstrekken die vergezeld gaan van documentatie waaruit blijkt dat zij op legale wijze zijn verkregen en er, indien vereist, onderling overeengekomen voorwaarden zijn vastgesteld. Een systeem van door de Unie vertrouwde collecties verlaagt aanzienlijk het risico dat op illegale wijze verkregen genetische rijkdommen in de Unie worden gebruikt. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten controleren of een collectie aan de vereisten voor erkenning als een door de Unie vertrouwde collectie voldoet. Van gebruikers die een genetische hulpbron uit een in het register van de Unie opgenomen collectie verkrijgen, moet worden verondersteld dat zij de passende zorgvuldigheid in acht hebben genomen met betrekking tot het vergaren van de nodige informatie. Dit komt met name academische onderzoekers en kleine en middelgrote ondernemingen ten goede.
(19)  De meeste collecties zijn de best toegankelijke verstrekkers van in de Unie gebruikte genetische rijkdommen en in de Unie gebruikte traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen. Als leveranciers kunnen zij andere gebruikers in de controleketen in belangrijke mate helpen te voldoen aan hun verplichtingen. Daartoe moet een systeem van door de Unie geregistreerde collecties worden opgezet. Een dergelijk systeem zorgt ervoor dat op het niveau van de Unie geregistreerde collecties op doeltreffende wijze maatregelen toepassen om uitsluitend monsters van genetische rijkdommen aan derden te verstrekken die vergezeld gaan van documentatie waaruit blijkt dat zij op legale wijze zijn verkregen en er, indien vereist, onderling overeengekomen voorwaarden zijn vastgesteld. Een systeem van door de Unie geregistreerde collecties verlaagt aanzienlijk het risico dat op illegale wijze verkregen genetische rijkdommen in de Unie worden gebruikt. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten controleren of een collectie aan de vereisten voor erkenning als een door de Unie geregistreerde collectie voldoet, en onder meer haar capaciteit aantonen om de algemene doelen van het Protocol van Nagoya te eerbiedigen en dus te zorgen voor een eerlijke verdeling van de baten die voortvloeien uit het gebruik van genetische rijkdommen en bij te dragen tot de instandhouding van de biodiversiteit. Van gebruikers die een genetische hulpbron uit een in het register van de Unie opgenomen collectie verkrijgen, moet worden verondersteld dat zij de passende zorgvuldigheid in acht hebben genomen met betrekking tot het vergaren van de nodige informatie. Dit komt met name academische onderzoekers en kleine en middelgrote ondernemingen ten goede.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  De door de Unie geregistreerde collecties dienen de doelstellingen van het Protocol van Nagoya te onderschrijven. Ze moeten overeenkomstig artikel 21 en 22 van het Protocol bijdragen aan de bewustwording en de capaciteitsopbouw, in zoverre hun middelen dit mogelijk maken. Bevoegde autoriteiten kunnen overwegen dergelijke activiteiten van collecties financieel te ondersteunen. Elke door de Unie geregistreerde collectie dient een bijdrage te leveren aan inspanningen ter documentatie van traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen, dit in voorkomende gevallen in samenwerking met inheemse en plaatselijke gemeenschappen, autoriteiten, antropologen en andere actoren. Bij de omgang met dergelijke kennis moeten relevante rechten volledig worden nageleefd. Informatie over dergelijke kennis moet worden gepubliceerd indien dit de bescherming van de relevante rechten ten goede komt en op geen enkele wijze schendt of belemmert.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten controleren of gebruikers hun verplichtingen nakomen. In dat verband moeten de bevoegde autoriteiten internationaal erkende certificaten van naleving aanvaarden als bewijs dat de desbetreffende genetische rijkdommen legaal zijn verkregen en er onderling overeengekomen voorwaarden zijn vastgesteld. De bevoegde autoriteiten moeten ook documentatie van de verrichte controles bewaren en de desbetreffende informatie moet toegankelijk worden gemaakt overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie.
(20)  De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten controleren of gebruikers hun verplichtingen nakomen. In dat verband moeten de bevoegde autoriteiten internationaal erkende certificaten van naleving aanvaarden als bewijs dat de desbetreffende genetische rijkdommen legaal zijn verkregen en er onderling overeengekomen voorwaarden zijn vastgesteld. Wanneer er geen internationaal certificaat voorhanden is, dienen andere wettig aanvaardbare vormen van naleving te worden beschouwd als bewijs dat de betreffende genetische rijkdommen legaal verworven zijn en dat onderling overeengekomen voorwaarden zijn aangegaan. De bevoegde autoriteiten moeten ook documentatie van de verrichte controles bewaren en de desbetreffende informatie moet toegankelijk worden gemaakt overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  De Unie moet proactief optreden om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van het Protocol van Nagoya ten aanzien van wereldwijde multilaterale batenverdelingsmechanismen worden verwezenlijkt teneinde meer hulpbronnen te kunnen inzetten voor de instandhouding van biologische diversiteit en het duurzame gebruik van de componenten daarvan wereldwijd.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Een uniaal platform inzake toegang moet het mogelijk maken overleg te plegen over toegangsvoorwaarden in de lidstaten, het ontwerp en de prestaties van toegangsstelsels, vereenvoudigde toegang voor niet-commercieel onderzoek, toegangspraktijken van collecties in de lidstaten, toegang van belanghebbenden uit de Unie in derde landen en de uitwisseling van beste praktijken, en bijdragen tot de stroomlijning daarvan.
(23)  Een uniaal platform inzake toegang en eerlijke en billijke batenverdeling moet het mogelijk maken overleg te plegen over toegangsvoorwaarden in de lidstaten, het ontwerp en de prestaties van toegangs- en batenverdelingsstelsels, vereenvoudigde toegang en batenverdeling voor niet-commercieel onderzoek, toegangs- en batenverdelingspraktijken van collecties in de lidstaten, toegang en batenverdeling van belanghebbenden uit de Unie in derde landen en de uitwisseling van beste praktijken, en bijdragen tot de stroomlijning daarvan. Het uniaal platform dient de bevoegdheden van de lidstaten volledig te eerbiedigen en te zorgen voor passende inspraak van de inheemse en plaatselijke gemeenschappen, overeenkomstig het Protocol van Nagoya.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1
Deze verordening stelt regels inzake toegang en batenverdeling vast voor genetische rijkdommen en traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen, overeenkomstig de bepalingen van het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik, gevoegd bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (het Protocol van Nagoya).
Deze verordening stelt regels inzake naleving van toegang en batenverdeling vast voor genetische rijkdommen en traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen, overeenkomstig de bepalingen van het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik, gevoegd bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (het Protocol van Nagoya).
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Deze verordening heeft tot doel een eerlijke en billijke verdeling tot stand te brengen van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik van genetische rijkdommen en zo bij te dragen tot de instandhouding van de biologische diversiteit en het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan, overeenkomstig de doelstelling van het Verdrag inzake biologische diversiteit ("het Verdrag").
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 ter (nieuw)
Deze verordening roept plichten in het leven voor de gebruikers van genetische rijkdommen en daarmee samenhangende traditionele kennis. Het middels deze verordening in het leven geroepen systeem ter uitvoering van het Protocol van Nagoya omvat tevens bepalingen ter bevordering van de naleving door gebruikers van hun verplichtingen, alsmede een kader voor de door de lidstaten van de EU op te zetten en ten uitvoer te leggen toezichts- en controleregelingen. Deze verordening bevat ook bepalingen waarmee wordt beoogd relevante actoren ertoe aan te zetten activiteiten te ontplooien ter verhoging van het bewustzijn over het belang van genetische hulpbronnen, de daarmee verband houdende traditionele kennis en de daarmee samenhangende toegangs- en batenverdelingsvraagstukken, alsook activiteiten om bij te dragen aan de capaciteitsopbouw in ontwikkelingslanden overeenkomstig de bepalingen van het Protocol van Nagoya.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 2
Deze verordening is van toepassing op genetische rijkdommen waarover staten soevereine rechten uitoefenen en op de traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen waartoe toegang wordt verschaft na de inwerkingtreding van het Protocol van Nagoya voor de Unie. Zij is eveneens van toepassing op de voordelen die voortvloeien uit het gebruik van zulke genetische rijkdommen en op de traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen.
Deze verordening is van toepassing op genetische rijkdommen waarover staten soevereine rechten uitoefenen en op de traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen waartoe toegang wordt verschaft na de inwerkingtreding van het Protocol van Nagoya voor de Unie. Zij is eveneens van toepassing op de voordelen die voortvloeien uit het gebruik van zulke genetische rijkdommen en op de traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen.
Deze verordening is niet van toepassing op genetische rijkdommen waarvan de toegang en batenverdeling worden geregeld middels een specifiek internationaal instrument waarbij de Unie partij is.
Deze verordening is niet van toepassing op genetische rijkdommen waarvan de toegang en batenverdeling worden geregeld middels een specifiek internationaal instrument waarbij de Unie partij is.
Deze verordening is niet van toepassing op genetische hulpbronnen uit een land van herkomst dat ervoor heeft gekozen geen nationale regels inzake toegang overeenkomstig het geldende Protocol van Nagoya in te voeren, en evenmin op grondstoffenhandel in het algemeen. De nodige aandacht moet worden besteed aan nuttige en relevante lopende werkzaamheden of handelsgebruiken van andere internationale organisaties.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – punt 3
(3)  "genetische rijkdommen": genetisch materiaal van feitelijke of potentiële waarde;
(3)  "genetische rijkdommen": genetisch materiaal van feitelijke of potentiële waarde, of derivaten daarvan;
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – punt 3 bis (nieuw)
(3 bis)  "derivaat": een van nature voorkomende biochemische verbinding die het resultaat is van de genetische expressie of het metabolisme van biologische of genetische rijkdommen, zelfs als zij geen functionele erfelijke eenheden bevat;
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – punt 5
(5)  "gebruiker": een natuurlijke of rechtspersoon die genetische rijkdommen of traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen gebruikt;
(5)  "gebruiker": een natuurlijke of rechtspersoon die gebruik maakt van genetische rijkdommen of traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen of die vervolgens genetische rijkdommen of op genetische rijkdommen gebaseerde producten of traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen verhandelt;
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – punt 6
(6)  "gebruik van genetische rijkdommen": het verrichten van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten met betrekking tot de genetische of biochemische samenstelling van genetische rijkdommen;
(6)  "gebruik van genetische rijkdommen": het verrichten van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten met betrekking tot de genetische of biochemische samenstelling van genetische rijkdommen, onder meer via toepassing van biotechnologie;
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – punt 6 bis (nieuw)
(6 bis)  "verhandeling": het beschikbaar stellen van een product op de markt van de Unie;
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – punt 6 ter (nieuw)
(6 ter)  "biotechnologie": elke technologische toepassing waarbij biologische systemen, levende organismen of derivaten daarvan worden gebruikt om producten of processen tot stand te brengen of te veranderen voor specifieke doeleinden;
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – punt 8 bis (nieuw)
(8 bis)  "illegaal verkregen genetische rijkdommen": genetische rijkdommen en traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen die zijn verworven in strijd met de toepasselijke internationale en nationale wetgeving inzake toegang en batenverdeling in het land van herkomst;
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – punt 11
(11)  "internationaal erkend certificaat van naleving": een door een bevoegde nationale autoriteit overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder e), van het Protocol van Nagoya afgegeven toegangsvergunning of een gelijkwaardig document, die of dat ter beschikking van het uitwisselingscentrum voor toegang en batenverdeling wordt gesteld;
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie.)
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – punt 12
(12)  "uitwisselingscentrum voor toegang en batenverdeling": het uit hoofde van artikel 14, lid 1, van het Protocol van Nagoya opgerichte mondiale informatie-uitwisselingsportaal.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie.)
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid -1 (nieuw)
-1. Gebruik van illegaal verworven genetische rijkdommen is verboden in de Unie.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1
1.  De gebruikers nemen de passende zorgvuldigheid in acht om te verzekeren dat de toegang tot de gebruikte genetische rijkdommen en de gebruikte traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen is verkregen overeenkomstig de toepasselijke wetgeving inzake toegang en batenverdeling of de toepasselijke regelgevingseisen en dat, indien van toepassing, de baten eerlijk en billijk worden verdeeld op onderling overeengekomen voorwaarden. Gebruikers verzamelen informatie met betrekking tot toegang en batenverdeling, bewaren deze en geven deze door aan latere gebruikers.
1.  De gebruikers nemen de passende zorgvuldigheid in acht om te verzekeren dat de toegang tot de gebruikte genetische rijkdommen en de gebruikte traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen is verkregen met voorafgaande geïnformeerde toestemming en op basis van onderling overeengekomen voorwaarden zoals bepaald in de toepasselijke wetgeving inzake toegang en batenverdeling of de toepasselijke regelgevingseisen, en dat de baten eerlijk en billijk worden verdeeld op die overeengekomen voorwaarden. Gebruikers verzamelen alle informatie en documenten met betrekking tot toegang en batenverdeling en de overeenstemming met de bepalingen van deze verordening, bewaren deze en geven deze door aan latere gebruikers.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Genetische rijkdommen en daarmee verband houdende traditionele kennis worden alleen aan andere gebruikers overgedragen indien er sprake is van een internationaal erkend certificaat van naleving en onderling overeengekomen voorwaarden, of van voorafgaande geïnformeerde toestemming en onderling overeengekomen voorwaarden. Bij gebrek aan onderling overeengekomen voorwaarden, of als latere gebruikers van plan zijn gebruik te maken van zulke genetische rijkdommen of traditionele kennis onder andere voorwaarden dan de vooraf bepaalde, dienen die gebruikers te zorgen voor met het land van herkomst onderling overeengekomen voorwaarden.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2
2.  Gebruikers dienen
2.  Gebruikers dienen
a)  de volgende informatie te verzamelen, te bewaren en door te geven aan volgende gebruikers
a)  informatie over het internationaal erkend certificaat van naleving, wanneer het gaat om genetische rijkdommen die zijn verkregen van partijen bij het Protocol van Nagoya die in overeenstemming met artikel 6 van het Protocol van Nagoya de toegang tot hun genetische rijkdommen hebben gereguleerd, te verzamelen, te bewaren en door te geven aan volgende gebruikers, evenals informatie over de inhoud van de onderling overeengekomen voorwaarden, en informatie over;
(1)  datum en plaats van de toegang tot de genetische rijkdommen en traditionele kennis in verband met zulke rijkdommen;
(1)  datum en plaats van de toegang tot de genetische rijkdommen en traditionele kennis in verband met zulke rijkdommen;
(2)  de beschrijving van de gebruikte genetische rijkdommen of traditionele kennis in verband met zulke rijkdommen, met inbegrip van de beschikbare eenduidige identificatienummers;
(2)  de beschrijving van de gebruikte genetische rijkdommen of traditionele kennis in verband met zulke rijkdommen, met inbegrip van de beschikbare eenduidige identificatienummers;
(3)  de bron waaruit de rijkdommen of de kennis direct zijn verworven, alsook latere gebruikers van de genetische rijkdommen of traditionele kennis in verband met zulke rijkdommen;
(3)  de bron waaruit de rijkdommen of de kennis direct zijn verworven, alsook latere gebruikers van de genetische rijkdommen of traditionele kennis in verband met zulke rijkdommen;
(4)  het al dan niet bestaan van rechten en plichten inzake toegang en batenverdeling;
(4)  het al dan niet bestaan van rechten en plichten inzake toegang en batenverdeling;
(5)  besluiten inzake toegang en onderling overeengekomen voorwaarden, indien van toepassing;
(5)  toegangsvergunningen en onderling overeengekomen voorwaarden, met inbegrip van regelingen voor batenverdeling, indien van toepassing;
(6)  de toepassing van vereisten inzake toegang en batenverdeling van specifieke internationale instrumenten in de zin van artikel 2, die een beperking of vermindering kan inhouden van de in het kader van deze verordening op de gebruiker rustende verplichtingen. In dit geval wordt ook vermeld dat het gebruik onder de specifieke instrumenten valt.
b)  aanvullende informatie of bewijsmateriaal te verzamelen indien er onzekerheid blijft bestaan omtrent de wettelijkheid van de toegang en het gebruik; alsmede
b)  aanvullende informatie of bewijsmateriaal te verzamelen indien er onzekerheid blijft bestaan omtrent de wettelijkheid van de toegang en het gebruik; alsmede
c)  een passende toegangsvergunning te verkrijgen, onderling overeengekomen voorwaarden vast te stellen, of het gebruik stop te zetten indien blijkt dat de toegang niet in overeenstemming was met de toepasselijke wetgeving inzake toegang en batenverdeling of de toepasselijke regelgevingseisen.
c)  een passende toegangsvergunning te verkrijgen, onderling overeengekomen voorwaarden vast te stellen, of het gebruik stop te zetten indien blijkt dat de toegang niet in overeenstemming was met de toepasselijke wetgeving inzake toegang en batenverdeling of de toepasselijke regelgevingseisen.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 3
3.  Gebruikers bewaren de informatie met betrekking tot toegang en batenverdeling twintig jaar na het einde van de gebruiksperiode.
3.  Gebruikers bewaren de informatie met betrekking tot toegang en batenverdeling twintig jaar na het einde van de gebruiksperiode of de daaropvolgende verhandeling.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  De Commissie wordt ertoe gemachtigd overeenkomstig artikel 14 bis gedelegeerde handelingen aan te nemen om de in lid 4 bis bedoelde regels voor batenverdeling op te stellen vóór …1. Deze regels vereisen batenverdeling op ten minste het niveau van optimale werkwijzen in de sector in kwestie en leggen de voorwaarden vast voor het delen van niet-geldelijke baten.
____________________
1 Zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.  Bij de onderhandelingen over onderling overeengekomen voorwaarden met verstrekkers van genetische rijkdommen of traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen streven de gebruikers ernaar voorwaarden te verkrijgen die bijdragen tot het behoud van de biologische diversiteit en het duurzame gebruik van bestanddelen daarvan en tot technologieoverdracht aan ontwikkelingslanden.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 5
Artikel 5
Schrappen
Door de Unie vertrouwde collecties
1.  De Commissie legt een uniaal register van vertrouwde collecties aan. Het register is internetondersteund en gemakkelijk toegankelijk voor gebruikers en bevat de collecties van genetische rijkdommen waarvan is vastgesteld dat zij voldoen aan de criteria voor opneming als een door de Unie vertrouwde collectie.
2.  Op verzoek van een collectie onder zijn jurisdictie overweegt elke lidstaat de opneming van deze collectie in het uniale register van vertrouwde collecties. Na te hebben geverifieerd dat de collectie voldoet aan de criteria van lid 3, stelt de lidstaat de Commissie onverwijld in kennis van de naam, de contactgegevens en het type van de collectie. De Commissie neemt de aldus ontvangen informatie onverwijld op in het uniale register van vertrouwde collecties.
3.  Met het oog op de opneming van een collectie in het uniale register van vertrouwde collecties, levert de eigenaar van een collectie het bewijs van zijn capaciteit om:
a)  gestandaardiseerde procedures toe te passen voor het uitwisselen van monsters van genetische rijkdommen en gerelateerde informatie met andere collecties en voor het verstrekken van monsters van genetische rijkdommen en gerelateerde informatie aan derden met het oog op het gebruik ervan;
b)  genetische rijkdommen en gerelateerde informatie slechts aan derden te verstrekken met het oog op het gebruik ervan voor zover deze vergezeld gaan van documentatie waaruit blijkt dat de toegang tot de rijkdommen en de informatie is verkregen overeenkomstig de toepasselijke wettelijke vereisten en, indien van toepassing, de onderling overeengekomen voorwaarden voor eerlijke en billijke batenverdeling;
c)  een register bij te houden van alle monsters van genetische rijkdommen en gerelateerde informatie die aan derden worden verstrekt met het oog op het gebruik ervan;
(d)  eenduidige identificatienummers voor genetische rijkdommen die aan derden worden verstrekt, aan te maken of te gebruiken;
e)  passende instrumenten voor tracering en monitoring te gebruiken voor het uitwisselen van monsters van genetische rijkdommen en gerelateerde informatie met andere collecties.
4.  De lidstaten verifiëren regelmatig dat elke collectie onder hun jurisdictie die in het uniale register van vertrouwde collecties is opgenomen, de in lid 3 bedoelde maatregelen daadwerkelijk toepast.
Indien een collectie onder hun jurisdictie die in het uniale register is opgenomen niet meer aan lid 3 voldoet, stellen de lidstaten de Commissie hiervan onverwijld in kennis.
5.  Wanneer er bewijzen zijn dat een in het uniale register van vertrouwde collecties opgenomen collectie de in lid 3 bedoelde maatregelen niet toepast, stelt de betrokken lidstaat in samenspraak met de eigenaar van de collectie in kwestie onverwijld correctieve maatregelen vast.
De Commissie schrapt een collectie uit het uniale register van vertrouwde collecties indien zij, met name op basis van uit hoofde van lid 4 verstrekte informatie, heeft geconstateerd dat een in het uniale register van vertrouwde collecties opgenomen collectie ernstige of aanhoudende moeilijkheden ondervindt om te voldoen aan lid 3.
6.  De Commissie wordt de bevoegdheid verleend om uitvoeringshandelingen aan te nemen om de procedures ter uitvoering van de leden 1 tot en met 5 vast te stellen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 15, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2
2.  De Commissie maakt een lijst van de bevoegde autoriteiten openbaar, onder meer op het internet. Deze lijst wordt door de Commissie bijgewerkt.
2.  De Commissie maakt een lijst van de bevoegde autoriteiten openbaar, onder meer op het internet. Deze lijst wordt door de Commissie bijgewerkt. Speciale aandacht gaat uit naar de ultraperifere gebieden vanwege het belang en de kwetsbaarheid van de op hun grondgebied aanwezige genetische rijkdommen, en om elke vorm van roofbouw te voorkomen.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Het overeenkomstig lid 3 door de Commissie aangewezen contactpunt zorgt voor raadpleging van de bevoegde organen van de Unie die onder Verordening (EG) nr. 338/971 van de Raad vallen, en van nationale autoriteiten die deze Verordening uitvoeren.
__________
1 PB L 61 van 03.03.97, blz. 1.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.  De bevoegde autoriteiten en het contactpunt voor toegang en batenverdeling verlenen advies aan het publiek en aan potentiële gebruikers die informatie wensen over de tenuitvoerlegging van deze verordening en de desbetreffende bepalingen van het Verdrag en het Protocol van Nagoya in de Unie.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1
1.  De lidstaten en de Commissie verzoeken alle ontvangers van openbare middelen voor onderzoek dat betrekking heeft op het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen om een verklaring dat zij overeenkomstig artikel 4 de passende zorgvuldigheid in acht zullen nemen.
Schrappen
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2
2.  Bij de indiening van het verzoek om marktgoedkeuring voor een product dat is ontwikkeld op basis van genetische rijkdommen of traditionele kennis in verband met zulke rijkdommen of, wanneer marktgoedkeuring niet vereist is, op het ogenblik van de marktintroductie verklaren de gebruikers aan de krachtens artikel 6, lid 1, aangewezen bevoegde autoriteiten dat zij overeenkomstig artikel 4 de passende zorgvuldigheid in acht hebben genomen.
2.  De gebruikers verklaren aan de krachtens artikel 6, lid 1, aangewezen bevoegde autoriteiten dat zij aan de in artikel 4 bedoelde voorwaarden hebben voldaan, en leggen de desbetreffende informatie over bij:
a)  de vaststelling van de voorafgaande geïnformeerde toestemming en de onderling overeengekomen voorwaarden;
b)  de ontvangst van subsidie voor onderzoek waarbij genetische rijkdommen en traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen worden gebruikt;
c)  de indiening bij de desbetreffende nationale, regionale of internationale instellingen van aanvragen voor octrooien of nieuwe kwekersrechten die onder meer betrekking hebben op de genetische rijkdommen waartoe zij toegang hebben gehad, producten, met inbegrip van derivaten, en van het gebruik van biotechnologie afgeleide werkwijzen, of traditionele kennis in verband met de genetische rijkdommen;
d)   de indiening van het verzoek om marktgoedkeuring voor een product dat is ontwikkeld op basis van genetische rijkdommen of traditionele kennis in verband met zulke rijkdommen, of
e)   marktintroductie, wanneer marktgoedkeuring niet vereist is.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3
De bevoegde autoriteiten geven de op grond van de leden 1 en 2 ontvangen informatie elke twee jaar door aan de Commissie. De Commissie vat de ontvangen informatie samen en stelt deze ter beschikking van het uitwisselingscentrum inzake toegang en batenverdeling.
De bevoegde autoriteiten verifiëren de overeenkomstig letter b tot en met e van lid 2 verstrekte informatie en geven de overeenkomstig dit artikel ontvangen informatie binnen drie maanden door aan het uitwisselingscentrum inzake toegang en batenverdeling, de Commissie en indien van toepassing de bevoegde autoriteiten van het betreffende land. De Commissie vat de ontvangen informatie binnen drie maanden samen en maakt deze in een gemakkelijk toegankelijke online vorm openbaar.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 8
Beste praktijken
Schrappen
Elke vereniging van gebruikers kan een aanvraag bij de Commissie indienen om een combinatie van procedures, instrumenten of mechanismen die door haar zijn ontwikkeld en waarop zij toezicht houdt, als beste praktijk te erkennen. De aanvraag wordt gestaafd met bewijsstukken en informatie.
Wanneer de Commissie, op basis van de door een vereniging van gebruikers aan haar verstrekte informatie en bewijsstukken, vaststelt dat een specifieke combinatie van procedures, instrumenten of mechanismen, wanneer deze doeltreffend door een gebruiker wordt toegepast, de gebruiker in staat stelt aan zijn verplichtingen uit hoofde van de artikelen 4 en 7 te voldoen, verleent zij erkenning als beste praktijk.
Een vereniging van gebruikers stelt de Commissie in kennis van elke wijziging of actualisering van een erkende beste praktijk waarvoor haar erkenning is verleend overeenkomstig lid 2.
Indien uit bewijsstukken van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of uit andere bronnen blijkt dat er zich herhaaldelijk gevallen hebben voorgedaan waarin gebruikers die een beste praktijk toepassen, niet aan hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening hebben voldaan, onderzoekt de Commissie in samenspraak met de betrokken vereniging van gebruikers of de herhaalde gevallen van niet-naleving op mogelijke tekortkomingen van de beste praktijk wijzen.
De Commissie trekt de erkenning van een beste praktijk in wanneer zij heeft vastgesteld dat wijzigingen van de beste praktijk het vermogen van de gebruiker om te voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 4 en 7 in het gedrang brengen, of wanneer herhaalde gevallen van niet-naleving door de gebruikers verband houden met tekortkomingen van de praktijk.
De Commissie legt een webgebaseerd register van erkende beste praktijken aan en werkt dit bij. In een deel van dit register worden de door de Commissie overeenkomstig lid 2 erkende beste praktijken opgenomen en in een ander deel worden de op grond van artikel 20, lid 2, van het Protocol van Nagoya opgenomen beste praktijken opgevoerd.
De Commissie wordt de bevoegdheid verleend om uitvoeringshandelingen aan te nemen om de procedures ter uitvoering van de leden 1 tot en met 5 vast te stellen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 15, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 9
1.  De bevoegde autoriteiten verrichten controles om te verifiëren of de gebruikers aan de in de artikelen 4 en 7 vastgestelde eisen voldoen.
1.  De bevoegde autoriteiten verrichten controles om te verifiëren of de gebruikers aan de in de artikelen 4 en 7 vastgestelde eisen voldoen.
2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde controles worden verricht volgens een periodiek bijgewerkt plan uitgaande van een risicobenadering. Bij het ontwikkelen van de risicobenadering houden de lidstaten er rekening mee dat een gebruiker die een krachtens artikel 8, lid 2, van deze verordening of een krachtens artikel 20, lid 2, van het Protocol van Nagoya erkende beste praktijk toepast een lager risico op niet-naleving loopt.
2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde controles worden verricht volgens een periodiek bijgewerkt plan uitgaande van een risicobenadering, waarvan de grondbeginselen door de Commissie zullen worden vastgelegd overeenkomstig de in artikel 15, lid 2, bedoelde procedure.
3.  Er kunnen controles worden verricht op basis van nuttige informatie waarover een bevoegde autoriteit beschikt, waaronder door derde partijen geuite, onderbouwde bezorgdheid omtrent de niet-naleving van deze verordening door een gebruiker.
3.   Er worden extra controles verricht op basis van nuttige informatie waarover een bevoegde autoriteit beschikt, waaronder door derde partijen geuite, onderbouwde bezorgdheid omtrent de niet-naleving van deze verordening door een gebruiker.
4.  De in lid 1 bedoelde controles omvatten ten minste:
4.  De in lid 1 bedoelde controles omvatten ten minste:
a)  een onderzoek van de maatregelen die een gebruiker heeft genomen met het oog op de inachtneming van de passende zorgvuldigheid; overeenkomstig artikel 4;
a)  een onderzoek van de maatregelen die een gebruiker heeft genomen met het oog op de inachtneming van de passende zorgvuldigheid; overeenkomstig artikel 4;
b)  een onderzoek van de documentatie waaruit de inachtneming van de passende zorgvuldigheid overeenkomstig artikel 4 blijkt ten aanzien van specifieke gebruiksactiviteiten;
b)  een onderzoek van de documentatie waaruit de inachtneming van de passende zorgvuldigheid overeenkomstig artikel 4 blijkt ten aanzien van specifieke gebruiksactiviteiten;
c)  controles ter plaatse, met inbegrip van veldcontroles;
c)  controles ter plaatse, met inbegrip van veldcontroles;
(d)  een onderzoek van de gevallen waarin een gebruiker krachtens artikel 7 verplicht was een verklaring af te leggen.
(d)  een onderzoek van de gevallen waarin een gebruiker krachtens artikel 7 verplicht was een verklaring af te leggen.
5.  De bevoegde autoriteiten aanvaarden een internationaal erkend certificaat van naleving als bewijs dat met voorafgaande geïnformeerde toestemming toegang is verkregen tot de genetische rijkdommen waarop het certificaat betrekking heeft en dat er onderling overeengekomen voorwaarden zijn vastgesteld, zoals vereist door de interne wetgeving inzake toegang en batenverdeling of de regelgevingseisen van de partij bij het Protocol van Nagoya die de voorafgaande geïnformeerde toestemming verleent.
5.  De bevoegde autoriteiten aanvaarden een internationaal erkend certificaat van naleving als bewijs dat met voorafgaande geïnformeerde toestemming toegang is verkregen tot de genetische rijkdommen waarop het certificaat betrekking heeft en dat er onderling overeengekomen voorwaarden zijn vastgesteld, zoals vereist door de interne wetgeving inzake toegang en batenverdeling of de regelgevingseisen van de partij bij het Protocol van Nagoya die de voorafgaande geïnformeerde toestemming verleent. In het geval dat er geen internationaal erkend certificaat voorhanden is, worden andere wettig aanvaardbare vormen van naleving beschouwd als voldoende bewijs dat de betreffende genetische rijkdommen legaal verworven zijn en dat onderling overeengekomen voorwaarden zijn aangegaan.
6.  De gebruikers moeten alle assistentie verlenen die nodig is om het verrichten van de in lid 1 bedoelde controles te faciliteren, met name wat de toegang tot bedrijfsruimten en het overleggen van documentatie betreft.
6.  De gebruikers moeten alle assistentie verlenen die nodig is om het verrichten van de in lid 1 bedoelde controles te faciliteren, met name wat de toegang tot bedrijfsruimten en het overleggen van documentatie betreft.
7.  Onverminderd artikel 11 deelt de bevoegde autoriteit, indien er naar aanleiding van de in lid 1 genoemde controles tekortkomingen zijn vastgesteld, de door de gebruiker te nemen correctieve maatregelen mee.
7.  Onverminderd artikel 11 deelt de bevoegde autoriteit, indien er naar aanleiding van de in de leden 1 en 3 genoemde controles of na verifiëring overeenkomstig artikel 7, lid 2, tekortkomingen zijn vastgesteld, de door de gebruiker te nemen correctieve maatregelen mee.
Afhankelijk van de aard van de geconstateerde tekortkomingen kunnen de lidstaten voorts onmiddellijk voorlopige maatregelen nemen, met inbegrip van de inbeslagneming van illegaal verkregen genetische rijkdommen en de schorsing van bepaalde gebruiksactiviteiten.
Als er geen positieve of bevredigende reactie van de gebruiker komt, en afhankelijk van de aard van de geconstateerde tekortkomingen kunnen de lidstaten voorts onmiddellijk voorlopige maatregelen nemen, met inbegrip van de inbeslagneming van illegaal verkregen genetische rijkdommen en de schorsing van bepaalde gebruiksactiviteiten, met inbegrip van de verhandeling van op genetische rijkdommen gebaseerde producten en de daarmee verbonden traditionele kennis. Zulke voorlopige maatregelen zijn doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend.
8.  De Commissie wordt de bevoegdheid verleend om uitvoeringshandelingen aan te nemen om de procedures ter uitvoering van de leden 1 tot en met 7 vast te stellen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 15, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
8.  De Commissie wordt de bevoegdheid verleend om overeenkomstig artikel 14 bis gedelegeerde handelingen aan te nemen om de procedures ter uitvoering van de leden 1 tot en met 7 van dit artikel vast te stellen en om te voorzien in procedurele waarborgen, zoals het recht op beroep, met betrekking tot de bepalingen van artikel 7 en de artikelen 9 tot en met 11.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2
2.  De in lid 1 bedoelde gegevens worden toegankelijk gemaakt overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG.
2.  De in lid 1 bedoelde gegevens worden in een gemakkelijk toegankelijke, open, online vorm toegankelijk gemaakt overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2
2.  De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Deze sancties kunnen onder meer de vorm aannemen van:
2.  De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Deze sancties kunnen onder meer de vorm aannemen van:
a)  boetes;
a)  boetes die evenredig zijn aan de waarde van gebruiksactiviteiten in verband met de genetische rijkdommen in kwestie en die op zijn minst de verantwoordelijke personen de economische voordelen ontnemen die voortkomen uit een schending;
b)  onmiddellijke schorsing van bepaalde gebruiksactiviteiten;
b)  onmiddellijke schorsing van bepaalde gebruiksactiviteiten met inbegrip van de verhandeling van op genetische rijkdommen gebaseerde producten en de daarmee verbonden traditionele kennis;
c)  inbeslagneming van illegaal verkregen genetische rijkdommen.
c)  inbeslagneming van illegaal verkregen genetische rijkdommen.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 1
1.  De bevoegde autoriteiten werken met elkaar, met de overheden van derde landen en met de Commissie samen om te waarborgen dat gebruikers deze verordening naleven.
1.  De bevoegde autoriteiten werken met elkaar, met de overheden van derde landen en met de Commissie samen om te zorgen voor doeltreffendere coördinatie en te waarborgen dat gebruikers deze verordening naleven. Indien dit van belang is voor een correcte tenuitvoerlegging van het Protocol van Nagoya en deze verordening, wordt tevens samengewerkt met andere relevante actoren, waaronder collecties, niet-gouvernementele organisaties en vertegenwoordigers van inheemse en plaatselijke gemeenschappen.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2
2.  De bevoegde autoriteiten wisselen met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en met de Commissie informatie uit over ernstige tekortkomingen die door de in artikel 9, lid 1, bedoelde controles aan het licht zijn gekomen en over de soorten sancties die overeenkomstig artikel 11 zijn opgelegd.
2.  De bevoegde autoriteiten wisselen met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en met de Commissie informatie uit over de organisatie van hun controlesysteem voor het toezicht op de naleving van deze verordening door de gebruikers, over ernstige tekortkomingen die door de in artikel 9, lid 4, en artikel 10, lid 1, bedoelde controles aan het licht zijn gekomen en over de soorten sancties die overeenkomstig artikel 11 zijn opgelegd.
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De Commissie treft regelingen met het Europees Octrooibureau en de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom om ervoor te zorgen dat octrooiregistraties verwijzingen bevatten naar genetische rijkdommen en hun oorsprong.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – titel
Uniaal platform inzake toegang
Uniaal platform inzake toegang en batenverdeling
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1
1.  Er wordt een uniaal platform inzake toegang tot genetische rijkdommen en traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen opgericht.
1.  Er wordt een uniaal platform inzake toegang tot genetische rijkdommen en traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen en eerlijke en billijke batenverdeling opgericht. Lidstaten die voornemens zijn toegangsregels vast te stellen voor hun genetische rijkdommen, moeten eerst het effect van deze regels beoordelen en het resultaat van deze effectbeoordeling ter controle aan het uniale platform voorleggen overeenkomstig de procedure van lid 5 van dit artikel.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 2
2.  Het uniale platform inzake toegang draagt bij aan de stroomlijning van de voorwaarden inzake toegang op het niveau van de Unie door overleg over gerelateerde onderwerpen, waaronder het ontwerp en de prestaties van in de lidstaten opgezette toegangsstelsels, vereenvoudigde toegang voor niet-commercieel onderzoek, toegangspraktijken van collecties in de Unie, toegang van belanghebbenden uit de Unie in derde landen en het uitwisselen van beste praktijken.
2.  Het uniale platform inzake toegang draagt bij aan de stroomlijning van de voorwaarden inzake toegang op het niveau van de Unie door overleg over gerelateerde onderwerpen, waaronder het ontwerp en de prestaties van in de lidstaten opgezette toegangsstelsels, de bevordering van onderzoek dat bijdraagt aan het behoud en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit, met name in ontwikkelingslanden, met inbegrip van vereenvoudigde toegang voor niet-commercieel onderzoek, toegangspraktijken van collecties in de Unie, toegang van belanghebbenden uit de Unie in derde landen op basis van onderling overeengekomen voorwaarden na de verkrijging van voorafgaande geïnformeerde toestemming, batenverdelingspraktijken, de toepassing en verdere ontwikkeling van optimale werkwijzen en de werking van geschillenbeslechtingsregelingen.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 3
3.  Het uniale platform kan niet-bindende raadgevingen, richtsnoeren of adviezen verstrekken inzake onderwerpen die onder zijn opdracht vallen.
3.  Het uniale platform kan niet-bindende raadgevingen, richtsnoeren of adviezen verstrekken inzake onderwerpen die onder zijn opdracht vallen. Bij alle verstrekte raadgevingen, richtsnoeren of adviezen wordt de hand gehouden aan de regel dat de desbetreffende inheemse en plaatselijke gemeenschappen inspraak moeten hebben.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – letters d bis, d ter, d quater, d quinquies, d sexies en d septies (nieuw)
(d bis)  zij nemen maatregelen voor de ondersteuning – onder meer via bestaande onderzoeksprogramma's – van collecties die bijdragen aan de instandhouding van biologische en culturele diversiteit, maar waarvoor onvoldoende middelen beschikbaar zijn om ze op te nemen in het register van de Unie;
(d ter)  zij zien erop toe dat in situaties waarin illegaal gebruik wordt gemaakt van genetische rijkdommen en de daarmee verbonden traditionele kennis, of waarin deze niet in overeenstemming zijn met de voorafgaande geïnformeerde toestemming of de onderling overeengekomen voorwaarden, verstrekkers die bevoegd zijn toegang te verlenen tot genetische rijkdommen en onderling overeengekomen voorwaarden te tekenen, het recht hebben maatregelen te treffen om een dergelijk gebruik te voorkomen of een halt toe te roepen, onder andere via voorlopige maatregelen, en om een vergoeding te eisen voor alle daaruit voortvloeiende schade en in voorkomend geval de betreffende genetische rijkdommen in beslag te nemen;
(d quater)  zij stimuleren gebruikers en verstrekkers om de uit het gebruik of de daaropvolgende verhandeling van genetische rijkdommen voortvloeiende voordelen in te zetten voor de instandhouding van de biologische diversiteit en het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan;
(d quinquies)  zij steunen, onder meer via capaciteitsopbouw, op verzoek regionale samenwerking bij de verdeling van baten van grensoverschrijdende genetische rijkdommen en de daarmee verbonden traditionele kennis;
(d sexies)  zij overwegen het creëren van catalogi van de beschikbare genetische rijkdommen uit elke lidstaat overeenkomstig artikel 7 van het Verdrag, met het oog op een betere kennis van biodiversiteit;
(d septies)  zij ondersteunen onderzoek en ontwikkeling van genetische catalogi, zowel binnen de Unie als in derde landen.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 bis (nieuw)
Artikel 14 bis
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  De in artikel 4, lid 4 ter, en artikel 9, lid 8, bedoelde bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend voor een periode van vijf jaar vanaf …1. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend verlengd met termijnen van dezelfde duur, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3.  De in artikel 4, lid 4 bis, en artikel 9, lid 8, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
5.  Elke handeling die in overeenstemming met artikel 4, lid 4 bis, en artikel 9, lid 8, is vastgesteld treedt pas in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de bekendmaking van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien het Europees Parlement en de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie ervan in kennis hebben gesteld dat zij geen bezwaar wensen aan te tekenen. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
___________
1 De in artikel 17, lid 1, genoemde datum
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 bis (nieuw)
Artikel 15 bis
Overlegforum
De Commissie zorgt voor een evenwichtige deelname van de vertegenwoordigers van lidstaten en desbetreffende verstrekkersorganisaties, gebruikersverenigingen, intergouvernementele en non-gouvernementele organisaties, alsook vertegenwoordigers van organisaties in inheemse en plaatselijke gemeenschappen bij de uitvoering van deze verordening. Die partijen dragen met name bij aan het opstellen en evalueren van gedelegeerde handelingen uit hoofde van artikel 4, lid 4 bis, en artikel 9, lid 8, en aan de uitvoering van de artikelen 5, 7 en 8, en eventuele richtsnoeren voor het opstellen van onderling overeengekomen voorwaarden. De partijen komen bijeen in het kader van een overlegforum. De Commissie stelt het reglement van orde van dat forum vast.
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 3
3.  Elke tien jaar na haar eerste verslag toetst de Commissie de werking en de doeltreffendheid van deze verordening op basis van verslaglegging en ervaringen met de toepassing van deze verordening. In haar verslaglegging besteedt de Commissie met name aandacht aan de administratieve gevolgen voor openbare onderzoeksinstellingen, kleine en middelgrote ondernemingen en micro-ondernemingen. Tevens gaat zij na of er behoefte is aan verdere maatregelen van de Unie inzake toegang tot genetische rijkdommen en traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen.
3.  Elke vijf jaar na haar eerste verslag toetst de Commissie de werking en de doeltreffendheid van deze verordening op basis van verslaglegging en ervaringen met de toepassing van deze verordening. In haar verslaglegging besteedt de Commissie met name aandacht aan de administratieve gevolgen voor specifieke sectoren, openbare onderzoeksinstellingen, kleine en middelgrote ondernemingen en micro-ondernemingen. Tevens gaat zij na of er behoefte is aan een evaluatie van de uitvoering van de bepalingen van deze verordening die betrekking hebben op traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen in het licht van ontwikkelingen in andere relevante internationale organisaties, en aan verdere maatregelen van de Unie inzake toegang tot genetische rijkdommen en traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen, met het oog op de uitvoering van artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 2, en de artikelen 7 en 12 van het Protocol van Nagoya en de eerbiediging van de rechten van inheemse en lokale gemeenschappen.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 bis (nieuw)
Artikel 16 bis
Wijziging van Richtlijn 2008/99/EG
Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht1 wordt met ingang van ...* als volgt gewijzigd:
(1)  in artikel 3 wordt het volgende punt toegevoegd:
"j) het illegaal verkrijgen van genetische rijkdommen"
(2)  in bijlage A wordt het volgende streepje toegevoegd:
"– Verordening (EU) Nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad van … inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik ervan in de Unie".
__________________
1 PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28.
* Eén jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2
2.  De artikelen 4, 7 en 9 worden een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.
2.  Artikel 4, leden 1 t/m 4, en de artikelen 7 en 9 worden een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.

(1) De zaak werd dan terugverwezen naar de Commissie uit hoofde van artikel 57, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A7-0263/2013).


Micro-opwekking
PDF 224kWORD 28k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over micro-opwekking – kleinschalige opwekking van stroom en warmte (2012/2930(RSP))
P7_TA(2013)0374B7-0388/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikel 192, lid 2, en artikel 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG(1),

–  gezien Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG(2), en de gevolgen daarvan voor de opwekking van warmte en energie,

–  gezien Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten(3), Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van energiegerelateerde producten(4), en de uitvoeringsverordeningen bij die richtlijnen,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "De interne energiemarkt doen werken" (COM(2012)0663) en de bijbehorende werkdocumenten (SWD(2012)0367 en SWD(2012)0368),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Hernieuwbare energie: een belangrijke speler op de Europese energiemarkt" (COM(2012)0271),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2010 over de herziening van het actieplan inzake energie-efficiëntie(5),

–  gezien de vraag aan de Commissie over microgeneratie (E-010355/2011),

–  gezien de vraag aan de Commissie over participatieprojecten op het gebied van zonne-energiecentrales (E-011185/2012),

–  gezien de vraag aan de Commissie over micro-opwekking (O-000074/2013 – B7-0217/2013),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat toegang tot voldoende energie voor een behoorlijke levensstandaard een basisrecht voor iedereen is, en dat de energieprijzen de afgelopen jaren aanzienlijk gestegen zijn;

B.  overwegende dat de Europese Unie voor haar energievoorziening steeds afhankelijker wordt van invoer uit derde landen en dat er veranderingen nodig zijn om haar doelstellingen op het gebied van klimaat, energie en groei te kunnen bereiken;

C.  overwegende dat het gebruik van fossiele brandstoffen als energiebron het CO2-niveau in de atmosfeer heeft doen toenemen en daarmee heeft bijgedragen tot de wereldwijde klimaatverandering; dat de EU voor 2020 streefcijfers heeft vastgesteld voor de opwekking van hernieuwbare energie en momenteel werkt aan een kader voor het klimaat- en energiebeleid voor 2030; dat er op dit moment wel bepalingen inzake kleinschalige energieopwekking (micro-opwekking) bestaan, maar dat deze verspreid zitten over diverse wetgevings- en niet-wetgevingsinitiatieven zoals de richtlijn energie uit hernieuwbare bronnen en de richtlijn energie-efficiëntie;

D.  overwegende dat de leiders van de EU het voortouw zouden moeten nemen bij het aanpakken van de energieomschakeling, daarbij rekening houdend met de noodzaak om alle EU-burgers, ongeacht inkomen of rijkdom, hierbij te betrekken; dat kleinschalige energie de samenhang binnen gemeenschappen kan versterken, energie-armoede kan bestrijden, nieuwe banen en economische groei kan scheppen en kan leiden tot een nieuwe aanpak bij de bestrijding van de huidige economische crisis;

E.  overwegende dat kleinschalige en gedecentraliseerde energieopwekking huishoudens, kleine en middelgrote bedrijven en zowel stedelijke als plattelandsgemeenschappen de kans biedt om samen te werken aan de bestrijding van de klimaatverandering door zelf energie te produceren; dat consumenten zich bewust moeten worden van efficiënte manieren om energie te produceren en te gebruiken; dat er een duurzamere en meer betrokken samenleving kan ontstaan als consumenten in staat worden gesteld om hun eigen elektriciteit en warmte te produceren; dat de mededeling over de interne energiemarkt ingaat op het vraagstuk van meer inbreng van die "prosumenten"; dat consumenten nu al talrijke mogelijkheden hebben om actief mee te werken aan efficiënte energieproductie en -consumptie, maar dat er nog onbenutte kansen liggen;

F.  overwegende dat micro-opwekking van energie ook op mondiaal niveau een rol kan spelen;

G.  overwegende dat stimulansen voor kleinschalige opwekking van energie en warmte per lidstaat sterk uiteenlopen; dat het EU-beleid beter ten uitvoer moet worden gelegd om het potentieel van kleinschalige energieopwekking in Europa te benutten;

Definitie

1.  definieert in de context van deze resolutie de term micro-opwekking als volgt: 1) de kleinschalige opwekking van energie voor verwarming, koeling en stroomvoorziening door individuele personen en kmo's om in hun eigen behoeften te voorzien; en 2) diverse vormen van gegroepeerde of coöperatieve kleinschalige productie op gemeenschapsniveau om in plaatselijke behoeften te voorzien; tekent daarbij aan dat micro-opwekking een breed scala aan technologieën beslaat (waterkracht, zonne-energie, zee-energie, wind, warmtepompen, biomassa) waarbij specifiek de nadruk ligt op hernieuwbaarheid en duurzaamheid;

Inleiding

2.  bevestigt dat micro-opwekking een essentieel element moet vormen van de toekomstige energieopwekking, wil EU haar streefcijfers voor hernieuwbare energie op de lange termijn bereiken; herinnert eraan dat micro-opwekking bijdraagt tot de toename van het totale aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de energiemix van de EU en dat zij efficiënt elektriciteitsverbruik mogelijk maakt in de nabijheid van de plaats van opwekking, waarbij transportverliezen worden voorkomen;

3.  herinnert eraan dat de doorbraak van micro-opwekking afhangt van tal van verschillende factoren, zoals een goed functionerende Europese interne energiemarkt, de technische ontwikkeling van micro-opwekkingseenheden, de totstandbrenging van intelligente energie-infrastructuur, met name voor de distributie, en doeltreffend beleid voor de korte, middellange en lange termijn, met steunregelingen om micro-opwekking op Europees, nationaal en regionaal niveau te stimuleren;

4.  erkent dat onderzoek en technologie een belangrijke rol spelen om de efficiëntie van micro-opwekking te verbeteren en de kosten ervan te verminderen;

5.  wijst erop dat specifieke obstakels een grootschaliger gebruik van micro-opwekkingtechnologie in de weg staan, zoals het probleem van de hoge initiële investeringskosten, de hoge mate van administratieve complexiteit in verband met de aansluiting op en de toegang tot het elektriciteitsnet en het gebrek aan inzicht in de energie- en kostenbesparingen van de verschillende technologieën voor micro-opwekking gedurende de levensduur ervan;

6.  wijst erop dat energiearmoede een groeiend probleem vormt; benadrukt dat facilitering van micro-opwekking op individueel en gemeenschapsniveau de consumenten in staat kan stellen om een actieve rol te gaan spelen in de energiesector en meer grip te krijgen op hun energieverbruik, waardoor zij minder energie hoeven te kopen en energiearmoede voorkomen wordt; benadrukt dat micro-opwekking een kans biedt om de maatschappij om te vormen en duurzamer, coöperatiever en eerlijker te maken; dringt aan op bijzondere aandacht voor huurders, die er vaak van worden weerhouden om efficiënter met energie om te gaan en om hun eigen energie op te wekken;

7.  benadrukt dat technologieën voor micro-opwekking zoals micro-WWK (warmtekrachtkoppeling) en hernieuwbare energiebronnen op kleine schaal het mogelijk maken te komen tot "nul-energie"-gebouwen en energiepositieve gebouwen, die de overtollige energie die ter plaatse wordt opgewekt, aan het net leveren;

8.  wijst op het belang van bevordering van plaatselijke coöperaties op het gebied van hernieuwbare energie, zowel in steden als op het platteland, teneinde het publieke draagvlak voor hernieuwbare energie en het besef bij de burgers van het bestaan van kleinschalige energieproductie, en hun deelname daaraan, te vergroten, alsook de toegang tot hernieuwbare energie te verbeteren en investeringen te genereren; merkt op dat het belangrijk is lokale en regionale aggregatoren te bevorderen om burgers veilig en efficiënt in de elektriciteitsmarkt te laten participeren, met de waarborg van billijke prijzen voor de "prosument" voor de diensten die aan het stroomstelsel worden geleverd; merkt op dat de lokale autoriteiten een belangrijke rol spelen bij de bevordering en stimulering van micro-opwekking onder burgers, kmo’s en belanghebbenden;

9.  is van mening dat de EU-burgers niet goed op de hoogte zijn van de voordelen van micro-opwekking en verzoekt de Commissie en de lidstaten stappen te ondernemen om bekendheid te geven aan de oplossingen in verband met micro-opwekking en aan de beste praktijken op dit gebied;

10.  stelt vast dat er weinig informatie beschikbaar is over de capaciteit en het toekomstige potentieel van micro-opwekking in de EU; is van mening dat meer kennis ertoe zou bijdragen dat micro-opwekking een grotere rol gaat spelen in het klimaat-, energie- en industriebeleid;

11.  merkt op dat voor de bevordering van micro-opwekking van elektriciteit slimme elektriciteitsmeters nodig zijn, waarmee het aandeel kan worden gemeten van de elektriciteit voor eigen verbruik en de elektriciteit die wordt afgestaan aan het net, alsmede meters die de warmte-energie meten die een gebouw dat deel uitmaakt van een verwarmingsnet binnenkomt of verlaat, zodat de geproduceerde warmte-energie als tegoed kan worden bijgeschreven;

12.  merkt op dat het vaak loont een gecombineerde productie van warmte en elektriciteit te leveren aan installaties, ook in het kader van micro-opwekking, omdat de energie-efficiëntie dan vaak aanzienlijk toeneemt;

13.  stelt vast dat grootschalige invoering van micro-opwekking een belangrijke stap is in de overgang van het historische, gecentraliseerde energiesysteem naar een meer gedecentraliseerd en flexibel energiesysteem, die nodig is om de doelstellingen van de EU op het gebied van energie en klimaat te realiseren; benadrukt dat het van belang is micro-opwekking nú te bevorderen en daarbij op eerlijke wijze kwesties in verband met distributienetwerkexploitanten aan te pakken, zoals kostendeling en de noodzaak van investeren in slimme technologieën; wijst er met klem op dat de positieve impact van nevendiensten die door micro-opwekkers worden geleverd en die bijdragen aan de continuïteit in de exploitatie van het systeem naar behoren gedefinieerd en op faire wijze behandeld moet worden; beklemtoont derhalve dat het noodzakelijk is nú de juiste beslissingen te nemen en de juiste doelstellingen te bepalen en de nodige investeringen en dat een ambitieuze regelgeving niet langer wordt uitgesteld;

14.  wijst erop dat uitbreiding van de micro-opwekkingscapaciteit in de EU een uiterst kostbare zaak kan worden en dat meer investeringen van individuele "prosumenten" in micro-opwekking ook andere investeringen zullen vergen op diverse niveaus van het energiestelsel, bijvoorbeeld in distributie- en transmissiesystemen die het gebruik van micro-opwekking vergemakkelijken; wijst erop dat dit geen gevaar mag inhouden voor een volledige continuïteit van de voorziening en dat het de energieprijzen niet kunstmatig mag opdrijven; is het eens met de Raad dat het energiebeleid van de EU moet zorgen voor continuïteit van de voorziening voor gezinnen en bedrijven tegen betaalbare en concurrerende prijzen en kosten;

Regelgevingskader

15.  verzoekt de Commissie aanbevelingen op te stellen die gebaseerd zijn op goede praktijken voor regulatoren en systeemexploitanten, over de wijze waarop de administratieve procedures voor het exploiteren en aansluiten van micro-opwekkingseenheden op het netwerk kunnen worden vereenvoudigd, met focus in het bijzonder op de instelling van één loket-procedures; wijst er met klem op dat een ambitieuze tenuitvoerlegging van de bestaande richtsnoeren moet worden bevorderd, bijvoorbeeld de bepalingen betreffende micro-WKK-eenheden in de richtlijn energie-efficiëntie;

16.  merkt op dat de door micro-opwekkers geproduceerde energie, als zij onmiddellijk en plaatselijk wordt verbruikt, energiestromen en de hiermee verband houdende verliezen in het systeem voorkomt en het gevoel van betrokkenheid van de "prosument" vergroot; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom specifieke mechanismen te ontwikkelen voor de aanmoediging van zelfvoorziening in combinatie met een algemene verlaging van het verbruik;

17.  verzoekt de Commissie en de nationale regulatoren regelgevingskaders te ontwikkelen waarin de rol en de verantwoordelijkheid van alle spelers in de distributienetten worden omschreven, met focus in het bijzonder op de omstandigheden die aggregatie bevorderen, gezien de in de toekomst cruciale rol hiervan voor de actieve participatie van micro-opwekking in het systeem;

18.  merkt op dat distributiesysteembeheerders (DSB's) een steeds belangrijkere rol spelen in een meer decentraal energienet, dat zij voor continuïteit van de voorziening en een stabiele en betrouwbare netexploitatie zorgen en de vertrouwelijkheid van klantgegevens waarborgen; verzoekt de Commissie en de nationale regulatoren om deze rol te erkennen en investeringen van de DSB's in het distributiesysteem te vergemakkelijken, met als doel de algehele efficiëntie van het energiesysteem te verbeteren; vraagt voorts dat de rol van DSB's bij de organisatie van de balancering en andere nevendiensten duidelijker wordt gedefinieerd;

19.  is van mening dat doeltreffende, gecoördineerde actie op het gebied van kleinschalige energieopwekking in de hele EU nodig is als onderdeel van de totstandbrenging van de Europese interne energiemarkt;

20.  merkt op dat de lidstaten verschillende doelen en structuren hebben voor hun fiscale en juridische bepalingen inzake micro-opwekking en dat dit een brede doorbraak van micro-opwekking in de weg kan staan; verzoekt de Commissie begrotingslijnen in het kader van het programma "Intelligente energie - Europa" (IEE) vast te stellen en met de lidstaten samen te werken aan het opheffen van de obstakels in de nationale wetgevingen inzake toegang tot financiering voor individuele en coöperatieve micro-opwekkingsprojecten, aan het creëren van nieuwe specifieke financieringsinstrumenten (bijv. microkredieten) en aan het verspreiden van goede praktijken in verband met deze activiteiten;

21.  verzoekt de lidstaten rekening te houden met de specifieke kenmerken van micro-opwekking bij het ontwerp en de evaluatie van de nationale stimuleringsmaatregelen en ondersteuningsregelingen, om ervoor te zorgen dat deze aan kleinschalige energieopwekking aangepast zijn;

Infrastructuur, producten en normen

22.  vraagt om de onmiddellijke en volledige tenuitvoerlegging van het derde energiepakket, en met name de wetgeving inzake elektriciteitsmeters om "prosumenten"-activiteiten in het netwerk en doeltreffend distributiebeheer te faciliteren; verzoekt om ook transmissie van energie ook op kleine schaal tussen producent en consument mogelijk te maken, bijvoorbeeld in een woonwijk of een coöperatie; verzoekt de lidstaten om, wanneer uit een kosten-batenanalyse blijkt dat dat in het belang van de consument is, de invoering van intelligente meters te bespoedigen, zodat huishoudens over nauwkeurige gegevens kunnen beschikken en de volle waarde krijgen van de energie die in hun gebouwen wordt geproduceerd;

23.  stelt voor dat de Commissie de mogelijkheid onderzoekt micro-opwekkingssystemen te integreren in stedenbouwprojecten; is van mening dat dit zou kunnen leiden tot meer efficiëntie en kostenbesparingen met betrekking tot de ontwikkeling van kleinschalige transmissie en distributie van energie uit hernieuwbare bronnen;

24.  merkt op dat standaardisering van essentieel belang is voor de verdere ontwikkeling van massaproductie-apparatuur voor micro-opwekking op gestroomlijnde en zuinige wijze; verzoekt de Europese standaardiseringsinstanties hun standaardiseringsactiviteiten te versnellen;

25.  herinnert eraan dat kleinschalige opwekkers een andere wisselwerking hebben met het distributienetwerk dan grootschalige, en daarom in toekomstige wetgeving anders moeten worden behandeld;

26.  beseft dat een omvangrijke invoering van micro-opwekking tot problemen bij het beheer van distributienetwerken zal leiden, in verband met het op elkaar afstemmen van vraag naar en aanbod van energie, zodat innoverende investeringen in een opgewaardeerd distributienet nodig zijn; wijst op het belang van slimme technologieën voor het bereiken van dit doel; verzoekt de lidstaten de toegang tot het netwerk voor micro-opwekkers te vergemakkelijken en zich te buigen over het vraagstuk van de netwerkkosten van kleinschalige productie van energie en het behoud van een efficiënt netwerkbeheer; verzoekt de nationale regelgevingsinstanties innovatie en investeringen in lokale distributienetten te stimuleren;

27.  stelt vast dat projecten waarbij betrokkenen meer inbreng hebben, beter geaccepteerd blijken te worden en daarom ook gefaciliteerd dienen te worden; herinnert eraan dat aggregatoren hierbij een belangrijke rol kunnen spelen, maar dat hun rol tot dusver in de EU-wetgeving niet goed uit de verf is gekomen; vraagt daarom een snelle en ambitieuze tenuitvoerlegging van de bepalingen in de richtlijn energie-efficiëntie betreffende vraagrespons;

28.  moedigt de Commissie ertoe aan te zoeken naar mogelijkheden voor de ondersteuning van "crowdfunding"-modellen, d.w.z.. investeringssystemen voor de lange termijn waarbij investeerders en ondernemers in direct contact staan via een platform, om de mogelijkheden te scheppen en mensen aan te moedigen om micro-opwekkingscoöperatieven op te zetten;

29.  stelt vast dat de mogelijkheid van projectfinanciering via open, tot het grote publiek gerichte oproepen ("crowdfunding"), meer publieke belangstelling krijgt; verzoekt de Commissie de mogelijkheid van mede-eigenaarschap van lokale projecten te bevorderen en zo de activering van lokale ondersteuning te verbeteren;

30.  verzoekt de Commissie voorts na te gaan in hoeverre EU-regelgeving als de prospectusrichtlijn (Richtlijn 2003/71/EG), de MiFID (Richtlijn 2004/39/EG) en de richtlijn elektronisch geld (Richtlijn 2009/110/EG) al de uitvoering van bepaalde projecten op basis van mede-eigenaarschap van lokale structuren mogelijk maken;

31.  stelt dat initiatieven op het gebied van micro-opwekking moeten aansluiten bij de netcodes; merkt op dat de doelstellingen van secundaire elektriciteitswetgeving, zoals de netcodes, beter en op kostenefficiëntere wijze kunnen worden gehaald door de vaststelling van normen op EU-niveau voor de meeste soorten micro-opwekkingstechnologie; verzoekt om een actieve vorm van distributiesysteembeheer die gebaseerd is op nauwe samenwerking tussen DSB's en transmissiesysteembeheerders (TSB's) en andere elementen (opwekking, verbruik en opslageenheden) in het kader van de netautoriteiten, teneinde innovatie en investering in plaatselijke distributienetten aan te moedigen;

32.  verzoekt het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers (ACER), het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (ENTSO-E), de Commissie en de nationale regeringen om bij het lopende opstellings- en onderhandelingsproces met betrekking tot de netcodes speciale aandacht te besteden aan decentrale hernieuwbare energiebronnen;

33.  merkt op dat nieuwe vormen van productie, eigenaarschap en verbruik, bijvoorbeeld het leasingbedrijf, een cruciale rol kunnen spelen bij de invoering van micro-opwekking, aangezien vele elementen die door deze aanpak mogelijk worden gemaakt, positief zijn bij micro-opwekking, bijvoorbeeld lagere initiële kosten en kostentransparantie door producten/diensten tegen vaste prijzen en de stimulans om te komen tot een oplossing voor een aanzienlijk financieringsprobleem voor "prosumenten" met een lager inkomen, optimale kwaliteit van de installatie en beter onderhoud, en zo een langere levenscyclus aan leverancierszijde;

Specifieke acties

34.  verzoekt de Commissie een omvangrijke evaluatie uit te voeren van de potentiële capaciteit voor micro-opwekking, en de beste praktijken in de EU en de potentiële impact van grootschalige invoering van micro-opwekking op de Europese interne energiemarkt onder de loep te nemen;

35.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat micro-opwekking vanaf de periode 2014-2020 in aanmerking komt voor financiering in het kader van de EU-fondsen, inclusief de Structuurfondsen;

36.  spoort ertoe aan onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatiemiddelen te investeren in de ontwikkeling van voor micro-opwekking geschikte technische oplossingen en installaties;

37.  erkent het belang van een voortrekkersrol van de EU op het gebied van klimaat- en energiebeleid, en stelt zich op het standpunt dat micro-opwekking moet bijdragen aan de verwezenlijking van onze langetermijndoelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom de tenuitvoerlegging van de strategieën voor kleinschalige elektriciteits- en warmteopwekking die in het huidige EU-beleidskader bestaan, te verbeteren en zo het belang van micro-opwekking te erkennen en de verbreiding ervan in de lidstaten te faciliteren;

38.  verzoekt de Commissie in toekomstige energiewetgeving van de EU rekening te houden met de rol van micro-opwekking, met name in de context van het komende klimaat- en energiepakket van de Unie voor 2030;

39.  verzoekt de Commissie samen met de lidstaten de bestaande kostenstructuur in het energienetwerk zorgvuldig onder de loep te nemen en richtsnoeren op te stellen voor middelen om de vergunningsafgifte en netwerktoegang voor en de exploitatie van micro-opwekkingseenheden te vergemakkelijken;

o
o   o

40.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.
(2) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1.
(3) PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10.
(4) PB L 153 van 18.6.2010, blz. 1.
(5) PB C 169 E van 15.6.2012, blz. 66.


Gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers
PDF 115kWORD 21k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid (2013/2678(RSP))
P7_TA(2013)0375B7-0387/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 8, 157 en 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(1),

–  gezien artikel 11, lid 1, onder d), van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, aangenomen bij Resolutie 34/180 van 18 december 1979 van de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 met de titel "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2010 met de titel "Een grotere inzet voor de gelijkheid van vrouwen en mannen – Een Vrouwenhandvest" (COM(2010)0078),

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(2),

–  gezien de beoordeling van Europese meerwaarde over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(3),

–  gezien het onderzoek naar de genderkloof met betrekking tot pensioenen in de EU(4),

–  gezien de vraag aan de Commissie over gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid (O-000078/2013 – B7-0218/2013),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Europees Parlement de Commissie in zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid, heeft verzocht Richtlijn 2006/54/EG tegen 15 februari 2013 te herzien, met inachtneming van de aanbevelingen van het Parlement, waaronder de herziening van de bestaande wetgeving;

B.  overwegende dat er als gevolg van arbeidsmaatregelen die erop gericht zijn een einde te maken aan het beginsel en de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst steeds vaker individueel over lonen wordt onderhandeld, waardoor er een gebrek aan informatie en transparantie over de afzonderlijke loonstelsels ontstaat dat tot grotere beloningsverschillen tussen werknemers op vergelijkbaar niveau leidt en dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen wijder kan doen worden;

C.  overwegende dat het verkleinen van de loonkloof tussen mannen en vrouwen uiterst langzaam vordert en dat in sommige lidstaten de loonkloof zelfs wijder is geworden; overwegende dat, ondanks de uitgebreide wetgeving die al bijna 40 jaar van kracht is, de getroffen maatregelen en de ingezette middelen (het beloningsverschil in de EU bedroeg in 2006 17,7%, in 2007 17,6%, in 2008 17,4%, in 2009 16,9% en in 2010 16,4%) de loonkloof tussen mannen en vrouwen nog altijd problematisch is en vrouwen in de EU momenteel 16,2% minder verdienen dan mannen; overwegende dat de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid essentieel is voor de verwezenlijking van gendergelijkheid; overwegende dat de negatieve gevolgen voor vrouwen van de loonkloof tussen mannen en vrouwen doorwerken na de pensioenleeftijd en vrouwen pensioenen ontvangen die gemiddeld 39 % lager zijn dan die van mannen;

D.  overwegende dat volgens academisch onderzoek over het dichten van de loonkloof met verschillende factoren rekening moet worden gehouden en deze adequaat moeten worden aangepakt, zoals verschillen in de arbeidsparticipatie en in de werkgelegenheidsgraad, in loonstructuren, in de samenstelling van de beroepsbevolking en in bezoldiging, evenals andere macro-economische en institutionele factoren;

E.  overwegende dat de ervaring heeft geleerd dat optimale werkmethoden en niet-bindende maatregelen alleen, zelden als stimulans werken, en dat het verwachte "peer learning"-effect uitblijft;

F.  overwegende dat een afname van de loonkloof met één procentpunt volgens de conclusies van de beoordeling van de Europese meerwaarde een economische groei van 0,1% zal opleveren, en dat het dichten van de loonkloof van cruciaal belang is in de huidige economische crisis;

G.  overwegende dat de trage voortgang in het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen aanzienlijke demografische, sociale, juridische en economische gevolgen heeft;

1.  betreurt dat het verkleinen van de loonkloof tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie maar langzaam vordert;

2.  benadrukt dat het terugdringen van de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen door de loonkloof te dichten niet alleen gunstig is voor vrouwen maar voor de gehele samenleving, en dat het wegnemen van de loonverschillen tussen mannen en vrouwen niet moet worden gezien als een kostenpost maar als een investering;

3.  herhaalt dat Richtlijn 2006/54/EG in haar huidige vorm niet volstaat om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te bestrijden en om de doelstelling van gendergelijkheid in arbeid en beroep te verwezenlijken;

4.  verzoekt de Commissie de lidstaten te steunen om de loonkloof tussen mannen en vrouwen met minstens 5 procentpunten per jaar te verkleinen teneinde de loonkloof tussen mannen en vrouwen tegen 2020 te dichten;

5.  erkent dat een veelzijdige aanpak op verschillende niveaus van de Commissie vergt dat zij de lidstaten steunt om goede praktijken te bevorderen en maatregelen te treffen om de loonkloof tussen mannen en vrouwen aan te pakken;

6.  dringt er bij de Commissie op aan om Richtlijn 2006/54/EG zo spoedig mogelijk te herzien en om wijzigingen op de richtlijn voor te stellen overeenkomstig artikel 32 van de richtlijn en op basis van artikel 157 VWEU, met inachtneming van de gedetailleerde aanbevelingen zoals opgenomen in de bijlage bij de resolutie van het Parlement van 24 mei 2012;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0225.
(3) EAVA 4/2013.
(4) http://ec.europa.eu/justice/gender-equality/files/documents/130530_pensions_en.pdf


EU-strategie inzake cyberveiligheid: een open, veilige en beveiligde cyberruimte
PDF 226kWORD 36k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over een EU-strategie inzake cyberveiligheid: een open, veilige en beveiligde cyberruimte (2013/2606(RSP))
P7_TA(2013)0376B7-0386/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 7 februari 2013 van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid getiteld “EU-strategie inzake cyberveiligheid: een open, veilige en beveiligde cyberspace” (JOIN(2013)0001),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 7 februari 2013 voor een richtlijn houdende maatregelen om een hoog gemeenschappelijk niveau van netwerk- en informatiebeveiliging in de Unie te waarborgen (COM(2013)0048),

–  gezien de mededelingen van de Commissie van 19 mei 2010 getiteld “Een digitale agenda voor Europa” (COM(2010)0245) en van 18 december 2012 getiteld “De digitale agenda voor Europa – Europese groei bevorderen op basis van digitale technologieën” (COM(2012)0784),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 september 2012 getiteld "Het aanboren van het potentieel van cloud computing in Europa" (COM(2012)0529),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 maart 2012 getiteld: “De aanpak van criminaliteit in het digitale tijdperk: Oprichting van een Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit” (COM(2012)0140) en de conclusies van de Raad van 7 juni 2012 daarover,

–  gezien Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 over aanvallen op informatiesystemen en tot intrekking van Kaderbesluit 2005/222/JBZ van de Raad(1),

–  gezien Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren(2),

–  gezien Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(3),

–  gezien het programma van Stockholm(4), de mededelingen van de Commissie getiteld “Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor de burgers van Europa – Actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm” (COM(2010)0171) en “De EU-interneveiligheidsstrategie in actie: vijf stappen voor een veiliger Europa” (COM(2010)0673), en zijn resolutie van 22 mei 2012 over de EU-interneveiligheidsstrategie(5),

–  gezien het gezamenlijk voorstel van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger voor een besluit van de Raad inzake de regelingen voor de toepassing van de solidariteitsclausule van de Unie (JOIN(2012)0039),

–  gezien het Kaderbesluit van de Raad 2001/413/JBZ van 28 mei 2001 betreffende de bestrijding van fraude met en vervalsing van andere betaalmiddelen dan contanten(6),

–  gezien zijn resolutie van 12 juni 2012 over de bescherming van kritieke informatie-infrastructuur – bereikte resultaten en volgende stappen: naar mondiale cyberveiligheid(7) en de conclusies van de Raad van 27 mei 2011 over de mededeling van de Commissie betreffende bescherming van kritieke informatie-infrastructuur “Bereikte resultaten en volgende stappen: naar mondiale cyberveiligheid” (COM(2011)0163),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 inzake het voltooien van de digitale interne markt(8),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over cyberveiligheid en defensie(9),

–  gezien zijn standpunt van 16 april 2013 in eerste lezing over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveliging (ENISA) (COM(2010)0521(10),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(11),

–  gezien het Verdrag inzake cybercriminaliteit van de Raad van Europa van 23 november 2001,

–  gezien de internationale verplichtingen waar de Unie zich aan heeft te houden, in het bijzonder onder de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS),

–  gezien artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 6, 8 en 11,

–  gezien de lopende onderhandelingen over de trans-Atlantische handels- en investeringsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika,

–  gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het toenemende aantal cyberuitdagingen, in de vorm van steeds ingenieuzere bedreigingen en aanvallen, een grote bedreiging voor de veiligheid, stabiliteit en economische voorspoed van de lidstaten, alsook van de particuliere sector en onze samenlevingen als zodanig vormt; overwegende dat de bescherming van onze samenlevingen en economieën derhalve een zich voortdurend ontwikkelende uitdaging zal zijn;

B.  overwegende dat de cyberspace en cyberveiligheid een van de strategische pijlers van het veiligheids- en defensiebeleid van de EU en van elke afzonderlijke lidstaat moeten zijn; overwegende dat het cruciaal is ervoor te zorgen dat de cyberspace open blijft voor een vrije stroom van ideeën, informatie en meningsuiting;

C.  overwegende dat de elektronische handel en onlinediensten tot de troefkaarten van het internet behoren en cruciaal zijn voor de doelstellingen van de EU 2020-strategie, en voor zowel de burgers, als de particuliere sector van groot nut zijn; overwegende dat de Unie bij het verder ontwikkelen van de interne markt, inclusief de digitale interne markt, het potentieel en de mogelijkheden van het internet ten volle moet benutten;

D.  overwegende dat in de gezamenlijke mededeling over een EU-strategie inzake cyberveiligheid als doelstellingen onder andere worden genoemd het realiseren van het vermogen weerstand te bieden tegen cybercriminaliteit (‘cyberresilience’), het reduceren van cybercriminaliteit, het ontwikkelen van beleid tegen cyberaanvallen en van cybercapaciteit met betrekking tot het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), en het op het niveau van de EU ontwikkelen van een coherent internationaal beleid voor de cyberspace;

E.  overwegende dat de netwerk- en informatiesystemen in de Unie onderling sterk met elkaar zijn verbonden; overwegende dat, gezien het mondiale karakter van het internet, veel incidenten in verband met de veiligheid van netwerken en informatie een grensoverschrijdende dimensie hebben en in potentie een gevaar vormen voor de werking van de interne markt en het vertrouwen van consumenten in de digitale interne markt;

F.  overwegende dat cyberveiligheid in de Unie, net als trouwens in de rest van de wereld, slechts zo sterk is als de zwakste schakel en dat problemen in één sector of lidstaat gevolgen hebben voor andere sectoren of lidstaten, met ‘spill-over’-effecten en gevolgen voor de EU-economie als zodanig;

G.  overwegende dat in april 2013 slechts 13 lidstaten officieel over nationale cyberveiligheidsstrategieën beschikken; overwegende dat er tussen de lidstaten nog altijd significante verschillen bestaan wat betreft hun voorbereidheid, veiligheid, strategische cultuur en capaciteit om nationale cyberveiligheidsstrategieën te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen, en dat het goed zou zijn deze verschillen in kaart te brengen;

H.  overwegende dat verschillende veiligheidsculturen en het ontbreken van een juridisch kader tot versnippering leiden en wat de digitale interne markt betreft een grote bron van zorg vormen; overwegende dat het ontbreken van een geharmoniseerde benadering van cyberveiligheid ernstige risico’s met zich meebrengt voor economische voorspoed en de mogelijkheid om transacties veilig af te wikkelen, en dat het derhalve gewenst is dat regeringen, de particuliere sector, wetshandhavers en inlichtingendiensten nauwer overleg plegen en samenwerken;

I.  overwegende dat cybercriminaliteit een steeds duurder wordend internationaal probleem is, dat de mondiale economie volgens het Office on Drugs and Crime van de Verenigde Naties jaarlijks voor 295 miljard euro schade toebrengt;

J.  overwegende dat de internationale georganiseerde misdaad met gebruikmaking van nieuwe technologieën zijn werkterrein meer en meer verplaatst naar de cyberspace, waardoor ook de traditionele structuur van de groepen die zich met georganiseerde misdaad bezighouden, verandert; overwegende dat dit ertoe heeft geleid dat de georganiseerde misdaad minder op lokaal niveau opereert en meer geneigd is om de verschillen tussen de nationale rechtsstelsels en jurisdicties op wereldschaal uit te buiten;

K.  overwegende dat de bevoegde autoriteiten bij het onderzoeken van cybercriminaliteit nog altijd tegen een aantal problemen aanlopen, waaronder het gebruik (bij cybertransacties) van virtuele munteenheden voor witwaspraktijken, verschillen tussen en de afbakening van rechtsstelsels en jurisdicties, gebrekkige uitwisseling van inlichtingen, te weinig goed opgeleid personeel en gebrekkige samenwerking met andere betrokken partijen;

L.  overwegende dat de ontwikkeling van de cyberspace staat of valt met technologie en dat de ‘resilience’ en veiligheid van de Europese cyberspace alleen kan worden verbeterd indien de Unie zich continu aan technologische veranderingen aanpast; overwegende dat moet worden gewaarborgd dat de wetgeving gelijke tred houdt met nieuwe technologische ontwikkelingen, zodat cybercriminelen doeltreffend kunnen worden geïdentificeerd en vervolgd, en slachtoffers van cybercriminaliteit afdoende kunnen worden beschermd; overwegende dat de EU-strategie inzake cyberveiligheid maatregelen moet omvatten gericht op bewustzijn, onderwijs, de ontwikkeling van Computer Emergency and Response Teams (CERT’s), de ontwikkeling van een internationale markt voor cyberveiligheidsproducten en –diensten, en de bevordering van investeringen in onderzoek, ontwikkeling en innovatie;

1.  is verheugd over de gezamenlijke mededeling over een EU-cyberveiligheidsstrategie en over het voorstel voor een richtlijn met maatregelen gericht op een hoog niveau van netwerk- en informatieveiligheid in de hele Unie;

2.  onderstreept het grote en steeds verder toenemende belang van het internet en de cyberspace voor politieke, economische en maatschappelijke transacties, zowel binnen de Unie, als in de contacten tussen de Unie en de overige actoren in de wereld;

3.  onderstreept dat we behoefte hebben aan een strategisch communicatiebeleid over EU-cyberveiligheid en cybercrises, aan regelmatige strategische toetsingen, aan publiek-private samenwerking (waaronder met betrekking tot waarschuwingsmechanismen), en aan aanbevelingen voor het grote publiek;

4.  herinnert eraan dat een hoog niveau van netwerk- en informatieveiligheid niet alleen noodzakelijk is voor het in stand houden van diensten die cruciaal zijn voor de goede werking van onze samenlevingen en economieën, maar ook voor het beschermen van de fysieke integriteit van burgers middels het vergroten van de doeltreffendheid, effectiviteit en veilige werking van kritieke infrastructuren; onderstreept enerzijds dat de veiligheid van netwerken en informatie onze aandacht verdient, maar anderzijds dat ook het verbeteren van de fysieke veiligheid een belangrijk thema is; onderstreept dat infrastructuren bestand moeten zijn tegen opzettelijke en niet-opzettelijke verstoringen; wijst er in dit verband met klem op dat in de strategie voor cyberveiligheid meer aandacht moet worden besteed aan de meest voorkomende oorzaken van niet-opzettelijke systeemproblemen;

5.  dringt er nog eens bij de lidstaten op aan strategieën voor cyberveiligheid te ontwikkelen waarin aandacht wordt besteed aan technische, coördinatie-, personeels- en financiële aspecten, inclusief heldere regels betreffende de voordelen voor en de verantwoordelijkheden van de particuliere sector, teneinde te bewerkstelligen dat deze op zo kort mogelijke termijn een rol binnen de strategieën kan gaan spelen, en procedures voor risicobeheer vast te stellen en voor een goed regelgevingskader te zorgen;

6.  is van oordeel dat een hoog niveau van netwerk- en informatieveiligheid in de hele Unie, hetgeen bijdraagt aan de veilige en goede werking van de interne markt, alleen tot stand kan worden gebracht indien de instellingen van de EU en de lidstaten goed samenwerken en wanneer de eigendom van het proces bij de politiek ligt;

7.  onderstreept dat de EU-strategie voor cyberveiligheid moet resulteren in een veilige en betrouwbare digitale omgeving die stoelt op en ontworpen is ter waarborging van de bescherming en instandhouding van de vrijheden en eerbiediging van de grondrechten in een onlinekader zoals bedoeld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 16 VWEU, met name het recht op privacy en gegevensbescherming; is van oordeel dat in het bijzonder aandacht moet worden besteed aan de bescherming van kinderen online;

8.  verzoekt de lidstaten en de Commissie al het nodige te doen om opleidingsprogramma’s te ontwikkelen gericht op het bevorderen en verbeteren van bewustzijn, vaardigheden en educatie van Europese burgers met betrekking tot persoonlijke veiligheid, als onderdeel van een curriculum voor digitale geletterdheid vanaf jeugdige leeftijd; stemt in met het initiatief, ondersteund door het ENISA en in samenwerking met overheden en de particuliere sector, voor een Europese cyberveiligheidsmaand, gericht op het vergroten van het bewustzijn van de uitdagingen op het gebied van het beschermen van netwerk- en informatiesystemen;

9.  merkt op dat cyberveiligheidsonderricht ertoe zal bijdragen dat de Europese samenlevingen zich meer bewust zullen zijn van de bedreigingen van de cyberspace, waarmee tegelijkertijd een verantwoordelijker gebruik van de cyberspace wordt bevorderd, en meer mensen in het bezit van cybervaardigheden zal brengen; onderkent de belangrijke rol die Europol en zijn nieuwe Europees Centrum voor cybercriminaliteit (EC3), en het ENISA en Eurojust spelen bij het aanbieden van opleidingsactiviteiten op EU-niveau met betrekking tot het gebruik van instrumenten voor internationale justitiële samenwerking en wetshandhaving ten aanzien van de verschillende aspecten van cybercriminaliteit;

10.  herinnert er nog eens aan dat voor technisch advies en juridische informatie moet worden gezorgd, en dat er programma’s moeten worden ontwikkeld met betrekking tot de preventie en bestrijding van cybercriminaliteit; vindt dat er cyberingenieurs moeten worden opgeleid die gespecialiseerd zijn in het beschermen van kritieke infrastructuren en informatiesystemen, alsmede personeel dat transportcontrolesystemen en verkeersmanagementcentra bemant; onderstreept de absolute noodzaak van regelmatige cyberveiligheidstrainingen voor overheidspersoneel op alle niveaus;

11.  herhaalt nog eens dat terughoudendheid moet worden betracht bij het beperken van de mogelijkheid voor burgers om van communicatie- en informatietechnologie-instrumenten gebruik te maken en onderstreept dat de lidstaten er te allen tijde naar moeten streven bij het ontwikkelen van tegenmaatregelen tegen cyberaanvallen en –bedreigingen te voorkomen dat de rechten en vrijheden van de burgers in het gedrang komen, en dat zij over passende wetgevingsmiddelen moeten beschikken om onderscheid te maken tussen civiele en militaire cyberincidenten;

12.  is van oordeel dat de regelgevingsinspanningen met betrekking tot cyberveiligheid op de risico’s georiënteerd moeten zijn, alsook op kritieke infrastructuren omdat de goede werking daarvan een groot algemeen belang is, en voort moeten borduren op de bestaande, door de markt gestuurde inspanningen van het bedrijfsleven voor 'netwerkresilience'; onderstreept dat operationele samenwerking bij het tot stand brengen van een doeltreffender uitwisseling van informatie over en kennis op het gebied van cyberbedreigingen tussen overheden en de particuliere sector – zowel op het niveau van de Unie, als van de lidstaten, alsook met de strategische partners van de EU - van essentieel belang is voor het waarborgen van de veiligheid van netwerken en informatie, omdat het zorgt voor wederzijds vertrouwen, een toegevoegde waarde heeft en de onderlinge betrokkenheid vergroot; vindt dat publiek-private partnerschappen moeten stoelen op netwerk- en technologieneutraliteit, en vooral gericht moeten zijn op het aanpakken van problemen met een grote publieke impact; dringt er bij de Commissie op aan alle marktdeelnemers aan te sporen een grotere waakzaamheid aan de dag te leggen en meer open te staan voor samenwerking, teneinde tot een voor iedereen hoger niveau van bescherming te komen;

13.  onderkent dat het identificeren en melden van cyberveiligheidsincidenten cruciaal is om in de Unie tot een grotere ‘cyberresilience’ te komen; vindt dat er evenredige en dwingende openbaarmakingsvereisten moeten worden ontwikkeld voor het aan de bevoegde nationale autoriteiten melden van incidenten met een significant veiligheidsrisico, waarmee cybercriminaliteitsincidenten beter in kaart kunnen worden gebracht, hetgeen het bewustzijn op alle niveaus ten goede komt;

14.  spoort de Commissie en alle andere betrokken partijen aan beleid met betrekking tot cyberveiligheid en ‘cyberresilience’ te ontwikkelen, inclusief economische stimulansen;

‘Cyberresilience’

15.  stelt vast dat niet alle sectoren en alle lidstaten over dezelfde capaciteiten en vaardigheden beschikken, en dat dit niet bevorderlijk is voor samenwerking op basis van vertrouwen en dat het de werking van de interne markt ondermijnt;

16.  onderstreept dat bij het vaststellen van vereisten voor kleine en middelgrote ondernemingen evenredigheid leidend moet zijn en een op risico stoelende benadering moet worden gevolgd;

17.  hamert op het belang van 'cyberresilience' van kritieke infrastructuren en geeft aan dat bij de regelingen voor de tenuitvoerlegging van de solidariteitsclausule (artikel 222 VWEU) rekening moet worden gehouden met het risico van een cyberaanval tegen een lidstaat; vraagt de Commissie en de hoge vertegenwoordiger hiermee rekening te houden in hun vanaf 2015 te presenteren gemeenschappelijke geïntegreerde verslagen met betrekking tot bedreigingen en risicobeoordelingen;

18.  onderstreept dat de integriteit, beschikbaarheid en vertrouwelijkheid van kritieke diensten alleen kan worden gewaarborgd indien de identificatie en classificatie van kritieke infrastructuren up-to-date is en indien er minimumvereisten met betrekking tot hun netwerk- en informatiesystemen zijn vastgesteld;

19.  neemt er nota van dat het voorstel voor een richtlijn betreffende maatregelen ter waarborging van een hoog niveau van netwerk- en informatieveiligheid in de hele Unie voorziet in dergelijke minimumvereisten voor veiligheid voor aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij en exploitanten van kritieke infrastructuren;

20.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan passende kaders voor snelle tweewegsystemen voor de uitwisseling van informatie te ontwikkelen, dat wil zeggen systemen die én de anonimiteit van de particuliere sector garanderen én de publieke sector voortdurend geïnformeerd houden, en, indien van toepassing, de particuliere sector bijstand te verlenen;

21.  is verheugd over de constatering van de Commissie dat er met betrekking tot cyberveiligheid een risicomanagementcultuur tot stand moet worden gebracht, en spoort de lidstaten en de EU-instellingen aan het beheer van cybercrises nu zonder verder dralen op te nemen in hun crisismanagementplannen en risicoanalyses; vraagt de regeringen van de lidstaten en de Commissie daarnaast ook de particuliere sector aan te sporen cybercrisismanagement in hun beheerplannen en risicoanalyses op te nemen, en hun personeel cyberveiligheidsopleidingen te geven;

22.  dringt er bij de lidstaten en de EU-instellingen op aan een netwerk van goed functionerende (24 uur per dag, zeven dagen per week) Computer Emergency and Response Teams (CERT’s) op te zetten; wijst erop dat nationale CERT's deel moeten uitmaken van een effectief netwerk waarin relevante informatie wordt uitgewisseld overeenkomstig de essentiële normen inzake vertrouwen en vertrouwelijkheid; merkt op dat overkoepelende initiatieven waarin CERT’s en andere relevante veiligheidsorganen bijeen worden gebracht dienstig kunnen zijn bij het tot stand brengen van vertrouwen in een grens- en sectoroverschrijdende context; erkent het belang van een doeltreffende en effectieve samenwerking tussen CERT’s en wetshandhavingsdiensten bij de bestrijding van cybercriminaliteit;

23.  steunt het ENISA bij de uitvoering van zijn werkzaamheden met betrekking tot netwerk- en informatieveiligheid, met name op het gebied van het opstellen van richtsnoeren voor en advies aan de lidstaten, alsook het faciliteren van de uitwisseling van goede praktijken en het tot stand brengen van een sfeer van vertrouwen;

24.  onderstreept dat het bedrijfsleven voor de hele waardeketen van ict-producten die in transportnetwerken en informatiesystemen worden gebruikt passende vereisten met betrekking tot cyberveiligheidsprestaties moet implementeren, voor passend risicobeheer moet zorgen, veiligheidsnormen en –oplossingen moet uitwerken, en goede praktijken in acht moet nemen en aan informatie-uitwisseling moet doen, teneinde te waarborgen dat transportsystemen cybercriminaliteitbestendig zijn;

Industriële en technologische hulpmiddelen

25.  is van oordeel dat het waarborgen van een hoog niveau van netwerk- en informatieveiligheid een belangrijke rol speelt bij het vergroten van het concurrentievermogen van zowel ontwikkelaars, als afnemers van veiligheidsoplossingen in de Unie; merkt op dat, hoewel de sector IT-veiligheid in de Unie over een aanzienlijk onaangeboord ontwikkelingspotentieel beschikt, gebruikers (particulieren, overheden en het bedrijfsleven) vaak niet op de hoogte zijn van de kosten en baten van investeringen in cyberveiligheid en dus kwetsbaar blijven voor schadelijke cyberbedreigingen; onderstreept dat CERT’s op dit punt een belangrijke rol kunnen spelen;

26.  is ervan overtuigd dat alleen tot een groot aanbod van (en een grote vraag naar) cyberveiligheidsoplossingen kan worden gekomen indien passend wordt geïnvesteerd in academische hulpbronnen en onderzoek en ontwikkeling (O&O), en indien nationale autoriteiten wat ict betreft aan capaciteitsopbouw doen, teneinde innovatie aan te zwengelen en voldoende bewustzijn te creëren over de risico’s voor netwerk- en informatieveiligheid, naar aanleiding waarvan zich dan een Europese veiligheidsindustrie zal ontwikkelen;

27.  verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten het nodige te doen om tot een interne markt voor cyberveiligheid te komen waar afnemers en ontwikkelaars optimaal gebruik kunnen maken van de voorhanden zijnde innovaties, synergie-effecten en gebundelde kennis, en waar ook kmo’s aan kunnen deelnemen;

28.  spoort de lidstaten aan na te denken over gemeenschappelijke investeringen in de Europese cyberveiligheidsindustrie, naar het voorbeeld van hetgeen zij gedaan hebben in andere industriesectoren, zoals de luchtvaartindustrie;

Cybercriminaliteit

29.  is van oordeel dat criminele activiteiten in de cyberspace net zo schadelijk voor het welzijn van onze samenlevingen kunnen zijn als criminaliteit in de fysieke wereld en dat deze vormen van criminaliteit elkaar vaak versterken, zoals we bijvoorbeeld constateren bij de seksuele uitbuiting van kinderen en witwaspraktijken;

30.  merkt op dat er soms een verband is tussen legale en illegale zakenactiviteiten; onderstreept dat er een belangrijk, door het internet gefaciliteerd verband is tussen de financiering van terrorisme en georganiseerde zware misdaad; onderstreept dat het publiek bewust moet worden gemaakt van de ernst van cybercriminaliteit en erover moet worden geïnformeerd dat wat op het eerste gezicht misschien een ‘maatschappelijk aanvaard’ misdrijf is – zoals het illegaal downloaden van films – vaak grote geldbedragen genereert voor internationaal misdaadsyndicaten;

31.  deelt de opvatting van de Commissie dat voor offline- én online-activiteiten dezelfde normen en beginselen moeten gelden en dat derhalve de bestrijding van cybercriminaliteit moet worden geïntensiveerd met aan de tijd aangepaste wetgeving en operationele mogelijkheden;

32.  is van oordeel dat, omdat cybercriminaliteit geen grenzen kent, het delen van inspanningen en kennis op het niveau van de Unie, dat wil zeggen op een hoger niveau dan dat van de afzonderlijke lidstaten, van groot belang is, en dat Eurojust, Europol (en met name het EC3), CERT’s en universiteiten en onderzoekcentra derhalve van adequate middelen en mogelijkheden moeten worden voorzien om nuttig te kunnen zijn als knooppunten voor kennis, samenwerking en informatie-uitwisseling;

33.  is zeer verheugd over de oprichting (en steunt de verdere ontwikkeling) van het EC3 en onderkent dat het een cruciale rol toekomt bij het coördineren van een tijdige en doeltreffende uitwisseling van informatie en kennis over de grenzen heen ter ondersteuning van de inspanningen gericht op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van cybercriminaliteit;

34.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat burgers gemakkelijk toegang hebben tot informatie over cyberbedreigingen en hoe deze te bestrijden; vindt dat deze informatie ook betrekking moet hebben op het beschermen van privacy op het internet, op manieren voor het onderkennen en melden van ‘grooming’ (het online contact leggen met kinderen met als doel seksueel misbruik), het installeren van software en firewalls, het beheren van passwords en het herkennen van ‘phising’ (valse identificatie), ‘pharming’ en andere aanvallen;

35.  dringt er bij de lidstaten die het Verdrag (van Boedapest) inzake cybercriminaliteit van de Raad van Europa nog niet hebben geratificeerd op aan dit alsnog zo snel mogelijk te doen; is er verheugd over dat de Raad van Europa heeft aangegeven dat dit verdrag aan technologische ontwikkelingen moet worden aangepast, teneinde de doeltreffendheid ervan bij het aanpakken van cybercriminaliteit te waarborgen, en verzoekt de Commissie en de lidstaten aan het debat hierover deel te nemen; steunt de inspanningen gericht op de ratificatie van dit verdrag door andere landen en vraagt de Commissie dit op actieve wijze te bevorderen buiten de Unie;

Cyberverdediging

36.  onderstreept dat cyberuitdagingen, -bedreigingen en –aanvallen een gevaar voor de defensie en de nationale veiligheidsbelangen van de lidstaten vormen, en dat middels synergie-effecten bij de civiele en militaire activiteiten ter verdediging van kritieke infrastructuren tot een zo groot mogelijke doeltreffendheid moet worden gekomen;

37.  verzoekt de lidstaten in dit verband hun samenwerking met het Europees Defensieagentschap (EDA) te intensiveren, teneinde voorstellen en initiatieven voor cyberverdedigingsmogelijkheden te ontwikkelen, voortbordurend op recente initiatieven en projecten; onderstreept dat meer aan O&O moet worden gedaan, waaronder in de vorm van het bijeenbrengen en met elkaar delen van hulpmiddelen;

38.  herhaalt dat bij een alomvattende EU-strategie voor cyberveiligheid rekening moet worden gehouden met de toegevoegde waarde van bestaande agentschappen en organen, alsook met de goede praktijken van die lidstaten die reeds over eigen strategieën voor cyberveiligheid beschikken;

39.  verzoekt de VV / HV cybercrisismanagement op te nemen in de crisismanagementplanning en onderstreept dat de lidstaten samen met het EDA plannen moeten uitwerken voor het verdedigen van GVDB-missies en –operaties tegen cyberaanvallen; verzoekt hen een gezamenlijke Europese cyberverdediging te organiseren;

40.  onderstreept de goede samenwerking met de NAVO op het gebied van cyberveiligheid en is van oordeel dat deze samenwerking nog verder moet worden uitgebreid, met name in de vorm van een betere coördinatie op de gebieden planning, technologie, opleiding en uitrusting;

41.  is van oordeel dat de Unie contact moet zoeken met internationale partners, waaronder de NAVO, voor het in kaart brengen van de terreinen waarop kan worden samengewerkt, het vermijden van overlappingen en het - daar waar mogelijk - tot stand brengen van complementariteit;

Internationaal beleid

42.  is van oordeel dat internationale samenwerking en dialoog essentieel zijn voor het tot stand brengen van vertrouwen en transparantie, alsook voor het ontwikkelen van hechte netwerken en het uitwisselen van informatie op mondiale schaal; verzoekt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden in dit verband een team voor cyberdiplomatie op te richten, dat zich onder andere gaat bezighouden met het bevorderen van dialoog met gelijkgezinde landen en organisaties; vindt dat de EU actiever moet deelnemen aan het brede scala aan internationale conferenties op hoog niveau over cyberveiligheid;

43.  is van oordeel dat een evenwicht moet worden gevonden tussen de conflicterende doelstellingen van grensoverschrijdende uitwisseling van gegevens, gegevensbescherming en cyberveiligheid, in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie, in het bijzonder in het kader van de GATS;

44.  verzoekt de VV / HV te zorgen voor mainstreaming van de cyberveiligheidsdimensie in het externe optreden van de EU, met name met betrekking tot derde landen, teneinde te komen tot een betere samenwerking en uitwisseling van ervaringen met en informatie over verbetering van de cyberveiligheid;

45.  is van oordeel dat de Unie contact moet zoeken met internationale partners, teneinde in kaart te brengen op welke terreinen kan worden samengewerkt, hoe overlappingen kunnen worden vermeden en - daar waar mogelijk - tot complementariteit kan worden gekomen; verzoekt de VV /HV en de Commissie zich in internationale organisaties proactief op te stellen en voor coördinatie te zorgen van de posities van de lidstaten over de wijze waarop oplossingen en beleid op het gebied van cyberveiligheid doeltreffend voor het voetlicht kunnen worden gebracht;

46.  is van oordeel dat actie moet worden ondernomen om ervoor te zorgen dat bestaande internationale wettelijke instrumenten, in het bijzonder het Verdrag inzake cybercriminaliteit van de Raad van Europa, in de cyberspace worden geïmplementeerd; vindt in dit verband derhalve dat er nu geen behoefte bestaat aan nieuwe wettelijke instrumenten op internationaal niveau; is wel voorstander van internationale samenwerking bij het ontwikkelen van gedragsnormen voor de cyberspace, ter ondersteuning van de rechtsstaat in de cyberspace; is van oordeel dat nagedacht moet worden over het aan de technologische ontwikkelingen aanpassen van bestaande wettelijke instrumenten; vindt dat er naar aanleiding van jurisdictiekwesties een diepgaand debat moet worden gevoerd over gerechtelijke samenwerking en vervolging in het geval van grensoverschrijdende gevallen van cybercriminaliteit;

47.  vindt dat de EU en de VS met name de Europees-Amerikaanse Werkgroep voor cyberveiliheid en cybercriminaliteit moeten gebruiken voor het – daar waar geëigend –uitwisselen van goede praktijken op het vlak van het cyberveiligheidsbeleid; geeft in dit verband aan dat tijdens de binnenkort beginnende onderhandelingen over een trans-Atlantische handels- en investeringsovereenkomst ook aandacht zal worden besteed aan onderwerpen met een band met cyberveiligheid, zoals diensten die afhankelijk zijn van de veilige werking van netwerk- en informatiesystemen; waarbij de overeenkomst waarborgen moet bieden voor de soevereiniteit van de EU en de onafhankelijkheid van de EU-instellingen;

48.  merkt op dat cyberveiligheidsvaardigheden en het vermogen om bedreigingen en kwaadwillende aanvallen te voorkomen, op te sporen en doeltreffend te bestrijden niet overal in de wereld in gelijke mate zijn ontwikkeld; onderstreept dat de EU zich bij de inspanningen ter vergroting van ‘cyberresilience’ en de bestrijding van cyberbedreigingen niet alleen tot gelijkgestemde partners moet richten, maar ook aandacht moet schenken aan regio’s waar de capaciteiten, technische infrastructuurvoorzieningen en wettelijke kaders minder sterk zijn ontwikkeld; is van oordeel dat de coördinatie van CERT’s in dit verband een ‘must’ is; verzoekt de Commissie inspanningen van derde landen gericht op het opbouwen van eigen cyberveiligheidscapaciteiten te faciliteren en – indien nodig – met passende middelen te ondersteunen;

Implementatie

49.  dringt erop aan de doeltreffendheid van de nationale strategieën inzake cyberveiligheid regelmatig op het hoogste politieke niveau tegen het licht te houden, teneinde deze aan te passen aan nieuwe mondiale bedreigingen en in de verschillende lidstaten voor eenzelfde niveau van cyberveiligheid te zorgen;

50.  verzoekt de Commissie een routekaart op te stellen met de termijnen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU-strategie inzake cyberveiligheid, alsook voor de beoordeling daarvan; verzoekt de lidstaten hetzelfde te doen voor de nationale activiteiten in het kader van deze strategie;

51.  vindt dat de Commissie, de lidstaten, Europol en het nieuw opgerichte EC3, Eurojust en het ENISA regelmatig verslag moeten uitbrengen over de vooruitgang die wordt geboekt bij de verwezenlijking van de doelstellingen in de strategie inzake cyberveiligheid, inclusief zogenaamde ‘key performance indicators’ voor het meten van de vooruitgang bij de implementatie;

o
o   o

52.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, Europol, Eurojust en de Raad van Europa.

(1) PB L 218 van 14.08.2013, blz. 8.
(2) PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75.
(3) PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.
(4) PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0207.
(6) PB L 149 van 02.06.2001, blz. 1.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0237.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0468.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0457.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0103.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0470.


De digitale agenda voor groei, mobiliteit en werkgelegenheid
PDF 218kWORD 27k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de digitale agenda voor Europa - Digitaal aanzwengelen van groei in Europa (2013/2593(RSP))
P7_TA(2013)0377B7-0385/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 december 2012 ‘De Digitale agenda voor Europa – Europese groei bevorderen op basis van digitale technologieën’ (COM(2012)0784),

–  gezien de vragen aan de Commissie en de Raad over ‘De digitale agenda voor groei, mobiliteit en werkgelegenheid: tijd voor een hogere versnelling’ (O–000085 – B7–0219/2013 en O–000086 – B7–0220/2013),

–  gezien Verordening(EU) nr. 531/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie(1),

–  gezien Besluit 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid(2),

–  gezien de lopende onderhandelingen over de Connecting Europe-faciliteit en in het bijzonder het gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor trans-Europese telecommunicatienetwerken en tot intrekking van Beschikking nr. 1336/97/EG - COM(2013)0329,

–  gezien zijn resolutie van 5 mei 2010 ‘een nieuwe digitale agenda voor Europa: 2015.eu’(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 september 2012 over het aanboren van het potentieel van cloud computing in Europa (COM(2012)0529),

–  gezien het voorstel van 25 januari 2012 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (algemene verordening gegevensbescherming) (COM(2012)0011),

–  gezien het voorstel van 19 oktober 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe-faciliteit (COM(2011)0665),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 mei 2010 getiteld "Een digitale agenda voor Europa" (COM(2010)0245),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Raad voornemens is tijdens de Europese Raad van 24–25 oktober 2013 conclusies aan te nemen met betrekking tot de digitale agenda voor Europa;

B.  overwegende dat de primaire doelstelling van de in 2010 vastgestelde Digitale Agenda voor Europa gaat om de vermindering van de ongelijkheden tussen de lidstaten, met name wat betreft de toegang tot vaste en mobiele, snelle en zeer snelle breedband-infrastructuur;

C.  overwegende dat informatie- en communicatietechnologieën (ICT’s) de kern van de digitale samenleving vormen en tegenwoordig goed zijn voor ongeveer 20% van de jaarlijkse groei van de productiviteit en 4,5% van het BBP in de EU, en daarnaast 25% van de particuliere investeringen in O & O in de EU genereren, en dus potentieel een buitengewone bijdrage aan de groei en de werkgelegenheid leveren;

D.  overwegende dat het aanboren van het potentieel van de digitale economie in de EU een hoog multiplier-effect zou hebben op de economie en zou resulteren in meer groei en meer banen; overwegende dat ontsluiting van dit potentieel daarom een van de belangrijkste hervormingen is voor de groei en het concurrentievermogen, en de EU zou helpen om uit de huidige crisis te komen;

E.  overwegende dat in 2020 naar schatting 50 miljard apparaten op het internet zullen zijn aangesloten en het wereldwijde dataverkeer eind 2017 naar verwachting 15 keer zo groot zal zijn; overwegende dat zulke exponentiële groei in het breedbandverkeer een ambitieus beleid op Unie- en lidstaatniveau zal vergen voor uitbreiding van de capaciteit van vaste en mobiele netwerken, wil de EU meer groei, concurrentievermogen en productiviteit bereiken;

F.  overwegende dat de doelstellingen van huidige Digitale Agenda achterhaald zijn door de snelheid van de ontwikkelingen op andere continenten en daarom niet ambitieus genoeg zijn om te garanderen dat de EU in 2020 wereldleider is op het gebied van telecommunicatie;

G.  overwegende dat de co-wetgevers nog steeds wachten op voorstellen van de Europese Commissie over netneutraliteit en de universele dienst;

1.  benadrukt dat de Digitale Agenda en de voltooiing van een digitale interne markt de speerpunt moet zijn van de inspanningen van de EU om groei te genereren en uit de crisis te geraken; is van mening dat politiek leiderschap nodig is zowel op EU- als op nationaal niveau om de bestaande belemmeringen voor de digitale interne markt aan te pakken met het oog op het creëren van werkgelegenheid en groei in de EU; herinnert eraan dat de digitale economie zeven maal zo snel groeit als de rest van de economie en de voltooiing van de interne digitale markt EU een impuls kan geven van 110 miljard Euro per jaar;

2.  wijst erop dat de groei van het bbp in de Unie van vele kanten tegelijk onder druk staat, terwijl de overheidsmiddelen om groei te bevorderen gezien de hoge schulden en begrotingstekorten beperkt zijn, en verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten elke mogelijke hefboom voor groei te benutten; merkt op dat ICT een essentiële transformerende technologie vormt in alle sectoren van de economie en met name relevant is voor gebieden als gezondheidszorg, energie, openbare diensten en onderwijs;

Een roamingvrij Europa in 2015

3.  betreurt dat de telecommunicatiemarkt nog steeds opgedeeld is in nationale markten met kunstmatige grenzen en niet kan worden gezien als één economische markt waar concurrentie wordt aangemoedigd;

4.  benadrukt dat roaming volgens de sectoranalisten de Europese exploitanten in veel gevallen ongeveer 10% van hun inkomsten oplevert, en dat uit de meest recente onderzoeken van BEREC (Body of European Regulators for Electronic Communications) blijkt dat de prijs die aan het bedrijfsleven en consumenten wordt berekend gemiddeld twee maal zo hoog is als de prijs die exploitanten op de groothandelsmarkt betalen;

5.  betreurt dat deze onevenwichtige winstmarges op roaming kostenverhogend werkt voor de mobiliteit binnen de EU; wijst erop dat dit de groei en welvaart belemmert, aangezien mobiliteit een van de belangrijkste factoren voor groei in de EU is;

6.  benadrukt dat afschaffing van roamingkosten cruciaal is voor het stimuleren van innovatie, omdat daardoor een grotere thuismarkt voor innovatieve producten en diensten kan ontstaan;

7.  meent dat op dit moment geen sprake is van een interne telecommunicatiemarkt wegens onder meer de aanzienlijke verschillen tussen binnenlandse en roamingtarieven; gelooft daarom dat met behulp van structurele maatregelen een echte interne digitale markt moet worden geschapen waar concurrentie wordt aangemoedigd en geen verschil meer bestaat tussen binnenlandse en roamingtarieven, zodat er een pan-Europese mobiele communicatiemarkt tot stand komt;

8.  herinnert de Raad en de Commissie eraan dat volgens de digitale agenda voor Europa het verschil tussen roaming- en binnenlandse tarieven tegen 2015 tot nagenoeg nul moet zijn teruggebracht, en dat het doel van Verordening (EU) nr. 531/2012 is een interne markt voor mobiele communicatiediensten te realiseren en te bereiken dat er uiteindelijk geen verschil meer bestaat tussen nationale en roamingtarieven;

9.  gelooft dat de maatregelen ter voltooiing van de digitale interne markt daarom tot resultaat moeten hebben dat de kloof tussen roaming- en binnenlandse tarieven per 2015 gedicht zalm zijn, hetgeen een roamingvrije EU zal opleveren (voor gesprekken, sms-en en gegevens);

10.  herinnert eraan dat nieuwe aanbiedingen van telecomexploitanten gebruiksvriendelijk en transparant moeten zijn, waarbij ontstaan van weer nieuwe verkapte belemmeringen moet worden vermeden;

11.  herinnert eraan dat de Commissie binnenkort de werking van Verordening (EU) nr. 531/2012 moet beoordelen, en daarbij moet nagaan of er sprake is van concurrentie op de roaming-markt, in welke mate de klant van echte prijsdalingen voor roamingdiensten heeft kunnen profiteren, en of er verschil is tussen roaming- en binnenlandse tarieven, en of er een enkel tarief voor nationale en roamingdiensten wordt aangeboden;

12.  herinnert eraan dat niet alleen met afschaffing van roamingtarieven kan worden volstaan om een echte digitale interne markt te creëren; onderstreept dat deze maatregel moet worden gezien als onderdeel van een algehele Europese digitale strategie, die bijzondere aandacht besteedt aan de ontwikkeling van de infrastructuur en de toegang om het scheppen en behoud van banen in deze sector te bevorderen;

13.  is ingenomen met de aankondiging van de Commissie om een wetgevingspakket voor te stellen met maatregelen ter opheffing van de resterende belemmeringen voor de werking van de digitale interne markt van de EU; verzoekt de Commissie om een effectbeoordeling uit te voeren van de potentiële groei van de telecommunicatiesector door het creëren van een interne digitale markt in Europa;

Infrastructuur en mobiliteit

14.  wijst erop dat de verbreiding en toegankelijkheid van breedband, e-commerce, digitale inclusie, grensoverschrijdende openbare diensten en onderzoeks- en innovatiedoelstellingen zoals in de Digitale Agenda voor Europa gesteld, een allesoverheersende prioriteit moeten blijven wil de EU de volle vruchten kunnen plukken van de digitale maatschappij;

15.  herinnert eraan dat de EU niet alleen de barrières voor de digitale interne EU-markt moet opruimen maar zich ook de absolute prioriteit moet stellen in optimale, zeer snelle infrastructuren voor internetbreedband te investeren om het potentieel van de digitale economie volledig te kunnen benutten;

16.  onderstreept wij ambitieuze en toekomstgerichte doelstellingen voor 2020 nodig hebben wil de EU de bakermat kunnen worden van de digitale revolutie, en haar leidende positie in de wereld weer hernemen; meent dat een herziene, anticiperende doelstelling van de Digitale Agenda voor 2020 moet zijn dat alle EU-huishoudens over een breedbandverbinding beschikken die 100 megabit per seconde levert, en dat 50% van de huishoudens zich abonneert op 1 gigabit per seconde en meer; neemt er kennis van dat de Commissie industrie, onderzoek en energie in haar verslag over richtsnoeren voor trans-Europese telecommunicatienetwerken, en intrekking van Beschikking nr. 1336/97/EG haar steun al heeft toegezegd aan dergelijke ambitieuze doelstellingen;

17.  betreurt het ten zeerste dat veel lidstaten de termijn van 1 januari 2013 voor de toewijzing van het "digitale dividend" in de 800 MHz-band aan mobiele breedbanddiensten, zoals voorzien in het programma voor het radiospectrumbeleid, hebben gemist; benadrukt dat deze vertraging de ontwikkeling van 4G-netwerken in de EU heeft belemmerd en roept daarom de lidstaten op om de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de 800 MHz-band beschikbaar komt voor mobiele breedbanddiensten, en verzoekt de Commissie om alles te doen wat in haar macht ligt om voor een snelle uitvoering te zorgen;

18.  stelt vast dat het breedbandaanbod naar verwachting ver zal achterblijven bij de doelstellingen van de Digitale Agenda; is er bijgevolg van overtuigd dat zonder hogere investeringen in toekomstige netwerken de mondiale concurrentiepositie van de EU nog verder zal teruglopen; is van mening dat de Commissie in het kader van de Single Market Act ook een brede herziening van het wettelijk kader voor de telecommarkt moet voorstellen, om een impuls te geven aan investeringen in vaste en mobiele netwerken;

19.  is van mening dat de rol van concurrentie in het stimuleren van investeringen in nieuwe digitale infrastructuur ter bevordering van economische groei niet mag worden ondermijnd; beschouwt het als cruciaal dat de Commissie een regelgevend kader garandeert waarbinnen alle marktspelers kunnen investeren in innovatieve digitale infrastructuur; meent dat met het oog hierop nieuwe regels voor de vaststelling van efficiënte toegangsprijzen tot NGA-netwerken (Next Generation Access) het onderliggende mededingingsproces in de respectieve lidstaten moeten weerspiegelen en de prerogatieven van de nationale regelgevende instanties (NRI's) in acht moeten nemen; meent dat de NRI's met het oog hierop gemeenschappelijke doelstellingen moeten nastreven, bijvoorbeeld die van de Digitale Agenda, daarbij gebruikmakend van hun kennis en specifieke deskundigheid wat betreft hun respectieve nationale markten;

20.  verzoekt de Commissie met voorstellen te komen voor een fundamentele herziening van het regelgevingskader voor elektronische communicatie;

21.  onderstreept hoe belangrijk het is dat de in de Digitale Agenda voor Europa aangekondigde speerpuntacties worden voltooid , met bijzondere nadruk op veerkrachtige en betrouwbare infrastructuur en diensten, en op de regelgeving inzake gegevensbescherming;

22.  herinnert de Commissie eraan een evaluatie en herziening uit te voeren op de informatiemaatschappij-richtlijn (2001/29/EG(4)), om te zorgen voor voorspelbaarheid, mobiliteit en flexibiliteit op de digitale interne EU-markt, zoals het Europees Parlement heeft bepleit in zijn resolutie van 11 december 2012 inzake een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(5);

ICT’s voor werk voor jongeren

23.  benadrukt dat de verwezenlijking van een volledig operationele digitale interne markt een gecoördineerde inspanning vergt om te zorgen dat alle burgers, ongeacht hun woonplaats toegang krijgen tot het internet en de nodige vaardigheden kunnen verwerven om het te gebruiken;

24.  verwelkomt de "Grote coalitie voor ICT-banen" die in maart 2013 van start is gegaan en die voor alle belanghebbende partijen openstaat; verzoekt de Europese Commissie om deze grote coalitie snel van start te laten gaan, dit initiatief ook op lidstaatniveau te laten ontplooien en de deelnemers preferentiële toegang tot Uniemiddelen te geven om hun acties te ondersteunen;

25.  benadrukt dat de werkloosheid, met inbegrip van de jeugd- en langdurige werkloosheid, in de EU tot een onaanvaardbaar hoog peil is opgelopen, dat in de nabije toekomst waarschijnlijk ook hoog zal blijven, en dat er op alle politieke niveaus vastberaden en dringend actie moet worden ondernomen;

26.  merkt op dat er op dit moment meer dan 4 miljoen ICT'ers in de EU zijn, een aantal dat jaarlijks met 3% toeneemt, en dat er volgens de Commissie in 2015 700 000 tot 1 000 000 open ICT-vacatures van hoog niveau zullen zijn, ondanks de crisis; benadrukt dat e–vaardigheden en digitaal onderwijs dus van buitengewoon belang kunnen zijn om de stijgende werkloosheid aan te pakken, met name onder jongeren;

27.  is verheugd over de goedkeuring op Unieniveau van de jeugdgarantieregelingen om te waarborgen dat alle jonge Europeanen binnen vier maanden nadat zij hun school hebben verlaten of werkloos zijn geworden een goede baan, vervolgonderwijs of –opleiding, een leerlingenplaats of stage aangeboden krijgen; merkt echter op dat de 6 miljard euro die in het volgende meerjarig financieel kader voor het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief zijn uitgetrokken duidelijk onvoldoende zijn om dit probleem op grote schaal aan te pakken; verzoekt de Commissie en de lidstaten om deze acties zo doeltreffend mogelijk te maken door de prioriteit te leggen bij de verwerving van digitale vaardigheden; benadrukt dat digitale vaardigheden een onmisbare component moeten zijn van alle beroepsopleidingen om ervoor te zorgen dat nieuwe generaties en de generaties die al werken de vaardigheden kunnen verwerven die ze nodig hebben;

IFRS voor kmo's

28.  herinnert eraan dat de rol van het internet als platform waar elke burger een dienst of innovatief product aan elke andere burger kan aanbieden, wat banen en kmo's oplevert, naast zijn rol als platform voor sociale communicatie, in beginsel de kern uitmaakt van de digitale interne markt;

29.  benadrukt dat kmo's het hart van de EU-economie vormen en dat er meer acties nodig zijn om het concurrentievermogen van kmo's in de EU op wereldvlak te bevorderen en om het best mogelijke klimaat te scheppen voor het gebruik van nieuwe veelbelovende technologische ontwikkelingen met een grote uitwerking op het concurrentievermogen van de EU, zoals cloud computing;

30.  merkt op dat meer Europeanen, vooral jongeren, als alternatief voor een reguliere baan tegenwoordig kiezen voor het ondernemerschap, vanwege de ongekende mogelijkheden van het web, de cloud, mobiele platforms, sociale netwerken en de enorme hoeveelheden beschikbare gegevens; vraagt de Commissie en de lidstaten om een meer bedrijfsvriendelijke omgeving te ontwikkelen, met gemakkelijker toegang tot financiering (zonder dat "mislukking" bestraft wordt), markten, netwerken en vaardigheden, wat moet worden gestimuleerd met risicodelingsregelingen, risicokapitaal, gunstige fiscale behandeling en netwerkevenementen;

Digitalisering van de openbare sector

31.  benadrukt dat de digitalisering van de openbare sector voorop moet staan bij de verdere stappen van de Digitale Agenda, omdat dat niet alleen een kostenverlaging voor de overheden en een efficiëntere dienstverlening aan de burgers zou opleveren, maar ook een digitale hefboomwerking zou hebben die zeer heilzaam zou zijn voor alle sectoren van de economie;

32.  betreurt het dat nationale strategieën voor cloud computing worden gevolgd ten koste van een ambitieuze en efficiënte Europese strategie; vraagt de Europese Commissie met krachtiger voorstellen te komen en middelen te vinden die voldoende efficiënt zijn om de Europese Unie in staat te stellen een voortrekkersrol te spelen op het vlak van standaardisatie;

33.  benadrukt dat een modern openbaar bestuur een essentiële factor is voor het uitstippelen en uitvoeren van beleid ter bevordering van de werkgelegenheid, groei en concurrentievermogen; onderstreept dat het potentieel van ICT’s moet worden benut om een beter presterende en efficiëntere openbare sector te verkrijgen, met minder administratieve belasting; wijst erop dat ICT’s de hervorming van de belastinginning en volksgezondheidsstelsels kunnen versnellen, betalingsachterstanden aan leveranciers kunnen verminderen en de doelmatigheid van de rechtspraak kunnen verbeteren; meent dat met name de zorgverlening in de gezondheidszorg revolutionair kan worden verbeterd, wat een meer kostenefficiënte en persoonlijke dienstverlening aan patiënten en werkers in de zorg mogelijk maakt;

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de werkzaamheden van het Europees cloud-partnerschap op te voeren;

Financiering van ICT’s: het MFK

35.  betreurt het dat het door de Commissie voorgestelde bedrag van 9,2 miljard EUR voor ICT-investeringen in de Connecting Europe-faciliteit (CEF) voor de periode van 2014–2020 drastisch zal worden verminderd; benadrukt dat vanwege de nieuwe financiële omstandigheden investeringen uit de structuurfondsen en de fondsen voor plattelandsontwikkeling in breedbandnetwerken belangrijker zijn dan ooit en dan ook moeten worden verhoogd voor de programmeringsperiode 2007–2013;

36.  benadrukt dat de EU-middelen meer gericht moeten worden op ICT-investeringen en dat de financiering voor ICT in het volgende MFK in verhouding moet staan tot het gewicht en de economische impact van de sector; dringt erop aan dat het aandeel van de ICT-uitgaven in het totale meerjarig financieel kader meer prioriteit krijgt dan in de periode 2007-2013;

o
o   o

37.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 172, 30.6.2012, blz. 10.
(2) PB L 81, 21.3.2012, blz. 7.
(3) PB C 81 E, 15.3.2011, blz. 45.
(4) PB L 167, 22.6.2001, blz. 10.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0470.


Situatie in Syrië
PDF 116kWORD 22k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de situatie in Syrië (2013/2819(RSP))
P7_TA(2013)0378RC-B7-0413/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Syrië,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over Syrië van 23 januari, 18 februari, 11 maart, 22 april, 27 mei, 24 juni, 9 juli en 22 juli 2013; gezien de conclusies van de Europese Raad over Syrië van 8 februari 2013,

–  gezien de verklaringen die de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Catherine Ashton, heeft afgelegd op 21 augustus 2013 over de recente berichten over het gebruik van chemische wapens in Damascus, van 23 augustus 2013 over de dringende noodzaak van een politieke oplossing voor het conflict in Syrië (met daarin het uiteindelijk op 7 september 2013 overeengekomen standpunt van de EU ten aanzien van Syrië), en van 10 september 2013 over het voorstel om de chemische wapens van Syrië onder internationale controle te stellen,

–  gezien de Conventies van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen daarbij, het Protocol van Genève (bij het Verdrag van Den Haag) inzake het verbod van het gebruik tijdens oorlogshandelingen van verstikkende, giftige of andere gassen en van vormen van bacteriologische oorlogsvoering, dat op 17 juni 1925 was ondertekend in Genève, alsmede de normen die zijn vastgelegd in het Verdrag inzake chemische wapens,

–  gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat volgens de Verenigde Naties sinds het begin van het gewelddadige optreden tegen vreedzame betogers in Syrië in maart 2011 meer dan 100 000 mensen, in grote meerderheid burgers, zijn gedood; overwegende dat volgens het VN-Bureau voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden (OCHA) 4,25 miljoen mensen binnen Syrië zelf ontheemd zijn en dat ruim 2 miljoen mensen het land zijn ontvlucht, voornamelijk naar Turkije, Jordanië, Libanon, Egypte en Irak;

B.  overwegende dat op 21 augustus 2013 een grootschalige aanval met chemische wapens is uitgevoerd in buitenwijken van Damascus, wat honderden doden tot gevolg had, waaronder een groot aantal vrouwen en kinderen; overwegende dat de aanval een flagrante schending van het internationale recht, een oorlogsmisdaad en een misdaad tegen de menselijkheid vormde; overwegende dat uit informatie van een groot aantal bronnen blijkt dat deze aanval daadwerkelijk is uitgevoerd en dat er sterk bewijs is voor de verantwoordelijkheid van het Syrische bewind voor deze aanvallen;

C.  overwegende dat de Syrische regering op 25 augustus 2013, vier dagen na de chemische aanval, heeft ingestemd met een bezoek van VN-inspecteurs aan de betrokken locatie; overwegende dat secretaris-generaal Ban Ki-moon van de VN het inspectieteam met klem heeft verzocht zo spoedig mogelijk verslag te doen van zijn bevindingen; overwegende dat het VN-inspectieteam slechts een mandaat had om vast te stellen of er al dan niet chemische wapens zijn gebruikt, zonder in te gaan op de vraag wie daarvoor verantwoordelijk was;

D.  overwegende dat secretaris-generaal Ban Ki-moon van de VN op 9 september 2013 en VV/HV Catherine Ashton op 10 september 2013 verheugd reageerde op het voorstel om de chemische wapens van het Syrische regime over te dragen aan de internationale gemeenschap voor vernietiging, een voorstel dat voetstoots is overgenomen door Rusland, Iran en het Syrische regime; overwegende dat Ban Ki-moon tevens heeft gezegd dat hij overweegt er bij de Veiligheidsraad op aan te dringen dat deze wapens en de voorraden aan chemische grondstoffen onmiddellijk moeten worden overgebracht naar plaatsen in Syrië waar ze veilig kunnen worden opgeslagen en vernietigd;

1.  spreekt zijn scherpe veroordeling uit over de massamoord op burgers met chemische wapens van 21 augustus 2013, waarbij volgens westerse inlichtingendiensten ten minste 1 400 mensen om het leven zijn gekomen, waaronder 400 kinderen, en merkt daarbij op dat diverse bronnen er op lijken te wijzen dat het Syrische regime verantwoordelijk is voor deze aanval;

2.  wijst erop dat de internationale gemeenschap niet werkloos mag toezien bij dit weerzinwekkende gebruik van chemische wapens; onderstreept dat het bewezen gebruik van chemische wapens, met name tegen burgers, een flagrante schending van het internationaal recht, een oorlogsmisdrijf en een misdaad tegen de menselijkheid vormt, waarop duidelijk, krachtig, gericht en eensgezind moet worden gereageerd, waarbij ook eventuele afschrikkende maatregelen niet geschuwd mogen worden, om duidelijk te maken dat dergelijke misdaden onaanvaardbaar zijn en om verder gebruik van chemische wapens in Syrië of elders te voorkomen;

3.  is ingenomen met het door de EU overeengekomen standpunt over Syrië tijdens de informele bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU op 7 september 2013; benadrukt dat de situatie in Syrië noopt tot een samenhangende gemeenschappelijke aanpak door de lidstaten; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de situatie in Syrië in het kader van de Raad Buitenlandse Zaken verder te bespreken en na te gaan wat voor maatregelen er door de EU genomen zouden kunnen worden om de democratische krachten in de Syrische oppositie te ondersteunen, de dialoog met andere landen van de internationale gemeenschap op gang te brengen en met deze landen te werken aan een gemeenschappelijke aanpak, en verdere humanitaire hulp te verlenen aan de Syrische bevolking en in de omringende landen; beklemtoont dat de EU er vooral voor moet zorgen alle belangrijke actoren de hand te reiken en een regionaal de-escalatieproces te bevorderen;

4.  roept de VN op het grondige onderzoek naar het gebruik van chemische wapens in Syrië snel af te ronden; dringt aan op zo spoedig mogelijke doorzending van het verslag van het inspectieteam aan de VN-Veiligheidsraad zodat deze de massamoord in Syrië kan bespreken op basis van de conclusies van het VN-onderzoeksteam en kan beoordelen welke maatregelen er als antwoord op het gebruik van chemische wapens in Syrië genomen moeten worden;

5.  is ingenomen met het voorstel om het arsenaal aan chemische wapens uit Syrië ter beschikking van de internationale gemeenschap te stellen teneinde die wapens zo snel mogelijk, volgens het ultimatum van de internationale gemeenschap te vernietigen, in combinatie met een bindende resolutie van de VN–Veiligheidsraad waarin staat dat in geval van niet-naleving dit voorstel kan worden opgelegd op grond van alle instrumenten waarin het Handvest van de Verenigde Naties voorziet;

6.  is van oordeel dat de internationale gemeenschap een politieke oplossing moet zien te vinden voor de kwestie Syrië, waarmee een einde kan komen aan het geweld, verder gebruik van chemische wapens kan worden voorkomen en de weg vrijgemaakt kan worden voor een overgang naar democratie; dringt er in het bijzonder bij Rusland en China op aan om, als permanente leden van de VN-Veiligheidsraad, hun verantwoordelijkheid te nemen en mee te werken aan de vaststelling van een gemeenschappelijk standpunt en de totstandbrenging van een diplomatieke oplossing voor de crisis in Syrië, zonder voorbij te gaan aan de rol die is weggelegd voor de Algemene Vergadering van de VN die dit onderwerp over kan nemen als het hardnekkig geblokkeerd wordt in de Veiligheidsraad; is ervan overtuigd dat een duurzame oplossing van de huidige crisis in Syrië alleen kan worden bereikt via een inclusief politiek proces waarin Syrië de leiding heeft en de internationale gemeenschap steun verleent; blijft in deze geest steun verlenen aan de inspanningen van de EU en haar lidstaten en van Lakhdar Brahimi, de gezamenlijke speciale vertegenwoordiger van de VN en de Arabische Liga, die erop gericht zijn vooruitgang te boeken in het Genève II-proces en in de VN-Veiligheidsraad; herhaalt zijn oproep aan de VN-Veiligheidsraad om de situatie in Syrië door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof voor een formeel onderzoek; herhaalt de oproep aan president Assad en zijn bewind om af te treden en de weg vrij te maken voor een overgang naar democratie;

7.  drukt zijn diepe bezorgdheid uit over de voortdurende humanitaire crisis in Syrië en de gevolgen daarvan voor de buurlanden; roept de EU en haar lidstaten op hun humanitaire verantwoordelijkheden te nemen en meer hulp te verlenen aan de Syrische vluchtelingen; roept alle landen opnieuw op om de toezeggingen die zij op de donorconferentie in Koeweit op 30 januari 2013 hebben gedaan, na te komen; verzoekt alle bij het conflict betrokken partijen de verlening van humanitaire hulp en bijstand via alle mogelijke kanalen te vergemakkelijken, ook over grenzen en conflictlijnen heen, en de veiligheid van alle medische en humanitaire hulpverleners te garanderen;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en alle partijen die bij het conflict in Syrië betrokken zijn.


Situatie in Egypte
PDF 133kWORD 28k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de situatie in Egypte (2013/2820(RSP))
P7_TA(2013)0379RC-B7-0411/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Egypte,

–  gezien zijn resolutie van 23 mei 2013 over de terugvordering van activa door de landen van de Arabische Lente die in een overgangsfase verkeren(1),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 8 februari 2013 over de Arabische Lente,

–  gezien de conclusies van de Raad van 21 augustus en 22 juli 2013 over Egypte,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 18 augustus 2013 over Egypte van de voorzitter van de Europese Raad, Herman Van Rompuy, en de voorzitter van de Commissie, José Manuel Barroso,

–  gezien de opmerkingen van de hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton na de buitengewone vergadering van de Raad Buitenlandse Zaken over Egypte van 21 augustus 2013, de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger over de situatie en ontwikkelingen in Egypte van juli en augustus 2013, en de gezamenlijke verklaring van de hoge vertegenwoordiger en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, John Kerry, over Egypte van 7 augustus 2013,

–  gezien de associatieovereenkomst EU-Egypte van 2001, die in 2004 in werking is getreden en geschraagd is door het actieplan van 2007, en gezien het voortgangsverslag van de Commissie van 20 maart 2013 over de tenuitvoerlegging ervan,

–  gezien de conclusies van de covoorzitters van de vergadering van de taskforce EU-Egypte van 14 november 2012,

–  gezien het verslag van de Europese Rekenkamer over de samenwerking van de EU met Egypte op het gebied van bestuur, dat werd gepubliceerd op 18 juni 2013,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens uit 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, waarbij Egypte partij is,

–  gezien de grondwettelijke verklaring van Egypte van 8 juli 2013, dat een stappenplan voor grondwetsherziening en nieuwe verkiezingen behelst,

–  gezien het "programma voor een rechte weg naar de democratie" van de Egyptische interim-regering,

–  gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Egypte het grootste Arabische land is, een sleutelrol speelt in het zuidelijke Middellandse Zeegebied, een belangrijke handelspartner van de EU is en een aanzienlijke hoeveelheid EU-steun ontvangt; overwegende dat de politieke, economische en sociale ontwikkelingen in Egypte verstrekkende gevolgen hebben in de gehele regio en daarbuiten;

B.  overwegende dat het feit dat president Morsi en zijn regering er niet in geslaagd zijn hun economische beloften in te lossen, in te spelen op de terechte bezorgdheid van alle democratische krachten binnen de Egyptische samenleving en de overgang naar de democratie, waar de bevolking de afgelopen twee jaar naar heeft gehunkerd, te verwezenlijken, de politieke polarisering op de spits heeft gedreven en heeft geleid tot massabetogingen waarin president Morsi werd opgeroepen om af te treden, en gewelddadige confrontaties;

C.  overwegende dat op 30 juni 2013 miljoenen tegenstanders van president Morsi in Caïro en andere Egyptische steden bijeengekomen zijn om zijn aftreden te eisen; overwegende dat na deze demonstraties, op 3 juli 2013, onder leiding van het hoofd van de strijdkrachten, generaal Abdul Fattah al–Sisi, een militaire machtsovername heeft plaatsgevonden waarin president Morsi en zijn regering zijn afgezet; overwegende dat de Opperste Raad van de strijdkrachten op 4 juli 2013 de grondwet buiten werking heeft gesteld en de macht heeft overgedragen aan de president van het Constitutionele Hof in afwachting van vervroegde presidentsverkiezingen, gevolgd door parlementsverkiezingen en de vorming van een nationale coalitieregering en een commissie voor grondwetsherziening; overwegende dat Adly Mansour als president ad interim is beëdigd;

D.  overwegende dat de interim-president het Hogerhuis van het parlement heeft ontbonden, een stappenplan heeft aangekondigd voor een overgangsperiode van negen maanden, waarin de grondwet van 2012 bij referendum zal worden herzien en vastgesteld, waarna parlementaire en presidentsverkiezingen zullen worden gehouden, en een fungerend premier heeft benoemd; overwegende dat de hoogste islamitische en koptisch–christelijke autoriteiten, vooraanstaande liberale politici en de salafistische partij Nour het stappenplan voor de overgang hebben onderschreven; overwegende dat er op 1 september 2013 een nieuwe constitutionele commissie, bestaande uit vijftig deskundigen, is ingesteld, die een grondwetsherziening moet formuleren;

E.  overwegende dat voormalig president Morsi sinds 3 juli 2013 wordt vastgehouden op een onbekende locatie en de openbare klager van Egypte een proces tegen hem en 14 anderen heeft aangespannen, onder wie prominente figuren van de Moslimbroederschap, op verdenking van aanzetting tot moord en geweld; overwegende dat een groot aantal leden van de Moslimbroederschap is gearresteerd, van wie de meeste nu in afwachting van een rechtszaak zijn; overwegende dat de afgezette dictator Hosni Mubarak op 22 augustus 2013 uit de gevangenis is vrijgelaten en sindsdien onder huisarrest staat;

F.  overwegende dat aanhangers van de Moslimbroederschap sinds het ingrijpen van de strijdkrachten op diverse plaatsen in Egypte massale betogingen hebben gehouden voor de vrijlating en ambtshervatting van voormalig president Morsi; overwegende dat de betogingen door de Moslimbroederschap in veel gevallen tot gewelddadigheden en botsingen tussen burgers onderling en tussen aanhangers van de Moslimbroederschap en leger en politie hebben geleid, waarbij doden zijn gevallen; overwegende dat op 14 augustus 2013 het Egyptische leger en de Egyptische politie twee sit-ins van aanhangers van voormalig president Morsi en de Moslimbroederschap op het Rabaaplein en het Nahdaplein in Caïro hebben ontruimd, hetgeen heeft geleid tot de dood van honderden betogers en tientallen politieagenten;

G.  overwegende dat de interim-regering voor een maand de noodtoestand heeft afgekondigd en heeft aangekondigd dat er een onafhankelijke commissie van prominente personen zal worden opgericht om een onderzoek in te stellen naar het uiteenjagen van de sit-ins op het Rabaaplein en het Nahdaplein; overwegende dat regionale en Egyptische ngo’s hebben opgeroepen tot een onderzoeksmissie van de Arabische Liga om de recente gewelddaden in het land te onderzoeken; overwegende dat de EU en de internationale gemeenschap er tot nu toe niet in zijn geslaagd om een inclusieve politieke dialoog op gang te brengen, en overwegende dat het protest, het geweld en de arrestaties zijn blijven voortduren;

H.  overwegende dat na de gewelddadige ontruiming van de sit-ins, sektarisch geweld tegen Egyptische christenen gebruikt is met tragische gevolgen, met name door aanhangers van de Moslimbroederschap; overwegende dat de Egyptische veiligheidstroepen ervan beschuldigd zijn kerken en koptische gemeenschappen niet tegen voorspelbare represailles te hebben beschermd;

I.  overwegende dat terroristische daden en gewelddadige aanvallen tegen veiligheidstroepen in de Sinaï hand over hand toenemen, wat onder andere heeft geleid tot de moord op 25 politieagenten buiten diensttijd in de Noordelijke Sinaï op 19 augustus 2013; overwegende dat de Egyptische minister van Binnenlandse Zaken, Mohammed Ibrahim, op 5 september 2013 het doelwit van een bomaanslag in Caïro was;

J.  overwegende dat de interim-regering heeft verklaard dat nationale verzoening en de rechtsstaat de hoogste prioriteit hebben bij haar optreden;

K.  overwegende dat Egypte met steeds ernstiger economische problemen kampt; overwegende dat voor de welvaart in het land politieke stabiliteit, een gedegen economisch beleid, maatregelen voor corruptiebestrijding en internationale steun nodig zijn; overwegende dat sociale rechtvaardigheid en een hogere levensstandaard voor de burgers cruciale elementen zijn in de overgang naar een open, stabiel, democratisch, vrij en welvarend Egypte;

L.  overwegende dat onafhankelijke vakbonden en maatschappelijke organisaties een wezenlijke rol moeten spelen in deze kritieke periode van politieke en maatschappelijke overgang in Egypte; overwegende dat vrije, onafhankelijke media in een echte democratie een essentieel onderdeel van de maatschappij vormen; overwegende dat fysiek geweld en intimidatie tegen journalisten zijn toegenomen in Egypte, terwijl een rechtbank in Caïro op 3 september 2013 opdracht gaf tot de sluiting van vier televisiezenders in het beheer van of gelieerd aan de Moslimbroeders, omdat die zenders illegaal zouden functioneren; overwegende dat veiligheidstroepen de afgelopen zes weken de kantoren van verscheidene televisiekanalen zijn binnengevallen;

M.  overwegende dat de Egyptische vrouwen zich in deze periode van aanhoudende politieke crisis in een bijzonder kwetsbare situatie bevinden; overwegende dat de vrouwelijke betogers vaak het slachtoffer zijn van geweld, seksueel misbruik en andere vormen van vernederende behandeling, terwijl vrouwenrechtenactivisten worden bedreigd en geïntimideerd;

N.  overwegende dat Egypte tussen 2007 en 2012 ongeveer 1 miljard euro aan EU-steun heeft ontvangen, dat de EU nog eens 5 miljard euro aan steun heeft vastgelegd en dat deze middelen pas volledig beschikbaar zullen komen wanneer voldaan is aan bepaalde voorwaarden, die gekoppeld zijn aan de voorwaarden van het IMF;

O.  overwegende dat de Raad Buitenlandse Zaken in zijn conclusies over Egypte van 21 augustus 2013 de hoge vertegenwoordiger heeft verzocht om in samenwerking met de Commissie het vraagstuk van EU-bijstand aan Egypte op grond van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument en de associatieovereenkomst te herzien, uitgaande van de toezegging van Egypte om de onderliggende beginselen na te leven; overwegende dat de lidstaten hebben besloten de vergunningen voor de uitvoer naar Egypte van uitrusting die voor binnenlandse repressie kan worden gebruikt, op te schorten, de vergunningen voor de uitvoer van andere militaire uitrusting opnieuw te beoordelen en hun bijstand aan Egypte op veiligheidsgebied opnieuw te bekijken;

P.  overwegende dat het niveau en de intensiteit van de betrokkenheid van de EU bij Egypte conform het herziene Europese nabuurschapsbeleid, en met name als gevolg van de "meer voor meer"-strategie op stimulansen zijn gebaseerd en daarom afhangen van de vooruitgang die het land boekt bij het nakomen van zijn verplichtingen, onder andere met betrekking tot de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en gendergelijkheid;

1.  spreekt zijn oprechte solidariteit uit met de Egyptische bevolking en betuigt zijn diepe medeleven met de families van de slachtoffers van de recente botsingen en uitingen van geweld; dringt er bij de Egyptische autoriteiten op aan dat er een gerechtelijke commissie wordt ingesteld die een onafhankelijk onderzoek zal instellen naar alle moordpartijen, zoals de Egyptische president op 8 juli 2013 heeft beloofd;

2.  veroordeelt het buitensporige gebruik van geweld door Egyptische veiligheidstroepen en het tragische verlies van mensenlevens bij de ontmanteling van de kampementen van Rabaa en Nahda; verzoekt de Egyptische regering met klem erop toe te zien dat de veiligheidstroepen adequate interne controles instellen zodat de verantwoordelijkheid voor het buitensporige gebruik van geweld kan worden vastgesteld en de verantwoordelijken berecht kunnen worden;

3.  betreurt tegelijkertijd dat de leiders van de Moslimbroederschap hun politieke achterban niet duidelijk hebben opgedragen af te zien van alle vormen van geweld tegen medeburgers, het leger en de politie; betreurt dat de leiding van de Moslimbroederschap niets heeft ondernomen om deze aanvallen te voorkomen en stop te zetten, en daar pas veel later haar veroordeling over heeft uitgesproken; dringt er bij de leiders van de Moslimbroederschap op aan dat zij in de toekomst afzien van het oproepen tot en het verheerlijken van geweld, en is voorstander van het aanspannen van processen tegen de leiders die hebben opgeroepen tot geweld;

4.  veroordeelt alle vormen van terrorisme, opruiing en geweld en alle uitingen van haat; verzoekt alle politieke spelers en veiligheidstroepen om met uiterste terughoudendheid op te treden en provocaties te vermijden, om verder geweld te voorkomen in de beste belangen van het land; herinnert de interim-president, de interim-regering en het Egyptische leger aan hun verplichting om de veiligheid van alle burgers in het land te waarborgen, ongeacht hun politieke standpunten en overtuiging; is ernstig bezorgd over de gemelde arrestatie van tientallen kinderen in het kader van het hardhandige optreden tegen aanhangers van de Moslimbroederschap, en verzoekt om hun onmiddellijke vrijlating;

5.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de politieke ontwikkelingen in Egypte; verzoekt de Egyptische autoriteiten, teneinde de noodzakelijke voorwaarden te creëren voor een inclusief politiek proces, de noodtoestand zo spoedig mogelijk op te heffen, alle politieke gevangenen vrij te laten, met inbegrip van de afgezette voormalige president Morsi, en de gedetineerden te behandelen in overeenstemming met de internationale afspraken;

6.  beklemtoont dat de macht ten spoedigste aan een democratisch gekozen burgerbestuur moet worden overgedragen; betuigt zijn fundamentele solidariteit met alle Egyptenaren die voor hun land democratische aspiraties en waarden koesteren, en dringt aan op een spoedige hervatting van het democratisch proces, met inbegrip van vrije en eerlijke presidents- en parlementsverkiezingen via een alomvattend proces met deelneming van alle democratische krachten, en op de nodige economische en bestuurlijke hervormingen; verzoekt de Moslimbroederschap met klem bij te dragen aan het verzoeningsproces; is van mening dat elk verbod, elke uitsluiting of vervolging gericht tegen een democratische politieke kracht of speler in Egypte een herhaling zou vormen van de reeds begane misstappen en het radicalisme alleen maar verder in de hand zou werken;

7.  spreekt zijn steun uit voor het proces van de herformulering en de herziening van de grondwet en onderstreept dat dit de grondslag moet leggen voor een echt democratisch nieuw Egypte, om waarborgen te bieden voor de grondrechten en de fundamentele vrijheden, met inbegrip van godsdienstvrijheid, voor alle burgers – mannen zowel als vrouwen – van het land, door wederzijdse tolerantie en vreedzame co-existentie van de verschillende geloofsgemeenschappen te bevorderen en de bescherming van minderheden, de vrijheid van vereniging en de persvrijheid te waarborgen; is er stellig van overtuigd dat alle componenten van het Egyptische politieke spectrum, inclusief de gematigde elementen van de Moslimbroederschap en een adequate vertegenwoordiging van vrouwen, bij het overleg over de grondwetsherziening moeten worden betrokken en dat deze fase moet worden gevolgd door een referendum over een nieuwe, pluralistische grondwet en door vrije en eerlijke presidents- en parlementsverkiezingen;

8.  dringt erop aan dat onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan alle gewelddadigheden, seksueel misbruik, en andere vernederende behandelingen jegens vrouwelijke betogers en vrouwenrechtenactivisten, dat een serieus en onafhankelijk onderzoek naar al deze zaken wordt ingesteld en dat de verantwoordelijken worden berecht;

9.  veroordeelt het geweld tegen de koptische gemeenschap en de verwoesting van een groot aantal kerken, gemeenschapshuizen en bedrijven overal in het land; spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de autoriteiten geen adequate veiligheidsmaatregelen hebben genomen om de koptische gemeenschap te beschermen, ondanks vele waarschuwingen; wijst op het historische pluralisme van de Egyptische samenleving en de eeuwenoude traditie van de Egyptische koptische gemeenschap; verzoekt de Egyptische regering de koptische gemeenschap op alle mogelijke manieren te ondersteunen opdat de kopten een belangrijk element kunnen blijven vormen van de Egyptische maatschappelijke en economische structuur en zij snel weer vreedzaam met de andere gemeenschappen van het land kunnen samenleven;

10.  benadrukt nogmaals het belang van de deelname van het maatschappelijk middenveld, de vakbonden en de media aan de totstandbrenging van een diepgewortelde en duurzame democratie in Egypte; verzoekt de interim-regering te waarborgen dat binnenlandse en internationale maatschappelijke organisaties, onafhankelijke vakbonden en journalisten vrijelijk hun werk kunnen doen in het land, zonder inmenging van de regering; verzoekt de Egyptische autoriteiten ervoor te zorgen dat het comité dat belast is met het opstellen van een nieuwe wet op ngo's, een voorstel indient dat in overeenstemming is met de internationale normen; onderschrijft het besluit van de Raad Buitenlandse Zaken van 21 augustus 2013 om, gezien de negatieve impact van de economische situatie op de meest kwetsbare groepen in de Egyptische samenleving, de EU-steun op sociaaleconomisch gebied en de ondersteuning van het maatschappelijk middenveld voort te zetten;

11.  is ingenomen met de aanbeveling van de Egyptische Nationale Raad voor de mensenrechten om een regionaal kantoor van de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten in Caïro te openen, en verzoekt de Egyptische regering met klem de opening van dit kantoor goed te keuren;

12.  dringt er bij de Unie op aan in haar bilaterale betrekkingen met en bij haar financiële steun aan Egypte rekening te houden met zowel het conditionaliteitsbeginsel ("meer voor meer") als de grote economische uitdaging waar het land voor staat; pleit in dit kader voor duidelijk en gezamenlijk overeengekomen criteria; is ingenomen met het onlangs genomen besluit van de Raad Buitenlandse Zaken om de vergunningen voor de uitvoer naar Egypte van uitrusting die voor binnenlandse repressie kan worden gebruikt, op te schorten, de vergunningen voor de uitvoer van andere militaire uitrusting opnieuw te beoordelen en de bijstand aan Egypte op veiligheidsgebied opnieuw te bekijken;

13.  herhaalt zijn belofte om het Egyptische volk te ondersteunen bij het proces van democratische en economische hervormingen; is verheugd over en ondersteunt de bemiddelingsinspanningen van de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter Catherine Ashton en speciaal vertegenwoordiger Bernardino León met als doel de verschillende partijen een weg te laten vinden uit de huidige politieke crisis;

14.  neemt kennis van de conclusies van het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van 18 juni 2013 over EU-samenwerking met Egypte op het gebied van bestuur, en pleit voor maatregelen om te zorgen voor meer transparantie en democratische controle wat betreft de manier waarop EU–financiering in Egypte wordt ingezet, met bijzondere aandacht voor projecten gericht op het maatschappelijk middenveld en de bescherming van minderheden en vrouwenrechten;

15.  herhaalt zijn oproep tot de onmiddellijke invoering van een EU-mechanisme voor juridische en technische bijstand aan de landen van de Arabische Lente bij de terugvordering van activa, zoals vermeld in zijn resolutie van 23 mei 2013, maar die werd uitgesteld vanwege de onrust in Egypte; benadrukt nogmaals dat de EU de morele verplichting heeft de teruggave van activa die waren gestolen door voormalige dictators en hun regimes, te ondersteunen; is van mening dat de terugvordering van activa een vraagstuk met een sterk politieke lading is vanwege de symbolische waarde ervan, en een belangrijke bijdrage kan leveren aan het herstel van de verantwoordingsplicht, de stabiliteit van het land en de opbouw van solide instellingen in de geest van de democratie en de rechtsstaat in de betrokken partnerlanden;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering van de Arabische Republiek Egypte.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0224.


Maritieme dimensie van het gemeenschappelijk veiligheids-en defensiebeleid
PDF 186kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de maritieme dimensie van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (2012/2318(INI))
P7_TA(2013)0380A7-0220/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de artikelen 42, 43 en 45,

–  gezien artikel 222 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 194 van het VWEU,

–  gezien de Europese veiligheidsstrategie (EVS) getiteld "Een veilig Europa in een betere wereld", die op 12 december 2003 door de Europese Raad is aangenomen, en gezien het verslag over de tenuitvoerlegging van de EVS getiteld "Veiligheid in een veranderende wereld", dat op 11-12 december 2008 door de Europese Raad is aangenomen,

–  gezien het Europees geïntegreerd maritiem beleid van 2007 (COM(2007)0575) en het voortgangsverslag van 2012 (COM(2012)0491),

–  gezien de verklaring van de Europese ministers die belast zijn met het geïntegreerd maritiem beleid en de Europese Commissie van 7 oktober 2012 over een mariene en maritieme agenda voor groei en werkgelegenheid, de "Verklaring van Limassol",

–  gezien de conclusies van de Raad over de maritieme veiligheidsstrategie van 26 april 2010,

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2013 over een EU-strategie voor de Hoorn van Afrika(1),

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (United Nations Convention on the Law of the Sea, UNCLOS) van 10 december 1982,

–  gezien het gezamenlijk voorstel voor een Besluit van de Raad inzake de regelingen voor de toepassing van de solidariteitsclausule van de Unie van 21 december 2012(2),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 7 juni 2006 getiteld "Naar een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën" (COM(2006)0275),

–  gezien zijn resolutie van 20 januari 2011 over een duurzaam EU-beleid voor het hoge noorden(3) en de gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2012 over de ontwikkeling van een EU-beleid ten opzichte van het Noordpoolgebied: vooruitgang sedert 2008 en volgende stappen(4),

–  gezien de Gedragscode van 2012 van het Europees Defensieagentschap (EDA) inzake bundelen en delen,

–  gezien de door de NAVO op 18 maart 2011 aangenomen maritieme strategie voor de Alliantie,

–  gezien het Gemeenschappelijk Optreden van de Raad van 2008 inzake de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (Atalanta)(5),

–  gezien het Besluit van de Raad van 2012 betreffende de missie van de Europese Unie voor de opbouw van regionale maritieme capaciteit in de Hoorn van Afrika (EUCAP Nestor)(6),

–  gezien zijn resolutie van 23 november 2010 over civiel-militaire samenwerking en de ontwikkeling van civiel-militaire capaciteiten(7),

–  gezien de conclusies van de Raad over de Hoorn van Afrika van 14 november 2011 en met name het strategische kader in de bijlage bij die conclusies,

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(8),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2013(9) over de betrekkingen tussen de EU en China,

–  gezien zijn resoluties van 23 oktober 2008 over zeepiraterij(10) en van 10 mei 2012 over piraterij op zee(11),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0220/2013),

A.  overwegende dat de EU-lidstaten goed zijn voor meer dan 90 000 km kust grenzend aan twee oceanen en vier zeeën en ze daarnaast eveneens over overzeese gebieden en nationale veiligheidsinstallaties in andere oceanen beschikken; overwegende dat de EU-lidstaten instaan voor de controle, beveiliging en veiligheid van de Europese kustwateren, territoriale wateren, exclusieve economische zones (EEZ), het Europees continentaal plat, alsook de Europese maritieme infrastructuur en mariene hulpbronnen; overwegende dat de lidstaten de voornaamste verschaffer van veiligheid moeten zijn voor zeevarenden op schepen die onder hun vlag varen en dat zij bescherming moeten bieden aan hun burgers; overwegende dat het onvermogen van lidstaten om hun maritieme ruimte te controleren gevolgen heeft tot ver buiten hun kustgebieden en maritieme zones;

B.  overwegende dat de maritieme grenzen van de lidstaten de buitengrenzen van de Europese Unie vormen;

C.  overwegende dat maritieme ruimten open, uitgestrekt en onbegrensd zijn, en uitsluitend worden afgebakend door juridische maritieme grenzen; overwegende dat het moeilijk is toezicht te houden op maritieme ruimten, des te meer daar het internationaal maritieme recht in de eerste plaats tot doel heeft de handel te faciliteren en het vrije verkeer te waarborgen;

D.  overwegende dat 90% van de buitenlandse handel van de EU en 40% van de binnenlandse handel over zee wordt vervoerd; overwegende dat de EU de voornaamste speler in de zeescheepvaart ter wereld is, waarbij Europese reders 30% van de vaartuigen en 35% van de wereldwijde scheepstonnage in handen hebben – onder andere 55% van de containerschepen en 35% van de tankschepen, hetgeen overeenkomt met 42% van de waarde van de wereldwijde handel over zee; overwegende dat de EU-lidstaten samen 's werelds grootste EEZ vormen (ongeveer 25 miljoen vierkante kilometer);

E.  overwegende dat een Europese maritieme strategie in de allereerste plaats moet bijdragen aan de basisbeginselen die zijn vastgelegd in artikel 21 VWEU zoals democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit, alsook de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht; overwegende dat de lidstaten de plicht hebben te trachten het internationaal recht, en met name het UNCLOS, af te dwingen en te versterken, alsook om de doorstroming op de zeerouten en het behoud van de gemeenschappelijke natuurlijke rijkdommen en van handels- en milieubelangen te waarborgen;

F.  overwegende dat het belang van wereldwijde maritieme stromen voor de Unie als gevolg van de economische groei, de globalisering en groeiende mondiale onderlinge afhankelijkheid exponentieel is toegenomen; overwegende dat het geostrategische maritieme evenwicht snel verandert en dat opkomende machten technologieën en -strategieën toepassen voor het weigeren van toegang – waarbij zij de toegang voor Amerika en Europa aan banden leggen – om zichzelf zo op de kaart van regionale en wereldwijde maritieme gebieden te zetten; overwegende dat een meer ingewikkelde en verspreide maritieme veiligheidsomgeving waarin internationale verdragen los en wisselend worden toegepast, een belemmering vormt voor doeltreffend multilateralisme en internationale samenwerking op het gebied van de scheepvaartregulering; overwegende dat het in het belang van de EU is om niet alleen de maritieme veiligheid van de wateren voor de eigen kusten te waarborgen, maar tevens van de oceanen en zeeën wereldwijd;

G.  overwegende dat verschillende factoren zoals armoede, gebrekkige ontwikkeling, zwak staatstoezicht, slechte wetshandhaving en de kwetsbaarheid van zeerouten de verspreiding van uiteenlopende soorten bedreigingen voor de maritieme veiligheid in de hand werken; overwegende dat deze bedreigingen kunnen worden veroorzaakt door zowel staten die er belang bij hebben de maritieme verkeersstromen te verstoren als door de illegale activiteiten van niet-overheidsactoren, zoals transnationale misdaden (bijv. wapen- of drugssmokkel), internationaal terrorisme of piraterij, die de zwakten van een gefragmenteerd lokaal, regionaal en mondiaal zeebeheerssysteem uitbuiten; overwegende dat het aantal legale en illegale activiteiten op zee en de complexiteit ervan zijn toegenomen als gevolg van deze verveelvoudiging van op zee aanwezige actoren, en dat het daardoor steeds moeilijker is om legale activiteiten te onderscheiden van illegale activiteiten; overwegende dat dit druk legt op de EU om te investeren in een alomvattende aanpak waarmee het hoofd kan worden geboden aan complexe transnationale uitdagingen die geen enkele lidstaat alleen aankan;

H.  overwegende dat de mondiale visie op marinecapaciteit en machtsprojectie snel verandert en dat opkomende en gevestigde machten de UNCLOS-beginselen steeds meer betwisten en steeds minder bereid zijn zich te onderwerpen aan internationale arbitrage en reglementering; overwegende dat meer bepaald China zijn parelsnoerbeleid voortzet en tracht zijn aanwezigheid op zee om uiteenlopende uitgesproken en onuitgesproken redenen – gaande van de beveiliging van handels- en energieroutes tot de controle op mariene hulpbronnen en essentiële maritieme infrastructuur – te verhogen en uit te breiden, en het daarmee in botsing komt met de maritieme belangen van nagenoeg al zijn buurlanden in de Zuid- en de Oost-Chinese Zee;

I.  overwegende dat de EU en alle lidstaten partij zijn bij UNCLOS en het verdrag daardoor deel uitmaakt van het acquis communautaire;

J.  overwegende dat de EU als mondiale speler veiligheidsuitdagingen en mogelijke autonome antwoorden daarop in overweging moet nemen, met name wat betreft de nabije gebieden rond de Middellandse Zee, de Hoorn van Afrika en de westelijke Atlantische Oceaan tot de Stille Oceaan, via het oosten en het westen en van het Noordpoolgebied tot het Zuidpoolgebied;

K.  overwegende dat er steeds meer illegale maritieme niet-overheidsactoren opkomen en dat die een bedreiging vormen voor cruciale zeeroutes en -infrastructuur en de zwakten van landen en hun rechtsgebieden uitbuiten;

L.  overwegende dat de strijd tegen dergelijke niet-conventionele bedreigingen vaak in een uitdagende en gevaarlijke omgeving plaatsvindt, wat om zowel civiele als militaire middelen vraagt; overwegende dat het GVDB, dat zowel een civiele als een militaire vleugel omvat, een geschikt kader is voor het tegengaan van ernstige bedreigingen op zee en aan de kust;

M.  overwegende dat de EU de wereldwijde maritieme veiligheid niet in haar eentje kan waarborgen; overwegende dat de EU sterke partnerschappen dient aan te gaan met derde landen en regionale organisaties, in het bijzonder in afgelegen gebieden, zoals Azië, waar de EU moeilijker eigen middelen kan inzetten;

N.  overwegende dat de Europese veiligheidsstrategie geen specifieke verwijzing naar de maritieme dimensie bevat (met uitzondering van piraterij, die als een bedreiging voor de EU wordt aangemerkt); overwegende dat het Europees geïntegreerd maritiem beleid weliswaar op maritieme kwesties is gericht, maar nauwelijks ingaat op de veiligheidsdimensie, en dat een gebied dat steeds meer een bron van zorgen van de EU is, zo buiten beschouwing wordt gelaten; overwegende dat de EU-aanpak van de maritieme beveiliging moet worden herzien, in het bijzonder door een Europese maritieme veiligheidsstrategie op poten te zetten waarin duidelijk wordt hoe het geïntegreerd maritiem beleid zou moeten bijdragen aan de tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie; overwegende dat deze Europese maritieme veiligheidsstrategie (EMVS) de veiligheidsbelangen van de EU en de strategische doelstellingen op dat vlak moet definiëren alsook een uiteenzetting moet geven van de doelstellingen, risico's, beschikbare en benodigde interventiemiddelen en mogelijke terreinen;

O.  overwegende dat de EMVS noodzakelijk is voor een globale benadering van de belangen, risico's en kansen van de Unie op zee, inclusief de bescherming van Europese burgers en hun bezittingen; overwegende dat deze strategie, die Europese waarden en beginselen moet bevorderen, vooruitziend en proactief moet zijn, alle relevante instellingen en civiele en militaire spelers moet mobiliseren, en vooral moet benadrukken dat de EU-lidstaten het zich niet langer kunnen veroorloven om marinecapaciteit te ontwikkelen en te onderhouden met het loutere doel deze uitsluitend in te zetten voor potentieel hoogintensieve operaties;

P.  overwegende dat conflicten en instabiliteit van invloed zijn op het belang van de EU bij open maritieme stromen en veilige toegang, en om meer inzicht vragen in het verband tussen menselijke veiligheid, staatsbestuur en ontwikkeling; overwegende dat de EU-strategie voor de Hoorn van Afrika daarom als voorbeeld moet dienen voor een integrale aanpak waarbij gebruik wordt gemaakt van de politieke, diplomatieke, sociale en economische instrumenten van de EU; overwegende dat deze integrale aanpak de kern moet vormen van de EMVS en dat er coördinatie nodig is tussen de verschillende EU-initiatieven, -agentschappen en ‑instrumenten, om de onderliggende oorzaken van instabiliteit aan te pakken, conflicten te helpen oplossen, vrede te versterken en bijstand te verlenen op het gebied van staatsopbouw, bestuur en ontwikkeling; overwegende dat deze coördinatie onder meer moet zijn gericht op een hervorming van de beveiligingssector, de continuïteit van de energievoorziening, de beveiliging van zee- en andere handel en vervoer, de bescherming van de visserij en het milieu en de effecten van de klimaatverandering;

Algemene opmerkingen over de toekomstige Europese maritieme veiligheidsstrategie

1.  is sterk van mening dat de EU vitaal belang heeft bij een veilige, open en schone maritieme omgeving waarin de vrije doorgang van handel en personen en het vreedzaam, legaal, billijk en duurzaam gebruik van de rijkdommen van de oceanen mogelijk is; gelooft dat maritieme stromen de levenslijn van de Europese handel vormen en kanalen van de Europese welvaart en invloed zijn; is van oordeel dat de EU en de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van de Europese burgers en de bevordering van de beginselen van artikel 21 VWEU, en dat zowel het civiele als militaire institutioneel kader van de EU daarom verder moet worden ontwikkeld om te voorzien in de doelstellingen, middelen en capaciteiten die nodig zijn om deze taak te vervullen;

2.  herinnert de lidstaten eraan dat de EU alleen in een geest van engagement, wederzijds begrip en werkelijke solidariteit erin kan slagen haar rol zoals omschreven in het Verdrag van Lissabon te vervullen en haar ambitie als verschaffer van mondiale veiligheid waar te maken; herinnert er in dit verband aan dat door artikel 42, lid 7, VEU ("clausule inzake wederzijdse defensie"), artikel 222 VWEU ("solidariteitsclausule"), en artikel 42, lid 6, VEU ("permanente gestructureerde samenwerking") die door het Verdrag van Lissabon werden ingevoerd, wordt voorzien in het institutioneel kader voor de daadwerkelijke solidariteit tussen alle lidstaten op het vlak van veiligheid en defensie van de Unie; herinnert eraan dat deze instrumenten nog moeten worden ingevoerd; looft met name de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) voor het gezamenlijk voorstel voor een Besluit inzake de regelingen voor de toepassing van de solidariteitsclausule van de Unie en nodigt hen uit na te gaan wat dit inhoudt als de clausule wordt geactiveerd om uitdagingen op zee of met betrekking tot maritieme capaciteit of infrastructuur aan te pakken; dringt er bij de Raad op aan dit voorstel spoedig goed te keuren;

3.  benadrukt dat het UNCLOS het juridisch kader biedt voor alle soorten activiteiten op zee en dat het een leidraad kan vormen voor een vreedzame beslechting van maritieme geschillen; verzoekt om die reden de EU en haar lidstaten zich in te zetten voor de universaliteit van dit verdrag en zich hard te maken voor de noodzakelijke uniforme en consistente uitvoering van de bepalingen daarvan;

4.  erkent dat de EU reeds over een aantal van de noodzakelijke middelen en instrumenten beschikt om de wereldwijde uitdagingen inzake maritieme veiligheid aan te gaan en in de behoefte aan een veilige en stabiele omgeving te voorzien, via de EDEO en de Commissie, de financiële instrumenten, ontwikkelingssamenwerking, humanitaire steun, crisisbeheer, handelssamenwerking en andere toepasselijke instrumenten voor optreden; merkt evenwel op dat het leeuwendeel van de technische en materiële activa in handen is van de lidstaten en dat hun bereidheid tot nadere samenwerking van cruciaal belang is voor de toekomst van de Europees maritieme veiligheid;

5.  merkt echter op dat er behoefte is aan een Europese maritieme veiligheidsstrategie om te zorgen voor een geïntegreerde en alomvattende aanpak, die met name gericht is op bedreigingen, risico's, uitdagingen en kansen op zee; wijst erop dat met de EMVS, die op Europese waarden en beginselen is gebaseerd, synergieën en gemeenschappelijke antwoorden moeten worden ontwikkeld waarbij alle toepasselijke instellingen en actoren worden gemobiliseerd, zowel civiele als militaire; meent dat in de EMVS alle mogelijke bedreigingen moeten worden geïdentificeerd, van de conventionele bedreigingen van de veiligheid tot de bedreigingen door natuurrampen en klimaatverandering, van bedreigingen met betrekking tot de bescherming van vitale mariene hulpbronnen tot bedreigingen die de veiligheid van maritieme infrastructuur en handelsstromen treffen; is van oordeel dat hierin eveneens de specifieke middelen en capaciteiten moeten worden geïdentificeerd die noodzakelijk zijn om alle uitdagingen aan te pakken, onder andere inlichtingen, observatie en patrouilles, opsporing en redding, zeetransport, de evacuatie van de EU-burgers en personen van een andere nationaliteit uit crisiszones, de handhaving van embargo's en bijstand aan elke missie en operatie binnen het kader van het GVDB;

6.  nodigt de hoge vertegenwoordiger, de Commissie en de Raad uit een EMVS uit te werken die gericht is op de verbinding en coördinatie tussen alle Europese actoren en lidstaten die van belang zijn voor de maritieme beveiliging; dringt er dan ook bij de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV/VV) op aan een oplossing te vinden voor de tekortkomingen van het geïntegreerd maritiem beleid van 2007 – dat geen veiligheidsdimensie omvat – en voor de beperkingen van de Europese veiligheidsstrategie, waarin niet wordt ingegaan op de bedreigingen en risico's voor de maritieme veiligheid; is van oordeel dat het niveau van de ambitie, middelen en capaciteiten van de EMVS moet worden vastgelegd in de Europese veiligheidsstrategie en het geïntegreerd maritiem beleid en moet worden geleid door de noodzaak op te treden als een verschaffer van mondiale veiligheid om wereldwijd te zorgen voor vrije maritieme stromen en toegang tot de open zee; onderstreept dat het reguleren van maritieme veiligheid op de korte, middellange en lange termijn van invloed zal zijn op bijna alle overige componenten van de Europese veiligheid en welvaart;

7.  verzoekt de lidstaten om met het oog op de vaststelling en ontwikkeling van nieuwe capaciteiten actief met de EDEO en de Commissie samen te werken en ze nauwgezet te ondersteunen bij de uitwerking van de nieuwe EMVS, met het oog op een efficiënt gebruik van hun uiteenlopende activa en op de vaststelling en creatie van nieuwe capaciteiten via bundeling en deling ; is voorts van mening dat de nieuwe strategie ook gemeenschappelijke bilaterale of multilaterale initiatieven tot oprichting van strijdmachten moet omvatten, zoals de Frans-Britse verklaring van 2 november 2010;

8.  onderstreept dat een geïntegreerde maritieme aanpak als deze, waarin militaire en civiele instrumenten worden gecombineerd en interne en externe veiligheidsaspecten worden opgenomen, in sommige lidstaten al op nationaal niveau vorm krijgt en ook bilateraal wordt toegepast tussen bepaalde lidstaten, en daarom op EU-niveau moet worden versterkt; benadrukt de rol die scheepvaartlanden kunnen en moeten spelen om een positieve regionale maritieme integratie te bevorderen; benadrukt dat initiatieven voor een regionale maritieme integratie tot het bundelen en delen van cruciale marinecapaciteit kunnen en moeten leiden om aan de capaciteitsbehoeften van de EU te voldoen;

Mogelijke risico's

9.  onderkent dat het toenemende zeeverkeer en de ontwikkeling van activiteiten offshore en aan de kust een uitdaging vormen voor de maritieme veiligheid, omdat er daardoor steeds moeilijker een onderscheid kan worden gemaakt tussen legale en illegale activiteiten op zee;

10.  merkt op dat de EU blootstaat aan conventionele veiligheidsbedreigingen en dat met name sinds de opkomst van nieuwe zeemachten een grotere kans bestaat op conflicten tussen staten over het eigendom van maritieme gebieden (geschillen over rechtsbevoegdheid, territoriale aanspraken, verkennings- en exploitatievergunningen in diepzeezones); merkt bovendien op dat ontwikkelingslanden hun maritieme capaciteiten hebben uitgebouwd (marines, onderzeeërs) en tegelijkertijd vaak internationale maritieme rechtsbeginselen ter discussie stellen;

11.  waarschuwt voor de onwettige ontginning van belangrijke natuurlijke hulpbronnen en mineralen in wateren van de EU-lidstaten of naburige zeeën; merkt op dat de ongecontroleerde wedloop om mariene, natuurlijke en minerale hulpbronnen schadelijke gevolgen kan hebben voor het mariene ecosysteem, en dat activiteiten op zee daardoor grotere milieueffecten hebben; herinnert eraan dat de exploitatie van mariene hulpbronnen ook kan leiden tot een onwenselijke militarisering van maritieme zones; onderstreept echter het recht van elke lidstaat om zijn mariene natuurlijke hulpbronnen te verkennen en te exploiteren op een wijze die in overeenstemming is met het internationaal recht en de milieuwetgeving;

12.  merkt op dat de EU sterke partnerschappen met derde landen en regionale organisaties moet opbouwen om de veiligheid en stabiliteit van de handel en de exploitatie van hulpbronnen veilig te stellen; wijst op het feit dat de EU dankzij een sterke maritieme dimensie van het GVDB waar nodig als een doeltreffende internationale bemiddelaar zou kunnen optreden;

13.  waarschuwt voor het feit dat een van de grootste dreigingen voor de maritieme veiligheid van deze tijd uitgaat van staten die niet willen samenwerken met de internationale gemeenschap en de internationale verdragen en normen niet willen naleven en tegelijkertijd dusdanig gelegen zijn en over dusdanige technologische en militaire capaciteiten beschikken dat zij handelsroutes kunnen blokkeren; is van mening dat de EDEO en de VV/HV alle diplomatieke middelen moeten inzetten om deze staten tot dialoog en samenwerking te bewegen;

14.  merkt op dat hoewel militaire confrontaties tussen staten niet geheel kunnen worden uitgesloten, de directe en indirecte veiligheidsrisico's voor de EU vooral afkomstig zijn van niet-conventionele bedreigingen die voortvloeien uit de moeizame handhaving van de wetgeving in zee- en kustgebieden en meer in het algemeen uit het falen of de zwakte van de overheid of het ontbreken van overheidscontrole;

15.  merkt op dat de wereldwijde opkomst van terrorisme op zee een van de grootste bedreigingen vormt voor de maritieme veiligheid van de EU en dat deze vorm van terrorisme een rechtstreekse bedreiging vormt voor civiele en militaire vaartuigen, havenfaciliteiten en energie-installaties van de EU, en de zee hierbij wordt benut voor aanvallen op en infiltratie van doelen op het land; merkt op dat deze actoren in contact zijn met transnationale georganiseerde criminele netwerken die betrokken zijn bij illegale activiteiten op zee, zoals smokkel, mensenhandel, illegale immigratie en de handel in drugs en wapens, waaronder handvuurwapens, lichte wapens en componenten voor massavernietigingswapens; benadrukt dat illegale activiteiten de politieke en humanitaire crises verergeren, de sociale en economische ontwikkeling, de democratie en de rechtsstaat belemmeren en ontbering, migratie, ontheemding in eigen land en enorm menselijk leed veroorzaken;

16.  maakt zich zorgen over het toenemend aantal bewijzen dat terroristische netwerken en niet-overheidsactoren verfijnde maritieme capaciteiten – waaronder onderzeese capaciteiten – en radar- en detectietechnologieën verwerven, toegang hebben tot logistieke gegevens van de internationale scheepvaartsector, en in staat zijn om zeemijnen te leggen en geïmproviseerde explosieven in zee te plaatsen, wat hun risicopotentieel en kansen om aan controles te ontkomen aanzienlijk verhoogt, en wat duidt op een uitbreiding van hun activiteiten in de nabijheid van Europa, meer bepaald aan beide zijden van de zuidelijke Atlantische Oceaan;

17.  is van mening dat het voortduren van bevroren conflicten in de nabijheid van verschillende maritieme gebieden, zoals de zuidelijke Kaukasus, de zuidoostelijke Middellandse Zee of de Zee van Japan, een van de belangrijkste bronnen van instabiliteit wereldwijd vormt, die transport- en energieroutes in gevaar brengt, wapenhandel bevordert en de activiteiten van niet-overheidsactoren, zoals criminele netwerken en terroristische cellen, gemakkelijker maakt;

18.  blijft bezorgd over de piraterij aan de oostelijke en westelijke kust van Afrika; wijst erop dat aanvallen van piraten – in de vorm van gewapende overvallen, kidnapping van schepen en hun bemanning en afpersing – de vrije toegang tot en het vrije verkeer in deze zeeën ernstig belemmeren en daarom een aanzienlijke bedreiging voor de internationale handel en de maritieme veiligheid vormen; merkt op dat piraterij voornamelijk voortkomt uit gebrekkig bestuur en beperkte ontwikkeling in de betrokken kuststaten; hoopt dat de EU zal voortbouwen op de resultaten van de GVDB-operatie EUNAVFOR Atalanta en ook elders GVDB-operaties start om piraterij te bestrijden;

19.  waarschuwt voor de problemen die piraterij, internationaal terrorisme en georganiseerde misdaad in het algemeen opwerpen voor de veiligheid van de zeevaart via vitale doorvoerknelpunten; benadrukt dat sommige van de belangrijkste waterwegen voor de mondiale energievoorziening, gelegen zijn in of toegankelijk zijn via enkele van de meest instabiele maritieme zones, zoals het Suezkanaal, de Straat van Hormuz en de Straat van Malakka;

20.  merkt op dat de bestrijding van niet-conventionele activiteiten moet zijn gebaseerd op het hele instrumentarium van het GVDB, met inbegrip van militaire middelen, aangezien interventies vaak plaatsvinden in moeilijk toegankelijke landschappen waar spelers over een heel scala aan gevaarlijke wapens beschikken; stelt dat, op basis van het model van het EU-optreden in de Hoorn van Afrika, waar de operatie EUNAVFOR Atalanta en de operatie EUCAP Nestor worden uitgevoerd, GVDB-operaties moeten worden ondersteund door andere externe EU-instrumenten om de achterliggende sociale, economische en politieke oorzaken van de crisis aan te pakken en te zorgen voor een duurzame veiligheidssituatie in de betrokken regio's;

21.  merkt op dat de illegale immigratie waarschijnlijk druk zal blijven uitoefenen op de zeegrenzen van de EU, vooral in het licht van de politieke en economische ontwikkelingen in de zuidelijke buurlanden en het vooruitzicht van voortdurende instabiliteit in Noord-Afrika, de Sahel, de Hoorn van Afrika en Afrika bezuiden de Sahara; herinnert er echter aan dat migratie niet als een bedreiging van de veiligheid mag worden beschouwd, maar eerder als een menselijk fenomeen dat een degelijke beheersstrategie behoeft waarbij regionaal, politiek en diplomatiek samenwerkings- en ontwikkelingsbeleid en investeringen in regionale partnerschappen worden gecombineerd; vestigt de aandacht op het feit dat voor deze inspanning maritieme capaciteiten en kustwachtactiviteiten moeten worden ontwikkeld om te kunnen patrouilleren en migranten aan boord van illegale schepen te kunnen redden;

22.  erkent dat de toename van het verkeer op zee waarschijnlijk de kans op rampen als olieverlies en andere milieuvervuilende incidenten, zoals het dumpen van giftig afval en het illegaal bunkeren van olie, verhoogt; benadrukt dat de EU een strategie moet blijven ontwikkelen waarbij wordt voortgebouwd op vroegere ervaringen met ernstige milieurampen op zee door ervoor te zorgen dat alle actoren, organen en agentschappen van de EU samen met de autoriteiten van de lidstaten op een gecoördineerde manier tussenbeide komen, om zo in een geest van solidariteit en doeltreffender optreden de gepaste synergieën te creëren;

Kritieke maritieme zones

Het Middellandse Zeegebied

23.  onderstreept dat de Middellandse Zee een waaier aan uitdagingen vormt die de stabiliteit en rechtstreekse belangen van de EU kunnen bedreigen, in het bijzonder gezien de politieke onrust en sociale en economische tegenspoed die in sommige kustlanden waarschijnlijk zullen aanhouden; merkt op dat daardoor bevorderde illegale activiteiten, zoals terrorisme en alle soorten illegale handel, gevolgen hebben voor de maritieme veiligheid van de EU, inclusief voor de continuïteit van de energievoorziening aan het zuiden; gelooft dat dringend moet worden geïnvesteerd in maritieme regionale samenwerking en dat hierbij sprake moet zijn van Europese en regionale samenwerking, inlichtingen, observatie, patrouilles en activiteiten van de kustwacht, die allen gepaste middelen van machtsprojectie van de marine vereisen;

24.  benadrukt dat in het Middellandse Zeegebied een aantal regionale conflicten aan de gang is, waaronder geschillen over zeegrenzen, en dringt er daarom bij de EU op aan zich toe te leggen op het vermijden van een verdere escalatie van conflicten rond de Middellandse Zee, die zal leiden tot een vergroting van de bestaande bedreigingen, zoals de nasleep van de burgeroorlog in Syrië en het effect daarvan op de maritieme zone van dat land en van de buurlanden, de politieke instabiliteit en het ontbreken van bestuurscapaciteiten in Libië, Egypte en Tunesië en het domino-effect in buurlanden Marokko en Algerije, die nog steeds zijn verwikkeld in een conflict over de Westelijke Sahara en rechtstreeks worden getroffen door de escalatie van het conflict in Mali en de Sahelregio; wijst voorts op het gevaar van het onderlinge verband tussen de crises in het Middellandse Zeegebied en de instabiliteit en conflicten in het Midden-Oosten, de Sahel, de Hoorn van Afrika, West-Afrika en Afrika bezuiden de Sahara;

25.  merkt op dat de recente ontdekking van aardgas in de oostelijke Middellandse Zee tot een nieuw geopolitiek milieu heeft geleid en de kans op geschillen aanzienlijk heeft vergroot, hetgeen rechtstreeks van invloed is op de rechtmatige belangen en soevereine rechten van de EU-lidstaten; spreekt zijn zorgen uit over het feit dat Turkije, Rusland, de VS en Israël de aanwezigheid van hun zeemacht in het Middellandse Zeegebied hebben uitgebreid; neemt voorts kennis van de gevolgen van de onopgeloste geschillen met Turkije in de Egeïsche Zee en de escalatie van spanningen vanwege de voorgenomen ontginning van Griekse en Cypriotische koolwaterstofserves voor de kust; dringt er daarom bij de EU op aan haar standpunt te handhaven ter voorkoming van conflicten over natuurlijke hulpbronnen in de Middellandse Zee en van daaruit voortvloeiende bedreigingen van de veiligheid voor de EU-lidstaten in de regio, die uiteindelijk de EU in haar geheel kunnen treffen;

De Oostzee

26.  merkt op dat de Oostzee met uitzondering van de Russische zeegebieden een binnenzee van de EU en een cruciale scheepvaartroute voor verscheidene kuststaten is; merkt op dat de stabiliteit van het Oostzeegebied en het functioneren van de scheepvaart afhankelijk zijn van de manier waarop de politieke belangen van zowel de individuele EU-lidstaten als tussen de EU en Rusland met elkaar in overeenstemming worden gebracht; merkt op dat de politieke stabiliteit van de Oostzee verband houdt met zaken als de bescherming van de positie van taalminderheden in kuststaten, energietransporten, het drukke koopvaardijverkeer, mogelijke ongelukken met olietankers, en de vervuiling van visbestanden en het milieu; merkt op dat de maritieme veiligheid in de Oostzee zich voor aanvullende uitdagingen ziet gesteld door de chemische wapens op de zeebodem die daar na het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn gedumpt, de in onbruik geraakte kerncentrales langs de kust, mogelijke terroristische aanvallen op energieleveringen, en mogelijke illegale wapenleveringen via havens in de Oostzee;

Het Zwarte Zeegebied

27.  is van mening dat de Zwarte Zee vandaag op geostrategisch vlak een van de belangrijkste aan de EU grenzende maritieme regio's is, met name wat betreft de energiezekerheid van de EU en de diversificatie van haar energievoorziening; merkt op dat de regio een groot potentieel herbergt voor risico's op de middellange en lange termijn, gezien de strategische ligging als belangrijke transportroute voor goederen en energie, de nabijheid van onstabiele regio's met slepende conflicten, zoals de betwiste gebieden Abchazië en Zuid-Ossetië, en het daaraan gerelateerde conflict tussen Moskou en Tbilisi; onderstreept dat de Unie een strategisch belang heeft bij het voorkomen van escalatie van langdurige regionale conflicten en bij het vinden van duurzame oplossingen daarvoor, aangezien de energiezekerheid van verschillende EU-lidstaten sterk afhankelijk is van de veiligheid van gas- en olieroutes door en langs de Zwarte Zee; wijst erop dat de Unie in dit verband, wanneer nodig, misschien Europese marinemiddelen moet mobiliseren;

28.  herinnert aan zijn resolutie van 20 januari 2011 over een EU-strategie voor het Zwarte Zeegebied(12) en herhaalt dat de EU een actievere rol moet spelen bij het vormgeven van een veilige Zwarte Zeeregio; verzoekt de Commissie en de EDEO nogmaals een strategie voor het Zwarte Zeegebied te ontwerpen waarmee de problemen op het vlak van maritieme beveiliging en veiligheid doeltreffend kunnen worden aangepakt;

29.  benadrukt dat er behoefte is aan een intensievere dialoog met strategische partners over preventie en oplossing van conflicten, maar onderstreept ook hoe belangrijk regionale multilaterale initiatieven zijn, zoals het initiatief "Synergie voor het Zwarte Zeegebied", ter bestrijding van dreigingen zoals criminele netwerken die betrokken zijn bij mensen-, wapen- en drugshandel of illegale visserij en aantasting van het milieu;

De Atlantische Oceaan en West-Afrika

30.  merkt op dat de Atlantische Oceaan de levenslijn van Europa voor handel is; maakt zich er zorgen over dat de Atlantische Oceaan, en met name het Caribisch gebied, wordt gebruikt als doorvoerroute voor drugs uit Zuid-Amerika; is bezorgd over het feit dat de ontwikkeling van economische activiteiten in de komende decennia, met name na de verbreding van het Panamakanaal, een toename van de criminele activiteiten in het gebied in de hand kan werken;

31.  gelooft dat sommige van de meest wezenlijke, ophanden zijnde bedreigingen voor Europa momenteel van de West-Afrikaanse kust komen, en meer bepaald van de Golf van Guinee; is zeer bezorgd dat zich aan de West-Afrikaanse kust ernstige uitdagingen ontwikkelen met betrekking tot criminele activiteiten en de handel in drugs, mensen en wapens; wijst erop dat de landen aan de Golf van Guinee tegelijkertijd steeds meer het actieterrein worden van terroristische netwerken, zoals Boko Haram in Nigeria, die acties uitvoert die een weerslag hebben in de buurlanden en die verbonden zijn met netwerken met een mondiaal bereik, zoals Al-Qaida in de islamitische Maghreb, wat duidelijk wordt aangetoond door de crisis in Mali;

32.  neemt er met bezorgdheid kennis van dat de politieke instabiliteit in de landen aan de Golf van Guinee voortduurt en dat enkelen daarvan als falende staat kunnen worden beschouwd, zoals bijvoorbeeld geldt voor Guinee-Bissau, dat een draaischijf is geworden voor de drugshandel van Latijns-Amerika naar Europa;

33.  merkt op dat de regio eveneens een belangrijke energieleverancier is, aangezien 13% van de olie- en 6% van de gasinvoer van de EU momenteel afkomstig zijn uit de landen aan de Golf van Guinee, en 5,8% van de totale olie-invoer van de EU afkomstig is uit Nigeria; verwacht dat het belang van de regio toeneemt als gevolg van de recente ontdekkingen van olie- en gasreserves voor de kust; is daarom bezorgd dat de concurrentie voor de natuurlijke hulpbronnen voor de kust bijkomende conflicten en criminele activiteiten met zich meebrengt;

34.  wijst erop dat de instabiliteit, het terrorisme en de criminaliteit voor de West-Afrikaanse kust nauw verband houden met de instabiliteit in de Sahelregio als geheel; dringt er daarom bij de EU op aan in het kader van de civiele GVDB-missie EUCAP SAHEL Niger de inspanningen ter bestrijding van het terrorisme in de Sahelregio in een regionale en alomvattende strategie te verwerken om de bedreigingen op zee voor de West-Afrikaanse kust, en in het bijzonder in de Golf van Guinee, tegen te gaan; verzoekt de EU in dit verband te zorgen voor de coördinatie tussen de twee GVDB-missies in de regio – EUCAP SAHEL Niger en EUTM Mali – en tussen de inspanningen op het vasteland en op zee om terrorisme en andere vormen van georganiseerde misdaad in de regio te bestrijden;

35.  is verheugd over de aankondiging van de Commissie over het programma voor kritieke maritieme routes in de Golf van Guinee (Critical Maritime Routes in the Gulf of Guinea Programme, CRIMGO), dat erop is gericht de veiligheid in de wateren van de Golf van Guinee te verbeteren door de kustwachters op te leiden en een netwerk op te richten voor de uitwisseling van informatie tussen de autoriteiten van de zeven kuststaten van West-Afrika, dat door het stabiliteitsinstrument moet worden gefinancierd; dringt erop aan dat het CRIMGO-programma voor de West-Afrikaanse kust snel ten uitvoer wordt gebracht; pleit eveneens voor de oprichting van specifieke samenwerkingsregelingen om te zorgen voor aansluiting van dit door de Commissie gefinancierde programma op de GVDB-missies, EUCAP SAHEL Niger en EUTM Mali, waarvan de activiteiten onlosmakelijk zijn verbonden met de oorzaken van de instabiliteit in de Golf van Guinee;

36.  benadrukt dat de doeltreffendheid van de EU-activiteiten in de Golf van Guinee moet worden verhoogd; stelt voor specifieke synergieën te creëren met het oog op een toegevoegde waarde door de combinatie van bestaande EU-instrumenten en -structuren zoals het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (European Maritime Safety Agency, EMSA);

37.  verzoekt de HV/VV om installaties op strategische locaties van de EU-lidstaten en de ACS-partners – zoals de luchtmachtbasis van Lajes op de Azoren, Portugal, en de Kaapverdische eilanden – in kaart te brengen, met het oog op het gebruik daarvan voor de ontwikkeling van specifieke zee- en luchtmachtoperaties om de verspreiding van massavernietigingswapens, terrorisme, piraterij en georganiseerde misdaad in de Golf van Guinee en het ruimere gebied van de zuidelijke Atlantische Oceaan tegen te gaan, in het kader van een driehoekspartnerschap op grond van trans-Atlantische samenwerking met de VS, Canada, Brazilië en andere Latijns-Amerikaanse landen en samenwerking tussen de EU en de Afrikaanse Unie;

De Golf van Aden en de westelijke Indische Oceaan

38.  wijst erop dat de Golf van Aden als gevolg van de piraterij tegenwoordig een van de gevaarlijkste maritieme zones ter wereld is; brengt in herinnering dat piraterij een speciale vorm van georganiseerde misdaad is die vraagt om een bijzondere alomvattende aanpak waarbij rekening wordt gehouden met het oorzakelijk verband tussen piraterij en sociaal, politiek en economisch bestuur, zoals met name blijkt uit de situatie in de Hoorn van Afrika en Somalië; merkt op dat de opsporing van geldstromen van betaald losgeld, de ontmanteling van criminele netwerken en de vervolging van de daders eveneens cruciale onderdelen zijn van de strijd tegen de piraterij en alleen mogelijk zijn door de voordelen van de samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten, Europol en Interpol te benutten; merkt op dat hierbij sprake is van een concreet verband tussen het externe veiligheidsbeleid en de interne handhaving van de wet;

39.  is verheugd over de ontplooiing van de civiele GVDB-missie EUCAP NESTOR die erop is gericht de maritieme capaciteiten in de Hoorn van Afrika en de westelijke Indische Oceaan te versterken en een meer duurzame en lokale bijdrage te leveren voor het bereiken van de doelstellingen van de operatie EU NAVFOR Atalanta;

40.  vestigt de aandacht op de recente, hopelijk duurzame successen van EU NAVFOR Atalanta in de beperking van het aantal aanvallen door piraten in de westelijke Indische Oceaan en de verhoging van de geloofwaardigheid van het GVDB; merkt op dat Atalanta de eerste GVDB-operatie op zee is en dat deze als voorbeeld moet dienen voor de verdere ontwikkeling en uitvoering van de maritieme dimensie van het GVDB, waarbij een balans moet worden opgemaakt van de successen en tekortkomingen van het GVDB en de lessen die eruit zijn getrokken; is ingenomen met de positieve rol die de EU met EUNAVFOR Atalanta speelt in het SHADE-mechanisme (Shared Awareness and De-confliction) voor een betere coördinatie tussen de multinationale, nationale en regionale zeemachten die in het gebied actief zijn, en met name met betrekking tot de NAVO-operatie Ocean Shield; is ook verheugd over de goede samenwerking tussen EU-agentschappen – zoals het EU-satellietcentrum SatCen en het EMSA – en derden, in het bijzonder op het vlak van de interpretatie van satellietbeelden van vaartuigen, ook al zijn er geen formele regelingen om deze samenwerking te ondersteunen; roept de EU op de band tussen de bestaande EU-instrumenten en -organen – bijvoorbeeld tussen Atalanta, het EMSA en het SatCen – te formaliseren, om zo een duplicatie van taken, hulpbronnen en deskundigheid te voorkomen en de duidelijke operationele voordelen van deze synergieën te benutten;

41.  benadrukt dat het concept van een alomvattende aanpak – dat in dit specifieke geval voortkomt uit de strategische kaderstrategie voor de Hoorn van Afrika – naast politiek engagement en ontwikkelingsbeleid vanzelfsprekend is bij de combinatie van de drie lopende GVDB-missies in de regio (EU NAVFOR Atalanta, de opleidingsmissie in Somalië en EUCAP Nestor); verheugt zich over het activeren van het operatiecentrum van de EU, dat bedoeld is om de coördinatie en de synergieën tussen deze missies te versterken, wat een belangrijke stap vormt in de ontwikkeling van het GVDB; wijst erop dat dit voorbeeld van complementariteit en coördinatie als inspiratiebron moet dienen voor andere, soortgelijke acties waarbij GVDB-missies en -operaties worden ingezet als antwoord op een veelzijdig probleem; merkt op dat de oprichting van een permanente militaire structuur voor planning en uitvoering de integratie van een zeemachtcomponent in GVDB-missies en -operaties alleen verder kan verbeteren;

42.  erkent de door de scheepvaartmaatschappijen aangebrachte beschermingsmaatregelen aan boord van de schepen; steunt de recente oproepen vanuit de maritieme sector om regelgeving uit te werken voor particuliere maritieme beveiligingsbedrijven, en herhaalt zijn verzoek aan de Internationale Maritieme Organisatie, de vlaggenstaten en de maritieme sector samen te werken aan een gedragscode voor duidelijke, samenhangende en afdwingbare internationaal overeengekomen normen voor de inzet van gewapend beveiligingspersoneel met een privécontract aan boord van schepen; verzoekt particuliere maritieme beveiligingsbedrijven die richtsnoeren strikt na te leven;

Het Noordpoolgebied

43.  benadrukt dat de openstelling van de zeedoorgangen in het Noordpoolgebied een rechtstreeks gevolg is van de klimaatverandering en onderstreept dat de EU zich eerst en vooral moet inzetten voor het behoud en de instandhouding van de regio en zijn bijzonder kwetsbare natuurlijke rijkdommen, en er tegelijkertijd op moet toezien dat de hulpbronnen van het Noordpoolgebied met respect voor de lokale bevolking worden geëxploiteerd; beklemtoont het belang van algemene stabiliteit en vrede in de regio; benadrukt daarom de noodzaak van een gemeenschappelijk, gecoördineerd EU-beleid voor het Noordpoolgebied, waarin de prioriteiten, potentiële uitdagingen en strategie van de EU duidelijk zijn omschreven; benadrukt dat de kustlijn van de Unie in het Noordpoolgebied verder zou worden uitgebreid door een toekomstige toetreding tot de EU van IJsland, wat samen met de Deense, Finse en Zweedse belangen in het Noordpoolgebied de behoefte aan een nauwer gecoördineerd Noordpoolbeleid op EU-niveau benadrukt; is in dit verband verheugd over de mededeling van de Commissie "Ontwikkeling van een EU-beleid ten opzichte van het Noordpoolgebied: vooruitgang sedert 2008 en volgende stappen", en herhaalt dat er een beleidsdialoog moet worden gevoerd met alle partners in de regio, met inbegrip van Rusland;

44.  benadrukt het belang van de nieuwe handelsroutes via zeedoorgangen in het Noordpoolgebied, onder meer voor de economieën van de EU en haar lidstaten; onderstreept dat de EU en haar lidstaten de vrijheid van scheepvaart en het recht op vrije vaart over de internationale waterwegen actief in stand moeten houden; benadrukt dat de bestaande slepende territoriale geschillen tussen Noordpoollanden vreedzaam moeten worden opgelost en meent dat de EU meer betrokken moet zijn in de regio en moet nagaan welke instrumenten en capaciteiten nodig zijn als antwoord op een conflict in de regio; benadrukt dat de militarisering van het Noordpoolgebied in elk geval moet worden voorkomen; roept de Commissie op voorstellen te doen voor manieren waarop het Galileoproject het Noordpoolbeleid kan ondersteunen en kan worden ontwikkeld om een veiligere navigatie op de Noordelijke IJszee mogelijk te maken, en zo te investeren in de veiligheid en de toegankelijkheid van met name de Noordoostroute;

De Stille Oceaan

45.  onderstreept het mondiale belang van de Stille Oceaan, en met name van de Zuid-Chinese Zee, waarover een derde van de totale wereldhandel wordt vervoerd; maakt zich zorgen over de toenemende spanning en verzoekt alle betrokken partijen met klem af te zien van unilaterale politieke en militaire acties, de toon te matigen en hun botsende territoriale claims in de Zuid-Chinese Zee op te lossen via internationale arbitrage overeenkomstig het internationaal recht, in het bijzonder het UNCLOS, met het oog op het waarborgen van de regionale stabiliteit en de vrije en veilige navigatie in de Zuid-Chinese Zee;

46.  is van mening dat de weg naar een mogelijke vreedzame oplossing van de spanningen in gebieden van de Stille Oceaan en de Zuid-Chinese Zee kan bestaan in onderhandelingen en de gezamenlijke tenuitvoerlegging van gedragscodes voor de vreedzame exploitatie van de maritieme gebieden in kwestie, met inbegrip van de creatie van veilige handelsroutes en visserijquota of de toewijzing van gebieden waar naar natuurlijke hulpbronnen mag worden gezocht;

47.  roept de HV/VV op de risico's voor de vrede en veiligheid te identificeren als de spanning in de Oost- en de Zuid-Chinese Zee stijgt of er een gewapend conflict uitbreekt;

48.  merkt op dat bepaalde landen – met name Australië – politiek reeds bijzonder actief zijn in de Stille Oceaan en dat de EU moet vertrouwen op bilaterale en multilaterale samenwerking voor de beveiliging van en de veiligheid in de regio;

49.  benadrukt hoe belangrijk de verbreding van het Panamakanaal – die in 2014 moet worden voltooid – is voor de verandering van het geostrategische maritieme evenwicht en de uitzonderlijke mogelijkheden die de EU en de lidstaten hierdoor zullen krijgen; waarschuwt dat de scheeps- en haveninfrastructuur van de lidstaten moet worden voorbereid om de voorspelbare toename van maritieme handelsstromen op te vangen en de daaruit voortvloeiende veiligheidsrisico's aan te pakken, die onder andere voortkomen uit bijkomende druk op het milieu en uit criminele activiteiten; benadrukt dat deze verbinding tussen de Stille en de Atlantische Oceaan een belangrijke alternatieve vervoersroute kan worden tussen Azië en Europa via het westen;

Bestaande instrumenten en ontwikkeling van de capaciteiten

50.  is er sterk van overtuigd dat de financiële en economische crisis als een kans moet worden beschouwd om het initiatief voor bundelen en delen toe te passen bij de schepping van maritieme capaciteiten op een werkelijk Europese wijze, met name door de vruchten te plukken van het initiatief LeaderSHIP 2020 en door netwerken te bevorderen tussen spelers op het gebied van de scheepsbouw en -reparatie en de aanverwante sectoren, wat kan bijdragen aan het behoud van geloofwaardige militaire capaciteiten en de enige manier is om ervoor te zorgen dat Europa de mondiale veiligheidsuitdagingen voor zijn wateren en zijn marinecapaciteit op mondiaal niveau aankan;

51.  betreurt het echter dat de EU-lidstaten als antwoord op de financiële crisis en de vertraging van de economie zware besparingen hebben doorgevoerd in de nationale defensiebegroting en dat deze besparingen, die veelal niet zijn gecoördineerd op EU-niveau en waarbij geen rekening wordt gehouden met de Europese veiligheidsstrategie, serieuze gevolgen kunnen hebben voor het vermogen en de paraatheid van de EU om maritieme en andere veiligheidsuitdagingen het hoofd te bieden en internationale verplichtingen na te komen, alsook de rol van de EU als verschaffer van mondiale veiligheid kunnen belemmeren;

52.  benadrukt dat het door de EU tot prioriteit gemaakte bundelen en delen om meer coördinatie, slimmere defensie-uitgaven en grotere schaalvoordelen tussen de lidstaten te krijgen, nog geen resultaten heeft opgeleverd, ook niet op het vlak van maritieme veiligheidscapaciteiten;

53.  looft het werk van het EDA dat de basis heeft gelegd voor het bundelen en delen door de vereisten en projecten op het gebied van de opleiding en de logistiek van de marines te harmoniseren; is verheugd over de studie van 2012 van Wise Pens over de maritieme vereisten en capaciteiten; dringt er, gezien het mandaat en de deskundigheid van het EDA, bij de lidstaten op aan het agentschap om advies en technische bijstand te vragen wanneer op de defensiebegroting moet worden bespaard om te voorkomen dat de ontwikkeling van strategische capaciteiten in de EU in gevaar wordt gebracht; overwegende dat de EU hiaten en tekortkomingen op een gecoördineerde manier moet aanpakken; spoort de lidstaten aan met het EDA samen te werken om vast te stellen aan welke capaciteiten behoefte is, met name wat betreft civiele en militaire capaciteiten en capaciteiten voor tweeërlei gebruik op maritiem gebied; verzoekt de HV/VV met klem om met behulp van het EDA en het DG Maritieme Zaken en Visserij alle maritieme en marinecapaciteit te identificeren die aan de maritieme capaciteiten en vereisten van 2012 voldoen en die de EU-lidstaten dreigen te verliezen ten gevolge van financiële en economische beperkingen, en manieren te zoeken om deze te behouden en in dienst te stellen van het geïntegreerd maritiem beleid van de EU en de toekomstige EMVS;

54.  herinnert eraan dat capaciteiten voor tweeërlei gebruik noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van het GVDB, gezien de complexe veiligheidsuitdagingen in de wereld van vandaag; benadrukt dat de huidige crises in de Sahel en de Hoorn van Afrika opnieuw aantonen dat er behoefte is aan een alomvattende aanpak waarmee enerzijds het hele gamma civiele en militaire maatregelen en anderzijds de uitrusting en capaciteiten voor tweeërlei gebruik worden ingezet, met inbegrip van de Europese marinecapaciteiten en civiele en militaire scheepsbouwcapaciteiten om de veiligheid en veerkracht van de schepen te waarborgen; nodigt de lidstaten uit samen te werken met de desbetreffende EU-organen en -agentschappen, meer bepaald de Commissie, het EDA en het Europees Ruimteagentschap (ESA), om EU-financiering te vinden voor de ontwikkeling van capaciteiten voor tweeërlei gebruik; meent dat op deze manier capaciteitshiaten op nationaal, regionaal en EU-niveau kunnen worden opgevuld; herinnert aan het potentieel voor tweeërlei gebruik van het Galileoprogramma en de waarde ervan voor de tenuitvoerlegging en doeltreffendheid van GVDB-operaties, in het bijzonder op maritiem vlak; onderstreept echter dat op het vlak van capaciteitsontwikkeling prioriteit moet worden gegeven aan meer transparantie, efficiëntie en multilaterale benaderingen;

55.  brengt in herinnering dat er wat defensie betreft behoefte is aan de consolidatie van een door de EU gefinancierde technologische basis binnen het EU-kader, die ook de capaciteiten op het gebied van de scheepsbouw en de productie van marine-uitrusting omvat; herinnert er in het licht van de huidige economische en financiële crisis aan dat het opstarten van en de steun voor een bekwame, in de eigen behoefte voorzienende Europese defensie-industrie zorgen voor de schepping van banen en groei; roept op tot een meer kwalitatieve dialoog met industriële belanghebbenden, aangezien de ontwikkeling van zeemachtcapaciteiten een engagement van vele jaren inhoudt; benadrukt dat de EU-lidstaten en de industrie de normen moeten rationaliseren en harmoniseren om te zorgen voor Europese operationele verenigbaarheid op het vlak van maritieme en zeemachtcapaciteiten, inclusief van communicatiesystemen en -technologie;

56.  gelooft dat het netwerk voor maritiem toezicht van het EDA (MARSUR) een dergelijke innovatie vormt die een meerwaarde inhoudt voor de ontwikkeling van de maritieme dimensie van het GVDB; dringt er sterk op aan dat gepaste samenwerkingsgebieden tussen MARSUR en andere EU-projecten worden vastgelegd met het oog op de ontwikkeling van projecten voor maritiem toezicht, zoals Copernicus, het Europees programma voor observatie van de aarde (het vroegere GMES, wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid), projecten voor mariene en veiligheidsdiensten of de werkzaamheden van het EMSA op het vlak van maritiem toezicht;

57.  is van mening dat het door het EMSA, het ESA en het Copernicusprogramma ontwikkelde werk verder kan dienen voor de tenuitvoerlegging van de maritieme dimensie van het GVDB en formeel daartoe moet worden benut; benadrukt dat zij dankzij hun deskundigheid uitstekend zijn geplaatst om diensten en steun te verlenen aan lopende GVDB-missies op het vlak van observatie, patrouilleactiviteiten of de verzameling, bestudering en verspreiding van satellietinformatie, in navolging van het weliswaar informeel ontwikkelde partnerschap tussen het EMSA en de operatie EU NAVFOR Atalanta;

58.  pleit voor de instelling van de functie van een werkelijk Europese kustwacht – voortbouwend op de ervaring die reeds is opgedaan door Frontex en het Europees Patrouillenetwerk, waaraan verschillende overheidsinstanties en -entiteiten capaciteiten verstrekken – die moet optreden binnen de kaders van de uit de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken voortvloeiende jurisprudentie, en die gericht moet zijn op de bescherming van de EU-grenzen, Europese burgers en mensen die gevaar lopen in de kustwateren van de Unie;

59.  looft het in het kader van de ontwikkeling van de gemeenschappelijke gegevensuitwisselingsstructuur (Common Information Sharing Environment, CISE) gedane werk om een doeltreffende Europese capaciteit voor maritiem toezicht te bewerkstelligen; roept daarom de EU op aanzienlijk te investeren in de verdere ontwikkeling van het CISE-kader, gebruikmakend van de ervaring die is opgedaan tijdens projecten als Marsuno, BlueMassMed en Eurosur, om maritieme uitdagingen in de wateren van de EU-lidstaten of in de nabijheid van de EU te kunnen opsporen en monitoren en er goed voorbereid op te kunnen reageren;

60.  roept op tot meer strategische coördinatie tussen de EU en de NAVO op het gebied van maritieme veiligheid, aangezien de lidstaten van de twee organisaties maar één zeemacht hebben; is van mening dat de toekomstige maritieme veiligheidsstrategie van de EU onafhankelijk moet zijn van de strategie van de Alliantie, maar deze moet aanvullen, om zo veel mogelijk van de bovenvermelde uitdagingen aan te pakken en een optimaal gebruik van de beperkte maritieme vermogens te garanderen; verheugt zich over de positieve resultaten als gevolg van de gezamenlijke locatie van de operationele hoofdkwartieren van de twee organisaties in Northwood; is van mening dat de EU haar aandacht moet richten op de duidelijke meerwaarde van haar alomvattende aanpak van veelzijdige uitdagingen, zoals zij die heeft laten zien bij de diplomatieke, financiële en juridische follow-up van de doeltreffende bestrijding van piraterij door Atalanta; roept op tot verdere verbeteringen in de informatie-uitwisseling tussen de NAVO en de EU, evenals tot een intensievere coördinatie met andere internationale actoren;

61.  betreurt het dat nog altijd sprake is van duplicatie, overlapping, verspilling van middelen en een terreinoorlog tussen EU-organen en -agentschappen die werkzaam zijn op het vlak van maritieme veiligheid; spoort de EU aan te blijven zoeken naar manieren waarop zij de administratieve en financiële last van de nodeloze overlapping van functies, deskundigheid, uitrusting en hulpbronnen tussen verschillende EU-organen en -actoren kan verminderen, wat de HV/VV zal helpen haar coördinerende functie uit te oefenen;

62.  vraagt in dit verband dat de coördinatie- en verbindingsinspanningen worden samengebracht in de maritieme veiligheidsstrategie van de EU, die duidelijke richtsnoeren moet bevatten voor de specifieke samenwerking tussen de bevoegde directoraten-generaal van de Commissie, inclusief Maritieme Zaken en Visserij, Binnenlandse Zaken, Justitie, Ondernemingen en Industrie, Mobiliteit en Vervoer, Belastingen en Douane-unie, Onderzoek en Innovatie, Ontwikkeling en Samenwerking en de Europese Dienst voor extern optreden en de dienst Instrumenten buitenlands beleid; merkt op dat dit eveneens dient te worden gedaan voor de samenwerking tussen de agentschappen EDA, EMSA, SatCen, Europol, Frontex, de Militaire Staf van de EU, het directoraat Crisisbeheersing en Planning, het EU-Centrum voor de analyse van inlichtingen en de desbetreffende autoriteiten in de lidstaten;

63.  verheugt zich over de activiteiten van de aanvoerders van Europese zeemachten (Chiefs of European Navies, CHENS) om het begrip tussen Europese zeemachten te bevorderen en kwesties van gemeenschappelijk belang te onderzoeken; wenst dat de resultaten van de jaarlijkse vergaderingen van de CHENS en de gespecialiseerde werkgroepen de maritieme veiligheidsstrategie van de EU en de uitvoering ervan op GVDB-niveau ondersteunen, om een verdere samenwerking te bevorderen en voor een geïntegreerde en doeltreffende aanpak te zorgen;

64.  nodigt de Raad Defensie uit in december 2013 een maritieme veiligheidsstrategie van de EU aan te nemen waarin met de in dit verslag geuite opvattingen van het Europees Parlement rekening wordt gehouden; herinnert de lidstaten eraan dat de wereld van vandaag en met name de bijbehorende uitdagingen en bedreigingen vragen om een consistent, coherent en krachtig optreden om de 500 miljoen EU-burgers te beschermen; brengt in herinnering dat deze uitdagingen ook een buitenlands beleid van de EU vereisen dat is gebaseerd op de behoefte aan en de bevordering van vrede en veiligheid wereldwijd;

o
o   o

65.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de NAVO en de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de NAVO.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0006.
(2) JOIN/2012/0039 – 2012/0370 (NLE).
(3) PB C 136 E van 11.5.2012, blz. 71.
(4) JOIN(2012)0019.
(5) PB L 301 van 12.11.2008, blz. 33.
(6) PB L 187 van 17.7.2012, blz. 40.
(7) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 7.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0455.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0097.
(10) PB C 15 E van 21.1.2010, blz. 61.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0203.
(12) PB C 136 E van 11.5.2012, blz. 81.


De militaire structuren van de EU: stand van zaken en toekomstperspectieven
PDF 167kWORD 36k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de militaire structuren van de EU: stand van zaken en toekomstperspectieven 2012/2319(INI)
P7_TA(2013)0381A7-0205/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 13 en 14 december 2012,

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 november 2012 over de ontwikkeling van militaire vermogens,

–  gezien het hoofddoel 2010 dat door de Europese Raad van 17 en 18 juni 2004 werd goedgekeurd,

–   gezien de clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit in het Verdrag van Lissabon, op grond waarvan de lidstaten verplicht zijn hulp en bijstand beschikbaar te stellen ingeval een andere lidstaat wordt getroffen door een natuurramp, een terroristische aanval of een gewapende aanval,

–  gezien de door de Europese Raad op 12 december 2003 vastgestelde Europese Veiligheidsstrategie en het door de Europese Raad van 11 en 12 december 2008 goedgekeurde verslag over de implementatie ervan,

–  gezien Besluit 2011/871/GBVB van de Raad van 19 december 2011 tot instelling van een mechanisme voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operaties van de Europese Unie die gevolgen hebben op militair of defensiegebied (Athena)(1),

–  gezien Besluit 2011/411/GBVB van de Raad van 12 juli 2011 tot vaststelling van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Europees Defensieagentschap en tot intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 2004/551/GBVB(2),

–   gezien de discussie van de ministers van defensie tijdens de bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken op 23 april 2013 inzake de voorbereidingen voor de Europese Raad over Defensie in december 2013,

–  gezien zijn resoluties van 22 november 2012 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(3), van 22 november 2012 over de EU-clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit: politieke en operationele dimensies(4), van 12 september 2012 over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid(5) en van 14 december 2011 over de gevolgen van de financiële crisis voor de defensiesector in de EU-lidstaten(6),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0205/2013),

Algemene overwegingen

1.  stelt met toenemende urgentie vast dat de EU over onvoldoende capaciteit beschikt om tijdig en op een doeltreffende manier op internationale crises te reageren, ondanks haar permanente toezegging de vrede te bewaren, mensenrechten te beschermen, conflicten te voorkomen en de internationale veiligheid te versterken, overeenkomstig de beginselen van het Handvest der Verenigde Naties; benadrukt dat het in het belang van de EU en haar lidstaten is om, niet alleen binnen Europa maar ook in de rest van de wereld en in het bijzonder in haar eigen buurlanden, samenhangend als een verschaffer van veiligheid te fungeren;

2.  herinnert aan zijn sterke gehechtheid aan een alomvattende aanpak voor crisisbeheer waarbij een ruim gamma van diplomatieke, economische, ontwikkelings- en, in laatste instantie, militaire middelen wordt geïntegreerd, zoals meer bepaald werd uitgedrukt in zijn resoluties over het jaarverslag over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB); benadrukt dat militaire structuren en vermogens een integraal deel uitmaken van een dergelijke alomvattende aanpak en het vermogen van de EU ondersteunen om te reageren op bedreigingen, conflicten en crises, met inbegrip van humanitaire crises en natuurrampen, als alle andere middelen hebben gefaald;

3.  neemt er met spijt kennis van dat uit recente militaire operaties in zowel Libië als Mali is gebleken dat er weinig vooruitgang is geboekt in de richting van een waarlijk gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid en benadrukt de noodzaak van meer coördinatie en samenwerking op Europees niveau, indien de EU serieus wil worden genomen als een effectieve en geloofwaardige wereldspeler;

4.  herinnert eraan dat in het Verdrag de EU wordt opgeroepen om te werken aan een geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk EU-defensiebeleid, hetgeen tot een gemeenschappelijke defensie kan leiden; herinnert voorts aan de verplichtingen van de lidstaten in het kader van de clausule inzake wederzijdse verdediging;

5.  herhaalt zijn grote bezorgdheid over de voortdurende en niet-gecoördineerde besparingen in de nationale defensiebegrotingen, hetgeen de opvulling van de leemten in de vermogens belemmert en de geloofwaardigheid van het GVDB ondermijnt; dringt er bij de lidstaten op aan deze onverantwoorde trend een halt toe te roepen en om te keren en de inspanningen op nationaal en EU-niveau te verhogen om de gevolgen van de besparingen te beperken door middel van een nauwere samenwerking en het bundelen en delen;

6.  herinnert aan zijn resolutie over de gevolgen van de financiële crisis voor de defensiesector in de EU-lidstaten en herbevestigt zijn aanbevelingen om de negatieve gevolgen van de crisis voor militaire vermogens op EU-niveau tegen te gaan via een betere coördinatie van de defensieplanning, het bundelen en delen van vermogens, steun voor onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van defensie, de uitbouw van een meer geïntegreerde, duurzame, innovatieve en competitieve Europese technologische en industriële defensiebasis, de oprichting van een Europese markt voor defensie-uitrusting en het zoeken naar nieuwe vormen van EU-financiering;

7.  dringt er bij de EU-lidstaten en de Commissie op aan de nodige maatregelen te nemen om de herstructurering en consolidatie van de vermogens van de defensie-industrie serieus te vergemakkelijken, teneinde de bestaande, niet-duurzame overcapaciteit te verkleinen;

8.  is verheugd over het werk van de taakgroep voor de defensie-industrie en -markten van de Commissie en de mededeling van de Commissie van 24 juli 2013 "naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector" (COM(2013)0542), en roept de Commissie op voorstellen te ontwikkelen over de manier waarop binnen een flexibele aanpak ruimere EU-beleidsmaatregelen en -instrumenten kunnen worden gebruikt ter ondersteuning van defensie- en veiligheidsdoelstellingen, in het bijzonder op gebieden van transversale aard zoals technologieën voor tweeërlei gebruik;

9.  benadrukt dat de bestaande militaire structuren in de EU, op EU-, multinationaal en nationaal niveau, in het transformatieproces moeten blijven bouwen aan modulaire, interoperabele en inzetbare strijdkrachten die zijn aangepast aan multinationale operaties;

10.  is verheugd over de nieuwe impuls die de Europese Raad in december 2012 heeft gegeven om de operationele doeltreffendheid en efficiëntie van GVDB-operaties te verhogen, de Europese samenwerking te verbeteren teneinde toekomstgerichte vermogens te verschaffen en kritieke leemtes op te vullen alsmede om de Europese defensie-industrie te versterken;

11.  roept de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV/VV) op, met het oog op de vergadering van de Europese Raad in december 2013, voorstellen te doen waarin de aanbevelingen van deze resolutie worden weergegeven en waarin opties worden opgenomen voor de versterking van de Europese samenwerking op het vlak van veiligheid en defensie tussen de lidstaten die daartoe bereid zijn, op basis van de verdragsbepalingen betreffende de permanente gestructureerde samenwerking, als een overeenkomst tussen alle lidstaten over een ambitieuze agenda onmogelijk is;

12.  besluit om, als onderdeel van zijn eigen agenda voor de volgende constitutionele Conventie, voorstellen voor te bereiden om de Verdragen te versterken op het gebied van de ontwikkeling van het GVDB;

Het vermogen van de EU om militaire operaties te plannen en uit te voeren verbeteren

13.  neemt met spijt kennis van het feit dat de EU tien jaar na de eerste autonome, door de EU geleide militaire operatie nog steeds geen permanent militair plannings- en uitvoeringsvermogen heeft en betreurt het remmende effect hiervan op het vermogen van de EU om te reageren op dringende crises; herinnert eraan dat de huidige regelingen, die een ad-hocactivering van een nationaal hoofdkwartier vereisen, een louter reactieve benadering inhouden en geen middelen voor de noodzakelijke planning vooraf verschaffen;

14.  is van mening dat het geactiveerde operatiecentrum, ook al wordt zijn rol voor de coördinatie van de missies in de Hoorn van Afrika op prijs gesteld, wegens zijn beperkte middelen en louter ondersteunende functies een grotendeels ontoereikende stap vormt naar deze permanente capaciteit; betreurt het dat het initiatief van de vijf Weimar plus-landen niet tot een belangrijker resultaat heeft geleid; dringt er bij de lidstaten op aan in de eerste plaats overeenstemming te bereiken om aan het operatiecentrum de taak te geven van de operationele planning van niet-uitvoerende missies, zoals de EU-opleidingsmissies in Mali en Somalië;

15.  vraagt opnieuw om de oprichting van een volwaardig operationeel hoofdkwartier van de EU binnen de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), indien nodig via de permanente gestructureerde samenwerking; benadrukt dat het een civiel-militaire structuur moet zijn en dat die verantwoordelijk moet zijn voor de planning en uitvoering van zowel civiele missies als militaire operaties van de EU, met afzonderlijke civiele en militaire bevelslijnen;

16.  wijst erop dat door de oprichting van een operationeel hoofdkwartier van de EU het institutioneel geheugen van de EU over crisisbeheer enorm wordt verbeterd, dankzij de detachering van nationaal personeel wordt bijdragen aan de ontwikkeling van een gemeenschappelijke strategische cultuur, de voordelen van civiel-militaire coördinatie worden gemaximaliseerd, het bundelen van bepaalde functies mogelijk wordt gemaakt, de kosten op langere termijn worden verminderd en politieke controle door het Parlement en de Raad wordt vergemakkelijkt;

17.  benadrukt dat een permanent militair plannings- en uitvoeringsvermogen noodzakelijk is ook met betrekking tot de verplichtingen die voortvloeien uit de clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit en onderstreept dat een gepast niveau van paraatheid en reactiesnelheid moet worden gegarandeerd als een van de twee clausules wordt ingeroepen; roept de VV/HV op praktische regelingen voor te stellen voor de clausule inzake wederzijdse verdediging om reactie op EU-niveau te definiëren;

De EU-gevechtsgroepen versterken: het EU-instrument voor snelle reactie en stabilisering

18.  erkent de bijdrage van de EU-gevechtsgroepen aan de transformatie van de strijdkrachten van de lidstaten, waardoor militaire operabiliteit wordt gestimuleerd en multinationale samenwerking wordt bevorderd; betreurt dat het concept zijn nut nog niet heeft bewezen als instrument voor snelle reactie tijdens operaties en dat zonder aanzienlijke wijzigingen elke overeenkomst over inzetten onwaarschijnlijk lijkt; is van mening dat de situatie in Mali een gemiste kans is voor de eerste inzet van EU-gevechtsgroepen;

19.  is van mening dat er om de effectiviteit van de gevechtsgroepen te vergroten voldoende aandacht moet worden besteed aan de samenstelling ervan, in de wetenschap dat landen uit dezelfde regio over het algemeen een vergelijkbare visie op bedreigingen hebben, teneinde de noodzakelijke respons daarop te vergemakkelijken;

20.  is van mening dat in de herziene ATHENA-regeling voor gemeenschappelijke kosten van militaire operaties nog steeds niet op gepaste wijze rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van het concept gevechtsgroepen en vraagt dat de gemeenschappelijke kosten voor snellereactieoperaties aanzienlijk worden uitgebreid tot een volledige dekking van de kosten wanneer gevechtsgroepen worden ingezet; meent dat de toepassing van het beginsel "kosten worden gedragen waar zij worden gemaakt" op gevechtsgroepen die op vrijwillige en rotatiebasis stand-by worden gehouden, niet strookt met het beginsel van eerlijke lastenverdeling;

21.  roept de VV/HV op voorstellen te doen met het oog op de aanpassingen van het ATHENA-mechanisme aan de specifieke kenmerken van de gevechtsgroepen, indien nodig via de permanente gestructureerde samenwerking, die parallel aan een permanent operationeel hoofdkwartier wordt opgericht; dringt er tegelijkertijd bij de VV/HV op aan een voorstel te doen voor de oprichting en financiering van het startfonds voor voorbereidende werkzaamheden voor militaire operaties van de EU, zoals in het Verdrag wordt vereist;

22.  neemt kennis van de inspanningen binnen de Raad en de EDEO om de flexibiliteit en de bruikbaarheid van de gevechtsgroepen te verhogen, die tot nog toe maar weinig tastbare resultaten hebben opgeleverd; wijst erop dat een hoog niveau van interoperabiliteit noodzakelijk is, niet alleen op technisch vlak, maar ook op het vlak van procedures en concept, in het bijzonder om de inzetregels en de regels voor overdracht van het gezag op één lijn te brengen en nationale voorbehouden te verwijderen;

23.  nodigt de Europese Raad uit manieren te onderzoeken om het politieke besluitvormingsproces op EU-niveau en op nationaal niveau te stroomlijnen teneinde een snelle reactie realiteit te maken; dringt er op aan dat de noodzakelijke politieke wil wordt getoond om deze uitdagingen aan te pakken; moedigt de reflectie aan over mogelijke vereenvoudigde procedures met betrekking tot de inzet van gevechtsgroepen gedurende een beperkte periode, op voorwaarde dat aan bepaalde, duidelijk gedefinieerde en overeengekomen voorwaarden wordt voldaan, zoals een specifiek verzoek van de Verenigde Naties;

24.  verheugt zich over het hernieuwde engagement van de lidstaten voor het ambitieniveau met betrekking tot het concept gevechtsgroepen en de belofte bijdragen te plannen op basis van regelmatig terugkerende toezeggingen om in de toekomst leemtes in het rooster van de gevechtsgroepen te voorkomen; moedigt de ontwikkeling aan van de gevechtsgroepen als partnerschappen op de lange termijn, ook na de stand-by-periode, om de militaire en economische voordelen te maximaliseren van de gezamenlijke aankoop van uitrusting en diensten en van het bundelen en delen; merkt op dat het door het Europees Defensieagentschap (EDA) gesloten kadercontract voor logistieke basisdiensten voor de EU-gevechtsgroepen op stand-by tijdens het tweede semester van 2012 een concreet voorbeeld in deze richting is;

25.  wijst erop dat alle kosten die niet aan militaire operaties zijn verbonden, zoals de voorbereidings- en stand-by-kosten van gevechtsgroepen, ten laste van de EU-begroting kunnen komen;

26.  benadrukt dat de gevechtsgroepen een specifiek instrument van beperkte omvang en houdbaarheid vormen dat aan een bepaald aantal scenario's is aangepast en niet als een universeel crisisbeheersinstrument mag worden beschouwd; herinnert eraan dat in het oorspronkelijke hoofddoel van Helsinki van 1999, dat in 2008 door de Europese Raad werd herbevestigd, de doelstelling werd vastgelegd dat de EU voor een omvangrijke operatie binnen 60 dagen 60 000 man moet kunnen mobiliseren; merkt op dat hoewel deze doelstelling niet formeel werd ingetrokken, zij wegens aanhoudende vermogenstekortkomingen nooit op realistische wijze werd bereikt; merkt op dat in plaats van arbitraire doelstellingen vast te leggen waardoor de geloofwaardigheid van de EU in het gedrang dreigt te komen, er dringend aanhoudende inspanningen moeten worden geleverd om de leemten in de vermogens op te vullen en de opbouw van de troepenmacht en machtsprojectie te verbeteren met betrekking tot militaire operaties van de EU in het algemeen;

Structuren en capaciteiten bouwen om vermogenstekortkomingen aan te pakken

27.  herinnert aan de missie en taken van het EDA als vastgelegd in artikel 42, lid 3, en artikel 45 van het VEU, meer bepaald zijn essentiële rol voor de ontwikkeling en uitvoering van een EU-beleid inzake vermogens en bewapening, de harmonisering van de operationele behoeften, voorstellen voor multilaterale projecten, de coördinatie van de programma's van de lidstaten, de versterking van de industriële en technologische basis van de Europese defensiesector en de verbetering van de doelmatigheid van de militaire uitgaven; dringt er bij de lidstaten op aan wegens de sterke focus van het EDA op kosteneffectiviteit gepaste financiering eraan toe te kennen om zijn volledige potentieel te benutten en herhaalt zijn oproep aan de VV/HV om voorstellen te doen om de personeels- en exploitatiekosten van het agentschap ten laste van de EU-begroting te laten komen;

28.  betreurt het dat de lidstaten geen sterke vermogenstoezeggingen doen en roept de Raad op te voorzien in de uitvoering van de toepasselijke, in artikel 42, lid 3, en artikel 45, lid 1, van het VEU vastgelegde evaluatievereisten; roept de VV/HV op gepaste voorstellen te doen in die zin; is van mening dat het Parlement regelmatig op de hoogte moet worden gehouden over de vooruitgang in de opbouw van militaire vermogens die van belang zijn voor de tenuitvoerlegging van GVDB;

29.  moedigt verdere vooruitgang in de uitvoering van het vermogensontwikkelingsplan van het EDA aan en dringt erop aan dat het met het oog op de herziening ervan in 2013 beter wordt geïntegreerd in de nationale defensieplanning die verder moet worden geharmoniseerd; herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om een geïnstitutionaliseerd proces op te starten voor een verhoogde coördinatie van de defensieplanning, zowel onderling als binnen het Militair Comité van de EU, voornamelijk op basis van advies van het EDA; wijst erop dat de samenwerking van het Europees Defensieagentschap met het Militair Comité/de Militaire Staf van de Europese Unie moet worden uitgebreid; verwacht dat de regeringsleiders en staatshoofden tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad over Defensie in december 2013 een Europese defensieherziening opstarten;

30.  vraagt om een meer gestructureerde aanpak om belangrijke vermogenstekortkomingen op Europees niveau aan te pakken en in het bijzonder met betrekking tot belangrijke troepenondersteuning en krachtvermenigvuldigers – zoals inlichtingen-, observatie- en verkenningsgoederen (intelligence, surveillance and reconnaissance, ISR), strategisch luchttransport, helikopters, medische bijstand, bijtanken in de lucht en precisiegeleide munitie – in nauwe samenwerking en volledige complementariteit met de NAVO; is verheugd over de initiële resultaten van de door het EDA beheerde initiatieven voor het bundelen en delen, maar benadrukt dat verdere vooruitgang op dit en andere gebieden noodzakelijk is; betreurt het dat hoewel Europese strijdkrachten herhaaldelijk het ontbreken van dergelijke troepenondersteuning en krachtvermenigvuldigers in GVDB- en andere operaties hebben ondervonden, geen enkele van de geïdentificeerde leemtes in het vermogen tot nog toe op bevredigende wijze is opgevuld;

31.  verzoekt om een evaluatie van de oprichting van een permanente GVDB-opslag (met vergelijkbare taken als het NAVO-agentschap voor ondersteuning ("NATO Support Agency")), dat geïntegreerde internationale ondersteuning biedt aan militaire structuren van de EU en de lidstaten, waaronder cruciale uitrusting voor alle missies zonder omslachtige aanbestedingsprocedures;

32.  onderstreept dat de EU de benodigde efficiënte en proportionele vermogens en strategieën moet ontwikkelen om het hoofd te bieden aan de toenemende cyberbedreigingen van haar veiligheids- en strategische belangen; benadrukt dat er moet worden samengewerkt met private partijen om te kunnen slagen, om de digitale vrijheden en het internationaal recht ten volle in acht te nemen en om toereikend democratisch toezicht te waarborgen;

33.  haalt het voorbeeld aan van het Europees luchttransportcommando (European Air Transport Command, EATC) dat als een bijzonder nuttig model voor het bundelen en delen op basis van de overdracht van bepaalde bevoegdheden aan een gemeenschappelijke structuur zonder nationaal bezit op te geven zijn functie en meerwaarde tijdens operaties heeft bewezen; roept op het model van het EATC ook op andere gebieden van operationele steun te gebruiken en verwacht in het bijzonder resultaten van de werkzaamheden van het EDA over een mogelijk multinationaal helikopterverband om een andere belangrijke vermogenstekortkoming aan te pakken;

34.  herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om mede-eigendom van bepaalde dure vermogens te overwegen, in het bijzonder van ruimtecapaciteiten, onbemande luchtvaartuigen of strategisch luchttransport; is verheugd over het werk van de Commissie om de opties te onderzoeken voor de ontwikkeling van capaciteiten waarvan de EU eigenaar is, en om het potentieel te benutten van de synergieën tussen de noden van defensie en civiele veiligheid, zoals op het vlak van civiele bescherming of grensbewaking;

35.  benadrukt dat in Europa een gemeenschappelijke aanpak moet worden gecreëerd voor de ontwikkeling van op middelmatige hoogte vliegende, van op afstand bestuurde luchtvaartuigen met lange vliegduur (medium-altitude long-endurance remotely piloted air system, MALE RPAS) en moedigt de Commissie en de lidstaten aan een innovatieve aanpak te ontwikkelen om deze ambitie te bereiken;

36.  benadrukt het grote belang van satellietvermogens voor hedendaagse operaties, in het bijzonder met betrekking tot ISR-, communicatie- en navigatievermogens, en benadrukt dat het gebruik van schaarse middelen moet worden gemaximaliseerd op basis van een gemeenschappelijke aanpak en de exploitatie van alle mogelijke civiel-militaire synergieën om onnodige duplicatie te voorkomen; moedigt in dit verband verdere samenwerking aan tussen het Europees Ruimteagentschap, het EDA en de Commissie en dringt erop aan dat het Copernicus- (GMES) en Galileo-programma financiering van de EU blijven ontvangen;

37.  moedigt verdere vooruitgang van het MUSIS-programma aan om het delen van satellietbeelden van een volgende generatie waarnemingssatellieten te vergemakkelijken en vraagt om de directe financiële participatie van de EU in het programma en om de associatie van het Satellietcentrum van de EU teneinde de toegang te garanderen tot beelden op maat van de behoeften van de EU en in het bijzonder het GVDB;

38.  is verheugd over de goedkeuring van de gedragsregels inzake het bundelen en delen als een belangrijke stap in de richting van nauwere samenwerking in Europa en benadrukt dat tegen het einde van het jaar een eerste strategische beoordeling van de uitvoering ervan dient te worden uitgevoerd; verwacht dat de Europese Raad van december 2013 een belangrijke mijlpaal wordt wat het geven van een politieke impuls aan het bundelen en delen en duidelijke richtsnoeren over de uitvoering betreft; wijst erop dat de EU haar voorlichtingsactiviteiten moet intensiveren, teneinde de rol van bundelen en delen verder te bevorderen;

39.  benadrukt dat het belangrijk is de continuïteit te garanderen van de voorziening van voor de strijdkrachten van de lidstaten noodzakelijke uitrusting zodat zij hun verplichtingen in internationale crises kunnen vervullen; is zeer bezorgd over de toenemende afhankelijkheid van niet-Europese technologie en voorzieningsbronnen en de gevolgen hiervan voor de Europese autonomie; benadrukt het strategische belang van de defensie-industrie en roept het EDA en de Commissie op hun werk voort te zetten over de identificatie van belangrijke industriële capaciteiten die in Europa moeten worden behouden of ontwikkeld en over de vermindering van de Europese voorzieningsafhankelijkheid;

40.  betreurt het dat de nationale begrotingen voor defensieonderzoek verminderen en dat de financiering ervan veelal is gefragmenteerd langs nationale lijnen; wijst erop dat de EU een aanzienlijke meerwaarde kan brengen via het Europees samenwerkingsverband en grotere synergieën tussen defensie- en civieleveiligheidsonderzoek; benadrukt in het bijzonder dat er moet worden gefocust op investeringen in cruciale ontsluitende technologie zoals robottechnologie en nano- en micro-elektronica, en dat ervoor moet worden gezorgd dat de op deze gebieden bestede EU-middelen ook ten goede komen van de noden van defensie;

Coherentie in permanente multinationale structuren van de EU-lidstaten verhogen

41.  neemt kennis van het feit dat er in Europa een aantal bilaterale, regionale of multilaterale partnerschapsinitiatieven bestaat die erop zijn gericht middelen te bundelen en interoperabiliteit te bevorderen en kunnen bijdragen aan EU-, VN-, NAVO- of ad-hoccoalitieoperaties; verheugt zich over de voordelen van samenwerking en steunt de basisgedachte van het bundelen volledig, maar moedigt aan een of andere rationalisering van en betere coördinatie tussen de vele structuren met een multinationale dimensie door te voeren, die zonder enig algemeen en coherent plan zijn gegroeid;

42.  roept op de banden tussen het Eurokorps en de Militaire Staf van de EU te versterken en nodigt meer lidstaten uit de multinationale structuur van het Eurokorps te vervoegen, dat de kern kan vormen van een volledig geïntegreerd element van de Europese strijdkrachten;

43.  neemt kennis van de opheffing van Eurofor en erkent de bijdragen die het in het verleden heeft geleverd aan EU-operaties en het rooster van de gevechtsgroepen; neemt kennis van de specifieke bijdragen van Euromarfor, Eurogendfor, de Baltische Defensiesamenwerking, de Noordse Defensiesamenwerking, de Brits-Nederlandse amfibische groep, de Spaans-Italiaanse amfibische groep, het Duits-Nederlandse korps, de Belgisch-Nederlandse marinesamenwerking, het Brits-Franse initiatief om een gecombineerde, gemeenschappelijke expeditiemacht, een geïntegreerde carrier-gevechtsgroep en een gecombineerd, gemeenschappelijk hoofdkwartier van de troepenmacht op te zetten en andere bestaande of aankomende, regionale en bilaterale permanente structuren;

44.  herhaalt dat een algemene coherentie op EU-niveau moet worden gegarandeerd en nodigt de lidstaten uit hun initiatieven beter te coördineren binnen het Militair Comité van de EU op basis van inbreng van het EDA;

De Europese dimensie in onderwijs, opleiding en oefeningen versterken

45.  herhaalt zijn volledige steun aan Europese structuren en projecten op het vlak van onderwijs en opleiding en benadrukt in het bijzonder de bijdrage van de Europese veiligheids- en defensieacademie (EVDA) aan de bevordering van een gemeenschappelijke veiligheidscultuur en zijn potentieel om kostenbesparende samenwerkingsprojecten tussen nationale instellingen te identificeren en te ontwikkelen; verheugt zich over het besluit van de Raad van 12 april 2013 om de academie te versterken door haar handelingsbevoegdheid te geven en door de financiering ervan ten laste van de EU-begroting te laten komen; is van mening dat dit een voorbeeld kan vormen voor financiële steun van de EU voor andere GVDB-structuren, zoals het EDA en het Satellietcentrum van de EU; moedigt de verdere ontwikkeling aan van het Europese initiatief voor de uitwisseling van jonge officieren, dat op Erasmus is geïnspireerd, en de deelname van Europese onderwijs- en opleidingsinstellingen voor militaire officieren aan het Erasmus-programma;

46.  is een groot voorstander van bundel- en deelinitiatieven in onderwijs en opleiding, waar aanzienlijk kan worden bespaard zonder aan de nationale soevereiniteit qua operationele inzetten te raken; onderstreept het succes van het helikopteropleidingsprogramma van het EDA en verheugt zich over de start van tactische luchttransportoefeningen door het EDA, die moeten leiden tot de ontwikkeling van een Europese permanente tactische luchttransportopleidingscursus; kijkt uit naar meer vooruitgang in de ontwikkeling van een gemeenschappelijk, geïntegreerd opleidingssysteem voor toekomstige gevechtspiloten; verheugt zich over het werk van het EDA met betrekking tot meer gebundelde en gedeelde opleiding op het vlak van cyberdefensie, de bestrijding van geïmproviseerde explosieven en marineoperaties; wijst erop dat het EDA rekening moet houden met de scholingsbehoeften van de lidstaten die in het bezit zijn van luchtvaartuigen die door niet-EU bedrijven zijn geproduceerd;

47.  benadrukt dat de EU-gevechtsgroepen de mogelijkheid verschaffen voor gemeenschappelijke opleiding en oefeningen; moedigt de landen die deel uitmaken van het kader voor gevechtsgroepen, aan bijkomende deelnemers toe te laten tot de oefeningen van de gevechtsgroepen, zoals potentiële strategisch-operationele ondersteunende krachten en partnerorganisaties als de VN;

48.  wijst erop dat mogelijke overlapping met de NAVO moet worden vermeden, bijvoorbeeld op het gebied van scholingen over cyberbeveiliging;

De voordelen van de EU-NAVO-samenwerking verhogen

49.  benadrukt dat een versterking van de Europese militaire vermogens door middel van verbeterde EU-structuren ook de NAVO ten goede komt en bijdraagt tot een eerlijkere lastenverdeling binnen de alliantie; looft de pragmatische samenwerking die erop is gericht duplicaties tussen het initiatief van het bundelen en delen en dat van de slimme defensie te voorkomen, met name via interactie tussen het EDA en het Geallieerd Commando Transformatie van de NAVO;

50.  dringt aan op een nauwere en regelmatigere samenwerking op politiek niveau tussen de VV/HV en de secretaris-generaal van de NAVO, gericht op risicoanalyse, middelenbeheer, beleidsplanning en uitvoering van zowel civiele als militaire operaties; benadrukt dat de bestaande operationele samenwerking tussen de EU en de NAVO verder moet worden ontwikkeld, te beginnen met de Berlijn Plus-regeling, waarvan de uitvoering nog altijd door Turkije wordt geblokkeerd;

51.  wijst erop dat de nationale vermogens, die al dan niet binnen het EU- of het NAVO-kader werden ontwikkeld, onder nationaal gezag blijven en daarom voor elke op nationaal niveau besliste operatie kunnen worden gebruikt;

52.  benadrukt het belang van de NAVO-normen voor de Europese defensiesamenwerking en onderstreept dat voor de binnen het EU-kader ontwikkelde vermogens de volledige interoperabiliteit met de NAVO moet worden gegarandeerd;

53.  merkt op dat de NAVO-reactiemacht en de EU-gevechtsgroepen complementaire en elkaar versterkende initiatieven zijn, die echter soortgelijke inspanningen van de lidstaten vergen, en roept op tot inspanningen om de synergieën tussen hen te maximaliseren;

Het GVDB naar een nieuw niveau brengen

54.  nodigt de lidstaten uit een kwalitatieve stap voorwaarts te zetten in de Europese defensie door de militaire structuren van de EU overeenkomstig deze resolutie te versterken; moedigt de lidstaten die hiertoe bereid zijn, aan, indien nodig, te werk te gaan overeenkomstig artikel 42, lid 6, en artikel 46 van het VEU over de permanente gestructureerde samenwerking alsmede artikel 44 van het VEU; is van mening dat als dergelijke samenwerkingsvormen worden opgestart, zij bovenal moeten zijn gebaseerd op de bereidheid van de deelnemende lidstaten om hun verantwoordelijkheden in de internationale gemeenschap op te nemen en de Unie beter uit te rusten voor crisisbeheersoperaties;

55.  vindt daarom dat de permanente gestructureerde samenwerking in het bijzonder de volgende elementen moet bevatten die erop zijn gericht de operationele doeltreffendheid te verhogen:

   de oprichting van een permanent operationeel hoofdkwartier van de EU,
   een gemeenschappelijke financiering van snellereactieoperaties waarbij EU-gevechtsgroepen worden gebruikt,
   een engagement om bij te dragen tot het rooster van de gevechtsgroepen waarbij de inzetregels op één lijn worden gebracht en de besluitvormingsprocedures worden gestroomlijnd;

56.  wijst erop dat de lidstaten hun beloftes met betrekking tot capaciteitsopbouw eveneens dienen te versterken, met name via het bundelen en delen, maar dat een maximale flexibiliteit en inclusiviteit moeten worden behouden om zoveel mogelijk voordeel te halen uit verschillende bilaterale, regionale of multilaterale synergieën; is niettemin van mening dat een overeenkomst over een permanente gestructureerde samenwerking ten minste beloftes moet bevatten over:

   een gestructureerde coördinatie van de defensieplanning,
   een gemeenschappelijke evaluatie en herziening van de capaciteitsopbouw,
   meer financiering voor het EDA;

57.  merkt op dat in het Verdrag duidelijk wordt gesteld dat een permanente gestructureerde samenwerking moet worden opgericht binnen het Unie-kader en dat de grote meerderheid van binnen dit kader ontwikkelde activiteiten daarom overeenkomstig artikel 41 VEU toegang kan hebben tot de EU-begroting op dezelfde voorwaarden als andere EU-activiteiten;

58.  is van mening dat via de permanente gestructureerde samenwerking een hogere coherentie tussen Europese samenwerkingsinitiatieven ook moet worden vergemakkelijkt, in de geest van inclusiviteit en flexibiliteit, door de banden tussen de verschillende binnen een verbeterd GVDB-kader opkomende eilanden van samenwerking te versterken;

o
o   o

59.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, de regeringen en de parlementen van de EU-lidstaten, de Parlementaire Vergadering van de NAVO en de secretaris-generaal van de NAVO.

(1) PB L 343 van 23.12.2011, blz. 35.
(2) PB L 183 van 13.7.2011, blz. 16.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0455.
(4) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 9.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0334.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0574.


EU-beleid ten aanzien van Belarus
PDF 164kWORD 37k
Aanbeveling van 12 september 2013 van het Europees Parlement aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden betreffende het EU-beleid inzake Belarus (2013/2036(INI))
P7_TA(2013)0382A7-0261/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2012 over de situatie in Belarus na de parlementsverkiezingen van 23 september 2012(1),

–  gezien zijn resolutie van 29 maart 2012 over de situatie in Belarus(2),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over Belarus(3),

–  gezien zijn resolutie van 20 januari 2011 over de situatie in Belarus(4),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2012 over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid(5),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2011 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(6),

–  gezien de resolutie die de conferentie van het nationaal platform van het Forum van de maatschappelijke organisaties in het kader van het oostelijk partnerschap op 1 juni 2013 heeft goedgekeurd,

–  gezien zijn resolutie van 7 april 2011 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid – oostelijke dimensie(7),

–  gezien de verklaring van Praag die in 2009 op de top van het oostelijk partnerschap is opgesteld,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 15 oktober 2012 en Verordening (EU) nr. 1014/2012 van de Raad van 6 november 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Belarus(8),

–  gezien artikel 97 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0261/2013),

A.  overwegende dat er sinds 1994 in Belarus geen vrije en eerlijke verkiezingen zijn gehouden overeenkomstig een kieswet die aan de internationale normen voldoet;

B.  overwegende dat door de grondwettelijke hervorming van 1996 het beginsel van scheiding van machten nagenoeg geheel terzijde is geschoven en de politieke oppositie sindsdien niet meer in de politieke instellingen vertegenwoordigd is en geen deelgenoot meer is in het uitstippelen en uitvoeren van de politieke koers van het land;

C.  overwegende dat de mensenrechten en fundamentele vrijheden gedurende dezelfde periode systematisch en massaal met voeten zijn getreden, met name ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering;

D.  overwegende dat de Europese Raad in 1997 de ratificatie van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst opschortte en de interim-handelsovereenkomst bevroor, zodat de betrekkingen tussen de EU en Belarus nog altijd berusten op de handels- en samenwerkingsovereenkomst van 1989;

E.  overwegende dat het met de betrekkingen tussen de EU en Belarus in de periode 2008-2010 enigszins de goede kant opging toen Belarus zich bereid toonde om constructieve betrekkingen met de EU te ontwikkelen en er een zekere beweging te zien was om de voorwaarden voor de activiteiten van het maatschappelijk middenveld, de oppositie en de vrije pers te verbeteren; overwegende echter dat als gevolg van het hardhandige optreden na de presidentsverkiezingen in 2010 en de verscherping van het repressieve beleid, getuige de arrestatie van presidentskandidaten gevolgd door massale arrestaties, politiek gemotiveerde strafprocessen tegen vertegenwoordigers van de oppositie alsmede een golf van repressie tegen mensenrechtenactivisten en onafhankelijke media, deze betrekkingen aanzienlijk zijn verslechterd;

F.  overwegende dat de Belarussische autoriteiten met hun afwijzing van de oproepen van de EU om zich naar internationaal aanvaarde democratische normen te voegen, een beleid voeren van een aan het Belarussische volk opgelegd zelfisolement;

G.  overwegende dat het Europees Parlement het Belarussische parlement niet als legitiem erkent; overwegende dat in de afgelopen tien jaar slechts één officiële delegatie van het Europees Parlement een bezoek aan Belarus heeft gebracht, te weten in 2010;

H.  overwegende dat 70% van de Belarussische bevolking veranderingen in hun land wenst, maar dat een deel van de bevolking inziet dat ingrijpende veranderingen in eerste instantie tot een verslechtering van het levenspeil zullen leiden(9);

I.  overwegende dat democratische transformatie een haalbaardere kaart wordt als hervormingsgezinde delen van de thans heersende elites zich voor hervormingen zouden inzetten; dat de belangrijkste impulsen evenwel dienen te komen van maatschappelijke organisaties en particuliere ondernemingen;

J.  overwegende dat wanneer er onder bovengenoemde voorwaarde een consistente politieke dialoog met de Belarussische autoriteiten tot stand wordt gebracht, dit moet leiden tot betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de oppositie bij de dialoog tussen de verschillende belanghebbenden en de uitvoering van de hervormingen;

K.  overwegende dat de top van het oostelijk partnerschap in Vilnius opnieuw een belangrijke kans biedt om te komen tot een voorwaardelijke en geleidelijke verbetering van de betrekkingen tussen de EU en Belarus, op voorwaarde dat alle politieke gevangenen worden vrijgelaten en politiek gerehabiliteerd;

L.  overwegende dat de EU haar restrictieve maatregelen bijgevolg heeft herzien en uitgebreid (deze gelden momenteel voor 242 personen en 30 organisaties), terwijl de Belarussische autoriteiten tegelijkertijd een aantal politici, ambtenaren, onder wie vertegenwoordigers van internationale organisaties, journalisten en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties de toegang tot het land blijven ontzeggen;

M.  overwegende dat het nuttig kan zijn om te blijven streven naar een uniforme strategie en een actieplan, wil de politieke oppositie haar doelstellingen bereiken; overwegende dat concrete maatregelen, zoals gezamenlijke kandidatenlijsten voor de lokale verkiezingen in 2014, de opstelling van een gezamenlijk politiek programma en de presentatie van één kandidaat voor de presidentsverkiezingen in 2015, in dit verband positieve ontwikkelingen zijn;

N.  overwegende dat de Europese dialoog over modernisering die in 2012 met de Belarussische samenleving is aangegaan, een positief effect heeft gehad met het oog op het starten van een constructief debat in de Belarussische samenleving over de noodzakelijke hervormingen in het land en het informeren van de bevolking over de EU; overwegende evenwel dat het concept, het doel, de strategie, de adequate financiering en de beheerstructuur van deze dialoog nader moeten worden uitgewerkt en dat deze dialoog beter moet worden ingepast in de initiatieven in het kader van het oostelijk partnerschap;

O.  overwegende dat het nationaal platform van het Forum van de maatschappelijke organisaties in het kader van het oostelijk partnerschap een belangrijke en betrouwbare partner is alsook een uniek communicatiekanaal voor de EU met de Belarussische bevolking;

P.  overwegende dat er nog steeds politieke gevangenen in Belarus zijn(10), onder wie Ales Bialiatski, mensenrechtenactivist en kandidaat voor de Sacharovprijs, die psychisch en lichamelijk zwaar is gemarteld, onder meer met doodsbedreigingen, ongerechtvaardigde overbrengingen, ontoereikende gezondheidszorg en ontzegging van alle contact met familieleden; overwegende dat de vrijlating en politieke rehabilitatie van alle politieke gevangenen, en de vooruitgang van Belarus bij het nakomen van zijn internationale verplichtingen en de eerbiediging van de fundamentele mensenrechten, de rechtsstaat en de democratische vrijheden, de belangrijkste voorwaarden blijven voor de normalisering van de betrekkingen tussen de EU en Belarus;

Q.  overwegende dat de daling van het absolute aantal politiek gemotiveerde arrestaties (van 868 in 2011 tot 235 in 2012 volgens berichten van het centrum voor mensenrechten Viasna) wellicht is toe te schrijven aan de heersende sfeer van onderdrukking en intimidatie;

R.  overwegende dat als gevolg van recente restrictieve wetswijzigingen de repressie van het maatschappelijk middenveld, waaronder mensenrechtenactivisten, onafhankelijke media en advocaten, verder is toegenomen; overwegende dat de algemene situatie op het gebied van de mensenrechten en fundamentele vrijheden betreurenswaardig is en een punt van grote zorg blijft, zoals naar voren komt uit het verslag 2013 van de speciale rapporteur van de VN inzake Belarus; overwegende dat de betrekkingen met de EU verder verslechteren door het dove oor dat de Belarussische autoriteiten de oproepen van de internationale gemeenschap toekeren en dat het land zich ook daardoor steeds verder in een isolement plaatst;

S.  overwegende dat de Belarussische autoriteiten in 2012 hun wetgeving hebben gewijzigd, waardoor de KGB uitgebreide bevoegdheden heeft gekregen om vrijelijk dwangmaatregelen toe te passen; overwegende dat de veiligheidsdiensten conform de nieuwe wetgeving onbeperkt woningen mogen binnendringen en zowel Belarussische staatsburgers als diplomaten en vertegenwoordigers van internationale instellingen die immuniteit genieten, mogen arresteren en vasthouden; overwegende dat KGB-medewerkers door een bepaling in deze wet ook zijn vrijgesteld van alle wettelijke aansprakelijkheid voor door hen veroorzaakt letsel; overwegende dat de Belarussische speciale eenheden uitgebreide bevoegdheden hebben gekregen voor het uiteendrijven van manifestaties;

T.  overwegende dat volgens de eind 2011 gewijzigde wet op de "massabijeenkomsten" het houden van een massabetoging kan leiden tot strafrechtelijke aansprakelijkheid voor schending van de openbare orde; overwegende dat organisatoren van grote betogingen verplicht zijn om de autoriteiten informatie te verstrekken over hun financieringsbronnen;

U.  overwegende dat in 2011 het ontvangen van buitenlandse subsidies strafbaar is gesteld en het begrip landverraad is uitgebreid, waardoor de autoriteiten organisaties en personen die financiering uit het buitenland ontvangen of deelnemen aan activiteiten op internationaal niveau strafrechtelijk kunnen vervolgen;

V.  overwegende dat het Belarussische Ministerie van Justitie in 2012 geweigerd heeft 19 ngo's en twee politieke partijen in te schrijven en dat leden van niet-ingeschreven organisaties in Belarus continu worden geïntimideerd, lastiggevallen en vervolgd;

W.  overwegende dat Belarus als enig Europees land de doodstraf toepast; overwegende dat de familie van veroordeelden en het publiek de datum van terechtstelling niet te weten komen, dat hun lichaam niet aan de familie wordt vrijgegeven om te kunnen worden begraven en dat de familie zelfs niet de plaats van teraardebestelling wordt meegedeeld;

X.  overwegende dat in 2012 twee personen zijn geëxecuteerd, hoewel het gerechtelijk proces tegen hen niet voldeed aan de criteria voor een eerlijk proces; overwegende dat er na een lange periode in 2012 niemand ter dood is veroordeeld, maar dat er in 2013 opnieuw terdoodveroordelingen hebben plaatsgevonden;

Y.  overwegende dat de situatie in Belarus kan worden gekenschetst door een gebrek aan vertrouwen in het rechtsstelsel, omdat het onvoldoende onafhankelijk is en politiek gemotiveerde vonnissen voortbrengt;

Z.  overwegende dat Belarus als enig land van de groep landen van het oostelijk partnerschap nog geen officiële mensenrechteninstelling heeft;

AA.  overwegende dat censuur een ernstig politiek probleem is in Belarus;

AB.  overwegende dat Belarus volgens de World Press Freedom Index voor 2013 van Reporters without Borders op een totaal van 179 landen gestegen is van de 168e naar de 157e plaats, maar nog altijd het laagst staat van alle landen van het oostelijk partnerschap (Azerbeidzjan (156), Oekraïne (126), Georgië (100), Armenië (74), Moldavië (55));

AC.  overwegende dat de toegang tot onafhankelijke tv- en radiozenders en gedrukte media momenteel slecht is en de staatsmedia de toegang tot informatie beheersen;

AD.  overwegende dat in Belarus de vrijheid van de media op onaanvaardbare wijze aan banden wordt gelegd, met name door de intimidatie van journalisten die het land niet mogen verlaten, wetgeving die de omroep- en internetvrijheid inperkt, alsook selectieve rechtspraak tegen onafhankelijke journalisten, zoals in drie in de zomer van 2012 ingeleide strafzaken;

AE.  overwegende dat in 2012 op grond van oneigenlijke argumenten minstens vijftien activisten en journalisten Belarus niet mochten verlaten;

AF.  overwegende dat meer dan de helft van de Belarussische burgers toegang heeft tot internet; overwegende dat elektronische media nieuwe mogelijkheden bieden voor bredere toegang tot onafhankelijke media, hoewel in regerings- en onderwijsinstellingen een aantal het regime onwelgevallige websites geblokkeerd is;

AG.  overwegende dat Belarus de 50e plaats op de nieuwste Human Development Index van de VN van 2012 inneemt, terwijl Rusland op de 55e plaats staat en de landen van het oostelijk partnerschap nog lager (Georgië (72), Oekraïne (78), Azerbeidzjan (82), Armenië (87) en Moldavië (113));

AH.  overwegende dat het socialezekerheidsstelsel een van de belangrijkste redenen is van de relatieve sociale stabiliteit in het land, waarbij mensen steun trekken en in ruil daarvoor politiek inactief blijven; overwegende dat 65% van de Belarussen een vorm van staatssteun ontvangt, bijvoorbeeld een pensioen, een studiebeurs of een werkloosheidsuitkering;

AI.  overwegende dat het werkloosheidscijfer kunstmatig laag kan worden gehouden door middel van subsidies voor staatsbedrijven, die ongeveer 70% van het bbp genereren en 50% van de actieve bevolking in dienst hebben;

AJ.  overwegende dat de Belarussische regering weliswaar tracht buitenlandse investeringen aan te trekken - dit met een goed opgeleide arbeidsbevolking, een privatiseringsprogramma, zes vrije economische zones en een technologiepark - maar dat er duidelijk sprake is van systematische staatsinterventie in de particuliere sector;

AK.  overwegende dat de Belarussische autoriteiten tot nu hebben aangegeven geopolitiek geïnteresseerd te zijn in verdere economische integratie met Rusland middels de oprichting van de Euraziatische economische en douane-unie; overwegende dat de afgelopen jaren het leeuwendeel van de directe buitenlandse investeringen in Belarus van Russische oorsprong was; overwegende dat in de afgelopen decennia zo'n 700.000 Belarussen voor het werk naar Rusland zijn geëmigreerd, met name naar Moskou en St. Petersburg;

AL.  overwegende dat er zowel vanuit de EU als uit Belarus signalen te vernemen zijn over een hervatting van de onderhandelingen over de toetreding van Belarus tot de WTO, met name in verband met de toetreding van Rusland tot de WTO;

AM.  overwegende dat uit recent opiniepeilingen in het kader van de EU-nabuurschapsbarometer naar voren komt dat meer dan 50% van de Belarussische bevolking van mening is dat de EU een grotere rol zou moeten spelen op het gebied van economische ontwikkeling, handel en regionale samenwerking met Belarus;

AN.  overwegende dat het recentelijk door de Belarussische autoriteiten afgekondigde moderniseringsprogramma volgens deskundigen vooral gericht is op verbetering van de industriële basisinfrastructuur, terwijl het land behoefte heeft aan verdergaande economische hervormingen en een transparant ondernemingsklimaat wenst, alsook minder overheidscontrole in alle bedrijfssectoren;

AO.  overwegende dat Belarus de 123e plaats inneemt op de Corruption Perceptions Index 2012 van Transparency International op een totaal van 176 landen en gebieden, tegenover Oekraïne de 144e, Azerbeidzjan de 139e, Rusland de 133e, Armenië de 105e, Moldavië de 94e en Georgië de 51e;

AP.  overwegende dat Belarus onlangs toegetreden is tot Greco, het mechanisme voor corruptiebestrijding van de Raad van Europa, en tevens lid is geworden van Greta, het mechanisme ter bestrijding van mensenhandel;

AQ.  overwegende dat Belarus onder het Europees nabuurschapsbeleid valt, maar er gezien de politieke situatie nog geen actieplan voor bestaat;

AR.  overwegende dat de bijstand aan Belarus momenteel wordt toegekend uit hoofd van het landenstrategiedocument 2007-2013;

AS.  overwegende dat in de financiële perspectieven voor 2007-2013 een bedrag van 33,4 miljoen euro gereserveerd was voor grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten tussen Belarus en de omringende landen in het kader van het Europees Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument (ENPI) en dat momenteel ongeveer 60 gemeenten deelnemen aan 50 gezamenlijke grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten tussen Letland, Litouwen en Belarus;

AT.  overwegende dat er momenteel slechts 20 Belarussische deskundigen deelnemen aan uiteenlopende ENPI-projecten, terwijl dat er in 2008 nog 120 waren;

AU.  overwegende dat de Belarussische autoriteiten actief deelnemen aan bijeenkomsten van deskundigen in het kader van het multilaterale onderdeel van het oostelijk partnerschap, in het bijzonder grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten;

AV.  overwegende dat 58 steden en gemeenten in Polen, 47 in Litouwen en 30 in Letland een vruchtbaar samenwerkingsverband hebben met hun partnersteden en -gemeenten in Belarus, alsook dat de Euregio Nemunas-Neman-Niemen, die Litouwen, Polen, het district Kaliningrad en Belarus samenbrengt in een structuur ter uitvoering van gemeenschappelijke projecten, mag worden aangemerkt als een goed praktijkvoorbeeld;

AW.  overwegende dat de afgelopen jaren aan Belarussen per hoofd van de bevolking het grootste aantal Schengenvisa ter wereld is verstrekt; evenwel overwegende dat zij veel meer geld en in vele gevallen ook veel meer tijd en moeite kwijt zijn voor de visumaanvraagprocedure dan burgers van andere landen van het oostelijk partnerschap en Russen;

1.  richt de volgende aanbevelingen aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie (HV/VV), de EDEO, de Raad, de Commissie en de lidstaten: zij dienen

Over de politieke dialoog

Over samenwerking op economisch en energiegebied

Over het grensbeheer

Over maatschappelijke organisaties en intermenselijke contacten

   a. de Belarussische autoriteiten op te roepen de mensenrechten te eerbiedigen en te werken aan een democratische transitie om zo een einde maken aan het zelfopgelegde isolement van het land ten opzichte van de rest van Europa;
   b. te herhalen dat als absolute voorwaarde voor vooruitgang in de bilaterale betrekkingen, die kan leiden tot de geleidelijke opheffing van de restrictieve maatregelen van de EU en dooi in de betrekkingen tussen de EU en Belarus, alle resterende politieke gevangenen onvoorwaardelijk en onmiddellijk moeten worden vrijgelaten en in hun politieke en burgerrechten hersteld;
   c. het Litouwse voorzitterschap en de top van het oostelijk partnerschap in Vilnius aan te grijpen als nieuwe belangrijke gelegenheid om de betrekkingen met Belarus te verbeteren, zodra alle politieke gevangenen zijn vrijgelaten, met het oog op een nieuw begin van de politieke dialoog o.a. over democratische hervormingen, vrije en eerlijke verkiezingen, eerbiediging van de beginselen van de rechtsstaat, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden alsmede gesprekken met de oppositie en het maatschappelijk middenveld, mits de Belarussische autoriteiten respect aan de dag leggen voor deze fundamentele waarden;
   d. neemt kennis van de vrijlating van Dzmitry Dashkevich en Aliaksandr Franskevich in respectievelijk augustus en september 2013, maar betreurt het feit dat deze voormalig politieke gevangenen pas hun vrijheid terugkregen nadat ze hun hele gevangenisstraf hadden uitgezeten;
   e. optimaal gebruik te maken van de tijdelijke en voorwaardelijke verwijdering van de zittende minister van Buitenlandse Zaken van de zwarte lijst van de EU voor visumverlening, om het belangrijkste en essentiële diplomatieke communicatiekanaal met Belarus te verbreden, met name teneinde deze in staat te stellen deel te nemen aan de top van het oostelijk partnerschap; in de allereerste plaats voor een betekenisvolle dialoog over de vrijlating van politieke gevangenen; maar om desalniettemin hard te blijven ten aanzien van het visumverbod en het bevriezen van tegoeden voor degenen die rechtstreeks betrokken zijn bij de schending van de democratische verkiezingsnormen en de mensenrechten;
   f. de huidige beperkende maatregelen van de EU tegen Belarussische ambtenaren en entiteiten aan een diepgravende analyse te onderwerpen teneinde, zo nodig, de doeltreffendheid van die maatregelen te verbeteren en het toepassingsgebied, het karakter en de geldigheid ervan aan te passen aan de binnenlandse ontwikkelingen en de ontwikkelingen op het vlak van de betrekkingen met de EU;
   g. een strategische "routekaart" voor te bereiden, geënt op het gezamenlijke interim-plan en gebaseerd op het beginsel van "meer voor meer", waarop de prioritaire hervormingsgebieden in Belarus worden aangegeven met het oog op de verbetering van de betrekkingen en een doeltreffende samenwerking in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB), mits er concreet aan democratische hervormingen wordt gewerkt;
   h. zodra de verkiezingen door internationale organisaties als vrij en eerlijk worden erkend, het Europees Parlement te raadplegen over het opnemen van nieuwe voorstellen inzake de interparlementaire betrekkingen, zowel bilateraal als in het kader van de Parlementaire Vergadering Euronest, met handhaving van de EU-steun voor de democratische krachten en het maatschappelijk middenveld van Belarus;
   i. ervoor te zorgen dat de lidstaten overeenkomstig artikel 24 VEU het EU-standpunt inzake Belarus steunen en zich in hun bilaterale betrekkingen conformeren aan het optreden van de EU; te benadrukken dat wanneer alle EU-lidstaten en andere democratische landen vastbesloten zijn om eendrachtig op te treden, de toepassing van de universele democratische waarden en de uitvoering van hervormingen in Belarus succesvol kunnen worden bevorderd;
   j. de dialoog te stimuleren met ambtenaren die niet persoonlijk bij de onderdrukking van burgers betrokken zijn geweest, dit versterking van de samenwerking tussen de EU en Belarus; bij te dragen tot hun interactie met de maatschappelijke organisaties in Belarus, om uiteindelijk het pad te effenen voor hervormingen;
   k. het maatschappelijk middenveld in bredere zin, zoals onder meer vakbonden en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, alsook de politieke oppositie aan te moedigen om zich sterker te mengen in de dialoog over modernisering; uitgaande van de aanbevelingen van het nationaal platform van het Forum van de maatschappelijke organisaties, openbare inspraakrondes te organiseren over het concept, het doel, de strategie en de beheerstructuur van deze dialoog; de dialoog via de nodige financiële steun en deskundigheid verder te ondersteunen en de communicatiecampagne over de inhoud van de dialoog en wat ermee beoogd wordt, te versterken;
   l. erop toe te zien dat elke vorm van deelname van de autoriteiten aan de dialoog over modernisering, naast en op voet van gelijkheid met de democratische oppositie en het maatschappelijk middenveld, volledig strookt met de democratische beginselen en gericht is op het ontwikkelen van een concurrerende economie en het bevorderen van democratische hervormingen, een pluralistische samenleving en de rechtsstaat;
   m. te verklaren dat het maatschappelijk middenveld een cruciale partij is bij de politieke dialoog van de EU als het gaat om de bevordering van democratische veranderingen in Belarus, en daarom steun te geven aan het idee om in de aanloop naar de derde top van het oostelijk partnerschap, in Vilnius een middenveldconferentie te beleggen;
   n. ten volste gebruik te maken van het Europees Fonds voor Democratie (EFD) teneinde de belangrijkste pleitbezorgers van democratie en mensenrechten in Belarus te ondersteunen, in het bijzonder degenen die moeite hadden om traditionele EU-steun te verkrijgen;
   o. Rusland en de landen van het oostelijk partnerschap aan te sporen om Belarus op te roepen alle politieke gevangenen onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten en politiek te rehabiliteren alsook om zich verder te onthouden van politiek gemotiveerde intimidatie;
   p. erop toe te zien dat vertegenwoordigers van de EU en de lidstaten die Belarus bezoeken regelmatig contact onderhouden met vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de oppositie, teneinde te zorgen voor een evenwichtige deelname van alle partijen aan de processen in verband met de betrekkingen tussen de EU en Belarus;
   q. alle beschikbare beleidsopties te bekijken om Belarus ertoe aan te moedigen dat het:
   uitgaande van de aanbevelingen van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR), de hervormingen van de kieswet volledig doorvoert teneinde een pluralistisch politiek bestel tot stand te brengen dat berust op vrije en eerlijke verkiezingen en waar beleidsideeën de vrucht zijn van echte politieke concurrentie tussen politieke partijen als bouwsteen van de democratie;
   toestemming geeft voor de heropening van het gesloten OVSE-kantoor in Minsk;
   een einde maakt aan alle belemmeringen en beperkingen die voor de democratische oppositie, maatschappelijke organisaties en ngo's gelden ten aanzien van de uitoefening van de vrijheid van vereniging, meningsuiting, verkeer, vreedzame vergadering en denken, waaronder belemmeringen van de registratie, en toestaat dat technische bijstand voor internationale samenwerking normaal kan worden verstrekt en ontvangen; de bepalingen in zijn wetboek van strafrecht inzake deelname aan niet-geregistreerde organisaties hervormt;
   de noodzakelijke institutionele veranderingen aanbrengt om de onafhankelijkheid van de rechtspraak te verzekeren, overeenkomstig de aanbevelingen van de speciale VN-rapporteur over de onafhankelijkheid van rechters en advocaten, alsmede de onafhankelijkheid van advocaten door de wet op de juridische beroepsgroep aan te passen en daadwerkelijk toe te passen;
   de in 2013 uitgesproken doodvonnissen niet uitvoert en een moratorium voor de doodstraf instelt, gevolgd door afschaffing van de doodstraf;
   uitvoering geeft aan de besluiten over individuele gevallen van het VN-Mensenrechtencomité en de VN-Werkgroep inzake willekeurige detentie, alsmede aan de aanbevelingen van de VN-Commissie tegen marteling uit 2011, om een eind te maken aan de onmenselijke en mensonterende behandeling van personen;
   volledig samenwerkt met de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Belarus bij de behandeling van de ernstige zorgen die deze in zijn rapport van april 2013 heeft neergelegd, en hem, als een eerste stap, toegang tot het land verschaft;
   het penitentiaire stelsel volledig moderniseert en de samenwerking met de Raad van Europa intensiveert, in de eerste plaats door ondertekening van het Europees Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, dat het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen regelmatig toegang biedt tot detentiecentra, met name die waar zich politieke gevangenen en mensenrechtenactivisten bevinden; vertegenwoordigers van andere relevante internationale en nationale organisaties, diplomaten, maatschappelijke organisaties en familieleden van politieke gevangenen toegang geeft tot de gevangenissen in Belarus;
   een onafhankelijke en in alle opzichten functionele nationale mensenrechteninstelling opricht, bijvoorbeeld in de vorm van een ombudsman;
   gelijke kansen en rechten voor alle nationale minderheden waarborgt en ervoor zorgt dat zij worden geïntegreerd en niet gediscrimineerd, en daarbij zorg draagt voor normalisering van de situatie van de Unie van Polen in Belarus; een einde maakt aan de marginalisering van de Romaminderheid en vooruitgang boekt bij de eerbiediging van religieuze rechten en vrijheden alsmede de non-discriminatie van LGBT-personen;
   r. met betrekking tot de daadwerkelijke vrijheid van en toegang tot de media de volgende maatregelen te nemen: Belarus ertoe aansporen de beperkingen op de accreditatie van journalisten en op het gebruik van satelliettelevisie op te heffen en de financiële en technische bijstand van de EU aan alle soorten onafhankelijke media (binnen en buiten het land) te intensiveren, opdat de exploitatie daarvan op termijn haalbaar blijft en deze media potentieel breed toegankelijk worden; hulp bieden bij het invullen van aanvragen voor steun uit Europese programma's en bij het ontwikkelen van gezamenlijke projecten en consortia met internationale persagentschappen en buitenlandse media;
   s. te streven naar een constructieve technische dialoog tussen de EU en Belarus over macro-economische ontwikkelingen en financiële kwesties om een geloofwaardige toezegging van Belarus te verkrijgen met het oog op macro-economische en structurele hervormingen, waaronder de privatisering van staatsbedrijven, de liberalisering van de prijzen, de handel en het bankenstelsel, de ontwikkeling van een adequaat sociaal vangnet en de corruptiebestrijding;
   t. verder te benadrukken dat bovengenoemde hervormingen - mits voldaan is aan de belangrijkste politieke voorwaarden - cruciaal zijn voor de economische ontwikkeling van Belarus, Europese investeringen en internationale leningen gemakkelijker zouden maken, een positief signaal zouden kunnen zijn voor het wegnemen van de huidige obstakels in de WTO-onderhandelingen en daarmee een verdere integratie in de wereldeconomie mogelijk zouden maken;
   u. technische bijstand te verlenen om een gunstig ondernemingsklimaat te creëren waarin alle bedrijven, en met name kmo's, dezelfde randvoorwaarden, investeringsveiligheid en gelijke kansen hebben;
   v. verder met Belarus in gesprek te gaan over werkgelegenheidskwesties, waaronder menselijk kapitaal en de ontwikkeling van vaardigheden die aansluiten op de behoeften van de arbeidsmarkt;
   w. Belarus aan te moedigen om de aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) na te komen, in het bijzonder ten aanzien van de vrijheid van vereniging, de registratie en de activiteiten van onafhankelijke vakbonden; Belarus ertoe aan te sporen zijn wetgeving zodanig te wijzigen dat werknemers zowel in de publieke als in de private sector hun baan vrij en zonder enige beperkingen kunnen opzeggen;
   x. er bij Belarus op aan te dringen dat het de strengste internationale veiligheidsnormen toepast en een werkelijk onafhankelijke milieueffectbeoordeling uitvoert bij de bouw en exploitatie van alle elektriciteitscentrales en daarbij optimaal gebruik maakt van de deskundigheid en de financiering uit alle beschikbare internationale instrumenten, met volledige inachtneming van de bestaande internationale wetgeving, zoals het Verdrag van Espoo en het Verdrag van Aarhus, en overeenkomstig de toezegging van 23 juni 2011 om uitgebreide risico- en veiligheidsanalyses uit te voeren (stresstests), daarbij rekening houdend met de door de Europese Commissie en de Groep Europese Regelgevers op het gebied van nucleaire veiligheid overeengekomen specificaties;
   y. bijstand te verlenen bij de diversifiëring van het energieaanbod en de aanvoerroutes in Belarus en met dit land de goede praktijken van de EU te delen bij de uitvoering van internationale en regionale projecten in het kader van de "groene economie", waarbij steun wordt verleend voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen;
   z. verdergaande regionale samenwerking met Belarus te bevorderen, o.a. door middel van de sectoriële initiatieven van het oostelijk partnerschap, met name op het gebied van handel, energie, milieu en vervoer; de organisatie van bilaterale economische fora als beste praktijk aan te moedigen en daarbij tevens naar meer capaciteitsopbouw door niet-overheidsactoren te streven alsook naar de bevordering van goed bestuur en de hervorming van het openbaar bestuur;
   aa. de door de kernramp in Tsjernobyl getroffen bevolking verdere technische ondersteuning en gezondheidszorg te blijven bieden;
   ab. Belarus aan te moedigen om de exploratie en ontwikkeling van onconventionele energiebronnen ter hand te nemen;
   ac. de samenwerking tussen de EU en Belarus bij het grensbeheer en de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit te versterken en met name Belarus bij te staan bij de ontwikkeling van zijn transitosysteem, de modernisering van de douane- en grenscontroleprocedures en de volledige uitvoering van het EU-concept van geïntegreerd grensbeheer;
   ad. te waarborgen dat diplomaten en politici uit de EU onbeperkte toegang tot en reismogelijkheden in Belarus hebben;
   ae. in wederzijds belang bijscholing te verzorgen om het Belarussische agentschap voor grensbeheer vertrouwd te maken met het Schengenacquis;
   af. de verlening van passende technische bijstand in overweging te nemen voor de installatie aan EU-zijde van moderne grenscontrolesystemen en moderne infrastructuur;
   ag. de desbetreffende Belarussische diensten passende scholing te geven over de beste praktijken van de EU op het vlak van de invoering van biometrische paspoorten;
   ah. een mobiliteitspartnerschap EU-Belarus in het leven te roepen en Belarus aan te moedigen tot actieve deelname aan het Panel over migratie en asiel in het kader van het oostelijk partnerschap;
   ai. de samenwerking tussen Belarus en het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) en het Kinderfonds van de Verenigde Naties (UNICEF) te stimuleren ter ondersteuning van programma's voor de bestrijding van mensenhandel;
   aj. het aandeel van de projecten te verhogen die de brede bevolking meer voordeel opleveren en voor de mensen beter zichtbaar zijn, zodat het begrip bij de burgers voor de waarden, de normen en het beleid van de EU groeit en de voordelen van de EU als model en op het gebied van deskundigheid beter uit de verf komen; tegen deze achtergrond de door het Forum van de maatschappelijke organisaties geboden kansen aan te grijpen, in het bijzonder gezien de aanstaande bijeenkomst in Chisinau in oktober dit jaar;
   ak. zich systematisch en compromisloos te verzetten tegen desinformatie en misleidende informatie van de kant van de Belarussische autoriteiten over het EU-beleid en EU-projecten door middel van vrijgave en verspreiding van alle noodzakelijke informatie (gegevens, cijfers en wetgeving);
   al. meer technische en financiële steun te verlenen, onder meer via het nieuwe Europees Fonds voor Democratie, aan maatschappelijke organisaties, onafhankelijke ngo's, mensenrechtenactivisten en vakbonden in Belarus of in de lidstaten met een belangrijke impact op Belarus; het maatschappelijk middenveld actiever te betrekken bij de tenuitvoerlegging, monitoring en beoordeling van door de EU gefinancierde projecten; tevens de communicatie en verspreiding van informatie over de EU aanzienlijk te verbeteren om de EU-benadering van grondrechten en fundamentele vrijheden voor de burgers begrijpelijker te maken en hen te doordringen van de noodzaak van sociaaleconomische vooruitgang;
   am. steun te verlenen aan organisaties die zich inzetten voor democratie en mensenrechten, niet alleen organisaties die zijn gevestigd in Belarus, maar ook organisaties die daarbuiten hun zetel hebben, aangezien de Belarussische autoriteiten consequent weigeren om ze te registreren; zo spoedig mogelijk de recentste nieuwe regels inzake het aanvragen van EU-financiering in het kader van het EIDHR/NSLA-instrument te herzien, die in de praktijk bekende en gerenommeerde Belarussische ngo's uitsluiten van de aanvraagprocedure;
   an. de Belarussische autoriteiten te verzoeken Besluit A/HRC/WGAD/2012/39 van de VN-Werkgroep inzake willekeurige detentie in de zaak van mensenrechtenactivist Ales Bialiatski ten uitvoer te leggen, waarin in het bijzonder gesteld werd dat de detentie van de heer Bialiatski, voorzitter van het mensenrechtencentrum "Viasna" en vicevoorzitter van de Internationale Federatie voor de mensenrechten (FIDH), arbitrair was en "strijdig met artikel 20, lid 1, van de Universele Verklaring van de rechten van de mens en artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten";
   ao. Belarus dringend op te roepen een permanente uitnodiging uit te spreken voor alle speciale procedures van de VN en de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie uit te nodigen het land te bezoeken;
   ap. de Belarussische autoriteiten te verplichten om de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het ontvangen van buitenlandse subsidies te schrappen en om toe te staan dat organisaties tegoeden bij buitenlandse banken aanhouden;
   aq. te overwegen de afgifte van visa te vergemakkelijken en de visumkosten te verlagen van 60 euro tot een voor Belarussische burgers betaalbaar bedrag, daarbij ten volle gebruikmakend van de flexibele mogelijkheden die de Visumcode nu al biedt, o.a. het gratis of tegen verlaagd tarief afgeven van een visum voor een kort verblijf, met name voor jongeren, teneinde persoonlijke contacten mogelijk te maken en te intensifiëren en te helpen voorkomen dat Belarussische burgers verder in een isolement terechtkomen; tevens te overwegen om eenzijdig het visumtarief voor een verblijf van langere duur te verlagen of af te schaffen, met visumvrijheid als doelstelling voor de lange termijn;
   ar. de Belarussische autoriteiten te verzoeken onderhandelingen met de EU aan te gaan over overeenkomsten inzake de versoepeling van de afgifte van visa en de terugname van personen, om op lange termijn tot een visumvrije regeling te komen ter bevordering van de intermenselijke contacten, en dringend maatregelen te nemen met het oog op de uitvoering van akkoorden met Polen en Litouwen inzake lokaal grensverkeer;
   as. de samenwerking tussen steden en gemeenten in de EU en Belarus te stimuleren en daarbij gebruik te maken van de goede praktijken in een aantal EU-lidstaten, en meer in het bijzonder Polen, Litouwen en Letland;
   at. ernaar te streven in de EU meer onderwijs- en onderzoeksmogelijkheden voor Belarussen te bieden op het vlak van hoger, informeel en volwassenenonderwijs; een stageprogramma voor jonge Belarussische professionals bij EU-instellingen en andere internationale organisaties op te zetten en te ondersteunen; verdere steun te verlenen aan de Europese Universiteit van Menswetenschappen, en in Belarus onderwijs- en beroepsopleidingsprogramma's te ontwikkelen en te ondersteunen; een adequate en blijvende financiering te verzekeren van het programma Erasmus Mundus voor Belarussische studenten;
   au. actief te zoeken naar mogelijkheden om met Belarus een dialoog aan te gaan over een ingrijpende hervorming van zijn hogeronderwijsstelsel, die met name gericht is op academische vrijheid, institutionele autonomie en studentenparticipatie, zodat Belarus uiteindelijk kan toetreden tot de Europese hogeronderwijsruimte (het Bolognaproces);
   av. de Internationale IJshockeyfederatie op te roepen haar besluit om Belarus het wereldkampioenschap ijshockey 2014 te laten organiseren, ernstig te heroverwegen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie (HV/VV), de EDEO, de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0410.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0112.
(3) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 162.
(4) PB C 136 E van 11.5.2012, blz. 57.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0334.
(6) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 26.
(7) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 105.
(8) PB L 307 van 7.11.2012, blz. 1.
(9) Gegevens van het Independent Institute of Socio-economic Studies, april 2013.
(10) Op de lijst van politieke gevangenen staan ook de namen van Mikalai Statkevich, Pavel Seviarynets, Eduard Lobau, Mikalay Antukhovich, Mikalay Dziadok en Ihar Alienevich.


Druk vanwege Rusland op de landen van het Oostelijk Partnerschap (in de context van de aanstaande top van het Oostelijk Partnerschap in Vilnius)
PDF 118kWORD 23k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de druk die Rusland uitoefent op landen van het Oostelijk Partnerschap (tegen de achtergrond van de komende top van het Oostelijk Partnerschap in Vilnius) (2013/2826(RSP))
P7_TA(2013)0383RC-B7-0389/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de top van het Oostelijk Partnerschap die in november 2013 in Vilnius zal worden gehouden,

–  gezien het feit dat Oekraïne, Georgië en Moldavië naar verwachting associatieovereenkomsten met de Europese Unie zullen ondertekenen of paraferen, al naar het geval, gezien in het bijzonder de nieuwe, uitgebreide aard van de associaties in kwestie, die uitzicht bieden op brede en intensieve verhoudingen met Europese partners en lang niet alleen puur economische voordelen opleveren maar tot sterke politieke en maatschappelijke betrekkingen zullen leiden,

–  gezien het Memorandum van Boedapest van 1994 betreffende de nucleaire ontwapening van Oekraïne, waarin aan Oekraïne garanties worden geboden tegen het gebruik of de dreiging van geweld en wordt voorzien in de verlening van steun aan het land indien er pogingen worden gedaan om het door middel van economische dwang onder druk te zetten,

–  gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat aanhoudend engagement binnen het Oostelijk Partnerschap de aangesloten landen een alomvattende agenda heeft geboden voor het nastreven van hervormingen die hun burgers ten goede komen, terwijl de associatieovereenkomsten en de vergaande en veelomvattende vrijhandelsovereenkomsten tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap een verbintenis van bereidwilligen uitmaken en de samenwerking tussen de partijen op heel wat vlakken kunnen versterken en met succes laten voortduren;

B.  overwegende dat de landen van het Oostelijk Partnerschap die vooruitzichten hebben op een associatieovereenkomst, zeer recentelijk druk hebben ondervonden (bijvoorbeeld gerichte sancties tegen de export van Oekraïne, een uitvoerverbod voor de Moldavische wijnsector, aanvullende belemmeringen voor de oplossing van het Transnistrische conflict en veiligheidsgerelateerde dreigingen met betrekking tot Armenië) teneinde deze landen te dwingen de associatieovereenkomsten en de vergaande en veelomvattende vrijhandelsovereenkomsten niet te ondertekenen of te paraferen maar in plaats daarvan lid te worden van de door Rusland geleide douane-unie, die Rusland van plan is om te vormen tot een Euro-Aziatische Unie, en dit ertoe heeft geleid dat deze landen zich nu als gevolg van geopolitieke dwang die ze eigenlijk niet zouden mogen ondervinden, in een hachelijke positie bevinden;

C.  overwegende dat de aard van de druk die op de landen van het Oostelijk Partnerschap wordt uitgeoefend, gaande van actuele economische en politieke kwesties tot de aankondiging van toekomstige economische beperkingen, een uiting vormt van Ruslands voornemen om de regio van het Oostelijk Partnerschap als zijn exclusieve invloedssfeer te blijven beschouwen en zich te verzetten tegen het vooruitzicht van een toenadering tussen deze landen en de EU door middel van de associatieovereenkomsten, een benadering die indruist tegen de beginselen van nationale soevereiniteit, onderling vertrouwen en goede nabuurschapsbetrekkingen;

D.  overwegende dat de landen van het Oostelijk Partnerschap conform de overeenkomsten van Helsinki over het volledige en autonome recht en de volledige en autonome vrijheid beschikken om op voet van gelijkheid betrekkingen aan te gaan met de partners van hun keuze;

E.  overwegende dat er nu meer dan ooit tevoren aandacht moet worden gevestigd op de verontrustende druk in de oostelijke buurlanden van de EU en op het project van het Oostelijk Partnerschap zelf, dat Rusland aanvecht en in twijfel trekt;

F.  overwegende dat een associatieovereenkomst met de EU politieke en juridische hervormingen met zich meebrengt die bevorderlijk zijn voor de versterking van de rechtsstaat, de vermindering van de corruptie en een grotere mate van eerbiediging van de mensenrechten; overwegende dat lidmaatschap van de douane-unie niet gepaard gaat met op waarden gebaseerde streefdoelen en voorwaarden en bijgevolg ook niet kan worden beschouwd als een stimulans voor binnenlandse hervormingen;

G.  overwegende dat bevroren conflicten al naargelang geopolitieke en economische belangen van Rusland herhaaldelijk worden gebruikt om de volledige soevereiniteit van landen van het Oostelijk Partnerschap te verzwakken of te ondermijnen;

1.  brengt in herinnering dat de beginselen van gelijkheid en eerbied voor de inherent met soevereiniteit verbonden rechten, het niet tussenbeide komen in binnenlandse aangelegenheden, goede samenwerking tussen landen en het vervullen, naar eer en geweten, van de verplichtingen uit hoofde van het internationale recht in het kader van de overeenkomsten van Helsinki zijn bestempeld als grondregels voor de internationale betrekkingen tussen onafhankelijke landen en als zodanig op geen enkele manier met de voeten mogen worden getreden;

2.  betreurt het feit dat de landen van het Oostelijk Partnerschap die de eindfase van de onderhandelingen over de ondertekening of parafering van hun associatieovereenkomst hebben bereikt, nu de top van het Oostelijk Partnerschap in Vilnius dichterbij komt, op verschillende manieren toenemend onder druk worden gezet; beschouwt deze druk als onaanvaardbaar; is er bovendien van overtuigd dat de geleidelijke integratie van partnerlanden met de EU strookt met hun streven naar goede nabuurschapsbetrekkingen met Rusland en vraagt dat Rusland niets doet dat duidelijk strijdig is met de hierboven genoemde beginselen van Helsinki; verzoekt de Russische Federatie niet méér druk uit te oefenen op de landen van het Oostelijk Partnerschap en hun soevereine recht op het nastreven van hun eigen politieke keuzes volledig te eerbiedigen;

3.  benadrukt ten zeerste dat de vrije keuzes van de landen van het Oostelijk Partnerschap, die geen enkele negatieve impact hebben op hun handel met Rusland, er niet toe mogen leiden dat deze landen onder meer handelsmaatregelen, visumbeperkingen, beperkingen van de mobiliteit van werknemers en inmenging in bevroren conflicten moeten ondergaan; verwerpt bovendien ten stelligste het nulsomspel als paradigma voor de betrekkingen van de EU en Rusland met de landen van het Oostelijk Partnerschap;

4.  is ervan overtuigd dat verdere politieke en economische hervormingen in deze landen op basis van de waarden en normen van de EU uiteindelijk Rusland zelf ten goede zullen komen aangezien de ruimte van stabiliteit, welvaart en samenwerking langs de Russische grenzen erdoor zou worden uitgebreid; herhaalt de vaste uitnodiging van de EU aan Rusland om aan dit proces bij te dragen via constructieve engagementen met de landen van het Oostelijk Partnerschap;

5.  vraagt de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) het standpunt in te nemen dat deze ontwikkelingen de zuiver commerciële dimensie te buiten gaan en dat de handelsdimensie slechts een dekmantel vormt voor schaamteloze politieke druk, maatregelen te nemen ter verdediging van de partners van de Unie en zo een duidelijk signaal te geven dat zij alle landen van het Oostelijk Partnerschap in hun Europese ambities en keuzes steunen;

6.  spreekt opnieuw zijn krachtige steun uit voor de parafering of ondertekening van de associatieovereenkomsten op de top in Vilnius met de landen van het Oostelijk Partnerschap die hiervoor gereed en hiertoe bereid zijn, op voorwaarde dat is voldaan aan de relevante voorwaarden; is ervan overtuigd dat dit een nieuwe impuls zal geven aan de geleidelijke integratie en aanzienlijke verdieping van de betrekkingen, waardoor aan de Europese ambities van deze landen zal worden tegemoet gekomen; vraagt in dit verband dat de landen van het Oostelijk Partnerschap hun inspanningen om in de aanloop naar de top hun huidige werkzaamheden af te ronden, voortzetten en nog opdrijven en niet zwichten voor de op hen uitgeoefende druk;

7.  benadrukt dat de EU haar verantwoordelijkheid moet nemen om deze landen van het Oostelijk Partnerschap die werden blootgesteld aan openlijke, verontrustende en toenemende druk van Rusland om hen ervan te weerhouden een associatie aan te gaan met de EU, in de geest van solidariteit voor zich te winnen en te verdedigen en vraagt de Commissie en de Raad om concrete, doeltreffende maatregelen ter ondersteuning van de partnerlanden voor te stellen;

8.  herinnert eraan dat de associatieovereenkomsten en de vergaande en veelomvattende vrijhandelsovereenkomsten tot doel hebben het concurrentievermogen, de economische productie en resultaten van de partnerlanden en de EU te stimuleren en tegelijkertijd de economische samenwerking van de landen van het Oostelijk Partnerschap met Rusland te eerbiedigen op een manier die alle partijen ten goede komt; wijst erop dat de associatieovereenkomsten en de vergaande en veelomvattende vrijhandelsovereenkomsten op zich de langdurige handelsbetrekkingen van de landen van het Oostelijk Partnerschap in de regio niet ondermijnen; is er daarentegen van overtuigd dat deze niet als onverenigbaar met die handelsbetrekkingen mogen worden beschouwd en dat, zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de associatieovereenkomsten en de vergaande en veelomvattende vrijhandelsovereenkomsten, elk handelsgeschil moet worden opgelost overeenkomstig de regels en verplichtingen van de Wereldhandelsorganisatie (WTO); bevestigt voorts dat de EU bereid is de partners van het Oostelijk Partnerschap bij te staan in hun op integratie gerichte inspanningen door bij ondertekening de voorlopige toepassing te ondersteunen van de relevante onderdelen van de associatieovereenkomsten en de vergaande en veelomvattende vrijhandelsovereenkomsten, door na de ondertekening of parafering van de associatieovereenkomsten en de vergaande en veelomvattende vrijhandelsovereenkomsten de opgeschorte leningen en assistentieprogramma's vrij te geven, indien aan de benodigde voorwaarden is voldaan, en door visumversoepeling en het vooruitzicht op visumvrij reizen na te streven;

9.  wijst erop dat er in de landen die op het punt staan de associatieovereenkomsten te paraferen of te ondertekenen bij een meerderheid van de bevolking steun nodig is voor Europese integratie; dringt er niettemin bij de Commissie en de EDEO op aan meer inspanningen te leveren om de zichtbaarheid van het Oostelijk Partnerschap en de voordelen ervan te bevorderen bij het grote publiek in de partnerlanden als manier om de politieke consensus met betrekking tot hun Europese keuzes te bestendigen; vraagt dat in de betrokken partnerlanden op korte termijn een grootschalige voorlichtings- en bewustmakingscampagne over de aard, voordelen en verplichtingen van de associatieovereenkomsten wordt opgezet en gelanceerd;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de lidstaten, de regeringen en parlementen van de landen van het Oostelijk Partnerschap en van de Russische Federatie, de parlementaire vergaderingen van de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.


Interneveiligheidsstrategie van de EU
PDF 139kWORD 32k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over het tweede verslag over de tenuitvoerlegging van de EU-interneveiligheidsstrategie (2013/2636(RSP))
P7_TA(2013)0384B7-0377/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 april 2013 over het tweede verslag over de tenuitvoerlegging van de EU-interneveiligheidsstrategie (COM(2013)0179),

–  gezien zijn resolutie van 22 mei 2012 over de interneveiligheidsstrategie van de Europese Unie(1),

–  gezien zijn resolutie van 11 juni 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en het witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven (tussentijds verslag)(2),

–  gezien het programma van Stockholm en het Actieplan ter uitvoering van het programma van Stockhom (COM(2010)0171),

–  gezien de interneveiligheidsstrategie van de Europese Unie, zoals goedgekeurd door de Raad op 25 februari 2010,

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 juni 2013 inzake de vaststelling van de EU-prioriteiten ter bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit voor de periode 2014-2017,

–  gezien het verslag van Europol over de stand van zaken en de tendensen in verband met het terrorisme in Europa van 2013 (TE-SAT),

–  gezien het verslag van Europol over de dreigingsevaluatie van de georganiseerde criminaliteit van 2013 (SOCTA),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over de evaluatie van de EU-beleidscyclus betreffende zware en georganiseerde criminaliteit van 2011 (SWD(2013)0017),

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 2, van het EU-Verdrag (VEU), en de hoofdstukken 1, 2, 4 en 5 van titel V van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 6, 7, 8, 10, lid 1, 11, 12, 21, 47-50, 52 en 53 daarvan,

–  gezien de relevante Europese jurisprudentie en de jurisprudentie van de nationale grondwettelijke hoven inzake het evenredigheidsbeginsel en het feit dat overheden in een democratische maatschappij dat beginsel moeten naleven,

–  gezien de relevante arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens,

–  gezien het verslag van François Crépeau, speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten van migranten, zoals beschreven in de studie van 24 april 2013 getiteld "Beheer van de externe grenzen van de Europese Unie en de gevolgen daarvan voor de mensenrechten van migranten",

–  gezien de vraag aan de Commissie over het tweede verslag betreffende de tenuitvoerlegging van de interneveiligheidsstrategie van de EU (O-000068/2013 – B7-0213/2013),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Verdrag van Lissabon in de lijn ligt van het Verdrag van Maastricht, waarmee een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht werd beoogd, en het mogelijk maakt de basis te leggen voor de ontwikkeling van het EU-veiligheidsbeleid en de uitwerking van een door de EU en de lidstaten gedeelde veiligheidsagenda, die moeten worden verankerd in de rechtsstaat, de eerbiediging van de democratische waarden, de openbare vrijheden, de grondrechten en solidariteit en moeten worden onderworpen aan een democratische controle en uitwerking op Europees niveau; overwegende dat deze verankering zich in het kader bevindt van de internationale verplichtingen van de EU en de lidstaten, met name met betrekking tot de verplichtingen die voortvloeien uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de VN-verdragen en -conventies waarbij zij partij zijn;

B.  overwegende dat het veiligheidsbeleid niet alleen op repressie moet zijn gericht maar ook op preventie, en dat dit vooral van groot belang is in een periode waarin de economische en sociale ongelijkheden groter worden en het sociaal pact en het bestaan van grondrechten en openbare vrijheden ter discussie worden gesteld;

C.  overwegende dat de veiligheid van de Europese burgers cruciaal is;

D.  overwegende dat de lidstaten en de Commissie tot dusverre niet alle gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in aanmerking hebben genomen en overwegende dat het Europees Parlement daarom een relatief kleine rol blijft spelen en zijn standpunten, met name over de noodzaak om rekening te houden met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, niet in het besluitvormingsproces worden betrokken(3);

E.  overwegende dat in de interneveiligheidsstrategie (ISS) voor de periode 2010-2014 vijf prioritaire gebieden zijn aangewezen waarop de EU van meerwaarde kan zijn: beëindiging van de activiteiten van internationale criminele netwerken en bijdragen aan hun ontmanteling, voorkoming van terroristische aanvallen, verbetering van internetveiligheid, waarborging van de grensbewaking en vergroting van de weerbaarheid bij natuurrampen; overwegende dat de strategie alleen uitgevoerd kan worden als het vrije verkeer van personen, de rechten van migranten en asielzoekers worden gevrijwaard en alle internationale verplichtingen van de EU en de lidstaten worden nageleefd;

F.  overwegende dat in het tweede jaarverslag over de tenuitvoerlegging van de interneveiligheidsstrategie onderkend wordt dat alle vijf doelstellingen nog steeds gelden, en dat een uiteenzetting wordt gegeven over de huidige stand van zaken, de tot nu toe geboekte vooruitgang en de verdere aanpak;

1.  betreurt het dat in de tweede mededeling van de Commissie van 10 april 2013 over de tenuitvoerlegging van de EU-interneveiligheidsstrategie weinig kritiek wordt geuit over de in het kader van deze strategie genomen maatregelen en dezelfde prioriteiten worden bevestigd als in de initiële mededeling van november 2010 zonder rekening te houden met de gevolgen van de integratie van het Handvest van de grondrechten, waarvan de meeste artikelen niet alleen van toepassing zijn op Europese burgers, maar op alle personen die zich op het grondgebied van de EU bevinden;

2.  neemt kennis van het werk dat is verricht met het oog op de invoering van de interneveiligheidsstrategie en de belangrijkste grondslagen daarvan, en die bedoeld is om alle EU-instellingen en lidstaten in staat te stellen dezelfde doeleinden na te streven; benadrukt dat vrijheid, veiligheid en recht doelstellingen zijn die parallel aan elkaar moeten worden nagestreefd en herinnert eraan dat veiligheid altijd in overeenstemming met de in de verdragen opgenomen beginselen, de rechtsstaat en de verplichtingen van de Unie op het vlak van de grondrechten moet worden nagestreefd, zodat vrijheid en rechtvaardigheid kunnen worden gewaarborgd; is van mening dat de veiligheidsmaatregelen van de EU zich moeten richten naar activiteiten die aantoonbaar tot daling van de criminaliteitscijfers en voorkoming van terroristische aanslagen hebben bijgedragen, en dat deze maatregelen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de beginselen van noodzakelijkheid, evenredigheid, eerbiediging van de grondrechten, en op basis van passende controle en verantwoording;

3.  benadrukt dat interne veiligheid niet uitgezonderd is van de werkingssfeer van de nationale en EU-voorschriften op het gebied van grondrechten en spreekt zijn grote bezorgdheid uit over het feit dat EU-instellingen, overheden en burgers van lidstaten onder geheim toezicht van lidstaten, derde landen en derde partijen gesteld zijn, met de medewerking van particuliere bedrijven; verzoekt de EU en de instellingen van de lidstaten deze zaak te onderzoeken en vervolgens maatregelen te nemen; beklemtoont dat iedere interneveiligheidsstrategie van de EU op een uniforme interpretatie van de begrippen "intern" en "extern" gebaseerd moet zijn en gericht op de bescherming van EU-instellingen, EU-lidstaten en hun burgers tegen onwettelijk buitenlands toezicht, oneigenlijke beïnvloeding en manipulatie; verzoekt om een versterking van de beveiliging en vertrouwelijkheid van de communicatie- en logistieke systemen van de EU tegen toezicht vanuit het buitenland of door derde partijen; wijst erop dat het recht van burgers op privacy en gegevensbescherming en het recht op toegang tot documenten en informatie, fundamentele Europese waarden en rechten zijn die op alle niveaus en in alle fora moeten worden nageleefd;

4.  wijst erop dat het Parlement nu een volwaardige institutionele actor is op het gebied van het veiligheidsbeleid en daarom het recht heeft actief aan de vaststelling van de kenmerken en prioriteiten van de interneveiligheidsstrategie en aan de evaluatie van de betreffende instrumenten mee te werken, met inbegrip van de regelmatige controle op de tenuitvoerlegging van de interneveiligheidsstrategie, die gezamenlijk door het Europees Parlement, de nationale parlementen en de Raad op grond van de artikelen 70 en 71 VWEU, wordt verricht;

5.  meent dat een goede analyse van veiligheidsbedreigingen een essentiële voorwaarde is voor een effectieve interneveiligheidsstrategie; herinnert de Commissie aan haar toezegging om een sectoroverschrijdend overzicht van natuurlijke risico's en door de mens (opzettelijk of niet-opzettelijk) veroorzaakte dreigingen in de EU op te stellen; herinnert de Europese Raad aan haar verplichting op grond van artikel 222 VWEU om regelmatig de dreigingen te evalueren waarmee de Unie wordt geconfronteerd en verzoekt de Commissie concrete voorstellen te doen over de wijze waarop bovenvermelde verplichtingen het best kunnen worden nagekomen, waarbij de huidige gefragmenteerde en beperkte dreigings- en risicoanalyses op EU-niveau en op nationaal niveau bijeengebracht moeten worden;

6.  merkt op dat de doeltreffendheid van de beoordelingen en analyses van Europol over terroristische bedreigingen en andere criminele activiteiten grotendeels afhangt van de bereidheid van de diensten van de lidstaten om informatie te verstrekken; stelt voor de verstrekking van informatie door de lidstaten aan Europol te verbeteren door de verplichting van de lidstaten om met Europol samen te werken, te versterken;

7.  herinnert eraan dat georganiseerde criminaliteit, waaronder de maffia, een van de grootste bedreigingen vormt voor de interne veiligheid van de EU; stelt tevreden vast dat de lidstaten en de Commissie vooruitgang hebben geboekt in het kader van de EU-beleidscyclus ter bestrijding van de georganiseerde en zware internationale criminaliteit en verzoekt de lidstaten om een hernieuwd engagement en toereikende middelen; is van mening dat gemeenschappelijke wettelijke normen en operationele instrumenten moeten worden bevorderd, zoals beslagleggingen, Europese onderzoeksbevelen en gemeenschappelijke onderzoeksteams; is van mening dat de politiële en justitiële samenwerking tussen de lidstaten en de Europese Unie, evenals met derde landen, moet worden versterkt, met inachtneming van het internationaal recht en de internationale verplichtingen van de EU op het gebied van de fundamentele vrijheden en de grondrechten, de bescherming van de persoonsgegevens en het privéleven van de burgers en ingezetenen van de Unie, en eist dat het Europees Parlement een cruciale rol speelt bij de evaluatie en de vaststelling van het interneveiligheidsbeleid van de Unie omdat dit beleid verstrekkende gevolgen heeft voor de grondrechten van alle personen die in de EU leven; benadrukt dat ervoor gezorgd moet worden dat dit beleid onder de bevoegdheid valt van de enige Europese instelling die via directe verkiezingen wordt gekozen om het EU-beleid in het kader van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te onderwerpen aan democratische toetsing en controle;

8.  vraagt op basis van de huidige samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen nogmaals aandacht voor zijn idee van een "parlementaire beleidscyclus", die nauw afgestemd moet worden op onder meer de jaarverslagen van de Commissie op dit gebied en die afgerond wordt met een parlementair jaarverslag over de huidige stand van zaken betreffende de interneveiligheidsstrategie;

9.  is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bestrijding van geweld tegen kinderen en vrouwen;

10.  is ermee ingenomen dat de EU de bestrijding van illegale wapenhandel tot een van de prioriteiten heeft verklaard bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit; is niettemin in afwachting van de door de Commissie te ontwikkelen algemene strategische richtsnoeren over wapens, waaronder het gebruik van wapens voor terroristische doeleinden;

11.  betreurt het dat de bestrijding van het witwassen van geld niet als afzonderlijke EU-prioriteit bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit is opgenomen, zoals Europol had aanbevolen; is er vast van overtuigd dat andere soorten georganiseerde criminaliteit, zoals het witwassen van geld, milieumisdaden en zakelijke criminaliteit en corruptie met elkaar in verband staan en elkaar versterkende elementen zijn, en roept de Commissie en de Raad op de bestrijding van corruptie en het witwassen van geld onverwijld als prioriteit aan te merken;

12.  benadrukt dat terrorismebestrijding een prioriteit vormt binnen de interneveiligheidsstrategie; wijst erop dat terrorisme in de EU, hoewel in zeer veel verschillende gedaanten, volgens Europol een reële dreiging vormt; stelt zich echter vragen bij de prioriteiten van de EU in dit opzicht met betrekking tot de werkelijke oorsprong van terroristische aanslagen; houdt vol dat naast repressiemaatregelen meer prioriteit moet worden gegeven aan preventiebeleid; wijst er in dit verband op dat meer aandacht moet worden besteed en passende financiële en personele middelen moeten worden toegewezen aan gerichte politiemaatregelen en inlichtingendiensten zodat terroristische aanslagen daadwerkelijk kunnen worden voorkomen; wijst op het belang van de preventie van terrorismefinanciering en ziet uit naar het voorstel voor een kader voor justitiële en bestuurlijke maatregelen zoals het bevriezen van tegoeden van personen die verdacht worden van terrorisme overeenkomstig artikel 75 VWEU; verzoekt de Commissie en de lidstaten om een juiste evaluatie uit te voeren van de aard en omvang van de dreiging die uitgaat van de opkomst van gewelddadige, politieke radicalisering; acht het van cruciaal belang om mechanismen te ontwikkelen die het mogelijk maken tekenen van gewelddadige radicalisering of militant extremisme in een vroeg stadium te signaleren, en vraagt de Commissie en de lidstaten deze, mede met het oog op preventie, in hun respectieve actiegebieden te integreren; is bezorgd over de toenemende activiteiten van zogeheten "eenzame wolven" met een Europese nationaliteit of afkomstig uit een derde land, die afreizen naar conflictgebieden en daarna terugkeren naar het EU-grondgebied, aangezien zij nieuwsoortige risico's vormen die niet volgens de gebruikelijke methodes van terrorismebestrijding kunnen worden aangepakt; moedigt de uitwisseling van goede praktijken aan om de radicalisering van jongeren te voorkomen en ondersteunt het project voor een Europees instrumentarium op dit gebied; verwacht dat in de evaluatie van het kaderbesluit inzake terrorismebestrijding met al deze parameters rekening wordt gehouden;

13.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de andere Europese instellingen en organen gewelddadige extremistische organisaties in de Unie nauwgezet te onderzoeken en concrete maatregelen te nemen om gewelddaden van deze aard te bestrijden;

14.  benadrukt dat de particuliere sector, en de financiële bedrijfstak in het bijzonder, een cruciale rol spelen in de bestrijding van de georganiseerde misdaad en de financiering van terrorisme door gevallen van fraude, witwassen van geld en andere verdachte transacties te identificeren en aan te geven; wijst erop dat de financiële sector nauwer met de overheidsagentschappen moet samenwerken om de leemten in de huidige verordeningen te identificeren en innovatieve technieken ten uitvoer te leggen om deze kwesties aan te pakken; benadrukt dat het essentieel is te begrijpen dat elke doeltreffende bestrijding van georganiseerde misdaad en terrorisme afhankelijk is van een geïntegreerde aanpak waarbij alle belanghebbenden op nationaal en EU-niveau worden betrokken;

15.  is van mening dat de weerbaarheid van kritieke infrastructuur ten aanzien van door de mens en door de natuur veroorzaakte rampen vergroot moet worden; betreurt het dat de huidige Richtlijn inzake de bescherming van Europese kritieke infrastructuur (2008/114/EG(4)) niet goed functioneert en verzoekt de Commissie een voorstel tot wijziging te doen met het oog op verbetering van de richtlijn;

16.  is van mening dat een statistische studie moet worden gedaan op het gebied van natuurlijke risico's, in het kader waarvan de belangrijkste risicogebieden worden geïdentificeerd, en dat op basis daarvan een automatisch en doeltreffend systeem voor interventie en hulpverlening moet worden ontwikkeld om tijdig op noodsituaties te kunnen reageren;

17.  acht het van bijzonder groot belang milieu-, en economische criminaliteit, ongeacht de oorsprong, op een krachtige manier te bestrijden, aangezien deze vormen van criminaliteit zeer nadelige uitwerking hebben op de levensomstandigheden van de Europese burgers, in het bijzonder in tijden van crisis;

18.  is verheugd over de aankondiging van de Commissie over een initiatief tegen sigarettensmokkel en kijkt daar vol verwachting naar uit;

19.  neemt kennis van de prioriteit die de bestrijding van cybercriminaliteit in de interneveiligheidsstrategie heeft; meent dat cybercriminaliteit een steeds grotere dreiging vormt voor de EU en andere criminele activiteiten in hoge mate bevordert; roept de Commissie op voldoende middelen beschikbaar te stellen voor het nieuwe Europese centrum voor cybercriminaliteit en dringt er bij alle lidstaten op aan om de conventie van de Raad van Europa inzake cybercriminaliteit te ratificeren; herinnert eraan dat in het kader van de interneveiligheidsstrategie, gegevensverwerking en –verzameling steeds moeten voldoen aan de beginselen van de EU-gegevensbescherming, in het bijzonder de beginselen van noodzakelijkheid, evenredigheid en wettigheid, en aan de betreffende regelgeving van de EU en de conventies van de Raad van Europa op dit gebied; herinnert aan de bijzondere aandacht die moet worden besteed aan kinderen in de digitale omgeving en aan het belang van de strijd tegen kinderpornografie; steunt de uitbreiding van de wereldwijde alliantie tegen seksuele uitbuiting van kinderen via het internet;

20.  herhaalt dat het verbeteren van de politiële en justitiële samenwerking in de EU, onder meer via Europol, de Europese Politieacademie (CEPOL) en Eurojust, en door middel van passende opleidingen, van wezenlijk belang is voor een degelijke interneveiligheidsstrategie en dat zowel de bevoegde autoriteiten in de lidstaten als de EU-instellingen en -agentschappen daarbij betrokken moeten zijn; is van mening dat deze samenwerking niet mag worden beperkt tot de opsporing en arrestatie van verdachten van strafbare feiten, maar zich ook moet richten op de preventie en non-recidive van dergelijke daden; neemt kennis van de betreffende voorstellen van de Commissie, waaronder die in verband met de hervorming van Eurojust en het wetgevingsvoorstel betreffende de instelling van een Europees openbaar ministerie; wijst erop dat het beginsel van scheiding en autonomie van machten tussen de rechtsprekende en de politionele sector moet worden geëerbiedigd;

21.  steunt de invoering van een Europees openbaar ministerie, met name om de begroting van de Unie beter te beschermen, en roept de Commissie op spoedig een voorstel te doen;

22.  betreurt het dat de interneveiligheidsstrategie nog steeds niet voorzien is van een duidelijke 'justitiële dimensie'; wijst er overeenkomstig het programma van Stockholm op dat wederzijds vertrouwen versterkt moet worden door geleidelijk een Europese justitiële cultuur te ontwikkelen die stoelt op de diversiteit van rechtsstelsels en op eenheid op grond van Europees recht, en dat dit gepaard moet gaan met de eerbiediging van de rechtsstaat, democratische waarden en mensenrechten en niet mag worden beperkt tot enkel de vervolging van criminele daden of terrorisme verdachte personen; onderstreept het primordiale belang van wederzijds vertrouwen als voorwaarde voor de verbetering van justitiële samenwerking en is van mening dat wederzijds vertrouwen slechts mogelijk is door de invoering en handhaving van gelijke normen voor burgerlijke vrijheden en procedurele waarborgen;

23.  benadrukt dat het belangrijk is een geïntegreerd grensbeheer te ontwikkelen dat een uniforme, veilige en kwalitatief hoogstaande controle van de buitengrenzen garandeert, terwijl legaal reizen langs de buitengrenzen wordt vergemakkelijkt en mobiliteit binnen het Schengengebied wordt bevorderd; is verheugd over de inwerkingtreding van het Schengeninformatiesysteem II en roept eu-LISA op een kwalitatief hoogstaand operationeel beheer van het nieuwe systeem te garanderen; verwacht dat het nieuwe Europees grensbewakingssysteem (Eurosur) tegen het einde van 2014 volledig operationeel zal zijn en is van mening dat het een efficiënt instrument zal zijn dat zal bijdragen tot de opsporing, preventie en bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit en irreguliere immigratie en ook tot de bescherming en redding van de levens van migranten; benadrukt dat de mogelijke ontwikkeling van nieuwe IT-systemen op het gebied van migratie en grensbeheer, zoals de initiatieven "Slimme grenzen", zorgvuldig geanalyseerd moet worden, met name in het licht van de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, en uiteindelijk slechts met de ontwikkeling begonnen moet worden nadat relevante rechtsinstrumenten aangenomen zijn; is in het bijzonder verheugd over de recente overeenkomst inzake het Schengenevaluatiemechanisme en verzoekt de Commissie haar nieuwe taken uit te oefenen om ervoor te zorgen dat het Schengenacquis in het Schengengebied grotendeels wordt nageleefd; benadrukt dat de herinvoering van controles aan de binnengrenzen een uitzonderlijke maatregel moet zijn die alleen in laatste instantie kan worden genomen en dat hierbij niet alleen rekening moet worden gehouden met de veiligheidsaspecten, maar ook met de gevolgen voor mobiliteit en vrij verkeer; wijst erop dat migratie en de overschrijding van de buitengrenzen door een groot aantal onderdanen van derde landen niet per se als een bedreiging van openbaar beleid of van interne veiligheid moet worden beschouwd; spreekt nogmaals zijn grote steun uit voor de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot het Schengengebied en roept de Raad op ook in te stemmen met hun toetreding aangezien dit de solidariteit en het wederzijds vertrouwen zal bevorderen, noodzakelijke voorwaarden om een hoog veiligheidsniveau binnen de Europese Unie te garanderen;

24.  benadrukt dat de versterking van het wederzijds vertrouwen tussen politiekorpsen belangrijk is om de samenwerking, gemeenschappelijke onderzoeksteams en uitwisseling van informatie te bevorderen; wijst er op dat in dit verband Europese scholing van politiekorpsen van essentieel belang is;

25.  is van mening dat bij de vaststelling en tenuitvoerlegging van de interneveiligheidsstrategie meer rekening moet worden gehouden met de bestaande wisselwerking tussen de interne en de externe dimensies van het veiligheidsbeleid, en dat de instellingen en agentschappen van de EU die zich op het gebied bewegen van justitie en binnenlandse zaken, in beide dimensies hun taken in volledige overeenstemming met de waarden en beginselen en de regelgeving van de EU en het Handvest van de grondrechten, moeten uitvoeren; roept de Commissie en de lidstaten ertoe op om ook de impact van de interneveiligheidsstrategie op de EU-externeveiligheidsstrategie te beoordelen, onder meer met het oog op de verplichtingen betreffende de eerbiediging en bevordering van de fundamentele vrijheden, de grondrechten en de democratische waarden en beginselen zoals deze zijn vastgelegd in de internationale teksten, overeenkomsten en verdragen die zij hebben ondertekend; betreurt het dat de tenuitvoerlegging van het stappenplan van 2011 voor de versterking van de banden tussen het GVDB en de VVR, niet op schema ligt en dringt er bij de EDEO op aan de werkzaamheden te versnellen;

26.  wijst erop dat de huidige interneveiligheidsstrategie in 2014 afloopt; verzoekt de Commissie een nieuwe interneveiligheidsstrategie voor de periode 2015-2019 voor te bereiden, die rekening houdt met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon en de verankering van het Handvest van de grondrechten in het EU-recht; is van mening dat deze nieuwe strategie moet worden gebaseerd op een diepgaande, onafhankelijke en externe evaluatie van de huidige strategie en instrumenten, en daarbij rekening moet worden gehouden met toekomstige uitdagingen en belanghebbenden uitvoerig moeten worden geraadpleegd; verzoekt de Raad de bijdrage van het Parlement aan de nieuwe interneveiligheidsstrategie zorgvuldig in overweging te nemen voordat hij de nieuwe strategie goedkeurt;

27.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsook aan de nationale parlementen.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0207.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0245.
(3) Zie de resolutie van het Europees Parlement van 15 december 2010 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2009) – effectieve tenuitvoerlegging na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, PB C169E, 15.6.2012, blz. 49.
(4) PB L 345, 23.12.2008, blz. 75.


Europese strategie voor gezondheid en veiligheid op het werk
PDF 112kWORD 20k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de Europese strategie voor gezondheid en veiligheid op het werk (2013/2685(RSP))
P7_TA(2013)0385B7-0376/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name de preambule en de artikelen 3 en 6 daarvan,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name de artikelen 4, 9, 145, 151, 152, 153, 154, 156 en 168 daarvan,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 1, 3, 27, 31, 32 en 33 daarvan,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de evaluatie van de Europese strategie 2007-2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk (O-000073/2013 - B7-0214/2013),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2002 met als titel "Zich aanpassen aan de veranderingen in werk en samenleving: een nieuwe communautaire gezondheids- en veiligheidsstrategie 2002-2006" (COM(2002)0118),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 februari 2007 met als titel "Verbetering van de arbeidskwaliteit en -productiviteit: communautaire strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk" (COM(2007)0062),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 met als titel "Europa 2020 - Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 27 april 2011 met als titel "Tussentijdse evaluatie van de Europese strategie 2007-2012 over de gezondheid en veiligheid op het werk" (SEC(2011)0547),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 31 mei 2013 met als titel "Evaluatie van de Europese strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk" (SWD(2013)0202),

–  gezien zijn resolutie van 24 februari 2005 over bevordering van de gezondheid en de veiligheid op het werk(1),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2008 over de communautaire strategie 2007-2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk(2),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over de tussentijdse evaluatie van de Europese strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk(3),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europa 2020-strategie gericht is op het bereiken van een arbeidsparticipatiegraad van 75% voor de bevolking in de leeftijdsgroep 20 tot 64 jaar tegen 2020;

B.  overwegende dat technologische vooruitgang, economische ontwikkelingen en de economische en sociale crisis voortdurend van invloed zijn op het arbeidsmilieu, en dat hierop snel moet worden gereageerd teneinde een hoog niveau van gezondheid en veiligheid op het werk te kunnen bieden;

C.  overwegende dat de economische crisis niet mag worden aangegrepen als excuus om preventiebeleid inzake beroepsrisico's te ondermijnen;

D.  overwegende dat gezondheid en veiligheid op het werk sinds 1978 aan de orde wordt gesteld in beleidsdocumenten en actieprogramma's op EU-niveau, ter ondersteuning van juridische maatregelen;

E.  overwegende dat de communautaire strategie 2007-2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk in 2012 is verlopen en nog niet door een ander beleidsdocument op EU-niveau is opgevolgd;

F.  overwegende dat de Commissie erkent dat de communautaire strategie 2007-2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk positieve gevolgen voor de gehele EU heeft gehad en dat een aantal uitdagingen op het gebied van beroepsveiligheid en -gezondheid nog moeten worden aangepakt in de komende jaren;

1.  is bezorgd over het feit dat de Commissie tot op heden geen nieuwe Europese strategie voor gezondheid en veiligheid op het werk heeft vastgesteld;

2.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de ​nieuwe Europese strategie voor gezondheid en veiligheid op het werk voor de komende jaren tot 2020 te presenteren; verzoekt de Commissie dit uiteindelijk vóór eind 2013 te doen;

3.  betreurt het feit dat de Commissie tot op heden nog geen voorstel heeft ingediend voor een richtlijn betreffende arbeidsgerelateerde spier- en skeletaandoeningen of voor de herziening van Richtlijn nr. 2004/37/EG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk, hoewel deze voorstellen reeds werden aangekondigd in haar werkprogramma voor 2011;

4.  herhaalt de boodschappen in zijn resolutie van 15 december 2011 over de tussentijdse evaluatie van de Europese strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 304 E van 1.12.05, blz. 400.
(2) PB C 41 E van 19.2.2009, blz. 14.
(3) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 102.


Grensoverschrijdende collectieve onderhandelingen en transnationale sociale dialoog
PDF 201kWORD 26k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over grensoverschrijdende collectieve onderhandelingen en transnationale sociale dialoog (2012/2292(INI))
P7_TA(2013)0386A7-0258/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3, lid 3, en artikel 6, lid 3, van het Verdrag van de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 9, 151, 152, 154, 155 en 156 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 12, 28, 52, lid 3, en 53 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsmede de preambule daarbij en de relevante toelichtingen,

–  gezien artikel 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–  gezien de artikelen 5 en 6 van het Europees Sociaal Handvest (herzien),

–  gezien Besluit 98/500/EG van de Commissie van 20 mei 1998 betreffende de oprichting van Comités voor de sectoriële dialoog tussen de sociale partners op Europees niveau,

–  gezien Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen,

–  gezien Richtlijn 2001/86/EG van de Raad van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers en gezien Richtlijn 2003/72/EG van de Raad van 22 juli 2003 tot aanvulling van het statuut van een Europese coöperatieve vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers,

–  gezien Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap,

–  gezien Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers,

–  gezien de conclusies van de Raad (EPSCO) 17423/11 van 1 december 2011,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 10 september 2012 getiteld "Transnational company agreements: realising the potential of social dialogue" (SWD(2012)0264)",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 april 2012 getiteld "Naar een banenrijk herstel" (COM(2012)0173),

–  gezien het verslag van 31 januari 2012 van de deskundigengroep van de Commissie inzake transnationale bedrijfsovereenkomsten,

–  gezien het herziene werkdocument van 31 januari 2012 van de deskundigengroep van de Commissie inzake transnationale bedrijfsovereenkomsten,

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 17 januari 2012 getiteld "Herstructurering en anticipatie op veranderingen: uit de recente ervaring te trekken lessen" (COM(2012)0007) en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie van 17 januari 2012 getiteld "Restructuring in Europe 2011" (SEC(2012)0059),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 oktober 2010 getiteld "Een geïntegreerd industriebeleid in een tijd van mondialisering – Concurrentievermogen en duurzaamheid centraal stellen" (COM(2010)0614),

–  gezien de enquête van de Commissie van 2 juli 2008 getiteld "Mapping of transnational texts negotiated at corporate level" (EMPL F2 EP/bp 2008 (D) 14511),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 2008 getiteld "The role of transnational company agreements in the context of increasing international integration" (SEC(2008)2155),

–  gezien het verslag van de Commissie van februari 2006 getiteld "Transnational collective bargaining: Past, present and future",

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 9 februari 2005 over de sociale agenda (COM(2005)0033),

–  gezien de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake arbeidsvoorwaarden (overheidscontracten) (nr. 94) en collectieve onderhandelingen (nr. 154),

–  gezien de door de toezichthoudende organen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) ontwikkelde jurisprudentie,

–  gezien de tripartiete beginselverklaring van de IAO over multinationale ondernemingen en sociaal beleid (MNO-verklaring) (1977),

–  gezien de IAO-verklaring van 10 juni 2008 over sociale rechtvaardigheid voor een eerlijke mondialisering,

–  gezien de verklaring van de IAO van 18 juni 1998 over de fundamentele beginselen en rechten op het werk,

–  gezien de verdragen van de IAO tot vaststelling van universele fundamentele arbeidsnormen betreffende onder andere: de vrijheid van vereniging en het recht op collectieve onderhandelingen (nr. 87 (1948) en nr. 98 (1949)) en non-discriminatie op het werk (nr. 100 (1951) en nr. 111 (1958)),

–  gezien zijn studie naar "Enforcement of Fundamental Workers' Rights" in opdracht van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (september 2012),

–  gezien zijn studie naar "Grensoverschrijdende collectieve onderhandelingen en transnationale sociale dialoog" in opdracht van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (juni 2011),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende informatie voor en raadpleging van werknemers, en anticipatie en beheer van herstructurering(1),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0258/2013),

A.  overwegende dat er volgens de Commissie(2) in 2013 244 Europese transnationale bedrijfsovereenkomsten (TCA’s) waren; overwegende dat dit op voortschrijdende integratie van de arbeidsverhoudingen in grote transnationale bedrijven in Europa wijst;

B.  overwegende dat steeds meer nieuwe transnationale bedrijfsovereenkomsten afspraken over procedures voor geschillenbeslechting bevatten, zoals aanbevolen door zowel werkgevers- als werknemersorganisaties;

C.  overwegende dat er noch op internationaal, noch op Europees niveau een juridisch kader voor deze overeenkomsten is; overwegende dat moet worden nagegaan of er om deze reden minder van deze overeenkomsten worden gesloten;

D.  overwegende dat elke lidstaat van de Unie een eigen stelsel heeft voor de arbeidsverhoudingen dat op uiteenlopende historische ontwikkelingen en tradities berust en in acht moet worden genomen, en dat harmonisatie daarvan niet nodig is;

E.  overwegende dat grensoverschrijdende partnerschappen tussen sociale partners een goede methode zijn gebleken om het vrije verkeer van werknemers en hun rechten over de grenzen heen te bevorderen; overwegende dat steun van de EU voor dergelijke grensoverschrijdende partnerschappen van levensbelang is;

F.  overwegende dat de werkgelegenheid dankzij de Europese dialoog op innovatieve wijze behouden blijft en vergroot wordt, en de arbeidsvoorwaarden en daardoor de welvaart voor de werknemers van de transnationale ondernemingen verbeterd worden, terwijl tegelijkertijd de vrijheid van collectieve onderhandelingen gehandhaafd blijft;

G.  overwegende dat de EU het recht van vereniging en recht op collectieve onderhandelingen als grondrechten erkent;

H.  overwegende dat bedrijven in toenemende mate op Europees niveau opereren, terwijl de vertegenwoordiging van de werknemers hoofdzakelijk op nationale schaal is georganiseerd;

1.  wijst erop dat deze resolutie betrekking heeft op Europese transnationale bedrijfsovereenkomsten (TCA's); wijst erop dat TCA’s afgesloten worden tussen enerzijds Europese vakbondsfederaties, en anderzijds afzonderlijke bedrijven en/of werkgeversorganisaties, in de regel per bedrijfstak, en stelt vast dat de resolutie geen betrekking heeft op internationale kaderovereenkomsten die door internationale vakbondsfederaties en met ondernemingen ondertekend worden; onderstreept de noodzaak om de Europese en transnationale sociale dialoog en grensoverschrijdende collectieve onderhandelingen te versterken;

2.  stelt voor dat de Commissie nagaat of het nodig en nuttig is om voor TCA’s een facultatief Europees rechtskader aan te nemen, teneinde te zorgen voor meer rechtszekerheid, een grotere transparantie, en voorzienbare en afdwingbare rechtsgevolgen voor de overeenkomsten die aan dit rechtskader voldoen; stelt voor om methodes met betrekking tot Europese TCA’s te bevorderen die de contractvrijheid van de verdragspartijen erkennen, en beveelt aan bepalingen voor geschillenbeslechting in de overeenkomsten op te nemen;

Facultatief rechtskader voor Europese TCA’s

3.  benadrukt de autonomie van de sociale partners, waardoor zij op elk niveau onderhandelingen kunnen aangaan en overeenkomsten kunnen afsluiten;

4.  benadrukt dat TCA's onderling verschillen, bijvoorbeeld met betrekking tot de mate van toepasselijkheid, het toepassingsgebied en de ondertekenende partijen al naar gelang het oogmerk, de uitgangssituaties, de behoeften en de doelstellingen van die partijen, dat ondernemingen en ondernemingsculturen wezenlijk van elkaar verschillen en dat de vrijheid van de verdragspartijen om verschillende soorten TCA's te creëren gerespecteerd dient te worden;

5.  raadt de sociale partners dringend aan ervaringen uit te wisselen op het gebied van transnationale bedrijfsovereenkomsten;

6.  benadrukt dat de Commissie haar afweging met betrekking tot een facultatief rechtskader zou moeten baseren op vrijwillige toepassing, die voor de betrokken sociale partners en bedrijven en concerns optioneel moet zijn en gebaseerd moet zijn op flexibiliteit en raadpleging op nationaal niveau teneinde de transnationale bedrijfsovereenkomst rechtsgevolg te geven; wijst met nadruk op de autonomie van de sociale partners en de partijen bij collectieve overeenkomsten;

7.  is van oordeel dat Europese ondernemingsraden waar van toepassing volledig moeten worden betrokken bij de onderhandelingen met Europese vakbondsfederaties, met name omdat zij in staat zijn te herkennen wanneer een TCA nodig of mogelijk is, het proces te starten en de weg te effenen voor onderhandelingen, en bij te dragen aan transparantie van informatie betreffende de overeenkomsten en aan verspreiding hiervan onder de betrokken werknemers; is ingenomen met het feit dat enkele Europese vakbondsfederaties procedureregels hebben vastgesteld om Europese ondernemingsraden bij de onderhandelingen te betrekken;

8.  is ervan overtuigd dat opname van het beginsel van de meest gunstige regeling en de "non-regressieclausule" noodzakelijk is om het risico uit te sluiten dat nationale collectieve arbeidsovereenkomsten en nationale bedrijfsovereenkomsten door een Europese transnationale bedrijfsovereenkomst omzeild of belemmerd worden;

9.  beveelt aan om mechanismen in te voeren voor alternatieve geschillenbeslechting; is van mening dat afgesproken moet worden om op ondernemingsniveau een gemeenschappelijk mechanisme voor dit doel in het leven te roepen, dat bijvoorbeeld de verdragspartijen aanmoedigt op vrijwillige basis in te stemmen met bepalingen over geschillenbeslechting, waartoe men zich in eerste instantie kan wenden om een oplossing te vinden voor conflicten tussen de verdragspartijen; stelt voor dat deze bepalingen gebaseerd kunnen zijn op modellen voor alternatieve geschillenbeslechting die door de sociale partners van de EU op sectorniveau zijn vastgesteld en beschikbaar zijn gesteld; erkent dat veel van de op Europees niveau gesloten transnationale bedrijfsovereenkomsten al voorzien in functionerende mechanismen voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting en raadt de sociale partners dringend aan hierover intensiever van gedachten te wisselen en methodes voor verdere ontwikkeling en optimalisering van deze mechanismen te vinden;

10.  stelt voor dat de Commissie de sociale partners aanspoort om bij Europese TCA’s rekening te houden met de volgende criteria: de mandaatprocedure, d.w.z. het duidelijk maken van de legitimiteit en de representativiteit van de onderhandelende verdragspartijen, de plaats en de datum van het afsluiten van de overeenkomst; het inhoudelijke en geografische toepassingsgebied; het beginsel van de meest gunstige regeling en de "non-regressieclausule"; de geldigheidsperiode; de opzeggingsvoorwaarden en de mechanismen voor geschillenbeslechting; de onderwerpen die de overeenkomst omvat; en verdere vormvereisten;

11.  is ingenomen met de activiteiten die de Commissie onderneemt ter ondersteuning van de uitwisseling van ervaringen door sociale partners en deskundigen, bijvoorbeeld het inventariseren van voorbeelden, het opzetten van gegevensbanken en het uitvoeren van onderzoek;

12.  herinnert tegen deze achtergrond aan de positieve ervaringen die zijn opgedaan met grensoverschrijdende partnerschappen tussen sociale partners en roept de Commissie en de lidstaten op EU-steun voor dergelijke partnerschappen in de toekomst te waarborgen;

13.  moedigt de Europese sociale partners aan de door artikel 155 VWEU geboden mogelijkheid van EU-overeenkomsten ten volle te benutten, met volledige inachtneming van hun onafhankelijkheid;

14.  pleit voor een grotere rol van de Europese sociale partners bij de vorming van Europees beleid; pleit er met name voor dat de sociale partners deelnemen aan de opstelling van de jaarlijkse groeianalyse en een sterkere rol spelen bij het volgen van de door de lidstaten geboekte vooruitgang;

15.  onderstreept dat de vertegenwoordiging en de participatiegraad van vrouwen op de verschillende niveaus van structuren voor sociale dialoog en collectieve onderhandelingen moeten worden aangemoedigd, ondersteund en verhoogd, zodat vrouwen hun mening kunnen geven en gendervraagstukken een plaats krijgen in collectieve onderhandelingen; wijst erop dat de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen een belangrijke rol kunnen spelen bij het bevorderen van gendergelijkheid op de werkplek;

o
o   o

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité, de sociale partners van de EU en de nationale parlementen.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0005.
(2) "Transnational company agreements: realising the potential of social dialogue", werkdocument van de diensten van de Commissie van 10.9.2012 (SWD(2012)0264, blz. 2).


De situatie van niet-begeleide minderjarigen in de EU
PDF 157kWORD 36k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de EU (2012/2263(INI))
P7_TA(2013)0387A7-0251/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 3,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 67 en 79,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 24,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de protocollen daarbij,

–  gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van Mens,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2010 over het actieplan voor niet-begeleide minderjarigen voor 2010-2014 (COM(2010)0213),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2012 met als titel "Tussentijds verslag over de uitvoering van het Actieplan niet-begeleide minderjarigen" (COM(2012)0554),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 20 april 2010 over het actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm (COM(2010)0171),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2009 over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht ten dienste van de burger – programma van Stockholm"(1),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van vrouwen en meisjes,

–  gezien de conclusies van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 3 juni 2010 over niet-begeleide minderjarigen, die de Raad tijdens zijn 3018e zitting heeft goedgekeurd,

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ(2),

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad(3), en gezien de mededeling van de Commissie over de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel voor de periode 2012-2016,

–  gezien de richtlijnen over asiel, met name Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming(4), Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten(5), en Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven(6),

–  gezien de voorstellen van de Commissie tot wijziging van de instrumenten van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS), met name het gewijzigde voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van normen voor de opvang van asielzoekers (herschikking) (COM(2011)0320), het gewijzigde voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale-beschermingsstatus (herschikking) (COM(2011)0319), en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (COM(2008)0820),

–  gezien Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging(7),

–  gezien Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming(8),

–  gezien Besluit nr. 779/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 tot vaststelling van een specifiek programma ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen en ter bescherming van slachtoffers en risicogroepen voor de periode 2007-2013 (het Daphne III-programma) als onderdeel van het algemene programma Grondrechten en justitie(9),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2011 over de evaluatie van de EU-overnameovereenkomsten (COM(2011)0076),

–  gezien de bijdragen van de Raad van Europa en in het bijzonder resolutie 1810 (2011) van de parlementaire assemblee van de Raad van Europa over de problemen in verband met de aankomst, het verblijf en de terugkeer van niet-begeleide kinderen in Europa, de aanbeveling van het comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over leefprojecten voor niet-begeleide minderjarige migranten (CM/Rec(2007)9) en de Twintig richtsnoeren inzake gedwongen terugkeer van het comité van ministers CM(2005)40,

–  gezien de internationale instrumenten betreffende de rechten van kinderen, in het bijzonder het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind en met name artikel 3, en de algemene opmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van het kind, in het bijzonder algemene opmerking nr. 6 (2005) over de behandeling van niet-begeleide kinderen en kinderen buiten hun land van herkomst,

–  gezien de richtsnoeren van 1997 over het algemeen beleid en de algemene procedures voor de behandeling van niet-begeleide minderjarige asielzoekers van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties,

–  gezien aanbeveling nr. 19 van het VN-comité voor de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, aangenomen in 1992,

–  gezien de verklaring van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de uitbanning van geweld tegen vrouwen van december 1993, het eerste internationale instrument voor de mensenrechten dat uitsluitend betrekking heeft op geweld tegen vrouwen,

–  gezien het Protocol inzake de preventie, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0251/2013),

A.  overwegende dat er elk jaar duizenden kinderen uit derde landen of staatloze kinderen jonger dan 18 jaar zonder begeleiding de Europese Unie binnen komen of na hun aankomst in Europa alleen komen te staan;

B.  overwegende dat de aanhoudende conflicten in verschillende delen van de wereld en de economische crisis die de wereld in zijn greep blijft houden een toenemend aantal niet-begeleide minderjarigen teweegbrengen;

C.  overwegende dat deze niet-begeleide minderjarigen om verscheidene redenen naar Europa komen: oorlog, geweld, schendingen van hun grondrechten, de wens herenigd te worden met familieleden, natuurrampen, armoede, mensenhandel, uitbuiting, enzovoort;

D.  overwegende dat bijzondere aandacht dient uit te gaan naar niet-begeleide minderjarige slachtoffers van mensenhandel, aangezien zij zich in een zeer kwetsbare situatie bevinden en derhalve specifieke bijstand en ondersteuning behoeven;

E.  overwegende dat de komst van een groot aantal minderjarigen veroorzaakt wordt door gedwongen huwelijken en dat de Europese Unie zich nog meer moet inspannen om dit fenomeen tegen te gaan;

F.  overwegende dat deze minderjarigen van nature erg kwetsbaar zijn en dat ervoor gezorgd moet worden dat hun grondrechten geëerbiedigd worden;

G.  overwegende dat de Europese Unie en de lidstaten er uit hoofde van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Handvest van de grondrechten en het Verdrag inzake de rechten van het kind toe verplicht zijn de rechten van kinderen te beschermen;

H.  overwegende dat het programma van Stockholm prioriteit geeft aan de bescherming van niet-begeleide minderjarigen;

I.  overwegende dat niet-begeleide minderjarigen in de verschillende lidstaten op verschillende manieren worden opgevangen en behandeld en dat er op dit vlak geen sprake is van gelijkwaardige en doeltreffende bescherming;

J.  overwegende dat gendergelijkheid en de gelijke bescherming van de mensenrechten van niet-begeleide migrerende meisjes en jongens moet worden gewaarborgd en overwegende dat er speciale aandacht moet worden besteed aan de schending van de mensenrechten van meisjes en het bieden van adequate ondersteuning en passende oplossingen;

K.  overwegende dat er dikwijls kinderen verdwijnen uit opvangcentra voor asielzoekers;

Algemene aanbevelingen

1.  wijst erop dat een niet-begeleide minderjarige bovenal een kind is dat mogelijk gevaar loopt, en dat de Europese Unie en de lidstaten niet het immigratiebeleid maar de bescherming van het kind als uitgangspunt moeten nemen wanneer zij met deze kinderen te maken hebben, waarmee zij het kernbeginsel van de belangen van het kind eerbiedigen; herinnert eraan dat elke persoon onder de achttien jaar zonder uitzondering als kind en minderjarige beschouwd moet worden; wijst erop dat niet-begeleide minderjarigen, in het bijzonder meisjes, twee keer zoveel risico lopen op problemen en moeilijkheden als andere minderjarigen; stelt vast dat zij des te kwetsbaarder zijn aangezien zij dezelfde behoeften als andere minderjarigen en vluchtelingen hebben met wie zij soortgelijke ervaringen delen; benadrukt dat meisjes en vrouwen gedurende het migratieproces bijzonder veel risico lopen dat hun rechten worden geschonden, en dat vooral niet-begeleide meisjes gevaar lopen, aangezien zij vaak het belangrijkste doelwit zijn van seksuele uitbuiting, misbruik en geweld; wijst erop dat in de EU niet-begeleide minderjarigen door de autoriteiten vaak als overtreders van migratiewetgeving worden behandeld en niet als personen die op grond van hun leeftijd en specifieke omstandigheden over rechten beschikken;

2.  brengt eveneens in herinnering dat de belangen van het kind zoals vastgelegd in de verdragen en jurisprudentie in alle hen betreffende handelingen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of privé-instellingen, voorrang moeten krijgen op om het even welke andere overweging; verzoekt de Commissie de correcte toepassing van EU-wetgeving inzake de belangen van het kind te bevorderen en een voorstel te doen voor strategische richtsnoeren die zijn gebaseerd op beste praktijken, jurisprudentie en algemene opmerking nr. 6 (2005) van het VN-Comité voor de rechten van het kind over de behandeling van niet-begeleide kinderen en kinderen buiten hun land van herkomst, en aan de hand van een reeks indices en criteria te bepalen wat de belangen van een kind zijn; verzoekt de Commissie wetgevende en niet-wetgevende maatregelen ten uitvoer te leggen waarmeer adequate bescherming van kinderen en niet-begeleide minderjarigen wordt gewaarborgd, en die in het bijzonder gericht zijn op verbetering van de methoden voor het vinden van duurzame oplossingen;

3.  veroordeelt met klem de bestaande leemten op het vlak van de bescherming van niet-begeleide minderjarigen binnen de Europese Unie en hekelt de vaak erbarmelijke opvangvoorzieningen voor deze minderjarigen en de talrijke schendingen van hun grondrechten in bepaalde lidstaten;

4.  benadrukt dat het urgent is dat de EU en de lidstaten om coherent te reageren met het oog op de bescherming van niet-begeleide minderjarigen, waarbij hun grondrechten volledige in acht genomen worden; prijst de lidstaten die hebben gekozen voor het Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind over wettelijke bescherming van kinderen tegen de ergste vormen van uitbuiting;

5.  is ingenomen met de goedkeuring door de Commissie van het actieplan 2010-2014 voor niet-begeleide minderjarigen; betreurt evenwel dat de benadering van de Commissie niet in grotere mate op de bescherming van de grondrechten van deze minderjarigen berust en stelt vast dat de bestaande maatregelen ontoereikend zijn en dat uitgebreidere maatregelen nodig zijn voor een veelomvattende bescherming van niet-begeleide minderjarigen; herinnert eraan dat de EU en de lidstaten zich met het actieplan betreffende niet-begeleide minderjarigen ten doel gesteld hebben de achterliggende oorzaken van migratie aan te pakken en het vraagstuk van niet-begeleide minderjarigen in ontwikkelingssamenwerking te integreren, en er aldus toe bij te dragen dat kinderen in hun land van herkomst in een veilige omgeving kunnen opgroeien; benadrukt dat de preventieve dimensie van EU-beleid met betrekking tot niet-begeleide minderjarigen verder moet worden ontwikkeld door meer te focussen op inspanningen om armoede uit te bannen, op beleid op het gebied van gezondheid en werk, mensenrechten en democratisering, en wederopbouw na conflicten; is van mening dat de EU verder moet gaan dan het door de Commissie voorgestelde actieplan zodat de grondrechten van niet-begeleide minderjarigen werkelijk meer inhoud krijgen; benadrukt met name dat de status van "voogd" in de EU en de partnerlanden moet worden versterkt; is van mening dat het uiterst belangrijk is dat er een toezichtsplan wordt opgesteld in samenwerking met de landen van herkomst en mogelijke doorvoerlanden om ervoor te zorgen dat het kind na zijn terugkeer voldoende bescherming geniet en wordt opgenomen door het land van herkomst;

6.  betreurt het dat de Europese bepalingen betreffende niet-begeleide minderjarigen zo versnipperd zijn en vraagt de Commissie nadrukkelijk een op de lidstaten en op degenen die in de praktijk werkzaam zijn gericht handboek op te stellen dat deze verschillende rechtsgronden samenvoegt, een correcte tenuitvoerlegging door de lidstaten waarborgt en voor een betere bescherming van niet-begeleide minderjarigen zorgt;

7.  betreurt het gebrek aan betrouwbare officiële statistieken over niet-begeleide minderjarigen; verlangt dat de lidstaten en de Commissie de vergaring van statistische gegevens over niet-begeleide minderjarigen, waaronder over leeftijd en geslacht, verbeteren, verlangt dat zij de vergelijkbaarheid van de vergaring van statistische gegevens in alle lidstaten verbeteren en een gecoördineerde methode invoeren voor vergaring en uitwisseling van informatie in elke lidstaat, waarbij zij de bescherming van persoonsgegevens garanderen, door middel van platforms waarop alle bij niet-begeleide minderjarigen betrokken partijen samengebracht worden, en door middel van een lijst van nationale contactpunten, en verlangt dat de lidstaten en de Commissie beter gebruikmaken van de reeds beschikbare instrumenten voor de vergaring van statistische gegevens op EU-niveau, zoals Eurostat, Frontex, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) en het Europees Migratienetwerk; benadrukt dat met de vergaring van dergelijke gegevens wordt beoogd een beter begrip van de situatie tot stand te brengen, de bescherming van niet-begeleide minderjarigen te verbeteren en beter in te spelen op hun behoeften; verzoekt de Commissie, de lidstaten, het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) en niet-gouvernementele en internationale organisaties om zich extra in te spannen om betrouwbare, naar geslacht uitgesplitste gegevens te verzamelen, te controleren en uit te wisselen, om een duidelijk inzicht te krijgen in het aantal niet-begeleide minderjarige meisjes, alsmede om de specifieke behoeften van deze groep te analyseren teneinde hun ondersteuning te bieden en concrete maatregelen te nemen die aan deze behoeften tegemoetkomen, en om optimale praktijken uit te wisselen, zodat de situatie op dit gebied kan worden verbeterd;

8.  herinnert eraan dat de EU en de lidstaten meer moeten samenwerken met derde landen van herkomst en doorreis op het gebied van niet-begeleide minderjarigen, de eerbiediging van hun grondrechten, zaken als het zoeken naar duurzame oplossingen, het traceren van familieleden, begeleide terugkeer en terugname wanneer dit in het belang van het kind is, herstel van familiebanden en herintegratie; verlangt tevens betere samenwerking met derde landen van herkomst en doorreis betreffende het voorkomen en bestrijden van mensenhandel, in het bijzonder handel in kinderen en de uitbuiting van minderjarigen, het voorkomen van niet-reguliere immigratie en andere vormen van geweld tegen vrouwen, zoals gedwongen huwelijken, onder meer in het kader van de regelmatige dialoog die de EU voert met deze staten en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO); verzoekt de Commissie en de lidstaten kinderbescherming en de kwestie niet-begeleide minderjarigen te integreren in ontwikkelings- en samenwerkingsbeleid; benadrukt dat het van belang is dat het EU-beleid op het gebied van immigratie, asiel en de rechten van het kind – dat kinderen in zowel de EU als derde landen betreft – op coherente wijze wordt opgesteld, waarbij zorgvuldig rekening wordt gehouden met de gevolgen van dit beleid voor ontwikkelingslanden; herinnert aan de verplichting van een coherent ontwikkelingsbeleid (PCD) die is verankerd in het Verdrag van Lissabon; roept de Europese Commissie, de lidstaten en derde landen op om in de landen van herkomst, doorreis en bestemming van niet-begeleide minderjarigen publieke bewustwordingscampagnes te stimuleren over de risico's in verband met de migratie van kinderen, met name over de uitbuiting van minderjarigen en de georganiseerde misdaad; onderstreept dat het onderzoek naar de persoonlijke en gezinssituatie waaruit de minderjarige komt, zeer belangrijk is om de achtergrond in het land van herkomst te begrijpen en een individueel plan op te stellen voor integratie in het land van aankomst of herintegratie in het land van herkomst;

9.  herhaalt dat de strijd tegen mensenhandel een noodzakelijke en cruciale stap is, aangezien minderjarigen, vooral meisjes, een bijzonder groot risico lopen om het slachtoffer te worden van mensenhandel, genderspecifiek geweld en uitbuiting, in het bijzonder arbeidsgerelateerde uitbuiting, seksuele uitbuiting en misbruik; onderstreept dat effectieve mechanismen moeten worden ingesteld voor de preventie, identificatie, rapportage, verwijzing, onderzoek, behandeling en vervolgactie bij gevallen van mensenhandel en arbeidsgerelateerde en seksuele uitbuiting en misbruik, en dat tevens in derde landen actie moet worden genomen om de onderliggende oorzaken van mensenhandel aan te pakken; roept de Commissie en de lidstaten in dit verband op tot grote waakzaamheid en tot effectieve tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, Richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten; verzoekt de lidstaten en de EU intensiever samen te werken op politieel en justitieel gebied en in samenwerking met de EU-coördinator voor de bestrijding van mensenhandel mogelijke slachtoffers op te sporen, te zorgen voor bewustwording onder het grote publiek en mensenhandel te bestrijden; is ermee ingenomen dat de Europese strategie voor de uitroeiing van mensenhandel (2012-2016) uiteindelijk toch is aangenomen, in het bijzonder de bepalingen over de financiering van de uitwerking van richtsnoeren voor kinderbeschermingssystemen, alsook de uitwisseling van beste praktijken; herinnert de lidstaten aan artikel 11 van het VN-verdrag inzake de rechten van het kind waarin staten worden opgeroepen maatregelen te nemen ter bestrijding van het illegaal overbrengen van kinderen naar andere landen; verzoekt de lidstaten met derde landen samen te werken om het groeiende probleem van kindersmokkel aan te pakken; dringt er bij de lidstaten op aan smokkelaars waar mogelijk te vervolgen met passende en evenredige sancties; maakt zich zorgen over de situatie van veel niet-begeleide minderjarigen die zich in de EU schuilhouden en die een groot risico lopen op uitbuiting en misbruik; doet een beroep op de overheden en organisaties van het maatschappelijk middenveld in de lidstaten om samen te werken en alle maatregelen te nemen die nodig zijn om hun bescherming en waardigheid te waarborgen;

10.  vindt het betreurenswaardig dat er stelselmatig veel te weinig middelen worden uitgetrokken voor kinderbescherming in vergelijking met overige humanitaire beleidssectoren; vraagt de Commissie om in het Europees Fonds voor asiel en migratie specifiek rekening te houden met niet-begeleide minderjarigen om op lange termijn financiering te garanderen voor de bescherming van kinderen, meer bepaald de onderdelen betreffende vluchtelingen, buitengrenzen en terugkeer, en in het Europees Sociaal Fonds, in het bijzonder met het oog op ondersteuning van de zwaarst getroffen regio's; meent dat in het bijzonder adequate financiering op lange termijn veiliggesteld moet worden voor programma's die zijn gericht op de identificatie van niet-begeleide minderjarigen, geschikte opvang, bescherming, de benoeming van voogden, het opsporen van familieleden, hervestiging, herintegratie en bijscholing van grenswachten en autoriteiten;

Strategische beleidslijnen

11.  verzoekt de Commissie strategische richtsnoeren voor de lidstaten uit te werken, uitgaand van beste praktijken en in de vorm van gemeenschappelijke minimumnormen, waarin elk stadium van het proces aan de orde wordt gesteld, van de aankomst van de minderjarige op Europees grondgebied tot het ogenblik waarop een duurzame oplossing wordt gevonden die hem of haar voldoende bescherming biedt; verzoekt de lidstaten nationale, op deze strategische richtsnoeren gebaseerde strategieën voor niet-begeleide minderjarigen op te stellen, en een nationaal contactpunt aan te wijzen dat verantwoordelijk is voor het coördineren van de tenuitvoerlegging van deze maatregelen en acties; verlangt dat de Commissie, in samenwerking met de huidige groep deskundigen, de situatie en de in de lidstaten genomen maatregelen kritisch volgt, en het Parlement en de Raad een jaarverslag doet toekomen;

12.  wijst erop dat geen enkel kind de toegang tot het grondgebied van de EU ontzegd mag worden en blijft erbij dat de lidstaten de internationale en Europese verplichtingen moeten nakomen die gelden wanneer een kind onder hun jurisdictie valt, en daarbij geen willekeurige beperkingen mogen toepassen; brengt in herinnering dat geen enkel kind op basis van een oppervlakkige procedure aan de grens van een lidstaat mag worden tegengehouden;

13.  spoort de lidstaten ertoe aan zich strikt te houden aan het fundamentele voorschrift om een minderjarige nooit ofte nimmer, zonder uitzonderingen, op te sluiten; betreurt het feit dat het gewijzigde voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van normen voor de opvang van asielzoekers niet voorzag in een verbod op de detentie van niet-begeleide minderjarigen en dringt er bij de lidstaten op aan de door de richtlijn vastgestelde benchmark voor uitzonderlijke omstandigheden in acht te nemen; verzoekt de Commissie, in het licht van de betreffende jurisprudentie, zeer zorgvuldig te zijn bij de toepassing van het EU-recht inzake de bewaring van minderjarigen; verzoekt de lidstaten tevens om minderjarigen in speciaal voor kinderen bestemde tehuizen onder te brengen, en daarbij rekening te houden met hun leeftijd en geslacht;

14.  is van mening dat elke lidstaat afzonderlijk verantwoordelijk is voor de identificatie van niet-begeleide minderjarigen; vraagt de lidstaten hen direct na aankomst door te sturen naar gespecialiseerde diensten, zoals maatschappelijk werkers en onderwijsinstellingen, die enerzijds de individuele situatie en behoeften van elke minderjarige moeten beoordelen en anderzijds de minderjarigen in een voor hen verstaanbare taal en vorm – indien noodzakelijk via tolken – alle benodigde informatie moeten verstrekken over hun rechten, bescherming, juridische mogelijkheden, mogelijkheden om ondersteuning te krijgen, procedures en de implicaties ervan; verzoekt de lidstaten beste praktijken over kindvriendelijke instrumenten uit te wisselen, zodat de kinderen een helder idee van de betreffende procedures en hun rechten krijgen; roept de lidstaten in dit verband op om speciale aandacht te besteden aan en speciale regelingen te treffen voor de identificatie, opvang en bescherming van niet-begeleide minderjarigen die specifieke bescherming nodig hebben, in het bijzonder niet-begeleide minderjarige slachtoffers van mensenhandel uit derde landen, en hun uit hoofde van Richtlijn 2011/36/EU de nodige ondersteuning en bescherming te bieden;

15.  betreurt het dat de medische technieken die in sommige lidstaten worden gehanteerd om de leeftijd vast te stellen ongepast en opdringerig zijn en trauma's kunnen veroorzaken, betreurt het eveneens dat sommige, op botontwikkeling of gebitsmineralisatie gebaseerde methoden omstreden blijven en een grote foutenmarge kennen; verzoekt de Commissie om in de strategische richtsnoeren op beste praktijken gebaseerde gemeenschappelijke normen op te nemen voor de methode waarmee de leeftijd wordt bepaald, waarbij deze beoordeling multidimensionaal en multidisciplinair moet zijn en door onafhankelijke, gekwalificeerde beroepsbeoefenaars en deskundigen uitgevoerd moet worden op een wetenschappelijke, veilige, gender- en kindvriendelijke en eerlijke manier, met bijzondere aandacht voor meisjes; herinnert eraan dat de leeftijdsbepaling moet worden verricht onder eerbiediging van de rechten en fysieke integriteit van het kind en van de menselijke waardigheid, en dat minderjarigen altijd het voordeel van de twijfel gegeven moet worden; wijst er tevens op dat medische onderzoeken alleen moeten worden uitgevoerd wanneer andere beoordelingsmethodes zijn uitgeput en dat het mogelijk moet zijn om tegen de uitkomsten van deze beoordeling in beroep te gaan; looft de werkzaamheden van EASO op dit vlak, en is van mening dat deze aanpak voor alle minderjarigen zou moeten worden veralgemeend;

16.  verzoekt de lidstaten, zodra een niet-begeleide minderjarige op hun grondgebied arriveert en totdat een duurzame oplossing is gevonden, erop toe te zien dat een begeleider wordt aangewezen of een persoon die verantwoordelijk is voor het begeleiden, bijstaan en vertegenwoordigen van de minderjarige in alle procedures, en die de minderjarige in staat stelt tijdens alle procedures van zijn of haar rechten gebruik te maken, en verlangt dat de minderjarige onverwijld op de hoogte wordt gebracht van de benoeming van de voor hem of haar verantwoordelijke persoon; verlangt voorts dat deze persoon specifieke bijscholing krijgt op het gebied van de problemen waar niet-begeleide minderjarigen mee te maken krijgen, kinderbescherming, de rechten van het kind, asiel- en migratierecht, en volledig onafhankelijk optreedt; meent dat deze personen continue en adequate bijscholing moeten krijgen en een regelmatige en onafhankelijke controle moeten ondergaan; vraagt de Commissie om in de strategische richtsnoeren op beste praktijken gebaseerde gemeenschappelijke normen voor het mandaat, de rol, de kwalificaties, vaardigheden en scholing van deze personen op te nemen;

17.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat voor instanties werkzame ambtenaren en personeel, die waarschijnlijk in contact komen met niet-begeleide minderjarigen, waaronder degenen die het slachtoffer zijn van mensenhandel, op dit gebied gekwalificeerd en geschoold zijn, zodat zij dergelijke gevallen kunnen herkennen en er correct mee omgaan, en hun voldoende bijscholing te geven over de specifieke behoeften van niet-begeleide minderjarigen en over de rechten van het kind, het gedrag en de psychologie van het kind, en asiel- en migratierecht; verzoekt de lidstaten om verplichte genderspecifieke bijscholing aan te bieden aan personeel van opvangcentra voor niet-begeleide minderjarigen, alsook aan ondervragers, besluitvormers en wettelijk vertegenwoordigers van niet-begeleide minderjarigen, en ervoor te zorgen dat politie en de wettelijke autoriteiten in de lidstaten periodiek genderspecifieke bijscholing krijgen; benadrukt dat de voor de minderjarige verantwoordelijke persoon de minderjarige dient te informeren en adviseren, maar dat dit slechts kan dienen als aanvulling op het juridisch advies en niet als vervanging ervan; herinnert eraan dat, ongeacht de nationaliteit van de minderjarige en of deze erkend was of niet, het de lidstaat waarin de minderjarige zich bevindt is die de zorg voor de niet-begeleide minderjarige op zich moet nemen en hem of haar de maximale bescherming moet bieden;

18.  verzoekt de lidstaten om niet-begeleide minderjarigen voldoende bescherming te bieden, ongeacht hun status en onder dezelfde voorwaarden als de kinderen die onderdanen van het gastland zijn, teneinde consistentie en gelijke normen inzake de bescherming van niet-begeleide minderjarigen in de EU te waarborgen:

   toegang tot passende huisvesting: de huisvesting moet altijd beschikken over voldoende sanitaire voorzieningen; huisvesting in een "centrum" mag nooit huisvesting in een gesloten centrum zijn en tijdens de eerste na aankomst moet de niet-begeleide minderjarige opgevangen worden in een gespecialiseerd centrum; na deze eerste fase moet de minderjarige stabieler gehuisvest worden; niet-begeleide minderjarigen en volwassenen moeten altijd apart worden gehuisvest; het centrum moet voorzien in de behoeften van minderjarigen en over voldoende faciliteiten beschikken; huisvesting bij gastgezinnen en in "wooneenheden" en het delen van accommodatie met verwante of bevriende minderjarigen moet worden aangemoedigd wanneer dit passend is en overeenstemt met de wensen van de minderjarige;
   zodra is vastgesteld dat het om niet-begeleide minderjarigen gaat, moeten zij adequate materiële, juridische en psychologische ondersteuning krijgen;
   het recht op onderwijs, beroepsopleiding en sociale en educatieve begeleiding, en directe toegang tot deze voorzieningen; het moet onmiddellijk mogelijk zijn om in de gastlidstaat naar school te gaan; tevens moeten niet-begeleide minderjarigen, voor zover mogelijk, direct na aankomst op het grondgebied van een lidstaat, goede toegang hebben tot taalcursussen in de taal van de gastlidstaat; de lidstaten moeten de erkenning van het door kinderen reeds gevolgde onderwijs vergemakkelijken, zodat zij toegang hebben tot vervolgonderwijs in Europa;
   het recht op gezondheid en effectieve toegang tot adequate basisgezondheidszorg; de lidstaten dienen tevens te voorzien in adequate medische en psychologische zorg voor minderjarigen die het slachtoffer zijn geworden van marteling, seksueel misbruik of andere vormen van geweld; de lidstaten dienen ook, indien noodzakelijk, te voorzien in speciale behandelingen (dat wil zeggen, toegang tot revalidatiediensten) voor minderjarigen die het slachtoffer zijn geweest van enige vorm van mishandeling, uitbuiting, foltering of wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of die onder een gewapend conflict hebben geleden;
   toegang tot informatie en gebruik van de media (radio, tv, internet) om in hun communicatiebehoeften te voorzien;
   het recht op vrije tijd en op deelname aan spel en recreatieve activiteiten;
   het recht van elke niet-begeleide minderjarige om zijn eigen culturele identiteit en waarden, met inbegrip van zijn moedertaal, te blijven gebruiken en verder te ontwikkelen;
   het recht om hun godsdienst in het openbaar te belijden;

19.  wijst erop dat alle procedures moeten worden aangepast aan de behoeften van minderjarigen en hun leeftijd, hun mate van volwassenheid en hun begripsniveau voldoende in ogenschouw moeten nemen, en tevens moeten inspelen op de behoeften van kinderen, in overeenstemming met de richtsnoeren van de Raad van Europa over kindvriendelijke justitie, en looft de activiteiten van de Commissie ter bevordering van deze richtsnoeren; meent dat in alle fasen van de procedures geluisterd moet worden naar en rekening gehouden moet worden met de meningen van de minderjarige, in samenwerking met vakbekwame en geschoolde personen, zoals psychologen, maatschappelijk werkers en cultuurmediators;

20.  is ingenomen met de voortgang die is geboekt bij de asielwetgeving en roept de lidstaten op de noodzakelijke juridische en bestuurlijke hervormingen door te voeren om deze bepalingen effectief ten uitvoer te kunnen leggen; herinnert er echter aan de EU-asielbeleid de niet-begeleide minderjarigen als kinderen moet behandelen en roept de lidstaten daarom op om niet-begeleide minderjarigen zoveel mogelijk vrij te stellen van versnelde procedures en grensprocedures; herinnert er tevens aan dat de lidstaat waarin een niet-begeleide minderjarige zich ophoudt nadat hij een asielaanvraag heeft ingediend, verantwoordelijk is voor een asielaanvraag die in meer dan een lidstaat is ingediend door een niet-begeleide minderjarige die geen legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijvend familielid heeft, en verzoekt de lidstaten gehoor te geven aan de uitspraken van het Europees Hof van Justitie; benadrukt dat het gezien de specifieke behoeften van niet-begeleide minderjarigen van cruciaal belang is dat hun asielaanvragen prioriteit krijgen, zodat zo spoedig mogelijk een eerlijk besluit genomen kan worden; spoort de lidstaten ertoe aan hun asielstelsels verder te ontwikkelen teneinde een geharmoniseerd en kindvriendelijk institutioneel kader tot stand te brengen waarbij rekening wordt gehouden met de speciale behoeften en uiteenlopende problemen waarmee niet-begeleide minderjarigen, vooral slachtoffers van mensenhandel, te maken hebben;

21.  onderstreept dat beslissingen in verband met niet-begeleide minderjarigen met inachtneming van het belang van het kind gebaseerd moeten worden op een individuele beoordeling;

22.  veroordeelt de bijzonder precaire omstandigheden waarin deze minderjarigen plots terechtkomen wanneer ze meerderjarig worden; verzoekt de lidstaten beste praktijken uit te wisselen en procedures in te stellen om deze minderjarigen bij de overgang naar volwassenheid te begeleiden; looft het werk van de Raad van Europa op dit gebied en vraagt aan de Commissie om in haar strategische richtsnoeren beste praktijken op te nemen voor de ontwikkeling van "geïndividualiseerde levensprojecten" die voor en in samenwerking met de minderjarigen worden uitgestippeld;

23.  verzoekt de lidstaten de verantwoordelijkheden van elke partner vast te leggen, met name van nationale en lokale autoriteiten, instanties voor maatschappelijk werk, jeugdwerkers, gezinnen en wettelijk vertegenwoordigers, bij de uitvoering van en het toezicht op levensprojecten en de coördinatie daarvan;

24.  beklemtoont dat zodra een niet-begeleide minderjarige op Europees grondgebied aankomt, het uiteindelijke doel erin moet bestaan een passende oplossing voor hem/haar te vinden die in overeenstemming is met zijn/haar belangen; herhaalt dat het zoeken naar een dergelijke oplossing altijd moet beginnen met een verkenning van de mogelijkheden tot familiehereniging, mits dit in het belang van het kind is; benadrukt dat de minderjarige in principe gevraagd kan worden te helpen bij de opsporing van familieleden, maar dat er geen sprake mag zijn van verplichte medewerking die een doorslaggevende factor vormt bij de behandeling van het verzoek tot internationale bescherming; herinnert eraan dat, in gevallen waarin het leven van de minderjarige of van familieleden gevaar loopt, in het bijzonder wanneer familieleden achterblijven in het land van herkomst, het verzamelen, verwerken en doorgeven van informatie over deze personen op vertrouwelijke basis dient plaats te vinden, zodat gegarandeerd kan worden dat het leven van de betrokken personen niet in gevaar wordt gebracht; verzoekt de lidstaten en al hun bevoegde instanties de onderlinge samenwerking te verbeteren, in het bijzonder door alle bureaucratische obstakels voor het traceren en/of herenigen van familieleden uit de weg te ruimen, en beste praktijken uit te wisselen; verzoekt de Commissie toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging, in het bijzonder artikel 10, lid 3;

25.  verzoekt de Commissie in de strategische richtsnoeren op beste praktijken gebaseerde gemeenschappelijke normen op te nemen voor de voorwaarden waaraan voldoen moet worden voordat een minderjarige teruggestuurd kan worden, die op consistente wijze de belangen van het kind eerbiedigen en gebaseerd zijn op de door de Commissie in 2011 gepubliceerde "Comparative Study on Practices in the Field of Return of Minors", dat een controlelijst bevat en een lijst van beste praktijken; beklemtoont nogmaals dat nooit mag worden besloten een minderjarige terug te sturen wanneer dit niet in het belang van het kind is of wanneer er gevaar bestaat voor het leven, de fysieke en geestelijke gezondheid en het welzijn, de veiligheid of grondrechten of de grondrechten van zijn of haar familieleden, waarbij rekening gehouden moet worden met de persoonlijke situatie van elke minderjarige (en van zijn of haar familieleden in het geval van gezinshereniging), en dat deze volledig geëvalueerd moet worden; herinnert eraan dat uitsluitend besloten mag worden een minderjarige terug te sturen wanneer met zekerheid is vastgesteld dat de minderjarige in het land van terugkeer onder veilige, concrete en toegespitste wettelijke bepalingen valt die zijn/haar rechten eerbiedigen en gepaard gaan met op herintegratie gerichte maatregelen in het land van terugkeer; verzoekt de lidstaten, teneinde de veilige terugkeer van het kind te garanderen, om in samenwerking met niet-gouvernementele, plaatselijke en internationale organisaties samenwerkings- en monitoringsregelingen met de landen van herkomst en doorreis in te stellen, en zo de bescherming en herintegratie van minderjarigen na hun terugkeer te waarborgen; wijst erop dat dergelijke regelingen een cruciaal onderdeel van de terugkeer zijn; vraagt de Commissie zich bij de evaluatie van Richtlijn 2008/115/EG te concentreren op de gevolgen ervan op niet-begeleide minderjarigen, en in het bijzonder op artikel 10, artikel 14, lid 1 c) en artikel 17; verzoekt de EU zich ertoe te verbinden haar reactie te verbeteren teneinde een halt toe te roepen aan factoren die migratie in de hand werken, met inbegrip van vroegtijdige en gedwongen huwelijken, schadelijke tradities als genitale verminking van vrouwen en seksueel geweld overal ter wereld;

26.  benadrukt dat de integratie van niet-begeleide minderjarigen in het gastland moet plaatsvinden in het kader van een individueel levensproject dat voor en in overleg met de minderjarigen moet worden uitgestippeld, met inachtneming van hun etnische, religieuze, culturele en taalkundige achtergrond;

27.  verzoekt de lidstaten overheidsinstanties te verplichten om maatregelen te nemen in verband met niet-begeleide minderjarigen die het slachtoffer zijn van bedelpraktijken; meent dat de uitbuiting van minderjarigen in verband met bedelpraktijken koste wat het kost moet worden voorkomen;

o
o   o

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Raad van Europa.

(1) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 12.
(2) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(3) PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.
(4) PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9.
(5) PB L 31 van 6.2.2003, blz. 18.
(6) PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98.
(7) PB L 251 van 3.10.2003, blz. 12.
(8) PB L 199 van 31.7.2007, blz. 23.
(9) PB L 173 van 3.7.2007, blz. 19.


Situatie in de Democratische Republiek Congo
PDF 135kWORD 29k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de situatie in de Democratische Republiek Congo (2013/2822(RSP))
P7_TA(2013)0388RC-B7-0390/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties,

–  gezien de verklaring van hoge vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, van 30 augustus 2013 over de situatie in Noord-Kivu, en van 7 juni 2012 en 10 juli 2012 over de situatie in Oost-Congo,

–  gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU over de situatie van instabiliteit en onveiligheid in de regio van de Grote Meren en met name in het oosten van de Democratische Republiek Congo, aangenomen tijdens haar bijeenkomst in Paramaribo (Suriname) van 27-29 november 2012,

–  gezien de conclusies van de Raad van 22 juli 2013 over het Grote-Merengebied, en van 10 december 2012, 19 november 2012 en 25 juni 2012 over de situatie in het oosten van de DRC,

–  gezien Resolutie 2053 (2012) van de VN-Veiligheidsraad over de situatie in de Democratische Republiek Congo, en Resoluties 1925 (2010), 1856 (2008), waarin het mandaat van de VN-missie in de Democratische Republiek Congo (Monusco) is vastgelegd en Resolutie 2098 (2013) waarin het Monusco-mandaat is verlengd,

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN van 28 juni 2013 over de Stabilisatiemissie van de Verenigde Naties in de Democratische Republiek Congo,

–  gezien de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad van 25 juli 2013 over de situatie in het gebied van de Grote Meren,

–  gezien het besluit van de Vredes- en Veiligheidsraad van de Afrikaanse Unie (AU) over de situatie in het gebied van de Grote Meren, met name in het oosten van de Democratische Republiek Congo (DRC) tijdens haar 393e vergadering van 28 augustus 2013,

–  gezien de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van het gebied van de Grote Meren (ICGRL) van 6 augustus 2013 en 24 november 2012 over de veiligheidssituatie in de DRC,

–  gezien de resolutie van de Internationale Organisatie van de Francofonie (OIF) aangenomen tijdens de top XIV van de Francophonie van 13 en 14 oktober 2012 over de situatie in de Democratische Republiek Congo,

–  gezien de in juni 2000 ondertekende Partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

–  gezien resoluties 1325 (2000), 1820 (2008), 1888 (2009) en 1960 (2010) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien artikel 3 van en protocol II bij het Verdrag van Genève van 1949, op grond waarvan standrechtelijke executies, verkrachting, gedwongen rekrutering en andere wreedheden verboden zijn,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, waarin met name het betrekken van kinderen bij gewapende conflicten verboden wordt,

–  gezien het facultatief protocol bij het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind over het betrekken van kinderen bij gewapende conflicten, dat door de landen in het gebied van de Grote Meren is geratificeerd,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens uit 1948 en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten uit 1966,

–  gezien het Afrikaanse Handvest voor mensenrechten en volkerenrechten, dat door de Democratische Republiek Congo (DRC) in 1982 is geratificeerd,

–  gezien artikel 122, lid 5 en artikel 110, lid 4 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat sinds juli jl. het geweld in het oosten van de DRC escaleert, en dat de vijandelijkheden tussen de M23 en de regeringstroepen zijn hervat, hetgeen geleid heeft tot het verlies van duizenden mensenlevens, ontelbare gewonden en aanvallen op burgers en de VN-vredesmacht; overwegende dat de humanitaire situatie kritiek blijft;

B.  overwegende dat als gevolg van de steeds terugkerende gewapende conflicten, de regio van Kivu zwaar te lijden heeft onder wreedheden en geweld, plunderingen, seksueel en gendergerelateerd geweld, ontvoeringen en gedwongen rekrutering van kinderen door gewapende groepen, en schendingen van de mensenrechten, die nog steeds een plaag zijn die de inspanningen van de VN-Veiligheidsraad en regionale instanties om een ​​eind te maken aan het conflict ondermijnt;

C.  overwegende dat op 28 augustus 2013 bij een aanval op de M23 rebellengroep in Kibati in Noord-Kivu een lid van de VN vredesmacht is gedood en 10 anderen gewond zijn geraakt, omdat Monusco de Congolese strijdkrachten (FARDC) steunde bij de bescherming van door burgers bewoonde gebieden rond Goma;

D.  overwegende dat meer dan 2,7 miljoen binnenlandse ontheemden hun huizen hebben moeten ontvluchten, waaronder al meer dan 1 miljoen in 2012, en dat meer dan 440 000 Congolese vluchtelingen zijn gevlucht naar andere Afrikaanse landen; dat ongeveer 6,4 miljoen mensen voedsel- en noodhulp nodig hebben en nu alleen maar bezig zijn in moeilijke omstandigheden te overleven als gevolg van de steeds terugkerende gevechten en schendingen van hun mensenrechten en het internationaal humanitair recht in het oosten van de DRC;

E.  overwegende dat het feit dat degenen die verantwoordelijk zijn voor de mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden niet door de DRC vervolgd worden, het klimaat van straffeloosheid bevordert en aanzet tot het plegen van nieuwe misdaden;

F.  overwegende dat de onderhandelingen tussen de rebellen en de overheid van de DRC sinds mei 2013 zijn onderbroken; eraan herinnerend dat de M23-rebellen die na een vredesakkoord van 2000 in het leger zijn geïntegreerd, in april 2012 aan het muiten zijn geslagen en dat de M23 een van de tientallen gewapende groeperingen vormt die in deze grondstofrijke regio vechten;

G.  overwegende dat de 7e top van de ICGLR op 5 september 2013 is begonnen en heeft opgeroepen tot een heropening en snelle afronding van de vredesonderhandelingen;

H.  overwegende dat in Resolutie 2098 (2013) van 28 maart 2013 van de VN-Veiligheidsraad het mandaat van de Monusco tot en met 31 maart 2014 is verlengd en bij wijze van uitzondering een gespecialiseerde interventiebrigade binnen de bestaande operatie van 19 815 troepen is gecreëerd;

I.  overwegende dat in 2012 de lidstaten van de ICGLR gestart zijn met een gezamenlijk controle-mechanisme, gericht op het toezicht op troepenbewegingen in het oosten van de DRC en het inzetten van de beoogde neutrale internationale troepenmacht;

J.  overwegende dat de VN-groep van deskundigen bewijzen heeft gepubliceerd dat Rwanda gelieerd is aan de rebellen, en de Verenigde Staten Kigali heeft opgeroepen haar steun te beëindigen; overwegende dat Rwanda herhaaldelijk heeft ontkend banden te hebben met de M23;

K.  overwegende dat het gebruiken van seksueel geweld en het op grote schaal toepassen van verkrachting als oorlogswapen verregaande consequenties hebben, zoals de fysieke en psychologische vernietiging van de slachtoffers, en als oorlogsmisdaden beschouwd dienen te worden; overwegende dat de nationale autoriteiten en de internationale gemeenschap ruimschoots hebben geïnvesteerd in de versterking van het rechtssysteem, met name wat betreft de militaire kant, en wat betreft het stimuleren van onderzoeken en vervolgingen op grond van seksueel geweld; overwegende dat er rechtszaken zijn gevoerd maar dat de vonnissen vaak niet zijn uitgevoerd en degenen die schuldig waren bevonden in veel gevallen hebben kunnen ontsnappen en er weinig is gedaan om de slachtoffers te compenseren;

L.  overwegende dat het nodig is de gevolgen van de conflicten aan te pakken, vooral door middel van demilitarisatie, hervorming van het plaatselijk bestuursapparaat, demobilisatie en reïntegratie van voormalige strijders, repatriëring van vluchtelingen, herhuisvestiging van mensen die binnen hun eigen land ontheemd zijn geraakt en uitvoering van realistische ontwikkelingsprogramma's;

M.  overwegende dat de Europese Unie een bijdrage levert aan het herstel van de justitiële en veiligheidssectoren (politie en leger) om deze goed te laten functioneren door middel van financiële en technische ondersteuning en de opleiding van personeel binnen het kader van de missies EUSEC RD en EUPOL RD;

N.  overwegende dat de illegale exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen van het land, waarvan sommige hun weg vinden naar andere landen, het conflict in de DRC gaande houdt en aanwakkert en een bron van onveiligheid blijft voor de regio als geheel;

O.  overwegende dat de stijgende werkloosheid, de sociale crisis, de voedselcrisis, de ontoereikendheid van basisdiensten, de verarming van de bevolking en aantasting van het milieu in de DRC ook medeverantwoordelijk zijn voor de instabiliteit van het land en de regio van de grote meren;

P.  overwegende dat er de afgelopen maanden geen vooruitgang is geboekt met betrekking tot het wetsontwerp inzake de bescherming van mensenrechtenverdedigers, dat de onderdrukking van mensenrechtenactivisten en journalisten in de DRC is toegenomen en ze willekeurig gearresteerd en geïntimideerd zijn; overwegende dat er geen stappen zijn ondernomen om degenen die verantwoordelijk zijn voor de rechter te brengen;

Q.  overwegende dat na de hervatting op 9 april 2013 van het proces in beroep bij de hoogste militaire rechtbank inzake de moord in juni 2010 op Floribert Chebeya, directeur van de Voice of the Voiceless (VSV) en lid van de Algemene Vergadering van de Wereldorganisatie tegen foltering (OMCT), en Fidèle Bazana, lid van de VSV, de advocaten Peter Ngomo Milambo, Emmanuel Ilunga Kabengele en Regine Sesepe bedreigingen hebben ontvangen;

R.  overwegende dat op 7 augustus 2013 in het dorpje Kawakolo in Pweto Territory, in Katanga, Godfrey Mutombo, een lid van de non-gouvernementele organisatie Libertas, op brute wijze is vermoord door leden van rebellengroepen die sinds 2011 terreur zaaien in een aantal dorpen in het noorden van de provincie;

1.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de recente escalatie van het geweld in het oosten van de DRC, die ernstige politieke, economische, sociale, humanitaire en veiligheidsconsequenties heeft in de DRC en in de hele regio, die al kwetsbaar en instabiel is;

2.  veroordeelt met klem de meest recente uitbarsting van geweld in het oosten van de DRC, met name de willekeurige beschietingen door de gewapende M23 en andere gewapende groepen, in het bijzonder de Democratische Strijdkrachten voor de Bevrijding van Rwanda (FDLR), die heeft geleid tot doden, gewonden en materiële schade bij de burgerbevolking; veroordeelt gerichte aanvallen door rebellen tegen Monusco, waarbij meerdere mensen zijn gedood, waaronder een Tanzaniaans lid van de vredesmacht, en een aantal anderen gewond zijn geraakt; dringt er bij alle betrokken partijen op aan om toegang en bescherming te bieden aan humanitaire organisaties die hulp komen bieden aan de noodlijdende burgerbevolking;

3.  eist dat er onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan alle schendingen van de mensenrechten, waaronder het alarmerende en wijdverspreide seksueel en gendergerelateerd geweld (VN-Veiligheidsraad resolutie 1820 (2008) van 19 juni 2008), en de jammerlijke rekrutering en inzet van kinderen door gewapende strijdkrachten; betuigt zijn solidariteit met de door de oorlog geteisterde bevolking van de Democratische Republiek Congo;

4.  dringt met klem erop aan bij alle betreffende autoriteiten om onmiddellijk stappen te ondernemen om een onpartijdig, diepgaand onderzoek in te stellen naar alle vroegere en huidige gevallen van schendingen van de mensenrechten, en volledig samen te werken met het Internationaal Strafhof; dringt erop aan dat er actie wordt ondernomen om ervoor te zorgen dat degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan mensenrechtenschendingen, oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid, seksueel geweld tegen vrouwen en het ronselen van kindsoldaten, aangegeven, geïdentificeerd, vervolgd en bestraft worden overeenkomstig het nationale en internationale strafrecht;

5.  veroordeelt krachtig alle vormen van externe steun aan de M23-groep en andere ontwrichtende krachten in de DRC en eist de onmiddellijke en permanente stopzetting van dergelijke steun;

6.  steunt de missie van de interventiebrigade van Monusco die tot taak heeft offensief op te treden tegen gewapende groepen, waaronder de M23; prijst de actieve stappen van Monusco om zijn mandaat uit te voeren, in het bijzonder de bescherming van burgers, en moedigde de voortzetting van deze inspanningen aan; dringt er in het bijzonder bij de VN-Veiligheidsraad op aan om alle noodzakelijke acties te ondernemen die in overeenstemming zijn met resolutie 2098 (2013) van de VN-Veiligheidsraad om burgers te beschermen in het oosten van de DRC;

7.  dringt aan op een grondig onderzoek door het uitgebreide gemeenschappelijke verificatiemechanisme van de ICGLR naar de oorsprong van de mortiergranaten en bommen uit de DRC die op het grondgebied van het naburige Rwanda zijn gevallen; dringt aan op grotere transparantie en regelmatigheid van de verslagen van het verificatiemechanisme;

8.  benadrukt dat elke directe interventie van buurlanden van de DRC de situatie alleen maar kan verergeren; roept alle betrokken regionale actoren op om uiterste terughoudendheid te betrachten en zich te onthouden van elke handeling of verklaring die kunnen leiden tot een verslechtering van de situatie; dringt er bij de buurlanden op aan de soevereiniteit van de DRC en haar territoriale integriteit volledig te eerbiedigen;

9.  verheugt zich over de inspanningen die de lidstaten van de ICGLR, de AU en de VN zich getroosten bij hun diplomatieke stappen en initiatieven voor het vinden van een blijvende en vreedzame politieke oplossing voor de crisis; dringt aan op naleving van alle bepalingen van de raamovereenkomst voor vrede, veiligheid en samenwerking (PSC);

10.  roept de landen in het Grote-Merengebied op, vooral na de verbintenissen die in februari 2013 in het kader van de Addis Ababa overeenkomsten zijn aangegaan, gezamenlijk de vrede, stabiliteit en veiligheid te bevorderen om de regionale economische ontwikkeling te versterken, met bijzondere aandacht voor verzoening, eerbiediging van de mensenrechten, bestrijding van de straffeloosheid, en de oprichting van een onpartijdige rechterlijke systeem en betere verantwoordingsplicht van de regering;

11.  is verheugd over de besprekingen in Kampala voor vrede in de regio, van 5 september 2013 onder auspiciën van de voorzitter van de ICGLR, de Oegandese president Yoweri Museveni, en moedigt alle betrokkenen aan om hieraan deel te nemen en spoort de Congolese autoriteiten aan om de dialoog tussen de gemeenschappen te steunen, vooral die welke getroffen zijn door het conflict;

12.  roept de AU en de landen in het Grote-Merengebied op tot meer maatregelen om de illegale exploitatie van en de illegale handel in natuurlijke rijkdommen te bestrijden, die immers een van de redenen vormt voor de verspreiding van en handel in wapens, die weer een van de belangrijkste factoren is van de aanhoudende en toenemende conflicten in het Grote-Merengebied;

13.  roept de internationale gemeenschap en ook de EU, de AU en de VN op al het mogelijke in het werk te blijven stellen om beter gecoördineerde en doeltreffender hulp te bieden aan de bevolking in het oosten van de DRC en bij te dragen aan de inspanningen om op de humanitaire ramp te reageren;

14.  is verheugd over de mobilisatie van een extra bedrag van 10 miljoen euro door de Commissie om de dringend nodige hulp te geven aan 2,5 miljoen mensen in de DRC, waarmee de hulp van de EU aan de DRC en het gebied van de Grote Meren in 2013 op EUR 71 miljoen komt en de EU de grootste humanitaire donor is van het land;

15.  dringt erop aan dat de regering van de DRC de hervormingen in de veiligheidssector voltooit en dringt aan op inspanningen zowel op nationaal en internationaal niveau om het staatsgezag en de rechtsstaat in de DRC te versterken, met name op het gebied van bestuur en veiligheid, ook in nauwe samenwerking met de missie voor militaire steun (EUSEC) en de missie voor politiebijstand van de EU (EUPOL), die moet worden voortgezet om vrede en veiligheid te consolideren zowel in het land, als in het Grote-Merengebied;

16.  spoort het parlement, de senaat en de president van de DRC, Joseph Kabila, aan om alle nodige maatregelen uit te voeren om de democratie te consolideren en te zorgen voor werkelijke participatie van alle politieke krachten, die de wil van het Congolese volk vertegenwoordigen in het bestuur van het land, op basis van grondwettelijke en wettelijke bepalingen, alsmede vrije en eerlijke verkiezingen; en herinnert aan de aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissie van de Europese Unie in 2011, om uitvoering te geven aan de hervormingen die van essentieel belang zijn voor het vervolg van de electorale cyclus, met inbegrip van het waarborgen van de lokale verkiezingen;

17.  dringt er bij de Congolese autoriteiten op aan de fysieke en psychische integriteit van mensenrechtenactivisten onder alle omstandigheden te waarborgen en een snel, grondig, onpartijdig en transparant onderzoek in te stellen om degenen die verantwoordelijk zijn voor het bedreigen, aanvallen of vermoorden van een aantal activisten op te sporen;

18.  wijst erop hoe belangrijk het is dat langverwachte wetgeving wordt aangenomen, waaronder de wet op de bescherming van mensenrechtenactivisten en de wet op de conformiteit van de nationale wetgeving met het Statuut van Rome;

19.  beveelt aan dat de VN-Mensenrechtenraad op zijn 24e zitting een krachtige resolutie aanneemt waarin opnieuw een soort controlemechanisme voor de mensenrechtensituatie in de DRC wordt ingevoerd, en vraagt ​​de VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechten een verslag over de mensenrechtensituatie in de DRC in te dienen;

20.  dringt er bij de Congolese autoriteiten op aan te zorgen voor effectieve oprichting van een gespecialiseerde gemengde rechtbank om de straffeloosheid te helpen bestrijden en degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige schendingen van de mensenrechten en van het internationaal humanitair recht in de DRC, met inbegrip van seksueel geweld tegen vrouwen, juridisch te vervolgen;

21.  is van mening dat transparante toegang tot en controle over de natuurlijke rijkdommen van de DRC en een eerlijke herverdeling van de middelen via de staatsbegroting onmisbaar zijn voor de duurzame ontwikkeling van het land; verlangt derhalve van de Afrikaanse Unie en de landen uit het Grote-Merengebied dat zij maatregelen treffen om de illegale exploitatie van en handel in natuurlijke hulpbronnen te bestrijden, en van de Europese Unie en de gehele internationale gemeenschap dat zij nauwer met de DRC op dit terrein gaan samenwerken;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, de regeringen van de landen van het Grote-Merengebied, de president, de premier en het parlement van de DRC, de secretaris-generaal van de VN, de speciale vertegenwoordiger van de VN voor seksueel geweld in gewapende conflicten, de VN-Veiligheidsraad en de VN-Mensenrechtenraad, en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.


Situatie in de Centraal-Afrikaanse Republiek
PDF 146kWORD 25k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de Centraal-Afrikaanse Republiek (2013/2823(RSP))
P7_TA(2013)0389RC-B7-0399/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de Overeenkomst van Libreville (Gabon) van 11 januari 2013 over de oplossing van de politiek-militaire crisis in de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR), die is ondertekend onder de auspiciën van de staatshoofden en regeringsleiders van de Economische Gemeenschap van Centraal-Afrikaanse staten (ECCAS), en waarin de voorwaarden zijn vastgesteld voor de beëindiging van de crisis in de CAR,

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN van 14 augustus 2013 over de situatie in de CAR, alsmede de verslagen van het hoofd van het Integrated Office van de VN voor de consolidering van de vrede in de Centraal-Afrikaanse Republiek (Binuca), van de adjunct-secretaris-generaal voor humanitaire zaken en de ondersecretaris-generaal voor de mensenrechten,

–  gezien resolutie 2088(2013) van 24 januari 2013 van de VN-Veiligheidsraad en de verklaringen van de VN-Veiligheidsraad over de CAR, en het verzoek aan de Veiligheidsraad om de nieuwe door Afrikaanse staten geleide operatie te steunen,

–  gezien het besluit van de Raad voor vrede en veiligheid van de Afrikaanse Unie van 19 juli 2013 waarin toestemming wordt verleend om per 1 augustus 2013 onder Afrikaanse leiding een vredesoperatie uit te voeren,

–  gezien de buitengewone bijeenkomsten van de staatshoofden en regeringsleiders van de ECCAS die zijn gehouden in N'Djamena (Tsjaad) op 21 december 2012, 3 april 2013 en 18 april 2013, en gezien hun besluiten om een nationale overgangsraad op te richten met wetgevende en constituerende bevoegdheden en om een routekaart voor het overgangsproces in de Centraal-Afrikaanse Republiek goed te keuren,

–  gezien de bijeenkomst van de internationale contactgroep op 3 mei 2013 in Brazzaville (Republiek Congo), die de routekaart voor de overgang heeft gevalideerd en die een speciaal fonds heeft opgericht om de Centraal-Afrikaanse Republiek bijstand te verlenen,

–  gezien de verklaringen van 21 december 2012, 1 en 11 januari 2013, 25 maart 2013, 21 april 2013 en 27 augustus 2013 van de vicevoorzitter van de Commissie en hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de situatie in de CAR,

–  gezien de verklaring van 21 december 2012 van de EU-commissaris voor humanitaire hulp en burgerbescherming over de opnieuw opgelaaide conflicten in de CAR,

–  gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 19 juni 2013 over de CAR,

–  gezien de persverklaringen van de VN-Veiligheidsraad van 27 december 2012 en van 4 en 11 januari 2013 over de CAR,

–  gezien de verklaring van VN-secretaris-generaal Ban Ki-Moon van 26 december 2012, waarin hij de aanvallen van de rebellen veroordeelt en er bij alle partijen op aandringt zich neer te leggen bij de besluiten van de ECCAS in N'Djamena van 21 december 2012, en de verklaring van 5 augustus 2013 waarin hij oproept een einde te maken aan de straffeloosheid van de ernstige schendingen van de mensenrechten in de CAR, en eventueel sancties te overwegen,

–  gezien de verklaring van 16 april 2013 van de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten, Navanethem Pillay, waarin zij oproept een einde te maken aan het geweld en aandringt op herstel van de rechtsstaat in het land,

–  gezien de verklaringen van 12, 19 en 31 december 2012 van de voorzitter van de Commissie van de Afrikaanse Unie, mevrouw Nkosazana Dlamini-Zuma, over de situatie in de CAR,

–  gezien de herziene Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 17 januari 2013 over de situatie in de CAR(1),

–  gelet op artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat elementen van de Séléka-coalitie sinds zij na hun militaire overwinning van 24 maart 2013 aan de macht zijn gekomen, zich steeds vaker schuldig maken aan machtsmisbruik, verkrachtingen, misdaden, fysiek geweld, diefstal, plundering en andere schendingen van de mensenrechten, zowel in de hoofdstad als in de provincie, en aan iedere vorm van controle ontsnappen;

B.  overwegende dat op 20 augustus 2013 een ontwapeningsactie van de Séléka in Boy-Rabé, een gebied dat gedomineerd wordt door volgelingen van ex-president François Bozizé, ertoe heeft geleid dat er 11 mensen zijn vermoord en tientallen gewonden zijn gevallen en overwegende dat deze actie gepaard ging met plunderingen,

C.  overwegende dat op 28 augustus 2013 meer dan 5 000 inwoners van Bangui naar de belangrijkste internationale luchthaven van de CAR zijn gevlucht om te ontsnappen aan plunderende voormalige rebellen en de startbaan 18 uur lang hebben bezet;

D.  overwegende dat de gewapende Centraal-Afrikaanse strijdkrachten die op de hand zijn van de afgezette president François Bozizé de wapens weer kunnen opnemen en overwegende dat de interreligieuze spanningen worden geïnstrumentaliseerd en overwegende de risico's die dat met zich meebrengt;

E.  overwegende dat de openbare aanklager van het gerechtshof van Bangui op 4 september 2013 10 jaar gevangenisstraf heeft geëist tegen de 24 voormalige Séléka-rebellen in het eerste proces tegen de plegers van wandaden in de CAR;

F.  overwegende dat eerbiediging van de mensenrechten als fundamentele waarde van de Europese Unie geldt, en een essentieel element van de Overeenkomst van Cotonou uitmaakt;

G.  overwegende dat het uitblijven van strafrechtelijke vervolging van de plegers van schendingen van de mensenrechten en oorlogsmisdaden een klimaat van straffeloosheid bevordert waardoor er weer nieuwe misdrijven worden gepleegd;

H.  overwegende dat de aanklager van het Internationaal Strafhof (ICC) op 7 augustus 2013 een tweede waarschuwing heeft afgegeven dat de misdrijven die gepleegd zijn in de CAR wellicht onder de jurisdictie van het ICC vallen en dat het Strafhof zo nodig zal overgaan tot vervolging;

I.  overwegende dat dit geweld nieuwe vluchtelingenstromen teweegbrengt, en dat het Office van de Verenigde Naties voor de coördinatie van de humanitaire hulp van mening is dat een derde van de bevolking huis en haard heeft verlaten en lijdt aan ondervoeding, dat 1,6 miljoen mensen dringend hulp nodig hebben, van wie er 200 000 behoefte hebben aan medische zorg, 484 000 mensen een ernstig tekort aan levensmiddelen hebben, dat 206 000 mensen zijn ontheemd, en dat 60 000 mensen hun toevlucht hebben gezocht in een van de buurlanden; overwegende dat er bovendien 650 000 kinderen niet meer naar school gaan omdat militaire groeperingen de scholen hebben bezet en overwegende dat 3 500 kinderen door het leger en gewapende groeperingen zijn geronseld;

J.  overwegende dat de autoriteiten van Kameroen op 21 augustus 2013 de grens met de CAR tijdelijk hebben gesloten omdat de Séléka-rebellen de grensstad Toktoya zouden hebben aangevallen en een Kameroense grensofficier zouden hebben gedood; overwegende dat, hoewel de grens weer is geopend, vrachtwagenchauffeurs blijven aarzelen om door de CAR te rijden in verband met de verslechterde veiligheidssituatie;

K.  overwegende dat de CAR voor maatschappelijke en economische uitdagingen staat, aangezien de publieke en private sectoren zijn geplunderd en verwoest, waardoor de administratieve structuur en de economische infrastructuur van het land ernstig zijn ondermijnd wat geleid heeft tot sociale onrust; overwegende dat ook ziekenhuizen op grote schaal zijn geplunderd, wat geleid heeft tot een desastreuze gezondheidssituatie in het land;

L.  overwegende dat de Overeenkomst van Libreville de basis blijft voor de overgangsregeling; overwegende dat er na het verstrijken van de overgangsperiode van 18 maanden vrije, democratische, transparante en regelmatige verkiezingen moeten worden georganiseerd maar dat het staatshoofd, de premier, de leden van de overgangsregering en de leden van het bureau van de nationale overgangsraad niet verkiesbaar zullen kunnen zijn;

M.  overwegende dat de overgangsraad is opgericht op de ECCAS-bijeenkomst van 3 april 2013, en overwegende een routekaart voor de samenstelling en de werking ervan is goedgekeurd op de ECCAS-bijeenkomst van 18 april 2013;

N.  overwegende dat er in mei 2013 een internationale contactgroep inzake de Centraal-Afrikaanse Republiek is opgericht om de regionale, continentale en internationale acties te coördineren om een duurzame oplossing te vinden voor de terugkerende problemen van het land;

O.  overwegende dat de Europese Unie zich inzet voor een regelmatige politieke dialoog met de CAR, overeenkomstig de Overeenkomst van Cotonou, overwegende dat de EU de grootste donor van het land is en overwegende dat zij op 8 juli 2013 heeft besloten de humanitaire hulp aan het land met 8 miljoen euro te verhogen tot 20 miljoen euro; overwegende dat deze EU-hulp niet toereikend kan zijn en overwegende andere internationale partners ook verplichtingen moeten aangaan;

P.  overwegende dat de CAR sinds haar onafhankelijkheid in 1960 al tientallen jaren van instabiliteit en politieke onrust heeft doorgemaakt; overwegende dat de CAR, ofschoon rijk aan hulpbronnen (hout, goud, diamant, uranium enz.), pas als nummer 179 van de 187 scoort op de Human Development Index, en nog steeds tot de armste landen van de wereld behoort, met rond 70% van zijn bevolking beneden de armoedegrens;

1.  veroordeelt de ongrondwettelijke staatsgreep, met gewapend geweld, door de Séléka-coalitie op 24 maart 2013;

2.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de situatie in de CAR, die gekenmerkt wordt door een volledige ontwrichting van de maatschappelijke orde en de afwezigheid van de rechtsstaat; veroordeelt het recente geweld, dat de meest basale diensten in het land nog verder heeft geërodeerd en dat de al ernstige humanitaire situatie waarin de gehele bevolking zich bevindt nog heeft verergerd;

3.  dringt er bij de autoriteiten van de CAR op aan concrete maatregelen te treffen om de burgerbevolking te beschermen, een einde te maken aan het ronselen en inzetten van kinderen door de gewapende groeperingen, en om de maatschappelijke orde te herstellen, alsmede de elektriciteits- en de watervoorziening;

4.  veroordeelt ten zeerste de ernstige schendingen van de humanitaire wetgeving en de wijdverspreide schendingen van de mensenrechtenwetgeving, met name door elementen van de Sékéla, o.a. onrechtmatige executies, snelrecht, gedwongen verdwijningen, willekeurige arrestaties en detenties, marteling, seksueel en gendergerelateerd geweld en het ronselen van kindsoldaten;

5.  verzoekt de autoriteiten van de CAR en alle belanghebbenden om de structurele oorzaken van de terugkerende crises in het land aan te pakken en om samen te werken aan de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Libreville, waarin de voorwaarden voor de overgangsperiode zijn vastgesteld en voor een terugkeer naar een grondwettelijke orde, met als doel om een duurzame vrede en een democratische oplossing te bewerkstelligen;

6.  dringt er bij de internationale partners op aan hun gezamenlijke inspanningen op het gebied van veiligheid, humanitaire hulp en herstel van de rechtsstaat volledig te steunen; dringt er bij de VN-Veiligheidsraad op aan zich op zeer korte termijn te buigen over het verzoek van de Afrikaanse Unie om de 3 600 leden van de civiele en militaire troepenmacht van de vredeshandhavingsmissie in de CAR te financieren;

7.  steunt de huidige overgang van de Missie voor consolidatie van de vrede in de CAR (Micopax) naar de Internationale door Afrikaanse staten geleide steunmissie in de CAR (AFISM-CAR) waarvan het mandaat moet worden uitgeoefend onder auspiciën van de VN;

8.  is verheugd over het besluit van de ECCAS-regeringsleiders om de omvang van de multinationale troepenmacht in Centraal-Afrika (FOMAC) aanzienlijk uit te breiden en om een passend mandaat te verlenen om ertoe bij te dragen dat het weer veilig wordt in de CAR; is tegelijkertijd bezorgd dat hoewel er 1300 ECCAS-troepen naar de CAR zijn gestuurd, zij niet hebben kunnen voorkomen dat het land wegzakt in wetteloosheid; wijst erop dat een verslechterende situatie in de CAR zou kunnen leiden tot regionale instabiliteit;

9.  dringt erop aan dat degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan mensenrechtenschendingen, oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid, seksueel geweld tegen vrouwen en het ronselen van kindsoldaten, aangegeven, geïdentificeerd, vervolgd en bestraft worden overeenkomstig het nationale en internationale strafrecht; wijst er in dit verband op dat de situatie in de CAR al aanhangig is gemaakt bij het ICC en dat er, volgens de statuten van het ICC, geen verjaringstermijn geldt voor genocide, misdaden tegen de menselijkheid of oorlogsmisdaden;

10.  is verheugd over het besluit van de CAR om een programma te starten voor de inzameling van illegale wapens in reactie op het geweld en de misdaad in het chronisch instabiele land; dringt er bij de regering op aan deze maatregel een bindend karakter te geven;

11.  neemt kennis van de oprichting van een gezamenlijk comité voor het onderzoek naar de wreedheden die zijn begaan sinds de machtsgreep van de Sékéla, en dringt er bij alle partijen die zijn aangesloten bij dit orgaan op aan om samen te werken om een proces van nationale verzoening te bevorderen;

12.  acht het bovendien noodzakelijk om iets te doen aan de gevolgen van het conflict, met name door een hervorming van de leger- en veiligheidstroepen, demilitarisatie, demobilisatie en reïntegratie van ex-strijders, repatriëring van vluchtelingen, de terugkeer van binnenlandse ontheemden naar hun huizen, en de implementatie van uitvoerbare ontwikkelingsprogramma's;

13.  dringt erop aan dat een allesomvattende politieke oplossing, met inbegrip van een eerlijke verdeling van de inkomsten via de overheidsbegroting, van vitaal belang is om een oplossing voor de crisis te vinden en om de weg te effenen naar een duurzame ontwikkeling van de regio; dringt er bij de VN-secretaris-generaal op aan een panel van deskundigen te benoemen die moeten onderzoeken hoe de agrarische en minerale rijkdommen van de CAR kunnen worden ontgonnen, om een wettelijk kader te creëren waardoor de rijkdommen van het land ten goede komen aan de bevolking;

14.  is verheugd over de verhoogde steun van de EU om de humanitaire crisis in de CAR aan te pakken, en dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan, als grootste donoren, hun werkzaamheden nog meer te coördineren met de overige donoren en de internationale instellingen om op adequate wijze te kunnen voldoen aan de dringende humanitaire behoeften en zo het lijden van de bevolking van de CAR te verzachten; verzoekt om een internationale bijeenkomst over de CAR in de marge van de Algemene Vergadering van de VN in september 2013 in New York;

15.  dringt erop aan de internationale operaties te intensiveren, met instemming van de CAR, om de leden van het Verzetsleger van de Heer te arresteren, om een einde te maken aan de verwoestingen door deze criminele bende;

16.  dringt er bij de autoriteiten van de Centraal-Afrikaanse Republiek op aan de verplichtingen na te komen die zijn verankerd in het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof, dat hun land heeft ondertekend;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Veiligheidsraad en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de ECCAS, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en de lidstaten van de Europese Unie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0033.


Situatie in Bahrein
PDF 123kWORD 24k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de mensenrechtensituatie in Bahrein (2013/2830(RSP))
P7_TA(2013)0390RC-B7-0410/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Bahrein van 27 oktober 2011(1), 15 maart 2012(2) en 17 januari 2013(3),

–  gezien het bezoek van de delegatie van zijn Subcommissie mensenrechten aan Bahrein op 19 en 20 december 2012 en de door die delegatie afgegeven persverklaring en gezien het bezoek van de delegatie voor de betrekkingen met het Arabisch schiereiland van 27 t/m 30 april 2013 en de door die delegatie afgegeven persverklaring,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over Bahrein, en met name de verklaringen van 7 januari, 11 februari en 1 juli 2013,

–  gezien de verklaringen van de secretaris-generaal van de VN, en met name de verklaring van 8 januari 2013, en de verklaringen van de woordvoerder van de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten van 6 augustus 2013,

–  gezien de 23e Gezamenlijke Raad en ministeriële bijeenkomst EU-GCC, die op 30 juni 2013 in Manama, Bahrein plaatsvond,

–  gezien de buitengewone vergadering van de nationale assemblee van Bahrein die op 28 juli 2013 werd gehouden en die resulteerde in het afkondigen van de noodtoestand door de koning van Bahrein, Hamad bin Isa Al Khalifa,

–  gezien de wetgeving die in 2006 in Bahrein werd afgekondigd "ter bescherming van de maatschappij tegen daden van terrorisme",

–  gezien het feit dat de vergadering van ministers van de Arabische Liga op 1 september 2013 te Cairo heeft besloten in Manama, de hoofdstad van Bahrein, een pan-Arabisch hof voor de mensenrechten op te richten,

–  gezien het verslag van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie (BICI), dat in november 2011 werd gepubliceerd, en het follow-upverslag van 21 november 2012,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, die allemaal door Bahrein zijn ondertekend,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenactivisten van 2004, die in 2008 zijn geactualiseerd,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de mensenrechtensituatie in Bahrein sinds in 2011 demonstraties voor meer democratie hardhandig werden neergeslagen nog altijd een punt van zorg blijft; overwegende dat de regering van Bahrein met vele recente acties de rechten en vrijheden van delen van de Bahreinse bevolking ernstig blijft schenden en beperken, met name het recht van de burgers op vreedzaam protest, vrijheid van meningsuiting en digitale vrijheid; overwegende dat de Bahreinse autoriteiten hardhandig blijven optreden tegen vreedzame politieke betogers en daarbij buitensporig geweld blijven gebruiken en dat er sprake is van folterpraktijken door de politie en veiligheidsdiensten;

B.  overwegende dat mensenrechtenactivisten stelselmatig het doelwit zijn van de autoriteiten en het slachtoffer zijn van intimidatie en arrestatie, en dat sommigen van hen veroordeeld zijn tot levenslange gevangenisstraf;

C.  overwegende dat de koning van Bahrein op 1 augustus 2013, vooruitlopend op een vreedzaam protest dat zou plaatsvinden op 14 augustus 2013, de tenuitvoerlegging heeft bevolen van door het parlement goedgekeurde aanbevelingen, waaronder een algeheel verbod op sit-ins, bijeenkomsten en protesten in de hoofdstad Manama, verdere beperkingen op het gebruik van sociale media, verlenging van de toegestane periode van detentie en intrekking van het staatsburgerschap van personen die schuldig worden bevonden aan het plegen of uitlokken van een daad van terrorisme;

D.  overwegende dat het Bureau van de hoge commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) heeft verklaard ingenomen te zijn met de aanbeveling van de nationale assemblee, inhoudende "dat de fundamentele vrijheden, met name de vrijheid van meningsuiting, niet mogen worden beperkt om het evenwicht te bewaren tussen wetshandhaving en de bescherming van de mensenrechten", maar daarnaast opnieuw zijn bezorgdheid heeft uitgesproken over de beperking van het recht op openbare demonstraties of andere openbare bijeenkomsten;

E.  overwegende dat de Bahreinse autoriteiten naar aanleiding van het verslag van de onafhankelijke onderzoekscommissie (BICI) hervormingen hebben toegezegd; overwegende dat vooruitgang is geboekt bij de hervorming van het rechtsstelsel en het wetshandhavingssysteem, dat ten onrechte ontslagen werknemers opnieuw in dienst zijn genomen en dat een speciale vervolgingseenheid in het leven is geroepen om onderzoek te doen naar meldingen van misbruik en dat bij de politie hervormingen worden doorgevoerd; overwegende dat in het algemeen de uitvoering van de aanbevelingen van BICI nog traag verloopt;

F.  overwegende dat een officiële delegatie onder leiding van de minister voor Mensenrechten, Salah bin Ali Abdulrahman, zal deelnemen aan de 24e zitting van de VN-Mensenrechtenraad van 7 t/m 27 september 2013, en tijdens de vergaderingen de uitvoering van de aanbevelingen van de VN-Mensenrechtenraad en de aanbevelingen van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie, alsmede de aanbevelingen van de nationale vergadering, die de regering van Bahrein heeft toegezegd volgens een tijdschema en actieprogramma te zullen uitvoeren, te evalueren;

G.  overwegende dat in Bahrein zelfs kinderen gearresteerd zijn en in voor kinderen ongeschikte detentiecentra voor volwassenen in detentie zijn gehouden en daar naar verluidt zijn gemarteld en slecht zijn behandeld;

H.  overwegende dat de regering op 24 april 2013 voor de tweede keer – en nu voor onbepaalde tijd - het bezoek van de speciale rapporteur voor marteling en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing heeft uitgesteld;

I.  overwegende dat Bahrein, nadat tijdens een vergadering van de Arabische Liga in Cairo was besloten tot de oprichting van een Arabisch hof voor de mensenrechten, op 2 september 2013 heeft meegedeeld dit hof te willen huisvesten;

J.  overwegende dat de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, Stavros Lambrinidis, Bahrein in het kader van de ministeriële bijeenkomst EU/Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten in juni 2013 heeft bezocht;

1.  roept de Bahreinse autoriteiten op tot eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van meningsuiting, zowel online als offline, en de vrijheid van vergadering; betreurt ten zeerste de recente restrictieve besluiten van het parlement en de koning van Bahrein en roept op tot opheffing van het verbod op vreedzame demonstraties en vrije vergadering in de hoofdstad Manama, alsmede tot herroeping van de besluiten van de minister van Justitie van 3 september 2013, die onverenigbaar zijn met het voornemen van de regering om hervormingen te starten en niet zullen bijdragen aan de verwezenlijking van nationale verzoening of de vergroting van het vertrouwen tussen alle partijen;

2.  dringt aan op eerbiediging van het legitieme recht van de inwoners van Bahrein om vrijelijk hun mening te kunnen uiten, bijeenkomsten te kunnen organiseren en vreedzaam te demonstreren; benadrukt het belang van mediavrijheid en pluriforme media; dringt aan op onbeperkte toegang voor internationale ngo's en journalisten tot het land;

3.  verwelkomt de maatregelen die de Bahreinse autoriteiten hebben genomen ter uitvoering van de aanbevelingen van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie; erkent dat op dit gebied enkele stappen zijn ondernomen, maar benadrukt dat meer inspanningen moeten worden verricht om de mensenrechtensituatie in het land te verbeteren; roept de regering van Bahrein ertoe op de aanbevelingen van BICI en de algemene periodieke evaluatie onverkort en snel uit te voeren; beveelt de VN-Mensenrechtenraad aan om op zijn 24ste zitting een toezichtsmechanisme op te zetten met het mandaat om de uitvoering van de aanbevelingen van BICI en de algemene ontwikkeling van de mensenrechtensituatie in Bahrein in het oog te houden;

4.  roept de Bahreinse regering op tot het doorvoeren van de nodige democratische hervormingen en tot het stimuleren van een inclusieve en constructieve nationale dialoog en verzoening, met inbegrip van de vrijlating van dissidenten;

5.  roept de Bahreinse autoriteiten op een onmiddellijk einde te maken aan alle vormen van repressie, waaronder juridische intimidatie en dringt aan op onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle gewetensgevangenen, politieke activisten, journalisten, bloggers, artsen en verpleegkundigen, mensenrechtenactivisten en vreedzame demonstranten, waaronder Abdulhadi Al-Khawaja, Nabeel Rajab, Ibrahim Sharif, Naji Fateel, Zainab Al-Khawaja, Mahdi’Issa Mahdi Abu Deeb en Jalila Al-Salman;

6.  is ingenomen met de oprichting door koning Hamad Bin Isa al-Khalifa van een onafhankelijke commissie voor de rechten van gevangenen en gedetineerden, en roept deze commissie op de omstandigheden en behandeling van gevangenen en gedetineerden op doeltreffende wijze te controleren en te verbeteren;

7.  is ingenomen met de oprichting door koning Hamad Bin Isa al-Khalifa van een Ministerie voor Mensenrechten en Sociale Ontwikkeling in Bahrein, en vraagt dat ministerie de internationale normen en verplichtingen op het gebied van de mensenrechten na te leven; wijst met name op het progressieve standpunt van Bahrein inzake de rol van de vrouw in de samenleving;

8.  neemt kennis van de formele aanstelling in juli 2013 van een ombudsman voor politieaangelegenheden door de Bahreinse minster van Binnenlandse Zaken, en spreekt de hoop uit dat deze maatregel een doeltreffende behandeling van de klachten van Bahreinse burgers mogelijk zal maken;

9.  neemt kennis van de aanhoudende inspanningen van de Bahreinse regering om het strafrecht en de gerechtelijke procedures te hervormen en moedigt de regering aan dit proces voort te zetten; roept de regering van Bahrein op alle maatregelen te treffen die nodig zijn om een eerlijke procesvoering en de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht in Bahrein te waarborgen en erop toe te zien dat de rechterlijke macht de internationale normen op het gebied van de mensenrechten volledig in acht neemt;

10.  dringt aan op onafhankelijk onderzoek naar alle vermeende gevallen van foltering en onmenselijke behandeling en op openbaarmaking van de resultaten van dit onderzoek; is van mening dat het afleggen van verantwoording voor gewelddaden cruciaal is voor de weg naar rechtvaardigheid en daadwerkelijke verzoening, zonder hetwelk sociale stabiliteit onmogelijk is;

11.  dringt er bij de Bahreinse autoriteiten op aan de rechten van minderjarigen te eerbiedigen en ze niet op te sluiten in detentiecentra voor volwassenen, en hen te behandelen overeenkomstig het door Bahrein ondertekende Verdrag voor de rechten van het kind;

12.  is van mening dat willekeurige ontneming van nationaliteit kan leiden tot stateloosheid, met ernstige gevolgen voor de bescherming van de mensenrechten van de betreffende personen; wijst erop dat de ontneming van de nationaliteit van politieke tegenstanders door de Bahreinse autoriteiten in strijd is met het internationale recht;

13.  betreurt de krachteloze reactie van de EU op de aanhoudende situatie in Bahrein, en roept de VV/HV op tot veroordeling van de voortdurende schendingen van de fundamentele mensenrechten en vrijheden, en tot het nemen van gerichte beperkende maatregelen (visumverboden en bevriezing van tegoeden) tegen personen die verantwoordelijk zijn voor en betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen (zoals gedocumenteerd in het BICI-verslag);

14.  roept de VV/HV en de lidstaten op samen te werken aan de ontwikkeling van een duidelijke strategie voor de wijze waarop de EU, zowel openbaar als achter de schermen, zich actief moet inzetten voor de vrijlating van gewetensgevangenen, en roept de VV/HV op met de lidstaten samen te werken om te zorgen voor de goedkeuring van de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over de mensenrechtensituatie in Bahrein, waarin specifiek moet worden opgeroepen tot onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van die gevangenen;

15.  betreurt het feit dat het bezoek van de speciale rapporteur inzake marteling opnieuw is uitgesteld en roept de Bahreinse autoriteiten op bezoeken toe te staan van de speciale rapporteurs inzake de vrijheid van vereniging en vergadering en inzake de situatie van mensenrechtenactivisten;

16.  verwelkomt het besluit van de Arabische Liga om een Arabisch hof voor de mensenrechten op te richten in Manama, en spreekt de hoop uit dat dit hof kan fungeren als stimulans voor de naleving van de mensenrechten in de gehele regio; dringt er bij de regering van Bahrein en bij haar partners in de Arabische Liga op aan de integriteit, onpartijdigheid, efficiëntie en geloofwaardigheid van dit hof te waarborgen;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van het Koninkrijk Bahrein.

(1) PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 125.
(2) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 111.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0032.

Juridische mededeling - Privacybeleid