Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 21 november 2013 - Straatsburg
Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) ***I
 Regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van Horizon 2020 ***I
 Strategische innovatieagenda van het Europees Instituut voor innovatie en technologie ***I
 Europees Instituut voor innovatie en technologie ***I
 Concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (2014-2020) ***I
 Specifiek programma tot uitvoering van Horizon 2020 *
 Europese statistiek ***I
 Programma voor sociale verandering en innovatie ***I
 Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) ***I
 Actieprogramma voor belastingen ***I
 Actieprogramma voor douane ***I
 Verzekerings- en herverzekeringsbedrijf (wijziging van Solvabiliteit II) ***I
 Stand van zaken van de Doha-ontwikkelingsagenda
 Actieplan ondernemerschap 2020 - De ondernemingsgeest in Europa nieuw leven inblazen
 Uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid
 De Europese industriële en technologische defensiebasis
 Versterking van de sociale dimensie van de EMU
 Bangladesh: mensenrechten en komende verkiezingen
 Qatar: situatie van migrerende werknemers
 Rechtvaardige rechtspraak in Bolivia, met name de gevallen van Előd Tóásó en Mario Tadić

Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) ***I
PDF 224kWORD 121k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van "Horizon 2020" - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014 -2020) (COM(2011)0809 – C7-0466/2011 – 2011/0401(COD))
P7_TA(2013)0499A7-0427/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0809),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 173, lid 3 en artikel 182, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0466/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 28 maart 2012(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 19 juli 2012(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 12 september 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Begrotingscommissie, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie visserij, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie juridische zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0427/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 november 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014 -2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG

P7_TC1-COD(2011)0401


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1291/2013.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARINGEN DOOR DE COMMISSIE

Verklaring betreffende artikel 19

Inzake het kaderprogramma Horizon 2020 stelt de Europese Commissie voor om bij het nemen van beslissingen over EU-financiering van onderzoek aan menselijke embryonale stamcellen met hetzelfde ethische kader als dat van het zevende kaderprogramma voort te werken.

De Europese Commissie stelt voor dit ethische kader te handhaven omdat het, op basis van ervaring, heeft geleid tot een verantwoorde aanpak voor een tak van de wetenschap die veelbelovend is en omdat de aanpak heeft bewezen bevredigend te zijn binnen een onderzoeksprogramma waaraan onderzoekers deelnemen uit vele landen met zeer uiteenlopende regelgevingen.

(1)  Het besluit betreffende het kaderprogramma Horizon 2020 sluit expliciet drie onderzoeksgebieden van communautaire financiering uit:

–  onderzoeksactiviteiten die gericht zijn op het klonen van mensen voor voortplantingsdoeleinden;

–  onderzoek gericht op het veranderen van het genetisch erfgoed van mensen, dat ertoe kan leiden dat die veranderingen erfelijk worden;

–  onderzoek bedoeld om menselijke embryo's te produceren enkel voor onderzoeksdoeleinden of om stamcellen te verkrijgen, onder meer door middel van somatische celkerntransplantatie.

(2)  Er worden geen activiteiten gefinancierd die in alle lidstaten verboden zijn. Er worden geen activiteiten gefinancierd in een lidstaat waar een dergelijke activiteit verboden is.

(3)  Het besluit inzake het kaderprogramma Horizon 2020 en de bepalingen voor het ethische kader met betrekking tot de communautaire financiering van onderzoek met menselijke embryonale stamcellen houden op geen enkele wijze een waardeoordeel in over het regelgevend of ethisch kader voor dergelijk onderzoek in de lidstaten.

(4)  Door te vragen voorstellen in te dienen, verzoekt de Europese Commissie niet uitdrukkelijk gebruik te maken van menselijke embryonale stamcellen. Het gebruik van volwassen dan wel embryonale menselijke stamcellen hangt af van het oordeel van de wetenschappers in het licht van de doelstellingen die zij nastreven. In de praktijk wordt veruit het grootste deel van de communautaire financiële middelen voor stamcellenonderzoek besteed aan het gebruik van volwassen stamcellen. Er is geen reden waarom dit in Horizon 2020 substantieel zou veranderen.

(5)  Elk project waarin het gebruik van menselijke embryonale stamcellen wordt voorgesteld, moet door een wetenschappelijke evaluatie komen waarbij de noodzaak van het gebruik van dergelijke stamcellen voor het bereiken van de wetenschappelijke doelstellingen door onafhankelijke wetenschappelijke deskundigen wordt beoordeeld.

(6)  Voorstellen die de wetenschappelijke evaluatie met succes doorstaan worden vervolgens onderworpen aan een streng ethisch onderzoek door de Europese Commissie. Bij dit ethisch onderzoek wordt rekening gehouden met de beginselen in het EU-Handvest van de grondrechten en internationale overeenkomsten op dit gebied zoals het Verdrag van de Raad van Europa inzake de mensenrechten en de biogeneeskunde, dat op 4 april 1997 in Oviedo is ondertekend, en de bijbehorende protocollen, en de door de UNESCO aangenomen Universele Verklaring over het menselijk genoom en de mensenrechten. De ethische evaluatie dient ook om na te gaan of de voorstellen de regels respecteren van de landen waar het onderzoek zal worden uitgevoerd.

(7)  In speciale gevallen kan tijdens de levensduur van het project een ethische evaluatie worden uitgevoerd.

(8)  Voor elk project waarin het gebruik van menselijke embryonale stamcellen wordt voorgesteld, moet voor de start van het project de goedkeuring worden gevraagd van de relevante nationale of lokale ethische commissie. Alle nationale regels en procedures moeten worden gerespecteerd, inclusief inzake onderwerpen als ouderlijke toestemming, afwezigheid van financiële stimulans, enz. Er wordt gecontroleerd of bij het project melding wordt gemaakt van door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar het onderzoek zal worden uitgevoerd te nemen toestemmings- en toezichtsmaatregelen.

(9)  Voor een voorstel dat met succes de wetenschappelijke evaluatie, de nationale of plaatselijke ethische onderzoeken en het Europees ethisch onderzoek doorstaat, wordt per geval aan de lidstaten, die bijeenkomen als een comité handelend volgens de onderzoeksprocedure, goedkeuring gevraagd. Er wordt geen project waarbij menselijke embryonale stamcellen worden gebruikt, gefinancierd dat niet de goedkeuring van de lidstaten krijgt.

(10)  De Europese Commissie blijft, en dit moet uiteindelijk de patiënten in alle landen ten goede komen, eraan werken om de resultaten van door de Gemeenschap gefinancierd stamcellenonderzoek op grote schaal toegankelijk te maken voor alle onderzoekers.

(11)  De Europese Commissie zal acties en initiatieven ondersteunen die bijdragen tot een coördinatie en rationalisatie van MES-onderzoek binnen een verantwoordelijke ethische benadering. Met name zal de Commissie een Europees register van menselijke embryonale stamcellijnen blijven ondersteunen. Ondersteuning van een dergelijk register zal een monitoring van bestaande menselijke embryonale stamcellen in Europa mogelijk maken, bijdragen tot het maximaliseren van het gebruik ervan door wetenschappers en kan onnodige afleidingen van nieuwe stamcellijnen helpen voorkomen.

(12)  De Commissie zal blijven vasthouden aan de huidige praktijk, en zal aan het comité handelend volgens de onderzoeksprocedure geen voorstellen voorleggen voor projecten die onderzoeksactiviteiten inhouden waarbij menselijke embryo's worden vernietigd, ook niet wanneer het daarbij gaat om het verkrijgen van stamcellen. Dat deze onderzoeksfase niet wordt gefinancierd, betekent niet dat de Gemeenschap geen verdere onderzoeksfasen kan financieren die gepaard gaat met het gebruik van menselijke embryonale stamcellen.

Verklaring betreffende energie

De Commissie erkent de essentiële rol die energie-efficiëntie bij het eindgebruik en hernieuwbare energie in de toekomst zullen spelen, het belang van betere netwerken en opslag bij het maximaliseren van het potentieel ervan, en de nood aan maatregelen voor marktintroductie om capaciteit op te bouwen, het beheer te verbeteren en marktobstakels te verwijderen zodat oplossingen op het vlak van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie ten uitvoer kunnen worden gelegd.

De Commissie zal ernaar streven ervoor te zorgen dat ten minste 85% van de begroting voor de energie-uitdaging in het kader van Horizon 2020 wordt besteed aan niet-fossiele brandstoffen, en dat hierbinnen ten minste 15% van de algemene begroting voor de energie-uitdaging wordt besteed aan marktacceptatiemaatregelen voor bestaande technologieën op het vlak van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie in het kader van het programma "Intelligente energie voor Europa III". Dit programma zal worden uitgevoerd door middel van een specifieke bestuursstructuur en zal eveneens steun omvatten voor de tenuitvoerlegging van het beleid inzake duurzame energie, capaciteitsopbouw en de mobilisering van financiering voor investeringen, zoals tot op heden het geval is geweest.

Het overblijvende deel zal worden toegewezen aan op fossiele brandstoffen gebaseerde technologieën en ontwikkelingsmogelijkheden, die als onmisbaar worden beschouwd om de visie voor 2050 en de overgang naar een duurzaam energiesysteem te kunnen verwezenlijken.

Er zal toezicht worden gehouden op de vorderingen bij de verwezenlijking van deze doelstellingen en de Commissie zal regelmatig verslag uitbrengen over de geboekte vooruitgang.

Verklaring betreffende topkwaliteit verspreiden en deelname verbreden

De Commissie verbindt zich ertoe de maatregelen voor het overbruggen van de kloof op het gebied van onderzoek en innovatie op te stellen en uit te voeren in het kader van de nieuwe rubriek "topkwaliteit verspreiden en deelname verbreden". Er zullen niet minder middelen worden uitgetrokken voor deze maatregelen dan er in het kader van het zevende kaderprogramma werden besteed aan acties op het vlak van "het verbreden van de deelname".

De nieuwe activiteiten van COST in de context van "het verbreden van de deelname" dienen te worden gefinancierd met de begroting die is uitgetrokken voor "topkwaliteit verspreiden en deelname verbreden". De activiteiten van COST die hier niet onder vallen, en die wat begroting betreft van dezelfde orde van grootte moeten zijn, moeten worden gefinancierd uit de begroting die is toegewezen aan "Europa in een veranderende wereld - inclusieve, innovatieve en reflexieve samenlevingen".

Het grootste deel van de activiteiten met betrekking tot de beleidsondersteuningsfaciliteit en de transnationale netwerken van nationale contactpunten dient eveneens te worden ondersteund door de begroting die is uitgetrokken voor "Europa in een veranderende wereld - inclusieve, innovatieve en reflexieve samenlevingen".

Verklaring betreffende excellentiekeur

Op het niveau van de Unie kunnen dankzij EU-brede concurrentie de beste voorstellen worden geselecteerd, hetgeen de kwaliteit ten goede komt en toonaangevend onderzoek en innovatie zichtbaar maakt.

De Commissie is van oordeel dat positief beoordeelde projectvoorstellen in het kader van de Europese Onderzoeksraad, Marie Sklodowska-Curie, maatregelen voor teamvorming, fase 2 van het kmo-instrument of gezamenlijke projectvoorstellen die niet konden gefinancierd worden omwille van begrotingsredenen, voldoen aan het criterium topkwaliteit in het kader van Horizon 2020.

Indien de deelnemers dit goedkeuren, kan deze informatie worden verstrekt aan de bevoegde autoriteiten.

De Commissie is bijgevolg ingenomen met alle initiatieven om dergelijke projecten te financieren uit nationale, regionale of privébronnen. In deze context is eveneens een belangrijke rol weggelegd voor het cohesiebeleid, dat moet voorzien in capaciteitsopbouw.

Verklaring betreffende het kmo-instrument

Steun voor kmo's is bijzonder belangrijk in het kader van Horizon 2020 en neemt een prominente plaats in bij de verwezenlijking van de doelstelling om innovatie, economische groei en het scheppen van banen te stimuleren. Daarom zal de Commissie zorgen voor een hoge mate van zichtbaarheid voor kmo-steun in het kader van Horizon 2020, met name door middel van het kmo-instrument in de werkprogramma's, richtsnoeren en communicatieactiviteiten. Alle mogelijke inspanningen zullen worden geleverd om ervoor te zorgen dat het eenvoudig en duidelijk is voor kmo's om de mogelijkheden die hen worden geboden in het kader van "Maatschappelijke uitdagingen" en "Leiderschap op het gebied van ontsluitende en industriële technologieën" te identificeren en te benutten.

Het kmo-instrument zal ten uitvoer worden gelegd via een centrale beheerstructuur die verantwoordelijk is voor de evaluatie en het beheer van de projecten, met inbegrip van het gebruik van gemeenschappelijke IT-systemen en bedrijfsprocessen.

Het kmo-instrument zal de meest ambitieuze innovatieprojecten van kmo's aantrekken. Het zal voornamelijk door middel van een "bottom-up"-benadering uitvoering krijgen via voortdurende open oproepen die toegespitst zijn op de noden van kmo's, zoals vastgesteld in de specifieke doelstelling "Innovatie bij kmo's", terwijl rekening wordt gehouden met de prioriteiten en doelstellingen van "Leiderschap op het gebied van ontsluitende en industriële technologieën" en maatschappelijke uitdagingen en er ruimte wordt gelaten voor horizontale uitdagingen en voorstellen in het kader van "Leiderschap op het gebied van ontsluitende en industriële technologieën", zodat de "bottom-up"-strategie wordt ondersteund. Deze oproep kan om de twee jaar worden herzien of hernieuwd om rekening te kunnen houden met de tweejaarlijkse strategische programma's. In voorkomend geval kunnen oproepen met betrekking tot specifieke strategische belangen worden georganiseerd naast de hierboven beschreven oproep. Deze oproepen zullen het concept en de procedures van het kmo-instrument gebruiken, alsook het enkel contactpunt voor aanvragers en de bijhorende begeleiding door mentoren en coaches.

Verklaring betreffende artikel 6, lid 5

Het is de bedoeling van de Commissie om, onverminderd de jaarlijkse begrotingsprocedure, in de context van de gestructureerde dialoog met het Europees Parlement een jaarlijks verslag te presenteren over de uitvoering van de in bijlage II van Horizon 2020 opgenomen verdeling van de begroting op basis van prioriteiten en specifieke doelstellingen binnen deze prioriteiten, met inbegrip van iedere toepassing van artikel 6, lid 5.

Verklaring betreffende artikel 12

De Commissie zal op verzoek de aangenomen werkprogramma's voorstellen in de bevoegde commissie van het Europees Parlement.

(1) PB C 181 van 21.6.2012, blz. 111.
(2) PB C 277 van 13.9.2012, blz. 143.


Regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van Horizon 2020 ***I
PDF 224kWORD 95k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding in 'Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)' (COM(2011)0810 – C7-0465/2011 – 2011/0399(COD))
P7_TA(2013)0500A7-0428/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0810),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 173 en 183 en artikel 188, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7–0465/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 19 juli 2012(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 28 maart 2012(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 12 september 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A7-0428/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 november 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van "Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020)" en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1906/2006

P7_TC1-COD(2011)0399


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1290/2013.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARINGEN VAN DE COMMISSIE

Verklaring betreffende direct costing voor grote onderzoeksinfrastructuren

Als reactie op de verzoeken van belanghebbenden streeft de Commissie ernaar duidelijkheid te verschaffen over de directekostenmethode (direct costing) voor grote onderzoeksinfrastructuren, op de in deze verklaring beschreven wijze.

De richtsnoeren inzake direct costing voor grote onderzoeksinfrastructuren in Horizon 2020 zullen van toepassing zijn op de kosten van grote onderzoeksinfrastructuren met een totale waarde van ten minste 20 miljoen euro voor een bepaalde begunstigde, berekend als de som van de historische waarden van de activa van de afzonderlijke onderzoeksinfrastructuren zoals opgenomen in de laatste afgesloten balans van die begunstigde vóór de datum van ondertekening van de subsidieovereenkomst, of zoals bepaald op basis van de huur- en leasekosten van de onderzoeksinfrastructuren.

Onder deze drempel zullen de richtsnoeren inzake direct costing voor grote onderzoeksinfrastructuren in Horizon 2020 niet van toepassing zijn. Afzonderlijke kostenposten kunnen als subsidiabele directe kosten worden gedeclareerd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van de subsidieovereenkomst.

Over het algemeen zullen alle kosten die zowel aan de algemene subsidiabiliteitscriteria voldoen als direct verband houden met de uitvoering van de actie en derhalve direct aan de actie kunnen worden toegeschreven, als directe kosten kunnen worden gedeclareerd.

Voor een grote onderzoeksinfrastructuur die voor een project wordt gebruikt, zal dit gewoonlijk het geval zijn voor de geactiveerde kosten en voor de operationele kosten.

"Geactiveerde kosten" zijn kosten die worden gemaakt om de grote onderzoeksinfrastructuur op te zetten en/of te vernieuwen, evenals bepaalde kosten van specifieke reparaties en onderhoud van de grote onderzoeksinfrastructuur, tezamen met onderdelen of essentiële geïntegreerde componenten.

"Operationele kosten" zijn de specifieke kosten die de begunstigde maakt om de grote onderzoeksinfrastructuur te exploiteren.

Bepaalde andere kosten kunnen echter niet als directe kosten worden gedeclareerd, maar worden geacht te zijn terugbetaald middels het forfaitaire tarief voor indirecte kosten, bijv. huur, lease of kosten wegens waardevermindering van administratieve gebouwen en zetels.

Indien de kosten slechts gedeeltelijk zijn voortgevloeid uit de activiteiten van het project, kan uitsluitend het gedeelte dat direct met het project in verband kan worden gebracht als een directe kostenpost worden gedeclareerd.

Hiertoe moet de werkelijke waarde van de projectkosten op accurate wijze worden bepaald met behulp van het meetsysteem van de begunstigde (d.w.z. dat het werkelijke verbruik en/of gebruik voor het project moet worden getoond). Dit zal het geval zijn als hiervoor de factuur van de leverancier wordt gebruikt.

In het algemeen wordt de meting van de kosten in verband gebracht met de tijd die aan het project is besteed, die overeen moet komen met het werkelijke aantal uren/dagen/maanden dat aan het gebruik van de onderzoeksinfrastructuur voor het project is besteed. Het totale aantal productieve uren/dagen/maanden moet overeenkomen met het volledige potentieel van het gebruik (volledige capaciteit) van de onderzoeksinfrastructuur. De berekening van de volledige capaciteit zal de gehele periode omvatten tijdens welke de onderzoeksinfrastructuur wel bruikbaar is, maar niet wordt gebruikt. Bij de berekening van de volledige capaciteit zal echter terdege rekening worden gehouden met daadwerkelijke belemmeringen, zoals de openingsuren van de entiteit, reparatie- en onderhoudstijd (inclusief kalibratie en tests).

Indien een kostenpost direct in verband kan worden gebracht met de onderzoeksinfrastructuur, maar vanwege technische beperkingen niet direct met het project, kan de meting van deze kosten door middel van eenheden van werkelijk gebruik voor het project, ondersteund door accurate technische specificaties en actuele gegevens en vastgesteld op basis van het analytische systeem voor kostenberekening van de begunstigde, een aanvaardbaar alternatief vormen.

De kosten en het directe verband tussen de kosten en het project moeten worden ondersteund door passende ondersteunende documenten om een toereikend controlespoor mogelijk te maken.

De begunstigde kan het directe verband aantonen met overtuigend alternatief bewijs.

De diensten van de Commissie zullen aanbevelingen doen met betrekking tot optimale praktijken voor het leggen van direct verband en ondersteunende documenten (bijv.: voor geactiveerde kosten: boekhoudkundige overzichten die vergezeld gaan van het afschrijvingsbeleid van de begunstigde, als onderdeel van zijn gebruikelijke boekhoudkundige beginselen, waarin de berekening wordt getoond van het potentiële gebruik en de economische levensduur van het activum, alsmede bewijs voor het werkelijke gebruik ervan voor het project; voor operationele kosten: specifieke, duidelijk uitgesplitste factuur met betrekking tot de grote onderzoeksinfrastructuur, het contract, de projectperiode, enz.).

Op verzoek van een begunstigde met grote onderzoeksinfrastructuren, en met inachtneming van de beschikbare middelen en het kosteneffectiviteitsbeginsel, is de Commissie bereid op eenvoudige en transparante wijze een ex-antebeoordeling van de directekostenmethode van de begunstigde uit te voeren, teneinde de rechtszekerheid te garanderen. Deze ex-antebeoordelingen zullen tijdens controles achteraf volledig in aanmerking worden genomen.

Daarnaast zal de Commissie een groep oprichten, bestaande uit vertegenwoordigers van relevante belanghebbendenorganisaties, die het gebruik van de richtsnoeren zal evalueren.

De Commissie bevestigt dat zij de richtsnoeren inzake direct costing voor grote onderzoeksinfrastructuren onmiddellijk zal vaststellen zodra de Horizon 2020-regelgeving is goedgekeurd.

Verklaring betreffende de richtsnoeren inzake de criteria voor de toepassing van de "bonus"

Voor wat aanvullende vergoedingen betreft, is de Commissie voornemens onverwijld richtsnoeren te verstrekken inzake de criteria voor de invoering hiervan, na de goedkeuring van de regels van Horizon 2020 voor deelneming en verspreiding.

Verklaring betreffende het sneltraject voor innovatie (FTI)

De Commissie is voornemens het FTI op passende wijze zichtbaar te maken binnen de onderzoeks- en innovatiegemeenschap door middel van bewustmakings- en communicatieactiviteiten voorafgaand aan de oproep voor het proefproject in 2015.

De Commissie is niet van plan de duur van de FTI-acties vooraf te beperken. Bij de evaluatie van de "impact" van een voorstel wordt voldoende rekening gehouden met factoren als tijdsgevoeligheid en de internationale concurrentiesituatie, teneinde te komen tot flexibiliteit al naargelang de diverse specifieke kenmerken binnen de verschillende gebieden van de toegepaste wetenschap.

In aanvulling op de grondige beoordeling die in het kader van de tussentijdse evaluatie van Horizon 2020 wordt uitgevoerd, zal het proefproject FTI worden onderworpen aan doorlopend toezicht op alle praktische aspecten met betrekking tot de indiening, evaluatie, selectie en budgettering van voorstellen in het kader van de FTI-oproep, te beginnen met de eerste sluitingsdatum in 2015.

Om ervoor te zorgen dat het proefproject doeltreffend kan zijn en er een behoorlijke evaluatie kan worden uitgevoerd, is het wellicht nodig ondersteuning te bieden aan zo'n honderd projecten.

Verklaring betreffende de artikelen 3 en 4

Met het oog op een passend evenwicht tussen de verschillende belangen is de Commissie voornemens in de subsidieovereenkomst te verwijzen naar bepalingen van nationaal recht inzake toegang van het publiek tot documenten en vertrouwelijkheid.

Verklaring betreffende artikel 28

(optie van een terugbetalingstarief van 100 % voor rechtspersonen zonder winstoogmerk voor innovatieacties):

De Commissie wijst erop dat zelfs rechtspersonen zonder winstoogmerk economische activiteiten kunnen uitvoeren die dicht bij de markt staan en waarvan de subsidiëring kan leiden tot verstoringen van de interne markt. De Commissie zal derhalve vooraf beoordelen of subsidiabele activiteiten een economische aard hebben, of dubbele subsidiëring van economische activiteiten op doeltreffende wijze wordt voorkomen, en of het financieringspercentage voor economische subsidiabele activiteiten negatieve gevolgen heeft voor de concurrentie op de interne markt waartegen de positieve gevolgen niet opwegen.

Verklaring betreffende artikel 42

De Commissie is voornemens termijnen voor de bescherming van de resultaten vast te leggen in de modelsubsidieovereenkomst, met inachtneming van de KP7-termijnen."

(1) PB C 318 van 20.10.12, blz. 1.
(2) PB C 181 van 21.6.2012, blz. 111.


Strategische innovatieagenda van het Europees Instituut voor innovatie en technologie ***I
PDF 197kWORD 37k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strategische innovatieagenda van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT): de bijdrage van het EIT aan een meer innoverend Europa (COM(2011)0822 – C7-0462/2011 – 2011/0387(COD))
P7_TA(2013)0501A7-0422/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0822),

–  gezien artikel 294, lid 2 en artikel 173, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0462/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 28 maart 2012(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 12 september 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie juridische zaken (A7-0422/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 november 2013 met het oog op de vaststelling van Besluit nr. .../2013/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strategische innovatieagenda van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT): de bijdrage van het EIT aan een meer innoverend Europa

P7_TC1-COD(2011)0387


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit nr. 1312/2013/EU.)

(1) PB C 181 v an 21.6.2012, blz. 122.


Europees Instituut voor innovatie en technologie ***I
PDF 195kWORD 30k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 294/2008 tot oprichting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (COM(2011)0817 – C7-0467/2011 – 2011/0384(COD))
P7_TA(2013)0502A7-0403/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0817),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 173, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0467/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 28 maart 2012(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 12 september 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs, de Begrotingscommissie en de Commissie juridische zaken (A7-0403/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 november 20113 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 294/2008 tot oprichting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie

P7_TC1-COD(2011)0384


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1292/2013.)

(1) PB C 181, 21.6.2012, blz. 122.


Concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (2014-2020) ***I
PDF 197kWORD 78k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kleine en middelgrote ondernemingen (2014 - 2020) (COM(2011)0834 – C7-0463/2011 – 2011/0394(COD))
P7_TA(2013)0503A7-0420/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0834),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 173 en 195 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0463/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité van 29 maart 2012(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 9 oktober 2012(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 12 september 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0420/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 november 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (COSME) (2014 - 2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1639/2006/EG

P7_TC1-COD(2011)0394


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1287/2013.)

(1) PB C 181 van 21.6.2012, blz. 125.
(2) PB C 391 van 18.12.2012, blz. 37.


Specifiek programma tot uitvoering van Horizon 2020 *
PDF 1278kWORD 552k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van "Horizon 2020" - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) (COM(2011)0811 – C7-0509/2011 – 2011/0402(CNS))
P7_TA(2013)0504A7-0002/2013

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2011)0811),

–  gezien artikel 182, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7‑0509/2011),

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie landbouw, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie juridische zaken (A7-0002/2013),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement vastgesteld op 21 november 2013 met het oog op de vaststelling van het besluit van de Raad tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van "Horizon 2020" – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020)

P7_TC1-CNS(2011)0402


(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 182, lid 4,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Parlement(1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(3),

Handelend volgens de bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Overeenkomstig artikel 182, lid 3, van het Verdrag moet Verordening (EU) nr. […] van het Europees Parlement en de Raad van …. betreffende Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie ("Horizon 2020")(4), worden uitgevoerd met een specifiek programma waarin de specifieke doelstellingen, uitvoeringsvoorschriften en de duur ervan zijn vastgesteld en dat in de noodzakelijke middelen voorziet.

(2)  Voor Horizon 2020 zijn de volgende drie prioriteiten vastgesteld: bevorderen van wetenschap op topniveau ("Wetenschap op topniveau"), creëren van industrieel leiderschap ("Industrieel leiderschap") en het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen ("Maatschappelijke uitdagingen"). Deze prioriteiten moeten worden uitgevoerd met een specifiek programma dat bestaat uit één onderdeel per prioriteit, één onderdeel voor "Excellentie verspreiden en deelname verbreden", één onderdeel voor "Wetenschap met en voor de samenleving" en één onderdeel betreffende de eigen acties van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC).

(2 bis)  Alle drie de prioriteiten moeten een internationale dimensie hebben. Internationale samenwerkingsactiviteiten moeten minimaal op het niveau van het zevende kaderprogramma worden gehandhaafd.

(3)  Terwijl in Horizon 2020 de algemene doelstelling en prioriteiten van het kaderprogramma zijn vastgelegd en de hoofdlijnen van de specifieke doelstellingen en uit te voeren activiteiten zijn aangegeven, wordt in het specifieke programma per onderdeel een nadere omschrijving van die doelstellingen en activiteiten gegeven. De uitvoeringsbepalingen van Horizon 2020, waaronder begrepen de uitvoeringsbepalingen inzake ethische beginselen, zijn volledig op dit specifieke programma van toepassing.

(4)  De onderdelen van het specifieke programma moeten elkaar aanvullen en op coherente wijze worden uitgevoerd.

(5)  De wetenschapsbasis van de Unie moet dringend worden versterkt, verbreed en uitgebreid en de instroom van onderzoekers van wereldklasse en talent moet worden verzekerd, zodat de concurrentiekracht en welvaart van Europa en het welzijn van haar burgers duurzaam zijn verzekerd. Het onderdeel "Wetenschap op topniveau" moet ondersteuning bieden aan de activiteiten van de Europese Onderzoeksraad op het gebied van grensverleggend onderzoek, toekomstige en opkomende technologieën, Marie Skłodowska-Curie-acties en Europese onderzoeksinfrastructuren. Deze activiteiten moeten zijn gericht op de langetermijnontwikkeling van bekwaamheden, waarbij de aandacht moet worden geconcentreerd op wetenschap, systemen en onderzoekers van de volgende generatie en het ondersteunen van opkomend talent uit de hele Unie en uit de geassocieerde landen. EU-activiteiten voor het bevorderen van wetenschap op topniveau moeten bijdragen aan het consolideren van de Europese onderzoeksruimte en helpen om het wetenschapssysteem van de Unie op mondiaal niveau competitiever en aantrekkelijker te maken.

(6)  De inhoud van de onderzoeksacties die uit hoofde van deel I "Wetenschap op topniveau" worden uitgevoerd, moet worden bepaald op basis van wetenschappelijke behoeften en mogelijkheden ▌. De onderzoeksagenda moet in nauw overleg met de wetenschappelijke gemeenschap worden vastgesteld. Onderzoek moet worden gefinancierd op basis van topkwaliteit.

(7)  De Europese Onderzoeksraad vervangt de Europese Onderzoeksraad die bij Besluit 2007/134/EG(5) is opgericht. De raad dient te functioneren volgens de gevestigde beginselen van wetenschappelijke topkwaliteit, autonomie, efficiëntie en transparantie.

(8)  Wil de EU haar industrieel leiderschap behouden en versterken, dan moeten private investeringen in onderzoek en ontwikkeling en innovatie dringend worden gestimuleerd, onderzoek en innovatie worden bevorderd waaraan een commerciële agenda ten grondslag ligt en de ontwikkeling van nieuwe technologieën die toekomstige ondernemingen en economische groei zullen ondersteunen, worden versneld. Deel II "Industrieel leiderschap" moet investeringen in onderzoek en innovatie van topkwaliteit in ontsluitende technologieën en andere industriële technologieën ondersteunen, voor innovatieve ondernemingen en projecten de toegang tot risicokapitaal verbeteren en Uniebrede steun voor innovatie in kleine en middelgrote ondernemingen verlenen.

(9)  Ruimteonderzoek en innovatie, dat een gedeelde bevoegdheid is van de Unie en de lidstaten, moet in deel II "Industrieel leiderschap" worden geïntegreerd en daarvan een coherent bestanddeel vormen, zodat de wetenschappelijke, economische en maatschappelijke impact ervan zo groot mogelijk is en een efficiënte en kosteneffectieve uitvoering is verzekerd.

(10)  Het aanpakken van de belangrijke maatschappelijke uitdagingen die in de Europa 2020-strategie(6) zijn vastgesteld, vraagt om grote investeringen in onderzoek en innovatie om baanbrekende oplossingen te ontwikkelen en te introduceren die de noodzakelijke schaal en een voldoende groot toepassingsgebied hebben. Deze uitdagingen bieden ook grote economische kansen aan innovatieve ondernemingen en dragen daarom bij aan het vergroten van het concurrentievermogen van de Unie en het creëren van werkgelegenheid.

(11)  Deel III "Maatschappelijke uitdagingen" vergroot de bijdrage van onderzoek en innovatie aan het aanpakken van grote maatschappelijke uitdagingen door onderzoeks- en innovatieactiviteiten van topkwaliteit te ondersteunen. Bij het uitvoeren van deze activiteiten moet een uitdagingsgerichte aanpak worden gevolgd waarbij middelen en kennis uit verschillende terreinen, technologieën en vakgebieden worden gebundeld. Onderzoek in de sociale en geesteswetenschappen is een belangrijk element in de aanpak van al deze uitdagingen. De activiteiten dienen het volledige scala aan onderzoek en innovatie te bestrijken, onder meer innovatiegerelateerde activiteiten, zoals proef- en demonstratieprojecten en proefopstellingen, alsook ondersteuning voor overheidsopdrachten, voor normvoorbereidend onderzoek en normstelling en voor het bevorderen van de marktacceptatie van innovaties. De activiteiten dienen de bevoegdheden van de EU voor het vaststellen van sectoraal beleid waar passend rechtstreeks te ondersteunen. Alle uitdagingen moeten bijdragen tot de overkoepelende doelstelling duurzame ontwikkeling.

(11 bis)  Er dient binnen de "Maatschappelijke uitdagingen" en het "Leiderschap" ten behoeve van de ontsluitende en industriële technologieën een passend evenwicht te zijn tussen kleinere en grotere projecten.

(11 ter)  Deel IIIa "Excellentie verspreiden en deelname verbreden" moet het potentieel van het in Europa aanwezig talent ten volle benutten en ervoor zorgen dat de voordelen van een door innovatie aangestuurde economie geoptimaliseerd worden en breed verdeeld worden over de gehele Unie overeenkomstig het beginsel topkwaliteit.

(11 quater)  Deel IIIb "Wetenschap met en voor de samenleving" moet een effectieve samenwerking tussen wetenschap en de samenleving tot stand brengen, het aanboren van nieuw talent voor de wetenschap bevorderen, en wetenschappelijke topkwaliteit koppelen aan maatschappelijk bewustzijn en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

(12)  Het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC) dient als geïntegreerd onderdeel van Horizon 2020 onafhankelijke en klantgestuurde wetenschappelijke en technische ondersteuning te leveren voor het formuleren, ontwikkelen, uitvoeren en monitoren van het EU-beleid. Voor het uitvoeren van zijn opdracht dient het JRC onderzoek van de hoogste kwaliteit te verrichten. Bij het uitvoeren van de eigen acties die uit zijn taakstelling voortvloeien, dient het JRC bijzondere nadruk te leggen op terreinen die voor de Unie van cruciaal belang zijn: intelligente, inclusieve en duurzame groei, veiligheid en burgerschap en "Europa als Wereldspeler".

(13)  Het JRC dient zijn eigen acties op flexibele, efficiënte en transparante wijze uit te voeren, rekening houdend met de relevante behoeften van zijn gebruikers en het EU-beleid en met inachtneming van de doelstelling van bescherming van de financiële belangen van de Unie. De onderzoeksacties van het JRC moeten zo nodig aan deze behoeften en aan wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen worden aangepast en gericht zijn op het tot stand brengen van wetenschappelijke topkwaliteit.

(14)  Het JRC moet extra middelen blijven genereren met concurrerende activiteiten, waaronder deelname aan de acties onder contract van Horizon 2020, werk voor derden en, in mindere mate, de exploitatie van intellectuele eigendom.

(15)  Het specifieke programma moet een aanvulling vormen op in de lidstaten uitgevoerde activiteiten en andere EU-acties die nodig zijn in het kader van de algemene strategische inspanning voor de uitvoering van de Europa 2020-strategie ▌.

(15 bis)  Overeenkomstig Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de LGO met de Europese Economische Gemeenschap ("LGO-besluit"), als gewijzigd, komen rechtspersonen uit de landen en gebieden overzee onder de in genoemd besluit vermelde specifieke voorwaarden in aanmerking voor deelname aan Horizon 2020.

(16)  Om te verzekeren dat ▌de specifieke voorwaarden om een beroep te doen op de financieringsfaciliteit een weergave zijn van de marktomstandigheden, moet aan de Commissie de bevoegdheid tot het vaststellen van handelingen worden gedelegeerd, overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor het aanpassen of uitwerken van ▌de specifieke voorwaarden om een beroep te doen op de financieringsfaciliteit. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens de voorbereidende werkzaamheden passend overleg pleegt, onder meer met deskundigen.

Bij het voorbereiden en opstellen van gedelegeerde handelingen dient de Commissie erop toe te zien dat de relevante documenten tijdig en op passende wijze aan de Raad worden toegezonden.

(17)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van het specifieke programma te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om de werkprogramma's voor de uitvoering van het specifieke programma vast te stellen.

(18)  De uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot de werkprogramma's voor de delen I, II, III, IIIa en IIIb van het specifieke programma, met uitzondering van de acties van de Europese Onderzoeksraad, moeten, tenzij de Commissie afwijkt van het standpunt van de Wetenschappelijke Raad, worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden(7) door de Commissie controleren.

(19)  De raad van beheer van het JRC, die is opgericht bij Besluit 96/282/Euratom van de Commissie van 10 april 1996 tot reorganisatie van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek(8), is geraadpleegd over de wetenschappelijke en technologische inhoud van het specifieke programma, voor zover die betrekking heeft op de eigen acties van het JRC.

(20)  Ter wille van de rechtzekerheid en de duidelijkheid moeten Beschikking 2006/971/EG van de Raad van 19 december 2006 betreffende het specifieke programma "Samenwerking" tot uitvoering van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007‑2013)(9), Beschikking 2006/972/EG van de Raad van 19 december 2006 betreffende het specifieke programma "Ideeën" tot uitvoering van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007‑2013)(10), Beschikking 2006/973/EG van de Raad van 19 december 2006 betreffende het specifieke programma "Mensen" tot uitvoering van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007‑2013)(11), Beschikking 2006/974/EG van de Raad van 19 december 2006 betreffende het specifieke programma "Capaciteiten" tot uitvoering van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007‑2013)(12), en Beschikking 2006/975/EG van de Raad van 19 december 2006 betreffende het specifieke programma dat door het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek door middel van eigen acties moet worden uitgevoerd op grond van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007‑2013)(13), worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

TITEL I

VASTSTELLING

Artikel 1

Onderwerp

Bij dit besluit wordt het specifieke programma tot uitvoering van Verordening (EU) nr. XX/2012 van het Europees Parlement en de Raad(14) vastgesteld. Tevens worden bij dit besluit de specifieke doelstellingen met betrekking tot EU-steun voor de in artikel 1 van die verordening omschreven onderzoeks- en innovatieactiviteiten en de uitvoeringsvoorschriften vastgesteld.

Artikel 2

Vaststelling van het specifieke programma

1.  Het specifieke programma tot uitvoering van "Horizon 2020: het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020)" ("het specifieke programma") wordt hierbij vastgesteld voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

2.  Overeenkomstig artikel 5, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. XX/2012 (Horizon 2020), bestaat het specifieke programma uit de volgende onderdelen:

(a)  deel I: "Wetenschap op topniveau";

(b)  deel II: "Industrieel leiderschap";

(c)  deel III: "Maatschappelijke uitdagingen";

(d)  deel IV: "Niet-nucleaire eigen acties van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC)".

Artikel 3

Specifieke doelstellingen

1.  Deel I ("Wetenschap op topniveau") bevordert de topkwaliteit in Europees onderzoek, overeenkomstig de prioriteit "Wetenschap op topniveau", die in artikel 5, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. XX/2012 [Horizon 2020] wordt omschreven, door het nastreven van de volgende specifieke doelstellingen:

(a)  stimuleren van grensverleggend onderzoek door middel van de activiteiten van de Europese Onderzoeksraad (ERC);

(b)  stimuleren van onderzoek in toekomstige en opkomende technologieën;

(c)  versterken van vaardigheden, opleidingen en loopbaanontwikkeling door middel van de Marie Skłodowska-Curie-acties ("de Marie Skłodowska-Curie-acties");

(d)  versterken van Europese onderzoeksinfrastructuren, waaronder e‑infrastructuren.

De hoofdlijnen van deze activiteiten staan in deel I van bijlage I.

2.  Deel II ("Industrieel leiderschap") moet het industriële leiderschap versterken en het concurrentievermogen van de industrie vergroten overeenkomstig de prioriteit "Industrieel leiderschap", die in artikel 5, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. XX/2012 [Horizon 2020] wordt omschreven, door de volgende specifieke doelstellingen na te streven:

(a)  versterken van het industriële leiderschap van Europa door middel van onderzoek, technologische ontwikkeling, demonstratie en innovatie met betrekking tot de volgende ontsluitende en industriële technologieën:

(i)  informatie- en communicatietechnologieën,

(ii)  nanotechnologieën,

(iii)  geavanceerde materialen,

(iv)  biotechnologie,

(v)  geavanceerde fabricage- en verwerkingstechnieken,

(vi)  ruimtevaart;

(b)  verbeteren van de toegang tot risicokapitaal voor investeringen in onderzoek en innovatie;

(c)  stimuleren van innovatie in kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's).

De hoofdlijnen van de activiteiten voor deze specifieke doelstellingen staan in deel II van bijlage I. Er gelden specifieke voorwaarden voor het gebruik van de financieringsfaciliteit onder de specifieke doelstelling onder b). Die voorwaarden staan in punt 2 van deel II van bijlage I.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de wijzigingen van het aandeel van de investeringen uit de eigenvermogensfaciliteit van Horizon 2020 in de totale EU-investeringen in uitbreiding en groei met betrekking tot de in bijlage I, deel II, punt 2, bedoelde financiële instrumenten.

3.  Deel III ("Maatschappelijke uitdagingen") draagt bij aan de prioriteit "Maatschappelijke uitdagingen", die in artikel 5, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. XX/2012 [Horizon 2020] wordt omschreven, door middel van acties op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling, demonstratie en innovatie, die bijdragen aan het verwezenlijken van de volgende specifieke doelstellingen:

(a)  verbeteren van gezondheid en welzijn gedurende het hele leven voor iedereen;

(b)  een toereikend aanbod van veilige, gezonde en hoogwaardige voeding en andere producten van biologische oorsprong verzekeren door productieve, duurzame en hulpbronnenefficiënte primaire productiesystemen te ontwikkelen, daaraan gerelateerde ecosysteemdiensten te bevorderen en de biodiversiteit te herstellen, in combinatie met concurrerende en koolstofarme ketens voor toevoer, verwerking en commercialisering;

(c)  de overstap maken naar een betrouwbaar, betaalbaar, algemeen aanvaard, duurzaam en concurrerend energiesysteem dat op het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen gericht is, in het licht van een toenemende schaarste van hulpbronnen, groeiende energiebehoeften en de klimaatverandering;

(d)  realiseren van een hulpbronnenefficiënt, klimaat- en milieuvriendelijk, veilig en naadloos geïntegreerd Europees vervoersysteem ten behoeve van alle burgers, de economie en de samenleving;

(e)  tot stand brengen van een grondstof- en waterzuinige en klimaatveranderingsbestendige economie en samenleving, de bescherming en het duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen en een duurzame grondstoffenvoorziening en duurzaam grondstoffengebruik om tegemoet te komen aan de behoeften van een toenemende wereldbevolking binnen de duurzame grenzen van de natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen van de planeet.

(f)  een beter besef van Europa bijbrengen, oplossingen bieden en steun verlenen aan inclusieve, innovatieve en reflexieve Europese samenlevingen in een context van transformaties zonder weerga en toenemende mondiale interdependenties;

(g)  veilige Europese samenlevingen bevorderen in een context van transformaties zonder weerga en wereldwijd toenemende onderlinge afhankelijkheden en dreigingen, en de Europese cultuur van vrijheid en recht steviger verankeren.

De hoofdlijnen van deze activiteiten staan in deel III van bijlage I.

3 bis.  Deel IIIa "Excellentie verspreiden en deelname verbreden" moet het potentieel van het in Europa aanwezig talent ten volle benutten en ervoor zorgen dat de voordelen van een door innovatie aangestuurde economie geoptimaliseerd worden en breed verdeeld worden over de gehele Unie overeenkomstig het beginsel topkwaliteit.

3 ter.  Deel IIIb "Wetenschap met en voor de samenleving" moet een effectieve samenwerking tussen wetenschap en de samenleving tot stand brengen, nieuw talent voor de wetenschap aanboren, en wetenschappelijke topkwaliteit koppelen aan maatschappelijk bewustzijn en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

4.  Deel IV ("Niet-nucleaire eigen acties van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek") draagt bij aan alle in artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) nr. XX/2012 [Horizon 2020] genoemde prioriteiten, met als specifieke doelstelling het verstrekken van klantgerichte wetenschappelijke en technische ondersteuning voor het beleid van de Unie.

De hoofdlijnen van deze specifieke doelstelling staan in deel IV van bijlage I.

5.  Het specifieke programma wordt beoordeeld op basis van de toetsing van de behaalde resultaten en impact aan prestatie-indicatoren ▌.

Meer details over de prestatie-indicatoren voor de specifieke doelstellingen zijn omschreven in de delen 1 tot en met 4 van bijlage II.

Artikel 4

Begroting

1.  Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) nr. XX/2012 [Horizon 2020], bedragen de financiële middelen voor de uitvoering van het specifieke programma [86 198 miljoen EUR].

2.  Het in lid 1 genoemde bedrag wordt verdeeld over de vier in artikel 2, lid 2, van dit besluit omschreven onderdelen. De verdeling gebeurt overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) nr. XX/2012 [Horizon 2020]. De indicatieve verdeling van de beschikbare middelen over de specifieke doelstellingen zoals die in dit artikel is beschreven en het maximale totaalbedrag van de bijdrage aan de acties van het JRC zijn vermeld in bijlage II van Verordening (EU) nr. XX/2012 [Horizon 2020].

3.  Van de in artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) nr. XX/2012 [Horizon 2020] genoemde bedragen voor deel I, deel II en deel III van het specifieke programma wordt maximaal 6 % gebruikt voor de financiering van de administratieve uitgaven van de Commissie.

4.  Indien nodig kunnen in de begroting tot na 2020 kredieten worden opgenomen om de technische en administratieve uitgaven te dekken om het beheer van activiteiten die op 31 december 2020 nog niet zijn afgerond, voort te kunnen zetten.

TITEL II

UITVOERING

Artikel 5

Werkprogramma's

1.  Het specifieke programma wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma's.

2.  De Commissie stelt gemeenschappelijke of afzonderlijke werkprogramma's vast voor de uitvoering van de delen I, II en III van het specifieke programma, als bedoeld in respectievelijk de punten a), b) en c) van artikel 2, lid 2, uitgezonderd de acties die vallen onder de specifieke doelstelling "Versterking van ▌grensverleggend onderzoek door middel van de activiteiten van de Europese Onderzoeksraad" als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a). Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 9, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3.  De werkprogramma's voor de uitvoering van de acties die vallen onder de specifieke doelstelling "Versterking van ▌grensverleggend onderzoek door middel van de activiteiten van de Europese Onderzoeksraad", zoals die door de Wetenschappelijke Raad van de Europese Onderzoeksraad krachtens artikel 7, lid 2, onder b), zijn vastgesteld, worden door de Commissie vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling, conform de raadplegingsprocedure bedoeld in artikel 9, lid 2 bis. De Commissie wijkt slechts af van het door de Wetenschappelijke Raad vastgestelde werkprogramma als zij van mening is dat het niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit besluit. In dat geval stelt de Commissie het werkprogramma bij uitvoeringshandeling vast overeenkomstig de in artikel 9, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De Commissie dient deze maatregel naar behoren te motiveren.

4.  De Commissie stelt bij uitvoeringshandeling een afzonderlijk meerjarig werkprogramma vast voor deel IV van het specifieke programma, dat betrekking heeft op de niet-nucleaire eigen acties van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder d).

In dit werkprogramma wordt rekening gehouden met het door de raad van beheer van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek overeenkomstig Besluit 96/282/Euratom meegedeelde standpunt.

5.  In de werkprogramma's wordt rekening gehouden met de stand van de wetenschap, technologie en innovatie op nationaal, internationaal en EU-niveau en met relevante beleids-, markt- en maatschappelijke ontwikkelingen. De werkprogramma's bevatten zo nodig informatie over de coördinatie met onderzoeks- en innovatieactiviteiten die door de lidstaten (met inbegrip van hun regio's) worden uitgevoerd, ook voor terreinen waarvoor gezamenlijke programmeringsinitiatieven zijn vastgesteld. Het werkprogramma wordt zo nodig geactualiseerd.

6.  De werkprogramma's voor de uitvoering van de delen I, II en III, in de zin van respectievelijk onder a), b) en c) van artikel 2, lid 2, beschrijven de doelstellingen, verwachte resultaten, wijze van uitvoering en het totale bedrag dat voor de uitvoering is voorzien, met inbegrip van de omvang van eventuele klimaatgerelateerde uitgaven. Tevens bevatten zij een beschrijving van de acties die worden gefinancierd, een indicatie van het bedrag dat aan elke actie wordt toegewezen, een indicatief tijdschema voor de uitvoering, alsook een meerjarenaanpak en strategische richtsnoeren voor de volgende uitvoeringsjaren. ▌Zij bevatten voor subsidieaanvragen de prioriteiten, de selectie- en gunningscriteria en het relatieve gewicht van de verschillende gunningscriteria, en het maximale financieringspercentage voor de totale subsidiabele kosten. Zij vermelden ook extra benuttings- en verspreidingsverplichtingen voor deelnemers, overeenkomstig artikel 40 van Verordening (EU) nr. XX/2012 [Regels voor deelname]. Zij bieden ruimte voor strategische top-down- en bottom-upbenaderingen, al naar gelang het geval, waarbij doelstellingen op innovatieve wijze worden verwezenlijkt.

Daarnaast bevatten deze werkprogramma's een hoofdstuk met horizontale acties als bedoeld in artikel 13 en als vermeld in het kader van horizontale kwesties en steunmaatregelen in bijlage I van Verordening (EU) nr. XX/2012 [Horizon 2020], die betrekking moeten hebben op twee of meer specifieke doelstellingen, zowel binnen dezelfde prioriteit als voor twee of meer verschillende prioriteiten. Die acties moeten op een geïntegreerde wijze worden uitgevoerd.

7.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen volgens de in artikel 9, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure de volgende maatregelen vast:

(a)  het besluit over de goedkeuring van de financiering van de acties onder contract indien het geraamde bedrag van de bijdrage van de Unie in het kader van dit programma gelijk is aan of hoger ligt dan 2,5 miljoen EUR, met uitzondering van de acties die vallen onder de specifieke doelstelling bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a) en de acties die worden gefinancierd in het kader van het sneltraject voor innovatie;

(b)  het besluit over de goedkeuring van de financiering van acties waarbij menselijke embryo's en menselijke embryonale stamcellen worden gebruikt en van acties uit hoofde van de specifieke doelstelling bedoeld in artikel 3, lid 3, onder g);

(c)  het besluit over de goedkeuring van de financiering van de acties onder contract indien het geraamde bedrag van de bijdrage van de Unie in het kader van dit programma gelijk is aan of hoger ligt dan 0,6 miljoen EUR, voor acties in het kader van de in artikel 3, lid 3, onder f) bedoelde specifieke doelstellingen en voor acties als bedoeld in artikel 3, leden 3 bis en 3 ter;

(d)  de opstelling van de procedure voor de evaluaties waarin is voorzien in artikel 26 van Verordening (EU) nr. XX/2012 [Horizon 2020].

Artikel 6

Europese Onderzoeksraad

1.  De Commissie richt de Europese Onderzoeksraad (ERC) op voor het uitvoeren van de acties onder deel I ("Wetenschap op topniveau") die betrekking hebben op de specifieke doelstelling "Versterking van ▌grensverleggend onderzoek door middel van de activiteiten van de Europese Onderzoeksraad". Deze Europese Onderzoeksraad vervangt de Europese Onderzoeksraad die bij Besluit 2007/134/EG is opgericht.

2.  De Europese Onderzoeksraad is samengesteld uit de in artikel 7 bedoelde onafhankelijke Wetenschappelijke Raad en de in artikel 8 bedoelde specifieke uitvoeringsstructuur.

3.  De voorzitter van de Europese Onderzoeksraad is een ervaren en internationaal gereputeerd wetenschapper.

De voorzitter wordt voor een eenmalig hernieuwbare termijn van vier jaar aangesteld door de Commissie na een transparante selectieprocedure waarbij een beroep wordt gedaan op een onafhankelijk specifiek rekruteringscomité. De selectieprocedure en de geselecteerde kandidaat worden goedgekeurd door de Wetenschappelijke Raad.

De voorzitter zit de Wetenschappelijke Raad voor, geeft er leiding aan, onderhoudt contacten met de specifieke uitvoeringsstructuur en vertegenwoordigt de raad in de wereld van de wetenschap.

4.  De Europese Onderzoeksraad functioneert volgens de beginselen van wetenschappelijke topkwaliteit, autonomie, efficiëntie, effectiviteit, transparantie en verantwoordingsplicht. Hij draagt zorg voor continuïteit met de acties van de Europese Onderzoeksraad die op grond van Besluit 2006/972/EG zijn uitgevoerd.

5.  De activiteiten van de Europese Onderzoeksraad ondersteunen onderzoek dat op alle gebieden wordt uitgevoerd door op Europees niveau concurrerende individuele en transnationale teams. Bij contracten voor grensverleggend onderzoek geldt als enige selectiecriterium "topkwaliteit".

6.  De Commissie staat garant voor de autonomie en integriteit van de Europese Onderzoeksraad en ziet erop toe dat de aan hem toevertrouwde taken goed worden uitgevoerd.

De Commissie zorgt ervoor dat de acties van de Europese Onderzoeksraad worden uitgevoerd volgens de in lid 4 genoemde beginselen en conform de in artikel 7, lid 2, bedoelde algemene strategie van de Wetenschappelijke Raad.

Artikel 7

Wetenschappelijke Raad

1.  De Wetenschappelijke Raad is samengesteld uit wetenschappers, ingenieurs en geleerden met een zeer goede reputatie en de benodigde deskundigheid en uit zowel vrouwen als mannen uit verschillende leeftijdsgroepen, die uiteenlopende onderzoeksgebieden afdekken en handelen op persoonlijke titel en onafhankelijk van externe belangen.

De leden van de Wetenschappelijke Raad worden door de Commissie benoemd volgens een met deze raad overeengekomen onafhankelijke en transparante procedure, die raadpleging van de wetenschappelijke gemeenschap en een verslag aan het Europees Parlement en de Raad omvat.

Hun mandaat duurt vier jaar en is eenmaal verlengbaar op basis van een roulerend systeem dat de continuïteit van de werkzaamheden van de Wetenschappelijke Raad waarborgt.

2.  De Wetenschappelijke Raad bepaalt:

(a)  de algemene strategie van de Europese Onderzoeksraad;

(b)  het werkprogramma voor de uitvoering van de activiteiten van de Europese Onderzoeksraad;

(c)  de methoden en procedures voor de collegiale toetsing en beoordeling van voorstellen op basis waarvan de te financieren voorstellen worden vastgesteld;

(d)  zijn standpunt, vanuit een wetenschappelijk oogpunt, over elke kwestie die de prestaties en impact van de Europese Onderzoeksraad en de kwaliteit van het uitgevoerde onderzoek kan vergroten;

(e)  een gedragscode waarin onder meer de vermijding van belangenconflicten aan de orde komt.

De Commissie wijkt slechts af van de standpunten die de Wetenschappelijke Raad in overeenstemming met de punten a), c), d), en e) van de eerste alinea heeft ingenomen indien zij van mening is dat de bepalingen van dit besluit niet in acht zijn genomen. In dat geval stelt de Commissie maatregelen vast om de continuïteit in de uitvoering van het specifieke programma en de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma te verzekeren, waarin zij de afwijkingen van de standpunten van de Wetenschappelijke Raad toelicht en naar behoren motiveert.

3.  De Wetenschappelijke Raad handelt volgens het mandaat dat is uiteengezet in punt 1.1 van deel I van bijlage I.

4.  De Wetenschappelijke Raad handelt uitsluitend in het belang van de verwezenlijking van de doelstellingen van het deel van het specifieke programma dat betrekking heeft op de specifieke doelstelling "Versterking van ▌grensverleggend onderzoek door middel van de activiteiten van de Europese Onderzoeksraad" overeenkomstig artikel 6, lid 4. Hij legt de nodige integriteit en rechtschapenheid aan de dag en voert zijn werkzaamheden efficiënt en met de grootst mogelijke transparantie uit.

Artikel 8

Specifieke uitvoeringsstructuur

1.  De specifieke uitvoeringsstructuur is verantwoordelijk voor de administratieve tenuitvoerlegging en de uitvoering van het programma, als omschreven in punt 1.2 van deel I van bijlage I en ondersteunt de Wetenschappelijke Raad bij de uitvoering van al zijn taken.

2.  De Commissie ziet erop toe dat de specifieke uitvoeringsstructuur zich strikt, efficiënt, met de nodige flexibiliteit en uitsluitend richt naar de doelstellingen en eisen van de Europese Onderzoeksraad.

TITEL III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 8 bis

Beoordeling en informatie over de uitvoering

1.  De Commissie beoordeelt jaarlijks de uitvoering van Horizon 2020 en brengt hierover verslag uit overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. XX/2012 [Horizon 2020] en bijlage III van dit besluit.

2.  De Commissie informeert het comité bedoeld in artikel 9 regelmatig over de algemene voortgang bij de uitvoering van de acties onder contract van het specifieke programma, zodat het comité in een vroeg stadium een nuttige inbreng kan hebben bij het opstellen van de werkprogramma's, met name de meerjarenaanpak en de strategische richtsnoeren, en zij verstrekt het comité tijdig informatie over alle acties die worden voorgesteld of gefinancierd in het kader van Horizon 2020 als vermeld in bijlage IV van dit besluit.

Artikel 9

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Het betreft een comité als bedoeld in Verordening (EU) nr. 182/2011.

1 bis.  Het comité komt bijeen in verschillende samenstellingen, als vermeld in bijlage V, afhankelijk van het te bespreken onderwerp.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is de onderzoeksprocedure overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

2 bis.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is de raadplegingsprocedure overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.  Wanneer het advies van het in lid 2 en lid 2 bis bedoelde comité volgens de schriftelijke procedure moet worden verkregen, wordt die procedure zonder resultaat beëindigd als de voorzitter van het comité binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies daartoe beslist of een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom verzoekt.

Artikel 10

Uitoefening van de delegatie

1.  De bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2.  De in artikel 3, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend ▌vanaf de inwerkingtreding van deze verordening en voor de looptijd van het programma.

3.  De in artikel 3, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij de Raad daarvan in kennis.

5.  Een krachtens artikel 3, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving ervan geen bezwaar heeft aangetekend, of indien de Raad de Commissie vóór het verstrijken van deze termijn heeft meegedeeld geen bezwaar te zullen aantekenen. Op initiatief van de Raad wordt deze termijn met een maand verlengd.

6.  De Commissie stelt het Europees Parlement in kennis van de door haar vastgestelde gedelegeerde handelingen, eventuele bezwaren die daartegen zijn gemaakt of de intrekking van de bevoegdheidsdelegatie door de Raad.

Artikel 11

Intrekking en overgangsbepalingen

1.  De Beschikkingen 2006/971/EG, 2006/972/EG, 2006/973/EG, 2006/974/EG en 2006/975/EG worden met ingang van 1 januari 2014 ingetrokken.

2.  Acties die uit hoofde van de in lid 1 genoemde beschikkingen zijn gestart en financiële verplichtingen die in verband met die acties zijn aangegaan, blijven tot de voltooiing van die acties onderworpen aan deze beschikkingen. Eventuele resterende taken van de comités die bij de in lid 1 genoemde beschikkingen zijn opgericht, worden uitgevoerd door het in artikel 9 van onderhavig besluit genoemde comité.

3.  De financiële toewijzing voor het specifieke programma kan ook de uitgaven dekken voor technische en administratieve bijstand die nodig is voor de overgang tussen het specifieke programma en de maatregelen die onder het toepassingsgebied van de Beschikkingen 2006/971/EG, 2006/972/EG, 2006/973/EG, 2006/974/EG en 2006/975/EG vallen.

Artikel 12

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 13

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De voorzitter

BIJLAGE I

Hoofdlijnen van de activiteiten

Gemeenschappelijke elementen voor de acties onder contract

1.  PROGRAMMERING

1.1.  Algemeen

Verordening (EU) nr. XX/2012 (Horizon 2020) bevat een reeks beginselen voor het bevorderen van een programmatische aanpak waarbij activiteiten op een strategische en geïntegreerde wijze bijdragen aan de doelstellingen van het programma, en die ervoor zorgen dat de verordening een krachtige aanvulling vormt op ander gerelateerd beleid en verwante programma's in de Unie.

De acties onder contract van Horizon 2020 worden uitgevoerd via in het Financieel Reglement voorziene financieringsvormen, in het bijzonder subsidies, prijzen, inkoop en financiële instrumenten. Alle financieringsvormen worden op flexibele wijze gebruikt voor alle algemene en specifieke doelstellingen van Horizon 2020, waarbij het gebruik wordt bepaald door de behoeften en door de specifieke kenmerken van een bepaalde specifieke doelstelling.

Er wordt speciaal op gelet dat ten aanzien van onderzoek en innovatie een evenwichtige benadering wordt gehanteerd: niet alleen aandacht voor de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten op basis van wetenschappelijke en technologische doorbraken, maar ook voor het gebruik van bestaande technologieën in nieuwe toepassingen, voor niet-technologische en sociale innovaties en voor aspecten zoals continue verbetering. Alleen met een holistische benadering van innovatie kunnen tegelijkertijd maatschappelijke uitdagingen worden aangepakt en nieuwe concurrerende ondernemingen en industrieën worden gecreëerd.

Vooral met betrekking tot het onderdeel "Maatschappelijke uitdagingen" en de doelstelling "Leiderschap in ontsluitende en industriële technologieën" wordt bijzondere nadruk gelegd op onderzoeks- en innovatieactiviteiten aangevuld met activiteiten dicht bij de eindgebruikers en de markt, zoals demonstraties, proefprojecten en proof-of-concept. Daar kunnen ook activiteiten onder vallen ter ondersteuning van sociale innovatie en ter ondersteuning van op de vraagzijde gerichte maatregelen zoals prenormalisatie en precommerciële inkoop, inkoop van innovatieve oplossingen, normalisatie en andere gebruikersgerichte maatregelen voor het versnellen van de marktpenetratie van innovatieve producten en diensten. Voorts zal er voldoende ruimte zijn voor bottom-upbenaderingen van oproepen tot het indienen van voorstellen en activiteiten binnen werkprogramma's zullen ruim gedefinieerd worden. Er zullen voor alle uitdagingen en technologieën open, lichte en snelle regelingen zijn, zodat de beste onderzoekers, ondernemers en ondernemingen van Europa de kans krijgen om de baanbrekende oplossingen van hun keuze te ontwikkelen.

Voor het stellen van gedetailleerde prioriteiten tijdens de uitvoering van Horizon 2020 is het nodig dat bij het programmeren van onderzoek een strategische benadering wordt gehanteerd, door beheersmethoden te gebruiken waarbij weliswaar nauwe aansluiting wordt gezocht bij beleidsontwikkelingen, maar over de grenzen van traditioneel sectorbeleid heen wordt gekeken. Het stellen van prioriteiten zal gebeuren op basis van deugdelijk bewijs en degelijke analyses en prognoses. Vooruitgang wordt beoordeeld op basis van een krachtig pakket prestatie-indicatoren. Deze horizontale benadering van programmering en beheer maakt een effectieve coördinatie van de verschillende specifieke doelstellingen van Horizon 2020 mogelijk en het aanpakken van uitdagingen waarop meerdere doelstellingen van toepassing zijn, zoals duurzaamheid, klimaatverandering, sociale wetenschappen en geesteswetenschappen alsmede mariene wetenschappen en technologieën.

De prioriteiten zullen ook op een breed scala aan advies en andere input zijn gebaseerd. Die zal onder meer afkomstig zijn van groepen van onafhankelijke deskundigen die speciaal zijn opgericht om te adviseren over de uitvoering van Horizon 2020 en de specifieke doelstellingen ervan. Deze deskundigengroepen dienen over de noodzakelijke expertise en kennis te beschikken en uiteenlopende professionele achtergronden te hebben, zoals de academische wereld, de industrie en maatschappelijke organisaties. Waar passend zal ook rekening worden gehouden met de adviezen van het Comité Europese Onderzoeksruimte (CEOR), andere groepen in verband met de EOR en de Groep Ondernemingenbeleid (GOB) met betrekking tot de afbakening en de opzet van strategische prioriteiten.

Bij het stellen van prioriteiten kan ook rekening worden gehouden met de agenda voor strategisch onderzoek van Europese technologieplatforms, initiatieven voor gezamenlijke programmering of input van Europese innovatiepartnerschappen. Waar dat dienstig is, zullen ook publiek-publieke en publiek-private partnerschappen die uit hoofde van Horizon 2020 worden ondersteund aan het prioriteringsproces en de uitvoering bijdragen, overeenkomstig de regels die hiervoor in Horizon 2020 zijn neergelegd. Een andere hoeksteen van het prioriteringsproces zijn regelmatige interacties met eindgebruikers, burgers en maatschappelijke organisaties, via consensusconferenties, participatieve beoordelingen van technologie, rechtstreekse betrokkenheid bij onderzoeks- en innovatieprocessen en andere geëigende methoden.

Aangezien Horizon 2020 over een periode van zeven jaar wordt uitgevoerd, is het mogelijk dat de economische, maatschappelijke en beleidscontext van het programma aanzienlijk zal veranderen tijdens de looptijd ervan. Horizon 2020 moet zich aan dergelijke veranderingen kunnen aanpassen. Vandaar dat voor elke specifieke doelstelling in de mogelijkheid is voorzien om ook activiteiten te ondersteunen die verder gaan dan onderstaande beschrijvingen, wanneer dat nodig is om te reageren op belangrijke ontwikkelingen, nieuwe beleidsbehoeften of onvoorziene gebeurtenissen.

Activiteiten die worden gesteund in het kader van de verschillende onderdelen en hun specifieke doelstellingen moeten zodanig worden uitgevoerd dat ze complementair zijn en onderling samenhangen, waar dienstig.

1.2.  Toegang tot risicokapitaal

Horizon 2020 helpt ondernemingen en andere organisaties met het verkrijgen van leningen en garanties en het aantrekken van aandelenkapitaal via twee faciliteiten.

Via de schuldfaciliteit ontvangen individuele begunstigden een lening voor investeringen in onderzoek en innovatie, worden garanties verleend aan financiële intermediairs die leningen aan begunstigden verstrekken, en worden combinaties van leningen en garanties verstrekt, alsook garanties of tegengaranties voor nationale, regionale en lokale schuldfinancieringsregelingen. Deze faciliteit voorziet in een kmo-loket dat leningen verstrekt aan door onderzoek en innovatie aangestuurde kmo's, als aanvulling op de kmo-financiering via de leninggarantiefaciliteit in het kader van het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kmo's (Cosme).

De eigenvermogensfaciliteit verstrekt risico- en/of mezzaninekapitaal aan individuele ondernemingen in de aanloopfase (startersloket). De faciliteit zal ook uitbreidings- en groei-investeringen kunnen doen in samenhang met de eigenvermogensfaciliteit voor groei in het kader van het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kmo's (Cosme), onder meer via fondsen-van-fondsen.

Deze faciliteiten vervullen een hoofdrol voor de specifieke doelstelling "Toegang tot risicokapitaal" maar kunnen eventueel ook voor de andere specifieke doelstellingen van Horizon 2020 worden aangewend.

De vermogensfaciliteit en het kmo-loket van de schuldenfaciliteit worden uitgevoerd als twee financiële instrumenten van de EU die eigen middelen en schuldfinanciering verstrekken om onderzoek en innovatie en de groei in kmo's te ondersteunen, in samenhang met de vermogens- en schuldfaciliteit in het kader van het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kmo's (Cosme).

1.3.   Communicatie, benutting en verspreiding

Een belangrijke toegevoegde waarde van onderzoek en innovatie die op Unieniveau worden gefinancierd, is de mogelijkheid om de resultaten ervan over de hele Unie te verspreiden en te benutten en zo hun effect te vergroten. Vandaar dat Horizon 2020 voor alle specifieke doelstellingen voorziet in specifieke steun voor verspreiding (onder meer door wetenschappelijke publicaties algemeen toegankelijk te maken), communicatie en dialoog, met een sterke nadruk op het communiceren van resultaten aan eindgebruikers, burgers, de academische wereld, maatschappelijke organisaties, de industrie en beleidsmakers. Hiervoor kan Horizon 2020 gebruik maken van netwerken voor informatieoverdracht. Bij de communicatieactiviteiten die in het kader van Horizon 2020 worden uitgevoerd zal ruchtbaarheid worden gegeven aan het feit dat de resultaten zijn verkregen met financiële steun van de Unie, en zal ook worden geprobeerd om het publiek door middel van publicaties, evenementen, kennisarchieven, databanken, websites of sociale media meer bewust te maken van het belang van onderzoek en innovatie.

2.   AANVULLENDE EFFECTEN EN HORIZONTALE KWESTIES EN STEUNMAATREGELEN

Horizon 2020 is opgezet rond de doelstellingen die voor de drie belangrijkste onderdelen ervan zijn geformuleerd: bevorderen van wetenschap op topniveau, creëren van industrieel leiderschap en aanpakken van maatschappelijke uitdagingen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan een goede coördinatie tussen deze onderdelen en aan het optimaal benutten van de synergieën die tussen de specifieke doelstellingen worden gecreëerd, zodat zij een maximale impact hebben op de beleidsdoelstellingen die op de hogere bestuursniveaus van de EU worden geformuleerd. Bij het aangaan van deze doelstellingen wordt een sterke nadruk gelegd op het vinden van efficiënte oplossingen. Daarbij wordt een veel ruimere aanpak gehanteerd dan de gebruikelijke aanpak waarbij simpelweg wordt uitgegaan van de traditionele wetenschappelijke en technologische vakgebieden en de traditionele economische sectoren.

Er worden horizontale acties bevorderd die op deel I "Wetenschap op topniveau", deel II "Industrieel leiderschap" en deel III "Maatschappelijke uitdagingen" betrekking hebben en gericht zijn op het ontwikkelen van nieuwe kennis, toekomstige en opkomende technologieën, onderzoeksinfrastructuren en sleutelcompetenties. Onderzoeksinfrastructuren worden geschikt gemaakt voor een breder gebruik in de samenleving, bijvoorbeeld voor overheidsdiensten, wetenschapsbevordering, civiele veiligheid en cultuur. Voorts wordt er bij de prioritering op gelet dat de prioriteiten voor de eigen acties van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek en voor de activiteiten van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) zijn afgestemd op de prioriteiten voor de andere onderdelen van Horizon 2020.

Verder zal een effectieve bijdrage aan de doelstellingen van Europa 2020 en de Innovatie-Unie in veel gevallen vragen om interdisciplinaire oplossingen, oplossingen dus die meerdere specifieke doelstellingen van Horizon 2020 bestrijken ▌. Horizon 2020 bevat specifieke voorzieningen voor het stimuleren van horizontale acties op dit terrein. Een daarvan is het efficiënt bundelen van begrotingen. Een ander voorbeeld is de mogelijkheid om voor acties uit hoofde van het onderdeel "Maatschappelijke uitdagingen" en ten behoeve van de doelstelling "Leiderschap in ontsluitende en industriële technologieën" gebruik te maken van bovengenoemde financiële instrumenten en het specifieke mkb-instrument.

Horizontale acties zijn ook van essentieel belang voor het stimuleren van de interacties tussen maatschappelijke uitdagingen en ontsluitende en industriële technologieën die nodig zijn om te komen tot belangrijke technologische doorbraken. Voorbeelden van terreinen waarop dergelijke interacties kunnen worden ontwikkeld, zijn: e‑gezondheid, intelligente netwerken, intelligente vervoersystemen, integratie van klimaatacties, nanogeneesmiddelen, geavanceerde materialen voor lichtgewichtvoertuigen en de ontwikkeling van op biomaterialen gebaseerde industriële processen en producten. Vandaar dat het ontstaan van krachtige synergieën wordt bevorderd tussen enerzijds maatschappelijke uitdagingen en anderzijds de ontwikkeling van generieke ontsluitende en industriële technologieën. Bij het ontwikkelen van meerjarenstrategieën en het vaststellen van prioriteiten voor elk van deze specifieke doelstellingen zal uitdrukkelijk rekening worden gehouden met het belang van synergie. Daarvoor is het nodig dat de belanghebbenden die de verschillende gezichtspunten vertegenwoordigen, volledig bij de uitvoering worden betrokken. Ook vraagt het in veel gevallen om acties waarbij financiële middelen worden gebundeld die zijn bestemd voor de ontwikkeling van ontsluitende en industriële technologieën en de aanpak van maatschappelijke uitdagingen.

Ook wordt bijzondere aandacht besteed aan de onderlinge afstemming van activiteiten die uit hoofde van Horizon 2020 worden gefinancierd en activiteiten die uit hoofde van andere EU-financieringsprogramma's worden ondersteund, zoals die van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het gemeenschappelijk visserijbeleid, Life+ en Erasmus For All: het EU-programma voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport of het programma Gezondheid voor groei en de externe programma's en programma's voor de financiering van ontwikkeling van de Unie. Hieronder valt ook een adequate koppeling met het Cohesiebeleid in het kader van de nationale en regionale O& I-strategieën voor slimme specialisatie, wanneer steun voor capaciteitsopbouw ten behoeve van onderzoek en innovatie op regionaal niveau kan fungeren als een "trap naar topkwaliteit", de oprichting van regionale kenniscentra de innovatiekloof binnen Europa kan helpen dichten, of steun voor grootschalige demonstratie- en proefprojecten de doelstelling van het creëren van industrieel leiderschap in Europa kan helpen realiseren.

A.  Sociale en geesteswetenschappen

Onderzoek in de sociale en geesteswetenschappen wordt volledig geïntegreerd in alle algemene doelstellingen van Horizon 2020. Dat betekent onder meer dat er ruime mogelijkheden zullen zijn voor het ondersteunen van dergelijk onderzoek via de Europese Onderzoeksraad, de Marie Skłodowska-Curie-acties of uit hoofde van de specifieke doelstelling "Onderzoeksinfrastructuur".

Daartoe zullen ook onderzoek in de sociale en geesteswetenschappen geïntegreerd worden als essentieel onderdeel van de activiteiten die nodig zijn voor het versterken van het industrieel leiderschap en het aanpakken van de maatschappelijke uitdagingen. Daarbij gaat het in laatstgenoemde geval onder meer om: activiteiten voor het vergroten van het inzicht in gezondheidsbepalende factoren en het optimaliseren van gezondheidszorgsystemen, het ondersteunen van beleid gericht op de "empowerment" van plattelandsgebieden, het onderzoeken en in stand houden van het culturele erfgoed en de cultuurrijkdom van Europa, het in staat stellen van consumenten om een geïnformeerde keuze te maken, het tot stand brengen van een inclusief digitaal ecosysteem op basis van kennis en informatie, het ondersteunen van de besluitvorming over energiezaken en het creëren van een gebruikersvriendelijk Europees elektriciteitsnet en een overgang naar een duurzaam energiesysteem, het ondersteunen van een vervoerbeleid dat op feiten en prognoses is gebaseerd, alsook activiteiten voor de beperking van en aanpassing aan klimaatverandering, voor een efficiënt gebruik van hulpbronnen en voor een groene en duurzame economie en culturele en sociaal-economische aspecten van beveiligings-, risico- en beheersaangelegenheden (zoals juridische en mensenrechtenaspecten).

Daarnaast wordt uit hoofde van de specifieke doelstelling "Europa in een veranderende wereld: Inclusieve, innovatieve en reflexieve samenlevingen" steun verleend aan onderzoek in de sociale en geesteswetenschappen naar horizontale vraagstukken, zoals intelligente en duurzame groei, sociale, culturele en gedragsmatige transformaties in Europese samenlevingen, sociale innovatie, innovatie in de publieke sector en de positie van Europa als mondiale speler.

B.  Wetenschap en samenleving

De relatie en de interactie tussen wetenschap en samenleving alsmede de bevordering van verantwoorde activiteiten op het gebied van onderzoek, innovatie, wetenschapsonderwijs, wetenschapsverspreiding en cultuur worden uitgediept en het vertrouwen van het publiek in de wetenschap en innovatie wordt versterkt door acties in het kader van Horizon 2020 die een geïnformeerd engagement van en een dialoog met burgers en van de civiele samenleving in aangelegenheden op het gebied van onderzoek en innovatie stimuleren.

C.  Gender

De bevordering van gendergelijkheid in wetenschap en innovatie acht de EU absoluut noodzakelijk. De genderproblematiek zal in Horizon 2020 worden benaderd als een horizontaal vraagstuk teneinde onevenwichtige situaties tussen mannen en vrouwen te verhelpen, en de genderdimensie in de programmering en de inhoud van onderzoek en innovatie te integreren.

D.  Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's)

Horizon 2020 stimuleert en ondersteunt op een geïntegreerde wijze voor alle specifieke doelstellingen de grotere participatie van kmo's.

In aansluiting op het creëren van betere voorwaarden voor de deelname van kmo's aan Horizon 2020 overeenkomstig artikel 18 van Horizon 2020, worden de specifieke maatregelen die voor de specifieke doelstelling "Innovatie in kmo's" (specifiek kmo-instrument) zijn geformuleerd, toegepast voor de specifieke doelstelling "Leiderschap in ontsluitende en industriële technologieën" en voor deel III "Maatschappelijke uitdagingen". Deze geïntegreerde aanpak zou ertoe moeten leiden dat minstens 20 % van de totale gecombineerde begroting voor deze onderdelen naar kmo's gaat.

Er wordt in het bijzonder op gelet dat kmo's toereikend vertegenwoordigd zijn in publiek-private partnerschappen.

D bis. Sneltraject voor innovatie (FTI)

Met het Sneltraject voor innovatie wordt de tijd van idee tot markt aanzienlijk ingekort en er wordt verwacht dat de deelname van de industrie en eerste aanvragers aan Horizon 2020 erdoor zullen worden verhoogd.

Het Sneltraject voor innovatie ondersteunt overeenkomstig artikel 18 bis van de kaderverordening Horizon 2020 marktgerichte acties krachtens de specifieke doelstelling "Leiderschap op het gebied van ontsluitende en industriële technologieën" en de maatschappelijke uitdagingen, met een op een bottom-upbenadering berustende logica die is gebaseerd op een permanent open uitnodiging tot het indienen van voorstellen en een termijn tot de subsidieverlening van maximaal zes maanden. Het Sneltraject voor innovatie zal een bijdrage leveren aan de innovatie in Europa, die de basis vormt van het concurrentievermogen van de Unie.

E.  Bredere participatie

Wat het onderzoeks- en innovatiepotentieel betreft, zijn de EU-lidstaten de afgelopen tijd weliswaar enigszins naar elkaar toegegroeid, maar de verschillen blijven erg groot en er gaapt een diepe kloof tussen "innovatieleiders" en "bescheiden innovatoren". De activiteiten worden erop gericht de kloof in Europa op het gebied van onderzoek en innovatie te helpen dichten door synergie met de Europese structuur- en investeringsfondsen te bevorderen en verder door middel van specifieke maatregelen om excellentie in regio's met een achterstand op het gebied van OOI te ontsluiten en aldus de participatie in het kader van Horizon 2020 te verruimen en bij te dragen tot de totstandbrenging van een Europese Onderzoeksruimte.

F.  Internationale samenwerking

Veel specifieke doelstellingen die in Horizon 2020 worden beschreven, kunnen zonder samenwerking met partners in derde landen niet effectief ter hand worden genomen. Dat geldt met name voor doelstellingen die betrekking hebben op het buitenlands beleid en het ontwikkelingsbeleid en de internationale verbintenissen van de Unie. Dit is het geval voor alle maatschappelijke uitdagingen in het kader van Horizon 2020 die een gemeenschappelijk karakter hebben. Internationale samenwerking is ook essentieel voor grensverleggend en basisonderzoek, om gebruik te kunnen maken van de voordelen van nieuwe wetenschappelijke en technologische mogelijkheden. Het bevorderen van de internationale mobiliteit van onderzoeks- en innovatiepersoneel is daarom van cruciaal belang voor het versterken van deze mondiale samenwerking. Ook voor het concurrentievermogen van de Europese industrie zijn internationale activiteiten belangrijk, omdat daarmee de penetratie van en handel in nieuwe technologieën wordt bevorderd, bijvoorbeeld door de ontwikkeling van mondiale normen en richtsnoeren voor interoperabiliteit, en door het bevorderen van de acceptatie en aanwending van Europese oplossingen buiten Europa. Alle internationale activiteiten moeten worden gesteund door een doeltreffende en eerlijke kennisoverdracht zonder welke innovatie en groei niet mogelijk zijn.

Het zwaartepunt van internationale samenwerking ligt bij Horizon 2020 op samenwerking met de volgende groepen van landen:

(1)  geïndustrialiseerde en opkomende economieën;

(2)  kandidaat-lidstaten en nabuurschapslanden; en

(3)  ontwikkelingslanden.

Waar nodig zal Horizon 2020 samenwerking op biregionaal of multilateraal niveau ondersteunen. Internationale samenwerking bij onderzoek en innovatie is een sleutelonderdeel van de mondiale verbintenissen van de EU en zal een belangrijke rol spelen bij het partnerschap van de Unie met ontwikkelingslanden, bijvoorbeeld voor het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling.

Artikel 21 van Horizon 2020 omschrijft de algemene beginselen voor de deelname van organisaties uit derde landen en internationale organisaties. Aangezien onderzoek en innovatie in de regel veel baat hebben bij openheid ten aanzien van derde landen, zal ook voor Horizon 2020 het beginsel van algemene openheid gelden, en worden derde landen aangemoedigd om op hun beurt hun programma's open te stellen voor deelnemers uit de EU. Waar passend, en met name ter bescherming van de Europese belangen op het gebied van de intellectuele eigendom, kan voor een voorzichtiger aanpak worden gekozen.

Daarnaast wordt een scala aan gerichte acties uitgevoerd waarbij ten aanzien van internationale samenwerking een strategische aanpak op basis van gemeenschappelijke belangen en prioriteiten en wederzijds voordeel wordt gehanteerd en coördinatie en synergie met activiteiten van lidstaten wordt bevorderd. Hiervoor is onder meer voorzien in een mechanisme voor het ondersteunen van gezamenlijke oproepen en in de mogelijkheid om programma's samen met derde landen of internationale organisaties te cofinancieren. Er zal worden gestreefd naar synergie met andere beleidsmaatregelen van de Unie.

Het Strategisch forum voor internationale wetenschappelijke en technologische samenwerking (SFIC) zal ook in de toekomst om advies worden gevraagd.

Voorbeelden van terreinen waarop een dergelijke strategische internationale samenwerking kan worden ontwikkeld, zonder dat andere gelegenheden voor samenwerking worden veronachtzaamd, zijn:

(a)  voortzetting van het Partnerschap voor klinische proeven tussen Europese en ontwikkelingslanden (EDCTP2), betreffende klinische proeven voor medische ingrepen tegen hiv, malaria, tuberculose en verwaarloosde ziekten;

(b)  jaarlijkse inschrijving in het Human Frontier Science Programme (HSFP) (Programma Menselijke Grenzen), zodat ook EU-lidstaten die geen lid van de G7 zijn, volledig kunnen profiteren van de financiële middelen die uit hoofde van dit programma worden verstrekt;

(c)  oprichting van een internationaal consortium voor onderzoek naar zeldzame ziekten, met een aantal lidstaten en derde landen. Doel van dit initiatief is om vóór 2020 diagnostische tests en tweehonderd nieuwe therapieën voor zeldzame ziekten te ontwikkelen;

(d)  ondersteuning van het International Knowledge-Based Bio-Economy Forum (internationaal forum voor kennisgebaseerde bio-economie) en de Task Force EU-VS voor biotechnologisch onderzoek, alsook van samenwerkingsverbanden met relevante internationale organisaties en initiatieven (zoals mondiale allianties voor onderzoek naar broeikasgassen afkomstig uit de landbouw en de gezondheid van dieren);

(e)  bijdragen aan multilaterale processen en initiatieven, zoals het Intergouvernementeel Panel over klimaatverandering (IPCC), het Intergouvernementeel Platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES) en de Groep voor aardobservaties (GEO);

(f)  de ruimtedialogen tussen de EU en de Verenigde Staten en Rusland, de twee belangrijkste ruimtevaartlanden, zijn bijzonder belangrijk en vormen de basis voor strategische samenwerking in het kader van ruimtevaartpartnerschappen;

(g)  de uitvoeringsovereenkomst voor de samenwerkingsactiviteiten tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika op het gebied van Binnenlandse Veiligheid/Civiele Veiligheid/Onderzoek, getekend op 18 november 2010;

(h)  samenwerking met ontwikkelingslanden, met name uit Afrika bezuiden de Sahara, op het gebied van decentrale productie van energie ten bate van armoedebestrijding;

(i)  voortzetting van de onderzoekssamenwerking met Brazilië op het gebied van biobrandstoffen van de nieuwe generatie en andere toepassingen van biomassa.

Daarnaast zullen specifieke horizontale acties worden ondersteund met het oog op de coherente en doeltreffende ontwikkeling van de internationale samenwerking in het kader van Horizon 2020.

G.  Duurzame ontwikkeling en klimaatverandering

Horizon 2020 zal acties aanmoedigen en steunen die gericht zijn op het benutten van de leidende positie van Europa in de wedren naar nieuwe processen en technologieën ter bevordering van duurzame ontwikkeling in algemene zin en ter bestrijding van klimaatverandering. Deze horizontale aanpak, die volledig in alle prioriteiten van Horizon 2020 is geïntegreerd, zal de EU helpen gedijen in een koolstofarme wereld met schaarse hulpbronnen, en tegelijkertijd een hulpbronnenefficiënte, duurzame en competitieve economie doen ontstaan.

H.  Het slaan van een brug tussen uitvinding en markttoepassing

Verbindingsacties in Horizon 2020 beogen een brug te slaan van ontdekking naar commerciële toepassing, hetgeen in voorkomend geval tot exploitatie en het in de handel brengen van ideeën leidt. De acties dienen te stoelen op een ruim innovatieconcept en moeten sectoroverschrijdende innovatie in de hand werken.

I Sectoroverschrijdende steunmaatregelen

De sectoroverschrijdende kwesties worden ondersteund door een reeks horizontale steunmaatregelen, waaronder steun voor: het aantrekkelijker maken van het beroep van onderzoeker, met inbegrip van de algemene beginselen van het Europees Handvest voor onderzoekers, het verstevigen van de wetenschappelijke basis en het ontwikkelen en ondersteunen van de EOR (inclusief de vijf EOR-initiatieven) en de Innovatie-Unie, het erkennen van de best presterende Horizon 2020-begunstigden en ‑projecten in de verschillende gebieden door middel van symbolische prijzen, het verbeteren van de randvoorwaarden ter ondersteuning van de Innovatie-Unie, inclusief de beginselen van de Aanbeveling van de Commissie betreffende het beheer van intellectuele eigendom(15) en het verkennen van de mogelijkheden voor de instelling van een Europees instrument voor intellectuele-eigendomsrechten, alsmede het beheren en coördineren van internationale netwerken voor excellente onderzoekers en innovatoren (zoals COST).

3.  PARTNERSCHAPPEN

Voor het bereiken van duurzame groei in Europa moet de bijdrage van publieke en private spelers worden geoptimaliseerd. Dit is van wezenlijk belang voor het consolideren van de Europese onderzoeksruimte en het slagen van de Innovatie-Unie, de Digitale Agenda en andere vlaggenschipinitiatieven die in het kader van Europa 2020 zijn gestart. Verder vraagt verantwoord onderzoek en innovatie om een aanpak waarbij gebruik wordt gemaakt van de interactie tussen partners die opereren vanuit verschillende gezichtspunten maar met een gemeenschappelijk belang, voor het vinden van de beste oplossingen.

Horizon 2020 voorziet in het opzetten van publiek-publieke en publiek-private partnerschappen en bevat hier een duidelijke reeks criteria voor. Publiek-private partnerschappen kunnen op een contractuele overeenkomst tussen publieke en private actoren zijn gebaseerd. In een beperkt aantal gevallen kunnen dergelijke partnerschappen geïnstitutionaliseerd zijn (zoals gezamenlijke technologie-initiatieven en andere gemeenschappelijke ondernemingen).

Bestaande publiek-publieke en publiek-private partnerschappen kunnen uit hoofde van Horizon 2020 verder worden ondersteund, op voorwaarde dat zij de doelstellingen van Horizon 2020 onderschrijven, bijdragen tot de verwezenlijking van de EOR, voldoen aan de daarin omschreven criteria en aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt met de doelstellingen van het zevende kaderprogramma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (KP7).

Initiatieven op grond van artikel 185 VWEU die in het kader van het zesde en/of zevende kaderprogramma zijn ondersteund en op bovenstaande voorwaarden in aanmerking komen voor verdere steun, zijn onder meer: het Partnerschap voor klinische proeven tussen Europese en ontwikkelingslanden (EDCTP), het programma Ambient Assisted Living (AAL), het onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma voor de Oostzee (BONUS), Eurostars en het Europees programma voor metrologisch onderzoek. Ook de steun voor de Europese alliantie voor energieonderzoek (EERA), die onder het Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan) is opgericht, kan eventueel worden voortgezet. Initiatieven voor gezamenlijke programmering kunnen door Horizon 2020 worden ondersteund via de in artikel 20 van [de kaderverordening] bedoelde instrumenten, zoals via de initiatieven in de zin van artikel 185 van het Verdrag.

Gezamenlijke initiatieven die op grond van artikel 187 VWEU in het kader van het zevende kaderprogramma zijn ondersteund en op bovenstaande voorwaarden in aanmerking komen voor verdere steun, zijn: het initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen (IMI), het technologie-initiatief Clean Sky, het ATM-onderzoek voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim (SESAR), de gemeenschappelijke onderneming brandstofcellen en waterstof, het initiatief inzake ingebedde computersystemen (Artemis) en het Europees technologieplatform voor nano-elektronica (Eniac). De laatste twee kunnen eventueel tot een enkel initiatief worden gecombineerd.

Andere publiek-private partnerschappen die uit hoofde van het zevende kaderprogramma zijn ondersteund en op bovenstaande voorwaarden in aanmerking komen voor verdere steun, zijn: "Fabrieken van de toekomst", "Energiezuinige gebouwen", "Europese groene auto's" en "Future Internet". Ook de steun voor de Europese industriële initiatieven die onder het SET-plan zijn gestart, kan eventueel worden voortgezet.

Voor zover zij voldoen aan de criteria, kunnen onder Horizon 2020 nieuwe publiek-publieke en publiek-private partnerschappen worden aangegaan. ▌

DEEL I

Wetenschap op topniveau

1.  EUROPESE ONDERZOEKSRAAD

De Europese Onderzoeksraad (ERC) bevordert grensverleggend onderzoek van wereldklasse. Onderzoek op en over de grenzen van de huidige kennis is zowel van essentieel belang voor de sociale en economische welvaart als een intrinsiek riskante onderneming, waarbij vooruitgang wordt geboekt op nieuwe en uitdagende onderzoeksgebieden en waarbij er geen grenzen bestaan tussen de verschillende disciplines.

Om substantiële vooruitgang te kunnen boeken aan de huidige kennisgrenzen, ondersteunt de ERC afzonderlijke teams voor onderzoek op alle gebieden van het fundamenteel wetenschappelijk en technologisch onderzoek die binnen het bereik van Horizon 2020 vallen, waaronder technische wetenschappen, sociale wetenschappen en geesteswetenschappen. Zo nodig kan, in overeenstemming met de doelstellingen van de ERC en de behoefte aan een efficiënte uitvoering ervan, rekening worden gehouden met specifieke ▌doelgroepen (bv. beginnende onderzoekers ▌/opkomende teams). Hierbij wordt bijzondere aandacht geschonken aan nieuwe snelgroeiende gebieden aan de grens van de kennis en op het raakvlak tussen verschillende disciplines.

Uit alle landen van de wereld afkomstige onafhankelijke onderzoekers van alle leeftijden, zowel mannen als vrouwen, met inbegrip van beginnende onderzoekers die de overgang maken naar onafhankelijk onderzoekerschap, zullen worden gesteund opdat zij hun onderzoeksprojecten in Europa kunnen uitvoeren.

De ERC geeft met name prioriteit aan het ondersteunen van beginnende toponderzoekers met uitstekende ideeën zodat deze op den duur onafhankelijk onderzoek kunnen verrichten. Dit gebeurt door hen van adequate bijstand te voorzien in de cruciale fase waarin zij hun eigen onderzoeksteam of onderzoeksprogramma trachten op te zetten of te consolideren. Ook gevestigde onderzoekers zullen van de ERC een passende mate van steun blijven ontvangen.

De projecten worden door onderzoekers aangestuurd. Dit betekent dat de ERC, binnen het bestek van de oproep tot het indienen van voorstellen, projecten zal ondersteunen die door onderzoekers worden geselecteerd en uitgevoerd. Voorstellen worden uitsluitend door vakgenoten geëvalueerd aan de hand van het criterium excellentie, rekening houdend met de excellentie van nieuwe teams, beginnende onderzoekers ▌, alsook gevestigde teams; daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan voorstellen die een belangrijke pioniersfunctie vervullen en derhalve aanzienlijke wetenschappelijke risico’s inhouden.

De ERC fungeert als autonoom financieringsorgaan dat door de wetenschap zelf in de vorm van een onafhankelijke Wetenschappelijke Raad wordt beheerd, die wordt ondersteund door een sobere en kosteneffectieve specifieke uitvoeringsstructuur.

De Wetenschappelijke Raad stelt de algemene wetenschappelijke strategie vast en is ten volle bevoegd voor het nemen van besluiten over het type te financieren onderzoek.

Om aan de doelstellingen van de ERC te voldoen, stelt de Wetenschappelijke Raad op basis van haar wetenschappelijke strategie een werkprogramma vast (zie hieronder). In lijn met deze strategie roept hij de nodige internationale samenwerkingsinitiatieven in het leven, met inbegrip van voorlichtingsinitiatieven die erop zijn gericht de zichtbaarheid van de ERC voor onderzoekers uit de rest van de wereld te verhogen.

De Wetenschappelijke Raad ziet voortdurend toe op de werkzaamheden van de ERC en zijn evaluatieprocedures en zal blijven zoeken naar de beste manier om haar bredere doelstellingen te verwezenlijken. De Raad zal ook het pakket ondersteunende maatregelen van de ERC blijven ontwikkelen om aan nieuwe behoeften te kunnen beantwoorden.

De ERC streeft naar uitmuntendheid in zijn eigen functioneren. De administratieve en personeelskosten die voor de ERC ontstaan in verband met de Wetenschappelijke Raad en de bijbehorende specifieke uitvoeringsstructuur, dienen consistent te zijn met een sober en kosteneffectief beheer. De administratieve uitgaven worden tot een minimum beperkt, met dien verstande dat de middelen worden verschaft die nodig zijn voor een uitvoering van wereldklasse, teneinde grensverleggend onderzoek maximaal te financieren.

ERC-subsidies worden toegekend en beheerd volgens eenvoudige, transparante procedures waarmee de nadruk blijft liggen op topkwaliteit, initiatief wordt gestimuleerd en flexibiliteit wordt gepaard aan verantwoordingsplicht. Om te verzekeren dat aan deze beginselen wordt voldaan, blijft de ERC voortdurend zoeken naar nieuwe manieren om zijn procedures te vereenvoudigen en verbeteren.

Gezien de unieke structuur en rol van de ERC als een vanuit de wetenschap gestuurde financieringsinstantie worden de uitvoering en het beheer van de activiteiten van de ERC voortdurend, met de volledige medewerking van de Wetenschappelijke Raad, getoetst en geëvalueerd om de prestaties te beoordelen en de procedures op basis van de ervaringen aan te passen en te verbeteren.

1.1.  De Wetenschappelijke Raad

Ter uitvoering van zijn taken, als uiteengezet in artikel 7, draagt de Wetenschappelijke Raad zorg voor:

(1)  wetenschappelijke strategie:

–  opstelling van de algemene wetenschappelijke strategie voor de ERC in het licht van wetenschappelijke kansen en de Europese wetenschappelijke behoeften;

–  het op permanente basis, in overeenstemming met de wetenschappelijke strategie, zorgen voor de opstelling van het werkprogramma en de nodige wijzigingen, inclusief oproepen tot het indienen van voorstellen en criteria en, zo nodig, de vaststelling van specifieke ▌doelgroepen (bv. beginnende/opkomende teams);

(2)  wetenschappelijk beheer, monitoring en kwaliteitscontrole:

–  het in voorkomend geval, vanuit wetenschappelijk oogpunt, bepalen van standpunten inzake uitvoering en beheer van oproepen tot het indienen van voorstellen, evaluatiecriteria, peer-reviewprocessen, met inbegrip van de selectie van deskundigen, de methoden voor peer review en beoordeling van de voorstellen en de benodigde regels en richtsnoeren, op basis waarvan, onder toezicht van de Wetenschappelijke Raad, het te financieren voorstel zal worden bepaald, alsook alle andere aangelegenheden die van invloed zijn op de resultaten en de impact van de activiteiten van de ERC, en de kwaliteit van het uitgevoerde onderzoek, met inbegrip van de belangrijkste bepalingen van de modelsubsidieovereenkomst van de ERC;

–  monitoring van de kwaliteit van de activiteiten en evaluatie van de uitvoering en de resultaten en aanbevelingen voor corrigerende of toekomstige acties.

(3)  communicatie en verspreiding:

–  zorgen voor transparante communicatie met de wetenschappelijke wereld, belangrijkste belanghebbenden en het grote publiek over de activiteiten van de ERC en de door de ERC behaalde resultaten;

–  regelmatige rapportage aan de Commissie over zijn activiteiten.

De Wetenschappelijke Raad is volledig bevoegd voor besluiten betreffende het type onderzoek dat moet worden gefinancierd en staat garant voor de kwaliteit van de activiteit vanuit wetenschappelijk oogpunt.

Voor zover nodig, overlegt de Wetenschappelijke Raad met de gemeenschap van wetenschappers, ingenieurs, en geleerden, met regionale en nationale instanties voor onderzoeksfinanciering en met andere belanghebbenden.

De leden van de Wetenschappelijke Raad worden vergoed voor de taken die zij verrichten door middel van een honorarium en, in voorkomend geval, de vergoeding van hun reis- en verblijfkosten.

De ERC-voorzitter woont gedurende de aanstelling in Brussel en besteedt het grootste deel van zijn/haar tijd(16) aan de ERC. Hij/zij ontvangt een beloning die overeenkomt met die van het topmanagement van de Commissie.

De Wetenschappelijke Raad kiest uit zijn leden drie vicevoorzitters, die de voorzitter bijstaan in zijn vertegenwoordiging en de organisatie van zijn werkzaamheden. Zij mogen ook de titel vicevoorzitter van de Europese Onderzoeksraad voeren.

Aan de drie vicevoorzitters wordt de nodige steun verleend om hen van passende administratieve bijstand te voorzien in hun thuisinstellingen.

1.2.  Specifieke uitvoeringsstructuur

Via de specifieke uitvoeringsstructuur worden alle aspecten geregeld in verband met het administratief beheer en de programma-uitvoering zoals aangegeven in het jaarlijkse werkprogramma. Deze structuur geeft met name uitvoering aan de evaluatieprocedures, de peer review en het selectieproces in overeenstemming met de door de Wetenschappelijke Raad vastgestelde strategie, en draagt zorg voor het financiële en wetenschappelijke beheer van de subsidies.

De specifieke uitvoeringsstructuur ondersteunt de Wetenschappelijke Raad bij de uitvoering van al zijn hierboven beschreven taken, geeft toegang tot de nodige documenten en gegevens waarover zij beschikt en houdt de Wetenschappelijke Raad op de hoogte van haar activiteiten.

Om te waarborgen dat met de specifieke uitvoeringsstructuur doeltreffende contacten worden onderhouden over strategische en operationele kwesties, komen de leiding van de Wetenschappelijke Raad en de directeur van de specifieke uitvoeringsstructuur regelmatig voor coördinatiebesprekingen bijeen.

Het bestuur van de ERC berust bij personeel dat daartoe ofwel wordt aangeworven of, indien nodig, wordt gedetacheerd vanuit EU-instellingen. Het zal alleen de werkelijke administratieve behoeften dekken die nodig zijn om de voor een effectief beheer vereiste stabiliteit en continuïteit te waarborgen.

1.3.  Rol van de Commissie

In overeenstemming met haar in de artikelen 6, 7 en 8 bedoelde verantwoordelijkheden draagt de Commissie zorg voor:

–  het verzekeren van de continuïteit en vernieuwing van de Wetenschappelijke Raad en ondersteuning van een permanent aanwijzingscomité dat toekomstige leden van de Wetenschappelijke Raad voordraagt;

–  de continuïteit van de specifieke uitvoeringsstructuur alsmede de delegatie van taken en verantwoordelijkheden eraan, rekening houdend met de standpunten van de Wetenschappelijke Raad;

–  de benoeming van de directeur en het leidinggevend personeel van de specifieke uitvoeringsstructuur, rekening houdend met de standpunten van de Wetenschappelijke Raad;

–  de tijdige vaststelling van het werkprogramma, de standpunten betreffende de uitvoeringsmethodologie en de nodige uitvoeringsvoorschriften die worden opgenomen in de regels voor het indienen van voorstellen en de modelsubsidieovereenkomst van de ERC, rekening houdend met de standpunten van de Wetenschappelijke Raad;

–  het regelmatig informeren en raadplegen van het programmacomité over de uitvoering van het programma.

2.  TECHNOLOGIEËN VAN DE TOEKOMST EN OPKOMENDE TECHNOLOGIEËN

Activiteiten op het gebied van technologieën van de toekomst en opkomende technologieën (FET) zijn erop gericht verschillende beleidsstrategieën te concretiseren, uiteenlopend van een heel open regeling tot regelingen met min of meer duidelijk omlijnde onderwerpen, gemeenschappen en financieringsmogelijkheden, die zijn opgebouwd rond drie pijlers: open FET-regeling, proactieve FET-regeling en FET-vlaggenschipinitiatieven.

2.1.  Open FET-regeling: stimuleren van nieuwe ideeën

Voor het succesvol verkennen van nieuwe fundamenten voor radicaal nieuwe toekomstige wetenschappelijke kennis en technologieën, is het noodzakelijk dat er een groot aantal hoogrisico-onderzoeksprojecten wordt ondersteund die nog in een vroeg stadium verkeren, die in wetenschappelijk en technologisch opzicht visionair zijn en waarin door meerdere partijen wordt samengewerkt. Doordat dergelijke projecten niet aan bepaalde onderwerpen of inhoudelijke voorschriften zijn gebonden, geven zij over thematische en disciplinaire grenzen heen ruimte voor het ontstaan of aandragen van nieuwe ideeën in alle stadia van uitvoering en uit alle denkbare contexten en bevorderen zij actief het creatief denken buiten de bestaande denkkaders. Om de ontwikkeling van dergelijke fragiele ideeën te kunnen bevorderen is een flexibele, risicovriendelijke en zeer interdisciplinaire onderzoeksbenadering vereist die verder reikt dan technologische onderzoeksgebieden in engere zin. Om de wetenschappelijke en industriële elite van de toekomst te vormen, is het daarnaast belangrijk om nieuwe actoren met groot potentieel op het gebied van onderzoek en innovatie, zoals jonge onderzoekers en kleine en middelgrote hightech-ondernemingen, aan te trekken en hun deelname aan dergelijke projecten te stimuleren.

2.2.  Proactieve FET-regeling: bevordering van opkomende onderzoeksgebieden en ‑gemeenschappen

Nieuwe onderzoeksgebieden en ‑thema's moeten verder worden ontwikkeld door de organisatie van opkomende onderzoeksgemeenschappen in de hand te werken en de uitstippeling en ontwikkeling van transformatieve onderzoeksthema's te ondersteunen. Deze structurerende, maar tegelijk exploratieve aanpak heeft het belangrijke voordeel dat zich nieuwe onderzoeksgebieden kunnen uitkristalliseren die nog niet ver genoeg ontwikkeld zijn om in onderzoeksplanning van de industrie te kunnen worden geïntegreerd en dat onderzoeksgemeenschappen rond het in dat kader uitgevoerde onderzoek kunnen worden opgebouwd en vaste vorm kunnen aannemen. Hierdoor kan de overgang worden gemaakt van een kleine groep onderzoekers naar een cluster van projecten die op specifieke aspecten van een onderzoeksthema zijn gericht en onderling resultaten uitwisselen. Dit zal in nauwe samenwerking met de thema's in het kader van de maatschappelijke uitdagingen en industrieel leiderschap verlopen.

2.3.  FET-vlaggenschipinitiatieven: grote interdisciplinaire wetenschappelijke en technologische uitdagingen aangaan

De vlaggenschipinitiatieven worden door de wetenschap en de technologie aangestuurd, zijn grootschalig en multidisciplinair van aard en opgebouwd rond één overkoepelend visionair doel. Ze zijn erop gericht grote interdisciplinaire wetenschappelijke en technologische uitdagingen aan te pakken die samenwerking over de grenzen van disciplines, onderzoeksgemeenschappen en ‑programma's heen vereisen. De in het kader van deze initiatieven geboekte wetenschappelijke en technologische vooruitgang moet een sterke en brede basis voor toekomstige innovatie en economische toepassingen opleveren en van groot potentieel maatschappelijk nut zijn. Op grond van hun overkoepelende karakter en hun orde van grootte kunnen deze initiatieven alleen met vereende krachten en lang volgehouden inspanningen ▌worden verwezenlijkt.

De activiteiten van de drie FET-pijlers worden aangevuld met activiteiten gericht op de vorming van onderzoeksnetwerken en ‑gemeenschappen, teneinde een vruchtbare en krachtige Europese voedingsbodem te creëren voor door de wetenschap aangestuurd onderzoek met het oog op technologieën van de toekomst. Met deze activiteiten wordt beoogd de toekomstige ontwikkeling van FET-onderzoek te bevorderen, het debat over de gevolgen van nieuwe technologieën aan te zwengelen en de impact ervan te versnellen.

2.4.  Specifieke uitvoeringsaspecten

Via een FET-adviesraad, waarin onder meer wetenschappers en ingenieurs met een zeer goede reputatie zetelen, kunnen de belanghebbenden de nodige input leveren bij de vaststelling van de algemene wetenschappelijke en technologische strategie, onder meer advies bij de uitstippeling van het werkprogramma.

De FET-activiteiten zullen ook in de toekomst door de wetenschap en de technologie worden aangestuurd en worden ondersteund door een slanke en doeltreffende uitvoeringsstructuur Er zullen eenvoudige administratieve procedures worden vastgesteld die waarborgen dat uitmuntendheid in door de wetenschap aangestuurde technologische innovatie het oogmerk blijft vormen, het nemen van initiatief wordt aangemoedigd, en snelle besluitvorming en flexibiliteit hand in hand gaan met verantwoording. Voor het verkennen van het FET-landschap (bijv. ▌analyse van onderzoeksportefeuilles) en voor het betrekken van de belanghebbenden bij de activiteiten (bijv. ▌raadplegingen) zullen de meest geschikte benaderingen worden gebruikt. Het doel is om voor verdere verbetering te zorgen en te blijven zoeken naar verdere mogelijkheden om de procedures te vereenvoudigen en te verbeteren om te waarborgen dat deze beginselen worden nageleefd. Aanvullend op de evaluaties op programmaniveau zullen evaluaties worden verricht van de effectiviteit en de impact van de FET-activiteiten.

Gezien het feit dat de FET-activiteiten gericht zijn op de bevordering van door de wetenschap aangestuurd onderzoek met het oog op technologieën van de toekomst, wordt er in het kader ervan naar gestreefd actoren, onder meer waar passend gebruikers, uit de gebieden wetenschap, technologie en innovatie, bijeen te brengen, en waar mogelijk zowel uit de overheids- als uit de particuliere sector. Deze activiteiten moeten daarom als katalysator een actieve bijdrage leveren aan de bevordering van nieuwe ideeën, praktijken en samenwerkingsverbanden.

In het kader van de open FET-regeling worden activiteiten gesteund die zijn gericht op het vinden van fundamenteel nieuwe, veelbelovende ideeën vanuit de basis. Het grote risico dat aan de bevordering van dergelijke ideeën verbonden is, wordt gecompenseerd doordat een groot aantal ideeën wordt verkend. Efficiency qua benodigde tijd en middelen, lage opportuniteitskosten voor de indieners van voorstellen en onmiskenbare openheid voor onconventionele en interdisciplinaire ideeën zijn de belangrijkste eigenschappen waaraan deze activiteiten moeten voldoen. Voor veelbelovende nieuwe onderzoeksideeën met een hoog risico worden eenvoudige, snelle en niet aan bepaalde termijnen gebonden procedures voor het indienen van voorstellen ingediend die ook mogelijkheden bieden voor nieuwe innoverende actoren met groot potentieel, zoals jonge onderzoekers en hightech-kmo's. Als aanvulling van activiteiten in het kader van de open FET-regeling, kunnen activiteiten in het kader van de prioriteiten inzake Industrieel Leiderschap en Maatschappelijke Uitdagingen een radicaal nieuwe toepassing van kennis en technologieën bevorderen.

In het kader van de proactieve FET-regeling worden regelmatig oproepen gedaan tot het indienen van voorstellen met betrekking tot bepaalde innovatieve thema's met een hoog risico en groot potentieel. Het financieringsniveau van deze regeling maakt het mogelijk om meerdere projecten te selecteren. Deze projecten worden geflankeerd door acties met het oog op de vorming van onderzoeksgemeenschappen, zoals gezamenlijk georganiseerde evenementen, de ontwikkeling van nieuwe studierichtingen en onderzoekstrajecten. Bij de selectie van onderzoeksthema's wordt rekening gehouden met uitmuntendheid op het gebied van door de wetenschap aangestuurd onderzoek met het oog op technologieën van de toekomst, het potentieel om de nodige kritische massa tot stand te brengen en de verwachte impact op wetenschap en technologie.

Voorts kan een aantal grootschalige doelgerichte initiatieven (FET-vlaggenschipinitiatieven) worden uitgevoerd, mits voorbereidende FET-projecten een positief resultaat opleveren. Deze initiatieven moeten gebaseerd zijn op open partnerschappen in het kader waarvan op vrijwillige basis gecombineerde bijdragen door de EU, de lidstaten en de particuliere sector kunnen worden geleverd en waarbij wordt gezorgd voor een evenwichtig beheer dat de programmahouders voldoende invloed geeft en in een grote mate van autonomie en flexibiliteit bij de uitvoering voorziet, zodat elk vlaggenschipinitiatief een zorgvuldig uitgestippeld onderzoekstraject volgt dat brede steun geniet. Bij de selectie van in het kader van vlaggenschipinitiatieven te bestuderen onderwerpen zal wetenschappelijke en technologische excellentie als criterium worden gehanteerd en rekening worden gehouden met de overkoepelende doelstelling, de potentiële impact, de integratie van belanghebbenden en middelen in een samenhangend onderzoekstraject en, indien nodig, de door belanghebbenden en nationale of regionale onderzoeksprogramma's te verlenen steun. Deze activiteiten worden verricht met gebruikmaking van de bestaande financieringsinstrumenten.

3.   MARIE SKŁODOWSKA-CURIE-ACTIES

3.1.  Stimuleren van nieuwe vaardigheden door een excellente basisopleiding van onderzoekers

Europa heeft behoefte aan goed opgeleid en creatief personeel dat door grens- en sectoroverschrijdende mobiliteit is gekenmerkt en over de juiste combinatie van vaardigheden beschikt om innovatief te zijn en kennis en ideeën te kunnen omzetten in producten en diensten die zowel de economie als de samenleving ten goede komen.

In deze behoefte kan met name worden voorzien door de verbetering van de organisatie en de bevordering van uitmuntendheid in de hoogwaardige basisopleiding van beginnende onderzoekers en promovendi in alle lidstaten en geassocieerde landen, onder meer, indien nodig, met deelneming van derde landen. Door beginnende onderzoekers een grote verscheidenheid aan vaardigheden aan de hand te doen die hen in staat stellen om huidige en toekomstige uitdagingen aan te gaan, zal de volgende generatie onderzoekers zowel in de openbare als in de particuliere sector over betere carrièrevooruitzichten beschikken, waardoor zich jongeren ook meer aangetrokken zullen voelen tot een loopbaan als onderzoeker.

De actie wordt ten uitvoer gelegd in de vorm van steunverlening aan onderzoeksopleidingsprogramma's die zijn geselecteerd na een EU-breed vergelijkend onderzoek en worden uitgevoerd door partnerschappen van universiteiten, onderzoeksinstellingen, onderzoeksinfrastructuren, bedrijven, kleine en middelgrote ondernemingen en andere sociaal-economische actoren uit verschillende landen in Europa en daarbuiten. Ook afzonderlijke instellingen die in staat zijn eenzelfde verrijkende omgeving te bieden kunnen worden ondersteund. Om aan de verschillende behoeften tegemoet te kunnen komen is flexibiliteit bij de realisering van de doelstellingen vereist. Succesvolle partnerschappen zullen in de regel gericht zijn op netwerken van onderzoeksopleidingen waarbij innovatieve opleidingsvormen, zoals gecombineerde of meerdere doctoraten of ▌industrieel promotieonderzoek, kunnen worden aangeboden, terwijl afzonderlijke instellingen normaal gesproken innovatieve postdoctoraalprogramma's zullen bieden. Externe promotie in de industrie is een belangrijk middel om een innovatieve instelling bij onderzoekers te bevorderen en de banden tussen de industrie en de academische wereld aan te halen. In dit kader wordt steun verleend aan de beste beginnende onderzoekers uit alle landen om hen in staat te stellen deze excellente opleidingsprogramma's te volgen, die onder meer mentorschapregelingen kunnen omvatten om de overdracht van kennis en ervaringen te bevorderen.

In deze opleidingsprogramma's wordt aandacht besteed aan de ontwikkeling en verbreding van fundamentele onderzoeksvaardigheden, maar worden jonge onderzoekers ook geholpen een creatieve geest, een ondernemersperspectief en innovatiegerichte vaardigheden te ontwikkelen die aansluiten op de toekomstige behoeften op de arbeidsmarkt. In de programma's wordt ook gewerkt aan overdraagbare vaardigheden zoals het werken in teams, het nemen van risico's, projectmanagement, standaardisatie en normalisatie, ondernemerschap, ethiek, intellectuele eigendom, communicatie en maatschappelijke voorlichting, die van essentieel belang zijn voor het initiëren, uitontwikkelen, commercialiseren en verspreiden van innovaties.

3.2.  Topkwaliteit stimuleren door middel van grens- en sectoroverschrijdende mobiliteit

Europa moet aantrekkelijk zijn voor de beste onderzoekers, onafhankelijk van de vraag of ze van Europese of niet-Europese afkomst zijn. Dit wordt met name gerealiseerd door ervaren onderzoekers aantrekkelijke carrièrekansen te bieden in zowel de publieke als de particuliere sector, en hen aan te moedigen te switchen tussen landen, sectoren en disciplines om zo hun creatieve en innovatieve potentieel te vergroten.

Er zal financiële steun worden verleend aan de beste of meest veelbelovende ervaren onderzoekers, ongeacht hun nationaliteit, die aan hun vaardigheden willen werken door middel van transnationale of internationale mobiliteit. Zij kunnen in alle fasen van hun loopbaan worden ondersteund, met inbegrip van de fase vlak na het afronden van een promotie of het opdoen van vergelijkbare ervaring. Deze onderzoekers ontvangen financiële ondersteuning op voorwaarde dat zij van het ene naar het andere land verhuizen om hun verzameling vaardigheden in door henzelf gekozen universiteiten, onderzoeksinstellingen, onderzoeksinfrastructuren, bedrijven, kleine en middelgrote ondernemingen of andere sociaal-economische actoren (bijv. maatschappelijke organisaties), te verbreden en/of te verdiepen, door te werken aan onderzoeks- en innovatieprojecten die aansluiten bij hun persoonlijke behoeften en interesses. Door middel van de ondersteuning van detacheringen zal overstappen van de publieke naar de particuliere sector, of andersom, worden gestimuleerd. Dat moet het innoverende vermogen van de particuliere sector versterken en sectoroverschrijdende mobiliteit aanmoedigen. Ook worden deeltijdaanstellingen ondersteund waardoor onderzoekers tegelijk in de publieke en de particuliere sector werkzaam kunnen zijn, om de kennisoverdracht tussen de sectoren te verbeteren en om de opzet van nieuwe bedrijven te bevorderen. Dergelijke mogelijkheden op maat maken het veelbelovende onderzoekers gemakkelijker geheel onafhankelijk te worden en bevorderen overstappen tussen de publieke en de particuliere sector.

Om het bestaande onderzoekerspotentieel volledig te benutten, worden ook mogelijkheden ondersteund om opleidingen te volgen en nieuwe kennis te verwerven in een onderzoeksinstelling van hoog niveau in derde landen, om na een onderbreking weer een onderzoekscarrière op te pakken alsook om onderzoekers te (re)integreren, na een periode van transnationale/internationale mobiliteit, in een onderzoekspositie van lange duur in Europa, onder meer in hun land van herkomst.

3.3.  Innovatie stimuleren door middel van kruisbestuiving van kennis

Maatschappelijke uitdagingen worden steeds internationaler en samenwerking over lands- en sectorgrenzen heen is cruciaal bij het aanpakken ervan. Het delen van kennis en ideeën, van onderzoek tot aan marktintroductie (en vice versa), is daarom van cruciaal belang en is alleen mogelijk door contacten tussen mensen. Dit wordt bevorderd door de flexibele uitwisseling van hooggeschoold onderzoeks- en innovatiepersoneel tussen sectoren, landen en disciplines te ondersteunen.

Met Europese middelen worden ▌uitwisselingen ondersteund van onderzoeks- en innovatiepersoneel binnen partnerschappen van universiteiten, onderzoeksinstellingen, onderzoeksinfrastructuren, bedrijven, kleine en middelgrote ondernemingen en andere sociaal-economische actoren binnen Europa, maar ook tussen Europa en derde landen, ter versterking van de internationale samenwerking. Deze mogelijkheid staat open voor onderzoeks- en innovatiepersoneel van alle niveaus, van onderaan in de hiërarchie (postgraduate) tot helemaal bovenaan (management), met inbegrip van administratief en technisch personeel.

3.4.  Structurele impact vergroten door medefinanciering van activiteiten

Door het stimuleren van regionale, nationale en internationale programma's ter bevordering van uitmuntendheid en de verspreiding van beste praktijken in het kader van Marie Skłodowska-Curie-acties wat betreft Europa-brede mobiliteitsmogelijkheden voor onderzoekersopleidingen, loopbaanontwikkeling en personeelsuitwisseling zal de numerieke en structurele impact van Marie Skłodowska-Curie-acties worden vergroot. Hierdoor zal ook de aantrekkingskracht van centres of excellence in Europa worden verhoogd.

Dit wordt bereikt door medefinanciering van nieuwe en bestaande regionale, nationale, private en internationale programma's die internationale, intersectorale en interdisciplinaire onderzoeksopleidingen bieden en zich openstellen voor grens- en sectoroverschrijdende mobiliteit van onderzoeks- en innovatiepersoneel in alle loopbaanstadia.

Hierdoor kan worden geprofiteerd van synergie tussen EU-acties en acties op regionaal en nationaal niveau, en wordt de fragmentatie van doelen, evaluatiemethoden en arbeidsvoorwaarden van onderzoekers tegengegaan. In het kader van co-gefinancierde activiteiten wordt het gebruik van arbeidscontracten sterk bevorderd.

3.5.  Specifieke ondersteunings- en beleidsactiviteiten

Om de nodige efficiëntie te waarborgen, moet er op de voortgang worden toegezien. In het kader van het programma wordt de steun verleend voor de ontwikkeling van indicatoren en de analyse van gegevens met betrekking tot de mobiliteit, vaardigheden, loopbanen en gendergelijkheid van onderzoekers, teneinde eventuele lacunes en obstakels in de Marie Skłodowska-Curie-acties op te sporen en het effect van deze acties te vergroten. Bij de uitvoering van deze activiteiten wordt gestreefd naar synergie en nauwe coördinatie met de beleidsondersteunende acties betreffende onderzoekers, hun werkgevers en financiers die met het oog op "Europa in een veranderende wereld – Inclusieve, innovatieve en reflexieve samenlevingen" worden uitgevoerd. Bovendien worden specifieke acties gesteund ter bevordering van initiatieven gericht op het kweken van meer bewustzijn voor het belang van de onderzoeksloopbaan, met inbegrip van terugkeer- en re-integratieaspecten, en op de verspreiding van de resultaten van door Marie Skłodowska-Curie-acties gesteunde onderzoeks- en innovatieactiviteiten.

Om de impact van de Marie Skłodowska-Curie-acties nog verder te vergroten, worden de netwerken van Marie Skłodowska-Curie-onderzoekers (uit heden en verleden) versterkt via een strategie die gebruik maakt van de diensten van alumni. Deze diensten variëren van de ondersteuning van een communicatieforum voor de onderzoekers, waarmee mogelijkheden worden geboden voor het verkennen van mogelijke samenwerking en voor het vinden van banen, tot de organisatie van gezamenlijke evenementen en een rol voor de ontvangers van subsidies als voorlichters en ambassadeurs voor Marie Skłodowska-Curie-acties en de Europese onderzoeksruimte.

3.6.  Specifieke uitvoeringsaspecten

De Marie Skłodowska-Curie-acties staan open voor opleidings- en loopbaanontwikkelingsactiviteiten op alle onderzoeks- en innovatiegebieden die in het Verdrag worden genoemd, van fundamenteel onderzoek tot en met marktintroductie en innovatiediensten. De onderzoeks- en innovatiegebieden en ‑sectoren worden geheel door de zich aanmeldende partijen bepaald.

Teneinde van de wereldwijde kennisbasis te kunnen profiteren staan de Marie Skłodowska-Curie-acties, op de in Verordening (EU) nr. XX/2012 (deelnameregels) omschreven voorwaarden, open voor onderzoeks- en innovatiepersoneel en universiteiten, onderzoeksinstellingen, onderzoeksinfrastructuren, ondernemingen en andere sociaal-economische actoren uit alle landen, met inbegrip van derde landen.

Bij alle hierboven beschreven activiteiten wordt er met het oog op een succesvolle uitvoering en een zo groot mogelijke impact van de Marie Skłodowska-Curie-acties op gelet dat de deelname van het bedrijfsleven, met name kleine en middelgrote ondernemingen, en van andere sociaal-economische actoren wordt aangemoedigd. In het kader van alle Marie Skłodowska-Curie-acties wordt een langdurige samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs, onderzoeksorganisaties en de publieke en de particuliere sector bevorderd, waarbij rekening wordt gehouden met de bescherming van intellectuele eigendom.

De Marie Skłodowska-Curie-acties zullen ontwikkeld worden in nauwe synergie met andere programma's ter ondersteuning van deze beleidsdoelstellingen, waaronder het Erasmus voor iedereen-programma en de kennis- en innovatiegemeenschappen van het EIT.

Indien daaraan een specifieke behoefte bestaat, kan ook gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid bepaalde activiteiten in het programma met betrekking tot bepaalde maatschappelijke uitdagingen, soorten instellingen voor onderzoek en innovatie of geografische locaties specifiek te bevorderen om in te spelen op veranderende vereisten in Europa op het gebied van vaardigheden, onderzoeksopleiding, loopbaanontwikkeling en kennisoverdracht.

Om open te staan voor alle soorten talent, worden algemene maatregelen getroffen om verstoringen te verhelpen in de toegang tot subsidies, bijvoorbeeld door het bevorderen van gelijke kansen voor mannelijke en vrouwelijke onderzoekers in alle Marie Skłodowska-Curie-acties en door benchmarks op te zetten voor de verhouding van de aantallen mannen en vrouwen. Bovendien helpen de Marie Skłodowska-Curie-acties onderzoekers hun loopbaantraject stabieler te maken, en ervoor te zorgen dat ze een goed evenwicht tussen werk en privéleven kunnen realiseren, afhankelijk van hun thuissituatie, en na een onderbreking gemakkelijker hun onderzoekscarrière kunnen hervatten. Aanbevolen wordt dat de beginselen van het Europees Handvest voor onderzoekers en de Gedragscode voor de rekrutering van onderzoekers ▌met het oog op een open aanwerving en aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden door alle gefinancierde deelnemers worden onderschreven en toegepast.

Om de verspreiding van resultaten te versterken en de betrokkenheid van het publiek te vergroten kan van de begunstigden van de Marie Skłodowska-Curie-acties eventueel worden verwacht dat zij plannen voorleggen voor passende voorlichtingsactiviteiten gericht op het grote publiek. Deze plannen zullen zowel tijdens de beoordelingsprocedure als in het kader van het toezicht op het project worden geëvalueerd.

4.  ONDERZOEKSINFRASTRUCTUUR

De activiteiten zullen zijn gericht op de ontwikkeling van Europese infrastructuur van topniveau voor 2020 en daarna, de bevordering van het innovatiepotentieel ervan, de ontwikkeling van het menselijk potentieel en de versterking van het Europees beleid. Er wordt gestreefd naar coördinatie met de steunverlening met cohesiemiddelen, om voor synergie te zorgen en een coherente aanpak voor de ontwikkeling van onderzoeksinfrastructuur te garanderen. Synergie met de Marie Skłodowska-Curie-acties zal worden aangemoedigd.

4.1.  Ontwikkeling van de Europese onderzoeksinfrastructuur voor 2020 en daarna

4.1.1.  Ontwikkeling van nieuwe onderzoeksinfrastructuur van wereldklasse

Het oogmerk is om ▌de voorbereiding, implementatie, duurzaamheid en efficiënte werking van de door het Europees Strategieforum voor onderzoekinfrastructuren (ESFRI) aangewezen onderzoeksinfrastructuur en andere onderzoeksinfrastructuur van wereldklasse te faciliteren en te ondersteunen, om Europa in staat te stellen de grote uitdagingen op wetenschappelijk, industrieel en maatschappelijk gebied aan te gaan. Deze doelstelling heeft specifiek betrekking op infrastructuren waarvan het beheer is gepland, dan wel wordt of is opgezet in de vorm van bijvoorbeeld een consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERIC) of een gelijkwaardige structuur op Europees of internationaal niveau.

Met EU-middelen wordt, waar gepast, steun verleend aan:

a)  de voorbereidingfase van toekomstige infrastructuren (bijv. gedetailleerde bouwplannen, juridische overeenkomsten, meerjarenplanning, tijdige participatie van de industrie);

b)  de uitvoeringsfase (bijv. O&O en constructiewerk in samenwerking met de industrie en de gebruikers, ontwikkeling van regionale partnerschapsfaciliteiten(17) met het doel om een evenwichtigere ontwikkeling van de Europese onderzoeksruimte te waarborgen); en/of

c)  de exploitatiefase (bijv. toegang, gegevensverwerking, voorlichting, opleiding en internationale samenwerkingsactiviteiten).

In het kader van deze activiteit zal tevens steun worden verleend voor ontwerpstudies voor nieuwe onderzoeksinfrastructuur door middel van een bottom‑up-aanpak.

4.1.2.  Integratie en openstelling van bestaande nationale en regionale onderzoeksinfrastructuren van Europees belang

De doelstelling is om, in voorkomend geval, belangrijke nationale en regionale onderzoeksfaciliteiten open te stellen voor alle Europese onderzoekers uit zowel de academische wereld als het bedrijfsleven en om een optimaal gebruik en een gezamenlijke ontwikkeling van die faciliteiten te waarborgen.

De Unie zal netwerken en clusters ondersteunen die op Europees niveau belangrijke nationale onderzoeksfaciliteiten integreren en bijeenbrengen. Met name zal steun worden verleend ter bevordering van de transnationale en virtuele toegang van onderzoekers tot de door faciliteiten geboden diensten en de harmonisatie en verbetering daarvan. ▌

4.1.3.  Ontwikkeling, invoering en exploitatie van op ICT gebaseerde e‑infrastructuren(18)

De doelstelling is om tegen 2020 een mondiaal toonaangevende capaciteit voor netwerken, computergebruik en wetenschappelijke gegevens in één open Europese ruimte voor online-onderzoek waar onderzoekers toegang hebben tot geavanceerde, alom beschikbare en betrouwbare netwerk- en computerdiensten, alsmede een naadloze en open toegang tot e‑science-omgevingen en mondiale gegevensbronnen tot stand te brengen.

Om dit doel te bereiken wordt steun verleend aan: mondiale onderzoeks- en onderwijsnetwerken die geavanceerde, gestandaardiseerde en schaalbare, domeinoverschrijdende on‑demand-diensten verlenen; grid- en cloudinfrastructuur die virtueel oneindige reken- en dataverwerkingscapaciteiten bieden; een systeem van supercomputerfaciliteiten die de exaschaal benaderen; een software- en diensteninfrastructuur voor onder meer simulatie en visualisatie; instrumenten voor real-time samenwerking; en een interoperabele, open en betrouwbare wetenschappelijke gegevensinfrastructuur.

4.2.  Versterking van het innovatiepotentieel van onderzoeksinfrastructuren en de bijbehorende personele middelen

4.2.1.  Benutting van het innovatiepotentieel van onderzoeksinfrastructuren

Doel is om innovatie te stimuleren, zowel binnen de infrastructuren zelf als in activiteitensectoren zoals de toeleveringsindustrie en de gebruikersindustrie.

Daartoe wordt steun verleend aan:

a)  O&O-partnerschappen met de industrie met het oog op de ontwikkeling van capaciteiten op Unieniveau en industrieel geproduceerde apparatuur op hightechgebied, zoals wetenschappelijke instrumenten of ICT;

b)  precommerciële inkoop door actoren op het gebied van onderzoeksinfrastructuur met het oog op de bevordering van innovatie en de invoering of ontwikkeling van speerpunttechnologie;

c)  stimulering van het gebruik van onderzoeksinfrastructuur door de industrie, bijvoorbeeld als experimentele testfaciliteiten of kennisgebaseerde centra; en

d)  bevordering van de integratie van onderzoeksinfrastructuur in lokale, regionale en mondiale innovatiemilieus.

De acties van de Unie dienen er ook toe het gebruik van onderzoeksinfrastructuur, met name e‑infrastructuur, voor overheidsdiensten, sociale innovatie, cultuur, onderwijs en opleiding te stimuleren.

4.2.2.  Versterking van het menselijk kapitaal van onderzoeksfaciliteiten

Op grond van de complexiteit van onderzoeksinfrastructuur en met het oog op de benutting van hun volledige potentieel dienen leidinggevenden, de ingenieurs en technici die bij onderzoeksfaciliteiten werken evenals de gebruikers van deze faciliteiten over de nodige vaardigheden te beschikken.

Daarom worden EU-middelen uitgetrokken om steun te verlenen voor de opleiding van personeel dat onderzoeksinfrastructuur van Europees belang beheert en bedient, voor de uitwisseling van personeel en goede praktijken tussen verschillende faciliteiten en voor het waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende personeel in de belangrijkste disciplines, met inbegrip van de ontwikkeling van specifieke studierichtingen. Synergie met de Marie Skłodowska-Curie-acties zal worden aangemoedigd.

4.3.  Versterking van het Europees beleid inzake onderzoeksinfrastructuur en internationale samenwerking

4.3.1.  Versterking van het Europees beleid inzake onderzoeksinfrastructuur

De doelstelling is om gebruik te maken van de synergie tussen nationale en EU-initiatieven door het tot stand brengen van partnerschappen tussen relevante beleidsmakers, financieringsorganen of adviesgroepen (bijv. het ESFRI, de e‑Infrastructures Reflection Group, organisaties die zijn aangesloten bij het EIROforum, en nationale overheidsinstanties), door complementariteiten en samenwerkingsverbanden te ontwikkelen tussen onderzoeksinfrastructuren en activiteiten ter uitvoering van het EU-beleid (op het gebied van onder meer regionale ontwikkeling, cohesie, industrie, gezondheid, milieu, werkgelegenheid en ontwikkeling) en door te zorgen voor de nodige coördinatie tussen verschillende financieringsbronnen van de Unie. In het kader van de EU-acties wordt ook steun verleend voor de inventarisatie, monitoring en evaluatie van onderzoeksinfrastructuur op het niveau van de Unie en voor desbetreffende beleidsstudies en communicatieactiviteiten.

Horizon 2020 zal de inspanningen van de lidstaten om hun onderzoeksfaciliteiten te optimaliseren, faciliteren door een EU-brede up-to-date databank over vrij toegankelijke onderzoeksinfrastructuren in Europa te steunen.

4.3.2.  Bevordering van strategische internationale samenwerking

De doelstelling is om de ontwikkeling van mondiale onderzoeksinfrastructuur te bevorderen, d.w.z. van infrastructuur die aangewezen is op financiering en het sluiten van overeenkomsten op mondiaal niveau. Tevens wordt beoogd de samenwerking van Europese onderzoeksfaciliteiten met tegenhangers in derde landen in de hand te werken door hun mondiale interoperabiliteit en reikwijdte te waarborgen, en naar internationale overeenkomsten te streven over wederzijdse benutting, openstelling en financiering van infrastructuur. In dit verband zal naar behoren rekening worden gehouden met de aanbevelingen van de uit topfunctionarissen bestaande Carnegie-groep inzake mondiale onderzoeksinfrastructuur. Bovendien zal erop worden gelet dat de Unie in passende mate wordt betrokken bij de coördinatie met internationale organisaties als de VN of de OESO.

4.4.  Specifieke uitvoeringsaspecten

Tijdens de uitvoering worden groepen van onafhankelijke deskundigen, belanghebbenden en adviesorganen, zoals het ESFRI en de e‑Infrastructures Reflection Group (e‑IRG), geraadpleegd.

Bij de uitvoering wordt een drieledige aanpak gevolgd: een bottom‑up-aanpak waar de precieze inhoud van en de partners van projecten niet bekend zijn; een gerichte aanpak waar projecten betrekking hebben op specifieke onderzoeksstructuren en/of ‑gemeenschappen; en een op met name genoemde begunstigden afgestemde aanpak, bijvoorbeeld in gevallen waarin een bijdrage aan de exploitatiekosten wordt gegeven aan een exploitant van infrastructuur of een consortium van exploitanten.

De doelstellingen van de onder punten 4.2 en 4.3 omschreven activiteitenlijnen worden nagestreefd via gerichte acties alsmede binnen de onder punt 4.1 ontwikkelde acties waar nodig.

DEEL II

INDUSTRIEEL LEIDERSCHAP

1.  LEIDERSCHAP IN ONTSLUITENDE EN INDUSTRIËLE TECHNOLOGIEËN

Algemeen

De succesvolle beheersing, integratie en toepassing van ontsluitende technologieën door de Europese industrie is van essentieel belang als het erom gaat de productiviteit en het innovatievermogen van Europa te versterken en te waarborgen dat Europa over een geavanceerde, duurzame en concurrerende economie beschikt, op mondiaal niveau een leidende rol speelt op het gebied van hightech-toepassingen en in staat is doeltreffende en duurzame oplossingen te ontwikkelen voor maatschappelijke uitdagingen, onder meer rekening houdend met de behoeften van de gebruikers. Als integraal onderdeel van de steunverlening zullen innovatieactiviteiten worden gecombineerd met O&O.

Een geïntegreerde benadering met betrekking tot ontsluitende technologieën

Een belangrijk element van "Leiderschap in ontsluitende en industriële technologieën" zijn cruciale ontsluitende technologieën (KET's), gedefinieerd als micro- en nano-elektronica, fotonica, nanotechnologie, biotechnologie, geavanceerde materialen en geavanceerde fabricagesystemen. Bij tal van innovatieve producten komen er, in de vorm van afzonderlijke of geïntegreerde onderdelen, meerdere van deze technologieën aan te pas. Elke technologie gaat gepaard met technologische innovatie, maar het gecumuleerde voordeel dat ontstaat door de talloze interacties van KET's en andere ontsluitende technologieën en combinaties daarvan, kan ook leiden tot een technologiesprong. Door de voordelen van sectoroverschrijdende cruciale ontsluitende technologieën te benutten zal het concurrentievermogen en de impact van producten worden vergroot, zullen groei en het scheppen van banen worden gestimuleerd, en zullen nieuwe kansen ontstaan om de maatschappelijke uitdagingen aan te gaan. Daarom zal gebruik worden gemaakt van de talrijke raakpunten tussen deze technologieën. Er zal specifieke steun worden verleend aan projecten voor de ontwikkeling van grotere proefproductielijnen en demonstratieprojecten die in diverse omgevingen en omstandigheden moeten worden toegepast.

Hiertoe behoren onder meer KET's en activiteiten van sectoroverschrijdende KET's (multi-KET's) waarbij verschillende technologieën worden gecombineerd en geïntegreerd die na beproeving in een industriële omgeving in een compleet, gekwalificeerd en marktrijp of bijna marktrijp systeem resulteren. Een sterke betrokkenheid van de particuliere sector bij dergelijke activiteiten en het tonen van de wijze waarop projectresultaten aan de marktwaarde van de EU zullen bijdragen, zijn nodig, zodat de uitvoering ervan de vorm van publiek-private partnerschappen kan aannemen. Daartoe wordt met behulp van de Horizon 2020-toepassingsstructuur, een gezamenlijk werkprogramma voor horizontale KET-activiteiten ontwikkeld. Rekening houdend met de behoeften van de markt en de maatschappelijke uitdagingen zal het voor KET's en multi-KET's bouwstenen leveren voor verschillende toepassingsgebieden, waaronder de maatschappelijke uitdagingen. Daarnaast zal er, waar dat passend is, in het kader van nationale en regionale O&I-strategieën voor slimme specialisatie, worden gestreefd naar synergieën tussen KET-activiteiten en de activiteiten in het kader van het cohesiebeleid, alsook met het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT), de Europese investeringsbank (EIB), en in voorkomend geval met de door de lidstaten gestuurde activiteiten in het kader van gezamenlijke programmeringsinitiatieven.

Specifieke uitvoeringsaspecten

Tot de innovatieactiviteiten behoren onder meer de integratie van individuele technologieën; demonstraties van capaciteiten voor de productie en levering van innovatieve producten, systemen, processen en diensten; proeftoepassingen voor gebruikers en klanten om de haalbaarheid en de meerwaarde van producten of diensten aan te tonen; en grootschalige demonstratiemodellen om de marktinvoering van de onderzoeksresultaten te vergemakkelijken. Passende aandacht zal worden besteed aan projecten op kleine en middelgrote schaal. Voorts zal de tenuitvoerlegging in dit deel de betrokkenheid van kleine en middelgrote onderzoeksteams aanmoedigen, en ook bijdragen tot een actievere deelname van kmo's.

Verschillende individuele technologieën worden hierbij geïntegreerd, zodat zij na beproeving in een industriële omgeving in een marktrijp, compleet en gekwalificeerd systeem resulteren. Een sterke betrokkenheid van de particuliere sector bij dergelijke activiteiten, onder meer in het kader van publiek-private partnerschappen, is een voorwaarde.

Vraagzijdeacties zullen een aanvulling vormen op de "technology push" van de onderzoeks- en innovatie-initiatieven. Hiertoe behoren onder meer een optimaal gebruik van overheidsinkoop van innovatie; de ontwikkeling van passende technische normen en technische activiteiten ter ondersteuning van normering en regulering; particuliere vraag en het betrekken van gebruikers bij het innovatieproces om innovatievriendelijkere markten tot stand te brengen.

Met name wat betreft nanotechnologie en biotechnologie zal de participatie van belanghebbenden en het algemene publiek erop gericht zijn meer bewustzijn te kweken voor de voordelen en risico's. Hierbij zal systematisch worden ingegaan op de beoordeling van de veiligheid en de beheersing van algemene risico's bij de toepassing van deze technologieën. Waar passend dragen de sociale en humane wetenschappen ertoe bij dat rekening wordt gehouden met de behoeften, voorkeuren en acceptatie van de gebruiker, bewerkstelligen zij maatschappelijk engagement bij de consumenten en stellen zij dezen in de gelegenheid met kennis van zaken keuzes te maken.

De in het kader van dit deel ondersteunde activiteiten vormen een aanvulling op de steun voor onderzoek en innovatie op het gebied van ontsluitende technologieën die door nationale of regionale overheden wordt verleend uit cohesiebeleidsfondsen in het kader van slimme-specialisatiestrategieën.

Dit programma ondersteunt, als onderdeel van de financiering van de acties, ook activiteiten betreffende technologieoverdracht (zowel op nationaal als op regionaal niveau), onder meer door de ontwikkeling van internationale en regionale innovatieclusters, teneinde meer doeltreffende koppelingen tussen universiteiten en de industrie te bewerkstelligen.

Op gebieden van wederzijds belang en voordeel worden met toonaangevende partnerlanden strategische internationale samenwerkingsinitiatieven ondernomen. Op het gebied van ontsluitende en industriële technologieën zijn met name, maar niet uitsluitend, de volgende aspecten van belang:

–  toegang tot mondiaal toonaangevende wetenschappelijke en technologische expertise;

–  de ontwikkeling van mondiale normen;

–  het wegnemen van belemmeringen voor de industriële exploitatie, voor de samenwerking op O&O-gebied en voor de handel;

–  de veiligheid van op nanotechnologie en biotechnologie gebaseerde producten en het langetermijneffect van het gebruik ervan;

–  de ontwikkeling van materialen en methoden ter vermindering van het energie- en hulpbronnenverbruik;

–  door de industrie aangestuurde internationale samenwerkingsinitiatieven tussen fabrikanten; en

–  de interoperabiliteit van de systemen.

1.1.  Informatie- en communicatietechnologieën (ICT)

Een aantal actielijnen zal gericht zijn op industriële en technologische uitdagingen met betrekking tot het leiderschap op ICT-gebied in de gehele waardeketen, en heeft betrekking op algemene onderzoeks- en innovatieagenda's inzake ICT, met name:

1.1.1.  Een nieuwe generatie componenten en systemen: ontwikkelen van geavanceerde, ingebedde ▌en energie- en hulpbronnenefficiënte componenten en systemen

Het doel is dat Europa aan kop blijft op het gebied van technologieën die betrekking hebben op geavanceerde, ingebedde en energie- en hulpbronnenefficiënte en robuuste componenten en systemen, en dat het zijn leidende positie op dat vlak nog versterkt. Deze doelstelling omvat tevens micro-, nano- en biosystemen, organische elektronica, de integratie van slimme componenten en systemen in oppervlaktematerialen ("large area integration"), onderliggende technologieën voor het "internet van de dingen"(19), met inbegrip van platforms ter ondersteuning van de levering van geavanceerde diensten, sensoren, slimme geïntegreerde systemen, ingebedde en gedistribueerde systemen en technieken betreffende systemen van systemen en complexe systemen.

1.1.2.  Computers van de volgende generatie: geavanceerde en veilige computersystemen en ‑technologieën, met inbegrip van cloud computing

Het doel is steun te verlenen aan de ontwikkeling van Europese capaciteiten op het gebied van processor- en systeemarchitectuur, interconnectie- en datalocalisatietechnologie, cloud computing, parallel computing, modellering en simulatiesoftware voor alle computermarktsegmenten, met inbegrip van ontwikkelingstoepassingen (zoals onder meer kwantificatie van onzekerheden, risicoanalyse en besluitvorming met betrekking tot de technische constructie).

1.1.3.  Internet van de toekomst: software, hardware, infrastructuur, technologie en diensten

Het doel is het concurrentievermogen van de Europese industrie te verhogen wat betreft het ontwikkelen, beheersen en ontwerpen van het internet van de volgende generatie, dat het huidige web, de bestaande vaste en mobiele netwerken en diensteninfrastructuren geleidelijk aan zal vervangen en overtreffen, en verbindingen tussen triljoenen apparaten (internet van de dingen) en tussen netwerken van verschillende exploitanten en verschillende domeinen mogelijk zal maken, waardoor de wijze waarop wij communiceren en kennis vergaren en gebruiken zal veranderen. Hieronder vallen onder meer onderzoek en innovatie op het gebied van netwerken, software, processen en diensten, cyberveiligheid, privacy, betrouwbaarheid en vertrouwen, draadloze(20) communicatie en alle optische netwerken, "immersieve" interactieve multimedia en de "Connected Enterprise" van de toekomst.

1.1.4.  Contenttechnologie en informatiebeheer: ICT voor digitale content, culturele en creatieve bedrijfstakken

Doel hiervan is om op basis van individuele en bedrijfscreativiteit Europa's positie te versterken als aanbieder van producten en diensten. Daartoe moeten het bedrijfsleven en de burgers worden voorzien van nieuwe instrumenten om alle vormen van digitale content in elke willekeurige taal te maken, er toegang toe te krijgen, deze te exploiteren, te bewaren en te hergebruiken, en enorme hoeveelheden gegevens (omvangrijke data), waaronder ook verbonden data, te bewerken, te analyseren en te visualiseren. Hieronder vallen onder meer nieuwe technologieën met betrekking tot kunst, taal, leren, interactie, digitaal bewaren, het ontwerpen van websites, toegang tot content, analyse en media; intelligente en adaptieve informatiebeheersystemen die zijn gebaseerd op geavanceerde technologie voor data mining, automatisch leren, statistische analyse en visualisatietechnologieën.

1.1.5.  Geavanceerde interfaces en robots: robotica en slimme ruimtes

Het doel is de leidende wetenschappelijke en industriële positie van Europa op het gebied van industriële en dienstverlenende robotica, cognitieve en communicatiesystemen, geavanceerde interfaces en slimme ruimtes en zelfbewuste machines te versterken door te profiteren van de toegenomen prestaties van computers en netwerken en van de vooruitgang die wordt geboekt bij het ontwerpen en verwezenlijken van systemen die in staat zijn te leren, zichzelf te assembleren, zich aan te passen en te reageren, of die de interactie tussen mens en machine optimaliseren. Waar passend moeten de ontwikkelde systemen en de vorderingen met de nieuwste ontwikkelingen in realistische omstandigheden worden gevalideerd.

1.1.6.  Micro- en nano-elektronica en ‑fotonica: cruciale ontsluitende technologieën die verband houden met micro- en nano-elektronica en ‑fotonica, met inbegrip van kwantumtechnologie

Het doel is te profiteren van de Europese uitmuntendheid op het gebied van deze cruciale onsluitende technologieën en het concurrentievermogen en de leidende marktpositie van de Europese industrie te ondersteunen en verder te versterken. De activiteiten strekken zich onder meer uit tot onderzoek en innovatie op het gebied van ontwerp, geavanceerde processen, proeffabricagelijnen, aanverwante productietechnieken en demonstratieacties voor de validatie van technologische ontwikkelingen en innovatieve businessmodellen en de onderliggende technologieën van de volgende generatie waarbij gebruik wordt gemaakt van de vooruitgang in de kwantumfysica.

Rekening houdend met het mondiale concurrentievermogen van de Europese industrie zal met deze zes belangrijkste activiteitenlijnen ▌naar verwachting op alle behoeften worden ingespeeld. Daartoe behoren onder meer industrieel leiderschap op het gebied van algemene ICT-gebaseerde oplossingen, producten en diensten die nodig zijn om grote maatschappelijke uitdagingen het hoofd te kunnen bieden, en applicatiegedreven onderzoeks- en innovatieagenda's voor ICT waarvoor steun zal worden verleend in het kader van het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen. Gelet op de steeds grotere rol van technologie op alle terreinen van het leven zal de interactie tussen mens en technologie in dit verband van belang zijn en deel uitmaken van het bovengenoemde applicatiegedreven ICT-onderzoek. Onderzoek waarin de gebruiker centraal staat, zal een bijdrage leveren tot de ontwikkeling van concurrerende oplossingen.

Op elk van deze zes belangrijke activiteitengebieden zal tevens steun worden verleend voor ICT-specifieke onderzoeksinfrastructuren, zoals "levende laboratoria" voor ▌experimenten en infrastructuur voor onderliggende cruciale ontsluitende technologieën en de integratie daarvan in geavanceerde producten en innovatieve slimme systemen, met inbegrip van apparatuur, instrumenten, ondersteunende diensten, schone ruimtes en toegang tot productiefaciliteiten voor de ontwikkeling van prototypes.

Hieraan moet uitvoering worden gegeven op een manier die complementariteit en samenhang waarborgt met de werkzaamheden inzake onderzoeksinfrastructuren waaraan in het kader van de pijler "Wetenschap op topniveau" steun wordt verleend.

Er zullen activiteiten worden ondernomen ter ondersteuning van het onderzoek naar en de ontwikkeling van systemen met volledige inachtneming van de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen, en met name hun recht op privacy.

1.2.  Nanotechnologie

1.2.1.  Ontwikkeling van nanomaterialen van de volgende generatie, nano-apparaten en nanosystemen

De ontwikkeling en integratie van kennis van fenomenen op nanoschaal op het raakvlak van verschillende wetenschappelijke disciplines met het oogmerk fundamenteel nieuwe producten en systemen tot stand te brengen die op tal van gebieden voor duurzame oplossingen kunnen zorgen.

1.2.2.  Waarborgen van de veilige en duurzame ontwikkeling en toepassing van nanotechnologieën

Het verder ontwikkelen van de wetenschappelijke kennis omtrent de potentiële gevolgen van nanotechnologieën voor de gezondheid of het milieu, teneinde te zorgen voor een proactief, op wetenschappelijke inzichten gebaseerd beheer van nanotechnologieën en voor beproefde wetenschappelijke instrumenten, methoden en platforms voor de beoordeling en beheersing van gevaren, blootstellingen en risico's gedurende de gehele levenscyclus van nanomaterialen en nanosystemen, waarbij ook aandacht wordt besteed aan normalisatievraagstukken.

1.2.3.  Ontwikkeling van de maatschappelijke dimensie van nanotechnologie

Dit onderdeel speelt in op de menselijke en fysieke behoeften met betrekking tot de toepassing van nanotechnologie en is gericht op de governance van nanotechnologie met het oog op maatschappelijke en milieuvoordelen; de governance omvat onder meer communicatiestrategieën die een draagvlak in de samenleving moeten garanderen.

1.2.4.  Efficiënte en duurzame synthese en productie van nanomaterialen, nanocomponenten en nanosystemen

Dit onderdeel is gericht op nieuwe flexibele, schaalbare en herhaalbare processen, slimme integratie van nieuwe en bestaande processen, inclusief het combineren van technologieën (bijv. nanobiotechnologie), en het opschalen ervan teneinde de duurzame grootschalige hoognauwkeurige fabricage van producten en flexibele en multifunctionele productiefaciliteiten mogelijk te maken die voor een efficiënte overdracht van kennis naar industriële innovatie zorgt.

1.2.5.  Ontwikkelen en standaardiseren van capaciteitsverhogende technieken, meetmethoden en apparatuur

Dit onderdeel is gericht op onderliggende technologieën, bevordering van de ontwikkeling en marktintroductie van veilige complexe nanomaterialen en nanosystemen, met inbegrip van nanometrologie, vorming en bewerking van materie op nanoschaal, modellering, computergestuurd ontwerpen en geavanceerde technieken op atomair niveau.

1.3.  Geavanceerde materialen

1.3.1.  Technologie op het gebied van veelzijdige en sleutelmaterialen

Onderzoek naar speciaal ontworpen materialen, functionele materialen, multifunctionele materialen met meer kennisinhoud, nieuwe functionaliteiten en betere prestaties, zoals zelfreparerende of biocompatibele materialen, zichzelf assemblerende materialen, nieuwe magnetische materialen en structurele materialen, met het oog op innovatie in alle industriesectoren, met name voor hoogwaardige markten en met inbegrip van de creatieve sector.

1.3.2.  Ontwikkeling en transformatie van materialen

Onderzoek en ontwikkeling met het oog op een efficiënte, veilige en duurzame ontwikkeling en opschaling, om de industriële productie van toekomstige milieuvriendelijk ontworpen producten mogelijk te maken en in Europa een afvalvrije cyclus voor het beheer van materialen, bijvoorbeeld in de metaal-, de chemische of de biotechnologische industrie, tot stand te brengen, en om een beter inzicht te verwerven in de mechanismen van de aantasting van materialen (slijtage, corrosie, mechanische betrouwbaarheid).

1.3.3.  Beheer van materiaalcomponenten

Onderzoek en ontwikkeling met het oog op nieuwe en innovatieve technieken voor materialen, componenten en systemen voor het verbinden, plakken, scheiden, samenstellen, zelfassemblage en demontage, decompositie en deconstructie van materiaalcomponenten, en beheer van de levenscycluskosten en van de gevolgen voor het milieu door een nieuw gebruik van technologie voor geavanceerde materialen.

1.3.4.  Materialen voor een duurzame, hulpbronnenefficiënte industrie met een lage uitstoot

Ontwikkeling van nieuwe producten en toepassingen, bedrijfsmodellen en verantwoord consumentengedrag, teneinde het gebruik van hernieuwbare hulpbronnen voor duurzame toepassingen te doen toenemen, de vraag naar energie tijdens de hele levenscyclus van het product terug te dringen en emissiearme productie, procesintensivering, recycling, verwijdering van afvalstoffen, materialen voor energieopslag en uit afval vervaardigde en hergebruikte materialen met een hoge toegevoegde waarde ingang te doen vinden.

1.3.5.  Materialen voor creatieve industrieën, met inbegrip van erfgoed

Toepassen van design en het ontwikkelen van convergerende technologieën om nieuwe bedrijfsmogelijkheden te creëren, met inbegrip van het behoud en de restauratie van het Europese erfgoed en Europese materialen met een historische of culturele waarde, alsmede nieuwe materialen.

1.3.6.  Metrologie, karakterisering, normalisatie en kwaliteitsbeheer

Bevorderen van technologieën zoals karakterisering, non-destructieve evaluatie, permanente evaluatie en monitoring en voorspellende modelleringen van prestaties om met betrekking tot de materialen wetenschappelijke en technische vorderingen en resultaten te boeken.

1.3.7.  Optimalisatie van het materiaalgebruik

Onderzoek naar de vervangbaarheid van materialen en ontwikkeling van alternatieven voor het gebruik ervan, onder meer door een oplossing te zoeken voor het grondstoffenprobleem met behulp van op maat gemaakte materialen en door het vervangen van schaarse, kritieke of gevaarlijke materialen, alsmede het creëren van innovatieve bedrijfsmodellen en het identificeren van kritieke hulpbronnen.

1.4.  Biotechnologie

1.4.1.  Bevorderen van baanbrekende biotechnologieën als een toekomstige innovatieve motor

De doelstelling is om er de voorwaarden voor te scheppen dat de Europese industrie een toonaangevende rol blijft spelen op het gebied van innovatie, ook op de middellange en lange termijn. Hiertoe behoort de ontwikkeling van opkomende technologische gebieden zoals synthetische biologie, bio-informatica en systeembiologie, alsook de benutting van convergentie met andere ontsluitende technologieën zoals de nanotechnologie (bijv. bionanotechnologie) en ICT (bijv. bio-elektronica) en engineeringtechnologie. Met betrekking tot deze en andere speerpunttechnologieën moeten passende maatregelen voor onderzoek en ontwikkeling worden genomen om een doeltreffende omzetting in en toepassing van nieuwe applicaties ▌te bevorderen.

1.4.2.  Op biotechnologie gebaseerde industriële producten en processen

De doelstelling is tweeledig: enerzijds wordt beoogd de Europese industrie (bijv. op het gebied van chemie, gezondheid, mijnbouw, energie, pulp en papier, vezelproducten en hout, textiel, zetmeel, voedselverwerking) in staat te stellen nieuwe producten en processen te ontwikkelen om in industriële en maatschappelijke behoeften te voorzien, met bij voorkeur milieuvriendelijke en duurzame productiemethoden, en daarnaast concurrerende en verbeterde alternatieven op biotechnologische basis te ontwikkelen om bestaande producten en processen te vervangen; anderzijds is het de bedoeling het potentieel van de biotechnologie te benutten om vervuilende stoffen op te sporen, te bewaken, te voorkomen en te verwijderen. Hiertoe behoren onder meer onderzoek en innovatie op het gebied van nieuwe enzymen met geoptimaliseerde biokatalysatorfuncties, het ontwerpen van enzymatische en metabolische processen, de ontwikkeling van bioprocedés op industriële schaal, de integratie van bioprocessen in industriële productieprocessen, geavanceerde fermentatieprocessen, up- en downstreamprocessen en het verkrijgen van inzicht in de dynamiek van microbiële gemeenschappen. Tevens valt hieronder de ontwikkeling van prototypes voor de beoordeling van de technisch-economische haalbaarheid en de duurzaamheid van de ontwikkelde producten en processen.

1.4.3.  Innovatieve en concurrerende platformtechnologie

Het doel is platformtechnologie te ontwikkelen (bijv. genomica, metagenomica, proteonomica, metabolomica, moleculaire instrumenten, expressiesystemen, platforms voor fenotypering en platforms op basis van cellen) die Europa in tal van ▌sectoren met economische impact een toonaangevende positie en concurrentievoordelen moeten verschaffen. Tot deze actielijn behoren aspecten als ondersteuning van de ontwikkeling van biohulpbronnen met geoptimaliseerde eigenschappen en toepassingen die verder gaan dan conventionele alternatieven; bevordering van een duurzame verkenning, analyse en benutting van terrestrische en mariene biodiversiteit met het oog op nieuwe toepassingen; biogebaseerde producten en processen; en ondersteuning van de ontwikkeling van op biotechnologie gebaseerde oplossingen in de gezondheidszorg (bijv. diagnostische instrumenten, biologische agentia, biomedische apparatuur).

1.5.  Geavanceerde fabricage en verwerking

1.5.1.  Technologie voor fabrieken van de toekomst

Bevorderen van duurzame industriële groei door het ondersteunen van een strategische verschuiving in Europa van een kostengerelateerde fabricage naar een aanpak gebaseerd op het creëren van producten met een hoge toegevoegde waarde en op ICT steunende intelligente en hoogproductieve fabricage in een geïntegreerd systeem. In dit kader moeten oplossingen worden gevonden voor de uitdaging om meer te produceren met minder materiaal, minder energieverbruik en minder afval en vervuiling, waarbij een hoge milieu-efficiëntie wordt nagestreefd. De aandacht gaat hier vooral uit naar de ontwikkeling en integratie van adaptieve productiesystemen van de toekomst, waarbij bijzonder dient te worden gelet op de behoeften van Europese kmo's, teneinde geavanceerde en duurzame fabricagesystemen en ‑processen tot stand te brengen. Er zal ook aandacht zijn voor methodes voor het verbeteren van de flexibele, veilige en slimme productie, met adequate automatiseringsniveaus in werknemervriendelijke omgevingen.

1.5.2.  Technologieën voor energie-efficiënte gebouwen en systemen, met een geringe impact op het milieu

Verminderen van het energieverbruik en de CO2-uitstoot door de ontwikkeling en toepassing van duurzame bouwtechnieken en ‑systemen, de invoering en markttoepassing van maatregelen voor een breder gebruik van energie-efficiënte systemen en materialen in nieuwe, gerenoveerde en heringerichte gebouwen. Levenscyclusanalyses en "ontwerp-bouw-exploitatie"-benaderingen zijn van essentieel belang om in Europa de uitdaging van de overgang naar bijna-energieneutrale gebouwen tegen 2020 te kunnen aanpakken en voor energie-efficiënte stadsverwarming te zorgen in samenwerking met de belanghebbenden in ruimere zin.

1.5.3.  Duurzame, hulpbronnenefficiënte en koolstofarme technologieën in energie-intensieve procesindustrieën

Vergroten van het concurrentievermogen van procesindustrieën (bijv. op het gebied van chemie, cement, pulp en papier, glas, mineralen of non-ferrometalen en staal) door een drastische verhoging van de hulpbronnen- en energie-efficiëntie en de vermindering van schadelijke milieugevolgen van dergelijke industriële activiteiten. Hierbij gaat de aandacht vooral uit naar de ontwikkeling en beproeving van ontsluitende technologieën voor innovatieve stoffen en materialen en technologische oplossingen voor koolstofarme producten en minder energie-intensieve processen en diensten in de gehele waardeketen, alsook naar de toepassing van zeer koolstofarme productietechnologieën en ‑technieken, om specifieke doelstellingen met betrekking tot de verlaging van broeikasgasemissies te kunnen halen.

1.5.4.  Nieuwe duurzame bedrijfsmodellen

Grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van concepten en methoden voor kennisgebaseerde gespecialiseerde productie kan stimulansen bieden voor organisationeel leren, creativiteit en innovatie, in het bijzonder met betrekking tot bedrijfsmodellen in het kader van benaderingen op maat die kunnen worden aangepast aan de vereisten van gemondialiseerde waardeketens en netwerken, veranderende markten en opkomende en toekomstige industrieën. Dit houdt in dat werk wordt gemaakt van duurzame bedrijfsmodellen door de gehele levenscyclus van het product en het proces in aanmerking te nemen.

1.6.  Ruimtevaart

Op ruimtevaartgebied zullen acties op Unieniveau worden uitgevoerd in samenhang met de ruimtevaartonderzoeksactiviteiten van de lidstaten en de Europese Ruimtevaartorganisatie (ESA), waarbij het opbouwen van complementariteit tussen de verschillende actoren wordt beoogd.

1.6.1.  Bevordering van het Europees concurrentievermogen, de onafhankelijkheid en de innovatie van de Europese ruimtevaartsector

Het doel is wereldwijd een leidende rol te blijven spelen in de ruimtevaart door op dit gebied een kosteneffectieve, concurrerende en innovatieve industrie (met inbegrip van kmo's) en onderzoeksgemeenschap te waarborgen en verder te ontwikkelen en door op ruimtetechnologie gebaseerde innovatie aan te moedigen.

1.6.1.1.  Waarborgen en verder ontwikkelen van een concurrerende, duurzame en ondernemende industrie en onderzoeksgemeenschap op het gebied van ruimtevaart, en versterken van de Europese onafhankelijkheid in ruimtesystemen

Europa speelt een leidende rol op het gebied van ruimteonderzoek en de ontwikkeling van ruimtevaarttechnologie en ontwikkelt voortdurend eigen operationele ruimtevaartinfrastructuren ▌(bijv. Galileo, Copernicus). De Europese industrie heeft een uitstekende reputatie verworven als exporteur van hoogwaardige satellieten en op het gebied van andere ruimtevaarttechnologieën. ▌Die positie wordt evenwel bedreigd door ▌de concurrentie van andere belangrijke ruimtevaartmogendheden ▌. Deze maatregel heeft ten doel een onderzoeksbasis te ontwikkelen door de continuïteit van ruimteonderzoeks- en innovatieprogramma's te verzekeren, bijvoorbeeld door middel van een reeks kleinere en frequentere, in de ruimte uitgevoerde demonstratieprojecten. Hierdoor kan Europa zijn industriële basis en zijn OTO-gemeenschap op ruimtegebied ontwikkelen; mede daardoor kan Europa boven het huidige niveau uitstijgen en minder afhankelijk worden van de invoer van kritieke technologieën.

Standaardisatie moet worden ondersteund om investeringen optimaal te laten renderen en markttoegang te ontwikkelen.

1.6.1.2.  Bevordering van innovatie in de ruimtevaartsector en daarbuiten

Een aantal uitdagingen in de ruimtetechnologie vertoont overeenkomsten met uitdagingen op aarde, bijvoorbeeld op het gebied van luchtvaart, energie, milieu, telecommunicatie en ICT, de opsporing van natuurlijke hulpbronnen, sensoren, robotica, geavanceerde materialen, veiligheid en gezondheid. Deze overeenkomsten bieden kansen voor gezamenlijke ontwikkeling vanaf een vroeg stadium, met name in kmo's, van technologie die zowel binnen als buiten de ruimtevaart, ook voor de niet aan de ruimtevaart gerelateerde industrie, van belang is, waardoor sneller baanbrekende innovaties kunnen worden bereikt dan via spin-offs in een later stadium. De exploitatie van de bestaande Europese ruimte-infrastructuur dient te worden gestimuleerd door de ontwikkeling van innovatieve producten en diensten die gebaseerd zijn op teledetectie, geolokalisatie of andere soorten van satellieten afkomstige gegevens. Europa dient daarnaast de ontwikkeling van een ruimtesector in het bedrijfsleven in een vroeg stadium te ondersteunen, waar passend door middel van doelgerichte maatregelen, waaronder steun voor initiatieven voor de overdracht van ruimtetechnologie.

1.6.2.  Bevordering van vooruitgang in de ruimtetechnologie

Deze activiteit is bedoeld voor het ontwikkelen van geavanceerde en ontsluitende ruimtevaarttechnologieën en operationele concepten van het stadium van de eerste ideeën tot aan de daadwerkelijke demonstratie in de ruimte.

Het vermogen om toegang tot de ruimte te krijgen en ▌ruimtesystemen te ontwikkelen, in een baan om de aarde en daarbuiten te brengen en te exploiteren, is van essentieel belang voor de toekomst van de Europese samenleving. Voor de daarvoor noodzakelijke capaciteiten moet continu worden geïnvesteerd in onderzoek en innovatie van een veelheid aan ruimtetechnologieën (bijv. lanceerinrichtingen en andere inrichtingen, satellieten, robotica, instrumenten en sensoren) en in operationele concepten van het eerste idee tot aan de demonstratie in de ruimte. Europa is momenteel een van de drie leidende ruimtemogendheden, die hoofdzakelijk via het ESA en nationale programma's door investeringen van de lidstaten wordt gefinancierd, maar in vergelijking tot de investeringen die in de Verenigde Staten in onderzoek en ontwikkeling op ruimtegebied worden gedaan (onder meer rond 20 % van de totale NASA-begroting), ▌vereisen wat ruimtetechnologieën en toepassingen van de toekomst betreft ▌, over de hele linie met name de volgende punten meer aandacht van Europa:

a)  het lage niveau van technologische paraatheid (TRL), onderzoek, dat vaak sterk afhankelijk is van cruciale ontsluitende technologieën en het potentieel heeft om baanbrekende technologieën met terrestrische toepassingsmogelijkheden tot stand te brengen;

b)  verbetering van bestaande technologieën, bijvoorbeeld door miniaturisatie, grotere energie-efficiëntie en hogere gevoeligheid van sensoren;

c)  demonstratie en validatie van nieuwe technologieën en concepten op terreinen met een analoge ontwikkeling van terrestrische en ruimtetoepassingen;

d)  missiecontext, bijv. analyse van de ruimteomgeving, grondstations, bescherming van ruimtesystemen en ruimte-infrastructuur tegen beschadiging of vernieling door botsingen met ruimteschroot of andere ruimteobjecten, alsook de effecten van veranderingen in de weersomstandigheden in de ruimte, waaronder zonnevlammen (Space Situational Awareness – SSA), en het bevorderen van innovatieve infrastructuur voor het verzamelen en doorgeven van gegevens en het archiveren van monsters;

e)  satellietcommunicatie, geavanceerde navigatie- en teledetectietechnologieën, die onderzoek behelzen dat van essentieel belang is voor toekomstige generaties van Europese ruimtesystemen (bijv. Galileo en Copernicus).

1.6.3.  Bevordering van het gebruik van ruimtegegevens

Het doel is ervoor te zorgen dat de gegevens van huidige, eerdere (gearchiveerde) en toekomstige Europese ruimtevaartmissies in ruimere mate worden gebruikt door de wetenschap, het publiek en het bedrijfsleven.

Ruimtesystemen leveren informatie op die veelal niet langs andere weg kan worden verkregen. Ondanks het feit dat de Europese landen ruimtevaartmissies van wereldklasse ondernemen, blijkt uit de publicatiecijfers dat de bij die missies verkregen gegevens minder vaak worden gebruikt dan gegevens die zijn verkregen tijdens VS-missies. Er kan in een aanzienlijk hogere mate gebruik worden gemaakt van gegevens van Europese satellieten (door wetenschappers, overheden of bedrijven) indien er verdere inspanningen worden geleverd voor de verwerking, archivering, validering, standaardisatie en duurzame beschikbaarheid van gegevens van Europese ruimtevaartmissies en voor de ondersteuning van de ontwikkeling van nieuwe, op deze gegevens gebaseerde informatieproducten en ‑diensten; een en ander, waar mogelijk, in combinatie met waarnemingen van grondstations. Door innovaties op het gebied van gegevensverwerving en ‑verwerking, het samenvoegen van gegevensbestanden en de verspreiding van gegevens en interoperabiliteit, met name de bevordering van toegang tot en uitwisseling van geowetenschappelijke gegevens en metagegevens, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van innovatieve, ICT-gebaseerde vormen van samenwerking, kan ervoor worden gezorgd dat de investeringen in ruimtevaartinfrastructuur meer rendement opleveren en een bijdrage leveren aan het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen. Het kalibreren en valideren van ruimtegegevens (voor individuele instrumenten, tussen verschillende instrumenten en missies of met betrekking tot in situ-objecten) zijn van cruciaal belang voor een efficiënt gebruik van ruimtegegevens op alle terreinen, en de standaardisatie van ruimtegegevens en referentiekaders moet worden versterkt. De benutting van tijdens ruimtevaartmissies verkregen gegevens en de toegang daartoe vergen wereldwijde samenwerking. Wat aardobservatiegegevens betreft, zijn geharmoniseerde benaderingen en beste praktijken ten dele tot stand gebracht in coördinatie met de intergouvernementele organisatie Group on Earth Observation (GEO), die gericht is op de totstandbrenging van een wereldwijd systeem van systemen voor aardobservatie (Global Earth Observation System of Systems (GEOSS)), waaraan de Unie deelneemt door met name het Copernicus-programma optimaal te benutten. Een snelle integratie van deze innovaties in de relevante toepassingen en besluitvormingsprocessen zal worden ondersteund. Dit omvat tevens het benutten van gegevens voor verder wetenschappelijk onderzoek.

1.6.4.  Bevordering van Europees onderzoek ter ondersteuning van internationale ruimtevaartpartnerschappen

Het doel is steun te verlenen voor de bijdrage van Europese onderzoeks- en innovatie-inspanningen aan langdurige internationale ruimtevaartpartnerschappen.

Ruimtegegevens leveren belangrijke kennis op voor lokale toepassingen, maar ruimtevaartondernemingen hebben in de eerste plaats een mondiaal karakter. Dit is vooral duidelijk als het om kosmische gevaren voor de aarde of ruimtevaartsystemen gaat. Het verlies van satellieten als gevolg van kosmische weersomstandigheden en ruimteschroot kost ongeveer 100 miljoen euro per jaar. Ook talloze projecten op het gebied van ruimtewetenschap en ‑verkenning hebben een mondiaal karakter. De ontwikkeling van baanbrekende ruimtetechnologie vindt in toenemende mate in internationale partnerschappen plaats, zodat de toegang tot dergelijke internationale projecten een belangrijke factor is voor het welslagen van de inspanningen van de Europese onderzoekswereld en de Europese industrie. De bijdrage van de Unie aan dergelijke mondiale ruimtevaartondernemingen moet worden vastgelegd in strategische langetermijnplannen (met een looptijd van tien jaar of meer) en afgestemd op de beleidsprioriteiten van de Unie inzake ruimtevaart, en vergt coördinatie met de lidstaten en interne Europese partners, zoals het ESA, de nationale ruimtevaartagentschappen en zo nodig met internationale partners ▌en ruimtevaartagentschappen van ruimtevaartlanden ▌.

1.6.5.  Specifieke uitvoeringsaspecten

De prioriteiten voor de uitvoering van onderzoek en innovatie op ruimtegebied in het kader van "Horizon 2020" stemmen overeen met de beleidsprioriteiten van de Unie inzake ruimtevaart, zoals die zijn vastgesteld tijdens de bijeenkomsten van de Ruimteraad en in de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een ruimtevaartstrategie van de Europese Unie ten dienste van de Europese burger". De uitvoering ervan zal, waar passend, gebaseerd zijn op agenda's voor strategisch onderzoek die opgesteld zijn in overleg met de lidstaten en de nationale ruimtevaartagentschappen, de ESA, belanghebbenden uit de Europese ruimtevaartindustrie (met inbegrip van kmo's), de academische wereld, technologische instellingen en de Raadgevende Groep Ruimtevaart ▌. Wat betreft de deelname aan internationale projecten wordt de onderzoeks- en innovatieagenda vastgesteld in samenwerking met Europese belanghebbenden en de internationale partners (bijv. NASA, Roscosmos, JAXA).

De toepassing van de ruimtevaarttechnologieën zal waar passend ondersteund worden in het kader van de respectieve maatschappelijke uitdagingen.

2.  TOEGANG TOT RISICOKAPITAAL

Horizon 2020 voorziet in de oprichting van twee faciliteiten (de eigenvermogens- en schuldfaciliteit) met verschillende loketten. De eigenvermogensfaciliteit en het kmo-loket van de schuldenfaciliteit worden uitgevoerd in samenhang met Cosme, als onderdeel van twee financiële EU-instrumenten die eigen middelen en schuldfinanciering verstrekken om onderzoek en innovatie en groei in kmo's te ondersteunen.

De eigenvermogens- en de schuldfaciliteit kunnen, in voorkomend geval, toestaan dat financiële middelen worden gebundeld met middelen van lidstaten of regio's die bereid zijn een deel van de voor hen bestemde middelen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen in te brengen overeenkomstig artikel 33, lid 1, onder a), van de verordening inzake de Europese structuur- en investeringsfondsen.

In plaats van rechtstreeks leningen, garanties of aandelenkapitaal enz. aan de eindbegunstigden te verstrekken, delegeert de Commissie deze taak aan financiële instellingen, die met name in de vorm van risicodeling, garantieregelingen en de verstrekking van aandelenkapitaal of quasi-aandelenkapitaal steun zullen verlenen.

2.1.  Schuldfaciliteit

Via de schuldfaciliteit worden aan individuele begunstigden leningen verstrekt voor investeringen in onderzoek en innovatie, worden (tegen)garanties verleend aan financiële intermediairs die leningen aan begunstigden verstrekken, evenals combinaties van leningen en (tegen)garanties alsook garanties en/of tegengaranties voor nationale en regionale schuldfinancieringsregelingen. Met behulp van deze schuldfaciliteit wordt steun verleend voor vormingsactiviteiten en voor het specifieke kmo-instrument, afhankelijk van de vraag (zie deel II, afdeling 3. "Innovatie in kmo's" van deze bijlage). De steunverlening middels de schuldfaciliteit kan worden gecombineerd met de steunverlening door de eigenvermogensfaciliteit in het kader van een of meer geïntegreerde regelingen; hierbij is het mogelijk dat meervoudige subsidies worden verstrekt (inclusief forfaitaire subsidies). Zachte leningen, converteerbare leningen, achtergestelde leningen, participatieleningen, leaseovereenkomsten en effectisering behoren eveneens tot de mogelijkheden.

Naast het verstrekken van leningen en garanties volgens een marktgestuurde benadering en het beginsel "wie het eerst komt, het eerst maalt" is de schuldfaciliteit gericht op een reeks specifieke categorieën beleidslijnen en sectoren. Afgezonderde budgettaire bijdragen die voor dit doeleinde worden gereserveerd, kunnen, waar passend, afkomstig zijn uit:

a)  andere onderdelen van Horizon 2020, met name deel III "Maatschappelijke uitdagingen";

b)  andere financieringskaders, programma's en begrotingslijnen van de EU-begroting;

c)  bepaalde regio's en lidstaten die een bijdrage willen leveren uit middelen die afkomstig zijn uit de cohesiefondsen;

d)  specifieke entiteiten (zoals ▌gezamenlijke technologie-initiatieven) of initiatieven.

Dergelijke budgettaire bijdragen kunnen gedurende de looptijd van Horizon 2020 te allen tijde worden geleverd of worden aangevuld.

Het risicodelingspercentage en andere parameters kunnen al naargelang de beleids- of sectorcategorie variëren, op voorwaarde dat die waarden in overeenstemming zijn met de gemeenschappelijke regels inzake schuldfaciliteiten. Bovendien kunnen voor elke categorie binnen de algemene promotiecampagne voor de schuldfaciliteit specifieke communicatiestrategieën worden toegepast. Bovendien kan gebruik worden gemaakt van gespecialiseerde intermediairs op nationaal niveau indien specifieke deskundigheid vereist is om voorgestelde leningen in verband met een bepaalde categorie te beoordelen.

Het kmo-loket van de schuldfaciliteit is gericht op door onderzoek en innovatie aangestuurde kmo's en kleine midcap-ondernemingen met leningen van meer dan 150.000 euro, als aanvulling op de kmo-financiering via de leninggarantiefaciliteit in het kader van het programma voor het concurrentievermogen van bedrijven en kmo's. Het kmo-loket van de schuldfaciliteit dekt ook leningen van minder dan 150 000 euro voor door onderzoek en innovatie aangestuurde kmo's- en kleine midcap-ondernemingen.

De hefboomwerking van de schuldfaciliteit – gedefinieerd als het totale financieringsvolume (d.w.z. de EU-financiering plus de bijdragen van andere financiële instellingen) gedeeld door de financiële bijdrage van de Unie – zal naar verwachting tussen de 1,5 en de 6,5 bedragen, afhankelijk van de betrokken activiteiten (risiconiveau, beoogde begunstigden en de betrokken faciliteit in het kader waarvan de schuldfaciliteit wordt uitgegeven). Het multiplicatoreffect – gedefinieerd als het totale bedrag aan investeringen van ondersteunde begunstigden gedeeld door de financiële bijdrage van de Unie – zal naar verwachting tussen de 5 en de 20 bedragen, al naargelang het type activiteiten.

2.2.  Eigenvermogensfaciliteit

De eigenvermogensfaciliteit legt het accent op risicokapitaalfondsen en publieke en particuliere dakfondsen voor aanloopinvesteringen en/of het verstrekken van mezzaninekapitaal aan individuele particuliere ondernemingen. Deze ondernemingen kunnen bovendien een beroep doen op schuldfinanciering via financiële intermediairs die de schuldfaciliteit ten uitvoer leggen. Voorts zal in het kader van de eigenvermogensfaciliteit tevens worden nagegaan of business angels en andere mogelijke bronnen van aandelenfinanciering kunnen worden ondersteund. Hieronder kan ook, afhankelijk van de vraag, steun in fase 3 van het kmo-instrument vallen, alsook steun voor de overdracht van technologie (inclusief de overdracht van onderzoeksresultaten en uitvindingen uit publiek onderzoek naar de producerende sector, bijvoorbeeld via conceptvalidaties).

De faciliteit zal ook groei- en uitbreidingsinvesteringen kunnen doen in samenhang met de eigenvermogensfaciliteit voor groei (Equity Facility for Growth – EFG) in het kader van het programma voor het concurrentievermogen van bedrijven en kmo's (met inbegrip van investeringen in dakfondsen met een breed beleggerspubliek, waaronder particuliere instellingen en strategische beleggers en nationale publiekrechtelijke en semipubliekrechtelijke financiële instellingen). In het laatste geval mag de investering uit de eigenvermogensfaciliteit van Horizon 2020 niet meer dan 20 % van de totale investeringen door de EU bedragen, behalve bij meerfasige beleggingsfondsen waarbij financiering uit het EFG en de eigenvermogensfaciliteit voor O&O&I verstrekt wordt op een pro rata basis, naargelang het investeringsbeleid van het Fonds. Zoals de EFG, vermijdt de eigenvermogensfaciliteit buy-outkapitaal of vervangingskapitaal voor de ontmanteling van een overgenomen onderneming. De Commissie kan beslissen de drempel van 20 % te wijzigen in het licht van veranderende marktomstandigheden.

De in afdeling 2, eerste alinea, bedoelde eigenvermogensfaciliteit van de EU voor O&I en groei in kmo's moet qua omvang en schaal passend zijn om innovatieve ondernemingen vanaf het begin te ondersteunen in de richting van groei en expansie, in het kader van een geïntegreerde aanpak.

De investeringsparameters worden dusdanig gekozen dat specifieke beleidsdoelstellingen kunnen worden bereikt en ook specifieke groepen potentiële begunstigden kunnen worden aangesproken, en tegelijkertijd het marktgerichte karakter en de door vraag gestuurde benadering van deze faciliteit wordt gewaarborgd.

De eigenvermogensfaciliteit kan worden aangevuld door budgettaire bijdragen uit andere onderdelen van Horizon 2020; andere financieringskaders, programma's en begrotingslijnen van de EU-begroting en bijdragen van bepaalde regio's en lidstaten en specifieke entiteiten of initiatieven.

De hefboomwerking van de schuldfaciliteit – gedefinieerd als het totale financieringsvolume (d.w.z. de EU-financiering plus de bijdragen van andere financiële instellingen) gedeeld door de financiële bijdrage van de Unie – zal naar verwachting rond de 6 bedragen, afhankelijk van de specifieke marktvoorwaarden, terwijl het multiplicatoreffect – gedefinieerd als het totale bedrag aan investeringen van ondersteunde begunstigden gedeeld door de financiële bijdrage van de Unie – naar verwachting gemiddeld 18 zal bedragen.

2.3.  Specifieke uitvoeringsaspecten

De uitvoering van de twee faciliteiten wordt, in overeenstemming met het Financieel Reglement, gedelegeerd aan de Europese Investeringsbankgroep (EIB, EIF) en/of andere financiële instellingen die met het beheer van financiële instrumenten kunnen worden belast. De opzet en uitvoering van die instrumenten zal worden gebaseerd op de algemene bepalingen inzake financiële instrumenten van het Financieel Reglement en op meer specifieke operationele vereisten die in de richtsnoeren van de Commissie zullen worden vastgesteld. Het inzetten van financiële instrumenten moet een duidelijke Europese meerwaarde hebben: het moet een hefboomeffect genereren en complementair zijn aan nationale instrumenten.

Particuliere en publieke of semipublieke financiële instellingen, nationale en regionale overheidsbanken en nationale en regionale investeringsbanken kunnen optreden als financiële intermediairs, mits zij op basis van openbare, transparante, evenredige en niet-discriminerende procedures geselecteerd zijn door met de tenuitvoerlegging van financieringsinstrumenten belaste entiteiten overeenkomstig artikel 139, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie(21).

De elementen van beide faciliteiten kunnen worden gecombineerd, waarbij meervoudige subsidies (inclusief forfaitaire subsidies) mogelijk zijn, in het kader van een of meer geïntegreerde regelingen ter ondersteuning van bepaalde categorieën begunstigden of specifieke projecten, zoals kmo's en midcaps met groeipotentieel, of de grootschalige demonstratie van innovatieve technologieën.

De tenuitvoerlegging van de faciliteiten wordt geflankeerd door een reeks aanvullende maatregelen. Hiertoe behoort onder meer technische bijstand aan financiële intermediairs die betrokken zijn bij de beoordeling van kredietaanvragen of de waardering van vermogen in de vorm van kennis; bevordering van de aantrekkelijkheid voor investeerders door ondersteuning van starters, coaching en mentorschap van kmo's en bevordering van de contacten met potentiële investeerders; maatregelen om risicokapitaalondernemingen en business angels bewuster te maken van het groeipotentieel van innovatieve kmo's die betrokken zijn bij financieringsprogramma's van de EU; regelingen om particuliere investeerders aan te trekken om de groei van innovatieve kmo's en midcaps te ondersteunen; maatregelen om grensoverschrijdende en meerlandenfinanciering, alsook aandelenfinanciering, te verbeteren; regelingen om liefdadigheidsinstellingen en particulieren aan te moedigen om onderzoek en innovatie te steunen; en regelingen om de verstrekking van vennootschappelijk durfkapitaal (corporate venturing) te bevorderen en de activiteiten van family offices en business angels aan te moedigen.

Met betrekking tot de voorbereiding en de uitvoering van deze activiteiten moeten, zo nodig, organen zoals regionale overheden, kmo-verenigingen, kamers van koophandel en betrokken financiële intermediairs worden geraadpleegd.

Voorts zal worden toegezien op complementariteit met de faciliteiten van het Programma voor het concurrentievermogen van bedrijven en kmo's (Cosme).

3.  INNOVATIE IN KMO'S

3.1.  Integratie van de ondersteuning van het midden- en kleinbedrijf, in het bijzonder via een specifiek instrument

In alle onderdelen van Horizon 2020 wordt aandacht besteed aan de ondersteuning van kmo's. Voor dit doel zullen er voor deelname aan Horizon 2020 betere voorwaarden voor kmo's worden geschapen. Voorts wordt een specifiek kmo-instrument ingesteld dat gericht is op alle soorten innovatieve kmo's die duidelijk de ambitie hebben om zich verder te ontwikkelen, te groeien en hun activiteiten te internationaliseren. Het instrument zal worden ingezet voor alle categorieën van innovatie, ook voor niet-technologische en sociale innovaties en innovaties met betrekking tot diensten, mits elke activiteit een duidelijke Europese meerwaarde heeft. Het oogmerk is om de financieringskloof in alle stadia van onderzoek en innovatie met een hoog risico te helpen overbruggen, baanbrekende innovatie te stimuleren en de commerciële toepassing van onderzoeksresultaten in de particuliere sector te vergroten.

Voor alle rubrieken met betrekking tot maatschappelijke uitdagingen en ontsluitende en industriële technologieën wordt het specifieke kmo-instrument toegepast, en hieraan worden passende financiële middelen toegewezen, met als doel te bewerkstelligen dat ten minste 20 % van de totale gecombineerde begrotingen voor alle specifieke doelstellingen van het onderdeel "Maatschappelijke uitdagingen" en voor de specifieke doelstelling "Leiderschap op het gebied van ontsluitende en industriële technologieën" aan kmo's wordt besteed.

Alleen kmo's kunnen financiële middelen en andere steun aanvragen. Indien daaraan behoefte bestaat, kunnen zij samenwerkingsverbanden vormen, ook om onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten uit te besteden. De projecten moeten duidelijk in het belang zijn van en voordelen opleveren voor kmo's en moeten over een uitgesproken Europese dimensie beschikken.

Binnen elke rubriek met betrekking tot een maatschappelijke uitdaging of ontsluitende technologie is het kmo-instrument op basis van een bottom‑up-aanpak van toepassing op alle gebieden van wetenschap, technologie en innovatie, zodat genoeg speelruimte bestaat voor de financiering van allerlei veelbelovende ideeën, met name voor grensoverschrijdende en interdisciplinaire projecten.

De steunverlening in het kader van het kmo-instrument is vereenvoudigd en gefaseerd. De drie fasen betreffen de hele innovatiecyclus. Er wordt gezorgd voor een naadloze overgang van de ene naar de andere fase, vooropgesteld dat het kmo-project op grond van de behaalde resultaten in de vorige fase in aanmerking komt voor verdere steun. Aanvragers zijn niet verplicht om de drie fasen achtereenvolgens te doorlopen. Tegelijkertijd staat elke fase open voor alle kmo's:

–  Fase 1: Concept en haalbaarheidsbeoordeling:

Aan kmo's wordt financiering verstrekt om als voorbereiding op een innovatieproject de wetenschappelijke of technische haalbaarheid en het commerciële potentieel van een nieuw idee ("proof-of-concept") te toetsen. Indien deze beoordeling positief is – de koppeling tussen het thema van het project en de mogelijke behoeften van gebruiker/koper is daarin een belangrijk punt – kan steun worden verleend in de volgende fase(n).

–  Fase 2: O&O, demonstratie, markttoepassing:

Met de nodige aandacht voor het concept van "innovatievouchers" wordt steun verleend voor onderzoek en ontwikkeling, met bijzondere aandacht voor demonstratie (tests, ontwikkeling van prototypes, schaalvergrotingsstudies, ontwerp, innovatieve proefprocessen, producten en diensten, validatie, prestatietoetsen, enz.) en markttoepassing, waarbij de betrokkenheid van eindgebruikers of potentiële klanten wordt aangemoedigd. Innovatievouchers zullen de deelname van jonge ondernemers bevorderen.

–  Fase 3: Commerciële toepassing:

Deze fase, waarin alleen voor ondersteunende activiteiten rechtstreekse financiële steun wordt verleend, is gericht op de vergemakkelijking van de toegang tot particulier kapitaal en omgevingen die bevorderlijk zijn voor innovatie. Er wordt voorzien in koppelingen met de financiële instrumenten (zie deel II, afdeling 2 – "Toegang tot risicokapitaal", in deze bijlage), bijvoorbeeld door voor kmo's die fase 1 en/of 2 succesvol hebben doorlopen een bepaald bedrag aan financiële middelen te reserveren. Kmo's kunnen tevens profiteren van ondersteunende maatregelen als het vormen van netwerken, scholing, coaching en adviesverlening. Bovendien kunnen deze maatregelen vergezeld gaan van maatregelen ter bevordering van precommerciële inkoop en inkoop van innovatieve oplossingen.

Door het kmo-instrument in het kader van alle onderdelen van Horizon 2020 gelijkelijk te promoten, uit te voeren en te monitoren, wordt gewaarborgd dat kmo's gemakkelijk toegang krijgen tot het instrument. Op basis van bestaande netwerken ter ondersteuning van kmo's, zoals het Enterprise Europe Network en andere dienstaanbieders op het gebied van innovatie, wordt voor de begunstigde kmo's een mentorschapsregeling ingesteld om voor een snellere impact van de verleende steun te zorgen. Voorts zal worden nagegaan of er verbanden met nationale en/of regionale intermediairs kunnen worden gelegd om te zorgen voor een efficiënte uitvoering van de mentorschapsregeling.

Daarnaast wordt een speciaal orgaan van belanghebbenden en deskundigen op het gebied van onderzoek en innovatie in kmo's opgezet om de specifieke kmo-maatregelen in het kader van Horizon 2020 te promoten en te begeleiden.

3.2.  Specifieke steun

3.2.1.  Steun voor onderzoeksintensieve kmo's

In het kader van een specifieke actie wordt steun verleend voor een transnationale marktgerichte innovatie van kmo's die O&O verrichten. De actie is gericht op onderzoeksintensieve kmo's in sectoren die ook moeten aantonen dat zij in staat zijn de beoogde resultaten commercieel te exploiteren.

De actie heeft betrekking op alle gebieden van wetenschap en technologie en is gebaseerd op een bottom‑up-aanpak om tegemoet te komen aan de behoeften van kmo's die O&O verrichten.

De actie wordt uitgevoerd in het kader van een initiatief als bedoeld in artikel 185 VWEU dat is gebaseerd op het gezamenlijk programma Eurostars, met de nodige aanpassingen zoals die in de tussentijdse evaluatie zijn aanbevolen.

3.2.2.  Versterking van het innovatievermogen van kmo's

Er zal steun worden verleend voor transnationale activiteiten die bijdragen tot de uitvoering van en een aanvulling vormen op de specifieke kmo-maatregelen in het kader van het gehele Horizon 2020-programma, met name ter versterking van het innovatievermogen van kmo's. Hiertoe behoren onder meer bewustmakings-, voorlichtings- en verspreidingsactiviteiten, opleidings- en mobiliteitsmaatregelen, het vormen van netwerken en de uitwisseling van beste praktijken, de ontwikkeling van hoogwaardige mechanismen ter bevordering van innovatie en diensten met een sterke Europese toegevoegde waarde voor kmo's (bijv. op het gebied van het beheer van intellectuele eigendom en innovatiebeheer, kennisoverdracht, innovatief gebruik van ICT en e‑vaardigheden in kmo's), alsmede bijstand aan kmo's om contacten te knopen met onderzoeks- en innovatiepartners in de hele Unie, zodat zij in staat worden gesteld zich vertrouwd te maken met nieuwe technologie en hun innovatievermogen kunnen vergroten. Bemiddelende organisaties die groepen innovatieve kmo's vertegenwoordigen, zullen worden uitgenodigd om met kmo's die over elkaar wederzijds versterkende competenties beschikken, sector- en regio-overschrijdende innovatieve activiteiten te ontplooien, om zo nieuwe industriële waardeketens tot stand te brengen.

Deze activiteiten zullen waar passend gecoördineerd worden met soortgelijke nationale maatregelen. Beoogd wordt nauw samen te werken met het netwerk nationale contactpunten. In de context van nationale en regionale innovatiestrategieën voor slimme specialisatie zal worden gestreefd naar synergie met het cohesiebeleid van de Unie.

Het is de bedoeling om de betrekkingen met het Enterprise Europe Network te versterken (in het kader van het Programma voor het concurrentievermogen van bedrijven en kmo's) en aldus de coördinatie met de nationale contactpunten te garanderen. De steun kan verschillende vormen aannemen, van de verbetering van voorlichtings- en adviesdiensten door mentorschap, coaching en het zoeken van de juiste partners voor kmo's die grensoverschrijdende innovatieprojecten willen ontwikkelen, tot diensten ter ondersteuning van innovatie. Op deze wijze worden de één-loket-benadering van het Enterprise Europe Network ter ondersteuning van kmo's versterkt, samen met de regionale en lokale aanwezigheid van het netwerk.

3.2.3.  Ondersteunen van marktgerichte innovaties

Hierdoor wordt transnationale marktgestuurde innovatie ondersteund met het oog op de vergroting van het innovatievermogen van kmo's door een verbetering van de randvoorwaarden voor innovatie en het wegnemen van specifieke belemmeringen die de groei van innovatieve ▌kmo's ▌met een hoog groeipotentieel, in de weg staan. Daarnaast zal gespecialiseerde steun worden verleend voor innovatie (bijv. op het gebied van de exploitatie van intellectuele eigendom, netwerken van aankopende instanties, steun voor bureaus voor technologieoverdracht, strategisch ontwerp) en voor de doorlichting van overheidsbeleid met betrekking tot innovatie.

DEEL III

MAATSCHAPPELIJKE UITDAGINGEN

1.  GEZONDHEID, DEMOGRAFISCHE VERANDERINGEN EN WELZIJN

Effectieve, op een robuuste empirische grondslag berustende gezondheidsbevordering draagt bij aan ziektepreventie, meer welzijn en kostenbesparing. Het bevorderen van de gezondheid, actief ouder worden en welzijn en ziektepreventie is ook afhankelijk van een goed inzicht in de gezondheidsdeterminanten, van effectieve preventie-instrumenten, zoals vaccins, van effectieve gezondheids- en ziektebewaking en ‑paraatheid, en van effectieve controleprogramma's.

Geslaagde pogingen om ziekten, handicaps, kwetsbaarheid en verminderde functionaliteit te voorkomen, in een vroeg stadium te ontdekken, te beheersen, te behandelen en te genezen, worden ondersteund door een fundamenteel inzicht in de oorzaken, processen en gevolgen ervan alsmede in de factoren die aan een goede gezondheid en aan welbevinden ten grondslag liggen. Voor een beter inzicht in gezondheid en ziekte moeten fundamenteel, klinisch, epidemiologisch en sociaal-economisch onderzoek nauw met elkaar verbonden zijn. Effectieve gegevensuitwisseling en de koppeling van deze gegevens aan onder realistische omstandigheden uitgevoerde grootschalige cohortstudies zijn ook van cruciaal belang evenals de vertaling van onderzoeksresultaten naar de klinische praktijk, met name door uitvoering van klinische proeven.

De aanpassing aan de toenemende druk op de gezondheidszorg en de zorgsector als gevolg van de vergrijzing vormt een opgave voor de samenleving. Als we een effectieve (gezondheids)zorg voor alle leeftijden willen behouden, zijn inspanningen nodig om de besluitvorming op het gebied van preventie en behandeling te verbeteren en te versnellen, om beste praktijken in de gezondheidszorg aan te wijzen en de verspreiding ervan te steunen, om mensen bewust te maken en om geïntegreerde zorg te ondersteunen. Een beter begrip van de vergrijzingsprocessen en het voorkomen van leeftijdgebonden ziekten vormen de basis voor een beleid dat erop gericht is Europese burgers hun hele leven lang gezond en actief te houden. Van even groot belang is de brede toepassing van technologische, organisatorische en maatschappelijke innovaties die ▌ouderen, personen met chronische ziekten maar ook mensen met een handicap in staat stellen om actief te blijven en hun zelfstandigheid te behouden. Dit zal bijdragen aan het vergroten en verlengen van hun fysieke, sociale en geestelijke welzijn.

In de toepasselijke onderdelen van het programma dienen de activiteiten mede betrekking te hebben op chronische aandoeningen en ziekten, onder meer, doch niet beperkt tot: cardiovasculaire ziekten (CVZ), kanker, stofwisselingsziekten en risicofactoren waaronder diabetes, chronische pijn, neurologische, neurodegeneratieve en geestelijke aandoeningen en verslavingsstoornissen, zeldzame ziekten, overgewicht en zwaarlijvigheid, auto-immuunziekten, reumatische en spier- en skeletaandoeningen en diverse ziekten die verschillende organen aantasten, alsmede acute omstandigheden en verscheidene functiebeperkingen. Evenzo moet de aandacht gaan naar infectieziekten, waaronder, doch niet beperkt tot hiv/aids, tuberculose en malaria, verwaarloosde en armoedegerelateerde ziekten en ziekten die van dieren op mensen overgaan, opkomende epidemieën, alsmede het gevaar van toenemende antimicrobiële resistentie en beroepsziekten en werkgerelateerde aandoeningen.

Gepersonaliseerde geneeskunde moet worden ontwikkeld om te komen tot nieuwe preventieve en therapeutische benaderingen van de behoeften van de patiënten, en deze moet worden geschraagd door een vroege ziektedetectie.

Al deze activiteiten zullen op zodanige wijze worden ondernomen dat ze gedurende de gehele onderzoeks- en innovatiecyclus steun bieden en het concurrentievermogen van de in Europa gevestigde industrieën en de ontwikkeling van nieuwe afzetmogelijkheden versterken. Er wordt steun verleend aan translationele benaderingen waarin verschillende stappen van het innovatieproces in de gezondheidssector zijn geïntegreerd.

De specifieke activiteiten worden hieronder nader beschreven.

1.1.  Inzicht verkrijgen in gezondheid, welzijn en ziekte

1.1.1.  Inzicht verkrijgen in de determinanten van gezondheid en verbetering van gezondheidsbevordering en ziektepreventie

Een beter inzicht in de determinanten van gezondheid is noodzakelijk om de nodige wetenschappelijke gegevens te kunnen vergaren voor een doeltreffende gezondheidsbevordering en ziektepreventie en is ook een voorwaarde voor de ontwikkeling van gedetailleerde gezondheids- en welzijnsindicatoren in de Unie, op basis van bestaande gegevensbronnen en indicatorenstelsels. Uit dit oogpunt worden milieu-, gedrags- (waaronder levenswijze), psychologische, organisatorische, culturele, sociaal-economische, biologische en genetische factoren in de ruimste zin onderzocht. De hiertoe gevolgde benaderingen omvatten onder meer cohortstudies en de koppeling daarvan aan gegevens die zijn verkregen door onderzoek op het gebied van "‑omica", systeembiogeneeskunde, waaronder ter zake dienende toepassingen van systeembiologie en andere methoden.

Met name is voor een beter begrip van het milieu als determinant van gezondheid een interdisciplinaire aanpak nodig waarin voor de mens relevante moleculair-biologische, epidemiologische en toxicologische benaderingen en de daaruit resulterende gegevens worden geïntegreerd, met het oog op het onderzoeken van het gedrag van diverse chemicaliën, de gecombineerde blootstelling aan milieuvervuilende stoffen en andere milieu- en klimaatgerelateerde stressfactoren, het verrichten van geïntegreerde toxicologische toetsen en het vinden van alternatieven voor dierproeven. Er zijn op het gebied van blootstellingsevaluaties innovatieve benaderingen nodig die gebruik maken van biomarkers van de nieuwe generatie op basis van "‑omica" en epigenetica, menselijke biomonitoring, persoonlijke blootstellingsevaluaties en ‑modellen, om inzicht te krijgen in gecombineerde, cumulatieve en nieuwe blootstellingen, waarbij sociaal-economische, culturele, beroepsgerelateerde, psychologische en gedragsfactoren worden geïntegreerd. Er zal steun worden verleend voor de integratie van milieugegevens via geavanceerde informatiesystemen.

Op deze wijze kunnen bestaande en geplande beleidsmaatregelen en programma's worden geëvalueerd en kan beleidsondersteuning worden verleend. Tevens kunnen betere gedragsinterventies en preventie- en voorlichtingsprogramma's worden ontwikkeld, onder meer met betrekking tot gezondheidsvaardigheden inzake voeding, lichaamsbeweging, inenting en andere ingrepen in het kader van primaire gezondheidszorg.

1.1.2.   Inzicht in ziekten

Er moet meer inzicht worden verkregen in gezondheid en ziekten gedurende de gehele levenscyclus van de mens, zodat nieuwe en betere preventiemaatregelen en diagnose-, behandelings- en revalidatiemethoden kunnen worden ontwikkeld. Interdisciplinair, fundamenteel en translationeel onderzoek is van essentieel belang om het inzicht in alle aspecten van ziekteprocessen te verbeteren, met inbegrip van een herclassificatie van normale variatie en ziekte op basis van moleculaire gegevens, en om onderzoeksresultaten te valideren en te gebruiken voor klinische toepassingen.

Het basisonderzoek op dit gebied heeft betrekking op (de aanmoediging van) de ontwikkeling en het gebruik van nieuwe instrumenten en benaderingen voor het genereren van biomedische gegevens en omvat onder meer biologische beeldvorming, "‑omica", "high throughput"-onderzoek en systeemgeneeskundige benaderingen. Voor deze activiteiten is, zoals hierboven beschreven, een nauwe koppeling tussen fundamenteel en klinisch onderzoek en langdurige cohortstudies (en de bijbehorende onderzoeksdomeinen) vereist. Daarnaast zijn nauwe betrekkingen met onderzoeks- en medische infrastructuur (databanken, biobanken, enz.) nodig met het oog op standaardisatie, opslag, uitwisseling van en toegang tot gegevens, die alle een essentiële rol spelen als het erom gaat optimaal van de beschikbare gegevens gebruik te maken en de ontwikkeling van innovatievere en doeltreffendere methoden voor het analyseren en combineren van gegevensbestanden te stimuleren.

1.1.3.  Verbetering van bewakings- en voorzorgsmaatregelen

Menselijke populaties worden bedreigd door nieuwe en opkomende infecties, vooral afkomstig van zoönoses, alsmede door infecties die het gevolg zijn van de resistentie van bepaalde pathogene organismen tegen geneesmiddelen, en door andere directe of indirecte gevolgen van klimaatverandering en het internationaal personenverkeer. Er zijn nieuwe of betere methoden nodig voor de bewaking van ziekten, het stellen van diagnoses, netwerken voor vroege waarschuwing, de organisatie van gezondheidsdiensten en voorzorgscampagnes, voor de ontwikkeling van epidemiologische modellen, een effectieve reactie op pandemieën, evenals inspanningen om het vermogen tot bestrijding van resistente verwekkers van besmettelijke ziekten te waarborgen en te versterken.

1.2.   Ziektepreventie

1.2.1.  Ontwikkeling van effectieve preventie- en controleprogramma's en betere beoordeling van de vatbaarheid voor bepaalde ziekten

De ontwikkeling van preventie- en controleprogramma's is afhankelijk van de identificatie van vroege biomarkers (onder meer functionele en gedragsgerelateerde) voor het risico op en het begin van ziekten, en de opzet ervan moet gebaseerd zijn op internationaal aanvaarde criteria. De toepassing ervan is afhankelijk van de beproeving en validatie van controlemethoden en ‑programma's. Er moet kennis worden gegenereerd en er moeten methoden worden ontwikkeld om individuen en populaties te identificeren die een klinisch gezien relevant verhoogd risico op ziekte vertonen. Door individuen en populaties met een hoog ziekterisico te identificeren, kunnen gepersonaliseerde, gestratificeerde en collectieve strategieën worden ontwikkeld voor een doeltreffende en kostenefficiënte ziektepreventie.

1.2.2.   Verbetering van diagnose en prognose

Er moet meer inzicht worden verkregen in gezondheid, ziekte en ziekteprocessen gedurende de volledige levenscyclus om nieuwe en effectievere diagnostiek en theranostiek te kunnen ontwikkelen. Innovatieve en bestaande methoden, technologieën en instrumenten zullen (verder) worden ontwikkeld met het oog op een significante verbetering van het ziekteverloop door middel van een vroegere, nauwkeurigere diagnose en prognose en door een toegankelijke, meer patiëntgerichte behandeling.

1.2.3.  Ontwikkeling van betere preventieve en therapeutische vaccins

Er bestaat behoefte aan meer effectieve preventieve en therapeutische ingrepen en vaccins en op feiten gebaseerde vaccinatieplannen voor een bredere reeks ziekten, waaronder armoedegerelateerde ziekten zoals hiv/aids, tuberculose, malaria en verwaarloosde infectieziekten, alsmede voor andere ernstige ziekten. Hiervoor moet meer inzicht worden verworven in ziekten en ziekteprocessen en daaruit voortvloeiende epidemieën en moeten klinische proeven en bijbehorende studies worden verricht.

1.3.  Behandeling en beheersing van ziekten

1.3.1.  Behandeling van ziekten, met inbegrip van de ontwikkeling van regeneratieve geneeskunde

Er moet steun worden verleend voor: de verbetering van horizontale ondersteunende technologieën met betrekking tot geneesmiddelen, biotherapieën, vaccins en andere therapeutische benaderingen, met inbegrip van transplantaties, chirurgie, gen- en celtherapie en nucleaire geneeskunde; effectievere ontwikkelingsprocessen voor geneesmiddelen en vaccins (met inbegrip van alternatieve methoden ter vervanging van klassieke veiligheids- en effectiviteitsproeven, zoals de ontwikkeling van nieuwe methoden); de ontwikkeling van benaderingen op het gebied van de regeneratieve geneeskunde, met inbegrip van op stamcellen gebaseerde benaderingen; de ontwikkeling van biologische geneesmiddelen, waaronder therapeutische vaccins; de ontwikkeling van betere medische apparaten en systemen en andere hulpmiddelen; verbetering van palliatieve behandelingen; handhaving en verbetering van het vermogen om ▌ziekten te bestrijden en medische ingrepen te verrichten die afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van doeltreffende en veilige antimicrobiële geneesmiddelen; en de ontwikkeling van omvattende benaderingen voor de behandeling van comorbiditeiten op alle leeftijden en het voorkomen van polifarmacie. Door deze verbeteringen zal de ontwikkeling van nieuwe, efficiëntere, doeltreffendere en duurzamere en op de individuele patiënt toegesneden behandelingen van ziekten en handicaps en kwetsbaarheid, met inbegrip van geavanceerde therapieën en celtherapieën ter behandeling van chronische ziekten, worden bevorderd.

1.3.2.   Overdracht van kennis naar de klinische praktijk en schaalbare innovatieacties

Klinische proeven zijn een belangrijk middel voor het aanwenden van biomedische kennis in toepassingen op patiënten, en er wordt steun verleend voor die proeven, alsmede voor de verbetering van de praktijk op dat gebied. Voorbeelden hiervan zijn het ontwikkelen van betere methoden die het mogelijk maken proeven beter te richten op relevante populaties, met inbegrip van patiëntengroepen die aan reeds andere bijkomende ziekten lijden en/of reeds in behandeling zijn, de vergelijkende beoordeling van de effectiviteit van ingrepen en oplossingen, en een sterker gebruik van databanken en elektronische gezondheidsregisters als gegevensbronnen voor proeven en kennisoverdracht. Ook de preklinische en/of klinische ontwikkeling van bepaalde weesgeneesmiddelen wordt ondersteund. Tevens wordt steun verleend voor de overdracht van andere soorten interventies, bijvoorbeeld op het gebied van zelfstandig wonen in realistische omstandigheden.

1.4.  Actief ouder worden en zelf beheren van de gezondheid

1.4.1.  Actief ouder worden, zelfstandig en begeleid wonen

Multidisciplinaire geavanceerde en toegepaste onderzoeks- en innovatieactiviteiten in het kader van sociaal-economische wetenschappen, gedragswetenschappen, geriatrie en gerontologie, digitale en andere wetenschappen zijn nodig met het oog op kosteneffectieve, gebruikersvriendelijke oplossingen voor een actief, zelfstandig en begeleid dagelijks leven (thuis, op het werk, in openbare ruimten, enz.) van ouderen en personen met een handicap, met inachtneming van genderverschillen. Dit geldt voor een verscheidenheid aan omgevingen en voor technologieën, systemen en diensten die gericht zijn op de verbetering van de levenskwaliteit en het functioneren van de mens, met inbegrip van mobiliteit, slimme gepersonaliseerde ondersteuningstechnologieën, diensten en sociale robotica, en ondersteunende leefomgevingen. Proefprojecten voor onderzoek en innovatie gericht op de implementatie en brede markttoepassing van oplossingen zullen eveneens worden gesteund. De klemtoon zal worden gelegd op de betrokkenheid van eindgebruikers, gebruikersgemeenschappen en formele/informele zorgverleners.

1.4.2.  Individueel bewustzijn van en individuele verantwoordelijkheid voor het zelf beheren van de gezondheid

Door de burgers verantwoordelijkheid te laten nemen voor de verbetering van en de zorg voor de eigen gezondheid gedurende hun hele leven, kunnen de stelsels voor gezondheidszorg meer kosteneffectief worden gemaakt doordat de begeleiding van chronische ziekten extramuraal kan plaatsvinden, en kunnen betere gezondheidsresultaten worden bereikt. Hiervoor is onderzoek nodig naar sociaal-economische factoren en culturele waarden, gedrags- en sociale modellen, ▌attitudes en wensen ten aanzien van gepersonaliseerde gezondheidstechnologieën, mobiele en/of draagbare instrumenten, nieuwe diagnosemethoden, sensoren en apparatuur voor monitoring en gepersonaliseerde diensten, met inbegrip van maar niet beperkt tot instrumenten gebaseerd op nanogeneeskunde ter bevordering van een gezonde levensstijl, welzijn, mentale gezondheid, zelfzorg, betere interactie tussen de burger en professionele zorgverleners, gepersonaliseerde programma's voor patiënten- en gehandicaptenzorg, onder meer ter verbetering van de autonomie van de patiënt, en steun voor kennisinfrastructuur. Oplossingen zullen worden ontwikkeld en getest met gebruikmaking van open innovatieplatformen zoals grootschalige demonstratieprojecten voor sociale innovatie en innovatie van diensten.

1.5.  Methoden en gegevens

1.5.1.  Verbetering van de gezondheidsinformatie en beter gebruik van gezondheidsgegevens

De integratie van infrastructuur en informatiestructuren en ‑bronnen (met inbegrip van informatie verkregen uit cohortstudies, protocollen, gegevensverzamelingen, indicatoren, onderzoeken door de gezondheidsinspectie, enz.) alsmede de standaardisatie, interoperabiliteit, opslag, uitwisseling van en toegang tot gegevens worden ondersteund, om de duurzaamheid op lange termijn en een doeltreffend gebruik van die informatie te kunnen waarborgen. Hierbij dient ook aandacht te worden besteed aan gegevensverwerking, kennisbeheer, de ontwikkeling van modellen, visualisatie, ICT-beveiliging en aangelegenheden in verband met de persoonlijke levenssfeer. In het bijzonder moet de beschikbaarheid van informatie en gegevens over negatieve resultaten en schadelijke effecten van behandelingen worden verbeterd.

1.5.2.  Verbetering van wetenschappelijke instrumenten en methoden ter ondersteuning van beleidsvorming en regelgeving

Er bestaat behoefte aan steun voor onderzoek, ontwikkeling, integratie en gebruik van wetenschappelijke instrumenten, methoden en statistieken voor snelle en betrouwbare beoordelingen en voorspellingen met betrekking tot de veiligheid, effectiviteit en kwaliteit van ingrepen en technologieën op het gebied van gezondheid, met inbegrip van nieuwe geneesmiddelen, biologische middelen, geavanceerde therapieën en medische apparatuur. Dit is met name van belang voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van onder meer biologische geneesmiddelen, vaccins, antimicrobiële middelen, cel-, weefsel- en gentherapieën, organen en transplantaties, specialist manufacturing, biobanken, nieuwe medische apparatuur, combinatieproducten, diagnose- en behandelingsprocedures, genetische tests, interoperabiliteit en e‑gezondheid, met inbegrip van aspecten van de persoonlijke levenssfeer. Tevens is steun nodig voor verbeterde risicobeoordelingsmethoden, referentiekaders voor de conformiteit, testbenaderingen en strategieën met betrekking tot milieu en gezondheid. Daarnaast bestaat er behoefte aan steun voor de ontwikkeling van relevante methoden ter ondersteuning van de beoordeling van ethische aspecten die bij de hierboven genoemde gebieden komen kijken.

1.5.3.  In-silico-geneeskunde voor een betere beheersing en voorspelling van ziekten

Op computersimulaties gebaseerde medische systemen die gebruik maken van patiëntspecifieke gegevens en berusten op systeemgeneeskundige benaderingen en fysiologische modellering kunnen worden toegepast om de gevoeligheid voor ziekten, het ziekteverloop en de verwachte behandelingsresultaten in kaart te brengen. Modelgebaseerde simulatie kan worden gebruikt ter ondersteuning van klinische proeven, ter verhoging van de voorspelbaarheid van de respons van de patiënt op de behandeling en voor het personaliseren en optimaliseren van de behandeling.

1.6.  Gezondheidszorgverlening en geïntegreerde zorgverlening

1.6.1.   Bevordering van geïntegreerde zorg

De ondersteuning van de extramurale verzorging van chronisch zieken, inclusief patiënten met een handicap, is ook afhankelijk van betere samenwerking tussen de zorgverleners in de gezondheidszorg en de verleners van maatschappelijke zorg en mantelzorg. Er wordt steun verleend aan onderzoek en innovatieve toepassingen met betrekking tot besluitvorming op basis van verspreide informatie waarbij zowel de fysieke als de mentale gezondheid, met inbegrip van psychosociale aspecten, worden bekeken, en voor het verzamelen van gegevens met betrekking tot de brede toepassing en commerciële exploitatie van nieuwe oplossingen, met inbegrip van interoperabele diensten voor de verlening van gezondheids- en zorgdiensten op afstand. Met name in de context van demografische veranderingen wordt ook steun verleend aan onderzoek en innovatie ter verbetering van de organisatie van langetermijnzorgverlening, alsmede aan innovatie op het gebied van beleid en beheer. Bij de toepassing van nieuwe en geïntegreerde oplossingen voor zorgverlening moet worden gestreefd naar het vergroten van persoonlijke vaardigheden en de verbetering van bestaande capaciteiten, alsmede het aanvullen van tekorten.

1.6.2.  Optimaliseren van de efficiency en de effectiviteit van gezondheidszorgverlening en verminderen van ongelijkheid door op feiten gebaseerde besluitvorming en verspreiding van beste praktijken en door innovatieve technologieën en benaderingen

Er moet steun worden verleend voor ontwikkeling van een systemische aanpak op het gebied van de evaluatie van gezondheidstechnologie en de gezondheidseconomie en voor het vergaren van gegevens en de verspreiding van beste praktijken en innovatieve technologieën en benaderingen in de gezondheidssector, met inbegrip van ICT- en e‑gezondheidstoepassingen. Vergelijkende analysen van de hervorming van de publieke gezondheidszorgstelsels in Europa en in derde landen en beoordelingen van de economische en sociale effecten van die stelsels op de middellange en lange termijn worden eveneens gesteund. Daarnaast wordt steun verleend voor analysen met betrekking tot de toekomstige personeelsbehoeften, zowel in kwantitatief opzicht als wat betreft de vereiste vaardigheden, in de context van nieuwe zorgpatronen. Ook wordt steun verleend voor onderzoek naar het ontstaan van ongelijkheden op gezondheidsgebied, naar de samenhang daarvan met andere economische en sociale vormen van ongelijkheid en naar de effectiviteit van beleidsmaatregelen ter vermindering van dergelijke ongelijkheid in Europa en daarbuiten. Tot slot moet steun worden verleend voor de evaluatie van voorzieningen voor patiëntveiligheid en kwaliteitsborgingsstelsels, met inbegrip van de rol van patiënten inzake veiligheid en de kwaliteit van de zorgverlening.

1.7.   Specifieke uitvoeringsaspecten

Bij de uitvoering van het programma wordt onder meer steun verleend aan kennis- en technologieoverdracht en andere verspreidingsvormen, aan grootschalige proefprojecten en demonstratieacties, en aan standaardisatie. Op die manier wordt de markttoepassing van producten en diensten versneld en worden schaalbare oplossingen voor Europa en daarbuiten gevalideerd. Bij die acties worden niet alleen het Europese industriële concurrentievermogen en de betrokkenheid van innovatieve kmo's gesteund, maar is de actieve betrokkenheid van alle belanghebbenden vereist. Er zal worden gezocht naar synergieën met andere relevante programma's en activiteiten, in zowel de publieke als de private sector en op nationaal, internationaal en EU-niveau. De aandacht zal daarbij vooral uitgaan naar synergieën met activiteiten die worden ontwikkeld in het kader van het programma Gezondheid voor groei.

Het wetenschappelijke panel voor gezondheid wordt een wetenschapsgedreven platform van belanghebbenden waarin de wetenschappelijke input betreffende deze maatschappelijke uitdaging wordt uitgewerkt. Het zal een samenhangende en op wetenschap gerichte analyse bieden van knelpunten op het gebied van onderzoek en innovatie, en van de kansen in verband met deze maatschappelijke uitdaging, bijdragen tot de definitie van de onderzoeks- en innovatieprioriteiten van het panel en een prikkel geven aan de wetenschappelijke deelname uit de gehele EU aan het panel. Het zal, door middel van actieve samenwerking met de belanghebbenden, helpen bij het opbouwen van capaciteiten en bij het delen van kennis en intensievere samenwerking in de gehele Unie op dit gebied stimuleren.

Overwogen kan worden steun te verlenen aan relevante initiatieven voor gezamenlijke programmering en aan relevante publiek-publieke en publiek-private partnerschappen.

Ook zullen passende verbanden tot stand worden gebracht met de acties van relevante Europese Innovatiepartnerschappen en met de relevante aspecten van de onderzoeks- en innovatieagenda's van de Europese technologieplatforms.

2.  VOEDSELZEKERHEID, DUURZAME LAND- EN BOSBOUW, MARIEN EN MARITIEM ONDERZOEK EN ONDERZOEK IN BINNENWATEREN EN DE BIO-ECONOMIE

2.1.  Duurzame land- en bosbouw

De juiste kennis, instrumenten, diensten en innovaties zijn noodzakelijk om voor productievere, milieuvriendelijkere, hulpbronnenefficiëntere en veerkrachtigere land- en bosbouwsystemen te zorgen die voldoende voedsel, voeders, biomassa en andere grondstoffen genereren en ecosysteemdiensten leveren en tegelijkertijd de biodiversiteit beschermen en de ontwikkeling van goede landelijke inkomstenbronnen waarborgen. Onderzoek en innovatie bieden mogelijkheden om de agronomische en milieudoelstellingen tot een integraal onderdeel van duurzame productie te maken en zo de productiviteit en de hulpbronnenefficiëntie in de landbouw, met inbegrip van de efficiëntie van het watergebruik, te verhogen, de veiligheid van de dierlijke en plantaardige productie te verhogen, de broeikasgasemissies terug te dringen, de productie van afval te verminderen, het uitspoelen van nutriënten en andere chemische inputs uit de bodem van bouwland en de daaruit voortvloeiende verontreiniging van terrestrische en aquatische milieus tegen te gaan, de afhankelijkheid van de invoer van plantaardige eiwitten naar Europa te verminderen, de diversiteit van primaire productiesystemen te verhogen en het herstel van de biologische diversiteit te bevorderen.

2.1.1.  Efficiënter produceren en klimaatverandering het hoofd bieden, met behoud van duurzaamheid en veerkracht

De activiteiten in deze actielijn zijn gericht op de verhoging van de productie en van het aanpassingsvermogen van planten, dieren en productiesystemen, teneinde de in hoog tempo veranderende milieu- en klimaatomstandigheden en de toenemende schaarste van natuurlijke hulpbronnen het hoofd te kunnen bieden. De hieruit resulterende innovaties zullen ertoe bijdragen om in de hele voedsel- en voederketen de overstap te maken naar een energiezuinige, koolstofarme en weinig afval veroorzakende economie, en naar een verminderde vraag naar natuurlijke hulpbronnen. Hierdoor wordt niet alleen een bijdrage geleverd aan de voedselzekerheid, maar worden ook nieuwe mogelijkheden gecreëerd voor het gebruik van biomassa en nevenproducten uit de landbouw voor tal van non food-toepassingen.

Er wordt gestreefd naar multidisciplinaire benaderingen ter verbetering van de prestaties van planten, dieren en micro-organismen onder waarborging van een efficiënt gebruik van hulpbronnen (water, land, bodem, nutriënten, energie en andere inputs) en de ecologische integriteit van plattelandsgebieden. De nadruk zal hierbij worden gelegd op geïntegreerde en gediversifieerde productiesystemen en agronomische praktijken, met inbegrip van het gebruik van precisietechnologieën en ecologische intensiveringsbenaderingen die zowel in de biologische als de conventionele landbouw kunnen worden toegepast. Voorts zal stedelijke vergroening worden bevorderd, met nieuwe vormen van land-, tuin- en bosbouw in urbane en periurbane gebieden. Daaraan zal aandacht worden besteed door werk te maken van nieuwe vereisten inzake plantenkenmerken, teeltmethoden, technologieën, commercialisering en stadsplanning, gerelateerd aan de gezondheid en het welzijn van de mens, het milieu en de klimaatverandering. Voor de genetische verbetering van plant- en diersoorten met het oog op een betere aanpassing, een betere gezondheid en hogere productie moeten alle passende conventionele en moderne teeltbenaderingen worden aangewend en moeten de genetische hulpmiddelen in stand worden gehouden en beter worden gebruikt. Bijzondere aandacht zal worden besteed aan bodembeheer ▌ter verhoging van de productiviteit van gewassen. De algemene doelstelling van een veilige en kwalitatief hoogwaardige voedselproductie indachtig, zal de gezondheid van planten en dieren worden bevorderd. Activiteiten op het gebied van de gezondheid en de bescherming van planten zullen de kennis doen toenemen en de ontwikkeling ondersteunen van geïntegreerde milieuvriendelijke bestrijdingsstrategieën, ‑producten en ‑instrumenten ter voorkoming van het binnenbrengen van ziekteverwekkers, ter bestrijding van plagen en ter vermindering van opbrengstverliezen voor en na de oogst. Wat diergezondheid betreft zullen strategieën worden bevorderd om ziekten (met inbegrip van zoönosen) uit te roeien of doeltreffend te beheersen, en zal onderzoek naar antimicrobiële resistentie worden bevorderd. De geïntegreerde bestrijding van ziekten, parasieten en plagen, die begint bij een beter inzicht in de wisselwerking tussen gastheer en ziekteverwekker en voorts toezicht, diagnose en behandeling omvat, wordt versterkt. Met studies betreffende de effecten van praktijken op het gebied van dierenwelzijn wordt tegemoet gekomen aan zorgen die in de samenleving bestaan. De activiteiten op de hierboven genoemde gebieden worden geschraagd door meer fundamenteel onderzoek, om in te spelen op relevante biologische vraagstukken en de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie te ondersteunen, alsmede door passende evaluaties van hun economisch en marktpotentieel.

2.1.2.  Ecosysteemdiensten en openbare goederen

De land- en bosbouw zijn unieke systemen die commerciële producten leveren, maar ook openbare goederen die ten goede komen aan de samenleving (en onder meer een culturele en recreatieve waarde hebben) en belangrijke ecosysteemdiensten, zoals functionele en in situ-biodiversiteit, bestuiving, wateropslag en ‑regulering, bodemfuncties, landschap, erosievermindering, veerkracht met betrekking tot overstromingen en droogtes en koolstofvastlegging en vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Onderzoeksactiviteiten dragen bij tot een beter inzicht in de complexe wisselwerking tussen primaire productiesystemen en ecosysteemdiensten en ondersteunen het verlenen van deze openbare diensten en goederen, door het aanbieden van managementoplossingen, besluitondersteuningsinstrumenten en de beoordeling van hun waarde, zowel op als buiten de markt. Specifieke kwesties die moeten worden onderzocht zijn onder meer het vaststellen van land- en bosbouwsystemen en landschapspatronen die geschikt zijn voor de verwezenlijking van deze doelstellingen op het platteland en in semi-stedelijke gebieden. Veranderingen in het actieve beheer van landbouwsystemen – met inbegrip van het gebruik van technologieën en wijziging van praktijken – zullen voor een sterkere vermindering van de uitstoot van broeikasgassen zorgen en het aanpassingsvermogen van de landbouwsector aan de schadelijke effecten van de klimaatverandering verhogen.

2.1.3.  Empowerment van plattelandsgebieden, beleidsondersteuning en innovatie op het platteland

Plattelandsgebieden worden geholpen ontwikkelingsmogelijkheden te benutten door een versterking van hun primaire productiecapaciteiten en hun capaciteiten voor het leveren van ecosysteemdiensten en door de bevordering van de productie van nieuwe en gediversifieerde producten (waaronder voedsel, voeders, materialen, energie) om in de toenemende behoefte aan koolstofarme productiesystemen met een korte toeleveringsketen te kunnen voorzien. Naast de ontwikkeling van nieuwe concepten en institutionele innovaties zijn sociaal-economisch onderzoek en studies van de wetenschap en de samenleving nodig om de cohesie van de plattelandsgebieden te waarborgen en de economische en sociale marginalisering van die gebieden te voorkomen, de diversificatie van economische activiteiten (ook in de dienstensector) te bevorderen, voor voldoende betrekkingen tussen landelijke en stedelijke gebieden te zorgen en de uitwisseling van kennis, demonstratie, innovatie en verspreiding te vergemakkelijken en een gemeenschappelijk beheer van hulpbronnen te stimuleren. Bovendien moet worden gekeken naar manieren waarop openbare goederen op het platteland kunnen worden omgezet in lokale/regionale sociaal-economische voordelen. De op regionaal en lokaal niveau vastgestelde innovatiebehoeften zullen worden aangevuld met sectoroverschrijdende onderzoeksactiviteiten op internationaal, interregionaal en Europees niveau. Door te voorzien in de nodige analytische instrumenten, indicatoren, geïntegreerde modellen en toekomstgerichte activiteiten ondersteunen de onderzoeksprojecten beleidsmakers en andere actoren bij de uitvoering, monitoring en evaluatie van relevante strategieën, beleidsmaatregelen en wetgevingshandelingen, niet alleen met betrekking tot plattelandsgebieden, maar met betrekking tot de hele bio-economie. Daarnaast zijn instrumenten en gegevens nodig voor een behoorlijke beoordeling van potentiële verrekeningsmogelijkheden tussen verschillende vormen van hulpbronnengebruik (land, water, bodem, nutriënten, energie en andere inputs) en bio-economische producten. Bovendien wordt aandacht besteed aan de vergelijkende analyse van land- en bosbouwsystemen en hun duurzaamheidsprestaties.

2.1.4.  Duurzame bosbouw

Doelstelling is het duurzaam voortbrengen van producten op biobasis, ecosystemen, diensten (inclusief watergerelateerde diensten en diensten ter mitigatie van klimaatverandering) en van voldoende biomassa, daarbij terdege rekening houdend met de economische, ecologische en sociale aspecten van bosbouw en met de regionale verschillen. Algemeen gezien zijn de activiteiten in de sector bosbouw gericht op het bevorderen van multifunctionele bossen die een verscheidenheid aan ecologische, economische en sociale voordelen opleveren. De activiteiten zijn vooral gericht op de verdere ontwikkeling van duurzame bosbouwsystemen die beantwoorden aan de uitdagingen en behoeften van de samenleving, inclusief de behoeften van de eigenaars van bossen, door multifunctionele benaderingen toe te passen die de behoeften aan slimme, duurzame en inclusieve groei kunnen verzoenen met het in aanmerking nemen van de klimaatverandering. Deze duurzame bosbouwsystemen zijn zeer nuttig om te zorgen voor een grotere veerkracht van de bossen en een betere bescherming van de biodiversiteit, en om te voldoen aan de toegenomen vraag naar biomassa. Dit moet worden geschraagd door onderzoek naar de gezondheid van bomen, bosbescherming en herstel na brand.

2.2.  Een duurzame en concurrerende agrovoedingssector voor veilige en gezonde voedingsgewoonten

Er moet worden ingespeeld op de behoefte van de consument aan veilig, gezond, kwalitatief hoogwaardig en betaalbaar voedsel, en daarbij moet rekening worden gehouden met het effect van het consumptiegedrag en van de voedings- en voederproductie op de menselijke gezondheid, het milieu en het totale ecosysteem. Er zal aandacht worden besteed aan de voedsel- en voederveiligheid en ‑zekerheid, het concurrentievermogen van de Europese agrovoedingsindustrie en de duurzaamheid van de voedselproductie, ‑voorziening en ‑consumptie; hierbij wordt gekeken naar de gehele, zowel conventionele als biologische, voedselketen en de daaraan gerelateerde diensten, van de primaire productie tot aan de consumptie. Deze aanpak zal bijdragen tot: a) de waarborging van de voedselveiligheid en ‑zekerheid voor alle Europeanen en de uitbanning van honger in de hele wereld; b) de vermindering van voedingsgerelateerde ziekten door de bevordering van de overstap naar gezonde en duurzame voedingsgewoonten via voorlichting van de consument en innovaties in de landbouw en de voedingsindustrie; c) vermindering van het water- en energieverbruik bij de verwerking, het vervoer en de distributie van voedingsmiddelen; d) de vermindering van de hoeveelheid voedselafval met 50 % tegen 2030; en e) de realisatie van een divers aanbod aan gezond, kwaliteitsvol en veilig voedsel voor iedereen.

2.2.1.  Geïnformeerde consumentenkeuzes

Er zal aandacht worden besteed aan de preferenties, attitudes, behoeften, gedragingen, levensstijlen van de consumenten en consumentenvoorlichting, alsmede de culturele component van voedselkwaliteit, en de communicatie tussen de consumenten en de onderzoeksgemeenschap die zich bezighoudt met de voedselketen en de belanghebbenden, teneinde de consument een beter inzicht te bieden in de voedselproductie in het algemeen en hem beter in staat te stellen geïnformeerde keuzes te maken, duurzaam en gezond consumptiegedrag en het effect daarvan op de productie te stimuleren en inclusieve groei en een hoge levenskwaliteit, met name voor kwetsbare groepen, te bevorderen. Door maatschappelijke innovatieactiviteiten zal worden ingespeeld op maatschappelijke uitdagingen, en innovatieve voorspellende modellen en methoden op het gebied van consumentenwetenschappen zullen vergelijkbare gegevens opleveren en de grondslag leggen voor de nodige stappen om in de beleidsbehoeften van de Unie te voorzien.

2.2.2.  Gezonde en veilige voedingsmiddelen en ‑gewoonten voor iedereen

Er zal aandacht worden besteed aan voedingsbehoeften, een evenwichtig dieet en het effect van voedsel op fysiologische functies, fysieke en mentale prestaties en aan de verbanden tussen voedingsgewoonten, demografische tendensen (zoals vergrijzing) en chronische ziekten en stoornissen ▌. Er zal worden onderzocht welke dieetoplossingen en diëtische innovaties bevorderlijk zijn voor gezondheid en welzijn. Voorts worden chemische en microbiële verontreinigingen van voedsel en voeders en desbetreffende risico's en blootstellingen, ook allergenen, geanalyseerd, geëvalueerd, gemonitord, gecontroleerd en opgespoord in de gehele voedsel-, voeder- en drinkwatervoorzieningsketen van productie en opslag tot aan verwerking, verpakking, distributie, catering en bereiding thuis. Innovaties op het gebied van voedselveiligheid, betere instrumenten voor risicoanalyse en risico-batenanalyse en voor de melding van risico's en hogere veiligheidsnormen in de gehele voedselketen zullen het vertrouwen van de consument en de consumentenveiligheid in Europa versterken. De verhoging van de voedselveiligheidsnormen op mondiaal niveau zal tevens bijdragen tot versterking van het concurrentievermogen van de Europese voedingsindustrie.

2.2.3.  Een duurzame en concurrerende agrovoedingsindustrie

Er zal aandacht worden besteed aan de behoeften van de voedings- en veevoederindustrie met het oog op de sociale, milieu-, klimaat- en economische uitdagingen, van lokaal tot mondiaal niveau, en in alle stadia van de voedings- en voederproductieketen, met inbegrip van het ontwerp van levens- en voedermiddelen, verwerking, verpakking, procesbeheer, afvalvermindering, verwerking van bijproducten en veilig gebruik of verwijdering van dierlijke bijproducten. Er zullen innovatieve en duurzame hulpbronnenefficiënte technologieën en processen en gediversifieerde, veilige, gezonde, betaalbare en hoogwaardige producten worden ontwikkeld op basis van wetenschappelijke bewijzen. Hierdoor zal het innovatievermogen van de Europese voedselvoorzieningsketen worden versterkt, het concurrerend vermogen ervan worden verhoogd en economische groei en werkgelegenheid worden gecreëerd en zal de Europese voedingsindustrie de mogelijkheid worden geboden zich aan veranderingen aan te passen. Andere aspecten waaraan aandacht dient te worden besteed, zijn: traceerbaarheid, logistiek en dienstverlening, sociaal-economische en culturele factoren, dierenwelzijn en andere ethische vraagstukken, de veerkracht van de voedselketen ten aanzien van milieu- en klimaatrisico's, de beperking van negatieve gevolgen van activiteiten in de voedselvoorzieningsketen en van veranderende voedingsgewoonten en productiesystemen op het milieu.

2.3.  Benutting van het potentieel van aquatische biologische rijkdommen

Een van de belangrijkste eigenschappen van aquatische biologische rijkdommen is dat zij hernieuwbaar zijn en dat de duurzame exploitatie van deze rijkdommen afhankelijk is van een grondig inzicht in en een hoge kwaliteit en productiviteit van aquatische ecosystemen. Het algemene doel is levende aquatische hulpbronnen te beheren om de sociale en economische voordelen/opbrengsten van de oceanen, zeeën en binnenwateren van Europa te maximaliseren.

In dit kader is het ook nodig om de duurzame bijdrage van de visserij en de aquacultuur tot de voedselzekerheid in de context van de gemondialiseerde economie te optimaliseren en de sterke afhankelijkheid van de Unie van de invoer van visserijproducten te verminderen (circa 60 % van de totale Europese consumptie van visserijproducten is afhankelijk van import en de Unie is op dit gebied de grootste importeur ter wereld) en de ontwikkeling van de mariene en maritieme innovatie door middel van biotechnologie te bevorderen om voor meer slimme "blauwe" groei te zorgen. In overeenstemming met de bestaande beleidskaders, met name het geïntegreerd maritiem beleid en de kaderrichtlijn mariene strategie, zullen de onderzoeksactiviteiten in deze actielijn de ecosysteembenadering met betrekking tot het beheer en de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen ondersteunen en zullen zij tegelijkertijd een duurzaam gebruik van maritieme goederen en diensten mogelijk maken, alsook een "vergroening" van de betrokken sectoren schragen.

2.3.1.  Ontwikkeling van een duurzame en milieuvriendelijke visserij

In het nieuwe gemeenschappelijke visserijbeleid, de kaderrichtlijn mariene strategie en de biodiversiteitsstrategie van de Unie wordt erop aangedrongen de Europese visserij duurzamer, concurrerender en milieuvriendelijker te maken. Om de overstap naar een ecosysteembenadering op het gebied van visserijbeheer te kunnen verwezenlijken is een grondig begrip van de mariene ecosystemen vereist. Nieuwe inzichten, instrumenten en modellen zullen worden ontwikkeld om meer te weten te komen over de voorwaarden voor een gezond en productief marien ecosysteem en om het effect van de visserij op mariene ecosystemen (met inbegrip van diepzeegebieden) te beoordelen, te evalueren en te verminderen. Er zullen nieuwe vangststrategieën en ‑technologieën worden ontwikkeld die de nodige diensten aan de samenleving waarborgen en tegelijkertijd de mariene ecosystemen in stand houden. De sociaal-economische effecten van de verschillende beheersopties zullen worden gemeten. Tevens wordt onderzoek gedaan naar de effecten van en de aanpassing aan veranderingen in het milieu, met inbegrip van klimaatverandering, en naar nieuwe instrumenten voor het evalueren en beheren van risico's en onzekerheidsfactoren. Er zullen activiteiten worden ondernomen ter ondersteuning van onderzoek naar de biologie, de genetica en dynamiek van visbestanden, naar de rol van cruciale soorten in de ecosystemen, naar visserijactiviteiten en de bewaking ervan, naar het gedrag in de visserijsector en de aanpassing aan nieuwe markten (zoals eco-etikettering), en naar de participatie van de visserij-industrie in de besluitvorming. Daarnaast zal aandacht worden besteed aan het gelijktijdige gebruik van mariene ruimte voor andere activiteiten, met name aan de kust, en de sociaal-economische gevolgen daarvan.

2.3.2.  Ontwikkeling van een concurrerende en milieuvriendelijke Europese aquacultuur

Duurzame aquacultuur heeft een groot potentieel wat betreft de ontwikkeling van gezonde, veilige en concurrerende producten die op de behoeften en voorkeuren van de consument zijn toegesneden, alsmede wat betreft milieudiensten (bioremediëring, land- en waterbeheer, enz.) en de energieproductie, maar dit potentieel wordt in Europa nog niet ten volle benut. Er zal worden gewerkt aan de verbetering van de kennis en de technologie met betrekking tot alle aspecten van de domesticatie van de meest gangbare soorten en diversificatie voor nieuwe soorten, waarbij rekening zal worden gehouden met de wisselwerking tussen aquacultuur en aquatische ecosystemen teneinde de gevolgen voor het milieu te verminderen, alsmede met de gevolgen van klimaatverandering en de vraag op welke wijze de sector zich daaraan kan aanpassen. Er is vooral verder onderzoek nodig op het gebied van de gezondheid en de ziekten van gekweekte aquatische organismen (onder meer instrumenten en methoden voor preventie en mitigatie), vraagstukken in verband met voeding (onder meer de ontwikkeling van alternatieve, toegesneden ingrediënten en voeder voor de aquacultuur), en van de reproductie en de kweek, die de belangrijkste obstakels vormen voor de duurzame ontwikkeling van de Europese aquacultuur. Tevens zal innovatie worden gestimuleerd met het oog op duurzame productiesystemen in binnenwateren, aan de kust en op hoge zee. Er zal ook rekening worden gehouden met het specifieke karakter van de ultraperifere gebieden in Europa. Voorts zal de nadruk worden gelegd op het verkrijgen van inzicht in de sociale en economische dimensies van de sector ter ondersteuning van een kosten- en energie-efficiënte productie die inspeelt op de behoeften van consumenten, onder behoud van het concurrentievermogen en aantrekkelijke vooruitzichten voor investeerders en producenten.

2.3.3.  Stimuleren van mariene en maritieme innovatie door middel van biotechnologie

Meer dan 90 % van de mariene biodiversiteit is nog niet onderzocht, wat betekent dat er een enorm potentieel bestaat voor de ontdekking van nieuwe soorten en toepassingen op het gebied van mariene biotechnologie, zodat deze sector naar verwachting een jaarlijkse groei van 10 % zal kunnen genereren. Er zal steun worden verleend voor de verdere verkenning en benutting van het grote potentieel dat de mariene biodiversiteit en aquatische biomassa bieden voor het op de markt brengen van nieuwe innovatieve en duurzame processen, producten en diensten met potentiële toepassingen in sectoren als de chemische, de materiaal- en de farmaceutische industrie, de visserij en de aquacultuur, de energievoorziening en de cosmetische industrie.

2.4.  Duurzame en concurrerende op biomaterialen gebaseerde industrieën en ondersteuning van de ontwikkeling van een Europese bio-economie

De algemene doelstelling is om de transformatie van de op fossiele brandstoffen gebaseerde Europese industrieën naar koolstofarme, hulpbronnenefficiënte en duurzame industrieën te versnellen. Onderzoek en innovatie zijn de middelen die zullen helpen de afhankelijkheid van de Unie van fossiele brandstoffen te verminderen en ertoe zullen bijdragen de Europese energie- en klimaatdoelstellingen voor 2020 te verwezenlijken (10 % van de brandstof voor vervoer afkomstig uit hernieuwbare bronnen en vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 20 %). Volgens schattingen kan het overstappen naar biologische grondstoffen en biologische verwerkingsmethoden in 2030 voor een besparing van 2,5 miljard ton CO2-equivalent per jaar zorgen en kan de markt voor op biomaterialen gebaseerde grondstoffen en nieuwe consumentenproducten met een veelvoud worden vergroot. Om van dit potentieel gebruik te kunnen maken moet een brede kennisbasis worden opgebouwd en moeten relevante (bio)technologieën worden ontwikkeld, waarbij de nadruk op drie essentiële elementen moet komen te liggen: a) vervanging van de huidige, op fossiele brandstoffen gebaseerde processen door op hulpbronnen- en energie-efficiënte biotechnologie gebaseerde processen; b) de totstandbrenging van betrouwbare, duurzame en toereikende toevoerketens voor biomassa, bijproducten en afval en van een breed netwerk van bioraffinaderijen in heel Europa; en c) de ondersteuning van de ontwikkeling van de markt voor op biomaterialen gebaseerde producten en processen, rekening houdend met de daaraan verbonden risico's en baten. Er zal worden gestreefd naar synergie met de activiteiten in het kader van de specifieke doelstelling Leiderschap in ontsluitende en industriële technologieën.

2.4.1.  Bevordering van de bio-economie voor op biomaterialen gebaseerde industrieën

Er zal steun worden verleend voor belangrijke stappen in de ontwikkeling van koolstofarme, hulpbronnenefficiënte en duurzame industrieën door middel van onderzoek naar en de benutting van terrestrische en aquatische biologische rijkdommen, waarbij schadelijke gevolgen voor het milieu en de watervoetafdruk tot een minimum dienen te worden beperkt, bijvoorbeeld via de totstandbrenging van gesloten nutriëntenketens, mede tussen stedelijke en landelijke gebieden. Er moet worden onderzocht of eventueel afwegingen moeten worden gemaakt tussen de verschillende toepassingen van biomassa. Bij de activiteiten moet de nadruk liggen op niet met voeding concurrerende biomassa, alsook aandacht worden besteed aan de duurzaamheid van de daarmee verband houdende systemen voor grondgebruik. Er zal gericht worden toegewerkt naar de ontwikkeling, zowel voor de industrie als voor de consument, van op biomaterialen gebaseerde producten en biologisch actieve bestanddelen met nieuwe eigenschappen, gebruiksmogelijkheden en grotere duurzaamheid. De economische waarde van hernieuwbare hulpbronnen, bioafval en bijproducten zal worden gemaximaliseerd met behulp van nieuwe en hulpbronnenefficiënte procedés, waaronder de omzetting van stedelijk bioafval in landbouwproductiemiddelen.

2.4.2.  Ontwikkeling van geïntegreerde bioraffinaderijen

In dit kader worden activiteiten gesteund ter bevordering van duurzame bioproducten, tussenproducten en bio-energie/biobrandstoffen, waarbij de aandacht vooral uitgaat naar een trapsgewijze benadering en prioriteit wordt gegeven aan de productie van producten met een hoge toegevoegde waarde. Er zullen technologieën en strategieën worden ontwikkeld om de toevoer van grondstoffen te verzekeren. De uitbreiding van het aantal soorten biomassa dat in bioraffinaderijen van de tweede en derde generatie kan worden verwerkt, met inbegrip van biomassa uit de bosbouw, bioafval en industriële bijproducten, kan bijdragen tot het voorkomen van conflicten over voedsel en brandstoffen en tot de economische en milieuvriendelijke ontwikkeling van plattelands- en kustgebieden in de Unie.

2.4.3.  Ondersteuning van de ontwikkeling van de markt voor biogebaseerde producten en processen

Door middel van vraagzijdemaatregelen zullen nieuwe markten ontstaan voor biotechnologische innovatie. In de Unie en op internationaal niveau is standaardisatie en certificatie vereist met betrekking tot onder meer de bepaling van op biomaterialen gebaseerde inhoud, de functionaliteit van producten en biologische afbreekbaarheid. Methoden en benaderingen op het gebied van levenscyclusanalyse moeten verder worden ontwikkeld en continu worden bijgesteld in het licht van de vorderingen in de wetenschap en de industrie. Onderzoeksactiviteiten ter ondersteuning van de standaardisatie van producten en processen (onder meer de harmonisatie van internationale standaarden) en van regelgevingsactiviteiten op het gebied van biotechnologie zijn van essentieel belang voor de bevordering van de totstandbrenging van nieuwe markten en de verwezenlijking van commerciële mogelijkheden.

2.5.  Horizontaal marien en maritiem onderzoek

Doel is een grotere impact van de zeeën en oceanen van de EU op de maatschappij, en meer economische groei door middel van de exploitatie van de rijkdommen van de zee alsmede door het gebruik van verschillende bronnen van mariene energie en dankzij de vele verschillende manieren waarop gebruik wordt gemaakt van de zeeën. De activiteiten zijn gericht op het zorgen voor kruisbestuiving tussen mariene en maritieme wetenschappelijke en technologische uitdagingen, teneinde het potentieel van de zeeën en oceanen in een breed scala van mariene en maritieme sectoren te ontsluiten, en tegelijkertijd het milieu te beschermen en in te spelen op de klimaatverandering. Een strategische, gecoördineerde aanpak van marien en maritiem onderzoek voor alle uitdagingen en pijlers van Horizon 2020 zal de tenuitvoerlegging van het relevante EU-beleid eveneens bevorderen, om zo de belangrijkste doelstellingen op het vlak van blauwe groei te verwezenlijken.

Gezien de multidisciplinaire aard van marien en maritiem onderzoek wordt gestreefd naar nauwe coördinatie en gezamenlijke activiteiten met andere onderdelen van Horizon 2020, met name maatschappelijke uitdaging 5.

2.5.1.  De impact van klimaatverandering op mariene ecosystemen en de maritieme economie

Er zullen activiteiten ondersteund worden om meer inzicht te verwerven in de werking van mariene ecosystemen en de wisselwerking tussen de oceanen en de atmosfeer. Op die manier zullen wij beter in staat zijn om de rol van de oceanen binnen het klimaat en de impact van de klimaatverandering en de verzuring van de oceanen op mariene ecosystemen en kustgebieden te beoordelen.

2.5.2.  Het potentieel van mariene hulpbronnen ontwikkelen via een geïntegreerde benadering

Om een duurzame maritieme groei op de lange termijn te stimuleren en synergieën tot stand te brengen tussen alle maritieme sectoren is een geïntegreerde benadering nodig. De onderzoeksactiviteiten zullen toegespitst zijn op het behoud van het mariene milieu en op de effecten van maritieme activiteiten en producten op niet-maritieme sectoren. Op die manier kan er vooruitgang worden geboekt op het vlak van milieu-innovatie, bijvoorbeeld in de vorm van nieuwe producten, processen en de toepassing van beheersconcepten, ‑instrumenten en ‑maatregelen om de impact van de menselijke activiteit op het mariene milieu te beoordelen en te beperken, om zo te werken aan een duurzaam beheer van de maritieme activiteiten.

2.5.3.  Horizontale concepten en technologieën die maritieme groei mogelijk maken

Vooruitgang op het vlak van sectoroverschrijdende ontsluitende technologieën (zoals ICT, elektronica, nanomaterialen, legeringen, biotechnologie, enz.) en nieuwe ontwikkelingen en concepten op het vlak van engineering zullen groei mogelijk blijven maken. De activiteiten zullen de weg banen voor grote doorbraken op het vlak van marien en maritiem onderzoek en oceaanobservatie (zoals diepzeeonderzoek, waarnemingssystemen, sensoren, geautomatiseerde systemen voor de monitoring van activiteiten en voor bewaking, screening van de mariene biodiversiteit, mariene geologische gevaren, op afstand bestuurde voertuigen, enz.). Het doel is de effecten op het mariene milieu (zoals onderwatergeluid, de introductie van invasieve soorten en verontreinigende stoffen van op zee en van op het land, enz.) te beperken en de koolstofvoetafdruk van de menselijke activiteiten tot een minimum te herleiden. Sectoroverschrijdende ontsluitende technologieën zullen de tenuitvoerlegging van het mariene en maritieme EU-beleid ondersteunen.

2.6.   Specifieke uitvoeringsaspecten

Naast de algemene bronnen voor externe adviesverlening zullen specifieke adviezen bij het Permanent Comité voor onderzoek in de landbouw (PCOL) worden ingewonnen over een aantal aspecten, waaronder strategische aspecten, via zijn prognoseactiviteiten en met betrekking tot de coördinatie tussen het op nationaal en Europees niveau uitgevoerde landbouwonderzoek. Ook zullen passende verbanden tot stand worden gebracht met de acties van relevante Europese Innovatiepartnerschappen en met de relevante aspecten van de onderzoeks- en innovatieagenda's van de Europese technologieplatforms.

Het effect en de verspreiding van onderzoeksresultaten zal actief worden ondersteund met gerichte acties op het gebied van communicatie, de uitwisseling van kennis en de betrokkenheid van diverse actoren tijdens het volledige verloop van de projecten. De uitvoering omvat een groot aantal activiteiten, waaronder belangrijke demonstratie- en proefprojecten. Een gemakkelijke en open toegang tot onderzoeksresultaten en beste praktijken zal worden bevorderd ▌.

Door de specifieke ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen is een sterkere participatie van landbouwbedrijven, vissers en andere van kleine en middelgrote ondernemingen aan onderzoeks- en demonstratieactiviteiten mogelijk. Er wordt rekening gehouden met de specifieke behoeften van de primaire productiesector aan innovatieondersteunende diensten en voorlichtingsstructuren. De uitvoering van de acties omvat een groot aantal activiteiten, waaronder kennisuitwisselingsacties, waarbij landbouwers of andere primaire producenten en intermediairs zullen worden betrokken teneinde een overzicht te krijgen van de onderzoeksbehoeften van de eindgebruikers. Een gemakkelijke en open toegang tot onderzoeksresultaten en beste praktijken zal worden bevorderd.

Er zal steun worden verleend voor standaardisatie en de regelgevingsaspecten, teneinde de markttoepassing van nieuwe op biomaterialen gebaseerde goederen en diensten te helpen versnellen.

Overwogen kan worden steun te verlenen aan relevante initiatieven voor gezamenlijke programmering en aan relevante publiek-publieke en publiek-private partnerschappen▌.

Er zal worden gestreefd naar synergie met en aanvullende steunverlening uit andere fondsen van de Unie die betrekking hebben op deze maatschappelijke uitdaging, zoals het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Visserijfonds.

In alle sectoren van de bio-economie zullen toekomstgerichte activiteiten worden ondernomen, met inbegrip van de ontwikkeling van databanken, indicatoren en modellen voor mondiale, Europese, nationale en regionale dimensies. Er zal een Europese waarnemingspost voor de bio-economie worden ontwikkeld om de onderzoeks- en innovatieactiviteiten in de Unie en in de wereld in kaart te brengen en te volgen, onder meer om technologie te evalueren, strategische prestatiekernindicatoren te ontwikkelen en het innovatiebeleid in de bio-economie te monitoren.

3.  ZEKERE, SCHONE EN EFFICIËNTE ENERGIE

3.1.  Het energieverbruik verminderen en de koolstofvoetafdruk verkleinen door middel van slim en duurzaam gebruik

De energiebronnen en de consumptiepatronen van de industrie, de vervoerssystemen, de gebouwen, wijken en steden in Europa zijn over het algemeen niet duurzaam, hetgeen grote milieu- en klimaatgevolgen heeft. Energiebeheer in real time voor nieuwe en bestaande bijna energieneutrale en energiegunstige gebouwen, gerenoveerde gebouwen en actieve gebouwen, uiterst efficiënte industrieën en de brede toepassing van energie-efficiënte benaderingen door bedrijven, burgers, gemeenschappen, steden en wijken vereisen niet alleen technische vorderingen, maar ook niet-technologische oplossingen zoals nieuwe diensten op het gebied van adviesverlening, financiering en vraagbeheer, alsmede bijdragen uit de gedrags- en sociale wetenschappen, terwijl bovendien rekening moet worden gehouden met de problematiek van het draagvlak onder het publiek. Een verbeterde energie-efficiëntie zou dus een van de meest kosteneffectieve manieren kunnen worden om de vraag naar energie terug te dringen en zo de continuïteit van de energievoorziening te versterken, de gevolgen voor het milieu en het klimaat te verminderen en het concurrentievermogen te vergroten. Om deze uitdagingen te kunnen aangaan, is het van belang dat hernieuwbare energiebronnen worden ontwikkeld en dat het energie-efficiëntiepotentieel wordt benut.

3.1.1.  Technologieën en diensten voor slim en efficiënt energiegebruik op de massamarkt introduceren

Om het energieverbruik te kunnen verminderen en energieverspilling te kunnen voorkomen en tegelijkertijd in de behoeften van de samenleving en de economie te kunnen voorzien, is het niet alleen nodig om efficiëntere, betaalbaardere, milieuvriendelijkere en slimmere apparatuur, producten en diensten op de massamarkt te introduceren, maar ook dat componenten en apparaten zodanig worden geïntegreerd dat zij gezamenlijk een optimaal energieverbruik in gebouwen, de dienstensector en de industrie mogelijk maken.

Om de invoering van deze technologieën en diensten te waarborgen en de consumenten in het genot van alle voordelen daarvan te laten komen (met inbegrip van de mogelijkheid om hun eigen verbruik precies te controleren) moet de energieprestatie ervan worden aangepast aan en geoptimaliseerd voor de omgeving waarin zij worden toegepast. Hiervoor zijn zowel onderzoek naar en ontwikkeling en beproeving van innovatieve informatie- en communicatietechnologie (ICT) en van bewakings- en controletechnieken nodig, als demonstratieprojecten en precommerciële toepassingen, teneinde voor de nodige interoperabiliteit en schaalbaarheid te zorgen. Deze projecten dienen bij te dragen tot een aanmerkelijke beperking of optimalisering van het totale energieverbruik en van de totale energiekosten door het uitwerken van gemeenschappelijke procedures voor de verzameling, vergelijking en analyse van verbruiks- en emissiegegevens met het oog op de bevordering van de meetbaarheid, transparantie, ▌acceptatie door het publiek, planning en zichtbaarheid van het energieverbruik en de gevolgen ervan voor het milieu. De veiligheid en privacy by design om de bewakings- en controletechnieken te beschermen, moeten daarbij gewaarborgd zijn. De totstandbrenging en benutting van platforms om de stabiliteit van deze systemen te verifiëren zal bijdragen tot de betrouwbaarheid.

3.1.2.  Benutting van het potentieel van efficiënte en hernieuwbare verwarmings- en koelsystemen

In de Unie wordt een groot deel van de energie verbruikt voor verwarmings- en koelingsdoeleinden, zodat de ontwikkeling van kosteneffectieve en efficiënte technologieën en systeemintegratietechnieken op dit gebied, zoals netwerkconnectiviteit met gestandaardiseerde talen en diensten, een grote bijdrage zou kunnen leveren tot de vermindering van de vraag naar energie. Hiervoor zijn onderzoek en demonstraties van nieuwe ontwerptechnieken en systemen en componenten voor toepassingen voor zowel industrieel als commercieel en huishoudelijk gebruik vereist, bijvoorbeeld wat betreft gedecentraliseerde toevoer van heet water en stadsverwarming of de verwarming en koeling van ruimten. Dit onderzoek en deze demonstraties dienen verschillende technologieën te omvatten: zonneverwarming, geothermische energie, biomassa, warmtepompen, warmtekrachtkoppeling, productie van energie uit afvalstoffen, enz. en moeten voldoen aan de vereisten inzake bijna-energieneutrale gebouwen en wijkvoorzieningen en slimme gebouwen bevorderen. Er zijn echter verdere doorbraken nodig, met name op het gebied van de opslag van thermische energie uit hernieuwbare energiebronnen en wat betreft de ontwikkeling en installatie van efficiënte combinaties van hybride verwarmings- en koelsystemen voor gecentraliseerde en gedecentraliseerde toepassingen.

3.1.3.  Bevordering van Europese slimme steden en gemeenten

Stedelijke gebieden behoren tot de grootste verbruikers van energie in de Unie en zijn dan ook verantwoordelijk voor een groot deel van de uitstoot van broeikasgassen en de luchtverontreiniging. Steden zien zich bovendien met een afname van de luchtkwaliteit en de gevolgen van de klimaatverandering geconfronteerd en moeten eigen bestrijdings- en aanpassingsstrategieën ontwikkelen. Het vinden van innovatieve energieoplossingen (bijvoorbeeld energie-efficiëntie, systemen voor de elektriciteitsvoorziening en verwarming en koeling, en integratie van hernieuwbare energiebronnen binnen de bebouwde omgeving) die geïntegreerd zijn met vervoerssystemen, oplossingen voor slim bouwen en stadsplanning alsmede afvalverwerking en waterzuivering en ICT-oplossingen voor de stedelijke omgeving, is derhalve van cruciaal belang voor de omschakeling naar een koolstofarme samenleving. Er moet worden gedacht aan gerichte initiatieven ter ondersteuning van de convergentie van industriële waardeketens van de energie-, vervoers- en ICT-sector voor slimme stedelijke toepassingen. Tegelijk moeten op ware grootte nieuwe technologische, organisatorische, plannings- en zakelijke modellen worden ontwikkeld en beproefd die aan de behoeften en capaciteiten van steden en gemeenten en hun burgers voldoen. Tevens is onderzoek nodig om inzicht te krijgen in de sociale, ecologische, economische en culturele vraagstukken die met deze omschakeling verband houden.

3.2.  Lage kosten, koolstofarme elektriciteitsvoorziening

Elektriciteit speelt een centrale rol bij de totstandbrenging van een ecologisch duurzame koolstofarme economie. Hernieuwbare energiebronnen zijn in deze ontwikkeling van doorslaggevend belang. De marktinvoering van systemen voor koolstofarme elektriciteitsopwekking verloopt te traag vanwege de hoge kosten die ermee gemoeid zijn. Er bestaat daarom een dringende behoefte aan oplossingen waarmee de kosten aanzienlijk worden verlaagd en tegelijk de prestaties, de duurzaamheid en het draagvlak onder het publiek groeien, opdat de markttoepassing van goedkope, betrouwbare en koolstofarme elektriciteitsopwekking kan worden versneld. De activiteiten moeten worden geconcentreerd op onderzoek, ontwikkeling en demonstratie op ware grootte van innovatieve hernieuwbare bronnen, met inbegrip van kleinschalige en zeer kleinschalige energiesystemen, efficiënte, flexibele en koolstofarme fossiele energiecentrales en de afvang en opslag van kooldioxide of technologieën voor het hergebruik van kooldioxide.

3.2.1.  Ontwikkeling van het volledige potentieel van windkracht

De doelstelling is om de kosten voor elektriciteitsopwekking door windkrachtcentrales op het land en voor de kust tegen 2020 met rond 20 % te verminderen in vergelijking tot 2010, om windkrachtcentrales meer naar de zee te verplaatsen en voor een goede integratie in het elektriciteitsnet te zorgen. De aandacht gaat hierbij vooral uit naar de ontwikkeling, beproeving en demonstratie van grootschaligere windgeneratoren van de volgende generatie (waaronder innovatieve energieopslagsystemen), naar een hoger energieomzettingsrendement,en een grotere beschikbaarheid, zowel on- als offshore (ook in afgelegen gebieden en gebieden met ongunstige weersomstandigheden) en naar nieuwe serieproductieprocessen. Er wordt bij de ontwikkeling van windenergie rekening gehouden met milieu- en biodiversiteitsaspecten.

3.2.2.  Ontwikkeling van efficiënte, betrouwbare en in kostenopzicht concurrerende zonne-energiesystemen

De kosten van zonne-energie, zowel van fotovoltaïsche (PV) als geconcentreerde zonne-energie (CSP), moeten tegen 2020 zijn gehalveerd ten opzichte van 2010 opdat deze vorm van energie een aanmerkelijk groter aandeel op de elektriciteitsmarkt kan veroveren.

Voor PV is daartoe verder onderzoek, onder meer naar nieuwe concepten en systemen, demonstratie en beproeving van massaproductie nodig met het oog op grootschalige toepassing en de integratie van PV.

Voor CSP zal de nadruk liggen op de ontwikkeling van methoden ter verhoging van de efficiëntie en vermindering van de kosten en de milieugevolgen, teneinde de industrie in staat te stellen bewezen technologieën op te schalen door prototype-energiecentrales te bouwen. Oplossingen voor een efficiënte combinatie van zonne-elektriciteit met waterontzilting zullen getest worden.

3.2.3.  Ontwikkeling van concurrerende en uit milieuoogpunt veilige technologieën voor koolstofafvang, ‑vervoer, ‑opslag en ‑hergebruik

Koolstofopvang en ‑opslag (carbon capture and storage – CCS) is een belangrijke optie die op commerciële schaal breed en wereldwijd moet worden toegepast om de doelstelling van een koolstofneutrale energieopwekking en een koolstofarm producerende industrie tegen 2050 te kunnen verwezenlijken. Het oogmerk is om de extra kosten die zijn verbonden aan de toepassing van CCS in kolen-, gas- en aardoliegestookte energiecentrales tot een minimum te beperken in vergelijking met gelijkwaardige centrales zonder CCS en energie-intensieve industriële installaties.

Er zal met name steun worden verleend voor demonstraties van de volledige CCS-keten voor een representatieve reeks verschillende opties voor opvang-, vervoers-, opslag- en hergebruikstechnologie. Deze activiteiten zullen vergezeld gaan van onderzoek met het oog op de verdere ontwikkeling van deze technologieën en op het creëren van meer concurrerende afvangtechnologieën, verbeterde componenten, geïntegreerde systemen en processen, veilige geologische opslag en rationele oplossingen alsmede het scheppen van een draagvlak onder het publiek voor ▌hergebruik van afgevangen CO2 ter bevordering van de commerciële toepassing van CCS-technologieën voor met fossiele brandstoffen gestookte energiecentrales en andere koolstofintensieve industrieën die na 2020 in bedrijf worden gesteld. Ook schone kolentechnologieën en aan CCS complementaire technologieën zullen worden ondersteund.

3.2.4.  Ontwikkeling van geothermische energie, waterkracht, mariene energie en andere hernieuwbare energiebronnen

Geothermische energie, waterkracht, mariene energie en andere hernieuwbare energiebronnen kunnen een bijdrage leveren aan het koolstofvrij maken van de Europese energievoorziening en de ontwikkeling van flexibele mogelijkheden voor een variabele productie en een variabel verbruik van energie. De doelstelling is om kosteneffectieve en duurzame technologieën verder te ontwikkelen en marktrijp te maken zodat zij op grote schaal en door de industrie kunnen worden toegepast en geïntegreerd kunnen worden in het elektriciteitsnet. Verbeterde geothermische systemen zijn een technologie die verder moeten worden onderzocht, ontwikkeld en gedemonstreerd, waarbij met name moet worden gedacht aan exploratie, boren en warmteproductie. Energie uit de zee, zoals getijden-, stromings- of golfslagenergie en osmose-energie, is een voorspelbare energiebron zonder uitstoot van schadelijke stoffen, en kan eveneens bijdragen tot de ontwikkeling van het volledig potentieel van offshore windenergie (combinatie van verschillende vormen van mariene energie). Er moet ook innovatief laboratoriumonderzoek worden verricht naar goedkope en betrouwbare onderdelen en materialen in een omgeving met sterke corrosie en bioaangroei en er moeten demonstraties worden georganiseerd onder de uiteenlopende omstandigheden in de Europese wateren.

3.3.  Alternatieve brandstoffen en mobiele energiebronnen

Om aan de Europese energiebehoeften en doelstellingen inzake de vermindering van de CO2-uitstoot te kunnen voldoen, is de ontwikkeling van nieuwe brandstoffen en mobiele energiebronnen vereist. Dit is met name belangrijk om de doelstellingen met betrekking tot slim, groen en geïntegreerd vervoer te kunnen verwezenlijken. De waardeketen voor deze technologieën en alternatieve brandstoffen is niet in voldoende mate ontwikkeld en moet naar het demonstratiestadium worden getild.

3.3.1.  Bio-energie concurrerender en duurzamer maken

De doelstelling met betrekking tot bio-energie is de meest veelbelovende technologieën marktrijp te maken met het oog op de grootschalige, duurzame productie van geavanceerde op verschillende waardeketens gebaseerde biobrandstoffen in het kader van een bioraffinagebenadering van vervoer over land, over zee en door de lucht, en op hoogefficiënte warmtekrachtkoppeling en groen gas op basis van biomassa en afval, met inbegrip van CCS. Doel is de ontwikkeling en demonstratie van technologie voor verschillende trajecten voor bio-energie op verschillende schalen, rekening houdend met verschillende geografische en klimaatomstandigheden en logistieke beperkingen, waarbij de negatieve gevolgen van het landgebruik voor het milieu en de samenleving tot het minimum moeten worden beperkt. Daarnaast zal onderzoek op langere termijn worden verricht ten behoeve van de ontwikkeling van een duurzame bio-energie-industrie na 2020. Deze activiteiten vormen een aanvulling op onderzoek dat upstream (bijvoorbeeld op het gebied van toevoer, biohulpbronnen) en downstream (bijvoorbeeld op het gebied van integratie in het wagenpark) wordt verricht in het kader van andere relevante maatschappelijke uitdagingen.

3.3.2.  Bespoediging van de marktinvoering van technologie op het gebied van waterstof en brandstofcellen

Brandstofcellen en waterstof kunnen potentieel een grote bijdrage leveren tot het aanpakken van de uitdagingen waarmee Europa zich op energiegebied geconfronteerd ziet. Om deze technologieën concurrerend te maken op de markt is een sterke verlaging van de kosten nodig. Zo moeten bijvoorbeeld de kosten van brandstofcelsystemen voor vervoersdoeleinden in de komende tien jaar met een factor 10 worden verminderd. Daartoe wordt steun verleend aan ▌demonstraties en de precommerciële toepassing van draagbare en vaste vervoerstoepassingen alsmede vaste toepassingen op microniveau, en daaraan gerelateerde diensten en voor langetermijnonderzoek en technologische ontwikkeling gericht op het opbouwen van een concurrerende brandstofcelketen en van een duurzame waterstofproductie en ‑infrastructuur in de gehele Unie. Er is nauwe nationale en internationale samenwerking nodig om op de markt een doorbraak van de vereiste orde van grootte te kunnen zorgen en om passende normen te kunnen ontwikkelen.

3.3.3.  Nieuwe alternatieve brandstoffen

Op dit gebied is er sprake van een scala aan nieuwe opties met langetermijnpotentieel, zoals metaalbrandstof in poedervorm of brandstof verkregen uit fotosynthetische micro-organismen (in aquatische en terrestrische milieus) en kunstmatige fotosynthese en zonnebrandstof. Deze nieuwe onderzoeksrichtingen bieden wellicht mogelijkheden voor een efficiëntere omzetting van energie en meer kosteneffectieve en duurzame technologieën▌. In dit kader zal met name steun worden verleend om deze nieuwe en andere potentiële technologieën uiterlijk in 2020 van het laboratoria naar demonstratieniveau te tillen met het oog op precommerciële demonstratie.

3.4.  Een uniform, slim Europees elektriciteitsnet

Met betrekking tot elektriciteitsnetten moeten drie onderling samenhangende uitdagingen worden aangepakt om een consumentvriendelijk en in toenemende mate koolstofvrij elektriciteitssysteem te creëren: de totstandbrenging van een pan-Europese markt; de integratie van een sterk gestegen aandeel hernieuwbare energiebronnen; het beheer van de interacties tussen miljoenen leveranciers en afnemers (nu steeds meer huishoudens zowel leverancier als afnemer zijn), met inbegrip van eigenaren van elektrische voertuigen. Elektriciteitsnetten van de toekomst zullen een cruciale rol spelen bij de overgang naar een ▌koolstofvrij energiesysteem en meer flexibiliteit en kostenvoordelen voor de consument bieden. De prioritaire doelstelling voor 2020 is om ervoor te zorgen dat rond 35 %(22) van de gedistribueerde elektriciteit afkomstig is uit verspreide en geconcentreerde hernieuwbare energiebronnen.

Sterk geïntegreerde onderzoeks- en demonstratie-inspanningen zullen bijdragen tot de ontwikkeling van nieuwe componenten, technologieën en procedures die zowel betrekking hebben op de specifieke vereisten van de transmissie- en distributiekant van het elektriciteitsnet als op de flexibele opslag van energie.

Er moet aandacht worden besteed aan alle opties die geëigend zijn om het aanbod van en de vraag naar energie in evenwicht te brengen, teneinde de emissies en de kosten te kunnen verminderen. Nieuwe, slimme energienetwerktechnologieën, back-up- en compensatietechnologieën die meer flexibiliteit en efficiëntie mogelijk maken, met inbegrip van conventionele energiecentrales, nieuwe netcomponenten die de transmissiecapaciteit en ‑kwaliteit alsook de betrouwbaarheid van de netten vergroten. Er moet onderzoek worden gedaan naar nieuwe technologieën op het gebied van elektriciteitssystemen en een bidirectionele communicatie-infrastructuur en deze moeten in het bestaande elektriciteitsnet worden geïntegreerd en worden benut voor de totstandbrenging van vormen van slimme interactie met andere energienetten. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd tot een betere planning, bewaking en controle en een veiliger exploitatie van netwerken onder normale omstandigheden en in noodsituaties, tot het beheer van de interacties tussen leveranciers en afnemers en tot de toevoer, het beheer en de verhandeling van energiestromen. Met het oog op de toepassing van toekomstige infrastructuur moet bij de opstelling van indicatoren en de analyse van kostenvoordelen rekening worden gehouden met het systeem als geheel. Daarnaast zal worden gestreefd naar een zo groot mogelijke synergie tussen slimme netwerken en telecommunicatienetwerken, teneinde dubbele investeringen te voorkomen, de veiligheid te vergroten en de slimme energiediensten sneller ingang te doen vinden.

Nieuwe opslagmogelijkheden voor energie (zowel ▌batterijen als grootschalige opslag van naar gas omgezette energie) en voertuigsystemen zullen voor de vereiste flexibiliteit aan de productie- en de vraagzijde zorgen. Verbeterde ICT-technologieën zullen de flexibiliteit van de vraag naar elektriciteit nog verder verhogen doordat zij de afnemers (industrie, bedrijfsleven en huishoudens) de nodige automatiseringsinstrumenten aan de hand zullen doen. Ook hier zijn zekerheid, betrouwbaarheid en privacy belangrijke punten van aandacht.

Nieuwe ontwerpmogelijkheden op het gebied van planning, markten en regulering moeten stimulansen bieden voor de algemene efficiëntie en kosteneffectiviteit van de leveringsketen van elektriciteit, de interoperabiliteit van infrastructuur en het ontstaan van een open en door mededinging gekenmerkte markt voor slimme energienetwerktechnologie, producten en diensten. Er zijn grootschalige demonstratieprojecten nodig om oplossingen te beproeven en te valideren en om te beoordelen welke voordelen zij voor het systeem en voor de individuele belanghebbenden bieden, alvorens die oplossingen in heel Europa toe te passen. Deze projecten moeten vergezeld gaan van onderzoek naar de reactie van consumenten en bedrijven op economische prikkels, gedragswijzigingen, informatiediensten en ander innovatieve mogelijkheden waarin slimme netwerken voorzien.

3.5.  Nieuwe kennis en technologieën

Op de lange duur zijn nieuwe, efficiëntere en kosteneffectievere alsook schone, veilige en duurzame energietechnologieën nodig. De vooruitgang op dit gebied dient te worden bespoedigd door multidisciplinair onderzoek met het oog op wetenschappelijke doorbraken met betrekking tot energiegerelateerde concepten en ontsluitende technologieën (bijv. nanowetenschap, materiaalwetenschap, vastestoffysica, ICT, biowetenschappen, aardwetenschappen, computerkunde, ruimtevaart), waar passend, door de veilige en milieuvriendelijk exploratie en productie van onconventionele aardgas- en aardoliebronnen, en door de ontwikkeling van innovaties op het gebied van toekomstige en opkomende technologieën.

Tevens zal geavanceerd onderzoek nodig zijn om oplossingen te vinden voor de aanpassing van energiesystemen aan de veranderende klimaatomstandigheden. De prioriteiten van dit onderzoek kunnen worden afgestemd op nieuwe wetenschappelijke en technologische behoeften en kansen of pas ontdekte fenomenen die veelbelovende ontwikkelingen of risico's voor de samenleving doen vermoeden en die tijdens de looptijd van Horizon 2020 terrein zullen winnen.

3.6.  Krachtige besluitvorming en maatschappelijke betrokkenheid

Het energiebeleid moet worden ondersteund door en in sterke mate gebaseerd zijn op onderzoek naar energie. Er zijn grondige kennis en diepgaand onderzoek vereist met betrekking tot de invoering en benutting van technologieën en diensten, infrastructuur, markten (en de bijbehorende regelgevingskaders) en met betrekking tot consumentengedrag op het gebied van energie om beleidsmakers van gedegen analyses te kunnen voorzien. Er zal daarom, met name in het kader van het informatiesysteem van het SET-plan van de Europese Commissie, steun worden verleend voor: de ontwikkeling van gedegen en transparante theorieën, instrumenten, methoden en modellen ter beoordeling van de belangrijkste economische en maatschappelijke kwesties op het gebied van energie; het opzetten van gegevensbanken en de opstelling van scenario's voor een uitgebreide Unie en de beoordeling van het effect van het energiebeleid en het energiegerelateerde beleid op de continuïteit van de voorziening, het verbruik, het milieu, de natuurlijke hulpbronnen en de klimaatverandering, de samenleving en het concurrentievermogen van de energiesector; de uitvoering van sociaaleconomische onderzoeksactiviteiten alsmede studies betreffende de wetenschap in de samenleving.

In het kader van platforms voor open innovatie zoals "levende laboratoria" en grootschalige demonstratieprojecten voor de innovatie van diensten alsmede panelonderzoeken, en met gebruikmaking van de mogelijkheden van het internet en sociale technologieën zullen het gedrag van de consumenten, met name van personen met een handicap, en veranderingen in het gedrag van de consumenten worden bestudeerd, onder eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

3.7.  Marktintroductie van energie-innovatie ▌

Innovatieve oplossingen voor de marktinvoering en ‑verspreiding zijn van essentieel belang voor de tijdige en kosteneffectieve invoering van nieuwe energietechnologieën. Naast door technologie aangestuurde onderzoeks- en demonstratieactiviteiten zijn hiervoor acties met een duidelijke Europese meerwaarde nodig die over verschillende disciplines en bestuursniveaus heen gericht zijn op de ontwikkeling, toepassing, uitwisseling en verspreiding van niet-technologische innovaties met een grote hefboomwerking op de EU-markten voor energie.

Deze innovaties zullen zich concentreren op de totstandbrenging van gunstige marktvoorwaarden wat betreft regelgeving, administratieve lasten en financiering voor koolstofarme, hernieuwbare en energie-efficiënte technologieën en oplossingen. Er zal steun worden verleend voor maatregelen ter bevordering van de tenuitvoerlegging van het energiebeleid, de voorbereiding van de investeringen, de ondersteuning van de opbouw van capaciteiten en bevordering van de acceptatie door het publiek. Er zal ook aandacht worden geschonken aan innovatie ten behoeve van slim en duurzaam gebruik van bestaande technologieën.

Door onderzoek en analysen wordt herhaaldelijk bevestigd dat de menselijke factor een cruciale rol speelt bij het welslagen of het mislukken van beleidsmaatregelen op het gebied van duurzame energie. Innovatieve organisatorische structuren, de verspreiding en uitwisseling van goede praktijken en specifieke scholings- en capaciteitsopbouwacties zullen worden aangemoedigd.

3.8.  Specifieke uitvoeringsaspecten

Bij de vaststelling van de prioriteiten voor de uitvoering van de activiteiten in het kader van deze uitdaging staat de noodzaak om ▌onderzoek en innovatie op energiegebied op Europees niveau te versterken voorop. Een van de hoofddoelstellingen is de ondersteuning van de uitvoering van de onderzoeks- en innovatieagenda van het Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan) (23) met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van het beleid van de Unie inzake energie en klimaatverandering. De stappen- en uitvoeringsplannen van het SET-plan leveren derhalve waardevolle input voor de formulering van de werkprogramma's. De beheersstructuur van het SET-plan zal worden gebruikt als een belangrijke basis voor de vaststelling van strategische prioriteiten en de coördinatie van onderzoek en innovatie op energiegebied in de Unie.

De niet-technologische agenda zal zijn gebaseerd op het energiebeleid en de energiewetgeving van de Unie. Tevens zal overal in de Unie steun worden verleend voor de totstandbrenging van een gunstig klimaat voor de brede markttoepassing van bewezen technologische en dienstenoplossingen, processen en beleidsinitiatieven voor koolstofarme technologieën en energie-efficiëntie. Dit kan onder meer gebeuren in de vorm van steun voor technische bijstand ten behoeve van ontwikkeling en investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie.

Bij de activiteiten ten behoeve van het in de handel brengen dient mede te worden uitgegaan van de ervaring die is opgedaan in het kader van het initiatief Intelligente energie voor Europa (IEE).

Het vormen van partnerschappen met Europese belanghebbenden is van belang voor een gezamenlijk gebruik van hulpbronnen en een gezamenlijke uitvoering. Per geval kan worden bepaald dat, indien dit gepast wordt geacht, bestaande Europese industriële initiatieven van het SET-plan worden omgezet in publiek-private partnerschappen om het niveau en de coherentie van de ▌financiering te versterken en gezamenlijke onderzoeks- en innovatieacties van de publieke en private belanghebbenden aan te moedigen. Er zal worden overwogen om, ook in samenwerking met de lidstaten, steun te verlenen aan allianties van publieke onderzoeksorganisaties, met name de in het kader van het SET-plan in het leven geroepen Europese Alliantie voor energieonderzoek, teneinde de openbare onderzoeksmiddelen en ‑infrastructuur te poolen, om onderzoek te doen op cruciale gebieden van Europees belang. Door middel van internationale coördinatieacties zal overeenkomstig het beginsel van variabele geometrie steun worden verleend voor de prioriteiten van het SET-plan, waarbij rekening wordt gehouden met de capaciteiten en specifieke omstandigheden in de verschillende landen. Ook zullen passende verbanden tot stand worden gebracht met de acties van relevante Europese Innovatiepartnerschappen en met de relevante aspecten van de onderzoeks- en innovatieagenda's van de Europese technologieplatforms.

Overwogen kan worden steun te verlenen aan relevante initiatieven voor gezamenlijke programmering en aan relevante publiek-publieke en publiek-private partnerschappen. De activiteiten zullen voorts gericht worden op het vergroten van de steun en op het bevorderen van de betrokkenheid van kleine en middelgrote ondernemingen.

Er zal een beroep worden gedaan op het informatiesysteem van het SET-plan van de Europese Commissie (SETIS) om samen met belanghebbenden prestatiekernindicatoren te ontwikkelen om de vooruitgang bij de tenuitvoerlegging in kaart te brengen. Deze indicatoren zullen regelmatig aan een herziening worden onderworpen om rekening te houden met actuele ontwikkelingen. Meer algemeen wordt in het kader van deze uitdaging gestreefd naar een verbetering van de coördinatie van relevante programma's, initiatieven en beleidsmaatregelen van de Unie, zoals het cohesiebeleid, met name via de nationale en regionale strategieën voor slimme specialisatie, en van de mechanismen van de EU-regeling voor de handel in emissierechten, bijvoorbeeld wat betreft de steun voor demonstratieprojecten.

4.  SLIM, GROEN EN GEÏNTEGREERD VERVOER

4.1.  Hulpbronnenefficiënt en milieuvriendelijk vervoer

De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld de uitstoot van CO2 tegen 2050 met 60 % te verminderen in vergelijking met het niveau van 1990. Tevens beoogt zij om uiterlijk in 2030 het gebruik van op conventionele brandstoffen rijdende auto's in steden met de helft te reduceren en in de grote stedelijke centra voor een vrijwel koolstofneutrale logistiek te zorgen. Het aandeel van koolstofarme brandstoffen in de luchtvaart moet in 2050(24) met 40 % zijn gestegen en de CO2-emissies door het gebruik van bunkerbrandstoffen in de scheepvaart moeten dan met 40 % zijn verlaagd in vergelijking met de niveaus van 2005.

Het is van cruciaal belang dit milieueffect te beperken door gerichte technologische verbeteringen, zonder uit het oog te verliezen dat iedere wijze van vervoer uiteenlopende uitdagingen kent en door specifieke technologische integratiecycli wordt gekenmerkt.

Onderzoek en innovatie zullen een grote bijdrage leveren tot de ontwikkeling en marktinvoering van de nodige oplossingen voor alle vormen van vervoer, waardoor de door het vervoer veroorzaakte schadelijke emissies (zoals die van CO2, NOx, SOx en lawaai) drastisch zullen worden teruggedrongen, de afhankelijkheid van het vervoer van fossiele brandstoffen zal worden verminderd, waardoor de gevolgen van het vervoer voor de biodiversiteit en de klimaatverandering worden beperkt en de natuurlijke hulpbronnen worden gespaard.

Dit zal worden bereikt door middel van de volgende specifieke activiteiten:

4.1.1.  Schonere en stillere vliegtuigen, voertuigen en schepen ter verbetering van de milieuprestaties en vermindering van lawaai en trillingen

De activiteiten op dit gebied zijn gericht op de eindproducten, maar zullen ook betrekking hebben op slank en ecologisch ontwerp en dito productieprocessen, waarbij het volledige levenscyclusproces in aanmerking wordt genomen en de recycleerbaarheid reeds in het ontwerpstadium wordt geïntegreerd. Onder de activiteiten valt ook het moderniseren van bestaande producten en diensten door het integreren van nieuwe technologieën.

(a)  Ontwikkeling en bespoediging van de marktinvoering van schonere en stillere aandrijftechnologieën is van belang voor de vermindering of voorkoming van gevolgen voor het klimaat en de gezondheid van de Europese burgers, bijvoorbeeld CO2, lawaai en ▌verontreinigende stoffen in het vervoer. Hiervoor zijn nieuwe en innovatieve oplossingen nodig, gebaseerd op elektrische motoren en accu's, waterstof- en brandstofcellen, gasmotoren, geavanceerde motorarchitecturen en ‑technologieën of hybride aandrijving. Technologische doorbraken zullen tevens bijdragen tot de verbetering van de milieuprestaties van traditionele en nieuwe aandrijfsystemen.

(b)  Onderzoek naar mogelijkheden voor het gebruik van emissiearme alternatieve energievormen zal bijdragen tot een vermindering van het verbruik van fossiele brandstoffen. Hiertoe behoort onder meer het gebruik van duurzame brandstoffen en elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in alle middelen van vervoer, met inbegrip van de luchtvaart, de vermindering van het brandstofverbruik door middel van energy harvesting, een gediversifieerde energievoorziening en andere innovatieve oplossingen. Er zullen nieuwe holistische benaderingen worden toegepast op het gebied van voertuigen, energieopslag en energievoorzienings-, brandstof- en oplaadinfrastructuur, met inbegrip van interfaces voor de koppeling van voertuigen en stroomnetten en innovatieve oplossingen voor het gebruik van alternatieve brandstoffen.

(c)  Verbetering van de totale prestaties van vliegtuigen, schepen en voertuigen door de verlaging van hun gewicht en de beperking van de aerodynamische, hydrodynamische of rolweerstand dankzij het gebruik van lichtere materialen, slankere structuren en innovatieve ontwerpen, zullen bijdragen tot een lager brandstofgebruik.

4.1.2.  Ontwikkeling van slimme apparatuur, infrastructuur en diensten

Hierdoor worden vervoersactiviteiten geoptimaliseerd en het verbruik van hulpbronnen gereduceerd. De nadruk zal komen te liggen op oplossingen voor het efficiënt plannen, ontwerpen, gebruiken en beheren van luchthavens, havens, logistieke platforms en infrastructuur voor oppervlaktevervoer alsmede op autonome en doeltreffende onderhouds-, toezicht- en inspectiesystemen. Er moet worden overstapt op nieuw beleid, nieuwe bedrijfsmodellen, concepten, technologieën en IT-oplossingen om de capaciteit te vergroten. Er zal bijzondere aandacht worden besteed aan de klimaatbestendigheid van uitrusting en infrastructuur, kostenefficiënte oplossingen op basis van een levenscyclusbenadering en de bredere toepassing van nieuwe materialen en technologieën die een efficiënter en voordeliger onderhoud mogelijk maken. Tevens zal aandacht worden besteed aan toegankelijkheid, gebruiksgemak en sociale inclusiviteit.

4.1.3.  Verbetering van het vervoer en de mobiliteit in stedelijke gebieden

De verbetering van het vervoer en de mobiliteit zal ten goede komen aan een toenemend deel van de bevolking dat in de stad woont en werkt of naar de stad komt voor diensten en vrijetijdsbesteding. Er moeten nieuwe concepten op het gebied van mobiliteit en vervoersorganisatie, modellen voor multimodale toegankelijkheid, logistieke oplossingen, beschikbaarstelling van innovatieve voertuigen en stedelijke openbare diensten alsmede planningsoplossingen worden ontwikkeld en beproefd teneinde bij te dragen tot de vermindering van files, luchtvervuiling en lawaai en de verbetering van de efficiëntie van het stadsvervoer. Openbaar vervoer en niet-gemotoriseerd vervoer dienen naast andere vormen van hulpbronnenefficiënt passagiers- en vrachtvervoer te worden ontwikkeld als echt alternatief voor het gebruik van particuliere motorvoertuigen, gesteund door een intensiever gebruik van intelligente vervoerssystemen en innovatief aanbod- en vraagbeheer. Bijzondere nadruk zal worden gelegd op de interactie tussen het vervoerssysteem en andere stedelijke systemen.

4.2.  Betere mobiliteit, minder verkeersopstoppingen, meer veiligheid en betere beveiliging

Het Europese vervoerbeleid op dit terrein is in het licht van de toenemende vraag naar mobiliteit gericht op de optimalisering van vervoersprestaties en ‑efficiëntie, teneinde van Europa de veiligste regio voor de luchtvaart, het vervoer over spoor en het vervoer over het water te maken en vorderingen te maken in de richting van de doelstelling van nul dodelijke ongevallen in het wegverkeer in 2050 en halvering van het aantal ongevallen op de weg tegen 2020. Tegen 2030 moet 30 % van het vrachtvervoer over de weg over afstanden van meer dan 300 kilometer zijn verplaatst naar het spoor en de scheepvaart. Een naadloos aansluitend, toegankelijk, betaalbaar, op de gebruikers gericht en efficiënt vervoer van personen en goederen door geheel Europa waarbij tevens externe kosten worden geïnternaliseerd, vergt een nieuw Europees multimodaal systeem voor vervoersbeheer, informatie en betalingen, alsmede efficiënte interfaces tussen langeafstands- en stedelijke mobiliteitsnetwerken.

Een beter Europees vervoerssysteem zal bijdragen tot een doelmatiger gebruik van het vervoer en zal de levenskwaliteit van de burgers verbeteren en een gezonder milieu bevorderen.

Onderzoek en innovatie zullen door activiteiten in het kader van de volgende acties een belangrijke bijdrage leveren tot de verwezenlijking van die ambitieuze beleidsdoelstellingen:

4.2.1.  Een substantiële vermindering van het aantal files

Dit kan worden bereikt door de implementatie van een intelligent, multimodaal en volledig intermodaal systeem voor vervoer "van deur tot deur" en door het voorkomen van onnodig gebruik van vervoermiddelen. Dit betekent dat voor meer integratie tussen de verschillende vormen van vervoer moet worden gezorgd, dat vervoersketens moeten worden geoptimaliseerd en dat vervoersactiviteiten en ‑diensten beter moeten worden geïntegreerd. Door zulke innovatieve oplossingen zullen ook de toegankelijkheid van het vervoer en de keuzemogelijkheden voor de passagiers worden verbeterd, ook voor ouderen en kwetsbare gebruikers, en ontstaan mogelijkheden om congestie te voorkomen door middel van een beter incidentenbeheer en de ontwikkeling van programma's die het mogelijk maken het verkeer te optimaliseren.

4.2.2.  Substantiële verbeteringen van de mobiliteit van personen en goederen

Dit kan worden bereikt door de ontwikkeling, demonstratie en brede invoering van intelligente vervoerstoepassingen en beheersystemen. Voorwaarden hiervoor zijn: analyse en beheer van de vraag op planningsniveau, informatie- en betalingssystemen die op Europees niveau interoperabel zijn, en de volledige integratie van informatiestromen, beheersystemen, infrastructuurnetwerken en mobiliteitsdiensten in een nieuw gemeenschappelijk multimodaal kader dat is gebaseerd op open platforms. Hierdoor kunnen ook flexibiliteit en het vermogen tot snelle reacties op crisissituaties en extreme weersomstandigheden worden gewaarborgd door het reis- en goederenverkeer over de verschillende vervoerswijzen te herverdelen. Nieuwe toepassingen voor positiebepaling, navigatie en tijdbepaling die zijn gebaseerd op de satellietnavigatiesystemen Galileo en Egnos zullen ertoe bijdragen deze doelstelling te verwezenlijken.

(a)  Innovatieve technologieën voor luchtverkeersbeheer maken in tijden van een sterk toenemende vraag een grote stap voorwaarts mogelijk op het gebied van veiligheid en efficiëntie en zorgen voor grotere stiptheid, een verkorting van de tijd die passagiers met reisgerelateerde procedures doorbrengen, en meer veerkracht in het luchtverkeerssysteem. De tenuitvoerlegging en verdere ontwikkeling van het "gemeenschappelijk Europees luchtruim" zullen worden ondersteund door onderzoeks- en innovatieactiviteiten die voorzien in oplossingen voor een sterkere automatisering en autonomie op het gebied van luchtverkeersbeheer, de besturing van luchtvaartuigen en de verkeersleiding, een betere integratie van componenten op de grond en in de lucht en nieuwe oplossingen voor de efficiënte en naadloze afhandeling van passagiers en goederen in het gehele vervoersysteem.

(b)  In de scheepvaart zullen verbeterde en geïntegreerde plannings- en beheertechnologieën bijdragen tot het ontstaan van een "blauwe gordel" op de zeeën die Europa omgeven en tot efficiëntere havenactiviteiten. Daarnaast zorgen deze technologieën voor een passend kader voor de Europese binnenvaart.

(c)  Met betrekking tot de spoorwegen en het wegverkeer zal de optimalisering van het netwerkbeheer en van de interoperabiliteit een efficiënt gebruik van de beschikbare infrastructuur bevorderen en grensoverschrijdende activiteiten vergemakkelijken. Er zullen allesomvattende coöperatieve systemen voor het beheer van het wegverkeer en informatie worden ontwikkeld op basis van voertuig-tot-voertuig- en voertuig-tot-infrastructuur-communicatie.

4.2.3.  Ontwikkeling ▌van nieuwe concepten voor vrachtverkeer en logistiek

De activiteiten in dit kader kunnen de druk op het vervoersysteem en op het milieu verminderen en voor meer veiligheid en vrachtcapaciteit zorgen. Zo kunnen voertuigen die hoge prestaties leveren, maar een klein milieueffect hebben, worden gecombineerd met slimme, betrouwbare boordsystemen en infrastructuursystemen▌. De daarbij te volgen benadering moet worden gebaseerd op een geïntegreerde vervoerslogistiek. In het kader van deze activiteiten wordt ook steun verleend voor de ontwikkeling van de visie van e‑Freight, een papierloos vrachtvervoerproces waarbij elektronische informatiestromen, diensten en betalingen gekoppeld zijn aan fysieke intermodale vrachtverkeersstromen.

4.2.4.  Vermindering van het aantal ongevallen en verkeersdoden en ‑gewonden alsmede verbetering van de veiligheid

Deze doelstelling zal worden verwezenlijkt door aspecten aan te pakken die met de organisatie, het beheer en de controle van de prestaties en de risico's van vervoersystemen te maken hebben en door aandacht te besteden het ontwerp, de vervaardiging en de besturing of bediening van luchtvaartuigen, voertuigen en schepen, infrastructuur en terminals. Er zal aandacht worden besteed aan passieve en actieve veiligheid, preventieve veiligheid en verbeterde automatiserings- en opleidingsprocessen ter vermindering van de risico's en de gevolgen van menselijk falen. Om de gevolgen van het weer, natuurlijke gevaren en andere crisissituaties beter te kunnen voorspellen, beoordelen en tegengaan worden speciale instrumenten en technieken ontworpen. De activiteiten zullen ook zijn gericht op de integratie van veiligheidsaspecten in de planning en het beheer van passagiers- en vrachtstromen, het ontwerp van luchtvaartuigen, voertuigen en schepen, op het verkeers- en systeembeheer en de constructie van vervoersinfrastructuur en van vracht- en passagiersterminals. Intelligente vervoers- en connectiviteitstoepassingen kunnen eveneens van nut blijken voor het vergroten van de veiligheid. Voorts zullen de activiteiten zich concentreren op een betere veiligheid voor alle weggebruikers, met name voor weggebruikers die het grootste risico lopen, in het bijzonder in stedelijke gebieden.

4.3.  Mondiaal leiderschap voor de Europese vervoersector

Doordat onderzoek en innovatie ervoor zorgen dat Europa zijn voorsprong op het gebied van technologische ontwikkeling behoudt en dat het concurrentievermogen van de bestaande productieprocessen toeneemt, dragen zij ertoe bij dat de Europese vervoersector ondanks de groeiende concurrentie gekenmerkt blijft door groei en het scheppen van hooggekwalificeerde banen. De verdere ontwikkeling van het concurrentievermogen van deze belangrijke economische sector, die goed is voor 6,3 % van het bbp van de Unie en werk biedt aan 13 miljoen mensen in Europa, moet worden gewaarborgd. Tot de specifieke doelstellingen in dit verband behoren de ontwikkeling van de volgende generatie van innovatieve en milieuvriendelijke middelen voor vervoer over land, over het water en door de lucht, als waarborg voor de duurzame vervaardiging van innovatieve systemen en innovatief materiaal en ter voorbereiding van toekomstige vervoersmiddelen door de uitwerking van nieuwe technologieën, concepten en ontwerpen, en van slimme controlesystemen en efficiënte ontwikkelings- en productieprocessen, innovatieve diensten en certificeringsprocedures. Europa streeft naar mondiaal leiderschap op het gebied van efficiency, milieuprestaties en veiligheid in alle takken van vervoer en naar versterking van zijn leidende positie op de wereldmarkten, zowel wat eindproducten als subsystemen betreft.

Onderzoek en innovatie zullen op de volgende specifieke activiteiten zijn gericht:

4.3.1.  Ontwikkeling van de vervoermiddelen van de volgende generatie met het oog op het behoud van marktaandelen

De activiteiten in dit kader zullen bijdragen tot de leidende positie van Europa op het gebied van luchtvaartuigen, hogesnelheidstreinen, conventionele en stedelijke spoorwegnetten, wegvoertuigen, elektromobiliteit, cruiseschepen, veerboten en gespecialiseerde hightech-schepen en maritieme platforms. Hierdoor zal ook het concurrentievermogen van de Europese industrieën op het gebied van opkomende technologieën en systemen worden gestimuleerd en de diversificatie van deze industrieën naar nieuwe markten, en naar andere sectoren dan de vervoersector, worden bevorderd. Hiertoe behoort de ontwikkeling van innovatieve veilige en milieuvriendelijke luchtvaartuigen, voertuigen en schepen met efficiënte aandrijvingssystemen, groot vermogen en intelligente bedienings- en controlesystemen.

4.3.2.  Boordsystemen voor slimme controletoepassingen

Deze systemen zijn noodzakelijk om de prestaties en de systeemintegratie in de vervoersector te verhogen. Er zullen, met inachtneming van de gevolgen van elektromagnetische velden, passende interfaces voor de communicatie tussen luchtvaartuigen, voertuigen, vaartuigen en infrastructuur en alle relevante combinaties daarvan worden ontwikkeld met het oog op de vaststelling van gemeenschappelijke operationele normen. Ook de rechtstreekse doorgifte van verkeersbeheers- en gebruikersinformatie aan in het vervoermiddel aanwezige apparatuur en het met behulp van betrouwbare apparatuur in real time verzamelen van verkeersinformatie over de situatie op de wegen en over verkeerscongestie kunnen daaronder vallen.

4.3.3.  Geavanceerde productieprocessen

Met behulp van deze processen kunnen producten op maat worden vervaardigd en de levenscycluskosten worden verminderd, kan de ontwikkelingstijd worden verkort en kunnen de standaardisatie en certificatie van luchtvaartuigen, voertuigen, vaartuigen en hun componenten, uitrusting en daaraan gerelateerde infrastructuur worden bevorderd. De activiteiten op dit gebied zijn gericht op de ontwikkeling van snelle en kosteneffectieve ontwerp- en productietechnieken, inclusief assemblage, constructie, onderhoud en recycling, met behulp van digitale instrumenten en automatisering en de integratie van complexe systemen. Hierdoor wordt de opbouw bevorderd van concurrerende toeleveringsketens met korte ontwikkelingstijden en lage kosten, zonder dat de operationele veiligheid en zekerheid in het gedrang komen. Vervoerstoepassingen van innovatieve materialen vormen eveneens een prioriteit, zowel in het kader van milieu- en mededingingsdoelstellingen als bij de vergroting van de veiligheid en de zekerheid.

4.3.4.  Verkennen van geheel nieuwe vervoersconcepten

Door deze activiteiten zal de concurrentiepositie van Europa op langere termijn worden versterkt. In het kader van multidisciplinaire strategische onderzoeks- en "proof-of-concept"-activiteiten zullen innovatieve oplossingen voor vervoerssystemen worden gezocht. De aandacht zal daarbij onder meer uitgaan naar volledig geautomatiseerde en andere nieuwe typen vliegtuigen, voertuigen en vaartuigen met langetermijnpotentieel en hoge milieuprestaties alsmede nieuwe diensten.

4.4.  Sociaaleconomisch en gedragsonderzoek en toekomstgerichte activiteiten met het oog op beleidsvorming

Er moeten acties worden ondernomen ter bevordering van de beleidsanalyse en ontwikkeling, waarbij onder meer gegevens worden verzameld die inzicht bieden in gedragingen met betrekking tot ruimtelijke, sociaaleconomische en ruimere maatschappelijke aspecten van vervoer, teneinde innovatie te stimuleren en een gezamenlijke gegevensbank tot stand te brengen om de uitdagingen op vervoergebied het hoofd te kunnen bieden. De desbetreffende activiteiten zullen zijn gericht op de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van Europees onderzoeks- en innovatiebeleid inzake vervoer en mobiliteit, prospectieve studies en technologische prognoses en de versterking van de Europese onderzoeksruimte.

Inzicht in specifieke plaatselijke en regionale omstandigheden, gebruikersgedrag en ‑percepties, maatschappelijke acceptatie, het effect van beleidsmaatregelen, mobiliteit, veranderende behoeften en patronen, de wijze waarop de vraag zich in de toekomst ontwikkelt, zakelijke modellen en hun implicaties is van doorslaggevend belang voor de ontwikkeling van het Europese vervoersysteem. Er zullen scenario's worden ontwikkeld waarin rekening wordt gehouden met sociale trends, kennelijke oorzaken, beleidsdoelstellingen en technologische prognoses tot het jaar 2050. Met het oog op een beter inzicht in de verbanden tussen territoriale ontwikkeling, sociale cohesie en het Europese vervoersysteem zijn degelijke modellen nodig op basis waarvan goed onderbouwde beleidsbeslissingen kunnen worden genomen.

Er zal in het bijzonder onderzoek worden verricht naar de wijze waarop sociale en territoriale ongelijkheden bij de toegang tot mobiliteit kunnen worden beperkt en de positie van kwetsbare vervoersgebruikers kan worden versterkt. Daarnaast moet aandacht worden besteed aan economische vraagstukken, met name aan de manier waarop externe vervoerkosten in alle vervoermiddelen kunnen worden geïnternaliseerd, en aan belastings- en prijsbepalingsmodellen. Met behulp van prospectieve studies moet worden beoordeeld welke eisen in de toekomst op het gebied van vaardigheden en banen, ontwikkeling en benutting van onderzoek en innovatie alsmede transnationale samenwerking zullen worden gesteld

4.5.  Specifieke uitvoeringsaspecten

De activiteiten zullen zodanig worden opgezet dat, naar gelang van het geval, een geïntegreerde benadering dan wel een specifieke benadering per vervoerswijze kan worden gevolgd. De zichtbaarheid en continuïteit moeten gedurende een aantal jaren verzekerd zijn om rekening te kunnen houden met de specifieke kenmerken van de afzonderlijke vervoerswijzen en met het holistische karakter van de uitdagingen, alsook met de toepasselijke aspecten van de strategische onderzoeks- en innovatieagenda's van Europese technologieplatformen.

Overwogen kan worden steun te verlenen aan relevante initiatieven voor gezamenlijke programmering en aan de relevante publiek-publieke en publiek-private partnerschappen. Ook zullen passende verbanden tot stand worden gebracht met de acties van het Europese innovatiepartnerschap op dit gebied. De activiteiten zullen voorts worden gericht op het vergroten van de steun en op het bevorderen van de betrokkenheid van kleine en middelgrote ondernemingen.

5.  KLIMAATMAATREGELEN, MILEU, HULPBRONNENEFFICIËNTIE EN GRONDSTOFFEN

5.1.  Bestrijding van en aanpassing aan de klimaatverandering

De huidige CO2-concentraties in de atmosfeer zijn bijna 40 % hoger dan aan het begin van de industriële revolutie en zijn de afgelopen 2 miljoen jaar nooit zo hoog geweest. Andere broeikasgassen dan CO2 dragen ook bij tot de klimaatverandering en spelen een steeds belangrijker rol. Zonder krachtig ingrijpen zou de klimaatverandering de wereld ten minste 5 % van het bbp per jaar kunnen kosten, en in bepaalde scenario's tot zelfs 20 %. Bij vroegtijdig en doeltreffend optreden daarentegen zouden de nettokosten beperkt kunnen worden tot ongeveer 1 % van het bbp op jaarbasis. Om het doel van 2°C te halen en de ergste effecten van de klimaatverandering te voorkomen, moeten ontwikkelde landen hun broeikasgasemissies tegen 2050 met 80‑95 % terugdringen in vergelijking met 1990.

Het doel van deze activiteit is dan ook de ontwikkeling en evaluatie van innovatieve, kostenefficiënte en duurzame aanpassings- en mitigatiemaatregelen en ‑strategieën, die gericht zijn op zowel CO2 als andere broeikasgassen en aerosolen dan CO2, en waarbij de nadruk ligt op zowel technologische als niet-technologische groene oplossingen, via het genereren van bewijs voor op informatie gebaseerd, tijdig en doeltreffend optreden en de vorming van netwerken van de vereiste deskundigheden.

Om dit te bereiken zullen onderzoek en innovatie zich toespitsten op:

5.1.1.  Een beter begrip van de klimaatverandering en betrouwbare klimaatprognoses

Voor de samenleving zijn een beter begrip van de oorzaken en de ontwikkeling van de klimaatverandering en nauwkeuriger klimaatprognoses van cruciaal belang om levens, goederen en infrastructuur te beschermen en een doeltreffende besluitvorming en passende mitigatie- en adaptatieopties te waarborgen. Verdere verbetering van de basis van wetenschappelijke kennis over klimaatdrijvers, ‑processen, ‑mechanismen, ‑terugkoppelingen en drempels die samenhangen met het functioneren van ▌terrestrische, mariene en polaire ecosystemen en de atmosfeer, is essentieel. Een beter inzicht maakt het ook mogelijk klimaatverandering met grotere nauwkeurigheid vast te stellen en toe te schrijven aan natuurlijke of antropogene oorzaken. Verbeterde metingen en de ontwikkeling van nauwkeuriger scenario's en modellen, waaronder volledig gekoppelde aardsysteemmodellen die rekening houden met de historische ontwikkeling van het geologisch klimaat, zullen bijdragen tot betrouwbaarder klimaatprojecties en ‑voorspellingen op relevante tijd- en ruimteschalen.

5.1.2.  De beoordeling van effecten en kwetsbaarheden, de ontwikkeling van kostenbesparende aanpassings-, risicopreventie- en beheersmaatregelen

De kennis over de mate waarin de samenleving, de economie en de ecosystemen zich kunnen aanpassen aan de klimaatverandering, is onvolledig. Doeltreffende, eerlijke en maatschappelijk aanvaardbare maatregelen ten behoeve van een klimaatbestendige leefomgeving, economie en samenleving vergen een geïntegreerde analyse van de huidige en toekomstige effecten, kwetsbaarheden, blootstelling van de bevolking, risico's en risicobeheersing, secundaire effecten zoals migratie en conflicten, kosten en kansen in verband met klimaatverandering en klimaatschommelingen, rekening houdend met extreme gebeurtenissen en gerelateerde door het klimaat veroorzaakte gevaren en de herhaling daarvan. Een dergelijke analyse zal ook worden opgesteld voor de negatieve effecten van de klimaatverandering op de biodiversiteit, ecosystemen en ecosysteemdiensten, watervoorraden, infrastructuur en economische en natuurlijke rijkdommen. De nadruk zal worden gelegd op de waardevolste natuurlijke ecosystemen en gebouwde omgevingen en op sectoren van vitaal maatschappelijk, cultureel en economisch belang in heel Europa. Er zal onderzoek worden gedaan naar de effecten en de toenemende risico's voor de menselijke gezondheid als gevolg van de klimaatverandering, door het klimaat veroorzaakte gevaren en van verhoogde concentraties broeikasgassen in de atmosfeer. In dit onderzoek zullen innovatieve, eerlijke verdeelde en kosteneffectieve maatregelen tot aanpassing aan de klimaatverandering worden geëvalueerd, waaronder de bescherming en aanpassing van natuurlijke rijkdommen en ecosystemen, en gerelateerde effecten, om informatie en ondersteuning te verschaffen voor de ontwikkeling en tenuitvoerlegging ervan op alle niveaus en schalen. Hieronder vallen eveneens de potentiële effecten, kosten, risico's en baten van opties op het gebied van geo-engineering. Ook de complexe onderlinge verbanden, conflicten en synergieën van beleidskeuzen inzake aanpassing en risicopreventie met ander klimaat- en sectoraal beleid zullen worden onderzocht, met inbegrip van de effecten op de werkgelegenheid en de levensstandaarden van kwetsbare groepen.

5.1.3.  Ondersteuning van mitigatiebeleid, met inbegrip van studies betreffende de gevolgen van andere sectorale beleidsmaatregelen

Om de Unie tussen nu en 2050 de overgang te laten maken naar een concurrerende, klimaatveranderingsbestendige economie en maatschappij waarin efficiënter met hulpbronnen wordt omgesprongen, moeten we doeltreffende lage-uitstootstrategieën voor de lange termijn uitwerken en aanzienlijke vooruitgang boeken wat betreft onze innovatiecapaciteit. Er zal onderzoek worden gedaan om de risico's, kansen en effecten van beleidsopties ter mitigatie van de klimaatverandering op milieu- en sociaaleconomisch gebied te beoordelen. Ook zal het effect van ander sectoraal beleid worden geëvalueerd. Op basis van het onderzoek kunnen nieuwe klimaat-energie-economiemodellen worden ontwikkeld en gevalideerd, waarbij rekening wordt gehouden met economische instrumenten en relevante externe effecten, met het oog op het testen van mitigatiebeleidsopties en koolstofarme-technologietrajecten op verschillende schalen en voor de sectoren van vitaal economisch en maatschappelijk belang op Unie- en wereldniveau. Er zullen maatregelen worden getroffen die technologische, institutionele en sociaaleconomische innovatie zullen bevorderen door de koppelingen tussen onderzoek en toepassing en tussen ondernemers, eindgebruikers, onderzoekers, beleidsmakers en kennisinstellingen te verbeteren.

5.2.  Bescherming van het milieu, duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, water, biodiversiteit en ecosystemen

Het vinden van een duurzaam evenwicht tussen menselijke behoeften en het milieu is een grote uitdaging die de samenlevingen moeten aangaan. Milieuhulpbronnen, waaronder water, lucht, biomassa, vruchtbare grond, biodiversiteit, ecosystemen en de diensten die zij leveren, zijn essentieel voor de Europese en de wereldeconomie en de kwaliteit van het bestaan. Naar verwachting vertegenwoordigen de mondiale ondernemingskansen die verband houden met natuurlijke hulpbronnen, tegen 2050 een bedrag van meer dan 2 biljoen euro(25). Desondanks worden in Europa en wereldwijd ecosystemen zwaarder beschadigd dan de natuur kan herstellen en worden milieuhulpbronnen overgeëxploiteerd en zelfs vernietigd. Zo gaat jaarlijks 1 000 km2 van de vruchtbaarste bodems en waardevolste ecosystemen in de Unie verloren, terwijl een kwart van het zoet water verspild wordt. Deze patronen voortzetten is geen optie. Onderzoek moet ertoe bijdragen dat tendensen die schadelijk zijn voor het milieu, worden gekeerd en dat gewaarborgd wordt dat ecosystemen de hulpbronnen, goederen en diensten blijven leveren die onmisbaar zijn voor welzijn en economische welvaart alsmede duurzame ontwikkeling.

Met deze activiteit wordt derhalve beoogd kennis en instrumenten te bieden voor het beheer en de bescherming van natuurlijke hulpbronnen waarmee een duurzaam evenwicht tussen beperkte hulpbronnen en de huidige en toekomstige behoeften van de maatschappij en de economie tot stand kan worden gebracht.

Om dit te bereiken zullen onderzoek en innovatie zich toespitsen op:

5.2.1.  Verbetering van ons inzicht in biodiversiteit en de werking van ecosystemen, hun interacties met sociale systemen en hun rol in de ondersteuning van de economie en het menselijk welzijn.

Het reilen en zeilen van een samenleving kan onomkeerbare veranderingen in het milieu teweegbrengen, die het karakter van ecosystemen en hun biodiversiteit aantasten. Het is van vitaal belang om op deze risico's vooruit te lopen door de effecten van menselijke activiteiten op het milieu, onder meer veranderingen in bodemgebruik, en van veranderingen in het milieu op het menselijk welzijn te evalueren, te monitoren en te voorspellen. Onderzoek naar mariene (van kustgebieden tot de diepzee, met inbegrip van de duurzaamheid van mariene rijkdommen), polaire, zoetwater-, terrestrische en stedelijke ecosystemen, waaronder ecosystemen die sterk afhankelijk zijn van het grondwater, zal ons een beter inzicht geven in de complexe interacties tussen natuurlijke hulpbronnen en sociale, economische en ecologische systemen, waaronder natuurlijke omslagpunten en de bestendigheid, of kwetsbaarheid, van menselijke en biologische systemen. Onderzocht zal worden hoe biodiversiteit en ecosystemen functioneren en op antropogene invloeden reageren, hoe ze hersteld kunnen worden en welke uitwerking dit heeft op economieën en het menselijk welzijn. Er zullen oplossingen worden bestudeerd voor het aanpakken van problemen met hulpbronnen in de Europese en internationale context. Dit zal bijdragen tot beleid en praktijken om te waarborgen dat sociale en economische activiteiten plaatsvinden binnen de grenzen van de duurzaamheid en het aanpassingsvermogen van ecosystemen en de biodiversiteit.

5.2.2.  Ontwikkeling van geïntegreerde benaderingen voor de waterproblematiek en de transitie naar het duurzame beheer en gebruik van watervoorraden en waterdiensten

De beschikbaarheid en kwaliteit van zoet water is uitgegroeid tot een mondiaal probleem met verreikende economische en maatschappelijke gevolgen. Nu de vraag naar uiteenlopende en vaak conflicterende vormen van gebruik (bv. landbouw, industrie, recreatie, openbare diensten, ecosystemen, landschapsbehoud en milieuherstel en ‑verbetering), groeit, de kwetsbaarheid van de hulpbronnen verder toeneemt als gevolg van de klimaatverandering en mondiale veranderingen, de verstedelijking, de vervuiling en de overexploitatie van zoetwatervoorraden, worden het handhaven en verbeteren van de kwaliteit en de beschikbaarheid van water en het mitigeren van de gevolgen van menselijke activiteiten voor zoetwaterecosystemen voor watergebruikers in de verschillende sectoren en voor aquatische ecosystemen een kritiek probleem.

Onderzoek en innovatie zullen hiervoor een oplossing zoeken en geïntegreerde strategieën, gereedschappen, technologieën en innovatieve oplossingen voor de huidige en toekomstige behoeften aanreiken. Doel is de nodige waterbeheerstrategieën te ontwikkelen, de waterkwaliteit te verbeteren, het evenwicht tussen de vraag naar water en de beschikbaarheid van of het aanbod aan water op verschillende niveaus en schalen te herstellen, de watercyclus te sluiten, de eindgebruikers tot duurzaam gedrag aan te moedigen, en watergerelateerde risico's te bestrijden met behoud van de integriteit, de structuur en het functioneren van de aquatische ecosystemen in overeenstemming met het huidige EU-beleid.

5.2.3.  Verstrekking van kennis en hulpmiddelen voor een doeltreffende besluitvorming en betrokkenheid van het publiek

Sociale, economische en beheerssystemen moeten nog steeds tot een aanpak komen van zowel de uitputting van hulpbronnen als de beschadiging van ecosystemen. Onderzoek en innovatie zullen de basis vormen voor de beleidsbeslissingen die nodig zijn voor een beheer van natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen dat gericht is op de voorkoming van, of aanpassing aan, ontwrichtende veranderingen in het klimaat en het milieu, en op de bevordering van de institutionele, economische, technologische en gedragsveranderingen die nodig zijn om duurzaamheid te waarborgen. De ontwikkeling van systemen om biodiversiteit en ecosysteemdiensten naar waarde te schatten, en om inzicht te krijgen in het voorhanden natuurlijk kapitaal en de stroom van ecosysteemdiensten, moet daarom op onderzoek gebaseerd zijn. De nadruk zal liggen op essentiële beleidsrelevante ecosystemen en ecosysteemdiensten, zoals zoet water, zeeën en oceanen (met inbegrip van kustgebieden), bossen, poolstreken, luchtkwaliteit, biodiversiteit, landgebruik en bodem. De bestendigheid van samenlevingen en ecosystemen tegen verontreiniging, ziekteverwekkers en catastrofale gebeurtenissen, waaronder natuurrampen (zoals aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, overstromingen en droogtes) en bosbranden, wordt bevorderd door verbetering van de capaciteiten voor het voorspellen van, vroegtijdig waarschuwen voor, en beoordelen van kwetsbaarheden en effecten, inclusief de multirisicodimensie. Zo ondersteunen onderzoek en innovatie milieubeleid en beleid voor efficiënt hulpbronnengebruik, evenals opties voor doeltreffend, op feitenmateriaal gebaseerd beheer binnen veilige werkgrenzen. Er zullen innovatieve manieren worden ontwikkeld om de coherentie van het beleid te vergroten, optimale afwegingen te maken en belangenconflicten op te lossen, evenals om onderzoeksresultaten beter bekend te maken bij het publiek en om de burgers beter bij de besluitvorming te betrekken.

5.3.  De duurzame voorziening waarborgen van andere grondstoffen dan energetische en agrarische

Sectoren als de bouw en de chemische, automobiel-, vliegtuig-, machinebouw- en apparatuurindustrie, die samen een toegevoegde waarde van meer dan 1 000 miljard euro vertegenwoordigen en zo'n 30 miljoen mensen werk verschaffen, zijn alle afhankelijk van toegang tot grondstoffen. Wat betreft mineralen voor de bouwsector is de Unie zelfvoorzienend, maar hoewel de Unie een van 's werelds grootste producenten van bepaalde industriële mineralen is, blijft zij van de meeste industriële mineralen netto-importeur. Bovendien is de Unie sterk afhankelijk van de invoer van metallische mineralen en is zij voor sommige kritieke grondstoffen volledig afhankelijk van invoer.

Recente tendensen wijzen erop dat de vraag naar grondstoffen bepaald zal worden door de ontwikkeling van opkomende economieën en de snelle verbreiding van essentiële ontsluitende technologieën. Europa moet voor alle sectoren die afhankelijk zijn van toegang tot grondstoffen, een duurzaam beheer waarborgen en een duurzame voorziening veiligstellen van grondstoffen van binnen en buiten haar grenzen. Voor kritieke grondstoffen zijn beleidsdoelen opgesteld in het grondstoffeninitiatief van de Commissie(26).

Het doel van deze activiteit is dan ook het verbeteren van de kennisbasis over grondstoffen en de ontwikkeling van innovatieve oplossingen voor een kosteneffectieve en milieuvriendelijke opsporing, winning, verwerking, herbenutting, recycling en terugwinning van grondstoffen en voor de vervanging ervan door economisch aantrekkelijke en ecologisch duurzame alternatieven met een geringer milieueffect.

Om dit te bereiken zullen onderzoek en innovatie zich toespitsten op:

5.3.1.  Verbetering van de kennisbasis over de beschikbaarheid van grondstoffen

De beoordeling van de beschikbaarheid op de lange termijn van hulpbronnen wereldwijd en binnen de Unie, waaronder de toegang tot stedelijke mijnen (stortplaatsen en mijnbouwafval), kustzee- en diepzeehulpbronnen (diepzeemijnbouw naar zeldzame delfstoffen) en de daarmee gepaard gaande onzekerheden, zal worden verbeterd. Deze kennis zal de samenleving helpen om schaarse of milieuonvriendelijke grondstoffen efficiënter te gebruiken, te recyclen en te hergebruiken. Voorts zullen algemene regels, praktijken en normen worden uitgewerkt voor een economisch levensvatbare, milieuvriendelijke en maatschappelijk aanvaardbare opsporing, winning en verwerking van hulpbronnen, met inbegrip van praktijken voor landgebruik en mariene ruimtelijke ordening op basis van een ecosysteemaanpak.

5.3.2.  Bevordering van een duurzame voorziening en een duurzaam gebruik (opsporing, winning, verwerking, hergebruik, recycling en terugwinning) van grondstoffen, met inbegrip van minerale rijkdommen, die te land en op zee worden gewonnen

Onderzoek en innovatie moeten de volledige levenscyclus van materialen beslaan om te waarborgen dat de voorziening en het beheer van grondstoffen betaalbaar, betrouwbaar en duurzaam zijn, hetgeen essentieel is voor de Europese industrieën. De ontwikkeling en tenuitvoerlegging van economisch levensvatbare, maatschappelijk aanvaardbare en milieuvriendelijke detectie- en winningstechnologieën zal tot een veel efficiënter gebruik van hulpbronnen leiden. Hierbij zullen ook minerale rijkdommen, gewonnen te land en op zee, en het potentieel van stedelijke mijnen worden aangeboord. Voorts zullen nieuwe en economisch levensvatbare, hulpbronnenefficiënte bedrijfsmodellen, processen en technologieën voor de recycling en terugwinning van materialen, waaronder gesloten-circuitprocessen en ‑systemen, de afhankelijkheid van de Unie van de voorziening van primaire grondstoffen helpen verminderen. Het gaat hierbij ook om de noodzaak van langduriger gebruik, kwalitatief hoogwaardige recycling en terugwinning en een drastische vermindering van de verspilling van hulpbronnen. Er zal gekeken worden naar een volledige levenscyclusbenadering, van de voorziening van beschikbare grondstoffen tot het einde van de levensduur, met een zo gering mogelijke behoefte aan energie en hulpbronnen.

5.3.3.  Het vinden van alternatieven voor kritieke grondstoffen

Vooruitlopend op de mogelijkheid van een verminderde beschikbaarheid van bepaalde materialen op de wereldmarkt, bijvoorbeeld als gevolg van handelsbeperkingen, zullen duurzame substituten en alternatieven voor kritieke grondstoffen met vergelijkbare functionele prestaties worden onderzocht en ontwikkeld. Zo zal de Unie minder afhankelijk worden van primaire grondstoffen en het milieu minder worden belast.

5.3.4.  Verbetering van het bewustzijn en de vaardigheden in de samenleving met betrekking tot grondstoffen

De noodzakelijke overgang op een zelfvoorzienender en hulpbronnenefficiëntere economie vergt culturele, sociaaleconomische, institutionele, systeem- en gedragsveranderingen. Tekort aan gekwalificeerde arbeidskrachten vormt een groeiend probleem in de grondstoffensector van de Unie (waaronder de Europese mijnbouwsector) en om dit probleem aan te pakken zullen doeltreffender partnerschappen tussen universiteiten, geologische diensten, de industrie en andere belanghebbenden worden gestimuleerd. Het is ook van essentieel belang om de ontwikkeling van innovatieve groene vaardigheden te ondersteunen. Bovendien is de publieke opinie zich nog steeds te weinig bewust van het belang van grondstoffen van Europese herkomst voor de Europese economie. Om de noodzakelijke structurele veranderingen te bevorderen zullen onderzoek en innovatie gericht worden op de empowerment van burgers, beleidsmakers, beroepsbeoefenaars en instellingen.

5.4.  De overgang naar een groene economie en maatschappij mogelijk maken door middel van eco-innovatie

De Unie kan niet bloeien in een wereld waarin het verbruik van hulpbronnen, de schade aan het milieu en het verlies aan biodiversiteit almaar toenemen. Om de groei los te koppelen van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen zijn structurele veranderingen nodig in het gebruik, hergebruik en beheer van dergelijke hulpbronnen, waarbij ons milieu wordt beschermd. Dankzij eco-innovaties zullen we de druk op het milieu kunnen verminderen, efficiënter gebruik kunnen maken van hulpbronnen en de Unie in de richting van een hulpbron- en energie-efficiënte economie kunnen sturen. Eco-innovatie schept ook grote kansen voor groei en banen en vergroot het concurrentievermogen van Europa op de wereldmarkt, die na 2015 naar verwachting zal groeien tot een biljoenenmarkt(27). Nu al heeft 45 % van de ondernemingen een of andere vorm van eco-innovatie ingevoerd. Het enorme toekomstige potentieel blijkt wel uit het feit dat naar schatting zo'n 4 % aan eco-innovaties een vermindering in materiaalgebruik per productie-eenheid van meer dan 40 % heeft opgeleverd(28). Het is echter niet ongewoon dat bijzonder veelbelovende en technisch geavanceerde eco-innovatieve technologieën, processen, diensten of producten uiteindelijk toch niet op de markt worden gebracht op grond van obstakels in de fase die aan de commercialisering voorafgaat, en hun volledige ecologische en economische potentieel niet waarmaken omdat hun opschaling en invoering op de markt door particuliere investeerders te riskant wordt geacht.

Het doel van deze activiteit is dan ook om alle vormen van eco-innovatie die de overgang naar een groene economie mogelijk maken, te bevorderen.

Om dit te bereiken zullen onderzoek en innovatie zich toespitsten op:

5.4.1.  Versterking van eco-innovatieve technologieën, processen, diensten en producten, onder meer door onderzoek naar de wijze waarop de hoeveelheden grondstoffen bij de productie en het verbruik ervan kunnen worden beperkt en in dit verband beletselen kunnen worden weggenomen, en stimulering van hun marktpenetratie

Alle vormen van eco-innovatie zullen worden ondersteund, zowel incrementele als radicale innovaties, en zowel technologische als organisatorische, maatschappelijke, gedrag-, bedrijfs- en beleidsinnovatie, alsmede een sterkere rol van het maatschappelijk middenveld. Op basis hiervan zal de economie meer het karakter krijgen van een kringloopeconomie, waarbij milieueffecten worden beperkt, de ecologische veerkracht toeneemt en rekening wordt gehouden met boemerangeffecten op het milieu en potentieel op andere sectoren. Daarbij moet onder meer gedacht worden aan door de gebruikers gestimuleerde innovatie, bedrijfsmodellen, industriële symbiose, product-dienstsystemen, productontwerp, volledige levenscyclus- en van-wieg-tot-wiegbenaderingen, naast onderzoek naar manieren om de hoeveelheden grondstoffen bij de productie en het verbruik te beperken, en om beletselen in dit verband weg te nemen. De ruimte om over te stappen op duurzamer consumptiepatronen zal worden benut. Het doel is om efficiënter gebruik te maken van hulpbronnen door inputs, afval en de uitstoot van schadelijke stoffen (onder andere de in de REACH-verordening(29) vermelde stoffen) en in de hele waardeketen in absolute cijfers te verminderen en door hergebruik, recycling en de substitutie van hulpbronnen te stimuleren. Daarbij zal de nadruk worden gelegd op de facilitering van het traject van onderzoek tot markt, in samenwerking met de industrie en met name start-ups en innovatieve kleine en middelgrote ondernemingen, maatschappelijke organisaties en eindgebruikers, van de ontwikkeling van prototypen en demonstraties van technische, maatschappelijke en milieuprestaties tot de eerste toepassing en markttoepassing van eco-innovatieve technieken, producten, diensten of praktijken die relevant zijn voor de Unie. Maatregelen in dat kader zullen bijdragen tot het uit de weg ruimen van belemmeringen voor de ontwikkeling en brede toepassing van eco-innovatie, het openen of uitbreiden van markten voor dit soort oplossingen en de verbetering van het concurrentievermogen van bedrijven in de Unie, en dan vooral kleine en middelgrote ondernemingen, op de wereldmarkt. Door de vorming van netwerken van eco-innoveerders zal ook gestreefd worden naar een betere verspreiding en benutting van kennis en een betere aansluiting van het aanbod op de vraag.

5.4.2.  Ondersteuning van innovatief beleid en maatschappelijke veranderingen

De overgang naar een groene economie en samenleving vergt structurele en institutionele veranderingen. Onderzoek en innovatie zullen de voornaamste belemmeringen van maatschappelijke marktverandering aanpakken en gericht worden op de empowerment van consumenten, ondernemers en beleidsmakers om innovatief en duurzaam gedrag over te nemen, mede dankzij bijdragen vanuit de sociale en humane wetenschappen. Er zullen robuuste en transparante hulpmiddelen, methoden en modellen worden ontwikkeld voor het beoordelen en mogelijk maken van de voornaamste economische, maatschappelijke, culturele en institutionele veranderingen die nodig zijn om een paradigmawisseling naar een groene economie en samenleving te bewerkstelligen. Er zal onderzoek worden verricht naar hoe duurzame levenswijzen en consumptiepatronen gepromoot kunnen worden, waaronder sociaaleconomisch en gedragswetenschappelijk onderzoek, onderzoek naar de motivering van gebruikers en naar de acceptatie van innovaties door het publiek, en activiteiten voor betere communicatie en bewustmaking. Daarbij zal ampel gebruik worden gemaakt van demonstratieactiviteiten.

5.4.3.  Meting en evaluatie van de vooruitgang richting een groene economie

Er moeten robuuste indicatoren worden ontwikkeld op alle relevante ruimtelijke schalen ter aanvulling op het bbp, evenals methoden en systemen ter ondersteuning en evaluatie van de overgang naar een groene economie en de doeltreffendheid van de desbetreffende beleidsopties. Aan de hand van een levenscyclusbenadering zullen onderzoek en innovatie de kwaliteit en de beschikbaarheid van gegevens en meetmethoden en ‑systemen die relevant zijn voor hulpbronnenefficiëntie en eco-innovatie, verbeteren en de ontwikkeling van innovatieve compensatieregelingen bevorderen. Sociaaleconomisch onderzoek zal een beter inzicht opleveren in de drijfveren achter het gedrag van producenten en consumenten en zo een bijdrage leveren aan het ontwerp van doeltreffender beleidsinstrumenten om de overgang naar een hulpbronnenefficiënte en klimaatveranderingsbestendige economie te bevorderen. Voorts zullen er evaluatiemethodieken voor technologieën worden ontwikkeld met geïntegreerde modellering ter ondersteuning van hulpbronnenefficiëntie- en eco-innovatiebeleid op alle niveaus, waarbij tegelijkertijd de samenhang van het beleid wordt vergroot en afwegingen worden gemaakt. De resultaten maken de monitoring, evaluatie en reductie in materiaal- en energiestromen van productie en consumptie mogelijk en stellen beleidsmakers en ondernemingen in staat de milieukosten en externe factoren te integreren in hun optreden en besluiten.

5.4.4.  Bevordering van hulpbronnenefficiëntie via digitale systemen

Innovaties op ICT-gebied kunnen een sleutelinstrument vormen voor de ondersteuning van hulpbronnenefficiëntie. Om dit doel te bereiken zal moderne en innovatieve ICT bijdragen tot aanzienlijke efficiëntiewinsten in de productiviteit, met name door middel van geautomatiseerde processen, monitoring in realtime en beslissingsondersteuningssystemen. Het gebruik van ICT zal de geleidelijke dematerialisatie van de economie versnellen door de overschakeling op digitale diensten uit te breiden en veranderingen in consumptiegedrag en bedrijfsmodellen door het gebruik van ICT van de toekomst bevorderen.

5.5.  Alomvattende, onafgebroken werkende, mondiale milieuobservatie- en ‑informatiesystemen ontwikkelen

Alomvattende milieuobservatie- en ‑informatiesystemen zijn onmisbaar voor de vergaring van de langetermijngegevens en ‑informatie die nodig is om deze uitdaging aan te gaan. Deze systemen zullen worden gebruikt voor het volgen, het beoordelen en het voorspellen van de toestand, status en tendensen van het klimaat, natuurlijke hulpbronnen waaronder grondstoffen, terrestrische en mariene (van kustgebieden tot de diepzee) ecosystemen en ecosysteemdiensten, alsmede voor de evaluatie van beleid en opties met een lage koolstofuitstoot en ter mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering in alle sectoren van de economie. Informatie en kennis uit deze systemen zullen worden gebruikt om een slim gebruik van strategische hulpbronnen te bevorderen, de ontwikkeling van empirisch onderbouwd beleid te ondersteunen, nieuwe milieu- en klimaatdiensten te promoten en nieuwe kansen te ontwikkelen op de wereldmarkten.

Capaciteiten, technologieën en data-infrastructuren voor observatie en monitoring van de aarde moeten voortbouwen op vooruitgang op het gebied van ICT, ruimtetechnologieën en geautoriseerde netwerken, waarnemingen via teledetectie, nieuwe in situ-sensoren, mobiele diensten, communicatienetwerken, hulpmiddelen op basis van participatieve webdiensten en verbeterde computer- en modelleringsinfrastructuur, teneinde voortdurend actuele en nauwkeurige informatie, ramingen en prognoses te verstrekken. De vrije, open en onbeperkte toegang tot interoperabele gegevens en informatie zal worden gestimuleerd, evenals het doeltreffend en – indien nodig – veilig beheren, opslaan en verspreiden van de onderzoeksresultaten. Doel van de activiteiten is toekomstige operationele activiteiten van het Europees programma voor monitoring van de aarde (Copernicus) te helpen omschrijven en het gebruik van Copernicus-gegevens voor onderzoeksactiviteiten te doen groeien.

5.6.   Cultureel erfgoed

Zowel in tastbare vorm als door zijn ontastbare waarde, zijn culturele betekenis en zijn belang is cultureel erfgoed uniek en onvervangbaar. Cultureel erfgoed is belangrijk voor het bewerkstelligen van maatschappelijke cohesie, identiteit en welbevinden en als een belangrijke factor bij de verwezenlijking van duurzame groei en het scheppen van werkgelegenheid. Europa's cultureel erfgoed wordt evenwel bedreigd door achteruitgang en beschadiging, die nog worden verergerd door toenemende blootstelling aan menselijke activiteiten (bijvoorbeeld toerisme) en aan extreme weersomstandigheden ten gevolge van de klimaatverandering, alsmede door andere natuurlijke gevaren en natuurrampen.

Deze activiteit beoogt kennis en innovatieve oplossingen te bieden door aanpassings- en mitigatiestrategieën, ‑methodologieën, ‑technologieën, ‑producten en ‑diensten met het oog op het behoud en het beheer van tastbaar cultureel erfgoed in Europa dat door de klimaatverandering wordt bedreigd.

Om dit te bereiken zullen multidisciplinair onderzoek en multidisciplinaire innovatie zich toespitsen op:

5.6.1.  Het door waarneming, toezicht en modelvorming bepalen van bestendigheidsniveaus

Er zullen nieuwe, verbeterde technieken voor schadebeoordeling en voor monitoring en modelvorming op dat gebied worden ontwikkeld ter verbetering van de wetenschappelijke kennis van de gevolgen van klimaatverandering en andere ecologische en menselijke risicofactoren voor het cultureel erfgoed. De kennis en het inzicht die dankzij scenario's, modellen en instrumenten, waaronder een analyse van de waardeperceptie, worden verkregen, zullen bijdragen tot de totstandkoming van een solide grondslag voor de ontwikkeling van bestendigheidsstrategieën, ‑beleid en ‑normen, binnen een samenhangend kader voor risicobeoordeling en beheer van cultureel erfgoed.

5.6.2  Een beter inzicht in de perceptie van en reactie op klimaatverandering en seismische en vulkanische dreigingen binnen gemeenschappen

Dankzij geïntegreerde benaderingen zullen door middel van onderzoek en innovatie hulpbronnenefficiënte oplossingen worden uitgewerkt voor preventie, adaptatie en mitigatie, waarbij gebruik wordt gemaakt van innovatieve methodes, technologieën, producten en diensten voor het behoud van het cultureel erfgoed, culturele landschappen en historische habitats.

5.7.  Specifieke uitvoeringsaspecten

De activiteiten zullen de participatie van de Unie in en haar financiële bijdrage aan multilaterale processen en initiatieven zoals het Intergouvernementeel Panel over klimaatverandering (IPCC), het Intergouvernementeel Platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES) en de Groep voor Aardobservatie (GEO) versterken. Samenwerking met andere belangrijke publieke en private financiers van onderzoek en met belangrijke onderzoeksnetwerken zal de efficiency van het mondiale en Europese onderzoek verbeteren en bijdragen tot een mondiale governance van onderzoek.

Door samenwerking op het gebied van natuurwetenschap en techniek zal een bijdrage worden geleverd aan het mondiaal technologiemechanisme (global technology mechanism) en zullen technologische ontwikkeling en innovatie en technologieoverdracht ter ondersteuning van de aanpassing aan de klimaatverandering en de mitigatie van broeikasgassen worden bevorderd.

Voortbouwend op de resultaten van de Rio+20-conferentie van de Verenigde Naties zullen de mogelijkheden worden verkend voor een mechanisme voor het systematisch verzamelen, vergelijken en analyseren van wetenschappelijke en technologische kennis over sleutelonderwerpen op het gebied van duurzame ontwikkeling en groene economie, met inbegrip van een kader voor het meten van de geboekte vooruitgang. Dit zal een aanvulling vormen op de bestaande wetenschappelijke panels en organen en streven naar een synergetische samenwerking daarmee.

De onderzoeksactiviteiten in het kader van deze opdracht zullen bijdragen tot de operationele diensten van het Europees programma voor monitoring van de aarde (Copernicus) door een kennisbasis te verschaffen voor de ontwikkeling van Copernicus.

Overwogen kan worden steun te verlenen aan relevante initiatieven voor gezamenlijke programmering en aan relevante publiek-publieke en publiek-private partnerschappen.

Ook zullen passende verbanden tot stand worden gebracht met de acties van relevante Europese Innovatiepartnerschappen en de relevante aspecten van de onderzoeks- en innovatieagenda's van de Europese technologieplatforms.

Door middel van specifieke maatregelen zal ervoor gezorgd worden dat de resultaten van EU-onderzoek en ‑innovatie op het terrein van klimaat, hulpbronnenefficiëntie en grondstoffen doorstromen voor gebruik door andere EU-programma's, zoals LIFE+, de Europese structuur- en investeringsfondsen en de programma's voor externe samenwerking.

Er zal onder meer voortgebouwd worden op de activiteiten in het kader van het eco-innovatieprogramma, en deze worden nog verder uitgebreid.

De acties zullen ook het volgende behelzen: de continue analyse van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang in de Unie en haar voornaamste partnerlanden en ‑regio's, een vroegtijdige verkenning van de marktkansen voor nieuwe milieutechnologieën en ‑praktijken, en prognoses voor onderzoek en innovatie en beleid.

6.  EUROPA IN EEN VERANDERENDE WERELD – INCLUSIEVE, INNOVATIEVE EN REFLEXIEVE SAMENLEVINGEN

Deze afdeling omvat onderzoeks- en innovatieactiviteiten die samenlevingen inclusiever, innovatiever en reflexiever moeten maken, alsmede specifieke maatregelen ter ondersteuning van specifieke sectoroverschrijdende kwesties die in deze maatschappelijke uitdaging zijn vermeld(30).

6.1.  Inclusieve samenlevingen

De huidige tendensen die zich in Europese samenlevingen voordoen, brengen kansen mee voor een sterker verenigd Europa, maar ook risico's en uitdagingen. Indien Europa zich met passende solidariteit en samenwerking op sociaal, economisch en politiek niveau en in de onderwijs- en culturele sector wil ontwikkelen, moeten deze kansen, risico's en uitdagingen worden begrepen en moet erop geanticipeerd worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met een wereld waarin alles steeds sterker onderling verbonden en van elkaar afhankelijk is.

In dit verband is het doel om de sociale, economische en politieke inclusie, alsmede inclusieve arbeidsmarkten, te begrijpen, te analyseren en verder te ontwikkelen, armoede en marginalisering te bestrijden, de mensenrechten, digitale inclusie, gelijke kansen, solidariteit en de interculturele dynamiek te bevorderen door grensverleggende wetenschap, interdisciplinair onderzoek, de ontwikkeling van indicatoren, technologische vooruitgang, organisatorische innovaties, de ontwikkeling van regionale innovatieclusters en nieuwe vormen van samenwerking en cocreatie te ondersteunen. Onderzoek en andere activiteiten moeten de uitvoering van de Europa 2020-strategie en ander toepasselijk ▌beleid van de Unie ondersteunen. In dit verband is een leidende rol ▌weggelegd voor onderzoek in de sociale en humane wetenschappen. Voor het specificeren, monitoren, evalueren en aanpakken van de doelstellingen van Europese strategieën en beleid zal specifiek onderzoek nodig zijn ▌om beleidsmakers in staat te stellen de effecten en de doeltreffendheid van de voorgenomen maatregelen, in het bijzonder ten behoeve van sociale inclusie, te analyseren en te beoordelen. Daartoe moet een volledige maatschappelijke inclusie en participatie alle levenssferen en leeftijden bestrijken.

De volgende specifieke doelstellingen zullen met het oog op het inzichtelijk maken en stimuleren of uitvoeren worden nagestreefd.

6.1.1.  Mechanismen ter bevordering van slimme, duurzame en inclusieve groei

Europa heeft een eigen, vrij unieke combinatie ontwikkeld van economische vooruitgang, sociaal beleid dat is gericht op een hoge mate van sociale cohesie, humanistische gemeenschappelijke culturele waarden die democratie en de rechtsstaat omvatten, mensenrechten, respect voor en behoud van diversiteit, en de bevordering van onderwijs en wetenschap, kunst en humane wetenschappen als belangrijke motoren achter sociale en economische vooruitgang en welzijn. Het voortdurende streven naar economische groei brengt een aantal belangrijke menselijke, sociale, economische en milieukosten mee. Een slimme, duurzame en inclusieve groei in Europa vergt wezenlijke veranderingen in de manier waarop groei en maatschappelijk welzijn gedefinieerd, gemeten (onder meer door de voortgang te meten ten opzichte van de algemeen gangbare bbp-indicator), gegenereerd en op termijn in stand gehouden worden.

Er zal onderzoek worden gedaan om de ontwikkeling van burgerparticipatie, duurzame levenswijzen, cultureel inzicht en sociaaleconomische gedragingen en waarden te analyseren, naar de manier waarop deze zich verhouden tot paradigma's, beleid en de werking van instellingen, gemeenschappen, markten, ondernemingen, governance en ideeënstelsels in Europa, en naar de verbanden met andere regio's en economieën. Op basis van dit onderzoek zullen instrumenten worden ontwikkeld voor een betere evaluatie van de contextuele en onderlinge effecten van dergelijke ontwikkelingen, zal worden beoordeeld in hoeverre het overheidsbeleid de talrijke uitdagingen aankan die zich overal in Europa voordoen, en zullen analyses worden gemaakt van beleidsopties en besluitvormingsmechanismen op terreinen als werkgelegenheid, belastingheffing, ongelijkheid, armoede, sociale inclusie, onderwijs en vaardigheden, samenlevingsopbouw, concurrentievermogen en de interne markt, om inzicht te verkrijgen in de nieuwe omstandigheden en kansen voor verdere Europese integratie en de rol van de sociale, culturele, wetenschappelijk en economische aspecten en synergieën daarvan die de Unie relatieve voordelen kunnen opleveren op wereldniveau.

De gevolgen van demografische veranderingen – die voortvloeien uit de vergrijzing en migratiebewegingen – voor de groei, de arbeidsmarkt en het welzijn zullen worden geanalyseerd. Om in de toekomst de uitdaging van groei te kunnen aangaan, is het van belang dat rekening wordt gehouden met de verschillende aspecten van kennis, dat het onderzoek op leren, onderwijs en opleiding gericht is, en op de rol en de plaats van jongeren in de samenleving. Tijdens het onderzoek zullen ook betere instrumenten worden ontwikkeld voor de evaluatie van duurzaamheidseffecten van verschillende economische beleidsmaatregelen. Ook zal geanalyseerd worden hoe nationale economieën evolueren en welke governancevormen op Europees en internationaal niveau zouden kunnen helpen om macro-economische onevenwichtigheden, monetaire problemen, fiscale concurrentie, problemen inzake werkloosheid en werkgelegenheid en andere vormen van maatschappelijke, economische en financiële verstoringen te voorkomen. Er zal rekening worden gehouden met de steeds sterkere onderlinge afhankelijkheid tussen uniale en mondiale economieën, markten en financiële systemen, en met de uitdagen die daaruit voorvloeien voor institutionele ontwikkeling en overheidsbestuur. Gelet op de crisis in de Europese overheidsfinanciën, zal ook de nadruk worden gelegd op onderzoek ter bepaling van de kadervoorwaarden voor stabiele Europese financiële en economische systemen.

6.1.2.  Betrouwbare organisaties, praktijken, diensten en beleidsmaatregelen die nodig zijn om in Europa veerkrachtige, inclusieve, participerende, open en creatieve samenlevingen op te bouwen, vooral vanuit de optiek van migratie, integratie en demografische verandering

Om de sociale, culturele en politieke transformaties in Europa te begrijpen, is een analyse nodig van de veranderende democratische praktijken en verwachtingen, en van de historische evolutie van identiteiten, diversiteit, grondgebieden, religies, culturen, talen en waarden. Ook een goed inzicht in de geschiedenis van de Europese integratie is een vereiste. In het onderzoek zal worden gezocht naar manieren ▌waarop de Europese verzorgingsstaten, openbare diensten en de bredere socialezekerheidsdimensie van beleid kunnen worden aangepast en verbeterd om tot cohesie en gendergelijkheid te komen, participatieve, open en creatieve samenlevingen in de hand te werken en meer sociale en economische gelijkheid en solidariteit tussen de generaties te bevorderen. Er zal onderzoek worden gedaan waarin wordt geanalyseerd hoe de samenlevingen en de politiek een sterkere Europese dimensie krijgen, in brede zin, door de evolutie van identiteiten, culturen en waarden, de verspreiding van kennis, ideeën en overtuigingen en combinaties van beginselen en praktijken van wederkerigheid, gemeenschappelijkheid en gelijkheid, met bijzondere aandacht voor migratie, integratie en demografische veranderingen. Geanalyseerd zal worden hoe kwetsbare bevolkingsgroepen (bijvoorbeeld de Roma) ten volle in het onderwijs, de samenleving en de democratie kunnen participeren, met name door de verwerving van uiteenlopende vaardigheden en de bescherming van de mensenrechten. De analyse van de manier waarop politieke systemen al dan niet op dergelijke maatschappelijke ontwikkelingen reageren en zelf evolueren, zal dan ook centraal staan. Het onderzoek zal zich ook richten op de evolutie van de voornaamste systemen die voor de onderliggende vormen van menselijke en sociale verbanden zorgen, zoals gezin, werk, onderwijs en werkgelegenheid, en die bijdragen aan de bestrijding van sociale ongelijkheden, sociale uitsluiting en armoede. Sociale cohesie, billijke en betrouwbare rechtspraak, onderwijs, democratie, tolerantie en diversiteit zijn factoren die zorgvuldig in ogenschouw moeten worden genomen als gekeken wordt naar wat op wereldniveau de relatieve voordelen van Europa zijn, hoe deze voordelen beter benut kunnen worden en hoe betere, empirisch onderbouwde beleidsondersteuning kan worden geboden. Tijdens het onderzoek zal ook gekeken worden naar het belang van mobiliteit en migratie – ook van migratiestromen binnen Europa – en demografie in de toekomstige Europese beleidsvorming.

Daarnaast is het voor het banen van nieuwe wegen van inclusieve innovatie van belang om inzicht te krijgen in de fricties en kansen in verband met de groeiende toepassing van ICT, zowel op individueel als collectief niveau. Gelet op het groeiend sociaaleconomisch belang van digitale inclusie, moeten activiteiten op het gebied van onderzoek en ▌innovatie streven naar inclusieve ICT-oplossingen en naar de daadwerkelijke verwerving van digitale vaardigheden die burgers mondiger maakt en een concurrerende beroepsbevolking oplevert. Daarbij zal de nadruk liggen op nieuwe technologische ontwikkelingen die een radicale verbetering mogelijk maken wat betreft personalisering, gebruiksvriendelijkheid en toegankelijkheid, door een beter inzicht in gedragingen en waarden van burgers, consumenten en gebruikers, inclusief personen met een beperking. Hiertoe moeten onderzoek en innovatie worden opgezet volgens de benadering dat inclusie vanaf de ontwerpfase wordt ingebouwd ("inclusion by design").

6.1.3.  ▌De rol van Europa als wereldspeler, met name wat mensenrechten en mondiale rechtvaardigheid betreft

Het aparte historische, politieke, sociale en culturele systeem van Europa wordt steeds meer geconfronteerd met de effecten van veranderingen in de wereld. Om zijn externe optreden in zijn directe omgeving en daarbuiten en zijn rol als speler op het wereldtoneel verder tot ontwikkeling te brengen, moet Europa, in samenspraak met andere delen en samenlevingen van de wereld, ervoor zorgen dat het beter in staat is om zijn beleidsdoelstellingen voor een betere samenwerking en het voorkomen of oplossen van conflicten te definiëren, te prioriteren, uit te leggen, te evalueren en uit te dragen. Daartoe moet het ook zorgen dat het beter kan anticiperen en reageren op het verloop en de effecten van de mondialisering. Dit vereist dat meer inzicht wordt verworven in en lering wordt getrokken uit de geschiedenis, de culturen en de politiek-economische systemen van andere delen van de wereld, en van de rol en de invloed van transnationale spelers. Ten slotte moet Europa ook effectief bijdragen aan mondiale governance en mondiale rechtvaardigheid op essentiële terreinen als handel, ontwikkeling, arbeid, economische samenwerking, milieu, onderwijs, gendergelijkheid, mensenrechten, defensie en veiligheid. Het gaat hierbij ook om het potentieel om nieuwe capaciteiten op te bouwen, zowel wat betreft hulpmiddelen, diensten, systemen en instrumenten voor analyse, als wat betreft formele en informele diplomatie op het wereldtoneel met gouvernementele en non-gouvernementele spelers.

6.1.4.  Bevordering van duurzame en inclusieve leefomgevingen door innovatieve ruimtelijke en stedelijke planning en ordening

80 % van de EU-burgers wonen thans in en rond steden, en een ontoereikende stedelijke planning en ordening kan derhalve ingrijpende gevolgen hebben voor hun leven. Begrijpen hoe steden voor alle burgers functioneren, hoe ze vormgegeven zijn, hoe leefbaar ze zijn en hoe aantrekkelijk ze zijn voor onder meer investeringen en vaardigheden, is van cruciaal belang als Europa groei, banen en een duurzame toekomst tot stand wil brengen.

Onderzoek en innovatie in Europees verband moeten instrumenten en methodes aanreiken voor een meer duurzame, open, innovatieve en inclusieve stedelijke en voorstedelijke planning en vormgeving, een beter inzicht geven in de dynamiek van verstedelijkte samenlevingen en sociale veranderingen, en van de samenhang tussen energie, milieu, vervoer en landgebruik, waaronder de interactie met aangrenzende plattelandsgebieden, een beter inzicht geven in het ontwerp en het gebruik van de openbare ruimte in steden, ook in de context van migratie, teneinde sociale inclusie en ontwikkeling te bevorderen en aan de stad gelieerde risico's en misdaad terug te dringen, nieuwe manieren aanreiken om de druk op de natuurlijke hulpbronnen te verlichten en duurzame economische groei te bevorderen, terwijl tegelijkertijd de levenskwaliteit van de Europese stedeling wordt verbeterd, en een toekomstgerichte visie ontwikkelen op de sociaalecologische transitie naar een nieuw model van stadsontwikkeling dat de steden van de Unie versterkt tot draaischijven van innovatie, centra van werkgelegenheidscreatie en sociale cohesie.

6.2.  Innovatieve samenlevingen

Hoewel de Unie nog steeds een aanzienlijk aandeel heeft in de wereldwijde kennisproductie, moeten de sociaaleconomische effecten ervan worden gemaximaliseerd. Er zal worden gestreefd naar een grotere efficiëntie van het onderzoeks- en innovatiebeleid en meer synergie en coherentie tussen het beleid in verschillende landen. Daarbij zal het gaan om innovatie in brede zin, inclusief grootschalige door beleid, samenleving, gebruikers en de markt gedreven innovatie. Er zal rekening worden gehouden met de ervaring en de innovatieve kracht van de creatieve en cultuursector. Deze activiteiten zullen de totstandkoming en het functioneren van de Europese Onderzoeksruimte ondersteunen, in het bijzonder de kerninitiatieven van de Europa 2020-strategie ten behoeve van de "Innovatie-Unie" en de "Digitale Agenda voor Europa".

De volgende specifieke doelstellingen zullen worden nagestreefd:

6.2.1.  Versterking van de bewijsbasis en ondersteuning voor de Innovatie-Unie en de Europese Onderzoeksruimte

Ter beoordeling en prioritering van investeringen en ter versterking van de Innovatie-Unie en de Europese Onderzoeksruimte zal steun worden verleend aan de analyse van het onderzoeks‑, onderwijs- en innovatiebeleid, aan systemen en actoren ter zake in Europa en derde landen, evenals aan de ontwikkeling van indicatoren, gegevens en informatie-infrastructuren. Bovendien zullen toekomstgerichte activiteiten en proefinitiatieven, economische en genderanalyses, beleidsmonitoring, wederzijds leren, coördinatiehulpmiddelen en ‑activiteiten en de ontwikkeling van methodieken voor effectbeoordeling en evaluaties nodig zijn, waarbij geput moet worden uit de rechtstreekse feedback van belanghebbenden ▌, ondernemingen, overheden, maatschappelijke organisaties en burgers. Die analyse moet worden uitgevoerd in samenhang met studies over hogeronderwijsstelsels in Europa en derde landen die deelnemen aan "Erasmus voor iedereen".

Om tot een eengemaakte markt voor onderzoek en innovatie te komen zullen maatregelen worden getroffen om met de EOR verenigbaar gedrag te stimuleren. Activiteiten die de basis vormen voor beleid dat verband houdt met de kwaliteit van de onderzoekstraining, de mobiliteit en de loopbaanontwikkeling van onderzoekers, zullen worden gesteund, waaronder initiatieven ten behoeve van mobiliteitsdiensten, open werving, vrouwen in de wetenschap, de rechten van onderzoekers en verbanden met mondiale onderzoeksgemeenschappen. Bij de tenuitvoerlegging van deze activiteiten zal gestreefd worden naar synergieën en nauwe coördinatie met de Marie Skłodowska-Curie-acties in het kader van wetenschappelijke topkwaliteit. Instellingen die innovatieve concepten presenteren voor de snelle uitvoering van EOR-beginselen, waaronder het Europees Handvest voor Onderzoekers en de Gedragscode voor de Rekrutering van Onderzoekers en de Aanbeveling van de Commissie betreffende het beheer van intellectueel eigendom bij kennisoverdracht en een code van goede praktijken voor universiteiten en andere publieke onderzoeksorganisaties(31), zullen worden ondersteund.

Wat de coördinatie van beleid betreft, zal er een faciliteit voor beleidsadvies worden opgezet om nationale autoriteiten toegang te geven tot deskundig beleidsadvies bij het opstellen van hun nationale hervormingsprogramma's en onderzoeks- en innovatiestrategieën.

Om het initiatief Innovatie-Unie te kunnen uitvoeren, moeten ▌door de markt gedreven innovatie, open innovatie, innovatie in de overheidssector en sociale innovatie worden ondersteund, ter versterking van de innovatiecapaciteit van bedrijven en ter bevordering van het Europese concurrentievermogen. Hiervoor moeten de algemene randvoorwaarden voor innovatie worden verbeterd en moeten de specifieke groeibelemmeringen voor innovatieve bedrijven worden aangepakt. Daarbij zal ondersteuning worden verleend aan krachtige innovatieondersteuningsmechanismen (bv. voor beter clusterbeheer, betere publiek-private partnerschappen en betere netwerksamenwerking), zeer gespecialiseerde innovatieondersteuningsdiensten (bv. inzake beheer en exploitatie van intellectuele eigendom, netwerken van houders en gebruikers van intellectuele-eigendomsrechten, innovatiebeheer, ondernemersvaardigheden, netwerken van afnemers) en evaluaties van overheidsbeleid ten aanzien van innovatie. Problemen die specifiek zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen zullen aandacht krijgen in het kader van de specifieke doelstelling "Innovatie in kmo's".

6.2.2.  Nieuwe vormen van innovatie verkennen, met bijzondere aandacht voor sociale innovatie en creativiteit, en begrijpen hoe alle vormen van innovatie worden ontwikkeld, slagen of mislukken

Sociale innovatie brengt nieuwe goederen, diensten, processen en modellen voort die tegemoetkomen aan behoeften uit de samenleving en die nieuwe sociale verbanden tot stand brengen. Omdat de innovatiemiddelen voortdurend veranderen, is verder onderzoek nodig naar de ontwikkeling van alle vormen van innovatie en de wijze waarop innovatie tegemoetkomt aan de behoeften van de samenleving. Het is van belang om te begrijpen hoe sociale innovatie en creativiteit kunnen leiden tot de verandering van bestaande structuren, praktijken en beleid en hoe deze kunnen worden aangemoedigd en opgeschaald. Het is van belang het effect te evalueren van onlineplatforms die ▌netwerken tussen burgers tot stand brengen ▌. Ook zal ondersteuning worden verleend aan het gebruik van ontwerpen in bedrijven, de vorming van netwerken en het experimenteren met ICT-gebruik ter verbetering van leerprocessen, alsmede aan netwerken van sociale innoveerders en sociale ondernemers. Onderzoek zal ook gericht zijn op de innovatieprocessen, en op de wijze waarop die zich ontwikkelen, slagen of falen (onder meer het nemen van risico's en de rol van de regelgeving).

Het is essentieel dat innovatie wordt bevorderd om efficiënte, open openbare diensten te bevorderen waarin de burger centraal staat (bijvoorbeeld eGovernment). Dit zal multidisciplinair onderzoek vergen naar nieuwe technologieën en grootschalige innovatie, in het bijzonder ten aanzien van digitale privacy, interoperabiliteit, gepersonaliseerde elektronische identificatie, open data, dynamische gebruikersinterfaces, platforms voor een leven lang leren en e‑leren, systemen van gedistribueerd leren, configuratie en integratie van overheidsdiensten waarbij de burger centraal staat, door gebruikers gedreven innovatie, onder meer op het terrein van sociale en menswetenschappen. Bij dergelijke acties zal ook aandacht uitgaan naar de dynamiek van sociale netwerken, evenals crowdsourcing en smartsourcing voor het gezamenlijk tot stand brengen van oplossingen voor maatschappelijke problemen op basis van bijvoorbeeld open datasets. Daarnaast zullen deze acties helpen bij het in goede banen leiden van complexe besluitvorming, in het bijzonder het hanteren en analyseren van zeer grote hoeveelheden gegevens voor het gezamenlijk modelleren van beleid, het simuleren van besluitvorming, visualiseringstechnieken, procesmodellering en participatieve systemen, alsmede het analyseren van veranderende verhoudingen tussen burgers en de publieke sector.

Er zullen specifieke maatregelen worden getroffen om op nationaal en uniaal niveau de publieke sector een rol te geven als actor van innovatie en verandering, met name door beleidsondersteuning en grensoverschrijdende innovatiemaatregelen in een zo groot mogelijk geografisch gebied waarmee de overheid door slim gebruik te maken van ICT haar burgers en ondernemingen probleemloos overheidsdiensten kan aanbieden.

6.2.3.   Putten uit het innoverend, creatief en productief potentieel van alle generaties

De activiteiten zullen helpen de Europese innovatiekansen te verkennen met betrekking tot nieuwe producten en technieken, betere diensten en nieuwe bedrijfs- en maatschappelijke modellen die toegesneden zijn op de veranderende demografische structuur van de samenleving. De activiteiten zullen ervoor zorgen dat het potentieel van alle generaties beter wordt benut, door de ontwikkeling te bevorderen van intelligent beleid dat van actief ouder worden in een veranderende intergenerationele context een realiteit maakt en te bewerkstelligen dat de generaties jonge Europeanen in alle geledingen van het maatschappelijk, politiek, cultureel en economisch leven worden geïntegreerd, onder meer rekening houdend met de perceptie van innovatiemogelijkheden in de context van de hoge werkloosheid in veel EU-regio's.

6.2.4.  Bevordering van coherente en doeltreffende samenwerking met derde landen

Door middel van horizontale activiteiten zal de strategische ontwikkeling van internationale samenwerking via Horizon 2020 worden gewaarborgd en zullen horizontale beleidsdoelstellingen worden aangepakt. Activiteiten ter ondersteuning van bilaterale, multilaterale en biregionale beleidsdialogen op het gebied van onderzoek en innovatie met derde landen, regio's, internationale fora en organisaties zullen de uitwisseling van beleid, wederzijds leren en de onderlinge afstemming van prioriteiten vergemakkelijken, de wederzijdse toegang tot programma's bevorderen en de effecten van samenwerking monitoren. Activiteiten in netwerk- en twinningsverband zullen een optimale samenwerking tussen onderzoeks- en innovatieactoren aan weerszijden vergemakkelijken en de bekwaamheden en samenwerkingscapaciteit in minder ver gevorderde derde landen verbeteren. De activiteiten zullen de coördinatie van samenwerkingsbeleid en ‑programma's op Unie- en nationaal niveau bevorderen, evenals gezamenlijke acties van lidstaten en geassocieerde landen met derde landen ter vergroting van hun totale effect. Tot slot zal de Europese aanwezigheid op onderzoeks- en innovatiegebied in derde landen worden geconsolideerd en versterkt, met name door de oprichting van Europese virtuele "wetenschaps- en innovatiehuizen" te verkennen, door diensten aan Europese organisaties die hun activiteiten naar derde landen uitbreiden te bevorderen, en onderzoekscentra die gezamenlijk met derde landen zijn opgezet, open te stellen voor organisaties of onderzoekers uit andere lidstaten en geassocieerde landen.

6.3.   Reflexieve samenlevingen – cultureel erfgoed en Europese identiteit

Het doel is bij te dragen tot een beter begrip van Europa's intellectuele fundamenten: de geschiedenis van Europa en de veelheid aan Europese en niet-Europese invloeden, als bron van inspiratie voor de tijd waarin wij leven. Europa wordt gekenmerkt door een veelheid aan volkeren (waaronder minderheden en inheemse volkeren), tradities en regionale en nationale identiteiten alsmede door verschillen in economische en maatschappelijke ontwikkeling. Migratie en mobiliteit, media, bedrijfsleven en vervoer dragen bij tot de verscheidenheid aan meningen en levensstijlen. Die verscheidenheid en de kansen die zij biedt, moeten worden onderkend en in aanmerking worden genomen.

Europese collecties in traditionele en digitale bibliotheken, archieven, musea, galerieën en andere publieke instellingen herbergen een schat aan waardevolle, onontgonnen documenten en studie-objecten. In combinatie met het niet-materiële erfgoed vormen deze archiefbronnen de geschiedenis van individuele lidstaten, maar ook het collectieve erfgoed van een Europese Unie die mettertijd gestalte heeft gekregen. Deze materialen moeten ontsloten worden, ook met nieuwe technologieën, zodat wetenschappers en burgers door het archief van het verleden hun blik op de toekomst kunnen richten. Deze vormen van cultureel erfgoed moeten in stand worden gehouden en toegankelijk worden gemaakt om het engagement dat in onze tijd binnen en tussen de Europese culturen leeft, te laten gedijen, en dragen bij tot duurzame economische groei.

De zwaartepunten van de activiteiten:

6.3.1.  Het Europees erfgoed en geheugen en de Europese identiteit, integratie, culturele interactie en vertaling bestuderen, met inbegrip van de desbetreffende uitingen in culturele en wetenschappelijke collecties, archieven en musea, teneinde het heden beter te informeren en inzichtelijker te maken door rijkere interpretaties van het verleden

De activiteiten zullen bijdragen aan een kritische analyse van de wijze waarop zich gaandeweg een Europees tastbaar en niet-tastbaar erfgoed heeft ontwikkeld, onder meer op het gebied van taal, herinnering, praktijken, instellingen en identiteiten. Zij zullen studies omvatten over de interpretaties en praktijken van culturele interacties, integratie en uitsluiting.

Een geïntensiveerd Europees integratieproces heeft aangetoond dat er een ruimere Europese identiteitssfeer is die andere soorten identiteiten in Europa aanvult. In wetenschappelijke collecties, archieven, musea, bibliotheken en op culturele erfgoedsites in en buiten Europa bevindt zich een grote rijkdom aan feiten en getuigenissen van Europese identiteitssferen. Zij bieden materiaal en documenten die het inzicht verruimen in identiteitsopbouwprocessen die stof bieden voor bespiegelingen over maatschappelijke, culturele of zelfs economische processen die bijdragen tot vormen van Europese identiteit in het verleden, het heden en de toekomst. Het doel is innovatie te ontwikkelen en voorwerpen en/of documenten van culturele en wetenschappelijke collecties, archieven en musea te gebruiken en te analyseren, om meer inzicht te verwerven in de wijze waarop de Europese identiteit kan worden getraceerd, opgebouwd of besproken.

Meertaligheid, vertaling en de verspreiding van ideeën binnen, naar en vanuit Europa, alsmede de wijze waarop die deel uitmaken van een gemeenschappelijk Europees intellectueel erfgoed, zullen nader worden verkend.

6.3.2.  Onderzoek naar de geschiedenis, de literatuur, de kunst, de filosofie en de religies van Europese landen en regio's en de manier waarop zij de verscheidenheid in het hedendaagse Europa vorm hebben gegeven

Culturele diversiteit is een belangrijk aspect van Europa's unieke karakter, en een bron van kracht, dynamiek en creativiteit. De activiteiten zullen gericht zijn op de hedendaagse Europese diversiteit en de wijze waarop die door de geschiedenis is gevormd, terwijl zij tegelijkertijd bijdragen tot het analyseren van de vraag hoe die diversiteit nieuwe interculturele ontwikkelingen, of zelfs spanningen en conflicten bewerkstelligt. De rol van de kunst, de media, landschappen, literatuur, talen, filosofie en religies ten aanzien van deze diversiteit zal centraal staan, aangezien zij diverse interpretaties bieden van de maatschappelijke, politieke en culturele realiteiten, en de visies en gedragingen van personen en sociale actoren beïnvloeden.

6.3.3.  Onderzoek naar de rol van Europa in de wereld, naar de banden met regio's in de rest van de wereld en de wederzijdse invloeden, alsmede naar de kijk van de buitenwereld op Europese culturen

Tijdens de activiteiten zal de complexiteit van de sociaaleconomische en culturele banden tussen Europa en andere regio's in de wereld aan bod komen, en zal het potentieel van meer interculturele uitwisselingen en dialogen worden geëvalueerd, met inachtneming van de bredere maatschappelijke, politieke en economische ontwikkelingen. Zij zullen bijdragen tot het analyseren van de ontwikkeling van verschillende standpunten in Europa en andere regio's in de wereld, en vice versa.

6.4.  Specifieke uitvoeringsaspecten

Om tot een optimale combinatie van de benaderingen te komen, wordt samenwerking tussen deze maatschappelijke uitdaging en de pijler industrieel leiderschap tot stand gebracht in de vorm van sectoroverschrijdende acties die gericht zijn op de interactie tussen de mens en de technologie. Op ICT gebaseerde technologische innovatie zal een belangrijke factor zijn om in een innovatieve samenleving de productiviteit op te voeren en burgers van alle generaties tot creativiteit te bewegen.

De uitvoering van deze uitdaging zal ook kunnen rekenen op de steun van de administratieve en coördineerde diensten van internationale netwerken voor toponderzoekers en ‑innoveerders zoals COST en EURAXESS, en zal derhalve ook bijdragen aan de Europese Onderzoeksruimte.

Overwogen kan worden steun te verlenen aan relevante initiatieven voor gezamenlijke programmering en aan relevante publiek-publieke en publiek-private partnerschappen.

Ook zullen passende verbanden tot stand worden gebracht met de acties van relevante Europese Innovatiepartnerschappen en met de relevante aspecten van de onderzoeks- en innovatieagenda's van de Europese technologieplatforms.

De onderzoeks- en innovatieacties in het kader van deze uitdaging zullen de uitvoering van uniale internationale samenwerkingsactiviteiten bij onderzoek en innovatie ondersteunen, door een meer strategische betrokkenheid bij de samenwerking op het gebied van wetenschap, techniek en innovatie met de belangrijkste partners uit derde landen. Het Strategisch forum voor internationale wetenschappelijke en technologische samenwerking (SFIC) zal in dat verband de Raad en de Commissie strategisch advies blijven geven over de internationale dimensie van de Europese Onderzoeksruimte.

7.   VEILIGE SAMENLEVINGEN – DE VRIJHEID EN VEILIGHEID VAN EUROPA EN HAAR BURGERS BESCHERMEN

De Europese Unie, haar burgers en haar internationale partners worden geconfronteerd met allerhande gevaren en uitdagingen op het gebied van ▌veiligheid, zoals misdaad, terrorisme en massale noodgevallen als gevolg van door de mens veroorzaakte of natuurrampen. Deze ▌kunnen grensoverschrijdend zijn en gericht zijn tegen fysieke doelwitten of cyberspace. Zo zijn aanvallen op kritieke infrastructuur, netwerken en internetsites van overheden en particuliere entiteiten niet alleen ondermijnend voor het vertrouwen van burgers maar hebben ze ook ernstige gevolgen voor sleutelsectoren als energie, vervoer, gezondheid, financiën of telecommunicatie.

Om op deze bedreigingen te anticiperen en ze te voorkomen en te beheren is het noodzakelijk om innovatieve technologieën, oplossingen, prognose-instrumenten en kennis te ontwikkelen en toe te passen, samenwerking tussen leveranciers en gebruikers te bevorderen, civielebeveiligingsoplossingen te vinden, het concurrentievermogen van de Europese beveiligingssector, industrie en dienstensector, de ICT-sector daaronder begrepen, te verbeteren en misbruik van privacy en schendingen van de mensenrechten op internet en elders te voorkomen en te bestrijden, onder vrijwaring van de individuele rechten en vrijheden van de Europese burger.

Coördinatie en verbetering van onderzoek en innovatie op het gebied van beveiliging zullen dus een essentieel element vormen en zullen bijdragen tot het in kaart brengen van de huidige onderzoeksinspanningen, waaronder prognoses, en de relevante juridische voorwaarden en procedures voor coördinatie verbeteren, waaronder prenormatieve activiteiten.

De activiteiten in het kader van deze uitdaging zullen uitsluitend gericht zijn op civiele toepassingen en een taakgerichte benadering volgen, een efficiënte samenwerking tussen eindgebruikers, de industrie en onderzoekers bewerkstelligen; de relevante maatschappelijke dimensies zullen erin geïntegreerd worden en zij zullen in overeenstemming zijn met ethische beginselen. Ze zullen het EU-beleid voor interne en externe veiligheid, waaronder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid, ondersteunen, en de cyberveiligheid, het vertrouwen en de privacy ▌binnen de digitale eengemaakte markt verbeteren. De activiteiten zullen onder meer gericht zijn op onderzoek en ontwikkeling inzake innoverende oplossingen van de volgende generatie, door te werken aan vernieuwende concepten en ontwerpen, en aan interoperabele normen. Dit zal geschieden door het ontwikkelen van innovatieve technologieën en oplossingen waarmee veiligheidslacunes kunnen worden verholpen en het risico van veiligheidsdreigingen kan worden beperkt.

▌De volgende specifieke doelstellingen zullen worden nagestreefd:

7.1.   Bestrijding van misdaad, illegale handel en terrorisme, inclusief het begrijpen en aanpakken van terroristische ideeën en overtuigingen

Het streven is om een incident te voorkomen en de potentiële gevolgen ervan te beperken. Hiervoor zijn nieuwe technologieën en capaciteiten nodig om misdaad (onder meer ▌cybercriminaliteit), illegale handel en terrorisme (onder meer cyberterrorisme) te bestrijden en te voorkomen, inclusief het begrijpen van de oorzaken en gevolgen van radicalisering en gewelddadig extremisme en het aanpakken van terroristische ideeën en overtuigingen, om ook luchtvaartgerelateerde bedreigingen te voorkomen.

7.2.  Bescherming en verbetering van de bestendigheid van kritieke infrastructuren, aanvoerketens en vervoerswijzen

Nieuwe technologieën, processen, methodes en speciaal daarvoor bestemde capaciteiten zullen bijdragen aan de bescherming van kritieke infrastructuren (ook in stedelijke gebieden), systemen en diensten die van wezenlijk belang zijn voor de goede werking van de samenleving en de economie (onder andere op het gebied van communicatie, vervoer, financiën, gezondheid, voedsel, water, energie, logistiek en toeleveringsketens en het milieu). Hierbij zullen ook kritieke publieke en private netwerkinfrastructuren en ‑diensten worden geanalyseerd en tegen elk type bedreiging worden beschermd, ook tegen luchtvaartgerelateerde dreigingen. Hierin is ook bescherming begrepen van maritieme vervoersroutes.

7.3.   Vergroting van de veiligheid door grensbeheer

Er zijn eveneens technologieën en capaciteiten nodig ter versterking van de systemen, apparatuur, instrumenten, processen en methoden voor snelle identificatie, teneinde de veiligheid en het beheer aan de land- zee- en kustgrenzen, zowel wat betreft controle als bewaking, te verbeteren en het potentieel van EUROSUR ten volle te benutten. Deze technologieën en capaciteiten zullen worden ontwikkeld en beproefd op doeltreffendheid, overeenstemming met juridische en ethische beginselen, proportionaliteit, maatschappelijke aanvaardbaarheid en naleving van de grondrechten. Er zal ook onderzoek worden verricht ter ondersteuning van de verbetering van het geïntegreerde Europese grensbeheer, onder meer door meer samenwerking met kandidaat-lidstaten, potentiële kandidaat-lidstaten en landen van het Europees nabuurschapsbeleid.

7.4.  Verbetering van de cyberbeveiliging

Cyberbeveiliging is een eerste vereiste voor mensen, bedrijven en openbare diensten om te kunnen profiteren van de kansen die het internet of enig ander gegevensnetwerk en communicatie-infrastructuur biedt. Hiertoe moeten systemen, netwerken, toegangsapparatuur, en software en diensten, inclusief 'cloud computing' beter worden beveiligd, waarbij rekening moet worden gehouden met de interoperabiliteit van meerdere technologieën. ▌Onderzoek en innovatie zullen worden ondersteund om te helpen cyberaanvallen die zich uitspreiden over meerdere domeinen en jurisdicties, in real time te voorkomen, detecteren en beheren, en ▌kritieke ICT-infrastructuren te beschermen. De digitale samenleving is volop in ontwikkeling, met voortdurend veranderende wijzen van gebruik en misbruik van het internet, nieuwe manieren van sociale interactie en nieuwe mobiele en vaste diensten, en de opkomst van het 'het internet van de dingen'. Dit vergt een nieuw type onderzoek dat getriggerd moet worden door opkomende applicaties, gebruikswijzen en maatschappelijke tendensen. Er zullen alerte onderzoeksinitiatieven worden genomen, waaronder proactieve O&O om snel te reageren op de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van vertrouwen en beveiliging. Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de bescherming van kinderen, aangezien zij zeer kwetsbaar zijn voor opkomende vormen van cybercriminaliteit en misbruik.

De werkzaamheden op dit gebied dienen nauwgezet met die van de ICT-afdeling van de pijler "Industrieel leiderschap" te worden gecoördineerd.

7.5.  Verhoging van de crisis- en rampbestendigheid van Europa

Hiertoe moeten speciale technologieën en capaciteiten worden ontwikkeld ter ondersteuning van verschillende soorten operaties voor het beheer van noodsituaties in crisis- en rampsituaties (zoals civiele bescherming, brandbestrijding, milieuverontreiniging, zeeverontreiniging, ▌civiele defensie, ▌de ontwikkeling van medische informatie-infrastructuren, reddingstaken, procedures voor herstel na een ramp) en wetshandhaving. Het onderzoek zal de gehele crisisbeheerketen en maatschappelijke veerkracht bestrijken en de totstandkoming van een Europese responscapaciteit voor noodsituaties ondersteunen.

7.6.  Het waarborgen van privacy en vrijheid, inclusief op het internet, en versterking van het juridische en ethische begrip in de maatschappij van alle aspecten van veiligheid, risico en beheer

Om ook in de digitale maatschappij het mensenrecht privacy te beschermen moeten kaders en technologieën worden ontwikkeld op basis van het beginsel van 'ingebouwde privacy' als grondslag voor nieuwe producten en diensten ▌. Er zullen technologieën worden ontwikkeld die gebruikers de controle geven over hun persoonsgegevens en het gebruik daarvan door derde partijen, evenals hulpmiddelen om illegale inhoud en data-inbreuken te blokkeren en de mensenrechten online te beschermen, waarbij wordt voorkomen dat de bewegingsvrijheid van individuele personen of groepen beperkt wordt door onrechtmatige zoekacties en profilering.

Elke nieuwe oplossing of technologie moet maatschappelijk aanvaardbaar zijn, in overeenstemming zijn met de Unie- en internationale wetgeving, en doeltreffend en proportioneel zijn voor het identificeren en aanpakken van een bedreiging. Een beter begrip van de sociaaleconomische, culturele en antropologische dimensies van veiligheid, de oorzaken van onveiligheid, de rol van media en communicatie, en de percepties van burgers is dan ook essentieel. Ook ethische en juridische kwesties en de bescherming van menselijke waarden en grondrechten zullen aan bod komen, evenals kwesties in verband met risico en beheer.

7.7.  De normalisatie en interoperabiliteit van systemen, mede ten behoeve van de nooddiensten, verbeteren.

Normvoorbereidende en normalisatieactiviteiten worden in alle taakgebieden ondersteund. Er zal aandacht worden besteed aan vastgestelde leemten in de normalisatie en aan de nieuwe generatie instrumenten en technologieën. Voor alle taakgebieden zullen de activiteiten ook ingaan op de integratie en interoperabiliteit van systemen en diensten, met inbegrip van aspecten als communicatie, gedistribueerde architecturen en menselijke factoren, mede ten behoeve van de nooddiensten.

7.7  bis. Ondersteuning van het externe veiligheidsbeleid van de EU, inclusief via conflictpreventie en vredesopbouw

Er zijn nieuwe technologieën, capaciteiten en oplossingen nodig voor de ondersteuning van het externe veiligheidsbeleid van de Unie op het gebied van civiele taken, gaande van civiele bescherming tot humanitaire hulp en grensbeheer, alsmede vredeshandhaving en stabilisering na afloop van conflicten, inclusief conflictpreventie, vredesopbouw en bemiddeling. Hiervoor is onderzoek nodig op het gebied van geschillenbeslechting en het herstel van vrede en gerechtigheid, van de vroegtijdige identificatie van factoren die tot conflicten leiden en van de impact van herstelrechtprocedures.

Hiertoe moet ook de interoperabiliteit tussen civiele en militaire capaciteiten worden bevorderd in civiele taken die uiteenlopen van civiele bescherming tot humanitaire hulp, grensbeheer of vredesmissies. Hieronder valt ook technische ontwikkeling op het gevoelige terrein van technologieën voor tweeërlei gebruik, teneinde de interoperabiliteit te versterken tussen militaire en civielebeschermingsdiensten en tussen civielebeschermingsdiensten wereldwijd, alsmede betrouwbaarheid, organisatorische, juridische en ethische aspecten, handelskwesties, bescherming van de vertrouwelijkheid en de integriteit van informatie, en de traceerbaarheid van alle transacties en processen. [verplaatste tekst van oud onderdeel 7.5]

7.8.   Specifieke aspecten van de tenuitvoerlegging

Hoewel de onderzoeks- en innovatieactiviteiten uitsluitend gericht zullen zijn op civiele toepassingen, zal actief gestreefd worden naar coördinatie met de activiteiten van het Europees Defensieagentschap (EDA), teneinde de samenwerking met het EDA te versterken, met name via het reeds bestaande Europese samenwerkingskader, aangezien er terreinen van technologie voor tweeërlei gebruik ▌zijn. De mechanismen voor de coördinatie met relevante agentschappen van de Unie, zoals ▌Frontex, het EMSA, ENISA en Europol, zullen verder versterkt worden ter verbetering van de coördinatie van de programma's en het beleid van de Unie op het gebied van zowel interne als externe veiligheid, evenals andere initiatieven van de Unie.

Rekening houdend met de specifieke aard van de veiligheid, zullen specifieke regelingen worden vastgesteld voor de programmering en het beheer, met inbegrip van regelingen met het comité als bedoeld in artikel 9 van dit besluit. Geclassificeerde en anderszins gevoelige informatie in verband met veiligheid zal worden beschermd en er kunnen in werkprogramma's speciale eisen en criteria voor internationale samenwerking worden vastgelegd. Dit zal ook terugkomen in de programmerings- en governanceregelingen voor veilige samenlevingen (met inbegrip van comitologieaspecten).

Deel III bis

Topkwaliteit verspreiden en de deelname verbreden

[dit hele onderdeel is aangepast aan de kaderverordening]

Er zijn in Europa aanzienlijke ongelijkheden wat de prestaties op het gebied van onderzoek en innovatie betreft, en deze moeten door middel van specifieke maatregelen worden aangepakt. Deze maatregelen zullen gericht zijn op het ontsluiten van uitmuntendheid en innovatie, en zullen, waar passend, het beleid en de acties in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op synergetische wijze aanvullen. Daarbij moet onder meer worden gedacht aan:

–  teamvorming tussen vooraanstaande onderzoeksinstellingen en regio's met een achterstand op het gebied van OOI: met teamvorming wordt de oprichting van nieuwe (of de ingrijpende vernieuwing van bestaande) kenniscentra beoogd in lidstaten en regio's met een achterstand op het gebied van OOI. Het accent zal liggen op de voorbereidingfase voor het opzetten of verbeteren en moderniseren van een instelling die gefaciliteerd wordt door een teamvormingsproces met een koploper op dat terrein elders in Europa, met inbegrip van het ondersteunen van de opstelling van een businessplan. Van de begunstigde regio of lidstaat wordt een engagement verwacht (bv. steun via het de Europese structuur- en investeringsfondsen). Afhankelijk van de kwaliteit van het businessplan, kan de Commissie verdere financiële aanloopsteun voor de opstartfase van het centrum bieden. Daarbij zal worden gedacht aan koppelingen met innovatieclusters en de erkenning van excellentie in lidstaten en regio's met een achterstand op het gebied van OOI, onder meer door collegiale toetsing en de toekenning van topkwaliteitslabels aan instellingen die aan internationale normen voldoen;

–  samenwerkingsverbanden tussen onderzoeksinstellingen: deze aanpak beoogt een bepaald onderzoeksveld in een opkomende instelling aanmerkelijk te versterken door banden tussen ten minste twee internationaal toonaangevende instellingen op een bepaald gebied. Uitgebreide maatregelen ter versteviging van deze band zouden worden gesteund (bv. uitwisseling van personeel, bezoeken van deskundigen, opleidingen op de werkplek of virtuele opleidingen van korte duur, workshops, conferenties, organisatie van gezamenlijke zomercursussen, verspreiding en voorlichting);

–  "EOR-leerstoelen": het opzetten van EOR-leerstoelen om vooraanstaande academici aan te trekken voor instellingen met een duidelijk potentieel voor toponderzoek, teneinde deze instellingen te helpen dit potentieel te verwezenlijken en zo een gelijk speelveld te creëren voor onderzoek en innovatie in de Europese onderzoeksruimte. Het gaat daarbij onder meer om institutionele ondersteuning voor het tot stand brengen van een concurrerend onderzoeksklimaat en de randvoorwaarden voor het aantrekken, vasthouden en ontwikkelen van toponderzoekstalent binnen deze instellingen. De mogelijkheid tot synergie met de activiteiten van de ERC moet worden onderzocht;

–  beleidsondersteuningsfaciliteit (PSF): Doel hiervan is het ontwerpen, uitvoeren en evalueren van nationaal/regionaal onderzoeks- en innovatiebeleid te verbeteren. Zij zal deskundig advies verstrekken aan nationale en regionale overheden op basis van vrijwilligheid, in verband met de noodzaak toegang te hebben tot het desbetreffende kennisbestand, te profiteren van de inzichten van internationale deskundigen, de nieuwste methodieken en instrumenten te gebruiken, en advies op maat te verkrijgen;

–  ondersteuning van de toegang tot internationale netwerken voor toponderzoekers en ‑innoveerders die onvoldoende betrokken zijn in Europese en internationale netwerken, onder meer via COST;

—  versterking van de bestuurlijke en operationele capaciteit van transnationale netwerken van nationale contactpunten, inclusief door middel van opleiding en financiële en technische steun, en tegelijk verbetering van het kader voor het functioneren van de nationale contactpunten en de informatiestroom tussen die punten en de instanties die belast zijn met de uitvoering van Horizon 2020, om ervoor te zorgen dat de nationale contactpunten potentiële deelnemers beter kunnen ondersteunen.

Deel III ter

Wetenschap met en voor de maatschappij

[dit hele onderdeel is aangepast aan de kaderverordening]

Het doel bestaat erin effectieve samenwerking tussen de wetenschap en de samenleving tot stand te brengen, nieuw talent voor wetenschappelijke beroepen te rekruteren en excellente wetenschap aan maatschappelijk bewustzijn en maatschappelijke verantwoordelijkheid te koppelen.

De kracht van het Europees wetenschaps- en technologiestelsel is afhankelijk van het vermogen ervan om talent en ideeën te benutten, ongeacht de herkomst. Dit kan alleen worden bewerkstelligd als er een succesvolle, rijke dialoog en actieve samenwerking tussen wetenschap en samenleving worden opgezet met het oog op een meer verantwoordelijke wetenschap en de ontwikkeling van beleid dat relevanter is voor de burgers. De snelle vooruitgang van het moderne wetenschappelijke onderzoek en de innovatie hebben belangrijke ethische, juridische en maatschappelijke vraagstukken opgeworpen die van invloed zijn op de betrekkingen tussen wetenschap en samenleving.

Betere samenwerking tussen wetenschap en samenleving met het oog op meer maatschappelijke en politieke steun voor wetenschap en technologie in alle lidstaten wordt een steeds belangrijker probleem, dat nog nijpender is geworden door de huidige economische crisis. Voor overheidsinvesteringen in wetenschap is een groot maatschappelijk en politiek draagvlak vereist waarbinnen wetenschap hoog aangeschreven staat, mensen opgeleid zijn in en op de hoogte zijn van de processen en de bijdrage van wetenschap aan kennis, de samenleving en economische vooruitgang weten te erkennen.

De zwaartepunten van de activiteiten:

a)  wetenschappelijke en technologische loopbanen aantrekkelijk maken voor jonge studenten, en duurzame interactie tussen scholen, onderzoeksinstellingen, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties bevorderen;

b)  gendergelijkheid in het bijzonder stimuleren door het steunen van structurele veranderingen in de organisatie van onderzoeksinstellingen en in de inhoud en opzet van onderzoeksactiviteiten;

c)  de maatschappelijke dimensie integreren in wetenschap, innovatie, beleid en activiteiten om recht te doen aan de belangen en waarden van burgers, en om de kwaliteit, de relevantie, de maatschappelijke acceptatie en de duurzaamheid van de resultaten van onderzoek en innovatie op uiteenlopende gebieden, van maatschappelijke innovatie tot biotechnologie en nanotechnologie, te vergroten;

d)  de toegankelijkheid en het gebruik van de resultaten van door de overheid gefinancierd onderzoek ontwikkelen;

e)  de governance zodanig organiseren dat alle belanghebbenden (onderzoekers, overheidsinstanties, het bedrijfsleven en organisaties van het maatschappelijk middenveld) werken aan de ontwikkeling van verantwoord onderzoek en verantwoorde innovatie waarin aandacht geschonken wordt aan de behoeften en de wensen van de samenleving; bevordering van een ethisch kader voor onderzoek en innovatie;

f)  bij onderzoeks- en innovatie-activiteiten passende, proportionele voorzorgsmaatregelen treffen door te anticiperen op de mogelijke gevolgen op het gebied van milieu, gezondheid en veiligheid en die beoordelen;

g)  de kennis over wetenschappelijke communicatie vergroten om de kwaliteit en doeltreffendheid van contacten tussen wetenschappers, algemene media en de bevolking te verbeteren.

Deel IV

Niet-nucleaire acties van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC)

Het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek levert een bijdrage aan de in Horizon 2020 genoemde algemene doelstellingen en prioriteiten, door wetenschappelijke en technische ondersteuning te verlenen aan beleidsmaatregelen van de Unie, waar passend in samenwerking met de betrokken belanghebbende nationale en regionale onderzoekskringen. De activiteiten van het JRC zullen worden uitgevoerd met inachtneming van relevante initiatieven op het niveau van regio's, lidstaten of de EU, met het oogmerk de Europese onderzoeksruimte gestalte te geven.

1.  Wetenschap op topniveau

Het JRC zal onderzoek verrichten om de wetenschappelijke basis voor beleidsvorming te verbeteren ▌en opkomende vakgebieden binnen wetenschap en technologie te bestuderen, onder andere door een programma voor verkennend onderzoek.

2.  Industrieel leiderschap

Het JRC zal bijdragen tot innovatie en concurrentiekracht door:

(a)  te blijven bijdragen aan de strategische oriëntatie en wetenschappelijke agenda van relevante instrumenten van onderzoek door derden, zoals de Europese innovatiepartnerschappen of publiek-private dan wel publiek-publieke partnerschappen;

(b)  de overdracht van kennis en technologie te ondersteunen door passende kaders voor intellectuele-eigendomsrechten vast te stellen voor verschillende onderzoeks- en innovatie-instrumenten, en samenwerking tussen grote publieke onderzoeksorganisaties te bevorderen wat betreft de overdracht van kennis en technologie;

(c)  ertoe bij te dragen dat ruimtevaarttechnologieën en gegevens gemakkelijker kunnen worden gebruikt, gestandaardiseerd en gevalideerd, in het bijzonder om de maatschappelijke uitdagingen het hoofd te bieden.

3.  Maatschappelijke uitdagingen

3.1.  Gezondheid, demografische veranderingen en welzijn

Het JRC zal met de volgende activiteiten een bijdrage leveren aan de harmonisering van methoden, standaarden en praktijken om EU-wetgeving op het gebied van gezondheid en consumentenbescherming te ondersteunen:

(a)  Het beoordelen van risico's en mogelijkheden van het gebruik van nieuwe technologieën en chemische stoffen, met inbegrip van nanomaterialen, in voeding, diervoeder en consumentenproducten; het ontwikkelen en valideren van geharmoniseerde meet-, identificatie- en kwantificatiemethoden, geïntegreerde teststrategieën en ultramoderne instrumenten voor de beoordeling van toxicologische gevaren, waaronder alternatieven voor dierproeven; het beoordelen van de gezondheidseffecten van milieuverontreiniging;

(b)  Het ontwikkelen van praktijken op het gebied van tests en screenings in verband met de volksgezondheid, waaronder genetische tests en kankerscreening, en het waarborgen van de kwaliteit daarvan.

3.2.  Voedselzekerheid, duurzame land- en bosbouw, marien en maritiem onderzoek en onderzoek inzake binnenwateren en de bio-economie

Het JRC zal de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en monitoring van Europees landbouw- en visserijbeleid, met inbegrip van voedselzekerheid en de ontwikkeling van de bio-economie, steunen door middel van de volgende activiteiten:

(a)  Het vaststellen van een algemeen systeem en instrumenten voor het maken van oogstprognosen en het monitoren van de productiviteit van gewassen; steun bieden ter verbetering van de vooruitzichten voor de korte en middellange termijn van landbouwgrondstoffen, met inbegrip van de voorspelde gevolgen van de klimaatverandering;

(b)  Het bijdragen aan biotechnologische innovatie en een efficiënter gebruik van hulpbronnen, om met behulp van techno-economische analyses en modellen 'meer met minder' te produceren;

(c)  Het modelleren van scenario's voor besluitvorming in het kader van landbouwbeleid en het analyseren van het effect van beleid op macro-, regionaal en microniveau; het analyseren van het effect van de Commissiemededeling "Het GLB tot 2020" op zich ontwikkelende en opkomende economieën;

d)  Het nader uitwerken van methoden voor visserijcontrole en handhaving van het visserijbeleid, alsmede het verder ontwikkelen van de traceerbaarheid van vis en visproducten; het ontwikkelen van robuuste indicatoren voor de gezondheid van het ecosysteem en bio-economische modellen om beter inzicht te krijgen in de directe effecten (bijv. visserij) en indirecte effecten (klimaatverandering) van menselijke activiteiten op de dynamiek van visbestanden, het mariene milieu en de sociaaleconomische gevolgen ervan.

3.3.  Zekere, schone en efficiënte energie

Het JRC zal zich concentreren op de "20/20/20"-doelstellingen inzake klimaat en energie en op het proces om de Unie voor 2050 om te vormen tot een concurrerende koolstofarme economie, en in dit verband onderzoek doen naar technologische en sociaaleconomische aspecten van:

(a)  Continue energievoorziening, met name wat betreft koppelingen met en onderlinge afhankelijkheid van de systemen voor energievoorziening en ‑transport buiten de Unie; het in kaart brengen van de eigen primaire energiebronnen en externe energiebronnen en infrastructuren waarvan Europa afhankelijk is;

(b)  Energie-/elektriciteitstransmissienetwerken, in het bijzonder modellering en simulatie van trans-Europese energienetwerken, analyse van technologieën voor slimme/supernetwerken, en realtimesimulatie van energiesystemen;

(c)  Energie-efficiëntie, in het bijzonder methoden voor het controleren en beoordelen van de prestaties van beleidsinstrumenten voor energie-efficiëntie, techno-economische analyse van het gebruik van energie-efficiënte technologieën en instrumenten en van slimme netwerken;

(d)  Koolstofarme technologieën (met inbegrip van de veiligheid van kernenergie in het Euratom-programma), met name prestatiebeoordeling en prenormatief onderzoek naar toekomstige koolstofarme technologieën; analyse en modellering van stimulerende en remmende factoren voor de ontwikkeling en toepassing ervan; beoordeling van hernieuwbare energiebronnen en knelpunten, zoals kritieke grondstoffen, in de toevoerketen van koolstofarme technologieën; voortdurende ontwikkeling van het Informatiesysteem voor Strategische Energietechnologieën (SETIS) en daarmee samenhangende activiteiten.

3.4.  Slim, groen en geïntegreerd vervoer

Het JRC zal bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen voor 2050 van een concurrerend, slim en geïntegreerd vervoerssysteem voor het veilig en zeker vervoeren van mensen en goederen dat efficiënt gebruikmaakt van hulpbronnen, door middel van laboratoriumstudies en modellering en door het monitoren van benaderingswijzen op de volgende gebieden:

(a)  Strategische koolstofarme vervoerstechnologieën voor alle vervoersmodaliteiten, waaronder de elektrificatie van het wegvervoer en vliegtuigen/vaartuigen/voertuigen op alternatieve brandstoffen, en de verdere ontwikkeling van een intern clearinghouse van de Commissie voor het verzamelen en verspreiden van informatie over relevante technologieën; de beschikbaarheid en kosten van niet-fossiele brandstoffen en energiebronnen, met inbegrip van effecten van geëlektrificeerd wegvervoer op elektriciteitsnetwerken en stroomopwekking;

(b)  Schone en efficiënte voertuigen, in het bijzonder het vaststellen van geharmoniseerde testprocedures en het beoordelen van innovatieve technologieën op het gebied van emissies, conventionele en alternatieve brandstofefficiëntie en ‑veiligheid; het ontwikkelen van betere technologieën voor het meten van emissies en het berekenen van de druk op het milieu; het coördineren en harmoniseren van de activiteiten op Europees niveau wat betreft de inventarisatie en controle van emissies;

(c)  Slimme mobiliteitssystemen om zekere, intelligente en geïntegreerde mobiliteit te realiseren, met inbegrip van techno-economische beoordeling van nieuwe vervoerssystemen en ‑componenten, toepassingen voor een verbeterd verkeersbeheer en een bijdrage aan de ontwikkeling van een geïntegreerde aanpak van de vraag naar en het beheer van vervoer;

(d)  Geïntegreerde vervoersveiligheid, met name het verschaffen van instrumenten en diensten voor het verzamelen, delen en analyseren van informatie over incidenten en ongevallen in de luchtvaart, de scheepvaart en het vervoer over land; het verbeteren van ongevallenpreventie door analyse en modaliteitoverschrijdende veiligheidslessen, waarbij tegelijkertijd kostenbesparingen en efficiëntiewinsten worden bevorderd.

3.5.  Klimaatmaatregelen, milieu, hulpbronnenefficiëntie en grondstoffen

Het JRC zal bijdragen aan het vergroenen van Europa, een zekere energielevering en grondstoffenaanvoer en een algeheel duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen door de volgende maatregelen:

(a)  Het toegankelijk maken van interoperabele milieugegevens en ‑informatie door de verdere ontwikkeling van normen en interoperabiliteitsregelingen, geospatiale instrumenten en innovatieve ICT-infrastructuren, zoals de infrastructuur voor ruimte-informatie in de Europese Unie (INSPIRE), en andere initiatieven in de Unie en wereldwijd;

(b)  Het meten en controleren van belangrijke milieuvariabelen en het beoordelen van de toestand van natuurlijke hulpbronnen en van veranderingen daarin door nadere uitwerking van indicatoren en informatiesystemen die bijdragen aan milieu-infrastructuren; het beoordelen van ecosysteemdiensten, inclusief hun waardering en hun effecten op de klimaatverandering;

(c)  Het ontwikkelen van een geïntegreerd modelleringskader voor duurzaamheidsbeoordeling op basis van thematische modellen, bijvoorbeeld: bodem, bodemgebruik, water, luchtkwaliteit, biodiversiteit, broeikasgasemissies, bosbouw, landbouw, energie en vervoer, waarbij tevens wordt gekeken naar de gevolgen van en maatregelen tegen klimaatverandering;

(d)  Het ondersteunen van de ontwikkelingsdoelen van de Unie door de overdracht van technologie te stimuleren, toezicht te houden op essentiële hulpbronnen (zoals bossen, bodemsoorten, voedselvoorziening), en onderzoek te verrichten om de gevolgen van de klimaatverandering en de milieugevolgen van het gebruik van hulpbronnen te beperken, en om een goede afweging te kunnen maken bij de keuze of land moet worden gebruikt ten behoeve van de voedsel- of energieproductie of ten behoeve van de biodiversiteit;

(e)  Het verrichten van geïntegreerde beoordelingen in verband met beleid inzake duurzame productie en consumptie, met inbegrip van de voorzieningszekerheid van strategische grondstoffen, een efficiënt gebruik van hulpbronnen, koolstofarme en schone productieprocessen en ‑technologieën, het ontwikkelen van producten en diensten, consumptiepatronen en handel; verdere ontwikkeling van levenscyclusanalyses en integratie daarvan in beleidsanalyses;

(f)  Het uitvoeren van geïntegreerde effectbeoordelingen van mogelijke maatregelen ter verzachting van of aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering, met behulp van een gereedschapskist met kwantitatieve modellen op regionale en mondiale schaal, variërend van sectoraal tot macro-economisch niveau.

3.6.  Europa in een veranderende wereld – inclusieve, innovatieve en reflexieve samenlevingen

Het JRC zal bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de Innovatie-Unie ▌en Europa als wereldspeler, door middel van de volgende activiteiten:

(a)  Het alomvattend analyseren van stimulerende en remmende factoren voor onderzoek en innovatie, en het ontwikkelen van een modelleringsplatform voor de beoordeling van de micro- en macro-economische effecten van deze factoren;

(b)  Het bijdragen aan het toezicht op de tenuitvoerlegging van de Innovatie-Unie met behulp van scoreborden, de ontwikkeling van indicatoren en dergelijke, en het gebruiken van een openbaar informatie- en inlichtingensysteem voor de opslag van gegevens en informatie;

(c)  Het exploiteren van een openbaar informatie- en inlichtingenplatform om nationale en regionale overheden te ondersteunen met slimme specialisatie; het verrichten van een kwantitatieve economische analyse van het ruimtelijk patroon van economische activiteit, waarbij met name aandacht wordt besteed aan economische, sociale en territoriale verschillen en veranderingen in het patroon als gevolg van technologische ontwikkelingen;

(d)  Het econometrisch en macro-economisch analyseren van de hervorming van het financiële stelsel om daarmee een bijdrage te leveren aan de instandhouding van een efficiënt EU-kader voor financieel crisisbeheer, waarbij methodologische ondersteuning geboden blijft worden voor het bewaken van de begrotingsposities van de lidstaten ten opzichte van het stabiliteits- en groeipact;

(e)  Het toezien op het functioneren van de Europese onderzoeksruimte en het analyseren van stimulerende en remmende factoren voor enkele van de belangrijkste elementen daarvan (zoals mobiliteit van onderzoekers, het openstellen van nationale onderzoeksprogramma's), alsook het voorstellen van relevante beleidsopties; het blijven spelen van een belangrijke rol in de Europese onderzoeksruimte door te netwerken, trainingen te verzorgen, de faciliteiten en gegevensbanken van het JRC open te stellen voor gebruikers in de lidstaten, kandidaat-lidstaten en geassocieerde landen;

(f)  Het ontwikkelen van een kwantitatieve economische analyse van de digitale economie; het verrichten van onderzoek naar het effect van informatie- en communicatietechnologieën op de verwezenlijking van de doelen van de digitale samenleving; het bestuderen van de gevolgen van gevoelige veiligheidskwesties voor het leven van individuen (digitaal leven);

3.7.  Veilige samenlevingen – Bescherming van de vrijheid en veiligheid van Europa en haar burgers

Het JRC zal bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van Veiligheid en burgerschap door middel van de volgende activiteiten:

(a)  Het identificeren en beoordelen van zwakke plekken in kritieke infrastructuur (waaronder wereldwijde navigatiesystemen, financiële markten); het verbeteren van de instrumenten voor fraudebestrijding in verband met de uitvoering van de EU-begroting en voor maritieme bewaking; en het beoordelen van de operationele prestaties van technologieën die geheel of gedeeltelijk gebruik maken van persoonlijke identiteiten (digitale identiteit);

(b)  Het versterken van het vermogen van de Unie om het risico van rampen te beperken en natuurlijke en door de mens veroorzaakte rampen te beheersen, met name door de ontwikkeling van wereldwijde informatiesystemen voor snelle waarschuwing en risicobeheer bij meervoudige gevaren, waarbij gebruik wordt gemaakt van technologieën voor aardobservatie;

(c)  Het blijven verschaffen van instrumenten voor de beoordeling en het beheer van wereldwijde veiligheidsvraagstukken, zoals terrorisme en non-proliferatie (chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair (in het Euratom-programma)), dreigingen die voortvloeien uit sociaalpolitieke instabiliteit en overdraagbare ziekten; nieuwe aandachtsgebieden in dit verband zijn onder meer: de kwetsbaarheid voor en bestendigheid tegen opkomende of hybride bedreigingen, bijvoorbeeld de toegang tot grondstoffen, piraterij, schaarste van en concurrentie om hulpbronnen en de gevolgen van de klimaatverandering voor de frequentie van natuurrampen.

4.  Specifieke aspecten van de tenuitvoerlegging

Conform de prioriteiten van Europa als wereldspeler zal het JRC de wetenschappelijke samenwerking versterken met belangrijke internationale organisaties en derde landen (bijvoorbeeld VN-organen, de OESO, de Verenigde Staten van Amerika, Japan, Rusland, China, Brazilië, India) op gebieden met een sterk mondiale dimensie, zoals klimaatverandering, voedselzekerheid of nanotechnologieën. Deze samenwerking zal in nauwe coördinatie met de internationale samenwerkingsactiviteiten van de Unie en de lidstaten verlopen.

Om beleidsvorming beter te kunnen ondersteunen, zal het JRC werken aan een verdere uitbreiding van zijn capaciteit voor het analyseren en aanbieden van sectoroverschrijdende beleidsopties en het uitvoeren van daarmee samenhangende effectbeoordelingen. Met name de volgende activiteiten zullen daarbij van nut zijn:

(a)  Modellering op cruciale gebieden (bijvoorbeeld energie en vervoer, landbouw, klimaat, milieu, economie); de nadruk zal daarbij liggen op zowel sectorale als geïntegreerde modellen (voor duurzaamheidsbeoordelingen) en zowel wetenschappelijk-technische als economische aspecten omvatten;

(b)  Toekomstgerichte studies die een analyse zullen verschaffen van trends en gebeurtenissen in wetenschap, technologie en samenleving en van de wijze waarop deze overheidsbeleid en innovatie kunnen beïnvloeden, en concurrentiekracht en duurzame groei kunnen versterken; op die manier zou het JRC enerzijds de aandacht kunnen vestigen op vraagstukken waarvoor in de toekomst wellicht beleidsmaatregelen vereist zijn en anderzijds kunnen inspelen op de behoeften van consumenten.

Het JRC zal een intensievere bijdrage leveren aan het standaardiseringsproces en normen als horizontale component ter ondersteuning van het Europese concurrentievermogen. Het zal zich daarbij onder andere bezighouden met prenormatief onderzoek, de ontwikkeling van referentiematerialen en ‑metingen, en het harmoniseren van methodologieën. Het accent zal met name liggen op de volgende vijf gebieden: energie; vervoer; de digitale agenda; zekerheid en veiligheid (ook nucleaire, in het kader van het Euratom-programma); consumentenbescherming. Bovendien zal het JRC de verspreiding van zijn resultaten blijven bevorderen en de instellingen en organen van de Unie ondersteuning bieden bij het beheer van intellectuele-eigendomsrechten.

Het JRC zal een afdeling gedragswetenschappen opzetten om de ontwikkeling van effectievere regelgeving te ondersteunen, ter aanvulling van JRC-activiteiten op specifieke gebieden als voeding, energie-efficiëntie en productbeleid.

In het kader van activiteiten op relevante gebieden als de digitale agenda, duurzame productie of volksgezondheid zal sociaaleconomisch onderzoek worden verricht.

Het is van cruciaal belang dat het JRC beschikt over ultramoderne infrastructuur, zodat het zich kan kwijten van zijn taak als referentiecentrum voor de Unie, een essentiële rol kan blijven spelen in de Europese onderzoeksruimte en zich op nieuwe onderzoeksterreinen kan begeven. Het JRC zal zijn programma voor het renoveren en opknappen van gebouwen voortzetten om ervoor te zorgen dat gebouwen voldoen aan de toepasselijke milieu- en veiligheidsvoorschriften. Ook zal het investeren in wetenschappelijke infrastructuur, met inbegrip van de ontwikkeling van modelleringsplatforms, faciliteiten voor nieuwe onderzoeksterreinen zoals genetische testen, enzovoort. Bij deze investeringen zal zorgvuldige afstemming plaatsvinden met de routekaart van het Europees Strategieforum inzake onderzoekinfrastructuur (ESFRI) en rekening worden gehouden met de bestaande faciliteiten in de lidstaten.

BIJLAGE II

Prestatie-indicatoren

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van een ▌aantal belangrijke resultaat- en impactindicatoren voor de specifieke doelstellingen van Horizon 2020, die tijdens de uitvoering van Horizon 2020 kunnen worden verfijnd.

1.  Deel I. Prioriteit "wetenschap op topniveau"

Indicatoren voor de specifieke doelstellingen:

Europese Onderzoeksraad (ERC)

–  Aandeel publicaties van door de ERC gefinancierde projecten die behoren tot de 1 % meest geciteerde per wetenschapsgebied

Technologieën van de toekomst en opkomende technologieën (FET)

–  Publicaties in invloedrijke tijdschriften met collegiale toetsing

–  Octrooiaanvragen en octrooiverleningen in toekomstige en opkomende technologieën

Marie Skłodowska-Curie-acties, gericht op vaardigheden, opleidingen en loopbaanontwikkeling

–  Grens- en sectoroverschrijdende mobiliteit van onderzoekers, met inbegrip van promovendi

Europese onderzoeksinfrastructuren (waaronder e‑Infrastructuren)

–  Aantal onderzoekers dat toegang heeft tot onderzoeksinfrastructuren ▌met behulp van ondersteuning vanuit de EU

2.  Deel II. Prioriteit "industrieel leiderschap"

Indicatoren voor de specifieke doelstellingen:

Leiderschap in ondersteunende en industriële technologieën (ICT, nanotechnologie, geavanceerde materialen, biotechnologie, geavanceerde fabricage en ruimtevaart)

–  Octrooiaanvragen en octrooiverleningen in de verschillende ondersteunende en industriële technologieën

–  Aandeel deelnemende bedrijven die innovaties op de markt of binnen het bedrijf introduceren (in de periode van het project plus drie jaar)

–  Aantal gezamenlijke publiek-private publicaties

Toegang tot risicokapitaal

–  Totaal aan investeringen via financiering met vreemd vermogen en durfkapitaalinvesteringen

–  Aantal gefinancierde organisaties en bedrag van de aangetrokken private middelen

Innovatie in kleine en middelgrote ondernemingen

–  Aandeel deelnemende kleine en middelgrote ondernemingen die innovaties op de markt of binnen het bedrijf introduceren (in de periode van het project plus drie jaar)

–  Groei en nieuwe banen in deelnemende kleine en middelgrote ondernemingen

3.  Deel III. Prioriteit "maatschappelijke uitdagingen"

Indicatoren voor de specifieke doelstellingen:

Voor alle maatschappelijke uitdagingen:

–   Publicaties in invloedrijke tijdschriften met collegiale toetsing op het gebied van de verschillende maatschappelijke uitdagingen;

–   Octrooiaanvragen en octrooiverleningen op het gebied van de verschillende maatschappelijke uitdagingen;

–   Aantal prototypes en testactiviteiten;

–  Aantal gezamenlijke publiek-private publicaties.

Voorts wordt met betrekking tot elke uitdaging de vooruitgang afgemeten aan de hand van de bijdrage die is geleverd aan de specifieke doelstellingen als uiteengezet in bijlage I van Verordening (EU) nr. XX/2012 [Horizon 2020].

4.  Deel IV. Niet-nucleaire eigen acties van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek

Indicatoren voor de specifieke doelstellingen:

–   Aantal gevallen waarin technische en wetenschappelijke beleidsondersteuning door het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek tastbare specifieke effecten heeft op Europees beleid;

–   Aantal aan collegiale toetsing onderworpen publicaties in invloedrijke tijdschriften.

BIJLAGE III

Voortgangscontrole

De Commissie controleert de voortgang van de uitvoering van Horizon 2020 en in het bijzonder:

1.  Bijdrage aan de totstandbrenging van de Europese Onderzoeksruimte

2.  Bredere participatie

3.  Deelname van kleine en middelgrote ondernemingen

4.   Sociale en geesteswetenschappen

5.  Wetenschap en samenleving

6.  Gender

7.  Internationale samenwerking

8.  Duurzame ontwikkeling en klimaatverandering, waaronder informatie over uitgaven in verband met klimaatverandering

9.  Het slaan van een brug tussen uitvinding en markttoepassing

10.  Digitale agenda

11.  Deelname van de particuliere sector

12.  Financiering voor publiek-publieke en publiek-private partnerschappen

13.  Communicatie en verspreiding

14.  Participatiepatronen van onafhankelijke deskundigen

BIJLAGE IV

Informatie die overeenkomstig artikel 8 bis, lid 2, door de Commissie moet worden verstrekt

1.  Informatie over individuele projecten die het mogelijk maakt elk voorstel gedurende de volledige looptijd ervan te volgen, en die met name betrekking heeft op:

–  de ingediende voorstellen;

–  de evaluatieresulaten voor elk voorstel;

–   subsidieovereenkomsten;

–  voltooide projecten.

2.  Informatie over het resultaat van elke oproep en over de projectuitvoering, met name over:

–  de resultaten van elke oproep;

–  het resultaat van onderhandelingen over subsidieovereenkomsten;

–  projectuitvoering, onder meer betaaldata en projectresultaten.

3.  Informatie over de uitvoering van programma's, onder meer relevante informatie over het kaderprogramma, het specifieke programma en over ieder onderwerp en het JRC, en over synergie met andere desbetreffende programma's van de Unie.

4.  Informatie over de uitvoering van de Horizon 2020-begroting, onder meer informatie over vastleggingen en betalingen voor initiatieven op grond van de artikelen 185 en 187.

BIJLAGE V

Samenstellingen van het programmacomité

Lijst van samenstellingen(32) van het Horizon 2020-programmacomité overeenkomstig artikel 9, lid 1 bis:

1.  Strategische samenstelling: Strategisch overzicht van de tenuitvoerlegging van het hele programma, coherentie tussen de verschillende programmadelen en horizontale kwesties, inclusief "Excellentie verspreiden en deelname verbreden" en "Wetenschap met en voor de samenleving".

Deel I – Wetenschap op topniveau:

2.  Europese Onderzoeksraad, Technologieën van de toekomst en opkomende technologieën en Marie Skłodowska-Curie-acties

3.  Onderzoeksinfrastructuren

Deel II – Industrieel leiderschap:

4.  Informatie- en communicatietechnologie (ICT)

5.  Nanotechnologieën, geavanceerde materialen, biotechnologie, geavanceerde fabricage en verwerking

6.  Ruimtevaart

7.  Kleine en middelgrote ondernemingen en toegang tot risicokapitaal

Deel III – Maatschappelijke uitdagingen:

8.  Gezondheid, demografische veranderingen en welzijn

9.  Voedselzekerheid, duurzame land- en bosbouw, marien en maritiem onderzoek en onderzoek inzake binnenwateren en de bio-economie

10.  Zekere, schone en efficiënte energie

11.  Slim, groen en geïntegreerd vervoer

12.  Klimaatactie, milieu, efficiënt gebruik van hulpbronnen en grondstoffen

13.  Europa in een veranderende wereld – inclusieve, innovatieve en reflexieve samenlevingen

14.  Een veilige samenleving – de vrijheid en veiligheid van Europa en haar burgers beschermen

(1)Standpunt van het Europees Parlement van 21 november 2013.
(2)PB C ... van ..., blz. ....
(3)PB C ... van ..., blz. ....
(4)PB , blz.
(5)PB L 57 van 24.2.2007, blz. 14.
(6)COM(2010)2020.
(7) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(8)PB L 107 van 30.4.1996, blz. 12.
(9)PB L 400 van 30.12.2006, blz. 86.
(10)PB L 400 van 30.12.2006, blz. 243.
(11)PB L 400 van 30.12.2006, blz. 272.
(12)PB L 400 van 30.12.2006, blz. 299.
(13)PB L 400 van 30.12.2006, blz. 368.
(14)PB L […] , blz. […].
(15) Aanbeveling van de Commissie betreffende het beheer van intellectueel eigendom bij kennisoverdracht en een code van goede praktijken voor universiteiten en andere publieke onderzoeksorganisaties, C(2008) 1329 van 10.4.2008.
(16)In beginsel ten minste 80%.
(17) Een regionale partnerschapsfaciliteit is een onderzoeksinfrastructuur van nationaal of regionaal belang op het gebied van sociaal-economische opbrengst, opleiding, en werving van onderzoekers en technici, en die is erkend als partner van een pan-Europees ESFRI of van een andere onderzoeksinfrastructuur op wereldniveau De kwaliteit van de regionale partnerschapsfaciliteit, dus onder meer het niveau van zijn wetenschappelijke dienstverlening, management, en toegankelijkheidsbeleid, moet beantwoorden aan dezelfde normen als de pan-Europese onderzoeksinfrastructuren.
(18)Aangezien onderzoek steeds computer- en data-intensiever wordt, is de toegang tot "state of the art" e-infrastructuur inmiddels van essentieel belang voor alle onderzoekers. Zo zorgt bijvoorbeeld het GÉANT-netwerk voor verbindingen tussen 40 miljoen gebruikers in achtduizend instellingen die verspreid zijn over veertig landen, terwijl de European Grid Infrastructure met 290 locaties in vijftig landen de omvangrijkste verspreide computerinfrastructuur ter wereld is. De onophoudelijke vooruitgang op ICT-gebied en de toenemende behoefte in de wetenschap aan rekencapaciteit en verwerking van gigantische hoeveelheden gegevens vormen grote financiële en organisatorische uitdagingen, die moeten worden aangepakt om een naadloze dienstverlening aan de onderzoekswereld te kunnen waarborgen.
(19)Het "internet van de dingen" wordt als horizontaal thema gecoördineerd.
(20)Met inbegrip van satellietnetwerken.
(21)PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(22) Werkdocument van de diensten van de Commissie, SEC(2009) 1295, bij de mededeling getiteld: "Investeren in de ontwikkeling van koolstofarme technologieën (SET-Plan)" (COM(2009)0519.
(23)COM (2007) 723.
(24) Witboek van de Commissie – Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem, COM(2011)0144.
(25)Schattingen uitgewerkt door PricewaterhouseCoopers voor "aan duurzaamheid gerelateerde wereldwijde ondernemingskansen in natuurlijke hulpbronnen (waaronder energie, bosbouw, voedsel en landbouw, water, en metalen)" en WBCSD (2010) Vision 2050: The New Agenda for Business (Visie 2050: de nieuwe agenda voor het bedrijfsleven), World Business Council for Sustainable Development, Genève, URL: http://www.wbcsd.org/web/projects/BZrole/Vision2050-FullReport_Final.pdf
(26) COM(2008)0699.
(27)Europees Parlement, Afdeling economisch en wetenschapsbeleid: "Eco-innovation – putting the EU on the path to a resource and energy efficient economy, Study and briefing notes", maart 2009.
(28)Observatorium inzake eco-innovatie: "The Eco-Innovation Challenge – Pathways to a resource-efficient Europe – Annual Report 2010"", mei 2011.
(29) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006.
(30) Onverminderd de begroting die aan deze maatschappelijke uitdaging wordt toegekend.
(31) COM(2008)1329 van 10.4.2008.
(32) Ter vergemakkelijking van de uitvoering van het programma zal de Commissie voor iedere vergadering van het programmacomité die in de agenda is opgenomen, overeenkomstig haar geldende richtsnoeren de kosten vergoeden van één vertegenwoordiger per lidstaat, alsmede van één deskundige/adviseur per lidstaat voor die agendapunten waarvoor een lidstaat specifieke deskundigheid nodig heeft.


Europese statistiek ***I
PDF 378kWORD 83k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 223/2009 betreffende de Europese statistiek (COM(2012)0167 – C7-0101/2012 – 2012/0084(COD))
P7_TA(2013)0505A7-0436/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0167),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 338, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0101/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Spaanse Congres van Afgevaardigden, de Spaanse Senaat en de Oostenrijkse Bondsraad en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 6 november 2012(1),

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0436/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 november 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 223/2009 betreffende de Europese statistiek

P7_TC1-COD(2012)0084


(Voor de EER en Zwitserland relevante tekst)

[Amendement 43]

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 338, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het Europees statistisch systeem (ESS) heeft als partnerschap in het algemeen met succes zijn activiteiten voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van gereglementeerde en betrouwbare Europese statistieken van hoge kwaliteit geconsolideerd, onder meer door de verbetering van de governance van het systeem.

(2)  Er zijn echter ▌zwakke punten ontdekt, met name met betrekking tot het kader voor het statistische kwaliteitsbeheer. Door deze structurele gebreken is nogmaals duidelijk geworden dat moet worden gewaarborgd dat de statistische autoriteiten onafhankelijk functioneren van mogelijke politieke druk op nationaal niveau en op het niveau van de Unie.

(3)  De Commissie heeft in haar mededeling van 15 april 2011 aan het Europees Parlement en de Raad "Naar een robuust kwaliteitsbeheer voor de Europese statistiek" maatregelen voorgesteld om deze zwakke punten aan te pakken en de governance van het ESS te versterken. Zij heeft met name een doelgerichte wijziging van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad(4) voorgesteld.

(4)  In zijn conclusies van 20 juni 2011 heeft de Raad het initiatief van de Commissie verwelkomd en het belang van een voortdurende verbetering van de governance en de efficiëntie van het ESS benadrukt.

(5)  Voorts moet rekening worden gehouden met het effect van recente ontwikkelingen in verband met de economische governance van de Unie op statistisch gebied, met name aspecten in verband met de statistische onafhankelijkheid, zoals transparante aanwervings- en ontslagprocedures, toewijzing van budgetten en tijdsschema's voor voorpublicaties, zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 1175/2011 van het Europees Parlement en de Raad(5), en die in verband met de eis dat instanties die toezicht moeten houden op de toepassing van nationale begrotingsregels functioneel autonoom zijn, zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad(6).

(6)  De aspecten die verband houden met professionele onafhankelijkheid, zoals transparante aanwervings- en ontslagprocedures, toewijzing van budgetten en tijdschema's voor voorpublicaties, mogen niet beperkt blijven tot statistieken die worden geproduceerd ten behoeve van het systeem voor begrotingstoezicht en de procedure bij buitensporige tekorten, maar moeten van toepassing zijn op alle Europese statistieken die door het ESS worden ontwikkeld, geproduceerd en verspreid.

(6 bis)  De kwaliteit van de Europese statistieken en de relevantie daarvan voor op feiten gebaseerde besluitvorming moeten voortdurend worden getoetst, onder meer om te beoordelen welke meerwaarde zij bieden voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei", inclusief de doelstellingen met betrekking tot groei, werkgelegenheid en de sociale economie. Waar nodig moeten de door de Europese statistieken bestreken gebieden worden aangepast.

(7)  Voor het waarborgen van de professionele onafhankelijkheid van de statistische instanties en van kwalitatief hoogwaardige statistieken is het bovendien noodzakelijk dat de middelen die op een jaarlijkse of meerjarige basis worden toegewezen om te voldoen aan de statistische behoeften, toereikend zijn.

(8)  Daartoe moet de professionele onafhankelijkheid van de statistische instanties worden versterkt, moeten minimumnormen worden gewaarborgd die in de hele Europese Unie van toepassing zijn, en moeten aan de hoofden van de nationale instituten voor de statistiek (NSI's) ▌specifieke garanties ▌worden geboden met betrekking tot de uitvoering van statistische taken, het organisatorisch management en de toewijzing van middelen. De procedures voor de aanwerving van de hoofden van de NSI's moeten transparant en uitsluitend op professionele criteria gebaseerd zijn, onder strikte inachtneming van de gelijke kansen en in het bijzonder van het genderevenwicht. Te dien einde moeten de nationale parlementen eveneens een volwaardige rol vervullen en waar dienstig en in overeenstemming met hun nationale wetgeving de onafhankelijke positie van producenten van statistieken versterken en de democratische controleerbaarheid van het gevoerde statistische beleid vergroten.

(8 bis)  De geloofwaardigheid van Europese statistieken staat of valt weliswaar met het niveau van de professionele onafhankelijkheid van de statistici, maar anderzijds moeten de Europese statistieken ook inspelen op de beleidsbehoeften en statistische ondersteuning bieden voor nieuwe beleidsinitiatieven op nationaal en op Unieniveau.

(8 ter)  De onafhankelijke positie van Eurostat moet worden geconsolideerd en gewaarborgd door middel van effectieve parlementaire controle en toezicht.

(9)  Bovendien moet de reeds aan de NSI's toegewezen coördinerende rol ten aanzien van door het ESS geproduceerde Europese statistieken worden verduidelijkt met het oog op een effectievere coördinatie op nationaal niveau van de statistische activiteiten binnen het ESS, ook op het stuk van kwaliteitsbeheer, waarbij de statistische taken die worden uitgevoerd door het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) terdege in aanmerking moeten worden genomen. De voortdurende coördinatie en samenwerking tussen de NSI's en Eurostat maakt ook een belangrijk onderdeel uit van een efficiënte coördinatie van de statistische activiteiten binnen het ESS. De aparte institutionele positie van het ESCB en de onafhankelijkheid van de centrale banken moeten in het kader van de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken in het kader van de respectieve governancestructuur en de statistische werkprogramma's van het ESS en het ESCB worden gerespecteerd.

(10)  Om de lasten voor statistische instanties en de respondenten te verminderen, moeten de NSI's en andere nationale instanties snel en kosteloos toegang hebben tot en gebruik kunnen maken van administratieve bestanden, ook die welke langs elektronische weg worden opgeslagen, en moeten zij deze bestanden kunnen integreren in statistieken.

(10 bis)  Om ervoor te zorgen dat het beleid en de financieringsinitiatieven van de Unie volledig recht doen aan de ontwikkelingen in de Unie, in het bijzonder met betrekking tot de gevolgen van de economische crisis, moeten de Europese statistieken gemakkelijk te vergelijken en eenvoudig toegankelijk zijn en moeten zij tijdig en regelmatig worden bijgewerkt.

(11)  De NSI's moeten verder in een vroeg stadium worden geraadpleegd over het ontwerp van nieuwe administratieve bestanden waaruit gegevens kunnen worden geput voor statistische doeleinden en over geplande wijzigingen in of de buitengebruikstelling van bestaande administratieve bronnen. Zij moeten van de eigenaren van administratieve gegevens ook relevante metagegevens ontvangen en normalisatiewerkzaamheden coördineren betreffende administratieve bestanden die relevant zijn voor de productie van statistische gegevens.

(12)  De vertrouwelijkheid van gegevens uit administratieve bestanden moet worden beschermd overeenkomstig de gemeenschappelijke beginselen en richtsnoeren die van toepassing zijn op alle vertrouwelijke gegevens die worden gebruikt voor de productie van Europese statistieken. Tevens moeten kaders worden geschapen voor de beoordeling van de kwaliteit en transparantie van die gegevens en deze moeten openbaar worden gemaakt.

(12 bis)  Alle gebruikers moeten toegang hebben tot dezelfde gegevens op dezelfde tijd en embargo's moeten nauwlettend worden nageleefd. De NSI's moeten bindende data vaststellen voor de publicatie van periodieke gegevens.

(13)  De kwaliteit van de Europese statistieken kan worden verbeterd en het vertrouwen van de gebruikers kan worden vergroot door de nationale overheden mede verantwoordelijk te maken voor de strikte toepassing van de Praktijkcode Europese statistieken (hierna de Praktijkcode). Daartoe moet in elke lidstaat een verbintenis aangaande vertrouwen in de statistiek ("verbintenis") worden ingevoerd, die recht doet aan de specifieke nationale kenmerken en specifieke verbintenissen van de regering dient te bevatten om de in de Praktijkcode neergelegde statistische beginselen toe te passen. Deze verbintenis zou tevens kunnen voorzien in nationale programma's ter waarborging van een hoge kwaliteit, met inbegrip van zelfevaluaties, verbeteracties en toezichtmechanismen.

(13 bis)  De website van de Commissie (Eurostat) moet eenvoudige toegang bieden tot volledige, gebruikersvriendelijke gegevensreeksen. Indien mogelijk moeten periodieke updates worden uitgebracht met daarin informatie per jaar en per maand over alle lidstaten.

(14)  Daar de productie van Europese statistieken met het oog op een hoge mate van onafhankelijkheid moet zijn gebaseerd op een operationele en financiële planning op lange termijn, moet het Europees statistisch programma dezelfde periode bestrijken als het meerjarig financieel kader.

(15)  Bij Verordening (EG) nr. 223/2009 zijn de Commissie bevoegdheden verleend om een aantal bepalingen van die verordening uit te voeren overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad(7). Als gevolg van de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(8) tot intrekking van Besluit 1999/468/EG moeten de aan de Commissie verleende bevoegdheden ▌worden aangepast aan dat nieuwe rechtskader en die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011. De Commissie dient ervoor te zorgen dat de uitvoeringshandelingen voor de lidstaten of de respondenten geen aanzienlijke extra administratieve lasten opleveren.

(19)  Daar de doelstelling van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang en de gevolgen beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(20)  Het Comité voor het Europees statistisch systeem is geraadpleegd.

(20 bis)  Verordening (EG) nr. 223/2009 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 223/2009

Verordening (EG) nr. 223/2009 wordt als volgt gewijzigd:

(1)  In artikel 2, lid 1, wordt punt a) vervangen door:"

"a) "professionele onafhankelijkheid": de ontwikkeling, productie en verspreiding van statistieken moeten op onafhankelijke wijze geschieden, met name ten aanzien van de keuze van de te gebruiken technieken, definities, methoden en bronnen en het tijdstip en de inhoud van alle vormen van verspreiding, en wel zo dat deze taken worden uitgevoerd zonder inmenging van politieke of andere belangengroepen of van Unie- of nationale instanties;";

"

(2)  In artikel 5 wordt lid 1 vervangen door:"

"1. Elke lidstaat wijst een nationale instantie voor de statistiek aan als het orgaan dat verantwoordelijk is voor de coördinatie van alle activiteiten ▌in verband met de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken op het nationale niveau krachtens deze verordening (de NSI) en dat in dat verband als enig aanspreekpunt voor de Commissie (Eurostat) fungeert voor statistische aangelegenheden.

De coördinerende taak van de NSI heeft betrekking op alle andere nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling, de productie en de verspreiding van in het kader van deze verordening door alle overige nationale instanties die deelnemen aan het ESS geproduceerde Europese statistieken. De NSI is met name op nationaal niveau verantwoordelijk voor de coördinatie van de statistische programmering en verslaggeving, de kwaliteitscontrole, duidelijke methoden, de datatransmissie en de communicatie over statistische acties van het ESS. De NSI en de betrokken nationale centrale bank (NCB), die als lid van het ESCB betrokken is bij de uitvoering van de statistische werkprogramma's van het ESCB, moeten samenwerken aan kwesties betreffende de Europese statistiek die zowel het ESS als het ESCB aangaan, met het oog op de productie van volledige en coherente Europese statistieken via het ESS en het ESCB op hun respectieve bevoegdheidsgebieden.";

"

(3)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 5 bis

Hoofden van de NSI's en hoofden van de statistische diensten van andere nationale autoriteiten

1.  Binnen hun nationaal statistisch systeem waarborgen de lidstaten de professionele onafhankelijkheid van de ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor de in deze verordeningvervatte taken. ▌

2.  Met het oog daarop dienen de hoofden van NSI's:

   a) als enigen beslissingsbevoegdheid te hebben over processen, statistische methoden, normen en procedures en over de inhoud en het tijdstip van statistische berichten en publicaties voor alle door de NSI ontwikkelde, geproduceerde en verspreide Europese statistieken;
   b) bevoegd te zijn om te beslissen over alle kwesties met betrekking tot het interne beheer van de NSI;
   c) onafhankelijk op te treden bij de uitvoering van hun statistische taken en geen instructies van overheids- of niet-overheidsinstellingen, -organen, -bureaus of -entiteiten te vragen noch te aanvaarden;
   d) verantwoordelijk te zijn voor de statistische activiteiten en de uitvoering van de begroting van de NSI;
   e) een jaarverslag te publiceren en in voorkomend geval commentaar te leveren op aangelegenheden met betrekking tot de toewijzing van budgetten voor de statistische activiteiten van het NSI;
   f) de statistische activiteiten te coördineren van alle nationale instanties die bijdragen aan de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken als bedoeld in artikel 5;
   g) waar nodig ter waarborging van de kwaliteit nationale richtsnoeren op te stellen voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van alle Europese statistieken binnen hun nationaal statistisch systeem, en toe te zien op de naleving van die richtsnoeren binnen de NSI; en tevens
   h) binnen het ESS hun nationaal statistisch systeem te vertegenwoordigen.

3.  De lidstaten zien erop toe dat de overige nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken hun taken uitvoeren conform de door het hoofd van de NSI opgestelde nationale richtsnoeren.

4.  De procedures voor de aanwerving, de overplaatsing en het ontslag van hoofden van NSI's en – waar van toepassing – hoofden van de statistische diensten van andere nationale autoriteiten voor de productie van Europese statistieken zijn transparant en uitsluitend gebaseerd op professionele criteria, en niet op politieke gronden. Bij de procedures wordt het beginsel van gelijke kansen geëerbiedigd, met name wat betreft de gelijkheid der seksen. Voor het ontslag van hoofden van NSI's worden uitvoerige redenen gegeven. Deze procedures worden openbaar gemaakt.

4bis.  De lidstaten kunnen een nationale instantie oprichten voor het toezicht op de professionele onafhankelijkheid van de producenten van Europese statistieken in de respectieve lidstaat. De hoofden van de NSI's en, in voorkomend geval, de hoofden van de statistische diensten van de andere nationale autoriteiten voor de productie van Europese statistieken kunnen bij dergelijke instanties advies inwinnen. De procedures voor de aanwerving, de overplaatsing en het ontslag van hoofden van dergelijke instanties zijn transparant en uitsluitend gebaseerd op professionele criteria, en niet op politieke gronden.";

"

(4)  In artikel 6 worden de leden 2 en 3 vervangen door:"

"2. De Commissie (Eurostat) draagt er op het niveau van de Unie op onafhankelijke wijze zorg voor dat Europese statistieken volgens de vastgestelde regels en statistische beginselen en via samenwerking en coördinatie met de NSI's worden geproduceerd. ▌

3.  Onverminderd artikel 5 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna: "statuten van het ESCB"), coördineert de Commissie (Eurostat) de statistische activiteiten van de instellingen en organen van de Unie, met name met het oog op de samenhang en kwaliteit van de gegevens en het zo gering mogelijk houden van de enquêtedruk. De Commissie (Eurostat) kan daartoe een instelling of orgaan van de Unie verzoeken haar te raadplegen of met haar samen te werken bij de ontwikkeling van methoden en systemen voor statistische doeleinden op het gebied waarop zij of het bevoegd is. Een dergelijke instelling of orgaan die voorstellen om statistieken te produceren, raadplegen de Commissie (Eurostat) en houden rekening met eventuele aanbevelingen die deze in dit verband doet.";

"

(4 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 6 bis

Directeur-generaal van de Commissie (Eurostat)

1.  Het bureau voor de statistiek van de Commissie (Eurostat) wordt geleid door een directeur-generaal. De directeur-generaal wordt benoemd door de Commissie, voor een ambtstermijn van zeven jaar die niet kan worden verlengd, overeenkomstig de in lid 2 omschreven procedure.

2.  De Commissie maakt uiterlijk zes maanden vóór het einde van de ambtstermijn van de in functie zijnde directeur-generaal een oproep tot kandidaatstelling bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. Bij de procedure voor de aanwerving, de overplaatsing en het ontslag van de directeur-generaal wordt het beginsel van gelijke kansen geëerbiedigd, met name wat betreft de gelijkheid der seksen, en deze procedure is transparant en uitsluitend gebaseerd op professionele criteria, en niet op politieke gronden. De Commissie benoemt de directeur-generaal na raadpleging van het Europees Parlement en de Raad.

3.  De directeur-generaal heeft als enige beslissingsbevoegdheid over processen, statistische methoden, normen en procedures en over de inhoud en het tijdstip van statistische berichten en publicaties voor alle door de Commissie (Eurostat) geproduceerde statistieken. De directeur-generaal beslist over alle kwesties met betrekking tot het interne beheer van de Commissie (Eurostat). Bij de uitvoering van deze taken stelt de directeur-generaal zich onafhankelijk op en vraagt noch aanvaardt instructies van overheids- of niet-overheidsinstellingen, ‑organen, ‑bureaus of ‑agentschappen. Indien de directeur-generaal meent dat vanwege een door de Commissie getroffen maatregel zijn of haar onafhankelijkheid in het gedrang komt, stelt hij of zij het Europees Parlement daarvan onmiddellijk op de hoogte.

4.  De directeur-generaal is verantwoordelijk voor de statistische werkzaamheden en de uitvoering van de begroting van de Commissie (Eurostat). Hij of zij verschijnt jaarlijks in het kader van de statistische dialoog voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement om kwesties betreffende statistische governance, methodologie en statistische innovatie te bespreken en om kwesties in verband met de toewijzing van budgetten voor de statistische activiteiten van de Commissie (Eurostat) toe te lichten.

5.  Voordat de Commissie een tuchtmaatregel tegen de directeur-generaal neemt, raadpleegt zij het Europees Parlement. Over tuchtmaatregelen tegen de directeur-generaal neemt de Commissie een met redenen omkleed besluit dat zij, ter informatie, aan het Europees Parlement, de Raad en de Europese Adviescommissie voor statistische governance doet toekomen.";

"

(5)  Aan artikel 11 worden de volgende leden toegevoegd:"

"3. De lidstaten en de Commissie nemen alle maatregelen die nodig zijn met het oog op de toepassing van de in artikel 2, lid 1, van deze verordening bedoelde statistische beginselen met het oog op het behoud van het vertrouwen in de Europese statistieken. De details van deze beginselen worden vastgesteld in de Praktijkcode.

3bis.  De "verbintenissen aangaande vertrouwen in de statistiek" (hierna "de verbintenis") zullen ertoe strekken om het publieke vertrouwen in de Europese statistiek te en vooruitgang aangaande de tenuitvoerlegging van de in de Praktijkcode neergelegde statistische beginselen zeker te stellen door de lidstaten en de Commissie te betrekken bij het opstellen van, met passende middelen, specifieke toezeggingen wat betreft beleid die gaan in de richting van een totaal vertrouwen in statistieken, en deze, met inbegrip van een publiekssamenvatting, bekend te maken via hun websites.

3ter.  De verbintenissen worden door de Commissie regelmatig gecontroleerd op basis van jaarlijkse verslagen van de lidstaten.

Indien een lidstaat uiterlijk op ...(9) nog geen verbintenis heeft gepubliceerd, legt de desbetreffende lidstaat aan de Commissie een voortgangsverslag over de tenuitvoerlegging van de Praktijkcode voor en maakt dit openbaar, en doet in voorkomend geval ook mededeling van de stappen die hij heeft ondernomen met het oog op het aangaan van een dergelijke verbintenis.

Uiterlijk op ....(10)* brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de gepubliceerde verbintenissen en, in voorkomend geval, over de voortgangsverslagen.

3quater.  De toezegging van de zijde van de Commissie (Eurostat) worden regelmatige gecontroleerd door de Europese Adviescommissie voor statistische governance (ESGAB) op basis van een jaarlijks door de Commissie toe te zenden verslag. De ESGAB brengt uiterlijk op ...(11) aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de nakoming van deze verbintenissen.”

"

(6)  Artikel 12 wordt hierbij als volgt gewijzigd:

a)  de leden 2 en 3 worden vervangen door"

"2. Specifieke kwaliteitsvereisten, zoals streefwaarden en minimumnormen voor de productie van statistieken, kunnen eveneens in de sectorwetgeving worden vastgelegd.

Om de uniforme toepassing van de kwaliteitscriteria van lid 1 van dit artikel op de gegevens die onder de sectorwetgeving voor specifieke statistische gebieden vallen te waarborgen, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast houdende de regelingen voor en de structuur en de frequentie van de kwaliteitsverslagen die op grond van de sectorwetgeving moeten worden opgesteld. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure van artikel 27, lid 2.

3.  De lidstaten verstrekken de Commissie (Eurostat) verslagen over de kwaliteit van de toegezonden gegevens, met inbegrip van eventuele bedenkingen die zij hebben ten aanzien van de juistheid van de gegevens. De Commissie beoordeelt aan de hand van adequate analyses de kwaliteit van de ingediende gegevens, en formuleert en publiceert verslagen en mededelingen over de kwaliteit van de Europese statistieken.";

"

b)  de volgende leden worden toegevoegd:"

"3 bis. In voorkomend geval maakt de Commissie (Eurostat) ter wille van de transparantie haar oordeel bekend omtrent de kwaliteit van de nationale bijdragen aan de Europese statistieken.

3ter.  Wanneer de sectorwetgeving voorziet in boetes indien lidstaten statistische gegevens onjuist weergeven, kan de Commissie, conform de Verdragen en die sectorwetgeving, wanneer daaraan behoefte bestaat onderzoeken op gang brengen en uitvoeren, in voorkomend geval ook in de vorm van inspecties ter plaatse om vast te stellen of die onjuiste weergave ernstig en doelbewust of aan grove nalatigheid te wijten was. De Commissie kan eisen dat de lidstaat waartegen een onderzoek loopt, relevante informatie verstrekt.

3quater.  Wanneer de Commissie van oordeel is dat een lidstaat met betrekking tot de weergave van statistische gegevens niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van deze verordening of krachtens de toepasselijke sectorwetgeving, handelt zij overeenkomstig artikel 258 van het Verdrag.";

"

(7)  In artikel 13 wordt lid 1 vervangen door:"

"1. Het Europees statistisch programma legt het kader voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken, de voornaamste gebieden en de doelstellingen van de voorgenomen acties vast voor een periode die overeenkomt met die van het meerjarig financieel kader. Het wordt door het Europees Parlement en de Raad vastgesteld. Het effect en de kosteneffectiviteit ervan worden beoordeeld met medewerking van onafhankelijke deskundigen.";

"

(7 bis)  In artikel 14 wordt lid 2 vervangen door:"

"2. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen besluiten tot een tijdelijke directe statistische actie op voorwaarde dat:

   a) de actie niet voorziet in het verzamelen van gegevens die zich uitstrekken tot meer dan drie referentiejaren;
   b) de te verzamelen gegevens al bij de verantwoordelijke NSI en andere nationale instanties beschikbaar of toegankelijk zijn of direct kunnen worden verkregen en er steekproeven worden gebruikt die zich lenen voor het waarnemen van de statistische populatie op uniaal niveau middels adequate coördinatie met de NSI's en andere nationale instanties; en tevens
   c) de Unie aan de NSI's en andere nationale instanties financiële bijdragen levert ter dekking van de door hen te dragen meerkosten, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(12).

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure van artikel 27, lid 2.";

"

(7 ter)  Artikel 17 wordt vervangen door:"

"Artikel 17

Jaarlijks werkprogramma

De Commissie legt vóór 30 april haar jaarlijkse werkprogramma voor het volgende jaar aan het ESS-comité voor.

Bij de voorbereiding van het werkprogramma zorgt de Commissie voor adequate prioritering, met inbegrip van de evaluatie van en verslaglegging over statistische prioriteiten en de toewijzing van financiële middelen. De Commissie houdt zo veel mogelijk rekening met de opmerkingen van het ESS-comité. Haar werkprogramma's zijn gebaseerd op het Europees Statistisch Programma en bevatten met name:

   a) de acties die volgens de Commissie van prioritair belang zijn, rekening houdend met de beleidsbehoeften van de Unie, de nationale en uniale financiële beperkingen, en de enquêtedruk;
   b) initiatieven met betrekking tot de herziening van prioriteiten, inclusief negatieve prioriteiten, en de vermindering van de druk op zowel dataleveranciers als producenten van statistieken; en tevens
   c) de procedures en eventuele wetgevingsinstrumenten waarvan de Commissie voor de uitvoering van het werkprogramma gebruik denkt te maken.";

"

(8)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 17 bis

Toegang, gebruik en integratie van administratieve bestanden

1.  Om de enquêtedruk te verminderen, hebben de NSI's, de andere nationale instanties bedoeld in artikel 4 en de Commissie (Eurostat) het recht op snelle en kosteloze toegang tot en gebruik van alle administratieve bestanden en op de integratie van die administratieve bestanden in statistieken, voor zover dit noodzakelijk is voor de ontwikkeling, de productie en de verspreiding van in het kader van deze verordening geproduceerde Europese statistieken.

2.  De NSI's en de Commissie (Eurostat) worden geraadpleegd over en nemen deel aan het oorspronkelijke ontwerp, de daaropvolgende ontwikkeling en de beëindiging van administratieve bestanden die zijn opgezet en in stand worden gehouden door andere organen, waardoor het latere gebruik van deze gegevens voor de productie van Europese statistieken wordt vergemakkelijkt. Zij worden uitgenodigd om deel te nemen aan de normalisatiewerkzaamheden betreffende voor de productie van Europese statistieken relevante administratieve bestanden ▌.

3.  Onverminderd het bepaalde in de statuten van het ESCB en de onafhankelijke positie van de centrale banken, blijven de toegang voor en de deelname van de NSI's, van andere nationale instanties en van de Commissie (Eurostat) overeenkomstig de leden 1 en 2 beperkt tot administratieve bestanden binnen hun respectieve bestuursstelsels.

4.  De door hun eigenaren aan de NSI's, andere nationale autoriteiten en de Commissie (Eurostat) beschikbaar gestelde administratieve bestanden die dienen om te worden gebruikt voor de productie van Europese statistieken gaan vergezeld van relevante metagegevens.

5.  De NSI's en de eigenaren van administratieve bestanden voorzien in de nodige samenwerkingsmechanismen.";

"

(8 bis)  In artikel 20, lid 4, wordt de tweede alinea vervangen door:"

"De NSI's, andere nationale autoriteiten en de Commissie (Eurostat) treffen alle nodige maatregelen met het oog op de harmonisatie van de beginselen en richtsnoeren betreffende de fysieke en logische bescherming van vertrouwelijke gegevens. De Commissie draagt door middel van uitvoeringshandelingen zorg voor de benodigde harmonisatie. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure van artikel 27, lid 2.";

"

(9)  Artikel 23, tweede alinea, wordt vervangen door:"

"De regelingen, voorschriften en voorwaarden voor toegang op het niveau van de Unie worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure van artikel 27, lid 2."

"

(10)  Artikel 24 wordt geschrapt.

(10 bis)  Artikel 26 wordt vervangen door:"

"Artikel 26

Schending van de statistische geheimhouding

De lidstaten en de Commissie treffen passende maatregelen om schending van de statistische geheimhouding te voorkomen en te bestraffen. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.";

"

(12)  Artikel 27 wordt vervangen door:"

"Artikel 27

Comité

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor het Europees statistisch systeem. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad*.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

____________________

* Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren."

"

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 374 van 4.12.2012, blz. 2.
(2) PB C 374 van 4.12.2012, blz. 2.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 21 november 2013.
(4)Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).
(5)Verordening (EU) nr. 1175/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 12).
(6) Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone (PB L 140 van 27.5.2013, blz. 11).
(7) Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23).
(8) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(9) Drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de verordening (2012/0084(COD)).
(10)* Drie jaar en zes maanden na de datum van inwerkingtreding van de verordening (2012/0084(COD)).
(11) Drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de verordening (2012/0084(COD)).
(12) Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).


Programma voor sociale verandering en innovatie ***I
PDF 200kWORD 67k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie (COM(2011)0609 – C7-0318/2011 – 2011/0270(COD))
P7_TA(2013)0506A7-0241/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0609),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 46, onder d), artikel 149, artikel 153, lid 2, onder a), en artikel 175, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0318/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 februari 2012(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 3 mei 2012(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 10 juli 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0241/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 november 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie ("EaSI") en tot wijziging van Besluit nr. 283/2010/EU tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting

P7_TC1-COD(2011)0270


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1296/2013.)

(1) PB C 143 van 22.5.2012, blz. 88.
(2) PB C 225 van 27.7.2012, blz. 167.


Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) ***I
PDF 87kWORD 52k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) (COM(2011)0874 – C7-0498/2011 – 2011/0428(COD))
P7_TA(2013)0507A7-0294/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2011)0874),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7- 0498/2011),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 april 2012(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 19 juli 2012(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 17 juli 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0294/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 november 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 614/2007

P7_TC1-COD(2011)0428


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1293/2013.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARINGEN VAN DE COMMISSIE

Maximumbedrag dat aan een individueel geïntegreerd project kan worden toegekend

De Commissie hecht veel belang aan het waarborgen van een evenredige verdeling van middelen over de geïntegreerde projecten, zodat zoveel mogelijk geïntegreerde projecten kunnen worden gefinancierd en een evenwichtige verdeling van de geïntegreerde projecten over alle lidstaten kan worden gewaarborgd. In dit verband zal de Commissie bij de bespreking van het ontwerp-werkprogramma met de leden van het LIFE-comité een maximumbedrag voorstellen dat aan een individueel geïntegreerd project kan worden toegekend. Dit voorstel zal worden ingediend als onderdeel van de methode voor de selectie van de projecten die moet worden goedgekeurd als onderdeel van het meerjarig werkprogramma.

Status van de financiering van de biodiversiteit in de LGO's

De Commissie hecht veel belang aan de bescherming van het milieu en de biodiversiteit in de landen en gebieden overzee, zoals blijkt uit het voorstel voor een besluit betreffende de associatie van de LGO's, dat deze sectoren vermeldt als gebieden waarop de EU en de LGO's samenwerken, en de verschillende acties schetst die daarbij in aanmerking kunnen komen voor financiering door de Europese Unie.

De voorbereidende actie BEST is een succesvol initiatief gebleken dat de landen en gebieden overzee hebben verwelkomd en dat inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten tastbare resultaten heeft opgeleverd. Nu BEST op zijn einde loopt, staat de Commissie gunstig tegenover de mogelijkheid om daaraan een vervolg te geven via één van de nieuwe instrumenten, namelijk het programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen in het kader van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking.

Deze specifieke mogelijkheid voor de financiering van de biodiversiteit in de LGO's zal worden aangevuld met de mogelijkheden die worden geboden door artikel 6 van het LIFE-programma voor de periode 2014-2020.

(1) PB C 191 van 29.6.2012, blz. 111.
(2) PB C 277 van 13.09.12, blz. 61.


Actieprogramma voor belastingen ***I
PDF 199kWORD 34k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over het gewijzigde voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een actieprogramma voor belastingen in de Europese Unie voor de periode 2014-2020 (Fiscalis 2020) en tot intrekking van Beschikking nr. 1482/2007/EG (COM(2012)0465 – C7-0242/2012 – 2011/0341B(COD))
P7_TA(2013)0508A7-0399/2012

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0465),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 114, 197 en 212 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0242/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 28 mei 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 februari 2012(1),

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A7-0399/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 november 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een actieprogramma ter verbetering van het functioneren van de belastingstelsels in de Europese Unie voor de periode 2014-2020 (Fiscalis 2020) en tot intrekking van Beschikking nr. 1482/2007/EG

P7_TC1-COD(2011)0341B


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1286/2013.)

(1) PB C 143 van 22.5.2012, blz. 48.


Actieprogramma voor douane ***I
PDF 218kWORD 45k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over het gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een actieprogramma voor douane in de Europese Unie voor de periode 2014-2020 (Douane 2020) en tot intrekking van Beschikking nr. 624/2007/EG (COM(2012)0464 – C7-0241/2012 – 2011/0341A(COD))
P7_TA(2013)0509A7-0026/2013

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0706 en het gewijzigde voorstel (COM(2012)0464),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 33 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0241/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 17 juli 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Begrotingscommissie (A7-0026/2013),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de verklaring die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 november 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een actieprogramma voor douane in de Europese Unie voor de periode 2014-2020 (Douane 2020) en tot intrekking van Beschikking nr. 624/2007/EG

P7_TC1-COD(2011)0341A


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1294/2013.)

Bijlage bij de wetgevingsresolutie

VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Een doeltreffende, efficiënte, moderne en geharmoniseerde aanpak van douanecontroles aan de buitengrens van de Unie is van essentieel belang om:

—  de financiële belangen van de Unie en haar lidstaten te beschermen,

—  illegale handel te bestrijden en tegelijkertijd versoepeling voor de legale handel mogelijk te maken,

—  de veiligheid en beveiliging van de Unie en haar inwoners, alsmede de bescherming van het milieu te waarborgen,

—  intellectuele-eigendomsrechten te beschermen, en

—  toe te zien op de naleving van de gemeenschappelijke handelspolitiek.

Om die controles uit te voeren, moeten de douanediensten over de passende hulpmiddelen beschikken, zoals detectieapparatuur en technologie. Dat deze hulpmiddelen nodig zijn, blijkt onder meer uit de dreigingsevaluatie van de georganiseerde criminaliteit voor 2011 van Europol, waarin staat dat de economische gevolgen van sigarettensmokkel jaarlijks een verlies van ongeveer tien miljard euro voor de begrotingen van de lidstaten en de Unie inhouden.

De verschillende instrumenten van het meerjarig financieel kader die beschikbaar zijn voor de medefinanciering van de aanschaf van deze hulpmiddelen, worden momenteel niet maximaal benut. Met het oog op de doelmatige toewijzing van financieringsmiddelen verzoekt het Europees Parlement de Commissie uiterlijk medio 2018 een rapport voor te leggen over de verstrekking van de financiële middelen waarmee de nodige hulpmiddelen voor douanecontroles op het in artikel 3, lid 1, onder a), van het VWEU bedoelde gebied kunnen worden aangeschaft, met inbegrip van de mogelijkheid om deze middelen uit één fonds toe te wijzen.


Verzekerings- en herverzekeringsbedrijf (wijziging van Solvabiliteit II) ***I
PDF 196kWORD 35k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/138/EG betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) wat de data van omzetting, toepassing en intrekking van bepaalde richtlijnen betreft (COM(2013)0680 – C7-0315/2013 – 2013/0327(COD))
P7_TA(2013)0510A7-0352/2013

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0680),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 53, lid 1, en 62 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0315/2013),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A7‑0352/2013),

A.  overwegende dat het om redenen van urgentie gerechtvaardigd is om tot stemming over te gaan vóór het verstrijken van de in artikel 6 van het Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bedoelde termijn van acht weken;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 november 2013 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2013/.../EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/138/EG (Solvabiliteit II) wat betreft de datum van omzetting en de datum van toepassing daarvan en de datum van intrekking van bepaalde richtlijnen (Solvabiliteit I)

P7_TC1-COD(2013)0327


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn 2013/58/EU.)


Stand van zaken van de Doha-ontwikkelingsagenda
PDF 134kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over de stand van zaken van de Doha-ontwikkelingsagenda en de voorbereidingen voor de negende Ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (2013/2740(RSP))
P7_TA(2013)0511B7-0494/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de ministeriële verklaring van Doha van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) van 14 november 2001,

–  gezien de ministeriële verklaring van Hongkong van de WTO van 18 december 2005,

–  gezien zijn resolutie van 4 april 2006 over de evaluatie van de Doha-ronde na de Ministeriële Conferentie van de WTO in Hongkong(1),

–  gezien zijn resolutie van 24 april 2008 over een routekaart voor hervorming van de Wereldhandelsorganisatie(2),

–  gezien zijn eerdere resoluties over de ontwikkelingsagenda van Doha, met name die van 9 oktober 2008(3), 16 december 2009(4) en 14 september 2011(5),

–  gezien de verklaring die op 29 mei 2013 is aangenomen tijdens de 28e zitting van de stuurgroep van de parlementaire conferentie van de WTO,

–  gezien de verklaringen die zijn afgelegd op de informele bijeenkomsten van het Trade Negotiations Committee (TNC) op 11 april en 3 juni 2013 en op de informele TNC-bijeenkomst op 22 juli 2013,

–  gezien de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling van de Verenigde Naties,

–  gezien de vierde mondiale evaluatie van Aid for Trade ("hulp voor handel"), die plaatsvond van 8 t/m 10 juli 2013,

–  gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Doha-ronde in 2001 werd gestart met het doel nieuwe kansen voor de handel te creëren, de multilaterale handelsregels te versterken en de onevenwichtigheden van het handelssysteem aan te pakken door de behoeften en belangen van de ontwikkelingslanden, met name de minst ontwikkelde landen, centraal te stellen in de onderhandelingen; dat deze doelstellingen voortkomen uit de overtuiging dat een multilateraal systeem, gebaseerd op eerlijkere en billijkere regels, kan bijdragen tot een eerlijke en vrije handel ten dienste van de ontwikkeling van alle continenten en de vermindering van armoede;

B.  overwegende dat de EU altijd op consistente wijze gepleit heeft voor een sterke, op multilaterale regels gebaseerde benadering van handel, waarbij wel altijd werd erkend dat aanvullende benaderingen zoals bilaterale, regionale en multilaterale overeenkomsten ertoe kunnen bijdragen dat markten worden ontsloten, met name door liberalisering te bewerkstelligen en de regels en disciplines aan te scherpen in beleidssectoren die minder uitgebreid aan bod komen in de WTO, en dat het multilaterale systeem wordt ondersteund, mits dergelijke overeenkomsten in overeenstemming zijn met de WTO;

C.  overwegende dat de WTO en de regels die zijn verankerd in de in WTO-verband gesloten overeenkomsten van essentieel belang geweest zijn om verstrekkend en wijdverbreid protectionisme tegen te gaan in reactie op de ernstigste financiële en economische crisis sinds de jaren '30 van de vorige eeuw;

D.  overwegende dat open en eerlijke multilaterale handel sterker wordt gehinderd door verschillende niet-tarifaire belemmeringen dan door douanerechten, waarvan steeds vaker wordt afgezien ten gevolge van de globalisering;

E.  overwegende dat de Ministeriële Conferentie van de WTO ter afronding van de Doha-ronde eind juli 2008 is vastgelopen;

F.  overwegende dat er in de afgelopen jaren verschillende pogingen zijn ondernomen en initiatieven zijn ontplooid om de vastgelopen Doha-ontwikkelingsagenda weer uit het slop te halen;

G.  overwegende dat de negende Ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie van 3 t/m 6 december 2013 in Indonesië zal plaatsvinden;

1.  achter de blijvende waarde van het multilateralisme, maar pleit voor een structurele hervorming van de WTO, die noodzakelijk is om betere waarborgen te bieden voor een op gemeenschappelijke regels gebaseerd, eerlijk en niet-discriminerend handelssysteem, dat meer rekening houdt met de rol en de belangen van de kmo's;

2.  benadrukt het systemische belang van een voor alle WTO-leden aanvaardbaar, ambitieus en evenwichtig resultaat van de negende Ministeriële Conferentie, waarmee de weg kan worden gebaand voor verdere multilaterale onderhandelingen;

3.  verzoekt om een handelsagenda die gebaseerd is op vrije en eerlijke handel die allen ten goede komt en waarin ontwikkeling centraal staat; benadrukt dat er in de onderhandelingen volledig rekening moet worden gehouden met de speciale behoeften en belangen van de ontwikkelingslanden met lage inkomsten en van de minst ontwikkelde landen (MOL's); herhaalt nogmaals dat het beginsel van speciale en gedifferentieerde behandeling (SD&T) een integraal bestanddeel vormt in alle onderhandelingsstadia en dat het de uiteenlopende ontwikkelingsniveaus van WTO-leden als bedoeld in paragraaf 44 van de ministeriële verklaring van Doha weerspiegelt; is van mening dat zinvolle S&DT-bepalingen nauwkeuriger moeten worden geformuleerd, periodiek moeten worden herzien en gericht moeten zijn;

4.  is van mening dat handelsliberalisering een belangrijk instrument is om te zorgen voor duurzame economische groei en ontwikkeling, maar dat die liberalisering gepaard moet gaan met het juiste flankerend beleid, waaronder macro- en micro-economische interventies, begrotingstransparantie, belastingmaatregelen, fiscale rechtvaardigheid, administratieve vereenvoudiging, onderwijs en opleiding, institutionele hervormingen en sociaal beleid, om de voordelen van handelshervormingen te maximaliseren en beter te spreiden en om negatieve gevolgen op effectieve wijze te compenseren;

5.  benadrukt dat de WTO-leden erkend hebben dat het multilaterale handelssysteem vergezeld moet gaan van verbeteringen van de handelscapaciteit wat een essentieel onderdeel is van de ontwikkelingsagenda van Doha, aangezien er nog altijd landen zijn die niet beschikken over het menselijk potentieel en de institutionele en infrastructurele capaciteit om op effectieve wijze deel te nemen aan de internationale handel; is echter ook van mening dat steun aan landen die graag tot de WTO willen toetreden een prioriteit moet blijven;

6.  benadrukt in dit verband de succesvolle rol die het Aid for Trade-initiatief heeft gespeeld; betreurt het dat in 2011 voor de eerste keer sinds de start in 2005 het bedrag aan vastleggingen werd verlaagd vanwege de financiële crisis, wat geleid heeft tot minder steun voor grote projecten op het gebied van economische infrastructuur en terugloop van de vastleggingen voor de vervoers- en energiesector; wijst erop dat technische steun op het gebied van handel en multilaterale initiatieven zoals de preferentiële tariefbehandeling in het kader van de WTO deze verminderde vastleggingen kunnen compenseren; verzoekt de WTO-leden en met name de ontwikkelde landen en de opkomende economieën om meer gebruik te maken van deze mogelijkheid;

7.  acht het absoluut noodzakelijk dat de WTO wordt hervormd om rekening te houden met de vereisten van de kmo's in de internationale handel en de behoefte aan vereenvoudigde regels zowel op het vlak van de handelsfacilitering als in de stelsels van internationale arbitragehoven, om problemen die kunnen voortvloeien uit een geschil met de douane- of handelsinstanties in bepaalde WTO-lidstaten te voorkomen;

8.  vestigt de aandacht op de vierde Aid for Trade-evaluatieconferentie die in juli 2013 is gehouden in Genève, waar de voordelen werden getoond die mondiale waardeketens voor ontwikkelingslanden opleveren; wijst er echter op dat de deelnemers de handelsgerelateerde beperkende factoren inventariseerden die ontwikkelingslanden beletten aan te sluiten op waardeketens of deze op te waarderen, zoals ontoereikende infrastructuur, hoge vervoers- en verzendingskosten, onvoldoende toegang tot handelsfinanciering, onvermogen om buitenlands investeringskapitaal aan te trekken, te weinig comparatief voordeel en hoge kosten om toegang te krijgen tot de markt;

9.  erkent het belang van de landbouwsector; is van mening dat de EU maatregelen moet steunen om de serieuze bezorgdheid van ontwikkelingslanden over hun voedselzekerheid aan te pakken; herinnert er in dit verband aan dat de EU moet zorgen voor samenhang tussen de verschillende beleidslijnen van haar externe optreden zoals dat verankerd ligt in met name de artikelen 205 t/m 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, nl. het ontwikkelingsbeleid en het gemeenschappelijk handelsbeleid, rekening houdend met de behoeften en belangen van zowel de EU-lidstaten als de ontwikkelingslanden;

10.  doet een beroep op de ontwikkelde landen en opkomende economieën om het voorbeeld van het EU-initiatief "Alles behalve wapens" te volgen, door de MOL's volkomen rechten- en quotavrije markttoegang te bieden en de toepassing van de ontheffing voor diensten voor de MOL's te waarborgen;

11.  is van mening dat een bindende overeenkomst over handelsfacilitering ten goede zou komen aan alle WTO-leden, en met name aan de ontwikkelingslanden en de betrokken marktdeelnemers, doordat er meer transparantie en rechtszekerheid zou komen en de administratieve kosten en de duur van de douaneprocedures zouden afnemen, wat die landen in staat zou stellen optimaal te profiteren van de mogelijkheden die ontstaan als gevolg van het feit dat de toeleveringsketens steeds vaker regionaal en mondiaal zijn, terwijl de kmo's profijt zouden kunnen trekken uit meer open markten; wijst erop dat capaciteitsopbouw en technische bijstand beschikbaar moeten blijven voor ontwikkelingslanden om hen in staat te stellen hun productiecapaciteit op te voeren zodat zij kunnen profiteren van een groter aandeel in de waardevermeerdering in de mondiale waardeketens;

12.  herinnert eraan dat een recent in opdracht van de EU uitgevoerd onderzoek naar de effecten van de ontwikkelingsagenda van Doha aantoont dat handelsfacilitering evenveel economisch voordeel zou kunnen opleveren als de liberalisering van goederen en diensten samen; herinnert eraan dat verbeterde douaneprocedures alleen al kunnen leiden tot een toename van 68 miljard euro aan mondiaal bbp, en dat handelsfacilitering voor veel ontwikkelingslanden de voornaamste bron van winst zou zijn;

13.  is van mening dat binnen de WTO de nodige prioriteit moet worden gegeven aan handels- en investeringsbelemmeringen voor dienstensectoren, zoals de ICT en telecommunicatie, professionele en zakelijke diensten, financiële diensten, e‑handel, bouw, detailhandel en distributie; gelooft dat deze niet-tarifaire maatregelen, waaronder nationale regelgeving, beperkingen op eigendom en diverse crisismaatregelen (zoals discriminerende bepalingen bij openbare aanbestedingen), van bijzonder belang zijn gezien de hogere toegevoegde waarde van de handel in diensten en de positie van de EU als grootste exporteur van diensten;

14.  is daarom verheugd dat de onderhandelingen over een overeenkomst inzake multilaterale handel in diensten (TiSA) van start zijn gegaan, hetgeen in overeenstemming is met de doelstelling van de achtste Ministeriële Conferentie om nieuwe manieren te onderzoeken voor de WTO-leden om de handel in diensten verder te liberaliseren; benadrukt dat de EU zich ervoor inzet om de werkzaamheden op dit terrein te intensiveren en om de TiSA uiteindelijk te "multilateraliseren" door ervoor te zorgen dat de definities, regels en beginselen die de kern vormen van de algemene overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS) worden overgenomen; benadrukt dat ervoor gezorgd moet worden dat de overeenkomst ambitieus is, dat haar toepassingsgebied zo ruim mogelijk wordt en dat de regels betreffende de liberalisering van de handel in diensten nader worden uitgewerkt, met behoud van de nationale beleidsdoelstellingen van de WTO-leden en van hun recht om diensten van algemeen belang te regulariseren en om bilaterale en multilaterale verbintenissen aan te gaan, en dat het resultaat stevig moet worden verankerd in de WTO-architectuur;

15.  is van mening dat technologieoverdracht economische groei kan stimuleren en handel kan bevorderen; is verheugd over het hervatten van de onderhandelingen over de uitbreiding van de overeenkomst inzake informatietechnologie, die het aantal producten en landen binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst verhoogt; moedigt alle onderhandelende partijen aan zich te blijven inspannen om tijdig, d.w.z. voor de negende Ministeriële Conferentie, tot een overeenkomst te komen;

16.  is ingenomen met de herziening van de plurilaterale WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPO) waarover in maart 2012 overeenstemming is bereikt en beseft dat het belangrijk is dat de EU de herziene GPO vóór de negende Ministeriële Conferentie goedkeurt, zodat ze in 2014 van kracht kan worden; is van mening dat duidelijkere en strengere regels voor de gunningsprocedures zullen leiden tot meer transparantie bij openbare aanbestedingen, en dat dit samen met het feit dat er meer goederen en diensten onder komen te vallen, meer mogelijkheden zal opleveren voor de ondertekenende partijen; dringt er bij de WTO-leden, en met name bij de ontwikkelingslanden en de huidige waarnemers bij de GPA, op aan zich aan te sluiten bij de overeenkomst om gebruik te maken van de nieuwe flexibelere bepalingen voor ontwikkelingslanden en de vruchten daarvan te plukken;

17.  is verheugd dat in juni 2013 een positief besluit is genomen om de TRIPS-vrijstelling (TRIPS – Trade-Related Intellectual Property Rules) voor MOL's nogmaals met acht jaar te verlengen tot 1 juli 2021 omdat het een manier is om ervoor te zorgen dat het wereldhandelssysteem niet kiest voor een uniforme benadering maar juist rekening houdt met de specifieke kenmerken van elk ontwikkelingsland;

18.  moedigt de WTO-leden aan om op een proactieve manier steun te verlenen aan inspanningen om doeltreffende en nauwere samenwerking tot stand te brengen tussen de WTO en andere internationale organisaties die een belangrijke rol spelen in mondiale handelsbesprekingen, met name de Internationale Arbeidsorganisatie, de Wereldgezondheidsorganisatie en de VN en haar agentschappen en organen, zoals de Conferentie van de VN voor handel en ontwikkeling, de Voedsel- en Landbouworganisatie, het Milieuprogramma van de VN, het Ontwikkelingsprogramma van de VN en het VN-Raamverdrag inzake klimaatverandering, alsook het IMF, de Wereldbank en de OESO, teneinde te zorgen voor wederzijdse ondersteuning en synergie tussen handelsproblematiek en andere, niet handelsgerelateerde belangen; steunt het streven naar vaststelling van internationale normen en samenwerking op regelgevingsgebied;

19.  verzoekt dat er grondig wordt nagedacht over hoe er in de regels van de WTO beter rekening kan worden gehouden met andere dan handelsbelangen, om de WTO-leden in staat te stellen legitieme beleidsdoelstellingen na te streven, en daarbij de toegang tot de markt te vrijwaren; benadrukt in dit verband dat inspanningen voor de aanneming en effectieve tenuitvoerlegging van internationale sociale, arbeids-, milieu-, en mensenrechtennormen sterk moeten worden gesteund en dat de nodige hulp moet worden geboden aan ontwikkelingslanden zodat ze kunnen voldoen aan dergelijke normen;

20.  is ervan overtuigd dat het ontbreken van voldoende differentiatie tussen de ontwikkelingslanden, ondanks de grote verschillen in hun economische ontwikkelingsniveaus en specifieke behoeften, de vaststelling van doeltreffende maatregelen ten behoeve van deze landen conform het verklaarde doel van de Doha-ronde kan belemmeren en fnuikend is voor de meest behoeftige ontwikkelingslanden; vraagt de meer ontwikkelde ontwikkelingslanden met klem hun deel van de verantwoordelijkheid al in de huidige ronde op zich te nemen en een bijdrage te leveren die in verhouding staat tot hun ontwikkelingsniveau en sectorale concurrentiekracht;

21.  is van mening dat serieus aandacht moet worden besteed aan het indelen van de landen in categorieën of subcategorieën, niet alleen van de ontwikkelingslanden maar van alle WTO-leden, op basis van objectieve criteria die niet uitsluitend verband houden met het bruto nationaal product, teneinde een gedifferentieerde toepassing van de bestaande of in onderhandeling zijnde overeenkomsten mogelijk te maken;

22.  is van mening dat afsluiting van de langslepende Doha-ronde met een vervuld ontwikkelingsmandaat van vitaal belang is; dringt er derhalve bij alle WTO-leden op aan alle mogelijke opties na te gaan met dat einddoel voor ogen om een afgewogen resultaat te halen;

23.  dringt erop aan dat de EU een leidende rol blijft spelen bij de bevordering van tastbare voortgang tijdens de lopende WTO-onderhandelingen, opdat de ontwikkelingsronde van Doha op korte termijn volledig kan worden afgerond, alsook bij het vergemakkelijken van de volledige deelname van de MOL's aan de wereldhandel door te bemiddelen tussen de verschillende standpunten van WTO-leden;

24.  benadrukt dat de WTO een cruciale rol speelt op het gebied van de uitvoering en naleving van bindende toezeggingen en de oplossing van handelsgeschillen;

25.  is van mening dat de WTO-leden desalniettemin hun inspanningen moeten verhogen op andere gebieden die in de ministeriële verklaring van Doha zijn genoemd, zoals de handel in milieugoederen en ‑diensten die aanzienlijk zou kunnen bijdragen tot duurzame ontwikkeling en de bestrijding van de klimaatverandering; verzoekt de WTO-leden nota te nemen van de APEC-lijst van milieugoederen; verzoekt de EU met klem te blijven aandringen op een overeenkomst inzake milieutechnologie die tot doel heeft de douanetarieven voor milieutechnologieproducten te verlagen, en te streven naar opheldering omtrent de juridische relatie tussen WTO-regels en multilaterale milieuovereenkomsten;

26.  verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat het Parlement nauw betrokken blijft bij de voorbereidingen van de negende Ministeriële Conferentie die van 3 t/m 6 december 2013 op Bali plaatsvindt, en dat het voortdurend op de hoogte wordt gehouden en waar nodig tijdens de Ministeriële Conferentie wordt geraadpleegd; verzoekt de Commissie andere WTO-leden te blijven wijzen op het belang van een sterkere parlementaire dimensie van de WTO;

27.  roept de WTO-leden op de democratische legitimiteit te waarborgen door de parlementaire dimensie van de WTO te versterken; benadrukt in dit verband dat het nodig is ervoor te zorgen dat parlementsleden betere toegang krijgen tot handelsbesprekingen en worden betrokken bij de formulering en uitvoering van de WTO-besluiten, en dat handelsbeleid in het belang van de burgers naar behoren wordt getoetst; vraagt daarom dat er een permanente Europese parlementaire delegatie bij de WTO wordt gevestigd;

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de directeur-generaal van de WTO.

(1) PB C 293 E van 2.12.2006, blz. 155.
(2) PB C 259 E van 29.10.2009, blz. 77.
(3) PB C 9 E van 15.1.2010, blz. 31.
(4) PB C 286 E van 22.10.2010, blz. 1.
(5) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 84.


Actieplan ondernemerschap 2020 - De ondernemingsgeest in Europa nieuw leven inblazen
PDF 139kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over het Actieplan ondernemerschap 2020 - De ondernemingsgeest in Europa nieuw leven inblazen (2013/2532(RSP))
P7_TA(2013)0512B7-0466/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de vraag aan de Commissie over het Actieplan ondernemerschap 2020 - De ondernemingsgeest in Europa nieuw leven inblazen (O-000110/2013 – B7‑0520/2013),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

I.Ondernemingsgeest en opleiding voor ondernemers

1.  verwacht dat alle voorgestelde maatregelen ter bevordering van het ondernemerschap op nationaal en Europees niveau op alle ondernemingsvormen van toepassing zullen zijn, onder meer op vrije beroepen, coöperaties, ambachtelijke bedrijven en sociale ondernemingen;

2.  herinnert eraan dat zakelijke en voor het ondernemerschap noodzakelijke bekwaamheden en vaardigheden sleutelcompetenties zijn voor een leven lang leren, en dat er gezien de geringe economische groei en de hoge werkloosheidscijfers behoefte is aan krachtige maatregelen op de korte en middellange termijn om het ondernemerschap te promoten en te faciliteren, vooral onder jonge mensen;

3.  erkent dat de lidstaten bevoegd zijn voor onderwijs en opleiding op zakelijk, sociaal en ondernemingsgebied en dat opleidingsprogramma's vaak doelgerichter en kostenefficiënter zijn wanneer zij op lokaal en nationaal niveau worden georganiseerd; is van mening dat initiatieven van de EU de acties van de lidstaten op dit gebied op zinvolle wijze zouden kunnen en moeten aanvullen, met name door middel van samenwerking en uitwisseling van beste praktijken;

4.  onderstreept de noodzaak om stimulansen te geven aan werkgevers die laag- of ongeschoolde mensen (met inbegrip van Roma) een opleiding bieden en mogelijkheden om direct op de werkplek praktische ervaring op te doen;

5.  is verontrust over het feit dat in het huidige onzekere economische klimaat steeds minder EU‑burgers overwegen voor zichzelf te beginnen; is van oordeel dat de EU en de lidstaten hun gecoördineerde inspanningen moeten opvoeren om het ondernemersklimaat in Europa te verbeteren en de mogelijkheid moeten onderzoeken om specifieke maatregelen en doelstellingen vast te stellen om ondernemerschap opnieuw aantrekkelijk te maken, ook voor hoogopgeleide werknemers met beroepservaring en inzonderheid in sectoren die voor de Unie van strategisch belang zijn; meent dat een duidelijk verband moet worden gelegd tussen dergelijke initiatieven en de industriebeleidsmaatregelen van de Commissie; meent dat dergelijke maatregelen acties moeten omvatten om de oprichting van ondernemingen te vergemakkelijken;

6.  neemt kennis van de door de Commissie voorgestelde maatregelen en initiatieven ten behoeve van de opleiding van ondernemers en roept de lidstaten op deze met spoed om te zetten, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel; wijst in dit verband met name op het EU-initiatief "Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen"; verwelkomt de oproep aan de lidstaten om onderwijs en opleiding in ondernemerschap als sleutelcompetenties op te nemen in hun nationale programma's;

7.  vindt dat er initiatieven moeten worden ontplooid om strenge criteria op het gebied van duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen op te nemen in ondernemerschapsonderwijs om potentiële nieuwe ondernemers de vaardigheden bij te brengen om hun bedrijf te leiden op een manier die de positieve bijdrage ervan aan de maatschappij vergroot en tegelijkertijd de negatieve gevolgen voor de bevolking en het milieu minimaliseert;

8.  beschouwt het netwerk van mkb-gezanten als een potentieel centraal forum voor de uitwisseling van beste praktijken en de beoordeling van vooruitgang bij de omzetting;

9.  steunt de ambitie achter de geplande invoering van de jongerengarantie en de bereidheid om hiervoor voldoende financiële middelen uit te trekken; ziet dit als een belangrijke maatregel om de lidstaten te helpen de effecten van de massale jeugdwerkloosheid, met name in landen die ernstig zijn getroffen door de crisis, te beperken; onderstreept de betekenis van de geplande maatregelen voor de bevordering van het ondernemerschap en de opleiding van ondernemers, daar zij op duurzame werkgelegenheid gericht zijn en nauwelijks een meeneem-effect hebben; verzoekt de Commissie en de lidstaten andere maatregelen, zoals belastingvrijstellingen, te overwegen om kmo's aan te moedigen jongeren in dienst te nemen;

10.  verzoekt de Commissie om de via intermediaire organisaties uitgevoerde maatregelen ter begeleiding, advisering en ondersteuning van ondernemingen, en in het bijzonder van zeer kleine ondernemingen, te versterken en programma's op te stellen om oudere ondernemers die de rol van mentor of begeleider op zich willen nemen, ertoe aan te moedigen jonge ondernemers die pas een bedrijf hebben opgestart of een bedrijf in moeilijkheden hebben overgenomen op de goede weg te helpen en te begeleiden door hun knowhow en ervaring ter beschikking te stellen;

11.  verzoekt de Commissie om de oprichting van clusters te bevorderen, zoals bedrijfsnetwerken en ondernemingsverenigingen die concurrentievoordelen helpen ontwikkelen, het mogelijk maken profijt te trekken van een gemeenschappelijk beheer van personele middelen en leiden tot een toename van het concurrentievermogen;

12.  wijst erop dat kleine en middelgrote ondernemingen die gebruik maken van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) twee tot drie keer sneller groeien; vraagt daarom de Commissie maatregelen te bevorderen die de ondernemers in staat stellen alle door de digitale interne markt geboden kansen te benutten;

13.  roept de Commissie en de lidstaten op om het Erasmus-programma voor jonge ondernemers verder te ontwikkelen en het aantal nationale contactpunten waar nodig uit te breiden; stelt voor om vaker gebruik te maken van de structuren van de Enterprise Europe Networks; acht een streefdoel van 10 000 uitwisselingen per jaar noodzakelijk, met een groei van minimaal 10% per jaar tot dat streefdoel is bereikt;

14.  ziet veel mogelijkheden in de uitbreiding van het Leonardo-uitwisselingsprogramma voor leerlingen en benadrukt dat zogenaamde intermediaire organisaties het mkb bij de organisatie hiervan (bv. zoeken naar geschikte partners in het buitenland, onderdak enz.) moeten ondersteunen; wijst nadrukkelijk op de mogelijkheden voor het ondernemerschap van afgestudeerden van een duale opleiding (leerlingstelsel);

15.  stelt voor dat de lidstaten voor kortetermijnmaatregelen zoals steun en advies bij het oprichten of overnemen van een bedrijf ook middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering en het Europees Sociaal Fonds moeten kunnen aanvragen, zolang deze inderdaad voor kortetermijnmaatregelen worden gebruikt en niet om de verdere verplaatsing van ondernemingen te rechtvaardigen;

16.  stelt voor de bestaande en toekomstige instrumenten ter bevordering van het ondernemerschap in sterkere mate onderling te coördineren teneinde op nationaal, regionaal en lokaal niveau stimulansen en synergie te creëren;

17.  verwacht dat de komende Commissie de bevordering van het ondernemerschap en de opleiding voor ondernemers voor zover die onder haar bevoegdheden valt tot een van de hoofdthema's verklaart en een Europees partnerschap in het leven roept waarin de vooruitgang in de lidstaten kan worden gemeten, onder meer aan de hand van de volgende criteria:

   a) de opneming van ondernemerschapsonderwijs in de nationale schoolprogramma's, in het bijzonder praktijkgerichte elementen zoals bedrijfsprojecten op school en verplichte stages vóór het eind van de middelbare school,
   b) de omvang van de voor de bevordering van de opleiding voor ondernemers opgevraagde financiële middelen uit de structuurfondsen,
   c) het aantal personen dat deelneemt aan maatregelen ten behoeve van ondernemers in het kader van de jongerengarantie of aan mobiliteitsprogramma's voor nieuwe ondernemers, met name jongeren;
   d) het aantal personen dat na deelname aan deze initiatieven een eigen bedrijf wil oprichten;

18.  moedigt de lidstaten aan om zo spoedig mogelijk nationale, regionale en lokale strategieën vast te stellen waarmee opleiding voor ondernemers in het onderwijsprogramma (lager en middelbaar onderwijs, beroeps- en universitaire opleidingen alsook volwassenenonderwijs) wordt geïntegreerd; verwacht dat deze strategieën betrekking hebben op alle soorten ondernemingen en ook de sociale en ecologische impact van het ondernemerschap omvatten; onderstreept de betekenis van praktijkgerichte en interactieve elementen in de sociale, zakelijke en op ondernemerschap gerichte opleiding;

19.  is van mening dat beroepsonderwijs en -opleiding (BOO) de vaardigheden, kennis en competenties kan bijbrengen die nodig zijn op de arbeidsmarkt, met name ten aanzien van werklozen, alsook gepersonaliseerd advies kan bieden bij het zoeken naar een baan; roept de Commissie en de lidstaten op het aanbieden van BOO in Europa te versterken ter bevordering van de transparantie, erkenning en kwaliteit van competenties en kwalificaties, en aldus de mobiliteit van lerenden en werknemers te vergemakkelijken;

20.  benadrukt dat voor het effectief leiden van een bedrijf kennis over het functioneren van de markt, de economie en financieringsstelsels onontbeerlijk is en dat dit daarom ook als onderdeel in het nationale basisonderwijs en de EU-onderwijsprogramma's moet worden opgenomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten onverwijld financieel onderwijs in hun onderwijsprogramma's op te nemen;

21.  benadrukt het belang van opleidingsplaatsen voor jongeren in economische sectoren met goede vooruitzichten, die een waardevolle stap vormen in de overgang van het onderwijs naar het beroepsleven;

22.  is ingenomen met het concept van de kennis- en innovatiegemeenschappen (KIC's) die met hun focus op ondernemerschap aan de hand van het integreren van de kennisdriehoek onderzoek, hoger onderwijs en innovatie een belangrijke aanjager zijn van innovatie op het gebied van grote maatschappelijke vraagstukken, en derhalve een belangrijk instrument zijn voor het creëren van groei en werkgelegenheid in Europa; onderstreept derhalve dat alle KIC's ondernemerschap moeten opnemen in hun structuur en in hun aanpak op het gebied van onderzoek, innovatie en opleiding; onderstreept dat KIC's beste praktijken in verband met het gebruik van innovatieve opleidingsconcepten en ‑technologieën moeten overnemen en delen; beveelt voorts een evaluatie op de langere termijn aan met het oog op de oprichting van een KIC om dergelijke innovatieve opleidingsconcepten verder te ontwikkelen, waarbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar ondernemerschapsonderwijs;

II.Ondernemingsklimaat en randvoorwaarden

23.  roept de Commissie en de EIB-groep op meer te doen op het gebied van voorlichting, om samen met de mkb-organisaties meer informatie te geven over de financieringsmogelijkheden binnen het mkb;

24.  benadrukt dat de invoering van flexibelere financieringsalternatieven van het allergrootste belang is voor de oprichting van nieuwe bedrijven; onderstreept dat het fiscaal onderscheid tussen eigen kapitaal en vreemd kapitaal moet worden afgeschaft en dat er een investeringsaftrek zou moeten worden ingevoerd; benadrukt dat bankkredieten tot de belangrijkste financieringsvormen voor het mkb behoren en dat daarom moet worden gezorgd voor een betrouwbare kredietvoorziening en bovendien moet worden gestreefd naar meer aandelenfinanciering door betere randvoorwaarden voor particulier vermogen en durfkapitaal, met inbegrip van steun voor mkb-fondsen en crowdfunding zonder dure prospectuskosten; vraagt dat een belastingvrijstelling voor participatie van particuliere beleggers zou worden ingevoerd;

25.  herinnert eraan dat administratieve lasten nog steeds als een van de grootste belemmeringen voor het starten of voortzetten van een onderneming worden gezien; acht het van het grootste belang dat de vermindering van onnodige administratieve lasten als hoogste punt op de politieke agenda blijft staan en verwacht dat de volgende Commissie concrete voorstellen doet voor beleid en maatregelen voor de periode tot 2020 in het kader van de prioriteiten van de Small Business Act, die concrete, kwantitatieve doelstellingen kunnen behelzen (bv. vermindering van de administratieve lasten door EU-wetgeving met 25% tot 2020);

26.  is ingenomen met de door de Commissie voor deze actiepijler voorgestelde maatregelen en herinnert aan de opmerkingen die het Parlement ter zake heeft geformuleerd in zijn resoluties van 23 oktober 2012 over het midden- en kleinbedrijf: concurrentievermogen en zakelijke kansen en van 5 februari 2013 over de verbetering van de toegang tot financiering(1) voor kmo's(2);

27.  is ingenomen met de hernieuwde oproepen van de Commissie aan de lidstaten om de kosten en de tijd die gepaard gaan met de oprichting van een onderneming te verminderen; wijst op de beperkte vorderingen die sinds de Small Business Act zijn geboekt en roept de lidstaten op hun inspanningen op dit gebied op te voeren;

28.  benadrukt dat de verschillende ondernemingsvormen, zoals onder meer familiebedrijven en coöperatieve ondernemingen, in aanmerking moeten worden genomen bij het creëren van een bedrijfsvriendelijk klimaat aan de hand van passende bedrijfsondersteunende diensten;

29.  wijst erop dat de steunmaatregelen van de EU voor het mkb nog altijd onevenwichtig zijn en dat vele lidstaten bij de uitwerking van wetgeving nog altijd geen rekening houden met de bijzondere kenmerken van kleine ondernemingen;

30.  benadrukt dat de toegang tot financiering een van de meest significante belemmeringen blijft voor de ontwikkeling van het mkb; dringt er bij de Commissie op aan uitgebreid te onderzoeken of financieringsinstrumenten die gericht zijn op het mkb, zoals het Progress-microfinancieringsinstrument, de toegang van het mkb tot financiering daadwerkelijk vergemakkelijken, met name gezien het feit dat bij de financieringsinstrumenten van een aantal lidstaten te strenge eisen worden gesteld voor het verlenen van krediet aan het mkb;

31.  verwelkomt de inspanningen van de Commissie om de lidstaten te helpen de fiscale en administratieve voorwaarden bij de overdracht van ondernemingen te verbeteren; acht het noodzakelijk om de fiscale behandeling van innoverende financieringsvormen zoals groepsfinanciering, durfkapitaalfinanciering en financiering door business angels te verbeteren; verzoekt de lidstaten om hun steun voor de overdracht van ondernemingen te vergroten aan de hand van nationale financiële instrumenten, met name door middel van garanties op leningen en andere financieringsvormen zoals groepsfinanciering of financiering door business angels, en verwelkomt de aandacht van de Commissie voor crowdfundingsplatforms; meent dat de overdracht van ondernemingen ook moet worden bevorderd via passende opleidingsinitiatieven op het gebied van managementvaardigheden, met name wanneer bedrijven worden overgedragen aan werknemers;

32.  merkt op dat ingewikkelde btw-regels al lang een van de grootste belemmeringen vormen voor ondernemers om het potentieel van de interne markt te benutten; roept de Commissie op de geplande voorstellen om de regels op elkaar af te stemmen en de kosten van het nakomen van de btw-verplichtingen terug te dringen door te werken met één enkele aangifte, zo snel mogelijk in te dienen, zodat ze tijdens de huidige zittingsperiode kunnen worden aangenomen;

33.  beschouwt de voorgestelde maatregelen om de administratieve lasten (waaronder mogelijk ook onnodige of buitensporige lasten ingevolge de regelgeving) en bureaucratische lasten te verminderen als een aanvulling op de beginselen van de Small Business Act; betreurt dat bepaalde belangrijke initiatieven in het actieplan niet aan de orde komen, zoals bijvoorbeeld maatregelen voor het uitvoeren van de kmo-test op nationaal niveau, betreffende de toekomstige rol van de groep op hoog niveau ter vermindering van administratieve lasten of betreffende de vaststelling van een jaarlijkse ranglijst van administratieve lasten in de EU en de lidstaten; dringt er bij de Commissie op aan om onder leiding van haar mkb-gezant een routekaart op te stellen voor de evaluatie en herziening van de top tien van bezwaarlijke EU‑maatregelen teneinde onnodige of buitensporige lasten te verminderen; bevestigt dat een dergelijke vermindering in geen geval afbreuk mag doen aan de fundamentele sociale en milieunormen;

34.  roept de lidstaten op beginnende ondernemingen voor een periode van uitstel van betaling van socialeverzekeringsbijdragen en van alle "on account" belastingen te verlenen, zodat ondernemingen in de eerste jaren slechts belasting betalen over de werkelijke winst; is van mening dat dit systeem volledig transparant moet zijn, om misbruik te voorkomen;

35.  onderstreept het belang van kennisoverdracht tussen kenniscentra, zoals onderzoeksinstituten en expertisecentra, en kmo's, voor het succes van deze laatste; onderstreept dat de wijze waarop kennisoverdracht in de praktijk wordt omgezet en de manier waarop succesvolle ondernemingsclusters ervan profiteren, duidelijk moet worden omschreven;

36.  steunt de door de Commissie geformuleerde ambitie om eerlijke ondernemers na een faillissement een tweede kans te geven en om de regeldruk die op ondernemers rust te verminderen;

37.  onderstreept de betekenis van de vrije beroepen voor het ondernemerschap in Europa; is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat er een werkgroep zal worden opgericht die de bijzondere kenmerken en behoeften van de vrije beroepen onderzoekt; vraagt de Commissie met de conclusies van deze werkgroep rekening te houden bij de effectbeoordeling van wetgevingsvoorstellen, alsook bij het toezicht op de maatregelen in verband met de Small Business Act; stelt voor dat deze werkzaamheden kunnen leiden tot de opstelling van een Europees handvest van de vrije beroepen;

38.  benadrukt het belang van de ontwikkeling van innovatiecompetenties in het algemeen en de ondersteuning van door werknemers gestuurde innovatie zowel in nieuwe als bestaande ondernemingen; benadrukt voorts dat de meest succesvolle ondernemingen vaak spin-offs zijn van bestaande bedrijven waar werknemers binnen een veilig kader en ondersteund door voldoende middelen de mogelijkheid hebben om hun ideeën te laten rijpen; benadrukt tevens dat vele ondernemers een achtergrond als vakkracht hebben of ongeschoold zijn en dat maatregelen voor ondernemers niet uitsluitend op academici gericht mogen zijn; wijst erop dat beroeps- en praktijkgerichte opleidingen ook een belangrijke rol spelen bij het promoten van ondernemerschap en innovatie;

39.  benadrukt het belang van de ontwikkeling van positieve prikkels die werknemers stimuleren om in deeltijd hun eigen onderneming te beginnen;

40.  pleit ervoor gebruik te maken van de flexibiliteitsbepalingen in het meerjarig financieel kader (MFK) voor het COSME-programma, met name voor de financiële instrumenten daarvan; dringt erop aan dat de programma's voor microfinanciering (bijvoorbeeld Progress en JASMINE) in het MFK worden voortgezet;

41.  benadrukt dat de invoering van flexibele financieringsalternatieven van het allergrootste belang is voor de oprichting van nieuwe bedrijven en voor kmo's teneinde hun toegang tot financiering te vergemakkelijken; onderkent dat voor verschillende bedrijfsmodellen verschillende verhoudingen tussen vreemd kapitaal, eigen kapitaal en hybride kapitaal passend kunnen zijn en roept de lidstaten op het fiscaal onderscheid tussen eigen kapitaal en vreemd kapitaal af te schaffen en om de invoering van een belastingaftrek voor investeringen in de reële economie te overwegen teneinde duurzame groei te bevorderen en banen te creëren; roept de Commissie op de voordelen van de securitisatie van microkredieten te beoordelen;

42.  spoort de lidstaten aan de opdeling van overheidsopdrachten in kavels te bevorderen om het voor kmo's makkelijker te maken om deel te nemen aan openbare aanbestedingen, bijvoorbeeld door het "pas toe of leg uit"-beginsel in het nationale aanbestedingsrecht op te nemen;

43.  betreurt dat in een aantal lidstaten nog altijd hoge eisen aan het oprichten van een bedrijf worden gesteld; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de lidstaten de benodigde tijd om licenties en vergunning te verlenen die nodig zijn voor het starten van ondernemingsactiviteiten terugbrengen tot een maand;

44.  benadrukt het belang van speciale vestigingssubsidies voor afgestudeerden die tijdens hun opleiding speciale ondernemerstrajecten hebben doorlopen;

45.  dringt er bij de lidstaten op aan centrale loketten op te richten waarin alle ondersteunende diensten voor ondernemingen zijn samengevoegd, onder andere op het gebied van de toegang tot verschillende financieringsbronnen, advies over het opstarten van een bedrijf en informatie over zakelijke kansen binnen en buiten de EU;

46.  roept de lidstaten op in hun nationaal recht een evenwichtige aanpak inzake kwijting en schuldvereffening op te nemen om eerlijke ondernemers die failliet zijn gegaan een tweede kans te bieden en de risico's voor schuldeisers te minimaliseren;

III.Ondernemers als voorbeeld - bereiken van specifieke doelgroepen

47.  steunt de invoering van een Europese dag van het ondernemerschap die de aandacht - inzonderheid van de media - moet vestigen op succesverhalen op het gebied van ondernemerschap; is van mening dat de nadruk met name moet worden gelegd op voorbeelden van ondernemers die economische meerwaarde kunnen creëren en tegelijk de kernbeginselen van de EU op het gebied van duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen naleven; pleit voor de deelname van scholen en onderwijsinstellingen aan dit evenement door middel van ontmoetingen met ondernemers en bedrijfsbezoeken;

48.  wijst op het grote potentieel van vrouwen als ondernemers en roept de Commissie op betrouwbare gegevens te presenteren om de bestaande wetgeving beter te kunnen evalueren en eventuele hindernissen voor vrouwelijke ondernemers beter uit de weg te kunnen ruimen;

49.  benadrukt het potentieel van coöperaties en sociale ondernemingen als instrumenten voor het creëren van banen, met name voor jongeren, gezien de rol die zij zowel op economisch als op maatschappelijk en arbeidsgebied spelen in duurzame plaatselijke ontwikkeling;

50.  benadrukt dat ICT van doorslaggevend belang is voor de prestaties van ondernemingen en dringt er bij de lidstaten op aan programma's ter ontwikkeling van ICT-kwalificaties, met name voor jongeren en vrouwen, te ontwikkelen en te bevorderen;

51.  acht het noodzakelijk dat in het bijzonder aandacht wordt besteed aan andere groepen die in de ondernemerswereld ondervertegenwoordigd zijn, zoals jongeren, ouderen, mensen met een handicap en migranten;

52.  is van mening dat de demografische ontwikkelingen een bredere strategie vereisen, waarin het scheppen van werkgelegenheid en het inspelen op nieuwe en opkomende behoeften op de Europese arbeidsmarkt worden gecombineerd; meent in dit verband dat meer vooruitgang moet worden gemaakt om de mobiliteit van EU‑werknemers, met inbegrip van onderzoekers en andere vakmensen, te verbeteren teneinde de belemmeringen binnen de interne markt van de EU weg te werken;

53.  onderstreept dat de ontbrekende erkenning van buitenlandse onderwijs- en beroepsdiploma’s een belangrijke belemmering vormt voor migranten die een bedrijf willen oprichten; dringt dan ook aan op een snel akkoord over de richtlijn inzake erkenning van beroepen;

o
o   o

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0387.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0036.


Uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid
PDF 250kWORD 83k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid) (14605/1/2012 – 2013/2105(INI))
P7_TA(2013)0513A7-0360/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met name de gedeelten over het Europese veiligheids- en defensiebeleid (14605/1/2012),

–  gezien de artikelen 2, 3, 21, 24 en 36 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien titel V van het VEU en gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 14 december 2012,

–  gezien de conclusies van de interparlementaire conferentie voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van 6 september 2013,

–  gezien de Europese veiligheidsstrategie (EVS) getiteld "Een veilig Europa in een betere wereld", die op 12 december 2003 door de Europese Raad is aangenomen, en gezien het verslag over de tenuitvoerlegging van de EVS getiteld "Veiligheid in een veranderende wereld", dat op 11-12 december 2008 is aangenomen door de Europese Raad,

–  gezien de conclusies van de Raad van 1 december 2011 en 23 juli 2012 over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid en van 23 maart 2012 over het bundelen en delen van militaire capaciteit,

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 april 2010 over de maritieme veiligheidsstrategie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 27 mei 2011 over de bescherming van kritieke informatie-infrastructuur en de eerdere conclusies van de Raad over cyberveiligheid,

–  gezien de door EU-ministers van Defensie op 19 november 2012 aangenomen gedragsregels inzake bundelen en delen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 juli 2013 getiteld "Naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector" (COM(2013)0542),

–  gezien Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap(1),

–  gezien Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG(2),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 over de maritieme dimensie van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(3) en over de militaire structuren van de EU: stand van zaken en toekomstperspectieven(4), van 22 november 2012 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(5), over de EU‑clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit: politieke en operationele dimensie(6), over de rol van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid bij klimaatgedreven crises en natuurrampen(7) en over cyberveiligheid en -defensie(8), van 14 december 2011 over de gevolgen van de financiële crisis voor de defensiesector in de EU‑lidstaten(9), van 11 mei 2011 over de ontwikkeling van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon(10) en van 23 november 2010 over civiel‑militaire samenwerking en de ontwikkeling van civiel‑militaire capaciteiten(11),

–  gezien zijn aanbeveling van 13 juni 2013 aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en vicevoorzitter van de Commissie, de Raad en de Commissie over de evaluatie in 2013 van de organisatie en het functioneren van de EDEO(12) en gezien de door de hoge vertegenwoordiger in juli 2013 gepresenteerde beoordeling over de EDEO(13),

–  gezien het verslag van de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Europese Commissie over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de Europese Unie van 15 oktober 2013,

–  gezien het verslag van de EDEO over de herziening van de crisisbeheersingsprocedures van het GVDB dat op 18 juni 2013 door het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) is goedgekeurd,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien artikel 119, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7‑0360/2013),

Europese veiligheid en defensie in een veranderende wereld

1.  neemt kennis van de aanzienlijke en voortdurende veranderingen in de geopolitieke omgeving die worden gekenmerkt door multidimensionale en asymmetrische bedreigingen, door internationaal terrorisme, door de opkomst van nieuwe mogendheden en door een strategische verschuiving van de aandacht van de VS naar het gebied van de Stille Oceaan, door toenemende armoede, honger en instabiliteit in de landen van het Zuidelijk Nabuurschap van de EU, door grotere uitdagingen op het gebied van maritieme veiligheid, door de proliferatie van massavernietigingswapens en de toenemende illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens, door uitdagingen in de energiezekerheid, door grootschalig falen van het financieel stelsel, en door een ernstige en langdurige financiële en economische crisis met grote gevolgen voor het bbp van veel EU-lidstaten en daardoor ook voor de nationale defensiebegrotingen aan beide zijden van de Atlantische Oceaan;

2.  is ervan overtuigd dat de herbeoordeling en versterking van de rol van Europa in de wereld een van de belangrijkste uitdagingen van de 21e eeuw vormt en dat de EU‑lidstaten dringend de politieke wil moeten tonen om van de EU een beduidende mondiale speler en verschaffer van veiligheid met echte strategische autonomie te maken; is van mening dat er bij de lidstaten een mentaliteitsverandering nodig is om een Europese benadering voor een toegewijd en doeltreffend veiligheids- en defensiebeleid vast te leggen;

3.  is daarom verheugd over het besluit van de Europese Raad om tijdens de top van december 2013 een discussie te wijden aan veiligheid en defensie; is van mening dat dit een goede gelegenheid vormt om op het hoogste politieke niveau te benadrukken dat veiligheids- en defensiekwesties nog steeds belangrijk zijn en dat de Europese dimensie meer gewicht heeft dan ooit, en om dit aan de burgers in Europa te communiceren; is er sterk van overtuigd dat de EU voor de veiligheid van haar burgers moet kunnen zorgen, haar fundamentele waarden moet kunnen bevorderen en verdedigen, haar deel van de verantwoordelijkheid voor wereldvrede op zich moet kunnen nemen, een doeltreffende rol moet kunnen spelen bij het voorkomen en beheersen van regionale crises in haar wijde omgeving, moet kunnen bijdragen tot de oplossing van deze crises en zichzelf moet kunnen beschermen tegen de negatieve gevolgen ervan;

4.  is tevens verheugd over het verslag van de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie over het GVDB, waarin een aantal belemmeringen onder de aandacht worden gebracht waarmee het GVDB te kampen heeft; betreurt echter dat hierin niet meer concrete maatregelen worden voorgesteld om de leemten van het GVDB op te vullen;

5.  hoopt dat er tijdens de top van december essentiële besluiten genomen zullen worden en brengt daartoe dit verslag met zijn eigen aanbevelingen in, waarin wordt voortgebouwd op de relevante standpunten die het Parlement in het recente verleden heeft ingenomen en veel aandacht wordt besteed aan het lopende debat over de drie voornaamste kwesties (clusters), die door de Europese Raad van december 2012 zijn vastgesteld;

Het potentieel van de verdragen aanboren

6.  merkt op dat met het Verdrag van Lissabon op het vlak van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) verschillende nieuwe instrumenten zijn ingevoerd, die nog niet in de praktijk zijn gebracht;

7.  benadrukt in dit verband de mogelijkheid om een permanente gestructureerde samenwerking (PESCO) tussen lidstaten in het leven te roepen (artikel 46, lid 6, VEU), om de instrumenten en de militaire plannings- en uitvoeringscapaciteiten van het GVDB met name aan die groep lidstaten toe te vertrouwen (artikel 42, lid 5, en artikel 44, lid 1, VEU) en om een startfonds vast te stellen voor de voorbereiding van missies die niet ten laste komen van de begroting van de Unie (artikel 41, lid 3, VEU) en geen onderdeel vormen van het Athena-mechanisme; verzoekt de voorzitter van de Europese Raad en de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter dan ook om dit startfonds op te zetten; benadrukt in dit verband dat GVDB-kwesties moeten worden geïntegreerd in de EU-beleidsdomeinen die in diverse opzichten een impact hebben op veiligheid en defensie of bijdragen aan het GVDB, zoals ontwikkeling en mensenrechten, industrieel onderzoek en innovatie, de interne markt, internationale handel en ruimtebeleid en meer, om de lidstaten te steunen die zich inzetten voor een verdere versterking van het GVDB;

8.  benadrukt het belang van de gezamenlijk overeengekomen bepalingen voor de ontwikkeling van het GVDB, en roept de Europese Raad op een serieuze discussie te voeren over de coherente tenuitvoerlegging ervan; roept de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter (HV/VV) op een actieve rol te spelen in dit proces;

Eerste cluster: het verbeteren van de doeltreffendheid, de zichtbaarheid en het effect van het GVDB

9.  wijst erop dat volgens de Verdragen de Unie als doel heeft de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen (artikel 3 VEU) en dat het internationaal optreden van de Unie gericht is op de consolidering en ondersteuning van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten, de voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid, overeenkomstig de doelstellingen en de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, de beginselen van de Slotakte van Helsinki en de doelstellingen van het Handvest van Parijs, met inbegrip van de doelstellingen betreffende de buitengrenzen (artikel 21 VEU); is ervan overtuigd dat het GVDB bijdraagt tot deze doelstellingen, en benadrukt dat het moet worden verbeterd;

10.  benadrukt dat de belangrijkste kwaliteit van de Europese Unie de beschikbaarheid is van verschillende beleidsdomeinen en instrumenten, die worden gecombineerd via de "alomvattende aanpak", en dat op alle niveaus betere resultaten kunnen worden behaald door het GVDB beter te integreren in deze benadering; is in dit verband verheugd over de beoordeling van de organisatie en het functioneren van de EDEO, die de HV/VV in juli 2013 heeft gepubliceerd, waarin de coördinatieproblemen en de problemen met betrekking tot de snelheid en doeltreffendheid van de besluitvorming op het vlak van het GVDB worden erkend; kijkt uit naar de specifieke besluiten die tijdens de top in december zullen worden genomen en verwacht dat de verdere integratie van het GVDB grondig wordt geanalyseerd in de volgende gezamenlijke mededeling van de HV/VV en de Commissie over de tenuitvoerlegging van de alomvattende aanpak;

11.  herhaalt zijn overtuiging dat de EU de Europese veiligheidsstrategie van 2003, die in 2008 werd aangevuld maar waarvan bepaalde elementen geldig blijven, moet herzien en aanvullen, door rekening te houden met recente ontwikkelingen en een nieuwe reeks veiligheidsuitdagingen en -risico's, door haar strategische belangen, doelstellingen en prioriteiten te herdefiniëren met een grotere nadruk op de bescherming van haar burgers, de verdediging van kritieke infrastructuur en de buurlanden, alsmede door de verschillende regionale en thematische substrategieën op elkaar af te stemmen; gelooft dat een dergelijke oefening zal leiden tot een duidelijk strategisch kader voor extern optreden van de EU, de consistentie zal verhogen en tegelijkertijd tot een betere communicatie aan de burgers zal leiden over de uitdagingen en risico's waarmee zij in de toekomst zullen worden geconfronteerd; verzoekt de Europese Raad dan ook een debat op poten te zetten over het geschikte strategische kader voor de EU, opdracht te geven aan de HV/VV om voor het einde van 2014 voorstellen hieromtrent te doen en een duurzame opvolging met regelmatige updates, zoals die met name in het kader van de Europese veiligheidsstrategie is vastgelegd, te garanderen;

12.  pleit ervoor dat deze herziening van het strategische kader van de EU de basis zal vormen van een witboek over het veiligheids- en defensiebeleid van de EU, en stelt voor dat de Europese Raad dit proces in gang zet; dringt er verder bij de EU-lidstaten op aan in hun nationale veiligheidsstrategieën, witboeken en besluitvorming op defensiegebied de nodige aandacht te besteden aan de Europese dimensie; verzoekt de HV/VV een gemeenschappelijk model te ontwikkelen voor gelijktijdig uitgevoerde nationale analyses;

13.  wijst erop dat de EU in een positie moet worden gebracht om via crisisbeheersingsoperaties bij te dragen aan de preventie, stabilisatie en oplossing van conflicten;

14.  gelooft dat door de invoering van clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit van de Verdragen (artikel 42, lid 7, VEU en artikel 222 VWEU) het gevoel van een gemeenschappelijk lot bij de Europese burgers wordt versterkt; herinnert de lidstaten eraan dat de Unie alleen in een geest van toewijding, wederzijds begrip en werkelijke solidariteit erin kan slagen haar rol in de wereld te vervullen, en daarmee de veiligheid van Europa en zijn burgers kan vergroten; looft daarom de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) voor het gezamenlijk voorstel voor een besluit inzake de regelingen voor de toepassing van de solidariteitsclausule van de Unie, en roept de staatshoofden en regeringsleiders op hun betrokkenheid bij wederzijdse solidariteit opnieuw te bevestigen en een duidelijke praktische interpretatie van beide clausules te geven;

15.  merkt bezorgd op dat het aantal en de timing van GVDB-missies en -operaties, en de ontwikkeling van civiele en vooral militaire middelen en capaciteit voor het GVDB niet aan de vereisten voldoen, gezien de toenemende onzekerheid en instabiliteit in de buurlanden van de EU; betreurt voornamelijk de in het algemeen beperkte omvang van de GVDB-missies met betrekking tot de crises in Libië en Mali, en uit zijn ongenoegen over het gebrek aan flexibiliteit binnen de besluitvormingsprocedures van de Unie, die er de oorzaak van zijn dat slechts met vertraging doeltreffend op crisissituaties kan worden gereageerd, zoals in beide gevallen is gebleken; dringt aan op toezicht op deze situatie en op de instandhouding van de operationele betrokkenheid in Oost-Europa en de zuidelijke Kaukasus, die positieve resultaten heeft geboekt; roept op tot meer ambitie en serieuze inspanningen om de opzet van toekomstige GVDB-missies en -operaties op basis van de opgedane ervaring te verbeteren en gepaste exitstrategieën te ontwikkelen; verzoekt de HV/VV sturing te geven aan dit proces, en is in dit verband ingenomen met haar verslag dat was gepubliceerd op 15 oktober 2013 als een belangrijke stap om het GVDB doeltreffender en proactiever te maken;

16.  benadrukt dat de zichtbaarheid van de Europees crisisbeheersing moet worden verbeterd en dat alle inspanningen onder het GVDB moeten worden geplaatst, waarbij in voorkomend geval gebruik kan worden gemaakt van de bepalingen van artikel 44 VEU voor een besluit van de Raad om de uitvoering van een missie toe te vertrouwen aan een groep lidstaten die dat willen en die over de nodige capaciteiten voor een dergelijke missie beschikken;

17.  uit op basis van ervaringen in het recente verleden zijn bezorgdheid over het feit dat de alomvattende aanpak van de crisisbeheersing zijn volledige potentieel nog niet heeft bereikt; is van mening dat missies en operaties meer betekenis hebben als zij deel uitmaken van een regionale strategie, zoals blijkt uit het positieve voorbeeld van de Hoorn van Afrika; neemt kennis van de "Voorstellen voor crisisbeheersingsprocedures voor GVDB‑crisisbeheersingsoperaties", die op 18 juni 2013 door de lidstaten zijn goedgekeurd;

18.  pleit ervoor dat de functionele problemen van de civiele GVDB-missies, met name met betrekking tot de snelheid van de inzetbaarheid en het aannemen van personeel, worden aangepakt door het wettelijke en financiële kader ervan te herzien, dat vaak het besluitvormingsproces bemoeilijkt en tot vertragingen leidt; pleit ervoor om het aantal gekwalificeerde en politiek onafhankelijke strategische planners, dat te laag is in vergelijking met het aantal missies, te verhogen; verzoekt de lidstaten daarnaast om een "civiel reservekorps" te creëren dat, indien nodig, snel kan worden ingezet, en verheugt zich in dit verband over de recent opgerichte permanente GVDB-opslag;

19.  herinnert aan zijn resolutie van 2001 waarin werd aangedrongen op de oprichting van een Europees Civiel Vredeskorps; is verheugd over de recente inspanningen om een Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening in het leven te roepen bij de Commissie, en om een pool van deskundigen op het gebied van bemiddeling, dialoog en verzoening op te zetten bij de Europese Dienst voor extern optreden; is tevens verheugd over de totstandkoming en de voortzetting van het tussen de Dienst voor extern optreden en relevante maatschappelijke organisaties gesloten partnerschap voor vredesopbouw;

20.  onderstreept de belangrijke rol van bemiddeling en dialoog bij de vreedzame preventie en oplossing van conflicten; prijst de EDEO voor de vorderingen die zijn gemaakt bij de versterking van zijn bemiddelingscapaciteiten, en spreekt nogmaals zijn steun uit voor een verdere versterking van de Europese capaciteiten op dit gebied; meent dat uit de succesvolle deelname van het Parlement aan bemiddelingsprocessen is gebleken dat Parlementsleden een belangrijke rol kunnen spelen bij de ondersteuning van bemiddelings- en dialoogprocessen, en is voornemens zijn inspanningen op dit gebied verder op te voeren;

21.  stelt voor om mensenrechten- en genderadviseurs aan te stellen bij alle GVDB-missies en pleit voor de uitwisseling van goede praktijken tussen GVDB-missies om ervoor te zorgen dat ten volle rekening wordt gehouden met mensenrechtenkwesties en dat vrouwen volledig worden beschermd en betrokken bij de oplossing van conflicten en in postconflictsituaties; verzoekt de Raad en de EDEO verdere stappen te ondernemen om rekening te houden met genderaspecten bij de planning van personeel voor GVDB-missies;

22.  benadrukt dat succesvolle militaire operaties een duidelijke bevel- en controlefunctie vereisen; herhaalt daarom zijn oproep om een permanent militair operationeel hoofdkwartier op te richten; neemt met spijt kennis van de gebrekkige vooruitgang hiervan en de sterke weerstand van sommige lidstaten; benadrukt verder dat voor een doeltreffend GVDB geschikte systemen voor vroegtijdige waarschuwing en ondersteuning bij het inlichtingenwerk noodzakelijk zijn; is daarom van mening dat dit hoofdkwartier afdelingen voor de vergaring van inlichtingen en voor vroegtijdige waarschuwing/inschatting van situaties moet hebben;

23.  bevestigt zijn steun voor een tijdelijke oplossing en vestigt de aandacht op zijn voorstel om het statuut van het momenteel actieve operatiecentrum voor de Hoorn van Afrika te verbeteren en om steun te verlenen aan de militaire planning en de coördinatie tussen de actoren in het veld; verzoekt de HV/VV om binnen de beperkingen van de huidige omvang en infrastructuur deze optie te ontwikkelen teneinde het gebruik van de bestaande middelen te optimaliseren, en om de haalbaarheid te onderzoeken van de uitbreiding van het geografische toepassingsgebied naar andere belangrijke gebieden; is van mening dat dit orgaan rechtsbevoegdheid moet hebben en de rol toebedeeld moet krijgen om aanbestedingen te coördineren tussen Brussel en de verschillende missiehoofdkwartieren door gebruik te maken van schaalvoordelen om de besparingen te maximaliseren;

24.  merkt op dat de EU-gevechtstroepen nog nooit zijn ingezet, en is van mening dat hun bestaan steeds moeilijker te rechtvaardigen zal zijn; benadrukt dat zij een belangrijk instrument vormen voor de tijdige opbouw van de troepenmacht, opleiding en een goede reactiesnelheid; is verheugd over het besluit om deze kwestie tijdens de top in december aan te kaarten; is ervan overtuigd dat de EU moet beschikken over vaste gevechtstroepen in hoge staat van paraatheid met componenten van de land-, lucht-, zeemacht, cyberdefensie en speciale troepen die een hoog ambitieniveau hebben; onderstreept het feit dat EU-gevechtstroepen ingezet moeten kunnen worden voor alle soorten crises, zo ook bij door het klimaat veroorzaakte humanitaire rampen; is voorstander van een meer flexibele en doelgerichte aanpak om de reactie op en de aanpasbaarheid aan verschillende crisissituaties te verhogen en de modulariteit te verbeteren teneinde de hiaten tijdens de beginfases van GVDB-operaties te dichten zonder de operationele capaciteit van de gevechtstroepen in hun geheel in het gedrang te brengen;

25.  benadrukt dat grotere inspanningen nodig zijn om initiatieven als het Eurocorps en de Europese Groep van Luchtmachten op EU-niveau te integreren;

26.  bevestigt dat het bestaande financiële systeem ("kosten worden gedragen waar ze worden gemaakt") een groot probleem vormt voor het GVDB en vertragingen of de complete blokkering van de besluitvorming veroorzaakt, in het bijzonder over de snelle inzet van gevechtstroepen; raadt de lidstaten aan overeenstemming te bereiken over een EU‑financieringsmechanisme op basis van de verdeling van de lasten voor het gebruik van gevechtstroepen onder EU-vlag teneinde hun een realistische toekomst te bieden; pleit er tevens voor dat de EDEO – om redenen van consistentie en doeltreffendheid – de controle krijgt over de financiële instrumenten ten aanzien van de door de dienst geplande en uitgevoerde crisisbeheersingsmaatregelen; verwacht dat de HV/VV en de geïnteresseerde lidstaten hierover concrete voorstellen doen;

27.  uit daarnaast zijn bezorgdheid over het feit dat de economische en schuldencrisis een impact kunnen hebben op de bereidheid van de EU-lidstaten om een bijdrage te leveren aan GVDB-missies en -operaties, in het bijzonder die met militaire en defensie‑implicaties; roept daarom op de toepassing van het Athena-mechanisme uit te breiden en het startfonds (artikel 41, lid 3, VEU) te gebruiken om de snelle financiering van dringende taken te garanderen; benadrukt evenwel dat zelfs als een nieuwe impuls voor het GVDB noodzakelijk mocht blijken, deze in overeenstemming moet zijn met de budgettaire beperkingen;

28.  verzoekt de lidstaten de door de PESCO geboden mogelijkheden te benutten en te beginnen met de uitvoering van deze bepaling van het Verdrag om de heersende "GVDB‑moeheid" aan te pakken en de militaire samenwerking en integratie te verdiepen; roept de Europese Raad op duidelijke richtsnoeren voor de uitvoering ervan te geven, en verzoekt de niet-geïnteresseerde lidstaten zich constructief op te stellen; benadrukt dat het mogelijk moet blijven later aan te sluiten om de nodige flexibiliteit te waarborgen en te voorkomen dat er een Europa van twee snelheden ontstaat;

29.  wijst erop dat de EU een vitaal belang heeft bij veilige en open zeeën die de vrije doorgang van handel en het vreedzaam, legaal en duurzaam gebruik van de rijkdommen van de oceanen mogelijk maken; benadrukt dat de EU een extern maritiem beleid moet ontwikkelen dat gericht is op de bescherming en het behoud van kritieke infrastructuur, open zeevaartroutes en natuurlijke hulpbronnen, en waarin de nadruk komt te liggen op de vreedzame oplossing van conflicten binnen het kader van het internationaal recht en in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee; ziet uit naar de vaststelling van de maritieme veiligheidsstrategie van de EU, overeenkomstig de conclusies van de Raad van april 2010, en pleit voor de ontwikkeling van een specifiek uitvoeringsplan; wijst erop dat de integratie van maritiem toezicht in verschillende sectoren en grenzen al een sectoroverschrijdend instrument van het geïntegreerde maritieme beleid van de EU (GMB) vormt; benadrukt dat het project voor een gemeenschappelijke gegevensuitwisselingsstructuur spoedig moet worden uitgevoerd en dat tussen het GMB en het GVDB een "brug" moet worden gebouwd om de onderlinge uitwisseling van informatie te verbeteren;

30.  onderstreept dat de militarisering van regio's als het Noordpoolgebied moet worden voorkomen en benadrukt dat conflicten met vreedzame middelen, waaronder handelsinstrumenten, moeten worden opgelost;

31.  verzoekt de Europese Raad opnieuw het belang van de ruimtevaart te bevestigen, die het fundament vormt voor de strategische autonomie van de EU en de lidstaten en het potentieel om een autonome toegang tot de ruimte te krijgen door lanceersystemen en satellieten te ontwikkelen; herhaalt dat het zowel voor civiele als militaire GVDB-missies en operaties belangrijk is precieze inlichtingen te vergaren; benadrukt in het bijzonder de rol van ruimtegebaseerde middelen voor conflictpreventie en crisisbeheersing voor, tijdens en na een crisis; verzoekt de Commissie een specifiek beleid te ontwikkelen om de ontwikkeling van multifunctionele ruimtemiddelen te ondersteunen;

32.  wijst er nogmaals op dat de bestrijding van bedreigingen van de cyberveiligheid steeds belangrijker wordt; verzoekt de Europese Raad richtsnoeren te ontwikkelen voor de uitvoering van de EU-cyberveiligheidsstrategie en concrete maatregelen te nemen voor de bescherming van cyberinfrastructuur en voor investeringen ter verbetering van de samenwerking in de hele EU op het vlak van crisisbeheersingsprocedures, cyberoefeningen, ‑opleiding en ‑onderwijs; verzoekt de Commissie en de HV/VV erop toe te zien dat het beleid inzake cyberveiligheid op sectoroverschrijdende wijze wordt vastgesteld om de nodige samenhang tot stand te brengen tussen het interne en het externe veiligheidsbeleid van de EU, en roept alle lidstaten op hun nationale cyberveiligheidsstrategie uit te werken of te voltooien en naar een sterkere synchronisatie op Unieniveau te streven;

33.  verzoekt de Europese Raad opnieuw het belang te bevestigen van de Europese energievoorziening en een gediversifieerde en duurzame toegang tot energiehulpbronnen; constateert dat sommige lidstaten niet in staat zijn hun energievoorziening te diversifiëren en daarom in toenemende mate kwetsbaar worden; spreekt in dit verband zijn nadrukkelijke steun uit voor de samenwerkingsinspanningen van lidstaten in crisissituaties; benadrukt dat de clausule inzake wederzijdse verdediging en/of solidariteit dient te worden geactiveerd door de bescherming van kritieke infrastructuur in Europa; merkt tevens op dat de operatie Atalanta ook nu al instaat voor energiezekerheid door de strijd aan te binden met de piraten die sinds 2008 een aantal olietankers hebben gekaapt; gelooft daarom dat deze aspecten deel moeten uitmaken van de noodzakelijke strategische aanpak; benadrukt in dit verband dat energievoorziening een cruciale factor is voor succesvolle GVDB-missies en ‑operaties;

34.  beklemtoont het belang van energie-efficiëntie op het gebied van defensie en benadrukt dat het effect van het energieverbruik op de defensiebegroting en de militaire effectiviteit moet worden beoordeeld en dat er een alomvattende energie-efficiëntiestrategie voor de strijdkrachten moet worden ontwikkeld;

35.  onderstreept dat het voor de EU belangrijk is partnerschappen verder te ontwikkelen en haar veiligheidsdialoog met de VN, regionale organisaties en relevante spelers te verdiepen, onder andere met de landen van het Oostelijk Partnerschap en het Zuidelijk Nabuurschap;

36.  wijst erop dat de EU in gesprek moet blijven met de VN, de Afrikaanse Unie, de OVSE en ASEAN om analyses uit te wisselen en samen te werken en zo de uitdagingen van het milieubeleid en de klimaatverandering en de gevolgen hiervan op het vlak van veiligheid aan te pakken; onderstreept dat preventieve actie nodig is en dringt er bij de EU op aan vroegtijdige waarschuwingscapaciteiten te ontwikkelen en te verbeteren;

37.  roept op tot een sterkere samenwerking tussen de EU- en NAVO-structuren via een aanvullende aanpak en nauwere coördinatie, om overlappingen tussen de beide partners te helpen vermijden en nieuwe dreigingen doeltreffend het hoofd te bieden; is ervan overtuigd dat een versterking van het GVDB de collectieve veiligheid en trans‑Atlantische banden niet schaadt maar juist verbetert; is van mening dat de ontwikkeling van de defensiecapaciteit binnen de EU-context ook de NAVO ten goede komt; neemt kennis van de constructieve samenwerking bij het initiatief inzake bundelen en delen en het Smart Defence-initiatief van de NAVO; is verheugd over de intentie van de Republiek Cyprus om deel te nemen aan het NAVO-programma "Partnerschap voor de Vrede", dat een kentering teweeg kan brengen, en roept Turkije op een even constructieve houding aan te nemen; dringt erop aan een alomvattend kader voor de samenwerking tussen de EU en de NAVO te ontwikkelen en de politieke dialoog te verdiepen met volledige eerbiediging voor de besluitvorming van elke partij;

38.  is van mening dat de EU autonoom moet kunnen handelen, vooral in haar eigen omgeving, maar altijd in overeenstemming met de bepalingen van het VN-Handvest en met volledige eerbiediging van het internationaal humanitair recht;

Tweede cluster: de ontwikkeling van de defensiecapaciteit verbeteren

39.  herhaalt zijn bezorgdheid over het feit dat het wegens verdere besparingen op nationale defensiebegrotingen onmogelijk zal worden de kritieke militaire capaciteit te onderhouden en dat kennis en technologieën onomkeerbaar verloren zullen gaan; merkt op dat tijdens de operaties in Libië en Mali de tekortkomingen van de capaciteiten van de lidstaten aan het licht zijn gekomen en dat de economische crisis de bestaande structurele problemen heeft verergerd; herhaalt echter zijn visie dat het probleem eerder van politieke dan van budgettaire aard is;

40.  neemt kennis van de voorstellen van de HV/VV in haar verslag over het GVDB van oktober 2013, met name voorstellen die gericht zijn op de invoering van stimulansen voor samenwerking op het gebied van defensiecapaciteit, met inbegrip van fiscale stimulansen; benadrukt dat de lidstaten ten volle kunnen profiteren van een nauwere samenwerking met het oog op militaire efficiëntie en hun beperkte middelen kunnen optimaliseren en op een betere en slimmere manier kunnen besteden door synergieën te creëren en door onnodige duplicatie en overbodige en verouderde capaciteit op gecoördineerde wijze te beperken;

41.  is verheugd over de lopende herziening van het capaciteitsontwikkelingsplan als basis voor een gezamenlijk transformatieconcept voor capaciteitsopbouw op de lange termijn; gelooft dat dit transformatieconcept regelmatig moet worden besproken en de tenuitvoerlegging ervan moet worden gestroomlijnd en, indien nodig, herzien;

42.  vestigt de aandacht op de missie van het Europees Defensieagentschap (EDA), dat, zoals vastgelegd in artikel 42, lid 3, en artikel 45 VEU, belangrijke taken heeft op het vlak van de tenuitvoerlegging van permanente gestructureerde samenwerking, het bepalen van een Europees beleid inzake capaciteit en bewapening, de ontwikkeling van de militaire capaciteit van de lidstaten en de versterking van de industriële en technologische basis van de defensiesector, evenwel zonder dat dit gevolgen heeft voor de EU-begroting;

43.  is van mening dat het bundelen en delen van militaire capaciteit geen wondermiddel is, maar wel een belangrijk antwoord kan bieden op de tekortkomingen in de Europese capaciteit; is verheugd over de faciliterende rol van het EDA en de reeds geboekte vooruitgang; is van mening dat het bundelen en delen niet alleen op het vlak van gezamenlijke toelevering moet worden overwogen, maar ook op het vlak van integratie en dat het ook betrekking moet hebben op het gedeelde onderhoud en gebruik van de capaciteit;

44.  verzoekt om versterking van de rol van het Europees Defensieagentschap (EDA) in de coördinatie van capaciteit teneinde het aantal overlappingen en parallelle programma's tussen lidstaten, die voor de deelnemers tot buitensporige kosten leiden, te beperken;

45.  verzoekt de EU-lidstaten het delen van informatie over defensieplanning te verbeteren en overeenkomstig de gedragsregels inzake bundelen en delen in de planningcycli en besluitvormingsprocessen op het vlak van nationale defensie oplossingen met bundelen en delen op te nemen;

46.  benadrukt dat wederzijds vertrouwen, transparantie en betrouwbaarheid cruciale factoren zijn voor het succes van elke gemeenschappelijke onderneming op het gebied van veiligheid en defensie; is ervan overtuigd dat de ontwikkeling van defensiecapaciteit moet worden verankerd in een strategische aanpak, waarin de juiste combinatie van capaciteit en de doelstellingen waarvoor zij worden gebruikt, wordt vastgelegd;

47.  verwacht, in het licht van het voorgaande, dat de komende defensietop:

   a) politieke en strategische leiding verschaft, waarbij de toewijding van de lidstaten voor de capaciteitsontwikkeling en de in de verklaring van 2008 over versterking van de capaciteit vastgelegde ambitie opnieuw wordt bevestigd;
   b) de fundamenten legt voor een echt collectieve planning, variërend van strategische planning tot aanbestedingen en technologische ontwikkeling, terwijl bijzondere aandacht wordt besteed aan de kwesties van financiële regelingen en stimulansen;
   c) de tenuitvoerlegging van de bestaande projecten opvoert, in het bijzonder die met betrekking tot strategische hulpmiddelen, en politieke steun verleent aan de vlaggenschipprojecten van het EDA, zoals bijtanken in de lucht, satellietcommunicatie, op afstand bestuurbare vliegtuigsystemen, cyberdefensie en het gemeenschappelijk Europees luchtruim;
   d) de HV/VV en het EDA de opdracht geeft in samenwerking met de Commissie vóór het einde van 2014 nieuwe praktische voorstellen te doen met betrekking tot de ontwikkeling van de defensiecapaciteit;
   e) een controleproces invoert waarbij de geboekte vooruitgang regelmatig wordt beoordeeld;
   f) het belang herhaalt van een nauwere samenwerking met de NAVO en strategische partners op het vlak van de capaciteitsontwikkeling;
   g) overweegt ontwikkelingswerk voor een militair hoofddoel 2025 op te starten, dat mogelijk wordt aangevuld door een industrieel hoofddoel;

Derde cluster: de Europese defensie-industrie versterken

48.  is tevreden over de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector", waarin enkele nieuwe ideeën en voorstellen naar voren komen; steunt de inspanningen van de Commissie ten volle om de interne defensie- en veiligheidsmarkt te verdiepen en een defensie-industriebeleid te ontwikkelen waarin passende steun wordt verleend aan kmo's die een belangrijke rol spelen in innovatie, O&O, het scheppen van banen en economische groei, overeenkomstig de Europa 2020-strategie;

49.  onderstreept het feit dat de versterking van de technologische en industriële basis van de defensiesector een doelstelling van de Unie vormt die in artikel 42, lid 3, en artikel 45 VEU verankerd is; benadrukt dat een Europese technologische en industriële basis voor defensie (EDTIB) die solide genoeg is om het GVDB te schragen, de Europese militaire capaciteit verder te versterken en tegelijkertijd de strategische autonomie van de EU te handhaven, van cruciaal belang is voor een doeltreffende Europese defensie; benadrukt het verband tussen onderzoek, industrie en capaciteitsontwikkeling, die stuk voor stuk noodzakelijke elementen vormen voor economische groei, het scheppen van banen en concurrentievermogen alsook voor een versterkt GVDB;

50.  herhaalt dat er behoefte is aan een sterke en minder gefragmenteerde Europese defensie‑industrie waardoor het GVDB in stand kan worden gehouden en de strategische autonomie van de EU kan worden versterkt; benadrukt dat certificering en normalisering belangrijk zijn om de interoperabiliteit van de gevechtstroepen te verhogen; roept de Europese Raad op het EDA de opdracht te geven een stappenplan voor te bereiden voor de ontwikkeling van industriële normen inzake defensie, en roept de lidstaten op Europese certificeringsprocedures te stroomlijnen met de wederzijdse erkenning van certificaten, en hun certificeringsprocedures te harmoniseren;

51.  benadrukt dat het anticiperen op en het in goede banen leiden van verandering en herstructurering een integraal deel vormen van elk industriebeleid; is daarom van mening dat een verdere marktintegratie in de defensiesector gepaard moet gaan met een actieve sociale dialoog en een matiging van de negatieve gevolgen ervan voor regionale en lokale economieën door ten volle gebruik te maken van de financiële instrumenten van de EU, zoals het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering;

52.  roept de Europese Raad op actie te ondernemen op deze terreinen in de vorm van een degelijke financiering van O&O, ook op Unieniveau; steunt de ontwikkeling van een doeltreffende en kostenefficiënte samenwerking tussen onderzoeksactiviteiten voor civiele veiligheid en defensie; benadrukt echter dat er nog steeds behoefte is aan een doeltreffende regeling voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik;

53.  benadrukt de noodzaak om voor onderzoek en innovatie op defensiegebied voor nieuwe financieringsbronnen te zorgen, bijvoorbeeld in het kader van Horizon 2020;

Slotbeschouwingen

54.  steunt het houden van een debat over de drie clusters op de defensietop van december volledig; onderstreept dat zij al deze clusters even belangrijk zijn en dat zij onderling verbonden zijn door een inherente logica die dezelfde strategische doeleinden beoogt;

55.  verzoekt de Europese Raad en beleidsmakers op alle niveaus in de EU-lidstaten meer ambitie en moed te tonen bij het voeren van een openbaar debat, hetgeen in tijden van bezuinigingen nog belangrijker is; benadrukt dat er meer moet worden geïnvesteerd, dat de samenwerking op het vlak van veiligheid en defensie moet worden opgevoerd en dat het causale verband tussen veiligheid en defensie enerzijds en vrijheid, democratie, de rechtsstaat en voorspoed anderzijds moet worden uitgelegd;

56.  benadrukt het onlosmakelijke verband tussen de interne en de externe dimensie van veiligheid, en onderstreept dat een vreedzame, veilige en stabiele omgeving een voorwaarde is voor het behoud van het politieke, economische en sociale model in Europa;

57.  spreekt zijn hoop uit dat deze Europese Raad geen op zich staande gebeurtenis is, maar het startpunt van een continu proces waarin veiligheid en defensie regelmatig op het niveau van de Europese Raad worden besproken; is voorstander van de opstelling van een stappenplan met specifieke ijkpunten, termijnen en een verslagleggingsmechanisme als follow-up van de Europese Raad; pleit voor de oprichting op de middellange termijn van een Raad van ministers van Defensie om aan veiligheids- en defensiekwesties het gewicht toe te kennen dat zij verdienen;

58.  besluit om door middel van regelmatige bijeenkomsten nauwere banden met de nationale parlementen van de lidstaten te onderhouden teneinde de dialoog en de uitwisseling van standpunten over veiligheids- en defensieaangelegenheden te bevorderen;

59.  is van mening dat het GVDB een fundamentele pijler van het Europese integratieproces vormt;

o
o   o

60.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de HV/VV, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de NAVO, de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de NAVO, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de fungerend voorzitter van de OVSE, de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de OVSE, de voorzitter van de Vergadering van de Afrikaanse Unie en de secretaris-generaal van ASEAN.

(1) PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1.
(2) PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0380.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0381.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0455.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0456.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0458.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0457.
(9) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 9.
(10) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 51.
(11) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 7.
(12) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0278.
(13) http://eeas.europa.eu/library/publications/2013/3/2013_eeas_review_en.pdf


De Europese industriële en technologische defensiebasis
PDF 163kWORD 83k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over de Europese technologische en industriële defensiebasis (2013/2125(INI))
P7_TA(2013)0514A7-0358/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en met name de artikelen 21, 42, 45 en 46 daarvan, alsook de artikelen 173, 179-190 en 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en protocol nr. 10 daarbij,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 13 en 14 december 2012 en het voorbereidingsproces van de bijeenkomst van de Europese Raad over defensieaangelegenheden die gepland is voor 19 en 20 december 2013,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 juli 2013 "Naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector" (COM(2013)0542),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 december 2007 "Een strategie voor een sterkere en meer concurrerende Europese defensie-industrie" (COM(2007)0764),

–  gezien de door de Europese Raad op 12 december 2003 vastgestelde Europese Veiligheidsstrategie en het door de Europese Raad van 11 en 12 december 2008 goedgekeurde verslag over de uitvoering daarvan,

–  gezien de verklaring over de aanscherping van het Europees veiligheids- en defensiebeleid, die de Europese Raad op 12 december 2008 heeft aangenomen, en de verklaring over de versterking van de vermogens van het Europees veiligheids- en defensiebeleid die de Raad op 11 december 2008 heeft aangenomen,

–  gezien de strategie voor de Europese technologische en industriële defensiebasis, die op 14 mei 2007 is aangenomen door het bestuur van het Europees Defensieagentschap (EDA),

–  gezien Besluit 2011/411/GBVB van de Raad van 12 juli 2011 tot vaststelling van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Europees Defensieagentschap en tot intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 2004/551/GBVB(1),

–  gezien Richtlijn 2009/81/EG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied(2),

–  gezien zijn resoluties van 22 november 2012 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(3) en van 14 december 2011 over de gevolgen van de financiële crisis voor de defensiesector in de EU-lidstaten(4),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7‑0358/2013),

Een krachtige Europese technologische en industriële defensiebasis: randvoorwaarde voor een succesvol gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid

1.  herinnert eraan dat voor een succesvol gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid een krachtige Europese technologische en industriële defensiebasis (ETID) nodig is, aangezien dit een randvoorwaarde is voor Europa om de veiligheid van haar burgers te kunnen waarborgen, haar waarden te beschermen en haar belangen te bevorderen; herinnert eraan dat de defensiesector een belangrijke bron van groei en innovatie is, die van wezenlijk belang zijn voor de Europese stabiliteit en veiligheid; is van mening dat de totstandbrenging en de ontwikkeling van een concurrerende ETID een van de strategische prioriteiten van de EU moet zijn;

2.  herinnert aan het niveau van de operationele ambities dat in de verklaring van 11 december 2008 van de Europese Raad over vermogensversterking is neergelegd en aan de civiele en militaire taken zoals omschreven in artikel 43, lid 1, VEU; wijst erop dat de lidstaten hebben toegezegd hun militaire vermogens te verbeteren; verzoekt de Europese Raad daartoe een Europees beleid inzake vermogens en bewapening te ontwikkelen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 42, lid 3, VEU;

3.  onderstreept dat terwijl bepaalde derde landen als China, India, Brazilië en Rusland hun defensie-uitgaven verhogen, in de EU op de defensiebegrotingen wordt gekort; vestigt de aandacht op het veranderende strategische mondiale landschap, de gekrompen begrotingen voor defensie, die met name het gevolg zijn van de economische en financiële crisis, de zich steeds sneller voltrekkende technologische ontwikkelingen en het feit dat de Europese defensie-industrie zich aan deze situatie aanpast door zich te richten op de export naar derde landen – ondanks de overdracht van gevoelige technologieën en intellectuele-eigendomsrechten – en door de productie buiten de EU te verplaatsen;

4.  maakt zich zorgen over de afname van de investeringen in defensie en verzoekt de lidstaten, het EDA en de Commissie stappen te ondernemen om te voorkomen dat de activiteiten in het kader van de ETID door derde machten met andere strategische belangen worden beheerst of beperkt; dringt er bij de lidstaten op aan de Europese industriële samenwerking te versterken met het oog op een zo groot mogelijke strategische autonomie, door het ontwikkelen en voortbrengen van performante militaire en veiligheidsvermogens waarbij gebruik wordt gemaakt van de meest geavanceerde technologieën;

5.  onderstreept dat het industrie-, ruimte- en onderzoeksbeleid van de EU met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is uitgebreid naar het domein van defensie; wijst erop dat de programma's van de Unie op andere gebieden zoals interne beveiliging en grensbewaking, rampenbeheer en ontwikkeling veelbelovende vooruitzichten bieden voor de gezamenlijke ontwikkeling van vermogens die relevant zijn voor deze beleidsterreinen en voor de uitvoering van GVDB-missies;

6.  brengt in herinnering dat er vorderingen moeten worden gemaakt met de ETID en merkt op dat er – gezien de steeds verfijndere en duurdere technologieën, groeiende internationale concurrentie, slinkende defensiebegrotingen en productievolumes – voortdurend ruimte is voor multinationale defensieprojecten en dat de defensiesectoren van de lidstaten niet langer duurzaam kunnen zijn op strikt nationale basis; betreurt dat ondanks een zekere bundeling van de middelen in de Europese ruimtevaartindustrie, de sectoren voor de uitrusting van landstrijdkrachten en marine nog steeds grotendeels langs de nationale grenzen zijn gefragmenteerd;

7.  benadrukt dat de opbouw van een Europese defensie-industrie op duurzame wijze moet plaatsvinden in alle lidstaten en gebaseerd moet zijn op de bestaande industriële basis, alsook op de bestaande voorschriften inzake het Europees industrieel beleid zoals bedoeld in artikel 173 VWEU, en niet alleen op de regels voor vrije concurrentie;

8.  herinnert de EU-lidstaten, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, de Commissie en het EDA eraan dat de lidstaten meer dan twintig jaar na de Koude Oorlog en ondanks het feit dat ze over relatief grote nationale defensiebudgetten konden beschikken niet in staat zijn gebleken te voldoen aan de hoofddoelen van Helsinki en andere doelstellingen op het gebied van de ontwikkeling van gezamenlijk militaire vermogens;

9.  herinnert eraan dat als Europa een sterke veiligheids- en defensie-industrie in stand wil houden, de lidstaten hun defensiebegrotingen moeten coördineren om de dubbele uitvoering van taken te voorkomen en hun gezamenlijke onderzoeksprogramma's moeten intensiveren;

10.  overwegende dat de Europese burgers ondanks de crisis en de bezuinigingen nog steeds vragende partij zijn voor een Europese defensie en industriële coördinatie en samenwerking als doorslaggevende factor voor veiligheid, efficiëntie en besparingen;

11.  neemt kennis van de mededeling van de Commissie van 24 juli 2013 en het verslag van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van 15 oktober 2013 over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid; vindt het betreurenswaardig dat de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) geen gezamenlijke Europese verklaring hebben afgegeven ter voorbereiding op de defensietop van de Europese Raad die dit jaar in december zal plaatsvinden; kijkt uit naar de specifieke wetgevingsvoorstellen van de Commissie over hoe de Europese structuur- en investeringsfondsen, het Enterprise Europe Network (EEN), het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering kunnen worden benut om de duurzame ontwikkeling van de defensie-industrie in alle delen van de Europese Unie te garanderen;

12.  brengt in herinnering dat de Commissie en de EU-ministers van Defensie er al in 2007 in een speciale Commissiemededeling en via de ETID-strategie van het EDA op wezen dat dringend actie moet worden ondernomen op dit gebied; betreurt de gemiste kansen om na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon regelmatig uitvoeringsverslagen in te dienen en strategieën te herzien; betreurt tevens dat in de nieuwe mededeling geen balans wordt opgemaakt van vorige strategieën; verzoekt de Commissie en het EDA in de toekomst een gezamenlijke ETID-strategie te ontwikkelen, aan de hand van eerdere ervaringen;

13.  stelt in een eigen brede beoordeling dat beide strategieën niet toereikend ten uitvoer zijn gelegd vanwege een gebrek aan een gemeenschappelijke visie op de ETID als gevolg van verschillende nationale en industriële belangen en het voortbestaan van gevestigde nationale gewoonten in de wapenindustrie; neemt nota van het feit dat er lidstaten zijn die niet over een eigen defensie-industrie en/of niche-industrieën beschikken die proberen om wereldwijd de beste prijs-kwaliteitverhouding te krijgen, en lidstaten met een minder concurrerende defensie-industrie die de nationale leveranciers begunstigt alsook lidstaten met een machtige nationale defensie-industrie die de sterke wereldwijde concurrentie aangaat;

14.  is ingenomen met het besluit van de Europese Raad om het versterken van de defensie van Europa op de agenda van zijn decembertop te plaatsen; verzoekt de Europese Raad de nodige nieuwe en ambitieuze impulsen te bieden en algemene beleidslijnen, politieke prioriteiten en tijdschema's te bepalen ter bevordering van een daadwerkelijk Europese technologische en industriële defensiebasis die ondersteund wordt door passende maatregelen inzake integriteit en het opbouwen van vertrouwen en die capaciteitsgericht is en synergieën bevordert, doeltreffend gebruik van de beperkte middelen waarborgt, duplicatie voorkomt en een geïntegreerde en concurrentiekrachtige positie bekleedt op de wereldmarkt;

Harmonisering van vereisten en bundeling van de vraag

15.  betreurt dat eerdere inspanningen om de vraag te bundelen niet hebben geleid tot een verbetering in de gefragmenteerde vraag van de EU, met 28 nationale defensieklanten en een nog hoger aantal klanten voor producten voor civiel en militair gebruik; is niet ingenomen met de beperkte resultaten van het vermogensontwikkelingsplan van het EDA; verzoekt daarom de Europese Raad een herzieningsprocedure op te starten voor de Europese defensie en ervoor te zorgen dat de coördinatie op EU-niveau van nationale procedures voor de ontwikkeling van het defensiebeleid realiteit wordt; verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid een alomvattend proces op te starten teneinde een witboek over Europese veiligheid en defensie op te stellen met het oog op de stroomlijning van de strategische ambities en de processen voor vermogensontwikkeling van de EU;

16.  verzoekt de lidstaten verder te onderzoeken of het mogelijk is het levenscyclusbeheer van hun defensievermogens op elkaar af te stemmen en gezamenlijk te programmeren in samenwerking met het EDA; is van oordeel dat grotere synergie met het oog op een gemeenschappelijk Europees beleid inzake vermogens en bewapening, zoals bedoeld in artikel 42 VEU, een randvoorwaarde is voor de omzetting van geharmoniseerde militaire vereisten in een geharmoniseerde verwerving van materiaal tussen de lidstaten, wat de basis vormt voor een succesvolle vraaggerichte transnationale herstructurering van de defensie-industrie in de EU;

17.  wijst op de werkzaamheden in het kader van het defensieplanningsproces van de NAVO, aan de hand waarvan de NAVO-lidstaten, waaronder 26 Europese lidstaten, in voorkomend geval overleg plegen om ervoor te zorgen dat de juiste defensievermogens worden ontwikkeld en onderhouden om toekomstige uitdagingen aan te kunnen; merkt op dat de NAVO de noodzaak van nauwe samenwerking met de industrie al lange tijd onderkent, niet in de laatste plaats om de ontwikkeling van voorschriften inzake het militaire vermogen te ondersteunen, met name met betrekking tot standaardisering en interoperabiliteit, en tegelijk de trans-Atlantische technologische en industriële defensiesamenwerking te bevorderen;

Industrieel beleid

18.  is van mening dat een Europees industrieel beleid inzake defensie moet beogen de vermogens van de lidstaten te optimaliseren door de ontwikkeling, aanwending en instandhouding van uiteenlopende capaciteiten, installaties, uitrustingen, materialen en diensten te coördineren zodat deze lidstaten uiteenlopende en zelfs de meest veeleisende missies kunnen vervullen, de samenwerking op het gebied van onderzoek en technologie te bevorderen en samenwerkingsprogramma's op het gebied van defensiemateriaal te ontwikkelen;

19.  erkent het belang van de Europese defensie-industrie voor innovatie en groei, aangezien de sector in de Unie ongeveer 400 000 rechtstreekse en onrechtstreekse banen oplevert; benadrukt dat de Europese defensie-industrie voor verscheidene uitdagingen staat en dat er daarom een nieuwe benadering nodig is die dubbel werk moet voorkomen en die tot grotere schaalvoordelen en meer industriële concurrentie moet leiden;

20.  vindt dat het tijd is voor een op vrijwillige leest geschoeide aanpak van de versnippering van de Europese defensiemarkt door verdere consolidering (en een initiatief voor harmonisering) zowel op het gebied van vraag, aanbod en reglementering als inzake geldende normen en dat het ook tijd is om te investeren in een geïntegreerd duurzaam industrieel beleid op basis van onderzoek, innovatie, een efficiënter gebruik van hulpbronnen, een strategie voor grondstoffen, een versterking van kmo's en de ontwikkeling van regionale netwerken; ondersteunt volledig de inspanningen van de Commissie om de interne markt op het gebied van defensie en veiligheid te verstevigen door passende steun te geven aan kleine en middelgrote ondernemingen die een belangrijke rol spelen bij innovatie, het ontwikkelen van specialisatie en geavanceerde technologieën en het scheppen van banen in het kader van de "Europa 2020"-strategie;

21.  vindt dat de lidstaten meer moeten samenwerken om de industriële uitdagingen het hoofd te kunnen bieden en merkt op dat de Unie er door de budgettaire beperkingen en de toenemende internationale concurrentie toe gedwongen wordt interne partnerschappen aan te gaan, opdrachten te bundelen en taken te verdelen; ondersteunt het EDA bij het stimuleren van regionale samenwerkingsverbanden;

22.  meent dat de defensiemarkten erkend moeten worden als specifieke markten wegens de verplichtingen inzake uitvoercontrole en non- proliferatie en de strenge eisen inzake geheimhouding die voor deze markten gelden, alsook omdat het aantal ondernemingen dat de markt bevoorraadt beperkt is en de vraag bijna uitsluitend van overheden komt;

23.  meent dat de defensie-industrie specifiek is omdat zij rekening moet houden met lange periodes van productontwikkeling en de noodzaak om de systemen gedurende vele tientallen jaren operationeel te houden, met de hoge en toenemende kosten van programma's en tot slot ook met het feit dat productcommercialisering sterk afhankelijk is van de regeringen van de lidstaten;

24.  steunt het potentieel van de producten van de veiligheids- en defensie-industrie, met name op het gebied van de ruimtevaart, de scheepvaart, de luchtvaart en de telecommunicatie, en stimuleert het duaal gebruik ervan; benadrukt dat de defensie-industrie een belangrijke motor is voor geavanceerde technologieën die in een later stadium voor commerciële doeleinden kunnen worden gebruikt;

25.  spoort de Raad aan om de ETID op alle mogelijke manieren te ondersteunen en met het oog daarop in de allereerste plaats het toepassingsgebied ervan beter af te bakenen, met name door de betrokkenen een bijzonder statuut te verlenen, bijvoorbeeld het statuut van defensiemarktoperator in Europa (DMOE);

26.  is er voorstander van dat operatoren dit DMOE-statuut krijgen op basis van de werkelijke toegevoegde waarde die ze vanuit zowel technologisch als sociaaleconomisch oogpunt voor Europa brengen; is bijgevolg van mening dat enkel deze defensiemarktoperatoren in Europa baat zouden mogen hebben bij de Europese programma's;

27.  meent dat het concept van defensiemarktoperator in Europa moet worden erkend en dat met het oog de bescherming van de DMOE's moet worden voldaan aan redelijke normen op het gebied van werkgelegenheid, wetenschappelijke en technologische kennis, besluitvormingsorganen en productie op het Europees grondgebied;

28.  verzoekt de lidstaten om hun industriële en technologische defensiebasissen en hun kenniscentra te ontwikkelen rond sleuteltechnologieën, met efficiënte mechanismen van ondernemingsbestuur binnen de Europese Unie, en zodoende de onderlinge afhankelijkheid tussen deze faciliteiten te vergroten;

29.  dringt er bij de lidstaten op aan om de samenwerking tussen grote defensiebedrijven en universiteiten aan te moedigen; onderstreept dat de universiteiten dankzij dergelijke samenwerking hun kennisbasis kunnen verbreden;

30.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om onnodige belemmeringen in de regelgeving zo veel mogelijk in te perken, om de dialoog tussen defensiebedrijven te verbeteren en om de rationalisering van deze bedrijven te bevorderen zodat zij het defensiemateriaal kunnen kopen dat het best voldoet aan hun eisen op het vlak van prestaties en kosten; vraagt om een snelle herstructurering van de Europese ondernemingen om nationale barrières te overwinnen en een mondiale visie te ontwikkelen;

31.  is van mening dat kmo's, die zich op grote schaal bezighouden met het ontwikkelen en vervaardigen van innovatieve producten, van doorslaggevend belang zijn voor de instandhouding en versterking van de ETID; merkt op dat de versnippering van de Europese defensiemarkt kmo's belemmert bij het op de markt brengen van hun producten; verzoekt de lidstaten, het EDA en de Commissie gezamenlijk te zoeken naar methoden en manieren om kmo's duurzaam te ondersteunen en hun toegang tot de defensiemarkt te vergemakkelijken; wijst erop dat Europese ondernemingen, met inbegrip van kmo's, baat zouden hebben bij een gemeenschappelijk systeem van standaardisering en certificering omdat dit hun toegang tot de Europese en wereldmarkt zou verbeteren, werkgelegenheid zou creëren en een positief effect op hun toegang tot EU-financiering zou hebben;

Een gemeenschappelijke aanpak voor standaardisering en certificering

32.  wijst er opnieuw op hoe belangrijk het is defensiemateriaal te standaardiseren om een concurrerende interne Europese markt voor defensie te verwezenlijken, interoperabiliteit te waarborgen en samenwerking op het gebied van bewapeningsprogramma's te vergemakkelijken, alsook om projecten te bundelen en te delen en een duurzame interoperabiliteit tussen de strijdmachten van de lidstaten te verzekeren, zodat de onderhouds- en operationele kosten kunnen worden beperkt en de Europese defensiecapaciteiten van de lidstaten optimaal kunnen worden gebruikt in gemeenschappelijke acties;

33.  herinnert eraan dat er talloze tegenstrijdige industriële normen voor civiele en militaire producten bestaan; betreurt het beperkte succes dat met de tenuitvoerlegging van de standaardiseringsovereenkomsten (STANAG's) en -aanbevelingen (STANREC's) van de NAVO is geboekt; verzoekt de Commissie en het EDA de toepassing van gemeenschappelijke defensienormen te bevorderen en om "hybride normen" te ontwikkelen voor gebieden waar sprake is van tweeërlei gebruik; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat eventuele maatregelen die zij in de toekomst nemen voor de vaststelling van defensienormen gebaseerd zijn op de civiele aanbevelingen van de Commissie en Europese normalisatieorganisaties;

34.  verzoekt de lidstaten de mogelijkheden te onderzoeken die het EDA biedt om Europese standaarden voor militaire producten en toepassingen te ontwikkelen, zoals voor de bouw van hospitaalschepen of voor op afstand bestuurde luchtvaartuigen;

35.  is ingenomen met de voorstellen van de Europese Commissie inzake standaardisering en roept de Raad op om er kennis van te nemen en concrete voorstellen ter zake te doen;

36.  verzoekt de lidstaten de Europese certificeringsprocedures te stroomlijnen, onder meer via de wederzijdse erkenning van certificaten en de ontwikkeling van gemeenschappelijke civiele en militaire Europese certificeringsprocedures;

Continuïteit van de bevoorrading

37.  onderstreept dat het in de context van de herstructurering van de industrie ook van belang is dat de continuïteit van de bevoorrading niet in het gedrang komt; verzoekt de lidstaten, het EDA en de Commissie spoedig een alomvattende en ambitieuze EU-regeling voor gegarandeerde aanvoer te ontwikkelen, met name voor strategisch materiaal en cruciale technologieën, die gebaseerd is op een stelsel van wederzijdse garanties en een risico- en behoefteanalyse, eventueel met gebruik van de rechtsgrond voor permanente gestructureerde samenwerking;

38.  dringt er bij de lidstaten op aan dat zij, als eerste stappen in de richting van deze doelstelling, volledig gebruikmaken van het potentieel van de algemene en globale vergunningen in het kader van Richtlijn 2009/43/EG betreffende de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap, en verzoekt hen vaart te maken met de inwerkingtreding van de kaderregeling van 2006 inzake de voorzieningszekerheid in geval van operationele urgentie;

39.  verzoekt het EDA en de Commissie een gezamenlijke onafhankelijkheidsstrategie voor cruciale technologieën te ontwikkelen, met name wat betreft onbeperkte toegang tot en beschikbaarheid van civiele en militaire (tweeledige) opkomende en sleuteltechnologieën, zoals de allernieuwste micro-/nano-elektronica, kunstmatige intelligentie en fototonica, die van essentieel belang zijn voor GVDB-missies; verzoekt de lidstaten de ETIB te gebruiken om de EU op deze sleutelgebieden beter zelfvoorzienend te maken;

Een nieuwe impuls voor samenwerking op het gebied van bewapening

40.  spoort de lidstaten aan de uit de afnemende vraag voortvloeiende industriële overcapaciteit aan te pakken door nieuwe gemeenschappelijke projecten op te starten en zich daarbij meer te verlaten op het EDA, waarop momenteel te weinig een beroep wordt gedaan en waarvoor te weinig middelen worden uitgetrokken, en lessen te trekken uit recente gezamenlijke operaties die tekortkomingen aan het licht hebben gebracht, bijvoorbeeld op het gebied van strategisch en tactisch luchttransport of van waarnemingen vanuit de lucht en de ruimte; beveelt met name aan om een cruciaal instrumentarium te ontwikkelen met civiel-militaire toepassingen, waaraan in de meeste lidstaten een schrijnend gebrek is, zoals op afstand bestuurde vliegtuigen (RPAS), de ontwikkeling van geavanceerde technologieën te bevorderen en de kerncompetenties binnen Europa te ondersteunen; is voorstander van EU-deelname aan gemeenschappelijke projecten via de leasing en/of de verwerving van vermogens voor tweeërlei gebruik en mogelijk ook van prototypen;

41.  meent in het licht van ervaringen uit het verleden dat het delen van ontwikkelings- en productieactiviteiten in het kader van gezamenlijke bewapeningsprogramma's moet worden georganiseerd op basis van een streng principe van industriële efficiëntie en economische prestaties, om dubbele inspanningen en ontsporende kosten te vermijden;

42.  roept de lidstaten op bij de voorbereiding van een grootschalige aanschaf van defensietechnologie de voorkeur te geven aan intra-Europese projecten of gezamenlijke regelingen, of aan Europese nieuwe technologieën, die zowel de Europese handel en de samenwerking, als de kwaliteits- en prijsconcurrentie op de wereldwijde defensiemarkt kunnen bevorderen;

43.  verzoekt de Europese Raad, tegen de achtergrond van de bestaande administratieve regeling tussen het EDA en de Gezamenlijke Organisatie voor Samenwerking op Defensiematerieelgebied (OCCAR), nadrukkelijk toe te zien op een geslaagde tenuitvoerlegging van gemeenschappelijke projecten en te streven naar nauwere banden tussen de twee organisaties;

44.  verzoekt de Europese Raad het EDA in staat te stellen zijn institutionele rol zoals vastgesteld in artikel 42, lid 3, en artikel 45 VEU, ten volle uit te oefenen door het de nodige middelen toe te kennen; wijst de lidstaten er nogmaals op dat zij het EDA van toereikende financiering moeten voorzien voor al zijn opdrachten en taken; is de mening toegedaan dat dit het beste kan gebeuren door de personeels- en exploitatiekosten van het agentschap uit hoofde van de EU-begroting te financieren, en wel vanaf het volgende meerjarig financieel kader;

Ondersteuning van GVDB-missies via Europees onderzoek en ontwikkeling

45.  merkt op dat de economische en financiële crisis, evenals besparingen in de defensiebegrotingen van de meeste lidstaten, tot aanzienlijke bezuinigingen, achteruitgang of vertragingen in de programma's voor onderzoek en technologische innovatie van nagenoeg alle lidstaten kunnen leiden, hetgeen waarschijnlijk een blijvende negatieve impact zal hebben op de Europese defensie-industrie en de wetenschappelijke vorderingen van de Unie in deze sector; wijst op het risico van banenverlies op middellange en lange termijn en van verlies aan industriecapaciteit en knowhow;

46.  herinnert aan het belang van onderzoek en innovatie in de sector van defensie en veiligheid en onderstreept het belang van het onderzoeksprogramma Horizon 2020, in het bijzonder van de zevende maatschappelijke uitdaging "Een veilige samenleving: de vrijheid en veiligheid van Europa en haar burgers beschermen"; onderstreept dat multinationale samenwerking tussen de lidstaten en hun respectieve agentschappen op dit gebied moet worden bevorderd; onderkent dat innovatieonderzoek voor de defensie-industrie een zeer vertrouwelijk karakter heeft en acht het daarom absoluut noodzakelijk dit onderzoek te financieren op een manier die aan de behoeften beantwoordt; meent dat in dit verband moet worden overwogen om binnen het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek een instituut voor Europese veiligheid en defensie op te richten;

47.  is ingenomen met het voornemen van de Commissie om een voorbereidende actie op te starten voor door de EU gefinancierd onderzoek ter ondersteuning van GVDB-missies, en verzoekt de Commissie om vroeg in het volgende meerjarig financieel kader een specifiek voorstel te doen dat kan dienen als voorloper van dergelijke programma's;

48.  is van oordeel dat onderzoek en innovatie in het kader van een ETID nog steeds een geldige ethische grondslag heeft; merkt op dat een volledig hoofdstuk van het Verdrag van Lissabon is gewijd aan het GVDB, met inbegrip van onderzoek naar defensietechnologie en het scheppen van een kader voor een gemeenschappelijke EU-defensie; roept de lidstaten en het EDA op het aantal gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten en de kwaliteit ervan aanzienlijk op te schroeven;

49.  herinnert eraan dat artikel 179 VWEU de Unie oplegt alle onderzoeksactiviteiten te bevorderen die uit hoofde van de verdragen nodig worden geacht;

50.  wijst erop dat de Europese ministers van Defensie in november 2007 overeenstemming hebben bereikt over gemeenschappelijke normen om de uitgaven voor O&O inzake defensie op te trekken tot 2 % van de totale defensie-uitgaven en om ervoor te zorgen dat 20 % hiervan via Europese samenwerkingsverbanden besteed wordt;

51.  steunt de Taskforce defensie, waar de Europese Commissie, de EDEO en het EDA deel van uitmaken, in haar inspanningen om ervoor te zorgen dat de resultaten van het onderzoek in het kader van het programma Horizon 2020 ook ten goede komen aan het onderzoek inzake innovatie op het gebied van defensie, en om de synergieën tussen de civiele en de militaire sector te optimaliseren; vraagt dat wordt gezocht naar manieren om gebruik te maken van publiek-private financiering door middel van de oprichting van gemeenschappelijke ondernemingen overeenkomstig artikel 187 VWEU;

52.  spoort het EDA aan zijn goede resultaten op het gebied van geslaagde gezamenlijke investeringsprogramma's voort te zetten en met de Commissie samen te werken aan het opzetten van programma's voor onderzoek en ontwikkeling op grond van artikel 185 VWEU;

53.  wijst op het belang van synergieën tussen civiel en militair onderzoek in domeinen met een grote toegevoegde waarde; benadrukt dat, rekening houdend met het voornamelijk civiele karakter en het overheidsaspect van bepaalde projecten, de mogelijkheid van een efficiënter duaal gebruik zou kunnen worden onderzocht met het oog op een bundeling van de kosten, aangezien dit sectoren zijn die banen en groei creëren; beklemtoont voorts dat deze synergie ook gestalte kan krijgen in een consolidatie van het Europese particuliere aanbod in commerciële afzetgebieden;

54.  roept de lidstaten op een geschikt platform in het leven te roepen om onderzoek inzake defensie om te buigen naar de civiele wereld, dit met nadruk op technologisch geavanceerde toepassingen; roept de lidstaten op om defensie-technologisch onderzoek tevens te richten op de bestrijding van natuurrampen, waarvan het aantal in de afgelopen 40 jaar in Europa verviervoudigd is;

55.  meent dat de defensie-industrie in de EU zowel in militair als in civiel opzicht een hoge innovatiegraad in stand moet houden om het hoofd te kunnen bieden aan alle dreigingen en uitdagingen waarmee de lidstaten en de EU de komende jaren zullen worden geconfronteerd, door gebruik te maken van de meest veelbelovende technologische ontwikkelingen, ongeacht of deze specifiek op de defensie-industrie gericht zijn dan wel voor civiele doeleinden bedoeld zijn;

56.  onderstreept de noodzaak om de resultaten van het onderzoek efficiënt te beschermen in het kader van een gezamenlijk intellectuele-eigendomsbeleid en meent dat de rol van het EDA op dit gebied verder moet worden versterkt om toekomstige technologische en industriële samenwerkingen tussen partners in de Unie al in een vroeg stadium te vereenvoudigen;

Ruimtevaart

57.  is ervan overtuigd dat de ruimtevaartsector bijdraagt tot de strategische autonomie van de EU en dat de mogelijkheid van de lidstaten om autonome toegang te verkrijgen een sleutelrol vervult in de defensie- en veiligheidssector; wijst erop dat de uitmuntendheid van deze technologisch innoverende en performante industrie moet worden gehandhaafd om de technologische onafhankelijkheid van de Europese Unie te waarborgen;

58.  is opgetogen over de instelling en ontwikkeling van een Europees satellietsysteem (Galileo, Copernicus en EGNOS); onderstreept dat de ontwikkeling van een dergelijk systeem niet alleen aan de ruimtevaartindustrie maar ook aan de autonomie van Europa een sterke impuls zal geven, en een gelegenheid biedt om een essentieel onderdeel van de industriële en technologische basis voor de defensie in Europa te ontwikkelen;

59.  wijst op de noodzaak om de Europese ruimtevaartinfrastructuur te beschermen door de capaciteit voor ruimtetoezicht en -bewaking (SST) te ontwikkelen;

ICT en gegevensbeveiliging

60.  herinnert eraan dat het digitale tijdperk grotere uitdagingen voor de veiligheid en beveiliging van infrastructuur en technologie meebrengt; wijst derhalve op de noodzaak van meer samenwerking en kennisuitwisseling tussen de lidstaten enerzijds en tussen de Europese Unie en haar belangrijkste partners anderzijds;

61.  vestigt de aandacht op de noodzaak om Europese normen op het gebied van ICT en cyberveiligheid op te stellen en deze in de internationale normen te integreren;

62.  roept de Commissie en de lidstaten op tot onderlinge samenwerking om te garanderen dat cyberveiligheid een cruciaal element is dat bijzondere aandacht krijgt bij onderzoek en innovatie binnen de veiligheids- en defensiesector en dat een onderdeel moet vormen van de strategie op korte, middellange en lange termijn;

63.  vraagt de Commissie en de lidstaten om in bestaande en toekomstige Europese civiele of militaire programma's zoals Galileo, Copernicus en het gemeenschappelijk Europees luchtruim/Sesar stelselmatig rekening te houden met de uitdagingen op het gebied van cyberveiligheid;

Versterking van de interne markt voor defensiemateriaal

64.  herinnert eraan dat de lidstaten de transparantie en toegankelijkheid van hun defensiemarkt dringend moeten verbeteren, maar wijst tegelijk op het specifieke karakter van de defensiemarkten, die gerelateerd zijn aan de essentiële veiligheidsbelangen van de lidstaten en daarom niet op dezelfde wijze als andere markten kunnen worden beschouwd; verzoekt de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat de richtlijnen van 2009 betreffende overheidsopdrachten op defensiegebied correct en coherent worden toegepast, met name wat betreft uitzonderingen op de EU-regelgeving in het kader van artikel 346 VWEU, teneinde de interne markt te versterken door de aanbestedingsregels in de defensiesector, waar dit passend is, te vereenvoudigen;

65.  spoort de Commissie aan om haar inspanningen voor gelijke spelregels op de defensiemarkt te verhogen door de toepassing van marktverstorende praktijken te beperken tot een strikt minimum van naar behoren gerechtvaardigde afwijkingen; wijst in het bijzonder op het feit dat het toezicht op staatssteun moet worden versterkt en dringt er daarom bij de lidstaten op aan om zowel tegenover de Europese autoriteiten en agentschappen als tegenover het brede publiek meer openheid aan de dag te leggen over de staatssteun en aanbestedingspraktijken in de defensiesector;

66.  is bezorgd over het feit dat een aantal lidstaten voorbereidingen treft om gebruikte F-16-gevechtsvliegtuigen aan te schaffen zonder Europese ondernemingen een eerlijke kans te bieden om mee te dingen; is van mening dat deze praktijken indruisen tegen de doelstelling van de Europese Raad om de Europese industriële defensiebasis te versterken; herinnert deze lidstaten eraan dat zij het non-discriminatie- en het transparantiebeginsel, zoals vastgesteld in het Verdrag van Lissabon, ook moeten toepassen op verkooptransacties tussen regeringen;

67.  verzoekt de lidstaten, het EDA en de Commissie gezamenlijk te streven naar de geleidelijke afschaffing van verplichte compensaties en tegelijk de integratie van de industrieën van kleinere lidstaten in de ETID te bevorderen met andere middelen dan compensaties; spoort de lidstaten met name aan de bepalingen van de richtlijn op het gebied van onderaanneming en algemene vergunningen ten volle te benutten om deze doelstelling te halen;

68.  onderstreept dat een ruimer gebruik van innovatieve aanbestedingstechnieken – met name e‑aanbestedingen en precommerciële aanbestedingen alsmede het bieden van stimulansen voor O&O – aangemoedigd dient te worden bij defensieaankopen, omdat zij wellicht bijzonder geschikt zijn voor deze sector en een belangrijke rol kunnen spelen bij het terugdringen van de administratieve last en de kosten in verband met aanbestedingsprocedures; is van mening dat tegelijkertijd de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten en technische kennis gewaarborgd moet worden; dringt er bij de lidstaten op aan strategisch gebruik te maken van aanbestedingen op defensiegebied en innovatieve gunningsbeginselen te hanteren op basis van het begrip "economisch voordeligste inschrijving";

69.  is van mening dat aanbestedende instanties en entiteiten op defensie- en veiligheidsgebied gebruik moeten kunnen maken van een specifieke aanbestedingsprocedure met betrekking tot opdrachten waarbij er behoefte is aan de ontwikkeling van een innovatief product, een innovatieve dienst of innovatieve werken en vervolgens de aankoop van de daarbij tot stand gekomen goederen, diensten of werken, als de reeds op de markt beschikbare oplossingen niet voldoen;

70.  is voorts van mening dat een dergelijke procedure ten goede zou komen aan de werking van de interne markt en de ontwikkeling van een Europese markt voor defensiematerieel en een technologisch en industrieel fundament voor het Europese defensiebeleid, en de groei van innovatieve kmo's zou stimuleren; onderstreept dat een dergelijke procedure al is overeengekomen in de herziene richtlijnen klassieke aanbestedingen en aanbestedingen nutssector, waardoor aanbestedende instanties een langdurig innovatiepartnerschap kunnen opzetten met het oog op de ontwikkeling en vervolgens de aankoop van nieuwe, innovatieve producten, diensten of werken, de nodige "market-pull" wordt gecreëerd en prikkels worden gegeven voor de ontwikkeling van een innovatieve oplossing zonder de markt af te schermen;

71.  verzoekt daarom de Commissie deze ontwikkelingen in aanmerking te nemen in het uitvoeringsverslag dat zij uit hoofde van Richtlijn 2009/81/EG inzake defensieopdrachten uiterlijk op 21 augustus 2016 aan het Europees Parlement en de Raad moet voorleggen, en dit verslag vergezeld te doen gaan van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van Richtlijn 2009/81/EG, waarin voor bedoelde contracten wordt voorzien in de procedure van het innovatiepartnerschap;

72.  dringt er bij de lidstaten op aan ook maatregelen te nemen om een einde te maken aan dubbel werk en overtollige capaciteit in de sector door de samenwerking op de interne markt op te voeren; wijst op de potentiële baten van gezamenlijke aankopen in de vorm van schaalvoordelen en interoperabiliteit; wijst erop dat gezamenlijke projecten tot lagere kosten zullen leiden en langetermijninvesteringen mogelijk maken;

73.  herinnert eraan dat de opdrachten die op het gebied van defensie en beveiliging worden gegund, vaak technisch complex zijn; onderstreept dat ter vergemakkelijking van grensoverschrijdende aanbestedingen – in voorkomend geval – onnodige, incompatibele of onevenredige technische eisen tegen het licht moeten worden gehouden om de hindernissen op de interne markt tot een minimum te beperken en waar mogelijk uit de weg te ruimen;

De ETID in een mondiale context

74.  merkt op dat de ontwikkeling van een uitvoerbare ETID alleen kan worden gezien als onderdeel van een mondiale markt en spoort de Commissie en de Europese Raad aan de kwestie vanuit een mondiaal oogpunt te benaderen; is van oordeel dat protectionistische maatregelen niet zouden stroken met de doelstelling de concurrentiepositie van de Europese defensie-industrie te verbeteren;

75.  betreurt de huidige ongelijke wederzijdse markttoegang tussen de VS en Europa en de daaruit voortvloeiende onevenwichtigheid in de defensiehandel; dringt aan op de verwezenlijking van daadwerkelijke wederkerigheid wat betreft de toegang tot overheidsopdrachten op het gebied van defensie aan beide zijden van de Atlantische Oceaan;

76.  verzoekt de lidstaten zich strikt te houden aan de verplichtingen die zijn vastgelegd in gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie en nauwkeurig te onderzoeken of alle vergunningsaanvragen aan de acht vastgestelde voorwaarden voldoen; dringt er bij de lidstaten en de EU op aan om zich in internationale fora in te zetten voor meer transparantie op de internationale markten voor defensieopdrachten, teneinde de controleerbaarheid van de mondiale wapenhandelsstromen te vergroten, met name door het Wapenhandelsverdrag te promoten; verzoekt de lidstaten om het Verdrag onverwijld te ratificeren, opdat het na goedkeuring door het Parlement in werking kan treden;

o
o   o

77.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de parlementen van de EU-lidstaten, de Parlementaire Vergadering van de NAVO en de secretaris-generaal van de NAVO.

(1) PB L 183 van 13.7.2011, blz. 16.
(2) PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0455.
(4) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 9.


Versterking van de sociale dimensie van de EMU
PDF 130kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over de mededeling van de Commissie "Versterking van de sociale dimensie van de Economische en Monetaire Unie (EMU)" (2013/2841(RSP))
P7_TA(2013)0515B7-0496/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 oktober 2013 getiteld "Versterking van de sociale dimensie van de Economische en Monetaire Unie (EMU)" (COM(2013)0690),

–  gezien het verslag van de voorzitter van de Europese Raad, Herman Van Rompuy, aan de Europese Raad van 26 juni 2012 getiteld "Naar een echte Economische en Monetaire Unie"(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 november 2012 getiteld "Blauwdruk voor een hechte economische en monetaire unie: Aanzet tot een Europees debat" (COM(2012)0777),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 14 december 2012 over de routekaart voor de voltooiing van de Economische en Monetaire Unie(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 maart 2013 getiteld "Naar een echte Economische en Monetaire Unie: Invoering van een instrument voor convergentie en concurrentievermogen" (COM(2013)0165),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 maart 2013 getiteld "Naar een echte Economische en Monetaire Unie: Voorafgaande coördinatie van plannen voor belangrijke hervormingen van het economische beleid" (COM(2013)0166),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 14 maart 2013(3), 28 juni 2013(4) en 25 oktober 2013(5),

–  gezien zijn resolutie van 20 november 2012 getiteld "Naar een echte Economische en Monetaire Unie"(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld "Naar sociale investering voor groei en cohesie - inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020" (COM(2013)0083) en zijn resolutie van 12 juni 2013 daarover(7),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2013(8),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 oktober 2009 getiteld "Solidariteit in de gezondheidszorg: Verkleining van de ongelijkheid op gezondheidsgebied in de EU" (COM(2009)0567),

–  gezien de openbare hoorzitting van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken van 9 juli 2013 over de "Sociale dimensie van de Economische en Monetaire Unie (EMU) - een Europese Werkloosheidsregeling",

–  gezien het paper over automatische stabilisatoren van 4 oktober 2013 van de werkgroep van DG Werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie van de Commissie,

–  gezien de beleidsnota van 13 september 2013 van het European Policy Center (EPC) getiteld "Developing the social dimension of a deep and genuine Economic and Monetary Union",

–  gezien de blauwdruk van Notre Europe voor een "Cyclical Shock Insurance in the euro area" van september 2013,

–  gezien de interne discussienota van het Internationaal Monetair Fonds van september 2013 getiteld "Toward a Fiscal Union for the Euro Area"(9),

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2013 over het effect van de crisis op de toegang tot zorg voor kwetsbare groepen(10),

–  gezien het Kwartaaloverzicht van de werkgelegenheids- en sociale situatie in de EU van de Commissie van oktober 2013,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de sociale dimensie van de Economische en Monetaire Unie (O-000122/2013 - B7-0524/2013),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de werkloosheid in de EU het alarmerend niveau van 26,6 miljoen werklozen heeft bereikt(11);

B.  overwegende dat de jeugdwerkloosheid een ongekende hoogte heeft bereikt en gemiddeld 23 % voor de EU als geheel bedraagt;

C.  overwegende dat de langdurige werkloosheid in de meeste lidstaten is gestegen, en in de EU als geheel een recordhoogte heeft bereikt;

D.  overwegende dat de structurele werkloosheid en het gebrek aan afstemming tussen vraag en aanbod van arbeid toenemen;

E.  overwegende dat de armoede in de EU is gestegen sinds 2007, terwijl de gezinsinkomens dalen, met als gevolg dat 24,2 % van de EU-bevolking momenteel de kans loopt tot armoede of sociale uitsluiting te vervallen;

F.  overwegende dat sinds het begin van de crisis de armoede onder werkenden gestaag is toegenomen;

G.  overwegende dat de stijgende armoede onder werkenden en het aantal werkloze gezinnen heeft geleid tot toename van de kinderarmoede;

H.  overwegende dat de ongelijkheden zowel binnen als tussen de lidstaten, met name in de eurozone, zijn toegenomen;

I.  overwegende dat er hardnekkige verschillen blijven bestaan tussen de lidstaten, die resulteren in de snelle polarisatie van werkloosheid, en overwegende dat dergelijke verschillen ook toenemen tussen regio's en sociale groepen in sommige landen;

J.  overwegende dat de sociale ongelijkheid sneller is gegroeid in de eurozone dan in de EU als geheel;

K.  overwegende dat via de prestatiemonitor sociale bescherming sociale tendensen zijn vastgesteld die in het oog moeten worden gehouden;

L.  overwegende dat de werkloosheid in de periferie van de eurozone in 2012 tot gemiddeld 17,3 % is gestegen, tegenover 7,1 % in het centrum van de eurozone;

M.  overwegende dat het percentage van jongeren in de periferie van de eurozone die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen ("NEET") in 2012 tot gemiddeld 22,4 % is gestegen, tegenover 11,4 % in het centrum van de eurozone;

N.  overwegende dat de armoede is toegenomen in tweederde van de lidstaten, maar zich in het overige derde deel heeft gestabiliseerd;

O.  overwegende dat er belangrijke stappen zijn ondernomen om het economisch bestuur van de EU te versterken; overwegende dat de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen momenteel echter wordt bedreigd;

P.  overwegende dat aan de discussie over sociale onevenwichtigheden hetzelfde gewicht zou moeten worden toegekend als aan de discussie over macro-economische onevenwichtigheden;

Q.  overwegende dat de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken op 9 juli 2013 een openbare hoorzitting heeft gehouden over de "Sociale dimensie van de EMU - een Europese werkloosheidsregeling", waar het idee van automatische stabilisatoren in de eurozone en mogelijke modaliteiten voor de invoering hiervan zijn besproken en onderzocht;

R.  overwegende dat de trojka heeft bevestigd dat hoogwaardige deelname van de sociale partners en een sterk sociaal overleg, ook op nationaal niveau, noodzakelijk zijn voor en kunnen bijdragen aan het welslagen van alle hervormingen, met name de hervormingen van de EMU;

S.  overwegende dat de economische situatie in een aantal lidstaten de kwaliteit van de werkgelegenheid, de sociale bescherming en de gezondheids- en veiligheidsnormen in gevaar heeft gebracht;

1.  is verheugd over de mededeling van de Commissie getiteld "Versterking van de sociale dimensie van de Economische en Monetaire Unie (EMU)" en beschouwt deze als een eerste stap op weg naar de ontwikkeling van een sociale dimensie van de EMU;

2.  erkent uitdrukkelijk dat de tenuitvoerlegging van de sociale dimensie van de EMU onderworpen is aan het subsidiariteitsbeginsel en het best kan worden gerealiseerd aan de hand van beste praktijken en collegiale toetsing op Europees niveau;

3.  is echter van mening dat er specifiekere voorstellen nodig zijn om ervoor te zorgen dat het economisch bestuur de sociale dimensie eerbiedigt;

4.  dringt erop aan de sociale overwegingen centraal te stellen in de Europese integratie en te integreren in al het beleid en alle initiatieven van de EU;

5.  is van mening dat de sociale dimensie een factor van afstemming/wisselwerking op het gebied van "benchlearning" moet zijn;

6.  wijst erop dat het doel van de sociale dimensie van de EMU erin bestaat de huidige en toekomstige generaties sociale zekerheid en een toereikende levensstandaard te bieden; acht het derhalve van belang dat de EU-burgers waarnemen dat hun Unie sociale vooruitgang kan bevorderen;

7.  is van mening dat de Europese integratie leidt tot de ontwikkeling van een sociaal Europa met een "sociale unie" als doel;

8.  is voorstander van de voorgestelde invoering van een scorebord van belangrijke werkgelegenheids- en sociale indicatoren ter aanvulling van de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden, teneinde de sociale gevolgen van economisch en ander beleid transparanter te maken aan de hand van ex-ante en ex-post effectbeoordelingen of toezicht, en dat kan worden gebruikt bij het opstellen van het gezamenlijk werkgelegenheidsverslag van de Commissie;

9.  is gekant tegen harmonisatie of afstemming die de minimalisering van sociale normen in de lidstaten tot gevolg heeft;

10.  merkt op dat met de voorgestelde indicatoren een omvattend beeld kan worden geschetst van de werkgelegenheids- en sociale situaties in de lidstaten;

11.  roept de Commissie op ervoor te zorgen dat alle relevante indicatoren gendersensitief zijn;

12.  dringt erop aan dat in de voorgestelde indicator inzake jeugdwerkloosheid jongeren worden opgenomen tot de leeftijd van 30 jaar op vrijwillige basis, zoals bepaald door de Europese Jeugdgarantie;

13.  dringt erop aan dat op het scorebord indicatoren worden opgenomen inzake kinderarmoede, toegang tot gezondheidszorg, dakloosheid, alsmede een index voor fatsoenlijk werk, zodat een goede beoordeling van de sociale situatie in de EU kan worden gemaakt;

14.  roept de Raad en de Commissie op concrete actie te ondernemen om de sociale gevolgen van beleidsmaatregelen en hervormingen transparanter te maken aan de hand van ex-ante en ex-post effectbeoordelingen van en toezicht op beleidshervormingen;

15.  verzoekt de Raad concrete benchmarks te definiëren voor de werkgelegenheids- en sociale indicatoren in de vorm van een Europees minimumpakket aan sociale beschermingsmaatregelen, met het oog op de bevordering van opwaartse sociale convergentie en sociale vooruitgang;

16.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te bewerkstelligen dat het Parlement en de sociale partners kunnen worden betrokken bij het vaststellen van de werkgelegenheids- en sociale indicatoren;

17.  benadrukt dat het nodig is het grote potentieel van sociaal ondernemerschap met betrekking tot alle aspecten van sociale innovatie op Europees niveau te ondersteunen, teneinde nationale socialezekerheidsstelsels te bevorderen, groei te stimuleren en nieuwe banen te creëren in de witte en groene economie, met name voor jongeren, in alle lidstaten en regio's;

18.  benadrukt dat ervoor gezorgd moet worden dat het toezicht op werkgelegenheids- en sociale ontwikkelingen kan leiden tot meer begrip en gericht is op het beperken van de sociale verschillen tussen de lidstaten en het voorkomen van sociale dumping;

19.  verzoekt de Commissie na te gaan of alle verslagen van de lidstaten stroken met de Europa 2020-doelstellingen, met name op het gebied van armoedebestrijding en werkgelegenheid, en om de onderlinge verbanden en samenhang tussen verschillende beleidslijnen nauwgezet te bestuderen;

20.  betreurt het feit dat in bovengenoemde mededeling van de Commissie van 2 oktober 2013 niet wordt ingegaan op de rol en de modaliteiten van stabilisatoren;

21.  is verheugd over de voorgestelde betrokkenheid van de sociale partners in het Europees semesterproces, onder meer in het kader van het Comité voor de sociale dialoog voorafgaand aan de jaarlijkse goedkeuring van de jaarlijkse groeianalyse (AGS);

22.  is ingenomen met de oproep om de EU-begroting optimaal te benutten om de sociale dimensie van de EMU te ontwikkelen en de vrijwillige mobiliteit van werknemers verder te ondersteunen, teneinde het werkgelegenheidspotentieel van de EU maximaal te benutten;

23.  verzoekt de sociale partners een nog actievere rol te spelen in het Europees semester; acht het overdreven formele karakter van het macro-economisch overleg betreurenswaardig;

24.  verzoekt de Commissie bovengenoemde resolutie van het Parlement van 23 oktober 2013, bovengenoemde mededeling van de Commissie van 2 oktober 2013, alsmede de resolutie hierover beter te integreren in de opstelling van de AGS 2014;

25.  brengt in herinnering dat een goed bestuur van de EMU en het effect ervan alleen doeltreffend kunnen zijn wanneer alle belanghebbenden, met inbegrip van de sociale partners , hierbij betrokken worden; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat alle belanghebbenden, waaronder de sociale partners, betrokken zijn bij het economisch bestuur, en met name bij het Europees semester;

26.  verzoekt de Europese Raad van december 2013 de stappen vast te stellen voor de versterking van het sociale aspect van de EMU;

27.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad en de Europese Raad.

(1)Doc.EUCO 00120/2012.
(2)Doc.EUCO 00205/2012.
(3)Doc.EUCO 00023/2013.
(4)Doc.EUCO 00104/2/2013.
(5)Doc.EUCO 00169/2013.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0430.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0266.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0447.
(9) SDN/13/09.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0328.
(11) Kwartaaloverzicht van de werkgelegenheids- en sociale situatie in de EU, oktober 2013.


Bangladesh: mensenrechten en komende verkiezingen
PDF 124kWORD 44k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over Bangladesh: mensenrechten en de komende verkiezingen (2013/2951(RSP))
P7_TA(2013)0516RC-B7-0497/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn vorige resoluties over Bangladesh, in het bijzonder van 23 mei 2013(1), 14 maart 2013(2), 17 januari 2013(3), 10 juli 2008(4) en 6 september 2007(5),

–  gezien de op 10 oktober 2013 verzonden brief van de missiehoofden van de Europese Unie ter gelegenheid van de Europese dag tegen de doodstraf,

–  gezien de verklaring van de EU-delegatie van 12 augustus 2013 over de opsluiting van Adilur Rahman Khan,

–  gezien de verklaring van 6 november 2013 van de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten Navi Pillay over de door Bangladesh opgelegde doodstraf aan 152 soldaten wegens de bloederige opstand in 2009,

–  gezien de VN-verklaring over mensenrechtenverdedigers, aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN op 9 december 1998,

–  gezien de universele periodieke evaluatie van Bangladesh van 2013,

–  gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU en Bangladesh al lang goede betrekkingen onderhouden, onder andere door de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling;

B.  overwegende dat in Bangladesh vóór 25 januari 2014 parlementsverkiezingen zullen worden gehouden, na vijf jaar bestuur door een gekozen burgerregering; overwegende dat vrije, eerlijke en transparante verkiezingen van essentieel belang zijn om het relatief stabiele democratische bestuur dat het land de afgelopen vijf jaar heeft ontwikkeld, te versterken;

C.  overwegende dat zo'n dertig Bengalezen om het leven zijn gekomen en er honderden gewond zijn geraakt door het politieke geweld tijdens de algemene stakingen ("hartals") waartoe werd opgeroepen door de Bengalese Nationalistische Partij (BNP) onder leiding van voormalig premier Begum Khaleda Zia, wiens bondgenoot, de partij Jamaat-e-Islami, eiste dat een overgangsregering zonder partijen toezicht zou houden op de volgende verkiezingen en erop aandrong dat premier Sheikh Hasina zou aftreden;

D.  overwegende dat deze uitschakelingen ertoe hebben geleid dat sinds vrijdag 8 november 2013 vijf vooraanstaande oppositieleiders door de regering werden gearresteerd, evenals – volgens BNP-bronnen – circa 1000 BNP-aanhangers in plattelandsgebieden;

E.  overwegende dat de zittende ministers zijn afgetreden en premier Hasina van de Awami Liga heeft aangeboden een regering met alle partijen te vormen, maar dat de voornaamste oppositiepartij tot dusver niet op dit aanbod is ingegaan;

F.  overwegende dat zowel de BNP als de Awami Liga door de jaren heen tegenstrijdige en veranderende ideeën hebben gehad over de verdienste van een overgangsregering, terwijl het hooggerechtshof in mei 2011 heeft verklaard dat de vijftien jaar oude grondwettelijke bepaling dat een gekozen regering aan het einde van haar termijn de macht moet overdragen aan een aangewezen politiek neutraal overgangsbestuur, dat toezicht houdt op nieuwe parlementsverkiezingen, onwettig is; overwegende dat het hooggerechtshof tegelijkertijd oordeelde dat het ongeldig verklaarde systeem nog twee parlementaire zittingsperioden mocht worden toegepast omwille van "de veiligheid van de staat en het volk"; overwegende dat het systeem in 2007-2008 door de laatste door het leger gesteunde overgangsregering in diskrediet is gebracht, toen deze bijna twee jaar lang weigerde verkiezingen te houden en de leiders van de twee voornaamste partijen, Sheikh Hasina en Begum Khaleda Zia (samen met haar zoon Tarique Rahman), liet opsluiten;

G.  overwegende dat de Awami Liga na deze uitspraak een vijftiende grondwetswijziging heeft ingevoerd en het overgangssysteem heeft afgeschaft, ongeacht de weigering van de BNP-oppositie aan deze hervorming mee te werken;

H.  overwegende dat er, sinds Sheikh Hasina aan de macht is gekomen, vijf regionale verkiezingen zijn gehouden in Bangladesh waar de Awami Liga als verliezer uit de bus is gekomen, en die geen aanleiding hebben gegeven tot bezwaren met betrekking tot onregelmatigheden;

I.  overwegende dat het verarmde deel van de Bengalese bevolking, dat voor zijn overleven afhankelijk is van een dagloon, ernstig is getroffen door de stakingen, en overwegende dat de kwetsbare Bengalese economie, die onlangs al te kampen heeft gehad met de traumatische ongevallen in de textielsector, hier waarschijnlijk onder zal lijden;

J.  overwegende dat er geruchten de ronde doen dat Jamaat-e-Islami de stakingen bevordert om de procedures met betrekking tot oorlogsmisdaden van zijn leiders te belemmeren;

K.  overwegende dat op 5 november 2013 tijdens een van de grootste rechtszaken ooit tegen 152 soldaten de doodstraf werd geëist door het speciale hof dat was opgezet ter vervolging van de tijdens de opstand in 2009 begane misdaden, waarbij 74 mensen, met inbegrip van 57 legerofficieren, brutaal waren vermoord; overwegende dat de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten, Navi Pillay, zijn ontsteltenis heeft uitgesproken over deze doodvonnissen, ook naar aanleiding van verslagen dat de beschuldigden werden gefolterd en dat de mensenrechten tijdens de massaprocessen niet in acht zijn genomen;

L.  overwegende dat ngo-activisten, juristen, journalisten en vakbondsleden die opkomen voor de burgerrechten, nog altijd onder druk worden gezet, en overwegende dat de autoriteiten geen doeltreffend onderzoek hebben ingesteld naar buitengerechtelijke executies, folteringen en verdwijningen, zoals bij vakbondsleider en mensenrechtenbeschermer Aminul Islam;

1.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de aanhoudende stilstand van het dagelijkse leven in Bangladesh als gevolg van algemene, door de BNP en de Jamaat-e-Islami-oppositie georganiseerde stakingen en de confrontatie tussen de twee politieke kampen - de Awami Liga en de oppositie - tijdens de aanloop naar de parlementsverkiezingen;

2.  betreurt dat het Bengalese parlement er niet in is geslaagd consensus te bereiken tussen alle partijen ten aanzien van de uitoefening van de macht door de regering in afwachting van de verkiezingen, ook gezien het feit dat de meeste democratieën deze fase afhandelen zonder overgangsregering; verzoekt de Bengalese regering en de oppositie met klem in het belang van Bangladesh te handelen, en te komen tot een compromis dat het Bengalese volk in staat stelt hun democratische wil te uiten;

3.  erkent de reputatie van Bangladesh als een tolerante samenleving met meerdere religies, en veroordeelt groepen en facties die te eigen bate spanningen proberen te wekken binnen de samenleving; verzoekt alle groepen en individuen verdraagzaamheid en zelfbeheersing te betrachten, met name vóór, tijdens en na de verkiezingen;

4.  verzoekt alle partijen de verkiezingen niet te boycotten, aangezien dit burgers hun politieke keuze zou ontnemen en de sociale en economische stabiliteit evenals de indrukwekkende ontwikkeling van Bangladesh zou ondermijnen, met name wat betreft de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, rampenbeheer, arbeidsrechten en de versterking van de positie van vrouwen;

5.  verzoekt de Bengalese verkiezingscommissie de volgende algemene verkiezingen volledig transparant te organiseren en controleren; ondersteunt de erkenning van nieuwe politieke partijen die van plan zijn aan de volgende algemene verkiezingen deel te nemen en aan redelijke criteria voor politieke participatie en vertegenwoordiging te voldoen;

6.  roept alle politieke partijen op om zich tijdens het verkiezingsproces te weerhouden van iedere vorm van geweld of aanzetting tot geweld, en om herhaling te voorkomen van de politiek gemotiveerde gewelddadige botsingen die zich voordeden tijdens de eerste helft van 2013; geeft in dit verband uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de recente golf van politiek gemotiveerd geweld waarbij eind oktober 2013 tientallen mensen om het leven kwamen;

7.  erkent dat het noodzakelijk is verzoening te bewerkstelligen, recht te doen geschieden en verdachten ter verantwoording te roepen voor de misdaden die tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in 1971 zijn begaan; benadrukt en ondersteunt in dit verband de belangrijke rol van het Internationaal Strafhof;

8.  betreurt echter het groeiende aantal mensen dat in Bangladesh in de dodencel zit, evenals de doodvonnissen die en masse zijn geëist tegen degenen die betrokken waren bij de grensbewakingsopstand van 2009; dringt aan op de toepassing van nationale en internationale normen met betrekking tot eerlijke processen en een behoorlijke rechtsgang;

9.  herhaalt in alle zaken en onder alle omstandigheden sterk gekant te zijn tegen de toepassing van de doodstraf, en verzoekt de bevoegde autoriteiten in Bangladesh als eerste stap in de richting van de afstraffing van de doodstraf een officieel moratorium in te voeren op de voltrekking ervan;

10.  verzoekt de Bengalese regering ervoor te zorgen dat het gunstige klimaat voor maatschappelijke organisaties en onder meer mensenrechtenbeschermers – dat veel heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van Bangladesh – weer terugkeert, zodat zij hun activiteiten vrijelijk kunnen uitvoeren;

11.  dringt er bij de Bengalese autoriteiten op aan dat zij spoedige, onafhankelijke en transparante onderzoeken uitvoeren naar zaken die betrekking hebben op de schending van de rechten van mensenrechtenbeschermers, met inbegrip van bedreigingen, aanvallen, moorden, foltering en mishandeling, om alle verantwoordelijken te identificeren en te berechten; onderstreept met name de zaak van vakbondsleider Aminul Islam, evenals de zaken van de journalisten Sagar Sarowar en Meherun Runi;

12.  is ingenomen met het gezamenlijke initiatief van de Bengalese regering en de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), in samenwerking met vertegenwoordigers van de overheid en van werkgevers en werknemers, voor het verbeteren van de werkomstandigheden in de confectiekledingsector; spoort Europese en andere internationale kledingmerken ertoe aan de beloften die tijdens de nasleep van de instorting van de Rana Plaza-fabriek werden gedaan, ook in het kader van de overeenkomst inzake gebouwen- en brandveiligheid in Bangladesh, na te komen;

13.  verzoekt de Bengalese regering een einde te maken aan de representativiteitsvereiste van 30% voor de registratie van vakbonden, het toepassingsgebied van de arbeidswet uit te breiden en daar ook categorieën werknemers in onder te brengen die er momenteel niet onder vallen, een verbod in te voeren op de bemoeienis van werkgevers met interne vakbondskwesties, het toepassingsgebied van de arbeidswet uit te breiden tot exportproductiezones, de verenigingen voor werknemerswelzijn het recht op collectieve onderhandeling te schenken en de registratie van deze verenigingen te vergemakkelijken;

14.  kijkt ernaar uit dat Bangladesh volledig samenwerkt met de verdragsorganen van de VN en een permanente uitnodiging verstrekt met betrekking tot de speciale procedures van de VN‑Mensenrechtenraad;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en de regering en het parlement van Bangladesh.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0230.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0100.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0027.
(4) PB C 294 E van 3.12.2009, blz. 77.
(5) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 240.


Qatar: situatie van migrerende werknemers
PDF 123kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over Qatar: de situatie van migrerende werknemers (2013/2952(RSP))
P7_TA(2013)0517RC-B7-0498/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2011 over de betrekkingen van de Europese Unie met de Samenwerkingsraad van de Golf(1),

–  gezien de vergadering van de Gezamenlijke Raad en de ministeriële bijeenkomst van de EU en de Samenwerkingsraad van de Golf die op 30 juni 2013 zijn gehouden in Manama, Bahrein,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de bescherming van de rechten van migrerende werknemers en hun gezinsleden van 18 december 1990,

–  gezien de bekendmaking door de Internationale Federatie van Voetbalverenigingen (Fédération Internationale de Football Association, FIFA) op 2 december 2010 van de selectie van Qatar als locatie voor het houden van de wereldbeker voetbal van 2022,

–  gezien het feit dat Qatar het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende gedwongen of verplichte arbeid (C029) op 12 maart 1998 heeft geratificeerd,

–  gezien de besluiten van de Qatarese minister van ambtenarenzaken en huisvesting over de toepassing van arbeidswet nr. 14/2004 tot regeling van de voorwaarden en procedures voor de afgifte van vergunningen aan Qatarese staatsburgers die buitenlandse werknemers in dienst willen nemen van 22 augustus 2005 en de Qatarese wet op sponsoring nr. 4 van 2009,

–  gezien de taakstelling van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten van migranten, François Crépeau, van 10 november 2013,

–  gezien de verslagen van Human Rights Watch en Amnesty International over de situatie van de bouwvakkers in Qatar in de aanloop naar de wereldbeker en het recente bezoek van de secretaris-generaal van Amnesty International aan het land,

–  gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er in Qatar naar schatting 1,35 miljoen buitenlanders zijn, die bijna 90 % van de werkende bevolking van het land uitmaken; overwegende dat de migranten vooral werk krijgen in de bouw, in de dienstensector en als huishoudelijk personeel; overwegende dat Qatar met dit cijfer de hoogste verhouding van migrerende werknemers tegenover inheemse bevolking ter wereld heeft; overwegende dat op zijn minst 500 000 bijkomende migrerende werknemers in Qatar worden verwacht om de bouwwerken als voorbereiding op de wereldbeker voetbal van 2022 te versnellen; overwegende dat de meerderheid van de migrerende werknemers afkomstig is uit India en Nepal, maar dat er ook afkomstig zijn uit Bangladesh, Pakistan, de Filippijnen en Sri Lanka;

B.  overwegende dat volgens de cijfers van het Internationaal Verbond van Vakverenigingen (International Trade Union Confederation, ITUC) die zijn verkregen van de ambassades van India en Nepal in het land, gemiddeld 200 werknemers uit elk van deze twee landen elk jaar in Qatar omkomt, een situatie die nog erger kan worden in de aanloop naar de wereldbeker van 2022;

C.  overwegende dat de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) erop heeft gewezen dat Qatar het internationale verdrag betreffende gedwongen of verplichte arbeid dat het in 1998 heeft geratificeerd, nog niet volledig ten uitvoer heeft gelegd; overwegende dat de IAO een driepartijencomité heeft opgericht om de beschikbare informatie te beoordelen en aanbevelingen te formuleren aan de regering van Qatar over de manier om haar internationale verplichtingen na te komen;

D.  overwegende dat de voorzitter van Qatars nationale mensenrechtencomité heeft toegegeven dat "er een aantal problemen waren" en heeft toegezegd dat hijzelf en de regering alles in het werk stellen om deze te remediëren; overwegende dat de Qatarese autoriteiten hebben meegedeeld dat de arbeidswetten zullen worden gewijzigd en dat huisvesting voor de werknemers wordt gebouwd;

E.  overwegende dat het systeem van gesponsorde visa, bekend onder de naam "kafala-systeem", inhoudt dat de werknemers niet van baan kunnen veranderen zonder toestemming van hun werkgever en dat zij het land niet kunnen verlaten, tenzij hun werkgever een vertrekvergunning ondertekent; overwegende dat het "kafala-systeem" vaak leidt tot misstanden, doordat werkgevers de paspoorten en visa van werknemers inhouden, terwijl werknemers ook vergoedingen van wel 3 500 USD worden aangerekend om een visum te krijgen van de "kafeel" of sponsor, waardoor de migrerende werknemers uitzonderlijk hoge schulden torsen;

F.  overwegende dat de ITUC in maart 2013 bij het ministerie van Arbeid een klacht heeft ingediend tegen bepaalde Qatarese bedrijven; overwegende dat het departement arbeidsbetrekkingen van het Qatarese ministerie van Arbeid in 2012 6 000 klachten van werknemers heeft ontvangen; overwegende dat de ITUC en de Internationale Vereniging van werknemers in de bouw- en de houtsector deze situatie aan de kaak hebben gesteld en samen klachten hebben ingediend bij de IAO over de arbeidsomstandigheden en de vrijheid van vereniging in Qatar;

1.  acht de overlijdens van migrerende werknemers in Qatar betreurenswaardig en spreekt zijn medeleven uit met hun families;

2.  is bezorgd door de situatie van migrerende werknemers in Qatar, met name de lange werkuren, de gevaarlijke arbeidsomstandigheden, het maandenlange uitblijven van betaling, de inbeslagname van hun paspoorten, het feit dat zij verplicht zijn te wonen in overbevolkte kampen, het feit dat hun het recht wordt ontzegd vakbonden op te richten en het feit dat zij geen toegang hebben tot gratis drinkwater bij extreme hitte;

3.  erkent de uitdagingen waarmee de Qatarese autoriteiten te maken hebben met betrekking tot het beheer van een werkende bevolking in het land die voor bijna 90 % bestaat uit migrerende werknemers, alsmede de praktische uitdagingen in verband met de handhaving van de wet op dit gebied;

4.  is tevreden met de aankondiging van de Qatarese regering dat bedrijven die van migrerende werknemers misbruik maken, op een zwarte lijst zullen komen; is tevreden met de inspanningen van de regering, en met name Qatars nationale mensenrechtenraad, om de kennis onder de migrerende werknemers van hun rechten en plichten overeenkomstig het internationale recht te vergroten; prijst de nationale mensenrechtenraad in verband hiermee om zijn besluit een nieuw centrum op te richten om de klachten van migrerende werknemers aan te pakken en de gehekelde problemen op te lossen;

5.  verzoekt de Qatarese autoriteiten de bestaande wetgeving op dit gebied effectief ten uitvoer te leggen, met name door het verbod op de inbeslagname van paspoorten te handhaven, voor overtredingen vervolgingen in te stellen en zinvolle sancties op te leggen aan bedrijven en individuen die wetten schenden die bedoeld zijn om de rechten van migranten te beschermen; is tevreden met het engagement van de Qatarese autoriteiten om wetgeving over huishoudelijk personeel vast te stellen met een zinvolle bescherming van de arbeidsrechten en effectieve nalevingsmechanismen; vraagt in verband hiermee om de snelle goedkeuring van de ontwerpwet op huishoudelijk personeel, die momenteel wordt besproken door de Hoge Raad voor familiezaken; merkt op dat de meerderheid van het huishoudelijk personeel vrouwen zijn;

6.  is tevreden met het voorstel van de hiervoor bevoegde overheidsinstanties om een onderzoek uit te voeren van alle klachten en met de belofte van de Qatarese autoriteiten van een verhoging van het aantal arbeidsinspecteurs, die de handhaving moeten controleren van behoorlijke arbeidswetten; verwacht dat de arbeidsinspecteurs opleiding krijgen over mensenrechtennormen en hoopt dat zij bij hun werk de hulp krijgen van tolken;

7.  is bezorgd door de detentie van personen louter omdat zij zijn "weggelopen" van hun werkgever en verzoekt de Qatarese autoriteiten om aan deze prakrijken een einde te maken; dringt er voorts op aan dat alle migrerende werknemers die zijn beroofd van hun vrijheid, contact kunnen opnemen met hun familie en hun consulaire diensten, toegang hebben tot een advocaat en een tolk en het recht hebben hun detentie onmiddellijk aan te vechten;

8.  is tevreden met de berichten over beweging in de richting van een oplossing voor de problemen van de Franse voetbalspelers Zahir Belounis en Stéphane Morello, die slachtoffer van het sponsorsysteem zijn geworden en daarom het land niet kunnen verlaten, en verzoekt de Qatarese autoriteiten, alsmede de FIFA, ervoor te zorgen dat dergelijke gevallen zich niet opnieuw voordoen;

9.  verzoekt Qatar het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten te ratificeren;

10.  verzoekt Qatar de IAO-verdragen te ratificeren, met name de verdragen inzake migrerende werknemers, de vrijheid van vereniging, het recht zich te organiseren en collectieve onderhandelingen te voeren, huishoudelijk personeel en particuliere arbeidsbureaus en te overwegen de IAO technische assistentie te vragen om ervoor te zorgen dat de Qatarese wetgeving en praktijk in overeenstemming zijn met deze verdragen;

11.  vraagt de bouw van meer schuilplaatsen voor migrerende werknemers, met bijzondere focus op schuilplaatsen voor vrouwen en kinderen die voldoen aan hun behoeften; is tevreden met de aankondiging op 9 november 2013 dat huisvesting zal worden gebouwd voor 60 000 werknemers, die moet worden opengesteld in december 2013;

12.  herhaalt dat de ratificatie en volledige tenuitvoerlegging door de lidstaten van de Samenwerkingsraad van de Golf, inclusief Qatar, van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden een centraal element moet zijn in de betrekkingen tussen de EU en de Samenwerkingsraad van de Golf;

13.  doet een beroep op de verantwoordelijkheidszin van de Europese bedrijven die stadiums bouwen of betrokken zijn bij andere infrastructuurprojecten in Qatar, om arbeidsomstandigheden te bieden die in overeenstemming zijn met de internationale normen op het gebied van de mensenrechten, en moedigt de EU-lidstaten aan stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat hun ingenieursbureaus, bouwfirma's en consultancybedrijven de OESO-richtsnoeren naleven en de Ruggie-principes eerbiedigen;

14.  verzoekt de Qatarese autoriteiten nauw samen te werken met de bevoegde autoriteiten in de landen van herkomst van de migrerende werknemers, die de rol moeten controleren van de aanwervingsbureaus die Qatar van migrerende werknemers voorzien; verzoekt de Europese dienst voor extern optreden hulp te bieden aan de regeringen die werknemers uitsturen, met name in Azië, om ervoor te zorgen dat zij de migrerende arbeidskrachten beter behandelen;

15.  is tevreden met de oproep van de internationale unie van voetbalspelers, de FIFPro, om aan onafhankelijke, door de FIFA en de IAO aangewezen deskundigen op het gebied van de werkplek toegang te verlenen tot alle locaties en deze deskundigen de bevoegdheid te verlenen bindende aanbevelingen te formuleren om ervoor te zorgen dat de internationale arbeidsnormen in Qatar worden nageleefd;

16.  herinnert de FIFA eraan dat haar verantwoordelijkheid verder gaat dan de ontwikkeling van het voetbal en de organisatie van toernooien en verzoekt de organisatie om met de actieve steun van haar Europese leden een duidelijk en krachtig signaal af te geven aan Qatar, om te voorkomen dat de voorbereidingen van de wereldbeker van 2022 worden overschaduwd door klachten van gedwongen arbeid;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Qatar, de regeringen en parlementen van de leden van de Samenwerkingsraad van de Golf, de FIFA, de UEFA, de IAO en de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN.

(1)PB C 247 E van 17.8.2012, blz. 1.


Rechtvaardige rechtspraak in Bolivia, met name de gevallen van Előd Tóásó en Mario Tadić
PDF 202kWORD 41k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2013 over eerlijke procesvoering in Bolivia, in het bijzonder de gevallen van Előd Tóásó en Mario Tadić (2013/2953(RSP))
P7_TA(2013)0518RC-B7-0499/2013

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en met name de artikelen 9 en 10,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat Bolivia heeft ondertekend en geratificeerd, en met name de artikelen 9, 10, 14, 15 en 16,

–  gezien het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, dat Bolivia heeft ondertekend en geratificeerd,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en met name de artikelen 1, 2, 3, 5, 6 en 7,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 47 en 48,

–  gezien het Amerikaans Verdrag inzake de rechten van de mens, dat Bolivia heeft ondertekend en geratificeerd,

–  gezien het Inter-Amerikaans Verdrag ter voorkoming en bestraffing van foltering, dat Bolivia heeft ondertekend en geratificeerd,

–  gezien de Boliviaanse grondwet en het Wetboek van strafvordering,

–  gezien de verklaring die op 23 mei 2012 was afgelegd door de Commissie mensenrechten, minderheids-, burgerlijke en religieuze aangelegenheden en de Commissie buitenlandse zaken van het Hongaarse parlement,

–  gezien de verklaring die op 12 juni 2012 was aangenomen door het Boliviaanse huis van afgevaardigden, in antwoord op de Hongaarse verklaring,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in Bolivia,

–  gezien artikel 122, lid 5 en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de speciale strijdkrachten van Bolivia op 16 april 2009 Előd Tóásó, Hongaars staatsburger, en Mario Tadić, Kroatisch staatsburger, in de Boliviaanse stad Santa Cruz de la Sierra hadden gearresteerd; overwegende dat drie anderen, namelijk Árpád Magyarosi, Roemeens staatsburger, Michael Martin Dwyer, Iers staatsburger, en Eduardo Rózsa-Flores, Hongaars staatsburger, omkwamen tijdens de beschietingen;

B.  overwegende dat Előd Tóásó en Mario Tadić sindsdien zonder aanklacht in voorarrest verblijven, daarbij voorbijgaand aan de Boliviaanse wet waarin een maximum van 36 maanden wordt gesteld aan de duur van een voorarrest, een periode die afliep op 16 april 2012;

C.  overwegende dat wordt beweerd dat de fundamentele mensenrechten van Előd Tóásó en Mario Tadić geschonden zijn, zowel tijdens hun arrestatie als tijdens het strafproces;

D.  overwegende dat op 18 mei 2010, toen Előd Tóásó en Mario Tadić al in hechtenis zaten, artikel 239 van het Boliviaanse Wetboek van strafvordering over de lengte van voorarrest, gewijzigd werd om de maximale periode daarvan met terugwerkende kracht te verlengen van 12 naar 36 maanden;

E.  overwegende dat op 17 december 2010 openlijk beschuldigingen van terrorisme werden geuit;

F.  overwegende dat in Advies 63/2011 (Plurinationale Staat Bolivia) van de VN-werkgroep inzake willekeurige hechtenis werd gesteld dat Bolivia de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens op verscheidene punten geschonden had, en daarin werd bekrachtigd dat Előd Tóásó gearresteerd was zonder arrestatiebevel en onrechtmatig in de gevangenis werd gehouden; overwegende dat de VN-werkgroep dienovereenkomstig de Boliviaanse regering opriep Előd Tóásó onmiddellijk in vrijheid te stellen;

1.  verzoekt de Boliviaanse autoriteiten een eerlijk en onafhankelijk proces te garanderen voor Előd Tóásó en Mario Tadić;

2.  neemt kennis van het verslag dat aangenomen en vervolgens in brede kring verspreid is door het Boliviaanse parlement, dat is gebaseerd op zijn eigen politieke onderzoek in de zaak;

3.  pleit voor een onafhankelijk onderzoek waarbij ook internationale deskundigen worden betrokken, naar de dood van Árpád Magyarosi, Michael Martin Dwyer en Eduardo Rózsa-Flores;

4.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden deze zaak als prioriteit te blijven aankaarten in de contacten met de Boliviaanse regering, en concrete maatregelen te nemen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en de plurinationale wetgevende vergadering van de Plurinationale Staat Bolivia, de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de VN-Mensenrechtenraad.

Juridische mededeling - Privacybeleid