Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 12 december 2013 over het ontwerp van verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie met het oog op de uitbreiding van het aantal rechters bij het Gerecht (02074/2011 – C7-0126/2012 – 2011/0901B(COD))(1)
Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie met het oog op de uitbreiding van het aantal rechters bij het Gerecht
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 19, lid 2, tweede alina,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 254, eerste alinea, en artikel 281, tweede alinea,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en met name artikel 106 bis, lid 1,
Gezien het verzoek van het Hof van Justitie,
gezien het advies van de Commissie,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
▌
(5) Ten gevolge van de geleidelijke uitbreiding van zijn bevoegdheden sinds de instelling ervan, wordt het Gerecht in een steeds groter aantal zaken aangezocht.
(6) Het aantal zaken dat bij deze rechterlijke instantie aanhangig wordt gemaakt, neemt van jaar tot jaar toe, met als gevolg dat het aantal daarbij aanhangige zaken mettertijd is toegenomen en de duur van de procedures langer is geworden.
(7) (7) Deze langere duur is moeilijk aanvaardbaar voor de justitiabelen, met name gelet op de vereisten in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
(8) (8) De situatie waarin het Gerecht verkeert, heeft structurele oorzaken die zowel verband houden met het feit dat de instellingen, organen en instanties van de Unie steeds intensiever en op bredere terreinen wetgevend en regelgevend optreden, als met het feit dat de dossiers waarin het Gerecht wordt aangezocht complex zijn, in het bijzonder op het gebied van mededinging en staatssteun.
(9) Bijgevolg moeten de maatregelen worden genomen die nodig zijn om aan deze situatie het hoofd te bieden, waarbij de door de Verdragen geboden mogelijkheid om het aantal rechters bij het Gerecht uit te breiden, ertoe kan leiden dat op korte termijn zowel het aantal aanhangige zaken als de buitensporig lange duur van de procedures bij deze rechterlijke instantie wordt teruggebracht.
(9bis) Deze maatregelen moet ook een regeling omvatten die een duurzame oplossing biedt voor de kwestie van de herkomst van de rechters, omdat de huidige verdeling van rechtersposten tussen de lidstaten niet ongewijzigd kan worden overgenomen in een situatie waarin er meer rechters dan lidstaten zijn.
(9 ter) Krachtens artikel 19, lid 2, VEU bestaat het Gerecht uit ten minste één rechter per lidstaat. Omdat het geografisch evenwicht en de medeweging van de respectieve nationale rechtsorden daardoor al is gewaarborgd, behoren de extra rechters uitsluitend op grond van hun professionele en persoonlijke geschiktheid te worden benoemd, gelet ook op hun kennis van de rechtsstelsels van de Europese Unie en van de respectieve lidstaten. Er mogen evenwel niet meer dan twee rechters uit elke lidstaat zijn,
▌
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Protocol nr. 3 betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt als volgt gewijzigd:
▌
(6 bis) In artikel 47 wordt de eerste alinea vervangen door:"
"Artikel 9 bis, de artikelen 14 en 15, artikel 17, eerste, tweede, vierde en vijfde alinea, en artikel 18 zijn van overeenkomstige toepassing op het Gerecht en op zijn leden.":
(7) ▌ Artikel 48 komt als volgt te luiden:
"In het Gerecht hebben één rechter per lidstaat en twaalf additionele rechters zitting. Er zijn niet meer dan twee rechters voor elke lidstaat.
Alle rechters hebben dezelfde status en dezelfde rechten en plichten.
De gedeeltelijke vervanging van de rechters, die om de drie jaar plaatsvindt, heeft beurtelings betrekking op de helft va de rechters, indien het aantal rechters een even getal is; en heeft beurtelings betrekking op een even aantal rechters en een oneven aantal rechters, dat wil zeggen dat aantal verminderd met één, indien het aantal rechters een oneven aantal is.;".
"
(7a) Het volgende artikel wordt ingevoegd:"
“Artikel 48 bis
Voor de per lidstaat te benoemen rechters berust het recht van voordracht bij de regering van de desbetreffende lidstaat.“;
"
(7b) Het volgende artikel wordt ingevoegd:"
“Artikel 48 ter
1. De additionele rechters worden benoemd ongeacht uit welke lidstaat de kandidaat afkomstig is.
2. De regeringen van alle lidstaten kunnen gedurende de procedure voor de benoeming van een of meer van de bijgevoegde rechters kandidaten voordragen. Daarnaast kunnen aftredende rechters bij het Gerecht zich persoonlijk, bij schrijven aan de voorzitter van het in artikel 255 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bedoelde comité, zich kandidaat stellen.
3. In de procedure voor de benoeming van een of meer van de twaalf additionele rechters brengt het in artikel 255 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bedoelde comité advies uit over de geschiktheid van de kandidaat voor de uitoefening van het ambt van rechter in het Gerecht. Het comité voegt bij dit advies over de geschiktheid van de kandidaten een lijst van de kandidaten die op grond van hun ervaring op hoog niveau het meest geschikt voorkomen, in volgorde van verdienste. Deze lijst bevat de namen van ten minste tweemaal zoveel kandidaten als het aantal door de regeringen van de lidstaten in onderling overleg te benoemen rechters, aangenomen dat er voldoende geschikte kandidaten zijn.“.
"
▌
▌
Artikel 3
1. Deze verordeningtreedt in werking opde eerste dag van de maand na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2. De twaalf additionele rechters die op basis en na inwerkingtreding van deze verordening worden benoemd, aanvaarden hun ambt onmiddellijk na de eedaflegging.
De ambtstermijn van zes van deze rechters, die bij loting worden aangewezen, eindigt zes jaar na de eerste gedeeltelijke vervanging van het Gerecht na de inwerkingtreding van deze verordening. Het mandaat van de zes overige rechters eindigt zes jaar na de tweede gedeeltelijke vervanging van het Gerecht volgend op de inwerkingtreding van onderhavige verordening.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
De zaak werd terugverwezen voor een nieuwe behandeling naar de bevoegde Commissie uit hoofde van artikel 57, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A7-0252/2013).
Amendementen: nieuwe of gewijzigde tekst wordt in vet cursief weergegeven; schrappingen worden aangeduid met het symbool ▌.
Wijziging van bepaalde richtlijnen wat betreft de Franse ultraperifere gebieden en met name Mayotte *
192k
31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2006/112/EG en 2008/118/EG wat betreft de Franse ultraperifere gebieden en met name Mayotte (COM(2013)0577 – C7-0268/2013 – 2013/0280(CNS))
– gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2013)0577),
– gezien artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0268/2013),
– gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,
– gezien artikel 55, artikel 46, lid 1 en artikel 37 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0405/2013),
1. hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;
2. verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;
3. wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;
4. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Wijziging van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad in verband met de wijziging in de status van Mayotte *
211k
55k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over het ontwerp van richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/18/EU in verband met de wijziging van de status van Mayotte (14220/2013 – C7-0355/2013 – 2013/0189(NLE))
– gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2013)0413) en het ontwerp van de Raad (14220/2013),
– gezien artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7‑0355/2013),
– gezien artikel 155, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat de rechtsgrond vormt die de Commissie voor haar voorstel heeft gekozen,
– gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,
– gezien de artikelen 55 en 37 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7‑0414/2013),
1. hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad, als geamendeerd door het Parlement;
2. verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;
3. wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in zijn ontwerp;
4. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Ontwerp van de Raad
Amendement
Amendement 1 Ontwerp van richtlijn Titel
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2010/18/EU in verband met de wijziging van de status van Mayotte
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2010/18/EU in verband met de wijziging van de status van Mayotte
Amendement 2 Ontwerp van richtlijn Visum 1
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 349,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 155, lid 2, en artikel 349,
Amendement 4 Ontwerp van richtlijn Overweging 1
(1) Bij Besluit 2012/419/EU1 heeft de Europese Raad besloten de status van Mayotte ten aanzien van de Europese Unie te wijzigen met ingang van 1 januari 2014. Mayotte zal vanaf die datum bijgevolg niet langer een gebied overzee zijn, maar de status krijgen van ultraperifeer gebied in de zin van de artikelen 349 en 355, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de EU. Ingevolge deze wijziging van de juridische status van Mayotte, zal het recht van de Unie met ingang van 1 januari 2014 op Mayotte van toepassing zijn. Er dienen echter bepaalde specifieke maatregelen betreffende de bijzondere voorwaarden voor de toepassing van het Unierecht te worden genomen, die gerechtvaardigd worden door de specifieke structurele sociale en economische situatie van Mayotte als nieuw ultraperifeer gebied.
(1) Bij Besluit 2012/419/EU1 heeft de Europese Raad besloten de status van Mayotte ten aanzien van de Europese Unie te wijzigen met ingang van 1 januari 2014. Mayotte zal vanaf die datum bijgevolg niet langer een gebied overzee zijn, maar de status krijgen van ultraperifeer gebied in de zin van de artikelen 349 en 355, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de EU. Ingevolge deze wijziging van de juridische status van Mayotte, zal het recht van de Unie met ingang van 1 januari 2014 op Mayotte van toepassing zijn. Er dienen echter bepaalde specifieke maatregelen te worden genomen, die gerechtvaardigd worden door de specifieke structurele sociale en economische situatie van Mayotte als nieuw ultraperifeer gebied.
__________________
__________________
1 PB L 204 van 31.7.2012, blz. 131.
1 PB L 204 van 31.7.2012, blz. 131.
Amendement 5 Ontwerp van richtlijn Plechtige formule
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Amendement 6 Ontwerp van richtlijn Artikel 1 Richtlijn 2010/18/EU Artikel 3 – lid 2 – alinea 2
Aan artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2010/18/EU wordt de volgende alinea toegevoegd:
Aan artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2010/18/EU wordt de volgende alinea toegevoegd:
"In afwijking van de eerste alinea wordt voor Mayotte als ultraperifeer gebied in de zin van artikel 349 VWEU de extra termijn verlengd tot en met 31 december 2018."
"Voor het Franse ultraperifere gebied Mayotte loopt de in de eerste alinea bedoelde extra termijn tot 31 december 2018."
Amendement 7 Ontwerp van richtlijn Artikel 2
Deze richtlijn is gericht tot de Franse Republiek.
Dit besluit is gericht tot de Franse Republiek.
Amendement 8 Ontwerp van richtlijn Artikel 3
Deze richtlijn treedt in werking op 1 januari 2014.
Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2014.
Eco-innovatie - Werkgelegenheid en groei via het milieubeleid
322k
84k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over Eco-innovatie – Werkgelegenheid en groei via het milieubeleid 2012/2294(INI))
– gezien de mededeling van de Commissie getiteld “Europa 2020: – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),
– gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Innovatie voor een duurzame toekomst – Het actieplan voor eco-innovatie (Eco-AP)" (COM(2011)0899),
– gezien de mededeling van de Commissie getiteld “Europa 2020-kerninitiatief Innovatie-Unie” (COM(2010)0546),
– gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Efficiënt gebruik van hulpbronnen - Vlaggenschipinitiatief in het kader van de Europa 2020-strategie" (COM(2011)0021),
– gezien de mededeling van de Commissie getiteld “Stimulering van technologieën voor duurzame ontwikkeling: een Actieplan voor de Europese Unie inzake Milieutechnologieën” (COM(2004)0038),
– gezien de mededeling van de Commissie getiteld “Een strategische visie voor Europese normen: de duurzame groei van de Europese economie tussen nu en 2020 bevorderen en versnellen" (COM(2011)0311),
– gezien de mededeling van de Commissie getiteld “Rio+20: naar een groene economie en betere governance” (COM(2011)0363),
– gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),
– gezien de mededeling van de Commissie getiteld “Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen: een Europese bijdrage aan volledige werkgelegenheid” (COM(2010)0682),
– gezien het voorstel voor een verordening van de Commissie tot vaststelling van Horizon 2020 – Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020 (COM(2011)0809),
– gezien de mededeling van de Commissie getiteld '"Horizon 2020’ – Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)” (COM(2011)0808),
– gezien het witboek van de Commissie getiteld “Aanpassing aan de klimaatverandering: naar een Europees actiekader” (COM(2009)0147),
– gezien het groenboek van de Commissie getiteld “Van uitdagingen naar kansen: naar een gemeenschappelijk strategisch kader voor EU-financiering van onderzoek en innovatie” (COM(2011)0048),
– gezien het nieuwe "jongerengarantie"-instrument,
– gezien zijn resolutie van 11 november 2010 over Europese innovatiepartnerschappen in het kader van het kerninitiatief Innovatie-Unie(1),
– gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 over efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa(2),
– gezien zijn resolutie van 29 september 2011 over de ontwikkeling van een gemeenschappelijk EU-standpunt voorafgaande aan de Conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling (Rio+20)(3),
– gezien zijn resolutie van 15 maart 2012 over een routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050(4),
– gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over innoverende financiering op mondiaal en Europees niveau(5),
– gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 over “Investeren in de toekomst: een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) voor een concurrerend, duurzaam en integratiegericht Europa"(6),
– gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van "Horizon 2020" - Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) (COM(2011)0811),
– gezien het voorstel aan de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) (COM(2011)0874),
– gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over de “Innovatie-Unie: voorbereiding van Europa op een wereld na de crisis”(7),
– gezien zijn resolutie van 14 juni 2012 "Op weg naar een banenrijk herstel"(8),
– gezien zijn resolutie van 7 september 2010 over de ontwikkeling van het werkgelegenheidspotentieel van een nieuwe duurzame economie(9),
– gezien zijn resolutie van 11 september 2012 over de rol van vrouwen in de groene economie(10),
– gezien zijn resolutie van 6 mei 2010 over het witboek van de Commissie: “Aanpassing aan de klimaatverandering: naar een Europees actiekader”,(11)
– gezien zijn resolutie van 27 september 2011 over het groenboek van de Commissie “Van uitdagingen naar kansen: naar een gemeenschappelijk strategisch kader voor EU-financiering van onderzoek en innovatie”(12),
– gezien het verslag van de Flash Eurobarometer 315 over “Attitudes of European entrepreneurs towards eco-innovation (Houding van Europese ondernemers tegenover eco-innovatie), maart 2011”,
– gezien het in mei 2013 gepubliceerde verslag "Analysing and reporting on the results achieved by CIP Eco-Innovation market replication projects" van het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie (EACI),
– gezien het initiatief voor groene banen (2008) van UNEP, IAO, IOE en ITUC getiteld “Green Jobs: Towards Decent Work in a Sustainable, Low-Carbon World”,
– gezien het verslag (2009) van Greenpeace en de Europese Raad voor hernieuwbare energie (EREC) getiteld “Working for the climate: renewable energy and the green job revolution”,
– gezien het verslag van 2007 van de Europese Confederatie van vakbonden (ETUC) en het Agentschap voor sociale ontwikkeling (SDA) over “Climate Change and Employment: Impact on employment in the European Union-25 of climate change and CO2 emission reduction measures by 2030”,
– gezien het in januari 2013 verschenen Eurofound-rapport getiteld "Greening of industries in the EU: Anticipating and managing the effects on quantity and quality of jobs", en de bijbehorende databank met casestudies,
– gezien het in 2011 verschenen Eurofound-rapport met als titel "Industrial relations and sustainability: the role of social partners in the transition towards a green economy",
– gezien artikel 48 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0333/2013),
A. overwegende dat een schoon en gezond milieu een eerste vereiste is voor het behoud van welvaart en een hoge levenskwaliteit in Europa, maar dat hiervoor ook de kracht en het concurrentievermogen van de economie vereist zijn;
B. overwegende dat, met het oog op uitdagingen op milieugebied, zoals klimaatverandering, uitputting van hulpbronnen en aantasting van de biodiversiteit, onze economie radicaal moet worden omgevormd, waarbij schone technologieën een centrale rol spelen;
C. overwegende dat de schaal van de crisis een unieke en historische kans biedt om in onze economieën echte verandering teweeg te brengen, door de weg te bereiden voor een duurzame langetermijnontwikkeling;
D. overwegende dat de groei van groene technologie in de afgelopen jaren heeft laten zien dat investeren in groene groei niet een kostbare plicht, maar een enorme economische kans is; overwegende dat, hoewel vrijwel elke sector door de recessie zware verliezen heeft geleden, de groene sector, ondanks een terugval in de groei, nog steeds groeit;
E. overwegende dat de huidige hulpbronnenintensieve economie moet worden vervangen door een hulpbronnenefficiënte economie, door gevestigde industrieën om te vormen tot groene industrieën met een hoge toegevoegde waarde die werkgelegenheid creëren, maar tegelijkertijd het milieu beschermen;
F. overwegende dat milieuvriendelijke oplossingen een nieuwe generatie high-techproducten en -diensten, een beter Europees concurrentievermogen en nieuwe hoogwaardige banen zullen voortbrengen;
G. overwegende dat eco-innovatie nieuwe processen om productieprocessen schoon te maken bevordert, evenals nieuwe managementmethoden en nieuwe technologieën, alsook nieuwe diensten om bedrijven groener te maken, en daardoor Europa helpt zijn mogelijkheden optimaal te benutten en tegelijkertijd de huidige problemen aan te pakken;
H. overwegende dat de prijzen van hulpbronnen gedurende de afgelopen jaren aanzienlijk zijn gestegen en het concurrentievermogen van bedrijven derhalve steeds sterker afhankelijk is van hun hulpbronnenefficiëntie;
I. overwegende dat in de loop der tijd is gebleken dat autoriteiten moeilijk kunnen voorspellen welke innovatieve technologieën concurrerend op de markt zullen zijn;
J. overwegende dat fiscale stimulansen een nuttig instrument kunnen zijn om eco-innovatie in Europa te bevorderen;
K. overwegende dat Europa een vooraanstaande rol speelt op het gebied van de ontwikkeling van nieuwe technologie; overwegende dat er veel belemmeringen bestaan voor de ontwikkeling en het op grotere schaal gebruiken van milieutechnologieën, zoals bestaande technologieën waarvan moeilijk los te komen is, prijssignalen die vaak gunstiger zijn voor minder eco-efficiënte oplossingen, moeilijke toegang tot financiering en weinig bewustzijn bij consumenten; overwegende dat de uitdaging daarom ligt in de verbetering van de algehele milieuprestatie van producten gedurende hun hele levenscyclus, de stimulering van de vraag naar betere producten en productietechnieken en hulp aan de consumenten om hun keuzes met kennis van zaken te laten maken;
L. overwegende dat etiketten waarop de milieukenmerken van producten en diensten worden aangegeven, moeten voorzien in duidelijke, objectieve informatie en de consument niet mogen misleiden of "greenwashen";
M. overwegende dat ecobedrijven nu 3,4 miljoen banen verschaffen en een jaarlijkse omzet van naar schatting 319 miljard EUR hebben; overwegende dat groene technologie in veel landen al de grootste werkgever is of dit spoedig zal zijn;
N. overwegende dat eco-innovatie de hoeksteen vormt voor de ontwikkeling door de EU van een ecologisch, economisch en sociaal duurzame groeistrategie, die moet leiden tot kwalitatief goede werkgelegenheid in diverse sectoren;
O. overwegende dat het "Eco-Innovation Scoreboard 2010” (Eco-IS) in verschillende lidstaten een veelbelovende eco-innovatieprestatie laat zien, maar dat desondanks geen enkel EU-land of geen enkele groep landen momenteel als model voor de eco-innovatieprestatie in de EU kan fungeren;
P. overwegende dat uit het verslag van de Flash Eurobarometer 315 uit 2011, over de houding van Europese ondernemers tegenover eco-innovatie, blijkt dat kmo's met hogere materiële kosten te kampen hebben, hoewel de meeste bedrijven ter vermindering van de materiële kosten nieuwe of aanzienlijk verbeterde eco-innovatieve productieprocessen of –methoden hebben ingevoerd, en dat ze ook last hebben van onvoldoende toegang tot bestaande subsidies en fiscale stimulansen en van de onzekere marktvraag;
Q. overwegende dat uit de analyse van het eco-innovatie-initiatief van het CIP blijkt dat de verwachte voordelen op het gebied van milieu, economie en werkgelegenheid de overheidsuitgaven ruimschoots compenseren;
R. overwegende dat het meten van eco-innovatie een belangrijke vereiste is voor het toezicht houden op en evalueren van de prestatie en vorderingen van EU-lidstaten op het gebied van slimme en duurzame groei, maar dat de gegevens over eco-innovatie beperkt beschikbaar zijn en dat de kwaliteit hiervan per indicator sterk verschilt;
S. overwegende dat beleidsmakers en andere belanghebbenden verschillende opvattingen hebben over wat eco-innovatie is en wat het doel hiervan zou moeten zijn;
T. overwegende dat er voor de definitie van termen als “eco-innovatie” en “slimme groene banen” verschillende beoordelingscriteria worden gebruikt (bv. bij de definities van de IAO, het UNEP, het CEDEFOP, de OESO en Eurostat), die tot verschillende statistieken met betrekking tot eco-innovatie, groene banen en groei zouden kunnen leiden;
U. overwegende dat in de resolutie van het Parlement van 7 september 2010 over de ontwikkeling van het werkgelegenheidspotentieel van een nieuwe duurzame economie wordt verwezen naar de IAO-definitie van duurzame banen en wordt benadrukt dat eco-innovatie een belangrijke rol vervult in alle industriële en verwerkende sectoren;
V. overwegende dat er momenteel meer dan 240 projecten worden gefinancierd door de eco-innovatieregeling, en dat de Commissie in mei 2013 een nieuwe oproep heeft gedaan om nog 45 eco-innovatieprojecten met nieuwe milieuoplossingen te selecteren; overwegende dat de werking en de financiering van het eco-innovatie-initiatief van het CIP veelbelovende Europese ontwikkelaars van eco-innovatie heeft ondersteund door het risicokapitaal te verstrekken dat anders niet toegankelijk zou zijn;
W. overwegende dat het nieuwe Horizon 2020-programma voor onderzoek en innovatie van de EU voor de periode 2014-2020 het financiële instrument is voor de tenuitvoerlegging van de Innovatie-Unie; overwegende dat in het volgende meerjarig financieel kader (MFK 2014-2020) het eco-innovatie-initiatief ook wordt gedekt door LIFE (programma voor het milieu en klimaatactie 2014-2020);
X. overwegende dat er sprake is een verontrustende stijging van de werkloosheid onder jongeren, en van een sterke behoefte aan beleid dat meer en betere kansen op werk voor jongeren oplevert;
Y. overwegende dat het "nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen"-initiatief van de Commissie, dat voorziet in samenwerking met de lidstaten, door het Parlement positief is ontvangen;
Algemene beleidsmaatregelen voor het creëren van slimme, duurzame groei en banen
1. verzoekt de Commissie te blijven werken aan een EU-brede visie op eco-innovatie in het kader van de omschakeling naar een hulpbronnenefficiënte, koolstofarme economie, maar zich ook te richten op concrete doelen, prioritaire gebieden en mijlpalen;
2. steunt het vlaggenschipinitiatief van de Commissie in het kader van de Europa 2020-strategie, dat bedoeld is om nu over te schakelen op een duurzame economie; onderstreept voorts dat gerichte investeringen in de ecologische transformatie van de regio's van de EU een zeer nuttige instrument vormen om de strategische doelstellingen van regionale convergentie en territoriale cohesie te bereiken;
3. wijst op het potentieel van de EU 2020-strategie voor het direct en indirect creëren van kwalitatief goede werkgelegenheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve hun inspanningen op dit gebied op te voeren; is ermee ingenomen dat de Commissie zich inzet voor de bevordering van een geïntegreerde strategie voor groene groei in het kader van het vlaggenschipinitiatief "Innovatie-Unie", in het bijzonder via het actieplan voor eco-innovatie, en beschouwt dit als een stap in de goede richting;
4. benadrukt het belang van wetgeving als een middel om de vraag naar milieutechnologieën te vergroten; is van mening dat het concurrentievermogen van Europese producten afhangt van de positie van Europa als een al dan niet mondiale voorloper op het vlak van eco-efficiënte goederen en productie;
5. verzoekt de lidstaten strategieën te ontwikkelen om de vaardigheden van de beroepsbevolking af te stemmen op de door de groene technologiesector geboden mogelijkheden, waarbij naar verschillende subsectoren en hun behoeften aan gekwalificeerde werknemers moet worden gekeken;
6. wijst met nadruk op de zowel ecologische als economische voordelen van overschakeling op een groene duurzame economie, in termen van nieuw te creëren duurzame banen in zowel de EU als de ontwikkelingslanden, namelijk door intensievere betrokkenheid bij de innovatiegerichte productie van brandstoffen en materialen, alsook door het scheppen van werkgelegenheid middels de verwerking en distributie van biomaterialen voor het bedrijfsleven en voor publieke en particuliere verbruikers en huishoudelijke consumenten; benadrukt dat het in de lijn der verwachting ligt dat deze mogelijkheden kwalitatief hoogstaande en duurzame banen voor zowel geschoolde als ongeschoolde werknemers zullen opleveren; onderkent dat er – met gebruikmaking van bestaande financiële instrumenten – voor de lange termijn een stabiel regelgevingskader moet worden ontwikkeld om duurzaamheid te bevorderen;
7. wijst op de complexe problemen die zich voordoen op het gebied van voedselzekerheid, klimaatverandering, bodemkwaliteit, grondstoffenschaarste, overschakeling op hernieuwbare energiesystemen en energie-efficiëntie, enz.; onderkent dat veel van deze problemen grotendeels door middel van eco-innovatie kunnen worden aangepakt; wijst er nogmaals op dat een dergelijke overschakeling noopt tot een geïntegreerde aanpak die zich zowel uitstrekt tot het onderwijs als tot opleiding, ontwikkeling van vaardigheden, onderzoek en innovatie, investeringen in de particuliere en overheidssector en de ontwikkeling van infrastructuur, welke alle op hun manier bijdragen aan de totstandbrenging van diverse en duurzame werkgelegenheidsperspectieven;
8. is van mening dat innovatieve Europese bedrijven niet alleen subsidies nodig hebben, maar ook betere wetgeving, betere banden met de onderzoeksbasis en een betere en meer diverse toegang tot middelen en financiering, van subsidies tot leningen en aandelenfinanciering; verzoekt de lidstaten en de Commissie derhalve hiervoor op nationaal en Europees niveau de juiste voorwaarden te creëren;
9. benadrukt dat bij werkgelegenheid in de groene technologie niet alleen moet worden gekeken naar de productie van hernieuwbare energie, de verbetering van energie-efficiëntie en de transportsector, omdat groene groei kansen biedt voor alle sectoren, die om die reden ontwikkelingsmogelijkheden voor “groene” producten moeten onderzoeken en consumenten moeten doordringen van het belang van het kopen hiervan;
10. is van mening dat een snelle ontwikkeling van schone technologie vereist is om het concurrentievermogen van bedrijven te vergroten; roept de Commissie derhalve op om eco-innovatie een centrale plaats in haar industrieel beleid te geven;
11. verzoekt de Commissie de ontwikkeling van voorschriften voor etiketinformatie en duidelijke definities te vergemakkelijken, teneinde de milieukenmerken van producten en diensten vast te stellen en kenbaar te maken;
12. is van mening dat een nieuwe duurzame economie in de EU waarborgen moet bieden voor een evenwichtige economische en sociale ontwikkeling; vraagt om een ambitieus duurzaam industriebeleid dat zich vooral richt op een efficiënt gebruik van hulpbronnen; herinnert eraan dat door hulpbronnenefficiëntie en materiaalefficiëntie de kosten voor de industrie en de gezinnen dalen, middelen voor andere investeringen vrijkomen en de EU-economie minder afhankelijk wordt van schaarse hulpbronnen en de hoogst onstabiele markten voor hulpbronnen; benadrukt dat de groene economie uitzicht moet bieden op volwaardige, goed betaalde banen met gelijke kansen voor mannen en vrouwen, met bijzondere aandacht voor milieubescherming;
13. beklemtoont dat eco-industrieën momenteel wel 3,4 miljoen banen leveren met een geraamde jaarlijkse omzet van 319 miljard EUR, maar dat het potentieel om regionale groei, werkgelegenheid en milieuvoordelen te verwezenlijken grotendeels onbenut blijft, en herinnert in dit verband aan de hoge kosten van het uitblijven van maatregelen;
14. benadrukt dat het welslagen van eco-innovaties afhankelijk is van gerichte langetermijninvesteringen, in het bijzonder op het gebied van onderwijs, opleiding, onderzoek en ontwikkeling, infrastructuur enz.;
15. is ingenomen met de bestaande universitaire programma’s en beroepsopleidingsprogramma’s gericht op ecologische, economische en sociale duurzaamheid, en benadrukt dat er in verband met de ontwikkeling van duurzame werkgelegenheid aan nieuwe onderwijsbehoeften moeten worden voldaan;
16. is er absoluut van overtuigd dat een op de markteconomie gebaseerd milieubeleid een drijvende kracht voor groei en werkgelegenheid in alle sectoren van de economie zou kunnen worden, en benadrukt dat innovatieve ondernemingen deze kansen in het belang van het milieu en van de werknemers optimaal kunnen benutten wanneer er betrouwbare, investeringsvriendelijke kadervoorwaarden voorhanden zijn;
17. erkent dat bedrijven die overschakelen op nieuwe nichesectoren de jonge generatie werkenden kunnen aantrekken en dat dit nieuwe kansen op banen in de eco-innovatiesfeer kan opleveren;
Het Eco-Innovatie-concept
18. is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld "Innovatie voor een duurzame toekomst – Het actieplan voor eco-innovatie (Eco-AP)" (COM(2011)0899);
19. wijst op de potentiële synergie-effecten van eco-innovatie bij het scheppen van duurzame kwaliteitsbanen, de bescherming van het milieu en de vermindering van de economische afhankelijkheid;
20. onderstreept de ruime betekenis van het begrip eco-innovatie, waaronder elke vorm van innovatie wordt verstaan die op de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling gericht is door middel van het beperken van de gevolgen voor het milieu of een efficiënter en meer verantwoord gebruik van hulpbronnen;
21. verzoekt de Commissie de verschillende visies op eco-innovatie en de uitdagingen die hieraan verbonden zijn in kaart te brengen en een gemeenschappelijk begrip te creëren van de verschillende strategische mogelijkheden die eco-innovatie voor de toekomst te bieden heeft;
22. is van mening dat de Eurostat-definitie van “groene banen” (in de milieugoederen- en -dienstensector), waarin bijvoorbeeld wordt gesteld dat het belangrijkste doel van “groene” technologieën en producten milieubescherming of goed beheer van hulpbronnen dient te zijn, van nut is om uiteenlopende statistieken te vermijden, maar vindt dat er voor de gehele EU een verdere uniforme definitie van "groene banen" en groei moet worden ontwikkeld, waarin bijvoorbeeld ook het openbaar vervoer zou moeten worden opgenomen; acht het nuttig een uitgebreidere definitie van "groene banen" in overweging te nemen, waarin als volgende stap extra banen/activiteiten worden opgenomen;
23. wijst op de onbenutte mogelijkheden om door eco-innovatie tot milieuverbetering te komen, aangezien hiermee naar verwachting een bijdrage wordt geleverd aan de verlaging van de emissies van broeikasgassen, andere verontreinigende stoffen en van afvalproductie door middel van onder meer het gebruik van gerecycleerde materialen en de productie van kwaliteitsproducten die minder schadelijk zijn voor het milieu, en milieuvriendelijkere productieprocessen en diensten worden bevorderd; wijst op de noodzaak om acties te richten op de knelpunten en obstakels die de commerciële exploitatie van eco-innovatie, evenals internationale handel in eco-innovatieve producten en diensten, in de weg staan;
24. verzoekt de Commissie specifieke aanbevelingen op het gebied van eco-innovatie op te nemen in het Europees semester, teneinde duurzame groei te bevorderen;
25. onderkent dat eco-innovatie duidelijke kansen biedt voor nieuwe nichebedrijven, en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), starters, zelfstandigen en ondernemers mogelijkheden biedt om te profiteren van nieuwe markten en ondernemingsmodellen, en daarnaast bestaande traditionele economische sectoren nieuw leven kan inblazen met mogelijkheden om bestaande arbeidsplaatsen milieuvriendelijker in te richten door aanpassing aan duurzame en hulpmiddelenefficiënte productie- en werkmethoden;
26. verzoekt de Commissie een systematische aanpak van eco-innovatiebeleid te ontwikkelen, met deugdelijke kadervoorwaarden die gelijke concurrentievoorwaarden voor eco-innovatie in bedrijven mogelijk maken evenals een infrastructuur, waardoor bedrijven en consumenten duurzame keuzes kunnen maken;
27. verzoekt de Commissie en de lidstaten milieunormen voor openbare aanbestedingen te ontwikkelen, teneinde de rol van overheidsinstellingen als "pilot customer" te vergroten;
28. wijst in het bijzonder op het belang van de toegang tot adequate opleidingen en de ontwikkeling van vaardigheden in het kader van eco-innovatie, om werkgevers over de nodige geschoolde arbeidskrachten te doen beschikken, jongeren toe te rusten met de nodige kennis, vaardigheden en competenties waarmee zij de nieuwe kansen die innovatie biedt kunnen benutten, en de overschakeling van werknemers uit sectoren in verval naar nieuwe, milieuvriendelijke sectoren te faciliteren; wijst in dit verband op de mogelijkheden die door het leerlingwezen en andere vormen van beroepsopleiding worden geboden om deze nieuwe vaardigheden te ontwikkelen;
29. doet de aanbeveling om het creatieve en innovatieve potentieel van jongeren te bevorderen teneinde aan duurzame ontwikkeling bij te dragen, en de toegang tot financiering voor hen te verbeteren;
De EU, de lidstaten en de regio’s
30. benadrukt de noodzaak om eco-innovatie in alle beleidsterreinen op te nemen, aangezien het hier om transversaal beleid gaat; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband samenwerking tussen ministeries en beleidsniveaus aan te moedigen en de uitvoering van het betrokken beleid regelmatig te controleren;
31. roept alle belangrijke spelers op tot samenwerking op het gebied van groene groei, innovatie en werkgelegenheid in elke sector, en gebruik te maken van de bestaande instrumenten, zoals technologieplatforms, panels van deskundigen op het gebied van vaardigheden, gezamenlijke technologie-initiatieven, leidende markten, clusters en industriële groepen van hoog niveau;
32. roept de Commissie en de lidstaten op tot ontwikkeling van nieuwe wetgeving en versterking van de bestaande wetgeving op het gebied van de ontwikkeling en het gebruik van hernieuwbare energie en meer energie-efficiëntie, waarbij juridische zekerheid en gelijke concurrentievoorwaarden worden geboden en publieke en particuliere investeringen worden bevorderd;
33. verzoekt de lidstaten te zorgen voor een betere coördinatie van dit beleid, en in het bijzonder regionale partnerschappen voor groei, innovatie, werkgelegenheid en gelijke kansen voor vrouwen en mannen, alsmede grensoverschrijdende initiatieven te ondersteunen;
34. wijst op het werkgelegenheidspotentieel van het eco-innovatieconcept in een duurzame economie; verzoekt de Commissie te voorzien in een platform waarmee de lidstaten hun inspanningen voor het creëren van nieuwe duurzame werkgelegenheid en groei kunnen coördineren;
35. dringt er bij de lidstaten op aan ervaring en optimale werkmethoden uit te wisselen op het gebied van werkgelegenheidskansen naar aanleiding van de aanpak van de economische, sociale en milieueffecten van de klimaatverandering;
36. verzoekt om de horizontale integratie van het begrip eco-innovatie in de structuur- en cohesiefondsen; beveelt de plaatselijke en regionale autoriteiten aan om, in overeenstemming met de wettelijke en institutionele structuur van elke lidstaat, een ontwikkelingsstrategie goed te keuren conform de doelstellingen van de EU 2020-strategie, met het oog op het creëren van nieuwe banen in een duurzame economie;
37. is van oordeel dat de bestaande en voorgestelde EU-milieuwetgeving een groot potentieel herbergt voor het scheppen van nieuwe banen op gebieden als lucht, bodem en water, energie, overheidsdiensten, landbouw, vervoer, toerisme, bosbouw en milieubeheer en roept de lidstaten op tot uitvoering van deze wetgeving;
38. benadrukt dat de efficiëntie van de EU-koolstofmarkt dringend moet worden verbeterd om klimaatvriendelijke technologieën investeringszekerheid te verschaffen;
39. roept op tot het creëren van sterkere verbanden tussen elementair onderzoek en industriële innovatie, en tussen innovatie en het productieproces; dringt er bij de Commissie op aan ten behoeve van onderzoek/advies voor elke lidstaat casestudies op het gebied van eco-innovatie te initiëren;
40. benadrukt dat EU-eco-innovatie betere hulpbronnenefficiëntie buiten onze grenzen stimuleert, en zodoende de exploitatie van mondiale grondstoffen vermindert; verzoekt lidstaten daarom dringend hun nationale hulpbronnenefficiëntiestrategieën te versterken en hun kennis op internationale fora te delen;
41. onderstreept het belang van betere integratie van optimale praktijken op het gebied van eco-innovatie in de reële economie, opdat verbeteringen beter zichtbaar worden in het dagelijks leven van burgers;
42. benadrukt dat onderzoek de basis is voor innovatie en eco-innovatie; wijst op de gunstige groeivooruitzichten van eco-innovatie en op het potentieel van Europa om op dit gebied uit te groeien tot een wereldleider, met de mogelijkheden die dit biedt voor nieuwe kwaliteitsbanen;
43. is van oordeel dat eco-innovatie volledig aansluit op de prioriteiten van de structuurfondsen om in de komende programmeringsperiode in onderzoek, innovatie, klimaat en milieu te investeren;
44. wijst op de essentiële rol die partnerschappen en synergieën tussen de onderwijssector, het bedrijfsleven en de lokale en regionale overheden kunnen spelen bij het verstrekken van de nodige opleidingen, o.a. voor het verwerven van vaardigheden op het gebied van de exacte vakken voor zowel mannen als vrouwen, loopbaanbegeleiding, kwaliteitsontwikkeling, gesubsidieerde stages en duale leermogelijkheden, met het oog op een ruime toegang tot de arbeidsmarkt en tot kwaliteitsbanen middels eco-innovatie;
45. spoort de lidstaten ertoe aan prikkels voor ondernemingen, in het bijzonder voor kmo's, te creëren, teneinde de investeringen van de particuliere sector in activiteiten op het gebied van onderzoek en ontwikkeling te bevorderen; staat in dit verband positief tegenover het Actieplan voor eco-innovatie;
46. dringt er bij de lidstaten op aan grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen met het oog op de verspreiding van technologie en optimale praktijken in de gehele EU, en daardoor het concurrentievermogen van Europa te vergroten;
47. dringt erop aan de toepassing van de beste eco-innovaties te bevorderen, in het bijzonder in de ontwikkelingslanden, waar bijvoorbeeld een effectiever proces voor de productie van houtskool, composttoiletten, het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, waterzuiveringssystemen en tal van andere innovaties in aanzienlijke mate en tegen relatief lage kosten kunnen bijdragen tot de verbetering van de levenskwaliteit en van de volksgezondheid en de bevordering van duurzaam ondernemerschap en duurzame werkgelegenheid;
48. dringt er bij de lidstaten op aan om, in het kader een maatschappelijk verantwoorde overgang naar hoogwaardige groene banen, zo snel mogelijk gebruik te maken van het Europees Sociaal Fonds ter financiering van programma's voor de bijscholing, opleiding en omscholing van werknemers;
Financiering van eco-innovatie
49. wijst op het potentieel van begrotingsbeleid en verzoekt de lidstaten belastingen op werkgelegenheid te verschuiven naar gebruik van hulpbronnen en verontreiniging, teneinde eco-innovatie te stimuleren;
50. verzoekt de Commissie met klem milieuonvriendelijke subsidies te definiëren als "een resultaat van een overheidsmaatregel die consumenten of producenten een voordeel verleent om hun inkomen aan te vullen of hun kosten te verlagen, maar hiermee goede milieuvriendelijke praktijken tegenwerkt"; roept de Commissie en de lidstaten op om onverwijld concrete plannen vast te stellen om op basis van deze definitie alle milieuonvriendelijke subsidies geleidelijk af te schaffen;
51. roept de Commissie en de lidstaten om vóór 2020 alle milieuonvriendelijke subsidies geleidelijk af te schaffen, met inbegrip van subsidies en financiële steun voor fossiele brandstoffen en subsidies die inefficiënt gebruik van hernieuwbare hulpbronnen aanmoedigen, en hierover verslag uit te brengen via de nationale hervormingsprogramma's;
52. benadrukt dat eco-innovatie moet worden ondersteund door de nieuwe EU-instrumenten en -middelen van de vlaggenschipinitiatieven "Innovatie-Unie" en "Efficiënt gebruik van hulpbronnen", en van het cohesiebeleid na 2013 en Horizon 2020;
53. is van mening dat het belangrijk is dat eco-innovaties en milieutechnologieën op de lange termijn financieel houdbaar en concurrerend zijn; is van mening dat met investeringssteun van de overheid milieuvriendelijke productiemethoden moeten worden bevorderd indien overheidssteun wordt verleend;
54. is ingenomen met de financieringsmogelijkheden voor eco-innovatie in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en de programma’s Cosme, Horizon 2020 en LIFE, maar dringt aan op extra financiering ter bevordering van de praktische toepassing van reeds ontwikkelde eco-innovaties;
55. verzoekt de Commissie de benodigde instrumenten ten uitvoer te leggen en voldoende begrotingsmiddelen toe te kennen om een soepele overgang tussen het CIP-programma en het Horizon 2020-programma op het gebied van eco-innovatie te waarborgen, en de procedurele en financiële belasting voor kleine en middelgrote ondernemingen te verlichten; herinnert eraan dat betrokkenheid van mannen en vrouwen in gelijke mate bij de besluitvorming in alle fasen en aspecten van de financiering van essentieel belang is;
56. verzoekt de lidstaten eco-innovatie in hun strategieën voor de periode 2014-2020 op te nemen teneinde de groene economie, groei en werkgelegenheid te bevorderen, en daarbij de ontwikkeling van ondernemerschap op een gelijk speelveld te garanderen en de samenwerking tussen onderwijs, wetenschap en bedrijfsleven te ondersteunen;
57. benadrukt dat de huidige prioritaire gebieden voor eco-innovatie 2012 weliswaar beperkt zijn tot een aantal specifieke terreinen, maar dat het initiatief inzake eco-innovatie een transversaal programma is dat eco-innovatieve projecten in verschillende sectoren steunt; wijst er daarom nogmaals op dat activiteiten in alle sectoren en bedrijfstakken voor financiering in aanmerking behoren te komen;
58. roept de Commissie in het bijzonder op meer en duidelijk omlijnde, gerichte middelen beschikbaar te stellen voor markttoepassingsprojecten, risicokapitaal, netwerken voor en internationale expansie van eco-innovatie en het in de handel brengen hiervan in de EU door kmo's;
59. is van mening, aangezien nieuwe bedrijfsmodellen beroering beginnen te brengen in de traditionele toeleveringsketens, dat het vermogen om rekening te houden met de globalisering en de gevolgen hiervan voor de economie en de toeleveringsketens van de EU in de komende financieringsperiode beter tot uiting moet komen in de prioriteiten voor het eco-innovatie-initiatief;
60. is van mening dat het potentieel van kmo's en coöperaties bij de bevordering van eco-innovatie, nog niet volledig uitgeput is; verzoekt derhalve om specifieke financieringsmogelijkheden voor kmo's en coöperatieven in verband met eco-innovatieve concepten;
61. is ervan overtuigd dat er innovatieve financiële instrumenten nodig zijn om de mogelijkheden voor capaciteitsopbouw en netwerken te verbeteren;
62. benadrukt dat een verhoging van de middelen gepaard moet gaan met een vereenvoudiging van de financieringsprocedures;
63. wijst erop dat het toekomstige cohesiebeleid als ex-antevoorwaarde stelt dat EU-regio's over een strategie voor slimme specialisatie beschikken; moedigt regio's aan om bewustmakingscampagnes voor alle doelgroepen te organiseren teneinde eco-innovatie in regionale en nationale slimme-specialisatiestrategieën te integreren;
o o o
64. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Wijziging van bepaalde verordeningen op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, wat de procedures voor de vaststelling van bepaalde maatregelen betreft ***II
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van bepaalde verordeningen op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, wat de procedures voor de vaststelling van bepaalde maatregelen betreft (13283/1/2013 – C7-0411/2013 – 2011/0039(COD))
– gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (13283/1//2013 – C7‑0411/2013),
– gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0082),
– gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien artikel 72 van zijn Reglement,
– gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie internationale handel (A7-0421/2013),
1. hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;
2. hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;
3. neemt kennis van de verklaring van de lidstaten en van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;
4. constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;
5. verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;
6. verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, tezamen met alle verklaringen die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;
7. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE
Gemeenschappelijke verklaring over artikel 15, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 en artikel 25, lid 6, van Verordening (EG) nr. 597/2009
Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zijn van oordeel dat de opneming van artikel 15, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 en artikel 25, lid 6 van Verordening (EG) nr. 597/2009, uitsluitend gerechtvaardigd is op basis van de specifieke kenmerken van deze verordeningen voordat zij bij onderhavige verordening zijn gewijzigd. Derhalve is het opnemen van een bepaling zoals die van beide artikelen, een uitzondering die beperkt blijft tot de twee genoemde verordeningen, en vormt dit geen precedent bij het opstellen van wetgeving in de toekomst.
Ter wille van de duidelijkheid worden er volgens het Europees Parlement, de Raad en de Commissie met artikel 15, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 en artikel 25, lid 6 van Verordening (EG) nr. 597/2009, geen besluitvormingsprocedures ingevoerd die verschillen van of een aanvulling vormen op die van Verordening (EU) nr. 182/2011.
Verklaring van de lidstaten over de toepassing van artikel 3, lid 4, en artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) nr. 182/2011 in verband met de procedures betreffende antidumping en compenserende rechten uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1225/2009 en Verordening (EG) nr. 597/2009
Wanneer een lidstaat overeenkomstig artikel 3, lid 4, of artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 182/2011 een wijziging voorstelt van ontwerpmaatregelen inzake antidumping of compenserende rechten waarin is voorzien in Verordeningen (EG) nr. 1225/2009 en (EG) nr. 597/2009 (de basisverordeningen),
a) zorgt hij ervoor dat de wijziging tijdig wordt ingediend, met inachtneming van de termijnen van de basisverordeningen, zodat de Commissie voldoende tijd wordt gegund om de nodige mededelingsprocedures te volgen en het voorstel op passende wijze grondig te onderzoeken, en het Comité elke wijzigingsvoorstel voor een maatregel kan bespreken;
b) zorgt hij ervoor dat het wijzigingsvoorstel spoort met de basisverordeningen zoals die is uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, en in overeenstemming met internationale verplichtingen is;
c) legt hij een schriftelijke motivering voor die minstens aangeeft hoe het wijzigingsvoorstel zich verhoudt ten aanzien van de basisverordeningen en ten aanzien van de feiten die in het onderzoek zijn vastgesteld; deze motivering kan vergezeld gaan van andere ondersteunende argumenten die de indienende lidstaat zinvol acht.
Verklaring van de Commissie
in verband met de procedures betreffende antidumping en compenserende rechten uit hoofde van Verordeningen (EG) nr. 1225/2009 en (EG) nr. 597/2009
De Commissie onderkent dat het van belang is dat lidstaten de in Verordeningen (EG) nr. 1225/2009 en (EG) nr. 597/2009 (de basisverordeningen) bedoelde informatie ontvangen, zodat zij kunnen bijdragen aan volledig doordachte besluiten, en zal om die doelstelling te verwezenlijken dienovereenkomstig handelen.
* * *
Om misverstanden te vermijden, verstaat de Commissie onder de raadplegingen van artikel 8, lid 5, van Verordening (EU) nr. 182/2011, dat zij, behoudens in zeer spoedeisende gevallen, het standpunt van de lidstaten moet vragen voordat zij voorlopige maatregelen inzake antidumping of compenserende rechten vaststelt.
* * *
De Commissie zal ervoor zorgen dat zij daadwerkelijk alle aspecten van de procedures inzake antidumping en compenserende rechten van de Verordeningen (EG) nr. 1225/2009 en (EG) nr. 597/2009 beheert, ook de mogelijkheid van lidstaten om wijzigingen voor te stellen, zodat de termijnen van de basisverordeningen en de daarin gecreëerde verplichtingen ten aanzien van geïnteresseerden geëerbiedigd worden, en de definitief voorgestelde maatregelen sporen met de door het onderzoek vastgestelde feiten en met de basisverordening zoals die door het Hof van Justitie van de Europese Unie is uitgelegd, en in overeenstemming zijn met de internationale verplichtingen van de Unie.
Verklaring van de Commissie over codificatie
De goedkeuring van Verordening (EU) nr. 37.../20134 van het Europees Parlement en de Raad van … tot wijziging van bepaalde verordeningen op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, wat de procedures voor de vaststelling van bepaalde maatregelen betreft en Verordening (EU) nr. 38.../20134 van het Europees Parlement en de Raad van ... tot wijziging van bepaalde verordeningen in verband met het gemeenschappelijke handelsbeleid wat betreft de verlening van gedelegeerde bevoegdheden en uitvoeringsbevoegdheden voor de vaststelling van bepaalde maatregelen zal tot een aanzienlijk aantal wijzigingen in de handelingen in kwestie leiden. Ter verbetering van de leesbaarheid van de betrokken handelingen zal de Commissie zo spoedig mogelijk na de goedkeuring van beide handelingen en uiterlijk op 1 juni 2014, een codificatie ervan voorstellen.
Verklaring van de Commissie over gedelegeerde handelingen
Met betrekking tot Verordening (EU) nr. 37.../20134 van het Europees Parlement en de Raad van … tot wijziging van bepaalde verordeningen op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, wat de procedures voor de vaststelling van bepaalde maatregelen betreft en Verordening (EU) nr. 38.../20134 van het Europees Parlement en de Raad van ... tot wijziging van bepaalde verordeningen in verband met het gemeenschappelijke handelsbeleid wat betreft de verlening van gedelegeerde bevoegdheden en uitvoeringsbevoegdheden voor de vaststelling van bepaalde maatregelen herinnert de Commissie eraan dat zij zich er in punt 15 van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie toe heeft verplicht het Parlement alle informatie en documentatie te verstrekken over haar vergaderingen met nationale deskundigen in het kader van haar werkzaamheden ter voorbereiding en uitvoering van gedelegeerde handelingen.
Wijziging van bepaalde verordeningen in verband met het gemeenschappelijke handelsbeleid wat betreft de verlening van gedelegeerde en uitvoeringsbevoegdheden voor de vaststelling van bepaalde maatregelen ***II
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van bepaalde verordeningen in verband met het gemeenschappelijke handelsbeleid wat betreft de verlening van gedelegeerde en uitvoeringsbevoegdheden voor de vaststelling van bepaalde maatregelen (13284/1/2013 – C7-0408/2013 – 2011/0153(COD))
– gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (13284/1/2013 – C7‑0408/2013),
– gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0349),
– gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien artikel 72 van zijn Reglement,
– gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie internationale handel (A7-0419/2013),
1. hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;
2. hecht zijn goedkeuring aan de verklaring die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;
3. neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;
4. constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;
5. verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;
6. verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, tezamen met alle aan deze resolutie gehechte verklaringen;
7. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE
Gezamenlijke verklaring over Verordening (EEG) nr. 3030/93 en Verordening (EG) nr. 517/94
Er wordt nota van genomen dat de procedures als bedoeld in artikel 2, lid 6, artikel 6, lid 2, de artikelen 8 en 10, artikel 13, lid 3, artikel 15, leden 3, 4 en 5, en artikel 19 van Verordening (EEG) nr. 3030/93, artikel 4, lid 3, van bijlage IV bij Verordening (EEG) nr. 3030/93, en artikel 2, artikel 3, leden 1 en 3, van bijlage VII bij Verordening (EEG) nr. 3030/93, en artikel 3, lid 3, artikel 5, lid 2, artikel 12, lid 3, en de artikelen 13 en 28 van Verordening (EG) nr. 517/94, worden omgezet in procedures voor het vaststellen van gedelegeerde handelingen. Er wordt op gewezen dat een aantal van die artikelen besluitvormingsprocedures voor de vaststelling van vrijwaringsmaatregelen op het gebied van handelsbescherming betreffen.
Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zijn van oordeel dat vrijwaringsmaatregelen als uitvoeringsmaatregelen moeten worden behandeld. Bij wijze van uitzondering nemen, in het geval van de specifieke hierboven genoemde bestaande verordeningen, de maatregelen de vorm aan van gedelegeerde handelingen aangezien de invoering van een vrijwaringsmaatregel de vorm aanneemt van een wijziging van de desbetreffende bijlagen bij de basisverordeningen. Dit vloeit voort uit de bijzondere structuur die kenmerkend is voor de hierboven genoemde bestaande verordeningen en zal derhalve niet als precedent worden gebruikt bij de opstelling van handelsbeschermingsinstrumenten en andere vrijwaringsmaatregelen in de toekomst.
Verklaring van de Commissie over codificatie
De vaststelling van Verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van bepaalde verordeningen in verband met het gemeenschappelijke handelsbeleid wat betreft de procedures voor de vaststelling van bepaalde maatregelen en van Verordening (EU) nr. 38/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van bepaalde verordeningen in verband met het gemeenschappelijke handelsbeleid wat betreft de verlening van gedelegeerde bevoegdheden en uitvoeringsbevoegdheden voor de vaststelling van bepaalde maatregelen zal tot een aanzienlijk aantal wijzigingen van de betrokken wetgevingshandelingen leiden. Ter verbetering van de leesbaarheid van de betrokken handelingen zal de Commissie zo spoedig mogelijk na de aanneming van beide verordeningen en ten laatste op 1 juni 2014, een codificatie ervan voorstellen.
Verklaring van de Commissie over gedelegeerde handelingen
In het kader van Verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad van tot wijziging van bepaalde verordeningen in verband met het gemeenschappelijke handelsbeleid wat betreft de procedures voor de vaststelling van bepaalde maatregelen+ en van Verordening (EU) nr. 38/2014 van het Europees Parlement en de Raad van tot wijziging van bepaalde verordeningen in verband met het gemeenschappelijke handelsbeleid wat betreft de verlening van gedelegeerde bevoegdheden en uitvoeringsbevoegdheden voor de vaststelling van bepaalde maatregelen, herinnert de Commissie aan haar toezegging in punt 15 van de kaderovereenkomst over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie, namelijk dat zij in het kader van de opstelling van gedelegeerde handelingen het Parlement alle informatie en documentatie over haar bijeenkomsten met nationale deskundigen zal verstrekken.
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 12 december 2013 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vergelijkbaarheid van kosten in verband met betaalrekeningen, overstappen van betaalrekening en toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (COM(2013)0266 – C7-0125/2013 – 2013/0139(COD))(1)
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de vergelijkbaarheid van kosten in verband met betaalrekeningen, overstappen van betaalrekeningen toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),
[...]
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Overeenkomstig artikel 26, lid 2, VWEU omvat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal gewaarborgd is. Versnippering van de interne markt is schadelijk voor het concurrentievermogen, de groei en de banenschepping in de Unie. Het opheffen van directe en indirecte belemmeringen voor de goede werking van de interne markt is essentieel voor de voltooiing ervan. Het optreden van de Unie met betrekking tot de interne markt in de financiële retaildienstensector heeft er reeds substantieel toe bijgedragen de grensoverschrijdende activiteit van de betalingsdienstaanbieders te ontwikkelen, de keuze van de consumenten te verbeteren en de kwaliteit en de transparantie van het aanbod te verhogen.
(2) In dit verband heeft Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG(4) ("richtlijn betalingsdiensten") basistransparantievereisten vastgesteld voor de kosten die door de betalingsdienstaanbieders worden aangerekend voor de diensten die met betrekking tot betaalrekeningen worden aangeboden. Dit heeft de activiteit van betalingsdienstaanbieders substantieel vergemakkelijkt, uniforme regels met betrekking tot het aanbod van betalingsdiensten en de te verstrekken informatie gecreëerd, de administratieve last verminderd en kostenbesparingen voor betalingsdienstaanbieders gegenereerd.
(2 bis) De goede werking van de interne markt en de ontwikkeling van een moderne, sociaal inclusieve economie zijn steeds meer afhankelijk van de universele verlening van betalingsdiensten. Aangezien betalingsdienstaanbieders de marktlogica volgen en dus de neiging hebben zich vooral op commercieel aantrekkelijke consumenten te richten en kwetsbare consumenten daardoor een beperktere keuze aan producten hebben, moet er nieuwe wetgeving worden opgesteld als onderdeel van een slimme economische strategie voor de Unie.
(3) Zoals het Europees Parlement reeds in zijn resolutie van 4 juli 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toegang tot basisbankdiensten(5) stelde, dient er evenwel meer te worden gedaan om de interneinterne markt voor retailbanking te verbeteren en te ontwikkelen. Hand in hand hiermee dient de financiële sector in de Unie waarlijk dienstbaar te worden gesteld aan het bedrijfsleven en de consument. Momenteel vormen het gebrek aan transparantie en vergelijkbaarheid van kosten alsmede de moeilijkheden bij het overstappen van betaalrekening nog steeds barrières voor de ontplooiing van een volledig geïntegreerde markt. De grote verschillen in productkwaliteit en de beperkte mededinging in de retailbankingsector moeten worden aangepakt en er moeten strenge kwaliteitsnormen worden ontwikkeld.
(4) De huidige omstandigheden van de interneinterne markt kunnen betalingsdienstaanbieders afschrikken hun vrijheid van vestiging uit te oefenen of diensten te verlenen binnen de Unie wegens de moeilijkheid om klanten aan te trekken bij het toetreden tot een nieuwe markt. Het toetreden tot nieuwe markten brengt vaak grote investeringen met zich mee. Dergelijke investeringen zijn slechts gerechtvaardigd als de aanbieder voldoende kansen en een overeenkomstige vraag van de consumenten voorziet. Het lage niveau van mobiliteit van de consumenten met betrekking tot financiële retaildiensten is in belangrijke mate toe te schrijven aan het gebrek aan transparantie en vergelijkbaarheid ten aanzien van de kosten en aangeboden diensten alsook de moeilijkheden in verband met het overstappen van betaalrekening. Deze factoren onderdrukken eveneens de vraag. Dit geldt in het bijzonder in de grensoverschrijdende context.
(5) Bovendien kunnen significante belemmeringen voor de voltooiing van de interne markt op het gebied van betaalrekeningen ontstaan door de versnippering van de bestaande nationale regelgevingskaders. De bestaande bepalingen op nationaal niveau met betrekking tot betaalrekeningen en inzonderheid met betrekking tot de vergelijkbaarheid van de kosten en het overstappen van betaalrekening divergeren. Ten aanzien van overstappen heeft het gebrek aan uniforme bindende maatregelen op EU-niveau tot divergente praktijken en maatregelen op nationaal niveau geleid. Deze verschillen zijn zelfs nog meer uitgesproken wat betreft vergelijkbaarheid van kosten, waar geen maatregelen, zelfs niet van zelfregulerende aard, bestaan op het niveau van de Unie. Mochten deze verschillen in de toekomst significanter worden, omdat banken hun praktijken meestal op de nationale markten toesnijden, dan zouden daardoor de kosten van grensoverschrijdend opereren stijgen ten opzichte van de kosten waarmee binnenlandse aanbieders worden geconfronteerd en zou grensoverschrijdend ondernemen minder aantrekkelijk worden. De grensoverschrijdende activiteit in de interne markt wordt belemmerd door obstakels voor de opening van een betaalrekening in het buitenland. De bestaande restrictieve toelatingscriteria kunnen Europese burgers beletten zich vrij binnen de Unie te bewegen. Het aanbieden aan alle consumenten van toegang tot een betaalrekening zal hun deelname aan de interne markt mogelijk maken en hen in staat stellen de voordelen van de interne markt te verwerven.
(6) Bovendien wordt de potentiële vraag naar betaalrekeningdiensten in de Unie op dit moment niet ten volle geëxploiteerd, omdat sommige gegadigden geen rekening openen, hetzij omdat deze aan hen wordt ontzegd of omdat aan hen geen toereikende producten worden aangeboden. Bredere deelname van de consumenten aan de interne markt zou de betalingsdienstaanbieders verder stimuleren om tot nieuwe markten toe te treden. Het scheppen van de voorwaarden om alle consumenten toegang te bieden tot een betaalrekening is eveneens een noodzakelijk middel om hun deelname aan de interne markt te bevorderen en hen in staat te stellen de voordelen die de interne markt met zich mee heeft gebracht te verwerven.
(7) De transparantie en vergelijkbaarheid van kosten zijn aangepakt met een zelfreguleringsinitiatief waartoe de banksector de aanzet had gegeven. Betreffende deze richtsnoeren is echter geen definitief akkoord gevonden. Ten aanzien van overstappen voorzien de door de Europese Commissie voor het Bankbedrijf in 2008 vastgestelde gemeenschappelijke beginselen in een modelmechanisme voor het overstappen tussen bankrekeningen die worden aangeboden door betalingsdienstaanbieders welke in dezelfde lidstaat gevestigd zijn. Gezien het niet-bindende karakter ervan, zijn deze beginselen echter in de gehele Unie op inconsistente wijze en met ineffectieve resultaten toegepast. Bovendien hebben de gemeenschappelijke beginselen enkel op het overstappen van bankrekening op nationaal niveau, niet op grensoverschrijdend overstappen betrekking. Ten slotte zijn, ten aanzien van toegang tot een basisbetaalrekening, de lidstaten in Aanbeveling 2011/442/EU van de Commissie[...] (6) uitgenodigd de noodzakelijke maatregelen te nemen om uiterlijk zes maanden na de bekendmaking ervan de toepassing ervan te verzekeren. Tot dusver voldoen slechts weinig lidstaten aan de voornaamste beginselen van de aanbeveling.
(8) Teneinde op lange termijn doeltreffende en soepele mobiliteit op financieel gebied mogelijk te maken, is het van vitaal belang een uniforme regeling vast te stellen om het probleem van de lage mobiliteit van klanten aan te pakken en met name betaalrekeningdiensten en -kosten vergelijkbaarder te maken en overstappen van betaalrekening te stimuleren alsook te voorkomen dat consumenten die voornemens zijn een betaalrekening grensoverschrijdend aan te kopen, worden gediscrimineerd op basis van woonplaats. Bovendien is het van essentieel belang toereikende maatregelen aan te nemen om de deelname van de klanten aan de betaalrekeningmarkt te bevorderen. Deze maatregelen zullen het betreden door de betalingsdienstaanbieders van de interne markt stimuleren en een gelijk speelveld garanderen waardoor, in het belang van bedrijven en consumenten, de concurrentie en de efficiënte toewijzing van middelen binnen de financiële retailmarkt in de Unie zullen wordt versterkt. Tevens zullen transparante informatie over de kosten en mogelijkheden tot overstappen in combinatie met het recht op toegang tot basisrekeningdiensten de burgers in de Unie in staat stellen gemakkelijker het aanbod van verscheidene aanbieders binnen de Unie te vergelijken en derhalve van een volledig functionerende interne markt op het gebied van financiële diensten te profiteren en aan de groei van de elektronische handel en de verdere ontwikkeling van de interne markt bij te dragen.
(8 bis) Tevens is het van vitaal belang om ervoor te zorgen dat deze richtlijn geen belemmering vormt voor innovatie op het gebied van financiële retaildiensten. Ieder jaar worden marktrijpe technologieën geïntroduceerd waardoor het bestaande model van betaalrekeningen achterhaald kan raken. Met name mobiele bankdiensten, peer-to-peer-diensten en chipknips moeten worden bevorderd als alternatieven voor traditionele bankdiensten.
(9) Deze richtlijn is van toepassing op betaalrekeningen die door consumenten worden aangehouden. Bijgevolg vallen rekeningen die door bedrijven, zelfs kleine of micro-ondernemingen, worden aangehouden, tenzij deze op persoonlijke titel worden aangehouden, buiten het toepassingsgebied ervan. Voorts geldt deze richtlijn niet voor spaarrekeningen, die beperktere betaalfuncties kunnen hebben. Evenmin heeft deze richtlijn betrekking op credit cards, aangezien deze niet van centraal belang zijn voor de verwezenlijking van de doelstelling van de richtlijn om de financiële inclusie te versterken en de werking van de interne markt te verbeteren.
(10) De in de richtlijn vervatte definities zijn afgestemd op die welke opgenomen zijn in andere wetgeving van de Unie, en met name die van Richtlijn 2007/64/EG en die van Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009(7).
(11) Het is voor de consumenten van vitaal belang inzicht te kunnen krijgen in de kosten, zodat zij aanbiedingen van verschillende betalingsdienstaanbieders kunnen vergelijken en met kennis van zaken kunnen besluiten welke rekening het meest aangepast is aan hun behoeften. Vergelijking tussen kosten is niet realiseerbaar indien de betalingsdienstaanbieders voor dezelfde diensten een verschillende terminologie gebruiken en in verschillende formaten informatie verstrekken. Gestandaardiseerde terminologie, in combinatie met ▌informatie over kosten voor de meest representatieve aan een betaalrekening gekoppelde diensten in een consistent formaat, kan de consument helpen inzicht te verwerven in de kosten en deze te vergelijken.
(12) Consumenten zouden het meest profiteren van zo beknopt mogelijke en gestandaardiseerde informatie waarmee het aanbod van de verschillende betalingsdienstaanbieders gemakkelijk te vergelijken is. Er dient een veelvoud aan instrumenten ter beschikking te worden gesteld van de consumenten om betaalrekeningaanbiedingen te vergelijken en er dient consumententoetsing te worden georganiseerd. In dit stadium moet de terminologie betreffende kosten alleen voor de meest representatieve termen en definities binnen de lidstaten worden gestandaardiseerd om het geheel snel te kunnen invoeren.
(13) De terminologie betreffende kosten moet door de nationale bevoegde autoriteiten worden bepaald, waarbij met de specificiteit van de lokale markten rekening kan worden gehouden. ▌Bovendien moet, indien mogelijk, de terminologie betreffende kosten op het niveau van de Unie worden gestandaardiseerd, waardoor vergelijking over heel de Unie mogelijk wordt gemaakt. De Europese Toezichthoudende Autoriteit (Europese Bankautoriteit (EBA)) moet richtsnoeren vaststellen om de lidstaten te helpen bij het bepalen van de meest gebruikte en voor consumenten duurste betalingsdiensten op nationaal niveau. Dergelijke definities moeten dusdanig ruim worden geformuleerd dat de gestandaardiseerde terminologie doeltreffend gebruikt kan worden.
(14) Zodra de nationale bevoegde autoriteiten een voorlopige lijst van de meest representatieve aan een betaalrekening gekoppelde diensten die op nationaal niveau aan kosten zijn onderworpen alsook termen en definities hebben vastgesteld, moet de Commissie deze toetsen om middels gedelegeerde handelingen de diensten aan te wijzen die de meerderheid van lidstaten gemeenschappelijk hebben en ▌gestandaardiseerde termen en definities op het niveau van de Unie ▌voor te stellen.
(15) Om de consumenten te helpen gemakkelijk betaalrekeningkosten over heel de interne markt te vergelijken, moeten de betalingsdienstaanbieders aan de consumenten een uitvoerig informatiedocument verstrekken waarin de kosten worden vermeld voor alle aan een betaalrekening gekoppelde diensten die zijn opgenomen in de lijst van de meest representatieve diensten, alsmede eventuele verdere kosten die aan de rekening aangerekend kunnen worden. In het informatiedocument betreffende de kosten moeten de op Unieniveau vastgestelde termen en definities zo veel mogelijk worden gehanteerd. Dit zou eveneens bijdragen aan de totstandbrenging van een gelijk speelveld tussen de kredietinstellingen die op de betaalrekeningmarkt concurreren. ▌Om de consumenten te helpen inzicht te verkrijgen in de kosten die zij voor hun betaalrekening moeten betalen, moet een glossarium met een duidelijke, niet-technische en ondubbelzinnige toelichting betreffende ten minste de aan een betaalrekening gekoppelde diensten en de gerelateerde definities en toelichting voor hen beschikbaar worden gesteld. Het glossarium dient een nuttig instrument te zijn om een beter inzicht in de betekenis van de kosten te bevorderen en ertoe bij te dragen dat de consument in staat wordt gesteld uit een breder betaalrekeningenaanbod te kiezen. Voor betalingsdienstaanbieders moet eveneens een verplichting worden ingevoerd om consumenten kosteloosen ten minste jaarlijks te informeren over alle kosten en rentes die betreffende hun rekening worden gehanteerd. Er moet achteraf informatie worden verstrekt in een specifieke samenvatting. Daarbij moet een volledig overzicht geven van de renteopbrengst en de kosten, alsmede kennisgevingen van aanstaande wijzigingen van kosten of rentepercentages. De consument moet alle informatie krijgen die nodig is om inzicht erin te krijgen op welke kosten de uitgaven en rentes betrekking hebben en na te gaan of het nodig is de consumptiepatronen te wijzingen of van aanbieder te veranderen. ▌
(16) Om aan de behoeften van de consumenten te voldoen, is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat de informatie betreffende betaalrekeningen nauwkeurig, duidelijk en vergelijkbaar is. Daarom moet de EBA, na overleg met nationale autoriteiten en na consumententests, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen opstellen voor een gestandaardiseerd presentatieformaat van het informatiedocument betreffende de kosten en de kostenstaat en de gemeenschappelijke symbolen, om te garanderen dat deze begrijpelijk en vergelijkbaar zijn voor de consumenten. ▌Het informatiedocument betreffende de kosten en de kostenstaat moeten duidelijk te onderscheiden zijn van andere mededelingen. ▌
(17) Met het oog op het consistente gebruik van de geldende terminologie op het niveau van de Unie over de gehele Unie, moeten de lidstaten de betalingsdienstaanbieders verplichten bij het communiceren met consumenten gebruik te maken van de geldende terminologie op het niveau van de Unie alsook de resterende nationale gestandaardiseerde terminologie die is vastgesteld in de voorlopige lijst, daaronder begrepen in het informatiedocument betreffende de kosten en de kostenstaat. Betalingsdienstaanbieders moeten gebruik kunnen maken van merknamen in het informatiedocument betreffende de kosten of de kostenstaat om hun diensten of betalingsrekeningen aan te duiden indien dit bovenop en niet in plaats van de gestandaardiseerde terminologie komt en als bijkomende aanduiding van de aangeboden diensten of rekening.
(18) Onafhankelijke vergelijkingswebsites zijn voor de consumenten een effectief middel om op een centraal punt de voordelen van de verschillende aanbiedingen betreffende betaalrekeningen te beoordelen. Dergelijke websites kunnen het juiste evenwicht garanderen tussen het feit dat de informatie duidelijk en beknopt, maar ook volledig en omvattend moet zijn, door de gebruikers in staat te stellen wanneer dit voor hen van belang is meer gedetailleerde informatie te verkrijgen. Zij kunnen eveneens de zoekkosten verminderen omdat consumenten geen informatie los van de betalingsdienstaanbieders zullen hoeven in te winnen. Het is van wezenlijk belang dat de informatie op deze websites betrouwbaar, onpartijdig en transparant is en dat consumenten van de beschikbaarheid ervan op de hoogte worden gebracht. De bevoegde autoriteiten moeten het publiek actief informeren over dergelijke websites.
(19) Om onpartijdige informatie over kosten en rentepercentages die op betalingsrekeningen worden toegepast te verkrijgen, moet aan de consumenten toegang worden geboden tot vergelijkingswebsites die openbaartoegankelijken onafhankelijk van de betalingsdienstaanbieders zijn. De lidstaten moeten er bijgevolg voor zorgen dat consumenten op hun respectieve grondgebieden vrije toegang hebben tot ten minste één onafhankelijke en openbaar toegankelijke website. Dergelijke vergelijkingswebsites kunnen door of namens de bevoegde autoriteiten, andere overheden en/of erkende private ondernemers worden beheerd. De lidstaten moeten met het oog op vergroting van het consumentenvertrouwen in de overige beschikbare vergelijkingswebsites een vrijwillige erkenningsregeling vaststellen waardoor private beheerders van vergelijkingswebsites in overeenstemming met vastgestelde kwaliteitscriteria erkenning kunnen aanvragen. Er dient een door of namens een bevoegde autoriteit of een andere overheid beheerde vergelijkingswebsite te worden opgezet indien geen privaat beheerde website is erkend. Dergelijke websites moeten eveneens aan de kwaliteitscriteria voldoen.
(20) Het is momenteel gebruikelijk dat betalingsdienstaanbieders een betaalrekening in een pakket met andere financiële producten of diensten aanbieden. Deze praktijk kan voor betalingsdienstaanbieders een middel zijn om hun aanbod te diversifiëren en met elkaar te concurreren, en kan uiteindelijk nuttig zijn voor consumenten. Uit de in 2009 door de Commissie verrichte studie betreffende koppelverkoop in de financiële sector, alsook uit relevante raadplegingen en consumentenklachten, is echter gebleken dat betalingsdienstaanbieders bankrekeningen kunnen aanbieden in een pakket met producten waarom klanten niet hebben verzocht en die niet essentieel zijn voor betaalrekeningen, zoals een uitgebreide woningverzekering. Bovendien is vastgesteld dat deze praktijken de transparantie en vergelijkbaarheid van prijzen kunnen verminderen, de aankoopopties voor consumenten kunnen beperken en negatieve gevolgen voor hun mobiliteit kunnen hebben. Derhalve moeten de lidstaten ervoor zorgen dat wanneer betalingsdienstaanbieders pakketbetaalrekeningen aanbieden zij aan de consumenten afzonderlijk informatie verstrekken of het mogelijk is de betaalrekening afzonderlijk te kopen en zo ja, welke kostenverbonden zijn aan elk van de andere financiële producten ofdiensten die deel uitmaken van het pakket. ▌
(21) Consumenten worden alleen geprikkeld om van rekening te veranderen als dit niet met overmatige administratieve en financiële lasten gepaard gaat. De procedure voor het overzetten van de betaalrekening naar een andere betalingsdienstaanbieder moet helder, snel en veilig zijn. Indien betalingsdienstaanbieders kosten aanrekenen met betrekking tot de overstapservice ▌, moeten deze redelijk zijn en in overeenstemming met artikel 45, lid 2, van Richtlijn 2007/64/EG. Om een positieve invloed op de concurrentie te hebben, moet overstappen ook op grensoverschrijdend niveau worden gefaciliteerd. Aangezien grensoverschrijdend overstappen complexer kan zijn dan overstappen op nationaal niveau en kan vereisen dat betalingsdienstaanbieders hun interne procedures aanpassen en verfijnen, moet worden voorzien in langere overgangsperiodes voor een overstapservice tussen betalingsdienstaanbieders die in verschillende lidstaten zijn gevestigd.
(21 bis) Lidstaten moet worden toegestaan om, met betrekking tot overstappen tussen betalingsdienstaanbieders die beide op hun grondgebied zijn gevestigd, regelingen vast te stellen of aan te houden die afwijken van de regelingen in deze richtlijn, indien dit duidelijk in het belang is van de consument.
(22) Het overstappen moet zo eenvoudig mogelijk zijn voor de consument. De lidstaten moeten er dan ook voor zorgen dat de ontvangende betalingsdienstaanbieder verantwoordelijk is voor het initiëren en beheren van het proces namens de consument.
(23) Als algemene regel en op voorwaarde dat de consument toestemming heeft verleend, dient de ontvangende betalingsdienstaanbieder, idealiter in het kader van één enkele ontmoeting met de ontvangende betalingsdienstaanbieder, namens de consument de terugkerende betalingen over te zetten alsook eventuele resterende positieve saldi over te brengen. Daartoe moeten de consumenten in staat zijn om één toestemming of afwijzing voor de genoemde taken te ondertekenen. Alvorens de toestemming wordt verleend, moet de consument worden geïnformeerd over alle stappen van de procedure die noodzakelijk zijn om het overstappen te voltooien.
(24) De medewerking van de overbrengende betalingsdienstaanbieder is noodzakelijk voor een succesvolle overstap. ▌De ontvangende betalingsdienstaanbieder moet ofwel de consument, ofwel, indien nodig, de overbrengende betalingsdienstaanbieder kunnen verzoeken alle informatie te verstrekken die hij nodig acht om de terugkerende betalingen naar de nieuwe betaalrekening over te zetten. Er hoeft evenwel niet meer informatie te worden verstrekt dan noodzakelijk om de overstap uit te voeren, en de ontvangende betalingsdienstaanbieder mag niet om overbodige informatie vragen.
(25) De consumenten mogen niet worden onderworpen aan sancties of enige andere financiële schade als gevolg van het verkeerd doorgeleiden van inkomende overmakingen of automatische afschrijvingen. Dit is vooral van belang voor bepaalde categorieën betalers en begunstigden, zoals nutsbedrijven, die elektronische middelen (bijvoorbeeld databases) gebruiken om rekeninggegevens van consumenten op te slaan en talloze periodieke transacties verrichten waarbij grote aantallen consumenten betrokken zijn.
(26) De lidstaten moeten waarborgen dat consumenten die voornemens zijn om een betaalrekening te openen niet worden gediscrimineerd op grond van hun nationaliteit of woonplaats. Hoewel het voor betalingsdienstaanbieders belangrijk is ervoor te zorgen dat hun klanten het financiële stelsel niet gebruiken voor illegale doeleinden zoals fraude, witwassen van geld of de financiering van terrorisme, mogen zij geen belemmeringen creëren voor consumenten die van de voordelen van de interne markt willen profiteren door grensoverschrijdend een betaalrekening aan te kopen.
(27) Consumenten die legaal in de Unie wonen mogen bij het aanvragen van of toegang verkrijgen tot een betaalrekening binnen de Unie niet worden gediscrimineerd op grond van nationaliteit, woonplaats of enige andere reden als bedoeld in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarnaast moet toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties gewaarborgd worden door de lidstaten, ongeacht de financiële omstandigheden van de consument, zoals werksituatie, inkomensniveau, kredietverleden of persoonlijk faillissement.
(28) De lidstaten moeten ervoor zorgen dat betaalrekeningen met basisfuncties zoals bedoeld in deze richtlijn aan consumenten worden aangeboden door alle betalingsdienstaanbieders die werkzaam zijn op het gebied van algemene retailbetalingsdiensten en die als integraal onderdeel van hun reguliere bedrijfsactiviteiten betaalrekeningen aanbieden. De toegang mag niet al te moeilijk zijn en mag geen overmatige kosten voor de consumenten met zich meebrengen. Het recht op toegang tot een betaalrekening met basisfuncties in elke lidstaat moet worden verleend overeenkomstig Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(8), met name met betrekking tot klantenonderzoeksprocedures. Tegelijkertijd mogen de bepalingen van die richtlijn niet worden gebruikt als enkele basis voor het afwijzen van commercieel minder aantrekkelijke consumenten. Er moet een mechanisme beschikbaar zijn om consumenten zonder vaste verblijfplaats, asielzoekers en consumenten die geen verblijfsvergunning krijgen maar die om wettelijke redenen niet kunnen worden uitgewezen in staat te stellen aan de eisen van hoofdstuk II van Richtlijn 2005/60/EG te voldoen.
(28 bis) Om ervoor te zorgen dat gebruikers van betaalrekeningen met basisfuncties een passende dienstverlening krijgen, moeten de lidstaten betalingsdienstaanbieders verplichten ervoor te zorgen dat personeelsleden voldoende zijn opgeleid en dat mogelijke belangenconflicten geen negatieve gevolgen hebben voor deze consumenten.
(29) Lidstaten moeten van betalingsdienstaanbieders kunnen verlangen dat zij nagaan of de consument reeds een actieve en equivalente betaalrekening op hetzelfde grondgebied aanhoudt en de consument verplichten tot het tekenen van een verklaring op erewoord.Een betalingsdienstaanbieder mag een aanvraag om toegang tot een betaalrekening met basisfuncties niet kunnen weigeren behalve in de specifiek in deze richtlijn gedefinieerde gevallen.
(29 bis) De lidstaten moeten ervoor zorgen dat betalingsdienstaanbieders aanvragen afhandelen binnen de in deze richtlijn vastgelegde termijnen en dat de betalingsdienstaanbieders in geval van weigering de consument op de hoogte brengen van de specifieke redenen daarvoor, tenzij een dergelijke bekendmaking in strijd zou zijn met de doelstellingen van nationale veiligheid of de bestrijding van financiële criminaliteit.
(30) Aan de consumenten moet toegang worden gewaarborgd tot een reeks basisbetalingsdiensten. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat op voorwaarde dat een betaalrekening met basisfuncties door de consument wordt aangehouden voor persoonlijk gebruik, er geen beperkingen worden opgelegd voor het aantal verrichtingen dat aan de consument wordt aangeboden op grond van de specifieke prijsstellingregels als opgenomen in deze richtlijn. Bij de bepaling van wat als persoonlijk gebruik moet worden beschouwd, moeten de lidstaten ook rekening houden met bestaand consumentengedrag en de gebruikelijke commerciële praktijk. Aan basisbetaalrekeningen gekoppelde diensten moeten de voorziening omvatten om geld te deponeren en op te nemen. De consument moet in staat zijn essentiële betalingstransacties uit te voeren zoals het ontvangen van een inkomen of uitkering, het betalen van rekeningen of belastingen en het aankopen van goederen en diensten, onder meer via automatische afschrijving, overmaking en het gebruik van een betaalkaart. Dergelijke diensten moeten de aankoop van goederen en diensten online mogelijk maken en consumenten de gelegenheid bieden via het platform voor online bankieren van de betalingsdienstaanbieder, indien beschikbaar, betaalopdrachten te initiëren. Een betaalrekening met basisfuncties mag evenwel niet tot online gebruik worden beperkt, aangezien daardoor een belemmering zou ontstaan voor consumenten zonder internettoegang. Consumenten mag geen toegang tot een voorschot in rekening-courant worden verleend wanneer zij over een betaalrekening met basisfuncties beschikken. De lidstaten mogen betalingsdienstaanbieders echter toestaan rekening courant-kredieten en andere kredietproducten aan klanten met een betaalrekening met basisfuncties aan te bieden als duidelijk separate diensten, mits de toegang tot, of het gebruik van de betaalrekening met basisfuncties niet wordt beperkt door, of afhankelijk wordt gesteld van de aankoop van dergelijke kredietdiensten. De kosten voor dergelijke diensten dienen transparant te zijn en ten minste even gunstig als het gewoonlijke prijsbeleid van de aanbieder.
(31) Om ervoor te zorgen dat basisbetaalrekeningen voor zoveel mogelijk consumenten beschikbaar zijn, moeten ze kosteloos of tegen redelijke kosten worden aangeboden. De lidstaten moeten vereisen dat betalingsdienstaanbieders ervoor zorgen dat de betaalrekening met basisfuncties te allen tijde de betaalrekening is met de laagste kosten voor de levering van het binnen de lidstaat vastgestelde minimumpakket betalingsdiensten. Bovendien moeten alle extra kosten voor de consument wegens niet-naleving van de voorwaarden van het contract redelijk zijn en mogen zij in geen geval hoger zijn dan het gewoonlijke prijsbeleid van de aanbieder.
(32) De betalingsdienstaanbieder mag alleen in specifieke omstandigheden, bijvoorbeeld in geval van niet-naleving van wetgeving inzake het witwassen van geld en de financiering van terrorisme of inzake de preventie en opsporing van misdrijven, weigeren een contract voor een betaalrekening met basisfuncties te openen of moet dit in dergelijke omstandigheden beëindigen. Zelfs in die gevallen kan een weigering alleen worden gerechtvaardigd indien de consument niet aan de bepalingen van die wetgeving voldoet en niet omdat de procedure om na te gaan of de wetgeving is nageleefd te belastend of te kostbaar is.
(33) De lidstaten moeten ervoor zorgen dat adequate maatregelen van kracht zijn om bekendheid te geven aan de beschikbaarheid van betaalrekeningen met basisfuncties en de procedures en voorwaarden voor het gebruik daarvan, zoals vastgelegd in deze richtlijn. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de communicatiemaatregelen afdoende zijn en goed gericht, en met name niet over een bankrekening beschikkende, kwetsbare en mobiele consumenten bereiken. Betalingsdienstaanbieders moeten de consumenten voorzien van toegankelijke informatie en passende ondersteuning inzake de specifieke kenmerken van de aangeboden betaalrekening met basisfuncties, de ermee gemoeide kosten en de gebruiksvoorwaarden ervan, en ook de stappen die de consumenten moeten volgen om hun recht op het openen van een betaalrekening met basisfuncties uit te oefenen. De consumenten moeten in het bijzonder erover worden geïnformeerd dat de aankoop van extra diensten niet verplicht is om toegang te verkrijgen tot een betaalrekening met basisfuncties. Om het risico van financiële uitsluiting voor consumenten te minimaliseren, moeten de lidstaten de financiële voorlichting, mede op school, verbeteren, en overmatige schuldenlast bestrijden. Voorts moeten de lidstaten initiatieven van betalingsdienstaanbieders bevorderen om de combinatie van het aanbieden van betaalrekeningen met basisfuncties en onafhankelijke financiële voorlichting te vergemakkelijken.
(34) De lidstaten dienen bevoegde autoriteiten aan te wijzen die gemachtigd zijn om de handhaving van deze richtlijn te garanderen en waaraan onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden worden verleend. De aangewezen bevoegde autoriteiten moeten onafhankelijk zijn van betalingsdienstaanbieders en moeten beschikken over toereikende middelen voor de uitoefening van hun taken. De lidstaten moeten verschillende bevoegde autoriteiten kunnen aanwijzen om de brede verplichtingen die in deze richtlijn zijn neergelegd, te doen nakomen.
(35) De consumenten moeten toegang hebben tot effectieve en efficiënte buitengerechtelijke klachten- en herstelprocedures voor de beslechting van geschillen die uit de rechten en verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn ontstaan. De alternatieve geschillenbeslechtingprocedures dienen eenvoudig toegankelijk te zijn en de bevoegde autoriteiten dienen aan een aantal criteria te voldoen, zoals gelijke vertegenwoordiging van dienstverleners en gebruikers. Een dergelijke toegang is reeds gewaarborgd bij Richtlijn 2013/…/EU voor wat relevante contractuele geschillen betreft. Consumenten moeten echter eveneens toegang hebben tot buitengerechtelijke herstelprocedures ingeval van precontractuele geschillen betreffende bij deze richtlijn vastgestelde rechten en verplichtingen, bv. wanneer aan hen toegang tot een betaalrekening met basisfuncties wordt ontzegd. De naleving van de bepalingen van deze richtlijn vereist dat persoonsgegevens van consumenten worden verwerkt. Een dergelijke verwerking wordt beheerst door Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(9). Deze richtlijn moet daarom voldoen aan de in Richtlijn 95/46/EG en de nationale wetgeving ter uitvoering daarvan vastgestelde regels.
(36) Om de in deze richtlijn vastgestelde doelstellingen te verwezenlijken, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot het bepalen van de gestandaardiseerde terminologie op het niveau van de Unie voor betalingsdiensten die een aantal lidstaten gemeenschappelijk hebben en de gerelateerde definities van deze termen.
▌
(38) De lidstaten moetenjaarlijks en voor de eerste maal binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn ▌betrouwbare jaarstatistieken verkrijgen over de werking van de bij deze richtlijn ingevoerde maatregelen. Zij moeten alle relevante informatiebronnen gebruiken en die informatie aan de Commissie meedelen. De Commissie moet op basis van de aldus ontvangen informatie een jaarverslag opstellen.
(39) Vier jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn moet een toetsing ervan plaatsvinden om rekening te houden met marktontwikkelingen, zoals het ontstaan van nieuwe soorten betaalrekeningen en betalingsdiensten, alsook ontwikkelingen op andere gebieden van het uniale recht en de ervaringen van de lidstaten. Bij de toetsing dient te worden nagegaan of door de ingevoerde maatregelen de consument een beter inzicht heeft in de betaalrekeningkosten, of betaalrekeningen vergelijkbaarder zijn geworden en of gemakkelijker van rekening kan worden overgestapt. Er moet daarbij ook worden nagegaan hoeveel basisbetaalrekeningen zijn geopend, mede door consumenten die voorheen niet over een bankrekening beschikten, hoe lang dit soort rekeningen zijn aangehouden, hoeveel aanvragen voor het openen van basisbetaalrekeningen geweigerd zijn, hoeveel van die rekeningen ontbonden zijn, en wat de redenen daarvoor en de bijbehorende kosten waren. Daarbij moet eveneens worden nagegaan of gedurende een langere periode verlengde termijnen moeten worden behouden voor betalingsdienstaanbieders die grensoverschrijdend overstappen verrichten. Eveneens moet daarbij worden beoordeeld of de bepalingen betreffende de informatie die moet worden verstrekt door betalingsdienstaanbieders wanneer zij pakketproducten aanbieden toereikend zijn dan wel of bijkomende maatregelen nodig zijn. De Commissie moet een verslag indienen bij het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval vergezeld van wetgevingsvoorstellen.
(40) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie overeenkomstig artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
(41) Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.
(41 bis) Een lidstaat moet kunnen besluiten om betalingsdienstaanbieders te ontheffen van de verplichting een betaalrekening met basisfuncties aan te bieden, onder voorbehoud van de goedkeuring van de Commissie. De Commissie moet de ontheffingen alleen goedkeuren indien er een gelijk speelveld tussen alle betalingsdienstaanbieders wordt gegarandeerd, het recht van toegang voor consumenten niet wordt ondermijnd en klanten met een basisrekening niet worden geconfronteerd met het risico op stigmatisering. De goedkeuring leidt niet tot een situatie waarin slechts één betalingsdienstaanbieder deze betaalrekening met basisfuncties in een lidstaat aanbiedt,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
1. Deze richtlijn stelt met betrekking tot de transparantie en vergelijkbaarheid van kosten die aan de consumenten worden aangerekend voor de betaalrekeningen die zij binnen de Europese Unie aanhouden en die door in de Unie gevestigde betalingsdienstaanbieders worden aangeboden en met betrekking tot het overstappen van betaalrekening binnen de Unie regels vast.
2. Deze richtlijn bepaalt tevens een kader voor de regels en voorwaarden volgens welke de lidstaten voor de consumenten een recht waarborgen om in de Unie een betaalrekening met basisfuncties te openen en te gebruiken.
3. De opening en het gebruik van een betaalrekening met basisfuncties op grond van deze richtlijn is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk II van Richtlijn 2005/60/EG.
3 bis. Onverminderd de artikelen 15 tot en met 19 wordt een betaalrekening met basisfuncties voor de toepassing van deze richtlijn beschouwd als een betaalrekening.
4. Deze richtlijn geldt voor in de Unie gevestigde betalingsdienstaanbieders.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:
(a) "consument": iedere natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit;
(a bis) "legaal verblijvend": de status van een burger van de Unie of onderdaan van een derde land die legaal op het grondgebied van de Unie verblijft, met inbegrip van personen die asiel zoeken in het kader van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, het bijbehorende Protocol van 31 januari 1967 en andere relevante internationale verdragen;
(b) "betaalrekening": een op naam van een of meer betalingsdienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt;
(c) "betalingsdienst": een betalingsdienst als gedefinieerd in artikel 4, lid 3, van Richtlijn 2007/64/EG;
(c bis) "aan de betaalrekening gekoppelde diensten": alle diensten die verband houden met het aanhouden van een betaalrekening, met inbegrip van betalingsdiensten en betalingstransacties als bedoeld in artikel 3, onder g), van Richtlijn 2007/64/EG;
(d) "betalingstransactie": een door de betaler of door de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde bestaan;
(e) "betalingsdienstaanbieder": een betalingsdienstaanbieder als gedefinieerd in artikel 4, lid 9, van Richtlijn 2007/64/EG, behalve voor de toepassing van Hoofdstuk IV, waar het betrekking heeft op alle betalingsdienstaanbieders op het grondgebied van de lidstaten die werkzaam zijn op het gebied van algemene retailbetalingsdiensten en die als integraal onderdeel van hun reguliere bedrijfsactiviteiten betaalrekeningen aanbieden;
(f) "betaalinstrument": een betaalinstrument als gedefinieerd in artikel 4, lid 23, van Richtlijn 2007/64/EG;
(g) "overbrengende betalingsdienstaanbieder": de betalingsdienstaanbieder van wie de informatie betreffende alle of sommige terugkerende betalingen wordt overgebracht;
(h) "ontvangende betalingsdienstaanbieder": de betalingsdienstaanbieder aan wie de informatie betreffende alle of sommige terugkerende betalingen wordt overgebracht;
(i) "betaler": hetzij een natuurlijk of een rechtspersoon die houder is van een betaalrekening en een betalingsopdracht van die betaalrekening toestaat, hetzij, als er geen betaalrekening van de betaler is, een natuurlijke of rechtspersoon die een betalingsopdracht geeft naar de betaalrekening van een begunstigde;
(j) "begunstigde": natuurlijke of rechtspersoon die de beoogde ontvanger is van de geldmiddelen waarop een betalingstransactie betrekking heeft;
(k) "kosten": alle eventuele kosten en boetes die door de consument aan de betalingsdienstaanbieder verschuldigd zijn voor en in verband met aan een betaalrekening gekoppelde diensten;
(k bis) "kredietrentevoet": de hoogte van de rente die aan de consument wordt betaald voor het aanhouden van geldmiddelen op een betaalrekening;
(l) "duurzaam medium": ieder hulpmiddel dat de consument of de betalingsdienstaanbieder in staat stelt om persoonlijk aan de consument gerichte informatie op te slaan op een wijze die deze informatie toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is aangepast aan het doel waarvoor de informatie is bestemd, en die een ongewijzigde weergave van de opgeslagen informatie mogelijk maakt;
(m) "overstappen": het op verzoek van een consument overbrengen van de ene betalingsdienstaanbieder naar de andere betalingsdienstaanbieder van de informatie over alle of sommige doorlopende opdrachten voor overmakingen, terugkerende automatische afschrijvingen en terugkerende inkomende overmakingen die op een betaalrekening worden uitgevoerd, met of zonder overbrenging van het positieve rekeningsaldo van de ene betaalrekening naar de andere of sluiting van de eerste rekening; Overstappen impliceert niet de overgang van het contract van de overbrengende betalingsdienstaanbieder naar de ontvangende betalingsdienstaanbieder.
(n) "automatische afschrijving": een betalingsdienst voor debiteringen van de betaalrekening van een betaler, waarbij een betalingstransactie door de begunstigde wordt geïnitieerd met goedkeuring van de betaler;
(o) "overmaking": een ▌betalingsdienst voor het crediteren van de betaalrekening van een begunstigde middels een betalingstransactie of een reeks betalingstransacties van een betaalrekening van een betaler door de betalingsdienstaanbieder die de betaalrekening van de betaler bezit, op basis van een door de betaler gegeven instructie;
(p) "doorlopende opdracht": een dienst waarbij met regelmatige tussenpozen een betaalrekening van een begunstigde van een betaalrekening van een betaler wordt gecrediteerd middels een reeks betalingstransacties die op basis van een door de betaler gegeven instructie worden uitgevoerd door de betalingsdienstaanbieder die de betaalrekening van de betaler bezit;
(q) "geldmiddelen": bankbiljetten, muntstukken en giraal geld alsook elektronisch geld als gedefinieerd in artikel 2, lid 2, onder b), van Richtlijn 2009/110/EG;
(r) "raamcontract": een betalingsdienstencontract dat de toekomstige uitvoering beheerst van afzonderlijke en opeenvolgende betalingstransacties en dat de verplichtingen en voorwaarden voor de opening van een betaalrekening kan omvatten;
(r bis) "werkdag": werkdag als omschreven in artikel 4, punt 27, van Richtlijn 2007/64/EG.
Artikel 3
Gestandaardiseerde terminologiein verband met betaalrekeningen
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten waarvan sprake is in artikel 20 een voorlopige lijst opstellen van de meeste representatieve aan betalingsrekeningen gekoppelde diensten op nationaal niveau. De lijst omvat ten minste de 10 meest representatieve diensten die op nationaal niveau beschikbaar zijn. De lijst omvat termen en definities voor elk van de vastgestelde diensten, waarbij in elke officiële taal van de lidstaat slechts één term wordt gebruikt voor elke dienst.
2. Voor de toepassing van lid 1 houden de bevoegde autoriteiten rekening met de diensten:
(a) die door de consumenten met betrekking tot hun betaalrekening het vaakst gebruikt worden:
(b) die voor de consumenten ▌de hoogste kosten veroorzaken, zowel in totaal als per eenheid;
Om de juiste toepassing van deze criteria voor de uitvoering van lid 1 te waarborgen, ontwikkelt de EBA ▌ingevolge artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren om de bevoegde autoriteiten bij te staan.
3. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op ... [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] in kennis van de in lid 1 bedoelde lijsten. Op verzoek verstrekken de lidstaten aan de Commissie aanvullende informatie over de gegevens op basis waarvan zij de lijsten hebben opgesteld met inachtneming van de in lid 2 bedoelde criteria.
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 24 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot vaststelling, op basis van de voorlopige lijsten die ingevolge lid 3 zijn ingediend, van een gestandaardiseerde terminologie van de Unie voor aan een betaalrekening gekoppelde diensten die ten minste een meerderheid van de lidstaten gemeenschappelijk hebben. De gestandaardiseerde terminologie van de Unie isduidelijk en bondig en omvat gemeenschappelijke termen en definities voor de gemeenschappelijke diensten.In elke officiële taal van elke lidstaat wordt voor elke dienst slechts één term gebruikt.
5. Na de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie van de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handelingen, verwerkt elke lidstaat onverwijld en in ieder geval binnen een maand de ingevolge lid 4 vastgestelde gestandaardiseerde terminologie van de Unie in de in lid 1 bedoelde voorlopige lijst en publiceert hij deze lijst.
Artikel 4
Informatiedocument betreffende de kosten en glossarium
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de betalingsdienstaanbieders tijdig vóór het aangaan van een contract betreffende een betaalrekening met een consument de consument een uitvoerig informatiedocument betreffende de kosten verstrekken. Het informatiedocument betreffende de kosten bevat alle beschikbare aan een betaalrekening gekoppelde diensten die zijn opgenomen in de lijst van de meest representatieve diensten waarvan sprake in artikel 3, lid 5, en de gerelateerde kosten voor elke dienst. Tevens vermeldt het eventuele verdere kosten en rentevoeten die voor de rekening kunnen gelden.Om het informatiedocument betreffende de kosten te onderscheiden van commerciële of contractuele documentatie, moet bovenaan de eerste bladzijde een gemeenschappelijk symbool worden afgedrukt. De lidstaten zorgen ervoor dat betalingsdienstaanbieders de consumenten op de hoogte stellen van eventuele wijzigingen van kosten en waar relevant aan de consument een actueel informatiedocument betreffende de kosten beschikbaar stellen.
Indien de kosten voor een dienst alleen gelden voor bepaalde communicatiekanalen, bijvoorbeeld via internet of een bijkantoor, of indien de kosten variëren naar gelang het gebruikte kanaal, wordt dit duidelijk aangegeven in het informatiedocument betreffende de kosten.
1 bis. De lidstaten zien erop toe dat betalingsdienstaanbieders geen andere kosten in rekening brengen dan die staan weergegeven in het informatiedocument betreffende de kosten.
2. Indien een of meer van de ▌betalingsdiensten wordt aangeboden als onderdeel van een pakket betalingsdiensten, wordt in het informatiedocument betreffende de kosten mededeling gedaan ▌van de kosten voor het hele pakket, van de in het pakket opgenomen diensten en hun nummer, en van de kosten voor diensten die niet onder de kosten voor het pakket vallen. ▌
▌
5. De lidstaten verplichten de betalingsdienstaanbieders voor de consumenten een glossarium beschikbaar te stellen van alle in lid 1 bedoelde diensten en de gerelateerde definitiesen toelichting.
De lidstaten zien erop toe dat het overeenkomstig de eerste alinea verstrekte glossarium is opgesteld in duidelijke, ondubbelzinnige en niet-technische bewoordingen en dat het niet misleidend is.
6. Het informatiedocument betreffende de kosten en het glossarium worden door de betalingsdienstaanbieders permanent voor de consumenten en toekomstige consumenten op hun website beschikbaar gesteld, waar ze ook voor niet-klanten eenvoudig toegankelijk zijn. Het informatiedocument wordt door de betalingsdienstaanbieders in lokalen die toegankelijk zijn voor de consumenten op een duurzaam medium kosteloos beschikbaar gesteld en het glossarium wordt op verzoek op een duurzaam medium beschikbaar gesteld.
7. De EBA stelt, na overleg met nationale autoriteiten en na consumententests, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op voor een gestandaardiseerd presentatieformaat van het informatiedocument betreffende de kosten en het gemeenschappelijke symbool ervan.
De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk ... [12 maandenna de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] voor aan de Commissie.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
Artikel 5
Kostenstaat
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de betalingsdienstaanbieders aan de consumententen minste jaarlijks en kosteloos een staat verstrekken van alle kosten en rentevoeten die voor hun betaalrekening worden gehanteerd.
Het communicatiekanaal dat gebruikt moet worden om de consument de kostenstaat te verstrekken wordt overeengekomen tussen de overeenkomstsluitende partijen. De kostenstaat wordt op verzoek van een consument beschikbaar gesteld op papier.
2. De staat als bedoeld in lid 1 omvat de volgende informatie:
(a) de voor elke dienst aangerekende eenheidskosten en het aantal keren dat de dienst tijdens de relevante periode is gebruikt of, wanneer diensten in een pakket zijn gecombineerd, de voor het hele pakket aangerekende kosten;
(b) het totale bedrag aan kosten die tijdens de relevante periode voor elke aangeboden dienst zijn opgelopen, waar passend rekening houdend met de specifieke kostenstructuren in verband met dienstenpakketten;
(b bis) de op de rekening toegepaste hoogte van de rente op rekening-courantkredieten, het aantal dagen dat de rekening in het rood stond alsmede de totale in rekening gebrachte rentekosten met betrekking tot het debetsaldo tijdens de relevante periode;
(b ter) de op de rekening toegepaste kredietrentevoet, het gemiddelde saldo en het totale bedrag aan rente dat tijdens de relevante periode is bijgeschreven;
(c) de totale balans (positief of negatief) na aftrek van alle kosten en de verwerking van de rente in verband met het gebruik van de rekening tijdens de relevante periode;
(c bis) kennisgevingen van aanstaande wijzigingen van kosten en rentevoeten in de daaropvolgende periode.
▌
4. De EBA stelt, na overleg met nationale autoriteiten en na consumententests, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op voor een gestandaardiseerd presentatieformaat van de kostenstaat en het gemeenschappelijke symbool ervan.
De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk ... [12 maandenna de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] voor aan de Commissie.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
Artikel 6
Mededelingen met standaardterminologie
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de betalingsdienstaanbieders in alle mededelingen aan consumenten, waaronder contractuele en marketingmededelingen, in voorkomend geval gebruik maken van de gestandaardiseerde terminologie in de lijst van de meest representatieve aan een betaalrekening gekoppelde diensten als bedoeld in artikel 3, lid 5.
2. De betalingsdienstaanbieders mogen in hun marketingmededelingen aan klanten gebruik maken van merknamen die hun diensten of betaalrekeningen aanduiden, op voorwaarde dat zij in voorkomend geval duidelijk de overeenkomstige term gebruiken van de gestandaardiseerdeterminologie in de complete lijst als bedoeld in artikel 3, lid 5. Betalingsdienstaanbieders mogen gebruik maken van dergelijke merknamen in het informatiedocument betreffende de kosten of de kostenstaat indien dit bovenop en niet in plaats van de gestandaardiseerde terminologie komt en als bijkomende aanduiding van de aangeboden diensten of rekening.
Artikel 7
Vergelijkingswebsitesop nationaal niveau
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de consumenten kosteloos toegang hebben tot ten minste één website die is opgezet overeenkomstig lid 2 of 3, en die op zijn minst de volgende elementen omvat:
(a) een vergelijking van de rente die wordt betaald of in rekening wordt gebracht op de betaalrekening, van de kosten die door de betalingsdienstaanbieders worden aangerekend voor de diensten welke met betrekking tot betaalrekeningen op nationaal niveau worden aangeboden;
(b) een vergelijking van elementen die bepalend zijn voor het door de betalingsdienstaanbieder geboden dienstverleningsniveau, waaronder factoren als het aantal vestigingen en de locatie daarvan en het aantal geldautomaten waarmee toegang tot diensten kan worden verkregen;
(c) aanvullende informatie over de gestandaardiseerde Unieterminologie, over toegang tot betaalrekeningen, waaronder betaalrekeningen met basisfuncties, en over overstapprocedures op nationaal en Unieniveau. Deze informatie kan worden verstrekt in de vorm van links naar externe websites.
2. De lidstaten stellen een vrijwillige erkenningsregeling vast voor door private ondernemers beheerde websites waarop de in artikel 7, lid 1, onder (a) en (b) omschreven vergelijkingselementen worden vergeleken die door de betalingsdienstaanbieders voor met betrekking tot betaalrekeningen aangeboden diensten worden aangerekend. Om erkenning te verkrijgen, gelden voor door private ondernemers beheerde vergelijkingswebsites de volgende voorwaarden:
(a) zij zijn juridisch, financieel en operationeel onafhankelijk van elke betalingsdienstaanbieder;
(a bis) zij bevatten duidelijke informatie over hun eigenaren en financieringswijze;
(a ter) zij bevatten duidelijke, objectieve criteria waarop de vergelijkingen zijn gebaseerd;
(a quater) zij zijn onpartijdig in de zin dat er geen advertenties van betalingsdienstaanbieders, hun agenten, filialen of merken op de homepage of de vergelijkingspagina's worden weergegeven;
(b) er wordt gebruik gemaakt van gewone en ondubbelzinnige taal en, in voorkomend geval, de gestandaardiseerde Unieterminologie als bedoeld in artikel 3, lid 5;
(c) er wordt juiste en geactualiseerde informatie verstrekt, met vermelding van de laatste actualisering;
(d) gebruikers worden objectieve en volledige resultaten aangeboden waarbij ten volste rekening wordt gehouden met de door de gebruiker geselecteerde zoekcriteria, en ingeval de weergegeven informatie geen overzicht van het totale marktaanbod geeft dit duidelijk melden voordat de zoekresultaten worden weergegeven;
(d bis) verzoeken van betalingsdienstaanbieders in de betrokken lidstaat om hun gegevens op te nemen op de website worden aanvaard;
(e) er is een effectieve informatieopvraag- en klachtenbehandelingsprocedure in werking.
Wanneer de betalingsdienstaanbieders kosten in rekening worden gebracht voor het opnemen van hun gegevens op een dergelijke website, zijn die kosten niet-discriminerend en worden zij op de website bekendgemaakt.
3. Indien geen website ingevolge lid 2 erkend is, zorgen de lidstaten ervoor dat een website wordt opgezet die door of namens de bevoegde autoriteit waarvan sprake in artikel 20 of enige andere bevoegde overheid beheerd wordt. Indien een website ingevolge lid 2 erkend is, kunnen de lidstaten besluiten een bijkomende website op te zetten die door de bevoegde autoriteit waarvan sprake in artikel 20 of enige andere bevoegde overheid beheerd wordt. Voor websites die door een bevoegde autoriteit worden beheerd ingevolge lid 1, geldt lid 2, onder a) tot en met e).
4. De lidstaten weigeren bij herhaaldelijke of aanhoudende niet-naleving van de verplichtingen in lid 2 de erkenning van private ondernemers of trekken deze in.
4 bis. Betalingsdienstaanbieders zijn niet aansprakelijk voor onjuiste of verouderde informatie over henzelf of over hun diensten, die staat vermeld op een erkende of niet-erkende vergelijkingswebsite, indien de aanbieder van de website de desbetreffende informatie niet heeft gecorrigeerd, ondanks een verzoek hiertoe van de betalingsdienstaanbieder.
4 ter. De lidstaten zien erop toe dat de consumenten weet hebben van het bestaan van de in lid 1 bedoelde websites en de in lid 2 of 3 bedoelde erkende websites.
▌
Artikel 7 bis
Vergelijkingswebsite van de Unie
1. De lidstaten stellen de EBA in kennis van de vergelijkingswebsites die aan de voorwaarden van artikel 7, leden 1, 2 en 3 voldoen.
2. Uiterlijk … [drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn], zet de EBA een openbaar toegankelijke vergelijkingswebsite van de Unie op die consumenten de mogelijkheid biedt de betaalrekeningen die op de interne markt worden aangeboden te vergelijken. De vergelijkingswebsite van de Unie biedt de consumenten ter aanvulling op die informatie een glossarium met de gestandaardiseerde technologie van de Unie zoals goedgekeurd overeenkomstig artikel 3, lid 5, alsmede praktische richtsnoeren over het grensoverschrijdend overstappen tussen betaalrekeningen.
Artikel 8
Pakketrekeningen
De lidstaten zorgen er onverminderd artikel 4, lid 2 voor dat wanneer een betaalrekening samen met een andere financiële dienst of een ander product als onderdeel van een pakket wordt aangeboden, de betalingsdienstaanbieder de consument informeert over het feit of het mogelijk is de betaalrekening afzonderlijk aan te kopen en,zo ja, dat deze afzonderlijke informatie verstrekt betreffende de kosten in verband met elk van de in het pakket aangeboden andere financiële producten en diensten
▌
HOOFDSTUK III
OVERSTAPPEN
Artikel 9
Aanbod van de overstapservice
De lidstaten zorgen ervoor dat de respectieve betalingsdienstaanbieders een overstapservice als beschreven in artikel 10 aanbieden aan elke consument die bij een andere in de Unie gevestigde betalingsdienstaanbieder een betaalrekening aanhoudt en die een nieuwe betaalrekening heeft geopend bij de ontvangende betalingsdienstaanbieder.
Lidstaten kunnen, met betrekking tot het overstappen tussen betalingsdienstaanbieders die beide op hun grondgebied zijn gevestigd, regelingen vaststellen of aanhouden die afwijken van de in artikel 10 omschreven regelingen, indien dit duidelijk in het belang is van de consument en de overstap wordt afgerond binnen maximaal hetzelfde totale tijdschema als omschreven in artikel 10.
Artikel 10
De overstapservice
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de overstapservice door de ontvangende betalingsdienstaanbieder wordt geïnitieerd en verricht in overeenstemming met de regels die vervat zijn in de leden 2 tot en met 7.
2. De overstapservice wordt door de ontvangende betalingsdienstaanbieder geïnitieerd. De ontvangende betalingsdienstaanbieder dient van de consument ▌schriftelijke toestemming te krijgen om de overstapservice te kunnen verrichten. In geval van gezamenlijke rekeningen moet toestemming worden verkregen van alle rekeninghouders.
De toestemming wordt opgesteld in een officiële taal van de lidstaat waar de overstapservice geïnitieerd wordt of in elke door beide partijen overeengekomen andere taal.
De toestemming stelt de consument in staat specifieke goedkeuring aan de overbrengende betalingsdienstaanbieder te verlenen of te weigeren om elk van de taken te verrichten die zijn vermeld in lid 3, onder e) en f), en specifieke goedkeuring aan de ontvangende betalingsdienstaanbieder te verlenen of te weigeren om elk van de taken te verrichten die zijn vermeld in lid 4, onder c) en d), en lid 5. De toestemming stelt de consument in staat specifiek om de overzending door de overbrengende betalingsdienstaanbieder van de in de leden 3, onder a) en b), vermelde informatie te verzoeken.
De toestemming bevat tevens de datum vanaf welke terugkerende betalingen vanaf de bij de ontvangende betalingsdienstaanbieder geopende rekening moeten worden uitgevoerd. Deze datum is ten minste zeven werkdagen na de datum waarop de overbrengende betalingsdienstaanbieder het verzoek tot uitvoering van de overstap ontvangt van de ontvangende betalingsdienstaanbieder overeenkomstig artikel 10, lid 6.
3. Binnen twee werkdagen vanaf de ontvangst van de toestemming waarvan sprake in lid 2 vraagt de ontvangende betalingsdienstaanbieder de overbrengende betalingsdienstaanbieder de volgende taken uit te voeren:
(a) aan de ontvangende betalingsdienstaanbieder en, indien de consument daar ingevolge lid 2 specifiek om heeft verzocht, aan de consument een lijst zenden van alle bestaande doorlopende opdrachten voor overmakingen en debiteurgedreven automatischeafschrijvingsmandaten, indien beschikbaar;
(b) aan de ontvangende betalingsdienstaanbieder en, indien de consument daar ingevolge lid 2 specifiek om heeft verzocht, aan de consument te beschikbare informatie zenden over inkomende overmakingen en crediteurgedreven automatische afschrijvingen die de voorafgaande 13 maanden op de rekening van de consument zijn uitgevoerd;
(c) aan de ontvangende betalingsdienstaanbieder de bijkomende informatie zenden die ▌de ontvangende betalingsdienstaanbieder nodig heeft om de overstap te verrichten;
(d) indien de overbrengende betalingsdienstaanbieder geen systeem aanbiedt voor automatische doorgeleiding van inkomende overmakingen en automatische afschrijvingen naar de rekening die de consument bij de ontvangende betalingsdienstaanbieder aanhoudt, vanaf de in de toestemming bepaalde datum ▌ophouden automatische afschrijvingen en inkomende overmakingen te aanvaarden;
(e) indien de consument specifieke goedkeuring heeft verleend ingevolge lid 2, op de door de consument bepaalde datum elk overblijvend positief saldo naar de bij de ontvangende betalingsdienstaanbieder geopende of aangehouden rekening overbrengen; ▌
(f) indien de consument specifieke goedkeuring heeft verleend ingevolge lid 2, op de door de consument bepaalde datum de bij de overbrengende betalingsdienstaanbieder aangehouden rekening sluiten;
(f bis) doorlopende opdrachten en overmakingen annuleren met een uitvoeringsdatum vanaf de in de toestemming bepaalde datum.
4. Bij ontvangst van de aan de overbrengende betalingsdienstaanbieder gevraagde informatie waarvan sprake in lid 3, voert de ontvangende betalingsdienstaanbieder de volgende taken uit:
(a) binnen zeven werkdagen de doorlopende opdrachten voor overmakingen waarom door de consument is verzocht, instellen en deze vanaf de in de toestemming bepaalde datum uitvoeren;
(b) automatische afschrijvingen aanvaarden vanaf de in de toestemming bepaalde datum;
(b bis) consumenten indien relevant in kennis stellen van hun rechten met betrekking tot automatische afschrijvingen binnen SEPA krachtens artikel 5, lid 3, onder d, van Verordening (EU) nr. 260/2012;
(c) indien de consument specifieke goedkeuring heeft verleend ingevolge lid 2, de betalers die terugkerende overmakingen naar een betaalrekening van een consument doen op de hoogte brengen van de gegevens van de rekening van de consument bij de ontvangende betalingsaanbieder. Als de ontvangende betalingsdienstaanbieder niet over alle informatie beschikt die hij nodig heeft om de betaler te informeren, vraag hij binnen twee dagen ofwel de consument ofwel, indien nodig en behoudens de instemming van de consument,, de overbrengende betalingsdienstaanbieder de ontbrekende informatie te verstrekken;
(d) indien de consument specifieke goedkeuring heeft verleend ingevolge lid 2, begunstigden die een automatische afschrijving gebruiken om vanop de rekening van de consument geldmiddelen te innen op de hoogte brengen van de gegevens van de rekening van de consument bij de ontvangende betalingsdienstaanbieder en de datum vanaf welke automatische afschrijvingen van die rekening zullen worden geïnd. Als de ontvangende betalingsdienstaanbieder niet over alle informatie beschikt die hij nodig heeft om de begunstigde te informeren, vraag hij binnen twee dagen ofwel de consument ofwel, indien nodig en behoudens de instemming van de consument,, de overbrengende betalingsdienstaanbieder de ontbrekende informatie te verstrekken;
(e) indien de consument wordt gevraagd de in de punten c) en d) vermelde ontbrekende informatie te verstrekken, aan de consument standaardbrieven verstrekken, opgesteld in een officiële taal van de lidstaat waar de overstapservice geïnitieerd wordt of in een door beide partijen overeengekomen andere taal, met gegevens betreffende de nieuwe rekening en de aanvangsdatum als vermeld in de toestemming.
4 bis. De lidstaten zien erop toe dat er op nationaal niveau termijnen worden vastgesteld voor zowel betalers als begunstigden, om rekening te houden met de door de ontvangende betalingsdienstaanbieder doorgegeven nieuwe rekeninggegevens van de consument. De lidstaten zien er tevens op toe dat de consumenten op de hoogte worden gebracht van dergelijke termijnen en de daarmee verband houdende aansprakelijkheid.
5. Indien de consument specifieke goedkeuring heeft verleend ingevolge lid 2, mag de ontvangende betalingdienstaanbieder alle bijkomende taken uitvoeren die noodzakelijk zijn om de overstap te verrichten.
6. Bij ontvangst van een verzoek van de ontvangende betalingsdienstaanbieder voert de overbrengende betalingsdienstaanbieder de volgende taken uit:
(a) de ontvangende betalingsdienstaanbieder binnen zeven werkdagen na ontvangst van het verzoek de in de punten a), b) en c) van lid 3 vermelde informatie zenden;
(b) indien de overbrengende betalingsdienstaanbieder geen systeem aanbiedt voor automatische doorgeleiding van inkomende overmakingen en automatische afschrijvingen naar de rekening die de consument bij de ontvangende betalingsdienstaanbieder aanhoudt, vanaf de door de ontvangende betalingsdienstaanbieder gevraagde datum op de betaalrekening inkomende overmakingen stopzetten en ophouden automatische afschrijvingen te aanvaarden.
(c) ▌resterende positieve saldi van de betaalrekening naar de bij de ontvangende betalingsdienstaanbieder aangehouden rekening overbrengen;
(d) de betaalrekening sluiten zodra de onder (a), (b) en (c) genoemde taken zijn uitgevoerd;
(e) alle bijkomende taken ingevolge lid 5 uitvoeren die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de overstap.
6 bis. Ingeval de consument nog openstaande verplichtingen heeft jegens de overbrengende betalingsdienstaanbieder, is laatstgenoemde niet verplicht de betalingsregeling overeenkomstig lid 6, onder (d), op te heffen. Indien er van dergelijke openstaande verplichtingen sprake is, stelt de betalingsdienstaanbieder de consument in kennis van het feit dat zijn rekening niet kan worden opgeheven.
7. Onverminderd artikel 55, lid 2, van Richtlijn 2007/64/EG blokkeert de overbrengende betalingsdienstaanbieder vóór de met de ontvangende betalingsdienstaanbieder overeengekomen datum geen betaalinstrumenten, zodat de levering van betaaldiensten aan de consument niet wordt onderbroken tijdens het overstapproces.
8. De lidstaten zorgen ervoor dat alle bepalingen in de leden 1 tot en met 7, behalve die in lid 4, onder (c) en (d), eveneens van toepassing zijn wanneer de overstapservice door een in een andere lidstaat gevestigde betalingsdienstaanbieder wordt geïnitieerd.
9. In het in lid 8 vermelde geval worden de in de leden 3, 4 en 6 vermelde termijnen verdubbeld, met uitzondering van gevallen waarin het om transacties gaat die onder artikel 1 van Verordening (EU) nr. 260/2012 vallen, waarbij zowel de overbrengende als de ontvangende betaalrekening in euro zijn. Deze bepaling is aan toetsing onderworpen ingevolge artikel 27.
Artikel 11
Kosten in verband met de overstapservice
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de consumenten in staat zijn kosteloos toegang te verkrijgen tot hun persoonlijke informatie betreffende bestaande doorlopende opdrachten en automatische afschrijvingen die in het bezit is van de overbrengende of de ontvangende betalingsdienstaanbieder.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de overbrengende betalingsdienstaanbieder de door de ontvangende betalingsdienstaanbieder ingevolge lid 6, onder a), van artikel 10 gevraagde informatie verstrekt zonder de consument of de ontvangende betalingsdienstaanbieder kosten in rekening te brengen.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat eventuele kosten die door de overbrengende betalingsdienstaanbieder aan de consument worden aangerekend voor de beëindiging van de bij hem aangehouden betaalrekening worden bepaald in overeenstemming met artikel 45, lid 2, van Richtlijn 2007/64/EG.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat eventuele kosten die door de overbrengende of de ontvangende betalingsdienstaanbieder aan de consument worden aangerekend voor enige uit hoofde van artikel 10 verstrekte dienst, met uitzondering van de diensten waarvan sprake in de leden 1, 2 en 3, redelijk is.
Artikel 11 bis
Automatische doorgeleiding
Tenzij de Europese Commissie na het uitvoeren van een regelgevingseffectbeoordeling anders besluit, zien de lidstaten erop toe dat uiterlijk … [zes jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] een voorziening getroffen wordt voor automatische doorgeleiding van betalingen van de ene betaalrekening naar de andere binnen dezelfde lidstaat, met automatische kennisgeving daarvan aan de begunstigden en betalers.
Artikel 12
Financieel verlies voor consumenten
1. De lidstaten zorgen ervoor dat enig door de consument opgelopen kosten of ander financieel verlies als gevolg van de niet-naleving door de bij het overstapproces betrokken betalingsdienstaanbieder van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 10 door die betalingsdienstaanbieder worden vergoed binnen drie werkdagen na vaststelling van niet-naleving. De bewijslast berust bij de betalingsdienstaanbieder, die moet aantonen dat de voorwaarden van artikel 10 zijn nageleefd.
2. De consumenten dragen geen financieel verlies als gevolg van fouten of vertragingen bij het actualiseren van hun betaalrekeninggegevens door een betaler of een begunstigde. De lidstaten zien erop toe dat betalers en begunstigden aansprakelijk worden gesteld wanneer zij zich niet houden aan de door de lidstaten overeenkomstig artikel 10, lid 4 bis, vastgestelde termijnen.
Artikel 13
Informatie over de overstapservice
1. De lidstaten zorgen ervoor dat betalingsdienstaanbieders de volgende informatie over de overstapservice beschikbaar stellen voor consumenten:
(a) de taken van de overbrengende en de ontvangende betalingsdienstaanbieder voor elke stap van het overstapproces, als vermeld in artikel 10;
(b) de termijn voor de voltooiing van de respectieve stappen;
(c) de eventuele kosten die voor het overstapproces worden aangerekend;
(d) alle informatie die de consument gevraagd wordt te verstrekken;
(e) de alternatieve regeling inzake geschillenbeslechtingprocedures waarvan sprake in artikel 21.
2. De informatie wordt in alle bijkantoren van de betalingsdienstaanbieders die toegankelijk zijn voor consumenten kosteloos op een duurzaam medium beschikbaar gesteld en is te allen tijde in elektronische vorm beschikbaar op hun website.
HOOFDSTUK IV
TOEGANG TOT BETAALREKENINGEN
Artikel 14
Niet-discriminatie
De lidstaten zorgen ervoor dat consumenten die legaal in de Unie verblijven bij het aanvragen van of toegang verkrijgen tot een betaalrekening binnen de Unie niet worden gediscrimineerd op grond van nationaliteit, woonplaats of enige andere grond als bedoeld in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De voorwaarden die van toepassing zijn op het aanhouden van een basisbetaalrekening mogen in generlei opzicht discriminerend zijn. Het is niet verboden enigerlei zichtbaar onderscheid aan te brengen door de kaart er bijvoorbeeld anders te doen uitzien, of door een andere rekening of een andere kaartnummer toe te kennen.
Artikel 15
Recht op toegang tot een betaalrekening met basisfuncties
1. De lidstaten zorgen ervoor dat een betaalrekening met basisfuncties aan consumenten wordt aangeboden door alle betalingsdienstaanbieders die werkzaam zijn op het gebied van algemene retailbetalingsdiensten en die als integraal onderdeel van hun reguliere bedrijfsactiviteiten betaalrekeningen aanbieden. De lidstaten zorgen ervoor dat betaalrekeningen met basisfuncties niet alleen worden aangeboden door betalingsdienstaanbieders die de rekening alleen ▌voor online bankieren aanbieden.
Een lidstaat kan besluiten betalingsdienstaanbieders te ontheffen van de in de eerste alinea bedoelde verplichting, onder voorbehoud van goedkeuring van de Commissie. Een dergelijke ontheffing is gebaseerd op objectieve en restrictieve criteria. De Commissie keurt de ontheffingen alleen goed indien er een gelijk speelveld tussen alle betalingsdienstaanbieders wordt gegarandeerd, het recht van toegang voor consumenten niet wordt ondermijnd en de ontheffing niet leidt tot een situatie in de desbetreffende lidstaat waarin klanten met een basisrekening het risico lopen dat zij gestigmatiseerd worden. [Ams. 4 en 5/rev ]
1 bis. De lidstaten kunnen betalingsdienstaanbieders van de verplichting in lid 1 ontheffen, indien zij:
(a) genoemd worden in artikel 2, lid 5, van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(10);
(b) geen winstoogmerk hebben;
(c) lidmaatschap vereisen aan de hand van vastgestelde criteria zoals beroep.
Elke dergelijke ontheffing wordt toegestaan zonder afbreuk te doen aan het recht van toegang voor consumenten tot een betaalrekening met basisfuncties.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat er op hun grondgebied een systeem voorhanden is ter waarborging van het in artikel 14 bedoelde recht van consumenten om een betaalrekening met basisfuncties te openen en te gebruiken, onverminderd de volgende voorwaarden:
(a) een dergelijk recht is van toepassing ongeacht de woonplaats van de consument, onverminderd lid 2 bis;
(a bis) er wordt een mechanisme ingevoerd om consumenten zonder vaste verblijfplaats, asielzoekers en consumenten die geen verblijfsvergunning krijgen maar die om wettelijke redenen niet kunnen worden uitgewezen in staat te stellen aan de eisen van hoofdstuk II van Richtlijn 2005/60/EG te voldoen.
(b) de uitoefening van het recht wordt niet al te moeilijk of belastend ▌gemaakt voor de consument;
(b bis) er wordt voorzien in een mechanisme waarmee consumenten die niet over een bankrekening beschikken alsook kwetsbare en mobiele consumenten geïnformeerd worden over de beschikbaarheid van betaalrekeningen met basisfuncties;
(b ter) de in artikel 10 en 11 van deze richtlijn bedoelde overstapservice dient geleverd te worden indien een consument van een andere bankrekening die binnen het kader van de overstapservice valt, wenst over te stappen naar een betaalrekening met basisfuncties.
2 bis. Om het in lid 2 neergelegde recht uit te kunnen oefenen vereisen de lidstaten dat consumenten een duidelijke relatie kunnen aantonen met de lidstaat waar zij een betaalrekening met basisfuncties willen openen.
Indien de consument een dergelijke relatie dient aan te tonen, zorgen de lidstaten ervoor dat dit niet te belastend is voor de consument. Hiertoe zien de lidstaten erop toe dat de bevoegde autoriteiten een lijst opstellen van criteria om een dergelijke relatie aan te kunnen tonen. Op deze lijst staan in ieder geval nationaliteit, familiebanden, persoonlijke binding, plaats van beroepsuitoefening, stage of leerplaats, verkenning van arbeidskansen of andere beroepsactiviteiten, plaats van studie of beroepsopleiding, woonplaats, plaats van eigendom en een asiel- of migratieaanvraag die nog in behandeling is.
De EBA ontwikkelt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren om de bevoegde autoriteiten bij te staan bij het ten uitvoer leggen van dit lid.
Betalingsdienstaanbieders houden rekening met de door de consument geleverde informatie en kunnen van de consument verlangen fysiek aanwezig te zijn of door een derde juridisch vertegenwoordigd te zijn in het dichtstbijzijnde bijkantoor om een rekening te openen.
De lidstaten zorgen ervoor dat consumenten nadat de rekening op afstand vooraf is geopend een maand de tijd hebben om een duidelijke relatie aan te tonen. Voordat een dergelijke verificatie heeft plaatsgevonden, met inbegrip van persoonlijke aanwezigheid indien nodig, is het betalingsdienstaanbieders toegestaan het gebruik van de rekening te beperken.
2 ter. Voordat een betaalrekening met basisfuncties wordt geopend, kunnen lidstaten van betalingsdienstaanbieders verlangen dat zij nagaan of de consument reeds een actieve en equivalente betaalrekening op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat aanhoudt en de consument verplichten tot het tekenen van een verklaring op erewoord ter zake.
3. Een betalingsdienstaanbieder mag een aanvraag om toegang tot een betaalrekening met basisfuncties niet weigeren behalve in de volgende gevallen:
(a) indienhet klantenonderzoek dat overeenkomstig hoofdstuk II van Richtlijn 2005/60/EG wordt uitgevoerd wijst op een aanzienlijk risico dat de rekening in strijd met het Unierecht gebruikt zal worden;
(b) in gevallen waarin de lidstaat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid in lid 2 ter van dit artikel indien een consument bij een op zijn grondgebied gevestigde betalingsdienstaanbieder reeds een betaalrekening aanhoudt waarmee hij van de in artikel 17, lid 1, opgesomde betalingsdiensten gebruik kan maken.
▌
4. De lidstaten zien erop toe dat betalingsdienstaanbieders aanvragen voor toegang tot een betaalrekening met basisfuncties binnen zeven werkdagen na ontvangst van een complete aanvraag en bewijs van identiteit afhandelen. De lidstaten zorgen ervoor dat, in de gevallen als vermeld in lid 3, de betalingsdienstaanbieder de consument onmiddellijk schriftelijk en kosteloos van de weigering en de concrete gronden daarvoor op de hoogte brengt tenzij een dergelijke openbaarmaking in strijd zou zijn met de doelstellingen van nationale veiligheid of de bestrijding van financiële criminaliteit. Daarnaast wordt de consument geattendeerd op ten minste één in de betrokken lidstaat beschikbaar, kosteloos of goedkoop rechtsmiddel of aanbod van adviesdiensten, alsmede op beschikbare mechanismen voor alternatieve geschillenbeslechting.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat, in de gevallen als vermeld in lid 3, onder b), de betalingsdienstaanbieder passende maatregelen neemt ingevolge hoofdstuk III van Richtlijn 2005/60/EG.
6. De lidstaten zorgen ervoor dat toegang tot een betaalrekening met basisfuncties niet afhankelijk wordt gesteld van de aankoop van bijkomende diensten of van aandelen van de betalingsdienstaanbieder.
Artikel 16
Kenmerken van een betaalrekening met basisfuncties
1. De lidstaten zorgen ervoor dat een betaalrekening met basisfuncties de volgende diensten omvat:
(a) diensten waarmee alle verrichtingen kunnen worden uitgevoerd die nodig zijn voor het openen, gebruiken en sluiten van een betaalrekening;
(b) diensten waarmee geld op een betaalrekening kan worden gestort;
(c) diensten waarmee binnen de Unie contanten van een betaalrekening kunnen worden opgenomen, aan het bankloket en bij pinautomaten tijdens of buiten de openingstijden van de bank;
(d) uitvoering van de volgende betalingstransacties binnen de Unie:
(i) automatische afschrijving via SEPA en in valuta anders dan de euro;
(ii) betalingstransacties via SEPA en in valuta anders dan de euro via een betaalinstrument (zoals middels een betaalkaart of een softwareproduct), daaronder begrepen online betalingen;
(iii) overmakingen via SEPA en in valuta anders dan de euro, met inbegrip van doorlopende opdrachten, aan terminals, loketten en via online faciliteiten van de betalingsdienstaanbieder.
2. De lidstaten waarborgen dat er, mits een betaalrekening met basisfuncties door de consument wordt aangehouden voor persoonlijk gebruik, geen grenzen worden gesteld aan het aantal verrichtingen dat aan de consument wordt aangeboden volgens de specifieke regels inzake kosten zoals vastgelegd in artikel 17. Bij de bepaling van wat als persoonlijk gebruik moet worden beschouwd, moeten de lidstaten ook rekening houden met bestaand consumentengedrag en de gebruikelijke commerciële praktijk.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat de consument in bijkantoren of via ▌online faciliteiten van de betalingsdienstaanbieder, indien beschikbaar, vanaf de betaalrekening van de consument betalingstransacties kan beheren en initiëren.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat ▌de betaalrekening met basisfuncties geen mogelijkheid heeft voorrekening courant-kredieten anders dan, waar dit passend wordt geacht, een tijdelijke kasfaciliteit voor kleine bedragen. De lidstaten mogen betalingsdienstaanbieders toestaan rekening courant-kredieten en andere kredietproducten aan klanten met een basisbetaalrekening aan te bieden als duidelijk separate diensten. De toegang tot of het gebruik van de betaalrekening met basisfuncties wordt op geen enkele wijze afhankelijk gesteld van of beperkt door de aankoop van dergelijke kredietproducten. De kosten voor dergelijke diensten zijn transparant en ten minste even gunstig als het gewoonlijke prijsbeleid van de aanbieder.
4 bis. De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen aan te nemen overeenkomstig artikel 24 teneinde de lijst van diensten die deel uitmaken van een betaalrekening met basisdiensten te wijzigen naargelang de ontwikkelingen op het vlak van betalingsmiddelen en de technologie.
Artikel 17
Gerelateerde kosten
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 16 vermelde diensten door de betalingsdienstaanbieders kosteloos of tegen redelijke kosten worden aangeboden. De lidstaten verplichten betalingsdienstaanbieders ervoor te zorgen dat de betaalrekening met basisdiensten van de producten die zij aanbieden te allen tijde de betaalrekening is met de laagste kosten voor de levering van het overeenkomstig artikel 16, lid 1 en 2 binnen de lidstaat omschreven minimumpakket betalingsdiensten.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de kosten die wegens niet-naleving van de verbintenissen van de consument op grond van het raamcontract aan de consument worden aangerekend redelijk zijn en nooit hoger dan het gebruikelijke prijsbeleid van de aanbieder.
▌
Artikel 18
Raamcontracten en beëindiging
1. Raamcontracten die toegang verlenen tot een betaalrekening met basisfuncties zijn aan de bepalingen van Richtlijn 2007/64/EG onderworpen tenzij in de leden 2 en 3 anders is bepaald.
2. De betalingsdienstaanbieder kan een raamcontract alleen dan unilateraal beëindigen indien ten minste een van de volgende voorwaarden is vervuld:
(a) de consument heeft de rekening opzettelijk voor illegale doeleinden gebruikt;
(b) er heeft gedurende meer dan 24 opeenvolgende maanden op de rekening geen transactie plaatsgevonden en de aan de betalingsdienstaanbieder verschuldigde kosten zijn niet betaald;
(c) de consument heeft welbewust onjuiste informatie verstrekt om de betaalrekening met basisfuncties te verkrijgen met dien verstande dat als hij wel juiste informatie zou hebben verstrekt, de aanvraag zou zijn geweigerd;
(c bis) de klant is niet in staat om binnen een maand nadat de rekening op afstand vooraf is geopend een duidelijke relatie met de betreffende lidstaat als bedoeld in artikel 15, lid 2 bis, aan te tonen;
(d) de consument woont niet langer legaal in de Unie of heeft later een tweede betaalrekening geopend in de lidstaat waar hij reeds een betaalrekening met basisfuncties aanhoudt.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat indien de betalingsdienstaanbieder het contract voor een betaalrekening met basisfuncties beëindigt, hij de consument ten minste 1 maand voor de beëindiging in werking treedt schriftelijk en kosteloos op de hoogte brengt van de gronden en de rechtvaardiging voor de beëindiging, van ten minste één kosteloos of goedkoop rechtsmiddel of aanbod van adviesdiensten, alsmede van beschikbare mechanismen voor alternatieve geschillenbeslechting, tenzij een dergelijke openbaarmaking in strijd zou zijn met de doelstellingen van nationale veiligheid.
Artikel 19
Algemene informatie betreffende betaalrekeningen met basisfuncties
1. De lidstaten zorgen ervoor dat adequate maatregelen van kracht zijn om bekendheid te geven aan de beschikbaarheid van betaalrekeningen met basisfuncties, de prijsvoorwaarden, de te volgen procedures om het recht uit te oefenen om toegang te verkrijgen tot basisbetaalrekeningen met basisfuncties en de manieren om toegang te verkrijgen tot alternatieve oplossingen voor de beslechting van geschillen. De lidstaten zorgen ervoor dat de communicatiemaatregelen afdoende zijn en goed gericht, en met name niet over een bankrekening beschikkende, kwetsbare en mobiele consumenten bereiken.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat betalingsdienstaanbieders voor de consumenten actief toegankelijke informatie en passende ondersteuning beschikbaar stellen over de specifieke kenmerken van de aangeboden betaalrekening met basisfuncties, de eraan verbonden kosten en de gebruiksvoorwaarden. De lidstaten zorgen er eveneens voor dat de consument in kennis wordt gesteld van het feit dat de aankoop van bijkomende diensten niet verplicht is om toegang te verkrijgen tot een betaalrekening met basisfuncties.
2 bis. De lidstaten verlangen van onderwijsinstellingen en adviesdiensten dat zij diensten ontwikkelen ten behoeve van de meest kwetsbare klanten teneinde hen te adviseren en te helpen bij een verantwoord beheer van hun financiën. De lidstaten moedigen initiatieven aan om dit te verwezenlijken en het financieel onderwijs op scholen en elders verbeteren. Het risico van financiële uitsluiting moet voor alle consumenten tot een minimum worden teruggebracht. Voorts moedingen lidstaten initiatieven van betalingsdienstaanbieders aan waarbij gestreefd om het aanbieden van betaalrekeningen met basisfuncties en onafhankelijke financiële educatie te combineren.
2 ter. De lidstaten zorgen ervoor dat betalingsdienstaanbieders die betaalrekeningen met basisfuncties moeten aanbieden jaarlijks gegevens openbaar maken over het aantal gedurende dat jaar aangevraagde, geweigerde, geopende en gesloten betaalrekeningen met basisfuncties. De relevante gegevens worden vergaard en gepubliceerd op het niveau van de bijkantoren en het bedrijf als geheel.
2 quater. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten onder meer op hun website een audit publiceren van de prestaties van elke betalingsdienstaanbieder voor wat betreft verenigbaarheid met de vereiste inzake het recht op toegang. Hiertoe worden de relevante betalingsdienstaanbieders onafhankelijk gewaardeerd naar hun prestaties voor het aanbieden van betaalrekeningen met basisfuncties en wordt er jaarlijks een rating van de tien banken met het grootste marktaandeel gepubliceerd. Alle relevante gegevens worden doorgestuurd naar de Commissie en de EBA.
HOOFDSTUK V
BEVOEGDE AUTORITEITEN EN ALTERNATIEVE GESCHILLENBESLECHTING
Artikel 20
Bevoegde autoriteiten
1. De lidstaten wijzen bevoegde autoriteiten aan die een doeltreffende naleving van deze richtlijn waarborgen en monitoren. Die bevoegde autoriteiten nemen alle noodzakelijke maatregelen om een dergelijke naleving te waarborgen. Zij zijn onafhankelijk van de betalingsdienstaanbieders. Zij zijn bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 4, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
2. De in lid 1 bedoelde autoriteiten zijn onafhankelijk van betalingsdienstaanbieders en beschikken over alle bevoegdheden en middelen die noodzakelijk zijn voor het verrichten van hun taken. De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer meer dan een autoriteit bevoegd is om een doeltreffende naleving van deze richtlijn te waarborgen en te monitoren, deze autoriteiten nauw samenwerken zodat zij hun respectieve taken effectief kunnen uitvoeren. Die autoriteiten werken nauw samen met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten teneinde de juiste en volledige tenuitvoerlegging van de in deze richtlijn neergelegde maatregelen te waarborgen.
2 bis. De in lid 1 bedoelde autoriteiten raadplegen regelmatig de relevante belanghebbenden, waaronder consumentenvertegenwoordigers, om de daadwerkelijk naleving van deze richtlijn te waarborgen en te verifiëren, onverminderd de in lid 1 vastgelegde onafhankelijkheidsvereiste.
3. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op ... [één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] in kennis van de in lid 1 bedoelde aangewezen bevoegde autoriteiten. Zij brengen de Commissie op de hoogte van de verdeling van de taken van die autoriteiten. Zij stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van alle latere wijzigingen met betrekking tot de aanwijzing en respectieve bevoegdheden van die autoriteiten.
Artikel 21
Alternatieve geschillenbeslechting
1. De lidstaten stellen passende en efficiënte buitengerechtelijke klachten- en herstelprocedures vast voor de beslechting van geschillen tussen consumenten en betalingsdienstaanbieders betreffende rechten en verplichtingen die uit hoofde van deze richtlijn zijn vastgesteld. Daartoe wijzen de lidstaten bestaande organen aan en richten in voorkomend geval nieuwe organen op.
1 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat de betalingsdienstaanbieders zich aansluiten tot een of meer alternatieve geschillenbeslechtingsinstellingen die aan de volgende criteria voldoen:
(a) de termijn om het geschil bij de rechtbank aanhangig te maken wordt geschorst voor de duur van de procedure voor alternatieve geschillenbeslechting;
(b) de procedure verloopt kosteloos of tegen billijke kosten, zoals nader bepaald in nationale wetgeving;
(c) elektronische middelen zijn voor de partijen niet de enige manier om toegang te krijgen tot de procedure;
(d) aanbieders, consumenten en andere gebruikers zijn gelijkelijk vertegenwoordigd.
1 ter. De lidstaten zorgen ervoor dat de betalingsdienstaanbieders zich bij een of meerdere organen voor alternatieve geschillenbeslechting aansluiten.
1 quater. De lidstaten stellen de Commissie en de EBA uiterlijk … [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] in kennis van de in lid 1 bedoelde organen. Zij delen de Commissie alle latere wijzigingen met betrekking tot deze organen onverwijld mee.
1 quinquies. De lidstaten zorgen ervoor dat betalingsdienstaanbieders de consument in kennis stellen van de instanties voor alternatieve geschillenbeslechting waaronder zij vallen en die bevoegd zijn om eventuele geschillen tussen henzelf en de consument te beslechten. Ze geven tevens aan of zij al dan niet bereid of verplicht zijn gebruik te maken van de diensten van deze entiteiten voor de beslechting van geschillen met consumenten.
1 sexies. De in lid 1 ter bedoelde informatie moet op duidelijke, begrijpelijke en eenvoudige wijze toegankelijk zijn op de website van de aanbieders, voor zover zij over een website beschikken, en in de algemene voorwaarden van tussen de aanbieder en een consument gesloten verkoop- of dienstenovereenkomsten.
HOOFDSTUK VI
SANCTIES
Artikel 22
Administratieve maatregelen entoepassing van administratieve sancties en andere administratieve maatregelen
1. De lidstaten stellen regels vast betreffende administratieve sanctiesen andere administratieve maatregelen ▌die gelden voor overtredingen van de ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden uitgevoerd. Deze administratieve sancties en andere administratieve maatregelen ▌zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.
De hoogte van financiële sancties moet zoveel mogelijk op Unieniveau worden vastgesteld om de daadwerkelijke naleving van de nationale bepalingen die uit hoofde van deze richtlijn worden aangenomen te waarborgen.
2. Overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vaardigt de EBA richtsnoeren voor de bevoegde autoriteiten uit over de aard van de administratieve sancties en andere administratieve maatregelen, alsmede over de hoogte van de administratieve boetes.
3. De lidstaten zien erop toe dat de bevoegde autoriteiten boetes of andere maatregelen die zijn opgelegd voor schending van de nationale bepalingen ter omzetting van deze richtlijn onverwijld openbaar maken en dat zij daarbij een uiteenzetting geven van het type en de aard van de schending.
De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk … [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] in kennis van de bepalingen ten aanzien van de boetes en eventuele daaropvolgende wijzigingen daaraan.
HOOFDSTUK VII
SLOTBEPALINGEN
Artikel 23
Gedelegeerde handelingen
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 24 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende artikel 3, lid 4.
Artikel 24
Uitoefening van de delegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 23 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie verleend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 23 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
5. Een overeenkomstig artikel 23 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van drie maanden na kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien het Europees Parlement en de Raad beide vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.
▌
Artikel 26
Evaluatie
1. De lidstaten verstrekken de Commissie jaarlijksen voor het eerst uiterlijk op … [3 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] informatie over het volgende ▌:
(a) naleving door de betalingsdienstaanbieders van de bepalingen in de artikelen 3 tot en met 6;
(b) het aantal erkende vergelijkingswebsites die zijn opgezet ingevolge artikel 7 en de beste praktijken met betrekking tot de gebruikerstevredenheid over vergelijkingswebsites;
(c) het aantal betaalrekeningen dat is omgezet, de gemiddelde voor het gehele overstapproces benodigde tijd, de gemiddelde totale aangerekende overstapkosten, het aantal overstapweigeringen, alsook de meest voorkomende problemen waar gebruikers tijdens de overstap mee te maken hebben;
(d) het aantal geopende betaalrekeningen met basisfuncties, de duur van aanhouding van dit soort rekeningen, het aantal weigeringen en beëindigingen en de gronden daarvoor en de gerelateerde kosten.
(d bis) de maatregelen die zijn genomen om kwetsbare leden van de samenleving te helpen bij vraagstukken inzake financiële huishouding en buitensporig lenen.
2. De Commissie stelt op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie een jaarverslag op.
Artikel 27
Evaluatieclausule
1. Uiterlijk op ... [vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor betreffende de toepassing van deze richtlijn, in voorkomend geval vergezeld van een voorstel.
Het verslag moet het volgende bevatten:
(a) een overzicht van alle door de Commissie naar aanleiding van onjuiste of onvolledige tenuitvoerlegging van deze richtlijn gestarte inbreukprocedures;
(b) een analyse van de impact van deze richtlijn op de harmonisering en integratie van retailbanking in de Unie alsmede op de mededinging en gemiddelde in de lidstaten in rekening gebrachte kosten;
(c) strategieën ter verbetering van transparantie van de kwaliteit en vergelijkbaarheid van de voorziening in betalingsdiensten in de hele Unie, onder meer ten aanzien van de transparantie op het vlak van bedrijfsmodellen en beleggingsstrategieën alsook sociaal verantwoord ondernemen;
(d) een beoordeling van de kosten en baten van de invoering van volledige overdraagbaarheid van betaalrekeningnummers in de hele Unie, met inbegrip van een stappenplan voor deze invoering;
(e) een analyse van de kenmerken van consumenten die sinds de omzetting van de richtlijn een betaalrekening met basisfuncties hebben geopend;
(f) voorbeelden van beste praktijken in de verschillende lidstaten voor wat betreft vermindering van de uitsluiting van consumenten van de toegang tot betalingsdiensten;
(g) een analyse van de kosten die voor basisbetaalrekeningen worden aangerekend, daarbij rekening houdend met de in artikel 17, lid 3 uiteengezette criteria;
(h) een beoordeling van de verschillende opties voor het in de hele Unie vaststellen van een maximum voor de totale jaarlijkse kosten van het openen en gebruiken van een betaalrekening met basisfuncties en manieren om een dergelijk maximum aan te passen aan nationale omstandigheden;
(i) een beoordeling van de impact van de levering van betaalrekeningen met basisfuncties op de markt voor andere betaalrekeningen met soortgelijke diensten.
2. Bij de toetsing wordt, mede op basis van de ingevolge artikel 26 van de lidstaten ontvangen informatie, nagegaan of, gelet op de evolutie van de betaalmiddelen en de technologie, de lijst van diensten die deel uitmaken van de betaalrekening met basisfuncties moet worden gewijzigd of geactualiseerd.
3. Bij de toetsing wordt eveneens nagegaan ▌of bijkomende maatregelen nodig zijn naast die welke ingevolge artikel 7 en 8 met betrekking tot vergelijkingswebsites en pakketaanbiedingen zijn vastgesteld.
Artikel 28
Omzetting
1. De lidstaten belasten zich uiterlijk tegen ... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] met de vaststelling en bekendmaking van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die noodzakelijk zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
Indien de stukken die door de lidstaten worden overlegd als bijlage bij de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen, niet toereikend zijn om volledig inzicht te krijgen in de mate waarin die maatregelen in overeenstemming zijn met bepaalde artikelen van deze richtlijn, kan de Commissie, op verzoek van de EBA met het oog op de uitvoering van haar taken uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1093/2010 of op eigen initiatief, verlangen dat de lidstaten meer gedetailleerde informatie met betrekking tot de omzetting van deze richtlijn en uitvoering van die maatregelen verstrekken.
2. Zij passen die bepalingen toe vanaf één jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
In afwijking van de eerste alinea passen de lidstaten vanaf ...* [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] de bepalingen van hoofdstuk III toe met betrekking tot overstapdiensten tussen in dezelfde lidstaat gevestigde betalingsdienstaanbieders en, voor betaalrekeningen in euro, tussen in de Unie gevestigde betalingsdienstaanbieders, voor betalingsdiensten in euro.
In afwijking van de eerste alinea en tenzij de Commissie anders besluit op basis van een ontwerp van regelgevingseffectbeoordeling, passen de lidstaten vanaf ... [48 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] de bepalingen van hoofdstuk III toe met betrekking tot een overstapdienst tussen in de Unie gevestigde betalingsdienstaanbieders voor betaalrekeningen in een andere valuta dan de euro.
In afwijking van de eerste alinea passen de lidstaten artikel 4, lid 1 tot en met 6, artikel 5, lid 1 en 2, en artikel 6, lid 1 en 2, toe binnen 18 maanden na de datum van publicatie van de in artikel 3, lid 5, bedoelde lijst.
In afwijking van de eerste alinea passen lidstaten waar per 1 januari een nationale juridische regeling geldt om de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties te garanderen voor consumenten die legaal op hun grondgebied verblijven, vanaf … [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] de bepalingen van hoofdstuk IV toe.
3. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
4. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 29
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 30
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.
Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15).
Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.06.13, blz. 338).
Maritieme ruimtelijke ordening en geïntegreerd kustbeheer ***I
605k
210k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 12 december 2013 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke ordening en geïntegreerd kustbeheer (COM(2013)0133 – C7-0065/2013 – 2013/0074(COD))(1)
Amendement 1 Voorstel voor een richtlijn Visum 1 bis (nieuw)
gezien besluit 2010/631/EU van de Raad van 13 september 2010 betreffende de ondertekening, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol inzake het geïntegreerde beheer van het kustgebied van de Middellandse Zee bij het Verdrag voor de bescherming van het mariene milieu en het kustgebied van de Middellandse Zee1;
__________________
1OJ L 279, 23.10.2010, p. 1.
Amendement 2 Voorstel voor een richtlijn Overweging 1
(1) De grote en snel groeiende vraag naar maritieme ruimte voor allerlei doeleinden, zoals installaties voor hernieuwbare energie, zeevaart en visserijactiviteiten, behoud van ecosystemen, toerisme en aquacultuurinstallaties, alsook de vele factoren die de druk op de natuurlijke hulpbronnen van kustgebieden doen toenemen, maken een geïntegreerde aanpak van planning en beheer noodzakelijk.
(1) De grote en snel groeiende vraag naar maritieme ruimte voor allerlei doeleinden, zoals installaties voor hernieuwbare energie, exploratie en exploitatie van aardolie en aardgas, zeevaart en visserijactiviteiten, behoud van de ecosystemen en de biodiversiteit, winning van grondstoffen, toerisme en aquacultuurinstallaties, alsook de vele factoren die de druk op de natuurlijke hulpbronnen van kustgebieden doen toenemen, maken een geïntegreerde aanpak van planning en beheer noodzakelijk.
Amendement 3 Voorstel voor een richtlijn Overweging 2
(2) Een dergelijke aanpak van het beheer van de oceanen is uitgewerkt in het geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie, inclusief de milieupijler daarvan: Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu. Het geïntegreerd maritiem beleid heeft ten doel de duurzame ontwikkeling van zeeën en oceanen te ondersteunen en te komen tot een gecoördineerde, coherente en transparante besluitvorming met betrekking tot het sectorale beleid van de Unie dat gevolgen heeft voor de oceanen, zeeën, eilanden, kustgebieden en ultraperifere gebieden en de maritieme sectoren, onder meer door middel van strategieën voor specifieke zeebekkens en macroregionale strategieën.
(2) Een dergelijke aanpak van het beheer van de oceanen en maritieme governance is uitgewerkt in het geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie, inclusief de milieupijler daarvan: Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu. Het geïntegreerd maritiem beleid heeft ten doel de duurzame ontwikkeling van zeeën en oceanen te ondersteunen en te komen tot een gecoördineerde, coherente en transparante besluitvorming met betrekking tot het sectorale beleid van de Unie dat gevolgen heeft voor de oceanen, zeeën, eilanden, kustgebieden en ultraperifere gebieden en de maritieme sectoren, onder meer door middel van strategieën voor specifieke zeebekkens en macroregionale strategieën.
Amendement 4 Voorstel voor een richtlijn Overweging 3
(3) Het geïntegreerd maritiem beleid merkt maritieme ruimtelijke ordening en geïntegreerd kustbeheer aan als breed inzetbare beleidsinstrumenten die overheden en belanghebbenden in staat stellen een gecoördineerde en geïntegreerde benadering te hanteren. De toepassing van een ecosysteembenadering zal bijdragen tot het bevorderen van de duurzame groei van maritieme en kusteconomieën en de duurzame exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen van zeeën en kusten.
(3) Het geïntegreerd maritiem beleid merkt maritieme ruimtelijke ordening en geïntegreerd kustbeheer aan als breed inzetbare beleidsinstrumenten die overheden en belanghebbenden in staat stellen een gecoördineerde, geïntegreerde en grensoverschrijdende benadering te hanteren. De toepassing van een ecosysteembenadering zal bijdragen tot het bevorderen van de duurzame groei van maritieme en kusteconomieën en de duurzame exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen van zeeën en kusten.
Amendement 5 Voorstel voor een richtlijn Overweging 5
(5) In haar recente mededeling over Blauwe groei – Kansen voor duurzame mariene en maritieme groei heeft de Commissie gewezen op een reeks lopende EU-initiatieven die bedoeld zijn om de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei ten uitvoer te leggen. In de mededeling wordt ook een aantal sectorale activiteiten opgesomd waarop de "Blauwe groei"-initiatieven zich in de toekomst zouden moeten concentreren en die terdege moeten worden ondersteund door maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën.
(5) In haar recente mededeling over Blauwe groei – Kansen voor duurzame mariene en maritieme groei heeft de Commissie gewezen op een reeks lopende EU-initiatieven die bedoeld zijn om de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei ten uitvoer te leggen. In de mededeling wordt ook een aantal sectorale activiteiten opgesomd waarop de "Blauwe groei"-initiatieven zich in de toekomst zouden moeten concentreren en die terdege moeten worden ondersteund door maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën. De onomwonden steun van de lidstaten aan deze vastgestelde strategische gebieden zal bijdragen aan de rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor de investeringen van publieke en particuliere actoren, die een hefboomeffect zullen hebben op al het sectorbeleid in verband met de zee- en kustgebieden.
Amendement 6 Voorstel voor een richtlijn Overweging 7
(7) Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos) stelt in de aanhef dat vraagstukken in samenhang met het gebruik van de oceanische ruimte onderling nauw verweven zijn en als één geheel moeten worden gezien. Ruimtelijke ordening van de oceanische ruimte vormt een logische voortzetting en structurering van de uitoefening van de krachtens Unclos verleende rechten en is een praktisch instrument dat de lidstaten kan helpen om aan hun verplichtingen te voldoen.
(7) Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos) stelt in de aanhef dat vraagstukken in samenhang met het gebruik van de oceanische ruimte onderling nauw verweven zijn en als één geheel moeten worden gezien. Ruimtelijke ordening van de oceanische ruimte vormt een logische voortzetting en structurering van de uitoefening van de krachtens Unclos verleende rechten en is een praktisch instrument dat de lidstaten en de bevoegde subnationale bestuurslagen kan helpen om aan hun verplichtingen te voldoen.
Amendement 7 Voorstel voor een richtlijn Overweging 10
(10) Met het oog op de consistentie en de juridische duidelijkheid moet de geografische werkingssfeer van maritieme ruimtelijke ordening en geïntegreerde kustbeheerstrategieën worden omschreven overeenkomstig de bestaande wetgevingsinstrumenten van de Unie en het internationale zeerecht.
(10) Met het oog op de consistentie en de juridische duidelijkheid moet de geografische werkingssfeer van maritieme ruimtelijke ordening en geïntegreerd kustbeheer worden omschreven overeenkomstig de bestaande wetgevingsinstrumenten van de Unie en het internationale zeerecht, in het bijzonder het Unclos.
Amendement 8 Voorstel voor een richtlijn Overweging 12
(12) Het is passend dat de Unie regels voor maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën vaststelt; de lidstaten en hun bevoegde instanties blijven echter verantwoordelijk voor het concipiëren en vaststellen, met betrekking tot hun mariene wateren en kustgebieden, van de inhoud van die plannen en strategieën, met inbegrip van de toewijzing van maritieme ruimte aan de verschillende sectorale activiteiten.
(12) Het is passend dat de Unie een transparant en samenhangend kader voor maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën vaststelt; de lidstaten en hun bevoegde instanties blijven echter verantwoordelijk voor het concipiëren en vaststellen, met betrekking tot hun mariene wateren en kustgebieden, van de inhoud van die plannen en strategieën, met inbegrip van de toewijzing van maritieme ruimte aan de verschillende sectorale activiteiten en maritieme gebruiksvormen.
Amendement 9 Voorstel voor een richtlijn Overweging 13
(13) Met het oog op de evenredigheid en de subsidiariteit, en om extra administratieve lasten zo veel mogelijk te beperken, moet bij de omzetting en uitvoering van deze richtlijn zo veel mogelijk worden voortgebouwd op bestaande nationale regelgeving en mechanismen. Geïntegreerde kustbeheerstrategieën dienen gebaseerd te zijn op de in Aanbeveling 2002/413/EG van de Raad en Besluit 2010/631/EU van de Raad uiteengezette beginselen en elementen.
(13) Met het oog op de evenredigheid en de subsidiariteit, en om extra administratieve lasten zo veel mogelijk te beperken, moet bij de omzetting en uitvoering van deze richtlijn zo veel mogelijk worden voortgebouwd op bestaande nationale en regionale zeeverdragsregels en mechanismen. Geïntegreerde kustbeheerstrategieën dienen gebaseerd te zijn op de in Aanbeveling 2002/413/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2002 betreffende de uitvoering van een geïntegreerd beheer van kustgebieden in Europa18a en Besluit 2010/631/EU van de Raad uiteengezette beginselen en elementen.
______________
18a OJ L 148, 6.6.2002, p. 24.
Amendement 10 Voorstel voor een richtlijn Overweging 15
(15) Bij maritieme ruimtelijke ordening en geïntegreerd kustbeheer dient de in artikel 1, lid 3, van Richtlijn 2008/56/EG bedoelde ecosysteembenadering te worden gehanteerd om ervoor te zorgen dat de druk die door alle activiteiten gezamenlijk wordt veroorzaakt, beperkt blijft tot een met het bereiken van een goede milieutoestand verenigbaar niveau en dat het vermogen van de mariene ecosystemen om door de mens veroorzaakte veranderingen op te vangen niet in het gedrang komt, terwijl toch het duurzame gebruik van mariene goederen en diensten door de huidige en toekomstige generaties mogelijk wordt gemaakt.
(15) Bij maritieme ruimtelijke ordening en geïntegreerd kustbeheer dient de in artikel 1, lid 3, van Richtlijn 2008/56/EG bedoelde ecosysteembenadering te worden gehanteerd en dient er rekening te worden gehouden met het subsidiariteitsbeginsel en met het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, als uiteengezet in artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, om ervoor te zorgen dat de druk die door alle zee- en kustactiviteiten gezamenlijk wordt veroorzaakt, beperkt blijft tot een met het bereiken van een goede milieutoestand en de instandhouding van de natuurlijke hulpbronnen verenigbaar niveau en dat het vermogen van de mariene ecosystemen om door de mens veroorzaakte veranderingen op te vangen niet in het gedrang komt, terwijl toch het duurzame gebruik van mariene goederen en diensten door de huidige en toekomstige generaties mogelijk wordt gemaakt.
Amendement 11 Voorstel voor een richtlijn Overweging 16
(16) Maritieme ruimtelijke ordening en geïntegreerd kustbeheer zullen onder meer bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen19, Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid20, Beschikking 884/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Beschikking nr. 1692/96/EG betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet21, Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu, de EU-biodiversiteitsstrategie voor 202022, het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa23 en de EU-strategie inzake aanpassing aan de klimaatverandering24 alsook, waar passend, de doelstellingen van het regionaal beleid van de EU, inclusief strategieën voor specifieke zeebekkens en macroregionale strategieën.
(16) Maritieme ruimtelijke ordening en geïntegreerd kustbeheer zullen onder meer bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen19, Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid20, Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand20 bis, Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna20 ter, Beschikking 884/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende wijziging van Beschikking nr. 1692/96/EG betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet21, Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu, de EU-biodiversiteitsstrategie voor 202022, het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa23, de EU-strategie inzake aanpassing aan de klimaatverandering24 en de mededeling van de Commissie met als titel "Strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018" (COM(2009)0008) alsook, waar passend, de doelstellingen van het regionaal beleid van de EU, inclusief strategieën voor specifieke zeebekkens en macroregionale strategieën.
Amendement 12 Voorstel voor een richtlijn Overweging 17
(17) Maritieme activiteiten en kustactiviteiten zijn vaak nauw met elkaar verweven. Dat maakt het noodzakelijk om maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën onderling te coördineren of te integreren om het duurzame gebruik van de maritieme ruimte en het dito beheer van de kustgebieden te waarborgen, rekening houdend met maatschappelijke, economische en milieufactoren.
(17) Maritieme activiteiten en kustactiviteiten zijn vaak nauw met elkaar verweven en van elkaar afhankelijk. Dat maakt het noodzakelijk om maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën onderling te coördineren, ze op elkaar af te stemmen of ze te integreren om het duurzame gebruik van de maritieme ruimte en het dito beheer van de kustgebieden te waarborgen, rekening houdend met maatschappelijke, economische en milieufactoren en -doelstellingen.
Amendement 13 Voorstel voor een richtlijn Overweging 18
(18) Om de doelstellingen van deze richtlijn te bereiken, moeten de maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën de volledige cyclus van probleemomschrijving, informatievergaring, planning, besluitvorming, uitvoering en bewaking van de uitvoering omvatten en gebaseerd zijn op de beste beschikbare wetenschappelijke kennis. Er dient optimaal gebruik te worden gemaakt van de mechanismen waarin bestaande of toekomstige wetgeving voorziet, met inbegrip van Besluit 2010/477/EU tot vaststelling van criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren en het "Mariene kennis 2020"-initiatief van de Commissie25.
(18) Om de doelstellingen van deze richtlijn te bereiken moeten de maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën de volledige cyclus van probleemomschrijving, informatievergaring, planning, besluitvorming, uitvoering, bewaking van de uitvoering en toetsing of aanpassing omvatten en gebaseerd zijn op de beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke kennis. Er dient optimaal gebruik te worden gemaakt van de mechanismen waarin bestaande of toekomstige wetgeving voorziet, met inbegrip van Besluit 2010/477/EU tot vaststelling van criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren en het "Mariene kennis 2020"-initiatief van de Commissie25.
Amendement 14 Voorstel voor een richtlijn Overweging 19
(19) Maritieme ruimtelijke ordening heeft vooral ten doel de verschillende gebruiksvormen van de ruimte en de conflicten daartussen in maritieme gebieden te inventariseren en te beheren. Daartoe dienen de lidstaten er ten minste voor te zorgen dat de planningsprocessen resulteren in een omvattende kaart waarop de verschillende gebruiksvormen van de maritieme ruimte zijn aangegeven, rekening houdend met langetermijnveranderingen als gevolg van klimaatverandering.
(19) Maritieme ruimtelijke ordening heeft vooral ten doel de verschillende gebruiksvormen van de ruimte te inventariseren en te beheren, de intersectorale conflicten in maritieme gebieden te vermijden en duurzame groei in de maritieme sector te bevorderen. Daartoe dienen de lidstaten er ten minste voor te zorgen dat de planningsprocessen resulteren in een omvattende kaart waarop de verschillende gebruiksvormen van de maritieme ruimte zijn aangegeven, rekening houdend met langetermijnveranderingen als gevolg van klimaatverandering.
Amendement 15 Voorstel voor een richtlijn Overweging 20
(20) De lidstaten dienen overleg te plegen en hun plannen en strategieën te coördineren met de bevoegde instanties van lidstaten of derde landen in de betrokken mariene regio of subregio of het betrokken kustgebied, conform de rechten en plichten van die lidstaten en derde landen krachtens het Europees en internationaal recht. Doeltreffende grensoverschrijdende samenwerking tussen lidstaten onderling en met naburige derde landen vereist dat de bevoegde instanties in elke lidstaat worden geïdentificeerd. De lidstaten moeten bijgevolg de bevoegde instantie of instanties aanwijzen die verantwoordelijk zijn voor de samenwerking met andere lidstaten of derde landen. Gezien de verschillen tussen de onderscheiden mariene regio's of subregio's en kustgebieden is het niet wenselijk in deze richtlijn omstandig te bepalen hoe die samenwerkingsmechanismen eruit dienen te zien.
(20) De lidstaten dienen zoveel mogelijk overleg te plegen en hun plannen en strategieën te coördineren met de bevoegde instanties van lidstaten of derde landen in de betrokken mariene regio of subregio of het betrokken kustgebied, conform de rechten en plichten van die lidstaten en derde landen krachtens het Europees en internationaal recht. Doeltreffende grensoverschrijdende samenwerking tussen lidstaten onderling en met naburige derde landen vereist dat de bevoegde instanties in elke lidstaat worden geïdentificeerd. De lidstaten moeten bijgevolg de bevoegde instanties aanwijzen die verantwoordelijk zijn voor de samenwerking met andere lidstaten of derde landen. Gezien de verschillen tussen de onderscheiden mariene regio's of subregio's en kustgebieden is het niet wenselijk in deze richtlijn omstandig te bepalen hoe die samenwerkingsmechanismen eruit dienen te zien.
Amendement 16 Voorstel voor een richtlijn Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis) Om de kustgebieden te beschermen tegen de gevolgen van de klimaatverandering, erosie of voortschrijding van de kusten, overstroming, verslechtering van de milieutoestand en verlies van de biodiversiteit van de kustecosystemen is een correct, duurzaam en milieuvriendelijk beheer van de kustsedimenten van wezenlijk belang om problemen en risico's te beperken. Onderzeese afzettingen van sedimenten op het continentaal plat kunnen worden gebruikt in geval van tekort aan sediment in de kustsystemen.
Amendement 17 Voorstel voor een richtlijn Overweging 22
(22) Het beheer van maritieme gebieden en kustgebieden is complex en er zijn verschillende bestuurlijke niveaus, marktdeelnemers en andere belanghebbenden bij betrokken. Om op doeltreffende wijze duurzame ontwikkeling te garanderen, is het van wezenlijk belang dat belanghebbenden, overheden en het publiek in een passende fase van de voorbereiding van maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën in het kader van deze richtlijn worden geraadpleegd conform de relevante EU-wetgeving. Een goed voorbeeld van regelingen inzake publieksraadpleging vormt artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2003/35/EG.
(22) Het beheer van maritieme gebieden en kustgebieden is complex en er zijn verschillende bestuurlijke niveaus, marktdeelnemers en andere belanghebbenden bij betrokken. Om op doeltreffende wijze duurzame ontwikkeling te garanderen, is het van wezenlijk belang dat belanghebbenden, overheden en het publiek in een passende fase van de voorbereiding van maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën in het kader van deze richtlijn worden geraadpleegd conform de relevante EU-wetgeving.
Amendement 18 Voorstel voor een richtlijn Overweging 25
(25) Om ervoor te zorgen dat bij de vaststelling van maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën wordt uitgegaan van betrouwbare gegevens en om extra administratieve lasten te vermijden, is het van essentieel belang dat de lidstaten de beste beschikbare gegevens en informatie vergaren met gebruikmaking van bestaande instrumenten voor gegevensvergaring, bijvoorbeeld het instrumentarium dat is ontwikkeld in de context van het "Mariene kennis 2020"-initiatief.
(25) Om ervoor te zorgen dat bij de vaststelling van maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën wordt uitgegaan van betrouwbare gegevens en om extra administratieve lasten te vermijden, is het van essentieel belang dat de lidstaten de beste beschikbare gegevens en informatie vergaren en gebruiken, door de relevante belanghebbenden aan te moedigen hun gegevens en informatie te delen en met gebruikmaking van bestaande instrumenten voor gegevensvergaring, bijvoorbeeld het instrumentarium dat is ontwikkeld in de context van het "Mariene kennis 2020"-initiatief.
Amendement 19 Voorstel voor een richtlijn Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis) Om ervoor te zorgen dat de richtlijn algemeen en gecoördineerd op het gehele grondgebied van de Unie wordt toegepast, is het wenselijk dat binnen de bestaande financiële instrumenten middelen worden vrijgemaakt voor steun aan demonstratieprogramma's en voor uitwisseling van beste praktijken van essentiële processen in het kader van de beheersstrategieën en -plannen en governance van de kustgebieden en de maritieme ruimte.
Amendement 20 Voorstel voor een richtlijn Overweging 28
(28) Een tijdige omzetting van de bepalingen van deze richtlijn is van cruciaal belang, aangezien de EU een aantal beleidsinitiatieven heeft aangenomen die tegen 2020 moeten worden geïmplementeerd en die middels deze richtlijn worden ondersteund. Daarom dient voor de omzetting van deze richtlijn de kortst mogelijke omzettingstermijn te gelden,
(28) Een tijdige omzetting van de bepalingen van deze richtlijn is van cruciaal belang, aangezien de EU een aantal beleidsinitiatieven heeft aangenomen die tegen 2020 moeten worden geïmplementeerd en die middels deze richtlijn worden ondersteund en aangevuld. Daarom dient voor de omzetting van deze richtlijn de kortst mogelijke omzettingstermijn te gelden,
Amendement 21 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – lid 1
1. Deze richtlijn stelt een kader vast voor maritieme ruimtelijke ordening en geïntegreerd kustbeheer dat erop gericht is de duurzame groei van maritieme en kusteconomieën en het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen van zeeën en kusten te bevorderen.
1. Deze richtlijn stelt een kader vast voor maritieme ruimtelijke ordening waarbij geïntegreerd kustbeheer wordt betrokken dat erop gericht is de duurzame ontwikkeling en groei van maritieme en kusteconomieën en het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen van zeeën en kusten te bevorderen, in het bijzonder door de in de mededeling van de Commissie van 13 september 2012 getiteld "Blauwe groei – Kansen voor duurzame mariene en maritieme groei", vastgestelde prioriteiten, te ondersteunen.
Amendement 22 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – lid 2
2. Binnen het geïntegreerd maritiem beleid van de Unie voorziet dit kader in de vaststelling en uitvoering door de lidstaten van maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën teneinde de in artikel 5 omschreven doelstellingen te bereiken.
2. Binnen het geïntegreerd maritiem beleid van de Unie voorziet deze richtlijn in een kader voor de vaststelling en uitvoering door de lidstaten van maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën teneinde de in artikel 5 omschreven doelstellingen te bereiken, waarbij met land-zee-interacties en verbeterde grensoverschrijdende samenwerking op basis van de betreffende Unclos-bepalingen, rekening gehouden wordt.
Amendement 23 Voorstel voor een richtlijn Artikel 2 – lid 1
1. De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op mariene wateren en kustgebieden.
1. De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op alle mariene wateren en kustgebieden van de Unie, in overeenstemming met de bestaande Europese en nationale wetgeving.
Amendement 24 Voorstel voor een richtlijn Artikel 2 – lid 2
2. Deze richtlijn is niet van toepassing op activiteiten die uitsluitend de landsverdediging of de nationale veiligheid dienen. Elke lidstaat spant zich evenwel in om te bewerkstelligen dat die activiteiten worden ontplooid op een wijze die verenigbaar is met de doelstellingen van deze richtlijn.
2. Deze richtlijn is niet van toepassing op activiteiten die uitsluitend de landsverdediging of de nationale veiligheid dienen. De lidstaten streven er evenwel naar dat dergelijke activiteiten verricht worden op een wijze die verenigbaar is met de doelstellingen van deze richtlijn, voor zover zulks redelijk en uitvoerbaar is.
Amendement 25 Voorstel voor een richtlijn Artikel 3 – punt 1
1. ‘kustgebied’: het geomorfologische gebied aan weerszijden van de zeekust met als zeewaartse grens de buitengrens van de territoriale wateren van de lidstaten en als landwaartse grens de grens die door de lidstaten in hun geïntegreerde kustbeheerstrategieën is vastgesteld;
1. ‘kustgebied’: de zeekust en het geomorfologische gebied aan weerszijden van de zeekust zoals vastgesteld door de lidstaten in hun respectieve wetgeving, met als uiterste zeewaartse grens de territoriale wateren van de lidstaten.
Amendement 26 Voorstel voor een richtlijn Artikel 3 – punt 2
2. ‘geïntegreerd maritiem beleid’: het beleid van de Unie dat ten doel heeft een gecoördineerde en samenhangende besluitvorming te bevorderen om de duurzame ontwikkeling, de economische groei en de sociale samenhang van de lidstaten te maximaliseren, in het bijzonder ten aanzien van de kust- en eilandgebieden en de ultraperifere regio’s in de Unie alsook de maritieme sectoren, door middel van een samenhangend maritiem beleid en internationale samenwerking op dat vlak;
2. ‘geïntegreerd maritiem beleid’: het beleid van de Unie dat ten doel heeft een gecoördineerd, samenhangend, sectoroverstijgend en grensoverschrijdend maritiem bestuur te bevorderen om de duurzame ontwikkeling, de economische groei en de sociale samenhang van de lidstaten te maximaliseren, in het bijzonder ten aanzien van de kust- en eilandgebieden en de ultraperifere regio’s in de Unie alsook de maritieme sectoren, door middel van een samenhangend maritiem beleid en internationale samenwerking op dat vlak;
Amendement 27 Voorstel voor een richtlijn Artikel 3 – punt 2 bis (nieuw)
2 bis. 'maritieme ruimtelijkeordeningsplannen': plan of plannen die zijn gebaseerd op een openbaar proces waarbij de verspreiding in ruimte en tijd van menselijke activiteiten in zeegebieden wordt geanalyseerd en gepland met het oog op de verwezenlijking van in deze richtlijn omschreven economische, ecologische en maatschappelijke doelstellingen en overeenkomstig het betreffende nationale beleid, teneinde het gebruik van het zeegebied voor diverse activiteiten te bepalen door in het bijzonder gemengd gebruik te bevorderen;
Amendement 28 Voorstel voor een richtlijn Artikel 3 – punt 2 ter (nieuw)
2 ter. "geïntegreerde kustbeheerstrategieën": de formele en informele praktijken en/of strategieën die zijn gericht op het geïntegreerd beheer van alle beleidsprocessen die gevolgen hebben voor het kustgebied, waarbij de land-zee-interacties van kustactiviteiten op gecoördineerde wijze worden benaderd om de duurzame ontwikkeling van kust- en zeegebieden te garanderen. Deze strategieën zorgen ervoor dat de besluiten inzake beheer of ontwikkeling in alle sectoren op een samenhangende wijze worden genomen en conflicten over het gebruik van de kustgebieden worden voorkomen, of ten minste beperkt.
Afzonderlijke stemming Voorstel voor een richtlijn Artikel 3 – punt 3
3. ‘mariene regio of subregio’: de in artikel 4 van Richtlijn 2008/56/EG genoemde mariene regio's en subregio's;
3. ‘mariene regio’: de in artikel 4 van Richtlijn 2008/56/EG genoemde mariene regio's;
Amendement 29 Voorstel voor een richtlijn Artikel 3 – punt 4
4. ‘mariene wateren’: de wateren met hun zeebodem en ondergrond als omschreven in artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/56/EG;
4. ‘mariene wateren’: de wateren met hun zeebodem en ondergrond zeewaarts van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, en reikend tot de uiterste grens van het gebied waarover een lidstaat jurisdictie heeft en/of uitoefent overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, met uitsluiting van de wateren die grenzen aan de in bijlage II bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genoemde landen en gebieden en de Franse overzeese departementen en collectiviteiten;
Amendement 31 Voorstel voor een richtlijn Artikel 3 – punt 7
7. ‘goede milieutoestand’: de in artikel 3, punt 5, van Richtlijn 2008/56/EG omschreven milieutoestand.
7. ‘goede milieutoestand’: de in artikel 3, punt 5, van Richtlijn 2008/56/EG en in Besluit 2010/477/EU van de Commissie omschreven milieutoestand.
Amendement 32 Voorstel voor een richtlijn Artikel 4 – lid 1
1. Elke lidstaat stelt een of meer maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en een of meer geïntegreerde kustbeheerstrategieën vast en voert deze uit. Deze plannen en programma's kunnen afzonderlijke documenten zijn.
1. Elke lidstaat stelt maritieme ruimtelijke ordening vast en voert deze uit. Indien een lidstaat geen land-zee-interactie in hun maritieme ruimtelijkeordeningsplan integreren, worden deze interacties door middel van geïntegreerd kustbeheer aangepakt. De lidstaten kunnen zelf beslissen een geïntegreerde benadering te hanteren of maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën afzonderlijk vast te stellen.
Amendement 33 Voorstel voor een richtlijn Artikel 4 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis. De lidstaten of de bevoegde regionale of lokale instanties blijven verantwoordelijk voor het concipiëren en vaststellen van de inhoud van die plannen en strategieën, met inbegrip van de toewijzing van maritieme ruimte aan de verschillende sectorale activiteiten en maritieme en mariene gebruiksvormen.
Amendement 34 Voorstel voor een richtlijn Artikel 4 – lid 3
3. Bij de vaststelling van hun maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën houden de lidstaten terdege rekening met de bijzonderheden van de regio's en subregio's, de relevante sectorale activiteiten, de betrokken mariene wateren en kustgebieden en de mogelijke gevolgen van klimaatverandering.
3. Bij de vaststelling van hun maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën houden de lidstaten terdege rekening met de bijzonderheden, de behoeften en mogelijkheden van de mariene en kustregio's en subregio's, de relevante, bestaande en toekomstige sectorale activiteiten, de betrokken mariene wateren en kustgebieden en de mogelijke gevolgen van klimaatverandering.
Amendement 35 Voorstel voor een richtlijn Artikel 4 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis. Met name in het geval van de ultraperifere regio's in de Unie, wordt artikel 349 VWEU in acht genomen door met de bijzondere kenmerken en beperkingen van deze regio's rekening te houden.
Amendement 36 Voorstel voor een richtlijn Artikel 5
Maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën hanteren een ecosysteembenadering om de co-existentie van concurrerende sectorale activiteiten in mariene wateren en kustgebieden te vergemakkelijken en conflicten tussen deze activiteiten te vermijden, en zijn erop gericht bij te dragen tot:
1. Maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën hanteren de ecosysteembenadering, met inachtneming van economische, sociale en aan het milieu gerelateerde criteria op hetzelfde niveau om duurzame ontwikkeling en groei in de maritieme sector te steunen. Zij bevorderen op een verenigbare manier de co-existentie van relevante sectorale activiteiten en beperken conflicten tussen deze activiteiten in mariene wateren en kustgebieden en bevorderen grensoverschrijdende samenwerking en meervoudig gebruik van dezelfde maritieme ruimte door verschillende sectoren.
2. Maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën zijn erop gericht bij te dragen tot de volgende Unie-doelstellingen:
(a) het veiligstellen van de energievoorziening van de Unie door het bevorderen van de ontwikkeling van mariene energiebronnen, de ontwikkeling van nieuwe en hernieuwbare energievormen, de onderlinge koppeling van energienetwerken en energie-efficiëntie;
(a) het veiligstellen van de energievoorziening van de Unie door het bevorderen van de ontwikkeling van mariene energiebronnen, de ontwikkeling van nieuwe en hernieuwbare energievormen, de onderlinge koppeling van energienetwerken en energie-efficiëntie;
(b) het stimuleren van de ontwikkeling van het zeevervoer en het tot stand brengen van efficiënte en kosteneffectieve vaarroutes in heel Europa, met inbegrip van de toegankelijkheid van havens en de veiligheid van het vervoer;
(b) het stimuleren van de ontwikkeling van het zeevervoer in heel Europa, met inbegrip van de toegankelijkheid van havens, de veiligheid van het vervoer, multimodale verbindingen en duurzaamheid;
(c) het bevorderen van de duurzame ontwikkeling en groei van de visserij- en aquacultuursector, met inbegrip van de werkgelegenheid in de visserij en aanverwante sectoren;
(c) het bevorderen van de duurzame ontwikkeling van de visserijsector en de duurzame groei van de aquacultuursector, met inbegrip van de werkgelegenheid in de visserij en aanverwante sectoren;
(d) het waarborgen van het behoud, de bescherming en de verbetering van het milieu alsook het behoedzame en rationele gebruik van de natuurlijke hulpbronnen, met name om een goede milieutoestand te bereiken, het biodiversiteitsverlies en de aantasting van ecosysteemdiensten een halt toe te roepen en het risico van verontreiniging van de zee te verminderen;
(d) het waarborgen van het behoud, de bescherming en de verbetering van het milieu door middel van een representatief en coherent netwerk van beschermde gebieden alsook het behoedzame, op voorzorg gestoelde en rationele gebruik van de natuurlijke hulpbronnen, met name om een goede milieutoestand te bereiken, het biodiversiteitsverlies en de aantasting van ecosysteemdiensten een halt toe te roepen en het risico van verontreiniging van de mariene en kustgebieden te verminderen en te voorkomen;
(e) het handhaven van klimaatbestendige kust- en zeegebieden.
(e) het verhogen van de weerbaarheid van de kust- en zeegebieden tegen de effecten van de klimaatverandering met als doel kwetsbare kustgebieden te beschermen.
3. Maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën mogen erop gericht zijn bij te dragen tot de verdere nationale doelstellingen:
(a) het bevorderen van een duurzame grondstoffenwinning;
(b) het bevorderen van duurzaam toerisme;
(c) het waarborgen van de instandhouding en de bescherming van cultureel erfgoed;
(d) het waarborgen van recreatief of ander gebruik door het publiek;
(e) het in stand te houden van de traditionele sociaaleconomische verhoudingen die verband houden met de maritieme economie.
Amendement 37 Voorstel voor een richtlijn Artikel 6 – lid 1
1. Maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën leggen de logistieke stappen vast ter bereiking van de in artikel 5 omschreven doelstellingen, rekening houdend met alle daarvoor relevante activiteiten en daarop toepasselijke maatregelen.
1. Elke lidstaat legt de procedurele stappen vast ter bereiking van de in artikel 5 omschreven doelstellingen, rekening houdend met de daarvoor relevante activiteiten, gebruiksvormen en daarop toepasselijke maatregelen.
Amendement 38 Voorstel voor een richtlijn Artikel 6 – lid 2 – letter b
(b) doeltreffende grensoverschrijdende samenwerking tussen lidstaten en tussen de nationale overheden en belanghebbenden bij het relevante sectoraal beleid waarborgen;
(b) doeltreffende deelname van de belanghebbenden bij het relevante sectoraal beleid waarborgen overeenkomstig artikel 9;
Amendement 39 Voorstel voor een richtlijn Artikel 6 – lid 2 – letter b bis (nieuw)
(b bis) doeltreffende, grensoverschrijdende samenwerking tussen de lidstaten waarborgen overeenkomstig artikel 12;
Amendement 40 Voorstel voor een richtlijn Artikel 6 – lid 2 – letter c
(c) de grensoverschrijdende effecten van maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën op mariene wateren en kustgebieden die onder de soevereiniteit of rechtsmacht van derde landen in dezelfde mariene regio of subregio vallen, alsook op bijbehorende kustgebieden, in kaart brengen en deze effecten aanpakken in samenwerking met de bevoegde instanties van die landen overeenkomstig de artikelen 12 en 13.
(c) de grensoverschrijdende effecten van maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën op mariene wateren en kustgebieden die onder de soevereiniteit of rechtsmacht van derde landen in dezelfde mariene regio of subregio vallen, alsook op bijbehorende kustgebieden, in kaart brengen en deze effecten aanpakken in samenwerking met de bevoegde instanties van die landen overeenkomstig artikel 13.
Amendement 41 Voorstel voor een richtlijn Artikel 6 – lid 2 – letter c bis (nieuw)
(c bis) enerzijds, zijn gebaseerd op de beste beschikbare gegevens en, anderzijds, de nodige flexibiliteit waarborgen om rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen;
Amendement 42 Voorstel voor een richtlijn Artikel 7 – lid 1
1. Maritieme ruimtelijkeordeningsplannen omvatten ten minste een kaart van de mariene wateren waarop de feitelijke en potentiële verspreiding in ruimte en tijd van alle relevante maritieme activiteiten is aangegeven met het oog op het bereiken van de in artikel 5 omschreven doelstellingen.
1. Maritieme ruimtelijkeordeningsplannen omvatten ten minste een kaart van de mariene wateren waarop de feitelijke, voorgenomen en potentiële verspreiding in ruimte en tijd van alle relevante maritieme gebruiksvormen en activiteiten en belangrijke bestanddelen van het ecosysteem is aangegeven met het oog op het bereiken van de in artikel 5 omschreven Unie-doelstellingen.
Amendement 43 Voorstel voor een richtlijn Artikel 7 – lid 2 – inleidende formule
2. Bij de vaststelling van hun maritieme ruimtelijkeordeningsplannen nemen de lidstaten ten minste de volgende activiteiten in aanmerking:
2. Bij de vaststelling van hun maritieme ruimtelijkeordeningsplannen nemen de lidstaten onder andere de volgende gebruiksvormen en activiteiten in aanmerking:
Amendement 44 Voorstel voor een richtlijn Artikel 7 – lid 2 – letters a t/m g
(a) installaties voor energieopwekking en de productie van hernieuwbare energie;
(a) installaties voor energieopwekking, de productie van hernieuwbare energie en het transport naar het vasteland;
(b) olie- en gaswinningsgebieden en -infrastructuur;
(b) winnings- en exploratiegebieden en -infrastructuur van olie, gas en andere grondstoffen;
(c) scheepvaartroutes;
(c) scheepvaartroutes;
(d) de tracés van onderzeese kabels en pijpleidingen;
(d) de tracés van onderzeese kabels en pijpleidingen;
(e) visgronden;
(e) bestaande en potentiële visgronden;
(f) maricultuurgebieden;
(f) maricultuurgebieden;
(g) natuurbeschermingsgebieden.
(g) zones voor bescherming en instandhouding van de natuur en de species, Natura 2000-gebieden, andere kwetsbare mariene ecosystemen en de aanpalende gebieden, conform de Europese en nationale wetgevingen;
(h) zee- en kusttoerisme
(i) lokaties van beschermd cultureel erfgoed;
(j) militaire oefengebieden;
Amendement 45 Voorstel voor een richtlijn Artikel 8 – lid 1
1. Geïntegreerde kustbeheerstrategieën omvatten ten minste een inventaris van de bestaande maatregelen die in kustgebieden worden toegepast en een analyse van de behoefte aan extra acties om de in artikel 5 omschreven doelstellingen te bereiken. De strategieën voorzien in een geïntegreerde en intersectorale uitvoering van het beleid en houden rekening met de interacties tussen terrestrische en maritieme activiteiten.
1. Bij de vaststelling van hun geïntegreerde kustbeheer beslissen de lidstaten of zij een reeks praktijken of een of meer strategieën gebruiken. Zij brengen de bestaande maatregelen in kaart die in kustgebieden worden toegepast en stellen een analyse op van de behoefte aan extra acties om de in artikel 5 omschreven doelstellingen te bereiken. Geïntegreerd kustbeheer bevordert een geïntegreerde en intersectorale uitvoering van het beleid en houdt rekening met de interacties tussen terrestrische en maritieme activiteiten om de koppelingen tussen land en zee te waarborgen.
Amendement 46 Voorstel voor een richtlijn Artikel 8 – lid 2 – inleidende formule
2. Bij de vaststelling van hun geïntegreerde kustbeheerstrategieën nemen de lidstaten ten minste de volgende activiteiten in aanmerking:
2. Bij de vaststelling van hun geïntegreerde kustbeheerstrategieën nemen de lidstaten in aanmerking:
Amendement 47 Voorstel voor een richtlijn Artikel 8 – lid 2 – letter a
(a) het gebruik van specifieke natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van installaties voor energieopwekking en de productie van hernieuwbare energie;
Schrappen
Amendement 48 Voorstel voor een richtlijn Artikel 8 – lid 2 – letter a bis (nieuw)
(a bis) reeds vastgestelde praktijken en strategieën in lijn met Aanbeveling 2002/413/EG;
Amendement 49 Voorstel voor een richtlijn Artikel 8 – lid 2 – letter a ter (nieuw)
(a ter) bestaande formele en informele praktijken, netwerken en grensoverschrijdende samenwerkingsmechanismen;
Amendement 50 Voorstel voor een richtlijn Artikel 8 – lid 2 – letter a quater (nieuw)
(a quater) relevante activiteiten, installaties, faciliteiten en infrastructuur.
Amendement 51 Voorstel voor een richtlijn Artikel 8 – lid 2 – letter b
(b) de ontwikkeling van infrastructuur, energie-inrichtingen, vervoer, havens, maritieme kunstwerken en andere structuren met inbegrip van groene infrastructuur;
Schrappen
Amendement 52 Voorstel voor een richtlijn Artikel 8 – lid 2 – letter c
(c) landbouw en industrie;
Schrappen
Amendement 53 Voorstel voor een richtlijn Artikel 8 – lid 2 – letter d
(d) visserij en aquacultuur;
Schrappen
Amendement 54 Voorstel voor een richtlijn Artikel 8 – lid 2 – letter e
(e) behoud, herstel en beheer van kustecosystemen, ecosysteemdiensten en natuur, kustlandschappen en eilanden;
(e) bescherming, behoud, herstel en beheer van kustecosystemen, beschermde delta's en wetlands, ecosysteemdiensten alsook natuur, kustlandschappen en eilanden;
Amendement 55 Voorstel voor een richtlijn Artikel 8 – lid 2 – letter f
(f) mildering van en aanpassing aan klimaatverandering.
(f) mildering van en aanpassing aan klimaatverandering, in het bijzonder door het verhogen van de bestendigheid van de ecosystemen;
Amendement 56 Voorstel voor een richtlijn Artikel 9 – lid 1
1. De lidstaten voorzien in inspraakregelingen voor alle belanghebbende partijen in een vroeg stadium van de ontwikkeling van maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën.
De lidstaten voorzien in inspraakregelingen door de relevante belanghebbenden en autoriteiten en het betrokken publiek in een vroeg stadium van de ontwikkeling van maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën te informeren en te raadplegen. De lidstaten zorgen er ook voor dat deze belanghebbenden en autoriteiten en het betrokken publiek toegang hebben tot de resultaten zodra die zijn afgerond.
Amendement 57 Voorstel voor een richtlijn Artikel 9 – lid 2
2. De publieksinspraak waarborgt dat de betrokken overheden en belanghebbenden en het betrokken publiek over de ontwerp-plannen en -strategieën worden geraadpleegd en dat zij toegang hebben tot de resultaten zodra die beschikbaar komen.
Schrappen
Amendement 58 Voorstel voor een richtlijn Artikel 9 – lid 3
3. Bij het vaststellen van de regelingen inzake raadpleging van het publiek handelen de lidstaten in overeenstemming met de relevante bepalingen van andere EU-wetgeving.
Schrappen
Amendement 59 Voorstel voor een richtlijn Artikel 10 – lid 1
1. De lidstaten organiseren de vergaring van de beste beschikbare gegevens en de uitwisseling van informatie die noodzakelijk zijn voor maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën.
1. De lidstaten organiseren de vergaring en het gebruik van de beste beschikbare gegevens en de uitwisseling van informatie die noodzakelijk zijn voor maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en de tenuitvoerlegging van geïntegreerde kustbeheerstrategieën.
Amendement 60 Voorstel voor een richtlijn Artikel 10 – lid 3
3. Bij het organiseren van de vergaring en uitwisseling van de in lid 1 bedoelde gegevens maken de lidstaten zo veel mogelijk gebruik van de in het kader van het geïntegreerd marien beleid ontwikkelde instrumenten.
3. Bij het organiseren van de vergaring en uitwisseling van de in lid 1 bedoelde gegevens maken de lidstaten zo veel mogelijk gebruik van de in het kader van het geïntegreerd marien beleid ontwikkelde instrumenten en andere relevante Unie-beleidsmaatregelen, zoals die in Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire)27 bis.
_____________
27 bis PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1.
Amendement 61 Voorstel voor een richtlijn Artikel 11
Op maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën zijn de bepalingen van Richtlijn 2001/42/EG van toepassing.
Op maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën zijn de bepalingen van Richtlijn 2001/42/EG en van artikel 6 van Richtlijn 92/43/EEG, in voorkomend geval, van toepassing.
Amendement 62 Voorstel voor een richtlijn Artikel 12 – lid 1
1. Elke lidstaat die grenst aan een kustgebied of maritiem gebied van een andere lidstaat, werkt samen om de coherentie en coördinatie van de maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën in het hele betrokken kustgebied dan wel de hele betrokken mariene regio en/of subregio te waarborgen. Bij die samenwerking wordt met name aandacht geschonken aan kwesties van transnationale aard, zoals grensoverschrijdende infrastructuur.
1. Elke lidstaat die grenst aan een kustgebied of maritiem gebied van een andere lidstaat, neemt alle noodzakelijke stappen om samen te werken om de coherentie en coördinatie van de maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën in het hele betrokken kustgebied dan wel de hele betrokken mariene regio en/of subregio te waarborgen. Bij die samenwerking wordt met name aandacht geschonken aan kwesties van transnationale aard, zoals grensoverschrijdende infrastructuur, en een gemeenschappelijke visie beoogd voor elke bestaande en toekomstige strategie voor zeebekkens.
Amendement 63 Voorstel voor een richtlijn Artikel 12 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis. Teneinde samenwerking mogelijk te maken moeten de lidstaten, waar mogelijk, de tijdschema's van de nieuwe ruimtelijkeordeningsplannen of de herzieningscycli van bestaande plannen coördineren.
Amendement 64 Voorstel voor een richtlijn Artikel 12 – lid 2 – letter a
(a) regionale institutionele samenwerkingsstructuren voor het betrokken kustgebied of de betrokken mariene regio of subregio, of
(a) regionale zeeverdragen of andere regionale institutionele samenwerkingsstructuren voor het betrokken kustgebied of de betrokken mariene regio of subregio, of
Amendement 65 Voorstel voor een richtlijn Artikel 12 – lid 2 – letter b
(b) een gespecialiseerd netwerk van bevoegde instanties van de lidstaten voor de betrokken mariene regio en/of subregio.
(b) een netwerk van bevoegde instanties van de lidstaten voor het betrokken kustgebied, de betrokken mariene regio en/of de betrokken subregio, of
Amendement 66 Voorstel voor een richtlijn Artikel 12 – lid 2 – letter b bis (nieuw)
(b bis) elke andere benadering die aan de vereisten van lid 1 voldoet;
Amendement 67 Voorstel voor een richtlijn Artikel 13
Lidstaten die grenzen aan een kustgebied of maritiem gebied van een derde land, stellen alles in het werk om hun maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën in de betrokken mariene regio of subregio en het bijbehorende kustgebied met dat derde land te coördineren.
In overeenstemming met het internationale zeerecht en de internationale maritieme wetten en verdragen plegen lidstaten die grenzen aan een kustgebied of maritiem gebied van een derde land overleg met dat land en stellen zij alles in het werk om samen te werken en hun maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën in de betrokken mariene regio of subregio en het bijbehorende kustgebied met dat derde land te coördineren.
Amendement 87 Voorstel voor een richtlijn Artikel 14
1. Elke lidstaat wijst voor elk betrokken kustgebied en voor elke betrokken mariene regio of subregio de instantie of instanties aan die bevoegd is of zijn voor de uitvoering van deze richtlijn, met inbegrip van het verzorgen van de samenwerking met andere lidstaten als omschreven in artikel 12 en de samenwerking met derde landen als omschreven in artikel 13.
1. Elke lidstaat wijst voor elk betrokken kustgebied en voor elke betrokken mariene regio de instantie of instanties aan die verantwoordelijk is of zijn voor de uitvoering van deze richtlijn, met inbegrip van het verzorgen van de samenwerking met andere lidstaten als omschreven in artikel 12 en de samenwerking met derde landen als omschreven in artikel 13.
2. De lidstaten verstrekken de Commissie een lijst van de bevoegde instanties alsmede de in bijlage I vermelde gegevens.
2. De lidstaten verstrekken de Commissie een lijst van de verantwoordelijke instanties alsmede de in bijlage I vermelde gegevens.
3. Tezelfdertijd doen de lidstaten de Commissie een lijst toekomen van hun instanties die bevoegd zijn in de internationale organisaties waarin zij participeren en die voor de uitvoering van deze richtlijn relevant zijn.
3. Tezelfdertijd doen de lidstaten de Commissie een lijst toekomen van hun instanties die bevoegd zijn in de internationale organisaties waarin zij participeren en die voor de uitvoering van deze richtlijn relevant zijn.
4. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle wijzigingen in de overeenkomstig lid 1 verstrekte informatie binnen zes maanden nadat die wijzigingen van kracht zijn geworden.
4. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle wijzigingen in de overeenkomstig lid 1 verstrekte informatie binnen zes maanden nadat die wijzigingen van kracht zijn geworden.
4 bis. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel kan elke lidstaat zijn verantwoordelijke autoriteiten aanwijzen met inachtneming van de verschillende institutionele niveaus en bestuurslagen.
Amendement 68 Voorstel voor een richtlijn Artikel 15 – lid 2
2. Dat verslag bevat ten minste informatie over de uitvoering van de artikelen 6 tot en met 13.
2. Dat verslag bevat ten minste informatie over de uitvoering van de artikelen 6 tot en met 13. Waar mogelijk worden inhoud en vorm van het verslag in overeenstemming gebracht met de betreffende bepalingen van Richtlijn 2008/56/EG.
Amendement 69 Voorstel voor een richtlijn Artikel 15 – lid 3
3. De Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad een voortgangsverslag in waarin de bij de uitvoering van deze richtlijn geboekte vooruitgang wordt geschetst.
3. De Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad uiterlijk een jaar na de termijn voor de vaststelling van de maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën, een voortgangsverslag in waarin de bij de uitvoering van deze richtlijn geboekte vooruitgang wordt geschetst.
Amendement 70 Voorstel voor een richtlijn Artikel 16 – lid 1 – inleidende formule
1. De Commissie kan uitvoeringshandelingen aannemen tot vaststelling van bepalingen inzake:
1. Onverminderd de voorschriften met betrekking tot materiële onderdelen van plannen en strategieën, kan de Commissie uitvoeringshandelingen aannemen tot vaststelling van bepalingen inzake:
Amendement 71 Voorstel voor een richtlijn Artikel 16 – lid 1 – letter a
(a) operationele specificaties voor het beheer van de in artikel 10 bedoelde gegevens, mits die niet bij andere EU-wetgeving zoals Richtlijn 2007/2/EG of Richtlijn 2008/56/EG zijn vastgesteld, met betrekking tot:
(a) procesgerelateerde specificaties voor het beheer van de in artikel 10 bedoelde gegevens, mits die niet bij andere EU-rechtshandelingen, zoals Richtlijn 2007/2/EG of Richtlijn 2008/56/EG, zijn vastgesteld, met betrekking tot:
Amendement 72 Voorstel voor een richtlijn Artikel 16 – lid 1 – letter a – streepje 1
– de uitwisseling van gegevens en interfacing met bestaande processen voor gegevensbeheer en -vergaring; en
– de doeltreffende uitwisseling van gegevens en interfacing met bestaande systemen voor gegevensbeheer en -vergaring; and
Amendement 73 Voorstel voor een richtlijn Artikel 16 – lid 1 – letter b – inleidende formule
(b) de logistieke stappen bij de vaststelling van en rapportage over maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën, met betrekking tot:
(b) de procesgerelateerde stappen die bijdragen aan de vaststelling van en rapportage over maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën, met betrekking tot:
Amendement 74 Voorstel voor een richtlijn Artikel 16 – lid 1 – letter b – streepje 3
– de vormen van grensoverschrijdende samenwerking;
– de meest doeltreffende vormen van grensoverschrijdende samenwerking;
Amendement 75 Voorstel voor een richtlijn Artikel 16 – lid 1 – letter b – streepje 4
– publieksraadpleging.
Schrappen
Amendement 76 Voorstel voor een richtlijn Artikel 17 – lid 2
2. Wanneer naar lid 1 wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Amendement 77 Voorstel voor een richtlijn Artikel 18 – lid 2
2. Wanneer de lidstaten de in lid 1 bedoelde bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. Wanneer de lidstaten na inwerkingtreding van deze richtlijn de in lid 1 bedoelde bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
Amendement 78 Voorstel voor een richtlijn Artikel 18 – lid 4
4. De in artikel 4, lid 1, bedoelde maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën worden vastgesteld binnen een termijn van 36 maanden vanaf de inwerkingtreding van deze richtlijn.
4. De in artikel 4, lid 1, bedoelde maritieme ruimtelijkeordeningsplannen en geïntegreerde kustbeheerstrategieën worden vastgesteld binnen een termijn van 48 maanden vanaf de inwerkingtreding van deze richtlijn.
Amendement 79 Voorstel voor een richtlijn Artikel 18 – lid 5
5. De in artikel 15, lid 1, bedoelde verslagen worden overgelegd binnen 42 maanden vanaf de inwerkingtreding van deze richtlijn, en vervolgens om de zes jaar.
5. De in artikel 15, lid 1, bedoelde verslagen worden overgelegd binnen 54 maanden vanaf de inwerkingtreding van deze richtlijn, en vervolgens om de zes jaar.
Amendement 80 Voorstel voor een richtlijn Artikel 18 – lid 6
6. Het in artikel 15, lid 3, bedoelde voortgangsverslag wordt overgelegd binnen zes maanden vanaf de in lid 5 bedoelde datum, en vervolgens om de zes jaar.
6. Het in artikel 15, lid 3, bedoelde voortgangsverslag wordt overgelegd binnen zes maanden vanaf de in lid 5 bedoelde datum, en vervolgens om de vier jaar.
Amendement 81 Voorstel voor een richtlijn Artikel 18 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis. De in deze richtlijn vervatte omzettingsverplichtingen zijn niet van toepassing op lidstaten die niet aan zee grenzen.
De zaak werd dan terugverwezen naar de Commissie uit hoofde van artikel 57, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A7-0379/2013).
Wijziging van bepaalde richtlijnen op het gebied van milieu, landbouw, sociaal beleid en volksgezondheid uit hoofde van de wijziging in de status van Mayotte ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van bepaalde richtlijnen op het gebied van milieu, landbouw, sociaal beleid en volksgezondheid uit hoofde van de wijziging in de status van Mayotte ten aanzien van de Unie (COM(2013)0418 – C7-0176/2013 – 2013/0192(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0418),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, artikel 114, artikel 153, lid 2, artikel 168 en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0176/2013),
– gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,
– gezien de brief van de Raad van 10 oktober 2013(1),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 september 2013(2),
– gezien de artikelen 55 en 37 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A7-399/2013),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 december 2013 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2013/.../EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van bepaalde richtlijnen op het gebied van milieu, landbouw, sociaal beleid en volksgezondheid uit hoofde van de wijziging in de status van Mayotte ten aanzien van de Unie
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2, artikel 114, artikel 153, lid 2, artikel 168 en artikel 192, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Krachtens Besluit 2012/419/EU(5)heeft de Europese Raad besloten de status van Mayotte ten aanzien van de Europese Unie met ingang van 1 januari 2014 te wijzigen. Bijgevolg zal Mayotte vanaf die datum niet langer een gebiedbehoren tot de landen en gebieden overzee zijn in de zin van artikel 198 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), maar wordt het een ultraperifeer gebied in de zin van artikel 349 en artikel 355, lid 1, VWEU.van het Verdrag. Met ingang vanIngevolge deze datumgewijzigde juridische status zal het recht van de Unie per 1 januari 2014 van toepassing zijn op Mayotte. Het is wenselijk op een aantal gebieden te voorzien in bepaalde specifieke maatregelen die gerechtvaardigd zijn door de bijzondere structurele, sociale, ecologische en economische situatie van Mayotte op een aantal gebieden. en zijn nieuwe status van ultraperifeer gebied. [Am. 1]
(2) Bovendien is het ook wenselijk rekening te houden met de bijzondere situatie in Mayotte wat betreft de toestand van het milieu. Deze moet aanzienlijk worden verbeterd om te voldoen aan de milieudoelstellingen die door het recht van de Unie zijn vastgesteld en daar is dan ook extra tijd voor nodig. Teneinde de toestand van het milieu geleidelijk te verbeteren, moeten er binnen specifieke termijnen specifieke maatregelen worden vastgesteld.
(3) Om te voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater(6), moeten in Mayotte maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat agglomeraties voorzien zijn van een opvangsysteem voor stedelijk afvalwater. Dergelijke maatregelen vereisen infrastructuurwerkzaamheden die volgens gepaste administratieve en planologische procedures moeten verlopen en waarvoor bovendien systemen moeten worden opgezet voor het meten en controleren van lozingen van stedelijk afvalwater. Derhalve moet Frankrijk voldoende tijd krijgen om aan deze vereisten te voldoen.
(4) Op het gebied van landbouw wordt met betrekking tot Richtlijn 1999/74/EG van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen(7) opgemerkt dat legkippen in Mayotte in niet-aangepaste kooien worden gehouden. Gezien de specifieke economische en sociale situatie van Mayotte en de aanzienlijke investeringen en de voorbereidende werkzaamheden die nodig zijn voor de vervanging van niet-aangepaste kooien door aangepaste kooien of alternatieve systemen, moet voor legkippen die op 1 januari 2014 aan de leg zijn het verbod op het gebruik van niet-aangepaste kooien worden uitgesteld voor een periode van ten hoogste twaalf maandenvier jaar vanaf deze datum. De vervanging van de kooien tijdens de legcyclus van de kippen moet dus worden vermeden. Ter voorkoming van concurrentieverstoringen mogen eieren, afkomstig van houderijen die niet-aangepaste kooien gebruiken, enkel op de plaatselijke markt van Mayotte worden verhandeld. Om de noodzakelijke controles te vergemakkelijken, moet een speciaal merk worden aangebracht op eieren die in niet-aangepaste kooien zijn geproduceerd. [Am. 2]
(5) Wat betreft Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(8): Frankrijk moet met het oog op de correcte tenuitvoerlegging van die richtlijn inzake stroomgebiedsbeheerplannen, beheerplannen vaststellen en uitvoeren die technische en administratieve maatregelen bevatten om een goede watertoestand van alle oppervlaktewaterlichamen te bereiken en om de achteruitgang daarvan te voorkomen. Er moet voldoende tijd worden gegeven om deze maatregelen te kunnen vaststellen en uitvoeren.
(6) Wat betreft Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG(9): de huidige toestand van de oppervlaktewateren is in Mayotte zodanig dat aanzienlijke verbeteringen vereist zijn om te voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn. De kwaliteit van zwemwateren is rechtstreeks afhankelijk van de behandeling van stedelijk afvalwater en er kan slechts geleidelijk worden voldaan aan de bepalingen van Richtlijn 2006/7/EG als de agglomeraties die de kwaliteit van stedelijk afvalwater aantasten voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 91/271/EEG. Daarom moeten specifieke termijnen worden vastgesteld zodatopdat Frankrijk, wat betreft de zwemwaterkwaliteit in Mayotte, een nieuw ultraperifeer gebied met een bijzondere sociale, ecologische en economische situatie, aan de normen van de Unie kan voldoen. [Am. 3]
(7) Op het gebied van sociaal beleid moet rekening worden gehouden met de moeilijkheden die men in Mayotte zal ondervinden om vanaf 1 januari 2014 te voldoen aan Richtlijn 2006/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan risico’s van fysische agentia (kunstmatige optische straling)(10). Er zijn in Mayotte wegens de bijzondere sociale en economische situatie aldaar, geen technische voorzieningen beschikbaar voor de uitvoering van de maatregelen die nodig zijn om te voldoen aan deze richtlijn inzakewaar het gaat om kunstmatige optische straling. Het is daarom mogelijkwenselijk om tot en met 31 december 2017 een afwijking van sommige bepalingen van deze richtlijn toe te kennen aan Frankrijk, voor zover deze voorzieningen in Mayotte niet beschikbaar zijn en onverminderd de algemene beginselen inzake bescherming en preventie op het gebied van gezondheid en veiligheid van werknemers. [Am. 4]
(8) Om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers op het werk te waarborgen, moet ervoor worden gezorgd dat de sociale partners worden geraadpleegd, dat de risico's ten gevolge van de afwijking tot een minimum worden beperkt en dat de betrokken werknemers onder een verscherpt gezondheidstoezicht staan. Het is van belang dat de duur van de afwijking zo veel mogelijk wordt beperkt. De nationale afwijkende maatregelen moeten daarom elk jaar worden herzien en worden ingetrokken zodra de omstandigheden waardoor zij gerechtvaardigd werden, ophouden te bestaan.
(9) Wat betreft Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg(11): de omzetting van deze richtlijn vereist dat een aantal aanpassingen wordt doorgevoerd teneinde de continuïteit van de zorgverlening en de informatieverstrekking aan patiënten te waarborgen. Het is daarom wenselijk dat Frankrijk na 1 januari 2014 een aanvullende periode van dertig maanden krijgt om de nodige bepalingen in werking te doen treden zodat Mayotte aan deze richtlijn kan voldoen.
(10) De Richtlijnen 91/271/EEG, 1999/74/EG, 2000/60/EG, 2006/7/EG, 2006/25/EG en 2011/24/EU moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Richtlijn 91/271/EEG
Richtlijn 91/271/EEG wordt als volgt gewijzigd:
(1) In artikel 3 wordt het volgende lid 1 bis ingevoegd:"
"1 bis. In afwijking van de eerste en tweede alinea van lid 1 zorgt Frankrijk ervoor dat alle agglomeraties in Mayotte voorzien zijn van een opvangsysteem voor stedelijk afvalwater:
—
uiterlijk op 31 december 2020 voor agglomeraties met meer dan 10 00015.000 i.e., hetgeen ten minste 70% van de in Mayotte gegenereerde belasting zal dekken; [Am. 5]
—
uiterlijk op 31 december 2027 voor alle agglomeraties.met meer dan 2 000 i.e." [Am. 6]
"
(2) In artikel 4 wordt het volgende lid 1 bis ingevoegd:"
"1 bis.In afwijking van lid 1 zorgt Frankrijk ervoor dat stedelijk afvalwater in Mayotte dat in opvangsystemen terechtkomt vóór lozing aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces wordt onderworpen:
—
uiterlijk op 31 december 2020 voor agglomeraties met meer dan 15 000 i.e., hetgeen, samen met de in artikel 5, lid 2 bis, bedoelde agglomeraties, ten minste 70% van de in Mayotte gegenereerde belasting zal dekken;
—
uiterlijk op 31 december 2027 voor alle agglomeraties. met meer dan 2 000 i.e." [Am. 7]
"
(3) Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
(a) Het volgende lid 2 bis wordt toegevoegd:"
"2 bis. In afwijking van lid 2 zorgt Frankrijk ervoor dat stedelijk afvalwater in Mayotte dat in opvangsystemen terechtkomt vóór lozing in kwetsbare gebieden aan een behandeling wordt onderworpen die verder gaat dan de in artikel 4 bedoelde behandeling:
—
uiterlijk op 31 december 2020 voor agglomeraties met meer dan 10 00015.000 i.e., hetgeen, samen met de in artikel 4, lid 1 bis, bedoelde agglomeraties, ten minste 70% van de in Mayotte gegenereerde belasting zal dekken; [Am. 8]
—
uiterlijk op 31 december 2027 voor alle agglomeraties met meer dan 2 000 i.e." [Am. 9]
"
(3 bis) De volgende alinea wordt toegevoegd aan artikel 7:"
"In afwijking van de eerste alinea wordt de termijn ten aanzien van Mayotte vastgesteld op 31 december 2027." [Am. 10]
"
(4) Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:
(a) Aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:"
"In afwijking van de eerste alinea stelt Frankrijk voor Mayotte uiterlijk op 30 juni 2014 een programma op voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn."
"
(b) Aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:"
"In afwijking van de eerste alinea verstrekt Frankrijk, ten aanzien van Mayotte, de Commissie uiterlijk op 31 december 2014 informatie over het programma."
"
Artikel 2
Wijziging van Richtlijn 1999/74/EG
Aan artikel 5 van Richtlijn 1999/74/EG wordt het volgende lid toegevoegd:"
"3. In afwijking van lid 2 mogen legkippen in Mayotte die op 1 januari 2014 aan de leg zijn en die op deze datum worden gehouden in kooien als bedoeld in dit hoofdstuk, tot en met 31 december 20142017 verder worden gehouden in dergelijke kooien als bedoeld in dit hoofdstuk. [Am. 11]
Het bouwen of voor het eerst in gebruik nemen van de in dit hoofdstuk bedoelde kooien is met ingang van 1 januari 2014 verboden in Mayotte.
Eieren afkomstig van houderijen die legkippen houden in kooien als bedoeld in dit hoofdstuk, mogen enkel op de plaatselijke markt van Mayotte worden verhandeld. Deze eieren en de verpakkingen daarvan worden duidelijk geïdentificeerd met een speciaal merk, zodat de noodzakelijke controles kunnen plaatsvinden. Een duidelijke beschrijving van dit speciale merk wordt uiterlijk op 1 januari 2014 aan de Commissie meegedeeld."
"
Artikel 3
Wijziging van Richtlijn 2000/60/EG
Richtlijn 2000/60/EG wordt als volgt gewijzigd:
(1) Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
(a) Aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:"
"Voor Mayotte is de onder a), punt ii), onder a), punt iii), onder b, punt ii) en onder c) bedoelde termijn vastgesteld op 22 december 2021."
"
(b) In lid 4 komt de inleidende zin als volgt te luiden:"
"De in lid 1 gestelde termijnen kunnen met het oog op het gefaseerde bereiken van de doelstellingen voor waterlichamen worden verlengd, mits de toestand van het aangetaste waterlichaam niet verder verslechtert, wanneer aan alle navolgende voorwaarden wordt voldaan: "
"
(2) Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
(a) Aan lid 7 wordt de volgende alinea toegevoegd:"
"Voor Mayotte worden de in de eerste alinea bedoelde termijnen vastgesteld op respectievelijk 22 december 2015 en 22 december 2018."
"
(b) Aan lid 8 wordt de volgende alinea toegevoegd:"
"Voor Mayotte wordt de in de eerste alinea bedoelde termijn vastgesteld op 22 december 2021."
"
(3) Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:
(a) Aan lid 6 wordt de volgende alinea toegevoegd:"
"Voor Mayotte wordt de in de eerste alinea bedoelde termijn vastgesteld op 22 december 2015."
"
(b) Aan lid 7 wordt de volgende alinea toegevoegd:"
"Voor Mayotte wordt de in de eerste alinea bedoelde termijn vastgesteld op 22 december 2021."
"
Artikel 4
Wijziging van Richtlijn 2006/7/EG
Richtlijn 2006/7/EG wordt als volgt gewijzigd:
(1) Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
(a) Aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:"
"Voor Mayotte wordt de in de eerste alinea bedoelde termijn vastgesteld op 31 december 2019."
"
(b) Aan lid 3 wordt de volgende alinea toegevoegd:"
"Voor Mayotte wordt de in de eerste alinea bedoelde termijn vastgesteld op 31 december 2031."
"
(2) In artikel 6, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:"
"Voor Mayotte wordt de in de eerste alinea bedoelde termijn vastgesteld op 30 juni 2015."
"
(3) In artikel 13, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd:"
"Voor Mayotte wordt de in de eerste alinea bedoelde termijn vastgesteld op 30 juni 2014."
"
Artikel 5
Wijziging van Richtlijn 2006/25/EG
In Richtlijn 2006/25/EG wordt het volgende artikel 14 bis ingevoegd:"
"Artikel 14 bis
1. Onverminderd de algemene beginselen inzake bescherming en preventie op het gebied van gezondheid en veiligheid van werknemers, kan Frankrijk in Mayotte tot en met 31 december 2017 afwijken van de toepassing van de bepalingen die nodig zijn om te voldoen aan deze richtlijn, op voorwaarde dat voor de toepassing daarvan specifieke technische voorzieningen vereist zijn en dat deze voorzieningen niet beschikbaar zijn in Mayotte.
De eerste alinea is niet van toepassing op de verplichtingen van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn en evenmin op de bepalingen van deze richtlijn die een weerspiegeling vormen van de algemene beginselen als uiteengezet in Richtlijn 89/391/EEG.
2. Elke afwijking van deze richtlijn als gevolg van de toepassing van maatregelen die op 1 januari 2014 bestaan of als gevolg van de vaststelling van nieuwe maatregelen, wordt voorafgegaan door een raadpleging van de sociale partners in overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijken. Deze afwijkingen worden toegepast onder voorwaarden die, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden in Mayotte, waarborgen dat de daaruit voortvloeiende risico's voor werknemers tot een minimum worden beperkt en dat de betrokken werknemers onder verscherpt gezondheidstoezicht staan.
3. De nationale afwijkende maatregelen worden, na raadpleging van de sociale partners, elk jaar herzien en worden ingetrokken zodra de omstandigheden waardoor zij gerechtvaardigd werden ophouden te bestaan."
"
Artikel 6
Wijziging van Richtlijn 2011/24/EU
Aan artikel 21 van Richtlijn 2011/24/EU wordt het volgende lid 3 toegevoegd:"
"3. In afwijking van de eerste zin van lid 1 doet Frankrijk, ten aanzien van Mayotte, de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen uiterlijk op 30 juni 2016 in werking treden."
"
Artikel 7
Omzetting
1. Frankrijk dient de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen als volgt vast te stellen en bekend te maken:
(a) wat betreft artikel 1, leden 1, 2 en 3, uiterlijk op 31 december 2018;
(b) wat betreft artikel 1, lid 4, uiterlijk op de respectievelijk in de punten a en b vermelde data;
(c) wat betreft artikel 2, uiterlijk op 1 januari 2014;
(d) wat betreft artikel 3, lid 1, uiterlijk op 31 december 2018;
(e) wat betreft artikel 3, leden 2 en 3, uiterlijk op de daarin vermelde data;
(f) wat betreft artikel 4, lid 1, onder a), uiterlijk op 31 december 2018;
(g) wat betreft artikel 4, lid 1, onder b), uiterlijk op 30 juni 2021;
(h) wat betreft artikel 4, leden 2 en 3, uiterlijk op de daarin vermelde data;
(i) wat betreft artikel 5, uiterlijk op 1 januari 2014, tenzij Frankrijk geen gebruik maakt van de mogelijkheid die wordt voorzien in dat artikel;
(j) wat betreft artikel 6, uiterlijk op de daarin vermelde datum.
Frankrijk deelt de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
Wanneer Frankrijk die bepalingen vaststelt, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden bepaald door Frankrijk.
2. Frankrijk deelt de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die het op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststelt.
Artikel 8
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in hetop de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.[Am. 12]
Artikel 9
Adressaat
Deze richtlijn is gericht tot de Franse Republiek.
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een actie van de Unie voor het evenement “Culturele Hoofdsteden van Europa” voor de periode 2020 tot 2033 (COM(2012)0407 – C7-0198/2012 – 2012/0199(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0407),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 167, lid 5 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0198/2012),
– gezien artikel 294, lid 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien de adviezen van het Comité van de Regio’s van 15 februari 2012(1) en 30 november 2012(2),
– gezien artikel 55 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A7-0226/2013),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 december 2013 met het oog op de vaststelling van Besluit nr. .../2014/EU van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een actie van de Unie voor het evenement "Culturele Hoofdsteden van Europa" voor de periode 2020 tot 2033 en tot intrekking van Besluit nr. 1622/2006/EG [Amendement 84(3)]
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 167, lid 5, eerste streepje,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien de adviezen van het Comité van de Regio's(4),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is gericht op de totstandbrenging van een steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren, en deelt de Unie onder meer de taak toe bij te dragen tot de ontplooiing van de culturen van de lidstaten, onder eerbiediging van de nationale en regionale verscheidenheid van die culturen, maar tegelijk ook de nadruk leggend op het gemeenschappelijk cultureel erfgoed. Derhalve worden de activiteiten van de lidstaten ter verbetering van de kennis en verbreiding van de cultuur en de geschiedenis van de Europese volkeren zo nodig door de Unie ondersteund en aangevuld.
(2) De mededeling van de Commissie ▌ over een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering▌, bekrachtigd door de Raad in een resolutie van 16 november 2007(6)en door het Europees Parlement in zijn resolutie van 10 april 2008(7), legt de doelstellingen voor toekomstige activiteiten van de Unie op cultureel gebied vast. Deze activiteiten moeten de culturele verscheidenheid en de interculturele dialoog bevorderen. Zij moeten ook gericht zijn op bevordering van cultuur als katalysator voor creativiteit in het kader van groei en werkgelegenheid en van cultuur als cruciale component van de internationale betrekkingen van de Unie.
(2 bis) Het Unesco-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, dat op 18 maart 2007 in werking is getreden en waarbij de Unie partij is, is erop gericht de verscheidenheid van culturele uitingen te beschermen en te stimuleren, interculturaliteit te bevorderen en het besef van de waarde van culturele diversiteit op regionaal, nationaal en internationaal niveau te vergroten.
(3) Besluit nr. 1622/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad ▌(8) stelde een communautaire actie vast voor het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" voor de periode 2007 tot 2019.
(4) Blijkens de evaluaties van het evenement "Culturele Hoofdsteden van Europa" en de openbare raadpleging over de toekomst van de actie na 2019 is het evenement geleidelijk aan uitgegroeid tot een van de meest ambitieuze en door de Europese burgers meest gewaardeerde culturele initiatieven in Europa.
(5) Naast de oorspronkelijke doelstellingen van het evenement "Culturele Hoofdsteden van Europa", die erin bestaan de rijkdom, de verscheidenheid en de gemeenschappelijke kenmerken van de Europese culturen voor het voetlicht te brengen en bij te dragen tot een groter wederzijds begrip tussen Europese burgers, hebben ook de steden waaraan de titel van culturele hoofdstad is toegekend geleidelijk aan een nieuwe dimensie toegevoegd door gebruik te maken van het hefboomeffect van de titel om de ontwikkeling van de stad in meer algemene zin te bevorderen overeenkomstig hun respectieve strategieën en prioriteiten.
(6) De doelstellingen van de actie "Culturele Hoofdsteden van Europa" sluiten volledig aan bij de doelstellingen van het programma Creatief Europa vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad(9), dat is gericht op de instandhouding, ontwikkeling en bevordering van de Europese culturele en taalkundige verscheidenheid, de bevordering van het Europees cultureel erfgoed en de verbetering van het concurrentievermogen van de Europese culturele en creatieve sectoren, met name de audiovisuele sector, ter ondersteuning van slimme, duurzame en inclusieve groei. Zij dragen ook bij tot een sterker gevoel van het behoren tot een gemeenschappelijke culturele ruimte en stimuleren interculturele dialoog en wederzijds begrip.
(6 bis) Om deze doelen te bereiken is het voor de steden waaraan de titel van culturele hoofdstad is toegekend belangrijk te streven naar totstandbrenging van koppelingen tussen hun creatieve en culturele sector enerzijds, en anderzijds sectoren zoals onderwijs, onderzoek, milieu, stedelijke ontwikkeling of cultuurtoerisme. In het verleden is gebleken dat culturele hoofdsteden van Europa vooral als katalysator kunnen dienen voor plaatselijke ontwikkeling en cultuurtoerisme, zoals benadrukt wordt in de mededeling van de Commissie van 30 juni 2010 over "Europa, toeristische topbestemming in de wereld - een nieuw beleidskader voor het toerisme in Europa", die de Raad in zijn conclusies van 12 oktober 2010(10) verwelkomde en waaraan het Europees Parlement in zijn resolutie van 27 september 2011(11) zijn goedkeuring hechtte.
(6 ter) Voor steden waaraan de titel van culturele hoofdstad is toegekend is het ook belangrijk te streven naar bevordering van sociale inclusie en gelijke kansen en al het mogelijke te doen om alle maatschappelijke geledingen, met bijzondere aandacht voor randroepen en kansarme groepen, zo veel mogelijk te betrekken bij de voorbereiding en uitvoering van het culturele programma.
(7) De evaluaties en de openbare raadpleging hebben overtuigend bewezen dat het evenement "Culturele Hoofdsteden van Europa" een groot aantal mogelijke voordelen biedt wanneer het zorgvuldig wordt gepland. Het evenement blijft eerst en vooral een cultureel initiatief, dat ook aanzienlijke sociale en economische voordelen mee kan brengen, met name wanneer het wordt geïntegreerd in een op cultuur gebaseerde langetermijnontwikkelingsstrategie in de betreffende stad.
(8) De actie "Culturele Hoofdsteden van Europa" brengt ook tal van uitdagingen mee. Een programma van culturele activiteiten dat een heel jaar vult te organiseren betekent een enorme inspanning, en sommige culturele hoofdsteden van Europa zijn er beter dan andere in geslaagd om munt te slaan uit de mogelijkheden die de titel biedt. Derhalve moet de actie worden uitgebreid om alle steden te helpen het optimale rendement uit de titel te halen.
(9) Voor de titel van culturele hoofdstad van Europa moeten ook in de toekomst alleen steden in aanmerking komen, ongeacht hun grootte, maar die steden moeten ook de mogelijkheid behouden om het omliggende gebied bij het evenement te betrekken teneinde een breder publiek te bereiken en de impact ▌te versterken.
(10) De titel van culturele hoofdstad van Europa moet ook voortaan worden verleend op basis van een speciaal voor de culturele hoofdstad van Europa opgezet cultureel programma met een ▌sterke Europese dimensie.Het programma moetook deel uitmaken van een strategie op langere termijn, met duurzame effecten op de ontwikkeling van de lokale economische, culturele en sociale omgeving.
(11) De uit twee fasen bestaande en op een chronologische lijst van lidstaten gebaseerde procedure van selectie door een ▌jury van onafhankelijke deskundigen ("de jury") is billijk en transparant gebleken. Hierdoor werden de steden in de gelegenheid gesteld om tussen de voorselectie en de eindselectie op basis van deskundig advies van de jury verbeteringen in hun kandidatuur aan te brengen, en werd een eerlijke verdeling over alle lidstaten van de titel van culturele hoofdstad van Europa gewaarborgd. Om de continuïteit van de actie te behouden en te voorkomen dat ervaring en knowhow verloren gaan, zoals het geval zou zijn wanneer alle leden gelijktijdig werden vervangen, moet de vervanging van de juryleden gespreid geschieden.
(11 bis) Ook in de toekomst moet nationale expertise gewaarborgd blijven door de lidstaten toe te laten om tot twee deskundigen te benoemen in de jury die verantwoordelijk is voor de selectie van en het toezicht op de steden.
(12) De selectiecriteria moeten explicieter worden geformuleerd met het oog op betere begeleiding van de kandidaat-steden met betrekking tot de doelstellingen en de eisen waaraan zij moeten voldoen om de titel van culturele hoofdstad van Europa te verwerven. De meetbaarheid van de selectiecriteria moet worden verbeterd om de jury ▌te helpen bij de selectie van en het toezicht op de steden In dit verband moet bijzonder aandacht worden besteed aan de plannen van kandidaat-steden voor activiteiten met langetermijneffecten in het kader van een langetermijnstrategie inzake cultuurbeleid, die duurzame culturele, economische en sociale effecten teweeg kunnen brengen.
(13) De voorbereidingsfase tussen de aanwijzing van een stad en het jaar van het evenement is van cruciaal belang voor het succes als culturele hoofdstad van Europa. Er bestaat onder belanghebbenden brede consensus dat de bij Besluit nr. 1622/2006/EG ingevoerde begeleidende maatregelen voor de steden bijzonder nuttig zijn geweest. Deze maatregelen moeten nader worden uitgewerkt, met name door middel van frequentere monitoringbijeenkomsten en bezoeken aan de steden door juryleden en door middel van een nog sterkere uitwisseling van ervaringen tussen vroegere, huidige en toekomstige culturele hoofdsteden van Europa onderling en kandidaat-steden. Aangewezen steden kunnen ook nauwere banden aanknopen met andere culturele hoofdsteden van Europa.
(14) De Melina Mercouriprijs heeft een sterke symbolische waarde gekregen die veel verder reikt dan het geldbedrag daarvan dat door de Commissie kan worden toegekend. Om ervoor te zorgen dat de aangewezen steden hun toezeggingen nakomen, moeten de voorwaarden voor uitbetaling van het aan de prijs verbonden geldbedrag echter worden aangescherpt en verduidelijkt.
(14 bis) Kandidaat-steden moeten waar passend de mogelijkheid verkennen om te verzoeken om financiële steun uit programma's en fondsen van de Unie.
(15) Het is van belang dat de betrokken steden in al hun communicatiemateriaal duidelijk maken dat ▌ "Culturele Hoofdsteden van Europa" ▌een actie van de Unie is.
(16) De door de Commissie verrichte evaluaties van de resultaten die vroegere culturele hoofdsteden van Europa hebben geboekt, verschaffen geen primaire gegevens over de impact van de titel en zijn gebaseerd op gegevens die op lokaal niveau zijn verzameld. Daarom moeten de steden zelf bij de evaluatie de hoofdrol spelen en moeten zij doeltreffende meetmechanismen instellen.
(17) De ervaring die in het verleden is opgedaan ▌, heeft aangetoond dat kandidaat-lidstaten door deelneming nader tot de Unie kunnen worden gebracht, doordat de nadruk wordt gelegd op de gemeenschappelijke aspecten van de Europese culturen. Kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten moeten daarom na 2019 weer in de gelegenheid worden gesteld om mee te dingen naar de titel van culturele hoofdstad van Europa.
(17 bis) Om redenen van billijkheid jegens de steden van de lidstaten mag elke stad in kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten in de periode 2020 tot 2033 echter slechts aan één competitie deelnemen. Eveneens om redenen van billijkheid jegens de lidstaten mag elke kandidaat-lidstaat of potentiële kandidaat-lidstaat het evenement in de periode 2020 tot 2033 slechts éénmaal organiseren. Daarom mogen steden uit landen waaraan de titel reeds werd verleend tijdens de periode waarop dit besluit betrekking heeft, in diezelfde periode niet aan latere competities deelnemen.
(18) Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van dit besluit en met name de bepalingen betreffende de aanwijzing van de culturele hoofdsteden van Europa, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend.
(19) Besluit nr. 1622/2006/EG moet worden ingetrokken en door dit besluit worden vervangen. De bepalingen ervan dienen echter tot 2019 van toepassing te blijven voor alle culturele hoofdsteden van Europa die reeds zijn of momenteel worden aangewezen.
(20) Daar de doelstellingen van dit besluit, namelijk de diversiteit van de culturen in Europa te beschermen en te bevorderen, de gemeenschappelijke kenmerken van de Europese culturen voor het voetlicht te brengen en de bijdrage van cultuur aan de langetermijnontwikkeling van steden te bevorderen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, vooral vanwege de noodzaak van gemeenschappelijke, duidelijke en transparante criteria en procedures voor de selectie van en het toezicht op de culturele hoofdsteden van Europa, en van betere coördinatie tussen de lidstaten, maar vanwege de omvang en de verwachte effecten van de actie beter door de Unie kunnen worden bereikt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat dit besluit niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,
HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Vaststelling
Hierbij wordt een actie van de Unie met de titel "Culturele Hoofdsteden van Europa" (de "actie") voor de periode 2020 tot 2033 vastgesteld.
Artikel 2
Doelstellingen
1. De algemene doelstellingen van de actie zijn:
a) de diversiteit van ▌culturen in Europa te beschermen en te bevorderen en de gemeenschappelijke kenmerken van de Europese culturen voor het voetlicht te brengen, alsook het gevoel van de burgers van het behoren tot een gemeenschappelijke culturele ruimte te versterken;
b) de bijdrage van cultuur aan de langetermijnontwikkeling van steden te stimuleren overeenkomstig hun respectieve strategieën en prioriteiten.
2. De specifieke doelstellingen van de actie zijn:
a) het scala, de diversiteit en de Europese dimensie van het culturele aanbod in steden te vergroten, onder meer door middel van transnationale samenwerking;
b) de toegang tot en de deelname aan cultuur te verruimen;
c) de capaciteit van de culturele sector en de banden ervan met andere sectoren te versterken;
d) de steden via cultuur meer internationale bekendheid te geven.
Artikel 3
Toegang tot de actie
-1. Alleen steden, eventueel met hun omringende gebieden, kunnen meedingen naar de titel Culturele Hoofdstad van Europa.
-1 bis. Voor een bepaald jaar (het "jaar van de titel") worden niet meer dan drie Culturele Hoofdsteden van Europa aangewezen.
De aanwijzing geldt elk jaar voor maximaal één stad in elk van de twee lidstaten die voorkomen op de kalender in de bijlage ("de kalender") en, in de desbetreffende jaren, voor één stad in de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten of voor één stad in een land dat tot de Unie toetreedt in de in lid 3 bis geschetste omstandigheden.
1. Steden uit de lidstaten kunnen voor één jaar als Culturele Hoofdstad van Europa worden aangewezen, overeenkomstig de kalender.
▌
▌
3. Steden uit de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten die op het tijdstip van publicatie van de in artikel 10 bedoelde oproep tot het indienen van kandidaturen deelnemen aan het programma Creatief Europa of aan vervolgprogramma's van de Unie voor cultuur, kunnenzichkandidaat stellen voor de titel Culturele Hoofdstad van Europa gedurende één jaar in het kader van een open competitie die om de drie jaar overeenkomstig de kalender wordt georganiseerd.
▌Steden uit de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten mogen in de periode van 2020 tot 2033 slechts aan één competitie deelnemen.
Ook mag elke kandidaat-lidstaat of potentiële kandidaat-lidstaat het evenement in de periode van 2020 tot 2033 slechts éénmaal organiseren.
3 bis. Landen die na de vaststelling van dit besluit maar vóór 31 december 2026 tot de Unie toetreden, hebben het recht het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" zeven jaar na de toetreding organiseren volgens de regels en procedures welke voor de lidstaten gelden. De kalender wordt dienovereenkomstig bijgewerkt.Landen die na 31 december 2026 tot de Unie toetreden, hebben niet het recht uit hoofde van deze actie "Culturele Hoofdstad van Europa" deelnemen als lidstaten.
In jaren waarin er volgens de kalender al drie Culturele Hoofdsteden van Europa zijn, mogen de steden uit de landen die tot de Unie toetreden, het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" evenwel pas organiseren in het volgende beschikbare jaar op de kalender, in de volgorde van toetreding.
Indien een stad uit een tot de Unie toetredend land eerder aan een competitie voor kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten heeft deelgenomen, kan zij niet aan een volgende competitie voor lidstaten deelnemen.Indien een stad uit een toetredend land overeenkomstig lid 3 in de periode van 2020 tot 2033 als Culturele Hoofdstad van Europa is aangewezen, heeft dat land niet het recht uit hoofde van deze actie na zijn toetreding een andere van zijn steden zich kandidaat laten stellen voor de titel Culturele Hoofdstad van Europa.
Indien meerdere landen op dezelfde datum tot de Unie toetreden, en indien er tussen deze landen geen overeenstemming is over de volgorde van deelname aan de actie, organiseert de Raad een loting.
Artikel 4
Kandidaturen
▌
2. De Commissie stelt op basis van de in artikel 5 genoemde criteria een gemeenschappelijk kandidaatstellingsformulier ("het kandidaatstellingsformulier") op waarvan alle kandidaat-steden gebruik dienen te maken. Indien een stad ook het omliggende gebied bij de actie betrekt, wordt de kandidaatstelling onder de naam van de stad ingediend.
3. Elke kandidatuur is gebaseerd op een cultureel programma met een sterke Europese dimensie. Het culturele programma duurt één jaar en wordt speciaal voor de titel Culturele Hoofdstad van Europa opgezet, in overeenstemming met de criteria van artikel 5. ▌
Artikel 5
Criteria
De criteria voor de beoordeling van de kandidaturen ("de criteria") zijn onderverdeeld in zes categorieën: "bijdrage aan de langetermijnstrategie", ▌"Europese dimensie", "culturele en artistieke inhoud","leveringscapaciteit", "integratie-effect" en "beheer".
1. Wat de "bijdrage aan de langetermijnstrategie" betreft, wordt met de volgende factoren rekening gehouden:
a) het feit datop het tijdstip van kandidaatstelling een culturele strategie voor de stad van toepassing is,die de actie "Culturele hoofdsteden van Europa" omvat en plannen ▌voor voortzetting van de culturele activiteiten na afloop van het jaar waarin het evenement plaatsvindt;
b) de plannen voor versterking van de capaciteit van de culturele en de creatievesectoren, waaronder de ontwikkeling van langetermijnbetrekkingen tussen de culturele, de economische en de sociale sector in de stad;
▌
d) de beoogde culturele, sociale en economische langetermijneffecten van het evenement voor de stad, inclusief stedelijke ontwikkeling;
e) de plannen voor het toezicht op en de evaluatie van de gevolgen van het evenement voor de stad en voor verspreiding van de resultaten van de evaluatie.
▌
4. Wat de "Europese dimensie" betreft, worden de volgende factoren beoordeeld:
a) de omvang en de kwaliteit van activiteiten ter bevordering van de culturele diversiteit van Europa, interculturele dialoogen meer wederzijds begrip tussen Europese burgers;
b) de omvang en de kwaliteit van activiteiten waarmee de gemeenschappelijke aspecten van de Europese culturen, het Europese erfgoed en de Europese geschiedenis alsmede de Europese integratie en actuele Europese thema's voor het voetlicht worden gebracht;
c) de omvang en de kwaliteit van activiteiten waaraan Europese kunstenaars deelnemen, samenwerking met culturele actoren of steden in verschillende landen, eventueel met inbegrip van andere Culturele Hoofdsteden van Europa, en transnationale partnerschappen;
d) de strategie om de aandacht van een breed Europees en internationaal publiek te trekken.
4 bis. Wat de "culturele en artistieke inhoud" betreft, worden de volgende factoren beoordeeld:
a) een duidelijke en coherente artistieke visie en strategie voor het culturele programma van het jaar;
b) de inschakeling van plaatselijke kunstenaars en culturele organisaties bij het concipiëren en uitvoeren van het culturele programma;
c) het scala en de diversiteit van de voorgestelde activiteiten en de algemene artistieke kwaliteit ervan;
d) het vermogen om het plaatselijke culturele erfgoed en de plaatselijke traditionele kunstvormen te combineren met nieuwe, innovatieve en experimentele cultuuruitingen.
4 ter. Wat de "leveringscapaciteit" betreft, tonen de kandidaat-steden aan dat:
a) de kandidatuur brede politieke steun van alle partijen geniet en op duurzame financiële steun van de lokale, regionale en nationale autoriteiten kan rekenen;
b) de stad de beschikking heeft of krijgt over een adequate en levensvatbare infrastructuur om het evenement te kunnen organiseren.
5. Wat het "integratie-effect" betreft, worden de volgende factoren beoordeeld:
a) de inschakeling van de lokale bevolking en het lokale maatschappelijke middenveld bij de voorbereiding van de kandidatuur en de uitvoering van het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa";
b) het scheppen van nieuwe en duurzame mogelijkheden voor uiteenlopende groepen burgers om culturele activiteiten bij te wonen of daaraan deel te nemen, in het bijzonder voor jongeren, vrijwilligers, randgroepen en kansarme groepen, met inbegrip van minderheden. Tevens wordt bijzondere aandacht besteed aan de toegankelijkheid van deze activiteiten voor personen met een handicap en ouderen;
c) de algemene strategie voor het bereiken van nieuw publiek, in het bijzonder de samenhang met het onderwijs en de deelneming van scholen.
6. Wat het "beheer" betreft, worden de volgende factoren beoordeeld:
a) de haalbaarheid van de fondsenwervingsstrategie en het voorgestelde budget, eventueel met plannen om financiële steun aan te vragen uit hoofde van programma's en fondsen van de Unie. Dit budget bestrijkt de voorbereidingsfase, het jaar waarin het evenement zelf plaatsvindt en de evaluatie, en omvat reserves voor activiteiten met langetermijneffecten, alsmede plannen voor noodsituaties;
b) de geplande bestuurs- en uitvoeringsstructuurten behoeve van het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa", die ook ruimte moet bieden voor passende samenwerking tussen de plaatselijke overheid en de uitvoeringsstructuur, met inbegrip van het artistiek team;
c) de procedures voor de benoeming van de algemeen directeur en de artistiek directeur, en hun werkgebieden;
d) de marketing- en communicatiestrategie, die breed dient te zijn opgezet en dient te doen uitkomen dat "Culturele Hoofdsteden van Europa" een actie van de Unie is;
d bis) het bestaan van een uitvoeringsstructuur waarvan het personeel beschikt over passende vaardigheden en ervaring om het cultureel programma voor het jaar van het evenement te plannen, te beheren en uit te voeren.
Artikel 6
▌Jury van deskundigen
1. Er wordt een ▌jury van onafhankelijke deskundigen ("de jury") ingesteld die belast is met de selectie- en toezichtprocedures.
1 bis. De jury bestaat uit tien deskundigen, benoemd door de instellingen en organen van de Unie in overeenstemming met lid 2 ("de Europese deskundigen").
Voor de selectie van en het toezicht op een stad uit een lidstaat, mag de betrokken lidstaat voorts één of twee deskundigen ("de nationale deskundigen") benoemen in overeenstemming met zijn eigen procedures en in overleg met de Commissie .
2. ▌
Na een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling te hebben georganiseerd,stelt de Commissie een groep van potentiële Europese deskundigen voor.
Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie selecteren vervolgens elk drie deskundigen uit de groep, die zij overeenkomstig hun respectieve procedures benoemen. Het Comité van de Regio's selecteert één deskundige uit de groep, die het overeenkomstig zijn eigen procedures benoemt.
Bij het selecteren van Europese deskundigen dragen al deze instellingen en organen van de Unie er zorg voor dat de complementariteit van de competenties, een evenwichtige geografische spreiding en het genderevenwicht gewaarborgd zijn in de algehele samenstelling van de jury.
▌
2 bis. Alle deskundigen zijn burgers van de Unie. Zij zijn onafhankelijk en beschikken over aanzienlijke ervaring en deskundigheid in de culturele sector, op het gebied van de culturele ontplooiing van steden of op het gebied van de organisatie van het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" of van een internationaal cultureel evenement van vergelijkbare strekking en omvang. De deskundigen zijn tevens in staat een passend aantal werkdagen per jaar aan de werkzaamheden van de jury te wijden.
De jury kiest een voorzitter.
3. De ▌ Europese deskundigen worden benoemd voor een periode van drie jaar.
Niettegenstaande de eerste alinea, benoemt het Europees Parlement bij de eerste instelling van de jury zijn ▌ deskundigen voor drie jaar, de Raad de zijne voor één jaar, de Commissie de hare voor twee jaar en het Comité van de Regio's de zijne voor één jaar ▌.
4. Alledeskundigen van de ▌ jury melden belangenconflicten of potentiële belangenconflicten ten aanzien van een bepaalde kandidaat-stad. Bij een dergelijke melding door een deskundige of wanneer een belangenconflict bekend wordt, treedtde desbetreffende deskundigeafen vervangt de betreffende Unie-instelling of het betreffende Unieorgaan, of de betrokken lidstaat die deskundige voor de resterende duur van het mandaat, in overeenstemming met de desbetreffende procedure.
5. De Commissie maakt op haar website alle verslagen van de jury openbaar ▌.
Artikel 7
Indiening van kandidaturen in de lidstaten
1. Elke lidstaat is belast met de organisatie van de competitie tussen zijn steden volgens de kalender ▌.
2. De lidstaten publiceren ten minste zes jaar vóór ▌ het jaar waarin het evenement plaatsvindt, een oproep tot het indienen van kandidaturen.
Bij wijze van afwijking publiceren die lidstaten die gerechtigd zijn in 2020 een Culturele Hoofdstad van Europa aan te wijzen die oproep zo spoedig mogelijk na ...(12) .
Elketot de kandidaat-steden voor de titel gerichte oproep tot het indienen van kandidaturen bevat het ▌kandidaatstellingsformulier ▌.
Voor elke oproep bedraagt de uiterste datum voor de indiening van kandidaturen door kandidaat-steden ten minste tien maanden te rekenen vanaf het tijdstip van publicatie van de oproep.
3. De betrokken lidstaat stelt de Commissie in kennis van de kandidaturen.
Artikel 8
Voorselectie in de lidstaten
1. Elke betrokken lidstaat nodigt ten minste vijf jaar vóór ▌ het jaar waarin het evenement plaatsvindt, de ▌ jury en de kandidaat-steden uit voor een voorselectievergadering.
2. Na beoordeling van de kandidaturen aan de hand van de criteria ▌, plaatst de jury de kandidaat-steden op een shortlist en stelt zij een voorselectieverslag op over alle kandidaturen, met onder meer aanbevelingen voor de steden op de shortlist die kandidaat zijn.
3. De ▌ jury legt haar voorselectieverslag voor aan de betrokken lidstaten en aan de Commissie. Elke betrokken lidstaat keurt de op het verslag van de jury gebaseerde shortlist formeel goed.
Artikel 9
Selectie in de lidstaten
1. De kandidaat-steden op de shortlist voltooien en herzien hun kandidaturen om te voldoen aan de criteria en om rekening te houden met de aanbevelingen in het voorselectieverslag, en leggen deze voor aan de betrokken lidstaat, die ze vervolgens doorstuurt naar de Commissie.
2. Elke betrokken lidstaat nodigt de ▌ jury en de kandidaat-steden op de shortlist uit voor een eindselectievergadering, die uiterlijk negen maanden na de voorselectievergadering plaatsvindt.
Indien nodig kan de betrokken lidstaat deze termijn in overleg met de Commissie met een redelijke periode verlengen.
3. De ▌ jury beoordeelt de voltooide en herziene kandidaturen.
4. De ▌ jury stelt een selectieverslag op over de kandidaturen met een aanbeveling voor de voordracht van één stad uit de betrokken lidstaat om Culturele Hoofdstad van Europa te worden. Ingeval geen van de kandidaat-steden aan alle criteria voldoet, kan de ▌ jury evenwel aanbevelen de titel voor het betrokken jaar niet te verlenen.
Het selectieverslag bevat ook aanbevelingen voor de betrokken stad met betrekking tot de vooruitgang die moet worden geboekt tot het jaar waarin het evenement plaatsvindt.
De jury legt het selectieverslagvoor aan de betrokken lidstaat en aan de Commissie. ▌
Artikel 10
Voorselectie en selectie in kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten
1. De Commissie is belast met de organisatie van de competitie tussen steden uit kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten.
2. De Commissie publiceert ten minste zes jaar vóór ▌ het jaar waarin het evenement plaatsvindt, een oproep tot het indienen van kandidaturen in het Publicatieblad van de Europese Unie. ▌
Elke tot de kandidaat-steden voor de titel gerichte oproep tot het indienen van kandidaturen bevat het kandidaatstellingsformulier.
Voor elke oproep bedraagt de uiterste datum voor de indiening van kandidaturen ten minste tien maanden te rekenen vanaf het tijdstip van publicatie ervan.
▌
4. De ▌ jury maakt ten minste vijf jaar vóór ▌ het jaar waarin het evenement plaatsvindt, een voorselectie van de steden ▌ op basis van hetkandidaatstellingsformulier. Er wordt geen vergadering met de kandidaat-steden georganiseerd.
Na beoordeling van de kandidaturen aan de hand van de criteria ▌, plaatst de jury de kandidaat-steden op een shortlist en stelt zij een voorselectieverslag op over alle kandidaturen, met onder meer aanbevelingen voor de kandidaat-steden op de shortlist. De jury legt haarvoorselectieverslagvoor aan de Commissie ▌.
5. De kandidaat-steden op de shortlist voltooien en herzien hun kandidaturen om te voldoen aan de criteria en om rekening te houden met de aanbevelingen in het voorselectieverslag, en leggen deze voor aan de Commissie.
De Commissie nodigt de ▌ jury en de kandidaat-steden op de shortlist uit voor een eindselectievergadering ▌, die uiterlijk negen maanden na de voorselectievergadering plaatsvindt. Indien nodig kan de Commissie deze termijn met een redelijke periode verlengen.
De ▌ jury beoordeelt de voltooide en herziene kandidaturen.
De jury stelt een selectieverslag op over de kandidaturen van de kandidaat-steden op de shortlist, alsook een aanbeveling voor de voordracht van ten hoogste één stad uit een kandidaat-lidstaat of potentiële kandidaat-lidstaat om Culturele Hoofdstad van Europa te worden.
Ingeval geen van de kandidaat-steden aan alle criteria voldoet, kan de ▌ jury evenwel aanbevelen de titel voor het betrokken jaar niet te verlenen.
Het selectieverslag bevat ook aanbevelingen voor de betrokken stad met betrekking tot de vooruitgang die moet worden geboekt tot het jaar waarin het evenement plaatsvindt ▌.
De jury legt haar selectieverslag voor aan de Commissie ▌.
Artikel 11
Aanwijzing
De Commissie wijst middels uitvoeringshandelingen officieel de Culturele Hoofdsteden van Europa aan, met inachtneming van de aanbevelingen van de ▌jury. De Commissie brengt het Europees Parlement, de Raad en het Comité van de Regio's van de aanwijzing op de hoogte.
Artikel 12
Samenwerking tussen de aangewezen steden
▌De voor hetzelfde jaar aangewezen stedenstreven ernaar hun culturele programma's met elkaar te verbinden, en de samenwerking kan in aanmerking worden genomen in het kader van de toezichtprocedure als bedoeld in artikel 13.
Artikel 13
Toezicht
1. De ▌ jury houdt toezicht op de voorbereiding van het evenement "Culturele Hoofdsteden van Europa" en ondersteunt en begeleidt de steden vanaf het moment dat ze worden aangewezen tot de aanvang van het jaar waarin het evenement plaatsvindt.
2. Daartoe belegt de Commissie drie vergaderingentussen de ▌ jury en de aangewezen steden ▌: de eerste vergadering vindt plaats drie jaar vóór ▌ het jaar waarin het evenement plaatsvindt, de tweede vergadering achttien maanden vóór ▌ het jaar waarin het evenement plaatsvindt en de derde vergadering twee maanden vóór ▌ het jaar waarin het evenement plaatsvindt. De betrokken lidstaat, kandidaat-lidstaat of potentiële kandidaat-lidstaat mag een waarnemer voor deze vergaderingen aanwijzen.
De steden doen de Commissie zes weken vóór elke vergadering een voortgangsverslag toekomen.
Tijdens de vergaderingen inventariseert de ▌jury de voorbereidingen en verleent zij advies, teneinde de steden bij te staan bij de ontwikkeling van een kwalitatief hoogstaand cultureel programma en een effectieve strategie. De jury let hierbij in het bijzonder op de aanbevelingen in het selectieverslag en de vorige toezichtverslagen.
3. Na elke vergadering stelt de ▌ jury een verslag op over de stand van de voorbereidingen, alsmede een lijst van te nemen stappen.
De jury zendt haar toezichtverslagen toe aan de Commissie, alsook aan de betrokken steden en lidstaten of landen. ▌
4. Naast de toezichtvergaderingen kan de Commissie indien nodig bezoeken van ▌de ▌jury aan de aangewezen steden organiseren.
Artikel 14
Prijs
1. ▌De Commissie kan aan een aangewezen stad een geldprijs("de prijs") ter ere van Melina Mercouri uitreiken, mits de financiering beschikbaar wordt gesteld uit hoofde van het desbetreffende meerjarig financieel kader.
De juridische en financiële aspecten van de prijs worden behandeld in het kader van de respectieve Unieprogramma's voor cultuur.
2. ▌ De prijs wordt uiterlijk eind maart van het jaar waarin het evenement plaatsvindt uitbetaald, mits de betrokken stad de toezeggingen nakomt die zij in de fase van de kandidaatstelling heeft gedaan, aan de criteria voldoet en rekening houdt met de aanbevelingen ▌ in de selectie- en toezichtverslagen ▌.
De in de fase van de kandidaatstelling gedane toezeggingen worden geacht door de aangewezen stad te zijn nagekomen indien tussen de fase van de kandidaatstelling en het jaar waarin het evenement plaatsvindt, geen substantiële wijzigingen in het programma en de strategie zijn aangebracht, en in het bijzonder indien:
a) het budget gehandhaafd werd op een niveau waarmee een kwalitatief hoogstaand cultureel programma in overeenstemming met de kandidaatstelling en de criteria kan worden uitgevoerd;
b) de onafhankelijkheid van het artistiek team naar behoren geëerbiedigd werd;
c) de Europese dimensie in de definitieve versie van het culturele programma sterk genoeg gebleven is;
d) de marketing- en communicatiestrategie en het communicatiemateriaal van de aangewezen stad duidelijk tot uitdrukking deed komen dat "Culturele Hoofdsteden van Europa" een actie van de Unie is;
e) er plannen bestaan voor toezicht op en evaluatie van de gevolgen van het evenement voor de betrokken stad.
Artikel 15
Praktische regelingen
De Commissie heeft met name tot taak:
a) de algemene samenhang van de actie te waarborgen;
b) te zorgen voor coördinatie tussen de lidstaten en de ▌ jury;
c) in nauwe samenwerking met de ▌ jury in het licht van de doelstellingen en criteria richtsnoeren op te stellen als hulpmiddel bij de selectie- en toezichtprocedures;
d) de ▌jury technisch te ondersteunen;
e) alle relevante informatie openbaar te maken en bij te dragen tot de zichtbaarheid van de actie op Europees en internationaal niveau;
f) de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken tussen vroegere, huidige en toekomstige Culturele Hoofdsteden van Europa onderling en kandidaat-steden te bevorderen, en de verdere verspreiding van de evaluatieverslagen van de steden en de getrokken lessen te stimuleren.
Artikel 16
Evaluatie
1. De resultaten van het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" worden geëvalueerd door de betrokken stad.
De Commissie stelt met het oog op de coherentie van de evaluatieprocedure gemeenschappelijke richtsnoeren en indicatoren voor de steden vast op basis van de doelstellingen en de criteria ▌.
De steden stellen hun evaluatieverslagen op en zenden deze uiterlijk op 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin het evenement plaatsvindt, ▌aan de Commissie toe. De Commissie publiceert de evaluatieverslagenop haar website.
2. Naast de evaluaties door de steden zorgt de Commissie er tevens voor dat er regelmatig ▌ een externe en onafhankelijke evaluatie van de resultaten van de actieplaatsvindt. ▌
De externe en onafhankelijke evaluatie is erop gericht alle vroegere Culturele Hoofdsteden van Europa in een Europese context te plaatsen, om vergelijkingen mogelijk te maken en nuttige lessen te kunnen trekken voor toekomstige Culturele Hoofdsteden van Europa alsmede voor alle Europese steden. In de evaluatie wordt de actie ▌ tevens in haar geheel beoordeeld, met inbegrip van de efficiëntie van de processen voor de uitvoering van de actie, het effect ervan en eventuele verbeteringen van de actie.
Op basis van deze evaluaties legt de Commissie het Europees Parlement, de Raad en het Comité van de Regio's de volgende verslagen voor, zo nodig, vergezeld van passende voorstellen:
a) uiterlijk op 31 december 2024 een eerste tussentijds verslag;
b) uiterlijk op 31 december 2029 een tweede tussentijds verslag;
c) uiterlijk op 31 december 2034 een ex-post verslag.
Artikel 17
Intrekking en overgangsbepalingen
Besluit nr. 1622/2006/EG wordt ingetrokken. Dat besluit zal echter wel van toepassing blijven op de steden die zijn of momenteel worden aangewezen als Culturele Hoofdsteden van Europa voor de jaren 2012 tot 2019.
Artikel 18
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te ▌
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De voorzitter De voorzitter
BIJLAGE
Kalender
2020
Kroatië▌
Ierland
▌
2021
Roemenië
Griekenland
Kandidaat-lidstaat of potentiële kandidaat-lidstaat
2022
Litouwen
Luxemburg
2023
Hongarije
Verenigd Koninkrijk
▌
2024
Estland
Oostenrijk
Kandidaat-lidstaat of potentiële kandidaat-lidstaat
2025
Slovenië
Duitsland
2026
Slowakije
Finland
▌
2027
Letland
Portugal
Kandidaat-lidstaat of potentiële kandidaat-lidstaat
2028
Tsjechische Republiek
Frankrijk
2029
Polen
Zweden
▌
2030
Cyprus
België
Kandidaat-lidstaat of potentiële kandidaat-lidstaat
2031
Malta
Spanje
2032
Bulgarije
Denemarken
▌
2033
Nederland
Italië
Kandidaat-lidstaat of potentiële kandidaat-lidstaat
Besluit nr. 1622/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een communautaire actie voor het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" voor het tijdvak 2007 tot 2019 (PB L 304 van 3.11.2006, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014 tot en met 2020) en tot intrekking van Besluiten nr. 1718/2006/EG, 1855/2006/EG en 1041/2009/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 221).
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van bepaalde verordeningen op het gebied van visserij en diergezondheid uit hoofde van de wijziging in de status van Mayotte ten aanzien van de Unie (COM(2013)0417 – C7-0175/2013 – 2013/0191(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0417),
– gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 43, lid 2, en 168, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0175/2013),
– gezien de artikelen 349 en 355, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,
– gezien de brief van de Raad van 10 oktober 2013(1),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 september 2013(2),
– gezien artikel 55 en 37 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A7‑0425/2013),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 december 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2013 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van bepaalde verordeningen op het gebied van visserij en diergezondheid uit hoofde van de wijziging in de status van Mayotte ten aanzien van de Unie
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 43, lid 2, en artikel 168, lid 4, onder b), en artikel 349, [Am. 1]
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Krachtens Besluit 2012/419/EU(5) heeft de Europese Raad de status van Mayotte ten aanzien van de Europese Unie met ingang van 1 januari 2014 gewijzigd. Bijgevolg zal Mayotte vanaf deze datum niet langer een gebied overzee zijn, maar een ultraperifeer gebied in de zin van artikelen 349 en 355, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Ingevolge deze wijziging van de juridische status van Mayotte,Met ingang van 1 januari 2014 zal het recht van de Unie met ingang van 1 januari 2014 op Mayotte van toepassing zijn op Mayotte. Het is wenselijk te voorzien in bepaalde specifieke maatregelen die gerechtvaardigd zijn door de bijzondere structurele, sociale en economische situatie van Mayotte op een aantal gebieden, die wordt bemoeilijkt door de grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte en het moeilijke reliëf en klimaat. [Am. 2]
(2) Op het gebied van visserij en diergezondheid moeten de volgende verordeningen worden gewijzigd.
(3) Wat betreft Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen(6): de wateren rond Mayotte moeten worden opgenomen in het toepassingsgebied van deze verordening en het gebruik van ringzegens ten aanzien van scholen van tonijn en aanverwante vissoorten binnen de zone van 24 mijlzeemijl vanaf de basislijnen van het eiland moet worden verboden teneinde de scholen grote trekkende vissen in de buurt van het eiland Mayotte in stand te houden. [Am. niet van toepassing op alle taalversies.]
(4) Wat betreft Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur(7): wegens de zeer versnipperde en onderontwikkelde afzetregelingen van Mayotte zou de toepassing van de regels inzake de etikettering van visserijproducten voor de kleinhandelaren een belasting met zich meebrengen die niet in verhouding staat tot de informatie die aan de consument zal worden verstrekt. Het is derhalve wenselijk te voorzien in een tijdelijke afwijking van de regels inzake de etikettering van visserijproducten die voor verkoop in het klein aan de eindverbruiker in Mayotte worden aangeboden.
(5) Wat betreft Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid(8): er moeten specifieke maatregelen worden ingevoerd met betrekking tot het vissersvlootregister en de toegangsregels.
(6) Ten eerste is een groot deel van de vloot dat de Franse vlag voert en vanuit het Franse departement Mayotte opereert, samengesteld uit vaartuigen met een lengte van minder dan 910 meter. Deze vaartuigen bevinden zich verspreid rond het eiland, hebben geen specifieke aanlandingsplaats en moeten nog steeds worden geïdentificeerd, gemeten en uitgerust met minimale veiligheidsvoorzieningen om te kunnen worden opgenomen in het register van vissersvaartuigen van de Unie. Bijgevolg zal Frankrijk niet in staat zijn om het register tegen 31 december 20162020 te voltooien. Frankrijk moet evenwel een voorlopig vlootregister bijhouden en voor een minimale identificatie van de vaartuigen uit dit segment zorgen om te voorkomen dat het aantal informele vissersvaartuigen toeneemt. [Am. 4]
(7) Ten tweede moeten, met het oog op de bescherming van de gevoelige ecologische en biologische situatie van de wateren rond Mayotte en de instandhouding van de lokale economie van het eiland, met betrekking tot de structurele, sociale en economische situatie, bepaalde visserijactiviteiten in deze wateren worden beperkt tot vaartuigen die in de havens van het eiland geregistreerd zijn. [Am. 5]
(8) Wat betreft Verordening (EG) nr. 639/2004 van de Raad van 30 maart 2004 betreffende het beheer van de in ultraperifere gebieden geregistreerde vissersvloten(9): een bijzonder kenmerk van Mayotte is dat er krachtens Verordening (EG) nr. 2371/2002 geen doelstelling is vastgesteld voor zijn vloot die naar het meerjarige oriëntatieprogramma 1997-2002 verwijst. Vanuit het oogpunt van de instandhouding van de visbestanden is het wenselijk om de visserijcapaciteit van de vloten op de huidige niveaus te bevriezen, met name voor het segment van grote vaartuigen met een grote visserijcapaciteit. Gezien het feit dat Frankrijk een ontwikkelingsplan bij de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC) heeft ingediend waarin de verwachte evolutie van de vloot met basis in Mayotte wordt aangegeven en dat geen enkele overeenkomstsluitende partij van de IOTC, met inbegrip van de Unie, daartegen bezwaar heeft gemaakt, is het gezien de huidige specifieke sociaaleconomische omstandigheden van Mayotte voor kleinere vaartuigen evenwel dienstig om de doelstellingen van dit plan te gebruiken als referentieniveaus voor de capaciteit van de in Mayotte geregistreerde vloot en Frankrijk toe te staan zijn vloot uit te breiden volgens de doelstellingen van zijn ontwikkelingsplan. [Am. 6]
(9) Wat betreft Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002(10): het zij opgemerkt dat Mayotte niet over de industriële capaciteit beschikt om dierlijke bijproducten te verwerken. Het is derhalve wenselijk een periode van vijf jaar aan Frankrijk toe te kennen om de infrastructuur op te bouwen die nodig is om, met volledige inachtneming van Verordening (EG) nr. 1069/2009, dierlijke bijproducten in Mayotte te kunnen identificeren, hanteren, vervoeren, behandelen en verwijderen.
(10) Wat betreft Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006(11): het blijkt dat Frankrijk niet in staat zal zijn om tegen de datum waarop Mayotte een ultraperifeer gebied wordt, te voldoen aan alle controleverplichtingen van de Unie voor het segment van de vloot van Mayotte "Mayotte. Pelagische en demersale soorten. Lengte < 910 m". De vaartuigen van dit segment, die zich verspreid rond het eiland bevinden, hebben geen specifieke aanlandingsplaatsen en moeten nog steeds worden geïdentificeerd. Bovendien moeten vissers en controleurs worden opgeleid en moet de geschikte administratieve en materiële infrastructuur worden opgebouwd. Het is daarom noodzakelijk om, ten aanzien van dit segment van de vloot, te voorzien in een tijdelijke afwijking van bepaalde regels inzake de controle van vissersvaartuigen, alsmede van hun kenmerken, hun activiteiten op zee, hun vistuig en hun vangsten, in elk stadium van het vaartuig tot de markt. Om ten minste enkele van de belangrijkste doelstellingen van Verordening (EG) nr. 1224/2009 te bereiken, moet Frankrijk evenwel een nationale controleregeling vaststellen zodat het de activiteiten van dit segment van de vloot kan controleren en monitoren, en het kan voldoen aan de internationale rapportageverplichtingen van de Unie. [Am. 7]
(11) De Verordeningen (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 104/2000, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 639/2004, (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1224/2009 moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98
Verordening (EG) nr. 850/98 wordt als volgt gewijzigd:
(1) Artikel 2, lid 1, onder h), komt als volgt te luiden:"
"(h) Gebied 8:
alle wateren voor de kust van de Franse departementen Réunion en Mayotte die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Frankrijk vallen.";
"
(1 bis) In artikel 2 wordt het volgende lid ingevoegd:"
"3 bis. Onder "Zeenatuurpark van Mayotte" wordt verstaan: de volledige exclusieve economische zone (EEZ) van Mayotte (68 381 km2). Op het land reikt het park tot aan de getijdelijn, waar het maritieme publieke domein eindigt.". [Am. 8]
"
(2) Na artikel 34 wordt het volgende artikel ingevoegd:"
"Artikel 34 bis
Beperkingen op de visserij in de 24-mijlszone rond het eiland Mayotte
Het is vaartuigen verboden in de zone van 24 zeemijl van de kusten van het eiland Mayotte, gemeten vanaf de basislijnen vanwaar de territoriale wateren worden gemeten, ten aanzien van scholen van tonijn en aanverwante soorten ringzegens te gebruiken. [Am. niet van toepassing op alle taalversies]
Vissen met drijvende visconcentratievoorzieningen ( fish aggregarting devices - FAD's) en onder grote zeezoogdieren en walvishaaien (natuurlijke FAD's) is in het gehele Zeenatuurpark van Mayotte verboden." [Am. 10]
"
Artikel 2
Wijziging van Verordening (EG) nr. 104/2000
In artikel 4 van Verordening (EG) nr. 104/2000 wordt het volgende lid ingevoegd na lid 3:"
"3 bis. Tot 1631december 20162021 gelden de leden 1, 2 en 3 niet voor producten die voor verkoop in het klein aan de eindverbruiker in Mayotte worden aangeboden." [Am. 11]
"
Artikel 3
Wijziging van Verordening (EG) nr. 2371/2002
Verordening (EG) nr. 2371/2002 wordt als volgt gewijzigd:
(1) Aan artikel 15 worden de volgende leden toegevoegd:"
"5. In afwijking van lid 1 is Frankrijk tot en met 31 december 20162021 vrijgesteld van de verplichting om in zijn register van de vissersvaartuigen van de Unie vaartuigen op te nemen met een lengte over alles van minder dan negen10 meter die vanuit Mayotte opereren. [Am. 12]
6. Tot en met 31 december 20162021 houdt Frankrijk een voorlopig register bij van de vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan negen10 meter die vanuit Mayotte opereren. Dit register bevat voor elk vaartuig ten minste de naam, de lengte over alles en een identificatiecode." [Am. 13]
"
(2) Na artikel 18 wordt het volgende artikel ingevoegd:"
"Artikel 18 bis
Mayotte
In afwijking van artikel 17 kan Frankrijk, in de wateren tot 100 zeemijlen vanaf de basislijnen van Mayotte en in het gehele Zeenatuurpark van Mayotte de instandhoudingsmaatregelen nemen die noodzakelijk worden geacht voor het behoud van de natuurlijke rijkdommen die krachtens de wetgeving tot instelling van dat park beschermd zijn, met inbegrip van maatregelen om de visserij te beperken tot de vissersvaartuigen die in de havens van Mayotte geregistreerd zijn, hetzij in het register van vissersvaartuigen van de Unie, hetzij in het voorlopige register als bedoeld in artikel 15, lid 6, met uitzondering van vissersvaartuigen van de Unie die, in de loop van de twee jaren voorafgaand aan 1 januari 2014, gedurende ten minste veertig dagen in die wateren hebben gevist, mits de van oudsher uitgeoefende visserijinspanning daardoor niet toeneemt." [Am. 14]
"
Artikel 4
Wijziging van Verordening (EG) nr. 639/2004
In Verordening (EG) nr. 639/2004 wordt na artikel 1 het volgende artikel ingevoegd:"
"Artikel 1 bis
Vloot van Mayotte
1. In afwijking van artikel 1, lid 1, onder a), worden de referentieniveaus voor vissersvaartuigen die in de havens van Mayotte geregistreerd zijn, hetzij in het register van vissersvaartuigen van de Unie, hetzij in het voorlopige register als bedoeld in artikel 15, lid 6, van Verordening (EG) nr. 2371/2002, vastgesteld op de capaciteit van die vloot per 31 december 2013.
Niettemin wordt het referentieniveau voor vissersvaartuigen met een lengte over alles tussen 8 en 12 meter die beuglijnen gebruiken en voor vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 910 meter, vastgesteld op de capaciteit zoals voorzien in het ontwikkelingsplan dat op 7 januari 2011 door Frankrijk bij de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan is ingediend. [Am. 15]
2. In afwijking van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 is Frankrijk gemachtigd om nieuwe capaciteit toe te voegen aan de vlootsegmenten die gedefinieerd zijn voor vissersvaartuigen met een lengte over alles tussen 8 en 12 meter die beuglijnen gebruiken en voor vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 910 meter, zonder daarvoor een gelijkwaardige capaciteit te moeten intrekken." [Am. 16]
"
Artikel 5
Wijziging van Verordening (EG) nr. 1069/2009
In Verordening (EG) nr. 1069/2009 komt artikel 56 als volgt te luiden:"
"Artikel 56
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing vanaf 4 maart 2011.
Artikel 4 is echter op Mayotte met ingang van 1 januari 20192021 van toepassing. Dierlijke bijproducten en afgeleide producten die vóór 1 januari 20192021 in Mayotte zijn geproduceerd, worden verwijderd in overeenstemming met artikel 19, lid 1, onder b). [Am. 17]
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat."
"
Artikel 6
Wijziging van Verordening (EG) nr. 1224/2009
In Verordening (EG) nr. 1224/2009 wordt na artikel 2 het volgende artikel ingevoegd:"
"Artikel 2 bis
Toepassing van de communautaire controleregeling op bepaalde segmenten van de vloot van het Franse overzeese departement ultraperifere gebied Mayotte [Am. 18]
1. Tot en met 31 december 20162021 zijn artikel 5, lid 3, en de artikelen 6, 8, 41, 56, 58 tot en met 62, 66, 68 en 109 niet van toepassing op Frankrijk wat betreft vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 910 meter die vanuit Mayotte opereren, hun activiteiten en hun vangsten. [Am. 19]
2. TegenVoor 1 januari 20142015 stelt Frankrijk een nationale controleregeling vast die van toepassing is op vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 910 meter die vanuit Mayotte opereren. De regeling voldoet aan de volgende eisen: [Am. 20]
(a)
één enkele autoriteit, gevestigd in Mayotte, coördineert de controleactiviteiten van alle lokale autoriteiten;
(b)
controle, inspectie en handhaving verlopen op niet-discriminerende wijze;
(c)
de regeling zorgt voor de controle van de vangsten van soorten die onder het beheer van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan vallen, alsmede van beschermde soorten;
(d)
de regeling zorgt voor de controle van de toegang tot de wateren rond Mayotte, met name tot gebieden waar toegangsbeperkingen gelden voor bepaalde segmenten van de vloot;
(e)
de regeling maakt een prioriteit van de doelstelling om de visserijactiviteiten rond het eiland in kaart te brengen teneinde de weg vrij te maken voor gerichte controleactiviteiten.
3. TegenUiterlijk op 30 september 20142015 legt Frankrijk een actieplan voor aan de Commissie waarin de te nemen maatregelen worden uiteengezet om ervoor te zorgen dat Verordening (EG) nr. 1224/2009 met ingang van 1 januari 20172018 volledig ten uitvoer wordt gelegd ten aanzien van vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 910 meter die vanuit het Franse departementde ultraperifere gebied Mayotte opereren. Frankrijk en de Commissie zullen overleg plegen in verband met het actieplan. Frankrijk neemt alle nodige maatregelen om dat actieplan uit te voeren." [Am. 21]
"
Artikel 7
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie1 januari 2014. [Am. 22]
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: Wijziging van de bijlagen I, II en IV bij Verordening (EU) nr. 978/2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties
105k
32k
Besluit van het Europees Parlement van 12 december 2013 om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 30 oktober 2013 tot wijziging van de bijlagen I, II en IV van Verordening (EU) nr. 978/2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties (C(2013)07167 - 2013/2929(DEA))
– gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2013)07167),
– gezien het schrijven van de Commissie van 25 november 2013, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,
– gezien het schrijven van de Commissie internationale handel aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters, van 2 december 2013,
– gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad(1), en met name artikel 3, lid 2, artikel 5, lid 3, en artikel 17, lid 2,
– gezien artikel 87 bis, lid 6, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de Commissie heeft benadrukt dat het uiterst belangrijk is dat het Parlement vóór 16 december 2013 zijn besluit vaststelt, omdat de gedelegeerde verordening voor 1 januari 2014 gepubliceerd moet worden om ervoor te zorgen dat Myanmar/Birma en Zuid-Sudan tijdig opnieuw, respectievelijk voor het eerst, tot het stelsel van algemene tariefpreferenties kunnen worden toegelaten;
1. verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;
2. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Oproep tot een meetbaar en bindend engagement tegen belastingontduiking en belastingontwijking in de EU
114k
39k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over de oproep tot een meetbaar en bindend engagement tegen belastingontduiking en belastingontwijking in de EU (2013/2963(RSP))
– gezien de mededeling van de Commissie van 6 december 2012 over een actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking (COM(2012)0722),
– gezien de aanbeveling van de Commissie van 6 december 2012 over agressieve fiscale planning(1),
– gezien de aanbeveling van de Commissie van 6 december 2012 met betrekking tot maatregelen om derde landen aan te moedigen minimumnormen voor goed bestuur in belastingzaken toe te passen(2),
– gezien de mededeling van de Commissie van 27 juni 2012 over concrete manieren om de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking, ook in relatie tot derde landen, te versterken (COM(2012)0351),
– gezien zijn resolutie van 21 mei 2013 over de strijd tegen belastingfraude, belastingontduiking en belastingparadijzen(3),
– gezien zijn resolutie van 19 april 2012 inzake de oproep om belastingfraude en belastingontduiking op concrete wijze te bestrijden(4),
– gezien de conclusies van Ecofin en het Ecofin-verslag aan de Europese Raad inzake belastingkwesties van 22 juni 2012,
– gezien de conclusies van Ecofin van 14 mei 2013 over belastingontduiking en belastingfraude,
– gezien de verklaring van de G20-leiders na afloop van de Top van Sint Petersburg van 5 en 6 september 2013,
– gezien de mededeling van de ministers van Financiën en de presidenten van de centrale banken van de G20 na afloop van hun bijeenkomst in Moskou van 15 en 16 februari 2013,
– gezien het rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) getiteld "Addressing Base Erosion and Profit Shifting" van 2013,
– gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat binnen de EU jaarlijks naar schatting 1000 miljard euro aan belastinginkomsten worden gederfd als gevolg van belastingfraude en het ontduiken of vermijden van belasting, zonder dat daar concrete maatregelen tegen worden genomen;
B. overwegende dat belastingfraude en belastingontduiking een illegale activiteit is waarbij belastingplichten worden ontdoken, terwijl belastingontwijking een legaal, maar ongepast gebruik is van het belastingregime om de belastingplichten te verminderen of te ontwijken, en dat dit soms resulteert in agressieve belastingplanning, die erin bestaat de specifieke technische kenmerken van een belastingstelsel of mismatches tussen één of meer belastingstelsels oneigenlijk te benutten om de belastingplichten te verminderen;
C. overwegende dat belastingontwijking alleen kan worden voorkomen als de belastinggrondslagen tussen de lidstaten worden geharmoniseerd;
D. overwegende dat deze mogelijkheid van hogere belastingopbrengsten de lidstaten gemakkelijker in staat zou stellen hun begroting in evenwicht te brengen en meer geld ter beschikking te stellen voor investeringen en ter bevordering van groei en werkgelegenheid, welke cruciale sociale en economische factoren zijn voor een duurzame EU-strategie om uit de crisis te komen;
E. overwegende dat de schaal waarop belastingen worden ontdoken en ontweken het vertrouwen van de burgers in de eerlijkheid en de legitimiteit van overheden en hun belastingstelsels ondermijnt;
F. overwegende dat unilaterale nationale maatregelen in veel gevallen ondoeltreffend en onvoldoende zijn gebleken, en dat er derhalve behoefte is aan een gecoördineerde, meersporige benadering met concrete strategieën en realistische doelstellingen op nationaal, EU- en internationaal niveau;
G. overwegende dat zowel op het vlak van overheidsinkomsten als op het vlak van overheidsuitgaven inspanningen moeten worden geleverd om te komen tot fiscale consolidering, en dat een betere balans tussen belastinggrondslagen en -tarieven essentieel is voor het waarborgen van fiscale stabiliteit en eerlijke concurrentievoorwaarden op nationaal en EU-niveau;
1. stelt met genoegen vast dat de Commissie en de Raad bereid zijn om de kwestie van de grote belastingverschillen in Europa aan te pakken, onder andere door zich te concentreren op het opvoeren van de strijd tegen belastingfraude en -ontwijking en agressieve belastingplanning;
2. verwelkomt de recente voorstellen van de Commissie ter uitbreiding van de automatische gegevensuitwisseling, bestrijding van de BTW-fraude en herziening van de richtlijn inzake moedermaatschappijen en dochterondernemingen, die erop zijn gericht de belastingontwijking in Europa terug te dringen door het dichten van de mazen in de wetgeving die sommige bedrijven momenteel benutten om onder hun belastingverplichtingen uit te komen;
3. herhaalt zijn dringende oproep aan de lidstaten om zich vast te leggen op de ambitieuze, maar realistische doelstelling van ten minste een halvering van de belastingkloof tegen 2020;
4. benadrukt in de huidige periode van herstel van de crisis concrete doelstellingen en een vastberaden aanpak van belastingontduiking en -ontwijking door het elimineren van de belastingkloof, kunnen zorgen voor de broodnodige belastinginkomstenverhoging door het alsnog innen van verschuldigde belasting;
5. verzoekt de Commissie te onderzoeken welke indicatoren mogelijk kunnen worden gehanteerd bij het terugdringen van belastingfraude, -ontduiking en -vermijding en eventueel een reeks van standaardindicatoren op te stellen voor het meten van belastingontduiking en ‑vermijding;
6. verzoekt de Commissie een aantal concrete doelstellingen te formuleren voor het verkleinen van de belastingkloof op Europees en nationaal niveau, met als hoofddoelstelling verkleining van deze kloof tegen 2020;
7. stelt voor deze doelstellingen voor zover mogelijk op te nemen in de Europa 2020-strategie en verzoekt de Commissie na te gaan of in het kader van het Europese Semester een duidelijke invulling zou kunnen worden gegeven aan deze doelstellingen;
8. verzoekt de Commissie in dit verband tevens te onderzoeken of deze doelstellingen en maatregelen kunnen worden opgenomen in de nationale hervormingsprogramma's en stabiliteits- en convergentieprogramma's teneinde de noodzakelijk verkleining van de belastingkloof te realiseren;
9. benadrukt dat betere coördinatie dringend noodzakelijk is en dat een gezamenlijke benadering bij het verkleinen van de belastingkloof concrete invulling zou geven aan de toezeggingen van de Raad om de strijd aan te binden met belastingontduiking en ‑ontwijking;
10. verzoekt de Commissie aan het Parlement en de Raad jaarlijks verslag uit te brengen over de vooruitgang die in de EU en de wereld wordt geboekt bij de bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning, en om op haar website concrete voorbeelden van optimale praktijken op dit gebied te publiceren;
11. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.
Vorderingen bij de uitvoering van de nationale strategieën voor de integratie van Roma
143k
64k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma (2013/2924(RSP))
– gezien de artikelen 2, 3 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen 8, 9, 10 en 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gelet op het Handvest van de grondrechten ("het Handvest"), en met name artikel 21,
– gezien het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie van 1965, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 1979, het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989, en de VN-Verklaring over de rechten van personen die deel uitmaken van nationale, etnische, religieuze of taalminderheden van 1992,
– gezien de relevante jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de mens,
– gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming,
– gezien Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden,
– gezien zijn resolutie van 1 juni 2006 over de situatie van Roma-vrouwen in de Europese Unie(1),
– gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (het kaderbesluit betreffende racisme en vreemdelingenhaat),
– gezien zijn resolutie van 9 september 2010 over de situatie van de Roma en het vrije verkeer in de Europese Unie(2),
– gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over de EU-strategie voor integratie van de Roma(3),
– gezien zijn resolutie van 11 juni 2013 over sociale huisvesting in de Europese Unie(4),
– gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over de opvoering van de strijd tegen racisme, vreemdelingenhaat en haatmisdrijven(5),
– gezien de mededeling van de Commissie van 5 april 2011 getiteld "Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020" (COM(2011)0173) en de conclusies van de Europese Raad van 24 juni 2011,
– gezien de mededeling van de Commissie van 21 mei 2012 getiteld "Nationale strategieën voor integratie van de Roma: eerste stap van de uitvoering van het EU-kader" (COM(2012)0226),
– gezien de mededeling van de Commissie van 26 juni 2013 getiteld "Verdere stappen bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma" (COM(2013)0454),
– gezien het voorstel voor een aanbeveling van de Raad van 26 juni 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten (COM(2013)0460),
– gezien zijn studie van januari 2011 betreffende maatregelen ter verbetering van de situatie van Roma-burgers van de EU in de Europese Unie,
– gezien het in mei 2012 voorgestelde onderzoek van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten getiteld "The situation of Roma in 11 EU Member States",
– gezien de hoorzitting over het EU-kader voor nationale strategieën voor integratie van de Roma, die op 18 september 2013 in het Europees Parlement plaatsvond,
– gezien het verslag van de Commissie van 4 september 2013 over de ongelijkheid op gezondheidsgebied in de Europese Unie (SWD(2013)0328),
– gezien zijn resolutie van 4 juli 2013 over het effect van de crisis op de toegang tot zorg voor kwetsbare groepen(6),
– gezien het werkdocument van de Commissie van 20 februari 2013 over investeren in gezondheid (SWD(2013)0043),
– gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over vermindering van de ongelijkheid op gezondheidsgebied in de EU(7),
– gezien de mededeling van de Commissie van 20 oktober 2009 getiteld "Solidariteit in de gezondheidszorg: verkleining van de ongelijkheid op gezondheidsgebied in de EU" COM(2009)0567,
– gezien de vraag aan de Commissie over de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma (O-000117/2013 – B7-0528/2013),
– gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de Europese Unie gegrondvest is op de volgende waarden: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten;
B. overwegende dat de Roma in heel Europa worden gediscrimineerd en dat hun sociaal-economische situatie en hun situatie op het vlak van de grondrechten in veel gevallen slechter is dan die van niet-Roma in vergelijkbare omstandigheden;
C. overwegende dat recente gebeurtenissen in EU-lidstaten, de geweldsincidenten tegen Roma, het ontbreken van passend insluitingsbeleid, het gebruik van discriminerende anti-Roma-retoriek, de structurele en stelselmatige discriminatie, de onverhulde inbreuken op het Europees mensenrechtenverdrag en op het EU-Handvest van de grondrechten, en het uitblijven van gerechtelijk onderzoek en vervolging in het geval van mensenrechtenschendingen aantonen dat zigeunervijandige sentimenten nog altijd aanwezig zijn in de EU en dat deze op alle niveaus krachtdadiger moeten worden aangepakt;
D. overwegende dat de armoede onder en de uitsluiting van de Roma een kritische grens hebben bereikt, waardoor de vooruitzichten voor Roma-families beperkt zijn en jonge Roma al op zeer jeugdige leeftijd onder de armoedegrens terecht dreigen te komen;
E. overwegende dat de negatieve opstelling van niet-Roma ten opzichte van de Roma en de openlijke discriminatie resulteren in de uitsluiting van de Roma;
F. overwegende dat de toenemende uitsluiting van de Roma negatief is voor groei, en de begrotingstekorten doet toenemen;
G. overwegende dat de sociale ongelijkheid en de regionale verschillen ertoe leiden dat de levenskwaliteit van plattelandsgemeenschappen achteruit gaat; overwegende dat een slecht stadsontwikkelingsbeleid de toenemende stedelijke armoede accentueert en verergert;
H. overwegende dat uit de mededeling van de Commissie van 2013 over de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma blijkt dat die vooruitgang van zeer bescheiden aard is, en dat zelfs bij de totstandbrenging van structurele voorwaarden voor de doeltreffende uitvoering van die nationale strategieën nauwelijks iets positiefs te melden valt;
I. overwegende dat de door de Commissie in 2011 opgerichte task force het gebruik van EU-middelen voor integratie van de Roma in 18 landen heeft onderzocht en tot de conclusie is gekomen dat de lidstaten deze financiële middelen niet goed gebruiken en dat deze EU-middelen weliswaar een aanzienlijk potentieel hebben om integratie van de Roma te bevorderen, maar dat het ten gevolge van knelpunten op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau niet echt tot een doeltreffende bevordering van de sociaal-economische integratie van de Roma komt;
J. overwegende dat de legitieme vertegenwoordiging van de Roma en de betrokkenheid van Roma-organisaties van het maatschappelijk middenveld bij de planning, uitvoering en monitoring van de bedoelde nationale strategieën in de meeste lidstaten onvoldoende zijn;
K. overwegende dat het voor de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma van essentieel belang is dat plaatselijke en regionale autoriteiten bij het ontwikkelen, uitvoeren, monitoren, evalueren en herzien van het beleid voor de Roma betrokken worden omdat deze bestuursniveaus op praktisch vlak het nauwst bij integratie van de Roma betrokken zijn, maar dat zij door de lidstaten vooralsnog slechts in beperkte mate worden ingeschakeld;
L. overwegende dat een gerichte toewijzing van financiële middelen hand in hand moet gaan met daadwerkelijke politieke wil van de kant van de lidstaten, aangezien dit een conditio sine qua non is voor een succesvolle uitvoering van de strategieën, en verder overwegende dat slechts een handjevol lidstaten bij de toewijzing van de Europese en de nationale middelen een geïntegreerde benadering volgt, terwijl in andere lidstaten de uitvoering van de nationale strategieën niet echt vordert ten gevolge van een onderbenutting van de EU-middelen, en met name ook omdat concrete maatregelen ontbreken;
M. overwegende dat nog altijd niet duidelijk is hoeveel Europese middelen er nu precies beschikbaar zijn voor integratie van de Roma; overwegende dat het in dit verband zeer belangrijk is dat de Commissie blijft controleren hoe de lidstaten de EU-gelden uitgeven, én waarborgen krijgt over het juiste gebruik van die middelen;
N. overwegende dat goed toezicht op en een stelselmatige en consistente beoordeling van de resultaten van de maatregelen voor integratie van de Roma cruciaal zijn voor een doeltreffende uitvoering van de genoemde nationale strategieën, en verder overwegende dat in minder dan de helft van alle lidstaten een mechanisme voor het regelmatig rapporteren over en het beoordelen hiervan in het leven is geroepen;
O. overwegende dat het EU-kader in de oprichting van nationale contactpunten voor integratie van de Roma in elke lidstaat voorzag en dat in dat kader werd aangegeven dat deze contactpunten de volledige bevoegdheid zouden moeten krijgen voor de coördinatie van integratie van de Roma op alle beleidsterreinen;
P. overwegende dat de lidstaten alle noodzakelijke maatregelen moeten nemen om te waarborgen dat de Roma niet worden gediscrimineerd en dat hun mensenrechten, zoals vastgelegd in het Handvest en het Europees mensenrechtenverdrag, alsook in de EU-wetgeving, worden geëerbiedigd, beschermd en bevorderd;
Q. overwegende dat de Roma te leiden hebben onder discriminatie en sociale uitsluiting, en dat speciale aandacht moet worden besteed aan minderjarigen en vrouwen binnen de Roma-gemeenschappen, met name wat hun grondrechten betreft, waaronder hun recht op onderwijs en lichamelijke integriteit, alsmede aan het verbod op slavernij en gedwongen arbeid, zoals vastgelegd in de artikelen 3 en 5 van het Handvest van de grondrechten;
R. overwegende dat anti-Roma-vooroordelen en negatief gedrag alleen doeltreffend kunnen worden bestreden middels goede bewustmakingscampagnes en initiatieven die de interculturele dialoog en samenwerking bevorderen, en door middel van het cultiveren van brede steun voor insluiting van de Roma;
S. overwegende dat voor de Roma die het burgerschap van de Europese Unie hebben volledig de aan het Europees burgerschap verbonden zijnde rechten en plichten moeten gelden;
1. veroordeelt in krachtige bewoordingen de discriminatie van en het racisme tegen de Roma, en betreurt het feit dat de grondrechten van de Roma in de EU nog altijd niet volledig zijn gewaarborgd; verzoekt de Commissie en de lidstaten discriminatie te bestrijden en ervoor te zorgen dat de relevante EU-richtlijnen, zoals Richtlijn 2000/43/EG en 2012/29/EU(8), goed worden omgezet en ten uitvoer gelegd;
2. verzoekt de Commissie een doeltreffend pan-Europees mechanisme voor het monitoren van de grondrechten van de Roma, anti-Roma-incidenten en haatmisdrijven tegen de Roma in het leven te roepen, en krachtdadig op te treden – waaronder, indien van toepassing, in de vorm van inbreukprocedures – wanneer in de lidstaten de grondrechten van de Roma, in het bijzonder het recht op toegang tot en van uitoefening van sociaal-economische rechten, het recht op vrij verkeer en het verblijfsrecht, het recht op toegang tot gezondheidszorg en onderwijs, het recht op gelijkheid en van non-discriminatie (waaronder het recht op bescherming tegen meervoudige discriminatie), het recht op de bescherming van persoonsgegevens en het verbod op het bijhouden van registers op basis van etniciteit en ras, worden geschonden;
3. is verheugd over het initiatief van de Commissie houdende oprichting van een on line-instrument om plaatselijke autoriteiten te helpen bij het begrijpen en implementeren van het recht op vrij verkeer van EU-burgers; veroordeelt evenwel elke poging die erop gericht is het recht op vrij verkeer van de Roma te beperken en roept de lidstaten op illegale uitzettingen te beëindigen;
4. veroordeelt alle vormen van zigeunervijandige sentimenten, in het bijzonder haatuitingen in de publieke ruimte en in het politieke debat; verzoekt de lidstaten met klem zich met hernieuwd elan in te zetten voor de bestrijding van zigeunervijandige gevoelens, in de wetenschap dat deze gevoelens een rol spelen bij het ondermijnen van een succesvolle implementatie van de nationale strategieën voor integratie van de Roma; spoort alle partijen aan geen Roma-vijandige verklaringen af te leggen die tot haat aanzetten;
5. verzoekt de lidstaten onderzoeken in te stellen naar en een eind te maken aan etnische profiling, aan politiegeweld tegen de Roma en andere vormen van schendingen van de mensenrechten van de Roma, ervoor te zorgen dat op vooroordelen stoelende misdrijven strafbaar worden gesteld, worden geregistreerd en naar behoren worden onderzocht, en dat de slachtoffers passende bijstand en bescherming wordt geboden, en speciale opleidingsprogramma’s te ontwikkelen voor politiemensen en andere overheidsfunctionarissen die met de Roma-gemeenschappen werken;
6. verzoekt de Commissie en de lidstaten iets te doen aan het feit dat de kinderen van de Roma in de EU bij hun geboorte niet altijd worden ingeschreven en derhalve niet over een geboortecertificaat beschikken;
7. verzoekt de lidstaten de uitsluiting van de Roma krachtdadig aan te pakken door middel van het uitvoeren van de maatregelen in de nationale strategieën voor integratie van de Roma, en dat aan de hand van concrete doelstellingen, termijnen en beschikbare middelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de vertegenwoordigers van de Roma en de Roma-organisaties van het maatschappelijk middenveld actief te betrekken bij het beheer, de uitvoering, monitoring en beoordeling van de nationale strategieën en de projecten voor de Roma door middel van nieuwe mechanismen voor een geregelde en transparante dialoog, overeenkomstig de beginselen van de Europese gedragscode voor partnerschappen; vraagt de lidstaten in hun nationale strategieën aan te geven op welke wijze zij van plan zijn de Roma zeggenschap te geven over en te betrekken bij dit proces; vraagt de Commissie de lidstaten te helpen bij hun inspanningen die erop gericht zijn de vertegenwoordigers van de Roma beter te informeren over de kansen die de nationale strategieën bieden, en hen aan te sporen in het integratieproces een actievere rol te spelen;
8. verzoekt de Commissie en de lidstaten voldoende financiering ter beschikking te stellen voor de totstandbrenging van een sterk maatschappelijk middenveld binnen de Roma-gemeenschappen, met capaciteit, kennis en deskundigheid op de gebieden monitoring en evaluatie;
9. verzoekt de Commissie intensiever met de lidstaten, plaatselijke autoriteiten en andere relevante actoren samen te werken om doeltreffend te communiceren over de uitvoering van de nationale strategieën en de voordelen van maatschappelijke integratie van de Roma, ter bevordering van de interculturele dialoog en de bewustmakingcampagnes die beogen een eind te maken aan anti-Roma-vooroordelen en negatieve gedragingen door middel van een mentaliteitsverandering, en ter facilitering van initiatieven die leiden tot meerderheidssteun voor maatregelen ter bevordering van integratie van de Roma;
10. verzoekt de Commissie en de lidstaten in hun nationale strategieën voor integratie van de Roma meer nadruk te leggen op de genderdimensie, en Roma-vrouwen en Roma-jongeren te betrekken bij de uitvoering van en het toezicht op de nationale strategieën;
11. spoort de lidstaten aan plaatselijke en regionale autoriteiten te betrekken bij het herzien, beheren, uitvoeren en monitoren van hun nationale strategieën, en de plaatselijke en regionale autoriteiten te helpen en te ondersteunen bij de maatregelen die zij met het oog op de insluiting van de Roma onder de vier pijlers van de nationale strategieën, alsmede bij het implementeren van anti-discriminatiemaatregelen moeten nemen;
12. verzoekt de lidstaten met steun van het Bureau voor de grondrechten, het ontwikkelingsprogramma van de VN en de Wereldbank gedifferentieerde gegevens over de sociaal-economische situatie van de Roma te produceren, alsmede over de mate waarin de Roma met discriminatie op grond van etnische afkomst te maken hebben en over haatmisdrijven waar zij het slachtoffer van worden, met volledige inachtneming van de gegevensbeschermingsnormen en het recht op privacy, en samen met de Commissie basisindicatoren en meetbare doelstellingen te ontwikkelen die essentieel zijn voor een goed monitoringsysteem, met het oog op meetbare feedback over de vooruitgang die wordt geboekt bij de uitvoering van de nationale strategieën en bij de verbetering van de situatie van de Roma, waarbij in het bijzonder aandacht dient te worden besteed voor de situatie van minderjarigen en vrouwen; verzoekt de Commissie de coördinerende rol van het Bureau te versterken en de capaciteiten ervan volledig te benutten;
13. verzoekt de Commissie een tijdspad en duidelijke en meetbare doelstellingen en indicatoren voor de uitvoering van de nationale strategieën vast te stellen, aansluitend bij de Europa 2020-strategie, de lidstaten te helpen bij het verbeteren van hun absorptiecapaciteit van EU-middelen en per land verslagen op te stellen en aanbevelingen te formuleren;
14. verzoekt de lidstaten met de multidimensionale en territoriale aspecten van armoede rekening te houden, voldoende financiële middelen bijeen te brengen van zowel hun nationale begrotingen, als EU-programma’s - vooral van het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling - , onder andere via vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling, gemeenschappelijke actieplannen, geïntegreerde territoriale investeringen en geïntegreerde acties, teneinde de doelstellingen in hun nationale strategieën te verwezenlijken, geïntegreerde multisectorale en multifondsprogramma’s te ontwikkelen voor de regio’s met de grootste achterstanden, integratie van de Roma in de partnerschapsovereenkomsten voor de programmeringsperiode 2014-2020 op te nemen en eigen operationele programma’s te maken voor de bevordering van gelijke kansen en de preventie van discriminatie en segregatie;
15. verzoekt de Commissie en de lidstaten speciale, kleinschalige en flexibele subsidieregelingen te ontwikkelen voor gemeenschapsprojecten en voor het mobiliseren van plaatselijke gemeenschappen voor sociale integratie;
16. verzoekt de lidstaten hun algemene onderwijs-, werkgelegenheids-, huisvestings- en gezondheidsbeleid af te stemmen op de doelstellingen van de nationale strategieën;
17. verzoekt de Commissie en haar task force voor de Roma de besteding van voor integratie van de Roma bedoelde EU-gelden door de lidstaten, alsmede de impact van de nationale beleidsmaatregelen voor het leven van alledag van de Roma te blijven volgen, hierover elk jaar verslag uit te brengen aan het Parlement en de Raad, en in deze verslagen in concreto aan te geven hoe de doeltreffendheid van de besteding van de EU-middelen kan worden vergroot; is van oordeel dat de Commissie deskundigen en het maatschappelijk middenveld om een gestructureerde input moet vragen en voor doeltreffende samenwerking tussen het Platform voor integratie van de Roma en het roulerende EU-voorzitterschap moet zorgen;
18. verzoekt de Commissie de impact van de EU-financiering op de maatschappelijke integratie van de Roma periodiek extern te laten beoordelen, de met behulp van EU-financiering ontwikkelde goede praktijken en gerealiseerde projecten in kaart te brengen, en hun duurzaamheid op de lange termijn te waarborgen;
19. verzoekt de lidstaten met plaatselijke en regionale autoriteiten samen te werken om ruimtelijke segregatie tegen te gaan, onwettige gedwongen uitzettingen te beëindigen en het verschijnsel dakloosheid onder de Roma te voorkomen, alsook een doeltreffend en inclusief huisvestingsbeleid – inclusief de terbeschikkingstelling van passende woonruimte – en maatschappelijke en gezondheidsbijstand in het geval van uitzettingen te ontwikkelen;
20. verzoekt de lidstaten het instrument ruimtelijke ordening in te zetten voor integratie en desegregatie, en kwaliteit van de infrastructuur en het milieu te verbeteren in die steden die met de grootste sociale onevenwichtigheden te kampen hebben, alsook de band tussen stedelijke en plattelandsgebieden te versterken met het oog op het bevorderen van een inclusieve ontwikkeling;
21. verzoekt de lidstaten een eind te maken aan segregatie en, in voorkomend geval, de illegale plaatsing van Roma-kinderen op speciale scholen, en de noodzakelijke infrastructuur en mechanismen te ontwikkelen om alle Roma-kinderen een kans op toegang tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs te geven, te voorkomen dat Roma-leerlingen de school vroegtijdig verlaten (onder andere door de ouders bij het onderwijsproces te betrekken), Roma-kinderen een kleuterschoolplek aan te bieden en toegang tot ontwikkelingsdiensten te waarborgen, opleiding voor leraren te ontwikkelen om hen te leren omgaan met de specifieke potentiële problemen met Roma-leerlingen, inclusieve ondersteuningsstructuren (zoals begeleiding en mentorschappen) voor Roma-leerlingen te ontwikkelen, teneinde te voorkomen dat zij het secundair en tertiair onderwijs vroegtijdig verlaten, hun toegang tot het Erasmusprogramma te waarborgen, en stagemogelijkheden te creëren zodat zij passende werkervaring kunnen opdoen;
22. verzoekt de Commissie en de lidstaten iets te doen aan de hoge werkloosheid onder de Roma en een einde te maken aan alle obstakels voor de toegang tot werkgelegenheid, waaronder middels bestaande mechanismen zoals de Jeugdgarantieregeling en de vlaggenschipinitiatieven van de Europa 2020-strategie; verzoekt de lidstaten anti-discriminatiemechanismen, speciale opleidingsprogramma’s en programma’s ter facilitering van de toegang tot de arbeidsmarkt te ontwikkelen, inclusief voor de evenredige vertegenwoordiging van de Roma in overheidsdiensten, de uitoefening van vrije beroepen te bevorderen, middelen vrij te maken voor meer banen in sectoren met het grootste werkgelegenheidspotentieel - zoals de inclusieve groene economie, gezondheids- en sociale diensten, en de digitale economie - en partnerschappen tussen overheden en werkgevers tot stand te brengen;
23. verzoekt de Europese instellingen stageprogramma’s te ontwikkelen en in alle instellingen Roma in dienst te nemen;
24. verzoekt de Commissie en de lidstaten iets te doen aan het bestaande onevenwicht op gezondheidsgebied voor de Roma en aan de discriminatie die zij ondervinden bij de toegang tot gezondheidszorg, speciale programma’s te ontwikkelen en hieraan voldoende nationale en Europese financiële middelen ter beschikking te stellen, met bijzondere aandacht voor de gezondheid van moeder en kind;
25. verzoekt de lidstaten nationale contactpunten voor integratie van de Roma aan te wijzen en aan te geven wat hun taken bij de uitvoering van de nationale strategieën zijn, erop toe te zien dat deze contactpunten over voldoende autoriteit, capaciteit, en politieke en financiële ondersteuning beschikken om hun taken doeltreffend uit te voeren, te zorgen voor goede contacten met de Roma-gemeenschap en Roma-organisaties van het maatschappelijk middenveld, ervoor te zorgen dat de contactpunten gemakkelijk herkenbaar en bereikbaar zijn, en toe te zien op een transparante communicatie tussen deze contactpunten en alle betrokken partijen;
26. herinnert de lidstaten eraan dat goede praktijken zoals de programma’s voor bemiddeling voor de Roma en de European Alliance of Cities and Regions for Roma Inclusion van de Raad van Europa succesvol zijn, hetgeen de lidstaten ertoe zou moeten aanzetten integratie van de Roma met nog meer politieke overtuiging ter hand te nemen;
27. steunt het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad voor doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten;
28. onderstreept dat integratie een proces is dat in twee richtingen verloopt en dat elke integratie-inspanning impliceert dat de partijen gedeelde, maar - gezien hun capaciteiten en hun economische, politieke en sociale hulpbronnen - asymmetrische verantwoordelijkheden hebben;
29. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de Raad van Europa.
Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad.
Resultaten van de top van Vilnius en de toekomst van het Oostelijk Partnerschap, in het bijzonder voor wat betreft Oekraïne
128k
50k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over de resultaten van de top van Vilnius en de toekomst van het Oostelijk Partnerschap, in het bijzonder wat betreft Oekraïne (2013/2983(RSP))
– gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over het Europees nabuurschapsbeleid: naar een sterker partnerschap – standpunt van het EP over de verslagen van 2012(1),
– gezien zijn resolutie van 12 september 2013 over de druk die Rusland uitoefent op landen van het Oostelijk Partnerschap (tegen de achtergrond van de komende top van het Oostelijk Partnerschap in Vilnius)(2),
– gezien zijn resolutie van 13 januari 2005 over de verkiezingsuitslag in Oekraïne(3),
– gezien de gezamenlijke verklaring van de top van het Oostelijk Partnerschap in Vilnius op 29 november 2013,
– gezien de gezamenlijke verklaringen van de top van het Oostelijk Partnerschap in Warschau op 29 en 30 september 2011 en van de top van het Oostelijk Partnerschap in Praag op 7 mei 2009,
– gezien de verslechterende situatie in Oekraïne, die ontstaan is na het besluit van de Oekraïense autoriteiten om tijdens de Vilnius-top van 28 en 29 november 2013 de associatieovereenkomst niet te ondertekenen, met als gevolg een uitbarsting van massale betogingen van de bevolking voor een Europese keuze van Oekraïne op de "Euromaidan" in Kiev en in steden in het hele land,
– gezien de gezamenlijke verklaringen van Catherine Ashton, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en Štefan Füle, commissaris voor uitbreiding en Europees nabuurschapsbeleid, waarin zij het buitensporig gebruik van geweld door de politie bij het uiteendrijven van een demonstratie op 30 november 2013 in Kiev veroordelen,
– gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,
A. overwegende dat Oekraïne en alle andere deelnemers van de top van het Oostelijk Partnerschap in Vilnius opnieuw hebben bevestigd te hechten aan de beginselen van internationaal recht en fundamentele waarden zoals democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten;
B. overwegende dat het werk en de inspanningen die de laatste jaren zijn gedaan om de bilaterale betrekkingen te intensiveren en de Europese integratie te versterken met name worden ondergraven door het besluit van Armenië om zich uit de onderhandelingen over de associatieovereenkomst terug te trekken en het op het laatste moment genomen besluit van Oekraïne om de voorbereidingen voor de ondertekening van de associatieovereenkomst op te schorten;
C. overwegende dat het besluit van de Oekraïense regering om de voorbereidingen voor de ondertekening van de associatieovereenkomst, met inbegrip van een diepe en brede vrijhandelsruimte (DCFTA), op te schorten tot ongenoegen en massale protesten in het land heeft geleid; overwegende dat de Oekraïense ordestrijdkrachten daarbij brutaal en onaanvaardbaar geweld hebben gebruikt tegen vreedzame demonstranten, oppositiepartijen en de media;
D. overwegende dat Georgië en Moldavië tijdens de top van het Oostelijk Partnerschap in Vilnius op 29 november 2013 associatieovereenkomsten met de EU, met bepalingen tot oprichting van DCFTA's, hebben geparafeerd;
E. overwegende dat de enige uitweg erin bestaat dat alle partijen over een vreedzame oplossing onderhandelen;
1. verwelkomt de parafering van de associatieovereenkomsten, met inbegrip van DCFTA's, met Georgië en Moldavië, waarmee een duidelijke Europese agenda voor deze twee landen wordt gecreëerd; ziet uit naar de spoedige ondertekening en tenuitvoerlegging van deze overeenkomsten; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan de tenuitvoerlegging van deze overeenkomsten te vergemakkelijken en de autoriteiten van beide landen bij te staan zodat hun burgers op korte termijn een aantal tastbare, positieve effecten kan worden geboden die uit de overeenkomsten voortvloeien;
2. betreurt het besluit van de Oekraïense autoriteiten om, onder leiding van president Janoekovitsj, de associatieovereenkomst met de EU niet te ondertekenen tijdens de top van het Oostelijk Partnerschap in Vilnius, ondanks de duidelijk aanwezige wil van de zijde van de EU om het associatieproces voort te zetten mits aan de voorwaarden wordt voldaan; beschouwt dit besluit als een enorme gemiste kans in de betrekkingen tussen de EU en Oekraïne en voor de aspiraties van Oekraïne; erkent de Europese aspiraties van Oekraïne, zoals die worden verwoord tijdens de aanhoudende "Euromaidan"-betogingen van Oekraïense maatschappelijke organisaties in Kiev en andere steden in het hele land, die niet aarzelen om in het openbaar blijk te geven van hun afkeuring van het besluit van president Janoekovitsj, en herhaalt zijn opvatting dat het intensiveren van de betrekkingen tussen de EU en Oekraïne en het bieden van een Europees perspectief aan Oekraïne van grote betekenis is voor en in het belang is van beide partijen;
3. betreurt de gewelddadige incidenten tijdens de nacht van 9 op 10 december 2013, toen de ordestrijdkrachten de kantoren van oppositiepartijen en onafhankelijke media bestormden en betogers aanvielen, alsook tijdens de nacht van 10 op 11 december 2013, toen de ordestrijdkrachten vreedzame betogers aanvielen en probeerden hen van het plein en uit de omringende straten weg te drijven en de barricaden af te breken; wijst erop dat deze incidenten zelfs plaatsvonden tijdens het bezoek van Catherine Ashton, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en terwijl er voortdurend inspanningen werden gedaan om rondetafelgesprekken te faciliteren; vreest dat deze incidenten de reeds gespannen situatie verder zouden kunnen doen escaleren;
4. herinnert eraan dat er verscheidene communicatiekanalen tussen de EU en Oekraïne bestaan, waaronder de door de heren Cox en Kwaśniewski geleide waarnemingsmissie van het Europees Parlement, en herhaalt in dit verband dat de door de Oekraïense autoriteiten geuite bezorgdheid ter rechtvaardiging van dit op het laatste moment genomen besluit eerder had moet worden verwoord, zodat hierop had kunnen worden gereageerd;
5. herhaalt dat het volledig achter de ondertekening op zo kort mogelijke termijn van de associatieovereenkomst staat, op voorwaarde dat wordt voldaan aan de desbetreffende vereisten die zijn vastgesteld door de Raad Buitenlandse Zaken van 10 december 2012 en zijn onderschreven in de resolutie van het Parlement van 13 december 2012; verzoekt de Europese Raad dan ook om tijdens zijn bijeenkomst in december 2013 een sterk politiek signaal af te geven dat de EU nog altijd de banden met Oekraïne wil aanhalen;
6. vraagt dat er onmiddellijk een nieuwe, volwaardige EU-bemiddelingsmissie op het hoogste politieke niveau wordt opgezet om de regering met de democratische oppositie en het maatschappelijk middenveld rond de tafel te helpen krijgen en een vreedzame uitweg uit de huidige crisis te helpen bewerkstelligen;
7. verklaart zich volledig solidair met degenen die demonstreren voor een Europese toekomst; dringt er bij de Oekraïense autoriteiten op aan de burgerrechten en de fundamentele vrijheid van vergadering en van vreedzaam protest volledig te eerbiedigen; veroordeelt krachtig de inzet van bruut geweld tegen vreedzame betogingen, en benadrukt dat er onmiddellijk een doeltreffend en onafhankelijk onderzoek moet worden ingesteld en dat degenen die schuldig worden bevonden moeten worden vervolgd; vraagt dat de vreedzame betogers die de afgelopen dagen zijn gearresteerd, onmiddellijk en zonder voorwaarden worden vrijgelaten; wijst met klem op de internationale verplichtingen van Oekraïne in dit verband; benadrukt dat dergelijke maatregelen duidelijk indruisen tegen de grondbeginselen van de vrijheid van vergadering en de vrijheid van meningsuiting, en derhalve een inbreuk vormen op universele en Europese waarden; herinnert eraan dat, gezien de positie van Oekraïne als fungerend voorzitter van de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa, het optreden van het land op het gebied van de bescherming en bevordering van deze waarden nog kritischer tegen de licht wordt gehouden;
8. herhaalt zijn scherpe veroordeling van de onaanvaardbare politieke en economische druk die Rusland op Oekraïne uitoefent, waarbij het ook met handelssancties dreigt; vraagt de EU en haar lidstaten met één stem tegen Rusland te spreken, en vraagt de EU, samen met haar lidstaten, een beleid te ontwikkelen en uit te voeren waarmee adequaat wordt gereageerd op deze instrumenten en maatregelen die Rusland tegen oostelijke partners gebruikt, met name teneinde Oekraïne te helpen energiezekerheid te verkrijgen tegen de achtergrond van de aanslepende crisis rond de invoer van aardgas uit Rusland; herhaalt dat de associatieovereenkomst een strikt bilaterale kwestie tussen beide partijen vormt, en is sterk gekant tegen ieder voorstel om een derde partij bij het proces te betrekken;
9. verzoekt de Commissie mogelijke tegenmaatregelen te overwegen die de EU kan treffen wanneer Rusland de handelsregels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) voor kortzichtige politieke doeleinden overtreedt; benadrukt dat de Unie ter wille van haar politieke geloofwaardigheid moet kunnen reageren wanneer zij of haar partnerlanden onder politieke en economische druk komen te staan;
10. verzoekt de Oekraïense autoriteiten met klem de dialoog aan te gaan met de demonstranten teneinde een geweldescalatie en destabilisatie van het land te voorkomen, en roept alle politieke partijen op zich in te spannen voor een ordelijk, rustig en bedachtzaam debat over de economische en politieke situatie en de vooruitzichten op toekomstige integratie in de EU; herinnert eraan dat in elke democratie verkiezingen kunnen worden uitgeschreven wanneer de zittende politici geen volkslegitimiteit meer genieten;
11. vraagt de EU-instellingen en de lidstaten zich ruim open te stellen voor de Oekraïense samenleving, in het bijzonder door spoedig een overeenkomst over visumvrijstelling te sluiten, nauwer te gaan samenwerken op onderzoeksgebied, uitwisselingsprogramma's voor jongeren uit te breiden en meer studiebeurzen ter beschikking te stellen; is van mening dat er verdere inspanningen moeten worden gedaan om Oekraïne volledig in de interne energiemarkt van de EU te integreren;
12. wijst erop dat de EU haar steun moet geven voor inbreng van internationale financiële instellingen zoals het Internationaal Monetair Fonds en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling in de vorm van financiële bijstand aan Oekraïne, zodat het land iets aan zijn verslechterende financiële situatie kan doen;
13. herinnert eraan dat de ondertekening van de associatieovereenkomst geen doel op zich is, maar veeleer een instrument om stabiliteit en sociaaleconomische vooruitgang op de lange termijn te bewerkstelligen, evenals een duurzame en systemische overgang, en dat dit een echt engagement vereist om de overeenkomst correct en onmiddellijk ten uitvoer te leggen; dringt er bij de EU op aan met de Oekraïense autoriteiten te onderhandelen over een concreet stappenplan voor de tenuitvoerlegging;
14. betreurt dat de Armeense autoriteiten, na de succesvolle afsluiting van de meer dan drie jaar durende onderhandelingen over een associatieovereenkomst met inbegrip van een DCFTA, onder Russische druk in plaats daarvan hebben besloten lid te worden van de douane-unie; herinnert de Armeense autoriteiten eraan dat de protesten en betogingen tegen dit besluit een uiting van de vrije wil van de burgers van het land zijn en dat deze moeten worden geëerbiedigd op grond van de internationale verplichtingen die Armenië is aangegaan; herinnert er in dit verband aan dat de vervolging en gevangenneming van betogers schendingen vormen van het recht van vergadering en meningsuiting, en dat repressieve maatregelen indruisen tegen de recente retoriek over het hechten aan gedeelde waarden met de EU; dringt er bij de regering van Armenië op aan een inclusieve dialoog met het maatschappelijk middenveld aan te gaan over de toekomstige koers van het land;
15. is verheugd over de ondertekening van een overeenkomst inzake versoepeling van de visumplicht tussen de EU en Azerbeidzjan; is bezorgd over het harde optreden tegen afwijkende meningen in het land na de presidentsverkiezingen van oktober 2013, zoals blijkt uit de voortdurende detentie en nieuwe arrestaties van oppositieactivisten, de intimidatie van onafhankelijke ngo's en media, en het ontslag van critici van de regering louter wegens hun politieke activiteiten; vraagt er bij het parlement van Azerbeidzjan om, naar aanleiding van de goedkeuring van de resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2013, terug te komen op zijn besluit om de deelname aan de Parlementaire Vergadering Euronest op te schorten;
16. is verheugd over het wetgevingsvoorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 om het voor onderdanen van Moldavië met een biometrisch paspoort mogelijk te maken visumvrij naar het Schengengebied te reizen; denkt dat deze belangrijke maatregel de contacten tussen mensen zal bevorderen en Moldavië sterker met de EU zal verbinden;
17. is verheugd over de ondertekening van een kaderovereenkomst met Georgië inzake deelname aan EU-crisisbeheersingsoperaties, die een permanente rechtsgrond geeft voor de deelname van Georgië aan lopende en toekomstige EU-crisisbeheersingsinspanningen overal ter wereld;
18. is van mening dat de resultaten en de algehele context van de top in Vilnius aantonen dat de EU een strategischer en flexibeler beleid moet formuleren om de keuze voor Europa in haar oostelijke partnerlanden te bevorderen, daarbij gebruik makend van het volledige instrumentarium waarover zij beschikt, zoals macro-economische bijstand, versoepeling van handelsregelingen, projecten om de energiezekerheid en economische modernisering te versterken, en een snelle uitvoering van visumliberalisering, in overeenstemming met de Europese waarden en belangen;
19. is voorstander van verdere inspraak van het maatschappelijk middenveld in de nationale hervormingsprocessen; moedigt nauwere interparlementaire samenwerking met de Parlementaire Vergadering Euronest aan; vraagt dat er zo spoedig mogelijk een missie van het Europees Parlement naar Oekraïne wordt gestuurd; is ingenomen met de betrokkenheid van de Conferentie van lokale en regionale overheden van het Oostelijk Partnerschap;
20. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de lidstaten, de president van Oekraïne, de regeringen en parlementen van de landen van het Oostelijk Partnerschap en van de Russische Federatie, de parlementaire vergadering Euronest, en de parlementaire vergaderingen van de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.
– gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 in Thessaloniki over het vooruitzicht van de toetreding van de landen op de Westelijke Balkan tot de Europese Unie,
– gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 11 december 2012, die door de Europese Raad van 14 december 2012 werden bevestigd,
– gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2010 getiteld "Advies van de Commissie betreffende het verzoek van Albanië om toetreding tot de Europese Unie" (COM(2010)0680),
– gezien de mededeling van de Commissie van 16 oktober 2013 getiteld "Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2013-2014" (COM(2013)0700), en het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Voortgangsverslag 2013 betreffende Albanië" (SWD(2013)0414),
– gezien de eerste bevindingen en conclusies van de internationale verkiezingswaarnemingsmissie naar Albanië voor de parlementsverkiezingen van 23 juni 2013,
– gezien zijn resoluties van 22 november 2012 over Uitbreiding: beleid, criteria en de strategische belangen van de EU(1) en van 13 december 2012 over het voortgangsverslag 2012 betreffende Albanië(2),
– gezien zijn resolutie van 22 oktober 2013 over het begrotingsbeheer van de pretoetredingsmiddelen van de Europese Unie op het gebied van de rechtsstelsels en de strijd tegen corruptie in de kandidaat-landen en potentiële kandidaat-landen(3) en zijn opmerkingen over Albanië,
– gezien de aanbevelingen van de zesde bijeenkomst van het Parlementair stabilisatie- en associatiecomité EU-Albanië van 28-29 oktober 2013,
– gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat Albanië vorderingen heeft geboekt met betrekking tot het bereiken van de twaalf voornaamste prioriteiten uit het Commissieadvies van 2010 en dat het hervormingsproces naar tevredenheid verloopt; overwegende dat Albanië de overige kernmaatregelen voor de hervorming van het gerechtelijk apparaat, het openbaar bestuur en het parlement heeft aangenomen bij consensus tussen de partijen; overwegende dat er nog altijd problemen zijn die snel en efficiënt moeten worden aangepakt zodat Albanië verdere vorderingen kan maken op de weg naar het EU-lidmaatschap;
B. overwegende dat het ordelijke verloop van de parlementsverkiezingen van juni 2013 en de vreedzame machtsoverdracht een positief effect hebben op het democratiseringsproces en de internationale reputatie van Albanië;
C. overwegende dat de EU-toetredingsprocedure een drijvende kracht is geworden achter de aanhoudende hervormingen in Albanië en dat de burgers de toetreding van het land tot de EU blijven steunen;
D. overwegende dat de nieuwe legislatuur van het parlement ondanks de tot dusver gemaakte vorderingen opnieuw van start is gegaan met spanningen tussen de politieke krachten; overwegende dat deze gebeurtenissen aangeven dat de politieke krachten dringend naar dialoog, samenwerking en het sluiten van compromissen moeten streven, met name in de betrekkingen tussen de twee belangrijkste politieke krachten, maar ook tussen alle andere belanghebbenden in de Albanese samenleving;
E. overwegende dat het Europees Parlement een belangrijke rol heeft gespeeld in de inspanningen om een gezond politiek klimaat in het land te scheppen; overwegende dat een duurzame politieke dialoog van essentieel belang is om de dynamiek van het hervormingsproces en de uitvoering van de EU-agenda te handhaven;
F. overwegende dat de EU van de rechtsstaat het kernpunt van het uitbreidingsproces heeft gemaakt; overwegende dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de strijd tegen corruptie, georganiseerde misdaad, mensenhandel, wapenhandel en drugshandel tot grote bezorgdheid blijven strekken; overwegende dat vooruitgang op deze terreinen essentieel is voor de voortgang in het EU-integratieproces; overwegende dat krachtige politieke steun van cruciaal belang is om op deze gebieden vooruitgang te boeken;
G. overwegende dat de rechten van minderheden – en met name de Roma-minderheid en de LGBTI-gemeenschap – verder moeten worden bevorderd; overwegende dat de leefomstandigheden van de Roma in Albanië verschrikkelijk zijn en snel moeten worden verbeterd, met name wat de toegang van Roma tot inschrijving in de bevolkingsregisters, huisvesting en onderwijs en de integratie van Roma-kinderen in het onderwijsstelsel betreft – vanaf de kleuterschool tot in het hoger onderwijs;
H. overwegende dat sociale hervormingen even belangrijk zijn als politieke en juridische hervormingen; overwegende dat Albanië ernaar streeft de sociale cohesie te verbeteren en daartoe behoefte heeft aan krachtige ondersteuning van de EU en aan duidelijkere inspanningen van de regering om de sociale dialoog te bevorderen vanuit de positie van derde partij, samen met de vakbonden en de werkgeversorganisaties;
I. overwegende dat de aanwezigheid van een professioneel, effectief en op verdienste gebaseerd openbaar bestuur van groot belang is voor elk land dat lid wil worden van de EU;
J. overwegende dat corruptie en straffeloosheid voor misdrijven wijdverbreid blijven in de Albanese samenleving; overwegende dat overheidsinstellingen die zich bezighouden met de strijd tegen corruptie kwetsbaar blijven voor politieke druk en inmenging; overwegende dat corruptie in de rechterlijke macht en in instellingen ter bestrijding van misdaad een bijzonder ernstig probleem blijft;
K. overwegende dat de voortgang van elk land in de richting van EU-lidmaatschap afhangt van de inspanningen van dat land om te voldoen aan de criteria van Kopenhagen en aan de voorwaarden van het stabilisatie- en associatieproces;
L. overwegende dat het uitbreidingsbeleid geloofwaardig moet blijven en gebaseerd moet zijn op objectieve criteria waaraan moet worden voldaan; overwegende dat Albanië op het punt staat om de status van kandidaat-lidstaat te verwerven, daar het land voldoet aan de criteria die voor deze stap gelden;
Algemene opmerkingen
1. is ingenomen met en spreekt zijn steun uit aan de analyse en de aanbevelingen van het voortgangsverslag 2013 betreffende Albanië en verzoekt de Raad de door Albanië geboekte vooruitgang te erkennen door het land zonder onnodig oponthoud de status van kandidaat-lidstaat toe te kennen; dringt er bij de Albanese autoriteiten en alle politieke krachten met klem op aan de tot dusver bereikte vooruitgang te consolideren;
2. prijst alle politieke krachten om het algehele ordelijke verloop van de recente parlementsverkiezingen en de soepele machtsoverdracht; beveelt aan om het vertrouwen van de bevolking in het verkiezingsproces verder te vergroten, onder meer door de institutionele onafhankelijkheid van de centrale kiescommissie en het professionalisme van de verkiezingsfunctionarissen te versterken; acht het van essentieel belang een daadwerkelijke politieke dialoog en samenwerking tussen alle partijen te ondersteunen en compromissen te sluiten als voorwaarde voor vooruitgang in de politieke processen;
3. benadrukt dat alle politieke partijen en actoren in Albanië, met inbegrip van de media en het maatschappelijk middenveld, ernaar moeten streven het politieke klimaat in het land te verbeteren en zo een dialoog tot stand te brengen en wederzijds begrip te kweken; roept alle politieke partijen, ngo's, vakbonden en andere belanghebbenden dan ook op tot werkelijk engagement;
4. onderstreept het feit dat de voorbereiding van integratie in de EU ruime politieke en publieke steun moet genieten; spoort de regering aan om de integratiehervormingen consequent door te voeren en om alle politieke krachten en het maatschappelijk middenveld daarbij te betrekken; is van mening dat de oppositie in dit opzicht eveneens een belangrijke rol vervult, en spreekt zijn erkenning uit voor haar verantwoordelijke politieke opstelling tot dusver; acht het belangrijk dat het maatschappelijk middenveld, de media en de burgers in Albanië verantwoording eisen van hun leiders voor specifieke beleidsresultaten, met name ten aanzien van het proces van integratie in de EU;
5. roept de Albanese regering op om de administratieve capaciteiten te versterken door verdere hervormingen door te voeren in het openbaar bestuur en door depolarising en kennis van het EU-recht en het besluitvormingsproces van de EU te ondersteunen;
6. neemt kennis van de bemoedigende vorderingen van de hervormingsagenda en geeft uiting aan zijn vertrouwen in het potentieel, het vermogen en de toewijding van Albanië om zijn Europese weg succesvol te vervolgen, mits de politieke krachten constructief blijven samenwerken; is verheugd over het feit dat verschillende essentiële hervormingen van de wetgeving zijn aangenomen, zoals de herziening van het reglement van orde van het parlement, de goedkeuring van de wet betreffende het overheidsapparaat en de amendementen op de wet betreffende het hooggerechtshof; moedigt Albanië aan naar goede resultaten bij de concrete uitvoering van deze hervormingen te streven;
7. neemt nota van de resterende tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van de wetgeving en onderstreept dat de hervormingsagenda sneller en krachtiger moet worden uitgevoerd en dat op dat vlak duidelijke resultaten moeten worden geboekt; verzoekt zowel de regeringspartijen als de oppositie om over de partijgrenzen heen te blijven samenwerken bij de goedkeuring en uitvoering van de belangrijkste hervormingen;
8. roept Albanië op om de ambtenarenwet tijdig en op efficiënte wijze aan te nemen, de wet op de algemene administratieve rechtspraak te zijner tijd aan te nemen en de wet betreffende de organisatie en de werking van het openbaar bestuur te versterken; wijst op de noodzaak van een krachtiger departement Openbaar bestuur en van een volledig operationeel informatiesysteem voor het beheer van de personele middelen;
9. spreekt zijn voldoening uit over het feit dat Europese integratie en modernisering van het land topprioriteiten van de nieuwe regering blijven; verzoekt Albanië resultaten te blijven leveren op het vlak van de voornaamste prioriteiten uit het advies van de Commissie van 2010, met name wat betreft de rechtsstaat, de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad, ook door een duurzame staat van dienst op te bouwen wat betreft uitvoering en goedkeuring van ontbrekende wetgeving; dringt er bij Albanië op aan om de samenwerking tussen het ministerie van Europese integratie en de vakministeries te verbeteren om zo de Europese hervormingsagenda te versterken;
Politieke criteria
10. dringt aan op verdere inspanningen van zowel de regering als het parlement om de onafhankelijkheid, verantwoordingsplicht, onpartijdigheid en efficiëntie van het gerechtelijk apparaat te verbeteren, met inbegrip van de Hoge Raad voor justitie en een onafhankelijke openbaar aanklager, benoemd op basis van transparante, onpartijdige en op verdienste gebaseerde criteria; verzoekt de autoriteiten met klem te zorgen voor betere toegang tot de rechter voor eenieder die daar behoefte aan heeft, onder meer door bewustmakingscampagnes van de Staatscommissie voor rechtsbijstand en door oprichting van de voorgestelde lokale rechtsbijstandkantoren; verzoekt de autoriteiten de onafhankelijkheid, efficiëntie en doeltreffendheid van mensenrechtenstructuren, zoals de ombudsman en de commissaris voor bescherming tegen discriminatie, te versterken;
11. onderstreept dat het Albanese rechtsstelsel volledig onafhankelijk, voorspelbaarder, efficiënter en eerlijker moet zijn om ervoor te zorgen dat de burgers en het bedrijfsleven vertrouwen in het rechtsstelsel hebben; roept de autoriteiten daarom op om depolitisering van de rechterlijke macht te waarborgen door een op verdienste gebaseerd en transparant proces voor de aanstelling van rechters en openbare aanklagers in te voeren, alsmede degelijke resultaten op het gebied van tuchtzaken te boeken, en door te zorgen voor een tijdige rechtspraak, die gepaard gaat met uniformisering van de rechtspraak, publicatie van en toegang tot alle rechterlijke besluiten onmiddellijk nadat zij zijn genomen en willekeurige toewijzing van zaken in alle rechtbanken;
12. benadrukt dat er een op verdienste gebaseerd en professioneel openbaar bestuur moet komen dat transparant te werk gaat en wetten kan aannemen en uitvoeren; verzoekt om de nodige secundaire wetgeving aan te nemen die de correcte tenuitvoerlegging van de ambtenarenwet verzekert en om een nieuwe wet op de algemene administratieve rechtspraak uit te werken; wijst op de noodzaak van een krachtiger departement Openbaar bestuur en van een volledig operationeel informatiesysteem voor het beheer van de personele middelen; onderstreept dat er meer moet worden gedaan om het openbaar bestuur te depolitiseren, corruptie te bestrijden, meer aandacht te besteden aan verdienste bij benoemingen, promoties en ontslagen en om het openbaar bestuur efficiënter en financieel duurzamer te maken;
13. is ingenomen met het voornemen van de regering om vóór de lokale verkiezingen in 2015 een grote administratieve en territoriale hervorming in het land op te starten en door te voeren; wijst er evenwel op dat het belangrijk is om te zorgen voor voldoende overleg met alle plaatselijke belanghebbenden en om te waarborgen dat de hervorming strookt met de bepalingen van het Europees Handvest inzake lokale autonomie, waaronder de bepalingen inzake de bescherming van de rechten van gemeenschappen en de bepalingen die de politieke, administratieve en financiële onafhankelijkheid van plaatselijke regeringen moeten waarborgen;
14. benadrukt dat het politieke engagement om corruptie te bestrijden op alle niveaus verder moet worden versterkt en dat de institutionele capaciteit moet worden opgevoerd en de institutionele coördinatie moet worden verbeterd; dringt aan op grotere inspanningen om corruptie binnen plaatselijke overheden uit te roeien; erkent de resultaten die zijn bereikt wat betreft de goedkeuring van strategische documenten op het gebied van corruptiebestrijding; stelt tot zijn tevredenheid vast dat alle aanbevelingen van de derde GRECO-evaluatieronde zijn uitgevoerd, dat er een nationale anticorruptiecoördinator is aangesteld en dat de regering voornemens is om in elk ministerie een waakhond aan te stellen; onderstreept dat de geldende anticorruptiewetgeving consequent moet worden toegepast;
15. verzoekt de regering om een duidelijk mandaat en actieplan/strategie uit te werken voor de nationale anticorruptiecoördinator en om werk te maken van het opstellen van de nieuwe nationale anticorruptiestrategie, onder meer door duidelijke resultaatindicatoren en follow‑up- en monitoringmechanismen uit te werken; dringt er bovendien bij de bevoegde autoriteiten op aan om de rol van de dienst Interne Controle en Corruptiebestrijding te verduidelijken en de capaciteit op het gebied van interne controlemechanismen te vergroten, gezamenlijke onderzoekseenheden op te richten en deze van voldoende middelen te voorzien, toezicht te houden op de uitvoering van anticorruptiestrategieën en actieplannen en verder te werken aan het behalen van betere resultaten bij onderzoeken, vervolgingen en veroordelingen, ook bij corruptiezaken op hoog niveau; dringt er voorts bij de Albanese autoriteiten op aan om ervoor te zorgen dat de instellingen die zich bezighouden met de strijd tegen corruptie minder kwetsbaar worden voor politieke aanvallen;
16. herhaalt dat hervormingen en regionale samenwerking in de strijd tegen de georganiseerde misdaad resoluut moeten worden doorgevoerd en dat er solide resultaten moeten worden geboekt op het vlak van onderzoek, vervolging en veroordeling op alle niveaus, met name waar het gaat om de productie van en handel in drugs, mensenhandel, met inbegrip van minderjarigen, en illegaal gokken; dringt er bij de regering op aan om werk te maken van goede resultaten met betrekking tot financieel onderzoek dat zich concentreert op onverklaarbare rijkdom en het verband tussen zulke rijkdom en criminele activiteiten en georganiseerde misdaad; herhaalt dat de coördinatie tussen de wetshandhavinginstanties verder moet worden verbeterd;
17. prijst de ombudsman om zijn inspanningen om de mensenrechten te bevorderen, zijn openheid tegenover kwetsbare mensen en zijn samenwerking met organisaties uit het maatschappelijk middenveld; betreurt het dat de jaarverslagen en de speciale verslagen van de ombudsman niet zijn besproken in het parlement en bijgevolg niet kunnen worden gepubliceerd en niet officieel erkend zijn; roept de regering en het parlement op tot betere samenwerking met de ombudsman; betreurt het dat de ombudsman tot dusver door de regering niet regelmatig en tijdig wordt geïnformeerd of geraadpleegd over relevante wetsontwerpen; stelt met bezorgdheid vast dat het budget voor de ombudsman ontoereikend blijft en nog verder verlaagd is; onderstreept dat de instelling meer financiële en politieke steun nodig heeft van zowel het parlement als de regering om haar taken te kunnen blijven uitvoeren; roept op tot een brede bewustmakingscampagne waarin de rol en het belang van deze instelling wordt benadrukt;
18. verzoekt het parlement en de regering alsmede andere relevante overheidsinstellingen om de integriteit en onafhankelijkheid van essentiële instellingen als de landelijke politie, de Hoge Raad voor justitie, de Hoge Inspectie voor de aangifte en controle van activa, de Autoriteit voor audiovisuele media en het Nationale Bureau voor statistiek te behouden en te stimuleren;
19. is bezorgd over het feit dat bloedwraak in Albanië blijft voortbestaan, hetgeen niet alleen tot moord en geweld leidt, maar ook veel kinderen noodzaakt om langdurig thuis te blijven, met alle verreikende maatschappelijke consequenties van dien voor de levens van duizenden mensen; stelt vast dat het aantal moorden wegens bloedwraak toeneemt; verzoekt de Albanese autoriteiten te reageren op de oproep van de Verenigde Naties en de aanbevelingen van de ombudsman om een betrouwbare databank op te richten, de in 2005 opgerichte coördinatieraad voor de bestrijding van bloedwraak te activeren en een actieplan voor de aanpak van bloedwraak te ontwikkelen;
20. waardeert de verbetering van de dialoog tussen het maatschappelijk middenveld en de regering en benadrukt dat de bereikte resultaten moeten worden geconsolideerd, verdiept en verbreed, zowel wat betreft democratie, mensenrechten en burgerlijke vrijheden als het scheppen van een wettelijk kader voor nieuwe hervormingen; onderstreept de essentiële rol van het maatschappelijk middenveld in regionale samenwerking met betrekking tot de sociale en politieke aspecten; verzoekt de regering de participatie van actoren van het maatschappelijk middenveld in het beleidsvormingsproces te vergemakkelijken;
21. juicht toe dat de rechten van minderheden over het algemeen worden geëerbiedigd en dat godsdienstvrijheid wijdverbreid is; verzoekt de bevoegde autoriteiten om het klimaat van inclusie en tolerantie voor alle minderheden in het land verder te bevorderen; is bezorgd dat groepen zoals de Roma, personen met een handicap en lesbiennes, homo-, bi-, trans- en interseksuelen (LGBTI) nog steeds gediscrimineerd worden, ook door bepaalde autoriteiten; onderstreept dat alle minderheden bescherming moeten genieten; dringt er bij de regering op aan om ervoor te zorgen dat de relevante wetsbepalingen overal worden toegepast en spoort de autoriteiten ertoe aan om meer inspanningen te leveren voor bewustmaking ten aanzien van alle vormen van discriminatie; wijst erop dat het belangrijk is om de bevolking bewust te maken van de wettelijke mogelijkheden die burgers hebben om klachten in te dienen over verschillende vormen van discriminatie;
22. verzoekt om verdere maatregelen om de rechten van de Roma-minderheid te waarborgen, die nog vaak geconfronteerd wordt met discriminatie; dringt in dit verband aan op een versnelde uitvoering van het actieplan voor het decennium van de Roma om de inclusie van de Roma te versterken, op voldoende en passende financiële middelen alsook op een herziening van de wetgeving; onderstreept dat inschrijving in de bevolkingsregisters en toegang tot huisvesting en onderwijs van essentieel belang zijn om de problemen van de Roma in Albanië op te lossen; roept de regering met klem op om daadkrachtig op te treden om de nodige voorwaarden te scheppen;
23. dringt aan op passende herziening en uitvoering van de wetgeving, op bevordering van bewustmaking, voorlichting en andere activiteiten gericht op de bestrijding van de discriminatie van LGBTI, met inbegrip van straffen voor haatzaaiende uitspraken, en op het boeken van resultaten op dit gebied;
24. onderstreept het cruciale belang van professionele, onafhankelijke en pluriforme publieke en particuliere media als hoeksteen van de democratie; onderstreept het belang van toegang tot internet, aangezien de penetratiegraad in het land tot de laagste van de regio behoort, en van digitale vrijheid;
25. is ingenomen met de verbeteringen die via de goedkeuring van de wet betreffende audiovisuele media zijn aangebracht in het rechtskader voor audiovisuele media; merkt op dat het medialandschap pluralistisch en divers is; maakt zich nog steeds zorgen over de politieke invloed en inmenging in de media alsmede zelfcensuur, met name in de publieke media; benadrukt dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om de onafhankelijkheid van de mediaregulator en de openbare omroep te waarborgen; pleit voor maatregelen om journalisten en hun onderzoekswerk te beschermen; wijst erop hoe belangrijk het is om mediapluralisme te waarborgen en te bevorderen teneinde de vrijheid van meningsuiting verder te verbeteren en om te zorgen voor transparantie van eigendom en financiering van de media; wijst erop dat er een langetermijnstrategie moet worden uitgewerkt voor de ontwikkeling van publieke media binnen het nieuwe mediastelsel;
26. neemt met tevredenheid nota van het besluit van de nieuwe regering om het aantal vrouwen op hoge regeringsposten te verhogen en hoopt dat dit een positief effect zal hebben op de maatschappij in het algemeen; verzoekt om nultolerantie voor geweld tegen vrouwen en om het wegwerken van gendervooroordelen in de wetgeving en bij de tenuitvoerlegging ervan;
27. verzoekt de regering om meer inspanningen te leveren om de wetten inzake vrouwenrechten en gendergelijkheid te handhaven en het desbetreffende beleid ten uitvoer te leggen, met bijzondere aandacht voor de bescherming van vrouwen tegen alle vormen van geweld en voor de gelijke deelname van vrouwen aan het openbare en politieke leven; pleit voorts voor inspanningen op gebied van gendermainstreaming op zowel centraal als plaatselijk niveau;
28. benadrukt dat de rechten en de levenskwaliteit van mensen die afhankelijk zijn van de staat, zoals gevangenen, wezen en psychiatrische patiënten, verbeterd moeten worden;
29. dringt aan op aanvullende inspanningen voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van de strategie en het actieplan voor eigendomsrechten, aangezien deze een essentiële voorwaarde vormen voor economische ontwikkeling; neemt kennis van de stappen die zijn ondernomen om het vraagstuk van illegale bouwwerken die in het hele land zijn neergezet, aan te pakken; is bezorgd over de beperkte vooruitgang die is geboekt bij de registratie en teruggave van eigendommen; verzoekt de regering om een duidelijk plan en tijdpad naar voren te schuiven voor de handhaving van arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens ten aanzien van eigendomsrechten;
30. verzoekt de overheid met klem om beleidsmaatregelen inzake hernieuwbare energie uit te werken, het probleem van afvalbeheer doeltreffender aan te pakken en milieuvriendelijk en duurzaam toerisme te ontwikkelen; is ingenomen met het recente initiatief van het maatschappelijk middenveld betreffende een referendum over de invoer van afval; is bijzonder tevreden met de stemming in het parlement van 10 oktober 2013 waarmee de vergunning voor de invoer van afval zoals bepaald in wet nr. 10463 van 22 september 2011 nietig werd verklaard;
31. dringt erop aan om in het kader van de ontwikkeling van een visumvrije regeling met de EU maatregelen te treffen tegen het groeiende aantal ongegronde asielprocedures;
Sociaal-economische hervormingen
32. verzoekt de bevoegde instanties slechte wetshandhaving en belastinginning evenals de omvangrijke informele economie resoluut aan te pakken, aangezien deze factoren de sociale cohesie en de economische vooruitzichten van het land belemmeren; spoort de nieuwe regering aan maatregelen en wetgeving ter bevordering van de werkgelegenheid, veiligheid en gezondheid op het werk, socialezekerheidsrechten, het recht op non-discriminatie op het werk, op welke grond dan ook, een gelijk loon voor mannen en vrouwen en andere arbeidsgerelateerde wetgeving, met name ten behoeve van jongeren en vrouwen, te handhaven;
33. merkt met bezorgdheid op dat er onvoldoende vorderingen zijn gemaakt op het gebied van sociaal beleid en werkgelegenheid; is ingenomen met het voornemen van de nieuwe regering om dit probleem aan te pakken; is zich bewust van de budgettaire beperkingen, maar roept toch op om de tendens van dalende begrotingen voor de uitvoering van hervormingen op het gebied van sociale bijstand en bescherming te keren; onderstreept dat er dringend sociale bijstand moet worden verleend aan de meest kwetsbare groepen werklozen; merkt met ernstige bezorgdheid op dat kinderarbeid een groot probleem blijft en roept de regering op om dit probleem daadkrachtig aan te pakken;
34. benadrukt dat Albanië de acht verdragen over de fundamentele arbeidsrechten van de IAO heeft geratificeerd; is bezorgd over het feit dat er slechts beperkte vooruitgang is geboekt op het gebied van arbeidsrechten en vakbonden; verzoekt de regering de arbeids- en vakbondsrechten verder te versterken; dringt er bij de regering op aan de eerbiediging van de arbeidswetgeving te waarborgen, zowel in de private als de publieke sector, en om de sociale trialoog te verbeteren, met het oog op een grotere rol voor de vakbonden en bredere steun voor de uitvoering van de hervormingswetgeving; merkt tot zijn bezorgdheid op dat de dialoog is opgeschort sinds het mandaat van de nationale arbeidsraad in maart 2013 is verstreken en dat de bipartite sociale dialoog erg zwak blijft, met name in de privésector; wijst erop dat de sociale dialoog en de eerbiediging van de arbeidsrechten de hoekstenen vormen van een sociale markteconomie;
35. benadrukt dat speciale aandacht moet worden besteed aan de bescherming van de rechten van kinderen en pleit voor investeringen in het leren op jonge leeftijd – met name voor kinderen uit gemarginaliseerde of minderheidsgroepen – om uitsluiting te voorkomen, alsook voor gerichte maatregelen om kinderen te verzekeren van zorg, voeding en gezinsondersteuning, teneinde te voorkomen dat armoede van generatie op generatie wordt overgedragen; beklemtoont dat de situatie van jongeren in gerechtelijke procedures onmiddellijk moet worden verbeterd, conform optimale Europese werkwijzen; benadrukt dat het belangrijk is om voor voldoende financiering voor het openbare onderwijsstelsel te zorgen; dringt er bij de autoriteiten op aan om de strategie inzake rechtspraak voor kinderen goed te keuren; benadrukt dat de wijdverbreide corruptie binnen het rechtswezen een belemmering blijft vormen voor met name de handhaving van de wetgeving tegen mensenhandel en de inspanningen om slachtoffers te beschermen;
Regionale samenwerking
36. is verheugd over de stabiliserende rol van Albanië op de Westelijke Balkan en met name over zijn betrekkingen met de buurlanden, waarvan enkele een grote Albanese minderheid kennen, alsook over zijn bijdrage aan religieuze harmonie;
37. stelt met tevredenheid vast dat de regering nationalistische uitingen afwijst en voornemens is een "zero problems"-beleid uit te werken met de buurlanden; onderstreept dat Albanië een sleutelrol vervult bij het bevorderen van goede buurbetrekkingen op de Westelijke Balkan; spoort Albanië aan zijn constructieve regionale benadering voort te zetten;
o o o
38. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regering en het parlement van Albanië.
– gezien zijn resolutie van 12 juni 2013 over democratische besluitvorming in de toekomstige EMU(1), van 23 mei 2013 over toekomstige wetgevingsvoorstellen betreffende de EMU: reactie op de mededelingen van de Commissie(2), en van 21 november 2013 over de versterking van de sociale dimensie van de Economische en Monetaire Unie (EMU)(3),
– gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de EU-instellingen en de lidstaten zich vastberaden hebben ingespannen voor het herstel van financiële geloofwaardigheid en stabiliteit, in het bijzonder door het goedkeuren en doorvoeren van structurele hervormingen, en het vaststellen van het nieuwe kader voor economisch bestuur; overwegende dat een werkelijk functionerende bankenunie deze inspanningen moet voltooien;
B. overwegende dat betere economische beleidscoördinatie noodzakelijk is om het concurrentievermogen te verbeteren, de duurzaamheid te vergroten en meer banen in de EU te creëren;
C. overwegende dat de communautaire methode de aangewezen manier is om de uitdagingen waarvoor de EU en haar munt zich gesteld zien, aan te gaan;
D. overwegende dat alle besluiten gestoeld moeten zijn op parlementaire controle en verantwoordingsplicht van het niveau waarop de besluiten genomen worden;
E. overwegende dat volledige eerbiediging en grondige toepassing van het EU-recht het uitgangspunt van dit beleid is;
F. overwegende dat de EU in een snel veranderende en instabiele geostrategische omgeving, die wordt gekenmerkt door uitdagingen op het gebied van veiligheid, de heroriëntering van de VS op de regio Azië/Stille Oceaan, en de gevolgen van de financiële crisis, haar verantwoordelijkheid moet nemen als geloofwaardige verschaffer van veiligheid met werkelijke strategische autonomie, in het bijzonder in de naburige landen, waarmee zij haar eigen veiligheid zal vergroten;
G. overwegende dat versnelde coördinatie van de samenwerking op defensiegebied het enige antwoord is dat staatshoofden en regeringsleiders kunnen geven op deze geopolitieke tendensen en op de ongecoördineerde verlaging van defensie-uitgaven;
De bankenunie
1. benadrukt het feit dat de communautaire methode de passende aanpak is voor de uitdagingen waarmee de EU en haar munt te maken krijgen, inclusief een regulering van de financiële diensten en de bankenunie;
2. herinnert de Europese Raad aan de politieke toezegging dat vóór het einde van de huidige zittingsperiode overeenstemming moet zijn bereikt over het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme; verlangt dat de Europese Raad de Raad van Ministers nogmaals dringend verzoekt de onderhandelingen over de richtlijn inzake depositogarantiestelsels en het herstel- en afwikkelingskader vóór het einde van 2013 succesvol af te ronden;
Verdieping van de EMU
3. verzoekt de Europese Raad een politieke toezegging te doen over het op de Verdragen gebaseerde wetgevingsproces dat moet leiden tot betere economische beleidscoördinatie; verwacht dat het Parlement en de andere EU-instellingen vóór het einde van de huidige zittingsperiode overeenstemming bereiken over de belangrijkste kenmerken van deze betere economische beleidscoördinatie;
4. verlangt dat op grond van deze betere economische beleidscoördinatie via de gewone wetgevingsprocedure een wetgevingshandeling over convergentierichtsnoeren wordt vastgesteld, waarin voor een bepaalde periode een zeer beperkt aantal doelstellingen wordt geformuleerd voor de meest urgente hervormingsmaatregelen;
5. herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten erop toe te zien dat de nationale hervormingsprogramma's, die moeten worden vastgesteld op basis van voornoemde convergentierichtsnoeren en gecontroleerd moeten worden door de Commissie, worden behandeld in en aangenomen door hun nationale parlementen; meent dat dit van essentieel belang is om de zeggenschap over en de democratische verantwoordingsplicht binnen het hele proces te vergroten;
6. meent dat het aangewezen is dat de lidstaten zich vastleggen op volledige tenuitvoerlegging van hun nationale en geverifieerde hervormingsprogramma's; stelt voor dat de lidstaten op grond hiervan een "convergentiepartnerschap" kunnen aangaan met de EU-instellingen, waarbij voorwaardelijke financiering van hervormingen mogelijk is;
7. beklemtoont nogmaals dat intensievere economische samenwerking hand in hand moet gaan met een op stimulansen gebaseerd mechanisme; is van mening dat eventuele extra financiering of instrumenten, zoals een solidariteitsmechanisme, integraal deel moeten uitmaken van de EU-begroting, maar wel buiten de overeengekomen maxima van het meerjarig financieel kader moeten blijven;
8. herinnert eraan dat het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur (TSCG) uiterlijk op 1 januari 2018 geïntegreerd moet zijn in het EU-recht, op grond van een beoordeling van de ervaringen met de tenuitvoerlegging ervan, zoals bepaald in artikel 16 van het TSCG;
9. herhaalt zijn principiële standpunt dat de versterkte EMU de EU niet mag verdelen, maar integendeel voor een verdere integratie en een sterker bestuur moet zorgen, waaraan ook alle niet-lidstaten van de eurozone op vrijwillige basis kunnen deelnemen;
10. verzoekt de Europese Raad artikel 15, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) ten volle te eerbiedigen;
Defensiebeleid
11. is van mening dat de EU in een snel veranderende en instabiele geostrategische omgeving, die wordt gekenmerkt door uitdagingen op het gebied van veiligheid, de heroriëntering van de VS op de regio Azië/Stille Oceaan, en de gevolgen van de financiële crisis, haar verantwoordelijkheid moet nemen als een mondiale politieke speler en geloofwaardige verschaffer van veiligheid, in het bijzonder in de naburige landen, met werkelijke strategische autonomie, om internationale vrede en veiligheid te bevorderen, haar belangen in de wereld te verdedigen en de veiligheid van haar burgers te waarborgen, waarbij zij erop toeziet dat overlap met haar huidige activiteiten in het kader van de NAVO wordt vermeden; onderstreept in dit verband dat de EU een samenhangend beleid moet voeren en deze verantwoordelijkheid sneller moet nemen en efficiënter in de praktijk moet brengen;
12. stelt vast dat de EU momenteel wordt geconfronteerd met aanzienlijke financiële beperkingen en dat in de lidstaten om zowel financiële en budgettaire als politieke redenen, die al dan niet verband houden met de crisis in de eurozone, momenteel sprake is van een ongecoördineerde verlaging van het niveau van hun defensiebudget; wijst op de potentiële negatieve gevolgen van deze maatregelen voor hun militaire capaciteiten en bijgevolg voor het vermogen van de EU om zich op effectieve wijze van haar verantwoordelijkheden op het gebied van vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid te kwijten;
13. is van mening dat de staatshoofden en regeringsleiders van de EU de kansen moeten benutten die de Europese Raad van december 2013 hun biedt door een duidelijk standpunt in te nemen vóór een sterker Europees defensiesysteem, zodat zij bovengenoemde uitdagingen aan kunnen gaan;
14. is in dit verband ingenomen met de mededeling van de Commissie van 24 juli 2013 "Naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector" (COM(2013)0542) en het definitieve verslag van 15 oktober 2013 van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid / hoofd van het Europees Defensieagentschap;
15. verzoekt de Europese Raad de voorstellen uit de verslagen van het Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid, het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en de Europese industriële en technologische defensiebasis (EDITB) ten uitvoer te leggen;
16. is van mening dat de lidstaten zich eerst moeten toeleggen op het verhelpen van de operationele tekortkomingen van het GVDB door hun steun toe te zeggen aan zowel de civiele missies als de militaire operaties van het GVDB, in het bijzonder door bij te dragen aan de capaciteit;
17. onderstreept het feit dat met het Verdrag van Lissabon verscheidene nieuwe instrumenten zijn ingevoerd die verband houden met het GVDB, waarvan in de praktijk nog geen gebruik is gemaakt; benadrukt in dit verband dat deze bepalingen ten uitvoer gelegd moeten worden om het GVDB verder te versterken, en verzoekt de Europese Raad optimaal gebruik te maken van voornoemde instrumenten (zoals permanente gestructureerde samenwerking tussen de lidstaten - artikel 46, lid 6, het startfonds (artikel 41, lid 3, VEU) en de mogelijkheid om missies en operaties in het kader van het GVDB met name aan een bepaalde groep lidstaten toe te vertrouwen (artikelen 42, lid 5, en 44, lid 1, VEU);
18. benadrukt hoe belangrijk het is een proces van strategische reflectie te starten met het oog op het formuleren van de doelstellingen en prioriteiten van de EU en het opstellen van een routekaart met een tijdschema voor intensievere samenwerking op het gebied van defensie (een witboek dat dient als kader voor het reflecteren over nationale processen);
19. verzoekt de Europese Raad uitgebreidere samenwerking aan te gaan op het gebied van bewapening, in het bijzonder door het Europees Defensieagentschap de bevoegdheid te verstrekken een volwaardige rol te spelen bij de bevordering van coördinatie, het houden van toezicht op het nakomen van toezeggingen, het voorrang geven aan investeringen in technologieën (waaronder strategische middelen zoals bijtanken in de lucht, satellietcommunicatie, strategisch luchttransport, op afstand bestuurde luchtvaartuigen, cyberdefensie en het Gemeenschappelijk Europees Luchtruim), het bereiken van een overeenstemming over meer inzet van coalities van bereidwilligen / kerngroepen, en het zoeken naar een werkbare oplossing voor het gebruik van gevechtsgroepen;
20. verzoekt de lidstaten steun toe te zeggen aan een robuust EDTIB dat de fragmentatie tegen kan gaan en de creativiteit en sterkte van Europese industrieën kan vergroten door nauwere coördinatie bij de planning van nationale defensiebegrotingen (mogelijk door het opzetten van een "Europees semester" voor defensieaangelegenheden) en nauwere samenwerking op industrieel niveau (harmonisatie van normen en certificering van defensiematerieel); verlangt dat de defensie-industrie verdere stimulansen en ondersteuning krijgt, waarbij een toezegging wordt gedaan voor ontwikkeling van cruciale defensietechnologieën en systemen (fiscale impulsen, financiële ondersteuning voor onderzoek en ontwikkeling, en de institutionalisering van synergie tussen civiele en militaire capaciteit);
21. verzoekt de lidstaten hun samenwerking en coördinatie op het gebied van de defensieaspecten die relevant zijn voor een doeltreffend GVDB, aanzienlijk te intensiveren; verzoekt de lidstaten veel ambitieuzer te zijn wat het proces van bundelen en delen betreft;
22. benadrukt dat de kracht van de EU, in vergelijking met andere organisaties, schuilt in haar unieke mogelijkheid om onder auspiciën van één politieke autoriteit – de vicevoorzitter / hoge vertegenwoordiger – het volledige scala aan politieke, economische, ontwikkelingsgerichte en humanitaire instrumenten te mobiliseren ter ondersteuning van haar civiele en militaire crisismanagement, missies en operaties, en dat deze omvattende aanpak, hetzij door "soft power", hetzij door zo nodig robuustere acties, unieke en breed gewaardeerde flexibiliteit en efficiëntie oplevert;
23. steunt de instelling van een Raad van ministers van Defensie, waarmee defensie het gewicht krijgt toegekend dat zij verdient;
24. dringt erop aan dat de staatshoofden en regeringsleiders, in het licht van het strategisch belang van de Europese defensie en de omvang van de uitdagingen waarvoor de Unie zich gesteld ziet, in december 2015 de vooruitgang die is geboekt bij de tenuitvoerlegging van de conclusies van de Europese Raad van december 2013 beoordelen en zich daarbij baseren op een tenuitvoerleggingsverslag van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid;
25. Is bijzonder verontrust door de politieke situatie in Oekraïne na de top van Vilnius, verzoekt de Europese Raad om die situatie te behandelen.
o o o
26. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad en de Commissie.
Grondwettelijke problemen in verband met meerlagige governance in de Europese Unie
223k
96k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over grondwettelijke problemen in verband met meerlagige governance in de Europese Unie (2012/2078(INI))
– gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5),
– gezien zijn standpunt van 12 september 2013 over het voorstel voor een verordening van de Raad waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen(6),
– gezien het verslag van 5 december 2012 van de voorzitters van de Europese Raad, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep getiteld "Naar een echte economische en monetaire unie"(7),
– gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2012 getiteld "Blauwdruk voor een hechte economische en monetaire unie - Aanzet tot een Europees debat"(COM(2012)0777),
– gezien zijn resolutie van 20 november 2012 met aanbevelingen aan de Commissie over het verslag van de voorzitters van de Europese Raad, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep "Naar een echte economische en monetaire unie"(8),
– gezien zijn resolutie van 23 mei 2013 over toekomstige wetgevingsvoorstellen inzake de EMU(9),
– gezien zijn resolutie van 12 juni 2013 over versterking van de Europese democratie in de toekomstige EMU(10),
– gezien artikel 48 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0372/2013),
A. overwegende dat differentiatie een essentieel aspect is van het proces van Europese integratie, alsmede een middel om de vooruitgang ervan mogelijk te maken en substantiële eerbiediging te waarborgen van het beginsel van gelijkheid, d.w.z. de gelijke behandeling van gelijke situaties en de ongelijke behandeling van ongelijke situaties;
B. overwegende dat gedifferentieerde integratie als pionier moet blijven fungeren met het oog op de verdieping van de Europese integratie, aangezien het is begonnen met een groep lidstaten, openstaat voor alle lidstaten en gericht is op volledige opname in de Verdragen;
C. overwegende dat gedifferentieerde integratie twee verschijningsvormen heeft: integratie op meerdere snelheden, waarbij landen dezelfde doelstellingen nastreven in een verschillend tempo, en meerlagige integratie, waarbij landen overeenkomen om verschillende doelstellingen na te streven;
D. overwegende dat differentiatie geen afbreuk mag doen aan de hoedanigheid van burger van de Unie, de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten, waarmee aan degenen onder hen die zich in dezelfde situatie bevinden, ongeacht hun nationaliteit, aanspraak wordt verleend op gelijke behandeling rechtens, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag;
E. overwegende dat bij alle vormen van differentiatie de eenheid, doeltreffendheid en samenhang van de Europese rechtsorde worden geëerbiedigd en derhalve versterkt, alsmede het non-discriminatiebeginsel op grond van nationaliteit, de oprichting van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen en de werking van de interne markt;
F. overwegende dat tot differentiatie kan worden overgegaan wanneer gemeenschappelijk optreden op enig moment niet mogelijk of haalbaar is;
G. overwegende dat differentiatie is verankerd, en altijd moet zijn verankerd, in het ene institutionele kader van de Europese Unie;
H. overwegende dat gedifferentieerde integratie in overeenstemming moet zijn met het subsidiariteitsbeginsel overeenkomstig artikel 5 VEU en Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;
I. overwegende dat de Verdragen voorzien in meerdere mogelijkheden en instrumenten voor gedifferentieerde integratie, zoals beperking van de territoriale draagwijdte, vrijwaringsclausules, derogaties, opt-outs, opt-ins, nauwere samenwerking en specifieke bepalingen voor de lidstaten die de euro als munt hebben, op voorwaarde dat dergelijke instrumenten geen afbreuk doen aan de eenheid, doeltreffendheid en samenhang van de Europese rechtsorde en zijn vastgelegd in het ene institutionele kader (de communautaire methode);
J. overwegend dat sommige lidstaten een opt-out hebben bedongen voor verschillende EU-beleidsterreinen - zoals vastgesteld in verschillende protocollen bij de Verdragen - die de eenheid, doeltreffendheid en samenhang van de Europese rechtsorde in gevaar kunnen brengen;
K. overwegende dat derogaties op grond van artikel 27, lid 2, VWEU differentiatie tussen bepaalde lidstaten mogelijk maken binnen een rechtshandeling die gericht is tot alle lidstaten, waarbij de geleidelijke totstandbrenging van de interne markt en het waarborgen van de werking ervan nog steeds het doel is;
L. overwegende dat in de artikelen 114, lid 4 en 5, 153, lid 4, 168, lid 4, 169, lid 4, en 193 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vrijwaringsclausules zijn opgenomen waarmee de lidstaten striktere beschermende maatregelen kunnen handhaven of invoeren binnen de draagwijdte van een rechtshandeling die gericht is tot alle lidstaten;
M. overwegende dat voor nauwere samenwerking de deelname van ten minste negen lidstaten is vereist op een terrein waarop een niet-exclusieve bevoegdheid van de Unie van toepassing is, waarbij niet-deelnemende lidstaten kunnen deelnemen aan beraadslagingen maar niet aan stemmingen, en dat nauwere samenwerking te allen tijde openstaat voor alle lidstaten;
N. overwegende dat in de procedure voor nauwere samenwerking in laatste instantie maatregelen kunnen worden vastgesteld die bindend zijn voor een groep lidstaten, na door een gekwalificeerde meerderheid van de Raad verleende toestemming en op het gebied van het GBVB na met eenparigheid van stemmen verleende toestemming;
O. overwegende dat dit mechanisme reeds wordt gebruikt voor het EU-recht inzake echtscheidingen en het Europees octrooirecht en dat het Europees Parlement en de Raad hier hun goedkeuring aan hadden gehecht binnen een belastingcontext met het oog op de invoering van een belasting op financiële transacties;
P. overwegende dat clusters van landen specifieke taken of missies kunnen vervullen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, en dat op het gebied van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid wordt overwogen een permanente kerngroep van militair capabele landen op te richten;
Q. overwegende dat het Akkoord van Schengen van 1986 en de Overeenkomst van Schengen van 1990, ondertekend door een groep lidstaten en waarmee onderlinge grenscontroles werden vervangen, de overeenkomst betreffende de sociale politiek van 1991 tussen een groep lidstaten waarmee voormalige EG-bevoegdheden op het gebied van werkgelegenheid en sociale rechten werden uitgebreid en waarmee gekwalificeerde meerderheidsstemmingen mogelijk werden gemaakt, alsmede het Verdrag van Prüm van 2005 tussen een groep lidstaten en Noorwegen inzake gegevensuitwisseling en samenwerking ter bestrijding van terrorisme, historische voorbeelden van gedifferentieerde integratie zijn;
R. overwegende dat het acquis van Schengen via het Verdrag van Amsterdam in de Verdragen is opgenomen, met opt-outs voor het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken;
S. overwegende dat het Verenigd Koninkrijk en Ierland te allen tijde kunnen verzoeken om aan alle of aan enkele van de bepalingen van het acquis van Schengen deel te nemen, en overwegende dat Denemarken gebonden blijft door het oorspronkelijke Schengenakkoord en de oorspronkelijke Schengenovereenkomst;
T. overwegende dat het Verdrag van Prüm ten dele is geïntegreerd in het EU-rechtskader;
U. overwegende dat de overeenkomst betreffende de sociale politiek via het Verdrag van Amsterdam in de Verdragen is opgenomen zonder opt-outs;
V. overwegende dat de Verdragen verschillende mogelijkheden bieden om werkgelegenheid en sociaal beleid te bevorderen maar dat die nog niet volledig zijn benut, met name wat betreft artikel 9 VWEU, artikel 151 VWEU en artikel 153 VWEU, maar ook meer in het algemeen wat betreft artikel 329 VWEU; overwegende dat een grotere sociale convergentie derhalve kan worden bereikt zonder verdragswijziging en zonder afbreuk te doen aan het subsidiariteitsbeginsel;
W. overwegende dat het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) en het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie (het 'begrotingspact') zijn gesloten in intergouvernementeel verband buiten de Verdragen om;
X. overwegende dat de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) en het ESM overeenkomsten naar internationaal recht zijn, gesloten door de lidstaten die de euro als munt hebben;
Y. overwegende dat conform het VEU en het VWEU de nodige stappen moeten worden ondernomen om het VSCB, gesloten naar internationaal recht door alle lidstaten met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Tsjechië, inhoudelijk in het rechtskader van de Unie te integreren, binnen maximaal vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het VSCB, op basis van een beoordeling van de ervaring met de tenuitvoerlegging ervan;
Z. overwegende dat het "Euro Plus"-pact, de Europa 2020-strategie en het Pact voor groei en banen in het recht van de Unie moeten worden geïntegreerd en het pad moeten effenen voor de invoering van een convergentiecode voor de economieën van lidstaten;
AA. overwegende dat internationale overeenkomsten buiten het rechtskader van de EU om, gericht op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Verdragen, gebruikt zijn als een absoluut ultima ratio-instrument voor gedifferentieerde integratie dat moet voorzien in een verplichting om de inhoud van het betreffende internationale verdrag in de Verdragen op te nemen tenzij die reeds in de Verdragen is opgenomen;
AB. overwegende dat de oprichting van de EMU een kwalitatieve stap voorwaarts was op weg naar integratie, waarbij een model voor meerlagige governance werd vastgesteld dat op zowel instellingen als procedures van toepassing is;
AC. overwegende dat aan één lidstaat desgewenst een permanente derogatie voor toetreding tot de euro wordt verleend (Protocol nr. 15), en dat een andere lidstaat over een constitutionele vrijstelling beschikt (Protocol nr. 16);
AD. overwegende dat op het gebied van monetair beleid de bepalingen betreffende de ECB voorzien in een differentiatie in de institutionele structuur, waarbij de Raad van bestuur het belangrijkste besluitvormende orgaan is, met uitsluitend leden afkomstig uit lidstaten die de euro als munt hebben, en waarbij de Algemene Raad de niet-eurolanden verenigt, alsmede in de financiële structuur, waarbij de nationale centrale banken van alle lidstaten inschrijvers zijn op het kapitaal van de ECB (artikel 28.1 van de statuten van de ECB) maar waarbij alleen de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben, overgaan tot het storten van hun aandeel in het kapitaal van de ECB (artikel 48.1 van de statuten van de ECB);
AE. overwegende dat artikel 127, lid 6, VWEU de Raad machtigt om de ECB specifieke taken op te dragen betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en andere financiële instellingen, met uitzondering van verzekeringsondernemingen, en als rechtsgrondslag van een verordening tot oprichting van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) voor de eurozone is gehanteerd, en voorziet in vrijwillige deelname van lidstaten buiten de eurozone door een nauwe samenwerking met de ECB tot stand te brengen;
AF. overwegende dat op grond van artikel 139 VWEU lidstaten die vallen onder een derogatie worden vrijgesteld van de toepassing van specifieke verdragsbepalingen en van hiermee samenhangende stemrechten;
AG. overwegende dat de artikelen 136 en 138 VWEU voorzien in een specifieke manier om maatregelen vast te stellen voor de lidstaten die de euro als munt hebben, waarbij alleen leden van de Raad die deze lidstaten vertegenwoordigen stemrecht hebben, evenals -indien noodzakelijk voor de procedure- het gehele Europees Parlement;
AH. overwegende dat artikel 136 VWEU reeds is toegepast in combinatie met artikel 121, lid 6, voor de vaststelling van regelgeving;
AI. overwegende dat op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en ruimte, artikel 184 VWEU voorziet in aanvullende programma's bij het meerjarenkaderprogramma, waaraan alleen wordt deelgenomen door een groep lidstaten, die zorg draagt voor de financiering daarvan, onder voorbehoud van een eventuele deelneming van de Unie, maar die worden vastgesteld overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure waaraan de gehele Raad en het gehele Europees Parlement deelnemen, onder voorbehoud van de toestemming van de lidstaten die betrokken zijn bij deze aanvullende programma's;
AJ. overwegende dat overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 het beginsel van de universaliteit van de begroting niet kan voorkomen dat een groep lidstaten een financiële bijdrage bestemt voor de EU-begroting of specifieke ontvangsten voor een specifieke uitgave, zoals bijvoorbeeld reeds gebeurt in het geval van de hogefluxreactor op grond van Besluit 2012/709/Euratom;
AK. overwegende dat de Eurogroep bij artikel 137 VWEU en Protocol nr. 14 tot informeel orgaan is benoemd;
AL. overwegende dat de soepele werking van de EMU noopt tot de volledige en snelle tenuitvoerlegging van de maatregelen waartoe reeds is besloten binnen het kader van de verbetering van het economisch bestuur, met name het versterkte stabiliteits- en groeipact en het Europees semester, in combinatie met een aantal groeibevorderende maatregelen;
AM. overwegende dat voor een diepere EMU een versterking van de bevoegdheden, financiële middelen en democratisch verantwoordingsplicht is vereist, en overwegende dat voor de oprichting ervan een tweeledige aanpak moet worden gevolgd, gebaseerd op: ten eerste, de onmiddellijke volledige benutting van het potentieel van de bestaande Verdragen en, ten tweede, een in een overeenkomst vast te stellen verdragswijziging;
AN. overwegende dat een doeltreffend, rechtmatig en democratisch bestuur van de EMU gebaseerd moet zijn op het institutioneel en juridisch kader van de Unie;
AO. overwegende dat de democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht moeten worden gewaarborgd op het niveau waarop beslissingen worden genomen;
AP. overwegende dat de EMU is opgericht door de Unie, wier burgers rechtstreeks op het niveau van de Unie worden vertegenwoordigd door het Europees Parlement;
A.BEGINSELEN
1. herhaalt zijn verzoek om een echte EMU die de bevoegdheden van de Unie versterkt, met name op het gebied van economisch beleid, en die haar begrotingscapaciteit en de rol en de democratische verantwoordingsplicht van de Commissie en de prerogatieven van het Parlement uitbreidt;
2. is van mening dat een dergelijke verhoogde begrotingscapaciteit gebaseerd moet zijn op specifieke eigen middelen (met inbegrip van een FTT) en een begrotingscapaciteit waaruit in het kader van de begroting van de Unie groei en sociale cohesie moeten worden ondersteund, door onevenwichtigheden, structurele verschillen en financiële noodsituaties die rechtstreeks verband houden met de monetaire unie, recht te zetten, zonder dat daarbij haar traditionele functies als financieringsbron voor gemeenschappelijke beleidsvormen mogen worden uitgehold;
3. is ingenomen met de "blauwdruk" van de Commissie; dringt er bij de Commissie op aan om zo snel mogelijk met wetgevingsvoorstellen te komen, in het kader van de medebeslissingsprocedure daar waar dit juridisch mogelijk is, zodat deze onverwijld ten uitvoer kan worden gelegd, met inbegrip van verdere begrotingscoördinatie, de uitbreiding van verdergaande beleidscoördinatie op het gebied van belastingen en werkgelegenheid, en de totstandbrenging van een adequate begrotingscapaciteit voor de EMU om de tenuitvoerlegging van de beleidskeuzes te ondersteunen; benadrukt dat voor bepaalde van deze elementen wijzigingen van de Verdragen nodig zullen zijn;
4. is van mening dat snelle maatregelen nodig zijn binnen het kader van elk van de vier bouwstenen die zijn opgenomen in het verslag getiteld "Naar een echte economische en monetaire unie", dat werd gepresenteerd door voorzitters Van Rompuy, Juncker, Barroso en Draghi, en met name:
(a)
een geïntegreerd financieel kader om te zorgen voor financiële stabiliteit in met name de eurozone en om de kosten van faillissementen van banken zoveel mogelijk te beperken voor Europese burgers; in een dergelijk kader wordt de verantwoordelijkheid voor het toezicht op het Europese niveau gebracht, en wordt voorzien in gemeenschappelijke mechanismen voor de liquidatie van banken en in een gemeenschappelijk depositogarantiestelsel;
(b)
een geïntegreerd economisch beleidskader, dat beschikt over voldoende mechanismen die ervoor zorgen dat op nationaal en Europees niveau beleid wordt gevoerd dat duurzame groei, werkgelegenheid en concurrentievermogen bevordert, en zich verdragen met de vlotte werking van de EMU;
(c)
waarborgen dat de beleidsvorming in de EMU gepaard gaat met de nodige democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht, op basis van gezamenlijke uitoefening van soevereiniteit voor gemeenschappelijk beleid en solidariteit;
5. is van mening dat een betere en duidelijkere verdeling van bevoegdheden en middelen tussen de EU en de lidstaten samen kan en moet gaan met een sterkere parlementaire betrokkenheid en verantwoordingsplicht met betrekking tot nationale bevoegdheden;
6. herhaalt dat het bestuur van een echte EMU, teneinde daadwerkelijk rechtmatig en democratisch te zijn, moet worden opgenomen in het institutionele kader van de Unie;
7. beschouwt differentiatie als een nuttig en handig instrument om verdergaande integratie te bevorderen, aangezien het de integriteit van de EU waarborgt, en is van mening dat differentiatie onmisbaar kan blijken om een echte EMU binnen de Unie te verwezenlijken;
8. benadrukt dat via de bestaande gedifferentieerde integratieprocedures in het kader van de Verdragen een eerste stap kan worden gezet op weg naar de oprichting van een echte EMU die volledig in overeenstemming is met de vereisten van een sterkere democratische verantwoordingsplicht, meer financiële middelen en betere besluitvormingscapaciteiten, en roept alle instellingen op tot snel handelen door de mogelijkheden die de bestaande Verdragen en de daarin vervatte flexibiliteitsinstrumenten bieden optimaal te benutten en zich tegelijkertijd voor te bereiden op de noodzakelijke verdragswijzigingen ter waarborging van rechtszekerheid en democratische legitimiteit; wijst er eens te meer op dat de mogelijkheid van een nieuwe intergouvernementele overeenkomst moet worden uitgesloten;
9. benadrukt dat de voor de voltooiing van een echte EMU en de oprichting van een Unie van burgers en staten noodzakelijke verdragswijzigingen kunnen voortbouwen op de bestaande instrumenten, procedures, praktijken en filosofie van gedifferentieerde integratie, terwijl de doeltreffendheid en samenhang ervan tevens worden verbeterd, en bevestigt dat het ten volle gebruik zal maken van zijn prerogatieven om bij de Raad voorstellen tot wijziging van de Verdragen in te dienen, die vervolgens moeten worden behandeld door een conventie, met als doel de structuur voor een echte EMU te voltooien;
10. herinnert eraan dat het debat over meerlagige governance geen overlapping is van de kwestie met betrekking tot multi-level governance, dat verband houdt met bevoegdheidsverdeling en betrokkenheid van nationale, regionale en plaatselijke autoriteiten;
11. benadrukt dat differentiatie open moet staan voor alle lidstaten en tot doel moet hebben uiteindelijk alle lidstaten te betrekken, aangezien dit strookt met de aard van een middel om integratie te bevorderen, de eenheid van de EU te waarborgen en de substantiële eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel te garanderen;
12. benadrukt dat een evenwicht tussen het economisch beleid en het werkgelegenheidsbeleid overeenkomstig de artikelen 121 en 148 VWEU noodzakelijk is voor een positieve ontwikkeling van de EU;
B.PROCEDURES
13. is van mening dat differentiatie, bij voorkeur en zo mogelijk, moet plaatsvinden binnen een rechtshandeling die gericht is tot alle lidstaten door middel van derogaties en vrijwaringsclausules, in plaats van via de uitsluiting bij voorbaat van sommige lidstaten van de territoriale draagwijdte van een rechtshandeling; onderstreept evenwel dat de vele derogaties en vrijwaringsclausules de eenheid van de EU en de samenhang en doeltreffendheid van het EU-rechtskader ondermijnen;
14. is van mening dat de coördinatie van economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid behoort tot de categorie van gedeelde bevoegdheden, die overeenkomstig artikel 4, lid 1, VWEU alle gebieden betreffen die niet zijn opgenomen in de uitputtende lijsten van exclusieve of ondersteunende bevoegdheden;
15. is van mening dat de specifieke aard van in het kader van artikel 136 VWEU vastgestelde maatregelen derhalve niet alleen samenhangt met het feit dat die maatregelen specifiek zijn voor de lidstaten die de euro als munt hebben, maar ook betekent dat zij een sterkere bindende werking kunnen hebben; en dat de Raad, in overeenstemming met artikel 136 van het VWEU, op aanbeveling van de Commissie en met de stem van de lidstaten die de euro als munt hebben, bindende richtsnoeren voor het economische beleid kan aannemen voor de landen van de eurozone in het kader van het Europees semester;
16. benadrukt dat wanneer bepaalde lidstaten niet willen deelnemen aan de vaststelling van een rechtshandeling op het gebied van de niet-exclusieve bevoegdheden van de Unie, er geen internationale overeenkomsten moeten worden gesloten buiten het EU-rechtskader, maar nauwere samenwerking tot stand moet worden gebracht overeenkomstig de relevante verdragsbepaling;
17. is van mening dat artikel 352 VWEU, op grond waarvan de Raad passende bepalingen kan vaststellen om een van de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken zonder dat de Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien, gebruikt kan worden in combinatie met artikel 20 VEU, zodat de flexibiliteitsclausule kan worden geactiveerd, als in de Raad geen unanieme consensus kan worden bereikt via het mechanisme voor nauwere samenwerking;
18. verzoekt de lidstaten, wanneer de noodzakelijke vooruitgang door een tussen de lidstaten uiteenlopende politieke koers wordt belemmerd, het beginsel van nauwere samenwerking uit te breiden naar het sociale en werkgelegenheidsbeleid;
19. is van mening dat uit de uitvoering van nauwere samenwerking voortvloeiende uitgaven moeten worden opgenomen in de EU-begroting als andere inkomsten of als een specifiek eigen middel, teneinde te voldoen aan de beginselen van het EU-begrotingsrecht en om de centrale positie van het Europees Parlement als begrotingsautoriteit te waarborgen;
20. verzoekt om een stelselmatige toepassing van artikel 333, lid 2, VWEU bij de totstandbrenging van een nauwere samenwerking op een gebied waarop een niet-exclusieve bevoegdheid van de Unie van toepassing is, dat verwijst naar een bijzondere wetgevingsprocedure, en verzoekt de Raad met eenparigheid van stemmen van de deelnemende leden een besluit vast te stellen waarin wordt bepaald dat zij in het kader van de nauwere samenwerking voornemens zijn volgens de gewone wetgevingsprocedure te handelen;
21. verzoekt, voor zover mogelijk, om een stelselmatige toepassing van de overbruggingsclausule van artikel 48, lid 7, VEU in andere procedures dan de procedures voor nauwere samenwerking, teneinde de democratische legitimiteit en de doeltreffendheid van het bestuur van de EMU te versterken;
22. is van mening dat wanneer de overbruggingsclausule niet kan worden toegepast, zoals bij de vaststelling van de richtsnoeren voor economisch beleid en werkgelegenheid of de jaarlijkse groeianalyse, de mogelijkheid om interinstitutionele verdragen met een bindend karakter te sluiten volledig moet worden benut;
23. herhaalt dat artikel 48 VEU ook tot doel heeft de democratische legitimiteit van verdragswijzigingen te waarborgen, door de betrokkenheid van het Europees Parlement bij de wijzigingsprocedure en van de nationale parlementen bij de daaropvolgende ratificatieprocedure verplicht te stellen;
24. is het niet eens met de term "contractuele afspraken" en spoort ertoe aan om betere manieren te zoeken om de middelen die op grond van het instrument voor concurrentievermogen en convergentie (ICC) beschikbaar worden gemaakt en de structurele hervormingen formeel met elkaar te verbinden, en wijst er opnieuw op dat het gebrek aan bevoegdheden van de Unie zo nodig kan worden ondervangen door het toepassen van de passende procedures zoals vastgelegd in de Verdragen of, bij gebrek aan een passende rechtsgrondslag, door het wijzigen van de Verdragen;
C.DEMOCRATIE EN INSTELLINGEN
25. benadrukt opnieuw dat de EMU overeenkomstig artikel 3, lid 4, VEU is opgericht door de Unie en dat de werking ervan gegrond moet zijn op representatieve democratie;
26. benadrukt dat het Europees Parlement de enige EU-instelling is waarin burgers rechtstreeks op het niveau van de Unie worden vertegenwoordigd en tevens het parlementaire orgaan van de EMU is, en dat voldoende betrokkenheid van het Parlement van essentieel belang is om de democratische legitimiteit en werking van de EMU te kunnen waarborgen en een noodzakelijke voorwaarde is om verdere stappen te kunnen ondernemen op weg naar een bankunie, een begrotingsunie en een economische unie;
27. benadrukt dat behoorlijke legitimiteit en verantwoording op nationaal en EU-niveau gewaarborgd moeten worden door respectievelijk de nationale parlementen en het Europees Parlement; herinnert aan het beginsel dat is opgenomen in de conclusies van de bijeenkomst van de Europese Raad van december 2012, namelijk dat "tijdens het gehele proces de algemene doelstelling het waarborgen van de democratische legitimiteit en de verantwoordingsplicht op het niveau waarop de beslissingen worden genomen en uitgevoerd [blijft]";
28. betreurt derhalve het gebrek aan parlementair toezicht op de trojka, de EFSF en het ESM;
29. is van mening dat een formele differentiatie van parlementaire deelnamerechten in verband met de afkomst van leden van het Europees Parlement neerkomt op discriminatie op grond van nationaliteit, dat het verbod erop een grondbeginsel is van de Europese Unie en dat het een schending vormt van het beginsel van gelijkheid voor burgers van de Unie zoals vastgelegd in artikel 9 VEU;
30. is van mening dat in het geval van overeenkomstig artikel 136 VWEU vastgestelde maatregelen, of van de totstandbrenging van een nauwere samenwerking, de asymmetrie die voortkomt uit de betrokkenheid van, enerzijds, de vertegenwoordigers van de lidstaten die de euro als munt hebben in de Raad (of van de vertegenwoordigers van de deelnemende landen) en, anderzijds, het Europees Parlement en de Commissie die alle burgers van de Unie vertegenwoordigen en het algemeen belang ervan bevorderen, volledig samenhangend is met de differentiatiebeginselen en de legitimiteit van die maatregelen niet beperkt maar juist vergroot;
31. benadrukt dat het Reglement van het Europees Parlement voldoende speelruimte biedt om specifieke vormen van differentiatie te organiseren op basis van politieke overeenstemming binnen en tussen de politieke fracties, teneinde te voorzien in een behoorlijk toezicht op de EMU; herinnert eraan dat in artikel 3, lid 4, VEU wordt verklaard dat "de Unie een economische en monetaire unie [instelt] die de euro als munt heeft", en dat Protocol 14 betreffende de Eurogroep vermeldt dat "er bijzondere bepalingen voor een versterkte dialoog tussen de staten die de euro als munt hebben, moeten worden vastgesteld, in afwachting dat de euro de munt van alle lidstaten van de Unie wordt"; wijst erop dat, indien deze toestand, die naar verondersteld wordt een overgangssituatie is, blijft voortbestaan, er binnen het Europees Parlement een passend mechanisme voor verantwoordingsplicht voor de huidige eurozone en de lidstaten die zich tot toetreding hiertoe verbonden hebben, moet worden overwogen;
32. acht het van belang de samenwerking met nationale parlementen te vergroten, op basis van artikel 9 van het aan de Verdragen gehechte Protocol nr. 1, en is ingenomen met de overeenkomst inzake de instelling van een interparlementaire conferentie om begrotings- en economisch beleid te bespreken; benadrukt desalniettemin dat deze samenwerking niet moet worden gezien als de totstandbrenging van een nieuw gemeenschappelijk parlementair orgaan, dat vanuit democratisch en constitutioneel oogpunt zowel ondoeltreffend als onwettig zou zijn, en benadrukt opnieuw dat er geen vervanging is voor een formele versterking van de volledige legitimiteit van het Europees Parlement, als parlementair orgaan op Unieniveau, met het oog op een sterker democratisch bestuur van de EMU;
33. benadrukt dat de Eurotop en de Eurogroep informele discussieorganen zijn en geen instellingen voor besluitvorming in het bestuur van de economische en monetaire unie;
34. benadrukt de centrale rol van de Commissie in het bestuur van de EMU, hetgeen eveneens wordt bevestigd in het begrotingspact en de ESM-verdragen, bij het waarborgen van de rechtsorde van de EU-Verdragen en voor het algemeen belang van de Unie als geheel;
D.GEDIFFERENTIEERDE INTEGRATIE BINNEN DE BESTAANDE VERDRAGEN: NAAR EEN ECHTE EMU
35. is van mening dat de communautaire methode gebruikt dient te worden voor alle maatregelen die tot doel hebben de EMU te versterken; herinnert aan artikel 16 van het VSCB, waarin is bepaald dat binnen maximaal vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag op basis van een beoordeling van de ervaring met de tenuitvoerlegging ervan en overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de noodzakelijke stappen moeten worden ondernomen met het doel om de inhoud van dit Verdrag in het rechtskader van de Europese Unie te integreren;
36. onderstreept dat lidstaten die de euro als munt hebben en de lidstaten die zich ertoe hebben verbonden de euro in te voeren, zich sterker moeten inspannen om de stabiliteit te verbeteren en het Verdrag beter na te leven, en om te zorgen voor een toename van het concurrentievermogen, de doeltreffendheid, de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht; herinnert eraan dat de euro de munt is van de Europese Unie en dat van alle lidstaten, met uitzondering van de lidstaten die onder een derogatie vallen, wordt verwacht dat ze te gelegener tijd de euro zullen aannemen;
37. constateert dat de nationale regeringen en de Europese instellingen, in hun pogingen om de crisis op te vangen en een respons te bieden op de structurele tekortkomingen in de architectuur van de economische en monetaire unie, een hele reeks maatregelen hebben getroffen om de financiële stabiliteit te waarborgen en het economisch bestuur te verbeteren; constateert dat deze besluiten, zoals sommige bepalingen van het sixpack en het in het leven roepen van het ESM, alleen de leden van de eurozone aangaan;
38. is verheugd over de instelling van één toezichtsmechanisme dat de eurozone beslaat en dat voor alle andere lidstaten van de EU openstaat; onderstreept dat de instelling van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor banken een onontbeerlijke etappe is in de totstandbrenging van een echte bankenunie; is van mening dat, om een oplossing te bieden voor de inherente structurele tekortkomingen van de economische en monetaire unie en de wijdverbreide afkalving van het normbesef een halt toe te roepen, de voorgestelde bankenunie vorm moet krijgen naar het voorbeeld van de eerdere hervorming van de financiële dienstensector van de Unie en van de verbetering van het economisch bestuur, met name in de eurozone, en het nieuwe begrotingskader van het Europees semester, teneinde de bankensector in de EU robuuster en concurrentiebestendiger te maken, het vertrouwen in de sector te vergroten en te zorgen voor omvangrijkere kapitaalreserves om te voorkomen dat de overheidsbegrotingen van de lidstaten in de toekomst nog moeten opdraaien voor de kosten van reddingsoperaties voor banken;
39. is uiterst bezorgd over de vertraging bij het opzetten van de bankenunie en de praktische regelingen voor de rechtstreekse herkapitalisatie van banken door het ESM; is met name verontrust over de aanhoudende fragmentatie van het bankwezen in de EU; benadrukt dat een solide en ambitieuze bankenunie een essentieel onderdeel van een hechtere EMU vormt en een belangrijk beleidsgebied is waarop het Parlement al meer dan drie jaar lang aandringt, met name sinds het zijn standpunten over de verordening betreffende de Europese Bankautoriteit heeft aangenomen;
40. beschouwt de bepaling van de GTM-verordening waarin de goedkeuring van het Europees Parlement wordt vereist voor de benoeming van de voorzitter en de vicevoorzitter van de raad van toezicht als een belangrijk precedent voor een versterkte rol van het EP in een EMU-bestuur op basis van differentiatie;
41. hecht zijn steun aan nieuwe solidariteitsinstrumenten, zoals het "instrument voor convergentie en concurrentievermogen" (ICC); is van mening dat het ICC de betrokkenheid bij en de effectiviteit van het economisch beleid kan versterken; benadrukt dat dergelijke instrumenten dusdanig moeten worden opgesteld dat rechtsonzekerheid en de toename van het democratische tekort van de Unie worden vermeden;
42. verzoekt de Commissie in het kader van het Europees semester een voorstel tot vaststelling van een convergentiecode in te dienen dat op de Europa 2020-strategie is gebaseerd en een sterke sociale pijler tot stand brengt; benadrukt dat de nationale uitvoeringsprogramma's ervoor moeten zorgen dat de convergentiecode door alle lidstaten wordt toegepast en door een op stimuli gebaseerd mechanisme wordt ondersteund;
43. onderstreept dat het bindende karakter van de economische beleidscoördinatie zou worden versterkt door gebruikmaking van een stimuleringsmechanisme;
44. wijst erop dat de invoering van een op stimuli gebaseerd uitvoeringsmechanisme voor meer solidariteit, cohesie en concurrentievermogen gepaard moet gaan met bijkomende lagen voor economische beleidscoördinatie, zoals vermeld in de verklaring van de Commissie bij het "twopack", teneinde het beginsel na te leven dat stappen in de richting van meer verantwoording en economische discipline gepaard moeten gaan met meer solidariteit;
45. benadrukt dat de mechanismen voor voorafgaande coördinatie en de instrumenten voor convergentie en concurrentievermogen moeten gelden voor alle lidstaten die de euro als munt hebben ingevoerd, en dat het voor andere lidstaten mogelijk moet zijn zich er permanent bij aan te sluiten; verzoekt de Commissie deze verplichte validering door de nationale parlementen in toekomstige wetgevingsvoorstellen op te nemen en ook te zorgen voor meer betrokkenheid van de sociale partners bij de economische coördinatie;
46. is van mening dat elk nieuw ICC dat wordt voorgesteld, gebaseerd moet zijn op voorwaarden, solidariteit en convergentie; meent dat een dergelijk instrument slechts kan worden ingevoerd wanneer sociale onevenwichtigheden zijn vastgesteld en blijkt dat belangrijke structurele hervormingen op lange termijn die duurzame groei bevorderen noodzakelijk zijn, dit op basis van een beoordeling van de samenhang tussen de convergentiecode en de nationale uitvoeringsplannen, waarbij het Europees Parlement, de Raad en de nationale parlementen formeel en naar behoren betrokken zijn;
47. is van mening dat het ICC een hefboom voor meer begrotingscapaciteit moet zijn en afgestemd moet zijn op aan voorwaarden verbonden steun voor structurele hervormingen, teneinde het concurrentievermogen, de groei en de sociale samenhang te vergroten, een betere coördinatie van het economisch beleid en meer convergentie van de economische prestaties van de lidstaten te waarborgen, en onevenwichtigheden en structurele verschillen aan te pakken; is van mening dat dergelijke instrumenten bouwstenen voor echte begrotingscapaciteit moeten zijn;
48. beschouwt de oprichting van dit instrument als een eerste stap in de richting van een grotere begrotingscapaciteit van de EMU, en benadrukt dat de financiële middelen van het ICC een integraal onderdeel moeten uitmaken van de EU-begroting, maar wel buiten de maxima van het MFK blijven, om te waarborgen dat de EU-Verdragen en het EU-recht worden geëerbiedigd en dat het Europees Parlement hierbij als de begrotingsautoriteit volledig betrokken is, door o.a. toe te staan dat de relevante begrotingskredieten per geval worden goedgekeurd;
49. verzoekt om de opneming van een nieuw eigen middel dat wordt gefinancierd door bijdragen van aan het ICC deelnemende lidstaten op grond van een gewijzigd eigenmiddelenbesluit en door de toewijzing van de inkomsten van dit nieuwe eigen middel aan de ICC-uitgaven, en verzoekt om een wijziging van de eigenmiddelenbesluiten of, indien dit niet mogelijk is, om het gebruik van de inkomsten uit de belasting op financiële transacties als andere inkomstenbron, teneinde dergelijke rechtstreekse bijdragen te compenseren;
50. dringt erop aan dat de Voorzitter van het Parlement op de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad het standpunt van het Parlement over de jaarlijkse groeianalyse presenteert; is van mening dat er over een interinstitutioneel akkoord moet worden onderhandeld om het Europees Parlement inspraak te geven bij de goedkeuring van de jaarlijkse groeianalyse en de richtsnoeren inzake economisch beleid en werkgelegenheid;
51. herhaalt zijn verzoek om versterking van de sociale dimensie van de EMU, en stelt opnieuw dat het beleid van de Unie ook werkgelegenheids- en sociaal beleid omvat;
52. wijst er opnieuw op dat er, overeenkomstig de Verdragen, rekening moet worden gehouden met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid en de waarborging van adequate sociale bescherming bij de vaststelling en tenuitvoerlegging van het beleid en de activiteiten van de Unie; verzoekt om de totstandbrenging van werkgelegenheids- en sociale ijkpunten ter aanvulling van budgettaire en macro-economische indicatoren, alsmede om voortgangsverslagen over structurele hervormingen, met als doel een passende en efficiënte omvang van de sociale investeringen te garanderen en daarmee de duurzaamheid van een sociale Europese Unie op lange termijn;
53. is ingenomen met de oprichting door de Commissie, op 2 juli 2013 en naar aanleiding van de afspraken van het "twopack", van een deskundigengroep onder voorzitterschap van Gertrude Trumpel-Gugerell, die als taak heeft de belangrijkste aspecten van een mogelijk schuldaflossingsfonds en eurobills grondig te beoordelen, met inbegrip van de wettelijke bepalingen, de financiële architectuur en de aanvullende begrotingskaders, en is voornemens een standpunt in te nemen zodra de deskundigengroep verslag heeft uitgebracht over deze kwesties;
54. is van mening dat de activiteiten van het EFSF/ESM en alle toekomstige vergelijkbare structuren moeten worden onderworpen aan regelmatige democratische controle en toezicht door het Europees Parlement; is van mening dat het ESM volledig moet worden opgenomen in het kader van de Unie;
55. wijst erop dat de trojka niet kan worden vrijgesteld van de verantwoordingsplicht; is van mening dat de Commissie regelmatig namens de trojka verslag moet uitbrengen aan het Europees Parlement, door regelmatig verslagen in te dienen; herinnert eraan dat de deelname van de EU aan het "trojka"-systeem aan democratisch toezicht door het Parlement moet worden onderworpen en verantwoording aan het Parlement moet afleggen;
E.GEDIFFERENTIEERDE INTEGRATIE EN VERDRAGSWIJZIGINGEN
56. is van mening dat in een toekomstige verdragswijziging moet worden bevestigd dat gedifferentieerde integratie een instrument is om verdere integratie te bereiken, waarbij de eenheid van de Unie wordt gewaarborgd;
57. is van mening dat via een toekomstige verdragswijziging een nieuw niveau van geassocieerd lidmaatschap kan worden ingevoerd, inclusief een gedeeltelijke opname in specifieke beleidsterreinen van de Unie, als middel om het Europees nabuurschapsbeleid te versterken;
58. is van mening dat bij een toekomstige verdragswijziging moet worden bevestigd dat de Eurotop een informele configuratie van de Europese Raad is, zoals voorzien in titel V van het VSCB;
59. stelt voor van de Eurogroep een informele configuratie van de Raad Economische en Financiële Zaken te maken;
60. verzoekt dat het met economische en financiële zaken belaste Commissielid de functie van minister van Financiën en permanente vicevoorzitter van de Commissie op zich neemt;
61. verzoekt om een omzetting -met beperkte uitzonderingen- van de stemmingsprocedures in de Raad waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist in stemmingsprocedures waarvoor een gekwalificeerde meerderheid is vereist, alsmede om een omzetting van de bestaande bijzondere wetgevingsprocedures in gewone wetgevingsprocedures;
62. verzoekt om de invoering van een rechtsgrondslag om EU-agentschappen op te richten die specifieke uitvoerende functies kunnen uitvoeren, die hen overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedures door het Europees Parlement en de Raad worden opgelegd;
63. beschouwt de stemming met omgekeerde gekwalificeerde meerderheid in het begrotingspact eerder als een politieke verklaring dan als een doeltreffend besluitvormingsinstrument, en verzoekt derhalve om de opname van de omgekeerde gekwalificeerde meerderheid in de Verdragen, met name in de artikelen 121, 126 en 136, op dusdanige wijze dat de door de Commissie ingediende voorstellen of aanbevelingen van kracht kunnen worden als het Parlement of de Raad geen bezwaar hebben gemaakt binnen een bepaalde vooraf vastgestelde periode, teneinde volledige rechtszekerheid te kunnen waarborgen;
64. verzoekt om de wijziging van artikel 136 VWEU teneinde de reikwijdte ervan uit te breiden tot vrijwillige deelname van niet-eurolidstaten, door te voorzien in volledig stemrecht overeenkomstig de procedure voor nauwere samenwerking, en verzoekt om de opheffing van de beperkingen overeenkomstig artikel 136 VWEU en om de opwaardering van dit artikel tot een algemene clausule voor de goedkeuring van rechtshandelingen betreffende de coördinatie en vaststelling van juridisch bindende minimumnormen met betrekking tot economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid;
65. verzoekt om de uitbreiding van de rechtsgrondslag van artikel 127, lid 6, VWEU naar alle financiële instellingen, met inbegrip van op de interne markt gevestigde verzekeringsmaatschappijen;
66. verzoekt om het Parlement te betrekken bij de benoemingsprocedure van de voorzitter, vicevoorzitter en andere leden van de directie van de ECB in artikel 283 VWEU, door verplicht te stellen dat het Parlement zijn goedkeuring hecht aan de aanbevelingen van de Raad;
67. verzoekt de volgende conventie om te onderzoeken of het mogelijk is een bijzondere wetgevingsprocedure in te voeren waarvoor viervijfde van de stemmen in de Raad en een meerderheid van de leden van het Parlement is vereist overeenkomstig artikel 312 VWEU, voor de vaststelling van de verordening tot bepaling van het meerjarig financieel kader;
68. verzoekt de volgende conventie om te onderzoeken of het mogelijk is een bijzondere wetgevingsprocedure in te voeren waarvoor viervijfde van de stemmen in de Raad en een meerderheid van de leden van het Parlement is vereist overeenkomstig artikel 311, lid 3, VWEU, voor de vaststelling van het eigenmiddelenbesluit;
69. verzoekt de volgende conventie te onderzoeken of het mogelijk is voor lidstaten die de euro als munt hebben en voor alle lidstaten die aan een nieuw gemeenschappelijk beleid willen deelnemen, om te voorzien in specifieke eigen middelen in het kader van de EU-begroting;
70. is van mening dat de financiële middelen van EU-agentschappen een integraal onderdeel van de begroting van de Unie moeten uitmaken;
71. pleit ervoor dat de toestemming van het Europees Parlement voor wijzigingen van de Verdragen met een meerderheid van tweederde van de leden verplicht wordt gesteld;
72. dringt erop aan dat de toekomstige conventie een zo groot mogelijke democratische legitimiteit moet hebben door ook sociale partners, het maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden erbij te betrekken, door de besluiten in plenaire vergaderingen te nemen in overeenstemming met alle democratische regels, door genoeg tijd te bieden voor ernstig en grondig overleg, door volledig transparant te opereren en door alle vergaderingen openbaar te maken;
73. pleit ervoor om de overbruggingsclausule in artikel 48, lid 7, VEU uit te breiden tot de Verdragen als geheel;
o o o
74. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de voorzitter van de Europese Raad.
Betrekkingen tussen het Europees Parlement en de instellingen die de nationale regeringen vertegenwoordigen
123k
46k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de instellingen die de nationale regeringen vertegenwoordigen (2012/2034(INI))
– gezien de artikelen 15 en 16 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 235 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien de conclusies van de Europese Raad van 25 en 26 maart 2010, van 17 juni 2010, van 16 september 2010, van 28 en 29 oktober 2010, van 16 en 17 december 2010, van 4 februari 2011, van 24 en 25 maart 2011, van 23 en 24 juni 2011, van 23 oktober 2011, van 9 december 2011, van 1 en 2 maart 2012, van 28 en 29 juni 2012, van 18 en 19 oktober 2012, van 13 en 14 december 2012, van 7 en 8 februari 2013, van 14 en 15 maart 2013 en van 27 en 28 juni 2013,
– gezien de verklaringen van de staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie naar aanleiding van de informele bijeenkomsten van de leden van de Europese Raad van 26 oktober 2011 en van 30 januari 2012,
– gezien zijn resolutie van 7 mei 2009 over de gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor de ontwikkeling van het institutioneel evenwicht van de Europese Unie(1),
– gezien zijn resolutie van 4 juli 2013 over verbetering van de modaliteiten voor de organisatie van de Europese verkiezingen van 2014(2),
– gezien de artikelen 48, 110 en 127 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A7-0336/2013),
A. overwegende dat het Verdrag van Lissabon de Europese Raad de status van EU-instelling heeft toegekend, zonder de rol ervan te wijzigen, aangezien in artikel 15, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie het volgende is bepaald: "De Europese Raad geeft de nodige impulsen voor de ontwikkeling van de Unie en bepaalt de algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten. Hij oefent geen wetgevende functie uit";
B. overwegende dat het Parlement zich volledig bewust is van de onafhankelijkheid van de Europese Raad en van de vooraanstaande rol die de verdragen eraan toekennen;
C. overwegende dat de Europese Raad, onder druk van de crisis, zijn rol echter aanzienlijk heeft uitgebreid: er was een toename van het aantal buitengewone vergaderingen en onderwerpen die normaal gesproken op het niveau van de Raad van ministers worden behandeld kwamen op het niveau van de Europese Raad ter tafel; overwegende dat de Europese Raad in dit opzicht verder is gegaan dan de cruciale verdragsbepaling volgens dewelke hij geen wetgevende functies vervult;
D. overwegende dat de verleiding voor staatshoofden of regeringsleiders om hun toevlucht te nemen tot intergouvernementele middelen de "communautaire methode" in het gedrang brengt, wat in strijd is met de verdragen;
E. overwegende dat adequate regelingen voor parlementair toezicht dienen te worden uitgevoerd om het democratische karakter van het besluitvormingsproces te versterken;
F. overwegende dat de leden van de Europese Raad overeenkomstig het Verdrag van Lissabon individueel verantwoording verschuldigd zijn aan hun nationale parlementen, maar collectief enkel aan zichzelf;
G. overwegende dat de voorzitter van de Europese Raad een initiërende rol werd toebedeeld, meestal in samenwerking met zijn ambtsgenoten van de andere instellingen, en dat hij hierdoor de facto de hoofdonderhandelaar is geworden namens de lidstaten voor onderwerpen die, sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, onder de medebeslissingsprocedure vallen;
H. overwegende dat voorzitter Van Rompuy, in overleg met de autoriteiten van het Parlement, en met name door middel van briefwisselingen, ernaar heeft gestreefd zoveel mogelijk rekening te houden met de eisen inzake informatie en transparantie: hij heeft persoonlijk de voorzitters van de commissies, de rapporteurs en sherpa's van het Parlement ontmoet om over belangrijke onderwerpen te praten; hij heeft geantwoord op schriftelijke vragen; hij heeft regelmatig verslag uitgebracht over de bijeenkomsten van de Europese Raad, ofwel aan de plenaire vergadering ofwel aan de uitgebreide Conferentie van voorzitters, en hij heeft vaak contact gehad met de voorzitters van de fracties;
I. overwegende dat deze praktijk verdient te worden geformaliseerd zodat ze kan dienen als voorbeeld voor de toekomst en overwegende dat ze eveneens dient te worden verbeterd; overwegende dat de Europese Raad, met betrekking tot het Europees octrooistelsel, een wetgevingsakkoord tussen het Parlement en de Raad in vraag heeft gesteld; dat de Europese Raad het, met betrekking tot economisch bestuur, nodig heeft geacht opnieuw te onderhandelen over bepalingen die identiek waren aan bepalingen die reeds krachtens een eerdere verordening van toepassing waren; dat de Europese Raad, met betrekking tot de Europese Bankautoriteit, in een periode van een jaar achtereenvolgens twee tegenstrijdige standpunten heeft aangenomen, wat vermeden had kunnen worden door beter rekening te houden met het standpunt van het Parlement; overwegende dat de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader 2014-2020 geleid hebben tot een ware gijzeling van het wetgevingsproces, aangezien de in de Raad wettelijk vereiste unanimiteit enkel kon worden bereikt door vooraf besluiten te nemen over bepaalde belangrijke politieke kwesties in het kader van regelgeving omtrent het te financieren beleid, wat ertoe heeft geleid dat de rol van het Parlement op deze gebieden beperkt werd tot het wijzigen van secundaire bepalingen;
J. overwegende dat het ontbreken van een formele dialoog tussen het Parlement en de Europese Raad in het kader van al deze dossiers, die per definitie de meest belangrijke zijn, het Parlement heeft belet om ten volle zijn rol te spelen als medewetgever, zoals bepaald in de verdragen; overwegende dat vaak is gebleken dat de officiële gesprekspartners van de vertegenwoordigers van het Parlement niet de bevoegdheid hadden om de regeringen werkelijk ergens tot te verbinden; overwegende dat het steeds duidelijker is dat de fungerend voorzitter van de Raad en de Raad Algemene Zaken, hoewel ze theoretisch gezien verantwoordelijk blijven voor de voorbereiding van de vergaderingen van de Europese Raad(3), in de praktijk slechts een marginale of technische rol spelen; overwegende dat de traditionele inleidende beschouwing van de Voorzitter van het Europees Parlement bij de opening van de bijeenkomsten van de Europese Raad geen toereikende procedure is;
K. overwegende dat het Europees Parlement de voorzitter van de Europese Raad niet kan oproepen voor een discussie voorafgaand aan bijeenkomsten van de Europese Raad; overwegende dat het Parlement zich niet goed organiseert voor de debatten waarin de Voorzitter verslag uitbrengt over bijeenkomsten van de Europese Raad;
L. overwegende dat het echter wel positief is dat verschillende regeringsleiders van EU-lidstaten het Parlement opzoeken als kader voor debatten over de toekomst van Europa;
M. overwegende dat de werking van de Raad van ministers een reden tot ernstige bezorgdheid is en dat noch de Europese Raad noch het roterende voorzitterschap in staat lijken de snelheid, strategie, consistentie, samenhang of transparantie van zijn werkzaamheden op te krikken tot een gewenst niveau; overwegende dat dergelijke tekortkomingen in de tweede kamer van de wetgevende macht het wetgevingsproces van de Europese Unie schaden;
N. overwegende dat artikel 17, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie voor het eerst van toepassing zal zijn na de komende Europese verkiezingen; overwegende dat deze essentiële bepaling bedoeld is om burgers de kans te geven de voorzitter van de Commissie te kiezen via de verkiezing van hun parlementsleden, zoals passend is in een parlementair systeem; overwegende dat dit resultaat enkel kan worden bereikt indien de Europese politieke partijen, het Parlement en de Europese Raad in deze geest handelen, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden, met name in het kader van het overleg dat tot doel heeft verklaring nr. 11 bij het Verdrag van Lissabon ten uitvoer te leggen;
1. is van mening dat de verbetering en formalisering van de werkbetrekkingen tussen de Europese Raad en het Parlement, in het licht van de opgedane ervaring de afgelopen vier jaar, noodzakelijk lijkt; dit kan gebeuren in de vorm van ofwel een gezamenlijke verklaring ofwel een interinstitutionele overeenkomst of een briefwisseling;
2. is van mening dat alle bijeenkomsten van de Europese Raad, behoudens uitzonderlijke noodgevallen, moeten worden voorafgegaan door een discussie in het Europees Parlement, met de mogelijkheid om een resolutie aan te nemen, en dat de voorzitter van de Europese Raad zelf de onderwerpen die op de agenda staan moet komen presenteren; is van oordeel dat het Parlement en de Europese Raad hun respectievelijke werkzaamheden zo moeten organiseren dat het Parlement de mogelijkheid heeft om zijn standpunt over deze onderwerpen kenbaar te maken en om de voorzitter van de Europese Raad in staat te stellen verslag uit te brengen na elke vergadering van de Europese Raad in de plenaire vergadering; benadrukt dat de bijeenkomsten van de Europese Raad voor zover mogelijk niet mogen plaatsvinden tijdens de weken voor plenaire vergaderingen van het Parlement;
3. herinnert eraan dat de conclusies van de Europese Raad gelden als onderhandelingsrichtsnoeren voor de ministers van de Raad en dat ze geenszins rode lijnen vormen waarover niet kan worden onderhandeld met het Parlement; vraagt dat een standaardformulering wordt opgenomen in de conclusies van de Europese Raad waarmee wordt herinnerd aan de bepalingen van artikel 15, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie;
4. dringt er bij de Europese Raad op aan om, wanneer een akkoord wordt gesloten tussen de vertegenwoordigers van het Parlement en de vertegenwoordigers van de Raad in het kader van een wetgevingsprocedure, achteraf geen uitspraken te doen over de inhoud ervan, behalve wanneer het fungerend voorzitterschap heeft verklaard dat het een akkoord ad referendum betrof;
5. stelt voor dat de voorzitter van de Europese Raad en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid samen worden uitgenodigd met de voorzitter van de Commissie om eens per jaar deel te nemen aan een debat over de interne en externe situatie van de Unie, zonder dat dit overlapt met het bestaande jaarlijkse debat over de staat van de Unie in het kader waarvan de voorzitter van de Commissie zijn werkprogramma voorstelt en verslag uitbrengt over de genomen maatregelen bij het Parlement, waaraan hij verantwoording is verschuldigd;
6. herinnert eraan dat de voorzitter van de Europese Raad, in tegenstelling tot de voorzitter van de Commissie, geen verantwoording verschuldigd is aan het Parlement en dat bij de organisatie van de debatten waaraan hij deelneemt hiermee rekening moet worden gehouden, terwijl er tegelijkertijd voor moet worden gezorgd dat ook andere leden dan de voorzitters van de fracties in dialoog kunnen treden met de voorzitter van de Europese Raad; is echter van oordeel dat de procedure voor schriftelijke vragen niet geschikt lijkt;
7. vraagt dat telkens wanneer de Europese Raad een actieplan of een procedure opstart met mogelijk een wetgevende dimensie, er tijdig in samenwerking met het Europees Parlement een besluit wordt genomen over de betrokkenheid van het Parlement, op de wijze die het meest geschikt is; staat erop dat de Voorzitter van het Parlement ten volle deel moet nemen aan bijeenkomsten van de Europese Raad wanneer interinstitutionele kwesties worden behandeld; het Europees Parlement en de Europese Raad passen vervolgens hun reglement van orde aan om de keuze van hun respectievelijke vertegenwoordigers te preciseren alsook de manier waarop ze hun onderhandelingsmandaat bekomen en verslag uitbrengen over de onderhandelingen;
8. verzoekt de Europese Raad vóór de start van de Europese verkiezingcampagne duidelijk te verklaren hoe hij, binnen zijn bevoegdheden, voornemens is de keuze van de Europese burgers te eerbiedigen bij de procedure die leidt tot de verkiezing van de voorzitter van de Commissie, overeenkomstig artikel 17, lid 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, in de context van het overleg dat zal plaatsvinden tussen het Parlement en de Europese Raad met het oog op de tenuitvoerlegging van verklaring nr. 11 bij het Verdrag van Lissabon; benadrukt dat het belangrijk is de zichtbaarheid en het Europese karakter van de verkiezingscampagne te versterken; verzoekt ieder lid van de Europese Raad op voorhand aan te kondigen hoe hij voornemens is de stem van zijn medeburgers te eerbiedigen bij de voorstelling van één of meerdere kandidaten voor de functie van Commissielid uit zijn land;
9. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de staatshoofden, regeringsleiders en parlementen van de lidstaten.
. Zie artikel 16 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
Beleid voor groene infrastructuur
135k
55k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over Groene infrastructuur (GI) - Het natuurlijke kapitaal van Europa vergroten (2013/2663(RSP))
– gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal" (COM (2013)0249),
– gezien de mededeling van de Commissie "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),
– gezien het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik (COM(2011)0571),
– gezien de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 (COM(2011)0244),
– gezien richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand(1),
– gezien Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(2),
– gezien de conclusies van de Raad Milieu van juni 2011 en die van 17 december 2012 (punt 14),
– gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020(3), met name paragraaf 50,
– gezien de studie getiteld "De economische aspecten van ecosystemen en biodiversiteit" (TEEB)(4),
– gezien het Witboek van de Commissie getiteld "Aanpassing aan de klimaatverandering: naar een Europees actiekader" (COM(2009)0147) en de mededeling van de Commissie getiteld "Een EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering" (COM(2013)0216),
– gezien de vraag aan de Commissie over "Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal" (O-000094/2013 – B7-0525/2013),
– gezien de "Territoriale Agenda van de Europese Unie 2020: naar een inclusief, slim en duurzaam Europa van diverse regio’s",
– gezien de doelstellingen van Aichi van het "strategisch plan voor biodiversiteit in de periode 2011-2020", dat in oktober 2010 door de partijen bij het Verdrag inzake biodiversiteit werd aangenomen,
– gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de afname van de biodiversiteit en de verslechtering van de toestand van onze ecosystemen moeten worden aangepakt om ervoor te zorgen dat er voort ecosysteemdiensten worden geleverd en dat het natuurlijke kapitaal wordt beschermd voor de huidige generatie en voor toekomstige generaties;
B. overwegende dat groene infrastructuur bijdraagt om ervoor te zorgen dat de natuur het volledige potentieel kan vrijgeven van de ecosysteemdiensten die zij de maatschappij kan leveren;
C. overwegende dat de afname van de biodiversiteit moet worden aangepakt om het natuurlijke kapitaal te beschermen zowel voor de huidige generatie als voor toekomstige generaties;
D. overwegende dat antropogene druk de biodiversiteit en de integriteit van de ecosystemen in de Europese Unie in gevaar brengt, ook door de fragmentatie en de vernietiging van natuurlijke habitats, de klimaatverandering en het intensievere gebruik van seminatuurlijke habitats;
E. overwegende dat biodiversiteit en het welzijn van de menselijke maatschappij nauw met elkaar verbonden zijn;
F. overwegende dat het, teneinde de biodiversiteit van de Unie te behouden en te versterken, van belang is de fragmentatie tot een minimum te beperken en de ecologische connectiviteit te versterken;
G. overwegende dat overeenkomstig Aichi-biodiversiteitsdoelstelling nr. 11 "tegen 2020 ten minste 17% van de aardoppervlakte en binnenwateren en 10% van de kust- en mariene gebieden, vooral de gebieden die van bijzonder belang zijn voor de biodiversiteit en de ecosysteemdiensten, behouden worden door middel van effectieve en op billijke wijze beheerde, ecologisch representatieve en goed verbonden systemen van beschermde gebieden en andere effectieve gebiedsgebonden instandhoudingsmaatregelen en geïntegreerd worden in de bredere land- en zeegezichten";
H. overwegende dat groene infrastructuur en landbouw nauw met elkaar verbonden zijn op het vlak van landbouwproductiviteit en bescherming van het agrarisch erfgoed en vanwege de impact van de landbouwactiviteiten op de planning op het gebied van ruimtelijke ordening en grondgebruik;
I. overwegende dat uit ervaring blijkt dat projecten op het gebied van groene infrastructuur een uitstekende gelegenheid bieden om de natuur te integreren in de maatschappij, met inbegrip van stadsomgevingen, waar een steeds groter deel van de bevolking woont, die blootstaat aan de ernstige gevolgen van het "stedelijk hitte-eilandeffect";
J. overwegende dat informatie over de manier om in diverse landschappen groene infrastructuur op efficiënte wijze te creëren, beschermen, bevorderen en gebruiken, moet worden verspreid onder de belanghebbenden en moet worden gepubliceerd;
K. overwegende dat de ervaring heeft uitgewezen dat de planning en ontwikkeling van infrastructuurprojecten sleutelfasen zijn waarin ervoor moet worden gezorgd dat de ecologische, economische en de maatschappelijke behoeften met elkaar worden geïntegreerd, zowel in stadslandschappen als in rurale landschappen;
L. overwegende dat in regionale, stedelijke en infrastructuurprogramma's en -projecten die medegefinancierd worden door de EU, elementen van groene infrastructuur moeten worden geïntegreerd en dat deze de impact op de bestaande ecosystemen moeten verzachten, om de ecologische, maatschappelijke en economische voordelen van deze programma's en projecten te vergroten;
M. overwegende dat groene infrastructuur een hele reeks ecologische, economische en sociale voordelen oplevert via natuurlijke oplossingen, die over het algemeen minder duur en duurzamer zijn en kunnen bijdragen tot het scheppen van banen;
N. overwegende dat investeringen in groene infrastructuur gewoonlijk een hoog rendement opleveren;
Algemene opmerkingen
1. is tevreden met de mededeling over groene infrastructuur en met de intentie van de Commissie om de hierin uiteengezette doelstellingen actief na te streven;
2. erkent dat groene infrastructuur van centraal belang is om het natuurlijke kapitaal van Europa op doeltreffende wijze te beschermen, om de natuurlijke habitats en soorten in stand te houden, alsook om de goede ecologische toestand van de watermassa's te vrijwaren;
3. benadrukt dat groene infrastructuur een bijdrage kan leveren aan de verschillende doelstellingen van de Unie voor 2020 en wijst erop dat groene infrastructuur dringend moet worden ontplooid en moet worden geïntegreerd in de uitvoeringsinstrumenten van het meerjarig financieel kader, teneinde daadwerkelijk bij te dragen aan het halen van de biodiversiteitsdoelstellingen van de Unie;
4. erkent dat de ontplooiing van groene infrastructuur de Unie zal helpen om te voldoen aan de internationale verplichtingen die zij is aangegaan in het kader van de Aichi-biodiversiteitsdoelstellingen en het strategisch biodiversiteitsplan voor de periode 2011-2020;
5. is tevreden met de innoverende aanpak van groene infrastructuur, die kosteneffectief is en diverse voordelen en oplossingen biedt waarbij ecologische, sociale en economische doelstellingen met elkaar kunnen worden verzoend;
Integratie in verschillende beleidsterreinen
6. benadrukt dat groene infrastructuur in alle beleidsdomeinen van de EU en overeenkomstige financieringsregelingen moet worden geïntegreerd door de beste praktijken van de lidstaten als voorbeeld te gebruiken;
7. wijst erop dat groene infrastructuur een bijzonder belangrijke rol kan spelen in steden, waar vandaag een steeds groter deel van de bevolking woont en waar GI diensten kan leveren als schone lucht, beheersing van de temperatuur en verzachting van het lokale "hitte-eilandeffect", recreatiegebieden, bescherming tegen overstromingen, regenwaterretentie en voorkoming van overstromingen, instandhouding van het grondwaterpeil, de afname van biodiversiteit herstellen of stoppen, matiging van extreme klimaatgebeurtenissen en de effecten daarvan en verbetering van de gezondheid van burgers en de levenskwaliteit in het algemeen, onder meer door te voorzien in toegankelijke en betaalbare locaties voor lichaamsbeweging; benadrukt het verband tussen groene infrastructuur en volksgezondheid en is van mening dat investeringen in groene infrastructuur tevens investeringen in volksgezondheid zijn;
8. benadrukt dat de bijdrage van groene infrastructuur een essentieel begeleidend element is van het Natura 2000-netwerk doordat zij de coherentie en de veerkracht van dit netwerk versterkt, dat de bescherming dient van essentiële soorten en habitats van de Europese natuur, en helpt bij de instandhouding van de levering van ecosysteemdiensten die worden geraamd op honderden miljarden EUR per jaar; wijst in dit verband op de complementariteit tussen de wetgeving omtrent Natura 2000 en het initiatief groene infrastructuur;
9. dringt er bij de lidstaten op aan kwesties in verband met groene infrastructuur te integreren in de ruimtelijke ordening en er prioriteit aan te geven door belanghebbenden "in het veld" en lokale bewoners te raadplagen en hen via voorlichtingscampagnes bewust te maken, waarbij alle besluitvormingsniveaus (lokaal, regionaal en nationaal) worden betrokken, en vraagt de Commissie richtsnoeren en benchmarking op dit gebied te ondersteunen om ervoor te zorgen dat groene infrastructuur in de hele Unie een standaardonderdeel van ruimtelijke ordening en territoriale ontwikkeling wordt; merkt op dat eventuele negatieve effecten op de ecosystemen en de bestaande groene infrastructuur uitvoerig moeten worden beoordeeld in de vergunningsprocedures voor nieuwe ontwikkelingen of grijze infrastructuur, teneinde deze effecten te voorkomen en te verzachten en daadwerkelijk te zorgen voor maatschappelijke langetermijnvoordelen;
10. roept de Commissie en de lidstaten op gebruik te maken van alle EU-financieringsinstrumenten, o.a. in het kader van het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouwbeleid, in het bijzonder ecologische aandachtsgebieden, om groene infrastructuur, waar gepast, te bevorderen, teneinde te zorgen voor de levering van een brede waaier van ecosysteemdiensten en voor de bescherming van de natuurlijke processen in plattelands- en stadsgebieden; roept de Commissie op regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over het gebruik van GLB-middelen ter ondersteuning van groene infrastructuur; benadrukt in dit opzicht de belangrijke rol van groene infrastructuur voor de bescherming van bijen en bijgevolg voor het goede verloop van de bestuiving;
11. onderstreept dat groene infrastructuur positieve effecten heeft op de vermindering van de klimaatverandering, doordat zij een positieve invloed heeft op de koolstofvoorraden en de broeikasgasevenwichten, vooral met betrekking tot het behoud van veengronden, seminatuurlijke en natuurlijke bossen en wouden en andere koolstofrijke ecosystemen, en zo bijdraagt tot de tenuitvoerlegging van het klimaatbeleid van de EU;
12. ondersteunt inspanningen om ruimtelijke ordening en de ontwikkeling van groene infrastructuur in kustgebieden te koppelen, teneinde de biodiversiteit te waarborgen en te zorgen voor de duurzame ontwikkeling van kustlandschappen;
13. wijst op de essentiële rol die groene infrastructuur speelt in de aanpassing aan de klimaatverandering, aangezien zij de ecologische samenhang tussen de Natura 2000-gebieden vergroot, grotere mobiliteit en veranderingen in de spreiding van de soorten over en binnen de Natura 2000-gebieden vergemakkelijkt en voorziet in de schaalaanpassing van het landschap ten behoeve van de biodiversiteit, waarmee groene infrastructuur bijdraagt tot de tenuitvoerlegging van het EU-natuurbeleid en ecosysteemgerichte aanpassingen aanmoedigt en realiseert in andere sectoren, waaronder waterbeheer en voedselveiligheid;
14. meent dat het essentieel is voor de lidstaten, en met name de lidstaten die grenzen aan de zee, om groene infrastructuur toe te passen rond hun havengebieden en vervoersplannen te ontwikkelen die de vergroening van deze gebieden bevorderen;
15. vestigt de aandacht op het feit dat een vermindering van de aan natuurrampen verbonden risico's – zoals overstromingen en bosbranden – ook een positief effect is van de creatie of het herstel van groene infrastructuur, bijvoorbeeld in de vorm van natuurlijke overstromingsgebieden, bosareaal, drasland enz., hetgeen de rampbestendigheid kan verbeteren, kan helpen bij de aanpassing aan de klimaatverandering en de daarmee gepaard gaande kosten voor de samenleving aanzienlijk kan doen verminderen;
16. wijst erop dat de bosbouwsector volledig bij dit beleidsterrein moet worden betrokken om de vele voordelen te kunnen benutten, naast de productie van hout en biomassa, die duurzaam bosbeheer en de instandhouding van natuurlijke bossen opleveren, en om gefragmenteerd of vernietigd bosareaal te herstellen;
17. is tevreden met het initiatief om groene infrastructuur te bevorderen als een instrument om bij te dragen tot het filteren van water, tot de preventie van erosie, tot het behoud van de grondwaterspiegel en bijgevolg ook tot de juiste tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water, de hoogwaterrichtlijn en de toepasselijke waterwetgeving, zoals voorgesteld in het plan, en tot geïntegreerd kustbeheer en mariene ruimtelijke ordening;
18. wijst erop dat het belangrijk is de vereisten op het gebied van groene infrastructuur goed te integreren in de tenuitvoerlegging van de instrumenten van het structuur- en het cohesiebeleid van de EU, met name voor de financiering van groene infrastructuur in steden, en dringt er bij de bevoegde instanties op aan om desbetreffende acties te bevorderen;
19. benadrukt het feit dat groene infrastructuur moet worden geïntegreerd in operationele programma's in het kader van EU-financieringsinstrumenten voor de periode 2014-2020;
20. dringt er bij de Commissie op aan om tijdig, d.i. uiterlijk eind 2013, de in de mededeling aangekondigde richtsnoeren en ondersteunend materiaal te voltooien om het begrip van groene infrastructuur te verbeteren en groene infrastructuur op de relevante beleidsterreinen te bevorderen, alsmede te zorgen voor financieringsmogelijkheden via operationele programma's;
21. roept de lidstaten, de regionale en de plaatselijke overheden ertoe op om de bestaande financieringsmogelijkheden zo goed mogelijk te benutten teneinde investeringen in gecoördineerde en samenhangende projecten voor groene infrastructuur te bevorderen;
Ontwikkeling van een strategie voor groene infrastructuur
22. benadrukt dat de deelname van de privésector aan de investeringen in groene infrastructuur moet worden vergroot en verzoekt de Commissie en de EIB snel een financieringsfaciliteit met innoverende financieringsmechanismen in te stellen en operationeel te maken om investeringen in groene infrastructuur en andere projecten in verband met het natuurlijke kapitaal te ondersteunen, en tegelijk de reële langetermijnondersteuning voor de ecosysteemfuncties te beoordelen; wijst er voorts op dat ook bijkomende financieringsbronnen op lokaal, regionaal en nationaal niveau zullen moeten worden onderzocht;
23. is ervan overtuigd dat de ontplooiing van groene infrastructuur ondersteund moet worden door degelijke gegevens en grondige kennis en spoort de Commissie aan er samen met het Europees Milieuagentschap, de lidstaten en andere belanghebbenden voor te zorgen dat de Unie haar capaciteit vergroot voor het in kaart brengen en beoordelen van de ecosystemen en de daarmee samenhangende ecosysteemdiensten, en dat naar behoren rekening wordt gehouden met deze informatie en kennis, onder meer bij de planning en oplevering van door de EU medegefinancierde projecten;
24. dringt er bij de Commissie op aan onderzoek, innovatie, capaciteitsopbouw, onderwijs, informatie, voorlichtings- en bewustmakingsprojecten voor de bevolking op dit gebied te bevorderen en de uitwisseling van informatie en goede praktijken te ondersteunen; wijst erop dat vaardigheden en de opleiding van personeel dat met deze innoverende aanpak overweg kan en de door ecosystemen geleverde voordelen behoorlijk kan waarderen, met name in de sectoren watervoorziening en -zuivering, afval, bouw, rampenbeheer, landbouw, toerisme en gezondheid, de ontwikkeling van groene infrastructuur faciliteren;
25. is van mening dat integratie in alle beleidsterreinen een basisvoorwaarde is om een geloofwaardig beleid met betrekking tot groene infrastructuur te kunnen voeren;
26. benadrukt de rol die landeigenaars en -beheerders, organisaties uit het maatschappelijk middenveld, burgerwetenschap, burgerverantwoordelijkheid en inspraak van het publiek kunnen spelen bij de planning, de tenuitvoerlegging, het behoud en het monitoren van projecten voor groene infrastructuur op lokaal niveau en dringt er bij de lidstaten op aan dergelijke processen te faciliteren;
27. is het eens met de ontwikkeling van een strategie die bestaat uit de opbouw van prioritaire assen voor projecten op het gebied van groene infrastructuur in Europa en benadrukt het feit dat meer grensoverschrijdende interregionale strategieën en projecten nodig zijn;
28. steunt de in de mededeling aangekondigde TEN-G en verzoekt de Commissie haar belofte inzake de ontwikkeling van een TEN-G-regeling tegen 2015 na te komen;
29. benadrukt dat er met betrekking tot groene infrastructuur potentieel is voor innovatie en dat kmo's op dit vlak een sleutelrol kunnen spelen; wijst erop dat gemeenschappelijke normen, certificering en etikettering moeten dienen als steun voor de investeringen in groene infrastructuur en de nodige ruimte moet scheppen voor pioniers;
30. kijkt uit naar de evaluatie van de biodiversiteitsstrategie in 2015, de daaropvolgende evaluatie van de mededeling betreffende groene infrastructuur in 2017, om groene infrastructuur verder te verankeren in de geplande investeringen op dit gebied op EU-niveau, en de tussentijdse evaluatie van relevante beleidsterreinen (de "gezondheidscontrole" van het GLB, de tussentijdse evaluatie van het regionale beleid enz.);
o o o
31. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
– gezien het Jaarverslag van de Europese Centrale Bank voor 2012,
– gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 123, 282 en 284, lid 3,
– gezien de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank, in het bijzonder de artikelen 15 en 21,
– gezien zijn resolutie van 2 april 1998 over democratische verantwoording in de derde fase van de EMU(1),
– gezien zijn resolutie van 17 april 2013 over het jaarverslag 2011 van de Europese Centrale Bank(2),
– gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, hierna "de GTM-verordening" genoemd,
– gezien het op 23 juni 2013 gepubliceerde 83e jaarverslag 2012‑2013 van de Bank voor Internationale Betalingen,
– gezien artikel 119, lid 1, van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A7‑0382/2013),
A. overwegende dat het bbp in de eurozone volgens de voorjaarsprognose 2013 van de diensten van de Commissie in 2012 met 0,6 % is teruggelopen, nadat het in 2011 nog een stijging van 1,4 % te zien had gegeven, en dat het in 2013 met 0,4 % zal krimpen waarna het in 2014 weer met 1,2 % zal stijgen;
B. overwegende dat volgens dezelfde prognose de werkloosheid in de eurozone van 10,2 % eind 2011 is gestegen naar 11,4 % eind 2012, en dat zij in 2013 nog verder kan oplopen tot 12,2 %, alvorens weer enigszins te dalen in 2014, en dat er aanzienlijke verschillen worden waargenomen tussen de landen van de eurozone, waar de algemene werkloosheid varieert van 4,3 % tot 25 %, terwijl er wat betreft de jeugdwerkloosheid – die over dezelfde periode beduidend is toegenomen – nog hogere percentages worden geregistreerd;
C. overwegende dat de ECB de rente in 2012 eenmaal heeft verlaagd, namelijk in juli (met 25 basispunten), en in mei 2013 nogmaals tot het historisch laagtepunt van 0,5 %;
D. overwegende dat volgens de voorjaarsprognose 2013 van de diensten van de Commissie de gemiddelde inflatie in de eurozone in 2012 2,5 % beliep, een daling ten opzichte van de 2,7 % in 2011, en dat de groei van M3 in 2011 1,5 % bedroeg, een daling ten opzichte van de 1,7 % in 2010;
E. overwegende dat het geconsolideerd financieel overzicht van het Eurosysteem eind 2012 uitkwam op een bedrag van 3 biljoen euro, wat overeenkwam met een stijging met circa 12 % in de loop van 2012;
F. overwegende dat niet-verhandelbare activa het grootste deel uitmaakten van de activa die in 2012 bij wijze van onderpand aan het Eurosysteem zijn aangeboden, en wel ongeveer 25 % van het totaal; overwegende dat niet-verhandelbare waardepapieren samen met door activa gedekte waardepapieren meer dan 40 % uitmaken van de totale activa die als onderpand zijn geponeerd;
G. overwegende dat de totale omzet van alle instrumenten op de eurogeldmarkt in het tweede kwartaal van 2012 14 % lager lag dan in het tweede kwartaal van het jaar ervoor;
H. overwegende dat de door de nationale centrale banken verstrekte ELA-faciliteiten (noodliquiditeitsbijstand) die onder de categorie "Overige vorderingen op kredietinstellingen in het eurogebied, luidende in euro" van de geconsolideerde financiële overzichten van het Eurosysteem zijn opgenomen, in 2012 een ongekende omvang bereikten, met een totaal van 206 miljard euro aan het eind van 2012;
I. overwegende dat bij de langerlopende herfinancieringstransacties van de ECB van februari 2012 529,5 miljard euro is verstrekt aan in de eurozone gevestigde financiële instellingen, in de vorm van leningen met een looptijd van drie jaar en een aanvankelijke rente van 1 %;
J. overwegende dat het groeitempo van de kredietverlening door MFI's aan ingezetenen van de eurozone van december 2011 tot december 2012 drastisch is teruggelopen, namelijk van 1 % in december 2011 tot 0,4 % in december 2012, en dat de kredietverlening aan de particuliere sector in december 2012 met 0,7 % is gedaald;
K. overwegende dat, eveneens volgens de voorjaarsprognose 2013 van de diensten van de Commissie, de gemiddelde bruto-overheidsschuld in de eurozone van 88 % van het bbp in 2011 is opgelopen tot 92,7 % in 2012, en dat het totale overheidstekort daalde van 4,2 % tot 3,7 % van het bbp;
L. overwegende dat de ECB Europese banken in december 2011 en februari 2012 via langerlopende herfinancieringstransacties voor meer dan 1 biljoen euro – respectievelijk voor 489 en 529,5 miljard euro – aan door onderpand gedekte leningen heeft verstrekt met een maximale looptijd van 3 jaar en een rente die gekoppeld was aan het gemiddelde tarief van de belangrijkste herfinancieringstransacties van de ECB gedurende de looptijd van de transacties;
M. overwegende dat de Europese economische prognose van het voorjaar van 2012 wees op een laag ondernemers- en consumentenvertrouwen, een hoge werkloosheid die de particuliere consumptie deed afnemen, en een afnemende groei van de export sinds 2010, die de groei van het bbp in 2011 en 2012 heeft doen afvlakken;
N. overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) de ruggengraat van de economie van de eurozone blijven, ongeveer 98 % van alle ondernemingen in de eurozone uitmaken, werk verschaffen aan ongeveer drie kwart van de werknemers in de eurozone en ongeveer 60 % van de toegevoegde waarde genereren;
O. overwegende dat de kredietwaardigheid en de financiële gezondheid bij kmo's sterker zijn afgenomen dan bij grote ondernemingen en dat de aanhoudende zwakke economische situatie de asymmetrische informatieproblematiek van kmo's hebben verergerd;
P. overwegende dat de enquête betreffende de toegang tot financiering voor ondernemingen (SAFE) laat zien dat de winsten, de liquiditeit, de buffers en het eigen kapitaal tijdens de crisis bij kmo's een minder gunstige ontwikkeling hebben doorgemaakt dan bij grote ondernemingen;
Q. overwegende dat artikel 282 VWEU bepaalt dat de primaire doelstelling van de ECB erin bestaat de prijsstabiliteit te handhaven; overwegende dat het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) wat betreft de financiële stabiliteit onder auspiciën van de ECB opereert;
R. overwegende dat de Bank voor Internationale Betalingen in haar jaarverslag heeft vastgesteld dat door het beleid om het rentepeil in de eurozone laag te houden, de hervormingsinspanningen in de lidstaten significant zijn afgenomen;
S. overwegende dat artikel 123 VWEU en artikel 21 van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank monetaire overheidsfinanciering verbieden;
T. overwegende dat een lage inflatie de beste bijdrage is die het monetaire beleid kan leveren aan het creëren van gunstige omstandigheden voor economische groei, het scheppen van banen, sociale cohesie en financiële stabiliteit;
U. overwegende dat de nationale macroprudentiële autoriteiten bij hun optreden rekening moeten houden met de verantwoordelijkheid van het Europees Comité voor systeemrisico's op het gebied van macroprudentieel toezicht op het financiële stelsel in de EU;
V. overwegende dat instandhouding van de kredietstroom naar het mkb van bijzonder groot belang is omdat 72 % van de werknemers in de eurozone bij mkb-bedrijven in dienst zijn en er bij deze bedrijven in brutotermen beduidend meer banen worden gecreëerd (en verloren gaan) dan bij grote ondernemingen;
W. overwegende dat nog geen gevolg is gegeven aan de aanbevelingen van het Europees Parlement in zijn eerdere resoluties over de jaarverslagen van de ECB ten aanzien van de transparantie van de stemmingsuitslagen en de publicatie van beknopte vergadernotulen;
X. overwegende dat op 28 september 2012 een bedrag van 315 754 miljoen euro in de depositofaciliteit was ondergebracht;
Y. overwegende dat de kredietverlening in de eurozone als geheel jaarlijks met 2 % afneemt en dat dit fenomeen nog sterker is in sommige landen zoals Spanje, waar voor 2012 een jaarlijkse teruggang van 8 % werd genoteerd;
Z. overwegende dat de financieringskosten voor mkb-bedrijven veel hoger liggen, afhankelijk van het land in de eurozone waar ze gevestigd zijn, en dat de interne markt hierdoor verstoord raakt;
AA. overwegende dat de kredietschaarste waar mkb-bedrijven in bepaalde delen van de eurozone momenteel door getroffen worden een van de fundamentele problemen is die het economisch herstel vertragen;
Monetair beleid
1. is ingenomen met de doortastende maatregelen die de ECB in 2012 heeft getroffen en die een doorslaggevende rol hebben gespeeld bij de stabilisering van de bankensector en hebben bijgedragen tot het verbreken van de interrelatie tussen banken en overheid;
2. is ernstig verontrust over het feit dat de aanhoudend zwakke economische condities in delen van de EU de norm aan het worden zijn, hetgeen de eurozone als geheel instabiel maakt en een bedreiging vormt voor de steun voor het hele Europese project onder het publiek en bij politici;
3. merkt op dat het gebruik van basisherfinancieringstransacties, herfinancieringstransacties voor de middellange en lange termijn met volledige toewijzing tegen vaste rentes, de marginale beleningsfaciliteit, de ELA-faciliteiten en de depositofaciliteit zich in 2012 op zeer hoge niveaus handhaafde, hetgeen erop wijst dat het monetaire transmissiemechanisme en de interbancaire kredietmarkt in de eurozone zwaar onder druk stonden, ofschoon de situatie in de tweede helft van het jaar aanzienlijk verbeterde als gevolg van de stabilisering van de spreads en van de onevenwichtigheden binnen TARGET II;
4. is van mening dat de positieve effecten van de besluiten van juli 2012 om de voornaamste ECB-rentetarieven te verlagen beperkt zijn, aangezien het monetaire transmissiekanaal in grote delen van de eurozone niet functioneert of ernstig verstoord is; brengt in herinnering dat zeer lage rentetarieven op de lange termijn het bedrijfsleven kunnen verstoren en schadelijk kunnen zijn voor particuliere spaartegoeden en pensioenplannen;
5. wijst erop dat de president van de ECB op 8 juli 2013 ten overstaan van de Commissie economische en monetaire zaken van het EP heeft aangekondigd dat de basisrentevoet van de ECB waarschijnlijk gedurende langere tijd op het huidige niveau gehandhaafd zal blijven of nog verder zal worden verlaagd, aangezien de vooruitzichten voor de inflatie ook voor de middellange termijn globaal gematigd zijn, gelet op de veelal zwakke conjunctuur en de gematigde monetaire dynamiek;
6. wijst er met bezorgdheid op dat de liquiditeitsvraag van het bankwezen bij het Eurosysteem in 2012 is toegenomen, zodat het bankwezen sterker afhankelijk is geworden van de steun van het Eurosysteem, en waarschuwt voor de risico's die aan deze vorm van afhankelijkheid verbonden zijn;
7. is van mening dat de in maart 2012 verrekende driejaars langerlopende herfinancieringstransactie heeft bijgedragen aan de stabilisatie van het bankenstelsel, maar dat het hier bij een tijdelijke maatregel dient te blijven; merkt op dat, in weerwil van de liquiditeit die middels langerlopende herfinancieringstransacties in het bankensysteem is gepompt, de beschikbaarheid van krediet voor de reële economie nog steeds achter blijft bij de niveaus van voor de crisis; is zich ervan bewust dat de vraag naar krediet bij ondernemingen momenteel zeer gering is, waardoor het voor banken moeilijk is om geld uit te lenen;
8. is ernstig bezorgd omtrent de overdracht van risico's van banken en overheden in moeilijkheden naar de balans van de ECB als gevolg van het ECB-besluit om "onbeperkte" hoeveelheden kortlopende overheidsschuld op te kopen; benadrukt dat langerlopende herfinancieringstransacties geen fundamentele oplossing voor de crisis bieden;
9. is van mening dat nationale centrale banken hun functies moeten verrichten op een wijze die volledig strookt met hun functionele, institutionele en financiële onafhankelijkheid, teneinde de correcte uitvoering van hun taken uit hoofde van het Verdrag en van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en de ECB te kunnen waarborgen;
10. onderstreept dat de ontoereikende groei van het Europese bedrijfsleven niet hoofdzakelijk te wijten is aan de ontoereikende mate waarin de bankensector krediet beschikbaar stelt;
11. is bezorgd over het feit dat de kredietverlening aan mkb-bedrijven zeer drastisch blijkt te zijn verkrapt omdat banken van oordeel zijn dat de kans op wanbetaling bij mkb-bedrijven groter is dan bij grotere ondernemingen en omdat mkb'ers vaak niet in staat zijn om van bancair krediet over te stappen op andere externe financieringsbronnen;
12. wijst met bezorgdheid op de sterk gefragmenteerde kredietvoorwaarden voor mkb'ers in alle landen van de eurozone;
13. wijst erop dat het programma voor de effectenmarkten tot september 2012 een belangrijke – zij het beperkte – rol heeft vervuld bij het corrigeren van bepaalde niet goed functionerende segmenten van de markt voor staatsobligaties in de eurozone;
14. is ingenomen met de instelling van de rechtstreekse monetaire transacties (OMT's), die zonder voorafgaande kwantitatieve beperkingen kunnen worden geëffectueerd teneinde een correcte doorwerking van het monetaire beleid te waarborgen, en tevens met het besluit om aan de inwerkingstelling van de OMT's strikte voorwaarden te verbinden die zijn gekoppeld aan het programma van de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit/het Europees stabiliteitsmechanisme;
15. heeft begrip voor de waarschuwingen van de Bank voor Internationale Betalingen dat het soepele monetaire beleid niet te lang mag duren; volgt met belangstelling de discussies die binnen de meeste grote centrale banken plaatsvinden over het beste tijdpad voor het afbouwen van hun soepele monetaire beleid; merkt op dat onder meer de Federal Reserve Board voornemens is het huidige beleid zo snel mogelijk los te laten; begrijpt dat de ECB een soepel beleid blijft voeren zo lang de bankensector nog niet volledig is gestabiliseerd en zo lang er nog gevaar is voor overloopeffecten naar de publieke sector, en dat dit beleid mogelijk is dankzij de lage inflatieverwachtingen voor de middellange termijn;
16. acht het noodzakelijk dat de ECB-programma's voor liquiditeitssteun naar behoren inspelen op de bezorgdheid omtrent de inflatie, bijvoorbeeld door middel van sterilisatie;
17. is in het licht van de recente ontwikkelingen in de VS van mening dat economisch herstel en een sterkere economische groei een gezonde, solide basis vormen voor het geleidelijk uitfaseren van de beleidsmaatregelen op het gebied van kwantitatieve verruiming;
18. brengt in herinnering dat de ongebruikelijke monetaire beleidsmaatregelen van de ECB als tijdelijk bedoeld waren en dat de bankensector deze derhalve geenszins mag beschouwen als een permanent instrument;
19. spoort de ECB ertoe aan om duidelijke signalen aan de markt af te geven wat betreft de geschatte duur van haar ongebruikelijke monetaire beleidsmaatregelen en om de uitfasering daarvan in gang te zetten zodra de spanning in de bankensector is verminderd, de interrelatie tussen banken en overheden kan worden verbroken en de economische indicatoren op het gebied van groei en inflatie een besluit in die zin rechtvaardigen;
20. is van mening dat de monetaire beleidsinstrumenten die de ECB sinds het begin van de crisis heeft ingezet weliswaar een welkome verademing op de noodlijdende financiële markten hebben teweeggebracht, maar dat zij tevens hebben laten zien waar hun grenzen liggen wat betreft het stimuleren van groei en de verbetering van de situatie op de arbeidsmarkt; is derhalve van mening dat de ECB zich over verdergaande maatregelen kan beraden;
21. is bezorgd over de zeer omvangrijke bedragen die in 2011 bij wijze van noodliquiditeitsbijstand (zgn. ELA-faciliteiten) ter beschikking zijn gesteld door de nationale centrale banken, en verlangt nadere opheldering en aanvullende informatie omtrent de precieze omvang van dergelijke faciliteiten en omtrent de onderliggende operaties en de daaraan verbonden voorwaarden;
22. onderkent dat de ECB naar manieren moet zoeken om mkb-bedrijven directer te bereiken, aangezien het monetaire transmissiemechanisme niet naar behoren functioneert; wijst erop dat met elkaar vergelijkbare mkb-bedrijven uit de gehele eurozone momenteel geen gelijke toegang tot krediet hebben, ook al zijn hun economische vooruitzichten en risico's concordant; verzoekt de ECB een beleid van directe aankoop van kwalitatief hoogwaardige geëffectiseerde leningen voor mkb-bedrijven te voeren, met name voor een aantal lidstaten waar het monetaire transmissiemechanisme niet functioneert; onderstreept dat dit beleid zowel in omvang als in tijd beperkt moet blijven, en volledig moet worden gesteriliseerd en gestuurd om risico's voor de balans van de ECB te voorkomen;
23. is van mening dat de ECB zeer serieus moet overwegen een specifiek programma op te zetten om mkb'ers te helpen toegang tot krediet te krijgen naar het model van het "funding for lending"-programma van de Bank of England;
24. is van mening is dat het TARGET II-vereveningssysteem van cruciaal belang is geweest voor het behoud van de integriteit van het financieel systeem van de eurozone; merkt echter op dat de significante onevenwichtigheden binnen TARGET II wijzen op vergaande fragmentatie van de financiële markten binnen de eurozone en op voortdurende kapitaalvlucht in lidstaten die te maken hebben of dreigen te worden geconfronteerd met ernstige moeilijkheden wat hun financiële stabiliteit betreft;
25. roept de ECB ertoe op het wetsbesluit inzake het OMT-programma openbaar te maken om de details en implicaties daarvan diepgaander te kunnen analyseren;
26. wijst erop dat ELA-faciliteiten in de geconsolideerde balansen van het Eurosysteem te boek worden gesteld onder de categorie "Overige vorderingen op kredietinstellingen in het eurogebied, luidende in euro", zonder dat er enige nadere toelichting of meer specifieke informatie wordt verstrekt omtrent dergelijke faciliteiten, noch omtrent de onderliggende operaties en de daaraan verbonden voorwaarden; verzoekt de ECB de verslaglegging omtrent de ontwikkeling van ELA-faciliteiten te verbeteren en per land op haar website te publiceren;
27. is verheugd over de stabilisatie van de onevenwichtigheden binnen TARGET II in de tweede helft van 2012; onderstreept dat het TARGET II-vereveningssysteem van cruciaal belang is geweest voor het behoud van de integriteit van het financieel systeem van de eurozone; blijft echter bezorgd over de aanhoudende fragmentatie van de financiële markten binnen de eurozone;
28. brengt in herinnering dat in de Verdragen is vastgelegd dat de ECB onafhankelijk is bij het voeren van haar monetaire beleid; stelt zich op het standpunt dat het voeren van monetair beleid een democratische aangelegenheid moet zijn en moet resulteren uit een afweging van de verschillende standpunten en zienswijzen, zodat de transparantie en daarmee ook de democratische controle kan worden verbeterd; wijst in dit verband op het belang van de monetaire dialoog en van de schriftelijke vragen die hierover door EP-leden zijn ingediend;
29. is bezorgd over de mogelijke neveneffecten van de voortzetting van het buitengewoon soepele monetaire beleid, zoals het nemen van buitensporige risico's, het opbouwen van financiële onevenwichtigheden, scheeftrekkingen in de prijsvorming op de markt en prikkels om het noodzakelijke herstel van de balans en de noodzakelijke hervormingen uit te stellen; spoort de ECB ertoe aan het juiste evenwicht te vinden tussen de risico's van vroegtijdige beëindiging van haar buitengewoon soepele monetaire beleid en de gevaren van verder uitstel van het loslaten daarvan;
30. onderstreept dat de ECB bij de uitvoering van haar monetaire beleids- en toezichthoudende taken moet kunnen voldoen aan de hoogste normen van verantwoordingsplicht jegens het Europees Parlement, en wijst in dit verband op het belang van de monetaire dialoog en van de schriftelijke vragen die hierover door EP-leden zijn ingediend; herinnert aan de voortdurende oproep tot meer transparantie binnen de ECB, die zou leiden tot een grotere geloofwaardigheid en voorspelbaarheid, en spreekt zijn waardering uit voor de verbeteringen die op dit terrein al zijn geïmplementeerd;
31. beschouwt de wisselkoers als een essentiële economische beleidsvariabele die gevolgen heeft voor het concurrentievermogen van de eurozone; wijst op het belang van ondersteuning van de euro als internationale valuta;
32. verzoekt de ECB om in samenwerking met de nationale centrale banken haar beleid uit te leggen ten aanzien van valutaswapovereenkomsten die bedoeld zijn om bij te dragen aan de instandhouding van de financiële stabiliteit;
Bankunie
33. merkt op dat het Europese bankenstelsel nog fragiel is en toe is aan een structurele hervorming, en dat het systeem moet worden geconsolideerd middels de ontwikkeling van een echte bankunie;
34. is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt bij de onderhandelingen over de verordening inzake het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM), waarbij aan de ECB de bevoegdheid wordt verleend om toezicht uit te oefenen op de kredietinstellingen in de eurozone; is van mening dat de instelling van het GTM ertoe zal bijdragen dat de interrelatie tussen banken en nationale overheden wordt losgekoppeld en de ontwikkeling van een gemeenschappelijk Europees crisisbeheersingsbeleid zal helpen bevorderen;
35. ervaart het als bijzonder positief betrokken te zijn geweest bij de benoeming van de president en vicepresident van de Raad van bestuur;
36. is van mening dat de instelling van het GTM het vertrouwen in de banksector dient te herstellen en de interbancaire kredietverlening en grensoverschrijdende kredietstromen nieuw leven in dient te blazen middels onafhankelijk geïntegreerd toezicht voor alle deelnemende lidstaten;
37. roept het GTM ertoe op volledig in overeenstemming te handelen met de beginselen die aan de interne markt voor financiële diensten ten grondslag liggen en het gemeenschappelijk rulebook voor financiële diensten volledig te eerbiedigen;
38. is van mening dat de ECB dankbaar gebruik zou moeten maken van de mogelijkheid om lidstaten van buiten de eurozone te betrekken bij het GTM om de toezichthoudende praktijken in de EU verder te harmoniseren;
39. onderstreept het belang van een vruchtbare samenwerking tussen de ECB en de bevoegde nationale instanties in het kader van het GTM om een doeltreffend en probleemloos toezicht te waarborgen;
40. is ingenomen met de voorbereiding van een brede evaluatie van de kwaliteit van de activa van alle banken die onder het directe toezicht van het GTM zullen vallen en waarvan de resultaten zullen worden meegenomen in de algemene stresstest die in samenwerking met het GTM in het tweede kwartaal van 2014 zal worden uitgevoerd door de Europese Bankautoriteit (EBA);
41. wijst erop dat de versterking van de positie van de ECB ten gevolge van de invoering van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme moet worden gecompenseerd door meer verantwoordingsplicht jegens de nationale parlementen en het Europees Parlement;
42. is van mening dat transparantie op het gebied van bankentoezicht van essentieel belang is, zoals ook is overeengekomen in het interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank;
43. merkt op dat de toewijzing van controletaken aan de ECB nieuwe problemen oplevert in termen van belangenconflicten, en is ingenomen met de desbetreffende bepalingen in het interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement en de ECB; wijst er nogmaals op dat de ECB, wil zij deze bepalingen volledig kunnen implementeren, striktere regels zal moeten introduceren, onder meer in de vorm van bedenktijdregelingen voor aan het Eurosysteem verbonden hoger leidinggevend personeel dat betrokken is bij bankentoezicht;
44. wijst er nogmaals op dat het van het grootste belang is dat de ECB zorgt voor een operationele scheiding tussen de kerneenheden die de ontwerpbesluiten op het gebied van monetair beleid en toezichtsbeleid voorbereiden; onderstreept dat er dringend behoefte was aan de overeenkomst tussen de ECB en het Europees Parlement voor het treffen van concrete maatregelen ter waarborging van democratische controle;
45. is van mening dat zo snel mogelijk moet worden ingestemd met de instelling van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme ter bescherming van de belastingbetalers en om het ontstaan van nieuwe bankencrises te voorkomen;
46. wijst er met het oog op de verbetering van de robuustheid van het bankenstelsel op dat het van essentieel belang is om de diversiteit van het systeem te vergroten door de ontwikkeling van kleine en middelgrote lokale banken te stimuleren;
Institutionele aangelegenheden
47. wijst erop dat de GTM-verordening voorziet in interinstitutionele afspraken tussen het Europees Parlement en de ECB inzake democratische controle waarbij de nadruk ligt op de rol van het Parlement; dringt er bij de ECB op aan, aan de nieuwe eisen te voldoen, met name wat betreft de democratische verantwoordingsplicht en de transparantie van haar toezichthoudende activiteiten;
48. verzoekt de ECB aan kritische zelfevaluatie te doen met betrekking tot alle aspecten van haar activiteiten, in het bijzonder het effect van de aanpassingsprogramma's die zij heeft helpen ontwerpen en de vraag in hoeverre de macro-economische veronderstellingen en scenario's op basis waarvan deze programma's zijn ontwikkeld achteraf toereikend zijn gebleken;
49. roept de ECB ertoe op de beknopte notulen van de vergaderingen van haar Raad van bestuur te publiceren, met inbegrip van de argumenten en de stemmingsuitslagen;
50. is diep bezorgd over de minachtende houding waarvan de Raad blijk heeft gegeven jegens de resolutie van het Parlement van 25 oktober 2012 betreffende de benoeming van een nieuw lid van de directie van de ECB(3), en merkt op dat de nodige aandacht moet worden besteed aan zowel de deskundigheid als het geslacht van leden die worden benoemd in topposities bij de ECB; is van mening dat de EU-instellingen, met inbegrip van de ECB, het goede voorbeeld moeten geven ten aanzien van het genderevenwicht en dat het van groot belang is dat het genderevenwicht in leidende posities binnen de ECB wordt verbeterd; spreekt er zijn afkeuring over uit dat de lidstaten geen gehoor hebben gegeven aan de tegenstem die het Europees Parlement zowel in de Commissie ECON als plenair heeft laten klinken omdat genderevenwicht geen factor was bij de benoeming van Yves Mersch; dringt er bij de lidstaten op aan aandacht te schenken aan het genderevenwicht met de mogelijkheid om positieve acties te ondernemen met het oog op een evenwichtige vertegenwoordiging en benoeming van mannen en vrouwen in de directie;
51. brengt in herinnering dat, overeenkomstig artikel 10, lid 4, van protocol nr. 4 van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank, de besprekingen op de vergaderingen van de Raad van bestuur vertrouwelijk zijn, maar dat de Raad van bestuur kan besluiten het resultaat van zijn beraadslagingen openbaar te maken; verzoekt de ECB in haar komende jaarverslagen met een gemotiveerde reactie te komen op het jaarverslag van het Parlement over de ECB;
o o o
52. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Europese Centrale Bank.
– gezien zijn resoluties van 17 januari 2013(1) en 12 september 2013(2) over de situatie in de Centraal-Afrikaanse Republiek,
– gezien de Resoluties van de VN-Veiligheidsraad 2088(2013) van 24 januari 2013, 2121(2013) van 10 oktober 2013, en 2127(2013) van 5 december 2013,
– gezien het rapport van de secretaris-generaal van de VN van 15 november 2013, en het verslag van Abou Moussa, vertegenwoordiger van de secretaris-generaal en hoofd van het regionale bureau van de Verenigde Naties voor Centraal Afrika,
– gezien de oproep tot hulpverlening die de Centraal-Afrikaanse premier Nicolas Tiangaye vanaf de tribune van de Verenigde Naties aan de internationale gemeenschap heeft gericht,
– gezien de brief van 20 november 2013 waarin de Centraal-Afrikaanse autoriteiten vragen dat de MISCA door Franse troepen zal worden ondersteund,
– gezien de briefing aan de Veiligheidsraad op 25 november 2013 door de the UN adjunct-secretaris-generaal van de VN Jan Eliasson over de situatie in de Centraal-Afrikaanse Republiek,
– gezien de verklaringen van 21 december 2012, 1 en 11 januari 2013, 25 maart 2013, 21 april 2013, 27 augustus 2013, en 5 december 2013 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de Centraal-Afrikaanse Republiek,
– gezien de verklaringen van 21 december 2012 over het opnieuw oplaaien van het conflict in de Centraal-Afrikaanse Republiek en van 10 september 2013 over de verergering van de crisis in de Centraal-Afrikaanse Republiek door de EU-Commissaris voor humanitaire hulp en burgerbescherming,
– gezien de herziene Overeenkomst van Cotonou,
– gezien de oprichting in mei 2013 van een internationale contactgroep inzake de Centraal-Afrikaanse Republiek die de regionale, continentale en internationale acties moet coördineren om een duurzame oplossing te vinden voor de steeds terugkerende problemen van het land,
– gezien de vergadering van de internationale contactgroep van 3 mei 2013 in Brazzaville (Republiek Congo) waar het stappenplan voor de overgang werd goedgekeurd en een bijzonder fonds werd opgericht om de CAR bij te staan,
– gezien de verklaring van de internationale contactgroep over de CAR in haar derde vergadering te Bangui op 8 november 2013,
– gezien het Statuut van Rome van 1998 van het Internationaal Strafhof (ICC), dat door de CAR in 2001 werd geratificeerd,
– gezien het Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten, dat is ondertekend door de CAR,
– gezien de persverklaring van 13 november 2013 van de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie over de situatie in de CAR,
– gezien het nieuwe operatieplan dat de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie op 10 oktober 2013 heeft vastgesteld,
– gezien het communiqué van 13 november 2013, waarin de Raad voor Vrede en Veiligheid van de AU zich verheugd betoont over de voorgenomen versterking van het Franse contingent voor een betere ondersteuning van de MISCA,
– gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 19 juni 2013 over de Centraal-Afrikaanse Republiek,
– gezien de verklaring van 27 november 2013 van de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU in Addis Ababa (Ethiopië),
– gezien de conclusies van de Raad van de EU van 21 oktober 2013 over de Centraal-Afrikaanse Republiek,
– gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,
Geweld
A. overwegende dat sinds het uitbreken van de gevechten in de CAR tegen het einde van 2012, en de overname van de macht van voormalig President François Bozizé door Séléka-rebellen in maart 2013, de CAR in complete chaos is gestort, als gevolg waarvan er ernstig gebrek bestaat aan voedsel en medicijnen;
B. overwegende dat elementen van de Séléka-coalitie sinds zij na hun militaire overwinning van 24 maart 2013 aan de macht zijn gekomen, zich steeds vaker schuldig maken aan machtsmisbruik, verkrachtingen, misdaden, fysiek geweld, diefstal, plundering en andere schendingen van de mensenrechten, zowel in de hoofdstad als in de provincie, en aan iedere vorm van controle ontsnappen; overwegende dat er steeds meer kindsoldaten worden ingezet, en het seksueel geweld toeneemt;
C. overwegende dat ook andere gewapende groepen zich aan misbruik en mishandeling schuldig maken, waarvan sommige beweren aanhangers te zijn van voormalig President Bozizé;
D. overwegende dat sinds 5 december 2013, binnen een tijdsbestek van 72 uur, 400 mensen in Bangui om het leven zijn gekomen;
E. overwegende dat de oorlog dreigt te ontaarden in een godsdienstoorlog, zoals blijkt uit de benarde positie waarin christelijke gemeenschappen zijn terechtgekomen, en dat ondanks de gemeenschappelijke pogingen van religieuze leiders om een interconfessionele oorlog te voorkomen en de traditionele vreedzame co-existentie tussen de verschillende religies en gemeenschappen te bewaren, de situatie uit de hand dreigt te lopen tenzij adequaat wordt opgetreden;
F. overwegende dat het gevaar bestaat dat de hele regio wordt aangestoken, want als de CAR een vrijhaven wordt voor terroristen, drugsmokkelaars, jihadisten en bandieten, zullen de buurlanden daar eveneens onder te lijden hebben; overwegende dat de Kameroense autoriteiten de grens met de CAR tijdelijk hebben gesloten nadat Séléka-rebellen de grensstad Toktoyo hadden aangevallen en een Kameroense grenswacht gedood;
G. overwegende dat dit geweld wordt begaan door groepen die met moderne wapens, waaronder ook zware wapens, zijn uitgerust;
H. overwegende dat gewapende conflicten zich steeds vaker zelf kunnen financieren, omdat rebellengroepen, criminele netwerken, huurlingen en rovende elites steeds vaker de hand weten te leggen op natuurlijke rijkdommen voor financiering van militaire activiteiten;
I. overwegende dat de voorlopige nationale autoriteiten niet in staat zijn de daders van het geweld in het gareel te krijgen en aan hun plicht om de bevolking te beschermen te beantwoorden;
J. overwegende dat de gewelddaden die in de CAR worden begaan, een onverwijld optreden rechtvaardigen om de risico’s tegen te gaan van massale misdaden die de bevolking in Centraal-Afrika en de stabiliteit van andere landen in de regio bedreigen;
K. overwegende dat de situatie in de CAR een klimaat dreigt op te leveren waarin transnationale criminele activiteiten maar al te goed kunnen gedijen (passage uit resolutie van de VN-Veiligheidsraad);
Veiligheid
L. overwegende dat de inzet van een troepenmacht van 1.300 man door de ECCAS (Economische Gemeenschap van Centraal-Afrikaanse staten ) in de CAR, niet heeft kunnen beletten dat het land naar volledige wetteloosheid afglijdt;
M. overwegende dat de VN-Veiligheidsraad in zijn unaniem aangenomen resolutie 2127(2013) toestemming heeft gegeven voor een zwaarder militair optreden van Franse en Afrikaanse troepen voor herstel van de veiligheid en bescherming van de burgerbevolking in de CAR, een wapenembargo heeft opgelegd en de Verenigde Naties heeft gevraagd om een eventuele vredeshandhavingsmissie;
N. overwegende dat generaal Jean-Marie Michel Mokoko (Congo) op 26 november 2013 werd benoemd tot speciale vertegenwoordiger van de Afrikaanse Unie in de Centraal-Afrikaanse Republiek en tot commandant van de Afrikaanse troepenmacht die in het land wordt ingezet (MISCA);
O. overwegende dat de MISCA voor een periode van twaalf maanden inzetbaar is, met een verlengingsclausule van zes maanden , en tot taak heeft de burgerbevolking te beschermen, de orde en veiligheid te herstellen, het land te stabiliseren en de toezending van humanitaire hulp vlot te laten verlopen;
P. overwegende dat de inzet van een ‘vredeshandhavingsmissie’ van de VN zoals door de AU aangevraagd, en mogelijk gemaakt door resolutie 2127 van de VN-Veiligheidsraad, de financiële houdbaarheid van de operatie mogelijk zou maken;
Q. overwegende dat een dergelijke VN-operatie, wil deze effectief zijn, volgens het rapport van de VN-secretaris-generaal 6.000 tot 9.000 blauwhelmen zou vergen ;
Mensenrechten
R. overwegende dat het wegvallen van de openbare orde en veiligheid in de CAR een humanitaire ramp teweeg brengt en tevens een grote bedreiging vormt voor de regionale veiligheid;
S. overwegende dat een half miljoen mensen, op een bevolking van 4,6 miljoen, op de vlucht zijn geslagen voor de moordpartijen op burgers, het platbranden van huizen en de vernietiging van elementaire infrastructuur;
T. overwegende dat de openbare aanklager van het gerechtshof van Bangui op 4 september 2013 10 jaar gevangenisstraf heeft geëist tegen de 24 voormalige Séléka-rebellen in het eerste proces tegen de plegers van wandaden in de CAR;
U. overwegende dat talloze daders van mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden niet zijn vervolgd; overwegende dat dit de idee van straffeloosheid en nog meer misdadig optreden aanmoedigt;
Humanitaire situatie
V. overwegende dat de recente Emergency Food Security Assessment (EFSA) aan het licht bracht dat 484 000 mensen in het land bloot staan aan voedselonzekerheid;
W. overwegende dat humanitaire organisaties wegens onveiligheid en onvoldoende middelen in verhouding tot de omvang van de crisis, alleen in de steden kunnen werken;
X. overwegende dat 70% van de kinderen wegens de instabiele situatie wegblijven van school;
Y. overwegende dat de Europese Unie de geregelde politieke dialoog met de CAR voortzet en de belangrijkste donor blijft van het land na haar humanitaire hulp met 8 miljoen euro te tot 20 miljoen euro hebben verhoogd; overwegende dat deze EU-hulp niet kan volstaan en dat andere internationale partners ook verplichtingen moeten aangaan;
Ontwikkeling
Z. overwegende dat de complexiteit van de crisis vraagt om een alomvattende en samenhangende respons, integraal en multidimensioneel, want alleen een militaire interventie kan de problemen niet oplossen;
AA. overwegende dat het zaak is een brede en holistische benadering aan te houden waarbij rekening wordt gehouden met de onderlinge verwevenheid tussen het beheer in de CAR over de natuurlijke hulpbronnen, en vraagstukken van vrede, veiligheid en ontwikkeling, met het oog op een blijvende oplossing;
AB. overwegende dat aanzienlijke internationale economische hulp noodzakelijk is;
AC. overwegende dat het Kimberley-proces besloten heeft de CAR te schorsen;
AD. overwegende dat de EU ondanks de onzekere situatie in de CAR de ontwikkelingssamenwerking nooit heeft opgeschort en de belangrijkste donor is gebleven van humanitaire hulp; dat de EU op 5 december 2013 50 miljoen euro heeft aangeboden aan de internationale ondersteuningsmissie onder Afrikaanse leiding in de CAR, als bijdrage aan de stabilisering van het land en de bescherming van de lokale bevolking, en ook om de voorwaarden te scheppen waaronder humanitaire hulp kan worden geboden en hervorming van de veiligheids- en defensiesector mogelijk wordt;
Geweld
1. veroordeelt ten zeerste de ernstige schendingen van de humanitaire wetgeving en de wijdverspreide schendingen van de mensenrechtenwetgeving, met name door voormalige Sékéla en militiagroepen, waaronder lynchpartijen, standrechtelijke executies, gedwongen verdwijningen, willekeurige arrestaties en detenties, marteling, seksueel en gendergerelateerd geweld en ronselen van kindsoldaten; uit zijn grote bezorgdheid over de nieuwe spiraal van geweld en wedergeweld die de CAR in zijn greep heeft en die dreigt te ontaarden in een onbeheersbare situatie waarin de meest zware misdaden worden begaan die het internationale recht kent, zoals oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid ; is evenzeer bezorgd over het mogelijke overloopeffect, waardoor de hele regio dreigt te worden gedestabiliseerd;
2. betuigt nogmaals zijn diepe bezorgdheid over de situatie in de CAR, gekenmerkt als deze is door wegvallen van recht en orde, afwezigheid van rechtsstatelijkheid en door sektarisch geweld; veroordeelt het recente geweld, dat de meest basale diensten in het land nog verder heeft geërodeerd en dat de al ernstige humanitaire situatie waarin de gehele bevolking zich bevindt nog heeft verergerd;
3. verwelkomt in dit verband het besluit van de VN-Veiligheidsraad tot een wapenembargo tegen de CAR;
Veiligheid
4. is verheugd over de aanneming van Resolutie 2127 (2013) van de VN-Veiligheidsraad op grond van hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties en verzoekt om een snelle invoering om de bevolking van de CAR verder geweld en onveiligheid te besparen;
5. is ingenomen met de snelle inzet van Franse legertroepen op grond van de door de VN-Veiligheidsraad gegeven toestemming en hun inspanningen gericht op de beëindiging van het geweld, de bescherming van de burgerbevolking en de ontwapening van de milities;
6. brengt hulde aan de nagedachtenis van twee Franse soldaten, deel uitmakend van de Afrikaanse troepen, die zijn gedood op de eerste dag van hun missie ter bescherming van de burgerbevolking van de CAR;
7. is ingenomen met de bestaande internationale inspanningen om de orde te herstellen, met inbegrip van de versterking van Micopax-vredesmacht van de Ceeac en zijn gedaantewisseling in de vredesmacht van de internationale ondersteuningsmissie ten behoeve van de Centraal-Afrikaanse Republiek (Misca), onder de verantwoordelijkheid van de Afrikaanse Unie;
8. verzoekt de internationale gemeenschap om financiële middelen, troepen en alle andere noodzakelijke bijdragen te leveren voor het vergroten van de aanwezigheid van de voornamelijk Afrikaanse internationale veiligheidsmacht en de uitvoering van zijn mandaat te verzekeren; is in dit verband ingenomen met de 50 miljoen EUR die de EU ter beschikking heeft gesteld ter ondersteuning van de internationale ondersteuningsmissie onder Afrikaanse leiding ten behoeve van de CAR;
9. betreurt het langzame tempo waarmee de vredeshandhavingsoperatie van de VN tot stand is gebracht en de tijd die de Veiligheidsraad nodig heeft gehad om een mandaat af te geven op grond van hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties;
10. is voorts van mening dat de aanpak van de gevolgen van de conflicten noodzakelijk is , met name door middel van hervorming van de strijdkrachten en veiligheidstroepen, demilitarisatie, de demobilisering en de re-integratie van ex-strijders, in overeenstemming met resolutie 2121 (2013) van de VN-Veiligheidsraad, de repatriëring van vluchtelingen, de terugkeer van binnenlandse ontheemden naar hun woningen, en de uitvoering van levensvatbare ontwikkelingsprogramma's;
11. verzoekt de Raad van de Europese Unie de mogelijkheid te onderzoeken voor opleidingen en steun aan de Internationale door Afrikaanse staten geleide steunmissie (Afism), zoals dat is gebeurd voor de missie van de Afrikaanse Unie in Somalië (Amisom), teneinde de capaciteit van de Afrikaanse troepenmacht te vergroten om de planning en de uitvoering van veiligheidsoperaties onder eigen hoede te nemen;
12. merkt op dat de recente crises in Mali en de CAR de noodzaak aantonen om het Afrikaanse continent te voorzien van een adequate continentale veiligheidscapaciteit; verzoekt in dit verband de EU en haar lidstaten hun steun te verhogen aan de effectieve totstandbrenging van de in juni 2013 ingestelde Afrikaanse capaciteit voor onmiddellijk optreden ten behoeve van crisisbeheersing (CARIC), die onmisbaar is voor de snelle inzet van de parate Afrikaanse troepenmacht (ASF);
13. spreekt de wens uit van een versterking van de regionale samenwerking in de strijd tegen het zogeheten Lord's Resistance Army;
Mensenrechten
14. benadrukt dat plegers van ernstige schendingen van de mensenrechten of het internationale humanitaire recht niet ongestraft mogen blijven; verzoekt dat de plegers van dergelijke daden worden gemeld, geïdentificeerd, vervolgd en gestraft overeenkomstig nationaal en internationaal strafrecht; wijst er in dit verband op dat de situatie in de CAR al bij het Internationaal Strafhof aanhangig is gemaakt en dat volgens het statuut van het hof er geen verjaringstermijn geldt voor genocide, misdrijven tegen de menselijkheid of oorlogsmisdrijven, en is ingenomen met de verklaring van de aanklager van het CPI op 7 augustus 2013;
15. vraagt om maatregelen die zo spoedig mogelijk worden genomen om het geweld tegen vrouwen en meisjes te bestrijden, hun bescherming te verzekeren en de straffeloosheid van plegers van dergelijke misdrijven te beëindigen;
16. is in het bijzonder ingenomen met de instelling door de VN-Veiligheidsraad van een onderzoekscommissie om meldingen over schendingen door alle partijen in de CAR van internationaal humanitair recht en grondrechten sinds januari 2013, na te trekken; vraagt alle partijen volledig met deze commissie samen te werken teneinde ervoor te zorgen dat de plegers van deze afschuwelijke daden ter verantwoording worden geroepen;
17. spoort aan tot volledige samenwerking met het Sanctiecomité dat bij resolutie 2127 (2013) van de VN-Veiligheidsraad is ingesteld;
18. dringt er bij de autoriteiten van de CAR op aan de verplichtingen na te komen die zijn verankerd in het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof, dat hun land heeft ondertekend;
19. verzoekt om de handhaving van nationale en internationale verplichtingen met betrekking tot het verbod op rekrutering en gebruik van kinderen voor legers en gewapende groepen;
Humanitaire situatie
20. is verheugd over de totstandbrenging op 9 december van een humanitaire luchtbrug van de EU, door ECHO-flights – de humanitaire luchtvervoersdienst – , teneinde de internationale inspanningen te vergroten voor de stabilisatie van de situatie in de CAR door humanitaire hulp aan de meest behoeftigen te verzorgen; prijst de inspanningen van de externe dienst en de Commissaris voor humanitaire hulp voor de snelle reactie in deze situatie;
21. vraagt de internationale gemeenschap de CAR bovenaan zijn agenda te houden en dit kwetsbare land te steunen; benadrukt in dit verband dat de humanitaire gemeenschap haar verplichtingen tegenover de CAR nakomt, ondanks de huidige politieke en veiligheidssituatie, en voldoende middelen toewijst voor een antwoord op de medische en humanitaire crisis die het land ondergaat; is bezorgd over de beperkte toegang van humanitaire hulp en veroordeelt de aanvallen op humanitaire hulpverleners; roept alle partijen in het conflict op, en in het bijzonder de Séléka-coalitie, om veilige en ongehinderde toegang voor humanitaire en noodhulporganisaties mogelijk te maken;
22. is verheugd over de verhoogde steun van de EU om de humanitaire crisis in de CAR aan te pakken, en dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan, als grootste donoren, hun werkzaamheden nog meer te coördineren met de overige donoren en de internationale instellingen om op adequate wijze te kunnen voldoen aan de dringende humanitaire behoeften en zo het lijden van de bevolking van de CAR te verzachten;
Ontwikkeling
23. vraagt de internationale contactgroep inzake de CAR, het land te voorzien van de nodige financiële hulp voor een levensvatbare economische ontwikkeling, het herstel van een werkend overheidsapparaat en van functionerende diensten en voor het tot stand brengen van werkende democratische instellingen die in staat zijn om burgers bescherming te bieden;
24. benadrukt dat een allesomvattende politieke oplossing, met inbegrip van een eerlijke verdeling van de inkomsten via de overheidsbegroting, van vitaal belang is om een oplossing voor de crisis te vinden en de weg te effenen naar een duurzame ontwikkeling van de regio;
25. veroordeelt de illegale exploitatie van natuurlijke hulpbronnen in de CAR;
26. is van oordeel dat transparantie en publieke controle in de mijnbouwsector cruciaal zijn voor een efficiënt mijnbouwbeheer en voor het openbaar maken van de activiteiten en de opbrengsten van de mijnbouw- en exportbedrijven;
27. vraagt om het treffen van maatregelen met de ondersteuning van de internationale gemeenschap, om de inspanningen voor de oplossing van de politieke crisis te verhogen en een rechtssysteem en een overheidsinfrastructuur op te bouwen, waarbij grote prioriteit wordt gegeven aan het herstel van elementaire diensten op het gebied van justitie, gezondheidszorg en onderwijs; vraagt om maatregelen die het recht op onderwijs waarborgen en bevorderen en aan de regering om haar inspanningen te verhogen ten aanzien van de uitvoering van het actieplan inzake onderwijs voor iedereen;
28. veroordeelt de vernietiging van de natuurlijke rijkdommen, met name de stroperij (resolutie van de VN-Veiligheidsraad);
Het politieke proces;
29. bevestigt opnieuw zijn steun voor de onafhankelijkheid, eenheid en territoriale integriteit van de CAR;
30. vraagt de autoriteiten van de CAR de overeenkomsten betreffende de politieke overgang zonder vertraging uit te voeren teneinde verkiezingen en de terugkeer naar een constitutioneel bestel in 2015 mogelijk te maken;
31. herhaalt zijn steun aan de eerste minister, Nicolas Tiangaye, die de steun heeft van de internationale gemeenschap;
32. vraagt om het herstel van het ambtenarenapparaat van de CAR teneinde geloofwaardige en onomstreden landelijke opiniepeilingen te organiseren om het land verder op de weg naar democratie te leiden; stelt vast dat, ondanks de inspanningen van de eerste minister Tiangaye, de structuren en de controle van de staat zodanig zijn verzwakt dat er nog maar weinig van over is gebleven; spoort aan tot de deelname van maatschappelijke organisaties in de discussies over de toekomst van de CAR;
33. dringt erop aan dat de overgangsregering de volledige deelname van vrouwen aan alle stadia van het proces (resolutie van de VN-Veiligheidsraad) waarborgt;
34. is verheugd dat de Verenigde Naties zich verbinden het beheer van de overgang van nabij te volgen;
o o o
35. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter / hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton, de VN-Veiligheidsraad, de secretaris-generaal van de VN, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de Economische Gemeenschap van Centraal-Afrikaanse Staten (Eccas), de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en de EU-lidstaten, en de Nationale Overgangsraad van de Centraal-Afrikaanse Republiek.
– gezien zijn resoluties van 7 september 2006(1) en 14 maart 2013(2) over de betrekkingen tussen de EU en China, zijn resolutie van 13 december 2012 over het jaarverslag 2011 over mensenrechten en democratie in de wereld en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(3), zijn resolutie van 16 december 2010 over het jaarverslag 2009 over mensenrechten in de wereld en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(4), alsmede zijn resolutie van 19 mei 2010 over de mededeling van de Commissie: "Actieplan inzake orgaandonatie en transplantatie (2009-2015): hechtere samenwerking tussen de lidstaten"(5),
– gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name artikel 3 over het recht op de menselijke integriteit,
– gezien de hoorzittingen van 21 november 2009, 6 december 2012 en 2 december 2013 van de subcommissie mensenrechten en gezien de getuigenissen van de voormalige Canadese staatssecretaris voor de betrekkingen met Azië en de Stille Oceaan David Kilgour en van mensenrechtenadvocaat David Matas over het op grote schaal verwijderen van organen bij aanhangers van de Falun Gong-leer, zonder hun toestemming, in China sinds 2000,
– gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, door China geratificeerd op 4 oktober 1988,
– gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de Volksrepubliek China jaarlijks meer dan 10 000 orgaantransplantaties uitvoert en 165 Chinese centra voor orgaantransplantatie ermee adverteren dat zij binnen twee à vier weken passende organen kunnen vinden, terwijl het land tot nog toe geen georganiseerd of doeltreffend openbaar systeem voor orgaandonatie of –distributie kent; overwegende dat het systeem voor orgaantransplantatie in China niet voldoet aan de eisen van de Wereldgezondheidsorganisatie betreffende transparantie en traceerbaarheid bij de methodes voor verkrijging van organen, en dat de Chinese regering zich verzet tegen onafhankelijk onderzoek naar het systeem; overwegende dat geïnformeerde toestemming op vrijwillige basis de voorwaarde vormt voor ethische orgaandonatie;
B. overwegende dat de Volksrepubliek China bijzonder lage percentages vrijwillige orgaandonatie kent als gevolg van traditionele overtuigingen; overwegende dat China in 1984 regelgeving invoerde die het verwijderen van organen bij geëxecuteerde gevangenen toestond;
C. overwegende dat de regering van de Volksrepubliek China niet in staat bleek een bevredigende verklaring te geven voor de herkomst van het surplus aan organen toen hierom werd gevraagd door de voormalig speciaal VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing, Manfred Nowak, en de Canadese onderzoekers David Matas, mensenrechtenadvocaat, en David Kilgour, voormalig Canadees staatssecretaris voor de betrekkingen met Azië en de Stille Oceaan;
D. overwegende dat Huang Jiefu, directeur van het Chinese comité voor orgaandonatie en voormalig plaatsvervangend minister van Volksgezondheid, op de conferentie over orgaandonatie en -transplantatie in Madrid in 2010 verklaarde dat in China meer dan 90% van de bij overleden donoren weggenomen en voor transplantatie bestemde organen afkomstig was van geëxecuteerde gevangenen, en heeft gezegd dat uiterlijk medio 2014 alle ziekenhuizen die orgaantransplantaties mogen uitvoeren, niet langer organen van geëxecuteerde gevangenen mogen gebruiken en verplicht zullen worden om alleen organen te gebruiken die vrijwillig zijn gedoneerd en via een in opbouw zijnd nationaal systeem worden toegewezen;
E. overwegende dat de Volksrepubliek China het voornemen heeft aangekondigd om het verwijderen van organen bij geëxecuteerde gevangenen tot 2015 geleidelijk te zullen afbouwen en een digitaal systeem voor orgaantoewijzing, bekend als het China Organ Transplant Response System (COTRS), te zullen invoeren, waarmee het zijn eigen toezegging tegenspreekt dat alle ziekenhuizen die orgaantransplantaties mogen uitvoeren vanaf medio 2014 niet langer organen van geëxecuteerde gevangenen mogen gebruiken;
F. overwegende dat de Chinese communistische partij in juli 1999 overging tot een intensieve golf van vervolgingen in het hele land om de spirituele leer van Falun Gong uit te roeien, als gevolg waarvan honderdduizenden Falun Gong-aanhangers werden gearresteerd en gevangen gezet; overwegende dat er berichten zijn dat Oeigoerse en Tibetaanse gevangenen eveneens het slachtoffer van gedwongen orgaantransplantaties zijn geworden;
G. overwegende dat de VN-commissie tegen foltering en de speciale VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing hun bezorgdheid hebben uitgesproken over de beschuldigingen van orgaanverwijdering bij gevangenen, en de regering van de Volksrepubliek China hebben opgeroepen tot meer verantwoordingsplicht en transparantie in het systeem van orgaantransplantatie en tot bestraffing van degenen die verantwoordelijk zijn voor misbruik; overwegende dat het doden van om godsdienstige of politieke redenen vastgehouden gevangenen met het doel hun organen ten behoeve van transplantatie te verkopen een schandelijke en onduldbare schending is van het grondrecht op leven;
H. overwegende dat de Algemene VN-Vergadering China op 12 november 2013 heeft gekozen tot lid van de VN-Mensenrechtenraad voor een periode van drie jaar vanaf 1 januari 2014;
1. spreekt zijn ernstige verontrusting uit over de aanhoudende en geloofwaardige berichten over het systematische, door de staat gesanctioneerde verwijderen van organen bij gewetensgevangenen in de Volksrepubliek China, onder meer bij grote aantallen Falun Gong-aanhangers die om hun geloofsovertuiging gevangen zijn gezet, en bij leden van andere religieuze of etnische minderheden;
2. benadrukt dat het onaanvaardbaar is dat de geleidelijke afschaffing van orgaanverwijdering bij geëxecuteerde gevangenen nog tot 2015 doorloopt; roept de regering van de Volksrepubliek China op onmiddellijk een einde te maken aan de praktijk van orgaanverwijdering bij gewetensgevangenen en leden van religieuze en etnische minderheden;
3. roept de EU en de lidstaten op de kwestie van orgaanverwijdering in China op de agenda te plaatsen; beveelt de Unie en de lidstaten aan misbruik op het gebied van orgaantransplantatie in China publiekelijk te veroordelen en de aandacht van hun naar China reizende burgers op dit vraagstuk te vestigen; dringt aan op een grondig en transparant onderzoek door de EU naar de praktijken op het gebied van orgaantransplantatie in China en op vervolging van degenen die in dergelijke onethische praktijken te zijn verwikkeld;
4. roept de Chinese autoriteiten op uitvoerig antwoord te geven op de verzoeken van de speciale VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing en de speciale VN-rapporteur voor vrijheid van godsdienst en overtuiging, die de Chinese regering hebben gevraagd toe te lichten wat de herkomst is van het surplus aan organen naar aanleiding van de toename van het aantal orgaantransplantaties, en hen toestemming te verlenen voor onderzoek naar de praktijken op het gebied van orgaantransplantatie in China;
5. roept op tot onmiddellijke vrijlating van alle gewetensgevangenen in China, met inbegrip van Falun Gong-aanhangers;
6. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale EU-vertegenwoordiger voor de mensenrechten, de secretaris-generaal van de VN, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, de regering van de Volksrepubliek China en het Chinese Nationale Volkscongres.
– gezien zijn resoluties van 22 oktober 2009(1) en 12 mei 2011(2) over de situatie in Sri Lanka,
– gezien het eindverslag van de onderzoekscommissie naar geleerde lessen en verzoening ("Lessons Learnt and Reconciliation Commission") van Sri Lanka van november 2011,
– gezien de resoluties van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties van 18 maart 2013 en 22 maart 2012 inzake het bevorderen van verzoening en verantwoording in Sri Lanka,
– gezien het verslag van het panel voor interne toetsing van de VN-secretaris-generaal van november 2012 inzake het VN-optreden in Sri Lanka gedurende de laatste fase van de oorlog in Sri Lanka en de nasleep daarvan, waarin wordt onderzocht waarom de internationale gemeenschap er niet in geslaagd is burgers te beschermen tegen grootschalige schendingen van het humanitaire recht en de mensenrechtenwetgeving,
– gezien de verklaring van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, Navi Pillay, van 31 augustus 2013 en haar verslag aan de Mensenrechtenraad van de VN van 25 september 2013,
– gezien het verslag van de Franse liefdadigheidsorganisatie "Action Contre la Faim" over de terechtstelling in 2006 van 17 van haar plaatselijke personeelsleden in de noordelijke stad Muttur,
– gezien de plaatselijke verklaring van de Europese Unie van 5 december 2012 over de rechtsstaat in Sri Lanka(3),
– gezien de verklaring van 18 januari 2013 van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Catherine Ashton, namens de Europese Unie over de vervolging van de voormalige Sri Lankaanse opperrechter Shirani Bandaranayake,
– gezien de recente bijeenkomst van regeringsleiders van het Gemenebest van Naties in Colombo en het verzoek van David Cameron, premier van het VK, om een onafhankelijk onderzoek naar vermeende oorlogsmisdaden te verrichten,
– gezien de verdragen waarbij Sri Lanka partij is, in het bijzonder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, het Verdrag inzake de rechten van het kind, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en het Verdrag tegen corruptie,
– gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,
A. overwegende dat in mei 2009 een eind kwam aan het decennialange conflict tussen de regering van Sri Lanka en de separatistische Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE) in het noorden van het land met de nederlaag en de overgave van laatstgenoemden en het overlijden van hun leider;
B. overwegende dat in de laatste maanden van het conflict naar schatting tienduizenden burgers de dood vonden of gewond raakten tijdens hevige gevechten in dichtbevolkte gebieden, en dat circa 6 000 burgers nog worden vermist;
C. overwegende dat de secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-moon, en de president van Sri Lanka, Mahinda Rajapaksa, op 23 mei 2009 een gezamenlijke verklaring hebben ondertekend waarin de Sri Lankaanse regering ermee instemde maatregelen te treffen om verantwoording af te leggen voor vermeende oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid tijdens de laatste fase van het interne conflict dat 26 jaar heeft geduurd;
D. overwegende dat president Rajapaksa op 15 mei 2010 een onderzoekscommissie naar geleerde lessen en verzoening (LLRC) heeft benoemd; overwegende dat het grote aantal personen dat naar verluidt op eigen initiatief een verklaring voor de LLRC heeft afgelegd, getuigt van de nadrukkelijke wens en noodzaak om een nationale dialoog over het conflict op te starten;
E. overwegende dat uit het verslag van het VN-deskundigenpanel van 26 april 2011 blijkt dat volgens geloofwaardige berichten zowel regeringstroepen als de LTTE oorlogsmisdaden hebben begaan in de maanden voorafgaand aan mei 2009, de maand waarin regeringstroepen de separatisten overwonnen;
F. overwegende dat uit de ernst van de beschuldigingen die in dat verslag worden geuit en de voortgezette internationale campagne voor een nauwkeurige beoordeling van de gebeurtenissen, ook in de marge van de recente top van het Gemenebest van Naties, nadrukkelijk blijkt dat deze kwestie moet worden opgelost voordat in Sri Lanka sprake kan zijn van blijvende verzoening;
G. overwegende dat er in overeenstemming met een belangrijke aanbeveling in het LLRC-verslag op dit moment in Sri Lanka een nationale volkstelling plaatsvindt, teneinde op grond van gegevens uit de eerste hand vast te stellen hoeveel burgers de dood vonden of gewond raakten, alsmede onder welke omstandigheden de doden en gewonden vielen, en hoeveel materiële schade er is veroorzaakt gedurende het conflict;
H. overwegende dat in augustus 2013 een presidentiële onderzoekscommissie in het leven is geroepen om onderzoek te doen naar en verslag uit te brengen over de verdwijningen in de noordelijke en oostelijke provincies tussen 1990 en 2009;
I. overwegende dat Navi Pillay de Sri Lankaanse regering op 25 september 2013 heeft verzocht de tijd die nog rest voordat zij de VN-Mensenrechtenraad tijdens de vergadering in maart 2014 verslag over het land zal uitbrengen, te gebruiken om "een geloofwaardig nationaal proces met tastbare resultaten op te starten", met inbegrip van de "gerechtelijke vervolging van individuele misdadigers", omdat anders "de internationale gemeenschap verplicht is haar eigen onderzoeksmechanismen in te stellen";
J. overwegende dat het panel voor interne toetsing inzake het functioneren van de VN in Sri Lanka tijdens de laatste fase van de oorlog tot de conclusie is gekomen dat het onvermogen van de VN-instellingen "om op te komen voor de rechten van de mensen die zij hadden moeten helpen", "neerkwam op een onvermogen van de VN om op te treden in het kader van institutionele mandaten om te voldoen aan beschermingsverplichtingen";
1. spreekt zijn waardering uit voor het herstel van de vrede in Sri Lanka, hetgeen een grote opluchting is voor de hele bevolking, en erkent de inspanningen die de regering van Sri Lanka heeft geleverd om, met steun van de internationale gemeenschap, de infrastructuur opnieuw op te bouwen en de meerderheid van de 400 000 binnenlands ontheemden een nieuw onderkomen te bieden;
2. wijst op de vooruitgang die is geboekt met betrekking tot de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, het drietalige beleid -dat blijkt uit de lessen Singalees, Tamil en Engels die aan ambtenaren worden gegeven-, en de onlangs overeengekomen nationale volkstelling waarmee de gedurende de burgeroorlog veroorzaakte "menselijke en materiële schade" wordt bepaald;
3. is ingenomen met de eerste verkiezingen ooit gehouden voor de provinciale raad in de noordelijke provincie, die werden gehouden op 21 september 2013 en met een overweldigende meerderheid zijn gewonnen door de Tamil National Alliance (TNA);
4. hoopt dat het vredesdividend resultaat oplevert, de ontwikkelingsagenda van het land verder versterkt en ervoor zorgt dat de burgers en een toenemend aantal buitenlandse bezoekers ten volle kunnen profiteren van de natuurlijke en culturele mogelijkheden die het land te bieden heeft; benadrukt dat voor stabiliteit op de lange termijn werkelijke verzoening met volledige deelname van de plaatselijke bevolkingsgroepen nodig is;
5. stelt bezorgd vast dat de aanwezigheid van regeringstroepen in de voormalige conflictgebieden nog altijd van aanzienlijke omvang is, hetgeen leidt tot schendingen van de mensenrechten, waaronder landroof, met meer dan duizend aanhangige zaken waarbij landeigenaars zijn betrokken die hun grond zijn verloren, alsmede een zorgwekkend aantal meldingen van seksuele aanranding en ander misbruik van vrouwen, waarbij de bijzondere kwetsbaarheid van de tienduizenden oorlogsweduwen in aanmerking wordt genomen;
6. prijst het nationale actieplan voor de tenuitvoerlegging van de LLRC-aanbevelingen, en verzoekt de regering meer inspanningen te leveren om de aanbevelingen volledig ten uitvoer te leggen, namelijk door een geloofwaardig onderzoek te verrichten naar de talrijke beschuldigingen van buitengerechtelijke executies en gedwongen verdwijningen, het noorden van Sri Lanka verder te demilitariseren, onpartijdige beslechtingsmechanismen voor territoriale geschillen te voltooien, het detentiebeleid opnieuw te evalueren, voormalige onafhankelijke civiele instellingen te versterken (zoals de politie, de rechterlijke macht en de mensenrechtencommissie) en een politieke langetermijnregeling vast te stellen voor de verdere decentralisatie van bevoegdheden naar de provincies; verzoekt de presidentiële onderzoekscommissie om niet alleen de verdwijningen te onderzoeken in de noordelijke en oostelijke provincies, maar ook in de rest van het land;
7. spreekt grote bezorgdheid uit over de aanhoudende berichten over intimidatie en schendingen van de mensenrechten (ook door politietroepen), buitengerechtelijke executies, martelingen en schendingen van het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering, evenals over de represailles tegen verdedigers van de mensenrechten, leden van het maatschappelijk middenveld en journalisten, bedreigingen van de rechterlijke onafhankelijkheid en de rechtsstaat, en discriminatie op basis van godsdienst of overtuiging; verzoekt de regering van Sri Lanka de nodige maatregelen te nemen;
8. is ingenomen met het feit dat de overheid onlangs stappen heeft ondernomen met het oog op een onderzoek naar de vermeende moord op 17 plaatselijke hulpverleners van de Franse liefdadigheidsorganisatie Action Contre la Faim in de noordelijke stad Muttur door regeringstroepen, alsmede naar de moord op vijf jongeren in Trincomalee in 2006; dringt er bij de autoriteiten op aan al het mogelijke in het werk te stellen om de verantwoordelijken voor deze moorden voor het gerecht te brengen;
9. dringt er bij de regering van Sri Lanka op aan gehoor te geven aan de verzoeken om verantwoording af te leggen voor de vermeende schendingen van internationale mensenrechten en humanitaire wetgeving tijdens de oorlog door vóór maart 2014 een onafhankelijk en geloofwaardig onderzoek te openen naar de vermeende schendingen, en is van mening dat de VN anders een internationaal onderzoek dient te openen;
10. beveelt de regering van Sri Lanka aan een doeltreffend wetsvoorstel ter bescherming van getuigen te ontwerpen, zodat de getuigen van dergelijke misdaden voldoende bescherming wordt geboden;
11. prijst de mijnopruimingswerkzaamzaamheden van het Sri Lankaanse leger en internationale ngo's zoals de HALO Trust, en onderkent de omvangrijke financiering die door de EU ter beschikking is gesteld, alsmede de door het VK aangekondigde extra financiële middelen; dringt er bij de regering en het leger van Sri Lanka alsmede bij de EU en de lidstaten op aan om de nodige hulpmiddelen te blijven verstrekken met het oog op de verdere opruiming van landmijnen, die een ernstige belemmering vormen voor wederopbouw en economisch herstel; verzoekt Sri Lanka eens te meer toe te treden tot het Mijnenverbodsverdrag van Ottawa;
12. stelt bezorgd vast dat de LTTE, die in het verleden willekeurige terreurdaden hebben gepleegd, volgens het recente rapport van Europol over de situatie en tendensen van het terrorisme in de EU nog steeds internationaal actief zijn;
13. verzoekt de VN en haar lidstaten om de fouten van de internationale gemeenschap in Sri Lanka zorgvuldig te analyseren en om passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de VN, wanneer zij in de toekomst met een vergelijkbare situatie wordt geconfronteerd, aan veel hogere normen kan voldoen met betrekking tot haar beschermingsverplichtingen en humanitaire verantwoordelijkheden;
14. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de Mensenrechtenraad van de VN en de regering en het parlement van Sri Lanka.