Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 februari 2014 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op onderzoek, studie, scholierenuitwisseling, bezoldigde en onbezoldigde stages, vrijwilligerswerk of au-pairactiviteiten (herschikking) (COM(2013)0151 – C7-0080/2013 – 2013/0081(COD))
(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)
Het Europees Parlement,
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0151),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 79, lid 2, onder a) en b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0080/2013),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door het Griekse parlement, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 september 2013(1),
– gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 28 november 2013(2),
– gezien het Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(3),
– gezien de brief d.d. 20 september 2013 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken overeenkomstig artikel 87, lid 3, van zijn Reglement,
– gezien de artikelen 87 en 55 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie juridische zaken (A7-0377/2013),
A. overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;
2. verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 februari 2014 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2014/.../EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op onderzoek, studie, scholierenuitwisseling, bezoldigde en onbezoldigde stages , vrijwilligerswerk of au-pairactiviteiten [Herschikking]
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 79, lid 2, onder a) en b),
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s(2),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Er moet een aantal wijzigingen worden aangebracht in Richtlijn 2004/114/EG van de Raad(4) en Richtlijn 2005/71/EG van de Raad(5). Ter wille van de duidelijkheid dient tot herschikking van deze richtlijnen te worden overgegaan.
(2) Met deze richtlijn wordt beoogd een antwoord te geven op de in de uitvoeringsverslagen(6) van de twee genoemde richtlijnen vastgestelde noodzaak om de geconstateerde tekortkomingen te verhelpen voor transparantie en rechtszekerheid te zorgen en een samenhangend rechtskader te bieden voor diverse groepen personen die zich uit derde landen naar de Unie wensen te begeven. Deze richtlijn beoogt derhalve de bestaande bepalingen voor de verschillende groepen te vereenvoudigen en te stroomlijnen en in één instrument samen te brengen. Hoewel de groepen personen waarop deze richtlijn betrekking heeft onderlinge verschillen vertonen, hebben zij een zodanig aantal kenmerken gemeen dat zij onder een gemeenschappelijk EU-rechtskader kunnen vallen. [Am. 1]
(3) Deze richtlijn dient bij te dragen tot de onderlinge aanpassing van de nationale wetgeving inzake de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen, een van de doelstellingen van het programma van Stockholm. Mede door immigratie van buiten de Unie kan de Unie de beschikking krijgen over hooggekwalificeerde personen, en met name studenten en onderzoekers uit derde landen worden steeds vaker gevraagd. Deze personen spelen een belangrijke rol bij de formering van de belangrijkste troef van de Unie – het menselijk kapitaal – en daarmee de totstandbrenging van slimme, duurzame en inclusieve groei, waardoor zij bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie.
(4) De tekortkomingen die in de uitvoeringsverslagen over de twee richtlijnen zijn geconstateerd, betreffen met name de toelatingsvoorwaarden, de rechten, de procedurele waarborgen, de toegang van studenten tot de arbeidsmarkt gedurende hun studie en de bepalingen inzake mobiliteit binnen de Unie, alsook het gebrek aan harmonisatie doordat de lidstaten zelf konden beslissen de bepalingen al dan niet toe te passen op bepaalde groepen, zoals vrijwilligers, scholieren en onbezoldigde stagiairs. Uit later uitgevoerde bredere raadplegingen is ook gebleken dat er betere mogelijkheden om werk te zoeken moeten komen voor onderzoekers en studenten en dat au pairs en bezoldigde stagiairs, categorieën die niet onder de huidige wetgeving vallen, betere bescherming moeten krijgen.
(5) Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is in het Verdrag bepaald dat maatregelen moeten worden aangenomen op het gebied van asiel, immigratie en de bescherming van de rechten van onderdanen van derde landen.
(6) Deze richtlijn dient tevens contacten tussen mensen en mobiliteit, belangrijke elementen van het externe beleid van de Unie, te stimuleren, vooral wat de landen van het Europees nabuurschapsbeleid en de strategische partners van de EU betreft. Zij dient tevens een grotere bijdrage mogelijk te maken aan de totaalaanpak van migratie en mobiliteit en de bijbehorende mobiliteitspartnerschappen, die een concreet kader bieden voor dialoog en samenwerking tussen de lidstaten en derde landen, ook wat het vergemakkelijken en organiseren van legale migratie betreft.
(7) Migratie die plaatsvindt met het oog op de in deze richtlijn uiteengezette doeleinden dient de totstandkoming en verwerving van kennis en vaardigheden te bevorderen. Deze migratie betekent een wederzijdse verrijking voor de betrokken migranten, hun land van herkomst en de ontvangende lidstaat, waarbij culturele banden worden aangehaald en draagt bij tot een beter begrip van elkaars cultuur de culturele diversiteit wordt verrijkt. [Am. 3]
(8) Deze richtlijn dient de Unie te promoten als aantrekkelijke locatie voor onderzoek en innovatie en haar mondiale concurrentiepositie bij het aantrekken van talent te verbeteren.,en daarmee ook een stijging te bewerkstelligen in de algehele concurrentiekracht en in de groeicijfers van de Unie, en banen te creëren die een grotere bijdrage aan de groei van het BBP leveren. Het openstellen van de Unie voor onderdanen van derde landen om in de Unie onderzoek te verrichten maakt ook deel uit van het vlaggenschipinitiatief Innovatie-Unie. De totstandbrenging van een open arbeidsmarkt voor onderzoekers uit de Unie en uit derde landen is tevens aangemerkt als belangrijk doel van de Europese Onderzoeksruimte, een eengemaakte ruimte met vrij verkeer voor onderzoekers, wetenschappelijke kennis en technologie. [Am. 4]
(9) De toelating van onderzoekers moet worden vergemakkelijkt door middel van een toelatingsprocedure die los staat van de rechtsbetrekking tussen de onderzoeker en de onderzoeksinstelling waar deze te gast is, en waarbij niet langer behalve een verblijfsvergunning of een visum voor verblijf van langere duur ook een werkvergunning vereist is. Deze procedure is gebaseerd op de samenwerking tussen onderzoeksinstellingen en de bevoegde nationale immigratie-instanties. Om de toegang tot en het verblijf van onderzoekers uit derde landen in de Unie gemakkelijker en sneller te kunnen regelen, krijgen de onderzoeksinstellingen een sleutelrol in de toelatingsprocedure toebedeeld, echter zonder dat de bevoegdheden van de lidstaten op het gebied van het vreemdelingenbeleid worden aangetast. Door de lidstaten erkende onderzoeksinstellingen moeten met onderdanen van derde landen een gastovereenkomst kunnen sluiten voor het uitvoeren van een onderzoeksproject. Indien aan de voorwaarden voor toegang en verblijf is voldaan, verstrekken de lidstaten vervolgens op basis van deze gastovereenkomst een vergunning.
(10) Omdat de inspanning die moet worden geleverd voor de verwezenlijking van de doelstelling om 3% van het BBP te investeren in onderzoek voor een belangrijk deel door de particuliere sector moet worden opgebracht, en in deze sector dus de komende jaren meer onderzoekers moeten worden aangetrokken, dienen zowel openbare als particuliere onderzoeksinstellingen in aanmerking te komen voor erkenning overeenkomstig deze richtlijn.
(11) Om de Unie aantrekkelijker te maken voor onderzoekers en studenten uit derde landen, moeten gezinsleden van onderzoekers en studenten, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2003/86/EG van de Raad(7) samen met hen worden toegelaten. Deze gezinsleden moeten in aanmerking komen voor de bepalingen inzake mobiliteit binnen de Unie en toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. [Am. 5]
(12) Waar van toepassing dienen de lidstaten te worden aangemoedigd om promovendi als onderzoekers te behandelen.
(13) De tenuitvoerlegging van deze richtlijn mag de braindrain uit opkomende economieën en ontwikkelingslanden niet aanwakkeren. Met het oog op de ontwikkeling van een totaalbeleid op het gebied van migratie dienen in partnerschap met de landen van herkomst maatregelen te worden genomen om de reïntegratie van onderzoekers in hun land van herkomst te ondersteunen.
(14) Om van Europa een wereldcentrum voor onderwijs en beroepsopleiding van topkwaliteit te maken, dienen de voorwaarden voor toegang en verblijf van personen die zich met deze doeleinden naar Europa wensen te begeven, te worden verbeterd vereenvoudigd en vergemakkelijkt. Dit is in overeenstemming met de doelstellingen van de Agenda voor de modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen(8), met name in de context van de internationalisering van het hoger onderwijs in Europa. De harmonisatie van de desbetreffende wetgevingen van de lidstaten naar gunstiger regels voor onderdanen van derde landen maakt daar deel van uit. [Am. 6]
(15) De uitbreiding en verdieping van het Bolognaproces, dat door de verklaring van Bologna(9) is ingeluid, heeft ertoe geleid dat de hogeronderwijssystemen in de deelnemende landen, maar ook daarbuiten, geleidelijk meer naar elkaar zijn toegegroeid. De reden is dat de nationale autoriteiten steun hebben verleend aan de mobiliteit van studenten en academische personeel en hogeronderwijsinstellingen dit aspect in hun curricula hebben opgenomen. In overeenstemming hiermee dienen voor studenten betere bepalingen inzake mobiliteit binnen de Unie te worden vastgesteld. Een van de doelstellingen van de verklaring van Bologna is het Europees hoger onderwijs aantrekkelijk en concurrerend te maken. Naar aanleiding van het Bolognaproces is de Europese ruimte voor hoger onderwijs tot stand gekomen. Dankzij de stroomlijning van het Europese hoger onderwijs is het voor studenten uit derde landen aantrekkelijker geworden om in Europa te studeren. De deelname van talloze derde landen aan het Bolognaproces en aan unieprogramma’s voor de mobiliteit onder studenten, maakt invoering van geharmoniseerde en vereenvoudigde mobiliteitsmaatregelen voor de onderdanen van die landen essentieel. [Am. 7]
(16) De duur en de overige voorwaarden voor voorbereidende opleidingen voor studenten die onder deze richtlijn vallen, moeten door de lidstaten worden bepaald in overeenstemming met hun nationale wetgeving.
(17) Het bewijs dat een student is toegelaten tot een hogeronderwijsinstelling, kan onder meer een schriftelijk bewijs van toelating of een inschrijvingsbewijs zijn.
(18) Beurzen dienen te worden meegewogen bij het beoordelen van de vraag of er voldoende middelen beschikbaar zijn.
(19) Terwijl de lidstaten zelf mochten bepalen of zij Richtlijn 2004/114/EG al dan niet toepasten op scholieren, vrijwilligers en onbezoldigde stagiairs, dienen deze groepen thans onder het toepassingsgebied van deze richtlijn te vallen, teneinde voor hen de toegang en het verblijf te vergemakkelijken en hun rechten te waarborgen. Deze richtlijn dient tevens van toepassing te zijn op au pairs en bezoldigde stagiairs, teneinde hun wettelijke rechten en bescherming te waarborgen.
(20) Bezoldigde stagiairs die zich voor een stage naar de Unie begeven in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming dienen niet onder deze richtlijn te vallen, aangezien [Richtlijn 2013/xx/EU betreffende overplaatsing binnen een onderneming] op hen van toepassing is.
(21) Aangezien de Unie momenteel geen rechtskader kent om de eerlijke behandeling van au pairs uit derde landen te waarborgen, dienen bepalingen te worden vastgesteld om in hun specifieke behoeften als bijzonder kwetsbare groep te voorzien. Deze richtlijn dient daarom te voorzien in voorwaarden waaraan zowel de au pair als het gastgezin moeten voldoen, in het bijzonder inzake de door hen te sluiten overeenkomst waarin aspecten moeten worden geregeld zoals het te ontvangen zakgeld(10).
(22) Wanneer aan de algemene en de specifieke toelatingsvoorwaarden is voldaan, moeten de lidstaten binnen een bepaalde termijn een vergunning verlenen, dat wil zeggen een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning,hetgeen niet door bijkomende vereisten mag worden belemmerd of ontkracht. Indien een lidstaat verblijfsvergunningen uitsluitend op het eigen grondgebied afgeeft en aan alle voorwaarden van deze richtlijn is voldaan, dient de lidstaat de betrokken onderdaan van een derde land de noodzakelijke visa te verstrekken. [Am. 8]
(23) Vergunningen dienen de status van de betrokken onderdaan van een derde land te vermelden, alsmede de respectieve programma’s met mobiliteitsmaatregelen van de Unie. De lidstaten kunnen aanvullende informatie verstrekken op papier of in elektronische vorm, mits daarmee geen aanvullende voorwaarden worden gesteld.
(24) De geldigheidsduur van de verschillende op grond van deze richtlijn afgegeven vergunningen dient in overeenstemming te zijn met de specifieke aard van het verblijf van elke groep.
(25) De lidstaten mogen van de aanvragers een vergoeding vragen voor de verwerking van de vergunningaanvragen. Deze vergoedingenmoeten overwegen af te zien van de vergoedingen voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen uit hoofde van deze richtlijn. Indien de lidstaten verlangen dat onderdanen van derde landen vergoedingen betalen dan dienen deze in verhouding te staan tot het doel van het verblijf en mogen niet aan de doeleinden van de richtlijn in de weg staan. [Am. 9]
(26) Of de vergunning in de vorm van een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning wordt verleend, mag niet van invloed zijn op de rechten die op grond van deze richtlijn aan onderdanen van derde landen worden verleend.
(27) De term “toelating” heeft betrekking op de toegang tot en het verblijf in een lidstaat van onderdanen van derde landen met het oog op de in deze richtlijn uiteengezette doeleinden.
(28) Toelating kan op grond van geldige redenen worden geweigerd. Met name kan toelating worden geweigerd indien een lidstaat in een individueel geval op basis van feiten tot het oordeel is gekomen dat de betrokken onderdaan van een derde land een potentiële bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheidof de volksgezondheid. [Am. 10]
(29) Indien er twijfel bestaat over de redenen van de aanvraag tot toelating, kunnen de lidstaten alle bewijzen verlangen die nodig zijn om aan te tonen dat de aanvraag coherent is, in het bijzonder op basis van de voorgenomen studie of stage van de aanvrager, teneinde misbruik en verkeerd gebruik van de procedure van de richtlijn tegen te gaan.
(30) De nationale autoriteiten dienen onderdanen van derde landen die op grond van deze richtlijnen een aanvraag indienen tot toelating tot de lidstaten in kennis te stellen van hun beslissing inzake de aanvraag. Zij dienen dat zo snel mogelijk schriftelijk te doen, binnen dertig dagen na de datum van aanvraag in geval van onderzoekers en studenten die onder Unieprogramma’s met mobiliteitsmaatregelen vallen en binnen zestig dagen na de datum van aanvraag voor de overige aanvragers. Indien de lidstaten nog nadere informatie nodig hebben voor de behandeling van de aanvraag, moeten zij dit de aanvrager zo snel mogelijk laten weten. Wanneer de nationale wet de mogelijkheid biedt van bestuursrechtelijk beroep tegen een afwijzende beslissing, moeten de nationale autoriteiten de aanvrager binnen 30 dagen vanaf de datum dat het beroep is ingesteld, van hun beslissing in kennis stellen. [Am. 11]
(31) De mobiliteit van onderzoekers, studenten en bezoldigde stagiairs uit derde landen moet worden vergemakkelijkt. Voor onderzoekers dient deze richtlijn te leiden tot betere voorschriften betreffende de periode waarvoor de door de eerste lidstaat verleende vergunning een verblijf in een tweede lidstaat dekt zonder dat een nieuwe gastovereenkomst is vereist. Er dient verbetering te komen in de situatie van studenten en de thans ook onder deze richtlijn vallende groep van bezoldigde stagiairs, door deze personen toe te staan om gedurende drie tot zes maanden in een tweede lidstaat te verblijven, mits zij voldoen aan de algemene voorwaarden van deze richtlijn. Op stagiairs uit derde landen die zich als binnen een onderneming overgeplaatste personen naar de Unie begeven, dienen overeenkomstig [Richtlijn 2013/xx/EU betreffende overplaatsing binnen een onderneming] specifiek op de aard van hun overplaatsing afgestemde bepalingen inzake mobiliteit binnen de Unie van toepassing te zijn.
(32) De immigratievoorschriften van de Unie en programma’s van de Unie met mobiliteitsmaatregelen dienen elkaar beter aan te vullen. Onderzoekers,en studenten, vrijwilligers en stagiairs uit derde landen die onder zulke Unieprogramma’s vallen, dienen gerechtigd te zijn zich naar deverschillende lidstaten van bestemming te begeven op grond van de door de eerste lidstaat verleende vergunning. mits de volledige lijst van die lidstaten voor de binnenkomst in de Unie bekend is. Met een dergelijke vergunning dienen zij hun mobiliteitsrecht te kunnen uitoefenen zonder de verplichting aanvullende informatie te verstrekken of andere aanvraagprocedures te vervullen. Indien vrijwilligersprogramma’s meer dan één lidstaat bestrijken, worden de lidstaten aangemoedigd de mobiliteit binnen de Unie van vrijwilligers uit derde landen te vergemakkelijken.[Am. 12]
(33) Om studenten uit derde landen beter in staat te stellen een deel van hun studiekosten zelf te betalen, dienen zij onder de in deze richtlijn gestelde voorwaarden volledige toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt dat wil zeggen voor ten minste twintig uur per week. Dat studenten in beginsel tot de arbeidsmarkt worden toegelaten, zou eenals algemene regel moeten zijn. In uitzonderlijke omstandigheden moeten de lidstaten echter de mogelijkheid hebben om de situatie op hun eigen arbeidsmarkt te bezien, hoewel dit niet het risico mag inhouden dat het recht om te werken geheel teniet wordt gedaan gelden. [Am. 13]
(34) In het kader van het streven naar een hooggekwalificeerde beroepsbevolking met het oog op de toekomst,dienen de lidstatenen uit respect en waardering voor het werk en de algehele inzet van studenten die in de Unie afstuderen, dienen de lidstaten die studenten toe te staan gedurende twaalf maanden na het verstrijken van de oorspronkelijke vergunning op hun grondgebied te blijven met het doel om de arbeidsmogelijkheden te verkennen of een bedrijf op te richten. Zij dienen dit ook toe te staan aan onderzoekers die hun onderzoeksproject overeenkomstig de gastovereenkomst hebben afgerond. Dit mag niet gelijk worden gesteld aan een automatisch recht op toegang tot de arbeidsmarkt of een automatisch recht om een bedrijf op te richten. De onderzoekers mag ook worden verzocht om bewijsstukken over te leggen als bedoeld in artikel 24. [Am. 14]
(35) De bepalingen in deze richtlijn doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om het aantal met het oog op werk toe te laten onderdanen van derde landen te reguleren.
(36) Om de Unie aantrekkelijker te maken voor onderzoekers, studenten, scholieren, stagiairs, vrijwilligers en au pairs uit derde landen is het van belang hun eerlijke behandeling overeenkomstig artikel 79 van het Verdrag te waarborgen. Deze groepen hebben overeenkomstig Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad(11) recht op dezelfde behandeling als onderdanen van de ontvangende lidstaat. Voor onderzoekers uit derde landen worden gunstiger rechten gehandhaafd: zij dienen het recht te behouden op dezelfde behandeling als onderdanen van de ontvangende lidstaat ten aanzien van onderdelen van de sociale zekerheid zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004(12), als aanvulling op de rechten die bij Richtlijn 2011/98/EU worden toegekend. Laatstgenoemde richtlijn voorziet in de mogelijkheid dat de lidstaten de gelijke behandeling beperken ten aanzien van onderdelen van de sociale zekerheid, waaronder gezinsbijslagen; deze beperkingsmogelijkheid kan van invloed zijn op de situatie van onderzoekers. Scholieren, studenten, vrijwilligers, onbezoldigde stagiairs en au pairs uit derde landen dienen bovendien recht te krijgen op dezelfde behandeling als onderdanen van de ontvangende lidstaat wat betreft de toegang tot goederen en diensten, en de levering van voor het publiek beschikbare goederen en diensten, ongeacht of zij toegang hebben tot de arbeidsmarkt op grond van het Unierecht of de nationale wetgeving van de ontvangende lidstaat. [Am. 15]
(37) Deze richtlijn mag op generlei wijze van invloed zijn op de toepassing van Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad(13).
(38) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name worden erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie , zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie .
(39) De lidstaten moeten aan de bepalingen van deze richtlijn uitvoering geven zonder discriminatie op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of maatschappelijke achtergrond, genetische kenmerken, taal, godsdienstige of andere overtuiging, politieke en andere opvattingen, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, afkomst, handicaps, leeftijd en seksuele geaardheid.
(40) Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken van 28 september 2011 hebben de lidstaten zich ertoe verbonden in verantwoorde gevallen de kennisgeving van omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van een of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.
(41) Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het bepalen van de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op onderzoek, studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde of bezoldigde stages, vrijwilligerswerk of au-pairactiviteiten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en wegens de omvang en de gevolgen ervan beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel dat in hetzelfde artikel is neergelegd, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(42) Iedere lidstaat moet ervoor zorgen dat het publiek, met name via internet, kan beschikken over zo volledig mogelijke en regelmatig bijgewerkte informatie over de krachtens deze richtlijn erkende onderzoeksinstellingen waarmee onderzoekers een gastovereenkomst kunnen sluiten, over de krachtens deze richtlijn vastgestelde voorwaarden en procedures voor toegang tot en verblijf op zijn grondgebied met het oog op het verrichten van onderzoek, over de in deze richtlijn omschreven instellingen en de studies die openstaan voor onderdanen van derde landen, alsmede over de voorwaarden en procedures voor toegang tot en verblijf op zijn grondgebied met het oog op studiedoeleinden.
(42 bis) Iedere lidstaat heeft de plicht om onderdanen uit derde landen bekend te maken met de regels zoals die gelden voor zijn bijzondere geval, zodat gezorgd wordt voor transparantie en rechtszekerheid en zij zich aangemoedigd voelen naar de Unie te komen. Alle ter zake dienende informatie over de procedure, zoals algemene documentatie over studies, uitwisselings- of onderzoeksprogramma’s, maar ook specifieke informatie omtrent de rechten en plichten van de aanvrager, moet daarom worden aangeboden op een manier die voor onderdanen van derde landen gemakkelijk toegankelijk en begrijpelijk is. [Am. 16]
(43) [Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, nemen deze lidstaten niet deel aan de aanneming van deze richtlijn en is deze bijgevolg, onder voorbehoud van artikel 4 van bovengenoemd protocol, niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaten.]
(44) Denemarken neemt, overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, niet deel aan de aanneming van dit instrument. Deze richtlijn is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken.
(45) De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.
(46) Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Doel
Deze richtlijn is bedoeld ter bepaling van:
a) de voorwaarden voor de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten van onderdanen van derde landen voor een periode van meer dan 90 dagen met het oog op onderzoek, studie, scholierenuitwisseling, bezoldigde en onbezoldigde stages, vrijwilligerswerk of au-pairactiviteiten;
b) de voorwaarden voor de toegang van studenten en bezoldigde stagiairs uit derde landen tot en hun verblijf gedurende een periode van meer dan 90 dagen op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat die de onderdaan van een derde land voor het eerst een vergunning heeft verleend op grond van deze richtlijn;
c) de voorwaarden voor de toegang van onderzoekers uit derde landen tot en hun verblijf op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat die de onderdaan van een derde land voor het eerst een vergunning heeft verleend op grond van deze richtlijn.
Artikel 2
Werkingssfeer
1. Deze richtlijn geldt voor onderdanen van derde landen die verzoeken te worden toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat met het oog op onderzoek, studie, scholierenuitwisseling, een bezoldigde of onbezoldigde stage, vrijwilligerswerk of au-pairactiviteiten.
2. Deze richtlijn is niet van toepassing op onderdanen van derde landen :
a) die als asielzoeker in een lidstaat verblijven, of in het kader van subsidiaire vormen van bescherming, of in het kader van regelingen voor tijdelijke bescherming;
b) wier uitzetting op feitelijke of juridische gronden werd opgeschort;
c) die gezinsleden van burgers van de Unie zijn die hun recht van vrij verkeer binnen de Unie hebben uitgeoefend;
d) die in een bepaalde lidstaat in het bezit zijn van de status van langdurig ingezetenen in de zin van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad(14) en die in een andere lidstaat hun recht van verblijf uitoefenen om daar een studie of een beroepsopleiding te volgen;
e) die volgens het recht van de lidstaat in kwestie gekwalificeerd zijn als zelfstandigen.
f) die, evenals hun gezinsleden en ongeacht hun nationaliteit, krachtens overeenkomsten tussen de Unie en haar lidstaten of tussen de Unie en derde landen, rechten van vrij verkeer genieten die gelijkwaardig zijn aan die van de burgers van de Unie;
g) die stagiairs zijn die zich voor een stage naar de Unie begeven in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming overeenkomstig [Richtlijn 2013/xx/EU betreffende overplaatsing binnen een onderneming].
Artikel 3
Definities
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) “onderdaan van een derde land”: een persoon die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 20, lid 1, van het Verdrag;
b) “onderzoeker”: een onderdaan van een derde land die houder is van een passend diploma van hoger onderwijs dat toegang geeft tot doctoraatsprogramma’s, en die door een onderzoeksinstelling is geselecteerd om een onderzoeksproject uit te voeren waarvoor dat diploma doorgaans vereist is;
c) “student”: onderdaan van een derde land die door een hogeronderwijsinstelling is aangenomen en is toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat om bij wijze van hoofdactiviteit een voltijdse studie te volgen die wordt afgesloten met een door de lidstaat erkend getuigschrift van hoger onderwijs, waaronder een diploma, titel of doctoraal niveau aan een hogeronderwijsinstelling, en eventueel is voorafgegaan door een opleiding ter voorbereiding op dergelijk onderwijs overeenkomstig de nationale wetgeving;
d) “scholier”: onderdaan van een derde land die is toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat om daar, in het kader van een uitwisselingsprogramma dat ten uitvoer wordt gelegd door een daartoe overeenkomstig de nationale wetgeving of gebruik en door de lidstaat erkende organisatie, een erkend programma van voortgezet onderwijs te volgen;
e) “onbezoldigde stagiair”: onderdaan van een derde land die is toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat voor een onbezoldigde stage , overeenkomstig het nationale recht van de betrokken lidstaat;
f) “bezoldigde stagiair”: onderdaan van een derde land die is toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat voor een stage waarvoor de betrokkene een bezoldiging ontvangt, overeenkomstig het nationale recht van de betrokken lidstaat;
g) “vrijwilliger”: een onderdaan van een derde land die is toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat om deel te nemen aan een erkend vrijwilligersprogramma;
(g bis) 'vrijwilligerscentrale': een organisatie belast met het vrijwilligersprogramma waarbij de onderdaan uit een derde land is aangemeld. Die organisaties en groepen moeten onafhankelijk zijn en zichzelf besturen, evenals andere entiteiten zonder winstoogmerk, zoals plaatselijke overheden. Zij moeten in enige mate actief zijn in het openbare leven en hun activiteiten moeten, althans gedeeltelijk gericht zijn op het bijdragen aan het algemeen welzijn(15). [Am. 17]
h) “vrijwilligersprogramma”: programma voor concrete solidariteitsactiviteiten op basis van een door een lidstaat of de Unie erkend programma dat zonder winstoogmerk doelstellingen van algemeen belang nastreeft; [Am. 18]
i) “au pair”: een onderdaan van een derde land die op het grondgebied van een lidstaat tijdelijk in een gezin wordt opgenomen in ruil voor licht huishoudelijk werk en verzorging van de kinderen, teneinde zijn of haar taalkennis en kennis van het gastland te verbeteren;
j) “onderzoek”: stelselmatig verricht creatief werk ter vergroting van het kennisbestand, waaronder de kennis van mens, cultuur en samenleving, alsmede de aanwending van dit kennisbestand voor nieuwe toepassingen;
k) “onderzoeksinstelling”: openbare of particuliere instelling die onderzoek verricht en die met het oog op de toepassing van deze richtlijn volgens de nationale wetgeving of administratieve praktijk door een lidstaat is erkend;
l) ‘onderwijs instelling”: een openbare of particuliere instelling die door de ontvangende lidstaat wordt erkend en/of waarvan de studies overeenkomstig de nationale wetgeving of gebruiken aan de hand van transparante criteria worden erkend voor de doeleinden van deze richtlijn;
(l bis) 'gastorganisatie': de onderwijsinstelling, onderzoeksorganisatie, onderneming, beroepsopleidingsinstelling, lerlingenuitwisselingsorganisatie of organisatie belast met het vrijwilligersprogramma waar de onderdaan uit een derde land is aangemeld en die, ongeacht de rechtsvorm, volgens de nationale wetgeving van een lidstaat is opgericht; [Am. 20]
(l ter) 'gastgezin': het gezin dat de au-pair tijdelijk opneemt en laat deelnemen aan het dagelijkse gezinsleven in een lidstaat op grond van een tussen het gastgezin en de au-pair gesloten overeenkomst; [Am. 21]
m) “bezoldiging”: de betaling, ongeacht in welke vorm, die wordt ontvangen als vergoeding voor verleende diensten en overeenkomstig de nationale wetgeving of de gevestigde praktijk als wezenlijk onderdeel van de arbeidsverhouding wordt beschouwd;
n) “tewerkstelling”: het verrichten van activiteiten die bestaan uit om het even welkeeen vorm van arbeid of werk die overeenkomstig de nationale wetgeving een toepasselijke collectieve overeenkomst of de gevestigde praktijk is geregeld, voor of onder leiding en/of toezicht van een werkgever; [Am. 22]
(n bis) "werkgever": een natuurlijke persoon of een rechtspersoon voor wie of onder wiens leiding en/of toezicht de tewerkstelling plaatsvindt; [Am. 23]
(n ter) "gezinsleden": onderdanen van derde landen als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2003/86/EG; [Am. 24]
o) “eerste lidstaat”: de lidstaat die als eerste op grond van deze richtlijn een vergunning afgeeft aan een onderdaan van een derde land;
p) “tweede lidstaat”: elke andere lidstaat dan de eerste lidstaat;
q) “programma’s van de Unie met mobiliteitsmaatregelen”: door de Unie gefinancierde programma’s die de mobiliteit van onderdanen van derde landen naar de Unie bevorderen;
r) “vergunning”: iedere door de autoriteiten van een lidstaat aan een onderdaan van een derde land verstrekte vergunning om legaal op zijn grondgebied te verblijven, overeenkomstig artikel 1, lid 2, onder a) van Verordening (EG) nr. 1030/2002, of een visum voor verblijf van langere duur;
s) “visum voor verblijf van langere duur”: een vergunning die is afgegeven door een lidstaat overeenkomstig artikel 18 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst of overeenkomstig het nationale recht van een lidstaat die het Schengenacquis niet volledig ten uitvoer legt;
Artikel 4
Gunstiger bepalingen
1. Deze richtlijn doet niet af aan gunstiger bepalingen van:
a) bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de Unie of de Unie en haar lidstaten enerzijds, en een of meer derde landen anderzijds; of
b) bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen een of meer lidstaten en een of meer derde landen.
2. Deze richtlijn laat onverlet dat de lidstaten bepalingen kunnen invoeren of handhaven die gunstiger zijn voor de personen die onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen wat betreft de artikelen 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, en 26, 27, 28, 29 , 30, 31, 32, 33 en 34, met name in het kader van mobiliteitspartnerschappen. [Am. 25]
HOOFDSTUK II
TOELATING
Artikel 5
Beginsel
1. Toelating van een onderdaan van een derde land in de zin van deze richtlijn is alleen mogelijk als na controle van het dossier blijkt dat hij voldoet aan de algemene voorwaarden die zijn gesteld in artikel 6, en, afhankelijk van de betrokken categorie, de specifieke voorwaarden die zijn gesteld in artikel 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 of 14.
2. Wanneer aan alle algemene en specifieke toelatingsvoorwaarden is voldaan, heeft de aanvrager recht op een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning. Indien een lidstaat verblijfsvergunningen uitsluitend op het eigen grondgebied afgeeft, maar niet elders, en aan alle toelatingsvoorwaarden van deze richtlijn is voldaan, verstrekt de betrokken lidstaat de onderdaan van een derde land het noodzakelijke visum.
Artikel 6
Algemene voorwaarden
Een onderdaan van een derde land die verzoekt te worden toegelaten voor de in deze richtlijn genoemde doeleinden:
a) legt een geldig reisdocument over, zoals omschreven in het nationale recht. De lidstaten kunnen verlangen dat het reisdocument geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
b) legt, indien hij volgens het nationale recht van de ontvangende lidstaat minderjarig is, een bewijs van toestemming van de ouders of voogd of een gelijkwaardig document voor het beoogde verblijf over;
c) beschikt over een ziektekostenverzekering voor alle risico’s die voor de onderdanen van de betrokken lidstaat normaliter zijn gedekt;
d) wordtniet beschouwd als vormt geen een bedreiging voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid; [Am. 26]
e) legt, indien de lidstaat daarom verzoekt, een bewijs over van betaling van de vergoeding die krachtens artikel 31 van deze richtlijn wordt gevraagd voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning;
f) toont op verzoek van een lidstaat aan dat hij gedurende zijn verblijf over voldoende middelen kan beschikken om de kosten van levensonderhoud, de studiekosten en de kosten van de terugreis te dekken, onverminderd de individuele behandeling van elk geval. Dit bewijs hoeft niet te worden geleverd als de persoon uit een derde land kan aantonen dat hij een beurs of toelage ontvangt of dat hem financiële ondersteuning door een gastgezin is toegezegd, of dat hem een baan is aangeboden, dan wel dat een uitwisselingsorganisatie voor leerlingen of een vrijwilligersorganisatie wil instaan voor de verblijfskosten van de leerling of vrijwilliger gedurende diens gehele verblijf in de betrokken lidstaat. [Am. 27]
Artikel 7
Specifieke voorwaarden voor onderzoekers
1. Naast de in artikel 6 gestelde algemene voorwaarden moet een onderdaan van een derde land die met het oog op het verrichten van onderzoek verzoekt te worden toegelaten:
a) een overeenkomstig artikel 9, leden 1 en 2, gesloten gastovereenkomst met een onderzoeksinstelling overleggen; en
b) indien van toepassing een verklaring inzake financiële aansprakelijkheid van de onderzoeksinstelling in de zin van artikel 9, lid 3, overleggen.
2. De lidstaten kunnen de voorwaarden controleren waarop de gastovereenkomst gebaseerd en gesloten is.
3. Pas nadat de in de leden 1 en 2 bedoelde controles een positief resultaat hebben opgeleverd, worden onderzoekers tot het grondgebied van de lidstaten toegelaten om uitvoering te geven aan de gastovereenkomst.
4. Aanvragen van onderdanen van derde landen die in de Unie onderzoek wensen te verrichten, worden in overweging genomen en behandeld wanneer de betrokken onderdaan van een derde land verblijft buiten het grondgebied van de lidstaat waartoe hij wenst te worden toegelaten.
5. Een lidstaat kan moet, overeenkomstig zijn nationale wetgeving, een aanvraag inwilligenbehandelen die wordt ingediend wanneer de onderdaan van het derde land zich reeds op zijn grondgebied bevindt. [Am. 28]
6. De lidstaten bepalen of aanvragen voor vergunningen moeten worden ingediend door onderzoekers dan wel door de betrokken onderzoeksinstellingen.
Artikel 8
Erkenning van onderzoeksinstellingen
1. Een onderzoeksinstelling die een onderzoeker wenst te ontvangen in het kader van de toelatingsprocedure die bij deze richtlijn wordt ingevoerd, moet vooraf door de betrokken lidstaat worden erkend.
2. De erkenning van onderzoeksinstellingen geschiedt in overeenstemming met de procedures die in het nationale recht of de administratieve praktijk van de lidstaten zijn voorgeschreven. Verzoeken om erkenning van openbare en particuliere organisaties worden overeenkomstig die procedures gedaan, en zijn gebaseerd op hun wettelijke opdracht of maatschappelijk doel en op het bewijs dat zij zich met onderzoeksactiviteiten bezighouden.
De aan een onderzoekinstelling verleende erkenning geldt voor ten minste vijf jaar. In uitzonderlijke gevallen kunnen de lidstaten die erkenning voor een kortere termijn verlenen.
3. Overeenkomstig de nationale wetgeving kunnen de lidstaten van de onderzoeksinstelling een schriftelijke verbintenis eisen om, in geval van illegaal verblijf van een onderzoeker op het grondgebied van de betrokken lidstaat, de kosten voor diens verblijf en terugreis die uit overheidsmiddelen zijn opgebracht, terug te betalen. De financiële aansprakelijkheid van de onderzoeksinstelling verstrijkt uiterlijk zes maanden na de beëindiging van de gastovereenkomst.
4. De lidstaten kunnen voorschrijven dat de erkende instelling binnen twee maanden nadat een gastovereenkomst afloopt, bij de daartoe door de lidstaat aangewezen bevoegde instanties bevestigt dat de werkzaamheden in het kader van het onderzoeksproject waarvoor op grond van artikel 9 een gastovereenkomst werd gesloten, daadwerkelijk werden verricht.
5. De bevoegde instanties in elke lidstaat publiceren lijsten van de uit hoofde van deze richtlijn erkende onderzoeksinstellingen, alsmede elke wijziging van die lijsten.
6. De lidstaten kunnen onder meer weigeren de erkenning van een onderzoeksinstelling te verlengen of deze intrekken indien de instelling niet langer voldoet aan de in de leden 2, 3 en 4 gestelde voorwaarden, indien de erkenning op frauduleuze wijze is verkregen of indien een onderzoeksinstelling op frauduleuze of nalatige wijze een gastovereenkomst met een onderdaan van een derde land heeft gesloten. Indien de erkenning is ingetrokken of niet is verlengd, kan de betrokken onderzoeksinstelling voor een periode van maximaal vijf jaar na de bekendmaking van de beslissing tot intrekking of niet-verlenging belet worden om opnieuw erkenning aan te vragen.
7. De lidstaten kunnen in hun nationale wetgeving bepalen welke gevolgen de intrekking of niet-verlenging van de erkenning inhoudt voor de bestaande, overeenkomstig artikel 9 gesloten gastovereenkomsten, en voor de verblijfsvergunningen van de betrokken onderzoekers.
Artikel 9
Gastovereenkomst
1. Een onderzoeksinstelling die een onderzoeker wenst uit te nodigen, sluit met deze onderzoeker een gastovereenkomst, mits aan de voorwaarden van de artikelen 6 en 7 is voldaan.
De gastovereenkomst vermeldt ten minste:
a) de benaming en het doel van het onderzoeksproject;
b) de verbintenis van de onderzoeker om het onderzoeksproject volledig uit te voeren;
c) de bevestiging van de onderzoeksinstelling dat zij zich ertoe verbindt de onderzoeker te ontvangen zodat deze het onderzoeksproject kan uitvoeren;
d) de begindatum en de einddatum van het onderzoeksproject;
e) informatie betreffende de rechtsbetrekking tussen de onderzoeksinstelling en de onderzoeker;
f) informatie betreffende de arbeidsvoorwaarden van de onderzoeker.
2. Een onderzoeksinstelling kan alleen een gastovereenkomst sluiten indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a) het onderzoeksproject is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten van de onderzoeksinstelling na toetsing van:
i) het doel en de duur van het onderzoek en de beschikbaarheid van de hiervoor benodigde financiële middelen;
ii) de kwalificaties van de onderzoeker in het licht van het doel van het onderzoek, gestaafd met een gewaarmerkte kopie van het in artikel 3, onder b) , bedoelde diploma.
3. Na de ondertekening van de gastovereenkomst kan de onderzoeksinstelling conform de nationale wetgeving gehouden zijn de onderzoeker een individuele aansprakelijkheidsverklaring te verstrekken voor de in artikel 8, lid 3, bedoelde kosten.
4. De gastovereenkomst verstrijkt automatisch wanneer de onderzoeker niet wordt toegelaten of wanneer de rechtsbetrekking tussen de onderzoeker en de onderzoeksinstelling wordt beëindigd.
5. De onderzoeksinstelling stelt de daartoe door de lidstaat aangewezen instantie zo spoedig mogelijk in kennis van gebeurtenissen die de uitvoering van de gastovereenkomst verhinderen.
Artikel 10
Specifieke voorwaarden voor studenten
1. Naast de in artikel 6 gestelde algemene voorwaarden moeten onderdanen van een derde land die om studieredenen verzoeken te worden toegelaten:
a) bewijs overleggen dat zij zijn aangenomen door een instelling voor hoger onderwijs om daar een studieprogramma te volgen;
b) indien de lidstaat dat vereist, een bewijs van betaling van het door de instelling gevraagde inschrijfgeld kunnen overleggen ;
c) indien de lidstaat dat vereist, bewijzen over voldoende kennis van de taal van het studieprogramma dat zij volgen, te beschikken.
2. Studenten die automatisch over een ziektekostenverzekering beschikken voor alle risico’s die voor de eigen onderdanen in de betrokken lidstaat normaliter zijn gedekt, omdat die is gekoppeld aan hun inschrijving bij een instelling, worden geacht te voldoen aan de in artikel 6, lid 1, onder c), gestelde voorwaarde.
Artikel 11
Specifieke voorwaarden voor scholieren
1. Onderdanen van een derde land die verzoeken om in het kader van een scholierenuitwisseling te worden toegelaten, moeten aan de in artikel 6 gestelde algemene voorwaarden voldoen en:
a) de door de betrokken lidstaat vastgestelde minimumleeftijd hebben bereikt en niet ouder zijn dan de maximumleeftijd;
b) kunnen aantonen dat zij zijn toegelaten tot een instelling voor voortgezet onderwijs;
c) kunnen aantonen dat zij deelnemen aan een erkend uitwisselingsprogramma dat ten uitvoer wordt gelegd door een daartoe overeenkomstig de nationale wetgeving of gebruiken door de lidstaat erkende organisatie;
d) kunnen aantonen dat de organisatie voor scholierenuitwisseling de volle aansprakelijkheid voor hen op zich neemt gedurende hun gehele verblijf op het grondgebied van de betrokken lidstaat, in het bijzonder voor de kosten van verblijf, de studiekosten, de ziektekosten en de kosten van de terugkeer;
e) gedurende hun gehele verblijf bij een gastgezin verblijven dat voldoet aan de door de lidstaten gestelde voorwaarden en dat is geselecteerd volgens de regels van het programma voor de uitwisseling van scholieren waaraan zij deelnemen.
2. Elke lidstaat kan de toelating van scholieren die deelnemen aan een uitwisselingsprogramma, beperken tot onderdanen van derde landen die dezelfde mogelijkheid bieden aan onderdanen van de lidstaat.[Am. 29]
Artikel 12
Specifieke voorwaarden voor onbezoldigde en bezoldigde stagiairs [Am. 30]
1. Onderdanen van een derde land die verzoeken om als bezoldigd of onbezoldigd stagiair te worden toegelaten, moeten voldoen aan de in artikel 6 gestelde algemene voorwaarden en:
a) bewijs verstrekken van een ondertekende stage- of arbeidsovereenkomst hebben gesloten, die in voorkomend geval volgens de nationale wetgeving of gebruiken wordt erkend door de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat, met het oog op een stage bij een onderneming uit de particuliere of de publieke sector of bij een particuliere of openbare organisatie voor beroepsopleiding die volgens de nationale wetgeving of gebruiken door de lidstaat wordt erkend; [Am. 31]
b) op verzoek van een lidstaat kunnen aantonen dat zij over een relevante opleiding of relevante kwalificaties of beroepservaring beschikken om bij de werkervaring baat te vinden.[Am. 32]
c) indien de lidstaat dat eist, een basistaalcursus volgen om over voldoende talenkennis te beschikken voor het volgen van de stage.
De onder a) bedoelde overeenkomst bevat een beschrijving van het stageprogramma en een vermelding van de duur ervan, de voorwaarden voor het toezicht op de stagiair bij de uitvoering van het programma, de werktijden van de stagiair, de rechtsbetrekking met de gastorganisatie, en, indien de stagiair wordt bezoldigd, de hoogte van de bezoldiging.
2. De lidstaten mogen verlangen dat de gastorganisatie verklaart dat de onderdaan van een derde land geen arbeidsplaats inneemt.
Artikel 13
Specifieke voorwaarden voor vrijwilligers
Onderdanen van een derde land die verzoeken om als vrijwilliger te worden toegelaten, moeten voldoen aan de in artikel 6 gestelde algemene voorwaarden en:
a) de overeenkomst kunnen overleggen die zij hebben gesloten met de organisatie die in de betrokken lidstaat is belast met het vrijwilligersprogramma of –project waaraan zij deelnemen, en waarin de naam en het doel van het vrijwilligersproject, de aanvangs- en einddatum van het project, en dewaaraan zij deelnemen, en waarinhun taken van de vrijwilligers worden beschreven, alsmede de ondersteuning die hun bij het verrichten daarvan wordt verleend, hun werktijden, de middelen die beschikbaar zijn om de kosten van hun reis, voeding, huisvesting, vervoer en zakgeld te dekken gedurende hun gehele verblijf, en tevens, in voorkomend geval, de opleiding die zij zullen volgen met het oog op een goede vervulling van hun taken; [Am. 33]
b) kunnen aantonen dat de organisatie die belast is met het vrijwilligersprogramma waaraan zij deelnemen, een aansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten voor hun activiteiten;
c) en, indien de ontvangende lidstaat dat vereist, een basiscursus volgen betreffende de taal, de geschiedenis en de politieke en maatschappelijke structuur van die lidstaat.
Artikel 14
Specifieke voorwaarden voor au pairs
Onderdanen van een derde land die verzoeken om als au pair te worden toegelaten, moeten voldoen aan de in artikel 6 gestelde algemene voorwaarden en:
a) de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt en niet ouder zijn dan 30 jaar, hoewel zij in afzonderlijke gerechtvaardigde gevallen ouder mogen zijn dan 30 jaar;
b) kunnen aantonen dat het gastgezin de volle aansprakelijkheid voor hen op zich neemt gedurende hun gehele verblijf op het grondgebied van de betrokken lidstaat, in het bijzonder voor de kosten van verblijf, accommodatie, ziekte en moederschap en het risico van ongevallen; [Am. 34]
c) de overeenkomst tussen de au pair en het gastgezin kunnen overleggen, waarin hun rechten en plichten worden omschreven, met inbegrip van een opgave van het te ontvangen zakgeld, passende regelingen die hen toestaan cursussen te volgen en deinzake de uren voor deelname aan de dagelijkse verplichtingen van het gezinsleven, met vermelding van het maximale aantal dagelijks aan die verplichtingen te besteden uren, waarbij ten minste een volle dag per week wordt vrij gegeven voor het volgen van cursussen. [Am. 35]
HOOFDSTUK III
VERGUNNINGEN EN DUUR VAN HET VERBLIJF
Artikel 15
Vergunningen
Op visa voor een verblijf van langere duur en op verblijfsvergunningen wordt de aanduiding “onderzoeker”, “student”, “vrijwilliger”, “scholier”, “bezoldigde stagiair”, “onbezoldigde stagiair” dan wel “au pair” vermeld. Op vergunningen voor onderzoekers en studenten uit derde landen die de Unie bezoeken in het kader van een specifiek Unieprogramma met mobiliteitsmaatregelen, wordt het specifieke programma vermeld.
Nadat een vergunningprocedure met succes is afgerond en een visum is verleend, wordt de gastorganisatie geregistreerd in een accreditatiesysteem, ter vergemakkelijking van toekomstige aanvraagprocedures. [Am. 36]
Artikel 16
Duur van het verblijf
1. De lidstaten verstrekken voor onderzoekers een vergunning met een geldigheidsduur van ten minste een jaar, die wordt verlengd zolang aan de in de artikelen 6 7 en 9 gestelde voorwaarden wordt voldaan. Indien de onderzoekswerkzaamheden minder dan een jaar in beslag nemen, wordt de vergunning verstrekt voor de duur van het onderzoek.
2. De lidstaten verstrekken voor studenten een vergunning met een geldigheidsduur van ten minste een jaar of, indien de duur van de studie meer dan een jaar bedraagt, voor de gehele duur van de studie, welke vergunning al naar het gevaldie wordt verlengd zolang aan de in de artikelen 6 en 10 gestelde voorwaarden wordt voldaan. Indien de duur van de studie minder dan een jaar bedraagt, wordt een vergunning verstrekt voor de duur van de studie.[Am. 37]
3. De lidstaten verstrekken voor scholieren en au pairs een vergunning die de gehele duur van het uitwisselingsprogramma of de overeenkomst tussen gastgezin en de au pair bestrijkt, met een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar. [Am. 38]
4. De geldigheidsduur van een aan stagiairs afgegeven vergunning is gelijk aan de duur van de stage of bedraagt maximaal één jaar. In uitzonderlijke gevallen kan deze geldigheidsduur eenmalig worden verlengd in de vorm van een vergunning voor de periode die nodig is om een volgens de nationale wetgeving of gebruiken van de lidstaat erkende beroepskwalificatie te behalen, mits de houder van de verblijfstitel blijft voldoen aan de in de artikelen 6 en 12 gestelde voorwaarden.
5. Aan vrijwilligers afgegeven vergunningen worden afgegeven voor ten hoogste een jaar. In uitzonderlijke gevallen, indien het programma in kwestie langer duurt dan een jaar, kan de geldigheidsduur van de vereiste vergunning gelijk zijn aan de duur van het programma.
6. Indien de lidstaten de toegang en het verblijf toestaan op basis van een visum voor verblijf van langere duur, wordt bij de eerste verlenging van het oorspronkelijke verblijf een verblijfsvergunning afgegeven. Indien de geldigheidsduur van het visum voor verblijf van langere duur minder bedraagt dan de toegestane verblijfsduur, wordt het visum voor verblijf van langere duur zonder verdere formaliteiten vervangen door een verblijfsvergunning, voordat het visum verstrijkt.
Artikel 17
Aanvullende informatie
De lidstaten kunnen aanvullende informatie opnemen in verband met het verblijf van de onderdaan van een derde land, zoals de volledige lijst van de lidstaten die de onderzoeker of student heeft aangegeven voornemens is te willen bezoeken overeenkomstig artikel 27, lid 1, onder a); dit kan op papier dan wel in elektronische vorm, zoals bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1030/2002 en in punt a), onder 16, van de bijlage daarbij. [Am. 39]
HOOFDSTUK IV
Redenen voor weigering, intrekking of niet-verlenging van vergunningen
Artikel 18
Redenen voor afwijzingweigeringvan een aanvraag vergunning
1. De lidstaten wijzen een aanvraagweigeren een vergunning in de onderstaande gevallen af:
a) indien niet is voldaan aan de algemene voorwaarden van artikel 6 of aan de relevante specifieke voorwaarden van artikel 7 en de artikelen 10 tot en met 16;
b) indien de overgelegde documenten op frauduleuze wijze zijn verkregen, zijn vervalst of ongeoorloofd zijn gewijzigd;
c) indien de gastorganisatie of de gastonderwijsinstelling uitsluitend is opgericht om de binnenkomst in de Unie te vergemakkelijken;
d) indien tegen de gastorganisatie naar nationaal recht een sanctie is uitgesproken wegens zwartwerk en/of illegale arbeid of indien de gastorganisatie niet voldoet aan de nationale wettelijke verplichtingen inzake sociale zekerheid en/of belasting, faillissement heeft aangevraagd of anderszins insolvent is;
e) indien tegen het gastgezin of, waar van toepassing, een bemiddelende instantie die bij de plaatsing van de au pair is betrokken, naar nationaal recht een sanctie is uitgesproken wegens inbreuk op de voorwaarden voor en/of de doelstellingen van plaatsing als au pair, en/of wegens illegale tewerkstelling.
2. De lidstaten mogen een aanvraag afwijzen indien de gastorganisatie, in de loop van de twaalf maanden die voorafgaan aan de datum van de aanvraag, de functies die zij met de nieuwe aanvraag tracht in te vullen opzettelijk lijkt te hebben geschrapt. een vergunning weigeren in de volgende gevallen:
a) indien tegen de gastorganisatie naar nationaal recht een sanctie is uitgesproken wegens zwartwerk en/of illegale arbeid of indien de gastorganisatie niet voldoet aan de nationale wettelijke verplichtingen inzake sociale zekerheid en/of belasting, faillissement heeft aangevraagd of anderszins insolvent is;
b) indien tegen het gastgezin of, waar van toepassing, een bemiddelende instantie die bij de plaatsing van de au pair is betrokken, naar nationaal recht een sanctie is uitgesproken wegens inbreuk op de voorwaarden voor en/of de doelstellingen van plaatsing als au pair, en/of wegens illegale tewerkstelling.
c) indien de gastorganisatie of de gastonderwijsinstelling uitsluitend is opgericht om de binnenkomst in de Unie te vergemakkelijken. [Am. 40]
Artikel 19
Redenen voor intrekking of niet-verlenging van een vergunning
1. De lidstaten trekken een vergunning in of weigeren deze te vernieuwen in de volgende gevallen :
a) indien de betrokkenen niet meer voldoet aan de algemene voorwaarden van artikel 6 of aan de relevante specifieke voorwaarden van artikel 7 en de artikelen 10 tot en met 14;
ab) indien vergunningen of overgelegde documenten op frauduleuze wijze zijn verkregen, zijn vervalst of ongeoorloofd zijn gewijzigd;
b) indien het verblijf van de onderdaan van een derde land andere doelen dient dan die waarvoor de vergunning was afgegeven;
c) indien de gastorganisatie uitsluitend is opgericht om de binnenkomst in de Unie te vergemakkelijken;
2. De lidstaten kunnen een vergunning intrekken of weigeren deze te vernieuwen in de volgende gevallen:
da) indien de gastorganisatie niet voldoet aan de nationale wettelijke verplichtingen inzake sociale zekerheid en/of belasting, faillissement heeft aangevraagd of anderszins insolvent is; Indien dit in de loop van een studie gebeurt, moet de student voldoende tijd krijgen om een gelijkwaardige cursus te vinden om zijn/haar studies te kunnen voltooien;
eb) indien tegen het gastgezin of, waar van toepassing, een bemiddelende instantie die bij de plaatsing van de au pair is betrokken degastorganisatie naar nationaal recht een sanctie is uitgesproken wegens inbreuk op de voorwaarden voorzwartwerk en/of de doelstellingen van plaatsing als au pair, en/of wegens illegale tewerkstelling illegale arbeid of indien de gastorganisatie niet voldoet aan de nationale wettelijke verplichtingen inzake sociale zekerheid en/of belasting, faillissement heeft aangevraagd of anderszins insolvent is;
c) indien de gastorganisatie uitsluitend is opgericht om de binnenkomst in de Unie te vergemakkelijken;
d) indien tegen het gastgezin of, waar van toepassing, een bemiddelende instantie die bij de plaatsing van de au pair is betrokken, naar nationaal recht een sanctie is uitgesproken wegens inbreuk op de voorwaarden voor en/of de doelstellingen van plaatsing als au pair, en/of wegens illegale tewerkstelling;
e) indien het verblijf van de onderdaan van een derde land andere doelen dient dan die waarvoor de vergunning was afgegeven;
f) voor studenten: indien de student zich niet houdt aan de tijdsbeperkingen die krachtens artikel 23 aan de toegang tot economische activiteiten zijn gesteld; of volgens de nationale wetgeving of de bestuurlijke gebruiken onvoldoende voortgang boekt bij zijn studie.
g) voor studenten: wanneer zij volgens de nationale wetgeving of de bestuurlijke gebruiken onvoldoende voortgang boeken bij hun studie. De betrokken lidstaten kunnen een vergunning op deze grond slechts intrekken of weigeren te verlengen bij met specifieke redenen gemotiveerde beschikking, met medeweging van het advies van de onderwijsinstelling waar navraag moet worden gedaan naar de vorderingen van de student, tenzij deze instelling niet binnen een redelijke termijn op het verzoek om advies reageert.
2. De lidstaten kunnen een vergunning intrekken
h) om redenen die verband houden met de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid. Redenen van openbare orde of openbare veiligheid worden uitsluitend aangenomen op grond van het persoonlijk gedrag van de betrokken onderdaan van een derde land. Redenen van volksgezondheid moeten berusten op een objectieve analyse van de werkelijke risico’s en mogen niet worden toegepast op een manier die discriminerend is ten opzichte van de onderdanen van de betrokken lidstaat.
2. De lidstaten kunnen een vergunning intrekken om redenen die verband houden met de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid
2 bis. Wanneer een lidstaat een vergunning intrekt op een van de in lid 2, onder a), b) of c) genoemde gronden, is de onderdaan van een derde land gerechtigd op het grondgebied van de betrokken lidstaat te blijven wanneer hij een andere gastorganisatie of een ander gastgezin vindt waardoor hij zijn onderzoek/studie of andere bezigheid waarvoor de vergunning was verleend, kan voltooien. [Am. 41]
Artikel 20
Redenen voor niet-verlenging van een vergunning
1. De lidstaten kunnen een aanvraag tot verlenging van een vergunning in de onderstaande gevallen afwijzen:
a) indien de vergunning of overgelegde documenten op frauduleuze wijze zijn verkregen, zijn vervalst of ongeoorloofd zijn gewijzigd;
b) indien de houder niet meer lijkt te voldoen aan de algemene voorwaarden inzake binnenkomst en verblijf van artikel 6 of aan de relevante specifieke voorwaarden van de artikelen 7, 9 en 10;
c) voor studenten: indien de student zich niet houdt aan de tijdsbeperkingen die krachtens artikel 23 aan de toegang tot economische activiteiten zijn gesteld of volgens de nationale wetgeving of de bestuurlijke gebruiken onvoldoende voortgang boekt bij zijn studie.
2. De lidstaten kunnen een vergunning weigeren te verlengen om redenen die verband houden met de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.[Am. 42]
HOOFDSTUK V
RECHTEN
Artikel 21
Gelijke behandeling
1. In afwijking van artikel 12, lid 2, onder a) en b), van Richtlijn 2011/98/EU hebben onderzoekers en studenten uit derde landen recht op dezelfde behandeling als onderdanen van de ontvangende lidstaat ten aanzien van onderwijs en beroepsopleiding en onderdelen van de sociale zekerheid zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 883/2004. [Am. 43]
2. Studenten, scholieren, vrijwilligers, onbezoldigde stagiairs en au pairs hebben recht op gelijke behandeling wat betreft de toegang tot goederen en diensten, en de levering van voor het publiek beschikbare goederen en diensten, met uitzondering van de procedures waarin het nationale recht voorziet voor het verkrijgen van huisvesting, ongeacht of zij toegang hebben tot de arbeidsmarkt op grond van het Unierecht of de nationale wetgeving. [Am. 44]
2 bis. Onderdanen van derde landen die onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallen en die een lidstaat mogen binnenkomen en aldaar mogen verblijven op grond van een visum voor langdurig verblijf, hebben ten aanzien van de in leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde rechten aanspraak op eenzelfde behandeling als onderdanen van de gastlidstaat. [Am. 45]
Artikel 22
Onderwijs door onderzoekers
Onderzoekers die op grond van deze richtlijn zijn toegelaten, mogen lesgeven in overeenstemming met de nationale wetgeving. . De lidstaten kunnen een maximumaantal uren of dagen voor het lesgeven vaststellen.
Artikel 23
Economische activiteiten van studenten
1. Buiten de studie-uren en onder voorbehoud van de regels en voorwaarden die voor de gekozen activiteit in de ontvangende lidstaat gelden, mogen studenten in loondienst werken en als zelfstandige een economische activiteit uitoefenen. Er kan rekening worden gehouden met de situatie op de arbeidsmarkt in de ontvangende lidstaat in kwestie,maar niet zo stelselmatig dat studenten van de arbeidsmarkt zouden worden uitgesloten. [Am. 46]
2. In voorkomend geval verlenen de lidstaten aan studenten en/of werkgevers overeenkomstig hun wetgeving voorafgaande toestemming.
3. Elke lidstaat stelt voor zo’n activiteit een maximumaantal toegelaten uren per week of dagen of maanden per jaar vast, van minimaal 20 uur per week of het equivalent ervan in dagen of maanden per jaar.
4. De lidstaten kunnen van studenten eisen dat zij economische activiteiten, eventueel vooraf, melden bij een daartoe aangewezen instantie. Deze meldingsplicht kan ook, eventueel vooraf, worden opgelegd aan de werkgevers.
Artikel 24
Werk zoeken en ondernemerschap voor onderzoekers en studenten
1. Onderdanen van derde landen mogen na de afronding van hun onderzoek of studie in een lidstaat nog gedurende een periode van twaalfachttien maanden op het grondgebied van die lidstaat blijven om werk te zoeken of een bedrijf op te richten, mits zij nog steeds voldoen aan de voorwaarden van artikel 6, onder a) en onder c) tot en met f). Gedurende de vierdezesde tot en met de zesdenegende maand van die periode mag aan onderdanen van een derde land worden gevraagd om bewijsstukken over te leggen dat zij daadwerkelijk een baan zoeken of bezig zijn met het oprichten van een bedrijf. Na de zesdenegende maand van die periode mag onderdanen van een derde land bovendien worden gevraagd om bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat zij een gerede kans maken om door een werkgever te worden aangenomen of een bedrijf op te richten.
2. De lidstaten geven de betrokken onderdaan van een derde land een vergunning voor het in lid 1 omschreven doel, en ook aan diens gezinsleden in de zin van hun nationale recht, mits aan de voorwaarden genoemd onder de punten a) en c) tot en met f) van artikel 6 is voldaan. [Am. 47]
Artikel 25
Gezinsleden van onderzoekers en van studenten
1. In afwijking van artikel 3, lid 1, en van artikel 8 van Richtlijn 2003/86/EG wordt aan gezinshereniging niet de voorwaarde verbonden dat de houder van een vergunning tot verblijf met het oog op onderzoek of studie reden heeft om te verwachten dat hem een permanent verblijfsrecht zal worden toegekend en dat hij een minimumperiode van verblijf heeft gehad.
2. In afwijking van artikel 4, lid 1, laatste alinea, en van artikel 7, lid 2, van Richtlijn 2003/86/EG kunnen de daarin bedoelde integratievoorwaarden en ‑maatregelen alleen worden toegepast nadat de betrokken personen gezinshereniging is toegestaan.
3. In afwijking van artikel 5, lid 4, eerste alinea, van Richtlijn 2003/86/EG worden, mits de voorwaarden voor gezinshereniging zijn vervuld, de verblijfsvergunningen voor gezinsleden verstrekt uiterlijk 90 dagen na de datum van indiening van een aanvraag, of 60 dagen na de datum van de initiële aanvraag voor gezinsleden van onderzoekers uit derde landen en studenten die aan EU-programma’s met mobiliteitsmaatregelen deelnemen.
4. In afwijking van artikel 13, leden 2 en 3, van Richtlijn 2003/86/EG hebben de vergunningen van gezinsleden dezelfde geldigheidsduur als die van de onderzoeker of de student, voor zover de geldigheidsduur van hun reisdocumenten dit toelaat.
5. In afwijking van artikel 14, lid 2, tweede zin, van Richtlijn 2003/86/EG passen de lidstaten geen wachttermijn voor toegang tot de arbeidsmarkt toe. [Am. 48]
HOOFDSTUK VI
MOBILITEIT TUSSEN LIDSTATEN
Artikel 26
Recht op mobiliteit tussen lidstaten voor onderzoekers, studenten,vrijwilligers en bezoldigde stagiairs
1. Een onderdaan van een derde land die op grond van deze richtlijn als onderzoeker is toegelaten, mag onder de voorwaarden van dit artikel een deel van zijn onderzoek op het grondgebied van een andere lidstaat verrichten.
Indien de onderzoeker voor een periode van ten hoogste zes maanden in een andere lidstaat verblijft, kan het onderzoek worden verricht op basis van de in de eerste lidstaat gesloten gastovereenkomst, voor zover hij in de andere lidstaat over voldoende middelen beschikt en in de tweede lidstaat geen bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.
Indien de onderzoeker langer dan zes maanden in een andere lidstaat verblijft, kunnen de lidstaten een nieuwe gastovereenkomst eisen voor de verrichting van het onderzoek in de betrokken lidstaat. Indien de lidstaten voor de mobiliteit een vergunning verlangen, wordt die vergunning verleend overeenkomstig de procedurele waarborgen van artikel 29. De lidstaten mogen niet eisen dat de onderzoeker hun grondgebied verlaat om een aanvraag voor een vergunning in te dienen.
2. Voor een periode van meer dan drie maanden, maar niet langer dan zes maanden, mogen onderdanen van een derde land die op grond van deze richtlijn als student als vrijwilliger of als bezoldigd stagiair zijn toegelaten, een deel van hun studie of stage of vrijwilligerswerk in een andere lidstaat volgen, mits zij voorafgaand aan de verhuizing naar de tweede lidstaat aan de bevoegde autoriteit van die lidstaat de volgende documenten hebben overgelegd:
a) een geldig reisdocument;
b) een bewijs dat zij beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico’s dekt die doorgaans voor de onderdanen van de betrokken lidstaat worden gedekt;
c) een bewijs dat zij zijn aangenomen door een instelling voor hoger onderwijs of een stagegastorganisatie voor stagiairs of vrijwilligers;
d) een bewijs dat zij gedurende hun verblijf over voldoende middelen kunnen beschikken om de kosten van levensonderhoud, de studiekosten en de kosten van de terugreis te dekken.
3. Ten aanzien van de mobiliteit van studenten,vrijwilligers en stagiairs van de eerste lidstaat naar de tweede lidstaat lichten de autoriteiten van de tweede lidstaat de autoriteiten van de eerste lidstaat over hun beslissing in. De samenwerkingsprocedures van artikel 32 zijn van toepassing.
4. Aan onderdanen van een derde land die als student zijn toegelaten, mag de overplaatsing naar een tweede lidstaat voor meer dan drie maanden worden toegestaan op dezelfde voorwaarden als die welke van toepassing zijn op mobiliteit voor een periode van meer dan drie maanden maar minder dan zes maanden. Als een lidstaat een nieuwe vergunningaanvraag eist voor mobiliteit voor een periode van meer dan zes maanden, wordt de vergunning verleend overeenkomstig artikel 29.
5. De lidstaten mogen niet eisen dat studenten, vrijwilligers of stagiairs het grondgebied verlaten om een aanvraag voor een vergunning voor mobiliteit tussen lidstaten in te dienen. [Am. 49]
Artikel 27
Rechten van onderzoekers, vrijwilligers, onbezoldigde en bezoldigde stagiairs en studenten die onder Unieprogramma’s met mobiliteitsmaatregelen vallen
1. De lidstaten verlenen aan onderdanen van derde landen die op grond van deze richtlijn als onderzoeker, vrijwilliger, onbezoldigde of bezoldigde stagiair of student zijn toegelaten en die onder Unieprogramma’s met mobiliteitsmaatregelen vallen, een vergunning voor de gehele duur van hun verblijf in de lidstaten, wanneer:
a) de volledige lijst van lidstaten die de onderzoeker, vrijwilliger, onbezoldigde of bezoldigde stagiair of student voornemens is te heeft gezegd te willen bezoeken, vóór de binnenkomst in de eerste lidstaat bekend is;
b) aanvragers die student zijn, een bewijs kunnen overleggen dat zij zijn aangenomen door de desbetreffende onderwijsinstelling voor hoger onderwijs om daar een studieprogramma te volgen.
(b bis) aanvragers die vrijwilliger zijn, een bewijs kunnen overleggen dat zij zijn aangenomen door een vrijwilligerscentrale of -programma, bijvoorbeeld de Europese Vrijwilligersdienst.
(b ter) aanvragers die stagiair zijn, een bewijs kunnen overleggen dat zij zijn aangenomen door de betrokken gastorganisatie.
2. De vergunning wordt verleend door de eerste lidstaat waar de onderzoeker vrijwilliger, onbezoldigde of bezoldigde stagiair of student verblijft.
3. Wanneer de volledige lijst van lidstaten niet voor de binnenkomst in de eerste lidstaat bekend is:
a) gelden voor onderzoekers de voorwaarden van artikel 26 voor verblijven in een andere lidstaat gedurende een periode van ten hoogste zes maanden;
b) gelden voor studenten, onbezoldigde en bezoldigde stagiairs envrijwilligers de voorwaarden van artikel 26 voor verblijven in een andere lidstaat gedurende een periode van drie tot zes maanden. [Am. 50]
Artikel 28
Verblijf in de tweede lidstaat voor gezinsleden
1. Indien een onderzoeker naar een tweede lidstaat verhuist overeenkomstig de artikelen 26 en 27 en het gezin al was gevormd in de eerste lidstaat, krijgen de leden van het gezin toestemming hem te vergezellen of zich bij hem te voegen.
2. Uiterlijk een maand na aankomst in de tweede lidstaat dienen de betrokken gezinsleden of de onderzoeker, naargelang van de nationale wetgeving, bij de bevoegde autoriteiten van die lidstaat een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor gezinsleden in.
Wanneer de geldigheid van de door de eerste lidstaat afgegeven verblijfsvergunning voor gezinsleden tijdens de procedure verstrijkt of de houder niet langer het recht geeft legaal op het grondgebied van de tweede lidstaat te verblijven, staan de lidstaten de betrokkene toe op hun grondgebied te blijven, indien noodzakelijk door tijdelijke nationale verblijfsvergunningen of gelijkwaardige vergunningen af te geven, zodat de aanvrager legaal op hun grondgebied bij de onderzoeker kan blijven in afwachting van een beslissing over de aanvraag door de bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat.
3. De tweede lidstaat kan van de betrokken gezinsleden verlangen dat zij samen met de aanvraag voor een verblijfsvergunning de volgende documenten overleggen:
a) hun verblijfsvergunning van de eerste lidstaat en een geldig reisdocument of gewaarmerkte afschriften daarvan, alsmede, indien vereist, een visum;
b) een bewijs dat zij als gezinslid van de onderzoeker in de eerste lidstaat hebben verbleven;
c) een bewijs dat zij over een ziektekostenverzekering beschikken die alle risico’s in de tweede lidstaat dekt of een bewijs dat de onderzoeker een dergelijke verzekering voor hen heeft.
4. De tweede lidstaat kan van de onderzoeker verlangen dat hij aantoont dat de houder beschikt over:
a) huisvesting die in de betrokken regio als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en die voldoet aan de algemene normen inzake veiligheid en hygiëne welke in de betrokken lidstaat gelden;
b) stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op de sociale bijstand van de betrokken lidstaat.
De lidstaten beoordelen deze middelen onder verwijzing naar hun aard en regelmaat en kunnen daarbij rekening houden met het niveau van de nationale minimumlonen en -pensioenen alsook met het aantal gezinsleden.
HOOFDSTUK VII
PROCEDURE EN TRANSPARANTIE
Artikel 29
Procedurele waarborgen en transparantie
1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten nemen een beslissing over de volledige aanvraag voor een vergunning en stellen de aanvrager, overeenkomstig de nationale wettelijke kennisgevingsprocedures van de betrokken lidstaat, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk 6030 dagen nadat de aanvraag is ingediend, schriftelijk in kennis van hun beslissing; deze termijn bedraagt 30 dagen voor onderzoekers en studenten uit derde landen die onder Unieprogramma’s met mobiliteitsmaatregelen vallen. Wanneer hun nationale wetgeving de mogelijkheid biedt van beroep voor een bestuursrechtelijke instantie, moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het beroep beslissen binnen 30 dagen na de datum van instelling van het beroep. [Am. 53]
2. Indien de gegevens tot staving van de aanvraag ontoereikend zijn, delen de bevoegde autoriteiten bij de registratie van de aanvraag de aanvrager mee welke aanvullende informatie nog moet worden verstrekt en geven zij een redelijke termijn aan waarbinnen de aanvraag moet worden vervolledigd. De in lid 1 bedoelde termijn wordt opgeschort tot de autoriteiten de gevraagde aanvullende informatie hebben ontvangen . [Am. 54]
3. Een beslissing om een aanvraag voor een vergunning af te wijzente weigeren wordt aan de betrokken onderdaan van het derde land medegedeeld overeenkomstig de kennisgevingsprocedures van de toepasselijke nationale wetgeving. In deze kennisgeving worden de beroepsmogelijkheden die voor de betrokkene openstaan, het nationale gerecht of de nationale autoriteit waarbij de betrokkene beroep kan instellen en de beroepstermijnen vermeld, alsmede alle ter zake dienende praktische informatie die de uitoefening van dat recht kan vergemakkelijken. [Am. 55]
4. Indien een aanvraagvergunning wordt afgewezengeweigerd of een overeenkomstig deze richtlijn afgegeven vergunning wordt ingetrokken, heeft de betrokkene het recht tegen de autoriteiten van de lidstaat in kwestie beroep in te stellen. [Am. 56]
Article 29 bis
Versnelde procedure voor de afgifte van verblijfstitels of visa aan studenten, scholieren en onderzoekers
De instantie die in een lidstaat bevoegd is voor de toegang en het verblijf van studenten, scholieren en onderzoekers uit derde landen kan met een onderwijsinstelling, een erkende organisatie die programma's voor scholierenuitwisseling uitvoert, of een onderzoeksinstelling die daartoe volgens de nationale wetgeving of gebruiken van de betrokken lidstaat is erkend, een overeenkomst sluiten betreffende de invoering van een versnelde toelatingsprocedure in het kader waarvan verblijfstitels of visa worden afgegeven op naam van de betrokken onderdaan van een derde land. [Am. 57]
Artikel 30
Transparantie en toegang tot informatie
De lidstaten verstrekken gemakkelijk te verkrijgen en te begrijpen informatie over de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, met inbegrip van het maandelijkse minimumbedrag waarover de betrokkene moet beschikken, de rechten van de betrokkene, alle bewijsstukken die voor een aanvraag vereist zijn en de verschuldigde vergoeding. De lidstaten verstrekken informatie over de onderzoeksinstellingen die overeenkomstig artikel 8 zijn erkend. [Am. 58]
Artikel 31
Vergoeding
De lidstaten kunnen van de aanvragersbetaling van een vergoeding verlangen voor de behandeling van huneen aanvraag overeenkomstig deze richtlijn. Het bedragDe hoogte van die vergoeding mag nietzobuitensporig of buitenproportioneel zijn dat de verwezenlijking van het doel van de richtlijn niet in gevaar brengen wordt bemoeilijkt. Wanneer de vergoeding wordt betaald door de onderdaan van een derde land heeft deze recht op terugbetaling door de gastorganisatie of het gastgezin. [Am. 59]
HOOFDSTUK VIII
SLOTBEPALINGEN
Artikel 32
Contactpunten
1. De lidstaten wijzen contactpunten aan die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen en doorgeven van de informatie die nodig is voor de tenuitvoerlegging van de artikelen 26 en 27.
2. De lidstaten verlenen passende medewerking aan de in lid 1 bedoelde uitwisseling van informatie.
2 bis. De lidstaten vergemakkelijken de aanvraagprocedure door onderdanen van derde landen toe te staan de aanvraag voor ongeacht welke lidstaat in te dienen en de procedure te voltooien in de ambassade of het consulaat van de lidstaat die voor de aanvrager het gunstigst uitkomt. [Am. 60]
Artikel 33
Statistieken
Jaarlijks, voor het eerst uiterlijk op […], verstrekken de lidstaten aan de Commissie, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad(16), statistische gegevens over het aantal onderdanen van derde landen aan wie zij vergunningen hebben verleend. Bovendien verstrekken zij de Commissie, voor zover mogelijk, statistische gegevens over het aantal onderdanen van derde landen van wie zij gedurende het afgelopen kalenderjaar de vergunningen hebben verlengd of ingetrokken, onder vermelding van hun nationaliteit. Op dezelfde wijze verstrekken zij statistische gegevens over het aantal gezinsleden van onderzoekers.
De in lid 1 bedoelde statistische gegevens hebben betrekking op referentieperioden van één kalenderjaar en worden de Commissie verstrekt binnen zes maanden na het einde van het referentiejaar. Het eerste referentiejaar is […].
Artikel 34
Verslaglegging
Periodiek, en voor het eerst uiterlijk [vijf jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn], evalueert de Commissie de toepassing van deze richtlijn en brengt zij aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van deze richtlijn in de lidstaten en stelt zij in voorkomend geval de nodige wijzigingen voor.
Artikel 35
Omzetting
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk [twee jaar na de inwerkingtreding] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor deze verwijzing en de formulering van deze vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 36
Intrekking
Richtlijn 2005/71/EG en Richtlijn 2004/114/EG worden ingetrokken met ingang van [de dag na de in artikel 35, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn vastgestelde datum], onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel B, genoemde termijn voor omzetting in nationaal recht van die richtlijnen.
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar deze richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.
Artikel 37
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 38
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten, overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te ,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De voorzitter De voorzitter
BIJLAGE I
Deel A
Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen
(bedoeld in artikel 37)
Richtlijn 2004/114/EG van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 375 van 23.12.2004, blz. 12)
Richtlijn 2005/71/EG van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 289 van 3.11.2005, blz. 15)
Deel B
Termijnen voor omzetting in nationaal recht [en toepassing]
Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk (PB L 375 van 23.12.2004, blz. 12).
Richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek (PB L 289 van 3.11.2005, blz. 15).
Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (PB L 343 van 23.12.2011, blz. 1).
Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1).
Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PB L 157 van 15.6.2002, blz. 1).
Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PB L 16 van 23.1.2004, blz. 44).
Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 311/76 van de Raad betreffende de opstelling van statistieken over buitenlandse werknemers (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 23).