Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 6 februari 2014 - Straatsburg
Afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds ***I
 Aanbeveling voor een besluit overeenkomstig artikel 88, leden 2 en 3 van het Reglement, over de ontwerpverordening van de Commissie betreffende het land van oorsprong of plaats van herkomst voor vers, gekoeld of diepgevroren vlees van varkens, schapen, geiten en pluimvee
 Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: de ter veiling aan te bieden hoeveelheden broeikaseffectgassen voor de periode 2013-2020
 Situatie in Oekraïne
 Situatie in Syrië
 Situatie in Egypte
 Top EU-Rusland
 Voortgangsverslag 2013 over Bosnië en Herzegovina
 Voortgangsverslag 2013 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië
 Voortgangsverslag 2013 over Montenegro
 Uitbannen van vrouwelijke genitale verminking
 NAIADES II: een actieprogramma ter ondersteuning van het vervoer over binnenwateren
 Situatie in Thailand
 Recht op onderwijs in de regio Trans-Dnjestrië
 Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab, Abdulhadi al-Khawaja en Ibrahim Sharif

Afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds ***I
PDF 717kWORD 120k
Tekst
Geconsolideerde tekst
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 6 februari 2014 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0520 – C7-0223/2013 – 2013/0253(COD))(1)
(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)
P7_TA(2014)0095A7-0478/2013

Amendement 1
AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT(2)
op het voorstel van de Commissie
---------------------------------------------------------
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(3),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Om het economisch herstel in de Unie te bevorderen, is het van essentieel belang dat de interne markt voor bankdiensten beter is geïntegreerd. Met de huidige financiële en economische crisis is echter gebleken dat de werking van de interne markt ter zake wordt bedreigd en dat er een toenemende kans op financiële versnippering bestaat. De interbancaire markten zijn minder liquide geworden en de grensoverschrijdende activiteiten van banken nemen af door de vrees voor besmetting en door een gebrek aan vertrouwen in andere nationale bankstelsels en in het vermogen van de lidstaten om de banken te steunen. Dit vormt een echte bron van zorg in een interne markt waarin bankinstellingen kunnen beschikken over een Europees paspoort en voor het merendeel in verschillende lidstaten opereren.

(2)  Door verschillen in nationale afwikkelingsvoorschriften tussen de diverse lidstaten en in de overeenkomstige administratieve praktijken en door het ontbreken van een gezamenlijk besluitvormingsproces op Unieniveau voor de afwikkeling van grensoverschrijdende banken worden dit gebrek aan vertrouwen en de marktinstabiliteit in de hand gewerkt omdat over de mogelijke afloop van het failleren van een bank geen zekerheid bestaat en deze afloop evenmin voorspelbaar is. Afwikkelingsbesluiten die alleen op nationaal niveau en uit hoofde van niet-geharmoniseerde rechtskaders worden genomen, kunnen tot mededingingsverstoringen en uiteindelijk tot een ondermijning van de interne markt leiden.

(3)  Met name hebben de uiteenlopende praktijken van de lidstaten ten aanzien van de behandeling van crediteuren van banken in afwikkeling en ten aanzien van de bail-out van faillerende banken gevolgen voor de perceptie van het kredietrisico, de financiële soliditeit en de solvabiliteit van hun banken. Daardoor wordt het vertrouwen van het publiek in de bankensector ondermijnd en worden de uitoefening van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten op de interne markt belemmerd aangezien de financieringskosten zonder dergelijke verschillen in nationale praktijken lager zouden uitvallen.

(4)  De verschillen in nationale afwikkelingsvoorschriften tussen de diverse lidstaten en in overeenkomstige administratieve praktijken kunnen ertoe leiden dat banken en cliënten alleen om reden van hun plaats van vestiging en ongeacht hun echte kredietwaardigheid hogere leenkosten hebben. Voorts worden cliënten van banken in sommige lidstaten ongeacht hun kredietwaardigheid met hogere leentarieven geconfronteerd dan cliënten van banken in andere lidstaten.

(4 bis)  Het onvermogen van bepaalde lidstaten zich te voorzien van goed functionerende instellingen rond de afwikkeling van banken heeft de afgelopen jaren de schade van de bankcrisis alleen maar verder verergerd.

(4 ter)  Nationale autoriteiten hebben vaak eerder de neiging om een bank met overheidsgeld te redden dan tot afwikkeling van die bank over te gaan, en daarom is een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM) zo essentieel om een gelijk speelveld te verkrijgen en vanuit een neutralere benadering te kunnen beslissen of een bank moet worden afgewikkeld.

(5)  Zolang de afwikkelingsvoorschriften en -praktijken en de benaderingen voor de lastendeling nationaal blijven en de voor de financiering van een afwikkeling benodigde financiële middelen op nationaal niveau worden aangetrokken en uitgegeven, blijft de interne markt versnipperd. Bovendien hebben nationale toezichthouders een sterke neiging om de mogelijke gevolgen van een bankencrisis voor hun nationale economie zoveel mogelijk te beperken middels de vaststelling van unilaterale maatregelen om de bedrijfsactiviteiten van banken af te schermen door bijvoorbeeld overdrachten en leningen binnen een groep aan banden te leggen of door op hun grondgebied gevestigde dochternemingen van potentieel faillerende moederondernemingen hogere liquiditeits- en kapitaalvereisten op te leggen. Nationale en litigieuze kwesties tussen herkomst- en ontvangstlanden doen wezenlijk af aan de efficiëntie van grensoverschrijdende afwikkelingsprocessen. Daardoor worden de grensoverschrijdende activiteiten van banken ingeperkt, ontstaan belemmeringen voor de uitoefening van fundamentele vrijheden en wordt de mededinging op de interne markt verstoord.

(6)  Richtlijn [BRRD] van het Europees Parlement en de Raad (6) is een beslissende stap naar harmonisatie van de nationale regelgeving inzake de afwikkeling van banken ▐ en heeft in samenwerking tussen de afwikkelingsautoriteiten bij de aanpak van het failleren van grensoverschrijdende banken voorzien. Niettemin is de harmonisatie van Richtlijn [BRRD] niet absoluut en is het besluitvormingsproces niet gecentraliseerd. Richtlijn [BRRD] biedt de nationale autoriteiten van elke lidstaat hoofdzakelijk dezelfde afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden, maar laat hen enigermate vrij in de toepassing van de instrumenten en in het gebruik van nationale financieringsregelingen ter ondersteuning van de afwikkelingsprocedures. Ondanks de regulerende en bemiddelende taak die aan de bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (7),opgerichte Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit, 'EBA') is toebedeeld, wordt met Richtlijn BRRD▐ niet geheel voorkomen dat de lidstaten ten aanzien van de afwikkeling van grensoverschrijdende groepen afzonderlijke en potentieel inconsistente besluiten nemen die een nadelige uitwerking op de totale afwikkelingskosten kunnen hebben. Omdat de richtlijn voorts in nationale financieringsregelingen voorziet, neemt de afhankelijkheid van banken van steun uit de nationale begroting niet voldoende af en wordt niet geheel voorkomen dat de benadering ten aanzien van het gebruik van de financieringsregelingen van lidstaat tot lidstaat uiteenloopt.

(7)  Voor de voltooiing van de interne markt voor financiële diensten is het van essentieel belang om voor doeltreffende eenvormige afwikkelingsbesluiten voor faillerende banken in de Unie en voor het gebruik van op Unieniveau aangetrokken financiering te zorgen. Op de interne markt kan het failleren van een bank in één lidstaat de stabiliteit van de financiële markten in de gehele Unie aantasten. Doeltreffende en eenvormige afwikkelingsvoorschriften, alsmede gelijke voorwaarden voor de financiering van afwikkelingen in alle lidstaten zijn als middel om de mededinging in stand te houden en de werking van de interne markt te verbeteren, niet alleen van belang voor de lidstaten waarin de banken opereren, maar meer in het algemeen voor alle lidstaten. De bankstelsels op de interne markt zijn sterk met elkaar verweven, bankgroepen zijn internationaal en banken hebben een hoog percentage aan buitenlandse activa in bezit. Zonder een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme zou een bankencrisis in lidstaten die aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) deelnemen, ook in de niet-deelnemende lidstaten sterkere negatieve systeemeffecten sorteren. Een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme zal de stabiliteit van de banken in de deelnemende lidstaten vergroten en het overslaan van een crisis naar niet-deelnemende lidstaten voorkomen, zodat het de werking van de gehele interne markt zal verbeteren. Het mechanisme voor samenwerking met betrekking tot zowel in deelnemende als in niet-deelnemende lidstaten gevestigde instellingen moet duidelijk zijn en het is belangrijk erop toe te zien dat niet-deelnemende lidstaten niet worden gediscrimineerd.

(7 bis)  Om het vertrouwen in de banksector en de geloofwaardigheid daarvan weer te herstellen, onderwerpt de Europese Centrale Bank (ECB) de balans van alle onder rechtstreeks toezicht vallende banken aan een uitgebreid onderzoek. Voor wat de banken in de deelnemende lidstaten die niet rechtstreeks onder het toezicht van de ECB vallen betreft, dienen de bevoegde autoriteiten in samenwerking met de ECB een soortgelijk balansonderzoek uit te voeren dat evenredig is aan de omvang en het bedrijfsmodel van de banken in kwestie. Ook dit draagt bij aan het herstel van de geloofwaardigheid en zorgt ervoor dat alle banken onder de loep worden genomen.

(7 ter)  Met het oog op een gelijk speelveld binnen de interne markt als geheel, moet elk kader voor herstel en afwikkeling van banken binnen de Unie berusten op de Richtlijn bankherstel en –afwikkeling (hierna: Richtlijn [BRRD]) en op de krachtens deze richtlijn uitgevaardigde gedelegeerde handelingen. De Commissie en de afwikkelingsraad moeten bij de uitvoering van hun taken uit hoofde van deze verordening handelen overeenkomstig de vereisten van die richtlijn en die gedelegeerde handelingen. In die richtlijn moeten de planning van herstel- en afwikkelingsmaatregelen, vroegtijdige interventie, de voorwaarden en beginselen voor afwikkeling, alsook de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten door het GAM, nader worden geregeld. Het belangrijkste doel van deze verordening is een zodanige regeling te treffen dat het GAM die richtlijn kan uitvoeren en over de daarvoor benodigde financiële middelen kan beschikken. De Commissie en de afwikkelingsraad blijven daarbij gebonden aan alle andere hier terzake doende Uniewetgeving, ook aan de bindende technische regulerings- en uitvoeringsnormen die door de EBA zijn uitgewerkt en door de Commissie zijn overgenomen conform de artikelen 10 tot en met 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De afwikkelingsraad is tevens gebonden aan de richtsnoeren en aanbevelingen die de EBA in verband met richtlijn [BRRD] uitbrengt overeenkomstig artikel 16 van die verordening, en in voorkomend geval aan de besluiten van de EBA in het kader van bindende bemiddeling overeenkomstig artikel 19, lid 3, van Verordening (EU) 1093/2010.

(8)  Na de instelling van het GTM bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad(8), waarbij de banken in de deelnemende lidstaten onder centraal toezicht van de Europese Centrale Bank (ECB) komen te staan, is er sprake van een incongruentie tussen het Unietoezicht op dergelijke banken enerzijds en de nationale behandeling van deze banken in de afwikkelingsprocedures krachtens Richtlijn [BRRD] anderzijds.

(8 bis)  Verordening (EU) nr. 1024/2013 voorziet in de mogelijkheid dat een deelnemende lidstaat die geen lid is van de eurozone zijn nauwe samenwerking met het GTM beëindigt. Op die manier kan de situatie ontstaan dat een lidstaat besluit het GTM te verlaten, maar tegelijkertijd een instelling op zijn grondgebied heeft die afwikkelingsfinanciering uit het GAM-fonds geniet. Deze verordening kan bij herziening, worden toegerust met bepalingen voor dergelijke situaties.

(9)  Terwijl de banken in de lidstaten die buiten het GTM blijven, op nationaal niveau profiteren van op elkaar afgestemde toezichts-, afwikkelings- en financiële achtervangregelingen, zijn de banken in de lidstaten die aan het GTM deelnemen, onderworpen aan uniale toezichtsregelingen en nationale afwikkelings- en financiële achtervangregelingen. Door deze incongruentie ontstaat een concurrentienadeel voor de banken in de lidstaten die aan het GTM deelnemen, tegenover de banken in de andere lidstaten. Omdat toezicht en afwikkeling binnen het GTM op twee verschillende niveaus plaatsvinden, zijn interventies bij en afwikkelingen van banken in de lidstaten die aan het GTM deelnemen, niet zo snel, consistent en doeltreffend als bij banken in de lidstaten die niet onder het GTM vallen. Dit heeft nadelige gevolgen voor de financieringskosten voor deze banken en schept een concurrentienadeel met schadelijke effecten voor de lidstaten waarin deze banken opereren, en voor de algehele werking van de interne markt. Daarom is een gecentraliseerd afwikkelingsmechanisme voor alle banken die opereren in de lidstaten die aan het GTM deelnemen, van essentieel belang voor de waarborging van een gelijk speelveld.

(10)  De deling van de afwikkelingsverantwoordelijkheden tussen de nationale niveaus en een uniaal niveau moet worden gelijkgetrokken met de deling van de toezichtsverantwoordelijkheden tussen deze niveaus. Zolang het toezicht in een lidstaat nationaal blijft, moet deze lidstaat ook voor de financiële gevolgen van het failleren van een bank verantwoordelijk blijven. Het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme mag zich dus alleen uitstrekken tot banken en financiële instellingen die in de aan het GTM deelnemende lidstaten zijn gevestigd en die in het kader van het GTM aan het toezicht van de ECB zijn onderworpen. Banken die gevestigd zijn in de lidstaten die niet aan het GTM deelnemen, mogen niet aan het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme onderworpen zijn. Indien die lidstaten namelijk ook onder het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme zouden komen te vallen, zouden voor hen de verkeerde prikkels ontstaan. Met name zouden de toezichthouders in die lidstaten dan clementer kunnen worden jegens de banken in hun rechtsgebieden omdat zij het volle financiële risico van het failleren van die banken dan niet zouden hoeven te dragen. Met het oog op het parallellisme met het GTM mag het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme dus alleen van toepassing zijn op de lidstaten die aan het GTM deelnemen. Zodra een lidstaat zich bij het GTM aansluit, moet hij ook automatisch aan het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme worden onderworpen. Op den duur zou het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme zich moeten uitstrekken tot de gehele interne markt.

(11)  Een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds (hierna het "Fonds" genoemd) is van essentieel belang; zonder het Fonds kan een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme niet naar behoren werken. Uiteenlopende systemen van nationale financiering zouden de toepassing van gemeenschappelijke voorschriften voor de afwikkeling van banken op de interne markt verstoren. Als de financiering van afwikkeling op nationaal niveau blijft verlopen, zou de band tussen overheden en de bankensector niet worden verbroken en zouden investeerders hun leningsvoorwaarden blijven bepalen naar de plaats van vestiging van de banken in plaats van naar hun kredietwaardigheid. In de huidige ernstige versnippering van de financiële markten zou ook geen verandering komen. Het Fonds moet ertoe bijdragen dat een eenvormige administratieve praktijk bij de financiering van afwikkelingen gewaarborgd is en dat wordt vermeden dat, als gevolg van uiteenlopende nationale praktijken, belemmeringen voor de uitoefening van fundamentele vrijheden ontstaan of de mededinging wordt verstoord. Het Fonds moet rechtstreeks door de banken worden gefinancierd en moet op Unieniveau worden gepoold zodat de afwikkelingmiddelen op objectieve wijze aan de lidstaten worden toegewezen en daarmee de financiële stabiliteit wordt versterkt en de koppeling tussen enerzijds de gepercipieerde begrotingssituatie van de afzonderlijke lidstaten en anderzijds de financieringskosten van banken en ondernemingen die in deze lidstaten opereren, wordt verbroken. Om die koppeling nog verder te verbreken moet worden verboden dat een besluit van het GAM rechtstreeks van invloed is op de begrotingsverantwoordelijkheid van de lidstaten.

(12)  Derhalve is het noodzakelijk om maatregelen vast te stellen om voor alle lidstaten die aan het GTM deelnemen, een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme te creëren, teneinde een goede en stabiele werking van de interne markt te bevorderen.

(13)  Een gecentraliseerde toepassing van de bankenafwikkelingsvoorschriften van Richtlijn [BRRD] door een gemeenschappelijke uniale afwikkelingsautoriteit in de deelnemende lidstaten is alleen mogelijk wanneer de voorschriften voor de instelling en werking van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme in de lidstaten rechtstreeks toepasselijk zijn en daarmee uiteenlopende interpretaties in de lidstaten worden voorkomen. Om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsinstrumenten op geharmoniseerde wijze worden ingezet, dient de afwikkelingsraad samen met de Commissie een afwikkelingshandleiding op te stellen met daarin duidelijke en gedetailleerde richtsnoeren voor het gebruik van de in Richtlijn [BRRD] geregelde afwikkelingsinstrumenten. Dit zou voor de interne markt als geheel voordelen moeten opleveren omdat aldus aan de waarborging van een eerlijke mededinging wordt bijgedragen en belemmeringen voor de vrije uitoefening van fundamentele vrijheden niet alleen in de deelnemende lidstaten, maar op de gehele interne markt worden voorkomen.

(14)  Parallel aan het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad moet een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme alle kredietinstellingen omvatten die in de deelnemende lidstaten gevestigd zijn. Om tijdens een afwikkelingsproces asymmetrieën op de interne markt bij de behandeling van faillerende instellingen en van crediteuren te vermijden, moet het binnen het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme evenwel mogelijk zijn om een kredietinstelling van een deelnemende lidstaat rechtstreeks af te wikkelen. Wanneer moederondernemingen, beleggingsondernemingen en financiële instellingen onder het geconsolideerde toezicht van de ECB vallen, moeten zij ook in het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme worden opgenomen. Hoewel de ECB op deze instellingen geen toezicht op solobasis zal uitoefenen, zal zij de enige toezichthouder zijn die een globale indruk heeft van het risico waaraan een groep en indirect de individuele leden blootstaan. Als bepaalde entiteiten die van het geconsolideerde ECB-toezicht deel uitmaken, van het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme worden uitgesloten, wordt het onmogelijk om de afwikkeling van bankgroepen te plannen en een groepafwikkelingsstrategie vast te stellen, en zullen afwikkelingsbesluiten sterk aan doeltreffendheid inboeten.

(15)  Binnen het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme moeten besluiten op het passendste niveau worden genomen. De afwikkelingsraad en met name de bestuursvergadering van deze raad moeten de bevoegdheid hebben om alle besluiten rond de afwikkelingsprocedure in de meest ruime zin voor te bereiden en te nemen, onder respectering van de rol van de Commissie zoals geregeld in het VWEU, met name de artikelen 114 en 107 daarvan.

(15 bis)  De Commissie moet de uitvoering van taken uit hoofde van deze verordening strikt gescheiden houden van haar andere taken, en zich daarbij steeds de doelstellingen en beginselen voor ogen houden zoals die in deze verordening en in Richtlijn [BRRD] zijn omschreven. Deze takenscheiding dient te worden gewaarborgd door een gescheiden organisatie.

(16)  De ECB is, als toezichthouder binnen het GTM, bij uitstek geschikt om te beoordelen of een kredietinstelling failleert of waarschijnlijk failleert en of er redelijkerwijs niet te verwachten valt dat alternatieve maatregelen van de particuliere sector of van toezichthouders het failleren ervan binnen een redelijk tijdsbestek zou voorkomen. Na de kennisgeving van de ECB en de beoordeling van de afwikkelingsvoorwaarden, moet de afwikkelingsraad, in bestuursvergadering bijeen, de Commissie een ontwerpbesluit aan de hand doen ▐ omtrent de vraag of een instelling al dan niet in afwikkeling wordt geplaatst. Dit ontwerpbesluit dient een aanbeveling te bevatten omtrent een duidelijk en gedetailleerd ▐ kader voor de afwikkelingsinstrumentenen, al naar het geval, het aanspreken van het Fonds. Binnen dit kader moet de afwikkelingsraad, in zijn bestuursvergadering, over een afwikkelingsregeling besluiten en de nationale afwikkelingsautoriteiten instructies over de afwikkelingsinstrumenten en de op nationaal niveau uit te oefenen afwikkelingsbevoegdheden geven. De leden van de afwikkelingsraad moeten bij het nemen van besluiten naar consensus streven zonder dat daardoor de besluitvorming binnen de raad aan effectiviteit inboet.

(17)  De afwikkelingsraad moet de bevoegdheid krijgen om met name besluiten op het gebied van de afwikkelingsplanning, de beoordeling van de afwikkelbaarheid, het wegnemen van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid, en de voorbereiding van afwikkelingsmaatregelen te nemen. De nationale afwikkelingsautoriteiten moeten de afwikkelingsraad in de afwikkelingsplanning en in de voorbereiding van afwikkelingsbesluiten bijstaan. Daarnaast moeten zij voor de uitvoering van de afwikkelingsbesluiten verantwoordelijk zijn aangezien in het kader van de uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden nationaal recht moet worden toegepast.

(18)  Voor een goede werking van de interne markt is het van belang dat voor alle afwikkelingsmaatregelen dezelfde voorschriften gelden, ongeacht of deze door nationale afwikkelingsautoriteiten in het kader van Richtlijn [BRRD] of in het kader van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme worden genomen. De Commissie beoordeelt deze maatregelen in het kader van artikel 107, [...]VWEU. Wanneer er bij het gebruik van afwikkelingsfinancieringsregelingen geen sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, [...] VWEU moet de Commissie die maatregelen mutatis mutandis aan artikel 107 [...] VWEU toetsen, teneinde een gelijk speelveld op de interne markt te waarborgen. Indien een kennisgeving in het kader van artikel 108 VWEU niet noodzakelijk is omdat met het door de bestuursvergadering van de afwikkelingsraad voorgestelde beroep op het Fonds geen staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU is gemoeid, moet de Commissie bij de beoordeling van het voorgestelde beroep op het Fonds de desbetreffende staatssteunregelgeving in het kader van artikel 107 [...] VWEU mutatis mutandis toepassen, teneinde de integriteit van de interne markt voor de deelnemende en niet-deelnemende lidstaten te waarborgen. De afwikkelingsraad mag geen besluit over een afwikkelingsregeling nemen voordat de Commissie bij overeenkomstige toepassing van de staatssteunregelgeving ervoor heeft gezorgd dat bij het beroep op het Fonds dezelfde voorschriften worden gevolgd als bij interventies middels nationale financieringsregelingen.

(19)  Om een snel en doeltreffend besluitvormingsproces bij de afwikkeling te waarborgen, moet de afwikkelingsraad een specifiek Unieagentschap met een op zijn specifieke taken toegesneden specifieke structuur zijn die afwijkt van het model van alle overige agentschappen van de Unie. De samenstelling ervan moet waarborgen dat alle betrokken belangen in de afwikkelingsprocedures naar behoren tegen elkaar worden afgewogen. De afwikkelingsraad moet in plenaire en in bestuursvergaderingen werken. In de bestuursvergadering moet hij bestaan uit een uitvoerend directeur, een plaatsvervangend uitvoerend directeur en door de Commissie en de ECB benoemde leden, die onafhankelijk en objectief te werk moeten gaan, in het belang van de Unie als geheel. Gelet op de taken van de afwikkelingsraad moeten de uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur worden benoemdop basis van verdienste, vaardigheden, kennis van bancaire en financiële aangelegenheden en ervaring die relevant is op het gebied van financieel toezicht en financiële regelgeving. De uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur worden gekozen op basis van een open selectieprocedure, waarvan het Europees Parlement en de Raad naar behoren op de hoogte worden gehouden. De selectieprocedure moet het beginsel van genderevenwicht in acht nemen. De Commissie legt de bevoegde commissie van het Europees Parlement een lijst voor van kandidaten voor de functie van de uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur. De Commissie legt een voordracht voor de benoeming van de uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur ter goedkeuring voor aan het Europees Parlement. Na goedkeuring van de voordracht door het Europees Parlement benoemt de Raad bij uitvoeringsbesluit de uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur. Bij beraadslagingen over de afwikkeling van een bank of groep die in één deelnemende lidstaat is gevestigd, moet de bestuursvergadering van de afwikkelingsraad ook het door de betrokken lidstaat benoemde lid dat zijn nationale afwikkelingsautoriteit vertegenwoordigt, uitnodigen en in het besluitvormingsproces betrekken. Bij beraadslagingen over een grensoverschrijdende groep moeten de door de lidstaat van herkomst en alle lidstaten van ontvangst in kwestie benoemde leden die de desbetreffende nationale afwikkelingsautoriteiten vertegenwoordigen, ook worden uitgenodigd en in het besluitvormingsproces van de bestuursvergadering van de afwikkelingsraad worden betrokken. Om er evenwel voor te zorgen dat de autoriteit van herkomst en de autoriteiten van ontvangst de besluitvorming op evenwichtige wijze beïnvloeden, moeten de autoriteiten van ontvangst gezamenlijk over één stem beschikken. Bij de besluitvorming moet terdege rekening worden gehouden met het relatieve belang van de dochteronderneming, het bijkantoor of de onder geconsolideerd toezicht vallende entiteit in de economie van de verschillende lidstaten en in de groep als geheel.

(19 bis)  Omdat de deelnemers aan de besluitvorming van de afwikkelingsraad in diens bestuursvergaderingen wisselen naargelang de lidstaat waar de betrokken instelling of groep actief is, moeten de vaste deelnemers - uitvoerend directeur, plaatsvervangend uitvoerend directeur, en door de Commissie en de ECB benoemde leden – erop toezien dat de besluiten in alle verschillende samenstellingen van de bestuursvergadering van de afwikkelingsraad coherent zijn, ter zake en proportioneel.

(19 ter)  De EBA woont als waarnemer de vergaderingen van de raad bij. Ook andere waarnemers, zoals een vertegenwoordiger van het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), kunnen worden uitgenodigd voor de bijeenkomsten van de afwikkelingsraad. De waarnemers zijn onderworpen aan dezelfde geheimhoudingsplicht als de leden en de medewerkers van de afwikkelingsraad, en uitgewisselde of gedetacheerde medewerkers uit deelnemende lidstaten die afwikkelingstaken uitvoeren.

(19 quater)  De afwikkelingsraad moet interne afwikkelingsteams kunnen oprichten die bestaan uit eigen medewerkers en medewerkers van de nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaten, en onder leiding staan van coördinatoren die benoemd zijn door leidinggevende medewerkers van de afwikkelingsraad, en kunnen worden uitgenodigd om als waarnemers zonder stemrecht aan de bestuursvergadering van de afwikkelingsraad deel te nemen.

(19 quinquies)  Het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Europese Unie is in de Verdragen verankerd, meer bepaald in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

(20)  Gezien de taken van de afwikkelingsraad en de Commissie uit hoofde van deze verordening en gezien de afwikkelingsdoelstellingen, zoals de bescherming van publieke middelen, moet de werking van het GAM worden gefinancierd uit bijdragen van de instellingen in de deelnemende lidstaten. Onder geen enkel beding mogen de lidstaten of de Unie met hun begrotingen aansprakelijk worden gesteld voor deze kosten.

(21)  In alle aspecten van het besluitvormingsproces voor de afwikkeling moeten, indien terzake dienend de Commissie en de afwikkelingsraad in de plaats treden van de nationale afwikkelingsautoriteiten die in het kader van Richtlijn [BRRD] zijn aangewezen. De in het kader van Richtlijn [BRRD] aangewezen nationale afwikkelingsautoriteiten moeten werkzaam blijven op het gebied van de tenuitvoerlegging van de door de afwikkelingsraad vastgestelde afwikkelingsregelingen. Om de transparantie en de democratische controle te waarborgen en de rechten van de instellingen van de Unie te beschermen, is de afwikkelingsraad aan het Europees Parlement en de Raad verantwoording schuldig voor elk besluit dat op basis van dit voorstel wordt genomen. Om dezelfde redenen van transparantie en democratische controle moeten de nationale parlementen bepaalde rechten hebben om informatie over de werkzaamheden van de afwikkelingsraad te verkrijgen en met hem een dialoog aan te gaan.

(21 bis)  Alle relevante autoriteiten moeten bij de tenuitvoerlegging van de verordening het evenredigheidsbeginsel in acht nemen. Het evenredigheidsbeginsel impliceert in het bijzonder de mogelijke gevolgen van het failleren van een instelling als gevolg van de aard van haar bedrijfsactiviteiten, haar aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang en juridische status, de eventuele afwijkingen die zij geniet uit hoofde van Verordening (EU) nr. 575/2013, haar verwevenheid met andere instellingen of het financieel stelsel in het algemeen, de reikwijdte en de complexiteit van haar activiteiten alsook haar lidmaatschap van een institutioneel protectiestelsel dat voldoet aan de eisen van artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 of van een ander coöperatief stelsel van wederzijdse solidariteit als bedoeld in artikel 113, lid 6, van die verordening, en of zij beleggingsdiensten verricht of andere activiteiten als omschreven in artikel 4, lid 1, onder 2) van richtlijn 2004/39/EG.

(21 ter)  Op verzoek van nationale parlementen van deelnemende lidstaten kunnen de bevoegde commissies van die parlementen een hoorzitting houden met een vertegenwoordiger van de afwikkelingsraad, in aanwezigheid van de nationale bevoegde autoriteit.

(22)  Voor de gevallen waarin de nationale afwikkelingsautoriteiten op grond van Richtlijn [BRRD] voor de vereiste opstelling van afwikkelingsplannen vereenvoudigde verplichtingen kunnen toepassen of ontheffing kunnen verlenen, moet worden voorzien in een procedure waarbij de afwikkelingsraad toestemming voor de toepassing van dergelijke vereenvoudigde verplichtingen kan verlenen.

(23)  Met het oog op een eenvormige aanpak voor de instellingen en groepen moet de afwikkelingsraad de bevoegdheid krijgen om voor deze instellingen en groepen afwikkelingsplannen op te stellen, in samenwerking met de nationale afwikkelingsautoriteiten, die door de afwikkelingsraad kunnen worden belast met taken in verband met het opstellen van afwikkelingsplannen. De afwikkelingsraad moet de afwikkelbaarheid van instellingen en groepen beoordelen en maatregelen nemen om eventuele belemmeringen voor de afwikkelbaarheid weg te nemen. Met het oog op de consistentie en op de afwikkelbaarheid van de betrokken instellingen moet de afwikkelingsraad de nationale afwikkelingsautoriteiten verplichten om dergelijke passende maatregelen om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid weg te nemen, ten uitvoer te leggen. Gezien de instellingsspecifieke en vertrouwelijke aard van de informatie die vervat is in de afwikkelingsplannen, dienen besluiten ten aanzien van de opstelling en beoordeling van de afwikkelingsplannen en de uitvoering van passende maatregelen genomen te worden door de afwikkelingsraad in zijn bestuursvergadering.

(24)  Afwikkelingsplanning is een essentieel onderdeel van een doeltreffende afwikkeling. De afwikkelingsraad moet derhalve de bevoegdheid hebben om wijzigingen in de structuur en organisatie van instellingen of groepen te eisen teneinde praktische belemmeringen voor de toepassing van afwikkelingsinstrumenten weg te nemen en de afwikkelbaarheid van de betrokken entiteiten te waarborgen. Wegens de potentiële systeemrelevantie van alle instellingen is het voor het handhaven van de financiële stabiliteit van cruciaal belang dat autoriteiten over de mogelijkheid beschikken om elke instelling af te wikkelen. Om de in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten vastgelegde vrijheid van ondernemerschap te respecteren, moet de manoeuvreerruimte van de afwikkelingsraad worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk is om de structuur en bedrijfsactiviteiten van de instelling te vereenvoudigen met de uitsluitende bedoeling om de afwikkelbaarheid ervan te verbeteren. Elke maatregel die met dit doel wordt opgelegd, moet bovendien in overeenstemming zijn met het Unierecht. Maatregelen mogen direct noch indirect discriminerend zijn op grond van nationaliteit en moeten gerechtvaardigd zijn door de doorslaggevende reden dat zij in het algemeen belang bij financiële stabiliteit worden uitgevoerd. Om te bepalen of een maatregel in het algemeen belang is genomen, moet de in het algemeen belang handelende afwikkelingsraad de afwikkelingsdoelstellingen kunnen verwezenlijken zonder belemmeringen tegen te komen voor de toepassing van afwikkelingsinstrumenten of voor zijn vermogen om de hem verleende bevoegdheden uit te oefenen. Bovendien mag een maatregel niet verder gaan dan minimaal noodzakelijk is om de doelstellingen te bereiken.

(24 bis)  In de afwikkelingsplannen dient rekening te worden gehouden met de gevolgen voor de werknemers en de plannen dienen overeenkomstig Richtlijn [BRRD] procedures te omvatten voor het informeren en raadplegen van werknemers of hun vertegenwoordigers gedurende het gehele afwikkelingsproces. In voorkomend geval moeten collectieve overeenkomsten of andere regelingen van de sociale partners in dit verband in acht worden genomen. Afwikkelingsplannen en mogelijke latere bijstellingen daarvan dienen aan de werknemers of hun vertegenwoordigers worden meegedeeld zoals voorgeschreven in Richtlijn [BRRD].

(25)  Het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme moet moet voortbouwen op de kaders van Richtlijn [BRRD] en het GTM. De afwikkelingsraad moet derhalve de bevoegdheid krijgen om bij een verslechtering van de financiële situatie of de solvabiliteit van een instelling in een vroeg stadium in te grijpen. De informatie die de afwikkelingsraad in deze fase ▐ van de ECB ontvangt, is van groot belang voor de bepaling van de mogelijke maatregelen die hij ter voorbereiding van de afwikkeling van de betrokken instelling neemt.

(26)  Om snel tot afwikkeling te kunnen overgaan op het moment waarop dit noodzakelijk wordt, moet de afwikkelingsraad, in samenwerking met de betrokken bevoegde autoriteit of de ECB, de toestand van de betrokken instellingen van nabij volgen en daarbij ook nagaan of deze zich houden aan de vroegtijdige-interventiemaatregelen die, in voorkomend geval, met betrekking tot hen zijn genomen.

(27)  Om een verstoring van de financiële markt en de economie zoveel mogelijk te beperken, moet het afwikkelingsproces in een kort tijdsbestek worden doorgevoerd. Deposanten moeten zo snel mogelijk tot in ieder geval hun gegarandeerde deposito’s worden toegelaten, sneller in ieder geval dan een deposant bij zijn gegarandeerd deposito wordt toegelaten in het kader van een normale insolventieprocedure volgens Richtlijn [depositogarantiestelsels, hierna: DGS]. De Commissie moet gedurende het gehele afwikkelingsproces toegang hebben tot de informatie die zij nodig acht om in het afwikkelingsproces met kennis van zaken een besluit te kunnen nemen. Wanneer de Commissie besluit om hetdoor de afwikkelingsraad geconcipieerde ontwerpbesluit om een instelling in afwikkeling te plaatsen over te nemen, moet de afwikkelingsraad onmiddellijk een afwikkelingsregeling met een nadere uitwerking van de toe te passen afwikkelingsinstrumenten en –bevoegdheden en het gebruik van eventuele financieringsregelingen vaststellen.

(28)  Liquidatie van een faillerende instelling volgens de normale insolventieprocedure kan de financiële stabiliteit in gevaar brengen, de verlening van essentiële diensten verstoren en de bescherming van deposanten aantasten. In een dergelijk geval is het in het algemeen belang om afwikkelingsinstrumenten toe te passen. De afwikkeling moet dus tot doel hebben de continuïteit van essentiële financiële diensten te waarborgen, de stabiliteit van het financiële stelsel te handhaven, het moreel risico te verkleinen door het beroep van faillerende instellingen op openbare financiële steun zoveel mogelijk te beperken, en de deposanten te beschermen.

(29)  De liquidatie van een insolvente instelling volgens een normale insolventieprocedure moet echter altijd worden overwogen voordat kan worden besloten de instelling als going concern te handhaven. Een insolvente instelling moet omwille van de financiële stabiliteit als going concern worden gehandhaafd, voor zover mogelijk met gebruik van particuliere middelen. Dat doel kan worden verwezenlijkt door verkoop aan of fusie met een koper uit de particuliere sector, door afschrijving van de passiva van de instelling, dan wel door omzetting van de schuld in eigen vermogen om een herkapitalisatie te bewerkstelligen.

(30)  Bij het uitoefenen van afwikkelingsbevoegdheden moeten de Commissie en de afwikkelingsraad ervoor zorgen dat de aandeelhouders en crediteuren een passend aandeel van de verliezen dragen, dat het bestuur wordt vervangen of aangevuld, dat de kosten van de afwikkeling van de instelling zoveel mogelijk worden beperkt en dat alle crediteuren van een insolvente instelling die tot dezelfde categorie behoren op dezelfde manier worden behandeld, een en ander overeenkomstig deze verordening en Richtlijn [BRRD].

(31)  De beperkingen van de rechten van aandeelhouders en crediteuren moeten in overeenstemming zijn met artikel 52 van het Handvest van de grondrechten. De afwikkelingsinstrumenten dienen daarom alleen te worden toegepast op instellingen die falen of waarschijnlijk zullen falen, en alleen wanneer zulks noodzakelijk is om de doelstelling van financiële stabiliteit in het algemeen belang na te streven. Afwikkelingsinstrumenten dienen met name te worden toegepast wanneer de instelling niet volgens een normale insolventieprocedure kan worden geliquideerd zonder het financiële stelsel te destabiliseren, de maatregelen noodzakelijk zijn om de snelle overdracht en continuïteit van systeemkritische functies te verzekeren en er geen redelijk vooruitzicht is op een alternatieve oplossing vanuit de particuliere sector, zoals onder meer een zodanige kapitaalverhoging door de bestaande aandeelhouders of door een derde dat de levensvatbaarheid van de instelling volledig wordt hersteld.

(32)  Er mag niet onevenredig worden ingegrepen in de eigendomsrechten. Getroffen aandeelhouders en crediteuren mogen bijgevolg geen grotere verliezen lijden dan de verliezen die zij zouden hebben geleden als de instelling op het moment van het nemen van het afwikkelingsbesluit zou zijn geliquideerd. In geval van een gedeeltelijke overdracht van activa van een instelling in afwikkeling aan een particuliere koper of aan een bruginstelling, dient het resterende deel van de instelling in afwikkeling volgens een normale insolventieprocedure te worden geliquideerd. Om de bestaande aandeelhouders en crediteuren van de instelling tijdens de liquidatieprocedure te beschermen, moeten zij het recht hebben om ter betaling van hun vorderingen niet minder te ontvangen dan het bedrag dat zij naar schatting zouden hebben teruggekregen indien de gehele instelling volgens de normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd.

(33)  Om het recht van aandeelhouders te beschermen en ervoor te zorgen dat crediteuren niet minder ontvangen dan wat zij bij een normale insolventieprocedure zouden ontvangen, moeten duidelijke verplichtingen worden vastgelegd wat de waardering van de activa en passiva van de instelling betreft, en moet voldoende tijd worden gelaten om zich een juist oordeel te vormen van de behandeling die zij zouden hebben genoten mocht de instelling volgens een normale insolventieprocedure zijn geliquideerd. Er moet worden voorzien in de mogelijkheid om reeds in de vroegtijdige-interventiefase met een dergelijke waardering te beginnen. Voordat een afwikkelingsmaatregel wordt genomen, moet een raming worden gemaakt van de waarde van de activa en passiva van de instelling en tevens worden ingeschat hoe aandeelhouders en crediteuren in het kader van een normale insolventieprocedure zouden worden behandeld.

(34)  Het is belangrijk dat de verliezen bij het faillissement van de instelling worden onderkend. De leidende beginselen voor de waardering van activa en passiva van faillerende instellingen zijn geregeld in richtlijn [BRRD]. Het moet mogelijk zijn dat de afwikkelingsraad in spoedeisende situaties een snelle voorlopige waardering van de activa en passiva van een faillerende instelling uitvoert die geldig moet blijven zolang er nog geen onafhankelijke waardering is verricht.

(35)  Omwille van de objectiviteit en zekerheid van het afwikkelingsproces moet de volgorde worden vastgelegd waarin concurrente vorderingen van crediteuren op een instelling in afwikkeling moeten worden afgeschreven of omgezet. Ter beperking van het risico dat crediteuren grotere verliezen lijden dan wanneer de instelling volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd, moet de vast te leggen volgorde zowel voor een normale insolventieprocedure als voor het afschrijvings- of omzettingsproces bij een afwikkeling van toepassing zijn. Daardoor wordt ook de prijsbepaling van de schuld vergemakkelijkt.

(35 bis)  De harmonisatie van insolventiewetgeving in de gehele Unie, die een belangrijke stap zou zijn naar de totstandbrenging van een werkelijke interne markt, is nog niet gerealiseerd. Voor de entiteiten gevestigd in lidstaten die aan het GTM deelnemen, en de in andere lidstaten gevestigde entiteiten, is de rangorde van vorderingen van crediteuren bij insolventie, waaronder ook de preferente vorderingen van depositanten, dezelfde, dankzij de met richtlijn [BRRD] doorgevoerde harmonisatie. Door die harmonisatie wordt een belangrijke bron van reguleringsarbitrage weggenomen. Niettemin moet er geleidelijk worden toegewerkt naar een Unieregeling voor insolventie.

(36)  De Commissie moet, aan de hand van het door de afwikkelingsraad opgestelde ontwerpbesluit, het kader voor de te nemen afwikkelingsmaatregelen verschaffen, volgens de afwikkelingsplannen van de desbetreffende entiteiten en afhankelijk van de omstandigheden van de zaak, en zij moet alle te gebruiken afwikkelingsinstrumenten kunnen aanwijzen. Binnen dit duidelijke en nauwkeurige kader moet de afwikkelingsraad besluiten over de concrete uitwerking van de afwikkelingsregeling. De desbetreffende afwikkelingsinstrumenten moeten het instrument van verkoop van de onderneming, het instrument van de bruginstelling, het instrument van de inbreng van de particuliere sector, en het instrument van afsplitsing van activa omvatten, dat wil zeggen de instrumenten waarin eveneens is voorzien bij Richtlijn [BRRD]. Aan de hand van het kader moet ook kunnen worden beoordeeld of aan de voorwaarden voor de afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten is voldaan.

(37)  Overeenkomstig richtlijn [BRRD] moet het instrument van verkoop van de onderneming ▐.het mogelijk maken de instelling of delen van de bedrijfsactiviteiten daarvan aan een of meer kopers te verkopen, zonder toestemming van de aandeelhouders.

(38)  Overeenkomstig richtlijn [BRRD] moet het instrument van afsplitsing van activa ▐ de autoriteiten in staat stellen dubieuze of probleemactiva over te dragen aan een afzonderlijk vehikel. Dit instrument mag alleen worden gebruikt in combinatie met andere instrumenten om een onbedoeld concurrentievoordeel voor de faillerende instelling te vermijden.

(39)  Een doeltreffende afwikkelingsregeling moet de kosten van de afwikkeling van een faillerende instelling die door de belastingbetalers worden gedragen, zoveel mogelijk beperken. Zij dient er tevens voor te zorgen dat ook grote systeemrelevante instellingen kunnen worden afgewikkeld zonder dat zulks de financiële stabiliteit in gevaar brengt. Het instrument van de inbreng van de particuliere sector bereikt die doelstelling door ervoor te zorgen dat de aandeelhouders en crediteuren van de entiteit passende verliezen lijden en een passend deel van die kosten dragen. Te dien einde moeten, overeenkomstig de aanbeveling van de Raad voor financiële stabiliteit, wettelijke schuldafschrijvingsbevoegdheden in het afwikkelingskader worden opgenomen als extra mogelijkheid die in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten kan worden aangewend.

(40)  Om te zorgen voor de flexibiliteit die noodzakelijk is om verliezen aan de crediteuren in diverse omstandigheden toe te rekenen, verdient het aanbeveling dat het instrument van de inbreng van de particuliere sector overeenkomstig richtlijn [BRRD] kan worden toegepast zowel wanneer het de bedoeling is de faillerende instelling als going concern af te wikkelen indien er een realistisch vooruitzicht is dat de levensvatbaarheid van de instelling kan worden hersteld, als wanneer systeemkritische diensten aan een bruginstelling worden overgedragen en de activiteiten van het resterende deel van de instelling worden gestaakt en de instelling wordt geliquideerd.

(41)  Indien het instrument van de inbreng van de particuliere sector wordt toegepast met de bedoeling het kapitaal van de faillerende instelling te herstellen zodat deze als going concern actief kan blijven, moet de afwikkeling door middel van inbreng van de particuliere sector volgens richtlijn [BRRD] altijd vergezeld gaan van een vervanging van het bestuur en een daarop aansluitende zodanige herstructurering van de instelling en haar activiteiten dat de redenen voor het failleren worden aangepakt. Deze herstructurering moet worden verwezenlijkt via de tenuitvoerlegging van een bedrijfssaneringsplan.

(42)  Ingevolge richtlijn [BRRD] is het niet gepast om het instrument van de inbreng van de particuliere sector toe te passen op vorderingen voor zover die gedekt zijn, een onderpand hebben of anderszins zijn gegarandeerd. Om ervoor te zorgen dat het instrument van de inbreng van de particuliere sector doeltreffend is en zijn doelstellingen bereikt, is het echter wenselijk dat het kan worden toegepast op een zo breed mogelijk scala aan ongedekte verplichtingen van een faillerende instelling. Het is niettemin passend om bepaalde soorten ongedekte passiva van het toepassingsgebied van het instrument van de inbreng van de particuliere sector uit te sluiten. Met het oog op de openbare orde en de doeltreffende afwikkeling mag het instrument van de inbreng van de particuliere sector niet worden toegepast op deposito's die op grond van Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad(9) beschermd zijn, op verplichtingen jegens werknemers van de faillerende instelling of op commerciële vorderingen die betrekking hebben op goederen en diensten die nodig zijn voor het dagelijks functioneren van de instelling.

(43)  Overeenkomstig richtlijn [BRRD] mogen deposanten met deposito's die door een depositogarantiestelsel zijn gewaarborgd, ▐ niet onder de toepassing van het instrument van de inbreng van de particuliere sector vallen. De uitoefening van de bevoegdheid om een inbreng van de particuliere sector te eisen, zou er immers voor zorgen dat deposanten toegang tot hun deposito's blijven hebben.

(44)  In het kader van de deling van de lasten door aandeelhouders en junior crediteuren zoals vereist in het kader van de staatssteunregelgeving, kan het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening en van Richtlijn [BRRD] het instrument van de inbreng van de particuliere sector mutatis mutandis toepassen.

(45)  Om te vermijden dat instellingen hun passiva zodanig structureren dat afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van het instrument van de inbreng van de particuliere sector, moet de afwikkelingsraad kunnen vaststellen dat de instellingen te allen tijde een bepaald totaalbedrag aan eigen vermogen, achtergestelde schuld en niet-achtergestelde verplichtingen moeten aanhouden dat onder het instrument van de inbreng van de particuliere sector valt envermeld moet worden in de afwikkelingsplannen; dat bedrag dient te worden uitgedrukt als percentage van de totale passiva van de instelling die voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad(10) en van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013(11) niet als eigen vermogen worden aangemerkt

(46)  Afhankelijk van de omstandigheden van de zaak moet de beste afwikkelingsmethode worden gekozen en daartoe moeten alle afwikkelingsinstrumenten beschikbaar zijn waarin Richtlijn [BRRD] voorziet en overeenkomstig die richtlijn worden toegepast.

(47)  Bij Richtlijn [BRRD] is aan de nationale afwikkelingsautoriteiten de bevoegdheid tot afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten verleend omdat de voorwaarden voor de afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten met de voorwaarden voor afwikkeling kunnen samenvallen en in een dergelijk geval moet worden beoordeeld of een afschrijving en omzetting van de kapitaalinstrumenten op zich toereikend is om de financiële soliditeit van de betrokken entiteit te herstellen, of daarnaast ook afwikkelingsmaatregelen moeten worden genomen. In de regel zal daarvan in het kader van een afwikkeling gebruik worden gemaakt. Omdat de afwikkelingsraad en de Commissie ook in deze functie in de plaats moeten treden van de nationale afwikkelingsautoriteiten, moeten zij de bevoegdheid krijgen om te beoordelen of aan de voorwaarden voor de afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten is voldaan, en moeten zij bepalen of een entiteit in afwikkeling moet worden geplaatst indien ook aan de vereisten voor een afwikkeling is voldaan.

(48)  In alle deelnemende lidstaten moeten de doelmatigheid en de eenvormigheid van afwikkelingsmaatregelen gewaarborgd zijn. Daartoe moet de afwikkelingsraad de bevoegdheid krijgen om, wanneer een nationale afwikkelingsautoriteit het besluit van de afwikkelingsraad niet of niet voldoende ten uitvoer heeft gelegd, rechtstreeks aanwijzingen te geven aan een instelling in afwikkeling .

(49)  Om de doeltreffendheid van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme te versterken, moet de afwikkelingsraad onder alle omstandigheden nauw met de Europese Bankautoriteit samenwerken. In passende gevallen moet de afwikkelingsraad ook samenwerken met de Europese Autoriteit voor effecten en markten, met de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen, met het Europees Comité voor systeemrisico's en met de overige autoriteiten die deel uitmaken van het Europees systeem voor financieel toezicht. Voorts moet de afwikkelingsraad nauw samenwerken met de ECB en de overige autoriteiten die de bevoegdheid hebben om binnen het GTZ toezicht uit te oefenen op de kredietinstellingen, en met name op de groepen die onder het geconsolideerde toezicht van de ECB vallen. Om het afwikkelingsproces van faillerende banken doeltreffend te beheren, moet de afwikkelingsraad in alle fasen van het afwikkelingsproces met de nationale afwikkelingsautoriteiten samenwerken. Met laatstgenoemden moet derhalve niet alleen worden samengewerkt in het kader van de uitvoering van de afwikkelingsbesluiten van de afwikkelingsraad, maar ook vóór de vaststelling van een afwikkelingsbesluit, in de fase van de afwikkelingsplanning of in de fase van vroegtijdige interventie. Bij de uitoefening van haar taken uit hoofde van deze verordening werkt de Commissie nauw samen met de EBA en let zij terdege op de richtsnoeren en aanbevelingen die deze uitbrengt.

(49 bis)  Bij het toepassen van afwikkelingsinstrumenten en het uitoefenen van afwikkelingsbevoegdheden moet de afwikkelingsraad erop toezien dat de werknemersvertegenwoordigers bij de betrokken entiteiten overeenkomstig Richtlijn [BRRD] worden geïnformeerd en eventueel geraadpleegd. In voorkomend geval moeten collectieve overeenkomsten of andere regelingen van de sociale partners in dit verband in acht worden genomen.

(50)  Aangezien de afwikkelingsraad en niet de nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaten de afwikkelingsbesluiten neemt, moet hij ook in het kader van de samenwerking met de niet-deelnemende lidstaten in de plaats treden van die autoriteiten, voor zover het om de afwikkelingsfuncties gaat. Met name moet de afwikkelingsraad alle autoriteiten van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen in de afwikkelingscolleges die ook autoriteiten van de niet-deelnemende lidstaten omvatten.

(50 bis)  De afwikkelingsraad en de afwikkelingsautoriteiten van de lidstaten die geen deelnemende lidstaten zijn, dienen een memorandum van overeenstemming te sluiten met daarin een uiteenzetting van de algemene voorwaarden voor de onderlinge samenwerking bij de tenuitvoerlegging van hun taken uit hoofde van de richtlijn [BRRD]. In deze memoranda van van overeenstemming zou onder meer kunnen worden uiteengezet hoe de raadpleging ten aanzien van de besluiten van de Commissie en de afwikkelingsraad met gevolgen voor in de niet-deelnemende lidstaat gevestigde dochterondernemingen of vestigingen waarvan de moederonderneming in een deelnemende lidstaat is gevestigd, moet worden vormgegeven. De memoranda moeten regelmatig worden geëvalueerd.

(51)  Omdat tal van instellingen niet alleen in de Unie, maar ook daarbuiten opereren, moet een doeltreffend afwikkelingsmechanisme de beginselen voor de samenwerking met de betrokken autoriteiten van derde landen vastleggen. Steun aan de autoriteiten van derde landen moet overeenkomstig het rechtskader van artikel 88 van Richtlijn [BRRD] worden verleend. Daartoe moet de afwikkelingsraad, gezien het feit dat hij als enige autoriteit voor de afwikkeling van faillerende banken in de deelnemende lidstaten bevoegd dient te zijn, ook de exclusieve bevoegdheid krijgen om namens de nationale autoriteiten van de deelnemende lidstaten niet-bindende samenwerkingsovereenkomsten met deze autoriteiten van derde landen te sluiten.

(52)  De afwikkelingsraad moet voor een doeltreffende uitvoering van zijn taken over passende onderzoeksbevoegdheden beschikken. Hij moet alle nodige informatie hetzij rechtstreeks hetzij bij de nationale afwikkelingsautoriteiten kunnen opvragen en onderzoeken en inspecties ter plaatse kunnen verrichten, in voorkomend geval in samenwerking met de nationale bevoegde autoriteiten, en daarbij vol gebruik maken van alle binnen de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten beschikbare informatie. In het kader van de afwikkeling zouden inspecties ter plaatse voor de afwikkelingsraad beschikbaar zijn om de uitvoering door de nationale autoriteiten op doeltreffende wijze te volgen en ervoor te zorgen dat de Commissie en de afwikkelingsraad hun besluiten op basis van volledig accurate informatie kunnen nemen.

(53)  Om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsraad toegang tot alle relevante informatie heeft, mogen de betrokken entiteiten en hun werknemers zich niet op de voorschriften inzake het beroepsgeheim kunnen beroepen en aldus kunnen voorkomen dat de informatie aan de afwikkelingsraad wordt verstrekt. Tegelijkertijd mag de verstrekking van dergelijke informatie aan de afwikkelingsraad nooit als een inbreuk op het beroepsgeheim worden beschouwd.

(54)  Om ervoor te zorgen dat de in het kader van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme genomen besluiten worden nageleefd, moeten voor het geval van een inbreuk evenredige en afschrikkende sancties worden opgelegd. De afwikkelingsraad moet gerechtigd zijn om de nationale afwikkelingsautoriteiten te instrueren om entiteiten bestuursrechtelijke sancties en dwangsommen op te leggen bij niet-naleving van de verplichtingen krachtens zijn besluiten. Met het oog op een consistente, doelmatige en doeltreffende handhavingspraktijk moet de afwikkelingsraad gerechtigd zijn om aan de nationale afwikkelingsautoriteiten richtsnoeren over de toepassing van bestuursrechtelijke sancties en dwangsommen uit te vaardigen.

(55)  Wanneer een nationale afwikkelingsautoriteit op de voorschriften van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme inbreuk pleegt door geen gebruik te maken van de haar krachtens nationaal recht verleende bevoegdheden om een instructie van de afwikkelingsraad op te volgen, kan de betrokken lidstaat overeenkomstig de desbetreffende jurisprudentie aansprakelijk worden gesteld voor de schade die natuurlijke personen en in voorkomend geval de entiteit of groep in afwikkeling of de crediteuren van een deel van die entiteit of groep in een lidstaat is berokkend.

(56)  Er moet worden voorzien in passende voorschriften voor de begroting van de afwikkelingsraad, voor de opstelling van de begroting, voor de goedkeuring van interne voorschriften voor de procedure voor de vaststelling en uitvoering van zijn begroting, de bewaking en controle van de begroting door de plenaire vergadering van de afwikkelingsraad alsmede voor de interne en externe audit van de rekeningen.

(56 bis)  De afwikkelingsraad in plenaire vergadering moet tevens zijn jaarlijkse werkprogramma vaststellen, volgen en controleren, alsook adviezen en/of aanbevelingen uitbrengen over het ontwerpverslag van de uitvoerend directeur met onder meer een deel over de afwikkelingsactiviteiten en de lopende afwikkelingszaken, alsook een deel over financiële en administratieve aangelegenheden.

(57)  Er zijn omstandigheden waarin de doeltreffendheid van de toegepaste afwikkelingsinstrumenten afhankelijk kan zijn van de beschikbaarheid van kortetermijnfinanciering voor de instelling of een bruginstelling, de verlening van garanties aan potentiële kopers of de verstrekking van kapitaal aan de bruginstelling. Daarom moet een fonds worden opgezet dat voorkomt dat publieke middelen voor dergelijke doeleinden worden gebruikt.

(58)  Er moet worden gewaarborgd dat het Fonds volledig beschikbaar is voor de afwikkeling van faillerende instellingen. Derhalve mag geen beroep op het Fonds worden gedaan voor andere doeleinden dan voor een doelmatige toepassing van afwikkelingsinstrumenten en –bevoegdheden. Voorts mag daarop alleen overeenkomstig de toepasselijke afwikkelingsdoelstellingen en -beginselen een beroep worden gedaan, dit geheel overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn[BRRD]. Daarom moet de afwikkelingsraad ervoor zorgen dat eventuele verliezen, kosten of andere uitgaven die met het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten verband houden, in de eerste plaats door de aandeelhouders en crediteuren van de instelling in afwikkeling worden gedragen. Alleen indien de middelen van de aandeelhouders en crediteuren zijn uitgeput, mogen de verliezen, kosten of andere uitgaven in verband met de afwikkelingsinstrumenten door het Fonds worden gedragen.

(59)  In de regel moeten voorafgaand aan en onafhankelijk van elke afwikkelingsmaatregel bijdragen van de financiële sector worden geïnd. Als de financiering vooraf onvoldoende is om de verliezen of kosten te dekken die uit het beroep op het Fonds voortvloeien, moeten er aanvullende bijdragen worden geïnd om de extra kosten of verliezen te dragen. Voorts moet het Fonds in staat zijn leningen of andere vormen van steun van financiële instellingen of andere derden te verkrijgen ingeval de beschikbare middelen ontoereikend zijn om de verliezen, kosten of andere uitgaven als gevolg van het beroep op het Fonds te dekken en de buitengewone achteraf te betalen bijdragen niet onmiddellijk beschikbaar zijn.

(59 bis)  Wanneer in deelnemende lidstaten naar aanleiding van de crisis reeds bankheffingen, belastingen of afwikkelingsbijdragen zijn ingevoerd, moeten deze worden vervangen door bijdragen aan het Fonds om dubbele afdrachten te voorkomen.

(60)  Om een kritische massa te bereiken en de procyclische effecten te vermijden die zich zouden voordoen indien het Fonds bij een systeemcrisis uitsluitend op achteraf te betalen bijdragen aangewezen zou zijn, is het absoluut noodzakelijk dat de van tevoren beschikbare financiële middelen van het Fonds een zeker streefbedrag bereiken.

(60 bis)  Het streefbedrag van de financiering van het Fonds moet worden vastgesteld als percentage van het bedrag van de gedekte deposito’s bij alle kredietinstellingen waaraan in de deelnemende lidstaten vergunning is verleend. Omdat echter het bedrag van de totale verplichtingen van die instellingen, gezien de functies van het Fonds, een bruikbaarder benchmark zou zijn, moet de Commissie nagaan of in de toekomst wellicht een aan de totale verplichtingen gerelateerde, en in aanvulling op het streefbedrag te realiseren referentiewaarde moet worden ingevoerd, waardoor het gelijke speelveld in overeenstemming met Richtlijn [BRRD] bewaard blijft.

(61)  Er moet worden voorzien in een passend tijdsbestek om het streefbedrag van de financiering voor het Fonds te bereiken. Het moet evenwel voor de afwikkelingsraad mogelijk zijn om de bijdrageperiode aan te passen als aanzienlijke uitkeringen uit het Fonds worden gedaan.

(61 bis)  Om de koppeling tussen overheden en banken te verbreken en te zorgen voor een doeltreffend en geloofwaardig GAM is het van cruciaal belang – zeker zolang het mechanisme nog niet volledig is gefinancierd dat er binnen een redelijk tijdsbestek na inwerkingtreding van de verordening een Europese openbare kredietfaciliteit wordt ingericht. Leningen uit die leningfaciliteit worden binnen een overeengekomen termijn door het Fonds terugbetaald. Die leningfaciliteit zou ervoor zorgen dat er meteen afdoende financiële middelen voor de in deze verordening geregelde doelen beschikbaar komen.

(62)  De lidstaten die al nationale financieringsregelingen voor afwikkelingen hebben vastgesteld, moeten kunnen bepalen dat deze regelingen hun beschikbare financiële middelen, die in het verleden middels vooraf te betalen bijdragen bij de instellingen zijn geïnd, gebruiken om instellingen te vergoeden voor de vooraf te betalen bijdragen die deze instellingen in het Fonds moeten storten. Een dergelijke restitutie dient de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van Richtlijn 94/18/EG van het Europees Parlement en de Raad onverlet te laten(12).

(63)  Om een eerlijke berekening van de bijdragen te waarborgen en het ontplooien van activiteiten volgens een model dat minder risico's meebrengt aan te moedigen, dient bij de bepaling van de door de afwikkelingsraad overeenkomstig Richtlijn [BRRD] en de op grond daarvan uitgevaardigde gedelegeerde handelingen, en na overleg met de bevoegde autoriteit vast te stellen bijdragen aan het Fonds rekening te worden gehouden met de mate waarin kredietinstellingen risico lopen.

(65)  Om de waarde van de bedragen van het Fonds te beschermen, moeten deze bedragen in voldoende veilige, gediversifieerde en liquide activa worden belegd.

(66)  De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen om het volgende vast te leggen: het soort bijdragen aan het Fonds en de aangelegenheden waarvoor de bijdragen verschuldigd zijn, de manier waarop het bedrag van de bijdragen wordt berekend en de wijze waarop ze moeten worden betaald, de registratie-, boekhoud- en rapportageverplichtingen en andere verplichtingen om ervoor te zorgen dat de bijdragen volledig en tijdig worden betaald, het bijdragesysteem voor instellingen waaraan een vergunning voor de uitoefening van werkzaamheden is verleend terwijl het Fonds zijn streefbedrag al heeft bereikt, de criteria voor de spreiding in de tijd van de bijdragen, de omstandigheden waarin de betaling van de bijdragen kan worden vervroegd, de criteria om het bedrag aan jaarlijkse bijdragen te bepalen, en de maatregelen om de omstandigheden en voorwaarden nader te regelen waaronder een instelling geheel of gedeeltelijk van achteraf te betalen bijdragen kan worden vrijgesteld.

(67)  Om de vertrouwelijkheid van de werkzaamheden van de afwikkelingsraad te waarborgen, moeten de leden van de afwikkelingsraad, de personeelsleden van de afwikkelingsraad en de personeelsleden die ter uitvoering van afwikkelingstaken zijn uitgewisseld met of gedetacheerd zijn door de deelnemende lidstaten, onder de geheimhoudingsplicht vallen, zelfs na afloop van hun functie. Deze vereisten dienen tevens van toepassing te zijn op andere door de afwikkelingsraad gemachtigde personen en op personen die door de nationale afwikkelingsautoriteiten van de lidstaten gemachtigd of aangewezen zijn om inspecties ter plaatse te verrichten, en verder nog op waarnemers die worden uitgenodigd voor de plenaire vergaderingen en de bestuursvergaderingen van de afwikkelingsraad. Met het oog op de uitvoering van de hem opgedragen taken moet de afwikkelingsraad, onder bepaalde voorwaarden, gemachtigd zijn om met nationale of uniale autoriteiten en organen informatie uit te wisselen.

(68)  Om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsraad in het Europees systeem voor financieel toezicht is vertegenwoordigd, moet Verordening (EU) nr. 1093/2010 worden gewijzigd om het bij die verordening vastgestelde concept van bevoegde autoriteiten uit te breiden tot de afwikkelingsraad. Een dergelijke gelijkstelling van afwikkelingsraad en bevoegde autoriteiten uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1093/2010 is consistent met de overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 aan de EBA toevertrouwde functies om actief bij te dragen en deel te nemen aan de ontwikkeling en coördinatie van herstel- en afwikkelingsplannen en om de afwikkeling van faillerende instellingen, en in het bijzonder van grensoverschrijdende groepen, te vergemakkelijken.

(69)  Zolang de afwikkelingsraad nog niet volledig operationeel is, moet de Commissie verantwoordelijk zijn voor het voorlopig functioneren, met inbegrip van het innen van de bijdragen die voor de bekostiging van de administratieve uitgaven nodig zijn, en het aanwijzen van een uitvoerend directeur ad interim, die namens de afwikkelingsraad alle nodige betalingen kan toestaan.

(70)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en strookt met de beginselen die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend, en in het bijzonder het recht op eigendom, de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van ondernemerschap, het recht van werknemers op informatie en raadpleging binnen de onderneming, alsook het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, en moet overeenkomstig deze rechten en beginselen worden toegepast.

(71)  Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de doelstelling dat een doelmatig en doeltreffend Europees kader voor de afwikkeling van kredietinstellingen wordt opgezet, en de doelstelling dat voor een consistente toepassing van de afwikkelingsvoorschriften wordt gezorgd, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. In overeenstemming met het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden eenvormige regels en een eenvormige procedure vastgesteld voor de afwikkeling van de in artikel 2 bedoelde entiteiten die in de in artikel 4 bedoelde deelnemende lidstaten zijn gevestigd.

Deze eenvormige regels en procedure worden toegepast door de ingevolge artikel 38 opgerichte afwikkelingsraad samen met de Commissie en de afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaten in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme dat bij deze verordening wordt ingesteld. Het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme wordt ondersteund door een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds (hierna "het Fonds" genoemd).

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op de volgende entiteiten:

(a)  kredietinstellingen die in deelnemende lidstaten zijn gevestigd;

(b)  in een van de deelnemende lidstaten gevestigde moederondernemingen, met inbegrip van financiële holdings en gemengde financiële holdings wanneer deze onder toezicht op geconsolideerde basis staan dat door de ECB wordt uitgeoefend in overeenstemming met artikel 4, lid 1, onder i), van Verordening (EU) nr. 1024/2013;

(c)  in deelnemende lidstaten gevestigde beleggingsondernemingen en financiële instellingen die vallen onder het toezicht op geconsolideerde basis op de moederonderneming dat door de ECB wordt uitgeoefend in overeenstemming met artikel 4, lid 1, onder i), van Verordening (EU) nr. 1024/2013.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de definities van artikel 2 van Richtlijn [BRRD] en van artikel 3 van Richtlijn 2013/36/EU . Voorts moet worden verstaan onder:

(1)  "nationale bevoegde autoriteit": een nationale bevoegde autoriteit als omschreven in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013;

(1bis)  "bevoegde autoriteit": bevoegde autoriteit als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 40, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de Europese Centrale Bank in haar toezichtfunctie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1024/2013;

(2)  "nationale afwikkelingsautoriteit": een door een lidstaat overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn [BRRD] aangewezen autoriteit;

(3)  "afwikkelingsmaatregel": de toepassing van een afwikkelingsinstrument op een instelling of een in artikel 2 bedoelde entiteit, dan wel de uitoefening van een of meer afwikkelingsbevoegdheden;

(3 bis)  'de afwikkelingsraad': de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, opgericht bij artikel 38 van deze verordening;

(4)  "gedekte deposito's": deposito's die in overeenstemming met Richtlijn 94/19/EG door depositogarantiestelsels naar nationaal recht worden gegarandeerd tot het bij artikel 7 van Richtlijn 94/19/EG vastgestelde dekkingsniveau;

(5)  "in aanmerking komende deposito's": deposito's als omschreven in artikel 1 van Richtlijn 94/19/EG die niet van bescherming zijn uitgesloten overeenkomstig artikel 2 van genoemde richtlijn, ongeacht het bedrag ervan;

(11)  "instelling in afwikkeling": een in artikel 2 bedoelde entiteit ten aanzien waarvan een afwikkelingsmaatregel is genomen;

(12)  "instelling": een kredietinstelling of een beleggingsonderneming die in overeenstemming met artikel 2, onder c), onder toezicht op geconsolideerde basis valt;

(13)  "groep": een moederonderneming en haar dochterondernemingen, die in artikel 2 bedoelde entiteiten zijn;

(19)  "beschikbare financiële middelen": de contanten, deposito's, activa en onherroepelijke betalingstoezeggingen waarover het Fonds beschikt voor de doeleinden als bedoeld in artikel 74;

(20)  "streefbedrag van de financiering": het overeenkomstig artikel 68 te realiseren bedrag aan beschikbare financiële middelen.

Artikel 4

Deelnemende lidstaten

Een deelnemende lidstaat is een lidstaat die de euro als munt heeft of een lidstaat die niet de euro als munt heeft en die overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 een nauwe samenwerking is aangegaan.

Artikel 5

Relatie met Richtlijn [ ] en het toepasselijke nationale recht

-1. Behoudens deze verordening wordt de uitoefening door de Commissie en de afwikkelingsraad van taken en bevoegdheden uit hoofde van deze verordening nader geregeld in Richtlijn [BRRD] en in de op grond daarvan vast te stellen gedelegeerde handelingen.

1.  Indien de Commissie of de afwikkelingsraad krachtens deze verordening taken of bevoegdheden uitoefent die volgens Richtlijn [BRRD] door de nationale afwikkelingsautoriteit van een deelnemende lidstaat moeten worden uitgeoefend, wordt de afwikkelingsraad voor de toepassing van deze verordening en van Richtlijn [BRRD] als de betrokken nationale afwikkelingsautoriteit of, in geval van grensoverschrijdende groepsafwikkeling, als de betrokken afwikkelingsautoriteit op groepsniveau beschouwd.

(1 bis)  Bij de uitoefening van de bij deze verordening aan hem toegekende bevoegdheden is de afwikkelingsraad gebonden aan bindende technische regulerings- en uitvoeringsnormen die door de EBA zijn ontwikkeld en door de Commissie zijn overgenomen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, aan de richtsnoeren en aanbevelingen die de EBA uitbrengt overeenkomstigartikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, en aan eventuele overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 door de EBA genomen besluiten uit hoofde van de desbetreffende bepalingen van Richtlijn [BRRD].

2.  Wanneer de afwikkelingsraad als een nationale afwikkelingsautoriteit handelt, handelt hij, in voorkomend geval, met goedkeuring van de Commissie.

3.  Onder voorbehoud van het bepaalde in deze verordening handelen de nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaat op grond van en in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het nationale recht, zoals geharmoniseerd door Richtlijn [BRRD].

Artikel 6

Algemene beginselen

1.  Geen actie, voorstel of beleidsmaatregel van de afwikkelingsraad, de Commissie of een nationale afwikkelingsautoriteit discrimineert in artikel 2 bedoelde entiteiten, depositohouders, beleggers of andere crediteuren die in de Unie zijn gevestigd op grond van hun nationaliteit of hoofdkantoor.

(1 bis)  De afwikkelingsraad, de Commissie of een nationale afwikkelingsautoriteit houden zich bij elke maatregel, elk voorstel en elke beleidsmaatregel in het kader van het GAM de bevordering van de stabiliteit van het financieel stelsel binnen de EU en binnen de respectieve deelnemende lidstaten voor ogen, en zij letten daarbij zorgvuldig op de eenheid en integriteit van de interne markt.

2.  Bij het nemen van besluiten of maatregelen die in meer dan een ▐ lidstaat gevolgen kunnen hebben, en met name bij het nemen van besluiten met betrekking tot groepen die in twee of meer deelnemende lidstaten zijn gevestigd, houden de Commissie en de afwikkelingsraad naar behoren rekening met alle volgende factoren:

(a)  de belangen van de ▐ lidstaten waar een groep actief is, en in het bijzonder het effect van een besluit of maatregel, dan wel het uitblijven daarvan, op de financiële stabiliteit, de economie, het depositogarantiestelsel of het beleggerscompensatiestelsel van elk van deze lidstaten;

(b)  de doelstelling de belangen van de verschillende betrokken lidstaten tegen elkaar af te wegen en te voorkomen dat de belangen van een ▐ lidstaat worden geschaad of onbillijk worden beschermd;

(c)  de noodzaak een negatief effect te vermijden op andere delen van een groep waarvan een in artikel 2 bedoelde entiteit in afwikkeling lid is;

(c bis)  zo mogelijk, het belang van de groep bij voortzetting van haar grensoverschrijdende activiteit;

(d)  de noodzaak te vermijden dat de kosten voor de crediteuren van de in artikel 2 bedoelde entiteiten een zodanig onevenredige stijging vertonen dat deze hoger uitvalt dan het geval zou zijn geweest mochten deze entiteiten volgens normale insolventieprocedures zijn afgewikkeld;

(e)  de uit hoofde van artikel 107 VWEU te nemen besluiten die in artikel 16, lid 10, worden bedoeld.

3.  De Commissie en de afwikkelingsraad wegen de in lid 2 bedoelde factoren af tegen de in artikel 12 bedoelde afwikkelingsdoelstellingen, rekening houdend met de aard en de omstandigheden van elke zaak.

4.   Geen besluit of handeling van de afwikkelingsraad of de Commissie kan de lidstaten verplichten tot het verstrekken van buitengewone openbare financiële steun of rechtstreeks in de budgettaire verantwoordelijkheid van de lidstaten treden.

4 bis.  Bij het nemen van besluiten of maatregelen ziet de afwikkelingsraad erop toe dat de werknemersvertegenwoordigers binnen de betrokken entiteiten worden geïnformeerd en eventueel geraadpleegd;

4 ter.  Bij hun maatregelen, voorstellen en beleidsmaatregelen respecteren de afwikkelingsraad, de Commissie en de nationale afwikkelingsautoriteiten het non-discriminatiebeginsel ten aanzien van iedere lidstaat og groep van lidstaten.

4 quater.  De Commissie voert haar taken uit hoofde van deze verordening onafhankelijk, en separaat van haar andere taken uit, en strikt volgens de doelstellingen en beginselen die in deze verordening en in Richtlijn [BRRD] zijn omschreven. Deze takenscheiding dient te worden gewaarborgd door een gescheiden organisatie.

Deel II

BIJZONDERE BEPALINGEN

TITEL I

Functies binnen het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en procedureregels

Hoofdstuk 1

Afwikkelingsplanning

Artikel 7

Afwikkelingsplannen

1.  De afwikkelingsraad stelt in samenwerking met de nationale afwikkelingsautoriteiten afwikkelingsplannen op voor de in artikel 2 bedoelde entiteiten en voor groepen en keurt deze goed.

2.  Voor de toepassing van lid 1 doen de nationale afwikkelingsautoriteiten de afwikkelingsraad alle voor de opstelling en uitvoering van de afwikkelingsplannen benodigde informatie toekomen die zij overeenkomstig artikel 10 en artikel 12, lid 1, van Richtlijn [BRRD] hebben verkregen, onverminderd hoofdstuk 5 van deze titel.

2 bis.  Het afwikkelingsplan voor elke entiteit wordt opgesteld overeenkomstig de artikelen 9 - 12 van de richtlijn [BRRD].

7.  De afwikkelingsraad stelt de afwikkelingsplannen op in samenwerking met de toezichthouder of de consoliderende toezichthouder en met de nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaten waar de entiteiten zijn gevestigd. De afwikkelingsraad werkt samen met de afwikkelingsautoriteiten in niet-deelnemende lidstaten indien in die lidstaten entiteiten onderworpen zijn aan toezicht op geconsolideerde basis.

8.  De afwikkelingsraad kan van nationale afwikkelingsautoriteiten eisen dat zij voorontwerpen van afwikkelingsplannen opstellen, en van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau dat zij een voorontwerp van groepsafwikkelingsplan opstelt ter beoordeling en goedkeuring door de afwikkelingsraad. De afwikkelingsraad kan van nationale afwikkelingsautoriteiten verlangen andere taken in verband met het opstellen van afwikkelingsplannen te verrichten.

9.  De afwikkelingsplannen worden geëvalueerd en, indien nodig, bijgewerkt, iovereenkomstig de artikelen 9 en 12 van richtlijn [BRRD].

9 bis.  Besluiten met betrekking tot het opstellen, evalueren en goedkeuren van de afwikkelingsplannen alsook ten aanzien van de toepassing van passende maatregelen worden door de afwikkelingsraad genomen in zijn bestuursvergadering.

Artikel 8

Beoordeling van de afwikkelbaarheid

1.  Bij de opstelling van afwikkelingsplannen in overeenstemming met artikel 7 beoordeelt de afwikkelingsraad, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, en van de afwikkelingsautoriteiten van niet-deelnemende lidstaten waar dochterondernemingen of significante bijkantoren of dochterondernemingen zijn gevestigd, voor zover zulks relevant is voor het significante bijkantoor in de zin als bedoeld in de artikelen 13 en 13 bis van richtlijn [BRRD], in hoeverre instellingen en groepen afwikkelbaar zijn zoals vereist in de artikelen 13 en 13 bis van richtlijn [BRRD].

2.  ▐ Een entiteit wordt geacht afwikkelbaar te zijn in situaties als bedoeld in artikel 13 van richtlijn [BRRD].

3.  ▐ Een groep wordt geacht afwikkelbaar te zijn in situaties als bedoeld in artikel 13 bis van richtlijn [BRRD].

4.  Bij de beoordeling onderzoekt de afwikkelingsraad ten minste de zaken die in afdeling C van de bijlage bij Richtlijn [BRRD] zijn vermeld.

5.  Indien de afwikkelingsraad, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, met inbegrip van de ECB, op grond van een overeenkomstig lid 1 uitgevoerde beoordeling van de afwikkelbaarheid van een entiteit of een groep vaststelt dat er potentiële materiële belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de entiteit of de groep bestaan, stelt de afwikkelingsraad, in overleg met de bevoegde autoriteiten, een verslag op dat tot de instelling of de moederonderneming is gericht en waarin de materiële belemmeringen voor de doeltreffende toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden worden geanalyseerd. In dat verslag worden ook de maatregelen aanbevolen die volgens de afwikkelingsraad nodig of passend zijn om die belemmeringen overeenkomstig lid 8 weg te nemen.

6.  Het verslag wordt ter kennis gebracht van de betrokken entiteit of moederonderneming, van de bevoegde autoriteiten en van de afwikkelingsautoriteiten van niet-deelnemende lidstaten waar significante bijkantoren of dochterondernemingen zijn gevestigd. Het motiveert de betrokken beoordeling of vaststelling en geeft aan hoe deze beoordeling of vaststelling voldoet aan het in artikel 6 vermelde vereiste van evenredige toepassing.

7.  Binnen vier maanden na de datum van ontvangst van het verslag kan de entiteit of de moederonderneming opmerkingen indienen en aan de afwikkelingsraad alternatieve maatregelen voorstellen waarmee de in het verslag genoemde belemmeringen kunnen worden weggenomen. De afwikkelingsraad deelt elke door de entiteit of moederonderneming voorgestelde maatregel mee aan de bevoegde autoriteiten en aan de afwikkelingsautoriteiten van niet-deelnemende lidstaten waar significante bijkantoren of dochterondernemingen zijn gevestigd.

8.  Indien de door de betrokken entiteit of moederonderneming voorgestelde maatregelen de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid niet effectief wegnemen, neemt de afwikkelingsraad, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, van de macroprudentiële autoriteit, een besluit waarin wordt gesteld dat de voorgestelde maatregelen de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid niet effectief wegnemen en waarin de nationale afwikkelingsautoriteiten de instructie wordt gegeven van de instelling, de moederonderneming of een dochteronderneming van de betrokken groep te eisen dat deze een van de in artikel 14 van Richtlijn [BRRD] vermelde maatregelen neemt, op basis van de volgende criteria:

(a)  de doeltreffendheid van de maatregel bij het wegnemen van de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid;

(b)  de noodzaak om een negatief effect op de financiële stabiliteit in ▐ lidstaten waar de groep actief is te vermijden;

(c)  de noodzaak om een effect op de betrokken instelling of groep te vermijden dat verder gaat dan nodig is om de belemmering voor de afwikkelbaarheid weg te nemen of dat onevenredig zou zijn.

9.  Voor de toepassing van lid 8 geeft de afwikkelingsraad nationale afwikkelingsautoriteiten instructies om een of meer van de in artikel 14 van Richtlijn [BRRD] bedoelde maatregelen te nemen:

10.  De nationale afwikkelingsautoriteiten voeren de instructies van de afwikkelingsraad uit conform artikel 26.

Artikel 8 bis

Afwikkelbaarheid van systeemrelevante instellingen

Onverminderd zijn bevoegdheden en onafhankelijkheid geeft de afwikkelingsraad voorrang aan de beoordeling van de afwikkelbaarheid van instellingen waaraan systeemrisico’s zijn verbonden, zoals de als mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) aangemerkte instellingen of de anderszins systeemrelevante instellingen (ASI's) in de zin van artikel 131 van richtlijn 2013/36/EU, en stelt zonodig voor elk van deze instellingen overeenkomstig artikel 8 van deze verordening een plan op om overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn [BRRD] belemmeringen voor de afwikkelbaarheid uit de weg te ruimen.

Artikel 9

Vereenvoudigde verplichtingen en ontheffingen

1.  De afwikkelingsraad kan op eigen initiatief of op voorstel van een nationale afwikkelingsautoriteit vereenvoudigde verplichtingen met betrekking tot de opstelling van herstel- en afwikkelingsplannen overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn [BRRD] toepassen.

2.  De nationale afwikkelingsautoriteiten kunnen de afwikkelingsraad voorstellen vereenvoudigde verplichtingen toe te passen voor specifieke instellingen of groepen ten aanzien van de opstelling van afwikkelingsplannen. Het voorstel wordt met redenen omkleed en met alle relevante documentatie onderbouwd.

3.  Bij ontvangst van een voorstel in de zin van lid 1, of wanneer hij op eigen initiatief handelt, gaat de afwikkelingsraad over tot een beoordeling van de betrokken instellingen of groep. Bij de uitvoering van de beoordeling wordt rekening gehouden met de in artikel 4 van Richtlijn [BRRD] genoemde aspecten.

4.  De afwikkelingsraad beoordeelt de voortgezette toepassing van vereenvoudigde verplichtingen en staakt deze toepassing in de in artikel 4 van richtlijn [BRRD] bedoelde situaties.

Ingeval de nationale afwikkelingsautoriteit die overeenkomstig lid 1 heeft voorgesteld vereenvoudigde verplichtingen toe te passen ▐ van oordeel is dat het besluit tot toepassing van vereenvoudigde verplichtingen ▐moet worden ingetrokken, dient zij daartoe een voorstel in bij de afwikkelingsraad. In dat geval neemt de afwikkelingsraad in het licht van de in lid 3 vermelde elementen een besluit over het voorstel tot intrekking, terdege rekening houdend met de door de nationale afwikkelingsautoriteit aangevoerde motivering voor de intrekking

7.  De afwikkelingsraad stelt de EBA ervan in kennis wanneer hij de leden 1 en 4 toepast.

Artikel 10

Minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1.  In overleg met de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, gaat de afwikkelingsraad over tot de vaststelling van het in lid 2 bedoelde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, behoudens de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden, die instellingen en in artikel 2 bedoelde moederondernemingen moeten aanhouden.

2.  Het minimumvereiste wordt berekend overeenkomstig artikel 39 van richtlijn [BRRD].

3.  De in lid 1 bedoelde vaststelling geschiedt op grond van de in artikel 39 van Richtlijn [BRRD] genoemde criteria:

Bij de vaststelling wordt gepreciseerd aan welk minimumvereiste instellingen op individuele basis en moederondernemingen op geconsolideerde basis moeten voldoen. De afwikkelingsraad kan besluiten ontheffing te verlenen van de toepassing van het minimumvereiste op geconsolideerde of individuele basis in de in artikel 39 van richtlijn [BRRD] bedoelde situaties.

4.  De in lid 1 bedoelde vaststelling kan erin voorzien dat op geconsolideerde of individuele basis gedeeltelijk aan het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva kan worden voldaan door middel van een contractueel instrument van inbreng van de particuliere sector, overeenkomstig artikel 39 van richtlijn [BRRD].

6.  De afwikkelingsraad doet elke in lid 1 bedoelde vaststelling tijdens het opstellen en bijhouden van afwikkelingsplannen overeenkomstig artikel 7.

7.  De afwikkelingsraad richt zijn vaststelling tot de nationale afwikkelingsautoriteiten. De nationale afwikkelingsautoriteiten voeren de instructies van de afwikkelingsraad uit conform artikel 26. De afwikkelingsraad eist dat de nationale afwikkelingsautoriteiten verifiëren of en waarborgen dat instellingen en moederondernemingen aan het in lid 1 bedoelde minimumvereiste blijven voldoen.

8.  De afwikkelingsraad stelt de ECB en de EBA in kennis van het minimumvereiste dat hij overeenkomstig lid 1 voor elke instelling en moederonderneming heeft vastgesteld.

Hoofdstuk 2

Vroegtijdige interventie

Artikel 11

Vroegtijdige interventie

1.  De ECB stelt de afwikkelingsraad ambtshalve of naar aanleiding van een kennisgeving van een nationale bevoegde autoriteit van een deelnemende lidstaat in kennis van elke maatregel die zij een instelling of groep verplicht te nemen of die zij zelf neemt uit hoofde van artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1024/2013, artikel 23, lid 1, of artikel 24 van Richtlijn [BRRD] of artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU.

De afwikkelingsraad stelt de Commissie in kennis van alle informatie die hij overeenkomstig de eerste alinea heeft ontvangen.

2.  Vanaf de datum van ontvangst van de in lid 1 bedoelde informatie kan de afwikkelingsraad, onverminderd de bevoegdheden van de ECB en de bevoegde autoriteiten uit hoofde van ander Unierecht, de afwikkeling van de betrokken instelling of groep voorbereiden.

Voor de toepassing van de eerste alinea volgt de afwikkelingsraad, in samenwerking met de ECB en de betrokken bevoegde autoriteit, van nabij de toestand van de instelling of de moederonderneming, alsook of deze zich houden aan een eventuele vroegtijdige-interventiemaatregel die diende te worden genomen.

3.  De afwikkelingsraad heeft de bevoegdheid om:

(a)  overeenkomstig hoofdstuk 5 van deze titel de verstrekking te eisen van alle informatie die noodzakelijk is om de afwikkeling van de instelling of de groep voor te bereiden;

(b)  overeenkomstig artikel 17 een waardering van de activa en passiva van de instelling of groep te verrichten;

(c)  met potentiële kopers contact op te nemen teneinde de afwikkeling van de instelling of de groep voor te bereiden, dan wel om van de instelling, moederonderneming of de nationale afwikkelingsautoriteit te eisen dat te doen, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsvereisten die bij deze verordening en bij artikel 76 van Richtlijn [BRRD] zijn vastgelegd;

(d)  van de betrokken nationale afwikkelingsautoriteit te eisen dat zij een voorlopige afwikkelingsregeling voor de betrokken instelling of groep opstelt.

4.  Indien de ECB of de nationale bevoegde autoriteiten van de deelnemende lidstaten voornemens zijn een instelling of groep een aanvullende maatregel uit hoofde van artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 , uit hoofde van de artikelen 23 of 24 van Richtlijn [BRRD], dan wel uit hoofde van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU op te leggen voordat de instelling of groep volledige uitvoering heeft gegeven aan de eerste maatregel waarvan de afwikkelingsraad in kennis is gesteld, stelt de ECB de afwikkelingsraad daarvan ambtshalve of naar aanleiding van een mededeling van de nationale bevoegde autoriteit op de hoogte voordat aan de betrokken instelling of groep een dergelijke aanvullende maatregel wordt opgelegd.

5.  De ECB of de bevoegde autoriteit en de afwikkelingsraad dragen er zorg voor dat de in lid 4 bedoelde aanvullende maatregel en elke door de afwikkelingsraad overeenkomstig lid 2 genomen maatregel ter voorbereiding van de afwikkeling consistent zijn.

Hoofdstuk 3

Afwikkeling

Artikel 12

Afwikkelingsdoelstellingen

1.  Wanneer zij handelen volgens de in artikel 16 bedoelde afwikkelingsprocedure houden de Commissie en de afwikkelingsraad bij de uitoefening van hun respectieve verantwoordelijkheden rekening met de in artikel 26 van Richtlijn [BRRD] genoemde afwikkelingsdoelstellingen en kiezen zij de instrumenten en bevoegdheden waarmee naar hun mening de doelstellingen die gezien de omstandigheden van de zaak relevant zijn, het best kunnen worden verwezenlijkt.

2.  ▐ Bij het nastreven van de bovengenoemde doelstellingen handelen de Commissie en de afwikkelingsraad in overeenstemming met artikel 26 van richtlijn [BRRD].

Artikel 13

Algemene beginselen met betrekking tot afwikkeling

Wanneer zij handelen volgens de in artikel 16 bedoelde afwikkelingsprocedure nemen de Commissie en de afwikkelingsraad alle passende maatregelen om te waarborgen dat de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming met de in artikel 29 van Richtlijn [BRRD] genoemde beginselen wordt genomen:

Artikel 14

Afwikkeling van financiële instellingen en moederondernemingen

Afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van financiële instellingen en hun moederondernemingen worden genomen door de Commissie, aan de hand van een door de afwikkelingsraad overeenkomstig met artikel 28 van Richtlijn [BRRD] voorbereid ontwerpbesluit.

Artikel 15

Rangorde van vorderingen

Bij de toepassing van het instrument van de inbreng van de particuliere sector op een instelling in afwikkeling, waarbij de uit hoofde van artikel 24, lid 3, van het toepassingsgebied van het instrument van de inbreng van de particuliere sector uitgesloten passiva onverlet worden gelaten, neemt de Commissie een besluit op basis van een door de afwikkelingsraad voorbereid ontwerpbesluit en oefenen de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaat de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden uit ten aanzien van vorderingen, waarbij zij de rangorde volgen zoals geregeld in artikel 43 van richtlijn [BRRD].

Artikel 16

Afwikkelingsprocedure

1.  Indien de ECB ambtshalve of naar aanleiding van een mededeling van een nationale bevoegde autoriteit van een deelnemende lidstaat heeft besloten dat met betrekking tot een in artikel 2 bedoelde entiteit aan de in lid 2, onder a) en b), gestelde voorwaarden is voldaan, deelt zij dit besluit onverwijld aan de Commissie en de afwikkelingsraad mee.

De in de eerste alinea bedoelde kennisgeving kan plaatsvinden naar aanleiding van een verzoek tot beoordeling van de afwikkelingsraad of van een nationale afwikkelingsautoriteit, indien een van deze reden heeft om aan te nemen dat een instelling failleert of waarschijnlijk zal failleren.

De in de eerste alinea bedoelde mededeling vindt plaats na raadpleging van de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteit.

1a.  De afwikkelingsraad stelt ontwerpbesluiten op en neemt definitieve besluiten met betrekking tot de afwikkelingsprocedure in zijn bestuursvergadering overeenkomstig artikel 50.

2.  Bij ontvangst van een kennisgeving in de zin van lid 1, gaat de afwikkelingsraad in zijn bestuursvergadering over tot een beoordeling om na te gaan of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(a)  de entiteit failleert of zal waarschijnlijk failleren;

(b)  gezien de timing en andere ter zake doende omstandigheden valt het redelijkerwijze niet te verwachten dat een ten aanzien van de entiteit genomen alternatieve maatregel van de particuliere sector, waaronder ook maatregelen door een institutioneel protectiestelsel, of van een toezichthouder (met inbegrip van vroegtijdige-interventiemaatregelen of de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten overeenkomstig artikel 18) het failleren van de entiteit binnen een redelijk tijdsbestek zou voorkomen;

(c)  een afwikkelingsmaatregel is noodzakelijk in het algemeen belang als bedoeld in lid 4.

3.  Voor de toepassing van lid 2, onder a), wordt de entiteit als een faillerende of waarschijnlijk faillerende entiteit beschouwd onder ten minste een van de in artikel 27, lid 2, van Richtlijn [BRRD] genoemde omstandigheden:

4.  Voor de toepassing van lid 2, onder c), wordt een afwikkelingsmaatregel behandeld als zijnde in het algemeen belang in de in artikel 27, lid 3, van richtlijn [BRRD] bedoelde omstandigheden.

5.  Wanneer hij van oordeel is dat aan alle in lid 2 gestelde voorwaarden is voldaan, legt de afwikkelingsraad, lettend op de in lid 1 bedoelde kennisgeving, een ontwerpbesluit aan de Commissie voor, inhoudende dat de entiteit in afwikkeling wordt geplaatst. Het ontwerpbesluit omvat ten minste het volgende:

(a)  de aanbeveling de entiteit in afwikkeling te plaatsen;

(b)  het in artikel 19, lid 32, bedoelde kader voor de afwikkelingsinstrumenten;

(c)  het kader voor het beroep op het Fonds ter ondersteuning van de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming met artikel 71.

6.  Na ontvangst van het ontwerpbesluit van de afwikkelingsraad besluit de Commissie of zij het ontwerpbesluit aanneemt en welk kader voor de afwikkelingsinstrumenten wordt toegepast ten aanzien van de betrokken entiteit en, waar passend, voor het beroep op het Fonds ter ondersteuning van de afwikkelingsmaatregel. ▐

Indien de Commissie voornemens is de door de afwikkelingsraad ingediende aanbeveling niet of alleen met wijzigingen aan te nemen, zendt zij de aanbeveling terug naar de afwikkelingsraad met verzoek om wijziging, onder vermelding van de redenen waarom zij deze niet wenst aan te nemen of, al naar gelang het geval, de redenen van de beoogde voorgenomen wijzigingen. De Commissie kan een termijn vaststellen waarbinnen de afwikkelingsraad zijn aanvankelijke ontwerpbesluit op basis van de door de Commissie voorgestelde wijzigingen kan wijzigen en opnieuw bij de Commissie kan indienen. Tenzij sprake is van een naar behoren gerechtvaardigd spoedgeval, heeft de afwikkelingsraad ten minste vijf werkdagen om het ontwerpbesluit volgens het daartoe strekkend verzoek van de Commissie te herzien.

De Commissie stelt alles in het werk om bij de uitoefening van de haar bij dit lid toevertrouwde taken de door de EBA uitgebrachte richtsnoeren en aanbevelingen te volgen met en zij handelt ten aanzien van de bevestiging of zij die richtsnoeren en aanbevelingen volgt of van plan is te volgen, volgens het bepaalde in artikel 16, lid 3, van verordening (EU) nr.1093/2010.

7.  Het besluit van de Commissie wordt tot de afwikkelingsraad gericht. Indien de Commissie besluit de entiteit niet in afwikkeling te plaatsen omdat niet aan de in lid 2, onder c), gestelde voorwaarde is voldaan, wordt de betrokken entiteit geliquideerd in overeenstemming met het nationale insolventierecht.

8.  Binnen het kader dat bij het Commissiebesluit is vastgesteld, neemt de afwikkelingsraad in zijn bestuursvergadering een besluit ten aanzien van de in artikel 20 bedoelde afwikkelingsregeling en draagt hij er zorg voor dat de afwikkelingsmaatregel wordt genomen die noodzakelijk is voor de uitvoering van de afwikkelingsregeling door de betrokken nationale afwikkelingsautoriteiten. Het besluit van de afwikkelingsraad wordt tot de betrokken nationale afwikkelingsautoriteiten gericht en bevat instructies voor deze autoriteiten, die alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om het besluit van de afwikkelingsraad in overeenstemming met artikel 26 uit te voeren door uitoefening van een of meer van de afwikkelingsbevoegdheden waarin Richtlijn [BRRD] voorziet, en die met name zijn vastgelegd in de artikelen 56 tot en met 64 van die richtlijn. Wanneer er van staatssteun sprake is, mag de afwikkelingsraad pas een besluit nemen nadat de Commissie een besluit ten aanzien van deze staatssteun heeft genomen.

9.  Indien de afwikkelingsraad oordeelt dat afwikkelingsmaatregelen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kunnen vormen, verzoekt hij de deelnemende lidstaat of de betrokken lidstaten om de voorgenomen maatregelen overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU onverwijld bij de Commissie aan te melden.

10.  Voor zover de door de afwikkelingsraad in zijn bestuursvergadering voorgenomen afwikkelingsmaatregel een beroep op het Fonds inhoudt en geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU met zich meebrengt, past de Commissie parallel mutatis mutandis de voor de toepassing van artikel 107 VWEU vastgestelde criteria toe.

11.  De Commissie beschikt over de bevoegdheid om van de afwikkelingsraad alle informatie te verkrijgen die zij relevant acht voor de uitvoering van haar taken uit hoofde van deze verordening en, in voorkomend geval, artikel 107 VWEU. De afwikkelingsraad beschikt over de bevoegdheid om overeenkomstig hoofdstuk 5 van deze titel van alle personen alle informatie te verkrijgen die hij nodig heeft om een afwikkelingsmaatregel voor te bereiden en daarover een besluit te nemen, met inbegrip van bijwerkingen en aanvullingen van de in de afwikkelingsplannen verstrekte informatie.

12.  De afwikkelingsraad beschikt over de bevoegdheid om de Commissie ontwerpbesluiten voor te leggen om met betrekking tot een entiteit in afwikkeling aan te bevelen het kader voor de afwikkelingsinstrumenten en voor het beroep op het Fonds te wijzigen.

12 bis.  Teneinde een gelijk speelveld te bewaren, behandelt de Commissie bij de uitoefening van haar bevoegdheden op gebied van staatssteun, en overeenkomstig Richtlijn [BRRD] het beroep op het Fonds op de wijze zoals zij een nationale regeling ter financiering van de afwikkeling zou behandelen.

Artikel 17

Waardering

1.  Vóór het nemen van afwikkelingsmaatregelen of het uitoefenen van de bevoegdheid om kapitaalinstrumenten af te schrijven of om te zetten, draagt de afwikkelingsraad er zorg voor dat een eerlijke en realistische waardering van de activa en passiva van de in artikel 2 bedoelde entiteit wordt verricht overeenkomstig artikel 30 van richtlijn [BRRD].

16.  Om te beoordelen of aandeelhouders en crediteuren beter zouden zijn behandeld mocht een normale insolventieprocedure ten aanzien van de instelling in afwikkeling zijn geopend, draagt de afwikkelingsraad er zorg voor dat een waardering ▐ wordt verricht overeenkomstig artikel 66 van richtlijn [BRRD], ▐ los van de waardering die uit hoofde van lid 1▐ is verricht.

Artikel 18

Afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten

1.  De ECB stelt de afwikkelingsraad ambtshalve of naar aanleiding van een mededeling van een nationale bevoegde autoriteit van een deelnemende lidstaat, in kennis ingeval zij oordeelt dat met betrekking tot een in artikel 2 bedoelde entiteit of een groep die in een deelnemende lidstaat is gevestigd, aan de ▐ voorwaarden voor afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten zoals geregeld in Richtlijn [BRRD] is voldaan.

1 bis.  De ECB verschaft de afwikkelingsraad de in lid bedoelde informatie naar aanleiding van een verzoek tot beoordeling van de afwikkelingsraad of van een nationale afwikkelingsautoriteit, indien een van hen reden heeft om aan te nemen dat met betrekking tot een in artikel 2 bedoelde entiteit of een groep die in een deelnemende lidstaat is gevestigd aan de voorwaarden voor afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten is voldaan.

1 ter.  Als aan de in lid 1 gestelde voorwaarden is voldaan, legt de afwikkelingsraad, lettend op de in lid 1 bedoelde informatie, een ontwerpbesluit aan de Commissie voor, inhoudende dat de bevoegdheden om kapitaalinstrumenten af te schrijven of om te zetten worden uitgeoefend, en dat die bevoegdheden afzonderlijk, dan wel, volgens de in artikel 16, leden 4 tot en met 7, beschreven procedure, in combinatie met een afwikkelingsmaatregel moeten worden uitgeoefend.

5.  Na ontvangst van het ontwerpbesluit van de afwikkelingsraad beslist de Commissie ▐ of zij het ontwerpbesluit overneemt en of de bevoegdheden om kapitaalinstrumenten af te schrijven of om te zetten afzonderlijk, dan wel, volgens de in artikel 16, leden 4 tot en met 7, beschreven procedure, in combinatie met een afwikkelingsmaatregel moeten worden uitgeoefend.

6.  Wanneer ▐ de in lid 1 bedoelde voorwaarden zijn vervuld, maar ▐ niet aan de in artikel 16, lid 2, gestelde afwikkelingsvoorwaarden is voldaan, geeft de afwikkelingsraad, op grond van een besluit van de Commissie, de nationale afwikkelingsautoriteiten de instructie de afschrijvings- of de omzettingsbevoegdheid conform de artikelen 51 en 52 van Richtlijn [ ] uit te oefenen.

7.  Ingeval zowel aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voor afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten als aan de in artikel 16, lid 2, gestelde afwikkelingsvoorwaarden is voldaan, is de in artikel 16, leden 4 tot en met 7, beschreven procedure van toepassing.

8.  De afwikkelingsraad draagt er zorg voor dat de nationale afwikkelingsautoriteiten de afschrijvings- of de omzettingsbevoegdheid in overeenstemming met Richtlijn [BRRD] uitoefenen.

9.  De nationale afwikkelingsautoriteiten voeren de instructies van de afwikkelingsraad uit en gaan overeenkomstig artikel 26 over tot de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten.

Artikel 19

Algemene beginselen van afwikkelingsinstrumenten

1.  Indien de afwikkelingsraad besluit een afwikkelingsinstrument op een in artikel 2 bedoelde entiteit toe te passen, en deze afwikkelingsmaatregel tot gevolg zou hebben dat crediteuren verliezen lijden of dat hun vorderingen worden omgezet, oefent de afwikkelingsraad de bevoegdheid uit hoofde van artikel 18 uit onmiddellijk voordat zij het afwikkelingsinstrument toepast dan wel op hetzelfde tijdstip.

2.  De in artikel 16, lid 5, onder b), bedoelde afwikkelingsinstrumenten zijn:

(a)  het instrument van verkoop van de onderneming;

(b)  het instrument van de overbruggingsinstelling;

(c)  het instrument van afsplitsing van activa;

(d)  het instrument van de inbreng van de particuliere sector.

3.  Bij de vaststelling van het in artikel 16, lid 5, bedoelde ontwerpbesluit neemt de afwikkelingsraad de volgende factoren in aanmerking:

(a)  de activa en passiva van de instelling in afwikkeling op basis van de waardering in de zin van artikel 17;

(b)  de liquiditeitspositie van de instelling in afwikkeling;

(c)  de verkoopbaarheid van de franchisewaarde van de instelling in afwikkeling in het licht van de op de markt heersende economische en concurrentievoorwaarden;

(d)  de beschikbare tijd.

4.  De afwikkelingsinstrumenten mogen ofwel afzonderlijk, ofwel samen worden toegepast, met uitzondering van het instrument van de afsplitsing van activa, dat alleen samen met een ander afwikkelingsinstrument mag worden toegepast.

4 bis.  Met het oog op de uitvoering van de hem door deze verordening opgelegde taken en met het doel om voor een gelijk speelveld te zorgen bij de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten brengt de afwikkelingsraad samen met de Commissie een afwikkelingshandleiding uit die duidelijke en uitgebreide begeleiding biedt bij het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten.

De in de eerste alinea bedoelde handleiding wordt door de Commissie uitgevaardigd in de vorm van een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 82.

Artikel 20

Afwikkelingsregeling

In de overeenkomstig artikel 16, lid 8, door de afwikkelingsraad aangenomen afwikkelingsregeling zijn, in overeenstemming met de uit hoofde van artikel 16, lid 6, door de Commissie genomen besluiten ten aanzien van het afwikkelingskader en, in voorkomend geval, een besluit inzake staatssteun, mutatis mutandis de bijzonderheden betreffende de op de instelling in afwikkeling toe te passen afwikkelingsinstrumenten vastgelegd welke ten minste op de in artikel 21, lid 2, artikel 22, lid 2, artikel 23, lid 2, en artikel 24 lid 1, bedoelde maatregelen betrekking hebben, en is tevens bepaald voor welke precieze bedragen en doeleinden een beroep op het Fonds zal worden gedaan.

In de loop van het afwikkelingsproces kan de afwikkelingsraad de afwikkelingsregeling wijzigen en bijwerken voor zover zulks passend blijkt in het licht van de omstandigheden van de zaak en tevens binnen de perken blijft van het overeenkomstig artikel 16, lid 6, door de Commissie vastgestelde afwikkelingskader.

Artikel 21

Het instrument van verkoop van de onderneming;

1.  Binnen het door de Commissie vastgestelde kader bestaat het instrument van de verkoop van de onderneming in de overdracht aan een koper die geen overbruggingsinstelling is, van het volgende:

(a)  aandelen of andere eigendomsinstrumenten van een instelling in afwikkeling; of

(b)  alle of welbepaalde activa, rechten of verplichtingen van een instelling in afwikkeling;

2.  In verband met het instrument van de verkoop van de onderneming wordt in de in artikel 16, lid 8, bedoelde afwikkelingsregeling met name het volgende vastgelegd:

(a)  de in overeenstemming met artikel 32, leden 1 en 7 tot en met 11, van Richtlijn [BRRD] door de nationale afwikkelingsautoriteit over te dragen instrumenten, activa, rechten en verplichtingen;

(b)  de commerciële voorwaarden, gezien de omstandigheden en de in de loop van het afwikkelingsproces gemaakte kosten en verrichte uitgaven, waartegen de nationale afwikkelingsautoriteit overeenkomstig artikel 32, leden 2, 3 en 4, van Richtlijn [BRRD] de overdracht moet uitvoeren;

(c)  of de nationale afwikkelingsautoriteit de overdrachtbevoegdheden meer dan eens mag uitoefenen in overeenstemming met artikel 32, leden 5 en 6, van Richtlijn [BRRD];

(d)  de regelingen voor de verkoop door de nationale afwikkelingsautoriteit van de betrokken entiteit of de betrokken instrumenten, activa, rechten en verplichtingen in overeenstemming met artikel 33, leden 1 en 2, van Richtlijn [BRRD];

(e)  of het waarschijnlijk is dat de inachtneming van de verkoopsvoorwaarden door de nationale afwikkelingsautoriteit de afwikkelingsdoelstellingen zal ondermijnen in de zin van lid 3.

3.  De afwikkelingsraad past het instrument van verkoop van de onderneming toe zonder aan de in lid 2, onder e), gestelde voorwaarden voor de verkoop te voldoen wanneer hij besluit dat inachtneming van deze voorwaarden waarschijnlijk een of meer van de afwikkelingsdoelstellingen zou ondermijnen, en met name indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(a)  hij is van oordeel dat het failleren of potentieel failleren van de instelling in afwikkeling een wezenlijke bedreiging voor de financiële stabiliteit vormt of die bedreiging verergert;

(b)  hij is van oordeel dat inachtneming van die vereisten de doelmatigheid van het instrument van verkoop van de onderneming bij het wegnemen van die bedreiging of het verwezenlijken van de in artikel 12, lid 2, onder b), vermelde afwikkelingsdoelstelling zou ondermijnen.

Artikel 22

Instrument van de overbruggingsinstelling

1.  Binnen het door de Commissie vastgestelde kader bestaat het instrument van de overbruggingsinstelling in de overdracht aan een overbruggingsinstelling van een of meer van de volgende elementen:

(a)  aandelen of andere eigendomsinstrumenten die zijn uitgegeven door een of meer instellingen in afwikkeling;

(b)  alle of bepaalde activa, rechten of verplichtingen van een of meer instellingen in afwikkeling.

2.  In verband met het instrument van de verkoop van de overbruggingsinstelling wordt in de in artikel 20 bedoelde afwikkelingsregeling met name het volgende vastgelegd:

(a)  de in overeenstemming met artikel 34, leden 1 tot en met 9, van Richtlijn [BRRD] door de nationale afwikkelingsautoriteit aan een overbruggingsinstelling over te dragen instrumenten, activa, rechten en verplichtingen;

(b)  de regelingen voor de oprichting, werking en beëindiging van de overbruggingsinstelling door de nationale afwikkelingsautoriteit in overeenstemming met artikel 35, leden 1, 2, 3 en 5 tot en met 8, van Richtlijn [BRRD];

(c)  de regelingen voor de verkoop van de overbruggingsinstelling of van de activa of passiva ervan door de nationale afwikkelingsautoriteit in overeenstemming met artikel 35, lid 4, van Richtlijn [BRRD].

3.  De afwikkelingsraad draagt er zorg voor dat de totale waarde van de door de nationale afwikkelingsautoriteit aan de overbruggingsinstelling overgedragen passiva de totale waarde van de door de instelling in afwikkeling overgedragen of uit andere bronnen afkomstige rechten en activa niet overtreft.

3 bis.  Elke voor de overbruggingsinstelling ontvangen vergoeding of sommige of alle eigendomsrechten en verplichtingen van de overbruggingsinstelling zijn in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de [richtlijn inzake het herstel en de afwikkeling van banken].

Artikel 23

Instrument van afsplitsing van activa

1.  Binnen het door de Commissie vastgestelde kader bestaat het instrument van de afsplitsing van activa in de overdracht van activa, rechten of verplichtingen van een instelling in afwikkeling aan een vehikel voor activabeheer dat als rechtspersoon aan de in richtlijn [BRRD] gestelde eisen voor een vehikel voor activabeheer voldoet.

2.  In verband met het instrument van de afsplitsing van activa wordt in de in artikel 20 bedoelde afwikkelingsregeling met name het volgende vastgelegd:

(a)  de in overeenstemming met artikel 36, leden 1 tot en met 4 en 6 tot en met 10, van Richtlijn [BRRD] door de nationale afwikkelingsautoriteit over te dragen instrumenten, activa, rechten en verplichtingen;

(b)  de vergoeding waarvoor de activa door de nationale afwikkelingsautoriteit aan het vehikel voor activabeheer worden overgedragen in overeenstemming met de in artikel 17 vastgelegde beginselen. Deze bepaling staat er niet aan in de weg dat de vergoeding een nominale of negatieve waarde heeft.

2 bis.  Elke voor het vehikel voor activabeheer ontvangen vergoeding of sommige of alle eigendomsrechten en verplichtingen van het vehikel voor activabeheer zijn in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van Richtlijn [BRRD].

Artikel 24

Instrument van de inbreng van de particuliere sector

1.  Het instrument van de inbreng van de particuliere sector kan voor de in artikel 37 van Richtlijn [BRRD] genoemde ▐ doeleinden worden toegepast.

Binnen het door de Commissie vastgestelde kader voor het instrument van de inbreng van de particuliere sector wordt in de afwikkelingsregeling met name het volgende vastgelegd:

(a)  het totaalbedrag waarmee in aanmerking komende passiva moeten worden verminderd of waarin deze moeten worden omgezet in overeenstemming met lid 6;

(b)  de passiva die overeenkomstig de leden 5 tot en met 13 kunnen worden uitgesloten;

(c)  de doelstellingen en minimuminhoud van het bedrijfssaneringsplan dat overeenkomstig lid 16 moet worden ingediend.

2.  ▐

Indien niet aan de in artikel 37, lid 3, van Richtlijn [BRRD] gestelde voorwaarde is voldaan voor toepassing van het instrument van de inbreng van de particuliere sector voor herkapitalisering van een entiteit , worden een van de in artikel 19, lid 2, onder a), b) of c), bedoelde afwikkelingsinstrumenten en het in artikel 19, lid 2, onder d), bedoelde instrument van de inbreng van de particuliere sector toegepast, al naargelang het geval.

3.  De ▐ passiva genoemd in artikel 38, lid 2, van Richtlijn [BRRD] mogen niet worden afgeschreven en omgezet.▐

5.  In uitzonderlijke gevallen kan uitsluiting van sommige passiva ▐ van de uitoefening van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden in overeenstemming met artikel 32, lid 2 bis van Richtlijn [BRRD] plaatsvinden.

Ingeval een in aanmerking komend passivum of een categorie van in aanmerking komende passiva geheel of gedeeltelijk wordt uitgesloten, mag het niveau van afschrijving of omzetting dat op andere in aanmerking komende passiva wordt toegepast, worden verhoogd om met die uitsluitingen rekening te houden, mits het niveau van afschrijving of omzetting dat op andere in aanmerking komende passiva wordt toegepast in overeenstemming is met het ▐ beginsel dat geen enkele crediteur grotere verliezen mag lijden dan hij zou hebben geleden indien de in artikel 2 bedoelde entiteit volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd.

6.  Ingeval een in aanmerking komend passivum of een categorie van in aanmerking komende passiva uit hoofde van lid 5 geheel of gedeeltelijk wordt uitgesloten, en de verliezen die uit deze passiva zouden zijn voortgevloeid niet volledig aan andere crediteuren zijn overgedragen, kan een bijdrage van het Fonds aan de instelling in afwikkeling worden geleverd voor de doelen genoemd in, en in overeenstemming met artikel 38 van richtlijn [BRRD].

8.  De bijdrage van het Fonds kan worden gefinancierd door:

(a)  het ter beschikking van het Fonds staande bedrag dat overeenkomstig artikel 66 is bijeengebracht door middel van bijdragen van in artikel 2 bedoelde entiteiten;

(b)  het bedrag dat overeenkomstig artikel 67 binnen een periode van drie jaar kan worden bijeengebracht door middel van achteraf te betalen bijdragen; en tevens

(c)  ingeval de onder a) en b) bedoelde bijdragen ontoereikend zijn, bedragen die overeenkomstig artikel 69 uit alternatieve financieringsbronnen worden aangetrokken, waaronder ook in het kader van de in dat artikel bedoelde leningfaciliteit.

9.  In de in artikel 38 van richtlijn [BRRD] bedoelde uitzonderlijke omstandigheden kunnen voor verdere financiering alternatieve financieringsbronnen worden aangeboord in overeenstemming met dat artikel.

10.  Wanneer aan de ▐ voorwaarden voor het leveren van een bijdrage aan het Fonds als bedoeld in artikel 38 van Richtlijn [BRRD] is voldaan, mag bij wijze van alternatief of ter aanvulling een bijdrage worden geleverd uit middelen die door middel van in artikel 66 bedoelde bijdragen vooraf zijn verkregen en die nog niet zijn aangewend.

12.  Bij het nemen van het in lid 5 bedoelde besluit om bepaalde passiva uit te sluiten van toepassing van het afschrijvings- en conversie-instrumen besluit wordt naar behoren rekening gehouden met de in artikel 38 van Richtlijn [BRRD] genoemde factoren.

13.  Bij toepassing van het instrument van inbreng van de particuliere sector maakt de afwikkelingsraad een beoordeling overeenkomstig artikel 41 van richtlijn [BRRD].

14.  Er kunnen uitsluitingen uit hoofde van lid 5 worden toegepast om bepaalde passiva volledig van de afschrijving uit te sluiten of om de omvang van de op die passiva toegepaste afschrijving te beperken.

15.  Bij de uitoefening van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden wordt de in artikel 15 vervatte rangorde van vorderingen in acht genomen.

16.  De nationale afwikkelingsautoriteit doet de afwikkelingsraad onverwijld het bedrijfssaneringsplan toekomen dat zij na de toepassing van het instrument van de inbreng van de particuliere sector van de overeenkomstig artikel 47, lid 1, van Richtlijn [BRRD] aangestelde bewindvoerder heeft ontvangen.

Uiterlijk twee weken na de datum van voorlegging van het bedrijfssaneringsplan stelt de afwikkelingsautoriteit de afwikkelingsraad in kennis van haar beoordeling van het plan. Uiterlijk een maand na de datum van voorlegging van het bedrijfssaneringsplan beoordeelt de afwikkelingsraad de waarschijnlijkheid dat het plan, indien uitgevoerd, de levensvatbaarheid op lange termijn van de in artikel 2 bedoelde entiteit zal herstellen. De evaluatie wordt in overleg met de bevoegde autoriteit verricht.

Indien de afwikkelingsraad ervan overtuigd is dat het plan het beoogde doel zal bereiken, staat hij de nationale afwikkelingsautoriteit toe het plan overeenkomstig artikel 47, lid 5, van Richtlijn [BRRD] goed te keuren. Indien de afwikkelingsraad er niet van overtuigd is dat het plan het beoogde doel zal bereiken, geeft hij de nationale afwikkelingsautoriteit de instructie de bewindvoerder van zijn bezorgdheden in kennis te stellen en overeenkomstig artikel 47, lid 6, van Richtlijn [BRRD] van de bewindvoerder te eisen dat deze het plan zodanig wijzigt dat aan deze bezorgdheden tegemoet wordt gekomen. Dit gebeurt in overleg met de bevoegde autoriteit.

De nationale afwikkelingsautoriteit doet de afwikkelingsraad het gewijzigde plan toekomen. De afwikkelingsraad geeft de nationale afwikkelingsautoriteit de instructie de bewindvoerder binnen een week te laten weten of zij ervan overtuigd is dat het plan, zoals gewijzigd, aan de gemelde bezorgdheden tegemoetkomt, dan wel of er verdere wijzigingen zijn vereist.

Artikel 25

Toezicht door de afwikkelingsraad

1.  De afwikkelingsraad houdt nauwlettend toezicht op de uitvoering van de afwikkelingsregeling door de nationale afwikkelingsautoriteiten. De nationale afwikkelingsautoriteiten moeten daartoe:

(a)  met de afwikkelingsraad samenwerken en deze bijstaan bij de vervulling van zijn toezichttaak;

(b)  met regelmatige tussenpozen die door de afwikkelingsraad worden vastgesteld, correcte, betrouwbare en volledige inlichtingen verstrekken die de afwikkelingsraad eventueel kan verlangen over de uitvoering van de afwikkelingsregeling, de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden, met inbegrip van informatie over de volgende elementen:

(i)  de werking en financiële positie van de instelling in afwikkeling, de overbruggingsinstelling en het vehikel voor activabeheer;

(ii)  de behandeling die aandeelhouders en crediteuren zouden hebben genoten indien de instelling volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd;

(iii)  eventuele lopende gerechtelijke procedures die betrekking hebben op de liquidatie van de activa van de gefailleerde instelling, op betwistingen van het afwikkelingsbesluit en op de waardering, of die betrekking hebben op door de aandeelhouders of crediteuren ingediende compensatieverzoeken;

(iv)  de aanstelling, het ontslag of de vervanging van beoordelaars, bewindvoerders, boekhouders, juristen en andere beroepsbeoefenaren die voor het bijstaan van de nationale afwikkelingsautoriteit noodzakelijk kunnen zijn, alsook over de wijze waarop zij hun functies hebben uitgeoefend;

(v)  enigerlei andere aangelegenheid die de afwikkelingsraad eventueel aan de orde kan stellen;

(vi)  de mate waarin en de wijze waarop de in hoofdstuk V van Titel IV van Richtlijn [BRRD] vermelde bevoegdheden van de nationale afwikkelingsautoriteiten door deze autoriteiten worden uitgeoefend;

(vii)  de economische levensvatbaarheid, de haalbaarheid en de uitvoering van het bedrijfssaneringsplan waarin artikel 24, lid 16, voorziet.

De nationale afwikkelingsautoriteiten dienen een eindverslag over de uitvoering van de afwikkelingsregeling in bij de afwikkelingsraad.

2.  Op grond van de verstrekte informatie kan de afwikkelingsraad aan de nationale afwikkelingsautoriteiten instructies geven ten aanzien van elk aspect van de uitvoering van de afwikkelingsregeling, en met name ten aanzien van de in artikel 20 bedoelde elementen en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden.

3.  Ingeval zulks noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te realiseren, kan de Commissie, op aanbeveling van de afwikkelingsraad ▐ haar besluit inzake het afwikkelingskader evalueren en daarin passende wijzigingen aanbrengen.

Artikel 26

Tenuitvoerlegging van afwikkelingsbesluiten

1.  De nationale afwikkelingsautoriteiten ondernemen de nodige actie om uitvoering te geven aan het in artikel 16, lid 8, bedoelde afwikkelingsbesluit, met name door zeggenschap over de in artikel 2 bedoelde entiteiten uit te oefenen, door de nodige maatregelen te nemen in overeenstemming met artikel 64 van Richtlijn [BRRD], en door er zorg voor te dragen dat de waarborgen waarin Richtlijn [BRRD] voorziet, in acht worden genomen. De nationale afwikkelingsautoriteiten leggen alle door de afwikkelingsraad tot hen gerichte besluiten ten uitvoer.

Behoudens deze verordening oefenen zij daartoe volgens de in de nationale wetgeving bepaalde voorwaarden de bevoegdheden uit die hun krachtens het nationale recht tot omzetting van Richtlijn [BRRD] zijn verleend. De nationale afwikkelingsautoriteiten informeren de afwikkelingsraad volledig over de uitoefening van die bevoegdheden. Alle actie die zij ondernemen, is in overeenstemming met het in artikel 16, lid 8, bedoelde besluit.

2.  Ingeval een nationale afwikkelingsautoriteit een in artikel 16 bedoeld besluit niet heeft toegepast, dan wel het besluit op zodanige wijze heeft toegepast dat de in deze verordening vastgelegde afwikkelingsdoelstellingen niet zijn verwezenlijkt, beschikt de afwikkelingsraad over de bevoegdheid een instelling in afwikkeling rechtstreeks te bevelen:

(a)  om bepaalde rechten, activa of verplichtingen van een instelling in afwikkeling aan een andere rechtspersoon over te dragen;

(b)  om de omzetting te eisen van schuldinstrumenten die een contractuele voorwaarde bevatten voor omzetting in de in artikel 18 beschreven omstandigheden;

De afwikkelingsraad beschikt ook over de bevoegdheid om rechtstreeks andere bevoegdheden uit te oefenen waarin Richtlijn [BRRD] voorziet.

3.  De instelling in afwikkeling geeft gevolg aan elk in lid 2 bedoelde besluit. Deze besluiten hebben voorrang op eerdere besluiten die door de nationale autoriteiten over dezelfde aangelegenheid zijn vastgesteld.

4.  Wanneer zij actie ondernemen met betrekking tot aangelegenheden die onder een overeenkomstig lid 2 genomen besluit vallen, voegen de nationale autoriteiten zich naar dat besluit.

Hoofdstuk 4

Samenwerking

Artikel 27

Verplichting tot samenwerking

1.  De afwikkelingsraad stelt de Commissie in kennis van alle maatregelen die hij neemt ter voorbereiding van de afwikkeling. Ten aanzien van informatie die van de afwikkelingsraad is ontvangen, geldt voor de leden van de Commissie en de personeelsleden van Commissie de in artikel 79 vastgelegde geheimhoudingsplicht.

2.  Bij de uitoefening van hun respectieve verantwoordelijkheden op grond van deze verordening werken de afwikkelingsraad, de Commissie, de ▐ bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten nauw samen in de fasen van afwikkelingsplanning, vroegtijdige interventie en afwikkeling krachtens de artikelen 7 tot en met 26. Zij verstrekken elkaar alle informatie die zij nodig hebben voor de uitvoering van hun taken.

4.  Wanneer de ECB de uitvoerend directeur van de afwikkelingsraad uitnodigt om als waarnemer deel te nemen aan de raad van toezicht van de ECB die overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 is opgericht, kan de afwikkelingsraad voor de toepassing van deze verordening een andere vertegenwoordiger aanwijzen.

5.  Voor de toepassing van deze verordening wijst de afwikkelingsraad een vertegenwoordiger aan die deelneemt aan het afwikkelingscomité van de Europese Bankautoriteit dat overeenkomstig artikel 113 van Richtlijn [BRRD] is opgericht.

6.  De afwikkelingsraad werkt nauw samen met de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF), het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) en soortgelijke Europese entiteiten die in de toekomst wellicht nog worden opgericht, met name wanneer het EFSF, het ESM of soortgelijke Europese entiteiten die in de toekomst wellicht nog worden opgericht, directe of indirecte financiële steun heeft verleend, of dat waarschijnlijk zal doen, aan entiteiten die in een deelnemende lidstaat zijn gevestigd, met name in de in artikel 24, lid 9, bedoelde uitzonderlijke omstandigheden.

7.  De afwikkelingsraad en de ECB sluiten een memorandum van overeenstemming met een algemene beschrijving van de wijze waarop zij uit hoofde van lid 2 zullen samenwerken. Het memorandum wordt regelmatig geëvalueerd, en wordt openbaar gemaakt onder voorbehoud van een passende behandeling van vertrouwelijke gegevens.

7 bis.  De afwikkelingsraad en de afwikkelingsautoriteiten van de niet-deelnemende lidstaten sluiten een memorandum van overeenstemming met een algemene beschrijving van de wijze waarop zij bij de uitvoering van hun taken uit hoofde van Richtlijn [BRRD] met elkaar zullen samenwerken.

Onverminderd de eerste alinea, sluit de afwikkelingsraad een memorandum van overeenstemming met de afwikkelingsautoriteit van elke niet-deelnemende lidstaat waar ten minste een mondiaal systeemrelevante instelling is gevestigd, die als zodanig is aan te merken ingevolge artikel 131 van richtlijn 2013/36/EU.

Elk memorandum wordt regelmatig geëvalueerd, en wordt openbaar gemaakt onder voorbehoud van een passende behandeling van vertrouwelijke gegevens.

Artikel 28

Informatie-uitwisseling binnen het GAM

1.  De afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten zijn gehouden tot loyale samenwerking te goeder trouw en tot informatie-uitwisseling.

2.  De afwikkelingsraad verstrekt de Commissie alle informatie die relevant is voor de uitvoering van haar taken uit hoofde van deze verordening en, waar van toepassing, artikel 107 VWEU.

Artikel 29

Samenwerking binnen het GAM en groepsbehandeling

Artikel 12, leden 4, 5, 6 en 15, en de artikelen 80 tot en met 83 van Richtlijn [BRRD] zijn niet van toepassing in de betrekkingen tussen de nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaten. In de plaats daarvan zijn de desbetreffende bepalingen van deze verordening van toepassing.

Artikel 30

Samenwerking met niet-deelnemende lidstaten

Wanneer een groep entiteiten omvat die in deelnemende lidstaten en in niet-deelnemende lidstaten zijn gevestigd, vertegenwoordigt de afwikkelingsraad de nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaten, onverminderd ▐ deze verordening ▐ , met het oog op de samenwerking met de niet-deelnemende lidstaten overeenkomstig de artikelen 7, 8, 11, 12, 15, 50 en 80 tot en met 83 van Richtlijn [BRRD].

Artikel 31

Samenwerking met autoriteiten van derde landen

De Commissie en de afwikkelingsraad zijn binnen elk van hun respectieve bevoegdheden uitsluitend verantwoordelijk om namens de nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaten de in artikel 88, lid 4, van Richtlijn [BRRD] bedoelde niet-bindende samenwerkingsovereenkomsten te sluiten en geven daarvan kennis overeenkomstig lid 6 van dat artikel.

Hoofdstuk 5

Onderzoeksbevoegdheden

Artikel 32

Verzoeken om informatie

1.  Voor de uitvoering van de in de artikelen 7, 8, 11, 16 en 17 van deze verordening bedoelde taken kan de afwikkelingsraad, hetzij direct hetzij via de nationale afwikkelingsautoriteiten, met behulp van alle informatie die beschikbaar is bij de ECB of de nationale bevoegde autoriteiten, van de volgende rechts- of natuurlijke personen verlangen dat zij alle informatie verstrekken die nodig is voor de uitvoering van de hem bij deze verordening opgedragen taken:

(a)  de in artikel 2 bedoelde entiteiten;

(b)  de personeelsleden van de in artikel 2 bedoelde entiteiten;

(c)  derden aan wie de in de in artikel 2 bedoelde entiteiten functies of activiteiten hebben uitbesteed.

2.  De in lid 1 bedoelde entiteiten en ▐ personen verstrekken de krachtens lid 1 gevraagde informatie. Bepalingen inzake beroepsgeheim stellen die entiteiten en personen niet vrij van de plicht die informatie te verstrekken. De verstrekking van de gevraagde informatie wordt niet als een schending van het beroepsgeheim beschouwd.

3.  Wanneer de afwikkelingsraad direct van die entiteiten en personen informatie verkrijgt, stelt hij die informatie ter beschikking van de betrokken nationale afwikkelingsautoriteiten.

4.  De afwikkelingsraad kan doorlopend alle informatie verkrijgen die hij nodig heeft voor de uitoefening van zijn taken uit hoofde van deze verordening, met name over kapitaal, liquiditeit, activa en passiva met betrekking tot alle instellingen die onder zijn afwikkelingsbevoegdheden vallen.

5.  De afwikkelingsraad, de bevoegde autoriteiten en de nationale afwikkelingsautoriteiten kunnen een memorandum van overeenstemming opstellen met een procedure voor de uitwisseling van informatie. De uitwisseling van informatie tussen de afwikkelingsraad, de bevoegde autoriteiten en de nationale afwikkelingsautoriteiten wordt niet beschouwd als schending van het beroepsgeheim.

6.  De bevoegde autoriteiten, in voorkomend geval met inbegrip van de ECB, en de nationale afwikkelingsautoriteiten werken samen met de afwikkelingsraad om te verifiëren of de gevraagde informatie al gedeeltelijk of geheel beschikbaar is. Wanneer die informatie beschikbaar is, verstrekken de bevoegde autoriteiten, in voorkomend geval met inbegrip van de ECB, of de nationale afwikkelingsautoriteiten die informatie aan de afwikkelingsraad.

Artikel 33

Algemene onderzoeken

1.  Met het oog op de uitvoering van de in deze verordening bedoelde taken bedoelde taken en behoudens andere in het toepasselijke Unierecht gestelde voorwaarden, kan de afwikkelingsraad alle nodige onderzoeken voeren naar in artikel 32, lid 1, bedoelde personen die gevestigd zijn of zich bevinden in een deelnemende lidstaat.

Daartoe heeft de afwikkelingsraad het recht om:

(a)  de overlegging van documenten te verlangen;

(b)  de boeken en bescheiden van de in artikel 32, lid 1, bedoelde personen te onderzoeken en kopieën of uittreksels van die boeken en bescheiden te maken;

(c)  schriftelijke of mondelinge toelichting te krijgen van de in artikel 32, lid 1, bedoelde personen of hun vertegenwoordigers of personeelsleden;

(d)  alle andere personen te horen die daarin toestemmen, om informatie betreffende het onderwerp van een onderzoek te verzamelen.

2.  De in artikel 32, lid 1, bedoelde personen worden onderworpen aan de onderzoeken die bij een besluit van de afwikkelingsraad worden ingeleid.

Wanneer een persoon het voeren van het onderzoek hindert, verlenen de nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaat waar de bedrijfsruimten in kwestie zijn gelegen, de nodige bijstand overeenkomstig de nationale wetgeving, onder meer door voor de afwikkelingsraad de toegang te faciliteren tot de bedrijfsruimten van de in artikel 32, lid 1, bedoelde rechtspersonen, zodat de bovengenoemde rechten kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 34

Inspecties ter plaatse

1.  Met het oog op de uitvoering van de in deze verordening bedoelde taken en behoudens andere in het toepasselijke Unierecht gestelde voorwaarden, kan de afwikkelingsraad na voorafgaande kennisgeving aan de betrokken nationale afwikkelingsautoriteiten en de bevoegde autoriteiten alle nodige inspecties ter plaatse verrichten in de bedrijfsruimten van de in artikel 32, lid 1, bedoelde rechtspersonen. Daarnaast raadpleegt de afwikkelingsraad de bevoegde autoriteit alvorens van de in artikel 11 bedoelde bevoegdheden gebruik te maken. Indien dit voor het behoorlijk en efficiënt verrichten van de inspecties nodig is, kan de afwikkelingsraad de inspectie ter plaatse verrichten zonder dat vooraf aan die rechtspersonen aan te kondigen.

2.  De ambtenaren van de afwikkelingsraad en andere personen die door de afwikkelingsraad gemachtigd zijn om een inspectie ter plaatse te verrichten, kunnen de bedrijfsruimten en terreinen van rechtspersonen die het voorwerp zijn van een door de afwikkelingsraad krachtens artikel 33, lid 2, genomen onderzoeksbesluit betreden en hebben alle in artikel 33, lid 1, vastgestelde bevoegdheden.

3.  De in artikel 32, lid 1, bedoelde rechtspersonen worden onderworpen aan inspecties ter plaatse op basis van een besluit van de afwikkelingsraad.

4.  De ambtenaren en andere begeleidende personen die gemachtigd of aangewezen zijn door de nationale afwikkelingsautoriteiten van de lidstaten waar de inspectie moet worden verricht, verlenen de ambtenaren van de afwikkelingsraad en andere door de afwikkelingsraad gemachtigde personen, onder toezicht en coördinatie van de afwikkelingsraad, actief bijstand. Daartoe beschikken zij over de in lid 2 beschreven bevoegdheden. De ambtenaren van de nationale afwikkelingsautoriteiten van de betrokken deelnemende lidstaten hebben eveneens het recht deel te nemen aan de inspecties ter plaatse.

5.  Indien de ambtenaren van de afwikkelingsraad en andere door de afwikkelingsraad gemachtigde of aangewezen begeleidende personen constateren dat een persoon zich tegen een krachtens lid 1 gelaste inspectie verzet, verlenen de nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaten hun de nodige bijstand overeenkomstig de nationale wetgeving. Voor zover nodig voor de inspectie, omvat deze bijstand het verzegelen van alle ruimten en boeken of bescheiden van het bedrijf. Indien de betrokken nationale afwikkelingsautoriteiten niet over die bevoegdheid beschikken, maken zij gebruik van hun bevoegdheid om de nodige bijstand van andere nationale ▐ autoriteiten in te roepen.

Artikel 35

Toestemming van een rechterlijke instantie

1.  Indien het nationale recht voorschrijft dat voor de in artikel 34, leden 1 en 2, bedoelde inspectie ter plaatse of voor de in artikel 34, lid 5, bedoelde bijstand de toestemming van een rechterlijke instantie vereist is, wordt die toestemming gevraagd.

2.  Indien de in lid 1 bedoelde toestemming wordt gevraagd, toetst de nationale rechterlijke instantie het besluit van de afwikkelingsraad terstond en onverwijld op zijn authenticiteit en gaat zij na of de voorgenomen dwangmaatregelen niet willekeurig zijn, noch buitensporig in verhouding tot het voorwerp van de inspectie. Bij haar toetsing van de evenredigheid van de dwangmaatregelen kan de nationale rechterlijke instantie de afwikkelingsraad om nadere uitleg vragen, in het bijzonder met betrekking tot de redenen die de afwikkelingsraad heeft om aan te nemen dat een inbreuk op de in artikel 26 bedoelde handelingen heeft plaatsgevonden, en met betrekking tot de ernst van de vermoedelijke inbreuk en de aard van de betrokkenheid van de aan de dwangmaatregelen onderworpen persoon. De nationale rechterlijke instantie mag evenwel niet de noodzakelijkheid van de inspectie toetsen, noch de informatie in het dossier van de afwikkelingsraad opvragen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het besluit van de afwikkelingsraad op zijn rechtmatigheid toetsen.

Hoofdstuk 6

Sancties

Artikel 36

Bevoegdheid tot oplegging van bestuursrechtelijke sancties

1.  Indien de afwikkelingsraad tot de bevinding komt dat een in artikel 2 bedoelde entiteit opzettelijk of uit onachtzaamheid een van de in lid 2 vermelde inbreuken heeft gepleegd, instrueert de afwikkelingsraad de betrokken nationale afwikkelingsautoriteit de in artikel 2 bedoelde entiteit overeenkomstig Richtlijn [BRRD] een bestuursrechtelijke sanctie op te leggen.

Een inbreuk door een in artikel 2 bedoelde entiteit wordt geacht opzettelijk te zijn gepleegd als er objectieve factoren zijn die aantonen dat de entiteit of de bedrijfsleiding ervan opzettelijk hebben gehandeld om de inbreuk te plegen.

2.  De in artikel 2 bedoelde entiteiten kunnen bestuursrechtelijke sancties worden opgelegd voor de volgende inbreuken:

(a)  wanneer zij de overeenkomstig artikel 32 gevraagde informatie niet verstrekken;

(b)  wanneer zij zich niet onderwerpen aan een algemeen onderzoek overeenkomstig artikel 33 of aan inspecties ter plaatse overeenkomstig artikel 34 ;

(c)  wanneer zij niet overeenkomstig de artikelen 66 of 67 aan het Fonds bijdragen;

(d)  wanneer zij niet voldoen aan een besluit dat de afwikkelingsraad krachtens artikel 26 tot hen heeft gericht.

3.  De nationale afwikkelingsautoriteiten maken de overeenkomstig lid 1 opgelegde bestuursrechtelijke sancties openbaar. Ingeval openbaarmaking de betrokken partijen onevenredige schade zou berokkenen, maakt de afwikkelingsraad de sancties openbaar zonder de identiteit van de partijen bekend te maken.

4.  Om samenhangende, doeltreffende en doelmatige handhavingspraktijken vast te stellen en de gemeenschappelijke, eenvormige en samenhangende toepassing van deze verordening te garanderen, stelt de afwikkelingsraad ten behoeve van de nationale afwikkelingsautoriteiten richtsnoeren inzake de toepassing van bestuursrechtelijke sancties en dwangsommen vast.

Artikel 37

Dwangsommen

1.  De afwikkelingsraad instrueert de betrokken nationale afwikkelingsautoriteit de in artikel 2 ▐ bedoelde entiteit een dwangsom op te leggen teneinde:

(a)  een entiteit als bedoeld in artikel 2 ertoe te dwingen een krachtens artikel 32 vastgesteld besluit na te leven;

(b)  een in artikel 32, lid 1, bedoelde persoon ertoe te dwingen alle informatie te verstrekken die bij een besluit krachtens dat artikel wordt verlangd;

(c)  een in artikel 33, lid 1, bedoelde persoon ertoe te dwingen zich aan een onderzoek te onderwerpen en met name alle bescheiden, gegevens, procedures of ander verlangd materiaal over te leggen, alsmede andere informatie die in het kader van een bij een besluit krachtens dat artikel ingesteld onderzoek is verstrekt, aan te vullen en te corrigeren;

(d)  een in artikel 34, lid 1, bedoelde persoon ertoe te dwingen zich te onderwerpen aan een bij een besluit krachtens dat artikel bevolen inspectie ter plaatse.

2.  Een dwangsom moet doeltreffend en evenredig zijn. De opgelegde dwangsom geldt per dag totdat de entiteit als bedoeld in artikel 2 of de betrokken persoon de desbetreffende in lid 1, onder a) tot en met d), bedoelde besluiten naleeft.

3.  Een dwangsom kan worden opgelegd gedurende ten hoogste zes maanden.

Deel III

INSTITUTIONEEL KADER

TITEL I

De afwikkelingsraad

Artikel 38

Rechtsstatus

1.  Hierbij wordt een gemeenschappelijke afwikkelingsraad opgericht. De afwikkelingsraad is een agentschap van de Europese Unie met een specifieke structuur die toegesneden is op zijn taken. Hij heeft rechtspersoonlijkheid.

2.  In elke lidstaat geniet de afwikkelingsraad de ruimste handelingsbevoegdheid die op grond van het nationale recht aan rechtspersonen wordt toegekend. De afwikkelingsraad kan in het bijzonder roerende en onroerende zaken verwerven of vervreemden en kan in rechte optreden.

3.  De afwikkelingsraad wordt vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.

Artikel 39

Samenstelling

1.  De afwikkelingsraad is samengesteld uit:

(a)  de uitvoerend directeur, met stemrecht;

(b)  de plaatsvervangend uitvoerend directeur, met stemrecht;

(c)  een door de Commissie aangewezen lid, met stemrecht;

(d)  een door de ECB aangewezen lid, met stemrecht;

(e)  een door elke deelnemende lidstaat aangewezen lid, met stemrecht, dat de nationale afwikkelingsautoriteit vertegenwoordigt, met stemrecht overeenkomstig de artikelen 48 en 51;

(e bis)  een door de EBA tot waarnemer benoemd lid, zonder stemrecht.

2.  De ambtstermijn van de uitvoerend directeur, de plaatsvervangend uitvoerend directeur en de door de Commissie en de ECB aangewezen leden van de afwikkelingsraad bedraagt vijf jaar. Behoudens artikel 52, lid 6, is die ambtstermijn niet hernieuwbaar.

3.  De bestuurs- en beheersstructuur van de afwikkelingsraad omvat:

(a)  een plenaire vergadering van de afwikkelingsraad, die de in artikel 46 vermelde taken uitvoert;

(b)  een bestuursvergadering van de afwikkelingsraad, die de in artikel 50 vermelde taken uitvoert;

(c)  een uitvoerend directeur, die de in artikel 52 vermelde taken uitvoert.

Artikel 40

Naleving van het Unierecht

De afwikkelingsraad treedt op met naleving van het Unierecht, met name de besluiten van de Commissie krachtens deze verordening.

Artikel 41

Verantwoordingsplicht

1.  De afwikkelingsraad is met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze verordening overeenkomstig de leden 2 tot en met 8 verantwoordingsplichtig tegenover het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

2.  De afwikkelingsraad dient jaarlijks bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Europese Rekenkamer een verslag in over de uitvoering van de hem bij deze verordening opgedragen taken. Behoudens de geheimhoudingsplicht, wordt dit verslag op de website van de afwikkelingsraad gepubliceerd.

3.  De uitvoerend directeur presenteert dat verslag in het openbaar aan het Europees Parlement en aan de Raad.

4.  Op verzoek van het Europees Parlement neemt de uitvoerend directeur deel aan een hoorzitting in de bevoegde commissies van het Europees Parlement met betrekking tot de uitvoering van zijn afwikkelingstaken. Er wordt ten minste jaarlijks een hoorzitting georganiseerd.

4 bis.  Op verzoek van het Europees Parlement neemt de plaatsvervangend uitvoerend directeur deel aan een hoorzitting in de bevoegde commissies van het Europees Parlement met betrekking tot de uitvoering van zijn afwikkelingstaken.

5.  Op verzoek van de Raad kan de uitvoerend directeur door de Raad worden gehoord met betrekking tot de uitvoering van zijn afwikkelingstaken.

6.  De afwikkelingsraad antwoordt mondeling of schriftelijk op de vragen die het Europees Parlement of de Raad hem overeenkomstig hun eigen procedures voorleggen, zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen vijf weken na doorzending.

7.  Desgevraagd voert de uitvoerend directeur achter gesloten deuren met de voorzitter en de ondervoorzitters van de bevoegde commissie van het Europees Parlement vertrouwelijke mondelinge besprekingen, als die besprekingen nodig zijn voor de uitoefening van de bevoegdheden van het Europees Parlement uit hoofde van het Verdrag. Tussen het Europees Parlement en de afwikkelingsraad wordt een overeenkomst gesloten over de nadere modaliteiten voor de organisatie van dergelijke besprekingen, teneinde volledige vertrouwelijkheid te garanderen overeenkomstig de vertrouwelijkheidverplichtingen die bij deze verordening en artikel 76 van richtlijn [BRRD ] aan de afwikkelingsraad zijn opgelegd in diens hoedanigheid van nationale afwikkelingsautoriteit overeenkomstig artikel 5 van deze verordening.

8.  Tijdens onderzoeken van het Parlement werkt de afwikkelingsraad overeenkomstig het VWEU samen met het Parlement. De afwikkelingsraad en het Europees Parlement sluiten vóór uiterlijk 1 maart 2015 passende regelingen over de praktische modaliteiten in verband met de uitoefening van de democratische verantwoordingsplicht en het toezicht op de uitvoering van de bij deze verordening aan de afwikkelingsraad opgedragen taken. Die regelingen omvatten onder meer toegang tot informatie, samenwerking bij onderzoeken en informatie over de selectieprocedure voor de uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur. Die regelingen hebben eenzelfde draagwijdte als het Interinstitutioneel Akkoord (IIA) tussen het Europees Parlement en de ECB op grond van artikel 20, lid 9, van verordening (EU) nr. 1024/2013.

Deze regelingen voorzien in een overeenkomst tussen de afwikkelingsraad en het Parlement inzake de beginselen en procedures voor de classificatie, toezending aan het Parlement en uitgestelde openbaarmaking van andere vertrouwelijke gegevens dan die welke volgens artikel 20, lid 9, van verordening (EU) nr. 1024/2013 onder het IIA vallen.

Artikel 42

Nationale parlementen

-1. Wanneer zij het in artikel 41, lid 2, bedoelde verslag indient, doet de afwikkelingsraad dat verslag tegelijkertijd ook rechtstreeks aan de nationale parlementen van de deelnemende lidstaten toekomen.

De nationale parlementen kunnen hun gemotiveerde opmerkingen over dat verslag tot de afwikkelingsraad richten.

1.  Gelet op de specifieke taken van de afwikkelingsraad kunnen de nationale parlementen van de deelnemende lidstaten de afwikkelingsraad via hun eigen procedures om een schriftelijke reactie verzoeken op hun opmerkingen of vragen aan de afwikkelingsraad met betrekking tot de functies van de afwikkelingsraad uit hoofde van deze verordening.

2.  Het nationale parlement van een deelnemende lidstaat kan de uitvoerend directeur uitnodigen om samen met een vertegenwoordiger van de nationale afwikkelingsautoriteit aan een gedachtewisseling over de afwikkeling van de entiteiten waarvan sprake in artikel 2 in die lidstaat deel te nemen.

3.  Deze verordening doet geen afbreuk aan de verantwoordingsplicht van nationale afwikkelingsautoriteiten ten aanzien van nationale parlementen overeenkomstig het nationale recht met betrekking tot de uitvoering van taken die niet bij deze verordening aan de afwikkelingsraad of aan de Commissie zijn opgedragen.

Artikel 43

Onafhankelijkheid

1.  De afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten handelen bij de uitvoering van de hun bij deze verordening opgedragen taken onafhankelijk en in het algemeen belang.

2.  De in artikel 39, lid 2, bedoelde leden van de afwikkelingsraad handelen onafhankelijk en objectief in het belang van de Unie als geheel, en vragen noch aanvaarden instructies van instellingen of organen van de Unie, van de regering van een lidstaat of van andere publieke of particuliere organen.

Artikel 43 bis

De voor de afwikkelingsraad geldende algemene beginselen

Voor de afwikkelingsraad gelden de volgende beginselen:

(a)  hij treedt onafhankelijk op, in overeenstemming met artikel 43;

(b)  de leden beschikken over de nodige deskundigheid op het vlak van bankherstructureringen en insolventie;

(c)  hij beschikt over de capaciteit om met grote bankconcerns te werken;

(d)  hij heeft de capaciteit om snel en onpartijdig op te treden;

(e)  hij ziet er op toe dat voldoende rekening wordt gehouden met de nationale financiële stabiliteit en met de financiële stabiliteit van de Europese Unie en de interne markt; en tevens

(f)  hij is overeenkomstig artikel 41 verantwoording verschuldigd aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 44

Zetel

De zetel van de afwikkelingsraad is gevestigd in Brussel, België.

TITEL II

Plenaire vergadering van de afwikkelingsraad

Artikel 45

Deelname aan plenaire vergaderingen

Alle leden van de afwikkelingsraad nemen deel aan zijn plenaire vergaderingen.

Artikel 46

Taken

1.  De afwikkelingsraad heeft in zijn plenaire vergadering de volgende taken:

(a)  ▐ uiterlijk op 30 november van elk jaar het jaarlijkse werkprogramma van de afwikkelingsraad voor het komende jaar vaststellen, op basis van een ontwerpvoorstel van de uitvoerend directeur, en dit ter informatie doorsturen naar het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de ECB, waarvan de tenuitvoerlegging door de afwikkelingsraad in plenaire vergadering moet worden bewaakt en gecontroleerd;

(b)  overeenkomstig artikel 58, lid 2, de jaarlijkse begroting van de afwikkelingsraad vaststellen, bewaken en controleren;

(b bis)  adviezen en/of aanbevelingen afgeven over het ontwerpverslag van de uitvoerend directeur waarvan sprake in artikel 52, lid 2, onder g),

(c)  besluiten over de vrijwillige leningen tussen financieringsregelingen overeenkomstig artikel 68, de wederzijdse waarborging van nationale financieringsregelingen overeenkomstig artikel 72 en het verstrekken van leningen aan het depositogarantiestelsel overeenkomstig artikel 73, lid 4;

(d)  het in artikel 41 bedoelde jaarlijkse verslag van de afwikkelingsraad aannemen, met daarin gedetailleerde toelichtingen bij de uitvoering van de begroting;

(e)  overeenkomstig artikel 61 de financiële regels vaststellen die van toepassing zijn op de afwikkelingsraad;

(f)  een fraudebestrijdingsstrategie vaststellen, die evenredig is met de frauderisico’s en rekening houdt met de kosten en baten van de uit te voeren maatregelen;

(g)  stelt regels vast voor de voorkoming en beheersing van belangenconflicten met betrekking tot zijn leden;

(h)  zijn reglement van orde vaststellen;

(i)  overeenkomstig lid 2 met betrekking tot de personeelsleden van de afwikkelingsraad de bevoegdheden uitoefenen die het Statuut toekent aan het tot aanstelling bevoegde gezag, en die de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden toekent aan het tot het sluiten van contracten bevoegde gezag ("de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag");

(j)  stelt de toepasselijke uitvoeringsregels ten behoeve van de uitvoering van het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden vast overeenkomstig artikel 110 van het Statuut;

(k)  benoemt een rekenplichtige overeenkomstig het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, die functioneel onafhankelijk is bij de uitvoering van zijn taken;

(l)  zorgt voor een passende opvolging van de resultaten en aanbevelingen in de interne en externe auditverslagen en beoordelingen, alsook van de resultaten en aanbevelingen die voortvloeien uit de onderzoeken van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF);

(m)  alle besluiten nemen betreffende het opzetten en, waar nodig, het wijzigen van de interne structuren van de afwikkelingsraad.

2.  In zijn plenaire vergadering neemt de afwikkelingsraad overeenkomstig artikel 110 van het Statuut een besluit dat is gebaseerd op artikel 2, lid 1, van het Statuut en artikel 6 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, waarin hij de nodige bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag delegeert aan de uitvoerend directeur en de voorwaarden vaststelt voor de opschorting van die gedelegeerde bevoegdheden. De uitvoerend directeur kan deze bevoegdheden op zijn beurt subdelegeren.

De afwikkelingsraad kan in zijn plenaire vergadering in uitzonderlijke gevallen door middel van een besluit de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de uitvoerend directeur en de bevoegdheden die hij op zijn beurt heeft gedelegeerd tijdelijk opschorten en die bevoegdheden zelf uitoefenen of delegeren aan een van zijn leden of aan een ander personeelslid dan de uitvoerend directeur.

Artikel 47

Bijeenkomst van de plenaire vergadering van de afwikkelingsraad

1.  De uitvoerend directeur roept de plenaire vergadering van de afwikkelingsraad bijeen.

2.  De afwikkelingsraad komt ten minste tweemaal per jaar in gewone plenaire vergadering bijeen. Daarnaast komt de afwikkelingsraad bijeen op initiatief van de uitvoerend directeur, op verzoek van de Commissie of op verzoek van ten minste tweederde van zijn leden.

3.  De afwikkelingsraad kan op ad-hocbasis waarnemers bij de bijeenkomsten van zijn plenaire vergadering uitnodigen. Op verzoek kan de afwikkelingsraad een vertegenwoordiger van het ESM als waarnemer uitnodigen.

4.  De afwikkelingsraad stelt de plenaire vergadering van de afwikkelingsraad een secretariaat ter beschikking.

Artikel 48

Besluitvormingsproces

1.  De afwikkelingsraad neemt in zijn plenaire vergadering besluiten bij gewone meerderheid van de leden bedoeld in artikel 39, lid 1, onder a) t/m e). De in artikel 46, lid 1, onder c), bedoelde besluiten worden echter genomen bij tweederdemeerderheid van zijn leden.

2.  De uitvoerend directeur neemt aan de stemming deel.

3.  De afwikkelingsraad stelt zijn reglement van orde vast en maakt dit openbaar. In het reglement van orde wordt de stemprocedure nader uitgewerkt, met name betreffende de gevallen waarin een lid mag handelen namens een ander lid, en eventuele quorumvereisten.

TITEL III

Bestuursvergadering van de afwikkelingsraad

Artikel 49

Deelname aan de bestuursvergaderingen

1.  De in artikel 39, lid 1, onder a) tot en met d), bedoelde leden van de afwikkelingsraad nemen deel aan de bestuursvergaderingen van de afwikkelingsraad.

2.  Bij de beraadslaging over een in artikel 2 bedoelde entiteit of een groep entiteiten die slechts in één deelnemende lidstaat is gevestigd, neemt het door die lidstaat aangewezen lid ook deel aan de beraadslagingen en het besluitvormingsproces overeenkomstig artikel 51, lid 1.

3.  Bij de beraadslaging over een grensoverschrijdende groep nemen het lid dat is aangewezen door de lidstaat waarin de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau is gevestigd, alsook de leden die zijn aangewezen door de lidstaten waarin een dochteronderneming of een onder geconsolideerd toezicht vallende entiteit is gevestigd, eveneens deel aan de beraadslagingen en het besluitvormingsproces overeenkomstig artikel 51, lid 2.

3 bis.  De in artikel 39, lid 1, onder a) tot en met d), bedoelde leden van de afwikkelingsraad zien erop toe dat de afwikkelingsbesluiten en -maatregelen, met name waar het gaat om gebruik van het Fonds, in de verschillende samenstellingen van de bestuursvergaderingen van de afwikkelingsraad coherent zijn, ter zake en proportioneel.

Artikel 50

Taken

1.  De afwikkelingsraad wordt in zijn plenaire vergadering bijgestaan door een bestuursvergadering van de afwikkelingsraad.

2.  De afwikkelingsraad heeft in zijn bestuursvergadering de volgende taken:

(a)  voorbereiden van alle besluiten die door de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering moeten worden genomen;

(b)  nemen van alle besluiten om deze verordening uit te voeren.

2 bis.   De taken van de afwikkelingsraad in zijn in lid 2 bedoelde bestuursvergadering omvatten:

(-i)  afwikkelingsplannen voorbereiden, beoordelen en goedkeuren overeenkomstig de artikelen 7 - 9;

(-i bis) de minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva bepalen waaraan instellingen en moederondernemingen zich ingevolge artikel 10 moeten houden;

(i)  de Commissie zo vroeg mogelijk een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 16 vergezeld van alle relevante informatie aanreiken op basis waarvan zij overeenkomstig artikel 16, lid 6, een beoordeling kan maken en een met redenen omkleed besluit kan vaststellen;

(ii)  besluiten over deel II van de begroting van de afwikkelingsraad, betreffende het Fonds.

3.  Indien nodig kan de afwikkelingsraad in spoedeisende omstandigheden in zijn bestuursvergadering bepaalde voorlopige besluiten namens de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering vaststellen, met name over administratieve aangelegenheden, waaronder begrotingsaangelegenheden.

4.  De afwikkelingsraad komt in zijn bestuursvergadering bijeen op initiatief van de uitvoerend directeur of op verzoek van een van zijn leden.

5.  De afwikkelingsraad stelt in zijn plenaire vergadering het reglement van orde van de de afwikkelingsraad in zijn bestuursvergadering vast.

Artikel 51

Besluitvormingsproces

1.  Bij de beraadslaging over een individuele entiteit of een groep entiteiten die slechts in één deelnemende lidstaat is gevestigd, tracht de afwikkelingsraad in zijn bestuursvergaderingen ▐ consensus te bereiken. Bij uitblijven van consensus, neemt de afwikkelingsraad zijn besluiten bij gewone meerderheid van de stemhebbende leden bedoeld in artikel 39 lid 1, onder a) t/m d), en van de deelnemende leden als bedoeld in artikel 49, lid 2. Bij staking van de stemmen is de stem van de uitvoerend directeur doorslaggevend.

2.  Bij de beraadslaging over een grensoverschrijdende groep neemt de afwikkelingsraad in zijn bestuursvergaderingen zijn besluiten. Bij uitblijven van consensus, neemt de afwikkelingsraad zijn besluiten bij gewone meerderheid van de stemhebbende leden bedoeld in artikel 39 lid 1, onder a) t/m d), en van de deelnemende leden als bedoeld in artikel 49, lid 3. De in artikel 39, lid 1, onder a) t/m d), bedoelde leden van de afwikkelingsraad en het lid dat is aangewezen door de lidstaat waar de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau is gevestigd, hebben ieder één stem. De nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaten waar een dochteronderneming of een onder geconsolideerd toezicht vallende entiteit is gevestigd hebben ieder een stemrecht dat gelijk is aan één stem gedeeld door hun aantal. Bij staking van de stemmen is de stem van de uitvoerend directeur doorslaggevend.

3.  De afwikkelingsraad stelt in zijn bestuursvergadering het reglement van orde van zijn bestuursvergaderingen vast en maakt dit openbaar.

De bestuursvergadering van de afwikkelingsraad komt bijeen op initiatief van de uitvoerend directeur of op verzoek van een van zijn leden, en wordt door de uitvoerend directeur voorgezeten. De afwikkelingsraad kan in zijn bestuursvergadering op ad-hocbasis waarnemers bij de bijeenkomsten uitnodigen. Met name kan de afwikkelingsraad desgevraagd een vertegenwoordiger van het ESM als waarnemer uitnodigen.

TITEL IV

Uitvoerend directeur en plaatsvervangend uitvoerend directeur

Artikel 52

Benoeming en taken

1.  De afwikkelingsraad wordt voorgezeten door een voltijdse uitvoerend directeur, die geen ambten op nationaal niveau vervult.

2.  De uitvoerend directeur is verantwoordelijk voor:

(a)  het voorbereiden van de werkzaamheden van de afwikkelingsraad, in zijn plenaire vergadering en bestuursvergaderingen, en het bijeenroepen en voorzitten van zijn bijeenkomsten;

(b)  alle personeelszaken;

(c)  het dagelijkse beheer;

(d)  het uitvoeren van de begroting van de afwikkelingsraad overeenkomstig artikel 58, lid 3;

(e)  het bestuur van de afwikkelingsraad;

(f)  het uitvoeren van het jaarlijkse werkprogramma van de afwikkelingsraad;

(g)  het jaarlijks voorbereiden van een ontwerpverslag met een deel over de afwikkelingsactiviteiten van de afwikkelingsraad en een deel over financiële en administratieve aangelegenheden.

3.  De uitvoerend directeur wordt bijgestaan door een plaatsvervangend uitvoerend directeur.

De plaatsvervangend uitvoerend directeur vervult de functies van de uitvoerend directeur tijdens diens afwezigheid.

4.  De uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur worden benoemd op basis van verdienste, vaardigheden, kennis van bancaire en financiële aangelegenheden en ervaring die relevant is op het gebied van financieel toezicht en financiële regelgeving.

De uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur worden gekozen op basis van een open selectieprocedure, waarbij het beginsel van genderevenwicht in acht wordt genomen en waarvan het Europees Parlement en de Raad naar behoren op de hoogte worden gehouden.

5.   De Commissie legt de bevoegde commissie van het Europees Parlement een lijst voor van kandidaten voor de functie van de uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur.

De Commissie legt een voordracht voor de benoeming van de de uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur ter goedkeuring voor aan het Europees Parlement. Na goedkeuring van de voordrachtbenoemt de Raad bij uitvoeringsbesluit de uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur ▐.

6.  In afwijking van artikel 39, lid 2, bedraagt de ambtstermijn van de eerste uitvoerend directeur die na de inwerkingtreding van deze verordening wordt benoemd, drie jaar; die termijn kan éénmaal worden verlengd met vijf jaar. De uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur blijven in functie totdat hun opvolgers zijn benoemd.

7.  Een plaatsvervangend uitvoerend directeur wiens ambtstermijn is verlengd, kan aan het eind van de volledige termijn niet deelnemen aan een andere selectieprocedure voor dezelfde functie.

8.  Indien de uitvoerend directeur of de plaatsvervangend uitvoerend directeur niet langer voldoet aan de voor de uitvoering van zijn taken vereiste voorwaarden of schuldig is bevonden aan ernstig wangedrag, kan de Raad, op een door het Europees Parlement goedgekeurd voorstel van de Commissie de uitvoerend directeur of de plaatsvervangend uitvoerend directeur bij uitvoeringsbesluit uit zijn ambt ontzetten.

Te dien einde kan het Europees Parlement of de Raad de Commissie ervan in kennis stellen dat zij de voorwaarden voor ontzetting van de uitvoerend directeur of de plaatsvervangend uitvoerend directeur uit diens ambt vervuld achten, waarop de Commissie dient te reageren.

Artikel 53

Onafhankelijkheid

1.  De uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur voeren hun taken uit conform de besluiten van de Commissie en de afwikkelingsraad.

Bij de deelname aan de beraadslagingen en het besluitvormingsproces binnen de afwikkelingsraad vragen noch aanvaarden zij instructies van de instellingen of organen van de Unie, maar maken zij hun eigen standpunten kenbaar en stemmen zij onafhankelijk. In die beraadslagingen en dat besluitvormingsproces staat de plaatsvervangend uitvoerend directeur niet onder het gezag van de uitvoerend directeur.

2.  Lidstaten of andere publieke of particuliere organen doen geen pogingen invloed uit te oefenen op de uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur bij de uitvoering van hun taken.

3.  Overeenkomstig het in artikel 78, lid 6, bedoelde Statuut blijft voor de uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur na afloop van hun ambtstermijn de verplichting gelden om bij het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen eerlijkheid en kiesheid te betrachten.

TITEL V

FINANCIËLE BEPALINGEN

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Artikel 54

Middelen

De afwikkelingsraad is verantwoordelijk voor het besteden van de nodige financiële en personele middelen aan de uitvoering van de hem bij deze verordening opgedragen taken.

Artikel 55

Begroting

1.  Voor elk begrotingsjaar, dat samenvalt met het kalenderjaar, worden alle ontvangsten en uitgaven van de afwikkelingsraad geraamd en vervolgens opgenomen in de begroting van de afwikkelingsraad.

2.  De ontvangsten en uitgaven in de begroting van de afwikkelingsraad zijn in evenwicht.

3.  De begroting bestaat uit twee delen: deel I voor het beheer van de afwikkelingsraad en deel II voor het Fonds.

Artikel 56

Deel I van de begroting voor het beheer van de afwikkelingsraad

1.  De ontvangsten van deel I van de begroting bestaan uit de jaarlijkse bijdragen die nodig zijn om de geraamdejaarlijkse administratieve uitgaven overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder a), te dekken.

2.  De uitgaven van deel I van de begroting bestaan ten minste uit personele, administratieve, loon- en infrastructuurkosten, kosten van beroepsopleiding en werkingskosten.

Artikel 57

Deel II van de begroting voor het Fonds

1.  De ontvangsten van deel II van de begroting bestaan met name uit het volgende:

(a)  de bijdragen die de in de deelnemende lidstaten gevestigde instellingen overeenkomstig artikel 62 hebben betaald, met uitzondering van de in artikel 62, lid 1, onder a), bedoelde jaarlijkse bijdrage;

(b)  leningen ontvangen van andere afwikkelingsfinancieringsregelingen in niet-deelnemende lidstaten overeenkomstig artikel 68, lid 1;

(c)  (c) leningen ontvangen van financiële instellingen of andere derden overeenkomstig artikel 69, waaronder ook in het kader van de in dat artikel bedoelde leningfaciliteit;

(d)  rendementen op de beleggingen van de bedragen in het Fonds overeenkomstig artikel 70.

2.  De uitgaven van deel II van de begroting bestaan uit het volgende:

(a)  uitgaven voor de in artikel 71 vermelde doeleinden;

(b)  beleggingen overeenkomstig artikel 70;

(c)  betaalde rente op leningen ontvangen van andere afwikkelingsfinancieringsregelingen in niet-deelnemende lidstaten overeenkomstig artikel 68, lid 1;

(d)  (c) betaalde rente op leningen ontvangen van financiële instellingen of andere derden overeenkomstig artikel 69, waaronder ook in het kader van de in dat artikel bedoelde leningfaciliteit;

Artikel 58

Opstellen en uitvoeren van de begroting

1.  Uiterlijk op 15 februari van elk jaar stelt de uitvoerend directeur een ontwerp op van de raming van de ontvangsten en uitgaven van de afwikkelingsraad voor het volgende begrotingsjaar, dat hij uiterlijk op 31 maart van elk jaar naar de afwikkelingsraad stuurt voor goedkeuring in de plenaire vergadering.

2.  De begroting van de afwikkelingsraad wordt door de plenaire vergadering van de afwikkelingsraad vastgesteld op basis van de raming. De begroting wordt zo nodig dienovereenkomstig aangepast, na door de afwikkelingsraad in de plenaire vergadering te zijn nagerekend en gecontroleerd.

3.  De uitvoerend directeur voert de begroting van de afwikkelingsraad uit.

Artikel 59

Audit en controle

1.  Bij de afwikkelingsraad wordt de functie van interne controleur gecreëerd, die moet worden uitgeoefend met inachtneming van de geldende internationale normen. De interne controleur wordt benoemd door de afwikkelingsraad en legt tegenover hem verantwoording af over de controle op de goede werking van de systemen en procedures voor de uitvoering van de begroting van de afwikkelingsraad.

2.  De interne controleur adviseert de afwikkelingsraad bij het beheersen van de risico's door onafhankelijke adviezen uit te brengen over de kwaliteit van de beheers- en controlesystemen en aanbevelingen te formuleren ter verbetering van de uitvoeringsvoorwaarden van de verrichtingen en ter bevordering van een goed financieel beheer.

3.  De afwikkelingsraad is verantwoordelijk voor het invoeren van interne controlesystemen en controleprocedures die zijn toegesneden op de uitvoering van zijn taken.

Artikel 60

Indiening van de rekeningen en kwijting

1.  De uitvoerend directeur treedt op als ordonnateur.

2.  Uiterlijk op 1 maart van het volgende begrotingsjaar stuurt de rekenplichtige van de afwikkelingsraad de voorlopige rekeningen naar de afwikkelingsraad.

3.  Uiterlijk op 31 maart van elk jaar stuurt de afwikkelingsraad in zijn bestuursvergadering de voorlopige rekeningen van de afwikkelingsraad van het voorgaande begrotingsjaar naar het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

4.  Na ontvangst van de door de Rekenkamer geformuleerde opmerkingen over de voorlopige rekeningen van de afwikkelingsraad stelt de uitvoerend directeur op eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van de afwikkelingsraad op en stuurt ze naar de afwikkelingsraad ter goedkeuring in zijn plenaire vergadering.

5.  De uitvoerend directeur stuurt de definitieve rekeningen uiterlijk op 1 juli na afloop van elk begrotingsjaar naar het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

6.  De uitvoerend directeur dient uiterlijk op 1 juli een antwoord op de opmerkingen van de Rekenkamer in bij deze instelling.

7.  De definitieve rekeningen worden uiterlijk op 15 november van het volgende jaar bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

8.  De afwikkelingsraad verleent de uitvoerend directeur in zijn plenaire vergadering kwijting voor de uitvoering van de begroting.

9.  De uitvoerend directeur verstrekt het Europees Parlement op verzoek alle informatie die nodig is in verband met de rekeningen van de afwikkelingsraad.

9 bis.  Na de door de afwikkelingsraad overeenkomstig artikel 60 opgestelde jaarrekeningen te hebben bestudeerd maakt de Rekenkamer een verslag van haar bevindingen, dat zij uiterlijk op 1 december na elk boekjaar indient bij het Europees Parlement en de Raad.

9 ter.  De Rekenkamer brengt met name verslag uit over:

(a)  de economie, efficiëntie en effectiviteit waarmee middelen, waaronder middelen uit het Fonds, zijn gebruikt;

(b)  eventuele gerelateerde verplichtingen, zij het voor de afwikkelingsraad, de Commissie, of anderszins, die voortvloeien uit de verrichting door de Commissie en de afwikkelingsraad van hun taken uit hoofde van de verordening.

Artikel 61

Financiële regels

Na advies van de Rekenkamer van de Unie en de Commissie stelt de afwikkelingsraad de interne financiële bepalingen vast waarin met name de wijze van opstelling en uitvoering van zijn begroting wordt geregeld.

Voor de financiële bepalingen wordt, voor zover dit verenigbaar is met het eigen karakter van de afwikkelingsraad, uitgegaan van de in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(13) bedoelde financiële kaderregeling voor de bij het VWEU opgerichte organen.

Artikel 62

Bijdragen

1.  De in artikel 2 bedoelde entiteiten dragen bij aan de begroting van de afwikkelingsraad overeenkomstig deze verordening en de overeenkomstig lid 5 vastgestelde gedelegeerde handelingen betreffende bijdragen. De bijdragen omvatten het volgende:

(a)  de jaarlijkse bijdragen die nodig zijn om de administratieve uitgaven te dekken;

(b)  de jaarlijkse vooraf te betalen bijdragen die nodig zijn om het in artikel 65 vastgelegde streefbedrag van de financiering te bereiken, berekend overeenkomstig artikel 66; en

(c)  de buitengewone achteraf te betalen bijdragen, berekend overeenkomstig artikel 67.

2.  De bedragen van de bijdragen worden zodanig vastgesteld dat de ontvangsten daarvan in beginsel toereikend zijn om de begroting van de afwikkelingsraad elk jaar in evenwicht te houden en de opdrachten van het Fonds uit te voeren.

3.  Na overleg met de bevoegde autoriteit bepaalt de afwikkelingsraad ▐ overeenkomstig de in lid 5 bedoelde gedelegeerde handelingen de bijdragen die door elke in lid 2 bedoelde entiteit verschuldigd zijn, in een tot de betrokken entiteit gericht besluit. De afwikkelingsraad past procedure-, rapportage- en andere regels toe om ervoor te zorgen dat de bijdragen volledig en tijdig worden betaald.

4.  De overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 ontvangen bedragen worden alleen voor de doeleinden van deze verordening aangewend.

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 82 gedelegeerde handelingen betreffende bijdragen vast te stellen met het oog op de vaststelling van het volgende:

(a)  het soort bijdragen en de aangelegenheden waarvoor de bijdragen verschuldigd zijn, de manier waarop het bedrag van de bijdragen is berekend, de wijze waarop ze moeten worden betaald;

(b)  de registratie-, boekhoud- en rapportageverplichtingen en andere in lid 3 bedoelde verplichtingen om ervoor te zorgen dat de bijdragen volledig en tijdig worden betaald;

(c)  het bijdragesysteem voor instellingen waaraan een vergunning voor de uitoefening van werkzaamheden is verleend terwijl het Fonds zijn streefbedrag al heeft bereikt,

(d)  de jaarlijkse bijdragen die nodig zijn om de administratieve uitgaven van de afwikkelingsraad te dekken voordat hij volledig operationeel wordt.

Artikel 63

Fraudebestrijdingsmaatregelen

1.  Teneinde de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten krachtens Verordening (EG) nr. 1073/1999 te vereenvoudigen, treedt de afwikkelingsraad binnen zes maanden nadat hij operationeel is geworden, toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) en stelt hij op basis van het model in de bijlage bij dat akkoord passende regels op voor al zijn personeelsleden.

2.  De Europese Rekenkamer is bevoegd om bij alle begunstigden, contractanten en subcontractanten die van de afwikkelingsraad middelen ▐ hebben ontvangen, controles op stukken en controles ter plaatse te verrichten.

3.  OLAF kan overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EG) nr. 1073/1999 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 onderzoeken verrichten, waaronder controles en inspecties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in verband met een contract dat door de afwikkelingsraad wordt gefinancierd.

Hoofdstuk 2

Het gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds

Afdeling 1

SAMENSTELLING VAN HET FONDS

Artikel 64

Algemene bepalingen

1.  Hierbij wordt een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds opgericht.

2.  De afwikkelingsraad doet slechts een beroep op het Fonds om ervoor te zorgen dat de ▐ afwikkelingsinstrumenten en –bevoegdheden doeltreffend en overeenkomstig de ▐ afwikkelingsdoelstellingen en beginselen met betrekking tot afwikkeling worden toegepast. In geen geval zijn de begroting van de Unie of de nationale begrotingen van de lidstaten aansprakelijk voor de uitgaven of verliezen van het Fonds of voor enige vordering op de afwikkelingsraad.

3.  De afwikkelingsraad is de eigenaar van het Fonds.

Artikel 65

Streefbedrag van de financiering

1.  Uiterlijk binnen tien jaar na de inwerkingtreding van deze verordening bereiken de beschikbare financiële middelen van het Fonds ten minste 0,8 % van het bedrag van de deposito's van alle kredietinstellingen waaraan in de deelnemende lidstaten vergunning is verleend, die op grond van Richtlijn [Depositogarantiestelsel, DGS] gegarandeerd zijn en in overeenstemming met artikel 93, lid 1, van richtlijn [BRRD].

2.  In de in lid 1 bedoelde initiële periode worden de overeenkomstig artikel 66 berekende en overeenkomstig artikel 62 geïnde bijdragen aan het Fonds zo evenwichtig mogelijk in de tijd gespreid totdat het streefbedrag bereikt is, tenzij de bijdragen, afhankelijk van de omstandigheden, gelet op gunstige marktomstandigheden of de financieringsbehoeften kunnen worden vervroegd.

3.  De afwikkelingsraad kan de initiële termijn met ten hoogste vier jaar verlengen ingeval het Fonds gecumuleerde uitbetalingen van meer dan het in artikel 93, lid 2, van Richtlijn [BRRD] genoemde percentage van het totale in lid 1 bedoelde bedrag verricht.

4.  Indien de beschikbare financiële middelen na de in lid 1 bedoelde initiële termijn dalen tot onder het in lid 1 vermelde streefbedrag, worden opnieuw overeenkomstig artikel 66 bijdragen berekend en geïnd totdat het streefbedrag is bereikt. Wanneer de beschikbare financiële middelen minder dan de helft van het streefbedrag belopen, worden de jaarlijkse bijdragen bepaald overeenkomstig artikel 93, lid 3, van richtlijn [BRRD].

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 82 gedelegeerde handelingen vast te stellen om het volgende te bepalen:

(a)  de criteria voor de spreiding in de tijd van de overeenkomstig lid 2 berekende bijdragen aan het Fonds;

(b)  de omstandigheden waarin de betaling van de bijdragen uit hoofde van lid 2 kan worden vervroegd;

(c)  criteria for determining the number of years by which the initial period referred to in paragraph 1 can be extended under paragraph 3;

(d)  de criteria om de jaarlijkse bijdragen te bepalen waarin lid 4 voorziet.

Artikel 66

Vooraf te betalen bijdragen

1.  De individuele bijdrage van elke instelling wordt ten minste jaarlijks geïnd en wordt berekend volgens de verhouding tussen het bedrag van haar passiva (exclusief eigen vermogen en gedekte deposito's) en het totaalbedrag van de passiva (exclusief eigen vermogen en gedekte deposito's) van alle instellingen waaraan op de grondgebieden van de deelnemende lidstaten vergunning is verleend.

De bijdrage wordt aangepast in verhouding tot het risicoprofiel van elke instelling, overeenkomstig de criteria die zijn opgenomen in de in artikel 94, lid 7, van Richtlijn [BRRD] bedoelde gedelegeerde handelingen.

2.  De in aanmerking te nemen beschikbare financiële middelen om het in artikel 65 vermelde streefbedrag van de financiering te bereiken, kunnen ook geldmiddelen, quasi-kasequivalenten, liquide activa "van hoge kwaliteit" onder de liquiditeitsdekkingsratio of betalingstoezeggingen omvatten die volledig zijn gedekt door zekerheden of activa met een laag risico die niet met rechten van derden zijn bezwaard, waarover vrij kan worden beschikt en waarvan uitsluitend gebruik kan worden gemaakt door de afwikkelingsraad voor de in artikel 71, lid 1, vermelde doeleinden. Het aandeel van die onherroepelijke betalingstoezeggingen is niet hoger dan het in artikel 94, lid 3, van Richtlijn [BRRD] genoemde percentage van het totaalbedrag van de bijdragen dat overeenkomstig lid 1 wordt geïnd.

2 bis.  De individuele bijdragen van elke in lid 1 bedoelde instelling zijn definitief en kunnen in geen geval achteraf worden terugbetaald.

2 ter.  De lidstaten die al nationale financieringsregelingen voor afwikkelingen hebben vastgesteld, kunnen bepalen dat deze regelingen hun beschikbare financiële middelen, die in het verleden middels vooraf te betalen bijdragen bij de instellingen zijn geïnd, gebruiken om instellingen te vergoeden voor de vooraf te betalen bijdragen die deze instellingen wellicht in het Fonds moeten storten. Een dergelijke restitutie laat de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van Richtlijn 94/18/EG van het Europees Parlement en de Raad onverlet.

3.  Behoudens het bepaalde in lid 1, alinea 2, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 82 gedelegeerde handelingen vast te stellen om het volgende te bepalen:

(a)  de methode voor de berekening van de in lid 1 bedoelde individuele bijdragen;

(b)  de kwaliteit van de zekerheden voor de in lid 2 bedoelde betalingstoezeggingen;

(c)  de criteria voor de berekening van het aandeel van de in lid 2 bedoelde betalingstoezeggingen.

Artikel 67

Buitengewone achteraf te betalen bijdragen

1.  Indien de beschikbare financiële middelen niet toereikend zijn om de verliezen, kosten of andere uitgaven als gevolg van een beroep op het Fonds te dekken, int de afwikkelingsraad overeenkomstig artikel 62 buitengewone achteraf te betalen bijdragen bij de instellingen waaraan op de grondgebieden van de deelnemende lidstaten vergunning is verleend, teneinde de aanvullende bedragen te dekken. Deze buitengewone achteraf te betalen bijdragen worden overeenkomstig de in artikel 66 vastgestelde regels en in overeenstemming met artikel 95, lid 1, van Richtlijn [BRRD] over de instellingen verdeeld.

2.  De afwikkelingsraad kan overeenkomstig de in lid 3 bedoelde gedelegeerde handelingen een instelling geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de verplichting overeenkomstig lid 1 achteraf te betalen bijdragen te betalen, indien de som van de in artikel 66 en de in lid 1 van dit artikel bedoelde betalingen het gevaar zou meebrengen dat niet meer kan worden voldaan aan vorderingen van andere crediteuren van de instelling. Een dergelijke vrijstelling kan voor ten hoogste zes maanden worden toegekend, maar kan op verzoek van de instelling worden verlengd.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 82 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de omstandigheden en voorwaarden te bepalen waaronder een in artikel 2 bedoelde entiteit uit hoofde van lid 2 geheel of gedeeltelijk van achteraf te betalen bijdragen kan worden vrijgesteld.

Artikel 68

Vrijwillige leningen tussen financieringsregelingen

1.  De afwikkelingsraad kan een verzoek indienen om voor het Fonds te lenen van alle andere afwikkelingsfinancieringsregelingen binnen niet-deelnemende lidstaten, ingeval:

(a)  de overeenkomstig artikel 66 geïnde bedragen niet toereikend zijn om de verliezen, kosten of andere uitgaven als gevolg van een beroep op het Fonds te dekken;

(b)  de buitengewone achteraf te betalen bijdragen waarin artikel 67 voorziet, niet onmiddellijk beschikbaar zijn;

2.  Die afwikkelingsfinancieringsregelingen nemen over een dergelijk verzoek een besluit overeenkomstig artikel 97 van Richtlijn [BRRD]. Op de leningsvoorwaarden is artikel 97, lid 3, onder a), b) en c), van die richtlijn van toepassing.

Artikel 69

Alternatieve financieringsmiddelen

1.  De afwikkelingsraad streeft ernaar voor het Fonds leningen te sluiten of contracten voor andere vormen van steun van financiële instellingen of andere derden, ingeval de overeenkomstig de artikelen 66 en 67 geïnde bedragen niet onmiddellijk beschikbaar zijn of niet toereikend zijn om de uitgaven als gevolg van een beroep op het Fonds te dekken.

In het bijzonder streeft de afwikkelingsraad ernaar voor het Fonds een leningfaciliteit te sluiten , bij voorkeur met gebruikmaking van een gemeenschappelijk overheidsinstrument, om de onmiddellijke beschikbaarheid van afdoende financiële middelen voor de in artikel 71 geregelde doelen te verzekeren, wanneer de overeenkomstig de artikelen verkregen of beschikbare bedragen niet toereikend zijn. Leningen uit die leningfaciliteit worden binnen een overeengekomen termijn door het Fonds terugbetaald.

2.  De in lid 1 bedoelde leningen of contracten voor andere vormen van steun worden volledig terugverdiend overeenkomstig artikel 62 binnen de looptijd van de lening.

3.  Alle uitgaven als gevolg van het beroep op de in lid 1 bedoelde leningen worden door de afwikkelingsraad zelf gedragen en niet door de begroting van de Unie of de deelnemende lidstaten.

Afdeling 2

Beheer van het Fonds

Artikel 70

Beleggingen

1.  De afwikkelingsraad beheert het Fonds en kan de Commissie verzoeken bepaalde taken in verband met het beheer van het Fonds uit te voeren.

2.  De van een instelling in afwikkeling of een overbruggingsinstelling ontvangen bedragen, de rente en andere beleggingsopbrengsten, alsook alle andere opbrengsten komen alleen toe aan het Fonds.

3.  De afwikkelingsraad volgt een prudent en veilig beleggingsbeleid en belegt de bedragen van het Fonds in ▐ activa van hoge kredietwaardigheid. De beleggingen moeten voldoende sectoraal en geografisch gespreid zijn om de risico's van concentratie te beperken. De beleggingsopbrengsten komen toe aan het Fonds. De afwikkelingsraad publiceert een beleggingskader waarin het beleggingsbeleid van het Fonds nader wordt gespecificeerd.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 82 gedelegeerde handelingen vast te stellen om gedetailleerde regels voor het beheer van het Fonds te bepalen.

Afdeling 3

Beroep op het Fonds

Artikel 71

Opdracht van het Fonds

1.  Bij de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten op de in artikel 2 bedoelde entiteiten kan de afwikkelingsraad binnen het door de Commissie vastgelegde kader een beroep doen op het Fonds voor de volgende doeleinden:

(a)  om de activa of verplichtingen van de instelling in afwikkeling, haar dochterondernemingen, een overbruggingsinstelling of een vehikel voor activabeheer te garanderen;

(b)  om leningen te verstrekken aan de instelling in afwikkeling, haar dochterondernemingen, een overbruggingsinstelling of een vehikel voor activabeheer;

(c)  om activa van de instelling in afwikkeling te kopen;

(d)  om kapitaal bij te dragen aan een overbruggingsinstelling of een vehikel voor activabeheer;

(e)  om een compensatie te betalen aan aandeelhouders of crediteuren indien zij na een waardering overeenkomstig artikel 17, lid 5, ter betaling van hun kredieten minder hebben ontvangen dan wat zij zouden hebben ontvangen, na een waardering overeenkomstig artikel 17, lid 6, in een liquidatie in een normale insolventieprocedure;

(f)  om een bijdrage te leveren aan de instelling in afwikkeling in plaats van de bijdrage die verkregen zou worden door het afschrijven van bepaalde crediteuren wanneer de inbreng van de particuliere sector wordt toegepast en de afwikkelingsautoriteit besluit bepaalde crediteuren uit te sluiten van het toepassingsgebied van het instrument van de inbreng van de particuliere sector overeenkomstig artikel 24, lid 3;

(g)  om een combinatie van de onder a) tot en met f) genoemde maatregelen te nemen.

2.  Er kan een beroep op het Fonds worden gedaan om in de context van het instrument van verkoop van de onderneming de onder a) tot en met g) genoemde maatregelen te nemen met betrekking tot de koper.

3.  Er kan geen direct beroep op het Fonds worden gedaan om de verliezen van een instelling of een in artikel 2 bedoelde entiteit te absorberen of om een instelling of een in artikel 2 bedoelde entiteit te herkapitaliseren. Ingeval het beroep op de afwikkelingsfinancieringsregeling voor de doeleinden in lid 1 indirect erin resulteert dat een deel van de verliezen van een instelling of een in artikel 2 bedoelde entiteit op het Fonds worden afgewenteld, zijn de in artikel 38 van Richtlijn [BRRD] en artikel 24 vastgelegde beginselen inzake het beroep op de afwikkelingsfinancieringsregeling van toepassing.

4.  De afwikkelingsraad kan het overeenkomstig lid 1, onder f), bijgedragen kapitaal ten hoogste vijf jaar aanhouden.

Artikel 72

Wederzijdse waarborging van nationale financieringsregelingen in geval van groepsafwikkeling waarbij instellingen in niet-deelnemende lidstaten zijn betrokken

In het geval van een groepsafwikkeling waarbij enerzijds instellingen waaraan in één of meer deelnemende lidstaten vergunning is verleend, en anderzijds instellingen waaraan in één of meer niet-deelnemende lidstaten vergunning is verleend, betrokken zijn, draagt het Fonds bij aan de financiering van de groepsafwikkeling overeenkomstig de bepalingen van artikel 98 van Richtlijn [BRRD].

TITEL VI

Overige bepalingen

Artikel 74

Voorrechten en immuniteiten

Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, is van toepassing op de afwikkelingsraad en zijn personeelsleden.

Artikel 75

Talen

1.  Verordening nr. 1 van de Raad (14) is van toepassing op de afwikkelingsraad.

2.  De afwikkelingsraad beslist over de interne talenregeling voor de afwikkelingsraad.

3.  De afwikkelingsraad kan besluiten welke van de officiële talen hij gebruikt voor het sturen van documenten naar instellingen en organen van de Unie.

4.  De afwikkelingsraad kan met elke nationale afwikkelingsautoriteit overeenkomen in welke taal of talen documenten naar de nationale afwikkelingsautoriteiten worden gestuurd of door hen worden opgesteld.

5.  De voor het functioneren van de afwikkelingsraad vereiste vertaaldiensten worden geleverd door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.

Artikel 76

Personeelsleden van de afwikkelingsraad

1.  Het Statuut, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden en de regels die de instellingen van de Unie zijn overeengekomen met het oog op de toepassing van dat Statuut en die Regeling welke van toepassing op de andere personeelsleden, zijn van toepassing op de personeelsleden van de afwikkelingsraad, met inbegrip van de uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur.

2.  De afwikkelingsraad stelt, in overleg met de Commissie, de passende uitvoeringsregels vast ten behoeve van de uitvoering van het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden overeenkomstig artikel 110 van het Statuut.

Artikel 76 bis

Organisatie van het personeel van de afwikkelingsraad

1.  De afwikkelingsraad richt interne afwikkelingsteams op bestaande uit personeelsleden van de nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaten en eigen personeelsleden.

2.  Wanneer de afwikkelingsraad interne afwikkelingsteams opricht als geregeld in lid 1, kiest hij coördinatoren voor die teams uit de eigen personeelsleden. Ingevolge artikel 47, lid 3, kunnen de coördinatoren worden uitgenodigd om als waarnemers de bestuursvergadering van de afwikkelingsraad bij te wonen waaraan ook de door de respectieve lidstaten aangewezen leden overeenkomstig artikel 49, leden 2 en 3 deelnemen.

3.  De afwikkelingsraad kan interne commissies oprichten die hem van raad en advies moeten dienen bij de kwijting van zijn taken uit hoofde van deze verordening.

Artikel 77

Uitwisseling van personeelsleden

1.  De afwikkelingsraad kan een beroep doen op gedetacheerde nationale deskundigen of andere personeelsleden die niet bij de afwikkelingsraad in dienst zijn.

2.  De afwikkelingsraad stelt in zijn plenaire vergadering passende besluiten vast tot vaststelling van regels inzake de uitwisseling en detachering van personeelsleden van en tussen de nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaten naar de afwikkelingsraad.

Artikel 78

Aansprakelijkheid van de afwikkelingsraad

1.  De contractuele aansprakelijkheid van de afwikkelingsraad wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op het betrokken contract.

2.  Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen krachtens arbitrageclausules die in een door de afwikkelingsraad gesloten contract zijn opgenomen.

3.  In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt de afwikkelingsraad overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten inzake overheidsaansprakelijkheid gemeen hebben, alle door hem of door zijn personeelsleden bij de uitvoering van hun taken veroorzaakte schade, met name hun afwikkelingstaken, met inbegrip van handelingen en verzuim in ondersteuning van buitenlandse afwikkelingsprocedures.

4.  De afwikkelingsraad vergoedt een nationale afwikkelingsautoriteit van een deelnemende lidstaat voor de schadevergoeding tot betaling waarvan zij door een nationaal gerecht is veroordeeld of die zij, in overleg met de afwikkelingsraad, op grond van een minnelijke schikking moet betalen, en die het gevolg is van een handeling of verzuim van die nationale afwikkelingsautoriteit in de loop van een afwikkeling op grond van deze verordening, tenzij die handeling of dat verzuim een schending vormde van het Unierecht, deze verordening, een besluit van de Commissie of een besluit van de afwikkelingsraad, hetzij opzettelijk, hetzij door een kennelijke en ernstige beoordelingsfout.

5.  Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd in alle geschillen in verband met de leden 3 en 4. De vorderingen inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven.

6.  De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden jegens de afwikkelingsraad wordt beheerst door de bepalingen van het Statuut dat of de Regeling welke op hen van toepassing is.

Artikel 79

Beroepsgeheim en uitwisseling van informatie

1.  Voor de leden van de afwikkelingsraad, de personeelsleden van de afwikkelingsraad en de personeelsleden uitgewisseld met of gedetacheerd door de deelnemende lidstaten die afwikkelingstaken uitvoeren, geldt de geheimhoudingsplicht van artikel 339 VWEU en de desbetreffende bepalingen in het Unierecht, zelfs na afloop van hun functie.

2.  De afwikkelingsraad zorgt ervoor dat personen die permanent of occasioneel, direct of indirect, diensten verstrekken voor de uitvoering van zijn taken, waaronder ook zijn ambtenaren en andere personen die door de afwikkelingsraad zijn gemachtigd of door de nationale afwikkelingsautoriteiten zijn aangewezen om inspecties ter plaatse te verrichten, aan een gelijkwaardige geheimhoudingsplicht worden onderworpen.

2 bis.  De in de leden 1 en 2 bedoelde geheimhoudingsplicht geldt ook voor waarnemers die de bijeenkomsten van de afwikkelingsraad op ad-hocbasis bijwonen.

2 ter.  De in de leden 1 en 2 bedoelde geheimhoudingsplicht geldt onverminderd Verordening (EG) nr. 1049/2001.

3.  Met het oog op de toepassing van de hem bij deze verordening opgedragen taken is de afwikkelingsraad, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die in het toepasselijke Unierecht zijn omschreven, gemachtigd om met nationale of Europese autoriteiten en organen informatie uit te wisselen in de gevallen waarin de nationale bevoegde autoriteiten krachtens het toepasselijke Unierecht informatie aan die entiteiten openbaar mogen maken of waarin de lidstaten krachtens het toepasselijke Unierecht in die openbaarmaking mogen voorzien.

Artikel 80

Toegang tot informatie en de verwerking van persoonsgegevens

4.  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de afwikkelingsraad(15). Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de nationale afwikkelingsautoriteiten(16).

4 bis.  Aan de besluiten van de afwikkelingsraad onderworpen personen zijn gerechtigd toegang tot het dossier van de afwikkelingsraad te krijgen, onder voorbehoud van het rechtmatige belang van andere personen bij de bescherming van hun bedrijfsgeheimen. Het recht op toegang tot het dossier geldt niet voor vertrouwelijke informatie.

Artikel 81

Veiligheidsvoorschriften betreffende de bescherming van gerubriceerde gegevens en niet-gerubriceerde gevoelige gegevens

De afwikkelingsraad past de beveiligingsbeginselen toe die zijn vastgelegd in de veiligheidsvoorschriften van de Commissie voor de bescherming van gerubriceerde EU-gegevens (EUCI) en gevoelige, niet-gerubriceerde informatie, zoals omschreven in de bijlage bij Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom. De toepassing van de beveiligingsbeginselen omvat de toepassing van de bepalingen voor de uitwisseling, verwerking en opslag van dergelijke informatie.

DEEL IV

UITVOERINGSBEVOEGDHEDEN EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 82

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2.  De bevoegdheidsdelegatie wordt met ingang van de in artikel 88 vermelde datum voor onbepaalde tijd toegekend.

2 bis.  De consistentie tussen deze verordening en Richtlijn [BRRD] moet gewaarborgd blijven. Alle gedelegeerde handelingen die krachtens deze verordening worden vastgesteld, dienen consistent te zijn met Richtlijn [BRRD] en de krachtens die richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen.

3.  De in artikel 19, lid 4 bis, artikel 62, lid 5, artikel 65, lid 5, artikel 66, lid 3, artikel 67, lid 3, en artikel 70, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan op elk ogenblik door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.

5.  Een overeenkomstig artikel 62, lid 5, artikel 65, lid 5, artikel 66, lid 3, artikel 67, lid 3, en artikel 70, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt uitsluitend in werking als geen bezwaar is geuit door het Europees Parlement of de Raad binnen een periode van drie maanden na de mededeling van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad of wanneer het Europees Parlement en de Raad de Commissie, vóór het verstrijken van die periode, ervan in kennis hebben gesteld dat zij geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.

Artikel 83

Evaluatie

1.  Tegen 31 december 2016, en daarna elke vijf jaar, brengt de Commissie een verslag uit over de toepassing van deze verordening, met bijzondere aandacht voor het monitoren van de mogelijke gevolgen voor het vlot functioneren van de interne markt. In dat verslag wordt het volgende geëvalueerd:

(a)  het functioneren van het GAM en het effect van zijn afwikkelingsactiviteiten op de belangen van de Unie als geheel en op de samenhang en de integriteit van de interne markt voor financiële diensten, met inbegrip van de mogelijke gevolgen ervan voor de structuren van de nationale bankstelsels binnen de Unie, voor hun concurrentievermogen ten opzichte van andere bankstelsels buiten het GAM en buiten de Unie, en wat betreft de doeltreffendheid van de regelingen voor samenwerking en informatie-uitwisseling tussen het GAM en het GTM, en tussen het GAM en de nationale afwikkelingsautoriteiten en de nationale bevoegde autoriteiten van niet-deelnemende lidstaten;

In het verslag moet met name worden bezien:

(i)  of het nodig is dat de bij deze verordening aan de afwikkelingsraad en de Commissie toebedeelde functies exclusief door een onafhankelijke instelling van de Unie worden uitgeoefend;

(ii)  of samenwerking tussen het GAM en het GTM, de EBA, de ESMA, de EIOPA en de andere autoriteiten die deel uitmaken van het ESFT wenselijk is;

(iii)  of de in artikel 70 van deze verordening bedoelde beleggingsportefeuille uit degelijke en gediversifieerde activa bestaat;

(iv)  of de band tussen overheidsschulden en bankenrisico's is verbroken;

(v)  of de stemprocedures goed zijn geregeld;

(vi)  of er een referentiewaarde moet worden ingevoerd, gerelateerd aan de totale verplichtingen van alle in de deelnemende lidstaten toegelaten kredietinstellingen, en te realiseren in aanvulling op het streefbedrag voor de financiering dat wordt vastgesteld als percentage van het bedrag van de gedekte deposito’s bij die kredietinstellingen,

(vii)  of het voor het Fonds vastgestelde streefbedrag voor de financiering en de hoogte van de bijdragen aan het Fonds stroken met de streefbedragen en de hoogte van de bijdragen die door niet-dellenemende lidstaten worden opgelegd.

Ook wordt in het verslag nagegaan of met het oog op het GAM een verdragswijziging nodig is, met name voor de eventuele oprichting van een onafhankelijke Unie-instelling die de functies zou moeten uitoefenen die bij deze verordening aan de afwikkelingsraad en de Commissie worden toebedeeld;

(b)  de doelmatigheid van de regelingen inzake onafhankelijkheid en verantwoordingsplicht;

(c)  de interactie tussen de afwikkelingsraad en de EBA;

(d)  de interactie tussen de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten van niet-deelnemende lidstaten en de gevolgen van het GAM voor die lidstaten en de interactie tussen de afwikkelingsraad en nationale afwikkelingsautoriteiten van derde landen als bedoeld in artikel 2, lid 80 van richtlijn [BRRD];

2.  Dit verslag wordt aan het Europees Parlement en de Raad toegestuurd. Indien nodig werkt de Commissie begeleidende voorstellen uit.

2 bis.  Eventuele herziening van Richtlijn [BRRD]gaat zo nodig gepaard met dienovereenkomstige herziening van deze verordening .

Artikel 84

Wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010

Verordening (EU) nr. 1093/2010 wordt als volgt gewijzigd:

1.  in artikel 4 wordt punt 2 vervangen door:"

"(2) "bevoegde autoriteiten":

   (i) bevoegde autoriteiten als omschreven in [...] punt 40 van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad, in Richtlijn 2007/64/EG, en als bedoeld in Richtlijn 2009/110/EG;
   (ii) wat de Richtlijnen 2002/65/EG en 2005/60/EG betreft, de autoriteiten die de naleving van de voorschriften van deze richtlijnen door de kredietinstellingen en financiële instellingen moeten garanderen,
   (iii) wat depositogarantiestelsels betreft, organen die depositogarantiestelsels beheren ingevolge Richtlijn [DGS] of, ingeval de activiteit van het depositogarantiestelsel door een particuliere onderneming wordt beheerd, de overheidsinstantie die ingevolge die richtlijn toezicht houdt op die stelsels; en
   (iv) wat artikel 62, lid 5, artikel 65, lid 5, artikel 66, lid 3, artikel 67, lid 4, en artikel 70, lid 4, betreft, de afwikkelingsautoriteiten als omschreven in artikel 3 van Richtlijn [BRRD] en de gemeenschappelijke afwikkelingsraad die bij Verordening (EU) nr. ../... van het Europees Parlement en de Raad is opgericht.

"

2.  in artikel 25 wordt het volgende lid ingevoegd:"

“(1bis) De Autoriteit kan collegiale toetsingen van de uitwisseling van informatie en van de gezamenlijke activiteiten van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad en nationale afwikkelingsautoriteiten van lidstaten die niet aan het GAM deelnemen, in de afwikkeling van grensoverschrijdende groepen organiseren en voeren, teneinde de resultaten doeltreffender en samenhangender te maken. De Autoriteit ontwikkelt te dien einde methoden om objectieve beoordeling en vergelijking mogelijk te maken.”.

"

3.  in artikel 40, lid 6, wordt de volgende derde alinea toegevoegd:"

„Om binnen het toepassingsgebied van artikel 62, lid 5, artikel 65, lid 5, artikel 66, lid 3, artikel 67, lid 4, en artikel 70, lid 4, op te treden, is de uitvoerend directeur van de Europese afwikkelingsraad een waarnemer bij de raad van toezichthouders.”.

"

Artikel 85

Vervanging van nationale afwikkelingsfinancieringsregelingen

Vanaf de in artikel 88, tweede alinea, bedoelde datum van toepassing vervangt het Fonds de afwikkelingsfinancieringsregeling van de deelnemende lidstaten krachtens titel VII van Richtlijn [BRRD.].

Artikel 86

Vestigingsovereenkomst en voorwaarden voor de exploitatie

1.  De nodige bepalingen betreffende de huisvesting van de afwikkelingsraad in de gastlidstaat en de door die lidstaat ter beschikking te stellen installaties, alsook de specifieke regels die in de gastlidstaat gelden voor de uitvoerend directeur, de leden van de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering, de personeelsleden van de afwikkelingsraad en hun gezinsleden, worden vastgesteld in een vestigingsovereenkomst tussen de afwikkelingsraad en de gastlidstaat, die wordt gesloten nadat de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering daarmee heeft ingestemd, doch uiterlijk binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.

2.  De gastlidstaat zorgt ervoor dat de afwikkelingsraad in optimale omstandigheden kan werken, onder andere door het aanbieden van meertalig onderwijs met een Europese dimensie en degelijke vervoersverbindingen.

Artikel 87

Aanvang van de activiteiten van de afwikkelingsraad

1.  De afwikkelingsraad wordt volledig operationeel op 1 januari 2015.

2.  De Commissie is ermee belast de afwikkelingsraad op te richten en voorlopig te laten functioneren, totdat hij voldoende operationele capaciteit heeft om zelf zijn begroting uit te voeren. Met dat doel:

(a)  kan de Commissie, in afwachting dat de uitvoerend directeur zijn taken aanvat na overeenkomstig artikel 53 door de Raad te zijn benoemd, een ambtenaar van de Commissie aanwijzen die ad interim de functie van uitvoerend directeur zal vervullen en de aan de uitvoerend directeur opgedragen taken zal uitvoeren;

(b)  kan de uitvoerend directeur ad interim, in afwijking van artikel 46, lid 1, onder i), en totdat een in artikel 46, lid 2, , bedoeld besluit is vastgesteld, de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegd gezag uitoefenen;

(c)  kan de Commissie de afwikkelingsraad bijstand verlenen, met name door ambtenaren van de Commissie te detacheren om de activiteiten van de afwikkelingsraad te verrichten onder de verantwoordelijkheid van de uitvoerend directeur ad interim of de uitvoerend directeur;

(d)  ontvangt de Commissie de in artikel 62, lid 5, onder d), bedoelde jaarlijkse bijdragen namens de afwikkelingsraad.

3.  De uitvoerend directeur ad interim kan alle betalingen binnen de kredieten van de begroting van de afwikkelingsraad toestaan en kan contracten sluiten, waaronder contracten tot aanstelling van personeelsleden.

Artikel 88

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De artikelen 7 tot en met 23 en de artikelen 25 tot en met 37 zijn van toepassing vanaf 1 januari 2015.

Artikel 24 is van toepassing vanaf 1 januari 2016.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) De zaak werd dan terugverwezen naar de Commissie uit hoofde van artikel 57, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A7-0478/2013).
(2)* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.
(3) Advies van 6 november 2013 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).
(4) Advies van 17 oktober 2013 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).
(5) Standpunt van het Europees Parlement van ....
(6)Richtlijn 2014/.../EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 77/91/EEG, 82/891/EEG, 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG en 2011/35/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L ...)
(7) Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
(8)Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).
(9) Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels. PB L 135 van 31.5.1994, blz. 5-14.
(10) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012, PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.
(11) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG, PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338.
(12)Richtlijn 94/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 tot wijziging van Richtlijn 80/390/EEG tot coördinatie van de eisen gesteld aan de opstelling van, het toezicht op en de verspreiding van het prospectus dat gepubliceerd moet worden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs, met betrekking tot de verplichting tot het publiceren van een prospectus. PB L 135 van 31.5.1994, blz. 1.
(13) Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).
(14)PB 17 van 6.10.1958, blz. 385.
(15)Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.
(16)Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.


Aanbeveling voor een besluit overeenkomstig artikel 88, leden 2 en 3 van het Reglement, over de ontwerpverordening van de Commissie betreffende het land van oorsprong of plaats van herkomst voor vers, gekoeld of diepgevroren vlees van varkens, schapen, geiten en pluimvee
PDF 120kWORD 22k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2014 over de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1337/2013 van de Commissie van 13 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft het vermelden van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor vers, gekoeld of bevroren vlees van varkens, schapen, geiten en pluimvee (2014/2530(RSP))
P7_TA(2014)0096B7-0087/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1337/2013 van de Commissie van 13 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft het vermelden van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor vers, gekoeld of bevroren vlees van varkens, schapen, geiten en pluimvee(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie(2) (de "verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan de consumenten") en met name artikel 7, lid 1, en artikel 26, leden 2, 8 en 9,

–  gezien Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(3), en met name artikel 11,

–  gezien artikel 88, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in artikel 26, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1169/2011 wordt gesteld dat het vermelden van het land van oorsprong of de plaats van herkomst verplicht is voor vlees dat valt onder de codes van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) van bijlage XI van die Verordening (hetgeen vers, gekoeld of bevroren vlees van varkens, schapen, geiten en pluimvee omvat);

B.  overwegende dat voor de toepassing van artikel 26, lid 2, uitvoeringshandelingen moeten worden vastgesteld overeenkomstig lid 8 van dat artikel, vandaar de vaststelling van de uitvoeringsverordening van de Commissie in kwestie; overwegende dat overeenkomstig overweging 59 van Verordening (EU) nr. 1169/2011 in deze uitvoeringshandelingen de wijze moet worden vastgesteld waarop het land van oorsprong of de plaats van herkomst van in artikel 26, lid 2, onder b), bedoeld vlees wordt vermeld;

C.  overwegende dat in lid 9 van artikel 26 de Commissie wordt verzocht in de verslagen en de effectbeoordelingen over de toepassing van lid 2, onder b), van dit artikel onder meer rekening te houden met de opties voor de middelen om het land van oorsprong of de plaats van herkomst van deze levensmiddelen uit te drukken, met name met betrekking tot de volgende bepalende punten in het leven van het dier: geboorteplaats, plaats waar het dier is gehouden en plaats van slachting;

D.  overwegende dat het Parlement bij de stemming over de verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan de consumenten op 16 juni 2010 de vermelding van het land van oorsprong voor de geboorteplaats, de plaats waar het dier is gehouden en de plaats van slachting van vers, gekoeld of bevroren vlees heeft gesteund(4);

E.  overwegende dat volgens artikel 7, lid 1, van de verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan de consumenten voedselinformatie niet misleidend mag zijn, met name niet ten aanzien van het land van oorsprong of de plaats van herkomst;

F.  overwegende dat ten gevolge van de bovine spongiforme encefalopathie ("BSE")-crisis(5) de oorsprongsvermelding verplicht is voor rundvlees en rundvleesproducten in de Unie en overwegende dat een rundvleesetiketteringsregeling in de Unie bestaat sinds 1 januari 2002; overwegende dat deze etiketteringseisen reeds betrekking hebben op de geboorteplaats, de plaats waar het dier is gehouden en de plaats van slachting;

G.  overwegende dat door bovenvermelde vereisten, die toepasselijk zijn op rundvlees en rundvleesproducten, de verwachtingen van consumenten met betrekking tot de informatie over de herkomst van andere in de Unie veel geconsumeerde vleessoorten zijn gestegen;

H.  overwegende dat in overweging 31 van de verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie wordt benadrukt dat consumenten zeer veel belang hechten aan de oorsprong van vlees en dat zij verwachten correct te worden geïnformeerd over het land van oorsprong van vlees; overwegende dat dit ook wordt bevestigd door recente studies en consumentenonderzoeksverslagen(6);

I.  overwegende dat om de consument nauwkeurige informatie over de oorsprong van vlees te verstrekken de geboorteplaats, de plaats waar het dier is gehouden en de plaats van slachting moeten worden vermeld op het voedseletiket; overwegende dat hierdoor consumenten een meer alomvattend beeld kunnen krijgen van de dierenwelzijnnormen en de milieu-impact van een vleesproduct;

J.  overwegende dat uit de recente voedselschandalen, met inbegrip van de frauduleuze vervanging van rundvlees door paardenvlees, blijkt dat consumenten voorschriften inzake traceerbaarheid en consumenteninformatie nodig hebben en willen;

K.  overwegende dat de toepassing van een EU- of niet-EU-etiket op gehakt vlees en afsnijdsels bijna geen betekenis heeft en een ongewenst precedent kan creëren, vooral met betrekking tot een toekomstige etikettering van het land van oorsprong voor vlees dat als ingrediënt wordt gebruikt; overwegende dat uit de vereisten voor de vermelding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor rundvlees blijkt dat een preciezere aanduiding van de oorsprong van gehakt vlees en afsnijdsels zowel haalbaar als geschikt is om consumenteninformatie en traceerbaarheid te garanderen;

1.  is van mening dat de Uitvoeringsverordening van de Commissie de bij Verordening (EU) nr. 1169/2011 aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.  vraagt de Commissie de Uitvoeringsverordening in te trekken;

3.  vraagt de Commissie een herziene versie van de Uitvoeringsverordening op te stellen, dat een verplichte etiketteringsvereiste bevat voor de geboorteplaats, de plaats waar het dier is gehouden en de plaats van slachting voor onverwerkte vleesproducten van varkens, schapen, geiten en pluimvee, overeenkomstig de van kracht zijnde wetgeving voor de vermelding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor rundvlees;

4.  vraagt de Commissie elke afwijking voor gehakt vlees en afsnijdsels uit de Uitvoeringsverordening te verwijderen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 335 van 14.12.2013, blz. 19.
(2) PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18.
(3) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(4) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 187.
(5) Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PB L 204 van 11.8.2000, blz. 1)
(6) Bijvoorbeeld: Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de verplichte vermelding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst van vlees dat als ingrediënt wordt gebruikt (COM (2013)0755), en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie 17 december 2013 "on origin labelling for meat used as an ingredient: consumers’ attitudes, feasibility of possible scenarios and impacts" (SWD (2013)0437); en de enquête van het Europees Bureau van Consumentenverenigingen (BEUC) van 24 januari 2013 over oorsprongsetikettering (zie: http://www.beuc.org/Content/Default.asp?PageID=2139).


Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: de ter veiling aan te bieden hoeveelheden broeikaseffectgassen voor de periode 2013-2020
PDF 194kWORD 19k
Besluit van het Europees Parlement van 6 februari 2014 om geen bezwaar te maken tegen het ontwerp van Verordening (EU) nr. .../... van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1031/2010 ter vaststelling van de ter veiling aan te bieden hoeveelheden broeikaseffectgassen voor de periode 2013-2020 (D031326/02 – 2014/2523(RPS))
P7_TA(2014)0097B7-0090/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien ontwerpverordening (EU) nr. …/.. van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1031/2010 met name met het oog op de vaststelling van het volume te veilen broeikasgasemissierechten voor de periode 2013-2020,

–  gezien Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad(1),

–  gezien het advies van 8 januari 2014 van het in artikel 23 van bovengenoemde verordening bedoelde comité,

–  gezien de brief van de Commissie van 7 januari 2014, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de ontwerpverordening,

–  gezien de brief van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid van 30 januari 2014 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

–  gezien Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(2),

–  gezien artikel 88, lid 4, onder d), en artikel 87 bis, lid 6, van zijn Reglement,

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de ontwerpverordening van de Commissie;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Commissie en, ter informatie, aan de Raad.

(1) PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.
(2) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.


Situatie in Oekraïne
PDF 124kWORD 25k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2014 over de situatie in Oekraïne (2014/2547(RSP))
P7_TA(2014)0098RC-B7-0138/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over de resultaten van de top in Vilnius en de toekomst van het Oostelijk Partnerschap, in het bijzonder wat betreft Oekraïne(1),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over het Europees nabuurschapsbeleid: naar een sterker partnerschap - standpunt van het Europees Parlement over de voortgangsverslagen van 2012(2),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 over de druk die Rusland uitoefent op landen van het Oostelijk Partnerschap (tegen de achtergrond van de komende top van het Oostelijk Partnerschap in Vilnius)(3),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de top van het Oostelijk Partnerschap in Vilnius op 29 november 2013,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 januari 2014 over Oekraïne,

–  gezien het aftreden van premier Azarov en zijn regering op 28 januari 2014,

–  gezien de gezamenlijke verklaring die de premiers van de landen van de Visegradgroep op 29 januari 2014 over Oekraïne hebben afgelegd,

–  gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en Oekraïne, die op 1 maart 1998 in werking is getreden, en de op 30 maart 2012 geparafeerde nieuwe associatieovereenkomst,

–  gezien de top EU-Rusland op 28 januari 2014,

–  gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de betogingen die meer dan twee maanden geleden zijn begonnen als gevolg van het besluit van president Janoekovitsj om de associatieovereenkomst met de EU niet te ondertekenen, nog steeds voortduren in de hoofdstad en dat de onvrede zich naar andere steden verspreidt, waaronder regio's in het oosten van Oekraïne; overwegende dat de volksopstand in Oekraïne zich over de meeste regio’s heeft verspreid, en dat het bestuur van die regio´s al door de bevolking is overgenomen;

B.  overwegende dat de situatie de laatste weken verder en in groeiend tempo is verslechterd en dat de burgers, na het hardhandige optreden van de oproerpolitie Berkoet tegen demonstranten, mensenrechtenactivisten en journalisten, de straat zijn opgegaan om te demonstreren voor democratie en burgerlijke vrijheden;

C.  overwegende dat de Oekraïense autoriteiten ondanks internationale druk hun beleid van intimidatie, repressie, foltering en geweld tegen betogers voortzetten waarbij al meer dan 2 000 gewonden zijn gevallen, veel mensen werden ontvoerd en ten minste zes personen zijn omgekomen;

D.  overwegende dat de goedkeuring van een aantal antidemonstratiewetten door de regering op 16 januari 2014, waarmee de vrijheid van meningsuiting en van vergadering ernstig is beknot, tot internationale verontwaardiging heeft geleid en de aanleiding vormde tot gewelddadige botsingen in Kiev, waarbij mensen om het leven zijn gekomen;

E.  overwegende dat gewelddadig politieoptreden of het uitroepen van de noodtoestand als een misdrijf en een schending van de grondrechten zullen worden aangemerkt, met verstrekkende internationale gevolgen;

F.  overwegende dat tijdens het bezoek van de ad-hoc EP-delegatie aan Kiev op 28-30 januari 2014 werd gesproken met de autoriteiten en met de EuroMaidan, met oppositie- en kerkleiders, en een grondige en diepgaande analyse werd verkregen van de situatie in Oekraïne;

1.  is verheugd over de democratische geest en veerkracht van de Oekraïense bevolking na twee maanden van moedig protest dat door de autoriteiten met zoveel bruut geweld werd beantwoord en betuigt zijn volledige solidariteit en steun aan de inzet van de bevolking voor een vrij, democratisch en onafhankelijk Oekraïne, met een Europees perspectief;

2.  geeft uitdrukking aan zijn grote bezorgdheid over de ernstige politieke crisis in Oekraïne en de gewelddadige confrontaties in Kiev en andere Oekraïense steden; roept met klem op tot een politieke oplossing voor de crisis en dringt aan op een echt democratisch debat over de wijze waarop de confrontaties en de verdeeldheid in het land kunnen worden overwonnen;

3.  veroordeelt het escalerend geweld tegen vreedzame burgers, journalisten, studenten, maatschappelijke activisten, oppositieleden en geestelijken, en betuigt zijn oprechte medeleven aan de gezinnen van de slachtoffers van het geweld in Oekraïne; verzoekt de Oekraïense autoriteiten de burgerrechten en fundamentele vrijheden van de bevolking te eerbiedigen en onmiddellijk stappen te zetten om een einde te maken aan de toestand van straffeloosheid, door een onderzoek in te stellen naar het geweld tegen vreedzame demonstranten en de daders te bestraffen;

4.  roept de betogers op het Maidanplein op geen geweld te gebruiken en de legitimiteit van hun acties op een vreedzame manier te bewaren, en dringt er bij alle oppositieleiders op aan zich te blijven onthouden van niet uitgelokt geweld en het protest vreedzaam te houden;

5.  is bezorgd over het buitensporige geweld dat door de veiligheidstroepen en de "Titushki" wordt gebruikt, alsook over het gewelddadige optreden van ultranationalisten;

6.  verlangt in het bijzonder dat president Janoekovitsj een einde maakt aan de schandalige inzet van de Berkoet-oproerpolitie en andere veiligheidstroepen bij provocaties, ontvoeringen, intimidatie, foltering, mishandeling en vernedering van de EuroMaidan-aanhangers, alsook aan de willekeurige arrestaties en buitensporig lange voorarresten; is met name bezorgd over berichten over folteringen en wijst nadrukkelijk op de internationale verplichtingen van Oekraïne ter zake; vestigt de aandacht op het recente geval van Dmytro Bulatov, de leider van "AutoMaidan", die werd ontvoerd en gemarteld;

7.  dringt er bij president Janoekovitsj op aan een einde te maken aan deze praktijken en verlangt onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating en politieke rehabilitatie van alle onrechtmatig vastgehouden demonstranten en politieke gevangenen, waaronder Julia Timosjenko; dringt aan op de oprichting van een onafhankelijke onderzoekscommissie onder de auspiciën van een erkend internationaal orgaan, zoals de Raad van Europa, die onderzoek moet gaan doen naar alle mensenrechtenschendingen die sinds het begin van de betogingen hebben plaatsgevonden;

8.  herinnert eraan dat de EU bereid blijft de associatie- en vrijhandelsovereenkomst met Oekraïne te ondertekenen zodra de politieke crisis is beëindigd en is voldaan aan de desbetreffende vereisten zoals geformuleerd door de Raad Buitenlandse Zaken van 10 december 2012 die werden onderschreven door het Parlement, in diens resolutie van 13 december 2012;

9.  is verheugd over het besluit van het Oekraïense parlement (Verchovna Rada) om de antidemonstratiewetten in te trekken en over de ondertekening van dit besluit door president Janoekovitsj, aangezien dit een positieve stap is in de richting van een politieke oplossing van de crisis; betreurt evenwel dat de amnestiewet die slachtoffers tot gijzelaars maakt op 29 januari 2014 is aangenomen zonder de instemming van de oppositie; is van mening dat een onvoorwaardelijke vrijlating van de betogers het overleg sterk zou vergemakkelijken en de samenleving tot rust zou brengen;

10.  verzoekt de president en de regering terdege werk te maken van een inclusieve dialoog met de oppositie, het maatschappelijk middenveld en de betogers op het Maidanplein, teneinde de gespannen en gepolariseerde situatie niet verder te laten escaleren en te onderzoeken hoe de huidige politieke en maatschappelijke crisis in Oekraïne op vreedzame wijze kan worden overwonnen;

11.  herinnert president Janoekovitsj aan zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van de Oekraïense bevolking en de internationale gemeenschap om af te zien van het gebruik van repressieve methoden, om de huidige politieke crisis op te lossen en om het recht om vreedzaam te demonstreren te eerbiedigen;

12.  dringt aan op de voortdurende inspanningen van de EU om te bemiddelen en een proces mogelijk te maken dat leidt tot de-escalatie, een constructievere politieke dialoog in het land en een oplossing voor de crisis, waarbij de kloof die is veroorzaakt door het totale gebrek aan vertrouwen moet worden overbrugd; onderstreept dat een dergelijke dialoog transparant moet zijn en dat EuroMaidan en het maatschappelijk middenveld hierbij ten volle moeten worden betrokken;

13.  is van oordeel dat, in antwoord op de talrijke verzoeken van gewone Oekraïense burgers, activisten en politici, een actieve aanwezigheid van leden van het Europees Parlement in Kiev kan helpen voorkomen dat de crisis verder escaleert en pleit in dit verband voor de oprichting van een permanente vertegenwoordiging van het Europees Parlement in Oekraïne, teneinde spanningen te doen afnemen en de dialoog tussen partijen te bevorderen; geeft de Conferentie van voorzitters opdracht zo spoedig mogelijk over te gaan tot oprichting van deze vertegenwoordiging;

14.  dringt bij de EU-instellingen en de lidstaten aan op onmiddellijke actie, zoals het opvoeren van de diplomatieke druk en voorbereiding van persoonsgerichte maatregelen (reisbeperkingen en bevriezing van tegoeden en bezittingen) tegen al die Oekraïense functionarissen en wetgevers en hun sponsoren uit het bedrijfsleven (oligarchen) die verantwoordelijk zijn voor het gewelddadige optreden tegen en het doden van betogers, en verzoekt hen de inspanningen te intensiveren om witwaspraktijken en belastingontduiking door Oekraïense bedrijven en zakenlieden via Europese banken tegen te gaan;

15.  vraagt de EU, de VS, het IMF, de Wereldbank, de EBWO en de EIB door te gaan met de voorbereiding van een langetermijnpakket van concrete financiële steun dat Oekraïne moet helpen zijn verslechterende financiële en sociale situatie aan te pakken en dat economische steun moet bieden voor de noodzakelijke ingrijpende en omvattende hervormingen van de Oekraïense economie door de regering;

16.  is ingenomen met en ondersteunt de voortdurende inspanningen van de Europese Unie en de Verenigde Staten om een substantieel steunpakket voor Oekraïne samen te stellen dat aan een geloofwaardige interim-regering moet worden aangeboden teneinde de huidige krappe situatie in het betalingsverkeer te verlichten;

17.  beschouwt een terugkeer naar de grondwet van 2004, die in 2010 op onwettige wijze door het constitutionele hof, met voorbijgaan aan het Oekraïense parlement, buiten werking werd gesteld, als een van de belangrijke maatregelen waarmee de crisis in Oekraïne tot een oplossing kan worden gebracht, naast de installatie van een interim-regering en uitschrijving van vervroegde verkiezingen;

18.  vraagt de EU-instellingen en de lidstaten zich ruimhartig open te stellen voor de Oekraïense samenleving, in het bijzonder door spoedig een overeenkomst over een kosteloze visumregeling en uiteindelijk een visumvrij stelsel te sluiten; is van mening dat het visumtarief met onmiddellijke ingang drastisch moet worden verlaagd voor jonge Oekraïners, in combinatie met nauwere samenwerking op onderzoeksgebied, een uitbreiding van uitwisselingsprogramma's voor jongeren en een grotere beschikbaarheid van studiebeurzen;

19.  is van mening dat meer inspanningen nodig zijn om Oekraïne te integreren in de interne energiemarkt van de EU door middel van de Energiegemeenschap; benadrukt dat het aan de Oekraïense bevolking is – en aan haar alleen – om zonder buitenlandse inmenging te beslissen over de geopolitieke oriëntatie van het land en over de vraag tot welke internationale overeenkomsten en gemeenschappen Oekraïne moet toetreden;

20.  dringt er bij Rusland op aan een constructieve houding aan te nemen, represaillemaatregelen terug te draaien en geen ongeoorloofde druk uit te oefenen die het recht van de buurlanden om vrij hun toekomst te bepalen ondermijnt; vraagt de EU en haar lidstaten tegenover Rusland met één stem te spreken ter ondersteuning van de Europese aspiraties van de landen van het Oostelijk Partnerschap die de wens hebben hun betrekkingen met de EU te intensiveren; benadrukt dat het uitoefenen van politieke, economische en andere druk in strijd is met de Slotakte van Helsinki en het Memorandum van Boedapest van 1994 betreffende de veiligheid van Oekraïne; wijst erop dat zowel de EU als Rusland verantwoordelijkheid dragen voor het actief bijdragen aan vrede en welvaart in hun gemeenschappelijke buurlanden, waar zij beide baat bij hebben; herhaalt zijn opvatting dat samenwerking gericht op het bereiken van dit doel, de enige weg vooruit is;

21.  steunt de nauwere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij nationale hervormingsprocessen; moedigt nauwere interparlementaire samenwerking met de Parlementaire Vergadering Euronest aan; verwelkomt de betrokkenheid van de Conferentie van lokale en regionale overheden van het Oostelijk Partnerschap;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de lidstaten, de president van Oekraïne, de Oekraïense regering, de Verchovna Rada, de Parlementaire Vergadering EuroNest, en de parlementaire vergaderingen van de Raad van Europa en van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0595.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0446.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0383.


Situatie in Syrië
PDF 138kWORD 28k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2014 over de situatie in Syrië (2014/2531(RSP))
P7_TA(2014)0099RC-B7-0141/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Syrië,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over Syrië, in het bijzonder die van 20 januari 2014; gezien de conclusies van de Europese Raad over Syrië,

–  gezien de verklaringen van Catherine Ashton, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, over Syrië, en in het bijzonder haar uitlatingen op de Syriëconferentie (Genève II) op 22 januari 2014, en gezien haar verklaring van 18 januari 2014 over het besluit van de Algemene Vergadering van de Syrische coalitie van de oppositie om de Syriëconferentie bij te wonen,

–  gezien resolutie nr. 2118 van de VN-Veiligheidsraad van 27 september 2013 over de vernietiging van de chemische wapens in Syrië; gezien het op 12 december 2013 gepubliceerde eindverslag van de VN-missie die de beschuldigingen over het gebruik van chemische wapens in de Arabische Republiek Syrië heeft onderzocht,

–  gezien de verklaringen over Syrië van de commissaris voor Internationale samenwerking, humanitaire hulp en crisisbestrijding, Kristalina Georgieva,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 24 september 2013 over de gestage ernstige verslechtering van de mensenrechtensituatie en de humanitaire situatie in de Arabische Republiek Syrië,

–  gezien het 6e rapport van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie van de VN voor de Arabische Republiek Syrië van 11 september 2013,

–  gezien het slotcommuniqué van de actiegroep voor Syrië (het "communiqué van Genève") van 30 juni 2012; gezien de Genève II-conferentie die op 22 januari 2014 van start is gegaan en de uitlatingen van de secretaris-generaal van de VN bij de opening en afsluiting ervan,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien de internationale verplichtingen van Syrië, waaronder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het bijbehorende Facultatief Protocol inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten, alsmede het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide,

–  gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen hierbij,

–  gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het geweld in Syrië verder escaleert en de dodentol almaar blijft toenemen; overwegende dat volgens de Verenigde Naties sinds het begin van het gewelddadige optreden tegen vreedzame betogers in Syrië meer dan 130 000 mensen, in grote meerderheid burgers, om het leven gekomen zijn; overwegende dat volgens het VN-Bureau voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden (OCHA) naar schatting 9 miljoen personen humanitaire hulp nodig hebben in Syrië, waaronder meer dan 6,5 miljoen mensen die binnen Syrië zelf ontheemd zijn, en dat meer dan 2,3 miljoen mensen het land zijn ontvlucht, voornamelijk naar Turkije, Jordanië, Libanon, Egypte en Irak;

B.  overwegende dat de dramatische mensenrechten-, humanitaire en veiligheidssituatie blijft verslechteren; overwegende dat de mensenrechten op grote schaal worden geschonden door het Assad-regime en onbuigzame groeperingen die het regime steunen, waarbij onder meer sprake is van moordpartijen en andere gevallen van onrechtmatige doodslag, willekeurige arrestatie en onrechtmatige detentie, gijzelacties, gedwongen verdwijningen, executie van gevangenen, stelselmatige foltering en mishandeling, seksueel geweld en schending van de rechten van kinderen; overwegende dat het Syrische regime hele wijken heeft verwoest om burgers collectief te straffen; overwegende dat de grootschalige vernietiging van stedelijke gebieden tot wanhoop en het vertrek van grote aantallen burgers heeft geleid;

C.  overwegende dat er bewijzen zijn van standrechtelijke executies en andere vormen van mensenrechtenschendingen door troepen die zich tegen het Assad-regime verzetten; overwegende dat er wel 2 000 verschillende groeperingen tegen het Assad-regime vechten, waaronder veel georganiseerde criminele groepen; overwegende dat de aanwezigheid en infiltratie van aan al-Qaeda gelinkte milities zoals ISIS en Jabhat al-Nusra, die ook veel strijders met een radicale islamistische agenda tellen uit het buitenland en de EU, toeneemt; overwegende dat radicalisering een groot gevaar is in de regio;

D.  overwegende dat de toename van de inmenging door buitenlandse spelers, hun militaire middelen en politieke steun, en het aanhouden van de verdeeldheid in de internationale gemeenschap, met inbegrip van de VN-Veiligheidsraad, het conflict omvormen tot een oorlog op afstand;

E.  overwegende dat een voormalige fotograaf van de Syrische militaire politie 55 000 digitale foto's heeft aangeleverd van ongeveer 11 000 slachtoffers aan de Syrische nationale beweging, wat wijst op wijdverbreide en systematische schendingen van het internationaal humanitair recht door het regime; overwegende dat een team van internationale juridische deskundigen op hoog niveau de foto's heeft onderzocht en tot de conclusie is gekomen dat "het onderzochte materiaal duidelijk bewijs levert van systematische foltering en het doden van gevangenen door de agenten van de Syrische regering, dat door een rechtbank zou kunnen worden aanvaard" en dat dergelijk bewijsmateriaal erop wijst dat er misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden hebben plaatsgevonden;

F.  overwegende dat de gewelddadige crisis in Syrië geleid heeft tot een humanitaire catastrofe die zijn weerga niet kent in de recente geschiedenis, en overwegende dat het einde nog niet in zicht is; overwegende dat meer dan de helft van de getroffenen kinderen zijn die te kampen hebben met verhongering, ondervoeding en ziekten; overwegende dat het ontbreken van toegang tot voedsel, water, elementaire gezondheidszorg, hygiëne, onderdak en onderwijs een kritische dimensie vormt van deze humanitaire catastrofe; overwegende dat de levering van humanitaire hulp wordt gehinderd door een gebrek aan veiligheid, het ontzeggen van toegang door de Syrische autoriteiten en aan infrastructuur gerelateerde obstakels;

G.  overwegende dat 560 000 Palestijnse vluchtelingen in Syrië een bijzonder kwetsbare groep vormen die getroffen wordt door het conflict; overwegende dat 250 000 Syriërs vastzitten in belegerde of moeilijk toegankelijke gebieden, waaronder 18 000 Palestijnse vluchtelingen in het vluchtelingenkamp Yarmouk buiten Damascus die op grote schaal lijden, en dat er naar verluidt 57 mensen van de honger zijn omgekomen; overwegende dat op grond van de resultaten van de onderhandelingen over het vluchtelingenkamp Yarmouk enige hulp is verleend aan de bewoners van dit kamp, hoewel er veel meer nodig is;

H.  overwegende dat het aanhoudende geweld een enorm destabiliserend effect heeft gehad op de buurlanden, met name vanwege de enorme vluchtelingenstromen; overwegende dat deze landen met ernstige binnenlandse problemen kampen, waarbij met name Libanon en Jordanië bijzonder kwetsbaar zijn; overwegende dat, indien Libanon afglijdt naar een gewelddadig conflict, dit niet alleen een humanitaire crisis belooft maar ook het risico inhoudt dat de gehele regio instort;

I.  overwegende dat de Syriëconferentie (Genève II) op 22 januari 2014 door de secretaris-generaal van de VN is geopend met als doel een politieke oplossing voor het conflict te vinden door middel van een alomvattend akkoord tussen de Syrische regering en de oppositie over de volledige uitvoering van het communiqué van Genève, waarin werd opgeroepen tot de vorming van een overgangsregering die uiteindelijk verkiezingen moet organiseren; overwegende dat de constructieve deelname van alle relevante actoren in het vredesproces van cruciaal belang is om tot een blijvende politieke oplossing te komen; overwegende dat de Algemene Vergadering van de Syrische coalitie van revolutionaire en oppositiekrachten op 18 januari 2014 besloten heeft de uitnodiging te aanvaarden om zich aan te sluiten bij dit proces, maar dat verschillende rebellengroeperingen niet vertegenwoordigd waren; overwegende dat Iran eerst was uitgenodigd maar vervolgens werd geschrapt van de lijst met genodigden voor de conferentie in Zwitserland; overwegende dat de onderhandelingen op 31 januari 2014 werden opgeschort en de volgende overlegronde gepland is voor 10 februari 2014; overwegende dat de gevechten aanhielden tijdens de conferentie van Genève II;

J.  overwegende dat op 15 januari 2014 in Koeweit de tweede internationale donorconferentie voor Syrië plaatsvond en dat daar 2,4 miljard USD werd toegezegd, maar dat dit bedrag nog niet volstaat om de grote humanitaire behoefte te dekken, die door verschillende VN-organen wordt geschat op 6,5 miljard USD; overwegende dat de EU-financiering voor humanitaire hulp voor Syrië en de buurlanden is opgelopen tot 1,1 miljard EUR;

K.  overwegende dat een groot aantal vreedzame burgeractivisten, mensenrechtenactivisten, intellectuelen, religieuzen, waaronder twee ontvoerde bisschoppen, Ioann Ibrahim and Bulos Jazigi, journalisten en gezondheidsmedewerkers worden geconfronteerd met intimidatie, arrestatie, marteling of verdwijning in de handen van het Syrische regime, en in toenemende mate ook in handen van verschillende rebellengroeperingen; overwegende dat de winnares van de Sacharov-prijs 2011, Razan Zeitouneh, in december 2013 in Damascus is ontvoerd, samen met haar man en andere mensenrechtenactivisten en dat er nog steeds niets bekend is over hun lot;

L.  overwegende dat de VN-missie die de beschuldigingen over het gebruik van chemische wapens in de Arabische Republiek Syrië heeft onderzocht, op 12 december 2013 haar conclusie heeft gepubliceerd dat er in 2013 chemische wapens werden gebruikt tegen soldaten en/of burgers, onder wie kinderen; overwegende dat de VN-Veiligheidsraad op 27 september 2013 unaniem resolutie 2118 (2013) heeft aangenomen, waarin onder meer steun werd gegeven aan de voortvarende, op 30 juni 2014 af te ronden vernietiging van het Syrische arsenaal aan chemische wapens; overwegende dat nog maar 5% van de totale voorraad chemische wapens het land heeft verlaten om te worden vernietigd; overwegende dat de overgrote meerderheid van de doden en gewonden echter het slachtoffer is van conventionele wapens; overwegende dat het Assad-regime de afgelopen maanden op grote schaal spijkerbommen heeft gebruikt, waarbij enorm veel slachtoffers zijn gevallen;

M.  overwegende dat het aantal Syriërs dat asiel aanvraagt in de EU het afgelopen jaar is blijven toenemen en dat de Syrische vluchtelingencrisis een eerste test vormt voor het nieuwe, herziene gemeenschappelijk Europees asielstelsel;

N.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 9 oktober 2013 de lidstaten heeft aangemoedigd om in dringende behoeften te voorzien door veilige toegang tot de EU te bieden om Syriërs tijdelijk toe te laten en door middel van hervestiging bovenop de bestaande nationale quota's, alsook door middel van toelating op humanitaire gronden;

1.  veroordeelt ten zeerste de wijdverbreide schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht door het Assad-regime, waaronder alle gewelddaden, gevallen van stelselmatige foltering en de executie van gevangenen; veroordeelt alle schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht door gewapende groeperingen die zich tegen het regime verzetten; veroordeelt ten zeerste alle schendingen en misbruiken tegen kinderen en vrouwen, met name seksueel misbruik en geweldpleging, onder meer in naam van de jihad (Jihad al-Nikah); veroordeelt ten zeerste het toenemende aantal terreuraanslagen door aan Al-Qaeda gelinkte extremistische organisaties en individuen, die zeer veel slachtoffers en grote vernielingen tot gevolg hebben; roept op tot beëindiging van alle vijandigheden in Syrië; benadrukt dat degenen die verantwoordelijk zijn voor de wijdverbreide, stelselmatige en grove mensenrechtenschendingen in Syrië ter verantwoording moeten worden geroepen en voor de rechter moeten worden gebracht en steunt de oproep van de EU aan alle buitenlandse strijders in Syrië, waaronder Hezbollah, om zich onmiddellijk terug te trekken, en om alle externe financiering en steun stop te zetten;

2.  betuigt zijn medeleven aan de families van de slachtoffers; prijst de moed van het Syrische volk en bevestigt nogmaals zijn solidariteit met hun strijd voor vrijheid, waardigheid en democratie;

3.  uit zijn bezorgdheid over de toename van de betrokkenheid van extremistische islamitische groeperingen en buitenlandse strijders bij het conflict in Syrië, het toegenomen religieus en etnisch gemotiveerde geweld in het land en de voortdurende versplintering en interne verdeeldheid van de oppositie; blijft de Nationale Coalitie van Syrische revolutionaire en oppositiekrachten aanmoedigen om een sterker verenigd, op integratie gericht en georganiseerd oppositiefront tot stand te brengen, zowel intern als extern;

4.  herhaalt zijn standpunt dat een politieke oplossing de eenheid, territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Syrië moet vrijwaren;

5.  geeft zijn volledige steun aan de Syriëconferentie (Genève II), die de eerste stap moet vormen in een proces dat tot een politieke en democratische oplossing van het conflict zal leiden, en benadrukt dat het van fundamenteel belang is om het Genève II-proces in leven te houden; is ingenomen met de inspanningen van speciaal gezant van de VN Lakhdar Brahimi die het mogelijk heeft gemaakt dat de strijdende partijen nu voor het eerst rechtstreeks met elkaar onderhandelen; is ervan overtuigd dat een duurzame oplossing van de huidige crisis in Syrië alleen kan worden bereikt via een inclusief politiek proces waarin Syrië de leiding heeft en de internationale gemeenschap steun verleent; onderstreept dat er behoefte is aan een echte politieke overgang in het land, om zo tegemoet te komen aan de wens van het volk naar vrijheid en democratie; herhaalt zijn oproep aan president Assad om af te treden;

6.  wijst in deze context op het cruciale belang van maatregelen om het vertrouwen op te bouwen; dringt er bijgevolg bij de onderhandelende delegaties op aan plaatselijke staakt-het-vuren te sluiten en uit te voeren, de belegering van bepaalde stedelijke gebieden, waaronder Homs, op te heffen, gevangenen vrij te laten of uit te wisselen en de humanitaire hulpverlening aan burgers in nood te vergemakkelijken, als springplank naar wezenlijke onderhandelingen op basis van het communiqué van Genève; merkt op dat er tijdens de eerste gesprekken geen serieuze doorbraak en geen belangrijke standpuntverschuiving bij beide partijen vielen vast te stellen; wijst eveneens op het belang van het betrekken van alle belangrijke internationale spelers bij het Genève II-proces; is van mening dat een toenadering op lange termijn tussen het westen en Iran zou kunnen zorgen voor een regionale context die bevorderlijk is voor het verzoeningsproces in Syrië;

7.  is ingenomen met de vooruitgang en de internationale samenwerking met betrekking tot de vernietiging van de chemische wapens van Syrië, en vraagt de volledige tenuitvoerlegging van het besluit van de Uitvoerende Raad van de Organisatie voor het verbod van chemische wapens van 27 september 2013; uit zijn bezorgdheid over berichten dat eind januari 2014 slechts 5% van de Syrische chemische wapens uit het land zou zijn verwijderd om te worden vernietigd, en dringt er bij de Syrische autoriteiten op aan om zich te houden aan het tijdspad dat is vastgesteld in resolutie nr. 2118 (2013) van de VN-Veiligheidsraad; dringt erop aan dat er bijzondere aandacht wordt verleend aan de milieuveiligheid van het vernietigingsproces en het beheer van het resterende afval; benadrukt echter dat conventionele wapens aan de oorzaak liggen van de overgrote meerderheid van de sterfgevallen en verwondingen in de gewelddadige crisis in Syrië;

8.  benadrukt dat het verlichten van het lijden van miljoenen Syriërs die nood hebben aan basisgoederen en -diensten, gelet op de ongekende omvang van de crisis, een prioriteit moet zijn van de EU en van de hele internationale gemeenschap; verzoekt om een dringende humanitaire resolutie van de VN-Veiligheidsraad over dit onderwerp; verzoekt met name Rusland en China als permanente leden van de VN-Veiligheidsraad om hun verantwoordelijkheid te nemen en mee te werken aan de goedkeuring van een humanitaire resolutie; dringt er nogmaals bij de EU en haar lidstaten op aan om hun humanitaire verantwoordelijkheden niet uit de weg te gaan en meer steun te verlenen aan Syrische vluchtelingen en om hun inspanningen op dit gebied op een meer doeltreffende manier te coördineren; veroordeelt de stelselmatige tegenwerking van pogingen om humanitaire hulp te verlenen en verzoekt alle bij het conflict betrokken partijen, en in het bijzonder het Assad-regime, de verlening van humanitaire hulp en bijstand via alle mogelijke kanalen te vergemakkelijken, ook over grenzen en conflictlijnen heen, en de veiligheid van alle medische en humanitaire hulpverleners te garanderen;

9.  herinnert eraan dat overeenkomstig het internationaal humanitair recht, gewonden en zieken in de mate van het mogelijke en met zo weinig mogelijk vertraging alle medische zorg en aandacht moeten krijgen die hun toestand vergt; benadrukt dat de doelbewuste uithongering van burgers en aanvallen op medische infrastructuur krachtens het internationaal recht verboden zijn en als oorlogsmisdaden zullen worden beschouwd;

10.  vraagt opnieuw om de inrichting van veiligheidszones aan de Turks-Syrische grens en mogelijk ook in Syrië, alsook om de instelling van humanitaire corridors door de internationale gemeenschap;

11.  dringt aan op de onmiddellijke, onvoorwaardelijke en veilige vrijlating van alle politieke gevangenen, medisch personeel, humanitaire hulpverleners, journalisten, religieuze figuren en mensenrechtenactivisten, waaronder de winnares van de Sacharov-prijs 2011, Razan Zeithouneh, en dringt aan op gecoördineerde EU-maatregelen om haar vrijlating te verzekeren; verzoekt alle partijen hun veiligheid te waarborgen; verzoekt de Syrische regering met klem internationale documentatie-instanties, waaronder de onderzoekscommissie van de VN over Syrië, onmiddellijk en onvoorwaardelijk toegang te verlenen tot al haar detentiecentra;

12.  veroordeelt de intimidatie en aanvallen tegen vreedzame activisten en journalisten; betreurt het bestaan van internetcensuur en de beperkte toegang tot blogs en sociale netwerken; herinnert eraan dat het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting, de bescherming van journalisten en vrije en onafhankelijke media fundamentele elementen zijn voor een democratisch politiek proces; benadrukt eveneens het belang van de versterking van het maatschappelijk middenveld in Syrië en van de actieve en betekenisvolle deelname van vrouwen, jongeren en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld aan het Genève II-proces en aan de wederopbouw van het land;

13.  benadrukt dat het belangrijk is dat alle spelers bescherming bieden aan zeer kwetsbare groepen in de Syrische samenleving, zoals etnische en religieuze minderheden, waaronder christenen, in de huidige crisis, en dat ze deelnemen aan het Genève II-proces, met als doel de instandhouding van de traditie van een interculturele, interetnische en interreligieuze samenleving in het land met het oog op een toekomstig nieuw Syrië;

14.  roept op tot nultolerantie met betrekking tot het vermoorden, ontvoeren en rekruteren van met name kinderen en vraagt alle partijen die bij het conflict betrokken zijn om resolutie nr. 1612 (2005) van de VN-Veiligheidsraad van 26 juli 2005 betreffende kinderen en gewapende conflicten volledig na te leven; onderstreept eveneens dat het belangrijk is gevallen van seksueel en gendergebaseerd geweld te voorkomen en passende steun te bieden aan slachtoffers; benadrukt in deze context het belang van programma's om vroegtijdig een antwoord te bieden op gendergebaseerd geweld; is eveneens ingenomen met het "No Lost Generation"-initiatief van de VN en haar humanitaire partners, dat tot doel heeft de wonden van de Syrische kinderen te helen en hun toekomst te vrijwaren, en moedigt de EU aan dit initiatief op een actieve manier te steunen;

15.  vraagt om bijzondere aandacht voor de situatie van Palestijnse vluchtelingen in Syrië, en met name voor de alarmerende humanitaire situatie in het vluchtelingenkamp van Yarmouk; vraagt alle partijen die bij het conflict betrokken zijn om de VN-organisatie voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het nabije Oosten en andere internationale hulporganisaties onmiddellijk en onvoorwaardelijk toegang te verlenen tot dit vluchtelingenkamp, met als doel het buitensporige lijden van de bevolking ervan te verlichten;

16.  blijft in dit verband de werkzaamheden van de door de VN-Mensenrechtenraad opgerichte onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor de Arabische Republiek Syrië steunen en herhaalt zijn oproep aan de VN-Veiligheidsraad om de situatie in Syrië door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof voor een formeel onderzoek; vraagt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid om actie te ondernemen in deze richting;

17.  looft de gastgemeenschappen en de buurlanden van Syrië, met name Jordanië, Libanon, Turkije, Irak en Egypte, voor de vernuftige manier waarop zij zorgen voor onderkomen en humanitaire hulp voor de gezinnen die het gewapende conflict in Syrië ontvluchten; spreekt opnieuw zijn diepe bezorgdheid uit over de humanitaire, sociale, economische, politieke en veiligheidsgerelateerde gevolgen van de crisis in Syrië voor de hele regio, en met name voor Libanon en Jordanië; herhaalt dat een coherent antwoord geboden is om de gastlanden te ondersteunen, en dat dit ook humanitaire, macro-economische en ontwikkelingshulp moet omvatten, en herhaalt zijn oproep aan de EU om een humanitaire conferentie over de Syrische vluchtelingencrisis te houden, waarbij prioriteit moet worden gegeven aan maatregelen om de gastlanden in de regio te steunen bij hun inspanningen om het voortdurend groeiende aantal vluchtelingen op te vangen en een opendeurbeleid te handhaven;

18.  benadrukt dat een gezamenlijke aanpak van de EU en haar lidstaten nodig is met betrekking tot de crisis in Syrië, zowel op het vlak van humanitaire hulpverlening als daarbuiten, en blijft de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid Catherine Ashton en Commissielid Kristalina Georgieva steunen bij hun inspanningen om te zorgen voor een betere coördinatie op dit vlak;

19.  is ingenomen met de 2,4 miljard USD die in Koeweit is toegezegd, en verzoekt de donoren hun beloftes en toezeggingen spoedig na te komen; is ingenomen met de toezeggingen van de EU en haar lidstaten, waardoor zij de grootste donoren van financiële steun en toekomstige toezeggingen zijn; wijst er echter op dat bijkomende aanzienlijke inspanningen nodig zijn om te voorzien in de humanitaire behoeften in Syrië, en vraagt bijgevolg extra financiële bijdragen van internationale spelers;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de speciale gezant van de VN-Arabische Liga in Syrië, het parlement en de regering van Irak, het parlement en de regering van Jordanië, het parlement en de regering van Libanon, het parlement en de regering van Turkije, het parlement en de regering van Egypte, het parlement en de regering van Rusland, het parlement en de regering van China en alle partijen die betrokken zijn bij het conflict in Syrië.


Situatie in Egypte
PDF 136kWORD 28k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2014 over de situatie in Egypte (2014/2532(RSP))
P7_TA(2014)0100RC-B7-0145/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Egypte, en met name die van 12 september 2013 over de situatie in Egypte(1),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over het Europees nabuurschapsbeleid: naar een sterker partnerschap – standpunt van het EP over de voortgangsverslagen van 2012(2),

–  gezien zijn resolutie van 23 mei 2013 over de terugvordering van activa door de landen van de Arabische Lente die in een overgangsfase verkeren(3),

–  gezien de verklaringen die de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, Catherine Ashton, respectievelijk heeft afgelegd op 24 januari 2014 over de recente gewelddadige aanvallen in Egypte, op 19 januari 2014 over het referendum over de grondwet in Egypte, op 11 januari 2014 over de situatie in Egypte vóór het referendum over de grondwet, op 24 december 2013 over de bomauto's in Mansoura, Egypte, en op 23 december 2013 over de veroordeling van politieke activisten in Egypte,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 8 februari 2013 over de Arabische Lente,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 22 juli en 21 augustus 2013 over Egypte,

–  gezien de associatieovereenkomst EU-Egypte van 2001, die in 2004 in werking is getreden en geschraagd is door het actieplan van 2007, en gezien het voortgangsverslag van de Commissie van 20 maart 2013 over de tenuitvoerlegging ervan,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, waarbij Egypte partij is,

–  gezien de grondwettelijke verklaring van Egypte van 8 juli 2013, waarin een stappenplan voor een grondwetsherziening en nieuwe verkiezingen worden voorgesteld,

–  gezien de grondwet van Egypte, die is opgesteld door de Constitutionele Commissie en op 14 en 15 januari 2014 bij referendum is goedgekeurd,

–  gezien het "programma voor een rechte weg naar de democratie" van de Egyptische interim-regering,

–  gezien de Egyptische wet nr. 107 van 24 november 2013 betreffende het recht op samenscholingen, optochten en vreedzame betogingen,

–  gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 1 december 2013 de interim-president Adly Mansour de nieuwe Egyptische grondwet heeft goedgekeurd waarover overeenstemming was bereikt door de Constitutionele Commissie, bestaande uit vijftig deskundigen waaronder een groot aantal politieke en religieuze vertegenwoordigers maar zonder vertegenwoordiger van de Moslimbroederschap;

B.  overwegende dat op 14 en 15 januari 2014 het referendum over de grondwet plaatshad, met een opkomst die 38,6 % bedroeg waarvan 98,1 % vóór de grondwet stemde; overwegende dat de aanloop naar het referendum werd verstoord door gewelddaden en dat actievoerders die opriepen om nee te stemmen, werden lastiggevallen en gearresteerd, hetgeen geleid heeft tot een eenzijdig maatschappelijk debat in de aanloop naar het referendum; overwegende dat de EU volgens een verklaring van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton niet in een positie verkeert om een grondige beoordeling te maken van de manier waarop het referendum is gehouden of om meldingen van onregelmatigheden te controleren, maar dat de eventuele onregelmatigheden het resultaat niet fundamenteel lijken te hebben beïnvloed;

C.  overwegende dat de nieuwe grondwet van Egypte vele positieve elementen bevat, met name op het gebied van fundamentele vrijheden en mensenrechten, de bescherming van minderheden, en de rechten van de vrouw, maar ook artikelen behelst waardoor de strijdkrachten niet aan civiele controle onderworpen zijn, hun begroting niet door het parlement wordt behandeld, en militaire rechters burgers kunnen berechten, terwijl een ander artikel de vrije beoefening van religieuze rituelen en de oprichting van gebedshuizen beperkt tot de volgelingen van de abrahamitische godsdiensten;

D.  overwegende dat politieke spanningen en de hevige polarisatie van de samenleving terroristische aanslagen en gewelddadige schermutselingen in Egypte blijven uitlokken; overwegende dat sinds juli 2013 meer dan duizend mensen zijn omgekomen en nog veel meer mensen gewond zijn geraakt bij confrontaties tussen betogers en de veiligheidsdiensten en tussen voor- en tegenstanders van voormalig president Morsi; overwegende dat de veiligheidsdiensten naar verluidt buitensporig geweld hebben gebruikt tegen de betogers en er duizenden hebben aangehouden en gevangengenomen, terwijl er straffeloosheid blijft heersen; overwegende dat de noodtoestand in het land op 12 november 2013 is opgeheven;

E.  overwegende dat in de grondwettelijke verklaring van 8 juli 2013 een politiek stappenplan voor Egypte is uitgestippeld; overwegende dat, in tegenstelling tot de routekaart, de Egyptische interim-president Adly Mansour er sindsdien toe heeft opgeroepen om eerst de presidentsverkiezingen te houden; overwegende dat de interim-regering zich in haar programma ertoe verbonden heeft om te werken aan de invoering van een democratisch bestel, dat de rechten en vrijheden van alle Egyptenaren waarborgt, en het stappenplan te volgen met de volledige deelname van alle politieke spelers en met een referendum over de nieuwe grondwet, gevolgd door vrije en eerlijke parlements- en presidentsverkiezingen die tijdig zullen worden gehouden overeenkomstig alle wettelijke voorschriften;

F.  overwegende dat schendingen van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten in Egypte nog steeds schering en inslag zijn; overwegende dat het geweld en de opruiing tegen en de intimidatie van politieke tegenstanders, journalisten en activisten uit het maatschappelijk middenveld in de aanloop naar het referendum verder zijn toegenomen; overwegende dat vele politieke en maatschappelijke activisten — onder wie Alaa Abdel Fattah, Mohamed Abdel van het Egyptisch centrum voor economische en sociale rechten, en de leiders van de beweging 6 April Ahmed Maher en Ahmed Douma — alsook leden van verscheidene politieke partijen de afgelopen weken gearresteerd en veroordeeld zijn; overwegende dat de Egyptische Nationale Mensenrechtenraad op 12 januari 2014 een verslag heeft gepubliceerd na een bezoek aan de voormelde vooraanstaande activisten in de Tora-gevangenis, waarin kritiek wordt geuit op hun detentieomstandigheden en wordt opgeroepen ze niet langer te mishandelen; overwegende dat het Comité voor de bescherming van journalisten heeft laten weten dat er sinds juli 2013 ten minste vijf journalisten zijn gedood en 45 zijn aangevallen, elf nieuwskanalen zijn aangevallen en ten minste 44 journalisten zonder aanklacht langdurig zijn opgesloten in afwachting van een proces; overwegende dat op 29 januari 2014 twintig journalisten van Al-Jazeera, van wie er acht worden vastgehouden en drie Europeanen zijn, zijn beschuldigd van lidmaatschap van een terroristische organisatie of het verspreiden van valse berichten;

G.  overwegende dat de Moslimbroederschap herhaaldelijk heeft geweigerd om deel te nemen aan het door de interim-regering aangekondigde politieke proces en heeft opgeroepen tot een boycot van het referendum, terwijl verschillende leiders van de broederschap blijven aanzetten tot geweld tegen de overheidsinstanties en de veiligheidsdiensten; overwegende dat de Egyptische interim-autoriteiten de Moslimbroederschap hebben verboden, de leiders ervan hebben opgesloten, haar activa in beslag hebben genomen, haar media het zwijgen hebben opgelegd, en lidmaatschap ervan strafbaar hebben gesteld, terwijl de Vrijheids- en rechtvaardigheidspartij van de Moslimbroederschap nog steeds bestaat; overwegend dat voormalig president Morsi sinds 3 juli 2013 wordt vastgehouden en er diverse strafzaken tegen hem lopen;

H.  overwegende dat de fundamentele vrijheden en de mensenrechten alsook sociale rechtvaardigheid en een hogere levensstandaard voor de burgers cruciale elementen zijn in de overgang naar een open, vrij, democratisch en welvarend Egypte; overwegende dat onafhankelijke vakbonden en maatschappelijke organisaties hierbij een cruciale rol spelen en dat vrije media in elke democratie een cruciaal onderdeel van de samenleving vormen; overwegende dat de Egyptische vrouwen zich in de huidige periode van politieke en maatschappelijke overgang in het land in een zeer kwetsbare situatie blijven bevinden;

I.  overwegende dat de spanningen tussen jihadisten en koptische christenen in Egypte zijn toegenomen sinds de afzetting van president Morsi van afgelopen zomer, en geleid hebben tot de verwoesting van tientallen kerken van koptische christenen; overwegende dat in 2013 in Egypte wereldwijd de meeste incidenten met christenen hebben plaatsgevonden, waarvan ten minste 167 gevallen door de media zijn beschreven; overwegende dat er bijna 500 pogingen zijn ondernomen om kerken in het land te sluiten of te verwoesten en er minstens 83 religieus gemotiveerde moorden op christenen zijn gepleegd;

J.  overwegende dat de veiligheidssituatie verder verslechterd is en dat er steeds meer terreurdaden en gewelddadige aanvallen tegen veiligheidstroepen plaatsvinden in de Sinaï; overwegende dat volgens officiële gegevens sinds 30 juni 2013 minstens 95 beveiligingsmedewerkers bij gewelddadige aanvallen zijn omgekomen;

K.  overwegende dat in dit gebied duizenden mensen — hoofdzakelijk vluchtelingen uit Eritrea en Somalië, waaronder veel vrouwen en kinderen — omkomen, verdwijnen, ontvoerd en tegen losgeld gegijzeld worden, of door mensenhandelaars gefolterd, seksueel uitgebuit of voor orgaanhandel gedood worden;

L.  overwegende dat wet nr. 107 van 24 november 2013 betreffende het recht op samenscholingen, optochten en vreedzame betogingen een storm van protest heeft veroorzaakt, zowel in als buiten Egypte; overwegende dat de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, Catherine Ashton, in haar verklaring van 23 december 2013 stelde dat de opvatting overheerst dat deze wet de vrijheid van meningsuiting en vergadering al te zeer beknot; overwegende dat de voorbije weken op grond van deze wet vreedzame protesten uiteengedreven en vele betogers aangehouden en gevangengenomen zijn;

M.  overwegende dat Egypte met grote economische problemen kampt; overwegende dat de werkloosheid en armoede sinds 2011 zijn toegenomen; overwegende dat voor economische welvaart in het land politieke stabiliteit, een gezond economisch beleid, maatregelen voor corruptiebestrijding en internationale steun nodig zijn; overwegende dat politieke, economische en sociale ontwikkelingen in Egypte verstrekkende gevolgen hebben voor de gehele regio en daarbuiten;

N.  overwegende dat het niveau en de intensiteit van de betrokkenheid van de EU bij Egypte conform het herziene Europese nabuurschapsbeleid, en met name als gevolg van de "meer voor meer"-strategie op stimulansen zijn gebaseerd en daarom afhangen van de vooruitgang die het land boekt bij het nakomen van zijn verplichtingen, onder andere met betrekking tot de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en gendergelijkheid;

1.  spreekt andermaal zijn grote solidariteit uit met de Egyptische bevolking en blijft steun verlenen aan haar legitieme democratische aspiraties en pogingen om een vreedzame democratische overgang naar politieke, economische en maatschappelijke hervormingen te verzekeren;

2.  veroordeelt ten strengste alle vormen van geweld, terrorisme, ophitsing, haattaal en censuur; verzoekt alle politieke spelers en veiligheidstroepen om met uiterste terughoudendheid op te treden en provocaties te vermijden, om verder geweld te voorkomen in de beste belangen van het land; betuigt zijn oprecht medeleven met de nabestaanden van de slachtoffers;

3.  dringt er bij de Egyptische interim-autoriteiten en veiligheidsdiensten op aan te zorgen voor de veiligheid van alle burgers, ongeacht hun politieke standpunt, hun lidmaatschap van een politieke partij of hun politieke overtuiging, de rechtsstaat in stand te houden en de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te eerbiedigen, de vrijheid van vereniging, van vreedzame vergadering en van meningsuiting alsmede de persvrijheid te beschermen, zich in te zetten voor een dialoog en voor geweldloosheid en de internationale verplichtingen van het land na te komen en uit te voeren;

4.  neemt akte van de nieuwe grondwet van Egypte, die bij het referendum van 14 en 15 januari 2014 is goedgekeurd en een belangrijke stap voorwaarts dient te zijn in de moeizame overgang van het land naar democratie; is ingenomen met de verwijzing in de nieuwe Egyptische grondwet naar een burgerregering, de vrijheid van geloof en de gelijkheid van alle burgers, inclusief een verbetering van de rechten van vrouwen, de bepaling betreffende de rechten van kinderen, het verbod op foltering in al haar vormen en verschijningen, het verbod op en de strafbaarstelling van alle vormen van slavernij en de toezegging om de door Egypte ondertekende internationale mensenrechtenverdragen na te leven; dringt erop aan om de bepalingen over de fundamentele vrijheden – met inbegrip van de vrijheid van vergadering, vereniging en meningsuiting – en de mensenrechten in de nieuwe grondwet volledig en daadwerkelijk ten uitvoer te leggen en alle bestaande en toekomstige wetgeving daaromtrent met de nieuwe grondwet te laten stroken;

5.  uit echter zijn bezorgdheid over bepaalde artikelen in de nieuwe grondwet, met name die in verband met de status van de strijdkrachten, waaronder de volgende: artikel 202, waarin is bepaald dat de minister van Defensie, die tevens bevelhebber is, wordt gekozen uit de officieren van de strijdkrachten; artikel 203 over de begroting van de strijdkrachten; artikel 204, dat de berechting van burgers door militaire rechters mogelijk maakt in geval van misdrijven waarbij een rechtstreekse aanval wordt uitgevoerd op militaire installaties, militaire zones, militaire uitrusting, militaire documenten en geheimen, overheidsmiddelen van de strijdkrachten, militaire fabrieken en militair personeel, en in geval van strafbare feiten in verband met de legerdienst; en artikel 234, waarin is bepaald dat de minister van Defensie wordt aangewezen mits goedkeuring van de Hoge Raad van de strijdkrachten, een bepaling die gedurende twee volledige presidentiële ambtstermijnen van kracht zal blijven, zonder dat is aangegeven hoe en door wie de minister uit zijn ambt kan worden ontzet;

6.  onderstreept het feit dat het referendum over de grondwet een kans was om nationale consensus, verzoening en institutionele en politieke stabiliteit voor het land tot stand te brengen; neemt kennis van het feit dat een overweldigende meerderheid achter de nieuwe grondwet staat, van de vrij lage opkomst alsook van de berichten over vermeende onregelmatigheden tijdens de stembusgang; betreurt ten zeerste de gewelddadige confrontaties vóór, tijdens en na het referendum, waarbij doden en gewonden zijn gevallen;

7.  veroordeelt alle daden van geweld en intimidatie en roept alle actoren en de veiligheidstroepen op tot terughoudendheid, met het oog op het voorkomen van nog meer doden of gewonden en in het belang van het land; dringt er bij de Egyptische interim-regering op aan ervoor te zorgen dat in al deze gevallen onmiddellijk een onafhankelijk, ernstig en onpartijdig onderzoek wordt ingesteld en dat degenen die ervoor verantwoordelijk zijn, ter verantwoording worden geroepen; herinnert de interim-regering aan haar verantwoordelijkheid de veiligheid van alle Egyptische burgers te waarborgen, ongeacht hun politieke standpunt of religieuze overtuiging, en degenen die verantwoordelijk zijn voor geweld, ophitsing tot geweld, of schendingen van de mensenrechten, onpartijdig ter verantwoording te roepen;

8.  benadrukt nogmaals dat verzoening en een door civiele autoriteiten geleid inclusief politiek proces, waaraan alle democratische politieke actoren deel hebben, cruciale elementen van de democratische overgang in Egypte zijn, en dat de organisatie van vrije en eerlijke parlements- en presidentsverkiezingen binnen het door de nieuwe grondwet bepaalde tijdskader – wat tot een passende vertegenwoordiging van de verschillende politieke visies en van vrouwen en minderheidsgroepen moet leiden – een andere cruciale stap in dit proces is; moedigt alle politieke en maatschappelijke actoren, onder wie de aanhangers van voormalig president Morsi, aan om gewelddaden, ophitsing tot geweld of provocaties te voorkomen en om bij te dragen aan de inspanningen tot verzoening; roept op tot de vrijlating van alle politieke gevangenen die in hechtenis zijn genomen wegens vreedzame uitoefening van hun recht op vrijheid van vergadering, vereniging en meningsuiting; beklemtoont het belang van een vrij en eerlijk proces voor alle gevangenen; stelt voor de wet op de gerechtelijke autoriteiten te herzien om een daadwerkelijke scheiding der machten te waarborgen;

9.  dringt aan op een onmiddellijke beëindiging van alle gewelddaden, pesterijen of intimidatie – gepleegd door overheidsinstanties, de veiligheidsdiensten of andere groepen – tegen politieke tegenstanders, vreedzame betogers, vakbondsvertegenwoordigers, journalisten, vrouwenrechtenactivisten en andere actoren van de civiele samenleving in Egypte; dringt in dergelijke gevallen aan op een ernstig en onpartijdig onderzoek en op strafrechtelijke vervolging van degenen die verantwoordelijk zijn; verzoekt de interim-regering nogmaals om te waarborgen dat binnenlandse en internationale maatschappelijke organisaties, onafhankelijke vakbonden en journalisten vrijelijk hun werk kunnen doen in het land, zonder inmenging van de regering;

10.  maakt zich zorgen door wet nr. 107 van 2013 tot regeling van het recht op samenscholingen, optochten en vreedzame protestacties en dringt er bij de Egyptische interim-autoriteiten op aan de wet te herzien of in te trekken, om ervoor te zorgen dat het recht op vrijheid van vereniging en vreedzame vergadering overeenkomstig het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten gegarandeerd is en dat de internationale normen en verplichtingen worden nageleefd;

11.  veroordeelt de recente terroristische aanslagen tegen de veiligheidsdiensten in Egypte; maakt zich ernstig zorgen over de verdere verslechtering van de veiligheidssituatie in de Sinaï, en dringt erop aan dat de Egyptische interim-regering en de veiligheidsdiensten zich extra inspanningen getroosten om de veiligheid in dit gebied te herstellen, met name door mensenhandelaars te bestrijden; wijst in dit verband erop dat in artikel 89 van de nieuwe grondwet is bepaald dat alle vormen van slavernij, verdrukking, uitbuiting onder dwang van mensen, sekshandel en andere vormen van mensenhandel in Egypte bij wet verboden en strafbaar gesteld zijn;

12.  veroordeelt scherp het geweld tegen de koptische gemeenschap en de verwoesting van een groot aantal kerken, gemeenschapshuizen en bedrijven overal in het land; spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de autoriteiten geen adequate veiligheidsmaatregelen hebben genomen om de koptische gemeenschap te beschermen, ondanks vele waarschuwingen;

13.  verzoekt de Raad om Ansar Bayt al-Maqdis, de groep die de verantwoordelijkheid voor verschillende recente aanvallen en bomaanslagen heeft opgeëist in de Sinaï, alsook in Caïro en elders, op zijn lijst van terroristische organisaties te plaatsen;

14.  verzoekt de Egyptische interim-autoriteiten wetgeving te ontwikkelen, goed te keuren en uit te voeren ter bestrijding van alle vormen van geweld op basis van gender, inclusief verkrachting binnen het huwelijk en seksueel geweld tegen vrouwen die deelnemen aan protesten en demonstraties; verzoekt de Egyptische interim-autoriteiten voorts te zorgen voor effectieve en toegankelijke aangiftekanalen en beschermingsmaatregelen waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van de slachtoffers en met de vereiste van vertrouwelijkheid; dringt erop aan dat een einde wordt gemaakt aan de straffeloosheid en dat wordt gezorgd voor adequate strafrechtelijke sancties voor de daders;

15.  is tevreden met het feit dat de Egyptische interim-regering zich er na de aanbeveling van de Egyptische Nationale Mensenrechtenraad bereid toe heeft verklaard om een regionaal kantoor te openen van de VN-Commissaris voor de rechten van de mens in Caïro en dringt er bij de Egyptische interim-regering op aan het nodige te doen om de opening van dit kantoor te bespoedigen;

16.  is verheugd over en ondersteunt de bemiddelingsinspanningen van de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter Catherine Ashton en speciaal vertegenwoordiger Bernardino León met als doel de verschillende partijen een weg te laten vinden uit de huidige politieke crisis; dringt er nogmaals bij de Raad, de VV/HV en de Commissie op aan in hun bilaterale betrekkingen met en bij hun financiële steun aan Egypte rekening te houden met zowel het conditionaliteitsbeginsel ("meer voor meer") als de grote economische uitdaging waar het land voor staat; pleit in dit verband opnieuw voor duidelijke en gezamenlijk overeengekomen criteria; herhaalt zijn belofte om het Egyptische volk te ondersteunen bij het proces in de richting van democratische en economische hervormingen;

17.  verzoekt vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton het verslag van de verkiezingswaarnemingsmissie van EU-experts die het Egyptische constitutionele referendum van 14 en 15 januari 2014 heeft gevolgd, openbaar te maken;

18.  vraagt de Egyptische regering een verzoek te doen voor de komst van een EU-verkiezingswaarnemingsmissie om toezicht te houden op de komende presidentsverkiezingen;

19.  benadrukt andermaal dat de EU het als een morele plicht ziet de teruggave van activa die door voormalige dictators en hun regimes gestolen zijn, in de hand te werken, en dat dit, vanwege de symboolwaarde, een politiek gevoelige kwestie is in de betrekkingen van de Unie met haar zuidelijke buurlanden;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, en de interim-regering van de Arabische Republiek Egypte.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0379.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0446.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0224.


Top EU-Rusland
PDF 135kWORD 27k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2014 over de top EU-Rusland (2014/2533(RSP))
P7_TA(2014)0101RC-B7-0150/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Rusland,

–  gezien de bestaande partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarmee een partnerschap tot stand is gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, en gezien de lopende onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland,

–  gezien het "partnerschap voor modernisering" waartoe in 2010 het startsein werd gegeven in Rostov aan de Don, en de toezegging van de Russische leiders dat zij zich sterk willen maken voor de rechtsstaat als fundament voor de modernisering van Rusland,

–  gezien de doelstelling die de EU en Rusland delen, als omschreven in de gemeenschappelijke verklaring afgelegd na de 11de topontmoeting EU-Rusland in Sint Petersburg op 31 mei 2003, namelijk de invoering van een gemeenschappelijke economische ruimte, een gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, een gemeenschappelijke ruimte van samenwerking op het gebied van externe veiligheid en een gemeenschappelijke ruimte van onderzoek en onderwijs, met inbegrip van culturele aspecten (de "vier gemeenschappelijke ruimtes"),

–  gezien het mensenrechtenoverleg tussen de EU en Rusland van 28 november 2013,

–  gezien de top van het Oostelijk Partnerschap van 28 en 29 november 2013;

–  gezien de top EU-Rusland van 28 januari 2014,

–  gezien de verklaring van de voorzitter van de Europese Commissie, José Manuel Durão Barroso, en de opmerkingen van de voorzitter van de Europese Raad, Herman Van Rompuy, na de top EU-Rusland van 28 januari 2014,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de EU en Rusland van 28 januari 2014 over de bestrijding van het terrorisme,

–  gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU ernaar blijft streven haar betrekkingen met Rusland verder uit te diepen, wat blijkt uit haar toezegging om zich in te zetten voor de onderhandeling over een nieuwe kaderovereenkomst voor de verdere intensivering van de betrekkingen tussen de EU en Rusland, en dat de EU en Rusland diepgaande en omvattende betrekkingen tot stand hebben gebracht, met name in de energie-, de economische en de zakelijke sector;

B.  overwegende dat de top EU-Rusland op 28 januari 2014 niet meer inhield dan een drie uur durende vergadering waar slechts een beperkt aantal onderwerpen aan de orde kwam, en dat daaruit blijkt welke uitdagingen de betrekkingen tussen de EU en Rusland wachten, vooral als gevolg van de pressie die Rusland op de oostelijke partners uitoefent;

C.  overwegende dat nauwere samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen tussen de EU en Rusland van fundamenteel belang zijn voor de stabiliteit, de veiligheid en de welvaart van Europa en met name in het gemeenschappelijk nabuurschap; dat een strategisch partnerschap tussen de EU en de Russische Federatie alleen kan worden ontwikkeld op basis van gedeelde gemeenschappelijke waarden; dat het van het allergrootste belang is de samenwerking tussen beide partners op internationaal niveau op te voeren in alle instellingen, organisaties en fora, met het oog op de verbetering van de mondiale governance en de aanpak van gemeenschappelijke uitdagingen;

D.  overwegende dat er nog steeds bezorgdheid heerst over de ontwikkelingen in de Russische Federatie ten aanzien van de eerbiediging en de bescherming van de rechten van de mens en de naleving van algemeen aanvaarde democratische beginselen en de rechtsstaat; dat de Russische Federatie volwaardig lid is van de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en zich daarmee heeft verplicht tot naleving van de beginselen van democratie en eerbiediging van de mensenrechten;

E.  overwegende dat alle deelnemers aan de top van het Oostelijk Partnerschap te Vilnius opnieuw hebben bevestigd te hechten aan de beginselen van het internationaal recht en fundamentele waarden, zoals democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten;

F.  overwegende dat goede buurbetrekkingen en vrede en stabiliteit in hun gemeenschappelijke buurlanden in het belang van zowel Rusland als de EU zijn; dat er een open, eerlijke en resultaatgerichte dialoog moet komen over de crises in deze landen, met name ten aanzien van de vastgelopen conflicten, met het oog op de versterking van de veiligheid en de stabiliteit, de ondersteuning van de territoriale integriteit van de betrokken landen en de totstandbrenging van gemeenschappelijke crisisbeheersingsmechanismen;

G.  overwegende dat de landen van het Oostelijk Partnerschap conform de overeenkomsten van Helsinki over het volledige en autonome recht en de volledige en autonome vrijheid beschikken om op voet van gelijkheid betrekkingen aan te gaan met de partners van hun keuze;

H.  overwegende dat het grensbepalingsproces rond Abchazië en het Tsinvali-gebied/Zuid-Ossetië in een stroomversnelling is gekomen en een vijandige wending heeft genomen, vanwege de steun van de Russische troepen die ten koste is gegaan van de Georgische gebieden;

I.  overwegende dat de luchtvaartmaatschappijen sinds 1 december 2013 op voorhand af te geven passagiersgegevens (Advance Passenger Information - API) doorgeven aan de Russische autoriteiten en dat deze autoriteiten vanaf 1 juli 2014 volledige passagiers- en bemanningsgegevens eisen voor vluchten over Russisch grondgebied; dat de Russische autoriteiten een uitgebreid systeem voor het inzamelen van persoonsgegevens van passagiers (Passenger Name Record - PNR) willen opzetten;

1.  neemt kennis van de top EU-Rusland van 28 januari 2014 als een mogelijkheid om na te denken over de aard en de richting van het strategische partnerschap tussen de EU en Rusland, en twistpunten op te helderen; wijst erop dat de beperkte omvang van de top tussen de EU en Rusland de huidige stand van zaken in de betrekkingen weerspiegelt, waarbij een pragmatische gedachtewisseling over specifieke thema's mogelijk is, maar tegelijk ook duidelijk wordt voor welke uitdagingen de samenwerking tussen de EU en Rusland momenteel staat; verwacht dat de besprekingen zullen leiden tot meer wederzijds vertrouwen en de voorwaarden zullen scheppen voor een hernieuwde politieke impuls om het partnerschap vooruit te helpen;

2.  bevestigt opnieuw zijn overtuiging dat Rusland een van de belangrijkste partners van de EU is bij de totstandbrenging van strategische samenwerking, aangezien het land met de EU niet alleen economische en handelsbelangen deelt, maar tevens streeft naar de verwezenlijking van gemeenschappelijk overeengekomen democratische waarden; benadrukt dat om vooruitgang in de bilaterale betrekkingen te boeken een open discussie over de opheldering van onderlinge twistpunten vereist is;

3.  onderstreept dat er een duurzame en constructieve dialoog nodig is om ontwikkelingen in de gemeenschappelijk buurlanden en verschillende initiatieven voor regionale economische integratie te bespreken, en dan met name de gevolgen daarvan voor de handel, op basis van bestaande verbintenissen ten opzichte van de Wereldhandelsorganisatie (WTO); spoort de EU en Rusland aan manieren te vinden om hun regionale integratieprocessen meer op elkaar af te stemmen, waarbij ze tegelijkertijd werken aan een visie voor een toekomstige gemeenschappelijke handels- en economische zone;

4.  herhaalt dat de dialoog tussen de EU en Rusland over vraagstukken in verband met de gemeenschappelijke buurlanden gebaseerd moet zijn op het grondbeginsel van soevereiniteit en onafhankelijkheid van de buurlanden in hun keuze voor politieke en handelsallianties; is ervan overtuigd dat verdere politieke en economische hervormingen in de landen van het Oostelijk Partnerschap, waaronder Oekraïne, op basis van de waarden en normen van de EU uiteindelijk Rusland zelf ten goede zullen komen aangezien de ruimte van stabiliteit, welvaart en samenwerking langs de Russische grenzen erdoor zou worden uitgebreid; herhaalt de vaste uitnodiging van de EU aan Rusland om aan dit proces bij te dragen via constructieve engagementen met de landen van het Oostelijk Partnerschap; verzet zich tegen het voornemen van Rusland om de regio van het Oostelijk Partnerschap als zijn invloedssfeer te blijven beschouwen; is van mening dat alleen de Oekraïense burgers het recht zouden mogen hebben over de toekomst van hun land te beslissen;

5.  betreurt dat het Russische leiderschap het Oostelijk Partnerschap als een bedreiging van zijn eigen politieke en economische belangen ziet; benadrukt dat Rusland daarentegen baat zal hebben bij de toename van de handel en de economische bedrijvigheid en dat de veiligheid van het land groter zal worden wanneer de buurregio stabiel en voorspelbaar is; wijst op het belang van het creëren van synergie, zodat de landen in het gemeenschappelijke nabuurschap zoveel mogelijk profijt kunnen trekken uit bilaterale betrekkingen met zowel de EU als de Russische Federatie;

6.  herhaalt dat de overeenkomsten over een diepe en brede vrijhandelsruimte (DCFTA) tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap, in tegenstelling tot het door Rusland nagestreefde douane-unieproject, de partnerlanden niet zullen beletten vrij handel te voeren met derde landen; wijst er dan ook op dat de oostelijke partnerlanden na de ondertekening van de associatieovereenkomst en de DCFTA nog steeds vrij handel zullen kunnen bedrijven overeenkomstig de vrijhandelsovereenkomsten die zij als lid van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) hebben ondertekend;

7.  verwacht, als de voorwaarden goed worden voorbereid, op de volgende top in juni 2014 in Sotsji een begin te kunnen maken met de onderhandelingen over het nieuwe akkoord; betreurt het gebrek aan vooruitgang in de onderhandelingen over een nieuwe partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst ter vervanging van de huidige overeenkomst, dat voornamelijk te wijten is aan het gebrek aan inzet van Russische zijde om inhoudelijke onderhandelingen te voeren over het handelshoofdstuk; onderstreept de noodzaak om zich te blijven inzetten voor het partnerschap voor modernisering;

8.  wenst dat de verantwoordelijk voor het EU-beleid ten aanzien van Rusland in de volgende ambtsperiode van de Europese Commissie gecentraliseerd wordt, met een duidelijke en centrale rol voor de hoge vertegenwoordiger / vicevoorzitter en de toezegging van de lidstaten dat zij met één stem zullen spreken wanneer het Rusland betreft;

9.  verzoekt Rusland zich te houden aan al zijn uit het WTO-lidmaatschap voortvloeiende multilaterale verplichtingen en zijn WTO-verplichtingen volledig na te komen; verzoekt Rusland af te zien van het opleggen van willekeurige verboden op producten uit EU-lidstaten, aangezien dergelijke maatregelen schadelijk zijn voor de bilaterale betrekkingen tussen afzonderlijke lidstaten en Rusland en voor de betrekkingen tussen de EU en Rusland;

10.  veroordeelt de recente terroristische aanslagen in Volgograd met klem; is ingenomen met de gezamenlijke verklaring die de EU en Rusland op 28 januari 2014 hebben aangenomen over de bestrijding van het terrorisme, waarin de EU en Rusland overeenkwamen om de mogelijkheden voor een nauwere samenwerking als antwoord op door terroristen begane misdrijven en georganiseerde misdaad te overwegen, de samenwerking bij de uitwisseling van optimale werkmethoden op het vlak van terrorismebestrijding en bij het opleiden van experts in terrorismebestrijding uit te breiden, en de samenwerking in het kader van de VN en andere multilaterale fora te intensiveren;

11.  neemt kennis van de voortgangsverslagen over de gemeenschappelijke ruimten van de EU en Rusland, waarin de voor- of achteruitgang bij de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke ruimten EU-Rusland en de in 2005 aangenomen stappenplannen wordt beschreven; steunt met name de samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling en benadrukt dat de vier gemeenschappelijke ruimten gebaseerd zijn op het beginsel van wederkerigheid;

12.  benadrukt het belang van energiezekerheid en het feit dat de levering van natuurlijke hulpbronnen niet als politiek instrument mag worden gebruikt; beklemtoont dat Rusland en de EU beide belang hebben bij samenwerking op het gebied van energie, waarin kansen besloten liggen voor uitbreiding van de handel en de economische samenwerking in een opengestelde en transparante markt, met alle begrip voor de behoefte van de EU aan diversifiëring van de vervoerswegen en energieleveranciers; wijst erop dat de beginselen van onderlinge afhankelijkheid en transparantie het fundament dienen te zijn voor een dergelijke samenwerking, evenals gelijke toegang tot markten, infrastructuur en investeringen; dringt erop aan dat de samenwerking tussen de EU en Rusland op het gebied van energie stevig wordt gebaseerd op de beginselen van de interne markt, met inbegrip van het derde energiepakket, met name wat betreft de toegang van derden, en van het Verdrag inzake het Energiehandvest (EHV); is ervan overtuigd dat de volledige aanvaarding van de beginselen van het EHV door Rusland voor beide partijen gunstige gevolgen voor de bilaterale betrekkingen op energiegebied zou hebben; dringt aan op nauwe samenwerking tussen de EU en Rusland op het gebied van de levering van grondstoffen en zeldzame aardmetalen, met name die welke als kritiek beschouwd worden, en dringt aan op eerbiediging van de internationale regels, met name de WTO-regels;

13.  dringt er bij de Russische Federatie om haar bijdrage aan de aanpak van klimaatverandering op te voeren; verzoekt Rusland met name om een streefcijfer voor tweede verbintenisperiode te bepalen door de "wijziging van Doha" op het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering te ratificeren;

14.  herhaalt zijn toezegging inzake de langetermijndoelstelling van visumvrij reizen tussen de EU en Rusland, op basis van een stapsgewijze benadering die gericht is op de inhoud en concrete vorderingen; constateert dat de onderhandelingen over een opgewaardeerde visumversoepelingsovereenkomst nog aan de gang zijn, terwijl momenteel de laatste hand gelegd wordt aan de uitvoering van de gemeenschappelijke maatregelen inzake visumvrije korte reizen; is bezorgd over de plannen om in het kader van de visumfaciliteringsregeling ook aan een groot aantal Russische functionarissen een speciaal "dienstpaspoort" te verstrekken;

15.  uit zijn bezorgdheid over de ontwikkelingen in de Russische Federatie met betrekking tot de eerbiediging en de bescherming van de mensenrechten en de eerbiediging van gemeenschappelijk overeengekomen democratische beginselen, regels en procedures, vooral met betrekking tot de wet op buitenlandse agenten, de wetgeving die gericht is tegen lesbiennes, homo's, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI-personen), het opnieuw strafbaar stellen van laster, de wet op hoogverraad en de wetgeving die openbare demonstraties aan banden legt; verzoekt Rusland met klem zijn internationale verplichtingen als lid van de Raad van Europa na te komen;

16.  is verheugd over de recente amnestieverlening, en onderstreept dat duidelijke en betrouwbare overeenstemming over fundamentele vrijheden, mensenrechten en de rechtsstaat ons strategische partnerschap verder vooruit zal helpen; beklemtoont dat een onafhankelijk, onpartijdig en efficiënt rechtssysteem een cruciaal bestanddeel vormt van de rechtsstaat, en in grote mate bijdraagt aan de ontwikkeling van een betrouwbaar en stabiel ondernemers- en investeringsklimaat;

17.  uit andermaal zijn bezorgdheid over het feit dat de algemene situatie van de mensenrechten in Rusland verder verslechtert en dat er geen enkele vooruitgang wordt geboekt met betrekking tot de vorm van het mensenrechtenoverleg tussen de EU en Rusland; betreurt het met name dat deze dialoog meer een proces is geworden dan een middel om meetbare en tastbare resultaten te bereiken; benadrukt nogmaals dat in dit mensenrechtenoverleg publieke voortgangsindicatoren moeten worden opgenomen, dat de vorm van de dialoog moet worden verbeterd, bijvoorbeeld met een beurtwisseling voor de locatie van het overleg, betere interactie tussen Russische ngo's en de Russische autoriteiten als onderdeel van dit proces en een betere samenstelling van de Russische delegatie, en dat ter gelegenheid van de topontmoetingen tussen de EU en Rusland en na afloop van de bijeenkomsten van de partnerschapsraad publieke voortgangsevaluaties moeten worden gepubliceerd;

18.  verzoekt Rusland de federale wet op "propaganda voor niet-traditionele seksuele relaties" en vergelijkbare anti-propagandawetten die de mensenrechten beknotten, vooral de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging in verband met seksuele gerichtheid en genderidentiteit, volledig in te trekken; uit zijn oprechte bezorgdheid over de negatieve gevolgen van deze wetten op de samenleving, aangezien de discriminatie van en het geweld tegen LGBTI-personen toeneemt; verzoekt de EU‑delegatie overeenkomstig de desbetreffende richtsnoeren meer steun te verlenen aan de verdedigers van de mensenrechten van LGBTI-personen;

19.  verzoekt de Commissie nogmaals om bij de huidige programmering van de financieringsinstrumenten Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIHDR) en organisaties van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden (CSO/LA) veel meer werk te maken van de bijstandsverlening aan het onderdrukte maatschappelijk middenveld door de daarvoor bestemde financiële steun aan het land te verdubbelen;

20.  benadrukt dat geregelde vergaderingen in het kader van de politieke dialoog over een brede waaier van kwesties op het gebied van buitenlandse zaken een essentieel element zijn in de betrekkingen tussen de EU en Rusland; stelt dat Rusland, als permanent lid van de VN-Veiligheidsraad, zijn verantwoordelijkheid moet opnemen bij internationale crises; dringt er bij Rusland op aan zich heel constructief op te stellen tijdens de Genève II-conferentie over Syrië, waar het de bedoeling is een politieke oplossing voor het conflict te bereiken; is ingenomen met de inspanningen die Rusland zich samen met de Verenigde Staten en de internationale gemeenschap getroost om een resolutie van de VN-Veiligheidsraad over de vernietiging van de chemische wapens van Syrië en de start van de Genève II-besprekingen goedgekeurd te krijgen;

21.  onderstreept het belang van de dialoog en de samenwerking met Rusland over mondiale kwesties met als doel tot een doeltreffende aanpak te komen van problemen als Afghanistan, het vredesproces in het Midden-Oosten en piraterij bij de Hoorn van Afrika; maakt zich hard voor een nauwere en intensievere samenwerking om tot een gezamenlijk optreden met betrekking tot het kernprogramma van Iran te komen;

22.  verzoekt Rusland zijn erkenning van de afgescheiden Georgische regio's Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië te herzien; veroordeelt het proces van het aanbrengen van een scheidingslijn rond Abchazië en het Tsinvali-gebied/Zuid-Ossetië ten zeerste aangezien dat heeft geleid tot de uitbreiding van de bezette gebieden ten koste van Georgië; verzoekt Georgië en Rusland om, zo nodig met bemiddeling door een voor beide zijden aanvaarbare derde partij, en zonder vooraf voorwaarden te stellen, directe gesprekken over een reeks onderwerpen aan te gaan, waarbij dit een aanvulling, maar geen vervanging, van het bestaande proces van Genève mag zijn;

23.  verzoekt de Russische Federatie haar toezeggingen aan de Raad van Europa in 1996, die ook waren weerspiegeld in de besluiten van de OVSE-top (Istanbul 1999 en Porto 2002), na te komen met betrekking tot de terugtrekking van Russische troepen en wapens uit Moldavisch grondgebied; uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan vooruitgang in deze kwestie; onderstreept het feit dat alle partijen van de 5+2-besprekingen zich willen inzetten om het conflict op te lossen op basis van de territoriale integriteit van de Republiek Moldavië; verzoekt Rusland een constructieve rol op zich te nemen bij de inspanningen om het voortslepende conflict in Nagorno-Karabach op te lossen, in het kader van de Minskgroep;

24.  is van mening dat er nieuwe inspanningen nodig zijn om de samenwerking en de dialoog tussen de EU en Rusland te bevorderen in kwesties als regionale veiligheid, met inbegrip van het oplossen van voortdurende conflicten in de buurlanden;

25.  benadrukt dat de interculturele dialoog tussen de EU en Rusland en de dialoog over de kennis van elkaars geschiedenis en cultureel erfgoed moet worden aangewakkerd, en dat de mobiliteit en de uitwisseling van studenten, docenten, professoren en onderzoekers moet worden gestimuleerd om contacten tussen mensen mogelijk te maken die een zichtbaar en tastbaar bewijs zouden vormen van een duurzaam partnerschap dat op de lange termijn zou leiden tot een gemeenschap van waarden;

26.  roept de Russische autoriteiten op tot medewerking om Russische archieven te openen, onderzoekers toegang te verlenen en relevante documenten vrij te geven, waaronder die over het lot van Raoul Wallenberg, die 70 jaar geleden duizenden Hongaarse joden van de genocide heeft gered;

27.  is ingenomen met het werk van het parlementaire samenwerkingscomité EU-Rusland als een platform voor het opbouwen van de samenwerking en voor een permanente dialoog tussen de twee parlementaire instellingen;

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regeringen en parlementen van de landen van het Oostelijk Partnerschap, de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.


Voortgangsverslag 2013 over Bosnië en Herzegovina
PDF 145kWORD 31k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2014 over het voortgangsverslag 2013 over Bosnië en Herzegovina (2013/2884(RSP))
P7_TA(2014)0102B7-0074/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO) tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en Bosnië en Herzegovina anderzijds, die op 16 juni 2008 werd ondertekend, en door alle EU-lidstaten en Bosnië en Herzegovina is geratificeerd,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 over de Westelijke Balkan en de bijlage daarbij met als titel "De agenda van Thessaloniki voor de Westelijke Balkan: op weg naar Europese integratie",

–  gezien de conclusies van de Raad van 11 december 2012 en van 21 oktober 2013 over Bosnië en Herzegovina,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 oktober 2013 getiteld "Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2013-2014" (COM(2013)0700), vergezeld van het werkdocument van de diensten van de Commissie van 16 oktober 2013 getiteld "Bosnië en Herzegovina: Voortgangsverslag 2013" (SWD(2013)0415),

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 23 mei 2013 over het voortgangsverslag 2012 over Bosnië en Herzegovina(1) en van 22 november 2012 over Uitbreiding: beleid, criteria en de strategische belangen van de EU(2),

–  gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU zich nog altijd sterk blijft inzetten voor een soeverein en verenigd Bosnië en Herzegovina en het vooruitzicht op EU-lidmaatschap van het land;

B.  overwegende dat de complexe en inefficiënte institutionele opzet voortvloeiend uit Bijlage 4 van de Overeenkomst van Dayton, alsmede het gebrek aan politieke wil en het onvermogen van de politieke leiders van Bosnië en Herzegovina compromissen te sluiten, een negatieve invloed zijn blijven uitoefenen op het vermogen van het land om verdere vorderingen in de richting van de EU te boeken en de levens van de burgers te verbeteren; overwegende dat dringend constitutionele hervormingen moeten worden doorgevoerd om een goed functionerende en inclusieve democratische staat mogelijk te maken;

C.  overwegende dat het EU-lidmaatschap aan Bosnië en Herzegovina is aangeboden als één land;

D.  overwegende dat een nieuwe dynamiek, respect voor de burgers en naleving van internationale verplichtingen onmisbaar zijn om een nieuwe impasse in de aanloop naar de algemene verkiezingen van oktober 2014 te vermijden;

E.  overwegende dat wijdverspreide corruptie, een zeer hoge werkloosheid alsook het gebrek aan toekomstperspectieven voor de burgers van Bosnië en Herzegovina grote belemmeringen blijven voor de sociaaleconomische en politieke ontwikkeling van het land;

F.  overwegende dat samenwerking met andere landen in de regio in de geest van goed nabuurschap een absolute voorwaarde is voor vreedzame co-existentie en verzoening in Bosnië en Herzegovina en de Zuidoost-Europese regio;

Algemene overwegingen

1.  is ernstig verontrust over het nog altijd ontbreken van een gemeenschappelijke visie bij de politieke leiders van de drie etnische gemeenschappen in het land; dringt er bij de politieke groeperingen op alle besluitvormingsiveaus in het land op aan om de samenwerking en de dialoog te intensiveren, om de huidige geschillen op te lossen en vooruitgang te kunnen boeken met het doorvoeren van hervormingen en het verbeteren van de levensomstandigheden van de burgers van Bosnië en Herzegovina; roept op tot een grotere betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij inspanningen ter hervorming van het land;

2.  is ingenomen met het op 1 oktober 2013 in Brussel gesloten zes punten omvattende akkoord, maar betreurt de obstructie van centralistische krachten bij de tenuitvoerlegging daarvan; benadrukt dat Bosnië en Herzegovina de beginselen van federalisme en legitieme vertegenwoordiging moet naleven om verdere vooruitgang te kunnen boeken;

3.  roept de leiders van de drie volkeren in Bosnië en Herzegovina op hun nationalistische en etnocentrische retoriek achter zich te laten; veroordeelt alle vormen van segregatie en discriminatie op religieuze of etnische gronden in welk land dan ook;

4.  verzoekt politieke leiders met klem de aandacht te richten op de uitvoering van de routekaart van de dialoog op hoog niveau, zodat kan worden voldaan aan de vereisten voor de inwerkingtreding van de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO);

5.  verzoekt de regeringen en bevoegde autoriteiten de doelmatigheid en de werking van hun instellingen te verbeteren en een effectief EU-coördinatiemechanisme op te zetten om ervoor te zorgen dat het EU-acquis in het hele land geharmoniseerd wordt omgezet en gehandhaafd met het oog op de algehele welvaart van zijn burgers; roept hen in dit verband op ervoor te zorgen dat zij op nationaal niveau met één stem kunnen spreken; benadrukt dat zonder een dergelijk mechanisme het toetredingsproces tot de EU muurvast zal blijven zitten; roept alle politieke partijen op zich in te zetten voor het verbeteren van de politieke dialoog en de politieke cultuur;

6.  herinnert de Commissie eraan dat uitbreiding van de EU meer is dan alleen maar overdracht van het EU-acquis en gebaseerd moet zijn op een werkelijke en volledige onderschrijving van de Europese waarden; roept op tot blijvend overleg tussen de EU en de leiders van Bosnië en Herzegovina en tot een herziening van de wijze waarop de EU Bosnië en Herzegovina benadert, met het oog op de trage vooruitgang naar het EU-lidmaatschap vergeleken met de vooruitgang die andere landen in de regio maken; dringt er bij de internationale gemeenschap en in het bijzonder de Europese Raad en de lidstaten op aan om zich meer in te spannen voor het bewerkstelligen van een consensus tussen de politieke leiders van Bosnië en Herzegovina over het uitvoeren van constitutionele en met de EU verband houdende hervormingen; roept de volgende vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de commissaris voor Uitbreiding op om Bosnië en Herzegovina als topprioriteit aan te wijzen na de benoeming van de volgende Commissie in 2014; wijst in dit verband op de belangrijke rol en toewijding van de EU-delegatie en de speciale EU‑vertegenwoordiger in Bosnië en Herzegovina;

7.  verzoekt de Commissie extra inspanningen te leveren voor het bereiken van een overeenkomst over de tenuitvoerlegging van de uitspraak in de zaak Sejdić en Finci die alle betrokken volkeren en burgers gelijke rechten garandeert, alsook om een actieve rol te spelen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU-agenda, met inbegrip van een functioneel systeem voor goed bestuur, democratische ontwikkeling en economische welvaart, en eerbiediging van de mensenrechten;

8.  vraagt de staatshoofden en regeringsleiders en ministers van Buitenlandse Zaken van de EU om hun persoonlijke inzet voor het land te vergroten;

9.  spoort de autoriteiten aan om de resterende doelstellingen te verwezenlijken en te voldoen aan de voorwaarden voor de sluiting van het Bureau van de hoge vertegenwoordiger, teneinde meer lokale zeggenschap en verantwoordelijkheid mogelijk te maken; benadrukt dat sluiting van het Bureau van de hoge vertegenwoordiger alleen kan worden overwogen als aan alle voorwaarden is voldaan;

10.  is zeer verontrust over het feit dat de vier jaar lang durende onenigheid tussen politieke leiders ertoe heeft geleid dat de Raad van Europa in eerste instantie overwoog om het recht van het land op vertegenwoordiging in deze organisatie op te schorten als er vóór de verkiezingen geen aanzienlijke vorderingen worden geboekt bij de tenuitvoerlegging van de uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM); benadrukt dat de legitimiteit van de presidentsverkiezingen en de verkiezingen van het Huis van Volkeren van Bosnië en Herzegovina in 2014 zal worden aangevochten indien de uitspraak van het EHRM niet ten uitvoer wordt gelegd;

11.  herhaalt dat een grondwetsherziening van essentieel belang blijft om Bosnië en Herzegovina tot een doeltreffende en volledig functionele staat om te vormen; dringt er bij de Federatie op aan om concretere voorstellen op dit gebied te overwegen, waaronder de samenvoeging van bepaalde kantons en de herverdeling van bevoegdheden, om de complexe institutionele structuur te vereenvoudigen, een evenwichtiger vertegenwoordiging van alle volkeren en burgers te waarborgen, discriminatie op grond van etnische afkomst uit te bannen en de staat beter te laten functioneren, minder duur te maken en meer verantwoording te laten afleggen tegenover zijn burgers; roept alle politieke partijen op aan dit proces op constructieve en open wijze deel te nemen en gebruik te maken van het advies en de begeleiding die de Commissie van Venetië bij dit proces kan bieden; verwelkomt en ondersteunt de inspanningen van maatschappelijke organisaties om invloed uit te oefenen op het proces van constitutionele hervorming;

12.  juicht toe dat de tellingsfase van de eerste volks- en woningtelling sinds 1991 soepel is verlopen en voltooid; roept de verantwoordelijke autoriteiten op ervoor te zorgen dat de telling een puur statistische exercitie blijft en aan de internationale normen voldoet; roept alle bevoegde autoriteiten op een dergelijke telling niet te politiseren, aangezien deze bedoeld is om objectieve sociaaleconomische gegevens te leveren;

13.  maakt zich ernstige zorgen over het feit dat de geschillen over de verdeling van bevoegdheden de financiële bijstand van de EU in de weg staan; betreurt, maar steunt volledig, het besluit van de Commissie om projecten in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun I (IPA-I) te schrappen; vreest dat het uitblijven van maatregelen gevolgen kan hebben voor de toewijzing van miljoenen euro's aan EU-middelen voor politieke en sociaaleconomische ontwikkeling in het kader van IPA-II;

Politieke criteria

14.  maakt zich zorgen dat wetgevingsactiviteiten nog altijd worden gehinderd door politieke stellingnames; pleit ervoor dat de politieke leiders meer verantwoording afleggen aan het volk van Bosnië en Herzegovina;

15.  roept alle in de parlementaire vergadering van Bosnië en Herzegovina vertegenwoordigde politieke partijen op zo snel mogelijk de nodige wijzigingen van de kieswet door te voeren, zodat de algemene verkiezingen van oktober 2014 daadwerkelijk gehouden kunnen worden; herhaalt dat besluiten van het Grondwettelijk Hof van Bosnië en Herzegovina onherroepelijk en bindend zijn en daarom moeten worden uitgevoerd;

16.  is zeer verontrust over het inefficiënte rechtsbestel en het groeiende onvermogen uitspraken van rechtbanken uit te voeren; dringt erop aan politieke aanvallen op de rechtelijke macht te voorkomen en het probleem van versnippering van de budgettaire verantwoordelijkheid binnen de rechterlijke macht aan te pakken;

17.  prijst de gestructureerde dialoog inzake justitie die concrete resultaten heeft opgeleverd en waarvan reeds een aantal aanbevelingen zijn uitgevoerd; is ingenomen met de vorderingen met het wegwerken van de achterstand bij de afhandeling van rechtszaken; herhaalt, in aansluiting op de aanbevelingen van de gestructureerde dialoog, de oproep tot het uitvoeren van structurele en institutionele hervormingen van het gerechtelijk apparaat, onder meer door de kwestie aan te pakken in verband met de harmonisatie van de vier verschillende rechtsstelsels in Bosnië en Herzegovina, met inbegrip van de oprichting van een nationaal hooggerechtshof, overeenkomstig de aanbevelingen in het desbetreffende advies van de Commissie van Venetië;

18.  is verheugd dat de achterstand ten aanzien van oorlogsmisdaden ook is teruggedrongen en dat de vervolging van oorlogsmisdaden waarbij seksueel geweld is gebruikt is verbeterd; is ingenomen met de benoeming van 13 nieuwe officieren van justitie bij het Openbare Ministerie die zich in hoofdzaak zullen bezighouden met de vervolging van oorlogsmisdaden; roept op tot verhoogde inspanningen in verband met het onderzoek en de vervolging van deze misdaden, met inbegrip van een afdoende bescherming van getuigen, de invoering van een nationaal programma ter verbetering van de status van slachtoffers, waaronder slachtoffers van oorlogsmisdaden in de vorm van seksueel geweld en marteling, en maatregelen voor een grotere beschikbaarheid van middelen op alle niveaus;

19.  neemt nota van de uitspraak "Maktouf en Damjanović tegen Bosnië en Herzegovina" van het EHRM en de consequenties daarvan, leidend tot een wijziging van de jurisprudentie voor bij het Grondwettelijk Hof van Bosnië en Herzegovina aanhangig gemaakte beroepen, waaronder tegen tenlasteleggingen van volkerenmoord, waardoor tien voor langdurige gevangenisstraffen veroordeelde aangeklaagden zijn vrijgelaten; herhaalt dat de berechting van oorlogsmisdaden van cruciaal belang is voor de slachtoffers en hun families, en dat alle aspecten grondig bestudeerd moeten worden alvorens tot vrijlating wordt besloten; benadrukt dat het belangrijk is dat de binnenlandse autoriteiten alle nodige maatregelen nemen om waar mogelijk te zorgen voor de blijvende detentie van eerder veroordeelden die wachten op een nieuwe behandeling van hun zaak, mits hun detentie in overeenstemming is met de uitspraken van het EHRM, of andere veiligheidsmaatregelen;

20.  is bezorgd over de financiële duurzaamheid, de versplintering en politisering van het openbaar bestuur en het gebrek aan politieke wil voor de hervorming ervan; is ingenomen met het feit dat verbeteringen zijn bereikt bij de coördinatie binnen de regering wat betreft de afstemming van de wetgeving op de EU-normen, maar blijft bezorgd over de mogelijke gevolgen van de gecompliceerde verdeling en toewijzing van bevoegdheden wat betreft de openbare dienstverlening; is bezorgd dat de fytosanitaire testinstallaties die nodig zijn voor de uitvoer van landbouwproducten naar de EU nog onvoldoende ontwikkeld zijn; spoort de regering aan de oprichting van een Ministerie van Landbouw op nationaal niveau te steunen;

21.  verwelkomt het feit dat de samenwerking met het maatschappelijk middenveld verbetert, maar roept daarnaast op tot de invoering op nationaal niveau van institutionele kaders voor samenwerking tussen overheidsinstellingen en maatschappelijke organisaties, die zo snel mogelijk op het niveau van de entiteiten en kantons toegepast moeten kunnen worden; roept ertoe op de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het proces van toetreding tot de EU op reguliere en gestructureerde wijze te vergroten; moedigt NGO's aan te streven naar meer samenwerking en synergieën;

22.  benadrukt dat Bosnië en Herzegovina de belangrijkste verdragen betreffende fundamentele arbeidsrechten van de IAO heeft geratificeerd; betreurt het feit dat de arbeids- en vakbondsrechten beperkt blijven en roept de regering op deze rechten te waarborgen;

23.  geeft uiting aan zijn zorgen over het feit dat alle lagen van het openbare leven sterk doordrongen zijn van corruptie, en dat politici, het bedrijfsleven en de media onderling gecompliceerde banden onderhouden; roept op tot de snellere invoering van een strategie voor corruptiebestrijding en tot het vaststellen van maatregelen om de doeltreffendheid van het onderzoek, de vervolging en de veroordeling van gevallen van corruptie te verbeteren;

24.  is ingenomen met de intentie van de regering van de Federatie het pakket wetten ter bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad ter behandeling voor te leggen aan het parlement; benadrukt dat het belangrijk is de bestrijding van corruptie de hoogste prioriteit toe te kennen, en roept op tot het voeren van breed overleg met alle belanghebbenden en betrokken instellingen, met het oog op het actualiseren van het wetgevingsvoorstel, in volledige overeenstemming met het EU‑acquis en de aanbevelingen die naar voren kwamen uit de gestructureerde dialoog inzake justitie; verwelkomt in dit verband de technische ondersteuning van de delegatie van de EU in Bosnië en Herzegovina;

25.  stelt met bezorgdheid vast dat georganiseerde misdaad, witwaspraktijken en smokkel van mensen, drugs en goederen bij gebrek aan doeltreffende instellingen blijven voortbestaan; prijst de samenwerking met buurlanden en is in dit verband ingenomen met het akkoord tussen Bosnië en Herzegovina, Montenegro en Servië over de oprichting van een gezamenlijk coördinatiecentrum om de strijd tegen grensoverschrijdende misdaad te intensiveren; roept op tot het waarborgen van structurele verbeteringen bij de samenwerking op het gebied van grenscontroles, politietaken en vervolging, en van een doeltreffender gerechtelijk vervolg; roept op tot verbetering van de systematische verzameling, analyse en toepassing van informatie door wetshandhavingsinstanties; verwacht positieve ontwikkelingen als gevolg van de inwerkingtreding van de onlangs aangenomen Wet inzake het programma voor de bescherming van getuigen, waarvan de technische harmonisatie nog niet is afgerond;

26.  is bezorgd over het feit dat Bosnië en Herzegovina nog altijd een land van oorsprong, doorvoer en bestemming is van vrouwenhandel; verwelkomt de goedkeuring van een nieuwe strategie en een nieuw actieplan ter bestrijding van mensenhandel voor de periode 2013-2015; benadrukt dat de mensenhandel op een alomvattende, multidisciplinaire en op slachtoffers gerichte wijze moet worden aangepakt en de identificatie van slachtoffers moet worden verbeterd;

27.  is bezorgd over het feit dat er ondanks de bestaande wetgeving ter zake slechts beperkte vooruitgang geboekt is op het vlak van vrouwenrechten en gendergelijkheid; roept op tot de volledige implementatie van de relevante wetgeving en beleidsmaatregelen, mede in het kader van de kieswet voor de volgende algemene verkiezingen in 2014, en tot het nemen van concrete stappen ter verhoging van de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en in het politieke leven;

28.  roept de bevoegde autoriteiten op de rechten van minderheden en kwetsbare groepen actief te beschermen en te bevorderen, antidiscriminatiewetten en -beleid te implementeren, en een nationale strategie tegen discriminatie te ontwikkelen; dringt er bij politieke partijen en maatschappelijke organisaties op aan zich te distantiëren van discriminatie en zich in te zetten voor een inclusieve en tolerante samenleving; is bezorgd over de haat zaaiende uitlatingen, bedreigingen, intimidatie en discriminatie waar vooral de lesbische, homoseksuele, transgender/transseksuele en interseksuele (LGBTI) gemeenschap mee wordt geconfronteerd; is diep geschokt over de wrede aanval op deelnemers aan filmfestival Merlinka in Sarajevo op 1 februari 2014; verzoekt in dit verband de autoriteiten om de aanval grondig te onderzoeken, en erop toe te zien dat soortgelijke evenementen in de toekomst toereikende politiebescherming genieten; verzoekt de EU-delegatie, de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina en de politieke partijen om openlijk hun steun te betuigen aan de slachtoffers van deze aanval en dergelijke acties te veroordelen;

29.  roept op tot maatregelen om het pluralisme van de media te waarborgen en te bevorderen; is verontrust over de toenemende politieke en financiële druk op de media en de bedreigingen aan het adres van journalisten; benadrukt dat transparante en vrije media essentieel zijn voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting; pleit voor maatregelen ten behoeve van een veilige werkomgeving voor journalisten; verzoekt de autoriteiten met klem om overeenkomstig de desbetreffende wetgeving de politieke, institutionele en financiële onafhankelijkheid van de publieke omroepen te waarborgen en de digitale omschakeling te voltooien; roept op tot verdere inspanningen om een gelijke toegang tot informatie in alle officiële talen te waarborgen en gelijke rechten voor alle volkeren in het land op het gebied van de publieke omroep te garanderen;

30.  verzoekt de autoriteiten voldoende middelen toe te wijzen voor onderwijs voor jonge kinderen, in diensten te voorzien voor families van kinderen met een handicap en maatregelen te nemen ter voorkoming van geweld tegen kinderen;

31.  dringt er bij de autoriteiten op alle niveaus in heel Bosnië en Herzegovina op aan de onderwijshervorming een beslissende stap vooruit te brengen door te streven naar verbetering van de onderwijsnormen, bevordering van een inclusief en niet-discriminerend onderwijsstelsel en opheffing van etnische segregatie in het onderwijs (twee scholen onder één dak); verzoekt hen de opleiding van onderwijzers te steunen, zodat deze de vaardigheden kunnen opdoen om contacten tussen leerlingen van verschillende etnische afkomst te stimuleren en bij te dragen aan programma's voor capaciteitsopbouw op lange termijn; spoort de media van Bosnië en Herzegovina ertoe aan geïntegreerd onderwijs te bevorderen; dringt er bij de Conferentie van ministers van Onderwijs op aan een samenhangender wetgevingskader te scheppen op het gebied van onderwijs in heel Bosnië en Herzegovina, met inbegrip van grotere onderlinge afstemming van leerstof en onderwijsnormen, als noodzakelijke stap voor het nader tot elkaar brengen van de etnische gemeenschappen; betreurt het feit dat er geen nationaal agentschap in Bosnië en Herzegovina bestond dat deel kon nemen aan enig onderdeel van het EU-programma "Een leven lang leren"; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan een dergelijk agentschap op te richten, zodat het land deel kan nemen aan het vervolgprogramma Erasmus+;

32.  verzoekt de autoriteiten Roma-kinderen gelijke toegang te geven tot onderwijsdiensten, met de desbetreffende ngo's samen te werken om Roma-families aan te moedigen hun kinderen naar school te laten gaan alsook de daadwerkelijke schoolgang van Roma-kinderen te bevorderen met onder meer voorschoolse voorbereidingsprogramma's;

33.  verwelkomt het besluit van het bevoegde federale ministerie om tijdelijk de verantwoordelijkheid over te nemen voor het financieren van culturele instellingen als de Nationale Bibliotheek en het Historisch Museum; roept de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina op toe te zien op de tot snelle opheldering van de status van de zeven nationale culturele instellingen, te weten het Nationaal Museum, de Galerij der Kunsten, het Historisch Museum, het Museum voor Literatuur en Toneel, het Filmarchief, de Nationale Bibliotheek en de Bibliotheek voor Blinden, zodat zij een degelijke juridische en financiële status genieten; pleit voor een langetermijnoplossing voor de financiering van deze instellingen;

34.  roept op tot betere coördinatie op lokaal niveau, meer communicatie tussen donoren, belanghebbenden en lokale overheden en meer nadruk op duurzame maatregelen voor repatrianten; roept op tot het nemen van stappen om de terugkeer van vluchtelingen en binnenlandse ontheemden naar alle getroffen gebieden te waarborgen; roept het land op zich in te zetten voor de oplossing van de humanitaire kwestie van de 7 886 personen die sinds de oorlog nog altijd vermist zijn, en de arbeidsomstandigheden van het instituut voor vermiste personen te verbeteren;

35.  betuigt zijn eerbied voor de meer dan 430 mannen, vrouwen en kinderen die tijdens de oorlog zijn omgekomen en waarvan in september 2013 de stoffelijke overschotten zijn gevonden in een massagraf in Tomasica, bij Prijedor in Republika Srpska, en spreekt zijn medeleven uit met hun families; roept op tot een volledig en allesomvattend onderzoek naar de gruwelijkheden; roept eenieder die over informatie over nog niet ontdekte massagraven beschikt op om de autoriteiten op dezelfde wijze te informeren als is gedaan in het geval van het graf in Tomasica;

Sociaaleconomische kwesties

36.  dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan de coördinatie van het binnenlands economisch beleid te versterken om economische groei mogelijk te maken, verdere structurele hervormingen te starten, de begrotingsdiscipline te ondersteunen en de overheidsinkomsten te verbeteren; roept hen verder op om de samenstelling en doeltreffendheid van de overheidsuitgaven en van de grote ondoelmatige overheidssector, met zijn meerdere overlappende bevoegdheden, te verbeteren en de stabiliteit van de financiële sector te waarborgen door het wet- en regelgevend kader te versterken; is bezorgd over de krachteloze wetshandhaving en corruptiebestrijdingsmaatregelen, die het ondernemersklimaat verslechteren, buitenlandse investeringen ontmoedigen en bijdragen aan een grote informele sector; herhaalt dat er één enkele economische ruimte moet worden ingevoerd en dat het vastzittende privatiseringsproces opnieuw in gang moet worden gebracht en versneld teneinde de begrotingssituatie te verbeteren en de mededinging te vergroten; dringt er bij de autoriteiten op aan de milieubescherming te verbeteren, overeenkomstig de EU-normen;

37.  is bezorgd over het feit dat de socialebeschermingsregelingen zeer ondoelmatig zijn, ondanks het hoge niveau van overheidsuitgaven; acht het van groot belang dat de gefragmenteerde socialezekerheidsstelsels worden geharmoniseerd en hervormd opdat alle burgers, personen met een handicap inbegrepen, gelijk behandeld worden; dringt er bij de overheden op aan het ondernemersklimaat te verbeteren en hervormingen van de arbeidsmarkt door te voeren teneinde met behulp van concrete economische maatregelen het zeer hoge werkloosheidsniveau, dat de macro-economische stabiliteit aantast, aan te pakken; roept op tot verdere maatregelen ter stimulering van de participatie op de arbeidsmarkt van de vele werkloze jongeren in het land;

Regionale samenwerking

38.  prijst Bosnië en Herzegovina voor zijn constructieve rol in de regionale samenwerking en spoort het land aan verder te werken aan de oplossing van de huidige grens- en eigendomsgeschillen met de buurlanden; spoort aan tot verdere ontwikkeling van de betrekkingen met andere bij het Europese integratieproces betrokken landen;

39.  is bijzonder verheugd over de toezeggingen van Bosnië en Herzegovina om de bilaterale betrekkingen te verbeteren, onder meer door de uitleverings- en overnameovereenkomsten te ondertekenen, evenals een protocol voor de samenwerking bij de vervolging van personen die zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdrijven, misdaden tegen de menselijkheid en genocide; is ingenomen met de bilaterale grensovereenkomsten met Kroatië; roept Bosnië en Herzegovina op verder met de Commissie samen te blijven werken aan de aanpassing van de interimovereenkomst/stabilisatie- en associatieovereenkomst, vooral op het gebied van grensoverschrijdende handel, teneinde de traditionele handelsstromen tussen EU-lidstaten en partners van de Midden-Europese Vrijhandelsovereenkomst in stand te houden; dringt er bij Bosnië en Herzegovina op aan dat de reisdocumenten van burgers van Kosovo worden geaccepteerd zodat zij het land binnen kunnen reizen;

40.  herhaalt zijn steun voor versoepeling van de visumplicht voor de landen van de Westelijke Balkan als een belangrijke pijler van hun Europees integratieproces; verzoekt de EU-lidstaten de asielprocedures voor burgers van landen van de Westelijke Balkan die zonder visum binnen de Schengenruimte kunnen reizen, te bekorten, als doeltreffend middel om het aantal ongegronde asielaanvragen te verminderen en tegelijkertijd asielzoekers nog altijd het recht te geven hun zaak in een volwaardig onderhoud uiteen te zetten; is bovendien ingenomen met het voornemen van de nieuwe coalitieregering in Duitsland, vastgelegd in het deel van hun coalitieovereenkomst over de nationale asielwetgeving, om Bosnië en Herzegovina aan te merken als "veilig land van oorsprong" om de procedures voor deze aanvragen te kunnen versnellen;

o
o   o

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, het presidentschap van Bosnië en Herzegovina, de raad van ministers van Bosnië en Herzegovina, de parlementaire vergadering van Bosnië en Herzegovina, alsmede aan de regeringen en parlementen van de Federatie van Bosnië en Herzegovina en de Republika Srpska.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0225.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0453.


Voortgangsverslag 2013 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië
PDF 159kWORD 36k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2014 over het voortgangsverslag van 2013 over de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (2013/2883(RSP))
P7_TA(2014)0103B7-0073/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het besluit van de Europese Raad van 16 december 2005 om de status van kandidaat-land voor EU‑lidmaatschap toe te kennen, en gezien de conclusies van de Europese Raad van 13 december 2012, van 27 en 28 juni 2013, en van 17 december 2013,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Thessaloniki van 19 en 20 juni 2003 over de vooruitzichten van de landen op de Westelijke Balkan op toetreding tot de Europese Unie,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad 845 (1993) en 817 (1993), evenals de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN 47/225 en het interim-akkoord van 13 september 1995,

–  gezien het arrest van het Internationaal Gerechtshof over de toepassing van het interim-akkoord,

–  gezien het verslag van de Commissie van 16 april 2013, met de titel "Tenuitvoerlegging van de hervormingen in het kader van de toetredingsdialoog op hoog niveau en bevordering van goede nabuurschapsbetrekkingen" (COM(2013)0205), haar voortgangsverslag van 2013 (SWD(2013)0413) en haar mededeling van 16 oktober 2013 met de titel "Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2013‑2014" (COM(2013)0700),

–  gezien de overeenkomst tussen de politieke partijen van 1 maart 2013, het eindverslag van de enquêtecommissie van 26 augustus 2013 en het memorandum van overeenstemming van 16 september 2013,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het land, onder meer zijn resolutie van 22 november 2012 over uitbreiding: beleid, criteria en strategische belangen van de EU(1),

–  gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Raad heeft besloten om voor het vijfde opeenvolgende jaar de toetredingsonderhandelingen met het land niet te openen ondanks de positieve aanbeveling in dit verband van de Commissie; overwegende dat dit verdere uitstel de toenemende frustratie van de publieke opinie in het land over de impasse waarin het EU-integratieproces is beland, versterkt en de binnenlandse problemen en spanningen zou kunnen verergeren; overwegende dat bilaterale kwesties geen hindernis mogen vormen voor de officiële opening van de toetredingsonderhandelingen, maar wel opgelost dienen te zijn voordat het toetredingsproces wordt afgerond;

B.  overwegende dat de rechtsstaat, de vrijheid van de media, regionale samenwerking en goede betrekkingen met de buurlanden wezenlijke onderdelen zijn van het EU‑uitbreidingsproces;

C.  overwegende dat bilaterale kwesties op zo kort mogelijke termijn constructief moeten worden aangepakt en dat hierbij rekening moet worden gehouden met de beginselen en de waarden van de VN en de EU;

1.  herhaalt zijn verzoek aan de Raad om onverwijld een datum vast te stellen voor de opening van de toetredingsonderhandelingen;

2.  verzoekt Griekenland om het Europese integratieproces van het land in een hogere versnelling te brengen en zo de in de agenda van Thessaloniki van 2003 aangegane verbintenis te herbevestigen en positieve omstandigheden tot stand te brengen waarin bilaterale geschillen kunnen worden opgelost in de geest van de Europese waarden en beginselen; verzoekt het Griekse voorzitterschap om de positieve dynamiek van zijn leiderschap aan te wenden voor de ontwikkeling van nieuwe initiatieven om de huidige impasse in de onderhandelingen te doorbreken en naar een oplossing toe te werken;

3.  moedigt het land aan zijn hervormingen te consolideren en beleid en praktijken ongedaan te maken die zijn Europese toekomst nog zouden kunnen belemmeren, en daadwerkelijke vooruitgang te boeken op sleutelgebieden zoals vastgesteld in de conclusies van de Europese Raad, en meer in het bijzonder de verklaringen over het uitbreidingsproces en het stabilisatie- en associatieproces; is van mening dat de opening van onderhandelingen met de EU een positieve stap vormt voor het oplossen van lopende geschillen met de buurlanden van het land, en zal leiden tot verdere hervormingen die de situatie in het land zullen verbeteren;

4.  betreurt, gezien de positieve aanbeveling van de Commissie en haar positieve evaluatie van de resultaten van de toetredingsdialoog op hoog niveau, dat de Europese Raad niet tot hetzelfde besluit is gekomen als in december 2012, toen hij concludeerde dat hij het standpunt van de Commissie grotendeels deelde, vooruitliep op een mogelijk besluit de toetredingsonderhandelingen tijdens het volgende voorzitterschap te openen, en opmerkte dat de Commissie alle noodzakelijke voorbereidende werkzaamheden op zich zou nemen om dit mogelijk te maken, en waarschuwt in dit verband voor het risico op terugval;

5.  benadrukt dat het voortdurend uitstellen van de opening van de toetredingsonderhandelingen almaar stijgende en onvoorziene kosten met zich meebrengt, zowel voor het land als voor de regionale stabiliteit; verzoekt zowel de regering als de Commissie om een kwantitatief onderzoek in te stellen naar de mogelijke sociale en economische kosten, de binnenlandse en regionale politieke gevolgen en de risico's van het niet-vaststellen door de Raad van een datum voor de opening van de toetredingsonderhandelingen;

6.  benadrukt dat alle kandidaat-lidstaten en mogelijke kandidaat-lidstaten op basis van hun verdiensten moeten worden behandeld;

7.  is het, ondanks de aanzienlijke uitdagingen waarvoor het land staat, eens met de conclusies van de Commissie dat het land een hoog niveau van aanpassing aan het EU‑acquis heeft ten opzichte van het stadium in het toetredingsproces waarin het zich bevindt en dat in voldoende mate aan de criteria van Kopenhagen is voldaan om met de toetredingsonderhandelingen te beginnen; merkt op dat nieuwe lidstaten overeenkomstig de EU-procedures alleen worden toegelaten als zij aan alle vereisten voldoen; is het met de Commissie eens dat het openen van de hoofdstukken 23 en 24 over justitie, democratie en de mensenrechten, juist op die gebieden die bepaalde lidstaten bijzonder na aan het hart liggen, voor extra voortgang zal zorgen;

8.  vraagt de Europese Raad om de opening van het screeningsproces te ondersteunen, met name voor de hoofdstukken 23 en 24; is van mening dat deze screening de hervormingsdynamiek zal ondersteunen en het land zal helpen beter het hoofd te bieden aan uitdagingen waarmee alle kandidaat-landen te maken krijgen, zoals het verder versterken van de doeltreffendheid van de rechtsstaat, en het hervormen van de rechtsstaat en het openbaar bestuur, evenals het versterken van de interetnische cohesie;

9.  is verheugd dat het land zijn verplichtingen in het kader van de stabilisatie- en associatieovereenkomst is nagenomen en zich in een vergevorderd stadium bevindt wat betreft de aanpassing van de wetgeving aan het acquis; vraagt de Raad om aanneming van de aanbevelingen van de Commissie om over te gaan tot de tweede fase van de uitvoering van de stabilisatie- en associatieovereenkomst, overeenkomstig de relevante bepalingen van die overeenkomst;

10.  benadrukt dat goede nabuurschapsbetrekkingen en regionale samenwerking, waaronder een op basis van onderhandelingen tot stand gekomen en voor beide partijen aanvaardbare oplossing van de naamkwestie onder VN-toezicht, essentiële onderdelen van het EU-toetredingsproces van het land zijn; herinnert aan de Albanese minderheid in het land en ook aan de gevoelige bilaterale kwesties met andere buurlanden, met name Griekenland en Bulgarije, en herhaalt zijn op dit gebied met de Commissie gedeelde standpunt, dat bilaterale kwesties in een zo vroeg mogelijk stadium van het toetredingsproces op constructieve wijze en in een geest van goed nabuurschap moeten worden behandeld, door een intensieve en open dialoog in de geest van de gemeenschappelijke Europese toekomst, bij voorkeur vóór de opening van de toetredingsonderhandelingen; benadrukt dat gebaren, controversiële acties en uitspraken die een negatief effect zouden kunnen hebben op de betrekkingen met de buurlanden, moeten worden vermeden; vraagt om concretere resultaten in termen van samenwerking om goede nabuurschapsbetrekkingen tot stand te brengen tussen de drie partijen, te weten Athene, Sofia en Skopje;

11.  bevestigt de conclusie van de Commissie dat ieder aanhoudend falen van de Europese Raad om vorderingen te maken met betrekking tot de EU-toetreding van het land de geloofwaardigheid van het uitbreidingsproces van de EU op het spel zet; voegt daaraan toe dat dit ook het noodzakelijke klimaat voor het bevorderen van EU-gerelateerde hervormingsmaatregelen ondermijnt; merkt op dat het toetredingsproces zelf de impuls geeft om de hervormingen te voltooien;

12.  is van oordeel dat het feit dat beide partijen er gedurende bijna twintig jaar niet in zijn geslaagd een voor beiden aanvaardbare, rechtvaardige en billijke oplossing te vinden voor het geschil over de naam, ook vragen oproept over de geloofwaardigheid van het daarvoor opgezette kader, waarvoor inspanningen van wezenlijk belang zijn; merkt op dat de VN-bemiddelaar zich hiervoor evenwel intensief heeft ingespannen, en beide partijen zich evenwel daadwerkelijk politiek bereid hebben getoond om tot een oplossing te komen; herhaalt echter zijn standpunt dat bilaterale kwesties niet gebruikt mogen worden om het EU-toetredingsproces te dwarsbomen;

13.  is in dat opzicht ingenomen met het voorstel van de speciale VN-gezant, de heer Nimetz, voor een samengestelde naam met een geografische aanduiding, en meent dat dit een goede basis vormt voor een compromis, mits de Macedonische nationaliteit, identiteit, cultuur en taal niet in twijfel worden getrokken;

14.  verzoekt Griekenland om zijn voorzitterschap van de EU, samen met alle belangen binnen de Commissie, de Raad en het Parlement en in het land zelf, te gebruiken om een nieuwe politieke impuls te geven aan daadwerkelijke en oprechte inspanningen om onverwijld een wederzijds aanvaardbare oplossing voor het geschil over de naam te vinden; wijst op het besluit van 5 december 2011 van het Internationaal Gerechtshof over de toepassing van het interim-akkoord van 13 september 1995; is van mening dat het leiderschap van het land en de EU het publiek consequent moeten uitleggen welke voordelen de gevonden oplossing biedt, voordat een referendum over dit onderwerp wordt gehouden; is verheugd over de ontmoeting en de gesprekken tussen de Griekse minister van Buitenlandse Zaken Evangelos Venizelos en de Franse minister van Buitenlandse Zaken Laurent Fabius in verband met het land, en hoopt dat deze vooruitlopen op belangrijker positieve ontwikkelingen wat betreft de mogelijke oplossing van het geschil over de naam;

15.  juicht toe dat er in negen maanden tijd vijf vergaderingen hebben plaatsgevonden in een goede sfeer tussen de werkgroepen uit het land en Bulgarije; gelooft dat de diepgewortelde historische en gemeenschapskwesties, evenals andere kwesties die beide landen aangaan het best kunnen worden aangepakt door middel van een dialoog in deze geest, in samenwerking met de media, het justitieel apparaat en andere autoriteiten; verzoekt om significante maatregelen om te gelegener tijd een bilaterale overeenkomst te bereiken als geschikt kader in dit verband;

16.  herhaalt zijn bezorgdheid over het gebruik van historische argumenten in het huidige debat met buurlanden, en roept nogmaals op tot positieve ontwikkelingen wat betreft gezamenlijke vieringen van historische gebeurtenissen en gezamenlijke herdenkingen van personen met naburige EU-lidstaten, omdat dit zou bijdragen tot een beter begrip van de geschiedenis en tot goede betrekkingen met de buurlanden; steunt de pogingen om gemeenschappelijke deskundigencommissies met betrekking tot geschiedenis en onderwijs op te richten, met als doel bij te dragen tot een objectieve interpretatie van de geschiedenis, nauwere academische samenwerking, en de bevordering van een positieve houding van jongeren ten aanzien van hun buren; dringt er bij de autoriteiten op aan onderwijsmateriaal te introduceren dat vrij is van ideologische interpretaties van de geschiedenis en dat gericht is op wederzijds begrip;

17.  looft het land voor het handhaven van zijn constructieve rol en positieve bijdragen aan regionale samenwerking, en is verheugd over de actieve deelname van het land aan regionale initiatieven als het Midden-Europees Initiatief (MEI) en het Regionale Initiatief voor migratie, asiel en vluchtelingen (MARRI); feliciteert het land met de succesvolle voltooiing van zijn voorzitterschap van het Zuidoost-Europese samenwerkingsproces (juni 2012 - juni 2013) en is in dat opzicht verheugd over de bevordering van een alomvattende benadering als een waardevolle bijdrage aan een verdere versterking van de regionale samenwerking;

18.  vraagt de Commissie en de Raad om het land op te nemen in het nieuwe macroregionale samenwerkingskader in Zuidoost-Europa, te weten de Adriatisch-Ionische macroregionale strategie en het transnationale programma;

19.  benadrukt dat zowel de volledige uitvoering van de aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie na de gebeurtenissen van 24 december 2012, als de naleving door alle partijen van het memorandum van overeenstemming, noodzakelijk zijn om het land een Euro-Atlantisch perspectief terug te bezorgen; is trots op de door de commissaris voor Uitbreiding en de door het Parlement zelf gespeelde rol bij het sluiten van de overeenkomst van 1 maart 2013, maar erkent dat de politieke partijen zelf verantwoordelijk zijn voor het aangaan van een constructieve onderlinge dialoog en samenwerking en voor het afkeuren van het gebruik van boycots, om volledig, onafhankelijk wetgevend toezicht op de regering mogelijk te maken en de Europese democratische normen te steunen; benadrukt dat zowel de regering als de politieke partijen moeten werken aan een verbetering van de betrekkingen teneinde de politieke stabiliteit te handhaven;

20.  is ingenomen met de conclusies van de verkiezingsobservatiemissie van de OVSE en het ODIHR volgens welke de in de lente gehouden gemeenteraadsverkiezingen efficiënt zijn verlopen; deelt de zorgen over het evenwicht van media-aandacht, de vervaging tussen staats- en partijactiviteiten in verband met het gebruik van administratieve middelen en gemelde onregelmatigheden betreffende de registratie van kiezers uit Pustec, Albanië; ondersteunt de toezegging van de regering om de aanbevelingen van de OVSE en het ODIHR voor een herziening van het kiesrecht volledig op te volgen; benadrukt de noodzaak van verdere inspanningen om transparante financiering te bevorderen en de verantwoordingsplicht van politieke partijen te versterken; dringt aan op maatregelen om vervaging tussen staats- en partijactiviteiten tijdens verkiezingscampagnes te voorkomen en om een partijoverschrijdend akkoord te bereiken over een onderzoek naar het kiesregister;

21.  benadrukt de noodzaak om het professionalisme en de onafhankelijkheid van het overheidsapparaat te waarborgen door verbeteringen op alle niveaus door te voeren; constateert dat de wet inzake ambtenaren en de wet inzake overheidspersoneel in eerste lezing werden aangenomen door het parlement op 8 januari 2014; vindt het belangrijk dat in een nieuw rechtskader de fundamentele beginselen van transparantie, verdienste en eerlijke vertegenwoordiging worden neergelegd; vraagt de regering de noodzakelijke hervormingen op dit gebied voort te zetten, evenals op het gebied van overheidsuitgaven en overheidsopdrachten, aangezien dit positieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit van het bestuur;

22.  pleit voor een verdieping van de democratie via aanvullende beslissende maatregelen voor begrotingsdecentralisatie, betreurt daarbij de verlaging van de begroting in het afgelopen jaar, maar kijkt uit naar het toezichtsverslag betreffende de status van de decentralisatie, en is verheugd over het toegenomen aandeel van inkomsten in de kernbegroting van de gemeenten door verdere maatregelen om de eerbiediging van het lokale zelfbestuur te verhogen, met name in gevallen waarin de partijen die op lokaal niveau aan de macht zijn, niet op nationaal niveau aan de macht zijn;

23.  is verheugd over de vorderingen in het EU-toetredingsproces van de andere landen in de regio, maar vreest dat verdere vertraging bij de opening van de toetredingsonderhandelingen tot een onredelijke ongelijkheid in de regio kan leiden, hetgeen de goede interetnische betrekkingen verder op het spel zou kunnen zetten en waardoor alle Macedonische burgers zich achtergesteld zouden kunnen gaan voelen; veroordeelt alle vormen van ultranationalisme, in welk land dan ook; vraagt om antidiscriminatiebeleid en verdraagzaamheid in de maatschappij, ongeacht godsdienst, etniciteit of taal;

24.  steunt het verzoek van de Commissie om de herziening van de kaderovereenkomst van Ohrid te voltooien en om aan te vangen met de tenuitvoerlegging van de erin opgenomen aanbevelingen;

25.  merkt op dat een verdere versterking van de politieke dialoog met de Albanese bevolking in het land een belangrijke bijdrage aan de stabiliteit in de regio en aan samenwerking levert;

26.  dringt er bij de regering, de media, de academische gemeenschap, het maatschappelijk middenveld en alle betrokken belanghebbenden op aan duidelijke signalen aan het publiek af te geven dat discriminatie op basis van nationale identiteit niet getolereerd wordt in het land, ook niet met betrekking tot het gerechtelijke apparaat, de media, werkgelegenheid en maatschappelijke kansen; onderstreept het belang hiervan voor de integratie van de diverse etnische gemeenschappen, de stabiliteit van het land en de Europese integratie van het land;

27.  betreurt dat er nog niet meer vorderingen zijn geboekt met betrekking tot geïntegreerd onderwijs, en dat er geen middelen zijn toegewezen om de strategie voor geïntegreerd onderwijs uit te voeren; geeft uiting aan zijn bezorgdheid over het feit dat minder jongeren elkaars talen lijken te beheersen; dringt aan op maatregelen op dit gebied om een kloof en potentieel conflict langs etnische scheidslijnen onder kinderen in de schoolgaande leeftijd te voorkomen; benadrukt tegelijkertijd de noodzaak om inclusief tweetalig onderwijs op vrijblijvende basis te bevorderen; blijft zich zorgen maken over de scheiding van Roma-leerlingen in scholen;

28.  is van oordeel dat de belemmeringen voor een volkstelling conform de beste democratische normen gedeeltelijk zouden kunnen worden weggenomen via de invoering van een register van de burgerlijke stand, als een tijdelijke oplossing;

29.  betreurt de verslechterende reputatie van het land wat betreft de vrijheid van de media; deelt de zorgen van de Commissie over het feit dat de waarborging van de vrijheid van meningsuiting met een divers en pluralistisch medialandschap vrij van politieke inmenging, een grote uitdaging voor het land blijft; wijst er in dit verband op dat het gebrek aan pluralisme van de media gedeeltelijk veroorzaakt wordt door overheidsadvertenties; benadrukt de noodzaak om de onafhankelijkheid en duurzaamheid van de publieke omroep te waarborgen, en moedigt de autoriteiten aan om in dat opzicht waarborgen op te nemen in de mediawet; dringt erop aan dat meer raadpleging en dialoog wordt gevoerd over de huidige mediawet, om ervoor te zorgen dat dergelijke belangrijke hervormingen alleen worden goedgekeurd als daar een breed draagvlak voor is binnen de journalistieke gemeenschap van het land; wijst erop dat meer inspanningen noodzakelijk zijn om het vertrouwen tussen de regering en de mediagemeenschap te herstellen en weer op te bouwen; steunt het initiatief van het media-instituut van het land met EU-steun om een witboek te publiceren over het versterken van de betrekkingen tussen het maatschappelijk middenveld en de media; onderstreept dat het noodzakelijk is meer inspanningen te ondernemen ter bescherming van de rechten en de onafhankelijkheid van de werknemers in de media; benadrukt dat er behoefte is aan transparantie in de eigendomsstructuur van de media;

30.  benadrukt de eerder geboekte vorderingen door de rondetafel tussen de regering en de Vereniging van journalisten, waarbij een beroep werd gedaan op de expertise van de speciale vertegenwoordiger inzake vrije media van de OVSE, en is van oordeel dat het opnieuw samenbrengen van de rondetafel en de uitvoering van haar routekaart op het vlak van de vrijheid van meningsuiting en de totstandbrenging van een goede werkomgeving voor journalisten het belangrijkste mechanisme blijven voor het maken van de nodige vorderingen; erkent dat volledige vrijheid van meningsuiting alleen kan worden bewerkstelligd in een maatschappij waarin het recht van openbare toegang tot informatie verworven is en waarin een openbare ruimte bestaat waarbinnen een betekenisvol maatschappelijk debat kan worden gevoerd;

31.  is evenwel van oordeel dat het recente geval van de gevangen genomen journalist Tomislav Kezarovski en andere gevallen, waarvan de uitkomst alleen mag worden bepaald door een onafhankelijke justitieel apparaat dat werkzaam is binnen het kader van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, vragen opwerpen over mogelijke selectieve rechtspraak in het land, waartegen alle betrokken autoriteiten doeltreffende maatregelen moeten nemen;

32.  wijst op de nieuwe zuiveringswet, maar eveneens op de zorgen van de Commissie van Venetië en de Commissie van Helsinki ten aanzien van de grondwettigheid en het potentiële misbruik ervan;

33.  dringt aan op versterking van het mandaat van de commissie gegevensverificatie door alle noodzakelijke documenten van de inlichtingendiensten en contra-inlichtingendiensten permanent over te brengen naar de gebouwen van die commissie;

34.  herhaalt de aanbevelingen uit zijn voorgaande resolutie voor een krachtig maatschappelijk middenveld; dringt er bij de regering op aan om de belangrijke rol van het maatschappelijk middenveld en de meerwaarde ervan in het politieke debat te erkennen en vraagt de regering maatschappelijke organisaties actief in de dialoog over beleidsvorming te betrekken; benadrukt de cruciale rol die de maatschappelijke organisaties kunnen spelen om het EU-integratieproces transparanter en inclusiever te maken en ervoor te zorgen dat in dit verband beter verantwoording wordt afgelegd; stelt voor steun te bieden aan het maatschappelijk middenveld ter ondersteuning van de hieruit voortkomende initiatieven; is verheugd over de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de door het ministerie van Justitie opgerichte werkgroep over hoofdstuk 23, en spoort alle ministeries aan dit voorbeeld te volgen; dringt aan op een positief oordeel over het voorstel om maatschappelijke organisaties te selecteren om deel te nemen aan alle werkgroepen in het kader van het nationale programma voor het acquis;

35.  betreurt de geringe vorderingen bij de uitvoering van de tweede regeringsstrategie voor samenwerking met maatschappelijke organisaties en het bijbehorende actieplan, en is bezorgd over de ernstige vertraging die hierbij is opgelopen; maakt zich zorgen over de gebrekkige bereidwilligheid op dit gebied en het ontbreken van transparantie in begrotingssteun aan het maatschappelijk middenveld; is van oordeel dat het Open Government Partnership waarbij het land zich heeft aangesloten, een passend kader kan bieden voor het verbeteren van de situatie; is ingenomen met en dringt aan op het gebruik van indicatoren om de deelname van maatschappelijke organisaties te beoordelen, zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 12 september 2012 met als titel "Aan de basis van democratie en duurzame ontwikkeling" (COM(2012)0492);

36.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de regering om akkoord te gaan met de reservering van een minimumbedrag van de volgende programmeringsperiode van het pretoetredingsinstrument zodat een betaling van 15 % aan niet-overheidsactoren kan worden gewaarborgd en ervoor te zorgen dat technische bijstand aan maatschappelijke organisaties door het maatschappelijk middenveld zelf wordt beheerd; pleit er bovendien voor dat het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) verder wordt toegepast om te helpen een streefwaarde van 9 % van de eigen begroting van het land via gedecentraliseerde regionale en lokale overheden te besteden;

37.  looft het land voor de eerder doorgevoerde hervormingen die het nationale rechtskader in overeenstemming met de internationale normen hebben gebracht; dringt er bij het land op aan de transparantie van de Raad van Justitie te vergroten om percepties dat deze beïnvloed wordt en onder druk werkt, te beperken; verzoekt de Commissie om de eerbiediging van de vonnissen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot het land, in haar toekomstige voortgangsverslagen in aanmerking te nemen en te analyseren;

38.  is ingenomen met de acties om het professionalisme, de onafhankelijkheid en de doeltreffendheid van het justitieel apparaat te verbeteren, die met name hebben geleid tot de aanwerving van afgestudeerde studenten van de Academie voor rechters en openbare aanklagers voor deze functies, de voortzetting van het positieve afhandelingspercentage van de rechtbanken in het eerste halfjaar van 2013, en de verdere vermindering van de achterstand; dringt aan op de harmonisering van de jurisprudentie, teneinde de rechtspraak voorspelbaar te maken en het vertrouwen van het publiek te waarborgen;

39.  vraagt in het bijzonder om versterking van de staatscommissie ter voorkoming van corruptie, de anticorruptie-eenheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken, het openbaar ministerie voor de bestrijding van de georganiseerde misdaad en corruptie, en de overheidsdienst voor financiële controle in termen van begrotings-, materiële en personele middelen; benadrukt voorts de noodzaak om zich te concentreren op zaken betreffende corruptie op hoog niveau en om meer gebruik te maken van beschikkingen tot inbeslagneming en confiscatie van opbrengsten, en verlangt nadrukkelijk dat verdere inspanningen worden geleverd voor het instellen van een prestatiebalans inzake veroordelingen in zaken op hoog niveau; vraagt onafhankelijke maatschappelijke organisaties en de media om corruptie aan het licht te brengen en te pleiten voor onafhankelijke en onpartijdige onderzoeken en gerechtelijke procedures; is ingenomen met de aanhoudende, door het UNDP gesteunde inspanningen van de staatscommissie ter voorkoming van corruptie, voor het versterken van het preventieve aspect van de bestrijding van corruptie, door de introductie van alomvattende integriteitssystemen in negen testgemeenten; steunt het voornemen van de nationale autoriteiten om de wijziging van de wet inzake corruptiepreventie te voltooien, het concept van de integriteitssystemen landelijk in te voeren en systematische institutionele bescherming aan klokkenluiders te bieden;

40.  merkt op dat er nog steeds aan gewerkt wordt om de nationale inlichtingendatabank operationeel te maken en dringt er bij de autoriteiten van het land op aan hun inspanningen in dat opzicht te versnellen en het nationale coördinatiecentrum voor de strijd tegen de georganiseerde misdaad zo spoedig mogelijk op te richten, teneinde volledige steun te verlenen aan de bestrijding van georganiseerde misdaad, corruptie, fraude, witwassen van geld en andere ernstige misdrijven, met inbegrip van grensoverschrijdende misdrijven;

41.  geeft uiting aan zijn zorgen over het wijdverspreide en langdurige gebruik van voorarrest en de omstandigheden waarin gedetineerden worden vastgehouden; merkt op dat bij demonstraties soms sprake is van een buitensporige politieaanwezigheid; dringt aan op een evenredig beheer van de openbare orde en op de eerbiediging van het recht van vrije vergadering;

42.  is ingenomen met de nieuwe wet betreffende rechtsbedeling voor kinderen en vraagt om toereikende financiële middelen om deze wet ten uitvoer te leggen; blijft het gebrek aan gezondheidszorg en opleiding in jeugdgevangenissen betreuren;

43.  is ingenomen met het afnemende aantal kinderen in tehuizen, maar blijft zich zorgen maken over het hoge aantal nog altijd in instellingen verblijvende kinderen met een handicap; vraagt om verdere hervormingen van het systeem voor kinderbescherming en om versterkte capaciteiten van de sociale centra om steun te kunnen bieden aan kansarme gezinnen;

44.  is verheugd over de oprichting van de nationale jeugdraad en de inspanningen om ervoor te zorgen dat de raad breed opgezet en politiek onpartijdig is en volledig kan deelnemen als lid van het Europees Jeugdforum; verzoekt het agentschap voor jeugd en sport van het land om de activiteiten van de jeugdraad volledig te ondersteunen en eraan mee te doen;

45.  dringt er bij de regering op aan toereikende personele en financiële middelen toe te kennen aan de commissie voor de bescherming tegen discriminatie en aan de anti‑discriminatie-eenheid binnen het departement voor gelijke kansen; vraagt om maatregelen om de bewustwording in verband met gelijkheid en non-discriminatie te vergroten;

46.  is ingenomen met de heropening van het LGBTI-centrum in Skopje, na vijf afzonderlijke aanvallen op het centrum in de afgelopen twaalf maanden; is verheugd over de conclusies van de antidiscriminatiecommissie van het land waarin homofobie in schoolboeken wordt veroordeeld, en pleit ervoor dat deze op bredere schaal worden toegepast; vraagt in het bijzonder om een verbod op discriminatie op grond van seksuele geaardheid in arbeid; betreurt dat de antidiscriminatiewet nog steeds niet in overeenstemming is met het EU-acquis; herhaalt zijn oproep tot wijziging van deze wet om deze volledig in overeenstemming met het EU-acquis te brengen; veroordeelt alle geweld tegen de gemeenschap van lesbiennes, homoseksuelen, bi-, trans- en interseksuelen en verzoekt alle politieke leiders en de rest van de maatschappij hetzelfde te doen; dringt erop aan dat plegers van dergelijk geweld worden berecht; herinnert de regering en de politieke partijen eraan dat zij verantwoordelijk zijn voor het tot stand brengen van een cultuur van integratie en tolerantie;

47.  dringt er bij de autoriteiten op aan systematisch gegevens te verzamelen over buitengesloten en gemarginaliseerde groepen, waaronder straatkinderen, Roma-kinderen en personen met een handicap; betreurt dat er geen gegevens over haatmisdrijven worden verzameld; blijft zich zorgen maken over het aantal Roma-kinderen in scholen voor kinderen met speciale behoeften, maar is verheugd over het systeem van staatsbeurzen om Roma-kinderen in staat te stellen de middelbare school af te maken;

48.  blijft zich zorgen maken over de aanhoudende discriminatie van Roma; benadrukt in dat opzicht dat Roma-vrouwen te kampen hebben met dubbele discriminatie, op grond van geslacht en van het behoren tot een bepaalde etnische groep, hetgeen vaak hand in hand gaat met armoede; vreest dat deze sinds lange tijd erkende dubbele discriminatie wijdverspreid, diepgeworteld en alomtegenwoordig is; vraagt de autoriteiten om dit patroon te doorbreken, en dringt sterk aan op de proactieve tenuitvoerlegging van de strategie voor inclusie van de Roma-gemeenschap en op maatregelen om de toegang tot gezondheidszorg, onderwijs, werk, huisvesting en sociaal welzijn voor Roma te waarborgen;

49.  dringt er bij de regering sterk op aan het probleem van Roma zonder persoonlijke documenten op te lossen;

50.  vraagt de regering zijn inspanningen op te voeren om de status van de Roma- en Ashkali-vluchtelingen uit Kosovo te verbeteren;

51.  is verheugd dat het aantal vrouwelijke burgemeesters is gestegen van nul naar vier van de 81 burgemeesters in het land, evenals het aantal vrouwen in het parlement, hetgeen in overeenstemming is met de genderquota; maakt zich echter zorgen over aanhoudende praktijken van vrijwillige terugtrekking van vrouwen uit de politieke besluitvorming; is ingenomen met de veranderingen in de arbeidswet om betere rechtsbescherming te verschaffen aan vrouwen die zwanger of recentelijk bevallen zijn, maar maakt zich zorgen over de hoge werkloosheid onder vrouwen; is ingenomen met de aanneming van de strategie inzake gendergelijkheid, maar merkt op dat de openbare regelingen voor gendergelijkheid nog steeds niet goed werken, en vraagt de regering de werking ervan te verbeteren en de personele en financiële middelen ervoor te verhogen; vraagt de autoriteiten om op alle beleidsterreinen genderaspecten een plaats te geven, en om de steun en initiatieven te intensiveren die erop gericht zijn de bewustwording van gendergelijkheid te doen toenemen; betreurt dat het parlement belangrijke amendementen op de wet op zwangerschapsbeëindiging heeft aangenomen in een verkorte procedure, zonder een breder maatschappelijk debat;

52.  complimenteert de regering met het feit dat zij de macro-economische stabiliteit heeft weten te behouden en is ingenomen met de terugkeer van de groei; merkt echter op dat de inkomensconvergentie langzaam is verlopen en deelt de zorgen over de vraag of het streefpercentage van 2,6 % overheidstekort tegen 2016 zal worden behaald en hoe de openbare financiën zullen worden geconsolideerd; beveelt aan dat de Commissie het land de status van "werkende markteconomie" toekent;

53.  is verheugd over de stijging van het BBP met 2,9 % in reële termen in het eerste kwartaal van 2013, vergeleken met hetzelfde kwartaal in 2012; wijst op de tendens van positieve veranderingen op de arbeidsmarkt, met een stijging van het aantal werkenden in het eerste kwartaal van 2013 met 3,9 % ten opzichte van hetzelfde kwartaal in 2012, en een afname van het aantal werklozen op jaarbasis met 4,2 %; is ingenomen met het feit dat het land in het verslag van de Wereldbank "Doing Business" in de top 10 staat van landen in de wereld die de grootste vooruitgang hebben geboekt op zakelijk gebied en op het gebied van regelgeving;

54.  is verheugd over het feit dat de Commissie voornemens is met dit land en andere landen in de regio een speciale dialoog op te starten over werkgelegenheid en sociaal beleid; pleit voor maatregelen voor een gemoderniseerde arbeidswet die volledig in overeenstemming is met de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO); benadrukt dat het land de acht verdragen over de fundamentele arbeidsrechten van de IAO heeft geratificeerd; wenst dat de capaciteit van de sociale partners wordt versterkt en de arbeids- en vakbondsrechten worden gewaarborgd; deelt de zorg over het feit dat de hoge werkloosheid, met name onder kwetsbare groepen zoals jongeren en vrouwen, één van de grootste uitdagingen voor de regering blijft, en pleit voor krachtigere maatregelen ter bestrijding van de armoede, de hoge jeugdwerkloosheid en discriminatie;

55.  wijst op de maatregelen die door de autoriteiten van het land zijn genomen in verband met de recente gevallen van landbouwproducten die met hoge concentraties bestrijdingsmiddelen naar EU-landen zijn uitgevoerd; verzoekt de Macedonische autoriteiten met name de controles te intensiveren en beter na te gaan in hoeverre de fytosanitaire EU normen in het land worden nageleefd;

56.  betreurt het feit dat het land nog niet over een alomvattend klimaatbeleid beschikt, hoewel het zich heeft aangesloten bij de standpunten van de EU op het internationale toneel; verwacht dat de regering de noodzakelijke maatregelen zal nemen om de administratieve capaciteit te versterken voor de tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake klimaatverandering;

57.  merkt op dat aanzienlijke inspanningen nodig zijn op het gebied van het milieu, in het bijzonder wat betreft waterkwaliteit, natuurbescherming, het behoud van wilde dieren en planten, en de bestrijding van verontreiniging en risicobeheer in de industrie; pleit voor inspanningen om de wetgeving op deze gebieden ten uitvoer te leggen; onderstreept dat geen grote vooruitgang kan worden geboekt zonder dat de administratieve capaciteiten naar behoren worden versterkt; vraagt de regering de noodzakelijke maatregelen in dit verband te nemen;

58.  dringt er bij de regering op aan om de samenwerking met de EU in de energiesector voort te zetten binnen het kader van de energiegemeenschap;

59.  wijst erop dat het potentieel van het land op het gebied van hernieuwbare energiebronnen onderontwikkeld is, mede door omslachtige administratieve procedures en het elektriciteitstarief; vraagt de autoriteiten in dit verband de inspanningen op dit gebied op te voeren teneinde te voldoen aan de verplichting van de energiegemeenschap om de richtlijn betreffende hernieuwbare energie begin 2014 ten volle ten uitvoer te hebben gelegd;

60.  herhaalt zijn steun aan de visumliberaliseringsregeling voor de landen op de westelijke Balkan als een belangrijke pijler van hun Europese integratieproces; verzoekt de lidstaten hun asielprocedures te verkorten voor burgers van landen van de Westelijke Balkan die zonder visum binnen het Schengengebied kunnen reizen, als doeltreffend middel om het aantal ongegronde asielaanvragen te verminderen en tegelijkertijd asielzoekers nog altijd het recht te geven hun zaak in een volwaardig gesprek uiteen te zetten;

61.  herhaalt dat er een goed evenwicht moet blijven bestaan tussen legitieme maatregelen voor de bestrijding van illegale migratie en vermijding van het opstellen van etnische profielen of andere maatregelen die discriminerend kunnen zijn met betrekking tot het recht van vrij verkeer; looft de regionale samenwerking op het gebied van migratie en vluchtelingen; dringt er met klem op aan dat de huidige EU‑visumliberaliseringsregeling voor het land wordt behouden; meent dat het land als een "veilig land van herkomst" moet worden beschouwd, om procedures voor de behandeling van aanvragen sneller te laten verlopen; vraagt de regering het bestaande vrije visumregime met buurlanden te handhaven, en zijn inspanningen op te voeren om de sociale en economische situatie van minderheden te verbeteren en discriminatie of negatieve maatregelen zoals reisbeperkingen voor mensen wier asielaanvraag in de EU is afgewezen, te voorkomen;

62.  neemt kennis van de inspanningen van de regering om de lokale wegeninfrastructuur in het land opnieuw op te bouwen, met het doel het alternatieve toerisme te ontwikkelen en het leven van de burgers te verbeteren; dringt er in dit opzicht bij het land op aan om regionale ontwikkelingsprojecten in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) dynamischer te benaderen ter versterking van de grensoverschrijdende samenwerking en de banden tussen de landen in de regio, en om deel te nemen aan de ontwikkeling van een modern en milieuefficiënt spoorwegsysteem dat Zuidoost-Europa met de rest van het continent verbindt; vraagt om verdere ontwikkeling van het vervoersbeleid en de aanpassing ervan aan het acquis;

63.  neemt nota van de bijeenkomst van de ministers van Transport van het land en van Bulgarije op 28 november 2013 in Sofia, en hoopt dat de tijdens deze bijeenkomst bevestigde toezeggingen betreffende de voltooiing van de spoorweg tussen de twee landen, op korte termijn zullen worden nagekomen, hetgeen de regio nieuwe economische perspectieven zal bieden;

64.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, alsmede aan de regering en het parlement van het land.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0453.


Voortgangsverslag 2013 over Montenegro
PDF 148kWORD 32k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2014 over het voortgangsverslag 2013 betreffende Montenegro (2013/2882(RSP))
P7_TA(2014)0104B7-0072/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst van 29 maart 2010 tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Montenegro, anderzijds(1),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 en de bijlage daarbij met als titel "De agenda van Thessaloniki voor de Westelijke Balkan: op weg naar Europese integratie",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2010 aan het Europees Parlement en de Raad over het advies van de Commissie betreffende het verzoek van Montenegro om toetreding tot de Europese Unie (COM(2010)0670),

–  gezien het verslag van 22 mei 2012 van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de vorderingen van Montenegro bij de uitvoering van de hervormingen (COM(2012)0222) en de conclusies van de Raad van 26 juni 2012 met het besluit om op 29 juni 2012 de toetredingsonderhandelingen te openen met Montenegro,

–  gezien de conclusies van de Raad Algemene zaken van 11 december 2012 over de uitbreiding en het stabilisatie- en associatieproces,

–  gezien de mededeling van de Commissie met de titel "Uitbreidingsstrategie en belangrijke uitdagingen 2013-2014" van 16 oktober 2013 (COM(2013)0700) en het daarbij gevoegde werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Voortgangsverslag 2013 over Montenegro" (SWD(2013)0411);

–  gezien de verklaring en de aanbevelingen van de zesde bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en associatiecomité EU-Montenegro van 29-30 april 2013,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Montenegro, onder meer zijn resolutie van 22 november 2012 over uitbreiding: beleid, criteria en strategische belangen van de EU(2),

–  gezien zijn resolutie van 22 oktober 2013 over het begrotingsbeheer van de pretoetredingsmiddelen van de Europese Unie op het gebied van de rechtsstelsels en de strijd tegen corruptie in de kandidaat-landen en potentiële kandidaat-landen(3) en zijn opmerkingen over Montenegro,

–  gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat EU-toetreding een belangrijke drijvende kracht moet blijven achter aanhoudende politieke, sociale en economische hervormingen;

B.  overwegende dat de EU van de rechtsstaat het kernpunt van het uitbreidingsproces heeft gemaakt;

C.  overwegende dat Montenegro vooruitgang heeft geboekt met betrekking tot zijn integratie in de EU en dat het hele politieke spectrum en de samenleving in het algemeen enthousiast zijn over het Europese project; overwegende dat het land erin is geslaagd om de hoofdstukken 25 en 26 voorlopig af te sluiten;

D.  overwegende dat de handhaving van de rechtsstaat, met name via hervormingen van het rechtsstelsel, en de bestrijding van corruptie en de georganiseerde misdaad de hoogste prioriteit hebben; overwegende dat de screening van alle hoofdstukken is afgerond; overwegende dat de onderhandelingen over de hoofdstukken 23 en 24 in december 2013 zijn geopend, overeenkomstig de "nieuwe benadering" van de Commissie om de hervormingen van de rechtspraak en het binnenlands beleid vroeg in het toetredingsproces aan te pakken;

E.  overwegende dat de onafhankelijkheid en de doeltreffendheid van de rechterlijke macht door de recente grondwetshervormingen zullen worden vergroot, zodra die volledig zijn doorgevoerd;

F.  overwegende dat financiële corruptie en georganiseerde misdaad, ook binnen instellingen, alsmede electorale wanpraktijken een ernstige bron van zorgen blijven; overwegende dat Montenegro deze moet aanpakken en degelijke resultaten moet boeken op het vlak van de rechtsstaat;

G.  overwegende dat het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol speelt in het proces van hervorming en EU-toetreding;

H.  overwegende dat regionale samenwerking bijzonder belangrijk is voor de politieke stabiliteit en voor de veiligheid en economische ontwikkeling in Montenegro en de gehele regio;

Toetredingsonderhandelingen

1.  is ingenomen met de opening van vijf nieuwe onderhandelingshoofdstukken in december 2013; is voorstander van meer schot brengen in de toetredingsonderhandelingen, op voorwaarde dat er hervormingen worden nagestreefd en doorgevoerd en er concrete resultaten worden geboekt;

2.  is ingenomen met de actieplannen van de regering met betrekking tot de hoofdstukken 23 en 24, die een uitgebreide hervormingsagenda bevatten en het ijkpunt vormen voor de opening van deze hoofdstukken;

3.  juicht toe dat de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld bij de onderhandelingsstructuren zijn betrokken; merkt desalniettemin op dat organisaties van het maatschappelijk middenveld de regering ertoe hebben opgeroepen zoveel mogelijk transparantie te tonen gedurende het onderhandelings- en toetredingsproces, onder meer door een bredere selectie van organisaties bij de werkgroepen te betrekken en uitgebreide nationale raadplegingen te organiseren;

4.  onderstreept de verantwoordelijkheid van zowel de regering als het parlement om de communicatie met het publiek te verbeteren en om alle belanghebbende partijen, organisaties van het maatschappelijk middenveld en het algemene publiek tijdig en op transparante wijze in kennis te stellen van de ontwikkelingen in de toetredingsonderhandelingen en om hun brede deelname aan dit proces te vergemakkelijken;

Politieke criteria

5.  dringt er bij alle politieke machten, zowel in de regering als in de oppositie, alsmede bij de belangrijkste sociale en economische actoren op aan om door middel van een duurzame dialoog en constructieve samenwerking de aandacht te blijven richten op de agenda inzake EU-integratie van het land;

6.  is ingenomen met de versterking van de toezichthoudende rol van het Montenegrijnse parlement, onder meer via hoorzittingen voor controle en raadpleging; dringt echter aan op een krachtigere follow-up van de conclusies van de hoorzittingen, beter toezicht op de uitvoering van aangenomen wetgeving en actievere parlementaire betrokkenheid bij de onderhandelingen; is ingenomen met de resolutie over de methode, de kwaliteit en de dynamiek van het EU-integratieproces van Montenegro, die op 27 december 2013 door het parlement van Montenegro is aangenomen; is van mening dat het parlement en de organisaties van het maatschappelijk middenveld volledig moeten worden betrokken bij het integratieproces en dat dit proces brede democratische steun nodig heeft;

7.  betreurt het feit dat een enquêtecommissie die naar aanleiding van het beruchte schandaal rond audio-opnamen dat dit jaar speelde belast was met onderzoek naar vermeend misbruik van overheidsmiddelen voor partijpolitieke doeleinden, geen politieke conclusies heeft getrokken in haar eindverslag en de gerechtelijke afhandeling in dit opzicht onvolledig is gebleven; onderstreept hoe belangrijk het is om in voorkomend geval grondig onderzoek te verrichten en passende actie te ondernemen; roept de verantwoordelijke Montenegrijnse autoriteiten derhalve op tot een snelle, vrije en eerlijke afronding van de gerechtelijke procedure, met de samenwerking van alle relevante partijen, waarbij alle delicten zorgvuldig, objectief en volledig in overeenstemming met de wet worden onderzocht; is voorts ingenomen met het onlangs aangekondigde onderzoek naar het schandaal rond video-opnamen in Cetinje, waarbij iedereen die inbreuk heeft gepleegd op de kieswet passende sancties krijgt opgelegd op basis van een eerlijk proces;

8.  benadrukt dat het vertrouwen van de bevolking in het kiesstelsel en de democratische structuren moet worden verbeterd en verzoekt het parlement de herziening van het kiesrecht te versnellen door de wetten die de verkiezingen en de financiering van politieke partijen regelen, te wijzigen, met inbegrip van de ontwerpwetgeving over één enkele kiezerslijst en de ontwerpwijzigingen van de wet op de identiteitskaarten; onderstreept dat het één-kiezersregister volledig transparant en aan controle onderworpen moet zijn; benadrukt dat deze hervormingen in overeenstemming met de sinds lang bestaande aanbevelingen van de OVSE en het ODIHR en volledig transparant moeten zijn, en dat het maatschappelijk middenveld erbij moet worden betrokken; steunt de oproep van de Commissie om een duidelijke, algemeen aanvaarde afbakening van openbare en partijpolitieke belangen vast te stellen; verzoekt de regering proactief informatie te publiceren over de staatssteun aan individuen en bedrijven, werkgelegenheid in de openbare dienstensector en andere uitgaven die van invloed kunnen zijn op het stemgedrag; merkt op dat de perceptie van corruptie net zo schadelijk kan zijn als corruptie zelf;

9.  benadrukt hoe belangrijk hervormingen van het openbaar bestuur zijn voor de toepassing van het acquis; is van oordeel dat het van essentieel belang is om het coördinatie- en toezichtmechanisme voor de uitvoering van de strategie voor overheidsdiensten te versterken en aanvullende maatregelen te treffen voor het scheppen van een transparant, professioneel, doeltreffend en op verdiensten gebaseerd openbaar bestuur; roept de autoriteiten op om bij de werving en het ontslag van ambtenaren niet de indruk te wekken dat het ambtenarenapparaat verder wordt gepolitiseerd; verzoekt tevens om de onafhankelijkheid en de capaciteiten van de diensten van de Ombudsman te versterken;

10.  is ingenomen met de grondwettelijke amendementen die tot doel hebben de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te vergroten door de politieke invloed op de benoeming van de openbare aanklagers en rechterlijke ambtenaren op alle niveaus te verlagen, via transparantere, op verdiensten gebaseerde procedures, en met name door de hoogste openbare aanklager te kiezen; neemt evenwel nota van het initiatief van de Ombudsman om de grondwettelijkheid van deze amendementen en van de bepalingen van de wet op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de verkiezing van de rechters van dat hof te beoordelen; verzoekt de bevoegde autoriteiten degelijke resultaten te boeken op het gebied van tuchtprocedures en te zorgen voor tijdige rechtspraak, in combinatie met de eenmaking van de jurisprudentie; verzoekt voorts om aanvullende wetgevings- en andere maatregelen te treffen en ten uitvoer te leggen om de politisering van de rechterlijke macht in de praktijk verder terug te dringen, onder meer door de prestaties van de rechterlijke macht objectief te evalueren, de verantwoordingsplicht van de rechterlijke macht duidelijk aan te tonen in overeenstemming met de aanbevelingen van de Commissie van Venetië, en promoties te baseren op verdiensten; onderstreept tevens dat de onafhankelijkheid van de strafrechtbanken ten opzichte van de uitvoerende macht moet worden gewaarborgd;

11.  is ingenomen met de stappen die zijn gezet om het rechtsstelsel te stroomlijnen, een doeltreffende rechtspraak te bevorderen en de achterstand met de te behandelen gevallen verder weg te werken; maakt zich evenwel zorgen over de duur van de rechtsgang, de gebrekkige infrastructuur van vele rechtbanken, de zwakke handhaving van civiele en administratieve besluiten en het gebrek aan financiële middelen voor de rechterlijke macht en de aanklagers; pleit ervoor de capaciteiten van raden voor justitie en rechtsvervolging uit te breiden en de verantwoordingsplicht en integriteitsgaranties binnen het rechtsstelsel te versterken; dringt bovendien aan op maatregelen om de toegang van burgers tot de civiele rechtspraak en schadeloosstelling te waarborgen, in overeenstemming met de Europese normen; dringt er bij de rechtbanken op aan de bestrijding van corruptie en de georganiseerde misdaad transparanter en controleerbaarder te maken;

12.  pleit voor een passende follow-up van buitengewone verslagen over oorlogsmisdaden om zo een einde te maken aan straffeloosheid, waarbij oorlogsmisdaden strenger, doeltreffender en transparanter worden onderzocht en vervolgd; benadrukt dat er aanvullende actie moet worden ondernomen om niet alleen straffeloosheid, maar ook de schijn daarvan te bestrijden; spoort de autoriteiten in dit verband aan de richtsnoeren voor de strafbepaling te herzien en het schijnbaar onevenredig hoge aantal vrijspraken in het geval van de ernstigste misdrijven te onderzoeken;

13.  looft de regering voor haar strategie voor justitiële hervorming 2007-2012, maar maakt zich zorgen over de trage uitvoering ervan; merkt op dat de voorbereidingen van de strategie voor 2013-2018 zich in een gevorderd stadium bevinden; verzoekt de regering van Montenegro derhalve zich in algemene zin te richten op de uitvoering van de bestaande strategieën, met uitgebreide en in het openbaar besproken evaluaties, en niet simpelweg de bestaande strategieën te vervangen zonder de vereiste beoordeling te verrichten; pleit ervoor dat controleorganen voor strategieën en actieplannen de norm worden;

14.  benadrukt dat er aanvullende inspanningen moeten worden verricht op het gebied van corruptiebestrijding en verzoekt om de uitvoering van de GRECO-aanbevelingen;

15.  vreest dat onderwijs, de gezondheidszorg, het verkiezingsproces, landbeheer, ruimtelijke ordening en de bouwsector, privatisering en openbare aanbesteding nog altijd kwetsbaar zijn voor corruptie; verwacht dat de opening van de onderhandelingen inzake hoofdstuk 5 (overheidsopdrachten) de noodzakelijke hervormingen op dit gebied zullen bespoedigen; is ingenomen met de oprichting van de nieuwe anticorruptiecommissie van het Parlement; dringt er bij de autoriteiten op aan de capaciteit van de toezichthoudende organen te versterken, de auditing te verbeteren, de transparantie van partijfinanciering te vergroten en de capaciteit op alle niveaus uit te breiden, teneinde onregelmatigheden bij de uitvoering van de wetten op openbare aanbesteding en de overige bovengenoemde terreinen te beperken;

16.  is bezorgd over de toenemende beperkingen van de publieke toegang tot informatie over ondernemingen en het kadaster; merkt op dat publieke toegang tot dergelijke informatie van groot belang is voor journalisten en het maatschappelijk middenveld bij het onthullen van corruptie en het belichten van banden tussen de georganiseerde misdaad en overheidsinstellingen; dringt er bij de autoriteiten op aan een hoge mate van transparantie te herstellen ten aanzien van de betreffende registers;

17.  benadrukt dat hervormingen moeten worden doorgevoerd in de strijd tegen corruptie en de georganiseerde misdaad en dat moet worden gezorgd voor doeltreffende onderzoeken, vervolgingen en veroordelingen op alle niveaus; verzoekt om meer samenwerking en coördinatie tussen rechtshandhavingsinstanties en de rechterlijke macht bij de bestrijding van de georganiseerde misdaad en corruptie op alle niveaus, en om de prestaties van de rechterlijke macht in zaken op hoog niveau te verbeteren; maakt zich ernstig zorgen over de nietigverklaring van in eerste aanleg uitgesproken vonnissen in zaken die betrekking hebben op de georganiseerde misdaad; beklemtoont dat straffeloosheid voor misdadigers die voor corruptie of georganiseerde misdaad zijn veroordeeld, niet aanvaardbaar is; verzoekt de autoriteiten ervoor te zorgen dat de overheidsdiensten en -instellingen alle passende maatregelen nemen en verantwoordelijk worden gehouden wanneer ze dit niet doen;

18.  verzoekt Montenegro te blijven deelnemen aan internationale en regionale samenwerking ter bestrijding van corruptie en de georganiseerde misdaad; pleit voor meer inspanningen op het gebied van doeltreffende grensbewaking met het oog op de bestrijding van georganiseerde misdaad en smokkel op de "Balkanroute"; benadrukt dat het toezicht moet worden opgeschroefd en dat er maatregelen moeten worden getroffen ter bestrijding van het witwassen van geld door lokale en internationale criminele groepen;

19.  benadrukt dat de Montenegrijnse regering de raadplegingen moet voortzetten en versterken en de interactie en de dialoog met het maatschappelijk middenveld, alsook met de oppositie, moet verbeteren, met het oog op meer transparantie in beleid en wetgeving, in het bijzonder met betrekking tot de toepassing van wetten en de bestrijding van corruptie en de georganiseerde misdaad; looft in dit verband de inspanningen die de regering heeft geleverd om haar werkzaamheden transparanter te maken voor het publiek en te erkennen dat er nog veel werk moet worden verricht; is ingenomen met de ruime deelname van het maatschappelijk middenveld aan de werkgroepen inzake de onderhandelingshoofdstukken van de EU, maar wijst op de bezorgdheid van sommige vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld over de aard en de kwaliteit van die deelname; betreurt de recente verslechtering van de betrekkingen tussen bepaalde delen van de regering en het maatschappelijk middenveld, waarbij van beide kanten wordt gevreesd dat onderlinge vijandigheden de gedeelde wens om de EU-integratie te bevorderen, overschaduwen; pleit derhalve voor een productieve en evenwichtige dialoog tussen alle partijen, waarbij de regering het werk van het maatschappelijk middenveld objectief ondersteunt en vergemakkelijkt en de vertegenwoordigers volledig betrekt in het politieke proces, en waarbij de organisaties van het maatschappelijk middenveld het beleid bekritiseren en de regering op eerlijke en constructieve wijze ter verantwoording roepen;

20.  stelt met tevredenheid vast dat de IPA-steun in Montenegro goed functioneert; spoort zowel de Montenegrijnse regering als de Commissie aan om de administratieve procedure voor het verkrijgen van IPA-middelen te vereenvoudigen, opdat deze steun gemakkelijker toegankelijk wordt voor kleine en niet-gecentraliseerde maatschappelijke organisaties, vakbonden en andere begunstigden;

21.  benadrukt dat Montenegro de acht IAO-verdragen betreffende fundamentele arbeidsrechten en het herziene Europees Sociaal Handvest heeft geratificeerd; onderstreept het feit dat de fundamentele arbeidsrechten en vakbondsrechten, ofschoon deze over het algemeen worden geëerbiedigd, verder moeten worden versterkt; onderstreept de belangrijke rol van een sociale dialoog en verzoekt de regering de sociale raad te versterken;

22.  onderstreept het belang van vrije, onafhankelijke en onpartijdige media in een functionerende democratie; maakt zich ernstig zorgen over de toename van verbale en fysieke intimidatie van journalisten, maar ook over de toegenomen druk vanwege financiële tekorten en gerechtelijke procedures; is diep geschokt door het feit dat er sinds augustus 2013 sprake is geweest van ten minste twee bomaanslagen op en circa een half dozijn gevallen van fysieke agressie tegen journalisten; betreurt het ten zeerste dat Montenegro thans op de 113e plaats staat van de persvrijheidindex van Verslaggevers zonder grenzen; wijst opnieuw op het belang van het stimuleren van verantwoordelijke media, redactionele onafhankelijkheid en diversiteit van de eigendom van de media in overeenstemming met de Europese normen; benadrukt dat alle spelers uit de politiek en de media verantwoordelijk zijn voor het scheppen van een klimaat waarin verschillende meningen worden getolereerd; is van oordeel dat het van essentieel belang is dat er wordt bijgedragen aan de bescherming van journalisten en de persvrijheid; verzoekt om alle tegen journalisten gerichte bedreigingen en aanvallen adequaat te onderzoeken en vervolgen, met inbegrip van eerdere, onopgeloste delicten; is ingenomen met het besluit een speciaal orgaan op te zetten om toezicht te houden op de onderzoeksprocedures bij moorden en aanvallen op journalisten, dat kan bijdragen aan meer vertrouwen tussen de staat en de media;

23.  wijst op de bijzondere rol van onafhankelijke en duurzame publieke media bij het versterken van de persvrijheid en de democratie, en verzoekt de autoriteiten de wet op de Montenegrijnse radio en televisie ten volle te eerbiedigen, met inbegrip van de rechtswaarborgen die de betaalbaarheid van de publieke media garanderen, zodat deze hun maatschappelijke taken kunnen vervullen;

24.  verzoekt om betere getuigenbescherming en de vaststelling van een wet op de bescherming van klokkenluiders;

25.  benadrukt dat alle politieke actoren verantwoordelijk zijn voor het creëren van een klimaat van verdraagzaamheid en betrokkenheid voor alle minderheden in het land; is ingenomen met het minderhedenbeleid van de regering, dat met name de verdere integratie van de Albanese gemeenschap in Montenegro heeft bevorderd; is van oordeel dat de situatie van sociaal kwetsbare groepen moet worden verbeterd, bijvoorbeeld door mensen met een handicap toegang te bieden tot onderwijs en zorgvoorzieningen, evenals fysieke toegang tot overheidsgebouwen; is ingenomen met het recente actieplan voor de Roma van de regering, maar pleit voor aanvullende onderwijs- en werkgelegenheidsvoorzieningen voor de Roma en andere minderheden, die nog altijd worden gediscrimineerd, met name voor wat betreft de beperkte toegang tot onderwijs voor Roma-, Asjkali- en Egyptische kinderen;

26.  merkt op dat vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn op vele terreinen van de Montenegrijnse samenleving, zoals in het parlement, in de besluitvorming en op de arbeidsmarkt; verzoekt de regering meer inspanningen te leveren om de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, de relevante financiële en personele middelen te verhogen, de uitvoering van het actieplan inzake gendergelijkheid te waarborgen, het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk in te voeren, en een bredere participatie van vrouwen, met name in de politiek, te stimuleren;

27.  maakt zich zorgen over de hoge mate van intolerantie ten opzichte van homoseksualiteit in Montenegro, en de veelvuldige geweldsdaden en -dreigingen alsook haatuitingen tegen homorechtenactivisten; betreurt het feit dat de meeste prominente LGBTI-activisten uit veiligheidsoverwegingen asiel hebben aangevraagd in het buitenland; is evenwel ingenomen met de nieuwe strategie van de regering voor het verbeteren van de kwaliteit van leven van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen, maar legt de nadruk op de uitvoering ervan; onderstreept met name de noodzaak om het publiek te onderrichten en te informeren om een mentaliteitsverandering te bevorderen; looft de regering en de politie met name voor hun steun voor en het faciliteren van de eerste Pride Parades die dit jaar zijn gehouden in Budva en Podgorica; benadrukt dat het tijdens de optochten gepleegde geweld tegen homo's volledig moet worden onderzocht en dat de daders moeten worden vervolgd; spoort de autoriteiten aan de verdraagzaamheid jegens lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen verder te bevorderen en strafbare feiten tijdig te vervolgen; benadrukt de noodzaak om de maatschappelijke acceptatie te vergroten en een einde te maken aan de discriminatie jegens homoseksuelen;

28.  is bezorgd over het aanhoudende geweld tegen vrouwen en kinderen, en vreest dat velen dit als sociaal aanvaardbaar beschouwen; betreurt de trage ontwikkeling van gezins- en gemeenschapsgerichte diensten; verzoekt de regering het publiek meer bewust te maken van geweld binnen gezinnen en geweld tegen vrouwen, en van het recht van het kind op bescherming tegen elke vorm van geweld, verwaarlozing of uitbuiting; is ingenomen met de nieuwe maatregelen van de regering om huiselijk geweld aan te pakken, de rechten van kinderen te versterken en beroepsopleidingen te ontwikkelen, maar pleit voor aanvullende maatregelen met het oog op een doeltreffende uitvoering van de wet op bescherming tegen familiaal geweld, met name wat betreft de bescherming, ondersteuning en toegang tot de rechter van de slachtoffers, de ontwikkeling en coördinatie van preventieprogramma's en een grotere verantwoordingsplicht voor de daders;

Sociaal-economische kwesties

29.  verzoekt de regering de nadruk te leggen op toenemende economisch groei om armoede te bestrijden en de levensstandaard van alle burgers te verbeteren, onder meer door te onderzoeken of de sociale zekerheid kan worden hervormd, en om regionale verschillen te verkleinen; roept op tot meer inspanningen om de omvangrijke informele sector aan te pakken en de bescherming van intellectuele eigendomsrechten en het algemene rechtsstelsel te verbeteren, teneinde corruptie stelselmatig te bestrijden en het bedrijfsklimaat te verbeteren, en om structurele hervormingen door te voeren met het oog op het aantrekken en handhaven van buitenlandse directe investeringen, die van cruciaal belang zijn om de economie te diversifiëren;

30.  beklemtoont dat handelsgeschillen moeten worden beslecht op een transparante manier die vrij is van politieke inmenging en gebaseerd is op de rechtsstaat teneinde het ondernemingsklimaat verder te verbeteren; pleit ervoor het geschil rond de aluminiumfabriek KAP spoedig te beslechten; benadrukt dat privatiseringen op een eerlijke, zorgvuldige, transparante en ordelijke manier moeten geschieden; wijst op de problemen met betrekking tot staatssteun en verzoekt om transparantie en duurzaamheid wanneer deze wordt toegekend, overeenkomstig het acquis en de stabilisatie- en associatieovereenkomst; is ingenomen met de inspanningen van de regering om de toenemende staatsschuld en het grote structurele begrotingstekort aan te pakken; roept op tot meer activiteiten om de toekomstige tenuitvoerlegging van het IPA-programma voor plattelandsontwikkeling te waarborgen en om wetgeving inzake waterkwaliteit te ontwikkelen overeenkomstig het acquis;

31.  merkt op dat de nieuwe wet op openbare aanbesteding in januari 2012 van kracht is geworden, maar dat deze in de praktijk, in het bijzonder in de gezondheidszorg, niet doeltreffend genoeg wordt uitgevoerd; verzoekt de Montenegrijnse autoriteiten om meer transparantie te betrachten bij alle aanbestedingsprocedures en om actieplannen op te stellen met heldere doelstellingen, procedures en termijnen, teneinde de nieuwe wet op openbare aanbesteding op doeltreffende wijze te handhaven en de wetgeving inzake concessies, nutsvoorzieningen en overheidsopdrachten op defensiegebied in overeenstemming te brengen met het acquis communautaire;

32.  prijst de uitvoering van de Small Business Act; verzoekt om een verhoging van de overheidssteun voor kmo's als drijvende kracht achter economische groei; verzoekt om de eenmaking van gefragmenteerde strategieën die de doeltreffendheid van instrumenten voor ondernemingen en de industrie belemmeren;

33.  is bezorgd over de onveranderde situatie op de arbeidsmarkt en dringt derhalve aan op doortastende maatregelen om het hoofd te bieden aan de hoge werkloosheid, met name onder jongeren die op zoek zijn naar een eerste baan, en om de slecht functionerende arbeidsmarkt een impuls te geven; roept de regering op ervoor te zorgen dat de uitvoering van de arbeidswetgeving in overeenstemming is met de IAO-normen, onder meer door de inspecties te verbeteren; benadrukt dat de grijze economie moet worden aangepakt; pleit voor een versterking van de tripartiete sociale dialoog;

34.  spoort Montenegro aan verdere inspanningen te leveren op het gebied van milieu en klimaatverandering door de bestuurlijke capaciteit voor de uitvoering van de desbetreffende EU-beleidsmaatregelen en -wetgeving te versterken om te zorgen voor overeenstemming met het acquis op het gebied van milieu en klimaatverandering;

35.  merkt op dat illegale bouwwerkzaamheden, met name in de toeristische gebieden, een groot probleem zijn in Montenegro; roept de Montenegrijnse autoriteiten op duurzame ontwikkeling in het land krachtig te bevorderen; benadrukt dat de ontwikkeling van het toerisme in overeenstemming moet zijn met de bescherming van het milieu;

Regionale samenwerking

36.  is ingenomen met de proactieve deelname van Montenegro aan initiatieven zoals die over regionale verzoening en het project "de Zes van de Westelijke Balkan", en de wens van de regering om het voortouw te nemen bij regionale samenwerkingsinitiatieven; verzoekt Montenegro zijn culturele en economische samenwerking met aangrenzende EU-lidstaten te versterken; prijst de regering voor het onderhouden van goede bilaterale betrekkingen met al haar buurlanden, met inbegrip van Kosovo, maar benadrukt dat het geschil met Kroatië over land- en zeegrenzen spoedig moet worden beslecht, met name in het licht van eerste offshore-olie-exploratie; moedigt de definitieve afbakening van de grenzen met Servië, Bosnië en Herzegovina en Kosovo aan om potentiële bronnen van spanning weg te nemen; is ingenomen met de vorderingen op het vlak van het proces van de verklaring van Sarajevo, met inbegrip van de uitvoering van het regionale huisvestingsprogramma; pleit voor verdere samenwerking met de buurlanden via de uitwisseling van ervaringen met de toetredingsonderhandelingen;

37.  is ingenomen met de recente bezoeken van premier Dačić aan Podgorica en van premier Đukanović aan Belgrado, de eerste premierbezoeken sinds Montenegro onafhankelijk werd; looft deze bezoeken als een sterk signaal van verzoening en van toegenomen betrokkenheid en openheid aan beide kanten, hetgeen een goed voorteken is voor verdere regionale en Europese integratie;

38.  benadrukt dat de goede betrekkingen die Montenegro onderhoudt met de landen in de regio een basis vormen voor vruchtbare onderhandelingen met de EU, en dat het land zelf een voorbeeld is van samenwerking en inzet voor vrede en stabiliteit in de Westelijke Balkanregio;

39.  is ingenomen met de recente inspanningen van de regering om intern ontheemden te registreren en hun status te verduidelijken, maar beseft dat dit moeilijk is, ook met betrekking tot het wegnemen van de administratieve lasten; roept de EU en de andere Balkanpartners op de Montenegrijnse regering bij te staan om deze kwestie zo snel mogelijk op te lossen en een pijnlijk hoofdstuk in de geschiedenis van de regio af te sluiten;

40.  is ingenomen met de inzet van de Montenegrijnse regering om lid te worden van de NAVO, maar wijst op de sterk uiteenlopende opvattingen in het parlement en in de samenleving als geheel; spreekt zijn vertrouwen uit dat de inspanningen van Montenegro om lid te worden van de NAVO ten goede zullen komen aan zijn streven om lid te worden van de EU en de regionale samenwerking en veiligheid zullen verbeteren; prijst met name de bijdrage die Montenegro, ondanks de beperkte defensiemiddelen, levert aan de VN- en de GVDB-missies, onder meer in Afghanistan, Liberia en Mali; is ingenomen met dit duidelijke signaal van de inzet van Montenegro om samen met de internationale partners wereldwijde vrede en stabiliteit te bevorderen;

o
o   o

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regering en het parlement van Montenegro.

(1) PB L 108 van 29.4.2010, blz. 3.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0453.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0434.


Uitbannen van vrouwelijke genitale verminking
PDF 123kWORD 24k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2014 over de mededeling van de Commissie "Naar het uitbannen van vrouwelijke genitale verminking" (2014/2511(RSP))
P7_TA(2014)0105B7-0091/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Vrouwelijke genitale verminking uitbannen" (COM(2013)0833),

–  gezien het verslag van het Europees Instituut voor gendergelijkheid getiteld "Female genital mutilation in the European Union and Croatia",

–  gezien resolutie 67/146 van de Algemene Vergadering van de VN betreffende het intensiveren van de wereldwijde inspanningen om een halt toe te roepen aan vrouwelijke genitale verminking,

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2012 over genitale verminking van vrouwen(1),

–  gezien zijn resolutie van 5 april 2011 over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen(2),

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2009 over de strijd tegen genitale verminking van vrouwen in de EU(3),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2008 over de mededeling getiteld "Naar een EU-strategie voor de rechten van het kind"(4),

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad(5),

–  gezien de strategie van de Commissie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (2010-2015), die op 21 september 2010 werd gepresenteerd,

–  gezien het programma van Stockholm - Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger(6),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa van 12 april 2011 inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanboel),

–  gezien de artikelen 6 en 7 van het EU-Verdrag over de eerbiediging van de mensenrechten (algemene beginselen) en de artikelen 12 en 13 van het EG-verdrag (niet-discriminatie),

–  gezien algemene aanbeveling nr. 14 over vrouwenbesnijdenis van het VN-comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen, aangenomen in 1990,

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in zijn resolutie van 5 april 2011 over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen, het Parlement geweld tegen vrouwen omschrijft als "iedere daad van gendergerelateerd geweld, die resulteert in of die vermoedelijk resulteert in lichamelijke, seksuele of psychologische schade of leed voor vrouwen, inclusief dreigingen met dergelijke daden, dwang of willekeurige vrijheidsberoving, ongeacht het feit of dit plaatsvindt in het openbaar of in het privéleven(7)";

B.  overwegende dat vrouwelijke genitale verminking (VGV) een vorm van tegen vrouwen en meisjes gericht geweld is die een schending van hun grondrechten inhoudt en in strijd is met de beginselen neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en overwegende dat het absoluut noodzakelijk is om de strijd tegen vrouwelijke genitale verminking te integreren in een algemene en samenhangende benadering van de bestrijding van geweld tegen vrouwen;

C.  overwegende dat vrouwelijke genitale verminking in 2008 door de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) is omschreven als bestaande uit alle praktijken waarbij gedeeltelijke of gehele verwijdering van de externe vrouwelijke seksuele organen om niet-medische redenen plaatsvindt, met inbegrip van sunna-besnijdenis of clitoridectomie (gedeeltelijke of volledige verwijdering van de clitoris) en excisie (verwijdering van de clitoris en de kleine schaamlippen), en de meest extreme praktijk van VGV, infibulatie (vernauwing van de vaginale opening door wegsnijden en aan elkaar hechten van de kleine schaamlippen);

D.  overwegende dat de WGO ervan uitgaat dat ongeveer 140 miljoen kinderen, jonge meisjes en vrouwen wereldwijd deze gruwelijke vorm van genderspecifiek geweld hebben ondergaan; overwegende dat, volgens de WGO, genitale verminking meestal zijn uitgevoerd op meisjes in hun kindertijd tot de leeftijd van 15; overwegende dat van deze wrede praktijken melding is gemaakt in 28 Afrikaanse landen, Yemen, Noord-Irak en Indonesië;

E.  overwegende dat VGV een gruwelijke praktijk is die niet alleen in derde landen plaatsvindt maar ook vrouwen en kinderen in de EU raakt, die VGV op EU-grondgebied ondergaan of voor hun vertrek naar de EU, in hun land van herkomst, of tijdens een reis buiten de EU(8); overwegende dat, volgens de Hoge Commissaris van de VN voor Vluchtelingen, rond 20 000 vrouwen en meisjes afkomstig uit landen waar VGV-praktijken plaatsvinden, jaarlijks asiel in de EU aanvragen, waarvan 9 000 reeds zijn verminkt(9), en er naar schatting tot 500 000(10) vrouwen in EU verblijven die VGV hebben ondergaan of het risico daarop lopen, en dat vervolging voor dit misdrijf nog steeds weinig voorkomt;

F.  overwegende dat VGV dikwijls thuis plaatsvindt, onder matige, onhygiënische omstandigheden en vaak zonder verdoving of medische kennis, en verscheidene zeer ernstige en vaak onherstelbare of fatale gevolgen heeft voor zowel de lichamelijke als de geestelijke gezondheid van vrouwen en meisjes en schadelijk is voor hun seksuele en reproductieve gezondheid;

G.  overwegende dat VGV duidelijk ingaat tegen de Europese fundamentele waarde van gelijkheid van mannen en vrouwen en traditionele waarden in stand houdt volgens welke vrouwen voorwerpen zijn die tot het eigendom van mannen behoren; overwegende dat culturele en traditionele waarden onder geen enkele omstandigheid kunnen dienen als rechtvaardiging van de praktijk van genitale verminking van kinderen, jonge meisjes of vrouwen;

H.  overwegende dat de bescherming van de rechten van het kind in talrijke lidstaten diepgeworteld en in Europese en internationale verdragen en wetgeving verankerd is, en overwegende dat geweld tegen vrouwen in het algemeen, met inbegrip van jonge meisjes, niet kan worden gerechtvaardigd op grond van culturele tradities of diverse vormen van initiatieriten;

I.  overwegende dat de preventie van VGV een internationale grondrechtenverplichting van elke lidstaat vormt op grond van algemene aanbeveling nr. 14 over vrouwenbesnijdenis van het VN-comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen en Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, waarin VGV aangeduid wordt als een vorm van genderspecifiek geweld en met het oog waarop, onder meer, minimumnormen voor de bescherming vastgesteld moeten worden;

1.  is ingenomen over de mededeling van de Commissie getiteld "Vrouwelijke genitale verminking uitbannen", waarin zij het plan opvat om met EU-gelden de preventie van VGV en de verbetering van hulp aan slachtoffers te financieren, met inbegrip van bescherming van vrouwen die risico lopen vanwege de EU-asielwetgeving, en om samen met de Europese Dienst extern optreden (EDEO) de internationale dialoog te versterken en een impuls te geven aan onderzoek dat beoogt de situatie van vrouwen en meisjes die het risico lopen te worden verminkt, in kaart te brengen;

2.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken tussen lidstaten, ngo's en deskundigen over VGV-vraagstukken te vergemakkelijken, en benadrukt de noodzaak om hierbij het maatschappelijk middenveld te blijven betrekken, ook in derde landen, niet alleen bij voorlichtingscampagnes maar ook bij de ontwikkeling van educatief materiaal en opleidingen;

3.  wijst erop dat instellingen op internationaal, Europees en op lidstaatniveau een cruciale rol spelen bij de preventie van VGV, de bescherming van vrouwen en meisjes en de identificatie van slachtoffers en bij het treffen van maatregelen om genderspecifiek geweld, waaronder VGV, uit te bannen, en is verheugd over de toezegging van de EU om zich te blijven inzetten om de afschaffing van VGV te bevorderen in de landen waar dit wordt gepraktiseerd;

4.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om onverwijld een voorstel in te dienen voor een wetgevingshandeling van de EU tot vaststelling van preventiemaatregelen ten aanzien van alle vormen van geweld tegen vrouwen (waaronder VGV) en, zoals aangegeven in het programma van Stockholm, een omvattende EU-strategie ten aanzien van dit vraagstuk, inclusief meer gestructureerde gezamenlijke actieplannen ter beeïndiging van VGV in de EU;

5.  benadrukt de noodzaak dat de Commissie en de EDEO zich krachtig opstellen ten aanzien van derde landen die VGV niet veroordelen;

6.  verzoekt de Commissie om een geharmoniseerde aanpak van de verzameling van gegevens over VGV, en vraagt het Europees Instituut voor gendergelijkheid demografen en statistici te betrekken bij de ontwikkeling van een gemeenschappelijke methode en in overeenstemming met de mededeling indicatoren door hen te laten opstellen, om ervoor te zorgen dat vergelijking tussen lidstaten mogelijk is;

7.  verzoekt andermaal de lidstaten om van bestaande mechanismen gebruik te maken, met name Richtlijn 2012/29/EU, met inbegrip van scholing van vakmensen ter bescherming van vrouwen en meisjes, en door te gaan met de vervolging en bestraffing van elke inwoner die het misdrijf van VGV heeft begaan, zelfs als het misdrijf buiten de grenzen van de betrokken lidstaat heeft plaatsgevonden, en verzoekt derhalve dat het extraterritorialiteitsbeginsel in de strafrechtelijke bepalingen wordt opgenomen van alle lidstaten, zodat het misdrijf in de 28 lidstaten op gelijke wijze strafbaar is;

8.  verzoekt de EU en de lidstaten die het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanboel) nog niet hebben geratificeerd, dit onverwijld te doen zodat de inspanningen van de EU overeenkomen met de internationale normen ter bevordering van een holistische en geïntegreerde benadering van geweld tegen vrouwen en van VGV;

9.  verzoekt de Commissie om 2016 aan te wijzen als het Europees Jaar tot beëindiging van geweld tegen vrouwen en meisjes;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Raad van Europa, de secretaris-generaal van de VN en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 87.
(2) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 26.
(3) PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 52.
(4) PB C 41 E van 19.2.2009, blz. 24.
(5) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(6) PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.
(7) Artikel 1 van de Verklaring van de Verenigde Naties over de uitbanning van geweld tegen vrouwen van 20 december 1993 (A/RES/48/104); punt 113 van het actieprogramma van Peking van de Verenigde Naties van 1995.
(8) EIGE, Female genital mutilation in the European Union and Croatia, 2013.
(9) Bijdrage van de UNHCR aan de raadpleging van de Commissie over vrouwelijke genitale verminking in de EU, 2013.
(10) Waris, D. en Milborn, C., Desert Children, Virago, VK, 2005.


NAIADES II: een actieprogramma ter ondersteuning van het vervoer over binnenwateren
PDF 118kWORD 23k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2014 over NAIADES II: een actieprogramma ter ondersteuning van het vervoer over binnenwateren (2013/3002(RSP))
P7_TA(2014)0106B7-0094/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de vraag voor mondeling antwoord aan de Commissie over NAIADES II - een actieprogramma ter ondersteuning van het vervoer over binnenwateren (O-000016/2014 – B7‑0104/2014),

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2006 over het bevorderen van de binnenvaart: NAIADES, een geïntegreerd Europees actieplan voor de binnenvaart(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 september 2013 getiteld "Naar een hoogwaardige binnenvaart NAIADES II" (COM(2013)0623),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over het stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 januari 2006 betreffende het bevorderen van de binnenvaart “NAIADES” - Geïntegreerd Europees Actieplan voor de binnenvaart (COM(2006)0006),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 10 september 2013 getiteld "Vergroening van de vloot: beperking van verontreinigende emissies in het vervoer over binnenwateren" (SWD(2013)0324),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de binnenvaartsector een aanzienlijke bijdrage levert aan het EU-vervoersysteem door goederen tussen de havens van de EU en het achterland te vervoeren;

B.  overwegende dat vervoer over de binnenwateren energie-efficiënt is en bijdraagt aan de doelstellingen van een koolstofarme economie als bedoeld in het witboek van de EU inzake vervoersbeleid;

C.  overwegende dat, indien het volledige potentieel van vervoer over de binnenwateren wordt benut, de binnenvaartsector een belangrijke rol in Europa zou kunnen vervullen bij de oplossing van file- en milieuproblematiek veroorzaakt door goederen die via zeehavens worden geïmporteerd;

D.  overwegende dat de binnenvaartvloot moet worden gemoderniseerd en aangepast aan de technische vooruitgang, teneinde de milieuprestaties van de vaartuigen verder te verbeteren, onder meer door voor rivieren geschikte schepen voor duurzame binnenvaart (River Adapted Ships for Sustainable Inland Navigation - Rassin) te ontwikkelen, en het concurrentievoordeel van vervoer over binnenwateren aldus te waarborgen;

E.  overwegende dat de slechte economische situatie in Europa tevens gevolgen heeft gehad voor de binnenvaartsector, en overwegende dat de scheepvaartindustrie voor de binnenvaart zich in zwaar economisch weer bevindt;

F.  overwegende dat de huidige overcapaciteit een verwoestend effect heeft op de scheepvaartindustrie voor de binnenvaart;

G.  overwegende dat de structuur van de binnenvaartsector grotendeels is gebaseerd op kmo´s, dat wil zeggen kleine ondernemers die met hun familie op de vaartuigen wonen en werken, en overwegende dat deze kmo´s uiterst kwetsbaar zijn voor de crisis;

H.  overwegende dat sociale normen zoals werktijden en onderwijs voor deze sector van essentieel belang zijn;

I.  overwegende dat slechts beperkte financiële middelen aan de binnenvaartsector worden toegekend en dat toegang tot financiering steeds moeilijker wordt;

1.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie om het programma NAIADES voor 2020 te actualiseren en te vernieuwen;

2.  ondersteunt de specifieke maatregelen die in het actieprogramma NAIADES II voor de periode 2014-2020 zijn opgenomen;

3.  betreurt dat de Commissie het NAIADES II-voorstel niet heeft voorzien van adequate en gerichte financiering teneinde de doelstellingen van het actieprogramma te verwezenlijken, en dringt in dit verband aan op een goedgestructureerd beleid met haalbare korte- en middellangetermijndoelstellingen en een concreet stappenplan waarin onder meer de middelen voor de tenuitvoerlegging worden gedefinieerd;

4.  verzoekt de Commissie zo snel mogelijk te voorzien in maatregelen waarin rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van een sector die grotendeels op kmo´s steunt;

5.  onderstreept het belang van kwalitatief hoogwaardige infrastructuur als een voorwaarde om de binnenvaart en binnenhavens te ontwikkelen en te integreren in het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-V); dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan alle belangrijke knelpunten op te nemen in de goed te keuren corridor-uitvoeringsplannen en onderstreept dat de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (Connecting Europe Facility - CEF) prioritair financiering verstrekt aan de ontwikkeling van infrastructuur voor groenere vervoerswijzen, zoals de binnenvaart;

6.  is ingenomen met het feit dat de binnenwateren zijn opgenomen in zes van de negen corridors van het kernnetwerk van het TEN-V en spreekt de hoop uit dat knelpunten en ontbrekende schakels op gepaste wijze zullen worden aangepakt, gegeven dat de CEF prioriteit verleent aan de financiering van het wegnemen van knelpunten, het overbruggen van ontbrekende schakels en, in het bijzonder, de verbetering van grensoverschrijdende secties van het kernnetwerk; herinnert eraan dat de CEF eveneens prioriteit zal verlenen aan de financiering van telematicatoepassingen die fungeren als informatiediensten voor de binnenvaart (River Information Services - RIS);

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten bijzondere aandacht te schenken aan vrijstromende rivieren die nog vrijwel in natuurlijke staat verkeren en waarvoor dus specifieke maatregelen kunnen worden genomen; beklemtoont dat de hand moet worden gehouden aan de milieuwetgeving van de EU zoals de artikelen 16 en 36 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T);

8.  wijst er met klem op dat de lidstaten niet alleen de verplichting hebben het kernnetwerk te voltooien, maar tevens de verantwoordelijkheid dragen om door geregeld onderhoud in adequate en betrouwbare infrastructuur te voorzien zodat een goede bevaarbaarheid wordt gegarandeerd, teneinde de rol van de binnenvaart als een betrouwbare en kosteneffectieve vervoerswijze te waarborgen;

9.  verzoekt de Commissie de integratie van de RIS, de marktobservatiegegevens met betrekking tot de binnenvaart en de instrumenten voor TEN-V-corridors te bespoedigen, teneinde geïntegreerde governance voor multimodaal vervoer te ondersteunen; ondersteunt de uitbreiding van de uitwisseling van RIS-gegevens en de integratie ervan in informatiestromen van andere vervoerswijzen, teneinde de integratie van de binnenvaart met andere vervoerswijzen te vergemakkelijken, en dringt er bij de Commissie op aan snel plannen te ontwikkelen om deze integratie te laten plaatsvinden;

10.  dringt er bij de Commissie op aan de toepassing van optimale werkwijzen inzake de integratie van vervoersdiensten over de binnenwateren in multimodale logistieke ketens, te ondersteunen;

11.  onderstreept het belang van passende financiering voor nieuwe technologie, innovatie en duurzame goederenvervoersdiensten in het kader van de bestaande EU-programma´s zoals de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, Horizon 2020 en het cohesiefonds, teneinde innovatie te stimuleren en de milieuprestaties van de binnenvaart te verbeteren, en verzoekt de Commissie om concrete financieringsprogramma´s te ontwikkelen om deze doelstelling te verwezenlijken;

12.  dringt er bij de Commissie op aan met voorstellen te komen inzake de vraag hoe de reservefondsen kunnen worden benut in combinatie met beschikbare financiële instrumenten van bestaande Uniefondsen zoals de CEF en van de Europese Investeringsbank;

13.  vraagt de lidstaten hun nationale strategieën om het vervoer over de binnenlandse waterwegen te stimuleren, verder te ontwikkelen, met inachtneming van het Europees actieprogramma, en regionale en plaatselijke overheden en havenautoriteiten ertoe aan te moedigen hetzelfde te doen;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 313 E van 20.12.2006, blz. 443.
(2) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 72.


Situatie in Thailand
PDF 124kWORD 24k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2014 over de situatie in Thailand (2014/2551(RSP))
P7_TA(2014)0107RC-B7-0122/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn vorige resoluties over Thailand van 5 februari 2009(1), 20 mei 2010(2) en 17 februari 2011(3),

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien de universele periodieke toetsing van Thailand door de VN-Mensenrechtenraad en de aanbevelingen daarvan van 5 oktober 2011,

–  gezien de verklaringen van de woordvoerder van Catherine Ashton, de hoge vertegenwoordiger van de EU, van 26 november 2013 over de politieke situatie in Thailand, van 13 december 2013 en 23 januari 2014 over de recente gebeurtenissen in Thailand, en van 30 januari 2014 over de aanstaande verkiezingen,

–  gezien de verklaring van de delegatie van de Europese Unie van 2 december 2013, die in overleg met de hoofden van de EU-vertegenwoordigingen in Thailand is opgesteld,

–  gezien de persbriefings van de woordvoerder van de hoge commissaris van de VN voor mensenrechten van 26 december 2013 en 14 januari 2014,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966,

–  gezien de Grondbeginselen van de Verenigde Naties voor het gebruik van geweld en vuurwapens door politiefunctionarissen van 1990,

–  gezien de artikelen 122, lid 5, en 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in november 2013 in Thailand demonstraties uitbraken nadat het lagerhuis van het parlement van het land had ingestemd met een door de regeringspartij Pheu Thai (PTP) ingediende wet die amnestie toekende voor verschillende misdaden die sinds 2004 door politieke leiders en regeringsfunctionarissen, waaronder de voormalige premier Thaksin Shinawatra, de broer van de huidige premier Yingluck Shinawatra, zijn begaan; overwegende dat de voormalige premier zich sinds 2008 in zelfverkozen ballingschap bevindt om te voorkomen dat hij de aan hem - na een veroordeling in verband met aan corruptie gerelateerde praktijken - opgelegde gevangenisstraf van twee jaar zou moeten uitzitten;

B.  overwegende dat op 11 november 2013 in Bangkok onder aanvoering van de voormalige vicepremier Suthep Thaugsuban, de leider van de anti-regeringsgroep People’s Democratic Reform Committee (PDRC), vreedzame demonstraties tegen het voorstel voor de amnestiewet uitbraken; overwegende dat de straatprotesten doorgingen ondanks de verwerping van de amnestiewet door de Thaise senaat;

C.  overwegende dat het constitutioneel hof op 20 november 2013 een voorstel tot wijziging van de grondwet waarmee de senaat in een volledig gekozen orgaan zou worden omgevormd, verwierp, evenals een verzoek van de oppositie betreffende ontbinding van de Pheu Thai-partij, hetgeen de anti-regeringsprotesten verder aanwakkerde;

D.  overwegende dat vicepremier Suthep Thaugsuban de regering ervan heeft beschuldigd onwettig te zijn en heeft voorgesteld het parlement te vervangen door een onverkozen ‘volksraad’, die politieke en institutionele hervormingen zou moeten implementeren;

E.  overwegende dat tijdens de vele maanden van onrust meerdere mensen zijn gedood en honderden mensen gewond zijn geraakt, waaronder Kwanchai Praipana, een van de leiders van de Thaise regeringsgezinde fractie, die op 22 januari 2014 door schoten werd verwond, alsook Suthin Tharatin, een van de leiders van een Thaise anti-regeringsbeweging, die op 26 januari 2014 werd doodgeschoten;

F.  overwegende dat premier Yingluck Shinawatra op 21 januari 2014 in de hoofdstad Bangkok en de omringende provincies voor een periode van zestig dagen de noodtoestand heeft afgekondigd, in het kader waarvan openbare bijeenkomsten van meer dan vijf personen verboden zijn, personen die van het plegen van geweld verdacht worden tot dertig dagen kunnen worden vastgehouden, nieuwsberichten die geacht worden tot geweld aan te zetten kunnen worden gecensureerd, en regeringsorganen en ‑functionarissen die bij de handhaving van het decreet betrokken zijn immuniteit tegen strafrechtelijk vervolging genieten;

G.  overwegende dat het constitutioneel hof op 24 januari 2014 bepaalde dat de verkiezingen vanwege de onrust mochten worden uitgesteld, maar dat de regering besloot vanaf 26 januari 2014 toch vervroegde verkiezingen te houden;

H.  overwegende dat in Thailand op 2 februari 2014 algemene verkiezingen hebben plaatsgevonden en dat het stemmen begon op 26 januari 2014, ondanks de oproep van de kiescommissie om de verkiezingen vanwege de aanhoudende onrust uit te stellen;

I.  overwegende dat de belangrijkste oppositiepartij, de ‘democratische partij’, had aangekondigd niet aan de voor 2 februari 2014 geplande verkiezingen deel te zullen nemen;

J.  overwegende dat op 26 januari 2014 het stemmen in 83 van de 375 kiesdistricten in het hele land is gestaakt omdat anti-regeringsdemonstranten de toegang tot kiesbureaus blokkeerden, verkiezingsfunctionarissen tegenhielden en kiezers ervan weerhielden hun stemrecht uit te oefenen;

K.  overwegende dat de premier, ondanks de lage opkomst en na een ontmoeting met de kiescommissie op 28 januari 2014, bevestigde dat 2 februari 2014 als geplande verkiezingsdatum zou worden gehandhaafd;

L.  overwegende dat in negen provincies helemaal niet is gestemd en dat demonstranten naar verluidt in delen van Bangkok en het zuiden van het land het verkiezingsproces hebben ontregeld, waardoor 8,75 miljoen kiezers in naar schatting 69 van de 375 kiesdistricten problemen hadden om hun stem uit te brengen;

M.  overwegende dat de Thaise wetgeving bepaalt dat het parlement niet bijeen kan komen als niet ten minste 95% (d.w.z. 475 zetels) van de in totaal 500 zetels zijn bezet; overwegende dat dit betekent dat in de betroffen districten nieuwe verkiezingen zullen moeten worden gehouden;

N.  overwegende dat het parlement niet bijeen zal kunnen komen en dat geen nieuwe regering gevormd zal kunnen worden, met het daaraan gerelateerde risico van het ontstaan van een politiek vacuüm, waardoor de crisis waarschijnlijk zal voortbestaan;

1.  maakt zich ernstige zorgen over het feit dat de politieke en sociaal-economische verschillen in Thailand zich steeds meer vertalen in gewelddadige botsingen tussen de regering en de oppositie, en tussen demonstranten en veiligheidstroepen, en geeft uiting aan zijn solidariteit met het Thaise volk, dat onder de onrust te lijden heeft, en alle families van wie dierbaren de afgelopen maanden zijn gedood of verwond;

2.  vraagt de Thaise autoriteiten een diepgaand onderzoek in te stellen naar alle gevallen van recent geweld waarbij doden en gewonden zijn gevallen, en de verantwoordelijken te vervolgen;

3.  vraagt alle partijen de beginselen van de rechtstaat en democratie te eerbiedigen; onderstreept dat verkiezingen vrij en eerlijk moeten zijn, en veroordeelt de destructieve acties van anti-regeringsdemonstranten, die kiezers ervan hebben weerhouden op 26 januari 2014 en 2 februari 2014 hun stem uit te brengen;

4.  verzoekt de Thaise autoriteiten de vrijheid van meningsuiting en het recht van (vreedzame) vergadering en verzameling te waarborgen; verzoekt de autoriteiten de noodtoestand onmiddellijk in te trekken, aangezien met de bestaande wetten adequaat op de huidige situatie kan worden ingespeeld;

5.  vraagt zowel de regeringsaanhangers, als de anti-regeringsdemonstranten af te zien van elke vorm van politiek geweld en hun activiteiten te ontplooien binnen het democratische en constitutionele kader van het land;

6.  verzoekt de leider van de ‘democratische partij’ het parlement, dat door het volk van Thailand is gekozen, in staat te stellen zijn mandaat te vervullen;

7.  onderstreept dat het voorstel van de People’s Democratic Reform Party voor een onverkozen ‘volksraad’, die de regering zou vervangen en het land tot maximaal twee jaar zou besturen, ondemocratisch is;

8.  spoort de regering, de kiescommissie en de oppositie met klem aan onmiddellijk een constructieve dialoog te beginnen en een inclusief en van deadlines voorzien proces van institutionele en politieke hervormingen te starten, dat zou kunnen worden goedgekeurd middels een nationaal referendum en in aansluiting waarop inclusieve, veilige, vrije en eerlijke verkiezingen zouden kunnen worden gehouden;

9.  is er verheugd over dat de nationale mensenrechtencommissie intellectuelen, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, religieuze leiders en de vier oud-premiers Anand Panyarachun, Banharn Silapa-acha, Chavalit Yongchaiyudh en Chuan Leekpai voor overleg bijeen heeft geroepen, teneinde een oplossing voor het beëindigen van de crisis uit te werken;

10.  verzoekt het leger met klem neutraal te blijven en een positieve rol te vervullen, in het belang van een vreedzame oplossing van de huidige crisis;

11.  maakt zich zorgen over de bezetting van openbare gebouwen en televisiestations, de intimidatie van de media en de beschuldigingen van strafrechtelijke smaad aan het adres van twee in Phuket werkzame journalisten;

12.  herinnert eraan dat in de Grondbeginselen van de Verenigde Naties voor het gebruik van geweld en vuurwapens door politiefunctionarissen staat dat autoriteiten zich, in de mate van het mogelijke, van niet-gewelddadige middelen moeten bedienen alvorens over te gaan tot het gebruik van geweld en vuurwapens, en dat zij zich, wanneer het wettelijke gebruik van geweld en vuurwapens onvermijdelijk is geworden, terughoudend moeten opstellen en hun optreden evenredig moeten laten zijn aan de gedragingen van de demonstranten;

13.  spreekt zijn steun uit voor democratie in Thailand, en wijst op de buitengewoon goede betrekkingen tussen de EU en Thailand, alsook op de rol van Thailand als een bron van welvaart en stabiliteit in de regio; onderstreept dat de EU en Thailand onderhandelingen over een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst hebben afgesloten, en dat van beide partijen verlangd wordt dat zij hun toegewijdheid aan democratische beginselen en mensenrechten bekrachtigen;

14.  spoort de internationale gemeenschap aan alles te doen dat in haar vermogen ligt om een eind aan het geweld te maken; verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid met klem de politieke situatie van nabij te volgen en voor coördinatie met ASEAN en de Verenigde Naties te zorgen, teneinde dialoog te bevorderen en de democratie in Thailand te versterken;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en het parlement van Thailand, de secretaris-generaal van ASEAN en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 144.
(2) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 152.
(3) PB C 188 E van 28.6.2012, blz. 57.


Recht op onderwijs in de regio Trans-Dnjestrië
PDF 127kWORD 25k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2014 over Transnistrië (2014/2552(RSP))
P7_TA(2014)0108RC-B7-0128/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen Moldavië en de Europese Unie die op 1 juli 1998 in werking is getreden,

–  gezien het actieplan voor de Republiek Moldavië dat op 22 februari 2005 door de Raad voor samenwerking tussen de EU en Moldavië werd goedgekeurd,

–  gezien de associatieovereenkomst die op 29 november 2013 door de EU en Moldavië werd geparafeerd tijdens de top van het Oostelijk Partnerschap in Vilnius,

–  gezien de recente uitspraak van de grote kamer van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 19 oktober 2012 in de zaak van Catan en 27 anderen tegen Moldavië en Rusland (nr. 43370/04),

–  gezien de verklaringen van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) tijdens de top in Istanbul in 1999 en de vergadering van de ministerraad van de OVSE in Porto in 2002,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in de Republiek Moldavië, met name de op 15 september 2011 aangenomen resolutie over de associatieovereenkomst(1) en de resoluties over de situatie in de regio Transnistrië,

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 over de druk die Rusland uitoefent op landen van het Oostelijk Partnerschap (tegen de achtergrond van de komende top van het Oostelijk Partnerschap in Vilnius)(2) en zijn resolutie van 12 december 2013 over de resultaten van de top van Vilnius en de toekomst van het Oostelijk Partnerschap, in het bijzonder wat betreft Oekraïne(3),

–  gezien de uitspraak van het Constitutionele Hof van de Republiek Moldavië van 5 december 2013 dat de officiële taal van het land Roemeens is, en gezien het feit dat het Roemeenstalig onderwijs nog steeds wordt ingeperkt door de zelfbenoemde autoriteiten van Transnistrië,

–  gezien de aanbevelingen van de vergaderingen van de parlementaire samenwerkingscommissie EU-Moldavië, in het bijzonder met betrekking tot het recht op onderwijs in de regio Transnistrië,

–  gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de oorlog die in 1992 in de regio Transnistrië van de Republiek Moldavië woedde heeft geleid tot de installatie van een separatistisch, illegaal en autoritair regime in de regio; overwegende dat de situatie van bevroren conflicten voortduurt, terwijl er nog steeds sprake is van grootschalige en wijdverbreide mensenrechtenschendingen, onder meer op het gebied van onderwijs en het functioneren van scholen;

B.  overwegende dat iedere vorm van politieke inmenging in het onderwijsproces onacceptabel is; overwegende dat de partijen die betrokken zijn bij de regeling over de kwestie-Transnistrië moeten zorgen voor vrije en niet-discriminerende toegang tot het onderwijs in het gebied en voor het correct functioneren van onderwijsinstellingen, en de hoogste prioriteit moeten toekennen aan de veiligheid van kinderen en het personeel;

C.  overwegende dat de lokale autoriteiten in Gagaoezië op 2 februari 2014 een regionaal referendum hebben georganiseerd met betrekking tot de richting van het buitenlands beleid van het land; overwegende dat dit referendum door de centrale regering en de bevoegde gerechtelijke autoriteiten illegaal werd verklaard;

D.  overwegende dat de onderhandelingen over Transnistrië sinds 1992 gaande zijn, in het zogeheten "5+2"-formaat, maar dat geen duurzame oplossing op basis van de volledige eerbiediging van de territoriale integriteit en soevereiniteit van de Republiek Moldavië is gevonden, ondanks bovengenoemde herhaaldelijke internationale besluiten; overwegende dat er nog steeds Russische troepen in het gebied zijn gestationeerd;

E.  overwegende dat de 5+2-onderhandelingen in 2011 zijn hervat en dat de Werkgroep onderwijs sindsdien bijeen is gekomen;

F.  overwegende dat de spanningen zijn toegenomen daar de onderhandelingen voortdurend worden ondermijnd door de zelfbenoemde Transnistrische autoriteiten; overwegende dat vooralsnog is afgesproken dat de nieuwe ronde van 5+2-onderhandelingen zal plaatsvinden op 27-28 februari 2014 en dat deze een nieuwe gelegenheid vormt om uit de impasse te komen en substantiële voortgang te boeken;

G.  overwegende dat er volgens een OVSE-verslag van november 2012 acht scholen zijn die het Latijnse schrift hanteren en die met behulp van het ministerie van Onderwijs kunnen blijven lesgeven, waarvan zes scholen op grondgebied in Transnistrische handen en twee scholen die zijn verplaatst naar aangrenzend grondgebied op de linkeroever dat onder Moldavische controle staat, hetgeen resulteert in ernstige dagelijkse vervoersproblemen voor de leerlingen; overwegende dat de situatie van deze scholen volgens het verslag nog steeds urgent is, waarbij de punten van zorg onder meer betrekking hebben op huurovereenkomsten en de toestand van de gebouwen, vrijheid van verkeer, vervoer van goederen, gezondheid, veiligheid en sanitaire inspecties, dalende leerlingenaantallen, druk op of intimidatie van ouders en docenten, de juridische status, en de specifieke omstandigheden van het eigendom in Rîbnița en de scholen die voorheen gevestigd waren in Grigoriopol en Dubăsari;

H.  overwegende dat de zelfbenoemde autoriteiten in Transnistrië in December 2013 opnieuw een agressieve champagne zijn begonnen tegen de acht Roemeenstalige scholen, met acties die variëren van het uitoefenen van administratieve druk tot verklaringen van de zelfbenoemde autoriteiten waarin wordt aangekondigd dat zij de scholen die weigeren de autoriteit van het separatistische regime te erkennen, zullen sluiten;

I.  overwegende dat veel van de docenten op de middelbare school Lucian Blaga in Tiraspol zijn onderworpen aan illegale ondervragingen door de separatistische milities en onder druk zijn gezet om belasting te betalen aan de zelfbenoemde autoriteiten in Transnistrië en niet aan de Moldavische staat; overwegende dat de bankrekeningen van de school in januari 2014 op illegale wijze werden geblokkeerd door de zelfbenoemde autoriteiten; overwegende dat op 5 februari 2014 het schoolhoofd, de hoofdboekhouder en de chauffeur van de middelbare school Lucian Blaga zijn vastgehouden terwijl zij onderweg waren om de salarissen van de medewerkers van de middelbare school over te brengen;

J.  overwegende dat het tijdens de vergadering van de Werkgroep onderwijs in Chișinău op 27 januari 2014 niet is gelukt de onopgeloste vraagstukken rondom de Roemeenstalige scholen succesvol aan te pakken; overwegende dat een voorlopig akkoord werd bereikt inzake gezamenlijke inspectiebezoeken aan deze scholen;

K.  overwegende dat de OVSE-missie in Moldavië de functionering van de Roemeenstalige scholen heeft gevolgd sinds de crisis in 2004 toen de zelfbenoemde autoriteiten in Transnistrië actie ondernamen tegen acht scholen in het gebied die worden geleid door de centrale Moldavische autoriteiten en die een Moldavisch curriculum volgen; overwegende dat de OVSE bemiddelt tussen de centrale en de Transnistrische onderwijsautoriteiten om een oplossing voor openstaande problemen te vinden en het ontstaan van nieuwe crises te voorkomen; overwegende dat de zelfbenoemde autoriteiten in Transnistrië de toegang van de OVSE-missie tot het gebied hebben belemmerd en het hoofd van de missie op 1 februari 2014 de toegang tot het gebied hebben ontzegd;

L.  overwegende dat in de uitspraak van het Europees Hof van de rechten van de mens van 19 oktober 2012 in de zaak van Catan en anderen tegen Moldavië en Rusland wordt gewezen op een schending door de Russische Federatie van artikel 2 van Protocol nr. 1 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;

M.  overwegende dat de Republiek Moldavië grote vooruitgang heeft geboekt bij de verdieping van haar betrekkingen met de EU en overwegende dat de associatieovereenkomst een gelegenheid vormt voor het hele land, met inbegrip van gebieden als Transnistrië of Gagaoezië, om de betrekkingen met de EU verder te verdiepen en de Europese waarden en normen aan te nemen alsook om de economische vooruitzichten te verbeteren;

N.  overwegende dat onderwijs een terrein is dat veel mogelijkheden biedt voor toekomstige samenwerking, ondanks de gevoeligheden die hierbij komen kijken;

1.  betreurt de gebrekkige eerbiediging van mensenrechten in de regio Transnistrië ten zeerste, met name op het gebied van onderwijs;

2.  veroordeelt de politisering van het onderwijsbeleid, beschouwt vrijheid van onderwijs als een grondrecht en dringt aan op volledige eerbiediging van dat recht en de beëindiging van iedere vorm van druk op Roemeenstalige onderwijsinstellingen in de regio Transnistrië;

3.  betreurt dat het voortduren van bovengenoemde problemen aanzienlijk heeft bijgedragen aan de dalende inschrijvingen op Roemeenstalige scholen; uit felle kritiek op het feit dat deze scholen hogere tarieven voor publieke voorzieningen in Transnistrië moeten betalen dan andere onderwijsinstellingen en dat zowel de scholen als de leerlingen vanwege de onduidelijke situatie omtrent de gebouwen en de huurcontracten in onzekerheid verkeren;

4.  veroordeelt de toegenomen administratieve druk die door de zelfbenoemde autoriteiten in Transnistrië wordt uitgeoefend, met name de hogere huurprijzen, de afschaffing van gratis huurovereenkomsten (met gevolgen voor de gymnasiums in Corjova en Roghi), restricties met betrekking tot het gebruik van bankrekeningen en intimidatie van docenten (middelbare school Lucian Blaga, januari 2014) hetgeen culmineerde in de vasthouding van het schoolhoofd, de hoofdboekhouder en de chauffeur van de middelbare school op 5 februari 2014;

5.  dringt er bij de zelfbenoemde autoriteiten in Transnistrië op aan het fundamentele recht op onderwijs in de moedertaal volledig te eerbiedigen en de hoogste prioriteit toe te kennen aan de veiligheid van de kinderen en het personeel;

6.  dringt er bij de autoriteiten op aan ervoor te zorgen dat kinderen en ouders worden beschermd tegen de nadelige gevolgen van de huidige politieke situatie en oplossingen te vinden die in het belang zijn van de direct betrokken kinderen en ouders;

7.  neemt kennis van de overeenkomst om gezamenlijke inspectiebezoeken af te leggen aan de Roemeenstalige scholen in de periode van 10-20 maart 2013;

8.  veroordeelt het uitblijven van constructieve deelname van de zelfbenoemde autoriteiten in Transnistrië aan de 5+2-onderhandelingen, hetgeen resulteert in minimale vooruitgang sinds de hervatting van de gesprekken;

9.  benadrukt dat de EU sterk hecht aan de territoriale integriteit van Moldavië en dringt aan op grotere betrokkenheid van de EU bij de oplossing van dit conflict in haar directe buurtregio, met inbegrip van de opwaardering van de status van de EU tot onderhandelingspartner; spreekt zijn steun uit voor de dialoog als enige instrument voor de oplossing van zulke gevoelige en belangrijke kwesties waarmee oplossingen voor de lange termijn kunnen worden bewerkstelligd;

10.  is van mening dat de welvarendheid en stabiliteit van de Republiek Moldavië, binnen haar internationaal erkende grenzen, en van de gehele regio alleen volledig kunnen worden verwezenlijkt door middel van een vreedzame oplossing voor het Transnistrische conflict;

11.  dringt er bij de OVSE op aan haar activiteiten op het gebied van monitoring en de bevordering van de onderhandelingen voort te zetten en om het recht op onderwijs van de leerlingen van de Roemeenstalige scholen in Transnistrië te verdedigen; dringt er voorts bij de zelfbenoemde autoriteiten in Transnistrië op aan met de OVSE-missie in Moldavië samen te werken en haar toegang tot het grondgebied te verschaffen;

12.  dringt er bij de hoge vertegenwoordiger op aan de kwestie van het recht op onderwijs aan de orde te stellen tijdens de voor februari 2014 geplande volgende ronde van de 5+2-onderhandelingen, meer aandacht te besteden aan de 5+2-onderhandelingen, en op alle niveaus, ook tijdens de bilaterale topontmoetingen, met alle partijen samen te werken teneinde een snellere omvattende en vreedzame oplossing van het Transnistrische conflict te bereiken;

13.  dringt bij de Russische Federatie aan op volledige tenuitvoerlegging van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin werd bepaald dat Rusland het recht op onderwijs heeft geschonden in de gevallen van Moldavische scholen die de Roemeense taal gebruiken in de regio Transnistrië;

14.  wijst erop dat de aanwezigheid van Russische troepen kan leiden tot een klimaat dat de eerbiediging en bevordering van mensenrechten in de regio in gevaar brengt; dringt er bij de Russische Federatie op aan haar steun aan de zelfbenoemde autoriteiten in Transnistrië onmiddellijk te beëindigen en de afspraken na te komen die in 1996 in de Raad van Europa zijn gemaakt en die zijn opgenomen in de besluiten van de OVSE (Istanbul 1999 en Porto 2002) betreffende de terugtrekking van de Russische troepen en wapens van het grondgebied van Moldavië; dringt er voorts op aan deze troepen te vervangen door een civiele vredesmissie;

15.  dringt aan op terughoudendheid van de lokale autoriteiten, ook die van Gagaoezië, en op volledige eerbiediging van de grondwet van de Republiek Moldavië, inclusief de bescherming van minderheden; moedigt de dialoog met de Moldavische centrale autoriteiten aan teneinde unilaterale besluiten te voorkomen;

16.  verzoekt de Raad en de lidstaten een snelle procedure vast te stellen voor goedkeuring van de visumliberalisering met Moldavië in de loop van de zomer, aangezien dit positieve gevolgen zal hebben voor alle burgers, onder meer op het gebied van onderwijs;

17.  dringt er bij de Commissie op aan de technische procedures voor de ondertekening en voorlopige toepassing van de associatieovereenkomst, met inbegrip van de diepe en brede vrijhandelsovereenkomst, te bespoedigen;

18.  is van mening dat sociale vooruitgang, verbeteringen op het gebied van de mensenrechten en economische modernisering in Transnistrië eveneens zullen worden bevorderd door de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de associatieovereenkomst, met inbegrip van de diepe en brede vrijhandelsovereenkomst, door de zelfbenoemde autoriteiten in Transnistrië;

19.  dringt er bij de Commissie op aan tevens instrumenten als het Europees instrument voor democratie en mensenrechten in te zetten om de Transnistrische bevolking rechtstreeks te ondersteunen, door programma's te ontwikkelen ter bevordering van het maatschappelijk middenveld en de toegang tot informatie, onderwijs en vrije media, die door de zelfbenoemde autoriteiten in Transnistrië wordt belemmerd;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en het parlement van Moldavië, de regering van Roemenië, de regering van Oekraïne, de regering van de Russische Federatie, de regering van de VS, de secretaris-generaal van de OVSE en de secretaris-generaal van de Raad van Europa.

(1) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 108.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0383.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0595.


Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab, Abdulhadi al-Khawaja en Ibrahim Sharif
PDF 126kWORD 24k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2014 over Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab, Abdulhadi al-Khawaja en Ibrahim Sharif (2014/2553(RSP))
P7_TA(2014)0109RC-B7-0100/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Bahrein, en met name die van 17 januari 2013(1) en 12 september 2013(2),

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2011 over de betrekkingen van de Europese Unie met de Samenwerkingsraad van de Golf(3),

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over Bahrein, met name haar verklaringen van 7 januari, 11 februari, 1 juli en 25 november 2013, en van 16 januari 2014,

–  gezien de lokale EU-verklaring over de laatste ontwikkelingen in Bahrein van 19 september 2013,

–  gezien het bezoek van een delegatie van zijn Subcommissie mensenrechten aan Bahrein op 19 en 20 december 2012 en de door die delegatie afgegeven persverklaring, en gezien het bezoek van de delegatie voor de betrekkingen met het Arabisch schiereiland van 27 t/m 30 april 2013 en de door die delegatie afgegeven persverklaring,

–  gezien de verklaringen van de secretaris-generaal van de VN, en met name die van 8 januari 2013, en gezien de verklaring van de woordvoerder van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van 6 augustus 2013,

–  gezien de verklaring van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten en de gezamenlijke verklaring over het OHCHR en de mensenrechtensituatie in Bahrein van 9 september 2013,

–  gezien de Gezamenlijke Raad en ministeriële bijeenkomst EU-GCC in Manama, Bahrein, op 30 juni 2013,

–  gezien het besluit van de vergadering van de ministeriële raad van de Arabische Liga in Caïro op 1 september 2013 om een pan-Arabisch hof voor de mensenrechten op de richten in Manama, de hoofdstad van Bahrein,

–  gezien het verslag dat in november 2011 is uitgebracht door de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie (BICI), en gezien het follow-upverslag van 21 november 2012,

–  gezien advies A/HRC/WGAD/2013/12 van de werkgroep van de Verenigde Naties inzake willekeurige detentie van 25 juli 2013,

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie van 25 juni 2012,

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(4),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 over de vrijheid van pers en media in de wereld(5),

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers van 2004, die in 2008 zijn bijgewerkt,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, die Bahrein allemaal heeft ondertekend,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het Verdrag van Genève van 1949,

–  gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat over de schendingen van de mensenrechten in Bahrein grote bezorgdheid blijft bestaan; overwegende dat de Bahreinse autoriteiten met vele recente maatregelen de rechten en vrijheden van delen van de bevolking blijven schenden en beperken, met name het recht van de burgers op vreedzaam protest, vrijheid van meningsuiting en digitale vrijheid; overwegende dat mensenrechtenactivisten stelselmatig tot doelwit worden gemaakt en het slachtoffer zijn van intimidatie en arrestatie;

B.  overwegende dat Nabeel Rajab, de voorzitter van het Bahreinse Mensenrechtencentrum en waarnemend secretaris-generaal van de Internationale Federatie voor de mensenrechten, in augustus 2012 is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf op verdenking van het oproepen tot en deelnemen aan "illegale bijeenkomsten" en "het verstoren van de openbare orde" in februari en maart 2011; overwegende dat zijn terechtstelling in hoger beroep is teruggebracht tot twee jaar gevangenisstraf; overwegende dat dhr. Rajab voorafgaand aan deze opsluiting meerdere malen is gearresteerd op grond van vreedzame uitingen van kritiek op de regering tijdens de in 2011 in Bahrein uitgebroken pro-democratische protesten;

C.  overwegende dat Nabeel Rajab op vrijdag 29 november 2013 driekwart van zijn gevangenisstraf van twee jaar had uitgezeten en dus wettelijk voor vrijlating in aanmerking kwam; overwegende dat de advocaten van Nabeel Rajab op 21 januari 2014 een derde verzoek om vervroegde invrijheidsstelling hebben ingediend bij het Hof, maar dat dit is afgekeurd;

D.  overwegende dat de werkgroep van de Verenigde Naties inzake willekeurige detentie de detentie van dhr. Nabeel Rajab als willekeurig heeft aangemerkt;

E.  overwegende dat Abdulhadi al-Khawaja, oprichter van het Bahreinse Mensenrechtencentrum en regionaal coördinator van de Front Line Defenders, die de Deense nationaliteit heeft, en Ibrahim Sharif, secretaris-generaal van de National Democratic Action Society, op 22 juni 2011 door een speciaal militair gerechtshof zijn veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf; overwegende dat de gerechtelijke procedure na 3 jaar procederen is beëindigd met een bevestiging van de vonnissen in hoger beroep;

F.  overwegende dat Zainab al-Khawaja, dochter van Abdulhadi al-Khawaja, op 27 januari 2014 door de lagere rechtbank in Manama is veroordeeld tot nog vier maanden gevangenisstraf op verdenking van "het vernietigen van overheidsbezittingen";

G.  overwegende dat, volgens het verslag van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie (BICI), de Bahreinse autoriteiten zich hebben verbonden tot het doorvoeren van hervormingen; overwegende dat de regering de essentiële aanbevelingen van de Commissie niet volledig ten uitvoer heeft gelegd, in het bijzonder de vrijlating van de demonstratieleiders die zijn veroordeeld voor het uitoefenen van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vreedzame vergadering;

H.  overwegende dat Bahrein, nadat de Arabische Liga tijdens een vergadering in Caïro hieraan zijn goedkeuring hechtte, op 2 september 2013 heeft aangekondigd het Arabisch hof voor de mensenrechten te zullen huisvesten;

I.  overwegende dat Z.K.H. kroonprins Salman bin Hamad bin Isa al-Khalifa op verzoek van Z.M. koning Hamad bin Isa al-Khalifa op 15 januari 2014, voor het eerst sinds de gebeurtenissen van februari 2011, uitgebreide besprekingen heeft gevoerd met de deelnemers aan de nationale dialoog inzake consensus, waaronder in het bijzonder met sjeik Ali Salman, secretaris-generaal van Alwefaq;

1.  veroordeelt alle schendingen van de mensenrechten in Bahrein en dringt er bij de Bahreinse regering op om aan alle aanbevelingen in het BICI-verslag en de universele periodieke evaluatie ten uitvoer te leggen, om alle schendingen van de mensenrechten een halt toe te roepen en om de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te eerbiedigen, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, zowel online als offline, en de vrijheid van vergadering, in overeenstemming met de internationale verplichtingen van Bahrein op het gebied van de mensenrechten;

2.  roept op tot de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle gewetensgevangenen, politieke activisten, journalisten, verdedigers van de mensenrechten en vreedzame betogers, waaronder Nabeel Rajab, Abdulhadi al-Khawaja, Ibrahim Sharif, Naji Fateel en Zainab al-Khawaja;

3.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de manier waarop de Bahreinse autoriteiten Nabeel Rajab en andere mensenrechtenactivisten behandelen, en over het feit dat zij weigeren hem vervroegd vrij te laten terwijl hij hiervoor wettelijk in aanmerking komt;

4.  verzoekt om de ratificatie van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijningen;

5.  benadrukt de verplichting om ervoor te zorgen dat mensenrechtenverdedigers worden beschermd en dat zij hun werkzaamheden kunnen uitvoeren zonder daarbij te worden belemmerd, geïntimideerd of lastiggevallen;

6.  maakt bezwaar tegen de oprichting en het gebruik van speciale gerechtshoven of het gebruik van militaire gerechtshoven om misdaden tegen de nationale veiligheid te berechten;

7.  dringt er bij de Bahreinse autoriteiten op aan de rechten van jongeren te eerbiedigen, in overeenstemming met het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarbij Bahrein partij is;

8.  is ingenomen met het besluit van prins Salman bin Hamad bin Isa al-Khalifa om op 15 januari 2014 besprekingen te voeren met de leiders van de vijf belangrijkste oppositiegroeperingen om te onderzoeken hoe het hoofd kan worden geboden aan de problemen met betrekking tot de nationale dialoog, welke een paar dagen eerder door de regering was opgeschort; is verheugd over de positieve reactie van de oppositie en kijkt uit naar de hervatting van de nationale dialoog inzake consensus; wijst erop dat er geen andere oplossing is dan een Bahreinse oplossing op basis van compromissen en wederzijds vertrouwen; hoopt dat deze maatregel een serieuze en inclusieve nationale dialoog zal bevorderen, waarmee de basis wordt gelegd voor diepgaande en duurzame hervormingen met het oog op de nationale verzoening van de Bahreinse samenleving;

9.  voelt zich bemoedigd door de operationele start van de Ombudsman bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en een afdeling voor bijzondere onderzoeken bij het openbaar ministerie, en verzoekt deze instanties op onafhankelijke en doeltreffende wijze op te treden; is ingenomen met de steeds actievere rol van het nationaal instituut voor de mensenrechten sinds de hervorming ervan, alsmede met de oprichting van de "commissie voor gevangenen en gedetineerden", die toezicht zal houden op gevangenissen teneinde foltering en mishandeling te voorkomen; verzoekt de Bahreinse autoriteiten de omstandigheden en de behandeling van gevangenen te verbeteren en relevante plaatselijke en internationale organisaties toegang te verlenen tot de gevangenissen;

10.  wijst op de huidige inspanningen van de Bahreinse regering om het wetboek van strafrecht en de gerechtelijke procedures te hervormen, en pleit voor de voortzetting van dit proces; verzoekt de Bahreinse regering alle maatregelen te treffen die nodig zijn om een eerlijke procesvoering en de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht in Bahrein te waarborgen, en erop toe te zien dat de rechterlijke macht de internationale normen op het gebied van de mensenrechten volledig in acht neemt;

11.  moedigt de VN aan spoedig een bezoek te organiseren van de drie speciale rapporteurs inzake de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging, inzake foltering en inzake de onafhankelijkheid van rechters en advocaten;

12.  verzoekt de VV/HV en de lidstaten samen te werken aan de ontwikkeling van een duidelijke strategie waarin wordt beschreven hoe de EU, zowel in het openbaar als achter de schermen, zich actief zal inzetten voor de vrijlating van de gevangengenomen activisten en gewetensgevangenen; verzoekt de VV/HV samen te werken met de lidstaten om te zorgen voor de goedkeuring van de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over de mensenrechtensituatie in Bahrein, waarin onder meer specifiek moet worden opgeroepen tot de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van de gevangengenomen activisten;

13.  is ingenomen met het besluit van de Arabische Liga om een Arabisch hof voor de mensenrechten op te richten in Manama, en spreekt de hoop uit dat dit hof kan fungeren als stimulans voor de naleving van de mensenrechten in de gehele regio; dringt er bij de regering van Bahrein en bij haar partners in de Arabische Liga op aan de integriteit, onpartijdigheid, efficiëntie en geloofwaardigheid van dit hof te waarborgen;

14.  dringt erop aan dat de Raad passende maatregelen neemt indien het hervormingsproces wordt stopgezet of wanneer de mensenrechtensituatie verslechtert;

15.  pleit voor de instelling van een officieel moratorium op executies, met het oog op de afschaffing van de doodstraf;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van het Koninkrijk Bahrein.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0032.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0390.
(3) PB C 247 E van 17.8.2012, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0470.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0274.

Juridische mededeling - Privacybeleid