Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2006(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0122/2014

Ingediende teksten :

A7-0122/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 12/03/2014 - 8.24
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0231

Aangenomen teksten
PDF 206kWORD 59k
Woensdag 12 maart 2014 - Straatsburg
Evaluatie van de rechtspleging met betrekking tot het strafrecht en de rechtsstaat
P7_TA(2014)0231A7-0122/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2014 over de evaluatie van de rechtspleging in relatie tot de strafrechtspleging en het rechtsstaatbeginsel (2014/2006(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name de artikelen 2, 6 en 7,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 70, 85, 258, 259 en 260,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 maart 2013 met als titel "Het EU-scorebord voor justitie – Een instrument ter bevordering van een doeltreffende justitie en groei" (COM(2013)0160),

–  gezien de brief van 6 maart 2013 van de ministers van Buitenlandse Zaken van Duitsland, Denemarken, Finland en Nederland aan de voorzitter van de Commissie, José Barroso, waarin zij oproepen tot instelling van een mechanisme om de eerbiediging van de fundamentele waarden in de lidstaten te bevorderen,

–  gezien Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten,

–  gezien het voorstel van de Commissie tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie (COM(2013)0534), waarin wordt gewezen op de noodzaak een EU-ruimte voor strafrechtspleging tot stand te brengen,

–  gezien de activiteiten, de jaarverslagen en de studies van het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de werkzaamheden en verslagen van de Europese Commissie voor Democratie door Recht (Commissie van Venetië), en met name het verslag van die commissie over de rechtsstaat (CDL-AD(2011)003rev), het verslag over de onafhankelijkheid van het gerechtelijk apparaat – deel I: de onafhankelijkheid van rechters (CDL-AD (2010)004, en het verslag over Europese normen voor de onafhankelijkheid van het gerechtelijk apparaat – deel II: het openbaar ministerie (CDL-AD (2010)040),

–  gezien het memorandum van overeenstemming tussen de Raad van Europa en de Europese Unie,

–  gezien het gewijzigde statuut van de Europese Commissie voor Democratie door recht,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 november 2013, met als titel "Jaarlijkse groeianalyse 2014" (COM(2013)0800),

–  gezien de activiteiten en verslagen van de Europese Commissie voor Efficiëntie in Justitie (CEPEJ), en met name het laatste evaluatieverslag van die commissie over de Europese rechtsplegingstelsels (2012),

–  gezien zijn resoluties over de situatie, normen en praktijken met betrekking tot de grondrechten in de Europese Unie en alle resoluties met betrekking tot de rechtsstaat en de rechtspleging, waaronder de resoluties over corruptie en over het Europees aanhoudingsbevel(1),

–  gezien artikel 48 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A7-0122/2014),

A.  overwegende dat evaluatie op het gebied van de strafrechtspleging het wederzijds vertrouwen vergroot en dat het bestaan van wederzijds vertrouwen onontbeerlijk is voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van instrumenten op het gebied van wederzijdse erkenning; overwegende dat evaluatie in het programma van Stockholm wordt genoemd als één van de belangrijkste instrumenten voor integratie op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht;

B.  overwegende dat de Verdragen de vereiste grondslag bieden voor evaluatie van het beleid op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht en respect voor de fundamentele waarden van de Europese Unie, zoals het beginsel van de rechtsstaat; overwegende dat kwaliteit, onafhankelijkheid en efficiëntie van rechtsplegingstelsels ook in het kader van het Europees semester (de nieuwe jaarlijkse cyclus van economische beleidscoördinatie) worden aangemerkt als prioriteit;

C.  overwegende dat het scorebord voor justitie op dit moment aandacht krijgt tegen de achtergrond van het Europees economisch semester, waardoor te sterk de nadruk wordt gelegd op de economische waarde van de rechtspleging, terwijl de rechtspleging een waarde op zichzelf is, en los van economische belangen voor eenieder toegankelijk dient te zijn;

D.  overwegende dat het noodzakelijk is dat nationale autoriteiten samenwerken en dezelfde inzichten hebben wat betreft de uitlegging van de EU-wetgeving op het gebied van het strafrecht;

E.  overwegende dat het scorebord voor justitie 2013 zich uitsluitend bezighoudt met de rechtspleging op civiel-, handels- en bestuursrechtelijk gebied, maar zich ook zou moeten richten op de strafrechtspleging, aangezien het functioneren en de integriteit van de strafrechtspleging ook van grote invloed zijn op de mensenrechten en bovendien in nauw verband staan met de eerbiediging van de rechtsstaat;

F.  overwegende dat het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie in het hoofdstuk "toegang tot efficiënte en onafhankelijke rechtspraak" van zijn jaarverslag 2012 zijn bezorgdheid uit over de situatie op het gebied van de rechtsstaat in een aantal lidstaten, met name wat betreft de onafhankelijkheid van de rechtspleging, en tevens over het fundamentele recht van toegang tot de rechter, dat ernstig onder druk staat vanwege de financiële crisis;

G.  overwegende dat voor het Europees Hof voor de rechten van de mens de zeer lange duur van gerechtelijke procedures nog altijd de belangrijkste reden is om EU-lidstaten te veroordelen;

H.  overwegende dat de Europese Commissie voor Efficiëntie in Justitie (CEPEJ) sinds haar oprichting in 2002 een bijzondere deskundigheid heeft ontwikkeld op het gebied van de analyse van nationale rechtsplegingstelsels, en beschikt over een ongeëvenaard kennisbestand met een werkelijke toegevoegde waarde, waarvan de lidstaten gebruik kunnen maken om de evaluatie en het functioneren van hun rechtsplegingstelsels te verbeteren; overwegende dat deze evaluatieronde, die nu voor de vijfde keer plaatsvindt, betrekking heeft op alle gebieden van rechtspraak en op verschillende categorieën onderwerpen en dus informatie oplevert over bijvoorbeeld demografische en economische aspecten, het recht op een eerlijk proces, toegang tot de rechter, of de loopbaan van rechters, leden van het openbaar ministerie en advocaten;

I.  overwegende dat de Commissie van Venetië in haar laatste verslag over de rechtsstaat zes beginselen heeft opgesomd waarover consensus bestaat en die de pijlers van de rechtsstaat vormen: legaliteit, met inbegrip van een transparant, controleerbaar en democratisch wetgevingsproces, rechtszekerheid, een verbod op willekeur, toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, waaronder het recht op beroep tegen bestuursrechtelijke besluiten, eerbiediging van de mensenrechten, en non-discriminatie en gelijkheid voor de wet;

J.  overwegende dat nauwe samenwerking en interactie tussen de EU-instellingen bij de uitvoering van hun taken belangrijk is en dat er gebruik moet worden gemaakt van de beste praktijken en deskundigheid van andere internationale instanties, waaronder de gespecialiseerde instanties van de Raad van Europa, om overlapping en dubbel werk te voorkomen en een efficiënt gebruik van hulpbronnen te waarborgen;

K.  overwegende dat de Raad van Europa en de Europese Unie opnieuw hebben toegezegd hun samenwerking op gebieden van gemeenschappelijk belang te intensiveren, met name waar het gaat om de bevordering en bescherming van de pluralistische democratie, de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de beginselen van de rechtsstaat, en daarbij optimaal gebruik te maken van gespecialiseerde organen, zoals de Commissie van Venetië, en vormen van samenwerking te ontwikkelen die aansluiten op de uitdagingen van deze tijd;

L.  overwegende dat het Parlement herhaaldelijk heeft gepleit voor versterking van bestaande mechanismen om de eerbiediging, de bescherming en bevordering van de waarden van de Unie, als bedoeld in artikel 2 VEU, te waarborgen en om snel en doeltreffend het hoofd te kunnen bieden aan crisissituaties in de Unie en de lidstaten; overwegende dat er momenteel door het Parlement, de Raad en de Commissie wordt gedebatteerd over de invoering van een "nieuw mechanisme";

M.  overwegende dat voorkomen moet worden dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, rechters en openbare aanklagers in de lidstaten onder druk komt te staan door politieke inmenging;

N.  overwegende dat iedere beslissing die op dit gebied wordt genomen een juiste toepassing, op zo kort mogelijke termijn, van artikel 2 VEU moet waarborgen en ervoor moet zorgen dat besluiten op objectieve criteria en een objectieve evaluatie berusten, om aldus de kritiek te ondervangen dat er sprake zou zijn van dubbele normen, ongelijke behandeling en politieke vooringenomenheid;

O.  overwegende dat de toepassing van EU-instrumenten op het gebied van de strafrechtspleging, waaronder, in dit verband, de eerbiediging van de grondrechten, en de totstandbrenging van een ruimte voor strafrecht afhankelijk zijn van doeltreffend functionerende nationale strafrechtstelsels;

P.  overwegende dat er behoefte is aan een samenhangende en alomvattende rechtsbedeling in strafzaken, om te voorkomen dat criminelen gebruikmaken van de verschillen tussen de strafrechtstelsels door de grens over te gaan;

Ontwikkeling van een scorebord voor justitie op het gebied van het strafrecht

1.  is ingenomen met het door de Commissie voorgestelde EU-scorebord voor justitie; betreurt evenwel dat het zich uitsluitend bezighoudt met de rechtspleging op civiel-, handels- en bestuursrechtelijk gebied;

2.  benadrukt dat een scorebord voor justitie met betrekking tot de strafrechtspleging er in belangrijke mate aan zou kunnen bijdragen dat rechters en leden van het openbaar ministerie overeenstemming bereiken over de uitlegging van EU-wetgeving op het gebied van het strafrecht, hetgeen het wederzijds vertrouwen ten goede zou komen;

3.  verzoekt de Commissie derhalve het toepassingsgebied van het scorebord voor justitie aldus uit te breiden dat het een afzonderlijk en alomvattend scorebord wordt, dat aan de hand van objectieve indicatoren alle gebieden van de rechtspleging onderzoekt, waaronder de strafrechtspleging, alsook alle horizontale kwesties die samenhangen met de rechtspleging, zoals de onafhankelijkheid, doeltreffendheid en integriteit van de rechterlijke macht, de loopbaan van rechters en de eerbiediging van procedurele rechten; verzoekt de Commissie alle relevante actoren hierbij te betrekken en gebruik te maken van de ervaringen die zij hebben opgedaan en tevens voort te bouwen op de werkzaamheden die op het gebied van de evaluatie van de rechtsstaat en rechtsplegingsstelsels reeds zijn verricht door de instanties van de Raad van Europa en het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie;

De rol van de nationale parlementen en het Europees Parlement

4.  verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat het Europees Parlement en de nationale parlementen bij dit proces betrokken worden, overeenkomstig hetgeen is bepaald in de Verdragen, en te waarborgen dat de resultaten van de evaluaties op gezette tijden aan hen worden voorgelegd;

Deelname van de lidstaten

5.  betreurt het gebrek aan beschikbare gegevens over nationale rechtsplegingstelsels en vraagt de lidstaten derhalve ten volle met de instellingen van de EU en de Raad van Europa samen te werken en op gezette tijden onpartijdige, betrouwbare, objectieve en vergelijkbare gegevens met betrekking tot hun rechtsplegingstelsels te verzamelen en over te leggen;

De rechtsstaat en de fundamentele vrijheden

6.  verzoekt de Commissie het herhaalde verzoek van het Parlement te honoreren en een voorstel te doen voor:

   een doeltreffend mechanisme voor regelmatig toezicht op de eerbiediging van de in artikel 2 VEU neergelegde fundamentele waarden van de EU in de lidstaten, dat als basis kan dienen voor een instrument voor vroegtijdige waarschuwing; en
   een mechanisme voor crisissituaties dat voorziet in passende interventiemogelijkheden, doeltreffender inbreukprocedures en de mogelijkheid om sancties op te leggen als er in een lidstaat sprake is van systematische schending van democratische en rechtsstatelijke beginselen en de daarvoor bestemde controlemechanismen van de desbetreffende lidstaat niet naar behoren functioneren;

7.  wijst er nogmaals op dat een dergelijk mechanisme in alle lidstaten transparant, uniform en gelijkelijk moet worden toegepast en moet streven naar complementariteit met de werkzaamheden van andere instanties, zoals de Raad van Europa, en met name de Commissie van Venetië; zou graag zien dat het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten bij dit toezicht een rol wordt toebedeeld;

8.  dringt aan op nauwere samenwerking tussen het Europees Parlement en de Commissie van Venetië; verzoekt het Parlement en de Raad van Europa een passend mechanisme te ontwikkelen voor de indiening bij de Commissie van Venetië van verzoeken om advies over onderwerpen van belang en te waarborgen dat het Parlement als waarnemer aan de werkzaamheden van de Commissie van Venetië kan deelnemen;

9.  acht het noodzakelijk de samenwerking tussen de bevoegde commissies van het Parlement en hun tegenhangers bij de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa te intensiveren, overeenkomstig artikel 199 van het Reglement, met name door middel van reguliere en ad-hocvergaderingen, en aan beide zijden contactpunten aan te wijzen; doet de vertegenwoordigers van de Raad van Europa (de bevoegde commissies van de Raad van Europa, de Commissie van Venetië, de CEPEJ, de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten) een permanente uitnodiging toekomen om de vergaderingen van de bevoegde commissies van het Parlement bij te wonen;

10.  dringt aan op actualisering van het akkoord uit 2007 over de verbetering van de samenwerking tussen de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa en het Europees Parlement, om optimaal rekening te kunnen houden met de ontwikkelingen sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon; verzoekt de Conferentie van voorzitters om op basis artikel 199 van het Reglement van het Europees Parlement de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa uit te nodigen besprekingen aan te gaan, met als doel om in dit akkoord praktische maatregelen op te nemen betreffende de samenwerking tussen deze instanties;

11.  is van oordeel dat het memorandum van overeenstemming tussen de Raad van Europa en de Europese Unie eveneens regelmatig geëvalueerd moet worden;

12.  dringt er bij de Raad en de lidstaten op aan dat zij ten volle voldoen aan de verplichtingen op het gebied van de fundamentele rechten die krachtens het Handvest en de Verdragen, en met name de artikelen 2, 6 en 7 VEU, op hen rusten; meent dat dit een voorwaarde is voor een doeltreffende aanpak door de EU van situaties waarin de beginselen van democratie, de rechtsstaat en de grondrechten door een lidstaat niet in acht worden genomen;

13.  wijst erop dat de Commissie bevoegd is om tegen een lidstaat die een krachtens de Verdragen op hem rustende verplichting niet is nagekomen een zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie;

o
o   o

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0500, P7_TA(2013)0315, P7_TA(2011)0388 en P7_TA(2013)0444; P7_TA(2014)0173 en P7_TA(2014)0174.

Juridische mededeling - Privacybeleid