Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 16 april 2014 - Straatsburg
Bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten ***I
 Vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij EU-Seychellen ***
 Vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij EU-Comoren ***
 Vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij EU-Madagaskar *
 Kaderovereenkomst EU-Korea wat overnameaangelegenheden betreft ***
 Kaderovereenkomst EU-Korea met uitzondering van de aangelegenheden die verband houden met overname ***
 Stabilisatie- en associatieovereenkomst EG-Montenegro (Protocol om rekening te houden met de toetreding van Kroatië) ***
 Kaderovereenkomst EU-Georgië over de algemene beginselen voor de deelname van Georgië aan programma’s van de Unie ***
 Machtiging van Portugal tot een verlaging van de accijns in de autonome regio's Madeira en de Azoren op bepaalde alcoholische dranken *
 AIEM-belastingregeling die van toepassing is op de Canarische eilanden *
 Wijziging van de toepassingsduur van Beschikking 2004/162/EG betreffende de octroi de mer -regeling in de Franse overzeese departementen *
 Wijziging van het Reglement van het Parlement betreffende parlementaire vragen
 Wijziging van artikel 90 van het Reglement van het Parlement betreffende internationale overeenkomsten
 Wijziging van het Reglement van het Parlement om elektronische handtekeningen toe te staan
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2014 - het Europees Investeringsfonds, Horizon 2020 en de Gemeenschappelijke Onderneming Shift2Rail
 Invoering van geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen op EU-luchthavens ***II
 Actie van de Unie voor het evenement "Culturele Hoofdsteden van Europa" voor de periode 2020 tot 2033 ***II
 Incidentele vangsten van walvisachtigen ***II
 Terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten *** I
 Teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht ***I
 Vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen ***I
 Bewaking van de zeebuitengrenzen ***I
 Financiële aansprakelijkheid in verband met scheidsgerechten voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten die zijn ingesteld bij internationale overeenkomsten waarbij de EU partij is ***I
 Bescherming tegen gedumpte en gesubsidieerde import uit landen die geen lid zijn van de EU ***I
 Statuut en financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen ***I
 Financiering van Europese politieke partijen ***I
 Financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie ***I
 Kooldioxide-emissies door maritiem vervoer ***I
 Invasieve uitheemse soorten ***I
 Technische uitvoering van het Protocol van Kyoto bij het VN-Raamverdrag inzake klimaatverandering ***I
 Strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt ***I
 Kwijting 2012: Europees Parlement
 Enquêterecht van het Europees Parlement
 De betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen
 Uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen ***
 Stelsel van eigen middelen *
 Traditionele eigen middelen en de bni-middelen en maatregelen om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien *
 Uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen
 Openbare diensten voor arbeidsvoorziening ***I
 Solidariteitsfonds van de Europese Unie ***I
 Kapitaalverhoging bij het Europees Investeringsfonds ***I
 Europees Geneesmiddelenbureau (uitvoeren van geneesmiddelenbewakings-activiteiten betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik) ***I
 Macrofinanciële bijstand aan de Republiek Tunesië ***I
 Herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee ***I
 Strafrechtelijke bescherming van de euro en andere munten tegen valsemunterij ***I
 Honing ***I
 Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij ***I
 Europese Politieacademie ***I

Bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten ***I
PDF 1747kWORD 1514k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (herschikking) (COM(2012)0403 – C7-0197/2012 – 2012/0196(COD))
P7_TA(2014)0397A7-0087/2014

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0403),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0197/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 november 2012(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(2),

–  gezien de brief d.d. 11 november 2013 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid overeenkomstig artikel 87, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 87 en 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0087/2014),

A.  overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel van de Commissie worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die inhoudelijke wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijziging;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2014 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2014 van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (herschikking)

P7_TC1-COD(2012)0196


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1 ,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het voorstel aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Na raadpleging van het advies van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer(5) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd(6). Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van die verordening te worden overgegaan.

(2)  Deze verordening heeft ten doel de bescherming te waarborgen van in het wild levende dier- en plantensoorten die door de handel worden bedreigd of zouden kunnen worden bedreigd .

(3)  De bepalingen van deze verordening doen geen afbreuk aan de strengere maatregelen die de lidstaten met inachtneming van het Verdrag kunnen nemen of handhaven, met name wat betreft het houden van specimens van soorten die onder deze verordening vallen.

(4)  Het is van belang objectieve criteria vast te stellen voor het opnemen van in het wild levende dier- en plantensoorten in de bijlagen bij deze verordening.

(5)  De tenuitvoerlegging van deze verordening vergt dat er gemeenschappelijk voorwaarden worden toegepast voor de afgifte, het gebruik en de overlegging van de documenten in verband met de toestemming om specimens van de soorten die onder deze verordening vallen, in de Unie binnen te brengen of uit de Unie uit te voeren dan wel weder uit te voeren. Het is van belang specifieke bepalingen vast te stellen voor de doorvoer van specimens door de Unie.

(6)  Een administratieve instantie van de lidstaat van bestemming, bijgestaan door de wetenschappelijke autoriteit van die lidstaat, heeft tot taak, in voorkomende gevallen met inachtneming van een advies van de wetenschappelijke adviesgroep, een beslissing te nemen over de verzoeken om specimens in de Unie te mogen binnenbrengen.

(7)  In het kader van de bepalingen inzake wederuitvoer moeten worden voorzien in een raadplegingsprocedure om het risico van overtredingen te beperken.

(8)  Er kunnen, ten behoeve van een doeltreffende bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten, aanvullende beperkingen worden opgelegd voor het binnenbrengen van specimens in de Unie en de uitvoer uit de Unie. Deze beperkingen voor levende specimens kunnen op Unieniveau worden aangevuld met beperkingen voor het houden en het vervoer binnen de Unie.

(9)  Het is noodzakelijk specifieke bepalingen vast te stellen voor specimens die in gevangenschap zijn geboren en opgegroeid of kunstmatig zijn voortgebracht, voor specimens die onder persoonlijke bezittingen of huisraad vallen, alsmede voor leningen, schenkingen of uitwisselingen voor niet-commerciële doeleinden tussen bekende wetenschappers en erkende wetenschappelijke instellingen.

(10)  Ten behoeve van een volledigere bescherming van de onder deze verordening vallende soorten, is het noodzakelijk bepalingen vast te stellen voor de controle in de Unie op de handel en het vervoer van de soorten, alsmede op de manier waarop deze worden ondergebracht. Voor de certificaten die uit hoofde van deze verordening worden afgegeven en die bijdragen tot de controle op deze activiteiten, moeten gemeenschappelijk regels worden vastgesteld inzake afgifte, geldigheid en gebruik.

(11)  Er moeten maatregelen worden genomen om de negatieve gevolgen voor de levende specimens van het vervoer naar, uit of binnen de Unie , zo gering mogelijk te houden.

(12)  Ten behoeve van een doeltreffende controle en ter vergemakkelijking van de douaneprocedure, is het van belang douanekantoren aan te wijzen die over gekwalificeerd personeel beschikken en die zullen worden belast met het vervullen van de nodige formaliteiten en bijbehorende verificaties bij het binnenbrengen in de Unie teneinde de specimens een douanebestemming te geven in de zin van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (7), of bij uitvoer of wederuitvoer uit de Unie. Men dient eveneens te beschikken over voorzieningen die garanderen dat de levende specimens zorgvuldig worden ondergebracht en behandeld.

(13)  Voor de tenuitvoerlegging van deze verordening door de lidstaten moeten ook administratieve instanties en wetenschappelijke autoriteiten worden aangewezen.

(14)  Voorlichting en bewustmaking van het publiek, met name op de grensposten, over de uitvoeringsbepalingen van deze verordening, kunnen de naleving van deze bepalingen vergemakkelijken.

(15)  Ten behoeve van een doeltreffende toepassing van deze verordening, moeten de lidstaten aandachtig toezien op de naleving van haar bepalingen en moeten zij daartoe nauw met elkaar en met de Commissie samenwerken. Dit vereist dat er informatie in verband met de tenuitvoerlegging van deze verordening wordt doorgegeven.

(16)  Het toezicht op de omvang van het handelsverkeer in de in het wild levende dier- en plantensoorten die onder deze verordening vallen, is van cruciaal belang voor de beoordeling van de effecten van de handel op de staat van instandhouding van de soorten. Er moeten gedetailleerde jaarverslagen worden opgesteld volgens een gemeenschappelijk model.

(17)  Het is voor de naleving van deze verordening van belang dat de lidstaten aan personen die inbreuken plegen adequate sancties opleggen die in een passende verhouding staan tot de aard en de ernst daarvan.

(18)  Gezien de talrijke biologische en ecologische aspecten die bij de tenuitvoerlegging van deze verordening in aanmerking moeten worden genomen, is het van belang een wetenschappelijke studiegroep op te richten waarvan de adviezen door de Commissie aan het comité en aan de administratieve instanties van de lidstaten zullen worden meegedeeld teneinde deze bij hun besluitvorming te helpen.

(19)  Teneinde bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening aan te vullen of te wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanneming van bepaalde maatregelen om de handel in in het wild levende dier- en plantensoorten te reguleren, van bepaalde wijzigingen in de bijlagen bij deze verordening alsook van bijkomende maatregelen om de resoluties van de partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten” (CITES) (hierna „de Overeenkomst” genoemd), besluiten of aanbevelingen van het Permanent Comité van de Overeenkomst, en de aanbevelingen van het secretariaat van de Overeenkomst ten uitvoer te leggen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad. 

(20)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend, in het bijzonder voor de bepaling van het design, het model en het formaat van bepaalde documenten. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(8), [Am. 1]

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

Deze verordening heeft ten doel, in het wild levende dier- en plantensoorten te beschermen en in stand te houden door de controle op het desbetreffende handelsverkeer overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 22 en de bijlagen A tot en met D, zoals weergegeven in bijlage I, hierna „bijlage A”, „bijlage B”, „bijlage C” en „bijlage D” genoemd.

Deze verordening is van toepassing met inachtneming van de doelstellingen, beginselen en bepalingen van de in artikel 2, onder b), omschreven Overeenkomst.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)  „het comité”: het in artikel 21, lid 1, bedoelde comité;

b)  „de Overeenkomst”: de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES);

c)  „land van herkomst”: land waar een specimen is gevangen of aan de natuur is onttrokken, in gevangenschap is gekweekt of door kunstmatige voortplanting is verkregen;

d)  „kennisgeving van invoer”: de kennisgeving die op het moment dat een specimen van een in bijlage C of D genoemde soort in de Unie wordt binnengebracht, door de invoerder, zijn gemachtigde of vertegenwoordiger wordt gedaan op het in artikel 19 10, lid 2 1 quinquies, bedoelde formulier; [Am. 2]

e)  „aanvoer vanuit zee”: het rechtstreeks binnenbrengen in de Unie van een specimen dat is onttrokken aan het mariene milieu dat niet tot het rechtsgebied van enige staat behoort, met inbegrip van het luchtruim boven de zee en de zeebodem en ondergrond daaronder;

f)  „afgifte”: de afhandeling van de gehele procedure van het opstellen en valideren van een vergunning of certificaat, alsmede de overhandiging daarvan aan de aanvrager;

g)  „administratieve instantie”: een nationale administratieve instantie die wordt aangewezen overeenkomstig artikel 13, lid 1, waar het een lidstaat betreft en overeenkomstig artikel IX van de Overeenkomst waar het een derde land betreft dat partij is bij de Overeenkomst;

h)  „lidstaat van bestemming”: de lidstaat van bestemming die wordt vermeld in het document voor de uitvoer of de wederuitvoer van een specimen; in geval van aanvoer vanuit zee de lidstaat waaronder de plaats van bestemming van een specimen ressorteert;

i)  „ ten verkoop aanbieden ”: het te koop aanbieden alsmede elke handeling die redelijkerwijs als dusdanig uitgelegd kan worden, met inbegrip van rechtstreekse of onrechtstreekse reclame met het oog op verkoop en het uitnodigen tot zaken doen;

j)  „persoonlijke bezittingen of huisraad”: dode specimens alsmede delen en producten daarvan, die een particulier toebehoren en die deel uitmaken van zijn gewone persoonlijke bezittingen of daartoe bestemd zijn;

k)  „plaats van bestemming”: de plaats die op het moment van het binnenbrengen van de specimens in de Unie geldt als hun voorziene gewone bewaarplaats; voor levende specimens is dit de eerste plaats waar zij naar verwachting zullen worden ondergebracht na afloop van een eventuele quarantaine of enige andere vorm van isolatie ten behoeve van sanitaire keuring en controle;

l)  „populatie”: een volledige in biologisch of geografisch opzicht onderscheiden groep individuen;

m)  „overwegend commerciële doeleinden”: alle doeleinden waarvan de niet-commerciële aspecten niet duidelijk de overhand hebben;

n)  „wederuitvoer uit de Unie ”: uitvoer uit de Unie van een specimen dat daar eerder is binnengebracht;

o)  „reïntroductie in de Unie ”: het binnenbrengen van een specimen dat eerder werd uitgevoerd of wederuitgevoerd;

p)  „verkoop”: alle vormen van verkoop. Voor de toepassing van deze verordening worden huur, ruil of uitwisseling gelijkgesteld met verkoop; uitdrukkingen van dezelfde strekking worden in dezelfde zin geïnterpreteerd;

q)  „wetenschappelijke autoriteit”: een door een lidstaat overeenkomstig artikel 13, lid 2, of door een derde land dat partij is bij de Overeenkomst conform artikel IX van de Overeenkomst, aangewezen wetenschappelijke autoriteit;

r)  „wetenschappelijke studiegroep”: het bij artikel 17 ingestelde adviesorgaan;

s)  „soort”: een soort, ondersoort of populatie daarvan;

t)  „specimen”: elk dier of elke plant, dood of levend, van de in de bijlagen A tot en met D genoemde soorten, elk deel daarvan en elk daarvan verkregen product, al dan niet in andere goederen vervat, alsmede alle goederen waarvan op grond van een bewijsstuk, verpakking, merkteken of etiket of enige andere omstandigheid moet worden aangenomen dat het gaat om delen of producten van tot deze soorten behorende dieren of planten, tenzij deze delen of producten door middel van een aanduiding in die zin in de bijlagen waarin de betrokken soorten worden genoemd, expliciet van het toepassingsgebied van deze verordening of van de bepalingen met betrekking tot de betrokken bijlage zijn uitgesloten.

Een specimen wordt beschouwd als een specimen behorend tot één van de in de bijlagen A tot en met D genoemde soorten indien het een dier of een plant is, dan wel een deel of een afgeleid product van een dier of een plant, waarvan ten minste één „ouder” tot een dergelijke soort behoort. Wanneer de „ouders” van een dergelijk dier of een dergelijke plant behoren tot soorten die in verschillende bijlagen worden genoemd, of tot soorten waarvan er slechts één in een bijlage wordt genoemd, zijn de bepalingen van de meest restrictieve bijlage van toepassing. Voor specimens van hybride planten waarvan slechts een „ouder” behoort tot een in bijlage A genoemde soort, zijn de bepalingen van de meest restrictieve bijlage evenwel slechts van toepassing indien zulks met betrekking tot deze soort in de bijlage is vermeld;

u)  „handel”: het binnenbrengen in de Unie met inbegrip van de aanvoer vanuit zee, de uitvoer en wederuitvoer vanuit de Unie en het gebruik, het vervoer en de overdracht van eigendom, in de Unie of in een lidstaat, van specimens waarop de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn;

v)  „doorvoer”: het vervoeren van specimens tussen twee punten buiten de Unie via het grondgebied van de Unie , naar een met name genoemde consignataris en zonder andere onderbrekingen van de reis dan die welke bij deze vorm van vervoer onvermijdelijk zijn;

w)  „meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte specimens”: specimens die vóór 3 maart 1947 ter vervaardiging van juwelen, decoratie, kunstvoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of muziekinstrumenten zijn gebracht in een toestand die grondig verschilt van hun natuurlijke ruwe staat en waarvan ten genoegen van de administratieve instantie van de betrokken lidstaat is aangetoond dat zij onder die voorwaarden zijn verworven. Dergelijke specimens gelden enkel als bewerkt indien zij duidelijk passen in een van de genoemde categorieën en indien zij de beoogde functie kunnen vervullen zonder dat daarvoor nog snijwerk, bewerking of verdere afwerking nodig zijn;

x)  „controles bij het binnenbrengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de doorvoer”: de documentcontrole betreffende de bij deze verordening vereiste certificaten, vergunningen en kennisgevingen en, indien bepalingen van de Unie zulks voorschrijven of in de overige gevallen door een representatieve steekproef van de zendingen, het onderzoek van specimens, eventueel vergezeld van een monsterneming voor een grondiger onderzoek of controle.

Artikel 3

Toepassingsgebied

1.  Bijlage A omvat:

a)  de in bijlage I bij de Overeenkomst opgenomen soorten waarvoor de lidstaten geen voorbehoud hebben gemaakt;

b)  soorten:

i)  die voor gebruik in de Unie afgenomen worden of kunnen worden of die het voorwerp van internationale handel uitmaken of kunnen uitmaken, en die met uitsterven bedreigd worden dan wel zo zeldzaam zijn dat ook het meest beperkte handelsverkeer het voortbestaan van de soort in gevaar zou brengen;

of

ii)  die behoren tot een genus waarvan de meeste soorten, of die een soort vormen waarvan de meeste ondersoorten, op basis van de onder a) of onder b), i), vermelde criteria in bijlage A zijn opgenomen en die zelf ook in die bijlage dienen te worden opgenomen, omdat anders een doeltreffende bescherming van de beoogde taxa onmogelijk is.

2.  Bijlage B omvat:

a)  de in bijlage II bij de Overeenkomst opgenomen soorten die niet in bijlage A zijn opgenomen, en waarvoor de lidstaten geen voorbehoud hebben gemaakt;

b)  de in bijlage I bij de Overeenkomst opgenomen soorten waarvoor een voorbehoud is gemaakt;

c)  niet in de bijlagen I of II bij de Overeenkomst opgenomen soorten:

i)  die het voorwerp uitmaken van zoveel internationale handel dat deze een bedreiging zou kunnen vormen:

–  voor het voortbestaan van deze soorten, of het voortbestaan van de populaties daarvan in bepaalde landen; of

–  voor de instandhouding van de populatie op een voldoende getalsterkte opdat deze soorten in de ecosystemen waarin ze voorkomen hun rol naar behoren zouden kunnen vervullen;

of

ii)  waarvan de opneming in de bijlage, gezien hun uiterlijke gelijkenis met andere in bijlage A of B opgenomen soorten, onontbeerlijk is om de handel in tot deze soorten behorende specimens daadwerkelijk te kunnen controleren;

d)  soorten waarvan vaststaat dat het binnenbrengen van levende specimens in het natuurlijk milieu van de Unie een ecologische bedreiging vormt voor inheemse, in het wild levende dier- en plantensoorten van de Unie.

3.  Bijlage C omvat:

a)  de in bijlage III bij de Overeenkomst opgenomen soorten die niet in bijlage A of B zijn opgenomen en waarvoor de lidstaten geen voorbehoud hebben gemaakt;

b)  de in bijlage II bij de Overeenkomst opgenomen soorten waarvoor een voorbehoud is gemaakt.

4.  Bijlage D omvat:

a)  niet in de bijlagen A, B en C vermelde soorten waarvan de omvang van de invoer in de Unie een controle rechtvaardigt;

b)  de in bijlage III bij de Overeenkomst opgenomen soorten waarvoor een voorbehoud is gemaakt.

5.  Waar het bestand van de soorten die onder deze verordening vallen, hun opname in één van de bijlagen bij de Overeenkomst noodzakelijk maakt, zullen de lidstaten aan de nodige wijzigingen bijdragen.

Artikel 4

Binnenbrengen in de Unie 

1.  Specimens van in bijlage A genoemde soorten mogen slechts in de Unie worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht, een invoervergunning is voorgelegd die werd afgegeven door een administratieve instantie van de lidstaat van bestemming.

Die invoervergunning mag enkel worden afgegeven met inachtneming van de in lid 6 opgelegde beperkingen en indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a)  uitgaande van het advies van de wetenschappelijke studiegroep is de bevoegde wetenschappelijke autoriteit van mening dat het binnenbrengen in de Unie:

i)  geen nadelig effect zal hebben op de instandhouding of op de omvang van het verspreidingsgebied van de populatie van de betrokken soort;

ii)  geschiedt:

–  voor een van de in artikel 8, lid 3, onder e), f) en g), genoemde doeleinden; dan wel

–  voor andere doeleinden die het voortbestaan van de betrokken soort niet nadelig beïnvloeden;

b)  i) de aanvrager bewijst dat de specimens zijn verkregen overeenkomstig de wetgeving betreffende de bescherming van de betrokken soort, hetgeen, in het geval van de invoer uit derde landen van specimens van een in de bijlagen bij de Overeenkomst opgenomen soort inhoudt dat een conform de Overeenkomst door een bevoegde autoriteit van het land van uitvoer of wederuitvoer afgegeven uitvoervergunning, wederuitvoercertificaat of een kopie daarvan, dient te worden overgelegd;

ii)  voor de afgifte van een invoervergunning voor de soorten die in bijlage A zijn opgenomen op grond van artikel 3, lid 1, onder a), is een dergelijk bewijsstuk evenwel niet vereist, maar de originele invoervergunning wordt pas aan de aanvrager overhandigd, nadat hij een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat heeft voorgelegd;

c)  de bevoegde wetenschappelijke autoriteit heeft de zekerheid verkregen dat levende specimens op de plaats van bestemming zullen worden ondergebracht in ruimten die beschikken over adequate voorzieningen om de specimens in stand te houden en goed te verzorgen;

d)  de administratieve instantie heeft de zekerheid verkregen dat het specimen niet voor overwegend commerciële doeleinden gebruikt zal worden;

e)  de administratieve instantie heeft via overleg met de bevoegde wetenschappelijke autoriteit de zekerheid verkregen dat er geen andere argumenten in verband met de instandhouding van de soort pleiten tegen de afgifte van de invoervergunning; en

f)  in geval van aanvoer vanuit zee heeft de administratieve instantie de zekerheid verkregen dat levende specimens op een zodanige wijze voor vervoer worden gereedgemaakt en verzonden dat de risico's van verwonding, ziekte of ruwe behandeling worden voorkomen.

2.  Specimens van in bijlage B genoemde soorten mogen slechts in de Unie worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht, een invoervergunning is voorgelegd die werd afgegeven door een administratieve instantie van de lidstaat van bestemming.

De invoervergunning mag enkel worden afgegeven met inachtneming van de in lid 6 opgelegde beperkingen en wanneer:

a)  de bevoegde wetenschappelijke autoriteit, na onderzoek van de beschikbare gegevens en uitgaande van het advies van de wetenschappelijke studiegroep, oordeelt dat het binnenbrengen in de Unie , rekening houdend met het huidige of te verwachten niveau van de handel, geen nadelig effect zal hebben op de instandhouding of op de omvang van het verspreidingsgebied van de populatie van de betrokken soort. Dit advies blijft geldig voor latere invoer, zolang de bovenvermelde elementen niet ingrijpend zijn gewijzigd;

b)  de aanvrager aan de hand van documenten staaft dat levende specimens op de plaats van bestemming zullen worden ondergebracht in ruimten die beschikken over adequate voorzieningen om de specimens in stand te houden en goed te verzorgen;

c)  aan de voorwaarden van lid 1, onder b), i), e) en f), is voldaan.

3.  Specimens van de in bijlage C genoemde soorten mogen slechts in de Unie worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht kennisgeving van invoer is gedaan, en:

a)  de aanvrager, in geval van uitvoer uit een land dat met betrekking tot de betrokken soort in bijlage C is genoemd, door middel van een overeenkomstig de Overeenkomst door een daartoe bevoegde autoriteit van het betrokken land afgegeven uitvoervergunning staaft dat de specimens zijn verkregen in overeenstemming met de nationale wetgeving inzake de instandhouding van de betrokken soort; of

b)  de aanvrager, in geval van uitvoer uit een land dat niet met betrekking tot de betrokken soort in bijlage C is genoemd, of in geval van wederuitvoer uit welk land ook, een overeenkomstig de Overeenkomst door een bevoegde autoriteit van het land van uitvoer of wederuitvoer afgegeven uitvoervergunning, wederuitvoercertificaat of certificaat van oorsprong voorlegt.

4.  Specimens van de in bijlage D genoemde soorten mogen slechts in de Unie worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht kennisgeving van invoer is gedaan.

5.  De in lid 1, onder a) en d), en in lid 2, onder a), b) en c), genoemde voorwaarden voor de afgifte van een invoervergunning zijn niet van toepassing op specimens waarvoor de aanvrager aan de hand van een document bewijst:

a)  dat zij voorheen langs legale weg in de Unie zijn binnengebracht of verworven en dat zij, al dan niet gewijzigd, opnieuw in de Unie worden binnengebracht; of

b)  dat het bewerkte specimens zijn die meer dan 50 jaar geleden werden verkregen.

6.  In De Commissie is bevoegd om na overleg met de betrokken landen van herkomst en met inachtneming van de adviezen van de wetenschappelijke studiegroep kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 20 tot vaststelling gedelegeerde handelingen vast te stellen voor het instellen van algemene — of bepaalde landen van herkomst betreffende — beperkingen opleggen ten aanzien van het binnenbrengen in de Unie : [Am. 3]

a)  van specimens van in bijlage A genoemde soorten, op basis van de in lid 1, onder a), i), of e), genoemde voorwaarden;

b)  van specimens van in bijlage B genoemde soorten, op basis van de in lid 1, onder e), of lid 2, onder a), genoemde voorwaarden; en

c)  van levende specimens van in bijlage B genoemde soorten die een grote sterfte tijdens het vervoer vertonen of waarvan vaststaat dat zij in gevangenschap een drastisch verlaagde levensverwachting hebben; of

d)  van levende specimens van soorten waarvan vaststaat dat introductie in het natuurlijk milieu van de Unie een ecologische bedreiging vormt voor inheemse in het wild levende dier- en plantensoorten van de Unie.

De in de eerste alinea bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. [Am. 4]

De Commissie maakt elk kwartaal een lijst van de eventuele overeenkomstig de eerste alinea opgelegde beperkingen in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend.

7.  Indien bepaalde specimens, nadat zij in de Unie zijn binnengebracht, op schepen worden overgeladen, dan wel per vliegtuig of per spoor worden vervoerd, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot het toestaan van ontheffingen op de in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel bedoelde controle en voorlegging van invoerdocumenten in het douanekantoor aan de grens waar zij worden binnengebracht, zodat deze controle en voorlegging in een ander, overeenkomstig artikel 12, lid 1, aangewezen douanekantoor kunnen geschieden.

Artikel 5

Uitvoer of wederuitvoer uit de Unie 

1.  Specimens van de in bijlage A genoemde soorten mogen slechts uit de Unie uitgevoerd of wederuitgevoerd worden indien de nodige controles zijn verricht en vooraf bij het douanekantoor waar de uitvoerformaliteiten worden vervuld, een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat is voorgelegd, dat is afgegeven door een administratieve instantie van de lidstaat waar de specimens zich bevinden.

2.  Voor de in bijlage A genoemde specimens mag enkel een uitvoervergunning worden afgegeven indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a)  de bevoegde wetenschappelijke autoriteit heeft in een schriftelijk advies gesteld dat het vangen of verzamelen van de specimens of de uitvoer daarvan geen nadelig effect heeft op de instandhouding van de soort of op de omvang van het verspreidingsgebied van de populatie van de betrokken soort;

b)  de aanvrager staaft aan de hand van documenten dat de specimens verkregen zijn overeenkomstig de vigerende wetgeving betreffende de bescherming van de betrokken soort; indien de aanvraag wordt ingediend bij een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst, kan zulks geschieden door middel van een certificaat waarin wordt verklaard dat het specimen aan zijn natuurlijk milieu is onttrokken overeenkomstig de vigerende wetgeving op zijn grondgebied;

c)  de administratieve instantie heeft de zekerheid verkregen dat:

i)  levende specimens op een zodanige wijze voor vervoer gereed gemaakt en verzonden zullen worden dat de risico's van verwonding, ziekte of ruwe behandeling tot een minimum beperkt zijn; en

ii)  – de specimens van soorten die niet in bijlage I bij de Overeenkomst zijn vermeld, niet voor overwegend commerciële doeleinden zullen worden gebruikt; of

–  in geval van uitvoer van specimens van de in artikel 3, lid 1, onder a), bedoelde soorten naar een Staat die partij is bij de Overeenkomst, een invoervergunning is afgegeven;

en

d)  de administratieve instantie van de lidstaat heeft via overleg met de bevoegde wetenschappelijke autoriteit de zekerheid verkregen dat er geen andere argumenten in verband met de instandhouding van de soort pleiten tegen afgifte van de uitvoervergunning.

3.  Een wederuitvoercertificaat mag enkel worden afgegeven indien is voldaan aan de in lid 2, onder c) en d), genoemde voorwaarden en de aanvrager aan de hand van documenten bewijst dat de specimens:

a)  overeenkomstig de bepalingen van deze verordening in de Unie werden binnengebracht; of

b)  overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3626/82 van de Raad(9) in de Unie werden binnengebracht, indien dit plaatsvond vóór 3 maart 1997, of overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 in de Unie werden binnengebracht, indien dit plaatsvond vóór de inwerkingtreding van de onderhavige verordening maar na 3 maart 1997; of 

c)  in de internationale handel zijn gebracht overeenkomstig de bepalingen van de Overeenkomst, indien het gaat om vóór 1984 in de Unie binnengebrachte specimens; of

d)  langs legale weg op het grondgebied van een lidstaat werden binnengebracht voordat de in de onder a) en b) bedoelde verordeningen of de Overeenkomst op die specimens, of in die lidstaat, van toepassing werden.

4.  Specimens van de in de bijlagen B en C genoemde soorten mogen slechts uit de Unie worden uitgevoerd of wederuitgevoerd indien de nodige controles zijn verricht en vooraf bij het douanekantoor waar de uitvoerformaliteiten worden vervuld, een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat is voorgelegd die/dat werd afgegeven door een administratieve instantie van de lidstaat waar de specimens zich bevinden.

Een uitvoervergunning mag enkel worden afgegeven indien aan de in lid 2, onder a), b), c), i), en d), genoemde voorwaarden is voldaan.

Een wederuitvoercertificaat mag enkel worden afgegeven indien is voldaan aan de in lid 2, onder c), i) en d), en in lid 3, onder a), b), c), en d), genoemde voorwaarden.

5.  Indien een aanvraag voor een wederuitvoercertificaat betrekking heeft op specimens die bij binnenkomst in de Unie vergezeld gingen van een door een andere lidstaat afgegeven invoervergunning, pleegt de administratieve instantie vooraf overleg met de administratieve instantie die de invoervergunning heeft afgegeven. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling van de overlegprocedures en de gevallen waarin overleg vereist is.

6.  De in lid 2, onder a) en c), ii), genoemde voorwaarden voor de afgifte van een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat zijn niet van toepassing op:

a)  bewerkte specimens die meer dan 50 jaar geleden werden verkregen; of

b)  dode specimens, delen daarvan en van deze specimens verkregen producten waarvoor de aanvrager aan de hand van documenten kan bewijzen dat zij langs legale weg zijn verkregen voordat de bepalingen van deze verordening, van Verordening (EG) nr. 338/97, van Verordening (EEG) nr. 3626/82 of van de Overeenkomst daarop van toepassing werden.

7.  De bevoegde wetenschappelijke autoriteit van elke lidstaat controleert de door die lidstaat afgegeven uitvoervergunningen voor specimens van de in bijlage B opgenomen soorten alsmede de daadwerkelijke uitvoer van deze specimens. Zodra een wetenschappelijke autoriteit van oordeel is dat de uitvoer van specimens behorend tot een dergelijke soort beperkt dient te worden met het oog op de instandhouding van die soort in haar gehele areaal op een niveau waarop zij haar rol in het ecosysteem waarin ze voorkomt naar behoren kan vervullen, en ver boven het niveau waarop zij overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a), of onder b), i), voor opneming in bijlage A in aanmerking zou komen, deelt de wetenschappelijke autoriteit de bevoegde administratieve instantie schriftelijk mee welke de gepaste maatregelen zijn die moeten worden genomen om de afgifte van uitvoervergunningen voor de specimens van deze soort te beperken.

Wanneer een administratieve instantie van in de eerste alinea bedoelde maatregelen op de hoogte is gebracht, deelt zij die — tezamen met haar opmerkingen — mee aan de Commissie. De Commissie beveelt, indien nodig, door middel van uitvoeringshandelingen uitvoerbeperkingen met betrekking tot de betrokken soort aan. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. 

Artikel 6

Afwijzing van aanvragen voor in de artikelen 4, 5 en 10 bedoelde vergunningen en certificaten

1.  Wanneer een lidstaat een aanvraag voor een vergunning of certificaat afwijst en wanneer het in het licht van de doelstellingen van deze verordening gaat om een significant geval, stelt hij de Commissie daarvan onverwijld in kennis en deelt hij haar de redenen van zijn afwijzing mee.

2.  Met het oog op de eenvormige toepassing van deze verordening deelt de Commissie aan de andere lidstaten de informatie mee die zij overeenkomstig lid 1 heeft verkregen.

3.  Wanneer een vergunning of certificaat wordt aangevraagd voor specimens waarvoor eerder een dergelijke aanvraag werd afgewezen, dient de aanvrager de bevoegde instantie waarbij de aanvraag wordt ingediend van deze vroegere afwijzing op de hoogte te brengen.

4.  De lidstaten erkennen de afwijzing van aanvragen door de bevoegde instanties van de andere lidstaten wanneer deze op bepalingen van de onderhavige verordening gebaseerd zijn.

De eerste alinea is evenwel niet van toepassing indien de omstandigheden fundamenteel gewijzigd zijn of indien een aanvraag stoelt op nieuwe documenten. Indien een administratieve instantie in dergelijke gevallen een vergunning of certificaat afgeeft, brengt zij de Commissie van deze afgifte en van de redenen daarvoor op de hoogte.

Artikel 7

Afwijkingen

1.  In gevangenschap geboren en gefokte of kunstmatig gekweekte specimens

Met uitzondering van de toepassing van artikel 8 zijn op specimens van de in bijlage A genoemde soorten die in gevangenschap zijn geboren en gefokt of kunstmatig zijn gekweekt, de bepalingen van toepassing die gelden voor specimens van in bijlage B genoemde soorten.

Voor kunstmatig gekweekte planten kan van het bepaalde in de artikelen 4 en 5 worden afgeweken onder bijzondere voorwaarden.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a)  de criteria aan de hand waarvan moet worden uitgemaakt of een specimen in gevangenschap geboren en gefokt of kunstmatig gekweekt is en of dit al dan niet voor handelsdoeleinden gebeurde;

b)  de in de tweede alinea van dit lid bedoelde bijzondere voorwaarden inzake:

i)  het gebruik van fytosanitaire certificaten;

ii)  de transacties van ingeschreven handelaren en van de in lid 4 van dit artikel bedoelde wetenschappelijke instellingen; en

iii)  de handel in hybride specimens.

2.  Doorvoer

In afwijking van artikel 4 zijn, indien een specimen via de Unie wordt doorgevoerd, de controle en de overlegging van de voorgeschreven vergunningen, certificaten en kennisgevingen in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht, niet vereist.

In het geval van soorten die overeenkomstig artikel 3, lid 1 en lid 2, onder a) en b), in de bijlagen zijn opgenomen, is de in de eerste alinea van dit lid bedoelde afwijking alleen van toepassing indien een geldig document voor uitvoer of wederuitvoer zoals in de Overeenkomst is bepaald, dat overeenkomt met de specimens waarvoor het als begeleidend document dient, en waarin de bestemming van het specimen nader wordt vermeld, is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van het derde land van uitvoer of wederuitvoer.

Indien het in de tweede alinea bedoelde document niet vóór de uitvoer of wederuitvoer is afgegeven, moet het specimen in beslag worden genomen en kan het in voorkomend geval verbeurd worden verklaard, tenzij het document achteraf toch wordt overgelegd onder bijzondere voorwaarden.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de bijzondere voorwaarden voor het achteraf overleggen van een document voor uitvoer of wederuitvoer.

3.  Persoonlijke bezittingen en huisraad

In afwijking van de artikelen 4 en 5 zijn de daarin vervatte bepalingen niet van toepassing op dode specimens, delen daarvan of daaruit verkregen producten van soorten genoemd in de bijlagen A tot en met D die vallen onder persoonlijke bezittingen of huisraad die in de Unie worden binnengebracht dan wel uit de Unie worden uitgevoerd of wederuitgevoerd, in overeenstemming met bijzondere bepalingen.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de bijzondere bepalingen betreffende de binnenbrenging, uitvoer of wederuitvoer van persoonlijke bezittingen of huisraad.

4.  Wetenschappelijke instellingen

De in de artikelen 4, 5, 8 en 9 bedoelde documenten behoeven niet te worden overgelegd wanneer het gaat om uitlening, schenking of uitwisseling voor niet‑commerciële doeleinden tussen wetenschappers en wetenschappelijke instellingen die door een administratieve instantie van de staat waarin zij zijn gevestigd, zijn ingeschreven, van specimens uit herbaria en van andere geconserveerde gedroogde of ingesloten specimens uit musea en van levende planten die voorzien zijn van een etiket waarvan het model wordt vastgesteld overeenkomstig de tweede alinea van dit lid of van een gelijksoortig etiket, afgegeven of goedgekeurd door een administratieve instantie van een derde land.

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een model vast voor een etiket voor levende planten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 8

Bepalingen betreffende de controle op handelsactiviteiten

1.  De aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van specimens van de in bijlage A genoemde soorten, is verboden.

2.  De lidstaten kunnen het in bezit hebben van specimens, met name van tot de in bijlage A genoemde soorten behorende levende dieren, verbieden.

3.  In overeenstemming met de voorschriften van andere wetgeving van de Unie betreffende de instandhouding van wilde fauna en flora kan per geval ontheffing van de in lid 1 genoemde verbodsbepalingen worden verleend door afgifte van een daartoe strekkend certificaat door een administratieve instantie van de lidstaat waarin de specimens zich bevinden, indien de specimens:

a)  werden verkregen of in de Unie werden binnengebracht voordat de bepalingen betreffende de soorten als genoemd in bijlage I bij de Overeenkomst of in bijlage C 1 bij Verordening (EEG) nr. 3626/82 of in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 338/97 of bij de onderhavige verordening, van toepassing werden op die specimens; of

b)  bewerkte specimens zijn die meer dan 50 jaar geleden zijn verkregen; of

c)  in de Unie werden binnengebracht overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 of van deze verordening en bestemd zijn om te worden gebruikt voor doeleinden die het voortbestaan van de betrokken soort niet nadelig beïnvloeden; of

d)  in gevangenschap geboren en gefokte specimens zijn van een diersoort of kunstmatig gekweekte specimens van een plantensoort of een deel van zo'n dier of zo'n plant zijn of daaruit zijn verkregen; of

e)  onder bijzondere omstandigheden en met naleving van Richtlijn 86/609/EEG van de Raad(10) nodig zijn met het oog op de vooruitgang van de wetenschap of voor belangrijke biomedische doeleinden indien de betrokken soort de enige blijkt te zijn die daarvoor geschikt is, en geen in gevangenschap geboren en gefokte specimens van die soort beschikbaar zijn; of

f)  bestemd zijn voor fok- of kweekdoeleinden en dientengevolge zullen bijdragen tot de instandhouding van de betrokken soorten; of

g)  bestemd zijn voor onderzoek of onderwijs dat de bescherming of de instandhouding van de soort op het oog heeft; of

h)  van oorsprong zijn uit een lidstaat en overeenkomstig de in die lidstaat geldende wetgeving aan hun natuurlijk milieu werden onttrokken.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot algemene afwijkingen van de verbodsbepalingen van lid 1 van dit artikel, op basis van de voorwaarden van lid 3 , alsmede algemene afwijkingen met betrekking tot de soorten die overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder b), ii), in bijlage A zijn opgenomen. Dergelijke afwijkingen moeten in overeenstemming zijn met de voorschriften van andere wetgeving van de Unie inzake de instandhouding van wilde fauna en flora.

5.  De in lid 1 genoemde verbodsbepalingen gelden ook voor specimens van de soorten genoemd in bijlage B, behalve indien ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien zij niet uit de Unie afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna.

6.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen de specimens van de in de bijlagen B, C en D genoemde soorten die zij uit hoofde van deze verordening verbeurd hebben verklaard, verkopen op voorwaarde dat zij op deze wijze niet rechtstreeks terugkeren naar de natuurlijke of rechtspersoon waarvan zij in beslag werden genomen of die medeschuldig aan de inbreuk is. Deze specimens kunnen dan voor alle doeleinden worden gebruikt alsof zij legaal waren verworven.

Artikel 9

Vervoer van levende specimens

1.  Voor elk vervoer binnen de Unie van een levend specimen van een soort opgenomen in bijlage A van de plaats die vermeld wordt op de invoervergunning of op een certificaat dat in overeenstemming met deze verordening is afgegeven, is de voorafgaande toestemming vereist van een administratieve instantie van de lidstaat waarin het specimen zich bevindt. In de overige gevallen van vervoer moet de persoon die verantwoordelijk is voor het vervoer in voorkomend geval het bewijs van de wettelijke oorsprong van het specimen kunnen leveren.

2.  Toestemming wordt:

a)  alleen verleend wanneer de bevoegde wetenschappelijke autoriteit van die lidstaat of — indien het vervoer naar een andere lidstaat plaatsvindt — wanneer de bevoegde wetenschappelijke autoriteit van deze laatste zich ervan heeft vergewist dat de geplande accommodatie op de plaats van bestemming van een levend specimen voldoende is uitgerust om het in stand te houden en goed te verzorgen;

b)  bevestigd door afgifte van een certificaat; en

c)  indien van toepassing, onmiddellijk meegedeeld aan een administratieve instantie van de lidstaat waarnaar het specimen zal worden verzonden.

3.  Deze toestemming is evenwel niet vereist indien een levend dier voor een urgente veterinaire behandeling moet worden vervoerd en daarna rechtstreeks wordt teruggebracht naar de plaats waar het zich mag bevinden.

4.  Indien een levend specimen van een soort genoemd in bijlage B binnen de Unie wordt vervoerd, mag degene die het specimen in zijn bezit heeft, hiervan uitsluitend afstand doen indien de toekomstige ontvanger voldoende is ingelicht over het onderbrengen, de uitrusting en de handelingen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het specimen op gepaste wijze zal worden behandeld.

5.  Indien levende specimens vervoerd worden naar, uit of binnen de Unie , of bij doorvoer of overlading op een bepaalde plaats worden gehouden, dienen zij op een zodanige wijze te worden gereedgemaakt, vervoerd en verzorgd dat risico's van verwondingen, ziekte en ruwe behandeling tot een minimum worden beperkt en dit, indien het om dieren gaat, in overeenstemming met de regelgeving van de Unie inzake de bescherming van dieren gedurende het vervoer.

6.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot beperkingen ten aanzien van het in het bezit hebben of vervoer van levende specimens van soorten waarvoor overeenkomstig artikel 4, lid 6, beperkingen inzake het binnenbrengen in de Unie zijn vastgesteld.

Artikel 10

Af te geven vergunningen, kennisgevingen en certificaten [Am. 5]

1.  Wanneer zij van de betrokkene een van de nodige bewijsstukken vergezelde aanvraag ontvangt en wanneer is voldaan aan de voorwaarden inzake afgifte, kan een administratieve instantie van een lidstaat een certificaat afgeven voor de doeleinden van artikel 5, lid 2, onder b), artikel 5, lid 3, artikel 5, lid 4, artikel 8, lid 3, en artikel 9, lid 2, onder b).

1 bis.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter vaststelling van het ontwerp van de in lid 1 bedoelde certificaten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. [Am. 6]

1 ter.  De administrative instantie van een lidstaat kan een vergunning afgeven voor de doeleinden van artikel 4, leden 1 en 2, en artikel 5, leden 1 en 4 na ontvangst van een door de betrokken persoon ingediende aanvraag en de vereiste bewijsstukken mits is voldaan aan alle vereisten inzake afgifte. [Am. 7]

1 quater.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter vaststelling van het ontwerp van de in lid 1 ter bedoelde vergunning. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. [Am. 8]

1 quinquies De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter vaststelling van het ontwerp van de in artikel 4, leden 3 en 4, bedoelde kennisgeving van invoer. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. [Am. 9]

Artikel 11

Geldigheid van en speciale voorwaarden met betrekking tot vergunningen en certificaten

1.  Onverminderd strengere maatregelen die de lidstaten kunnen aannemen of handhaven zijn vergunningen en certificaten die overeenkomstig deze verordening door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zijn verstrekt, in de hele Unie geldig.

2.  Elke vergunning of elk certificaat, alsmede elke vergunning of elk certificaat die/dat op basis daarvan werd afgegeven, wordt als nietig beschouwd indien door een bevoegde autoriteit of door de Commissie in overleg met de bevoegde autoriteit die de vergunning of het certificaat heeft afgegeven , wordt bewezen dat dit is geschied aan de hand van de foute veronderstelling dat aan de voorwaarden voor afgifte was voldaan.

Specimens die zich bevinden op het grondgebied van een lidstaat en waarvoor dat soort documenten werd opgemaakt, worden in beslag genomen door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat en kunnen verbeurd worden verklaard.

3.  Aan elke vergunning of elk certificaat dat overeenkomstig deze verordening door een autoriteit werd afgegeven, kunnen voorwaarden en vereisten worden verbonden die door die autoriteit zijn opgelegd om te garanderen dat aan de bepalingen daarvan wordt voldaan. Indien dergelijke voorwaarden als vereisten als standaardformulering in vergunningen of certificaten dienen te worden opgenomen, stellen de lidstaten de Commissie daarvan in kennis.

4.  Elke invoervergunning die is afgegeven op basis van een kopie van de overeenkomstige uitvoervergunning, respectievelijk het overeenkomstige wederuitvoercertificaat, is alleen geldig voor het binnenbrengen van specimens in de Unie indien zij vergezeld gaat van het originele exemplaar van de uitvoervergunning, respectievelijk van het uitvoercertificaat.

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de termijnen voor de afgifte van vergunningen en certificaten .

Artikel 12

Plaats van binnenkomst en uitvoer

1.  De lidstaten wijzen de douanekantoren aan waar de controles en formaliteiten worden vervuld voor het binnenbrengen in de Unie , ten behoeve van het verlenen van een douanebestemming overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2913/92, en voor de uitvoer uit de Unie van specimens van onder deze verordening vallende soorten; zij geven tevens aan welke douanekantoren speciaal voor levende specimens zijn bestemd.

2.  Alle krachtens lid 1 aangewezen kantoren worden voorzien van voldoende en deskundig personeel. De lidstaten zorgen ervoor dat adequate accommodatievoorzieningen beschikbaar zijn, overeenkomstig de bepalingen van de relevante wetgeving van de Unie inzake het vervoer en het onderbrengen van levende dieren en, wanneer zulks nodig is, dat adequate voorzieningen voor levende planten worden getroffen.

3.  Alle overeenkomstig lid 1 aangewezen kantoren worden meegedeeld aan de Commissie, die de lijst ervan publiceert in het Publicatieblad van de Europese Unie.

4.  In uitzonderlijke gevallen en overeenkomstig bijzondere criteria kan een administratieve instantie toestemming geven om de betrokken specimens via een ander douanekantoor dan die welke overeenkomstig lid 1 zijn aangewezen, in de Unie binnen te brengen, c.q. daaruit uit te voeren of weder uit te voeren.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de bijzondere criteria aan de hand waarvan toestemming voor de binnenbrenging, uitvoer of wederuitvoer via een ander douanekantoor kan worden gegeven.

5.  De lidstaten zorgen ervoor dat het publiek bij de grenspost wordt geïnformeerd over de krachtens deze verordening vastgestelde bepalingen .

Artikel 13

Administratieve instanties, wetenschappelijke autoriteiten en andere bevoegde instanties

1.  Iedere lidstaat wijst een administratieve hoofdinstantie aan die belast wordt met de uitvoering van deze verordening en de contacten met de Commissie.

Iedere lidstaat kan tevens nog meer administratieve instanties en andere bevoegde instanties aanwijzen die bijstand verlenen bij de uitvoering, in welk geval de administratieve hoofdinstantie ervoor verantwoordelijk is dat de instanties die assistentie verlenen alle informatie krijgen die voor een correcte toepassing van deze verordening nodig is.

2.  Iedere lidstaat wijst een of meer wetenschappelijke autoriteiten aan die over de nodige kwalificaties beschikken en andere taken hebben dan die van de aangewezen administratieve instanties.

3.  Uiterlijk op 3 maart 1997 delen de lidstaten aan de Commissie de namen en adressen mee van de administratieve instanties, de wetenschappelijke autoriteiten en andere autoriteiten die bevoegd zijn om vergunningen en certificaten af te geven; deze informatie wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Iedere in lid 1, eerste alinea, bedoelde administratieve instantie deelt op verzoek van de Commissie binnen twee maanden de namen en voorbeelden van handtekeningen mee van personen die gemachtigd zijn om vergunningen of certificaten te ondertekenen, alsmede stempelafdrukken, zegels of andere merken die gebruikt worden om vergunningen of certificaten te legaliseren.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van elke verandering in de reeds verstrekte informatie, en zulks niet later dan twee maanden nadat een wijziging is doorgevoerd.

Artikel 14

Controle op de uitvoering en onderzoek naar inbreuken

1.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaten zien toe op de naleving van de bepalingen van deze verordening.

Indien de bevoegde autoriteiten op een bepaald ogenblik redenen hebben om te geloven dat deze bepalingen niet worden nageleefd, nemen zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden nageleefd of om een rechtsvordering in te stellen.

De lidstaten delen de Commissie en het secretariaat van de Overeenkomst, wat betreft de in de bijlagen bij de Overeenkomst vermelde soorten, alle maatregelen mee die de bevoegde autoriteiten ten aanzien van significante overtredingen van deze verordening hebben genomen, waaronder inbeslagname en verbeurdverklaring.

2.  De Commissie vestigt de aandacht van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op de zaken waarvoor zij een onderzoek in het kader van deze verordening noodzakelijk acht. De lidstaten delen de Commissie en het secretariaat van de Overeenkomst, wat betreft de in de bijlagen bij de Overeenkomst vermelde soorten, het resultaat van alle daaropvolgende onderzoeken mee.

3.  Er wordt een Toezichtsgroep opgericht, bestaande uit de vertegenwoordigers van de autoriteiten van iedere lidstaat, die belast zijn met de tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze verordening. De Groep wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.

De Toezichtsgroep bestudeert ieder technisch vraagstuk betreffende de tenuitvoerlegging van deze verordening dat de voorzitter op eigen initiatief of op verzoek van de leden van de Groep of het comité aan de orde stelt.

De Commissie deelt de in de Toezichtsgroep geuite opvattingen mee aan het comité.

Artikel 15

Verstrekken van informatie

1.  De lidstaten en de Commissie verstrekken elkaar de nodige informatie voor de uitvoering van deze verordening.

De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat de nodige maatregelen worden genomen om het publiek bewust te maken van en te informeren over de toepassingsbepalingen van de Overeenkomst en van deze verordening, en van de krachtens deze verordening vastgestelde maatregelen .

2.  De Commissie onderhoudt contacten met het secretariaat van de Overeenkomst om ervoor te zorgen dat de Overeenkomst doeltreffend ten uitvoer wordt gelegd op het grondgebied waarop deze verordening van toepassing is.

3.  De Commissie deelt adviezen van de wetenschappelijke studiegroep onmiddellijk mee aan de administratieve instanties van de betrokken lidstaten.

4.  De administratieve instanties van de lidstaten delen de Commissie elk jaar vóór 15 juni alle informatie mee betreffende het voorafgaande jaar die nodig is om de in artikel VIII, lid 7, onderdeel a) van de Overeenkomst bedoelde rapporten op te stellen, alsmede gelijkwaardige informatie over de internationale handel in alle specimens van de in de bijlagen A, B en C genoemde soorten en over het binnenbrengen in de Unie van specimens van de in bijlage D genoemde soorten. De Commissie bepaalt door middel van uivoeringshandelingen welke informatie moet worden verstrekt en in welke vorm dat dient te geschieden. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. 

Op basis van de in de eerste alinea bedoelde informatie publiceert de Commissie jaarlijks vóór 31 oktober een statistisch verslag over het binnenbrengen in de Unie en de uitvoer en wederuitvoer uit de Unie van de specimens van de soorten waarop deze verordening van toepassing is, en verstrekt zij het secretariaat van de Overeenkomst de informatie over de onder de Overeenkomst vallende soorten.

Onverminderd artikel 22 verstrekken de administratieve instanties van de lidstaten de Commissie om het andere jaar vóór 15 juni, en wel voor de eerste maal in 1999, alle informatie betreffende de voorgaande twee jaar die vereist is voor het opstellen van de in artikel VIII, lid 7, onderdeel b), van de Overeenkomst bedoelde rapporten benevens gelijkwaardige informatie over de bepalingen van deze verordening die buiten het toepassingsgebied van de Overeenkomst vallen. De Commissie bepaalt door middel van uivoeringshandelingen welke informatie moet worden verstrekt en in welke vorm dat dient te geschieden. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. 

Op basis van de in de derde alinea bedoelde informatie stelt de Commissie om het andere jaar vóór 31 oktober, en wel voor de eerste maal in 1999, een rapport op over de uitvoering en handhaving van deze verordening.

5.  Met het oog op de wijzigingen van de bijlagen delen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de Commissie alle relevante informatie mee. De Commissie bepaalt door middel van uivoeringshandelingen welke informatie vereist is. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. 

6.  Onverminderd Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en van de Raad (11) neemt de Commissie de nodige maatregelen om te waarborgen dat de informatie die uit hoofde van de toepassing van deze verordening is verkregen, vertrouwelijk wordt behandeld.

Artikel 16

Sancties

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er ten minste voor te zorgen dat sancties worden opgelegd indien op de bepalingen van deze verordening de volgende inbreuken worden gemaakt:

a)  binnenbrengen in of uitvoeren dan wel wederuitvoeren uit de Unie van specimens zonder de passende vergunning of het passende certificaat, of met een niet naar waarheid ingevulde, vervalste of ongeldige vergunning of certificaat dan wel een vergunning of certificaat waarin wijzigingen zijn aangebracht zonder toestemming van de autoriteit die deze heeft afgegeven;

b)  niet voldoen aan de bepalingen die op een overeenkomstig deze verordening afgegeven vergunning of certificaat zijn vermeld;

c)  afleggen van een valse verklaring of het bewust verstrekken van verkeerde informatie om zodoende een vergunning of een certificaat te kunnen verkrijgen;

d)  gebruik van een niet naar waarheid ingevulde, vervalste of ongeldige vergunning of certificaat dan wel van een vergunning of certificaat waarin zonder toestemming wijzigingen zijn aangebracht, met de bedoeling om een vergunning of certificaat van de Unie te verkrijgen dan wel met het oog op een ander officieel doel dat met deze verordening in verband staat;

e)  niet of niet naar waarheid kennisgeven van invoer;

f)  vervoer van levende specimens die niet op zodanige wijze zijn gereedgemaakt dat risico's van verwondingen, ziekte of ruwe behandeling tot een minimum worden beperkt;

g)  ander gebruik van de specimens van soorten genoemd in bijlage A dan dat waarvoor bij afgifte van de invoervergunning of daarna toestemming werd verleend;

h)  handel in kunstmatig gekweekte planten in strijd met de overeenkomstig artikel 7, lid 1, tweede alinea, vastgestelde bepalingen;

i)  vervoer van specimens naar of uit de Unie of doorvoer via de Unie zonder dat er in overeenstemming met deze verordening of, in het geval van uitvoer of wederuitvoer uit een derde land dat partij is bij de Overeenkomst, in overeenstemming met die Overeenkomst, een passende vergunning of passend certificaat is afgegeven, of een bevredigend bewijs van het bestaan daarvan geleverd is;

j)  in strijd met artikel 8 aankopen, te koop vragen, verwerven voor commerciële doeleinden, gebruiken voor commerciële doeleinden, ten toon stellen voor commerciële doeleinden, verkopen, in bezit hebben met het oog op verkoop, ten verkoop aanbieden of vervoeren met het oog op verkoop van specimens;

k)  gebruiken van een vergunning of certificaat voor een ander specimen dan dat waarvoor de vergunning of het certificaat werd afgegeven;

l)  vervalsen of wijzigen van een overeenkomstig deze verordening afgegeven vergunning of certificaat;

m)  verzwijgen van het feit dat een aanvraag voor een vergunning of certificaat werd afgewezen , in de zin van artikel 6, lid 3.

2.  De in lid 1 bedoelde maatregelen staan in een passende verhouding tot de aard en de ernst van de inbreuk en bevatten onder meer voorzieningen met betrekking tot de inbeslagname en, in voorkomend geval, verbeurdverklaring van de specimens.

3.  Indien een specimen verbeurd wordt verklaard, wordt het toevertrouwd aan een bevoegde autoriteit van de lidstaat die tot verbeurdverklaring is overgegaan, die:

a)  na overleg met een wetenschappelijke autoriteit van die lidstaat, het specimen ergens onderbrengt of het van de hand doet op een manier die zij geschikt en verenigbaar acht met de doelstellingen en bepalingen van de onderhavige verordening; en

b)  in het geval van een levend specimen dat in de Unie is binnengebracht, na overleg met het land van uitvoer, dat specimen op kosten van degene die veroordeeld is, naar dat land kan terugsturen.

4.  Indien een levend specimen van een soort genoemd in bijlage B of C op een bepaalde plaats in de Unie wordt binnengebracht zonder de/het passende geldige vergunning of certificaat, moet het specimen in beslag worden genomen en kan het verbeurd worden verklaard of kunnen, indien de geadresseerde het specimen weigert te accepteren, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waarin deze plaats van binnenkomst gelegen is, zo nodig de zending weigeren en van de vervoerder eisen dat hij het specimen naar de plaats van vertrek terugzendt.

Artikel 17

De wetenschappelijke studiegroep

1.  Er wordt een wetenschappelijke studiegroep opgericht bestaande uit de vertegenwoordigers van de wetenschappelijke autoriteit(en) van de verschillende lidstaten, en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.

2.  De wetenschappelijke studiegroep onderzoekt alle wetenschappelijke vraagstukken met betrekking tot de uitvoering van deze verordening — met name die inzake artikel 4, lid 1, onder a), lid 2, onder a), en lid 6 — die door haar voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de leden van de groep of van het comité, aan de orde worden gesteld.

3.  De Commissie deelt de adviezen van de wetenschappelijke studiegroep aan het comité mee.

Artikel 18

 Bijkomende gedelegeerde bevoegdheden 

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot uniforme bepalingen en criteria voor:

a)  de afgifte, de geldigheid en het gebruik van de documenten bedoeld in artikel 4, artikel 5, artikel 7, lid 4, en artikel 10;

b)  het gebruik van de in artikel 7, lid 1, tweede alinea, onder a), bedoelde fytosanitaire certificaten;

c)  het opstellen, wanneer zulks nodig is, van procedures voor het merken van specimens als hulpmiddel bij de identificatie ervan en ter naleving van deze verordening.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 zo nodig gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot aanvullende maatregelen om de resoluties van de conferentie van de partijen bij de overeenkomst, besluiten of aanbevelingen van het Permanent Comité van de overeenkomst en aanbevelingen van het secretariaat van de overeenkomst ten uitvoer te leggen.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter wijziging van de bijlagen A tot en met D, met uitzondering van de wijzigingen van bijlage A die niet uit de besluiten van de conferentie van de partijen bij de overeenkomst voortvloeien.

Artikel 19

 Bijkomende uitvoeringsbevoegdheden 

1.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het model van de in artikel 4, artikel 5, artikel 7, lid 4, en artikel 10 bedoelde documenten vast . Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. 

2.  De Commissie schrijft door middel van uitvoeringshandelingen een formulier voor het doen van de kennisgeving van invoer voor. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. [Am. 10]

Artikel 20

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 4, lid leden 6 en 7, artikel 5, lid 5, artikel 7, leden 1, 2 en 3, artikel 8, lid 4, artikel 9, lid 6, artikel 11, lid 5, artikel 12, lid 4, en artikel 18, leden 1, 2 en 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [de datum van inwerkingtreding van de basishandeling of een andere door de wetgever vastgestelde datum]. [Am. 11]

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikel 4, lid leden 6 en 7, artikel 5, lid 5, artikel 7, leden 1, 2 en 3, artikel 8, lid 4, artikel 9, lid 6, artikel 11, lid 5, artikel 12, lid 4, en artikel 18, leden 1, 2 en 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. [Am. 12]

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 4, lid leden 6 en 7, artikel 5, lid 5, artikel 7, leden 1, 2 en 3, artikel 8, lid 4, artikel 9, lid 6, artikel 11, lid 5, artikel 12, lid 4, en artikel 18, leden 1, 2 en 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van [twee maanden] na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met [twee maanden] verlengd. [Am. 13]

Artikel 21

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité genaamd het comité voor de handel in wilde dier- en plantensoorten. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011. 

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 22

Slotbepalingen

Elke lidstaat stelt de Commissie en het secretariaat van de Overeenkomst in kennis van de specifieke bepalingen die hij met het oog op de uitvoering van deze verordening treft, en van alle rechtsinstrumenten die worden aangewend en de maatregelen die zijn genomen om deze ten uitvoer te leggen en toe te passen.

De Commissie stelt de overige lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 23

Intrekking

Verordening (EG) nr. 338/97 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 24

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

Opmerkingen over de interpretatie van de bijlagen A, B, C en D

1.  De in de bijlagen A, B, C en D opgenomen soorten worden aangeduid:

a)  met de naam van de soort, of

b)  met de verzamelnaam der soorten die behoren tot een hoger taxon of een aangegeven deel daarvan.

2.  De afkorting „spp.” dient ter aanduiding van alle soorten van een hoger taxon.

3.  Andere verwijzingen naar taxa van een hogere categorie dan de soort worden uitsluitend ter informatie of classificatie gegeven.

4.  Vetgedrukte soorten in bijlage A zijn daarin opgenomen overeenkomstig hun bescherming uit hoofde van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad(12) of Richtlijn 92/43/EEG van de Raad(13).

5.  De volgende afkortingen worden gebruikt ter aanduiding van subspecifieke plantentaxa:

a)  „ssp.” ter aanduiding van een ondersoort (subspecies);

b)  „var.” ter aanduiding van een variëteit (varietas); en

c)  „fa.” ter aanduiding van een vorm (forma).

6.  De tekens „(I)”, „(II)” en „(III)” achter de naam van een soort of hoger taxon verwijzen naar de bijlagen bij de overeenkomst waarin de betrokken soorten zijn opgenomen, zoals aangegeven in de opmerkingen 7 tot en met 9. Indien geen van deze tekens is aangebracht, zijn de betrokken soorten niet in de bijlagen bij de overeenkomst opgenomen.

7.  (I) achter de naam van een soort of hoger taxon betekent dat die soort of dat hogere taxon is opgenomen in bijlage I bij de overeenkomst.

8.  (II) achter de naam van een soort of hoger taxon betekent dat die soort of dat hogere taxon is opgenomen in bijlage II bij de overeenkomst.

9.  (III) achter de naam van een soort of hoger taxon betekent dat die soort of dat hogere taxon is opgenomen in bijlage III bij de Overeenkomst. In dat geval wordt tevens het land aangegeven met betrekking waartoe de soort of het hogere taxon in bijlage III is opgenomen.

10.  Onder „cultivar” wordt, overeenkomstig de definitie in de 8e editie van de International Code of Nomenclature for Cultivated Plants, een verzameling planten verstaan die (a) geselecteerd is op een bepaald kenmerk of een bepaalde combinatie van kenmerken, (b) wat deze kenmerken betreft onderscheidbaar, uniform en stabiel is, en (c) bij toepassing van passende vermeerderingsmethoden deze kenmerken behoudt. Een nieuw cultivar-taxon kan pas als zodanig worden aangemerkt nadat de categorienaam en de omschrijving ervan officieel zijn gepubliceerd in de nieuwste editie van de International Code of Nomenclature for Cultivated Plants.

11.  Hybriden kunnen uitdrukkelijk in de bijlagen worden opgenomen, doch uitsluitend indien zij in de vrije natuur onderscheidbare, stabiele populaties vormen. Op hybride dieren die in de laatste vier vooroudergeneraties van de lijn één of meer specimens van enige in bijlage A of B opgenomen soort tellen, zijn de bepalingen van deze verordening van toepassing alsof zij tot die soort zelf behoorden, zelfs indien de betrokken hybride niet uitdrukkelijk in de bijlage(n) is opgenomen.

12.  Wanneer een soort in bijlage A, B of C is opgenomen, zijn ook alle delen en producten van die soort in dezelfde bijlage opgenomen, tenzij voor die soort door middel van een annotatie is aangegeven dat alleen specifieke delen en producten daarin zijn opgenomen. Conform artikel 2, onder t), van deze verordening dient het teken „#”, gevolgd door een cijfer, achter de naam van een in bijlage B of C opgenomen soort of hoger taxon om delen of producten te omschrijven die in dit verband ter fine van de verordening zijn vermeld, als volgt:

#1

Ter omschrijving van alle delen en producten, met uitzondering van:

a)  zaden, sporen en pollen (met inbegrip van pollinia);

b)  in vitro zaailing- en weefselculturen op een vaste of vloeibare voedingsbodem die in steriele recipiënten worden getransporteerd;

c)  afgesneden bloemen van kunstmatig gekweekte planten; en

d)  vruchten en delen en producten daarvan van kunstmatig gekweekte planten van het genus Vanilla.

#2

Ter omschrijving van alle delen en producten, met uitzondering van:

a)  zaden en pollen; en

b)  verpakte eindproducten die zijn klaargemaakt voor de detailhandel.

#3

Ter omschrijving van complete en versneden wortels en delen van wortels.

#4

Ter omschrijving van alle delen en producten, met uitzondering van:

a)  zaden (met inbegrip van zaadhulsels van Orchidaceae), sporen en pollen (met inbegrip van pollinia). De uitzondering is niet van toepassing op uit Mexico uitgevoerde zaden van Cacataceae spp. en op uit Madagascar uitgevoerde zaden van Beccariophoenix madagascariensis en Neodypsis decaryi;

b)  in vitro zaailing- en weefselculturen op een vaste of vloeibare voedingsbodem die in steriele recipiënten worden getransporteerd;

c)  afgesneden bloemen van kunstmatig gekweekte planten;

d)  vruchten en delen en producten daarvan van verwilderde of kunstmatig gekweekte planten van het genus Vanilla (Orchidaceae) en van de familie Cactaceae;

e)  stengels, bloemen en delen en producten daarvan van verwilderde of kunstmatig gekweekte planten van de geslachten Opuntia subgenus Opuntia en Selenicereus (Cactaceae); en

f)  verpakte eindproducten van Euphorbia antisyphilitica die zijn klaargemaakt voor de detailhandel.

#5

Ter omschrijving van stammen of blokken, planken en vellen fineer.

#6

Ter omschrijving van stammen of blokken, planken, vellen fineer en gelaagd/geplakt hout.

#7

Ter omschrijving van stammen of blokken, houtspanen, poeders en extracten.

#8

Ter omschrijving van ondergrondse delen (d.w.z. wortels, wortelstokken): compleet, in stukken of in poedervorm.

#9

Ter omschrijving van alle delen en producten, met uitzondering van die waarop een etiket is aangebracht met de vermelding „Produced from Hoodia spp. material obtained through controlled harvesting and production in collaboration with the CITES Management Authorities of Botswana/Namibia/South Africa under agreement no. BW/NA/ZA xxxxxx”.

#10

Ter omschrijving van stammen of blokken, planken en vellen fineer, met inbegrip van niet-afgewerkte houten artikelen bestemd voor de fabricage van strijkstokken voor muziekinstrumenten.

#11

Ter omschrijving van stammen of blokken, planken, vellen fineer, gelaagd/geplakt hout, poeders en extracten.

#12

Ter omschrijving van stammen of blokken, planken, vellen fineer, gelaagd/geplakt hout en essentiële oliën, met uitzondering van verpakte eindproducten die zijn klaargemaakt voor de detailhandel.

#13

Ter omschrijving van de zaadkern (ook „endosperm”, „kokosvlees” of „kopra” genoemd) en alle daarvan afgeleide producten.

13.  Aangezien voor geen van de in bijlage A opgenomen plantensoorten of hogere plantentaxa door middel van een annotatie is aangegeven dat op hybriden daarvan artikel 4, lid 1, van deze verordening van toepassing is, betekent dit dat kunstmatig gekweekte hybriden van een of meer van deze soorten of taxa verhandeld mogen worden met een certificaat van kunstmatige kweek, en dat zaden en pollen (met inbegrip van pollinia), afgesneden bloemen en in steriele recipiënten vervoerde in vitro zaailing- en weefselculturen op een vaste of vloeibare voedingsbodem van deze hybriden niet onder de bepalingen van deze verordening vallen.

14.  Urine, feces en grijze amber die excretieproducten zijn welke werden verkregen zonder dat het dier in kwestie werd gemanipuleerd, vallen niet onder de bepalingen van deze verordening.

15.  Wat de in bijlage D opgenomen diersoorten betreft, zijn de bepalingen alleen van toepassing op levende specimens en complete of in essentie complete dode specimens, behalve voor de taxa die als volgt zijn geannoteerd om aan te geven dat die bepalingen ook gelden voor andere delen en producten:

§ 1

Complete of in essentie complete, al dan niet gelooide huiden

§ 2

Veren alsmede nog van veren voorziene huiden of andere delen

16.  Wat de in bijlage D opgenomen plantensoorten betreft, zijn de bepalingen alleen van toepassing op levende specimens, behalve voor de taxa die als volgt zijn geannoteerd om aan te geven dat die bepalingen ook gelden voor andere delen en producten:

§ 3

Gedroogde en verse planten, waar passend met inbegrip van bladeren, wortels/wortelstokken, stengels/stammen, zaden/sporen, schors en vruchten

§ 4

Stammen of blokken, planken en vellen fineer

Bijlage A

Bijlage B

Bijlage C

Gewone naam

FAUNA (DIEREN)

CHORDATA (CHORDADIEREN)

MAMMALIA

Zoogdieren

ARTIODACTYLA

Evenhoevigen

Antilocapridae

Gaffelantilopen

Antilocapra americana (I) (Alleen de populatie in Mexico; geen enkele andere populatie is in de bijlagen bij deze verordening opgenomen.)

Gaffelantiloop (populatie in Mexico)

Bovidae

Holhoornigen

Addax nasomacula­tus (I)

Addax of Mendes-antiloop

Ammotragus lervia (II)

Manenschaap

Antilope cervicapra (III Nepal)

Indische antiloop

Bison bison athabascae (II)

Bosbison

Bos gaurus (I) (Met uitzondering van de gedomesticeer­de vorm die Bos frontalis wordt genoemd, waarop de bepalingen van deze verordening niet van toepassing zijn)

Gaur

Bos mutus (I) (Met uitzondering van de gedomesticeer­de vorm die Bos grunniens wordt genoemd, waarop de bepalingen van deze verordening niet van toepassing zijn)

Wilde jak

Bos sauveli (I)

Kouprey

Bubalus arnee (III Nepal) (Met uitzondering van de gedomesti­ceerde vorm die Bubalus bubalis wordt genoemd, waarop de bepalingen van deze verordening niet van toepassing zijn)

Aziatische buffel

Bubalus depressicor­nis (I)

Laaglandbuffel

Bubalus mindorensis (I)

Tamarou

Bubalus quarlesi (I)

Berganoa

Budorcas taxicolor (II)

Takin

Capra falconeri (I)

Schroefhoorngeit

Capricornis milneed­wardsii (I)

Chinese bosgems

Capricornis rubidus (I)

Rode bosgems

Capricornis sumatraen­sis (I)

Cambodjaanse bosgems

Capricornis thar (I)

Himalaya-bosgems

Cephalophus brookei (II)

Brookes duiker

Cephalophus dorsalis (II)

Zwartrugduiker

Cephalophus jentinki (I)

Jentinks duiker

Cephalophus ogilbyi (II)

Ogilby's duiker

Cephalophus silvicultor (II)

Geelrugduiker

Cephalophus zebra (II)

Zebraduiker

Damaliscus pygargus pygargus (II)

Bontebok

Gazella cuvieri (I)

Cuviers gazelle

Gazella dorcas (III Algerije/ Tunesië)

Dorcasgazelle

Gazella leptoceros (I)

Duingazelle

Hippotragus niger variani (I)

Reuzenpaardantiloop

Kobus leche (II)

Litschie-waterbok

Naemorhedus baileyi (I)

Rode goral

Naemorhedus caudatus (I)

Langstaartgoral

Naemorhedus goral (I)

Gewone goral

Naemorhedus griseus (I)

Grijze goral

Nanger dama (I)

Damagazelle

Oryx dammah (I)

Algazelle

Oryx leucoryx (I)

Arabische oryx

Ovis ammon (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen subspecies)

Argali

Ovis ammon hodgsonii (I)

Nyan

Ovis ammon nigrimon­tana (I)

Argalischaap van de Zwarte Bergen

Ovis canadensis (II) (Alleen de populatie in Mexico; geen enkele andere populatie is in de bijlagen bij deze verordening opgenomen.)

Dikhoornschaap (Mexicaanse populatie)

Ovis orientalis ophion (I)

Cypriotische moeflon

Ovis vignei (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen subspecies)

Oerial of steppeschaap

Ovis vignei vignei (I)

Ladakh-oerial

Pantholops hodgsonii (I)

Tibetaanse antiloop

Philantomba monticola (II)

Blauwe duiker

Pseudoryx nghetinhen­sis (I)

Vietnamese antiloop

Rupicapra pyrenaica ornata (I)

Apennijnengems

Saiga borealis (II)

Mongoolse saiga-antiloop

Saiga tatarica (II)

Saiga-antiloop

Tetracerus quadricornis (III Nepal)

Vierhoornantiloop

Camelidae

Kameelachtigen

Lama guanicoe (II)

Goeanaco

Vicugna vicugna (I) (Met uitzondering van de populaties in: Argentinië [de populaties in de provincies

Vicugna vicugna (II) (Uitsluitend de populaties in: Argentinië(14) [de populaties in de provincies Jujuy en

Jujuy en Catamarca en de halfwilde populaties in de provincies Jujuy, Salta, Catamarca, La Rioja en San Juan]; Bolivia [de hele populatie]; Chili [populatie in de Primera Región]; en Peru [de hele populatie]; deze populaties zijn opgenomen in bijlage B)

Catamarca en de halfwilde populaties in de provincies Jujuy, Salta, Catamarca, La Rioja en San Juan]; Bolivia(15) [de hele populatie]; Chile(16) [populatie in de Primera Región]; Peru(17) [de hele populatie]; alle andere populaties zijn opgenomen in bijlage A.)

Vicuña

Cervidae

Herten

Axis calamianen­sis (I)

Filipijns zwijnshert

Axis kuhlii (I)

Bawean-zwijnshert

Axis porcinus annamiticus (I)

Annam-zwijnshert

Blastocerus dichotomus (I)

Moerashert

Cervus elaphus bactrianus (II)

Afghaans edelhert

Cervus elaphus barbarus (III Algerije/ Tunesië)

Noord-Afrikaans edelhert

Cervus elaphus hanglu (I)

Kasjmir-edelhert

Dama dama mesopota­mica (I)

Iraans damhert

Hippocamelus spp. (I)

Andesherten

Mazama temama cerasina (III Guatemala)

Midden-Amerikaans spieshert

Muntiacus crinifrons (I)

Zwarte muntjak

Muntiacus vuquangen­sis (I)

Indochinese muntjak

Odocoileus virginianus mayensis (III Guatemala)

Guatemalteeks waaierstaarthert

Ozotoceros bezoarticus (I)

Pampahert

Pudu mephistophi­les (II)

Ecuadoraanse poedoe

Pudu puda (I)

Chileense poedoe

Rucervus duvaucelii (I)

Barasingha

Rucervus eldii (I)

Lierhert

Hippopotamidae

Nijlpaarden

Hexaprotodon liberiensis (II)

Dwergnijlpaard

Hippopotamus amphibius (II)

Nijlpaard

Moschidae

Muskusherten

Moschus spp. (I) (Alleen de populaties in Afghanistan, Bhutan, India, Myanmar, Nepal en Pakistan; alle andere populaties zijn opgenomen in bijlage B.)

Moschus spp. (II) (Met uitzondering van de populaties in Afghanistan, Bhutan, India, Myanmar, Nepal en Pakistan, die in bijlage A zijn opgenomen)

Muskusherten

Suidae

Varkens

Babyrousa babyrussa (I)

Gouden babiroessa of hertzwijn

Babyrousa bolabatuen­sis (I)

Bola Batu-babiroessa

Babyrousa celebensis (I)

Sulawesi-babiroessa

Babyrousa togeanensis (I)

Malenge- of Togian-babiroessa

Sus salva­nius (I)

Dwergzwijn

Tayassuidae

Pecari's

Tayassuidae spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species en met uitzondering van de populaties van Pecari tajacu in Mexico en de Verenigde Staten, die niet in de bijlagen bij deze verordening zijn opgenomen)

Pecari's

Catagonus wagneri (I)

Chaco-pecari

CARNIVORA

Roofdieren

Ailuridae

Ailurus fulgens (I)

Kleine panda

Canidae

Hondachtigen

Canis aureus (III India)

Goudjakhals

Canis lupus (I/II)

(Alle populaties behalve die in Spanje ten noorden van de Duero en die in Griekenland ten noorden van de 39e breedtegraad. De populaties in Bhutan, India, Nepal en Pakistan zijn opgenomen in bijlage I; alle andere populaties zijn opgenomen in bijlage II. Uitgesloten zijn de gedomesticeerde vorm en de dingo die respectievelijk Canis lupus familiaris en Canis lupus dingo worden genoemd.)

Canis lupus (II) (Populaties in Spanje ten noorden van de Duero en populaties in Griekenland ten noorden van de 39e breedtegraad. Uitgesloten zijn de gedomesticeerde vorm en de dingo die respectievelijkCanis lupus familiaris en Canis lupus dingo worden genoemd.)

Wolf

Canis simensis

Ethiopische wolf

Cerdocyon thous (II)

Krabbenetende vos

Chrysocyon brachyu­rus (II)

Manenwolf

Cuon alpinus (II)

Aziatische boshond of dhole

Lycalopex culpaeus (II)

Andes-jakhalsvos

Lycalopex fulvipes (II)

Darwinvos

Lycalopex griseus (II)

Argentijnse jakhalsvos

Lycalopex gymnocer­cus (II)

Pampajakhalsvos

Speothos venaticus (I)

Zuid-Amerikaanse boshond

Vulpes bengalensis (III India)

Bengaalse vos

Vulpes cana (II)

Grijze vos

Vulpes zerda (II)

Fennek

Eupleridae

Madagaskar-civetkatten

Cryptoprocta ferox (II)

Fretkat of fossa

Eupleres goudotii (II)

Mierencivetkat of kleine falanoek

Fossa fossana (II)

Fanaloka of grote falanoek

Felidae

Katachtigen

Felidae spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species. Op specimens van de gedomesti­ceerde vorm zijn de bepalingen van deze verordening niet van toepassing)

Katachtigen

Acinonyx jubatus (I) (De volgende jaarlijkse exportquota voor levende specimens en jachttrofeeën zijn vastgesteld: Botswana: 5; Namibië: 150; Zimbabwe: 50. Voor de handel in deze specimens gelden de bepalingen van artikel 4, lid 1, van deze verordening.)

Jachtluipaard of cheetah

Caracal caracal (I) (Alleen de populatie in Azië; alle andere populaties zijn opgenomen in bijlage B.)

Aziatische caracal

Catopuma temminckii (I)

Aziatische goudkat

Felis nigripes (I)

Zwartvoetkat

Felis silvestris (II)

Wilde kat

Leopardus geoffroyi (I)

Geoffroys kat

Leopardus jacobitus (I)

Bergkat

Leopardus pardalis (I)

Ocelot

Leopardus tigrinus (I)

Oncilla of Amerikaanse tijgerkat

Leopardus wiedii (I)

Margay

Lynx lynx (II)

Euraziatische lynx

Lynx pardinus (I)

Pardellynx

Neofelis nebulosa (I)

Nevelpanter

Panthera leo persica (I)

Aziatische leeuw

Panthera onca (I)

Jaguar

Panthera pardus (I)

Luipaard

Panthera tigris (I)

Tijger

Pardofelis marmorata (I)

Marmerkat

Prionailurus bengalensis bengalensis (I) (Alleen de populaties in Bangladesh, India en Thailand; alle andere populaties zijn opgenomen in bijlage B.)

Bengaalse kat

Prionailurus iriomoten­sis (II)

Iriomote-kat

Prionailurus planiceps (I)

Platkopkat

Prionailurus rubiginosus (I) (Alleen de populatie in India; alle andere populaties zijn opgenomen in bijlage B.)

Roestkat

Puma concolor coryi (I)

Florida-poema

Puma concolor costaricen­sis (I)

Costa Ricaanse poema

Puma concolor couguar (I)

Oostelijke poema

Puma yagouaroundi (I) (Alleen de populaties in Midden- en Noord-Amerika; alle andere populaties zijn opgenomen in bijlage B.)

Jaguaroendi

Uncia uncia (I)

Sneeuwpanter

Herpestidae

Mangoesten

Herpestes fuscus (III India)

Indische bruine mangoest

Herpestes edwardsi (III India)

Indische grijze mangoest

Herpestes javanicus auropunctatus (III India)

Indische mangoest

Herpestes smithii (III India)

Rode mangoest

Herpestes urva (III India)

Krabbenmangoest

Herpestes vitticollis (III India)

Gestreepte mangoest

Hyaenidae

Hyena’s

Proteles cristata (III Botswana)

Aardwolf

Mephitidae

Stinkdieren

Conepatus humboldtii (II)

Soerilho

Mustelidae

Marterachtigen

Lutrinae

Otters

Lutrinae spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Otters

Aonyx capensis microdon (I) (Alleen de populaties in Kameroen en Nigeria; alle andere populaties zijn opgenomen in bijlage B.)

Congo-otter

Enhydra lutris nereis (I)

Zuidelijke zeeotter

Lontra felina (I)

Chungungo-otter

Lontra longicaudis (I)

Langstaartotter

Lontra provocax (I)

Zuidelijke rivierotter

Lutra lutra (I)

Euraziatische otter

Lutra nippon (I)

Japanse otter

Pteronura brasiliensis (I)

Reuzenotter

Mustelinae

Marters en wezels

Eira barbara (III Honduras)

Tayra

Galictis vittata (III Costa Rica)

Grison

Martes flavigula (III India)

Maleise bonte marter

Martes foina intermedia (III India)

Indiase steenmarter

Martes gwatkinsii (III India)

Zuid-Indiase marter

Mellivora capensis (III Botswana)

Honingdas of ratel

Mustela nigripes (I)

Zwartvoetbunzing

Odobenidae

Walrussen

Odobenus rosmarus (III Canada)

Walrus

Otariidae

Pelsrobben

Arctocephalus spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species.)

Pelsrobben

Arctocephalus philippii (II)

Juan Fernandez-pelsrob

Arctocephalus townsendi (I)

Guadeloupe-pelsrob

Phocidae

Zeehonden, robben

Mirounga leonina (II)

Zuidelijke zeeolifant

Monachus spp. (I)

Monniksrobben

Procyonidae

Wasbeerachtigen

Bassaricyon gabbii (III Costa Rica)

Gabbi's slankbeer

Bassariscus sumichrasti (III Costa Rica)

Cacomistle

Nasua narica (III Honduras)

Neusbeer

Nasua nasua solitaria (III Uruguay)

Zuid-Braziliaanse neusbeer

Potos flavus (III Honduras)

Rolstaartbeer

Ursidae

Beren

Ursidae spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Beren

Ailuropoda melano­leuca (I)

Grote panda

Helarctos malayanus (I)

Maleise beer

Melursus ursinus (I)

Lippenbeer

Tremarctos ornatus (I)

Brilbeer

Ursus arctos (I/II)

(Alleen de populaties in Bhutan, China, Mexico en Mongolië en de ondersoort Ursus arctos isabellinus zijn opgenomen in bijlage I; alle andere populaties en ondersoorten zijn opgenomen in bijlage II.)

Bruine beer

Ursus thibetanus (I)

Kraagbeer

Viverridae

Echte civetkatten

Arctictis binturong (III India)

Binturong

Civettictis civetta (III Botswana)

Afrikaanse civetkat

Cynogale bennettii (II)

Ottercivetkat

Hemigalus derbyanus (II)

Bandcivetkat

Paguma larvata (III India)

Gemaskerde larvenroller

Paradoxurus hermaphroditus (III India)

Loeak

Paradoxurus jerdoni (III India)

Jerdons palmcivetkat

Prionodon linsang (II)

Gestreepte linsang

Prionodon pardicolor (I)

Gevlekte linsang

Viverra civettina (III India)

Grote gevlekte civetkat

Viverra zibetha (III India)

Aziatische civetkat

Viverricula indica (III India)

Kleine civetkat

CETACEA

Walvisachtigen

CETACEA spp. (I/II)(18)

Walvisachtigen

CHIROPTERA

Vleermuizen

Phyllostomidae

Bladneusvleermuizen

Platyrrhinus lineatus (III Uruguay)

Witstreepvampier

Pteropodidae

Vliegende honden

Acerodon spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Schijnkalongs

Acerodon jubatus (I)

Filipijnse vliegende hond

Pteropus spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Kalongs

Pteropus insularis (I)

Vliegende hond van Truk

Pteropus livingstonii (II)

Vliegende hond van de Comoren

Pteropus loochoensis (I)

Japanse vliegende hond

Pteropus mariannus (I)

Vliegende hond van de Marianen

Pteropus molossinus (I)

Vliegende hond van Pohnpei

Pteropus pelewensis (I)

Vliegende hond van Palau

Pteropus pilosus (I)

Grote vliegende hond van Palau

Pteropus rodricensis (II)

Vliegende hond van Rodriguez

Pteropus samoensis (I)

Vliegende hond van Samoa

Pteropus tonganus (I)

Pacifische vliegende hond

Pteropus ualanus (I)

Vliegende hond van Kosrae

Pteropus voeltzkowi (II)

Vliegende hond van Pemba

Pteropus yapensis (I)

Vliegende hond van Yap

CINGULATA

Gordeldierachtigen

Dasypodidae

Gordeldieren

Cabassous centralis (III Costa Rica)

Midden-Amerikaans kaalstaartgordeldier

Cabassous tatouay (III Uruguay)

Zuid-Amerikaans kaalstaartgordeldier

Chaetophractus nationi (II) (Er is een jaarlijks exportquotum van nul exemplaren vastgesteld. Alle specimens worden beschouwd als specimens van een soort van bijlage A en op de handel daarin is de desbetreffende regelgeving van toepassing.)

Boliviaans harig gordeldier

Priodontes maximus (I)

Reuzengordeldier

DASYUROMORPHIA

Roofbuideldieren

Dasyuridae

Echte roofbuideldieren

Sminthopsis longicau­data (I)

Langstaartsmalvoetbuidelmuis

Sminthopsis psammo­phila (I)

Smalvoetbuidelmuis

Thylacinidae

Buidelwolven

Thylacinus cynocephalus (mogelijk uitgestor­ven) (I)

Buidelwolf

DIPROTODONTIA

Klimbuideldieren, wombats en kangoeroes

Macropodidae

Kangoeroes en wallaby’s

Dendrolagus inustus (II)

Bruine boomkangoeroe

Dendrolagus ursinus (II)

Zwarte boomkangoeroe

Lagorchestes hirsutus (I)

Westelijke haaskangoeroe

Lagostrophus fasciatus (I)

Gestreepte haaskangoeroe

Onychogalea fraenata (I)

Geteugelde spoorstaartkangoeroe

Onychogalea lunata (I)

Halvemaanspoorstaartkangoeroe

Phalangeridae

Koeskoezen

Phalanger intercastel­lanus (II)

Oostelijke koeskoes

Phalanger mimicus (II)

Zuidelijke koeskoes

Phalanger orientalis (II)

Grijze koeskoes

Spilocuscus kraemeri (II)

Krämers koeskoes

Spilocuscus maculatus (II)

Gevlekte koeskoes

Spilocuscus papuensis (II)

Papoea-koeskoes

Potoroidae

Ratkangoeroes

Bettongia spp. (I)

Buidelkonijnen

Caloprymnus campestris (mogelijk uitgestor­ven) (I)

Woestijnratkangoeroe

Vombatidae

Wombats

Lasiorhinus krefftii (I)

Breedkopwombat

LAGOMORPHA

Haasachtigen

Leporidae

Hazen en konijnen

Caprolagus hispidus (I)

Borstelige haas of Assam-konijn

Romerolagus diazi (I)

Vulkaankonijn

MONOTREMATA

Eierleggende zoogdieren

Tachyglossidae

Mierenegels

Zaglossus spp. (II)

Vachtegels

PERAMELEMORPHIA

Buideldassen

Chaeropodidae

Varkenspootbuideldassen

Chaeropus ecaudatus (mogelijk uitgestor­ven) (I)

Varkenspootbuidel­das

Peramelidae

Echte buideldassen

Perameles bougainville (I)

Gestreepte spitsneusbuideldas

Thylacomyidae

Langoorbuidel­dassen

Macrotis lagotis (I)

Grote langoorbuideldas

Macrotis leucura (I)

Kleine langoorbuideldas

PERISSODACTYLA

Onevenhoevigen

Equidae

Paardachtigen

Equus africanus (I) (Met uitzondering van de gedomesticeer­de vorm die Equus asinus wordt genoemd, waarop de bepalingen van deze verordening niet van toepassing zijn)

Wilde ezel

Equus grevyi (I)

Grevyzebra

Equus hemionus (I/II) (De soort is opgenomen in bijlage II maar de ondersoorten Equus hemionus hemionus en Equus hemionus khur zijn opgenomen in bijlage I)

Koelan

Equus kiang (II)

Kiang

Equus przewalskii (I)

Przewalskipaard

Equus zebra hartman­nae (II)

Hartmanns bergzebra

Equus zebra zebra (I)

Kaapse bergzebra

Rhinocerotidae

Neushoorns

Rhinocerotidae spp. (I) (Met uitzondering van de in bijlage B opgenomen subspecies)

Neushoorns

Ceratotherium simum simum (II) (Alleen de populaties in Zuid-Afrika en Swaziland; alle andere populaties zijn opgenomen in bijlage A. Uitsluitend met het oog op het toestaan van internationaal verkeer van levende dieren, voor zover daaraan een passende en aanvaardbare bestemming is gegeven, alsook handel in jachttrofeeën. Alle andere specimens worden als specimens van een soort van bijlage A beschouwd en op de handel daarin is de desbetreffende regelgeving van toepassing.)

Zuidelijke breedlipneushoorn

Tapiridae

Tapirs

Tapiridae spp. (I) (Met uitzondering van de in bijlage B opgenomen species)

Tapirs

Tapirus terrestris (II)

Zuid-Amerikaanse tapir

PHOLIDOTA

Schubdierachtigen

Manidae

Schubdieren

Manis spp. (II)

(Voor Manis crassicaudata, Manis culionensis, Manis javanica en Manis pentadactyla is een jaarlijks exportquotum van nul exemplaren vastgesteld voor aan de natuur onttrokken specimens die voor overwegend commerciële doeleinden in de handel worden gebracht)

Schubdieren

PILOSA

Luiaarden en miereneters

Bradypodidae

Drievingerluiaards

Bradypus variegatus (II)

Westelijke drievingerluiaard

Megalonychidae

Tweevingerluiaards

Choloepus hoffmanni (III Costa Rica)

Costa Ricaanse tweevingerluiaard

Myrmecophagidae

Miereneters

Myrmecophaga tridactyla (II)

Reuzenmiereneter

Tamandua mexicana (III Guatemala)

Boommiereneter

PRIMATES

Opperdieren

PRIMATES spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Opperdieren

Atelidae

Grijpstaartapen

Alouatta coibensis (I)

Coiba-brulaap

Alouatta palliata (I)

Mantelbrulaap

Alouatta pigra (I)

Guatemalteekse brulaap

Ateles geoffroyi frontatus (I)

Zwarthandslingeraap

Ateles geoffroyi panamensis (I)

Roodbuikslingeraap

Brachyteles arachnoides (I)

Spinaap

Brachyteles hypoxanthus (I)

Gele spinaap of gele muriqui

Oreonax flavicauda (I)

Geelstaartwolaap

Cebidae

Klauwaapjes

Callimico goeldii (I)

Springtamarin

Callithrix aurita (I)

Witoorpenseelaapje

Callithrix flaviceps (I)

Geelkoppenseelaapje

Leontopithecus spp. (I)

Leeuwaapjes

Saguinus bicolor (I)

Mantelaapje

Saguinus geoffroyi (I)

Geoffroys tamarin

Saguinus leucopus (I)

Witvoettamarin

Saguinus martinsi (I)

Saguinus oedipus (I)

Pinché-aapje

Saimiri oerstedii (I)

Geel doodshoofdaapje

Cercopithecidae

Smalneusapen excl. mensapen

Cercocebus galeritus (I)

Kuifmangabey

Cercopithecus diana (I)

Dianameerkat

Cercopithecus roloway (I)

Roloway-meerkat

Cercopithecus solatus (II)

Zonstaartmeerkat

Colobus satanas (II)

Zwarte franjeaap

Macaca silenus (I)

Baardaap

Mandrillus leucophaeus (I)

Dril

Mandrillus sphinx (I)

Mandril

Nasalis larvatus (I)

Neusaap

Piliocolobus foai (II)

Centraal-Afrikaanse rode franjeaap

Piliocolobus gordono­rum (II)

Uzungwa-franjeaap

Piliocolobus kirkii (I)

Zanzibar-franjeaap

Piliocolobus pennantii (II)

Pennants franjeaap

Piliocolobus preussi (II)

Preuss' franjeaap

Piliocolobus rufomitratus (I)

Tana-franjeaap

Piliocolobus tephrosce­les (II)

Oegandese rode franjeaap

Piliocolobus tholloni (II)

Thollons franjeaap

Presbytis potenziani (I)

Mentawai-langoer

Pygathrix spp. (I)

Doeklangoeren

Rhinopithecus spp. (I)

Stompneusapen

Semnopithecus ajax (I)

Kasjmir-hoelman

Semnopithecus dussumieri (I)

Dussumiers hoelman

Semnopithecus entellus (I)

Hoelman

Semnopithecus hector (I)

Tarai-hoelman

Semnopithecus hypoleucos (I)

Zwartvoethoelman

Semnopithecus priam (I)

Ceylon-hoelman

Semnopithecus schistaceus (I)

Berghoelman

Simias concolor (I)

Simakobou

Trachypithecus delacouri (II)

Delacours langoer

Trachypithecus francoisi (II)

Tonkin-langoer

Trachypithecus geei (I)

Goudlangoer

Trachypithecus hatinhensis (II)

Ha tinh-langoer

Trachypithecus johnii (II)

Nilgiri-langoer

Trachypithecus laotum (II)

Laos-langoer of witbrauwlangoer

Trachypithecus pileatus (I)

Kuiflangoer

Trachypithecus poliocepha­lus (II)

Witkoplangoer

Trachypithecus shortridgei (I)

Shortridges langoer

Cheirogaleidae

Dwerg- en katmaki's

Cheirogaleidae spp. (I)

Dwergmaki's, katmaki's

Daubentoniidae

Vingerdieren

Daubentonia madagascarien­sis (I)

Vingerdier

Hominidae

Echte mensapen

Gorilla beringei (I)

Berggorilla

Gorilla gorilla (I)

Laaglandgorilla

Pan spp. (I)

Chimpansee en Bonobo

Pongo abelii (I)

Sumatraanse orang-oetan

Pongo pygmaeus (I)

Borneose orang-oetan

Hylobatidae

Gibbons

Hylobatidae spp. (I)

Gibbons

Indriidae

Indri's, sifaka's en wolmaki's

Indriidae spp. (I)

Indri's, sifaka's en wolmaki's

Lemuridae

Maki's

Lemuridae spp. (I)

Maki's

Lepilemuridae

Wezelmaki's

Lepilemuridae spp. (I)

Wezelmaki's

Lorisidae

Lori's

Nycticebus spp. (I)

Plompe lori's

Pitheciidae

Sakiachtigen

Cacajao spp. (I)

Oeakari's

Callicebus barbara­brownae (II)

Noord-Bahiaanse blonde springaap

Callicebus melanochir (II)

Zwarthandspringaap

Callicebus nigrifrons (II)

Callicebus personatus (II)

Zwartkopspringaap

Chiropotes albinasus (I)

Witneussaki

Tarsiidae

Spookdiertjes

Tarsius spp. (II)

Spookdiertjes

PROBOSCIDEA

Slurfdieren

Elephantidae

Olifanten

Elephas maximus (I)

Aziatische olifant

Loxodonta africana (I) (Met uitzondering van de populaties in Botswana, Namibië, Zuid-Afrika en Zimbabwe, die zijn opgenomen in bijlage B)

Loxodonta africana (II)

(Alleen de populaties in Botswana, Namibië, Zuid-Afrika en Zimbabwe(19); alle andere populaties zijn opgenomen in bijlage A.)

Afrikaanse olifant

RODENTIA

Knaagdieren

Chinchillidae

Chinchilla’s

Chinchilla spp. (I) (Op specimens van de gedomesti­ceer­de vorm zijn de bepalingen van deze verordening niet van toepassing.)

Chinchilla’s

Cuniculidae

Paca's

Cuniculus paca (III Honduras)

Laaglandpaca

Dasyproctidae

Agoeti's

Dasyprocta punctata (III Honduras)

Midden-Amerikaanse agoeti

Erethizontidae

Boomstekelvarkens

Sphiggurus mexicanus (III Honduras)

Mexicaans boomstekelvarken

Sphiggurus spinosus (III Uruguay)

Paraguayaans boomstekelvarken

Hystricidae

Stekelvarkens

Hystrix cristata

Stekelvarken

Muridae

Muizen en ratten

Leporillus conditor (I)

Langoorhaasrat

Pseudomys fieldi praeconis (I)

Vale schijnmuis

Xeromys myoides (I)

Onechte waterrat

Zyzomys peduncula­tus (I)

Macdonnells rotsrat

Sciuridae

Eekhoorns

Cynomys mexicanus (I)

Mexicaanse prairiehond

Marmota caudata (III India)

Langstaartmarmot

Marmota himalayana (III India)

Himalaya-marmot

Ratufa spp. (II)

Reuzeneekhoorns

Callosciurus erythraeus

Pallaseekhoorn

Sciurus carolinensis

Grijze eekhoorn

Sciurus deppei (III Costa Rica)

Deppes eekhoorn

Sciurus niger

Amerikaanse voseekhoorn

SCANDENTIA

Boomspitsmuizen

SCANDENTIA spp. (II)

Boomspitsmuizen

SIRENIA

Zeekoeien

Dugongidae

Doejongs

Dugong dugon (I)

Doejong

Trichechidae

Lamantijnen

Trichechidae spp. (I/II) (Trichechus inunguis en Trichechus manatus zijn opgenomen in bijlage I. Trichechus senegalensis is opgenomen in bijlage II.)

Lamantijnen

AVES

Vogels

ANSERIFORMES

Eendachtigen

Anatidae

Eenden, ganzen en zwanen

Anas aucklandica (I)

Auckland-taling

Anas bernieri (II)

Madagaskar-eend

Anas chlorotis (I)

Nieuw-Zeelandse bruine taling

Anas formos (II)

Baikal-taling

Anas laysanensis (I)

Laysan-taling

Anas nesiotis (I)

Campbell Island-taling

Anas querquedula

Zomertaling

Asarcornis scutulata (I)

Witvleugelboseend

Aythya innotata

Madagaskar-witoogeend

Aythya nyroca

Witoogeend

Branta canadensis leucopareia (I)

Canadese gans (ondersoort van de Aleoeten)

Branta ruficollis (II)

Roodhalsgans

Branta sandvicensis (I)

Hawaii-gans

Cairina moschata (III Honduras)

Muskuseend

Coscoroba coscoroba (II)

Coscoroba

Cygnus melancory­phus (II)

Zwarthalszwaan

Dendrocygna arborea (II)

West-Indische fluiteend

Dendro­cygna autumnalis (III Honduras)

Zwartbuikfluiteend

Dendrocygna bicolor (III Honduras)

Rosse fluiteend

Mergus octosetaceus

Braziliaanse zaagbek

Oxyura jamaicensis

Rosse stekelstaarteend

Oxyura leucoce­phala (II)

Witkopeend

Rhodonessa caryophyllacea (mogelijk uitgestor­ven) (I)

Rozekopeend

Sarkidiornis melanotos (II)

Knobbeleend

Tadorna cristata

Kuifcasarca

APODIFORMES

Salanganen, gierzwaluwen en kolobries

Trochilidae

Kolibries

Trochilidae spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Kolibries

Glaucis dohrnii (I)

Bronsstaartheremietkolibrie

CHARADRIIFOR­MES

Steltlopers, meeuwen, sterns en alken

Burhinidae

Grielen

Burhinus bistriatus (III Guatemala)

Caribische griel

Laridae

Meeuwen en sterns

Larus relictus (I)

Mongoolse zwartkopmeeuw

Scolopacidae

Snippen, wulpen, ruiters en strandlopers

Numenius borealis (I)

Arctische wulp

Numenius tenuirostris (I)

Dunbekwulp

Tringa guttifer (I)

Gevlekte groenpootruiter

CICONIIFORMES

Reigers, ooievaars, ibissen en flamingo’s

Ardeidae

Reigers

Ardea alba

Grote zilverreiger

Bubulcus ibis

Koereiger

Egretta garzetta

Kleine zilverreiger

Balaenicipitidae

Schoenbekooievaars

Balaeniceps rex (II)

Schoenbekooievaar

Ciconiidae

Ooievaars

Ciconia boyciana (I)

Zwartsnavelooievaar

Ciconia nigra (II)

Zwarte ooievaar

Ciconia stormi

Storms ooievaar

Jabiru mycteria (I)

Jabiru

Leptoptilos dubius

Argala-maraboe of Indische maraboe

Mycteria cinerea (I)

Maleise nimmerzat

Phoenicopteridae

Flamingo's

Phoenicopteridae spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Flamingo's

Phoenicopterus ruber (II)

Rode flamingo

Threskiornithidae

Ibissen en lepelaars

Eudocimus ruber (II)

Rode ibis

Geronticus calvus (II)

Kaapse ibis

Geronticus eremita (I)

Kaalkopibis of heremietibis

Nipponia nippon (I)

Japanse kuifibis

Platalea leucorodia (II)

Lepelaar

Pseudibis gigantea

Reuzenibis

COLUMBIFORMES

Duifachtigen

Columbidae

Duiven

Caloenas nicobarica (I)

Manenduif

Claravis godefrida

Purperbandgrondduif

Columba livia

Rotsduif

Ducula mindorensis (I)

Mindoro-muskaatduif

Gallicolumba luzonica (II)

Luzon-dolksteekduif

Goura spp. (II)

Kroonduiven

Leptotila wellsi

Grenada-loopduif

Nesoenas mayeri (III Mauritius)

Mauritius-duif

Streptopelia turtur

Tortel

CORACIIFORMES

Scharrelvogels

Bucerotidae

Neushoornvogels

Aceros spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Jaarvogels

Aceros nipalensis (I)

Himalaya-jaarvogel

Anorrhinus spp. (II)

Neushoornvogels

Anthracoceros spp. (II)

Neushoornvogels

Berenicornis spp. (II)

Neushoornvogels

Buceros spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Neushoornvogels

Buceros bicornis (I)

Dubbelhoornige neushoornvogel

Penelopides spp. (II)

Neushoornvogels

Rhinoplax vigil (I)

Gehelmde neushoornvogel

Rhyticeros spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species.)

Neushoornvogels

Rhyticeros subruficollis (I)

Kleine jaarvogel

CUCULIFORMES

Koekoekachtigen

Musophagidae

Toerako's

Tauraco spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Helmtoerako's

Tauraco banner­mani (II)

Bannermans toerako

FALCONIFORMES

Dagroofvogels

FALCONI­FORMES spp. (II)

(Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species en één in bijlage C opgenomen soort van de familie Cathartidae; de overige species van die familie zijn niet in de bijlagen bij deze verordening opgenomen.)

Dagroofvogels

Accipitridae

Haviken, arenden en gieren

Accipiter brevipes (II)

Balkansperwer

Accipiter gentilis (II)

Havik

Accipiter nisus (II)

Sperwer

Aegypius monachus (II)

Monniksgier

Aquila adalberti (I)

Spaanse keizersarend

Aquila chrysaetos (II)

Steenarend

Aquila clanga (II)

Bastaardarend

Aquila heliaca (I)

Keizersarend

Aquila pomarina (II)

Schreeuwarend

Buteo buteo (II)

Buizerd

Buteo lagopus (II)

Ruigpootbuizerd

Buteo rufinus (II)

Arendbuizerd

Chondrohierax uncinatus wilsonii (I)

Cubaanse langsnavelwouw

Circaetus gallicus (II)

Slangenarend

Circus aerugino­sus (II)

Bruine kiekendief

Circus cyaneus (II)

Blauwe kiekendief

Circus macrourus (II)

Steppekiekendief

Circus pygargus (II)

Grauwe kiekendief

Elanus caeruleus (II)

Grijze wouw

Eutriorchis astur (II)

Madagaskar-slangenarend

Gypaetus barbatus (II)

Lammergier

Gyps fulvus (II)

Vale gier

Haliaeetus spp. (I/II) (Haliaeetus albicilla is opgenomen in bijlage I; de andere soorten zijn opgenomen in bijlage II)

Zeearenden

Harpia harpyja (I)

Harpij

Hieraaetus fasciatus (II)

Havikarend

Hieraaetus pennatus (II)

Dwergarend

Leucopternis occidenta­lis (II)

Salvins bonte buizerd

Milvus migrans (II) (Met uitzondering van Milvus migrans lineatus die in bijlage B is opgenomen)

Zwarte wouw

Milvus milvus (II)

Rode wouw

Neophron percnopte­rus (II)

Aasgier

Pernis apivorus (II)

Wespendief

Pithecophaga jefferyi (I)

Apenarend

Cathartidae

Gieren van de Nieuwe Wereld

Gymnogyps california­nus (I)

Californische condor

Sarcoramphus papa (III Honduras)

Koningsgier

Vultur gryphus (I)

Andes-condor

Falconidae

Valken

Falco araeus (I)

Seychellen-torenvalk

Falco biarmicus (II)

Lannervalk

Falco cherrug (II)

Sakervalk

Falco columbarius (II)

Smelleken

Falco eleonorae (II)

Eleonora's valk

Falco jugger (I)

Indische lannervalk

Falco naumanni (II)

Kleine torenvalk

Falco newtoni (I) (Alleen de populatie op de Seychellen)

Madagaskar-torenvalk

Falco pelegrinoi­des (I)

Barbarijse valk

Falco peregrinus (I)

Slechtvalk

Falco punctatus (I)

Mauritius-torenvalk

Falco rusticolus (I)

Giervalk

Falco subbute (II)

Boomvalk

Falco tinnunculus (II)

Torenvalk

Falco vespertinus (II)

Roodpootvalk

Pandionidae

Visarenden

Pandion haliaetus (II)

Visarend

GALLIFORMES

Hoenderachtigen

Cracidae

Hokko’s en sjakohoenders

Crax alberti (III Colombia)

Blauwknobbelhokko

Crax blumen­bachii (I)

Roodsnavelhokko

Crax daubentoni (III Colombia)

Geelknobbelhokko

Crax fasciolata

Maskerhokko

Crax globulosa (III Colombia)

Knobbelhokko

Crax rubra (III Colombia, Costa Rica, Guatemala en Honduras)

Bruine hokko

Mitu mitu (I)

Mesbekpauwies

Oreophasis derbianus (I)

Gehoornde goean

Ortalis vetula (III Guatemala/Honduras)

Bruine chachalaca

Pauxi pauxi (III Colombia)

Helmhokko

Penelope albipennis (I)

Witvleugelgoean

Penelope purpurascens (III Honduras)

Kuifsjakohoen

Penelopina nigra (III Guatemala)

Berggoean

Pipile jacutinga (I)

Spix' fluitgoean

Pipile pipile (I)

Trinidad-blauwkeelgoean

Megapodiidae

Grootpoothoenders

Macrocephalon maleo (I)

Hamerhoen

Phasianidae

Fazantachtigen

Argusianus argus (II)

Argusfazant

Catreus wallichii (I)

Wallichs fazant

Colinus virginianus ridgwayi (I)

Noordwest-Mexicaanse boomkwartel

Crossoptilon crossoptilon (I)

Witte oorfazant

Crossoptilon mantchuri­cum (I)

Bruine oorfazant

Gallus sonneratii (II)

Sonnerats hoen

Ithaginis cruentus (II)

Bloedfazant

Lophophorus impejanus (I)

Himalaya-glansfazant

Lophophorus lhuysii (I)

Chinese glansfazant

Lophophorus sclateri (I)

Sclaters glansfazant

Lophura edwardsi (I)

Edwards’ fazant

Lophura hatinhensis

Vietnamese vuurrugfazant

Lophura imperialis (I)

Keizerfazant

Lophura swinhoii (I)

Swinhoe's fazant

Meleagris ocellata (III Guatemala)

Pauwkalkoen

Odontophorus strophium

Witkeeltandkwartel

Ophrysia superciliosa

Himalaya-patrijs

Pavo muticus (II)

Groene pauw

Polyplectron bicalcara­tum (II)

Spiegelpauw

Polyplectron germaini (II)

Germains spiegelpauw

Polyplectron malacense (II)

Maleise spiegelpauw

Polyplectron napoleonis (I)

Palawan-spiegelpauw

Polyplectron schleiermacheri (II)

Schleiermachers pauwfazant

Rheinardia ocellata (I)

Gekuifde argusfazant

Syrmaticus ellioti (I)

Elliots fazant

Syrmaticus humiae (I)

Humes fazant

Syrmaticus mikado (I)

Mikadofazant

Tetraogallus caspius (I)

Kaspisch berghoen

Tetraogallus tibetanus (I)

Tibetaans berghoen

Tragopan blythii (I)

Blyths saterhoen

Tragopan caboti (I)

Cabots saterhoen

Tragopan melanoce­phalus (I)

Westelijk saterhoen

Tragopan satyra (III Nepal)

Rood saterhoen

Tympanuchus cupido attwateri (I)

Attwaters prairiehoen

GRUIFORMES

Kraanvogels en rallen

Gruidae

Kraanvogels

Gruidae spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Kraanvogels

Grus americana (I)

Trompetkraanvogel

Grus canadensis (I/II) (De soort is opgenomen in bijlage II, maar de ondersoorten Grus canadensis nesiotes en Grus canadensis pulla zijn opgenomen in bijlage I)

Canadese kraanvogel

Grus grus (II)

Kraanvogel

Grus japonensis (I)

Chinese kraanvogel

Grus leucogeranus (I)

Siberische witte kraanvogel

Grus monacha (I)

Monnikskraanvogel

Grus nigricollis (I)

Zwarthalskraanvogel

Grus vipio (I)

Withalskraanvogel

Otididae

Trappen

Otididae spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Trappen

Ardeotis nigriceps (I)

Indische trap

Chlamydotis macqueenii (I)

Macqueens kraagtrap

Chlamydotis undulata (I)

Kraagtrap

Houbaropsis bengalensis (I)

Baardtrap

Otis tarda (II)

Grote trap

Sypheotides indicus (II)

Kleine Indische trap

Tetrax tetrax (II)

Kleine trap

Rallidae

Rallen

Gallirallus sylvestris (I)

Lord Howe-ral

Rhynochetidae

Kagoes

Rhynochetos jubatus (I)

Kagoe

PASSERIFORMES

Zangvogels

Atrichornithidae

Doornkruipers

Atrichornis clamosus (I)

West-Australische doornkruiper

Cotingidae

Cotinga’s

Cephalopterus ornatus (III Colombia)

Amazone-parasolvogel

Cephalopterus penduliger (III Colombia)

Ecuadoraanse parasolvogel

Cotinga maculata (I)

Halsbandcotinga

Rupicola spp. (II)

Rotshanen

Xipholena atropurpu­rea (I)

Zwartpurperen cotinga

Emberizidae

Gorzen

Gubernatrix cristata (II)

Groene kardinaal

Paroaria capitata (II)

Geelsnavelkardinaal

Paroaria coronata (II)

Roodkuifkardinaal

Tangara fastuosa (II)

Veelkleurige tangara

Estrildidae

Astrilden

Amandava formosa (II)

Olijfastrilde

Lonchura fuscata

Bruine rijstvogel

Lonchura oryzivora (II)

Rijstvogel

Poephila cincta cincta (II)

Gordelamadine

Fringillidae

Vinken

Carduelis cucullata (I)

Kapoetsensijs

Carduelis yarrellii (II)

Geelwangsijs

Hirundinidae

Zwaluwen

Pseudochelidon sirintarae (I)

Siantara-zwaluw

Icteridae

Troepialen

Xanthopsar flavus (I)

Saffraantroepiaal

Meliphagidae

Honingeters

Lichenostomus melanops cassidix (I)

Helmhoningeter

Muscicapidae

Vliegenvangers

Acrocephalus rodericanus (III Mauritius)

Rodriguez-struikzanger

Cyornis ruckii (II)

Ruecks niltava

Dasyornis broadbenti litoralis (mogelijk uitgestor­ven) (I)

Borstelvogel

Dasyornis longirostris (I)

Westelijke borstelvogel

Garrulax canorus (II)

Witbrauwlijstergaai

Garrulax taewanus (II)

Taiwanese lijstergaai

Leiothrix argentau­ris (II)

Zilveroortimalia

Leiothrix lutea (II)

Japanse nachtegaal

Liocichla omeiensis (II)

Omei-timalia

Picathartes gymnocepha­lus (I)

Witnekkaalkopkraai

Picathartes oreas (I)

Grijsnekkaalkop­kraai

Terpsiphone bourbonnen­sis (III Mauritius)

Mascarenen-paradijsvliegen­vanger

Paradisaeidae

Paradijsvogels

Paradisaeidae spp. (II)

Paradijsvogels

Pittidae

Pitta’s

Pitta guajana (II)

Blauwstaartpitta

Pitta gurneyi (I)

Gurneys pitta

Pitta kochi (I)

Kochs pitta

Pitta nympha (II)

Chinese pitta

Pycnonotidae

Buulbuuls

Pycnonotus zeylanicus (II)

Geelkruinbuulbuul

Sturnidae

Spreeuwen

Gracula religiosa (II)

Beo

Leucopsar rothschildi (I)

Bali-spreeuw

Zosteropidae

Brilvogels

Zosterops albogularis (I)

Witkeelbrilvogel

PELECANIFORMES

Pelikaanachtigen

Fregatidae

Fregatvogels

Fregata andrewsi (I)

Witbuikfregatvogel

Pelecanidae

Pelikanen

Pelecanus crispus (I)

Kroeskoppelikaan

Sulidae

Jan-van-genten

Papasula abbotti (I)

Abbotts gent

PICIFORMES

Spechtachtigen

Capitonidae

Baardvogels

Semnornis ramphas­tinus (III Colombia)

Toekanbaardvogel

Picidae

Spechten

Campephilus imperialis (I)

Keizerspecht

Dryocopus javensis richardsi (I)

Witbuikspecht

Ramphastidae

Toekans

Baillonius bailloni (III Argentinië)

Goudtoekan

Pteroglossus aracari (II)

Zwarte toekan

Pteroglossus castanotis (III Argentinië)

Buinoorarassari

Pteroglossus viridis (II)

Groene arassari

Ramphastos dicolorus (III Argentinië)

Roodborsttoekan

Ramphastos sulfuratus (II)

Zwavelborsttoekan

Ramphastos toco (II)

Reuzentoekan

Ramphastos tucanus (II)

Roodsnaveltoekan

Ramphastos vitellinus (II)

Groefsnaveltoekan

Selenidera maculi­rostris (III Argentinië)

Vleksnavelpeper­vreter

PODICIPEDIFOR­MES

Fuutachtigen

Podicipedidae

Futen

Podilymbus gigas (I)

Atitlan-fuut

PROCELLARIIFORMES

Stormvogelachtigen

Diomedeidae

Albatrossen

Phoebastria albatrus (I)

Stellers albatros

PSITTACIFORMES

Papegaaiachtigen

PSITTACIFORMES spp. (II)

(Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species en met uitzondering van Agapornis roseicollis, Melopsittacus undulatus, Nymphicus hollandicus en Psittacula krameri, die niet in de bijlagen bij deze verordening zijn opgenomen)

Papegaaiachtigen

Cacatuidae

Kaketoes

Cacatua goffiniana (I)

Goffins kaketoe

Cacatua haematuro­pygia (I)

Filipijnse kaketoe

Cacatua moluccensis (I)

Molukken-kaketoe

Cacatua sulphurea (I)

Kleine geelkuifkaketoe

Probosciger aterrimus (I)

Palmkaketoe

Loriidae

Lori's

Eos histrio (I)

Diadeemlori

Vini spp. (I/II) (Vini ultramarina is opgenomen in bijlage I, de andere soorten zijn opgenomen in bijlage II)

Vinilori's

Psittacidae

Papegaaien en parkieten

Amazona arausiaca (I)

Roodkeelamazone

Amazona auropalliata (I)

Geelnekamazone

Amazona barbadensis (I)

Geelvleugelamazone

Amazona brasiliensis (I)

Roodstaartamazone

Amazona finschi (I)

Finchs amazone

Amazona guildingii (I)

Sint Vincent- of koningsamazone

Amazona imperialis (I)

Keizeramazone

Amazona leucocephala (I)

Cubaanse amazone

Amazona oratrix (I)

Geelkopamazone

Amazona pretrei (I)

Roodbrilamazone

Amazona rhodocory­tha (I)

Roodkruinamazone

Amazona tucumana (I)

Tucuman-amazone

Amazona versicolor (I)

Sint Lucia-amazone

Amazona vinacea (I)

Wijnkleurige amazone

Amazona viridigenalis (I)

Groenwangamazone

Amazona vittata (I)

Portoricaanse amazone

Anodorhynchus spp. (I)

Hyacinthara’s

Ara ambiguus (I)

Buffons ara

Ara glaucogula­ris (I)

Blauwkeelara

Ara macao (I)

Geelvleugelara

Ara militaris (I)

Soldatenara

Ara rubrogenys (I)

Roodwangara

Cyanopsitta spixii (I)

Spix' ara

Cyanoramphus cookii (I)

Cyanoramphus forbesi (I)

Geelvoorhoofd­kakariki

Cyanoramphus novaezelan­diae (I)

Roodvoorhoofd­kakariki

Cyanoramphus saisseti (I)

Cyclopsitta diophthalma coxeni (I)

Coxens dubbeloogvijg­papegaai

Eunymphicus cornutus (I)

Hoornparkiet

Guarouba guarouba (I)

Goudparkiet

Neophema chryso­gaster (I)

Oranjebuikparkiet

Ognorhynchus icterotis (I)

Geeloorparkiet

Pezoporus occidentalis (mogelijk uitgestor­ven) (I)

Australische nachtpapegaai

Pezoporus wallicus (I)

Grondpapegaai

Pionopsitta pileata (I)

Roodkappapegaai

Primolius couloni (I)

Blauwkopara

Primolius maracana (I)

Illigers ara

Psephotus chrysoptery­gius (I)

Goudschouder­parkiet

Psephotus dissimilis (I)

Kapparkiet

Psephotus pulcherrimus (mogelijk uitgestor­ven) (I)

Paradijsparkiet

Psittacula echo (I)

Mauritius-papegaai

Pyrrhura cruentata (I)

Blauwkeelconure

Rhynchopsitta spp. (I)

Dikbekpapegaaien

Strigops habroptilus (I)

Kakapo of uilpapegaai

RHEIFORMES

Nandoes

Rheidae

Nandoes

Pterocnemia pennata (I) (Met uitzondering van Pterocnemia pennata pennata, die in bijlage B is opgenomen.)

Darwins nandoe

Pterocnemia pennata pennata (II)

Darwins nandoe (Patagonische ondersoort)

Rhea americana (II)

Nandoe

SPHENISCIFORMES

Pinguïns

Spheniscidae

Pinguïns

Spheniscus demersus (II)

Zwartvoetpinguin

Spheniscus humboldti (I)

Humboldtpinguin

STRIGIFORMES

Uilen

STRIGIFORMES spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Uilen

Strigidae

Echte uilen

Aegolius funereus (II)

Ruigpootuil

Asio flammeus (II)

Velduil

Asio otus (II)

Ransuil

Athene noctua (II)

Steenuil

Bubo bubo (II) (Met uitzondering van Bubo bubo bengalensis, die in bijlage B is opgenomen)

Oehoe

Glaucidium passerinum (II)

Dwerguil

Heteroglaux blewitti (I)

Bossteenuil

Mimizuku gurneyi (I)

Grote dwergooruil

Ninox natalis (I)

Christmas Island-valkuil

Ninox novaesee­landiae undulata (I)

Boeboek

Nyctea scandiaca (II)

Sneeuwuil

Otus ireneae (II)

Sokoke-dwergooruil

Otus scops (II)

Dwergooruil

Strix aluco (II)

Bosuil

Strix nebulosa (II)

Laplanduil

Strix uralensis (II) (Met uitzondering van Strix uralensis davidi, die in bijlage B is opgenomen)

Oeraluil

Surnia ulula (II)

Sperweruil

Tytonidae

Kerkuilen

Tyto alba (II)

Kerkuil

Tyto soumagnei (I)

Madagaskar-grasuil

STRUTHIONIFORMES

Struisvogels

Struthionidae

Struisvogels

Struthio camelus (I) (Alleen de populaties in Algerije, Burkina Faso, Kameroen, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Tsjaad, Mali, Mauritanië, Marokko, Niger, Nigeria, Senegal en Soedan; geen enkele andere populatie is in de bijlagen bij deze verordening opgenomen.)

Struisvogel

TINAMIFORMES

Tinamoes of stuithoenders

Tinamidae

Tinamoes of stuithoenders

Tinamus solitarius (I)

Kluizenaarstuithoen

TROGONIFORMES

Trogons

Trogonidae

Trogons

Pharomachrus mocinno (I)

Quetzal

REPTILIA

Reptielen

CROCODYLIA

Krokodilachtigen

CROCO­DYLIA spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Krokodilachtigen

Alligatoridae

Alligators en kaaimannen

Alligator sinensis (I)

Chinese alligator

Caiman crocodilus apaporien­sis (I)

Apaporis-brilkaaiman

Caiman latirostris (I) (Met uitzondering van de populatie in Argentinië, die is opgenomen in bijlage B)

Breedsnuitkaaiman

Melanosuchus niger (I) (Met uitzondering van de populatie in Brazilië, die is opgenomen in bijlage B, en de populatie in Ecuador, die is opgenomen in bijlage B en waarvoor het jaarlijks exportquotum vastgesteld blijft op nul totdat door het Cites-secretariaat en de Crocodile Specialist Group van IUCN/SSC een jaarlijks exportquotum is goedgekeurd)

Zwarte kaaiman

Crocodylidae

Krokodillen

Crocodylus acutus (I) (Met uitzondering van de populatie in Cuba, die is opgenomen in bijlage B)

Spitssnuitkrokodil

Crocodylus cataphrac­tus (I)

Pantserkrokodil

Crocodylus intermedius (I)

Orinoco-krokodil

Crocodylus mindorensis (I)

Filipijnse krokodil

Crocodylus moreletii (I) (Met uitzondering van de populatie in Belize en in Mexico die in bijlage B zijn opgenomen, met een nulquotum voor wilde soorten die voor commerciële doeleinden worden verhandeld)

Bultkrokodil

Crocodylus niloticus (I) (Met uitzondering van de populaties in Botswana, Egypte [met een nulquotum voor wilde specimens die voor commerciële doeleinden worden verhandeld], Ethiopië, Kenia, Madagaskar, Malawi, Mozambique, Namibië, Zuid-Afrika, Uganda, de Verenigde Republiek Tanzania [waar­voor een jaarlijks exportquotum is vastgesteld van ten hoogste 1600 aan de natuur onttrokken specimens, inclusief jachttrofeeën, naast de van ranching afkomstige specimens], Zambia en Zimbabwe; deze populaties zijn opgenomen in bijlage B.)

Nijlkrokodil

Crocodylus palustris (I)

Moeraskrokodil

Crocodylus porosus (I) (Met uitzondering van de populaties in Australië, Indonesië and Papoea-Nieuw-Guinea, die zijn opgenomen in bijlage B)

Zeekrokodil

Crocodylus rhombifer (I)

Cubaanse of ruitkrokodil

Crocodylus siamensis (I)

Siamese krokodil

Osteolaemus tetraspis (I)

Breedvoorhoofd­krokodil

Tomistoma schlegelii (I)

Onechte gaviaal

Gavialidae

Gavialen

Gavialis gangeticus (I)

Ganges-gaviaal

RHYNCHOCE­PHALIA

Brughagedis­achtigen

Sphenodontidae

Brughagedissen

Sphenodon spp. (I)

Brughagedissen

SAURIA

Hagedissen

Agamidae

Agamen

Uromastyx spp. (II)

Doornstaartagamen

Chamaeleonidae

Kameleons

Bradypodion spp. (II)

Dwergkameleons

Brookesia spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Kortstaartdwerg­kameleons

Brookesia perarmata (I)

Pantserdwerg­kameleon

Calumma spp. (II)

Madagaskar-kameleons

Chamaeleo spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Echte kameleons

Chamaeleo chamae­leon (II)

Gewone kameleon

Furcifer spp. (II)

Madagaskar-kameleons

Kinyongia spp. (II)

Dwergkameleons

Nadzikambia spp. (II)

Dwergkameleons

Cordylidae

Gordelstaart­hagedissen

Cordylus spp. (II)

Echte gordelstaart­hagedissen

Gekkonidae

Gekko’s

Cyrtodactylus serpensin­sula (II)

Slangeneiland-gekko

Hoplodac­tylus spp. (III Nieuw-Zeeland)

Nieuw-Zeelandse gekko’s

Naultinus spp. (III Nieuw-Zeeland)

Nieuw-Zeelandse boomgekko’s

Phelsuma spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Daggekko's

Phelsuma guentheri (II)

Round Island-daggekko

Uroplatus spp. (II)

Platstaartgekko’s

Helodermatidae

Korsthagedissen

Heloderma spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen subspecies)

Gila-monster en Mexicaanse korsthagedis

Heloderma horridum charlesbo­gerti (I)

Guatemalteekse korsthagedis

Iguanidae

Leguanen

Amblyrhynchus cristatus (II)

Galapagos-zeeleguaan

Brachylophus spp. (I)

Fiji-leguanen

Conolophus spp. (II)

Galapagos-landleguanen

Ctenosaura bakeri (II)

Utila-stekelstaartleguaan

Ctenosaura oedirhina (II)

Roatán-stekelstaartleguaan

Ctenosaura melanoster­na (II)

Rio Aguan-stekelstaartleguaan

Ctenosaura palearis (II)

Guatemalteekse stekelstaartleguaan

Cyclura spp. (I)

Ringstaartleguanen

Iguana spp. (II)

Echte leguanen

Phrynosoma blainvillii (II)

Phrynosoma cerroense (II)

Phrynosoma coronatum (II)

Padhagedis

Phrynosoma wigginsi (II)

Sauromalus varius (I)

San Esteban-chuckwalla

Lacertidae

Echte hagedissen

Gallotia simonyi (I)

Simony's hagedis

Podarcis lilfordi (II)

Balearen-hagedis

Podarcis pityusensis (II)

Pityusen-hagedis

Scincidae

Skinks

Corucia zebrata (II)

Grijpstaartskink

Teiidae

Krokodilstaart­hagedissen en teju’s

Crocodilurus amazoni­cus (II)

Krokodilstaart­hagedis

Dracaena spp. (II)

Kaaimanteju's

Tupinambis spp.(II)

Reuzenteju’s

Varanidae

Varanen

Varanus spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Varanen

Varanus bengalensis (I)

Bengaalse varaan

Varanus flavescens (I)

Gele varaan

Varanus griseus (I)

Woestijnvaraan

Varanus komodoen­sis (I)

Komodo-varaan

Varanus nebulosus (I)

Nevelvaraan

Varanus olivaceus (II)

Grays varaan

Xenosauridae

Knobbelhagedissen

Shinisaurus crocodilu­rus (II)

Chinese krokodilstaart­hagedis

SERPENTES

Slangen

Boidae

Boa's

Boidae spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Boa's

Acrantophis spp. (I)

Madagaskar-boa's

Boa constrictor occidentalis (I)

Argentijnse boa constrictor

Epicrates inornatus (I)

Gewone slanke boa

Epicrates monensis (I)

Mona-boa

Epicrates subflavus (I)

Gele slanke boa

Eryx jaculus (II)

Kleine zandboa

Sanzinia madagas­cariensis (I)

Madagaskar-hondskopboa

Bolyeriidae

Round Island-boa’s

Bolyeriidae spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Round Island-boa’s

Bolyeria multocarina­ta (I)

Round Island-boa

Casarea dussumieri (I)

Dussumiers boa

Colubridae

Ringslangen

Atretium schistosum (III India)

Indiase kielrugslang

Cerberus rynchops (III India)

Hondskopwater­slang

Clelia clelia (II)

Mussurana

Cyclagras gigas (II)

Reuzenwaterslang

Elachistodon wester­manni (II)

Indische eierslang

Ptyas mucosus (II)

Oosterse rattenslang

Xenochrophis piscator (III India)

Visslang

Elapidae

Cobra’s en koraalslangen

Hoplocephalus bunga­roides (II)

Breedkopslang

Micrurus diastema (III Honduras)

Atlantische koraalslang

Micrurus nigrocinctus (III Honduras)

Midden-Amerikaanse koraalslang

Naja atra (II)

Chinese brilslang

Naja kaouthia (II)

Indiase brilslang

Naja mandalayen­sis (II)

Burmese brilslang

Naja naja (II)

Brilslang of cobra

Naja oxiana (II)

Centraal-Aziatische brilslang

Naja philippinen­sis (II)

Filipijnse brilslang

Naja sagittifera (II)

Andamanen-brilslang

Naja samaren­sis (II)

Samar-brilslang

Naja siamensis (II)

Indochinese brilslang

Naja sputatrix (II)

Spuwende brilslang

Naja sumatrana (II)

Sumatraanse brilslang

Ophiophagus hannah (II)

Koningscobra

Loxocemidae

Spitskoppythons

Loxocemidae spp. (II)

Spitskoppythons

Pythonidae

Pythons

Pythonidae spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Pythons

Python molurus molurus (I)

Tijgerpython

Tropidophiidae

Bosslangen

Tropidophiidae spp. (II)

Bosslangen

Viperidae

Adders

Crotalus durissus (III Honduras)

Zuid-Amerikaanse ratelslang

Crotalus durissus unicolor

Aruba-ratelslang

Daboia russelii (III India)

Russells adder

Vipera latifii

Latifi's adder

Vipera ursinii (I) (Uitsluitend de populatie in Europa, met uitzondering van het grondgebied van de voormalige USSR; laatstgenoemde populaties zijn niet in de bijlagen bij deze verordening opgenomen.)

Spitssnuitadder

Vipera wagneri (II)

Wagners adder

TESTUDINES

Schildpadden

Carettochelyidae

Nieuw-Guinese tweeklauwschild­padden

Carettochelys insculpta (II)

Nieuw-Guinese tweeklauwschildpad

Chelidae

Slangenhals­schildpadden

Chelodina mccordi (II)

Slangenhals­schildpad

Pseudemydura umbrina (I)

Onechte spitskopschildpad

Cheloniidae

Zeeschildpadden

Cheloniidae spp. (I)

Zeeschildpadden

Chelydridae

Bijtschildpadden

Macrochelys temminckii (III Verenigde Staten van Amerika)

Alligatorschildpad of gierschildpad

Dermatemydidae

Tabasco-schildpadden

Dermatemys mawii (II)

Tabasco-schildpad

Dermochelyidae

Lederschildpadden

Dermochelys coriacea (I)

Lederschildpad

Emydidae

Doos- en moerasschildpadden

Chrysemys picta

Westelijke sierschildpad

Glyptemys insculpta (II)

Amerikaanse bosschildpad

Glyptemys muhlen­bergii (I)

Muhlenbergs schildpad

Graptemys spp. (III Verenigde Staten van Amerika)

Zaagrug- of landkaartschild­padden

Terrapene spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Doosschildpadden

Terrapene coahuila (I)

Mexicaanse doosschildpad

Trachemys scripta elegans

Roodwangsier­schildpad

Geoemydidae

Aardschildpad­achtigen

Batagur affinis (I)

Zuidelijke rivierschildpad

Batagur baska (I)

Batagur of tuntong

Batagur spp. (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Cuora spp. (II)

Aziatische doosschildpadden

Geoclemys hamiltonii (I)

Driekielstraal­schildpad

Geoemyda spengleri (III China)

Spenglers aardschildpad

Heosemys annandalii (II)

Tempelschildpad

Heosemys depressa (II)

Arakan-aardschildpad

Heosemys grandis (II)

Reuzenaard­schildpad

Heosemys spinosa (II)

Gestekelde aardschildpad

Leucocephalon yuwonoi (II)

Sulawesi-aardschildpad

Malayemys macrocepha­la (II)

Maleisische slakkeneter

Malayemys subtrijuga (II)

Rijstveldschildpad

Mauremys annamen­sis (II)

Annamese schildpad

Mauremys iversoni (III China)

Iversons moerasschildpad

Mauremys megalocephala (III China)

Grootkopdriekiel­schildpad

Mauremys mutica (II)

Gele moerasschildpad

Mauremys nigricans (III China)

Kwantung-moerasschildpad of Chinese roodkeelschildpad

Mauremys pritchardi (III China)

Pritchards moerasschildpad

Mauremys reevesii (III China)

Chinese driekielschildpad

Mauremys sinensis (III China)

Chinese streepnekschildpad

Melanochelys tricarinata (I)

Driekielaardschild­pad

Morenia ocellata (I)

Achterindische pauwoogmoeras­schildpad

Notochelys platynota (II)

Maleise platrugschildpad

Ocadia glyphistoma (III China)

Gleufbek-streepnekschildpad

Ocadia philippeni (III China)

Philippens streepnekschildpad

Orlitia borneensis (II)

Borneo-rivierschildpad

Pangshura spp.(II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Dakschildpadden

Pangshura tecta (I)

Indische dakschildpad

Sacalia bealei (III China)

Beales pauwoogschildpad

Sacalia pseudocellata (III China)

Chinese schijnoogschildpad

Sacalia quadriocellata (III China)

Vieroogschildpad

Siebenrockiella crassicollis (II)

Zwarte dikkopschildpad

Siebenrockiella leytensis (II)

Filipijnse aardschildpad

Platysternidae

Grootkopschild­padden

Platysternon megacepha­lum (II)

Grootkopschildpad

Podocnemididae

Scheenplaatschild­padden

Erymnochelys madagas­cariensis (II)

Madagaskar-scheenplaatschild­pad

Peltocephalus dumerilia­nus (II)

Zuid-Amerikaanse grootkopschildpad

Podocnemis spp. (II)

Zuid-Amerikaanse scheenplaatschild­padden

Testudinidae

Landschildpadden

Testudinidae spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species; voor Geochelone sulcata is een jaarlijks exportquotum van nul exemplaren vastgesteld voor aan de natuur onttrokken specimens die voor overwegend commerciële doeleinden in de handel worden gebracht.)

Landschildpadden

Astrochelys radiata (I)

Stralenschildpad

Astrochelys yniphora (I)

Madagaskar-schildpad

Chelonoidis nigra (I)

Galapagos-landschildpad

Gopherus flavomargina­tus (I)

Mexicaanse reuzengofferschild­pad

Malacochersus tornieri (II)

Pannenkoekschild­pad

Psammobates geometricus (I)

Geometrische landschildpad

Pyxis arachnoides (I)

Madagaskar-spinschildpad

Pyxis planicauda (I)

Madagaskar-platstaartschildpad

Testudo graeca (II)

Moorse landschildpad

Testudo hermanni (II)

Griekse landschildpad

Testudo kleinmanni (I)

Kleinmanns landschildpad

Testudo marginata (II)

Klokschildpad

Trionychidae

Drieklauw- en weekschildpadden

Amyda cartilagi­nea (II)

Zuidoost-Aziatische weekschildpad

Apalone spinifera atra (I)

Zwarte drieklauwschildpad

Aspideretes gangeticus (I)

Ganges-drieklauwschildpad

Aspideretes hurum (I)

Pauwoogdrieklauw­schildpad

Aspideretes nigricans (I)

Heilige drieklauwschildpad

Chitra spp. (II)

Smalkopweek­schildpadden

Lissemys punctata (II)

Indische klepweekschildpad

Lissemys scutata (II)

Burmese klepweekschildpad

Palea steindach­neri (III China)

Halskwabweek­schildpad

Pelochelys spp. (II)

Reuzenweek­schildpadden

Pelodiscus axenaria (III China)

Hunan-weekschildpad

Pelodiscus maackii (III China)

Amoer-weekschildpad

Pelodiscus parviformis (III China)

Chinese weekschildpad

Rafetus swinhoei (III China)

Yangtze-weekschildpad

AMPHIBIA

Amfibieën

ANURA

Kikkers en padden

Bufonidae

Padden

Altiphrynoides spp. (I)

Malcolms Ethiopische padden

Atelopus zeteki (I)

Bonte klompvoetkikker

Bufo periglenes (I)

Gouden pad

Bufo superciliaris (I)

Wenkbrauwpad

Nectophrynoi­des spp. (I)

Levendbarende padden

Nimbaphrynoi­des spp. (I)

Nimba-padden

Spinophrynoi­des spp. (I)

Osgoods Ethiopische padden

Calyptocephalellidae

Calyptocephalella gayi (III Chili)

Helmkop

Dendrobatidae

Gifkikkers

Allobates femoralis (II)

Dijvlekgifkikker

Allobates zaparo (II)

Zaparo-gifkikker

Cryptophyllo­bates azurei­ventris (II)

Blauwbuikgifkikker

Dendrobates spp. (II)

Boomgifkikkers

Epipedobates spp. (II)

Bodemgifkikkers

Phyllobates spp. (II)

Pijlgifkikkers

Hylidae

Boomkikkers

Agalychnis spp. (II)

Makikikkers

Mantellidae

Gouden prachtkikkers

Mantella spp. (II)

Gouden prachtkikkers

Microhylidae

Tomaatkikkers

Dyscophus antongilii (I)

Tomaatkikker

Scaphiophryne gottlebei (II)

Gottlebes smalbekkikker

Ranidae

Echte kikkers

Conraua goliath

Goliathkikker

Euphlyctis hexadactylus (II)

Zesteenkikker

Hoplobatrachus tigerinus (II)

Tijgerkikker

Rana catesbeiana

Stierkikker

Rheobatrachidae

Maagbroedende kikkers

Rheobatrachus spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Maagbroedende kikkers

Rheobatrachus silus (II)

Zuidelijke maagbroedende kikker

CAUDATA

Salamanders

Ambystomatidae

Axolotls

Ambystoma dumerilii (II)

Achaque

Ambystoma mexicanum (II)

Axolotl

Cryptobranchidae

Reuzensalamanders

Andrias spp. (I)

Reuzensalamanders

Salamandridae

Echte salamanders

Neurergus kaiseri (I)

Luristan-beeksalamander

ELASMOBRANCHII

Kraakbeenvissen

LAMNIFORMES

Haringhaaiachtigen

Cetorhinidae

Reuzenhaaien

Cetorhinus maximus (II)

Reuzenhaai

Lamnidae

Makreelhaaien

Carcharodon carcharias (II)

Mensenhaai

Lamna nasus (III 27 EU-lidstaten)(20)

Haringhaai of neushaai

ORECTOLOBIFORMES

Bakerhaaien

Rhincodontidae

Walvishaaien

Rhincodon typus (II)

Walvishaai

RAJIFORMES

Roggen

Pristidae

Zaagroggen

Pristidae spp. (I) (Met uitzondering van de in bijlage B opgenomen species)

Zaagroggen

Pristis microdon (II) (Uitsluitend met het oog op het toestaan van internationaal verkeer van levende dieren, hoofdzakelijk voor instandhoudingsdoelstellingen en voor zover deze dieren bestemd zijn voor passende en aanvaardbare aquaria. Alle andere specimens worden als specimens van een soort van bijlage A beschouwd en op de handel daarin is de desbetreffende regelgeving van toepassing.)

Zoetwaterzaagrog

ACTINOPTERYGII

Straalvinnige vissen

ACIPENSERIFORMES

Steurachtigen

ACIPENSERIFORMES spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Steurachtigen

Acipenseridae

Steuren

Acipenser brevirostrum (I)

Kortsnuitsteur

Acipenser sturio (I)

Gewone steur

ANGUILLIFORMES

Palingachtigen

Anguillidae

Palingen

Anguilla anguilla (II)

Europese paling of aal

CYPRINIFORMES

Karperachtigen

Catostomidae

Zuigkarpers

Chasmistes cujus (I)

Zuigkarper

Cyprinidae

Echte karpers

Caecobarbus geertsi (II)

Afrikaanse blinde barbeel

Probarbus jullieni (I)

Julliens barbeel

OSTEOGLOSSIFORMES

Beentongvissen

Osteoglossidae

Echte beentongvissen

Arapaima gigas (II)

Arapaima

Scleropages formosus (I)

Aziatische beentongvis

PERCIFORMES

Baarsachtigen

Labridae

Lipvissen

Cheilinus undulatus (II)

Napoleonvis

Sciaenidae

Ombervissen

Totoaba macdonaldi (I)

Macdonalds trommelvis

SILURIFORMES

Meervalachtigen

Pangasiidae

Reuzenmeervallen

Pangasianodon gigas (I)

Reuzenmeerval

SYNGNATHIFORMES

Zeenaaldachtigen

Syngnathidae

Zeenaalden en zeepaardjes

Hippocampus spp. (II)

Zeepaardjes

SARCOPTERYGII

Kwastvinnige vissen

CERATODONTIFORMES

Australische longvissen

Ceratodontidae

Australische longvissen

Neoceratodus forsteri (II)

Australische longvis

COELACANTHIFORMES

Coelacantachtigen

Latimeriidae

Coelacanten

Latimeria spp. (I)

Coelacanten

ECHINODERMATA (STEKELHUIDIGEN)

HOLOTHUROIDEA

Zeekomkommers

ASPIDOCHIROTIDA

Zeekomkommers

Stichopodidae

Zeekomkommers

Isostichopus fuscus (III Ecuador)

Bruine zeekomkommer

ARTHROPODA (GELEEDPOTIGEN)

ARACHNIDA

Spinachtigen

ARANEAE

Spinnen

Theraphosidae

Vogelspinnen

Aphonopelma albiceps (II)

Tarantula

Aphonopelma pallidum (II)

Mexicaanse grijze tarantula

Brachypelma spp. (II)

Vogelspinnen

SCORPIONES

Schorpioenen

Scorpionidae

Schorpioenen

Pandinus dictator (II)

Dictatorschorpioen

Pandinus gambiensis (II)

Senegalese reuzenschorpioen

Pandinus imperator (II)

Keizerschorpioen

INSECTA

Insecten

COLEOPTERA

Kevers

Lucanidae

Vliegende herten

Colophon spp. (III Zuid-Afrika)

Kaapse vliegende herten

Scarabaeidae

Bladsprietkevers

Dynastes satanas (II)

Satanaskever

LEPIDOPTERA

Vlinders en motten

Nymphalidae

Schoenlappers

Agrias amydon boliviensis (III Bolivia)

Morpho godartii lachaumei (III Bolivia)

Prepona praeneste buckleyana (III Bolivia)

Papilionidae

Pages en pauwogen

Atrophaneura jophon (II)

Sri Lanka-roospage

Atrophaneura palu

Palu-roospage

Atrophaneura pandiyana (II)

Malabar-roospage

Bhutanitis spp. (II)

Bhutan-koninginnenpages

Graphium sandawanum

Apo-koninginnenpage

Graphium stresemanni

Seram-koninginnenpage

Ornithoptera spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)

Vogelvleugelvlinders

Ornithoptera alexandrae (I)

Alexandra's vogelvleugelvlinder

Papilio benguetanus

Filipijnse pauwoog

Papilio chikae (I)

Luzon-pauwoog

Papilio esperanza

Oaxaca-pauwoog

Papilio homerus (I)

Homeruspauwoog

Papilio hospiton (I)

Corsicaanse pauwoog

Papilio morondavana

Madagaskar-keizerpauwoog

Papilio neumoegeni

Sumba-pauwoog

Parides ascanius

Rio de Janeiro-pauwoog

Parides hahneli

Hahnels Amazone-pauwoog

Parnassius apollo (II)

Apollovlinder

Teinopalpus spp. (II)

Kaiser-i-hindvlinders

Trogonoptera spp. (II)

Vogelvleugelvlinders

Troides spp. (II)

Gouden vogelvleugelvlinders

ANNELIDA (GELEDE WORMEN)

HIRUDINOIDEA

Bloedzuigers

ARHYNCHOBDELLIDA

Hirudinidae

Bloedzuigers

Hirudo medicinalis (II)

Noordelijke medicinale bloedzuiger

Hirudo verbana (II)

Zuidelijke medicinale bloedzuiger

MOLLUSCA (WEEKDIEREN)

BIVALVIA

Tweekleppigen

MYTILOIDA

Zeemossels

Mytilidae

Echte mossels

Lithophaga lithophaga (II)

Steenboorder

UNIONOIDA

Zoetwatermossels

Unionidae

Echte zoetwatermossels

Conradilla caelata (I)

Vogelvleugelparelmossel

Cyprogenia aberti (II)

Westelijke waaierschelp

Dromus dromas (I)

Dromedarisparelmossel

Epioblasma curtisii (I)

Curtis’ parelmossel

Epioblasma florentina (I)

Geelbloesemparelmossel

Epioblasma sampsonii (I)

Sampsons parelmossel

Epioblasma sulcata perobliqua (I)

Purperen kattenpootmossel

Epioblasma torulosa gubernaculum (I)

Groenbloesemparelmossel

Epioblasma torulosa rangiana (II)

Taanbloesemparelmossel

Epioblasma torulosa torulosa (I)

Knobbelbloesemparelmossel

Epioblasma turgidula (I)

Zwelbloesemparelmossel

Epioblasma walkeri (I)

Bruinbloesemparelmossel

Fusconaia cuneolus (I)

Fijnstraal-varkensteenparelmossel

Fusconaia edgariana (I)

Glanzende varkensteenparelmossel

Lampsilis higginsii (I)

Higgins’ oogparelmossel

Lampsilis orbiculata orbiculata (I)

Roze slijkmossel

Lampsilis satur (I)

Gewone boekparelmossel

Lampsilis virescens (I)

Alabama-lampmossel

Plethobasus cicatricosus (I)

Witte wrattenrugparelmossel

Plethobasus cooperianus (I)

Oranjevoetpuistmossel

Pleurobema clava (II)

Klompschelpparelmossel

Pleurobema plenum (I)

Ruige varkensteenparelmossel

Potamilus capax (I)

Dikboekparelmossel

Quadrula intermedia (I)

Cumberland-apensnoetparelmossel

Quadrula sparsa (I)

Appalachen-apensnoetparelmossel

Toxolasma cylindrellus (I)

Bleke lilliputparelmossel

Unio nickliniana (I)

Nicklins parelmossel

Unio tampicoensis tecomatensis (I)

Tampico-parelmossel

Villosa trabalis (I)

Cumberland-boonparelmossel

VENEROIDA

Tridacnidae

Doopvontschelpen

Tridacnidae spp. (II)

Doopvontschelpen

GASTROPODA

Buikpotigen of slakken

MESOGASTROPODA

Strombidae

Kroonslakken

Strombus gigas (II)

Karko of roze vleugelhoorn

STYLOMMATOPHORA

Achatinellidae

Hawaï-boomslakken

Achatinella spp. (I)

Kleine agaatslakken

Camaenidae

Groenslakken

Papustyla pulcherrima (II)

Groenslak

CNIDARIA (HOLTEDIEREN)

ANTHOZOA

Koralen en zeeanemonen

ANTIPATHARIA

Doornkoralen

ANTIPATHARIA spp. (II)

Doornkoralen

GORGONACEAE

Hoornkoralen

Coralliidae

Bloedkoralen

Corallium elatius (III China)

Momo-bloedkoraal

Corallium japonicum (III China)

Japans bloedkoraal

Corallium konjoi (III China)

Konjoi-bloedkoraal

Corallium secundum (III China)

Engelhuidbloedkoraal

HELIOPORACEA

Helioporidae

Blauwe koralen

Helioporidae spp. (II) (Omvat uitsluitend de soort Heliopora coerulea)(21)

Blauwe koralen

SCLERACTINIA

Echte koralen

SCLERACTINIA spp. (II)(22)

Echte koralen

STOLONIFERA

Buiskoralen

Tubiporidae

Orgelpijpkoralen

Tubiporidae spp. (II)(23)

Orgelpijpkoralen

HYDROZOA

Poliepen

MILLEPORINA

Milleporidae

Brandkoralen of vuurkoralen

Milleporidae spp. (II)(24)

Brandkoralen of vuurkoralen

STYLASTERINA

Stylasteridae

Kantkoralen

Stylasteridae spp. (II)(25)

Kantkoralen

FLORA (PLANTEN)

AGAVACEAE

Agavefamilie

Agave parviflora (I)

Santa Cruz-streepagave

Agave victoriae-reginae (II) #4

Koningin Victoria-agave

Nolina interrata (II)

San Diego-berengras

AMARYLLIDACEAE

Narcisfamilie

Galanthus spp. (II) #4

Sneeuwklokjes

Sternbergia spp. (II) #4

Leliën des velds

ANACARDIACEAE

Pruikenboomfamilie

Operculicarya hyphaenoides (II)

Jabihy

Operculicarya pachypus (II)

Tabily

APOCYNACEAE

Hoodia spp. (II) #9

Hoodia’s

Pachypodium spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species) #4

Madagaskar-palmen

Pachypodium ambongense (I)

Olifantromppalm

Pachypodium baronii (I)

Sleutelbloempalm

Pachypodium decaryi (I)

Hanenspoorbloempalm

Rauvolfia serpentina (II) #2

Slangenwortel-duivelspeper

ARALIACEAE

Klimopfamilie

Panax ginseng (II) (Alleen de populatie in de Russische Federatie; geen enkele andere populatie is in de bijlagen bij deze verordening opgenomen.) #3

Ginseng

Panax quinquefolius (II) #3

Amerikaanse ginseng

ARAUCARIACEAE

Araucariafamilie

Araucaria araucana (I)

Apenverdriet

BERBERIDACEAE

Berberisfamilie

Podophyllum hexandrum (II) #2

Indische alruinwortel

BROMELIACEAE

Bromeliafamilie

Tillandsia harrisii (II) #4

Harris' tillandsia

Tillandsia kammii (II) #4

Kamms tillandsia

Tillandsia kautskyi (II) #4

Kautsky's tillandsia

Tillandsia mauryana (II) #4

Maury's tillandsia

Tillandsia sprengeliana (II) #4

Sprengels tillandsia

Tillandsia sucrei (II) #4

Sucre-tillandsia

Tillandsia xerographica (II)(26) #4

Xerografie-tillandsia

CACTACEAE

Cactusfamilie

CACTACEAE spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species en Pereskia spp., Pereskiopsis spp. en Quiabentia spp.)(27) #4

Cactussen

Ariocarpus spp. (I)

Levendesteencactussen

Astrophytum asterias (I)

Stercactus

Aztekium ritteri (I)

Aztekencactus

Coryphantha werdermannii (I)

Zwijnspeldenkussen

Discocactus spp. (I)

Schijfcactussen

Echinocereus ferreirianus ssp. lindsayi (I)

Lindsays egelcactus

Echinocereus schmollii (I)

Lamsstaartcactus

Escobaria minima (I)

Nellie Cory’s cactus

Escobaria sneedii (I)

Sneeds speldenkussen

Mammillaria pectinifera (I)

Biggencactus

Mammillaria solisioides (I)

Pitayta

Melocactus conoideus (I)

Kegelvormige Turksemutscactus

Melocactus deinacanthus (I)

Prachtborstelige Turksemutscactus

Melocactus glaucescens (I)

Wollige wassteel-Turksemutscactus

Melocactus paucispinus (I)

Geringstekelige Turksemutscactus

Obregonia denegrii (I)

Artisjokcactus

Pachycereus militaris (I)

Teddybeercactus

Pediocactus bradyi (I)

Brady’s speldenkussen

Pediocactus knowltonii (I)

Knowltons cactus

Pediocactus paradinei (I)

Paradines cactus

Pediocactus peeblesianus (I)

Peebles' navajocactus

Pediocactus sileri (I)

Silers speldenkussen

Pelecyphora spp. (I)

Bijltjescactussen

Sclerocactus brevihamatus ssp. tobuschii (I)

Tobuschs vishaakcactus

Sclerocactus erectocentrus (I)

Acuña-cactus

Sclerocactus glaucus (I)

Uinta Basin-cactus

Sclerocactus mariposensis (I)

Lloyds vlindercactus

Sclerocactus mesae-verdae (I)

Mesa Verde-cactus

Sclerocactus nyensis (I)

Tonopah-vishaakcactus

Sclerocactus papyracanthus (I)

Papierstekelvishaakcactus

Sclerocactus pubispinus (I)

Great Basin-vishaakcactus

Sclerocactus wrightiae (I)

Wrights vishaakcactus

Strombocactus spp. (I)

Tolcactussen

Turbinicarpus spp. (I)

Turbinecactussen

Uebelmannia spp. (I)

Uebelmanns cactussen

CARYOCARACEAE

Caryocarfamilie

Caryocar costaricense (II) #4

Knoflookboom

COMPOSITAE (ASTERACEAE)

Asterfamilie (composieten)

Saussurea costus (I) (Ook S. lappa, Aucklandia lappa of A. costus genoemd.)

Cost, kutki of kuth

CRASSULACEAE

Vetplantenfamilie

Dudleya stolonifera (II)

Laguna Beach-liveforever

Dudleya traskiae (II)

Santa Barbara-liveforever

CUCURBITACEAE

Komkommerfamilie

Zygosicyos pubescens (II) (ook bekend onder de naam Xerosicyos pubescens)

Tobory

Zygosicyos tripartitus (II)

Betoboky

CUPRESSACEAE

Cipresfamilie

Fitzroya cupressoides (I)

Alerce

Pilgerodendron uviferum (I)

Chileense cipres

CYATHEACEAE

Cyatheafamilie

Cyathea spp. (II) #4

Cyathea’s (boomvarens)

CYCADACEAE

Cycaspalmenfamilie

CYCADACEAE spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species) #4

Cycaspalmen

Cycas beddomei (I)

Beddomes cycaspalm

DICKSONIACEAE

Dicksoniafamilie

Cibotium barometz (II) #4

Kettingvaren, cibota of gou-ji

Dicksonia spp. (II) (Alleen de Amerikaanse populaties; geen enkele andere populatie is in de bijlagen bij deze verordening opgenomen. Omvat Dicksonia berteriana, D. externa, D. sellowiana en D. stuebelii) #4

Dicksonia’s (boomvarens)

DIDIEREACEAE

Didiereafamilie

DIDIEREACEAE spp. (II) #4

Madagaskar-boomvarens, aluaudia’s

DIOSCOREACEAE

Yamswortelfamilie

Dioscorea deltoidea (II) #4

Olifantspoot

DROSERACEAE

Zonnedauwfamilie

Dionaea muscipula (II) #4

Venusvliegenval

EUPHORBIACEAE

Wolfsmelkfamilie

Euphorbia spp. (II) #4

(Uitsluitend succulente species, met uitzondering van:

1)  Euphorbia misera;

2)  kunstmatig gekweekte specimens van cultivars van Euphorbia trigona;

3)  kunstmatig gekweekte specimens van Euphorbia lactea die op een kunstmatig gekweekte onderstam van Euphorbia neriifolia zijn geënt, mits zij:

kamvormig of

waaiervormig of

kleurmutanten zijn;

4)  kunstmatig gekweekte specimens van cultivars van Euphorbia „Milii”, mits zij:

gemakkelijk als kunstmatig gekweekte specimens herkenbaar zijn, en

in partijen van 100 of meer planten in de Unie worden binnengebracht of uit de Unie worden (her)uitge­voerd;

op bovengenoemde categorieën zijn de bepalingen van deze verordening niet van toepassing; en

5)  de in bijlage A opgenomen species.)

Euphorbia's of wolfsmelken

Euphorbia ambovombensis (I)

Amovombe-wolfsmelk

Euphorbia capsaintemariensis (I)

Cap Sainte Marie-wolfsmelk

Euphorbia cremersii (I) (Met inbegrip van de vorm viridifolia en de varieteit rakotozafyi)

Cremers' wolfsmelk

Euphorbia cylindrifolia (I) (Met inbegrip van de ssp. tuberifera)

Rondbladige wolfsmelk

Euphorbia decaryi (I) (Met inbegrip van de varieteiten ampanihyensis, robinsonii en sprirosticha)

Decary’s wolfsmelk

Euphorbia francoisii (I)

François’ wolfsmelk

Euphorbia handiensis (II)

Euphorbia lambii (II)

Gomera-wolfsmelk

Euphorbia moratii (I) (Met inbegrip van de varieteiten antsingiensis, bemarahensis en multiflora)

Euphorbia parvicyathophora (I)

Euphorbia quartziticola (I)

Euphorbia stygiana (II)

Daphne-vlaswolfsmelk

Euphorbia tulearensis (I)

FOUQUIERIACEAE

Fouquieriafamilie

Fouquieria columnaris (II) #4

Flesboom, boojumboom of grote waskaars

Fouquieria fasciculata (I)

Ocotillo

Fouquieria purpusii (I)

GNETACEAE

Gnetumfamilie

Gnetum montanum (III Nepal) #1

Melindjo, gam nui of sot nui

JUGLANDACEAE

Okkernootfamilie

Oreomunnea pterocarpa (II) #4

Caribische walnoot

LAURACEAE

Laurierfamilie

Aniba rosaeodora (II) (ook A. duckei genoemd) #12

Braziliaans rozenhout

LEGUMINOSAE

(FABACEAE)

Vlinderbloemigen

Caesalpinia echinata (II) #10

Brazielhout of pernambuk

Dalbergia nigra (I)

Palissander

Dalbergia retusa (III Guatemala) (Uitsluitend de populatie in Guatemala; alle andere populaties zijn opgenomen in bijlage D) #5

Cocobolo

Dalbergia stevensonii (III Guatemala) (Uitsluitend de populatie in Guatemala; alle andere populaties zijn opgenomen in bijlage D) #5

Honduras-palissander

Dipteryx panamensis (III Costa Rica / Nicaragua)

Amandelboom

Pericopsis elata (II) #5

Afrormosia

Platymiscium pleiostachyum (II) #4

Christobal of ñambar

Pterocarpus santalinus (II) #7

Rood sandelhout

LILIACEAE

Leliefamilie

Aloe spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species en Aloe vera, ook genoemd Aloe barbadensis, die niet in de bijlagen bij deze verordening is opgenomen) #4

Aloë’s

Aloe albida (I)

Witte aloë

Aloe albiflora (I)

Witbloemaloë

Aloe alfredii (I)

Alfredi’s aloë

Aloe bakeri (I)

Kaapse aloë

Aloe bellatula (I)

Prachtaloë

Aloe calcairophila (I)

Aloe compressa (I) (Met inbegrip van de varieteiten paucituberculata, rugosquamosa en schistophila)

Korte aloë

Aloe delphinensis (I)

Dolfijnaloë

Aloe descoingsii (I)

Dwergaloë

Aloe fragilis (I)

Fragiele aloë

Aloe haworthioides (I) (Met inbegrip van de varieteit aurantiaca)

Schijnspinaloë of kanten aloë

Aloe helenae (I)

Helena’s aloë

Aloe laeta (I) (Met inbegrip van de varieteit maniaensis)

Bonte aloë

Aloe parallelifolia (I)

Evenwijdigbladige aloë

Aloe parvula (I)

Kleinste aloë

Aloe pillansii (I)

Pijlkokerboom of Richtervelds aloë

Aloe polyphylla (I)

Spiraalaloë

Aloe rauhii (I)

Rauhs aloë

Aloe suzannae (I)

Suzannes aloë

Aloe versicolor (I)

Wisselkleurige aloë

Aloe vossii (I)

Voss’ aloë

MAGNOLIACEAE

Tulpenboomfamilie

Magnolia liliifera var. obovata (III Nepal) #1

Safan

MELIACEAE

Mahoniefamilie

Cedrela fissilis (III Bolivia) (Uitsluitend de populatie in Bolivia; alle andere populaties zijn opgenomen in bijlage D) #5

Cedrela lilloi (III Bolivia) (Uitsluitend de populatie in Bolivia; alle andere populaties zijn opgenomen in bijlage D) #5

Cedrela odorata (III Bolivia / Brazilië / Colombia / Guatemala / Peru) (Uitsluitend de populaties in de landen waarvoor deze soort in bijlage III is opgenomen; alle andere populaties zijn opgenomen in bijlage D) #5

Spaanse ceder

Swietenia humilis (II) #4

Mexicaanse mahonieboom

Swietenia macrophylla (II) (Neotropische populaties, d.w.z. de populaties in Midden- en Zuid-Amerika en het Caribisch gebied) #6

Braziliaanse mahonieboom

Swietenia mahagoni (II) #5

Cubaanse mahonieboom

NEPENTHACEAE

Bekerplantenfamilie

Nepenthes spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species) #4

Bekerplanten

Nepenthes khasiana (I)

Indiase bekerplant

Nepenthes rajah (I)

Reuzenbekerplant

ORCHIDACEAE

Orchideeënfamilie

ORCHIDACEAE spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)(28) #4

Orchideeën

Voor alle hierna genoemde orchideeën­soorten van bijlage A zijn de bepalingen van deze verordening niet van toepassing op zaailing- of weefselculturen indien deze:

—  in vitro zijn verkregen op een vaste of vloeibare voedingsbodem;

—  voldoen aan de definitie van „kunstmatig gekweekt” overeenkomstig artikel 56 van Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie; en

—  bij het binnenbrengen in de Unie of bij de (weder)uitvoer uit de Unie in steriele recipiënten worden getranspor­teerd.

Aerangis ellisii (I)

Madagaskar-orchidee

Cephalanthera cucullata (II)

Kretenzisch nieskruid

Cypripedium calceolus (II)

Vrouwenschoentje

Dendrobium cruentum (I)

Bloedrode orchidee

Goodyera macrophylla (II)

Madeira-netbladorchidee

Laelia jongheana (I)

Jonghes lelie

Laelia lobata (I)

Gaffellelie

Liparis loeselii (II)

Groenknolorchis

Ophrys argolica (II)

Geoogde bijenorchis

Ophrys lunulata (II)

Halvemaanorchidee

Orchis scopulorum (II)

Madeira-orchis

Paphiopedilum spp. (I)

Venusschoentjes

Peristeria elata (I)

Heiligegeestorchidee

Phragmipedium spp. (I)

Zuid-Amerikaanse pantoffelorchideeën

Renanthera imschootiana (I)

Rode Vanda-orchidee

Spiranthes aestivalis (II)

Zomerschroeforchis

OROBANCHACEAE

Bremraapfamilie

Cistanche deserticola (II) #4

Woestijnbremraap

PALMAE

(ARECACEAE)

Palmenfamilie

Beccariophoenix madagascariensis (II) #4

Manaranopalm

Chrysalidocarpus decipiens (I)

Vlinderpalm

Lemurophoenix halleuxii (II)

Rode makipalm

Lodoicea maldivica (III Seychellen) #13

Coco de mer

Marojejya darianii (II)

Grootbladpalm

Neodypsis decaryi (II) #4

Driehoekspalm

Ravenea louvelii (II)

Madagaskar-palm

Ravenea rivularis (II)

Majesteitpalm

Satranala decussilvae (II)

Satranabepalm

Voanioala gerardii (II)

Boskokosnoot

PAPAVERACEAE

Papaverfamilie

Meconopsis regia (III Nepal) #1

Himalaya-klaproos

PASSIFLORACEAE

Passiebloemfamilie

Adenia olaboensis (II)

Vahisasety

PINACEAE

Dennenfamilie

Abies guatemalensis (I)

Guatemala-spar

Pinus koraiensis (III Russische Federatie) #5

Koreaanse den

PODOCARPACEAE

Podocarpusfamilie

Podocarpus neriifolius (III Nepal) #1

Geelhoutden

Podocarpus parlatorei (I)

Parlatore's podocarpus

PORTULACACEAE

Posteleinfamilie

Anacampseros spp. (II) #4

Postelein

Avonia spp. (II) #4

Marentakcactussen

Lewisia serrata (II) #4

Maguires bitterwortel

PRIMULACEAE

Sleutelbloemfamilie

Cyclamen spp. (II)(29) #4

Cyclamens

RANUNCULACEAE

Ranonkelfamilie

Adonis vernalis (II) #2

Voorjaarsadonis

Hydrastis canadensis (II) #8

Goudzegel

ROSACEAE

Rozenfamilie

Prunus africana (II) #4

Afrikaanse kers of roodstinkhout

RUBIACEAE

Walstrofamilie

Balmea stormiae (I)

Ayugue

SARRACENIACEAE

Trompetbekerplantenfamilie

Sarracenia spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species) #4

Trompetbekerplanten

Sarracenia oreophila (I)

Groene trompetbekerplant

Sarracenia rubra ssp. alabamensis (I)

Alabama-trompetbekerplant

Sarracenia rubra ssp. jonesii (I)

Zoete bergtrompetbekerplant

SCROPHULARIACEAE

Helmkruidfamilie

Picrorhiza kurrooa (II) (met uitsluiting van Picrorhiza scrophulariiflora) #2

Katki

STANGERIACEAE

Stangeriafamilie

Bowenia spp. (II) #4

Bowenia’s

Stangeria eriopus (I)

Hottentottenhoofd

TAXACEAE

Taxusfamilie

Taxus chinensis en de infraspecifieke taxa van deze soort (II) #2

Chinese taxus

Taxus cuspidata en de infraspecifieke taxa van deze soort (II)(30) #2

Japanse taxus

Taxus fuana en de infraspecifieke taxa van deze soort (II) #2

Tibetaanse taxus

Taxus sumatrana en de infraspecifieke taxa van deze soort (II) #2

Sumatraanse taxus

Taxus wallichiana (II) #2

Himalaya-taxus

THYMELAEACEAE

(AQUILARIACEAE)

Peperboompjesfamilie

Aquilaria spp. (II) #4

Agarhout

Gonystylus spp. (II) #4

Ramin

Gyrinops spp. (II) #4

Agarhout

TROCHODENDRACEAE

(TETRACENTRACEAE)

Tetracentronfamilie

Tetracentron sinense (III Nepal) #1

Spoorblad

VALERIANACEAE

Valeriaanfamilie

Nardostachys grandiflora (II) #2

Indische nard

VITACEAE

Wijnstokfamilie

Cyphostemma elephantopus (II)

Lazampasika

Cyphostemma montagnacii (II)

Lazambohitra

WELWITSCHIACEAE

Welwitschiafamilie

Welwitschia mirabilis (II) #4

Welwitschia

ZAMIACEAE

Zamiafamilie

ZAMIACEAE spp. (II) (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species) #4

Zamiafamilie

Ceratozamia spp. (I)

Hoornkegelpalmen

Chigua spp. (I)

Chigua’s

Encephalartos spp. (I)

Broodbomen

Microcycas calocoma (I)

Kurkpalm

ZINGIBERACEAE

Gemberfamilie

Hedychium philippinense (II) #4

Filipijnse guirlande of gemberlelie

ZYGOPHYLLACEAE

Pokhoutfamilie

Bulnesia sarmientoi (II) #11

Gayak

Guaiacum spp. (II) #2

Pokhout

Bijlage D

Gewone naam

FAUNA

CHORDATA (CHORDADIEREN)

MAMMALIA

Zoogdieren

CARNIVORA

Roofdieren

Canidae

Hondachtigen

Vulpes vulpes griffithi (III India) §1

Griffiths vos

Vulpes vulpes montana (III India) §1

Indische bergvos

Vulpes vulpes pusilla (III India) §1

Kleine rode vos

Mustelidae

Marterachtigen

Mustela altaica (III India) §1

Bergwezel

Mustela erminea ferghanae (III India) §1

Indische bergwezel

Mustela kathiah (III India) §1

Geelbuikwezel

Mustela sibirica (III India) §1

Siberische wezel

DIPROTODONTIA

Klimbuideldieren, wombats en kangoeroes

Macropodidae

Kangoeroes en wallaby’s

Dendrolagus dorianus

Doria's boomkangoeroe

Dendrolagus goodfellowi

Goodfellows boomkangoeroe

Dendrolagus matschiei

Matschies boomkangoeroe

Dendrolagus pulcherrimus

Goudmantelboomkangoeroe

Dendrolagus stellarum

Seri's boomkangoeroe

AVES

Vogels

ANSERIFORMES

Eendachtigen

Anatidae

Eenden, ganzen en zwanen

Anas melleri

Mellers eend

COLUMBIFORMES

Duifachtigen

Columbidae

Duiven

Columba oenops

Salvins duif

Didunculus strigirostris

Tandduif

Ducula pickeringii

Pickerings muskaatduif

Gallicolumba crinigera

Bartletts dolksteenduif

Ptilinopus marchei

Marche's jufferduif

Turacoena modesta

Timorese zwarte duif

GALLIFORMES

Hoenderachtigen

Cracidae

Hokko’s

Crax alector

Gewone of zwarte hokko

Pauxi unicornis

Hoornhokko

Penelope pileata

Witkuifsjakohoen

Megapodiidae

Grootpoothoenders

Eulipoa wallacei

Moluks boshoen

Phasianidae

Fazantachtigen

Arborophila gingica

Rickets bospatrijs

Lophura bulweri

Bulwers vuurrugfazant

Lophura diardi

Siamese vuurrugfazant

Lophura inornata

Salvadori's vuurrugfazant

Lophura leucomelanos

Kalij-vuurrugfazant

Syrmaticus reevesii §2

Koningsfazant

PASSERIFORMES

Zangvogels

Bombycillidae

Pestvogels

Bombycilla japonica

Japanse pestvogel

Corvidae

Kraaiachtigen

Cyanocorax caeruleus

Azuurblauwe gaai

Cyanocorax dickeyi

Kroongaai

Cotingidae

Cotinga’s

Procnias nudicollis

Naaktkeelklokvogel

Emberizidae

Gorzen

Dacnis nigripes

Zwartpootpitpit

Sporophila falcirostris

Temmincks dikbekje

Sporophila frontalis

Reuzendikbekje

Sporophila hypochroma

Roodstuitdikbekje

Sporophila palustris

Moerasdikbekje

Estrildidae

Astrilden

Amandava amandava

Tijgervink

Cryptospiza reichenovii

Reichenows bergastrilde

Erythrura coloria

Mindanao-papegaaiamadine

Erythrura viridifacies

Manilla-papegaaiamadine

Estrilda quartinia (Vaak verhandeld onder de naam Estrilda melanotis)

Geelsnavelastrilde

Hypargos niveoguttatus

Rode druppelastrilde

Lonchura griseicapilla

Witkruinnon

Lonchura punctulata

Muskaatvink

Lonchura stygia

Zwarte rietvink

Fringillidae

Vinken

Carduelis ambigua

Yunnan-groenling

Carduelis atrata

Zwarte sijs

Kozlowia roborowskii

Tibetaanse roodmus

Pyrrhula erythaca

Grijskopgoudvink

Serinus canicollis

Geelkruinkanarie

Serinus citrinelloides hypostictus (Vaak verhandeld onder de naam Serinus citrinelloides)

Oost-Afrikaanse dunbekkanarie

Icteridae

Troepialen

Sturnella militaris

Zwartkopsoldatenspreeuw

Muscicapidae

Vliegenvangers en lijsters

Cochoa azurea

Javaanse blauwe cochoa

Cochoa purpurea

Purpercochoa

Garrulax formosus

Roodvleugellijstergaai

Garrulax galbanus

Geelbuiklijstergaai

Garrulax milnei

Roodstaartlijstergaai

Niltava davidi

Père Davids niltava

Stachyris whiteheadi

Whiteheads boomtimalia

Swynnertonia swynnertoni (Ook Pogonicichla swynnertoni genoemd)

Swynnertons sterrenpaapje

Turdus dissimilis

Zwartborstlijster

Pittidae

Pitta’s

Pitta nipalensis

Blauwnekpitta

Pitta steerii

Steeres pitta

Sittidae

Boomklevers

Sitta magna

Reuzenboomklever

Sitta yunnanensis

Yunnan-boomklever

Sturnidae

Spreeuwen

Cosmopsarus regius

Koningsglansspreeuw

Mino dumontii

Papoea-maina

Sturnus erythropygius

Andamanen-spreeuw

REPTILIA

Reptielen

TESTUDINES

Schildpadden

Geoemydidae

Aardschildpadachtigen

Melanochelys trijuga

Indiase zwarte schildpad

SAURIA

Hagedissen

Agamidae

Agamen

Physignathus cocincinus

Chinese wateragaam

Anguidae

Hazelwormachtigen

Abronia graminea

Boomalligatorhagedis

Gekkonidae

Gekko’s

Rhacodactylus auriculatus

Ruwe reuzengekko

Rhacodactylus ciliatus

Gestekelde reuzengekko

Rhacodactylus leachianus

Nieuw-Caledonische reuzengekko

Teratoscincus microlepis

Kleinschubbige wondergekko

Teratoscincus scincus

Spookgekko

Gerrhosauridae

Gordelstaarthagedissen

Zonosaurus karsteni

Karstens gordelhagedis

Zonosaurus quadrilineatus

Vierstreepgordelhagedis

Iguanidae

Leguanen

Ctenosaura quinquecarinata

Scincidae

Skinks

Tribolonotus gracilis

Sierlijke helmskink of roodoogkrokodilskink

Tribolonotus novaeguineae

Nieuw-Guinese helmskink

SERPENTES

Slangen

Colubridae

Ringslangen

Elaphe carinata §1

Taiwanese stinkslang

Elaphe radiata §1

Sterrattenslang

Elaphe taeniura §1

Taiwanese rattenslang

Enhydris bocourti §1

Bocourts waterslang

Homalopsis buccata §1

Mopsneusslang

Langaha nasuta

Madagaskar-bladneusslang

Leioheterodon madagascariensis

Madagaskar-haakneusslang

Ptyas korros §1

Geelbuikrattenslang

Rhabdophis subminiatus §1

Giftige waterslang

Hydrophiidae

Zeeslangen

Lapemis curtus (Omvat ook Lapemis hardwickii) §1

Logge zeeslang

Viperidae

Adders

Calloselasma rhodostoma §1

Maleise mocassinslang

AMPHIBIA

Amfibieën

ANURA

Kikkers en padden

Hylidae

Boomkikkers

Phyllomedusa sauvagii

Wasmakikikker

Leptodactylidae

Fluitkikkers

Leptodactylus laticeps

Santa Fe-fluitkikker

Ranidae

Echte kikkers

Limnonectes macrodon

Javaanse reuzenkikker of groottandkikker

Rana shqiperica

Albanese poelkikker

CAUDATA

Salamanders

Hynobiidae

Aziatische salamanders

Ranodon sibiricus

Siberische kikkertandsalamander of Semirechensk-salamander

Plethodontidae

Longloze salamanders

Bolitoglossa dofleini

Reuzenpalmsalamander

Salamandridae

Echte salamanders

Cynops ensicauda

Zwaardstaartsalamander

Echinotriton andersoni

Andersons krokodilsalamander

Pachytriton labiatus

Lipsalamander

Paramesotriton spp.

Wrattensalamanders

Salamandra algira

Noord-Afrikaanse vuursalamander

Tylototriton spp.

Krokodilsalamanders

ACTINOPTERYGII

Straalvinnige vissen

PERCIFORMES

Baarsachtigen

Apogonidae

Pterapogon kauderni

Kardinaalbaars

ARTHROPODA (GELEEDPOTIGEN)

INSECTA

Insecten

LEPIDOPTERA

Vlinders en motten

Papilionidae

Pages en pauwogen

Baronia brevicornis

Mexicaanse of kortsprietbaronia

Papilio grosesmithi

Madagaskar-pauwoog

Papilio maraho

Breedstaartpauwoog

MOLLUSCA (WEEKDIEREN)

GASTROPODA

Buikpotigen of slakken

Haliotidae

Zeeoren

Haliotis midae

Midasoor

FLORA

AGAVACEAE

Agavefamilie

Calibanus hookeri

Mexicaanse rolsteenagave of sacamecate

Dasylirion longissimum

Berengras

ARACEAE

Aronskelkfamilie

Arisaema dracontium

Groenedraakaronskelk

Arisaema erubescens

Lichtrode aronskelk

Arisaema galeatum

Gehelmde aronskelk

Arisaema nepenthoides

Arisaema sikokianum

Japanse cobralelie

Arisaema thunbergii var. Urashima

Urashima-aronskelk

Arisaema tortuosum

Zweepkoordcobralelie

Biarum davisii ssp. Marmarisense

Davis’ marmeraronskelk

Biarum ditschianum

Arfakaronskelk

COMPOSITAE (ASTERACEAE)

Asterfamilie (composieten)

Arnica montana §3

Valkruid

Othonna cacalioides

Cacaliamadeliefje

Othonna clavifolia

Sleutelbladmadeliefje

Othonna hallii

Van Halls madeliefje

Othonna herrei

Herres madeliefje

Othonna lepidocaulis

Schubsteelmadeliefje

Othonna retrorsa

Treurmadeliefje

ERICACEAE

Heidefamilie

Arctostaphylos uva-ursi §3

Berendruif

GENTIANACEAE

Gentiaanfamilie

Gentiana lutea §3

Gele gentiaan

LEGUMINOSAE (FABACEAE)

Vlinderbloemigen

Dalbergia granadillo §4

Cocobolo

Dalbergia retusa (Met uitzondering van de populatie die is opgenomen in bijlage C) §4

Cocobolo

Dalbergia stevensonii (Met uitzondering van de populatie die is opgenomen in bijlage C) §4

Honduras-palissander

LILIACEAE

Leliefamilie

Trillium pusillum

Dwergdrieblad

Trillium rugelii

Stinkend drieblad

Trillium sessile

Aronskelkboslelie of paddenschaduw

LYCOPODIACEAE

Wolfsklauwfamilie

Lycopodium clavatum §3

Grote wolfsklauw

MELIACEAE

Mahoniefamilie

Cedrela fissilis (Met uitzondering van de populatie die is opgenomen in bijlage C) §4

Cedrela lilloi (C. angustifolia) (Met uitzondering van de populatie die is opgenomen in bijlage C) §4

Cedrela montana §4

Bergceder

Cedrela oaxacensis §4

Oaxaca-ceder

Cedrela odorata (Met uitzondering van de populaties die zijn opgenomen in bijlage C) §4

Spaanse ceder

Cedrela salvadorensis §4

El Salvador-ceder

Cedrela tonduzii §4

MENYANTHACEAE

Watergentiaanfamilie

Menyanthes trifoliata §3

Waterdrieblad

PARMELIACEAE

Parmeliakorstmossen

Cetraria islandica §3

IJslands mos

PASSIFLORACEAE

Passiebloemfamilie

Adenia glauca

Blauwgele woestijnroos

Adenia pechuelli

Olifantsvoet

PEDALIACEAE

Sesamfamilie

Harpagophytum spp. §3

Duivelsklauw

PORTULACACEAE

Posteleinfamilie

Ceraria carrissoana

Angolese postelein

Ceraria fruticulosa

Heesterpostelein

SELAGINELLACEAE

Selaginellafamilie

Selaginella lepidophylla

Roos van Jericho”

_____________

BIJLAGE II

Ingetrokken verordening met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad

(PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1)

Verordening (EG) nr. 938/97 van de Commissie

(PB L 140 van 30.5.1997, blz. 1)

Verordening (EG) nr. 2307/97 van de Commissie

(PB L 325 van 27.11.1997, blz. 1)

Verordening (EG) nr. 2214/98 van de Commissie

(PB L 279 van 16.10.1998, blz. 3)

Verordening (EG) nr. 1476/1999 van de Commissie

(PB L 171 van 7.7.1999, blz. 5)

Verordening (EG) nr. 2724/2000 van de Commissie

(PB L 320 van 18.12.2000, blz. 1)

Verordening (EG) nr. 1579/2001 van de Commissie

(PB L 209 van 2.8.2001, blz. 14)

Verordening (EG) nr. 2476/2001 van de Commissie

(PB L 334 van 18.12.2001, blz. 3)

Verordening (EG) nr. 1497/2003 van de Commissie

(PB L 215 van 27.8.2003, blz. 3)

Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1)

Uitsluitend artikel 3 en bijlage III, punt 66

Verordening (EG) nr. 834/2004 van de Commissie

(PB L 127 van 29.4.2004, blz. 40)

Verordening (EG) nr. 1332/2005 van de Commissie

(PB L 215 van 19.8.2005, blz. 1)

Verordening (EG) nr. 318/2008 van de Commissie

(PB L 95 van 8.4.2008, blz. 3)

Verordening (EG) nr. 407/2009 van de Commissie

(PB L 123 van 19.5.2009, blz. 3)

Verordening (EG) nr. 398/2009 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 126 van 21.5.2009, blz. 5)

Verordening (EU) nr. 709/2010 van de Commissie

(PB L 212 van 12.8.2010, blz. 1)

Verordening (EU) nr. 101/2012 van de Commissie

(PB L 39 van 11.2.2012, blz. 133)

_____________

BIJLAGE III

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 338/97

De onderhavige verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5, leden 1 tot en met 5

Artikel 5, leden 1 tot en met 5

Artikel 5, lid 6, aanhef

Artikel 5, lid 6, aanhef

Artikel 5, lid 6, onder i)

Artikel 5, lid 6, onder a)

Artikel 5, lid 6, onder ii)

Artikel 5, lid 6, onder b)

Artikel 5, lid 7, onder a)

Artikel 5, lid 7, eerste alinea

Artikel 5, lid 7, onder b)

Artikel 5, lid 7, tweede alinea

Artikel 6, leden 1, 2 en 3

Artikel 6, leden 1, 2 en 3

Artikel 6, lid 4, onder a)

Artikel 6, lid 4, eerste alinea

Artikel 6, lid 4, onder b)

Artikel 6, lid 4, tweede alinea

Artikel 7, lid 1, onder a)

Artikel 7, lid 1, eerste alinea

Artikel 7, lid 1, onder b), aanhef

Artikel 7, lid 1, tweede alinea

Artikel 7, lid 1, onder b), i)

Artikel 7, lid 1, derde alinea, onder b), i)

Artikel 7, lid 1, onder b), ii)

Artikel 7, lid 1, derde alinea, onder b), ii)

Artikel 7, lid 1, onder b), iii)

Artikel 7, lid 1, derde alinea, onder b), iii)

Artikel 7, lid 1, onder c)

Artikel 7, lid 1, derde alinea

Artikel 7, lid 2, onder a)

Artikel 7, lid 2, eerste alinea

Artikel 7, lid 2, onder b)

Artikel 7, lid 2, tweede alinea

Artikel 7, lid 2, onder c)

Artikel 7, lid 2, derde alinea

_______

Artikel 7, lid 2, vierde alinea

Artikel 7, lid 3

Artikel 7, lid 3, eerste alinea

_______

Artikel 7, lid 3, tweede alinea

Artikel 7, lid 4

Artikel 7, lid 4, eerste alinea

_______

Artikel 7, lid 4, tweede alinea

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 10

Artikel 11, lid 1

Artikel 11, lid 1

Artikel 11, lid 2, onder a)

Artikel 11, lid 2, eerste alinea

Artikel 11, lid 2, onder b)

Artikel 11, lid 2, tweede alinea

Artikel 11, leden 3, 4 en 5

Artikel 11, leden 3, 4 en 5

Artikel 12, leden 1, 2 en 3

Artikel 12, leden 1, 2 en 3

Artikel 12, lid 4

Artikel 12, lid 4, eerste alinea

_______

Artikel 12, lid 4, tweede alinea

Artikel 12, lid 5

Artikel 12, lid 5

Artikel 13, lid 1, onder a)

Artikel 13, lid 1, eerste alinea

Artikel 13, lid 1, onder b)

Artikel 13, lid 1, tweede alinea

Artikel 13, lid 2

Artikel 13, lid 2

Artikel 13, lid 3, onder a)

Artikel 13, lid 3, eerste alinea

Artikel 13, lid 3, onder b)

Artikel 13, lid 3, tweede alinea

Artikel 13, lid 3, onder c)

Artikel 13, lid 3, derde alinea

Artikel 14, lid 1, onder a)

Artikel 14, lid 1, eerste alinea

Artikel 14, lid 1, onder b)

Artikel 14, lid 1, tweede alinea

Artikel 14, lid 1, onder c)

Artikel 14, lid 1, derde alinea

Artikel 14, lid 2

Artikel 14, lid 2

Artikel 14, lid 3, onder a)

Artikel 14, lid 3, eerste alinea

Artikel 14, lid 3, onder b)

Artikel 14, lid 3, tweede alinea

Artikel 14, lid 3, onder c)

Artikel 14, lid 3, derde alinea

Artikel 15, leden 1, 2 en 3

Artikel 15, leden 1, 2 en 3

Artikel 15, lid 4, onder a)

Artikel 15, lid 4, eerste alinea

Artikel 15, lid 4, onder b)

Artikel 15, lid 4, tweede alinea

Artikel 15, lid 4, onder c)

Artikel 15, lid 4, derde alinea

Artikel 15, lid 4, onder d)

Artikel 15, lid 4, vierde alinea

Artikel 15, leden 5 en 6

Artikel 15, leden 5 en 6

Artikel 16

Artikel 16

Artikel 17, lid 1

Artikel 17, lid 1

Artikel 17, lid 2, onder a)

Artikel 17, lid 2

Artikel 17, lid 2, onder b)

Artikel 17, lid 3

Artikel 18

Artikel 21

Artikel 19, lid 1, eerste alinea

_______

Artikel 19, lid 1, tweede alinea

_______

Artikel 19, lid 2

_______

Artikel 19, lid 3

Artikel 18, lid 1

Artikel 19, lid 4

Artikel 18, lid 2

Artikel 19, lid 5

Artikel 18, lid 3

_______

Artikel 19, lid 2

_______

Artikel 20

Artikel 20

Artikel 22

Artikel 21

_______

_______

Artikel 23

Artikel 22

Artikel 24

Bijlage

Bijlage I

_______

Bijlage II

_______

Bijlage III

_____________

(1) PB C 11 van 15.1.2013, blz. 85.
(2) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.
(3)PB C 11 van 15.1.2013, blz. 85.
(4)Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2014.
(5)PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1.
(6)Zie bijlage II.
(7)Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1).
(8)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(9)Verordening (EEG) nr. 3626/82 van de Raad van 3 december 1982 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten (PB L 384 van 31.12.1982, blz. 1).
(10)Richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 358 van 18.12.1986, blz. 1).
(11)Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.)
(12)Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(13)Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(14)Populatie in Argentinië (opgenomen in bijlage B):Uitsluitend met het oog op het toestaan van internationale handel in wol geschoren van levende vicuña's van de in bijlage B opgenomen populaties, in daarvan vervaardigde weefsels, afgeleide fabricaten en andere handgemaakte artefacten. De achterkant van het weefsel moet zijn voorzien van het logo dat is aangenomen door de staten waar de soort voorkomt en die partij zijn bij de Convenio para la Conservación y Manejo de la Vicuña, en de zelfkant van het opschrift „VICUÑA-ARGENTINA”. Andere producten moeten voorzien zijn van een etiket met het logo en de vermelding „VICUÑA-ARGENTINA-ARTESANÍA”. Alle andere specimens dienen als specimens van een soort van bijlage A te worden beschouwd en de handel daarin dient in overeenstemming daarmee te worden gereguleerd.
(15)Populatie in Bolivia (opgenomen in bijlage B): Uitsluitend met het oog op het toestaan van internationale handel in wol geschoren van levende vicuña's alsmede in daarvan vervaardigde weefsels en artikelen, met inbegrip van luxehandwerk en gebreide artikelen. De achterkant van het weefsel moet zijn voorzien van het logo dat is aangenomen door de staten waar de soort voorkomt en die partij zijn bij de Convenio para la Conservación y Manejo de la Vicuña, en de zelfkant van het opschrift „VICUÑA-BOLIVIA”. Andere producten moeten voorzien zijn van een etiket met het logo en de vermelding „VICUÑA-BOLIVIA-ARTESANÍA”. Alle andere specimens dienen als specimens van een soort van bijlage A te worden beschouwd en de handel daarin dient in overeenstemming daarmee te worden gereguleerd.
(16)Populatie in Chili (opgenomen in bijlage B): Uitsluitend met het oog op het toestaan van internationale handel in wol geschoren van levende vicuña's van de in bijlage B opgenomen populaties, alsmede in daarvan vervaardigde weefsels en artikelen, met inbegrip van luxehandwerk en gebreide artikelen. De achterkant van het weefsel moet zijn voorzien van het logo dat is aangenomen door de staten waar de soort voorkomt en die partij zijn bij de Convenio para la Conservación y Manejo de la Vicuña, en de zelfkant van het opschrift „VICUÑA-CHILE”. Andere producten moeten voorzien zijn van een etiket met het logo en de vermelding „VICUÑA-CHILE-ARTESANÍA”. Alle andere specimens dienen als specimens van een soort van bijlage A te worden beschouwd en de handel daarin dient in overeenstemming daarmee te worden gereguleerd.
(17)Populatie in Peru (opgenomen in bijlage B): Uitsluitend met het oog op het toestaan van internationale handel in wol geschoren van levende vicuña's en in de voorraad van 3249 kg wol die bestond ten tijde van de negende vergadering van de Conferentie der Partijen (november 1994) alsmede in daarvan vervaardigde weefsels en artikelen, met inbegrip van luxehandwerk en gebreide artikelen. De achterkant van het weefsel moet zijn voorzien van het logo dat is aangenomen door de staten waar de soort voorkomt en die partij zijn bij de Convenio para la Conservación y Manejo de la Vicuña, en de zelfkant van het opschrift „VICUÑA-PERU”. Andere producten moeten voorzien zijn van een etiket met het logo en de vermelding „VICUÑA-PERU-ARTESANÍA”. Alle andere specimens dienen als specimens van een soort van bijlage A te worden beschouwd en de handel daarin dient in overeenstemming daarmee te worden gereguleerd.
(18)Alle soorten zijn opgenomen in bijlage II, met uitzondering van Balaena mysticetus, Eubalaena spp., Balaenoptera acutorostrata (met uitzondering van de West-Groenlandse populatie), Balaenoptera bonaerensis, Balaenoptera borealis, Balaenoptera edeni, Balaenoptera musculus, Balaenoptera omurai, Balaenoptera physalus, Megaptera novaeangliae, Orcaella brevirostris, Orcaella heinsohni, Sotalia spp., Sousa spp., Eschrichtius robustus, Lipotes vexillifer, Caperea marginata, Neophocaena phocaenoides, Phocoena sinus, Physeter macrocephalus, Platanista spp., Berardius spp. en Hyperoodon spp., die zijn opgenomen in bijlage I. Specimens van de in bijlage II bij de overeenkomst vermelde soorten die door Groenlanders krachtens een door de betrokken bevoegde autoriteit verleende vergunning werden gevangen, met inbegrip van de producten en derivaten daarvan maar met uitzondering van de voor commerciële doeleinden bestemde vleesproducten, worden behandeld als vallend onder bijlage B. Er wordt een jaarlijks exportquotum van nul vastgesteld voor levende specimens van Tursiops truncatus afkomstig van de populatie van de Zwarte Zee die aan de natuur werden onttrokken en voor overwegend commerciële doeleinden in de handel worden gebracht.
(19)Populaties in Botswana, Namibië, Zuid-Afrika en Zimbabwe (opgenomen in bijlage B):Uitsluitend met het oog op het toestaan van: a) niet-commercieel verkeer van jachttrofeeën; b) verkeer van levende dieren met een passende en aanvaardbare bestemming als omschreven in Res. Conf. 11.20 voor Botswana en Zimbabwe en ten behoeve van instandhoudingsprogramma’s in situ voor Namibië en Zuid-Afrika; c) handel in huiden; d) handel in haar; e) handel in lederwaren: commercieel en niet‑commercieel verkeer in het geval van Botswana, Namibië en Zuid-Afrika en niet-commercieel verkeer in het geval van Zimbabwe; f) niet-commercieel verkeer van individueel gemerkte en gecertificeerde, in afgewerkte sieraden verwerkte ekipa’s voor Namibië en niet-commercieel verkeer van ivoorsnijwerk voor Zimbabwe; g) handel in geregistreerd onbewerkt ivoor (voor Botswana, Namibië, Zuid-Afrika en Zimbabwe: complete slagtanden en stukken), voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan: i) uitsluitend geregistreerde voorraden die eigendom zijn van de overheid en afkomstig zijn uit het betrokken land (met uitsluiting van in beslag genomen ivoor en ivoor van onbekende herkomst); ii) uitsluitend naar handelspartners waarvan door het Secretariaat in overleg met het Permanent Comité is vastgesteld dat zij over adequate nationale wetgeving en adequate interne mechanismen voor controle op de handel beschikken om te garanderen dat het ingevoerde ivoor niet wordt wederuitgevoerd en wordt beheerd conform alle eisen van Res. Conf. 10.10 (als herzien door CdP14) inzake de binnenlandse verwerking en handel; iii) niet alvorens het Secretariaat de toekomstige invoerende landen en de geregistreerde voorraden in overheidsbezit heeft gecontroleerd; iv) onbewerkt ivoor in het kader van de voorwaardelijke verkoop van geregistreerde ivoorvoorraden die eigendom zijn van de overheid, zoals overeengekomen op CdP12, ten belope van 20000 kg (Botswana), 10000 kg (Namibië) resp. 30000 kg (Zuid-Afrika); v) bovenop de op CdP12 overeengekomen hoeveelheden mag ivoor in overheidsbezit van Botswana, Zimbabwe, Namibië en Zuid-Afrika, voor zover het vóór 31 januari 2007 werd geregistreerd en door het Secretariaat is gecontroleerd, samen met het onder g), iv), bedoeld ivoor worden verhandeld en verzonden in het kader van één enkele transactie per bestemming onder streng toezicht van het Secretariaat; vi) de opbrengst van de verkoop wordt uitsluitend gebruikt voor programma’s ter instandhouding van de olifant en voor het behoud en de ontwikkeling van gemeenschappen in of grenzend aan het verspreidingsgebied van de olifant; en vii) de onder g), v), bedoelde extra hoeveelheden worden alleen verhandeld nadat het Permanent Comité heeft bevestigd dat aan bovenvermelde voorwaarden is voldaan; h) er worden aan de Conferentie der Partijen geen verdere voorstellen tot toelating van handel in olifantenivoor afkomstig van reeds in bijlage B opgenomen populaties voorgelegd voor de periode die aanvangt met CdP14 en eindigt negen jaar na het tijdstip van de ene verkoop van ivoor die plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde onder g), i), g), ii), g), iii), g), vi) en g), vii). Dergelijke verdere voorstellen worden voorts behandeld overeenkomstig de Besluiten 14.77 en 14.78. Op voorstel van het Secretariaat kan het Permanent Comité besluiten dit handelsverkeer geheel of gedeeltelijk stop te zetten indien de uitvoerende of invoerende landen de regels niet naleven of indien wordt aangetoond dat dit verkeer schadelijke gevolgen heeft voor andere olifantenpopulaties. Alle andere specimens dienen als specimens van een soort van bijlage A te worden beschouwd en de handel daarin dient in overeenstemming daarmee te worden gereguleerd.
(20)De opneming van Lamna nasus in bijlage C wordt van kracht zodra de opneming van deze soort in bijlage III bij de overeenkomst van kracht wordt, d.w.z. 90 dagen nadat het Cites-secretariaat aan alle partijen heeft meegedeeld dat de soort in bijlage III bij de overeenkomst is opgenomen.
(21)De bepalingen van deze verordening zijn niet van toepassing op: fossielen; koraalzand, dat wil zeggen materiaal dat volledig of gedeeltelijk bestaat uit fijngemalen stukken dood koraal met een doorsnede van maximaal 2 mm, dat onder andere ook de resten van Foraminifera, schelpen van weekdieren, pantsers van schaaldieren en verkalkte wieren kan bevatten; koraalfragmenten (met inbegrip van grind en puin), dat wil zeggen losse stukken gebroken vingervormig dood koraal en ander materiaal van 2 tot 30 mm, in welke richting dan ook gemeten.
(22)De bepalingen van deze verordening zijn niet van toepassing op: fossielen; koraalzand, dat wil zeggen materiaal dat volledig of gedeeltelijk bestaat uit fijngemalen stukken dood koraal met een doorsnede van maximaal 2 mm, dat onder andere ook de resten van Foraminifera, schelpen van weekdieren, pantsers van schaaldieren en verkalkte wieren kan bevatten; koraalfragmenten (met inbegrip van grind en puin), dat wil zeggen losse stukken gebroken vingervormig dood koraal en ander materiaal van 2 tot 30 mm, in welke richting dan ook gemeten.
(23)De bepalingen van deze verordening zijn niet van toepassing op: fossielen; koraalzand, dat wil zeggen materiaal dat volledig of gedeeltelijk bestaat uit fijngemalen stukken dood koraal met een doorsnede van maximaal 2 mm, dat onder andere ook de resten van Foraminifera, schelpen van weekdieren, pantsers van schaaldieren en verkalkte wieren kan bevatten; koraalfragmenten (met inbegrip van grind en puin), dat wil zeggen losse stukken gebroken vingervormig dood koraal en ander materiaal van 2 tot 30 mm, in welke richting dan ook gemeten.
(24)De bepalingen van deze verordening zijn niet van toepassing op: fossielen; koraalzand, dat wil zeggen materiaal dat volledig of gedeeltelijk bestaat uit fijngemalen stukken dood koraal met een doorsnede van maximaal 2 mm, dat onder andere ook de resten van Foraminifera, schelpen van weekdieren, pantsers van schaaldieren en verkalkte wieren kan bevatten; koraalfragmenten (met inbegrip van grind en puin), dat wil zeggen losse stukken gebroken vingervormig dood koraal en ander materiaal van 2 tot 30 mm, in welke richting dan ook gemeten.
(25)De bepalingen van deze verordening zijn niet van toepassing op: fossielen; koraalzand, dat wil zeggen materiaal dat volledig of gedeeltelijk bestaat uit fijngemalen stukken dood koraal met een doorsnede van maximaal 2 mm, dat onder andere ook de resten van Foraminifera, schelpen van weekdieren, pantsers van schaaldieren en verkalkte wieren kan bevatten; koraalfragmenten (met inbegrip van grind en puin), dat wil zeggen losse stukken gebroken vingervormig dood koraal en ander materiaal van 2 tot 30 mm, in welke richting dan ook gemeten.
(26)Het verhandelen van specimens met oorsprongscode A is alleen toegestaan als de verhandelde specimens laagtebladeren (catafyllen) hebben.
(27)Op kunstmatig gekweekte specimens van de volgende hybriden en/of cultivars zijn de bepalingen van de verordening niet van toepassing: Hatiora x graeseri Schlumbergera x buckleyi Schlumbergera russelliana x Schlumbergera truncata Schlumbergera orssichiana x Schlumbergera truncata Schlumbergera opuntioides x Schlumbergera truncata Schlumbergera truncata (cultivars) Cactaceae spp.: de kleurmutanten die zijn geënt op de volgende onderstammen: Harrisia „Jusbertii”, Hylocereus trigonus of Hylocereus undatus Opuntia microdasys (cultivars).
(28)a)b)Op kunstmatig gekweekte specimens van hybriden van de genera Cymbidium, Dendrobium, Phalaenopsis en Vanda zijn de bepalingen van deze verordening niet van toepassing indien zij gemakkelijk als kunstmatig gekweekte specimens kunnen worden herkend en geen tekenen vertonen dat zij aan de wilde natuur zijn onttrokken, zoals mechanische schade of sterke uitdroging als gevolg van het verzamelen, onregelmatige groei en heterogeniteit qua grootte en vorm binnen hetzelfde taxon en dezelfde partij, aan de bladeren klevende algen of andere epifyllen of door insecten of andere organismen veroorzaakte schade; voorts moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:indien zij in niet-bloeiende toestand worden verzonden, dienen de specimens te worden verhandeld in zendingen die bestaan uit individuele recipiënten (bijvoorbeeld pakken, dozen, kratten of afzonderlijke laadborden met CC-containers) met telkens 20 of meer exemplaren van dezelfde hybride vorm; de planten in elke recipiënt dienen een hoge mate van uniformiteit te vertonen en in goede gezondheid te verkeren; en de zendingen dienen vergezeld te gaan van documentatie, zoals een factuur, waarin het aantal planten van elke hybride vorm duidelijk is aangegeven; ofindien zij in bloeiende toestand worden verzonden, met ten minste één volledig geopende bloem per specimen, is geen minimumaantal specimens per zending vereist maar dienen de specimens op professionele wijze te zijn klaargemaakt voor de detailverkoop, bijvoorbeeld door het aanbrengen van gedrukte etiketten of het gebruik van bedrukte verpakkingen waarop de naam van de hybride en die van het land van laatste verwerking zijn vermeld. Deze informatie dient duidelijk zichtbaar te zijn en een vlotte controle mogelijk te maken. Planten die niet duidelijk voor deze vrijstelling in aanmerking komen, moeten vergezeld gaan van de passende Cites-documenten.
(29)Op kunstmatig gekweekte specimens van cultivars van Cyclamen persicum zijn de bepalingen van deze verordening niet van toepassing. Deze vrijstelling geldt evenwel niet voor als slapende knollen verhandelde specimens.
(30)Op levende, kunstmatig gekweekte hybriden en cultivars van Taxus cuspidata in potten of andere kleine recipiënten, deel uitmakend van een zending die vergezeld gaat van een etiket of document waarop de naam van het taxon of de taxa en de tekst „artificially propagated/kunstmatig gekweekt” zijn vermeld, zijn de bepalingen van deze verordening niet van toepassing.


Vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij EU-Seychellen ***
PDF 202kWORD 46k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en de Republiek der Seychellen (16651/2013 – C7-0020/2014 – 2013/0375(NLE))
P7_TA(2014)0398A7-0201/2014

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (16651/2013),

–  gezien het ontwerpprotocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en de Republiek der Seychellen (16648/2013),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0020/2014),

–  gezien het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de toewijzing van vangstmogelijkheden in het kader van het protocol bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek der Seychellen (COM(2013)0765),

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de ondertekening namens de Europese Unie en de voorlopige toepassing van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestaties waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek der Seychellen (COM(2013)0766),

–  gezien artikel 81, lid 1, eerste en derde alinea, artikel 81, lid 2, en artikel 90, lid 7, van zijn reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en het advies van de Begrotingscommissie (A7-0201/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt de Commissie het Parlement relevante informatie te verstrekken over de gezamenlijke wetenschappelijke bijeenkomsten, zoals bedoeld in artikel 4 van de partnerschapsovereenkomst, en over de vergaderingen van de gemengde commissie, zoals bedoeld in artikel 9 van de partnerschapsovereenkomst, en met name de notulen en conclusies daarvan, evenals een jaarverslag over de doeltreffende uitvoering van het meerjarige sectorale steunprogramma zoals bedoeld in artikel 3 van het protocol;

3.  dringt erop aan dat vertegenwoordigers van de Commissie visserij van het Parlement kunnen deelnemen aan bovengenoemde bijeenkomsten van de in artikel 9 van de partnerschapsovereenkomst voor de visserij bedoelde gemengde commissie;

4.  verzoekt de Commissie het Parlement en de Raad in het laatste jaar dat dit protocol van toepassing is en voordat de onderhandelingen over de verlenging ervan van start gaan, te voorzien van een verslag van de evaluatie achteraf, met inbegrip van een analyse van de benutting van de vangstmogelijkheden en een kosten-batenanalyse van het protocol, evenals een verslag over eventuele belemmeringen voor de visserijactiviteiten en de door de vloot van de Unie in de exclusieve economische zone van de Seychellen geleden schade als gevolg van de piraterijactiviteiten in dit gebied van de Indische Oceaan;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek der Seychellen.


Vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij EU-Comoren ***
PDF 196kWORD 45k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het tussen de Europese Unie en de Unie der Comoren overeengekomen protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de thans geldende partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen beide partijen (16130/2013 – C7-0011/2014 – 2013/0388(NLE))
P7_TA(2014)0399A7-0177/2014

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (16130/2013),

–  gezien het tussen de Europese Unie en de Unie der Comoren overeengekomen ontwerpprotocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de thans geldende partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen beide partijen (16127/2013),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7‑0011/2014),

–  gezien artikel 81, lid 1, eerste en derde alinea, artikel 81, lid 2, en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en het advies van de Begrotingscommissie (A7-0177/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt de Commissie het Parlement de notulen en de conclusies van de vergaderingen van de gemengde commissie die belast is met het toezicht op de uitvoering, interpretatie en toepassing van de overeenkomst, als bedoeld in artikel 9 van de overeenkomst, alsook de beoordeling van de resultaten van de uitvoering van het meerjarige sectorale programma als bedoeld in artikel 3 van het protocol te doen toekomen; verzoekt de Commissie om de deelneming van vertegenwoordigers van het Parlement als waarnemer op de bijeenkomsten van de gemengde commissie te vergemakkelijken; verzoekt de Commissie om in het laatste jaar van de looptijd van het protocol en voordat er onderhandelingen over de verlenging ervan worden geopend, het Parlement en de Raad een volledig verslag over de uitvoering ervan voor te leggen, zonder onnodige beperkingen op de toegang tot dit document;

3.  verzoekt de Raad en de Commissie om het Parlement binnen de grenzen van hun bevoegdheden onmiddellijk en volledig te informeren over alle fasen van de procedures betreffende het protocol en de verlenging ervan, overeenkomstig artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 218, lid 10, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Unie der Comoren.


Vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij EU-Madagaskar *
PDF 194kWORD 40k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van het tussen de Europese Unie en de Republiek Madagaskar overeengekomen protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst in de visserijsector tussen beide partijen (14164/1/2012 – C7-0408/2012 – 2012/0238(NLE))
P7_TA(2014)0400A7-0178/2014

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (14164/1/2012),

–  gezien het ontwerpprotocol tussen de Europese Unie en de Republiek Madagaskar tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen beide partijen (14159/2012),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0408/2012),

–  gezien artikel 81, lid 1, eerste en derde alinea, artikel 81, lid 2, en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A7-0178/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Madagaskar.


Kaderovereenkomst EU-Korea wat overnameaangelegenheden betreft ***
PDF 192kWORD 38k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, wat overnameaangelegenheden betreft (05290/2014 – C7-0046/2014 – 2013/0267A(NLE))
P7_TA(2014)0401A7-0267/2014

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05290/2014),

–  gezien de Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea (06151/2010),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 79, lid 3, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7‑0046/2014),

–  gezien artikel 81, lid 1, eerste en derde alinea, artikel 81, lid 2, en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0267/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Korea.


Kaderovereenkomst EU-Korea met uitzondering van de aangelegenheden die verband houden met overname ***
PDF 193kWORD 40k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, met uitzondering van aangelegenheden die verband houden met overname (05287/2014 – C7-0044/2014 – 2013/0267B(NLE))
P7_TA(2014)0402A7-0265/2014

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05287/2014),

–  gezien de kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, met uitzondering van aangelegenheden die verband houden met overname (06151/2010),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 91, artikel 100, artikel 191, lid 4, artikel 207, artikel 212 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7‑0044/2014),

–  gezien artikel 81, lid 1, eerste en derde alinea, artikel 81, lid 2, en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie internationale handel (A7-0265/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Korea.


Stabilisatie- en associatieovereenkomst EG-Montenegro (Protocol om rekening te houden met de toetreding van Kroatië) ***
PDF 194kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van het protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Montenegro, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (14187/2013 – C7-0007/2014 – 2013/0262(NLE))
P7_TA(2014)0403A7-0192/2014

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (14187/2013),

–  gezien het protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Montenegro, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (14190/2013),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 217 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) i), en lid 8, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7‑0007/2014),

–  gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0192/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Montenegro.


Kaderovereenkomst EU-Georgië over de algemene beginselen voor de deelname van Georgië aan programma’s van de Unie ***
PDF 195kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds, inzake een kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en Georgië over de algemene beginselen voor de deelname van Georgië aan programma’s van de Unie (16612/2013 – C7-0486/2013 – 2013/0257(NLE))
P7_TA(2014)0404A7-0191/2014

(Instemming)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (16612/2013),

–  gezien het Protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds, inzake een kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en Georgië over de algemene beginselen voor de deelname van Georgië aan programma’s van de Unie (16613/2013),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de artikelen 212 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7‑0486/2013),

–  gezien artikel 81, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0191/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het Protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Georgië.


Machtiging van Portugal tot een verlaging van de accijns in de autonome regio's Madeira en de Azoren op bepaalde alcoholische dranken *
PDF 190kWORD 40k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad waarbij Portugal wordt gemachtigd tot een verlaging van de accijns in de autonome regio Madeira op lokaal geproduceerde en verbruikte rum en likeuren en in de autonome regio de Azoren op lokaal geproduceerde en verbruikte likeuren en eaux de vie (COM(2014)0117 – C7-0104/2014 – 2014/0064(CNS))
P7_TA(2014)0405A7-0262/2014

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2014)0117),

–  gezien artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7‑0104/2014),

–  gezien artikel 55 en artikel 46, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0262/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


AIEM-belastingregeling die van toepassing is op de Canarische eilanden *
PDF 190kWORD 38k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de AIEM-belastingregeling die van toepassing is op de Canarische eilanden (COM(2014)0171 – C7-0106/2014 – 2014/0093(CNS))
P7_TA(2014)0406A7-0263/2014

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2014)0171),

–  gezien artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7‑0106/2014),

–  gezien artikel 55 en artikel 46, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0263/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


Wijziging van de toepassingsduur van Beschikking 2004/162/EG betreffende de octroi de mer -regeling in de Franse overzeese departementen *
PDF 193kWORD 40k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot wijziging van Beschikking 2004/162/EG betreffende de "octroi de mer"-regeling in de Franse overzeese departementen wat betreft de toepassingsduur ervan (COM(2014)0181 – C7-0129/2014 – 2014/0101(CNS))
P7_TA(2014)0407A7-0264/2014

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2014)0181),

–  gezien artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7‑0129/2014),

–  gezien artikel 55 en artikel 46, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0264/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


Wijziging van het Reglement van het Parlement betreffende parlementaire vragen
PDF 339kWORD 101k
Besluit van het Europees Parlement van 16 april 2014 tot wijziging van het Reglement van het Parlement betreffende parlementaire vragen (2013/2083(REG))
P7_TA(2014)0408A7-0123/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de brief van zijn Voorzitter d.d. 13 februari 2013,

–  gezien de artikelen 211 en 212 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A7-0123/2014),

1.  besluit onderstaande wijzigingen in zijn Reglement op te nemen;

2.  besluit dat de wijzigingen op de eerste dag van de eerste vergaderperiode van de achtste zittingsperiode in werking treden;

3.  besluit dat het bij de wijzigingen ingevoerde lotingssysteem ter bepaling van de leden die een vraag mogen stellen na een proefperiode van een jaar vanaf het begin van de achtste zittingsperiode zal worden geëvalueerd;

4.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Bestaande tekst   Amendement
Amendement 1
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 116
1.  Tijdens elke vergaderperiode wordt een vragenuur met de Commissie gehouden, en wel op door het Parlement op voorstel van de Commissie van voorzitters vastgestelde tijdstippen.
1.  Tijdens elke vergaderperiode wordt gedurende 90 minuten een vragenuur met de Commissie gehouden over een of meer specifieke horizontale thema's die een maand van tevoren door de Conferentie van voorzitters worden vastgesteld.
2.  Per vergaderperiode mag een lid de Commissie slechts één vraag stellen.
2.  De commissarissen die door de Conferentie van voorzitters worden uitgenodigd, beheren een portefeuille die verband houdt met het specifieke horizontale thema of de specifieke horizontale thema's waarover vragen kunnen worden gesteld. Het aantal commissarissen wordt beperkt tot twee per vergaderperiode, met de mogelijkheid om afhankelijk van het specifieke horizontale thema of de specifieke horizontale thema's van het vragenuur een derde commissaris uit te nodigen.
3.  De vragen worden schriftelijk ingediend bij de Voorzitter, die beslist over de ontvankelijkheid en de volgorde van behandeling. Deze beslissing wordt onverwijld aan de vraagstellers medegedeeld.
4.  Het vragenuur is nader geregeld bij in bijlage bij dit Reglement neergelegde richtsnoeren17.
3.  Het vragenuur verloopt volgens een lotingssysteem waarvan de bijzonderheden in een bijlage17 bij dit Reglement omschreven zijn.
5.   Overeenkomstig de door de Conferentie van voorzitters vastgestelde richtsnoeren kunnen specifieke vragenuren met de Raad, de voorzitter van de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de voorzitter van de Eurogroep worden gehouden.
4.   Overeenkomstig de door de Conferentie van voorzitters vastgestelde richtsnoeren kunnen specifieke vragenuren met de Raad, de voorzitter van de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de voorzitter van de Eurogroep worden gehouden.
_______________
_______________
17 Zie bijlage II.
17 Zie bijlage II
Amendement 2
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 117 – lid 1
1.  Elk lid kan overeenkomstig de in een bijlage bij dit Reglement neergelegde richtsnoeren18 de Europese Raad, de Raad, de Commissie of de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid vragen stellen met verzoek om schriftelijk antwoord. Voor de inhoud van de vragen zijn uitsluitend de vraagstellers verantwoordelijk.
1.  Elk lid kan overeenkomstig de in een bijlage bij dit Reglement neergelegde criteria18 de voorzitter van de Europese Raad, de Raad, de Commissie of de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid vragen stellen met verzoek om schriftelijk antwoord. Voor de inhoud van de vragen zijn uitsluitend de vraagstellers verantwoordelijk.
__________
_________
18 Zie bijlage III.
18 Zie bijlage III.
Amendement 3
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 117 – lid 2
2.  De vragen worden schriftelijk ingediend bij de Voorzitter, die ze aan de adressaten doet toekomen. Bij twijfel beslist de Voorzitter over de ontvankelijkheid van een vraag. De vraagsteller wordt van deze beslissing in kennis gesteld.
2.  De vragen worden ingediend bij de Voorzitter. Bij twijfel beslist de Voorzitter over de ontvankelijkheid van een vraag. De beslissing van de Voorzitter wordt niet alleen op grond van de bepalingen van de in lid 1 bedoelde bijlage, maar op grond van de bepalingen van het Reglement in het algemeen genomen. De vraagsteller wordt van de beslissing van de Voorzitter in kennis gesteld.
Amendement 4
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 117 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De vragen worden in elektronische vorm ingediend. Elk lid mag ten hoogste vijf vragen per maand stellen.
Bij uitzondering mogen aanvullende vragen worden gesteld, die in papieren vorm en door het betrokken lid persoonlijk ondertekend bij de desbetreffende dienst worden ingediend.
Na het verstrijken van het eerste jaar van de achtste zittingsperiode voert de Conferentie van voorzitters een evaluatie uit van de regeling voor de aanvullende vragen.
Amendement 7
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 117 – lid 4 – alinea 3
De leden geven aan om welke soort vraag het gaat. De Voorzitter beslist ter zake.
Schrappen
Amendement 8
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 117 – lid 5
5.  De vragen worden met de antwoorden in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd.
5.  De vragen worden met de antwoorden op de website van het Parlement gepubliceerd.
Amendement 9
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 118 – lid 1
1.  Elk lid kan in overeenstemming met de in een bijlage bij dit Reglement neergelegde richtsnoeren19 de Europese Centrale Bank vragen stellen met verzoek om schriftelijk antwoord.
1.  Elk lid kan in overeenstemming met de in een bijlage bij dit Reglement neergelegde criteria19 per maand ten hoogste zes vragen met verzoek om schriftelijk antwoord aan de Europese Centrale Bank stellen. Voor de inhoud van de vragen zijn uitsluitend de vraagstellers verantwoordelijk.
_________
_________
19 Zie bijlage III.
19 Zie bijlage III.
Amendement 10
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 118 – lid 2
2.  De vragen worden schriftelijk ingediend bij de voorzitter van de bevoegde commissie, die deze doet toekomen aan de Europese Centrale Bank.
2.  De vragen worden schriftelijk ingediend bij de voorzitter van de bevoegde commissie, die de Europese Centrale Bank ervan in kennis stelt. Bij twijfel beslist de voorzitter over de ontvankelijkheid van een vraag. De vraagsteller wordt van de beslissing van de voorzitter in kennis gesteld.
Amendement 11
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 118 – lid 3
3.  De vragen worden met de antwoorden in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd.
3.  De vragen worden met de antwoorden op de website van het Parlement gepubliceerd.
Amendement 12
Reglement van het Europees Parlement
Bijlage II
Regeling van het vragenuur overeenkomstig artikel 116
Regeling van het vragenuur met de Commissie
A.  Richtsnoeren
1.  De leden die een vraag aan een van de commissarissen mogen stellen worden via het volgende lotingssysteem gekozen:
1.  Ontvankelijk zijn alleen vragen die:
–  een uur voor het begin van het vragenuur wordt er bij de ingang van de vergaderzaal een stembus geplaatst;
–  beknopt zijn en zo geformuleerd zijn dat een kort antwoord mogelijk is;
–  leden die een vraag willen stellen doen een formulier met hun naam erop in de stembus;
–  onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de adressaat vallen en van algemeen belang zijn;
–  leden die een vraag willen stellen mogen ieder slechts één formulier in de stembus doen;
–  in geval van specifieke vragen aan de Raad, betrekking hebben op met name de uitoefening van zijn taken op het vlak van de vaststelling, coördinatie of tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie, of op zijn bevoegdheden in het kader van benoemingsprocedures of ten aanzien van de werking van de instellingen, organen en instanties van de Unie of een Verdragsherziening;
–  de Voorzitter opent het vragenuur en sluit de stembus;
–  geen uitgebreide voorafgaande studies of onderzoekingen door de ondervraagde instelling vereisen;
–  de Voorzitter trekt telkens één formulier en roept de naam af van het desbetreffende lid, dat een vraag aan de ter zake bevoegde commissaris mag stellen.
–  duidelijk geformuleerd zijn en betrekking hebben op een concreet punt;
2.  Het lid krijgt een minuut de tijd om de vraag te formuleren en de commissaris krijgt twee minuten om deze te beantwoorden. Het lid mag een aanvullende vraag van 30 seconden stellen die rechtstreeks verband houdt met de hoofdvraag. De commissaris krijgt vervolgens twee minuten de tijd voor een aanvullend antwoord.
–  geen beweringen of waardeoordelen bevatten;
3.  De vragen en aanvullende vragen dienen rechtstreeks verband te houden met het gekozen specifieke horizontale thema. De ontvankelijkheid is ter beoordeling van de Voorzitter.
–  geen louter persoonlijke aangelegenheden betreffen;
–  niet ten doel hebben documenten of statistische gegevens te verkrijgen;
–  in de vragende vorm gesteld zijn.
2.  Een vraag is niet ontvankelijk wanneer zij betrekking heeft op een onderwerp dat reeds op de agenda staat voor behandeling met de betrokken instelling, of betrekking heeft op de uitoefening van de wetgevingstaak en begrotingstaak van de Raad zoals bedoeld in artikel 16, lid 1, eerste zin, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
3.  Een vraag is niet ontvankelijk, wanneer in de periode van drie maanden, voorafgaande aan het tijdstip waarop de vraag gesteld wordt, dezelfde of een soortgelijke vraag is gesteld en beantwoord, of indien de vraag louter is bedoeld om nadere informatie te verkrijgen ten aanzien van het vervolg dat aan een specifieke resolutie van het Parlement is gegeven, terwijl die informatie reeds door de Commissie is verstrekt in een schriftelijke vervolgmededeling, tenzij er zich nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan of indien de steller van de vraag nadere informatie wenst te krijgen. In het eerste geval ontvangt de vraagsteller een kopie van de vraag en het antwoord erop.
Aanvullende vragen
4.  Leden mogen in aansluiting op het antwoord op hun vraag een aanvullende vraag en in totaal twee aanvullende vragen stellen.
5.  Voor aanvullende vragen gelden de in deze richtsnoeren vastgestelde criteria voor ontvankelijkheid.
6.  De Voorzitter beslist over de ontvankelijkheid van aanvullende vragen en beperkt het aantal ervan op een zodanige wijze dat elke gestelde vraag kan worden beantwoord.
De Voorzitter is niet verplicht aanvullende vragen toe te staan, ook al voldoen deze aan voornoemde criteria voor ontvankelijkheid:
a)  wanneer het normale verloop van het vragenuur hierdoor in gevaar komt, of
b)  wanneer de hoofdvraag waarop de aanvullende vraag betrekking heeft, reeds voldoende door andere aanvullende vragen is toegelicht, of
c)  wanneer de aanvullende vraag geen rechtstreeks verband houdt met de hoofdvraag.
Antwoorden op vragen
7.  De betrokken instelling draagt er zorg voor dat de antwoorden beknopt zijn en betrekking hebben op het onderwerp van de vraag.
8.  Mocht de inhoud van de vragen zulks toelaten, dan kan de Voorzitter, in overleg met de vraagstellers, besluiten tot gezamenlijke beantwoording ervan door de betrokken instelling.
9.  Vragen worden uitsluitend in aanwezigheid van de vraagsteller beantwoord, tenzij deze vóór het begin van het vragenuur zijn plaatsvervanger schriftelijk aan de Voorzitter heeft bekendgemaakt.
10.  Is noch de steller van de vraag, noch zijn plaatsvervanger aanwezig, dan komt de vraag te vervallen.
11.  Heeft een lid een vraag gesteld, maar is noch het lid zelf noch zijn plaatsvervanger tijdens het vragenuur aanwezig, dan maakt de Voorzitter het lid schriftelijk attent op zijn plicht om aanwezig te zijn of zich te laten vervangen. Moet de Voorzitter in een periode van twaalf maanden een lid drie maal schriftelijk hierop attenderen, dan verliest het lid in kwestie voor een periode van zes maanden zijn recht om vragen te stellen.
12.  Vragen die wegens tijdgebrek niet kunnen worden beantwoord, worden beantwoord overeenkomstig artikel 117, lid 4, eerste alinea, tenzij de vraagsteller om toepassing van artikel 117, lid 3, verzoekt.
13.  Bij schriftelijk te beantwoorden vragen is het bepaalde in artikel 117, leden 3 en 5, van toepassing.
Termijnen
14.  De vragen moeten ten minste één week voor het begin van het vragenuur worden ingediend. Vragen die niet binnen deze termijn zijn ingediend, kunnen evenwel tijdens het vragenuur worden behandeld, wanneer de betrokken instelling hiermee akkoord gaat.
De ontvankelijk verklaarde vragen worden rondgedeeld aan de leden en toegezonden aan de betrokken instellingen.
B.  Aanbevelingen
(Uittreksel uit de resolutie van het Parlement van 13 november 1986)
Het Europees Parlement,
1.  wenst een striktere toepassing van de richtlijnen ter regeling van het vragenuur, overeenkomstig artikel 4327 van het Reglement , en met name punt 1 van de richtlijnen over de ontvankelijkheid;
2.  beveelt een veelvuldiger gebruik aan van de aan de Voorzitter van het Europees Parlement ingevolge artikel 43, lid 3)28, van het Reglement verleende bevoegdheid om vragen voor het vragenuur naar onderwerp te groeperen, maar is van mening dat alleen de vragen in de eerste helft van de vragenlijst voor een bepaalde vergaderperiode gegroepeerd dienen te worden;
3.  beveelt ten aanzien van aanvullende vragen aan dat de Voorzitter in het algemeen een aanvullende vraag dient toe te staan van de steller van de vraag en een of hoogstens twee aanvullende vragen van leden, die bij voorkeur behoren tot een andere fractie en/of lidstaat dan de steller van de hoofdvraag, en herinnert eraan dat aanvullende vragen beknopt moeten zijn en in de vragende vorm moeten zijn gesteld en stelt voor dat zij niet langer dan 30 seconden mogen duren;
4.  verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat de antwoorden, ingevolge punt 7 van de richtlijnen, beknopt zijn en betrekking hebben op het onderwerp van de vraag.
_______________
27 Nu artikel 116.
28 Nu artikel 116, lid 3.
Amendement 13
Reglement van het Europees Parlement
Bijlage III – titel
Richtsnoeren voor vragen met verzoek om schriftelijk antwoord overeenkomstig de artikelen 117 en 118
Criteria voor vragen met verzoek om schriftelijk antwoord overeenkomstig de artikelen 117 en 118
Amendement 14
Reglement van het Europees Parlement
Bijlage III – paragraaf 1 – streepje 2
–  moeten onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de adressaten vallen en van algemeen belang zijn;
–  moeten uitsluitend binnen de grenzen van de bevoegdheden van de instellingen zoals neergelegd in de desbetreffende Verdragen en onder de verantwoordelijkheid van de adressaten vallen en van algemeen belang zijn;
Amendement 15
Reglement van het Europees Parlement
Bijlage III – paragraaf 1 – streepje 3 bis (nieuw)
—  mogen niet langer dan 200 woorden zijn;
Amendement 16
Reglement van het Europees Parlement
Bijlage III – paragraaf 1 – streepje 5 bis (nieuw)
—  mogen niet meer dan drie deelvragen omvatten.
Amendement 17
Reglement van het Europees Parlement
Bijlage III – paragraaf 2
2.  Is een vraag niet in overeenstemming met deze richtsnoeren, dan verleent het secretariaat de vraagsteller assistentie bij de formulering van de vraag met het oog op ontvankelijkheid ervan.
2.  Desgewenst verleent het secretariaat vraagstellers assistentie om in een afzonderlijke geval aan de criteria van punt 1 te voldoen.
Amendement 18
Reglement van het Europees Parlement
Bijlage III – paragraaf 3
3.  Is in de voorgaande zes maanden een identieke of soortgelijke vraag gesteld en beantwoord, of is een vraag louter bedoeld om nadere informatie te verkrijgen ten aanzien van het vervolg dat aan een specifieke resolutie van het Parlement is gegeven, terwijl die informatie reeds door de Commissie is verstrekt in een schriftelijke vervolgmededeling, dan doet het secretariaat de vraagsteller een kopie van de vorige vraag en van het antwoord toekomen. De nieuwe vraag wordt niet aan de adressaten voorgelegd, tenzij de vraagsteller nieuwe ontwikkelingen van betekenis aanvoert of nadere informatie wenst te krijgen.
3.  Is in de voorgaande zes maanden een identieke of soortgelijke vraag gesteld en beantwoord, of is een vraag louter bedoeld om nadere informatie te verkrijgen ten aanzien van het vervolg dat aan een specifieke resolutie van het Parlement is gegeven, terwijl die informatie reeds door de Commissie is verstrekt in een schriftelijke vervolgmededeling, dan doet het secretariaat de vraagsteller een kopie van de vorige vraag en van het antwoord toekomen. De nieuwe vraag wordt niet aan de adressaten voorgelegd, tenzij de Voorzitter daartoe besluit naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen van betekenis en een met redenen omkleed verzoek van de vraagsteller.
Amendement 19
Reglement van het Europees Parlement
Bijlage III – paragraaf 4
4.  Wordt in een vraag om feitelijke of statistische informatie verzocht die reeds in de bibliotheek van het Parlement beschikbaar is, dan brengt laatstgenoemde instantie dit ter kennis van het lid, dat daarop zijn vraag kan intrekken.
4.  Wordt in een vraag om feitelijke of statistische informatie verzocht die reeds bij de onderzoeksdiensten van het Parlement beschikbaar is, dan wordt de vraag niet aan de adressaat voorgelegd maar aan die diensten toegestuurd, tenzij de Voorzitter op verzoek van de vraagsteller anders besluit.
Amendement 20
Reglement van het Europees Parlement
Bijlage III – paragraaf 5
5.  Vragen die onderling samenhangende onderwerpen betreffen, kunnen gezamenlijk worden beantwoord.
5.  Vragen die onderling samenhangende onderwerpen betreffen, kunnen door het secretariaat tot één vraag worden samengevoegd en gezamenlijk worden beantwoord.

Wijziging van artikel 90 van het Reglement van het Parlement betreffende internationale overeenkomsten
PDF 197kWORD 51k
Besluit van het Europees Parlement van 16 april 2014 tot wijziging van artikel 90 van het Reglement van het Europees Parlement (2013/2259(REG))
P7_TA(2014)0409A7-0253/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de brief van de voorzitter van de Commissie buitenlandse zaken d.d. 29 januari 2013 en de brief van de voorzitter van de Commissie internationale handel d.d. 13 februari 2013, aan de voorzitter van de Commissie constitutionele zaken,

–  gezien de artikelen 211 en 212 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A7-0253/2014),

1.  besluit onderstaande wijzigingen in zijn Reglement op te nemen;

2.  wijst erop dat deze wijzigingen op de eerste dag van de eerstvolgende vergaderperiode in werking treden;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Bestaande tekst   Amendement
Amendement 1
Reglement van het Parlement
Artikel 90 – lid 4
4.  In elk stadium van de onderhandelingen kan het Parlement op basis van een verslag van zijn bevoegde commissie, en na behandeling van elk overeenkomstig artikel 121 ingediend voorstel ter zake, aanbevelingen aannemen met het verzoek deze vóór de sluiting van de betreffende internationale overeenkomst op te volgen.
4.  In elk stadium van de onderhandelingen en vanaf de beëindiging van de onderhandelingen tot aan de sluiting van de internationale overeenkomst kan het Parlement op basis van een verslag van zijn bevoegde commissie, en na behandeling van elk overeenkomstig artikel 121 ingediend voorstel ter zake, aanbevelingen aannemen met het verzoek deze vóór de sluiting van die overeenkomst op te volgen.
Amendement 2
Reglement van het Parlement
Artikel 90 – lid 5
5.   Na afsluiting van de onderhandelingen, doch nog vóór de ondertekening van een overeenkomst, wordt de ontwerpovereenkomst voor advies of ter goedkeuring aan het Parlement voorgelegd. Voor de goedkeuringsprocedure is artikel 81 van toepassing.
5.   Verzoeken van de Raad om goedkeuring of advies van het Parlement worden door de Voorzitter overeenkomstig artikel 81 of artikel 43, lid 1, naar de ter zake bevoegde commissie verwezen.
Amendement 3
Reglement van het Parlement
Artikel 90 – lid 6
6.  Alvorens over te gaan tot de stemming ter verlening van goedkeuring, kan de bevoegde commissie, een fractie of ten minste een tiende van de leden het Parlement voorstellen het advies van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van de internationale overeenkomst met de Verdragen in te winnen. Indien het Parlement een dergelijk voorstel aanneemt, wordt de stemming ter verlening van goedkeuring uitgesteld, totdat het Hof advies heeft uitgebracht15.
6.  Alvorens over te gaan tot de stemming kan de bevoegde commissie, een fractie of ten minste een tiende van de leden het Parlement voorstellen het advies van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van de internationale overeenkomst met de Verdragen in te winnen. Indien het Parlement een dergelijk voorstel aanneemt, wordt de stemming uitgesteld, totdat het Hof advies heeft uitgebracht15.
__________________
__________________
15 Zie eveneens interpretatie van artikel 128.
15 Zie eveneens interpretatie van artikel 128.

Wijziging van het Reglement van het Parlement om elektronische handtekeningen toe te staan
PDF 189kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 16 april 2014 tot wijziging van het Reglement van het Europees Parlement om elektronische handtekeningen toe te staan (2014/2011(REG))
P7_TA(2014)0410A7-0175/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de brief van de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters d.d. 10 december 2013,

–  gezien de artikelen 211 en 212 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A7-0175/2014),

1.  besluit onderstaande wijziging in zijn Reglement op te nemen;

2.  wijst erop dat deze wijziging op de eerste dag van de eerstvolgende vergaderperiode in werking treedt;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Bestaande tekst   Amendement
Amendement 1
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 148 bis (nieuw)

Artikel 148 bis

Elektronische verwerking van documenten

Parlementaire documenten kunnen in elektronische vorm worden opgesteld, ondertekend en verspreid. Het Bureau beslist over de technische specificaties en de presentatie van het elektronisch formaat.
Amendement 2
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 156 – lid 1 – interpretatie na alinea 2
Amendementen kunnen langs elektronische weg ondertekend worden in het kader van een proefproject met een beperkt aantal parlementaire commissies op voorwaarde, enerzijds, dat de deelnemende commissies hun toestemming hebben gegeven en, anderzijds, dat gepaste maatregelen zijn getroffen om de authenticiteit van de handtekeningen te garanderen.
Schrappen

Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2014 - het Europees Investeringsfonds, Horizon 2020 en de Gemeenschappelijke Onderneming Shift2Rail
PDF 204kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2014 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie (08219/2014 – C7-0146/2014 – 2014/2018(BUD))
P7_TA(2014)0411A7-0276/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, definitief vastgesteld op 20 november 2013(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 2 december 2013 betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(4),

–  gezien het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad inzake de deelneming van de Europese Unie in de kapitaalverhoging bij het Europees Investeringsfonds (COM(2014)0066),

–  gezien het voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Shift2Rail (COM(2013)0922),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2014, goedgekeurd door de Commissie op 11 februari 2014 (COM(2014)0078),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2014, vastgesteld door de Raad op 9 april 2014 en meegedeeld aan het Europees Parlement op 10 april 2014 (08219/2014 – C7‑0146/2014),

–  gezien de artikelen 75 ter en 75 sexies van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7‑0276/2014),

A.  overwegende dat ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2014 betrekking heeft op een aantal noodzakelijke aanpassingen voor de uitvoering van de begroting 2014, rekening houdend met de meest recente wetgevingsbesluiten, en in het bijzonder aanpassingen die nodig zijn om de voorgestelde kapitaalverhoging van het Europees Investeringsfonds (EIF) uit te voeren, wijzigingen die voortvloeien uit de rechtsgrond voor Horizon 2020, vastgesteld na de formele goedkeuring van de begroting 2014, en aanpassingen in verband met de invoering van de begrotingsstructuur voor de voorgestelde gemeenschappelijke onderneming Shift2Rail;

B.  overwegende dat de versterking van de kapitaalbasis van het EIF moet bijdragen aan het verbeteren van de toegang van kleine en middelgrote ondernemingen tot financiering door middel van de programma's COSME en Horizon 2020;

C.  overwegende dat wijzigingen van de nomenclatuur van het programma Horizon 2020 nodig zijn om het te doen aansluiten bij de bepalingen van de rechtsgrond die in december 2013 is vastgesteld;

D.  overwegende dat de invoering van een passende begrotingsstructuur voor de gemeenschappelijke onderneming Shift2Rail noodzakelijk is en dat iets dergelijks tijdens de begrotingsprocedure 2014 reeds heeft plaatsgevonden voor andere gemeenschappelijke ondernemingen;

E.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2014 tot doel heeft deze begrotingsaanpassingen formeel in de begroting 2014 op te nemen;

F.  overwegende dat de voorgestelde wijzigingen volgens de Commissie begrotingsneutraal zullen zijn en dat het totale uitgavenniveau voor 2014 ongewijzigd zal blijven;

1.  herinnert eraan dat in het werkprogramma voor de activiteit die wordt gedekt door begrotingslijn 08 02 04 01 met als omschrijving "Wetenschap voor en met de samenleving", voor 2014 is voorzien in vastleggingen ten bedrage van ongeveer 53 miljoen EUR, maar dat in het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2014 geen toewijzingen op de lijn in kwestie worden vermeld; herinnert de Commissie aan haar toezegging tijdens het begrotingsoverleg van 2 april 2014 om onmiddellijk een interne overschrijving naar lijn 08 02 04 01 "Wetenschap voor en met de samenleving" te zullen uitvoeren, om te zorgen voor een vlotte start van de activiteit in kwestie, overeenkomstig het werkprogramma en in overeenstemming met op basis van de rechtsgrond;

2.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2014, zoals dit door de Commissie is ingediend, en van het standpunt van de Raad daarover;

3.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2014 goed;

4.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 1/2014 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 20.2.2014.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.


Invoering van geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen op EU-luchthavens ***II
PDF 205kWORD 47k
Resolutie
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de vaststelling van regels en procedures voor de invoering van geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen op EU-luchthavens in het kader van een evenwichtige aanpak, en tot intrekking van Richtlijn 2002/30/EG van het Europees Parlement en de Raad (05560/2/2014 – C7-0133/2014 – 2011/0398(COD))
P7_TA(2014)0412A7-0274/2014

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (05560/2/2014 – C7‑0133/2014),

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Franse Senaat, de Duitse Bondsraad en de Nederlandse Tweede Kamer, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 28 maart 2012(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 19 juli 2012(2),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(3) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0828),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 72 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A7-0274/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

5.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie over de herziening van Richtlijn 2002/49/EG

De Commissie en de lidstaten voeren besprekingen over Bijlage II bij Richtlijn 2002/49/EG (methoden voor geluidsmeting) met het oog op aanneming ervan in de komende maanden.

In het licht van de lopende werkzaamheden van de Wereldgezondheidsorganisatie op het gebied van methoden om de gezondheidseffecten van geluid te bepalen, heeft de Commissie het voornemen om Bijlage III bij Richtlijn 2002/49/EG (bepaling van gezondheidseffecten, dosiseffectgrafieken) te herzien.

(1) PB C 181 van 21.6.2012, blz. 173.
(2) PB C 277 van 13.9.2012, blz. 110.
(3) Aangenomen teksten van 12.12.2012, P7_TA(2012)0496.


Actie van de Unie voor het evenement "Culturele Hoofdsteden van Europa" voor de periode 2020 tot 2033 ***II
PDF 195kWORD 45k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van het besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een actie van de Unie voor het evenement "Culturele Hoofdsteden van Europa" voor de periode 2020 tot 2033 en tot intrekking van besluit nr. 1622/2006/EG (05793/1/2014 – C7-0132/2014 – 2012/0199(COD))
P7_TA(2014)0413A7-0275/2014

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (05793/1/2014 – C7‑0132/2014),

–  gezien de adviezen van het Comité van de Regio's van 15 februari 2012(1) en 30 november 2012(2),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(3) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0407),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 72 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie cultuur en onderwijs (A7‑0275/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 113, 18.4.2012, blz. 17.
(2) PB C 17, 19.1.2013, blz. 97.
(3) Aangenomen teksten van 12.12.2013, P7_TA(2013)0590.


Incidentele vangsten van walvisachtigen ***II
PDF 195kWORD 44k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 812/2004 van de Raad tot vaststelling van maatregelen betreffende de incidentele vangsten van walvisachtigen bij de visserij (06103/1/2014 – C7-0100/2014 – 2012/0216(COD))
P7_TA(2014)0414A7-0272/2014

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (06103/1/2014 – C7‑0100/2014),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 november 2012(1),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0447),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 72 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie visserij (A7‑0272/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 11 van 15.1.2013, blz. 85.
(2) Aangenomen teksten van 16.4.2013, P7_TA(2013)0104.


Terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten *** I
PDF 206kWORD 81k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (COM(2012)0131 – C7-0086/2012 – 2012/0061(COD))
P7_TA(2014)0415A7-0249/2013

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0131),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 53, lid 1, en artikel 62 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0086/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2012(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 29 november 2012(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 5 maart 2014 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie juridische zaken (A7-0249/2013),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de hierbij gehechte gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, die samen met de definitieve wetgevingshandeling in de L-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden bekendgemaakt;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2014 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2014/.../EU van het Europees Parlement en de Raad inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt ("de IMI-verordening")

P7_TC1-COD(2012)0061


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn 2014/67/EU.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende artikel 4, lid 3, onder g)

Het feit dat een werkzaamheid die tijdelijk is toegewezen aan de gedetacheerde werknemer om zijn of haar werk te verrichten met het oog op het verrichten van diensten al dan niet in eerdere tijdvakken is verricht door dezelfde of een andere (gedetacheerde) werknemer vormt slechts één van de mogelijke elementen waarmee in geval van twijfel rekening gehouden moet worden bij een algemene beoordeling van de feitelijke situatie.

Het loutere feit dat het één van die elementen kan zijn, mag op geen enkele wijze geïnterpreteerd worden als een verbod op een mogelijke vervanging van de gedetacheerde werknemer door een andere gedetacheerde werknemer of als beletsel voor een dergelijke vervanging, welke, met name, inherent kan zijn aan diensten die seizoens- of cyclusgebonden of van repetitieve aard zijn.

(1) PB C 351 van 15.11.2012, blz. 61.
(2) PB C 17 van 19.1.2013, blz. 67.


Teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht ***I
PDF 200kWORD 38k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht (herschikking) (COM(2013)0311 – C7-0147/2013 – 2013/0162(COD))
P7_TA(2014)0416A7-0058/2014

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0311),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0147/2013),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 september 2013(1),

–  gezien het Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(2),

–  gezien de brief van de Commissie juridische zaken van 5 november 2013 aan de Commissie cultuur en onderwijs overeenkomstig artikel 87, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 27 februari 2014 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 87 en 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A7-0058/2014),

A.  overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten zonder inhoudelijke wijziging behelst;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit voorstel door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2014 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2014/.../EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze

P7_TC1-COD(2013)0162


buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (herschikking)

P7_TC1-COD(2013)0162


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn 2014/60/EU.)

(1) PB C 341 van 21.11.2013, blz. 98.
(2) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1


Vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen ***I
PDF 370kWORD 105k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval met het oog op de vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen (COM(2013)0761 – C7-0392/2013 – 2013/0371(COD))
P7_TA(2014)0417A7-0174/2014

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0761),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0392/2013),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 februari 2014(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 3 april 2014(2),

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0174/2014),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2014 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2014/.../EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval met het oog op de vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen

P7_TC1-COD(2013)0371


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad(6) is vastgesteld om het effect van verpakkingen en verpakkingsafval op het milieu te voorkomen of te verminderen. Hoewel plastic draagtassen verpakkingsmateriaal in de zin van Richtlijn 94/62/EG zijn, voorziet die richtlijn niet in specifieke maatregelen met betrekking tot het verbruik van dergelijke tassen.

(2)  Het verbruik van plastic draagtassen, dat naar verwachting zal toenemen als geen maatregelen worden genomen, leidt tot zeer veel zwerfafval en een inefficiënt gebruik van hulpbronnen. Het zwerfafval in de vorm van plastic draagtassen draagt bij aan leidt tot milieuvervuiling en verergert het wijdverbreide probleem van het zwerfvuil op zee in waterlichamen, dat een bedreiging vormt voor de mariene aquatische ecosystemen wereldwijd. [Am. 1]

(2 bis)  De toename van zwerfafval in de vorm van plastic draagtassen in het milieu heeft bovendien duidelijk negatieve gevolgen voor bepaalde economische sectoren, zoals het toerisme. [Am. 2]

(3)  Lichte plastic draagtassen met een dikte van minder dan 50 micron, die de overgrote meerderheid van het totaalaantal in de Unie verbruikte plastic draagtassen vormen, worden zijn minder vaak herbruikbaar dan dikkere plastic draagtassen, opnieuw gebruikt en worden daardoor sneller afval, komen vaker als zwerfafval in het milieu terecht en verspreiden zich vanwege hun lichte gewicht vaker over het gehele milieu, zowel op het land als in mariene en zoetwaterecosystemen. [Am. 3]

(3 bis)  Hoewel plastic draagtassen recycleerbaar zijn, liggen de huidige recyclingpercentages erg laag. Voorts wordt niet verwacht dat de recycling van plastic draagtassen een noemenswaardig niveau zal halen, daar zij door hun geringe dikte en lage gewicht geen hoge recyclingwaarde hebben. Bovendien worden plastic draagtassen niet gescheiden ingezameld, is het vervoer ervan duur en zijn er grote hoeveelheden water nodig om ze voor recycling te wassen. Het recyclen van plastic draagtassen biedt derhalve geen oplossing voor de problemen die zij veroorzaken. [Am. 4]

(3 ter)  Overeenkomstig de afvalhiërarchie komt preventie op de eerste plaats. Daarom is er voor de gehele EU een reductiestreefcijfer vastgesteld. Plastic draagtassen worden evenwel voor meerdere doelen gebruikt en zullen in de toekomst nog altijd worden gebruikt. Om ervoor te zorgen dat de vereiste plastic draagtassen uiteindelijk niet in het milieu terechtkomen, moet de infrastructuur voor afvalbeheer - met name recycling - worden uitgebreid en moeten de consumenten worden geïnformeerd over degelijke afvalverwijdering. [Am. 46]

(4)  Het verbruik van plastic draagtassen varieert aanzienlijk in de Unie, niet alleen doordat de consumptiegewoonten, en het milieubewustzijn en de doeltreffendheid van verschillen, maar vooral doordat de beleidsmaatregelen van de lidstaten verschillen in verschillende mate doeltreffend zijn. Sommige lidstaten hebben het verbruik van plastic draagtassen aanzienlijk kunnen verminderen: het gemiddelde verbruik in de zeven best presterende lidstaten bedraagt slechts 20 % van het gemiddelde verbruik in de EU. Er moeten reductiestreefcijfers voor de hele EU worden vastgesteld ten opzichte van het gemiddelde verbruik van plastic draagtassen in de Unie om rekening te houden met de verminderingen die bepaalde lidstaten al hebben bereikt. [Am. 5]

(4 bis)  De beschikbare gegevens betreffende het verbruik van plastic draagtassen in de Unie tonen duidelijk aan dat het verbruik laag is of teruggedrongen is in lidstaten waar ondernemingen plastic draagtassen niet gratis, maar tegen een kleine vergoeding ter beschikking stellen. [Am. 6]

(4 ter)  Voorts is aangetoond dat consumentenvoorlichting een doorslaggevende rol speelt bij de verwezenlijking van elke doelstelling om het verbruik van plastic draagtassen terug te dringen. Daarom moeten overheden de consumenten bewust maken van de milieueffecten van het gebruik van plastic draagtassen en de nog altijd bestaande perceptie doorbreken dat plastic een onschadelijk materiaal is, weinig economische kosten met zich meebrengt en op zichzelf geen waarde heeft. [Am. 7]

(5)  Met het oog op soortgelijke verminderingen van het gemiddelde verbruik van lichte plastic draagtassen moeten de lidstaten maatregelen nemen om het verbruik van heel beperkt herbruikbare plastic draagtassen met een dikte van minder dan 50 micron aanzienlijk te verminderen overeenkomstig de algemene doelstellingen van het afvalbeleid en de afvalhiërarchie van de Unie zoals bepaald in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad(7). Bij deze maatregelen moet rekening worden gehouden met het huidige verbruik van plastic draagtassen in de afzonderlijke lidstaten, waarbij een hoger verbruik ambitieuzere inspanningen vereist. Om toezicht te houden op de vooruitgang bij de vermindering van het gebruik van lichte plastic draagtassen zullen de nationale autoriteiten gegevens over het gebruik verstrekken in overeenstemming met artikel 17 van Richtlijn 94/62/EG. [Am. 8]

(5 bis)  Bij de maatregelen van de lidstaten moet het gaan om economische instrumenten zoals prijsmaatregelen, die bijzonder doeltreffend zijn gebleken om het gebruik van plastic draagtassen te verminderen. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat ondernemingen die levensmiddelen verkopen, op de plaats van verkoop van goederen of producten niet kosteloos plastic draagtassen verstrekken, met uitzondering van zeer lichte plastic draagtassen of alternatieven voor dergelijke zeer lichte plastic draagtassen. De lidstaten moeten tevens ondernemingen die uitsluitend niet-levensmiddelen verkopen, stimuleren op de plaats van verkoop van goederen of producten niet kosteloos plastic draagtassen te verstrekken. [Am. 9]

(6)  Bij de maatregelen van de De lidstaten kan het gaan om moeten ook gebruik kunnen maken van economische instrumenten zoals belastingen en heffingen – die bijzonder doeltreffend zijn gebleken om het gebruik van plastic draagtassen te verminderen – en om van handelsbeperkingen zoals verboden in afwijking van artikel 18 van Richtlijn 94/62/EG, met inachtneming van de artikelen 34, 35 en 36 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ('VWEU'). [Am. 10]

(6 bis)  Plastic draagtassen die worden gebruikt om vochtige, losse levensmiddelen zoals rauw vlees, vis of zuivel te verpakken en plastic tassen die worden gebruikt om onverpakte producten van de voedselindustrie te dragen, zijn nodig voor de levensmiddelenhygiëne en moeten derhalve van het toepassingsgebied van deze richtlijn worden uitgesloten. [Ams. 47 en 52]

(6 ter)  Zeer lichte plastic draagtassen worden doorgaans gebruikt bij de aankoop van droge, losse, onverpakte levensmiddelen zoals fruit, groenten of suikergoed. Het gebruik van zeer lichte plastic draagtassen voor dergelijke doeleinden draagt ertoe bij dat minder voedsel wordt weggegooid, doordat de consument de hoeveelheid kan kopen die hij of zij nodig heeft en niet verplicht is een bepaalde voorverpakte hoeveelheid aan te schaffen, en doordat een specifiek product dat niet meer voor consumptie geschikt is, uit de handel kan worden genomen zonder dat voorverpakte pakken in hun geheel hoeven te worden weggegooid. Zeer lichte plastic draagtassen van traditionele kunststoffen vormen niettemin een bijzonder probleem van zwerfvuil. [Am. 12]

(6 quater)  Plastic draagtassen van biologisch afbreekbaar en composteerbaar materiaal zijn minder schadelijk voor het milieu dan traditionele plastic draagtassen. In de gevallen waarin het gebruik van plastic draagtassen belangrijke voordelen oplevert, met name wanneer zeer lichte plastic draagtassen worden gebruikt voor droge, losse, onverpakte levensmiddelen zoals fruit, groenten en suikergoed, moeten deze traditionele zeer lichte plastic draagtassen geleidelijk worden vervangen door draagtassen van kringlooppapier of door biologisch afbreekbare en composteerbare zeer lichte plastic draagtassen. Wanneer het gebruik van plastic draagtassen en met name lichte plastic draagtassen moet worden beperkt, moet ook het gebruik van dergelijke tassen van biologisch afbreekbare en composteerbare materialen onder het algemene reductiestreefcijfer vallen. De lidstaten die een gescheiden inzameling van bioafval hebben ingevoerd, moeten echter de mogelijkheid krijgen de prijs van biologisch afbreekbare en composteerbare lichte plastic draagtassen te verlagen. [Am. 13]

(6 quinquies)  Voorlichtingsprogramma's gericht op consumenten in het algemeen, en op kinderen in het bijzonder, moeten een specifieke rol spelen bij de vermindering van het gebruik van plastic draagtassen. Deze voorlichtingsprogramma's moeten worden uitgevoerd door zowel de lidstaten als de producenten en kleinhandelaars op de plaats van verkoop van goederen en producten. [Am. 14]

(6 sexies)  De essentiële vereisten met betrekking tot de terugwinning van verpakking in de vorm van compostering moeten worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat er een Europese norm voor tuincompostering wordt ontwikkeld. De essentiële vereisten met betrekking tot biologisch afbreekbare verpakkingsmaterialen moeten zodanig worden gewijzigd dat alleen materialen die volledig biologisch afgebroken worden, als biologisch afbreekbaar worden beschouwd. [Am. 15]

(6 septies)  In de Europese norm EN 13432 "Eisen voor verpakking terugwinbaar door compostering en biodegradatie – Beproevingsschema en evaluatiecriteria voor de eindacceptatie van verpakking" zijn de kenmerken omschreven waaraan een materiaal moet beantwoorden om als "composteerbaar" te worden beschouwd, namelijk dat het kan worden gerecycleerd via een proces van organische terugwinning bestaande uit compostering en anaerobe vergisting. De Commissie moet het Europees Comité voor Normalisatie verzoeken een afzonderlijke norm voor tuincompostering te ontwikkelen. [Am. 16]

(6 octies)  Bepaalde kunststoffen worden door de fabrikanten bestempeld als "biologisch afbreekbaar in aanwezigheid van zuurstof". Bij dergelijke kunststoffen worden "in aanwezigheid van zuurstof biologisch afbreekbare" additieven, meestal metaalzouten, verwerkt in normale plastics. Door de oxidatie van die additieven vallen de kunststoffen uiteen in kleine deeltjes die in het milieu achterblijven. Het is dus misleidend deze kunststoffen als "biologisch afbreekbaar" te bestempelen. Door de fragmentering verandert zichtbaar zwerfafval zoals plastic draagtassen in onzichtbaar zwerfafval in de vorm van secundaire microplastics. Dit is geen oplossing voor het afvalprobleem, maar verergert veeleer de verontreiniging van het milieu door deze kunststoffen. Dergelijke kunststoffen mogen dan ook niet voor kunststofverpakkingen worden gebruikt. [Am. 17]

(6 nonies)  Het gebruik van kankerverwekkende, mutagene of voor de voortplanting giftige stoffen en hormoonontregelende stoffen in verpakkingsmateriaal moet geleidelijk worden afgeschaft om te voorkomen dat mensen onnodig aan dergelijke stoffen worden blootgesteld en dat dergelijke stoffen tijdens de afvalfase in het milieu terechtkomen. [Am. 18]

(6 decies)  Schadelijke stoffen, en met name hormoonontregelende chemische stoffen, moeten volledig worden verboden in plastic draagtassen om een goede bescherming van het milieu en de volksgezondheid te waarborgen. [Am. 19]

(7)  Maatregelen ter vermindering van het verbruik van plastic draagtassen moeten leiden tot een duurzame vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen en mogen niet leiden tot een algemene stijging van de productie van verpakkingen. [Am. 20]

(7 bis)  Om ervoor te zorgen dat aanduidingen voor biologisch afbreekbare en composteerbare tassen (merkteken, kenmerk of kleurencode) in de gehele Unie herkenbaar zijn, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling van dergelijke aanduidingen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad. [Am. 21]

(8)  De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met de mededeling van de Commissie over het stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa(8) en moeten bijdragen aan maatregelen ter bestrijding van zwerfafval uit hoofde van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad(9).

(8 bis)  In de hele Unie moeten dezelfde voorwaarden voor de gebruikte materialen gelden, teneinde de werking van de interne markt niet te belemmeren. Verschillen in de wijze waarop bepaalde materialen in bepaalde lidstaten worden behandeld, doen afbreuk aan recycling en de handel. [Am. 22]

(9)  Richtlijn 94/62/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 94/62/EG wordt hierbij als volgt gewijzigd:

1)  In artikel 3 worden de volgende punten ingevoegd:"

'-2 bis. "plastic draagtassen": draagtassen, met of zonder handgreep, van kunststofmaterialen  als gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Verordening (EU) nr. 10/2011 van de Commissie* die aan consumenten worden verstrekt op de plaats van verkoop van goederen of producten ten behoeve van het dragen van goederen. Plastic draagtassen die om redenen van levensmiddelenhygiëne worden gebruikt om vochtige, losse levensmiddelen zoals rauw vlees, vis of zuivel te verpakken en plastic tassen die worden gebruikt om onverpakte producten van de voedselindustrie te dragen, worden voor de toepassing van deze richtlijn niet beschouwd als plastic draagtassen; [Ams. 48 en 53]

   2 bis. "lichte plastic draagtassen": draagtassen van kunststofmaterialenals omschreven in artikel 3, punt 1, van Verordening (EU) nr. 10/2011 – met een wanddikte van minder dan 50 micron die aan consumenten worden verstrekt op de plaats van verkoop van goederen of producten, met uitzondering van zeer lichte plastic draagtassen; [Am. 24]
   2 ter. "zeer lichte plastic draagtassen": draagtassen van kunststofmaterialen als omschreven in artikel 3, punt 1, van Verordening (EU) nr. 10/2011 met een wanddikte van minder dan 10 micron; [Am. 25]
   2 quater. "kunststoffen die onder invloed van zuurstof uiteenvallen": kunststoffen die additieven bevatten die als katalysator werken voor het uiteenvallen van de kunststoffen in microscopisch kleine kunststofdeeltjes; [Am. 26]
   2 quinquies. "bioafval": biologisch afbreekbaar tuin- en plantsoenafval, levensmiddelen- en keukenafval van huishoudens, restaurants, cateringfaciliteiten en winkels en vergelijkbare afvalstoffen van de levensmiddelenindustrie. Reststoffen van land- en bosbouw, mest, zuiveringsslib en andere soorten biologisch afbreekbaar afval, zoals natuurlijke weefsels, papier of verwerkt hout, worden niet als bioafval beschouwd. Eveneens uitgesloten zijn bijproducten van de voedselproductie die nooit afval worden; [Am. 27]
   2 sexies. "stoffen die kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn": stoffen die kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting (categorie 1A of 1B) zijn overeenkomstig deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad**; [Am. 28]
   2 septies. "hormoonontregelende stoffen": stoffen die hormoonontregelende eigenschappen hebben ten aanzien waarvan wetenschappelijke aanwijzingen worden gevonden voor mogelijke ernstige gevolgen voor de gezondheid van de mens of die worden vastgesteld in overeenstemming met de procedure van artikel 59 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad***, of die worden vastgesteld overeenkomstig Aanbeveling [.../.../EU] van de Commissie****;

________________

* Verordening (EU) nr. 10/2011 van de Commissie van 14 januari 2011 betreffende materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in contact te komen (PB L 12 van 15.1.2011, blz. 1).

** Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).

*** Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

**** Aanbeveling [.../.../EU] van de Commissie van ... betreffende criteria voor de identificatie van hormoonontregelende stoffen (PB C ...).' [Am. 29]

"

2)  In artikel 4 worden volgende leden ingevoegd:"

'-1 bis. De lidstaten zien erop toe dat verpakking zodanig vervaardigd is dat zij geen kankerverwekkende, mutagene of voor de voortplanting giftige stoffen of hormoonontregelende stoffen bevat in concentraties van meer dan 0,01%. De lidstaten zien erop toe dat verpakking zodanig vervaardigd is dat zij geen kunststoffen bevat die onder invloed van zuurstof kunnen uiteenvallen. Deze maatregelen worden uiterlijk op ...(10) getroffen.

[Am. 30]

'1 bis De lidstaten nemen uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn maatregelen om het verbruik van lichte plastic draagtassen op hun grondgebied duurzaam te verminderen met ten minste:

   50% uiterlijk op ...(11), en
   80% uiterlijk op ...(12)+,

ten opzichte van het gemiddelde verbruik in de Unie in 2010. [Am. 31]

De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat ondernemingen die levensmiddelen verkopen niet kosteloos plastic draagtassen verstrekken, met uitzondering van zeer lichte plastic draagtassen of alternatieven voor dergelijke zeer lichte plastic draagtassen als bedoeld in alinea 6.

De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die levensmiddelen verkopen voor lichte plastic draagtassen een prijs aanrekenen die proportioneel en doeltreffend is om de reductiestreefcijfers als bepaald in de eerste alineal te bereiken. De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die levensmiddelen verkopen ten minste dezelfde prijs aanrekenen voor dikkere plastic draagtassen, en dat ondernemingen op de plaats van verkoop lichte plastic draagtassen niet vervangen door zeer lichte plastic draagtassen. De lidstaten nemen deze maatregelen uiterlijk op ...(13).

De lidstaten die een gescheiden inzameling van bioafval hebben ingevoerd, kunnen van ondernemingen die levensmiddelen verkopen verlangen dat zij de prijs van biologisch afbreekbare en composteerbare lichte kunststofdraagtassen met maximaal 50 % verlagen.

De lidstaten stimuleren ondernemingen die niet-levensmiddelen verkopen, voor plastic draagtassen een prijs aan te rekenen die proportioneel en doeltreffend is om de reductiestreefcijfers als bepaald in de eerste alinea te bereiken. [Am. 32]

De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat zeer lichte plastic draagtassen waarin droge, losse, onverpakte levensmiddelen zoals fruit, groenten en suikergoed worden verpakt, geleidelijk worden vervangen door draagtassen van kringlooppapier of door biologisch afbreekbare en composteerbare zeer lichte kunststofdraagtassen. De lidstaten behalen uiterlijk op ..(14) een vervangingspercentage van 50% en uiterlijk op ...(15)+ en vervangingspercentage van 100%. [Am. 33]

Bij deze maatregelen kan het zowel gaan om nationale reductiestreefcijfers,De lidstaten kunnen andere economische instrumenten als gebruiken alsook handelsbeperkingen in afwijking van artikel 18 handhaven of invoeren. Deze maatregelen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen. [Am. 34]

De lidstaten brengen verslag uit over de effecten van deze maatregelen op het algemene ontstaan van verpakkingsafval wanneer zij bij de Commissie verslag uitbrengen overeenkomstig artikel 17.

   1 ter. Consumenten moeten van kleinhandelaars gelegenheid krijgen om alle verpakkingen die zij overbodig achten, te weigeren en op de plaats van verkoop te laten, met name als het gaat om draagtassen. Kleinhandelaars zorgen er dan voor dat deze verpakkingen worden hergebruikt of gerecycled. [Am. 35]
   1 quater. De Commissie en de lidstaten organiseren, ten minste in het eerste jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn, voorlichtings- en bewustmakingscampagnes voor het grote publiek over de negatieve gevolgen van een buitensporig gebruik van traditionele plastic draagtassen voor het milieu. [Am. 36]
   1 quinquies. De lidstaten zien erop toe dat de maatregelen ter vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen niet leiden tot een algemene stijging van de productie van verpakkingen.' [Am. 38]

"

3)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

'Artikel 6 bis

Informatie die op de plastic draagtassen moet worden aangeduid

Indien tassen biologisch afbreekbaar en composteerbaar zijn, wordt dit duidelijk op de tas aangegeven met een merkteken, aanduiding of kleurencode. De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om dergelijke aanduidingen te definiëren, opdat deze in de gehele Unie herkenbaar zijn. De lidstaten kunnen maatregelen treffen om overige kenmerken aan te geven, zoals herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en afbreekbaarheid.' [Am. 39]

"

4)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

'Artikel 20 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 6 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van …(16).

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 6 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.' [Am. 40]

"

5)  In bijlage II, punt 3, worden de letters c) en d) als volgt gewijzigd:"

'c) Terugwinning in de vorm van compostering

Verpakkingsafval dat wordt verwerkt met het oog op compostering moet zodanig biologisch afbreekbaar zijn dat het volledig verenigbaar is met de gescheiden inzameling en het composteringsproces of de composteringsactiviteit in industriële installaties en/of tuinen waarin het wordt ingebracht.

   d) Biologisch afbreekbare verpakking

Biologisch afbreekbaar verpakkingsafval moet zodanig fysisch, chemisch, thermisch of biologisch afbreekbaar zijn dat al het materiaal uiteindelijk uiteenvalt in kooldioxyde, biomassa en water.' [Am. 41]

"

Artikel 2

1.  De lidstaten wijzigen indien noodzakelijk hun eigen nationale wetgeving en doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede. [Am. 42]

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst mee van de voornaamste bepalingen van intern recht die zij vaststellen op het door deze richtlijn bestreken gebied.

Artikel 2 bis

Uiterlijk ... (17) evalueert de Commissie de doeltreffendheid van deze richtlijn en beoordeelt zij of er verdere maatregelen moeten worden getroffen, zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel. [Am. 43]

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.
(2) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.
(3)PB C van , blz. .
(4)PB C van, blz. .
(5) Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2014.
(6)Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB L 365 van 31.12.1994, blz. 10).
(7)Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
(8)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over het stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa (COM(2011)0571 definitief).
(9)Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
(10) Datum: twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.'
(11) Datum: drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
(12)+ Datum: vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
(13) Datum: twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
(14) Datum: drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
(15)+ Datum: vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
(16) Datum van inwerkingtreding van de wijzigingsrichtlijn.
(17) Datum: zes jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.


Bewaking van de zeebuitengrenzen ***I
PDF 195kWORD 83k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van regels voor de bewaking van de zeebuitengrenzen in het kader van de operationele samenwerking gecoördineerd door het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (COM(2013)0197 – C7-0098/2013 – 2013/0106(COD))
P7_TA(2014)0418A7-0461/2013

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0197),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, onder d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0098/2013),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven(1), met name wat betreft de strijd tegen mensenhandel en doodshandelaren,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 13 februari 2014 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie vervoer en toerisme (A7‑0461/2013),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2014 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van regels voor de bewaking van de zeebuitengrenzen in het kader van de operationele samenwerking gecoördineerd door het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie

P7_TC1-COD(2013)0106


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 656/2014.)

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0444.


Financiële aansprakelijkheid in verband met scheidsgerechten voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten die zijn ingesteld bij internationale overeenkomsten waarbij de EU partij is ***I
PDF 202kWORD 49k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor een regeling van financiële aansprakelijkheid in verband met scheidsgerechten voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten, die zijn ingesteld bij internationale overeenkomsten waarbij de Europese Unie partij is (COM(2012)0335 – C7-0155/2012 – 2012/0163(COD))
P7_TA(2014)0419A7-0124/2013

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2012)0335),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0155/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 4 april 2014 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A7-0124/2013),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(1);

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2014 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor het regelen van de financiële verantwoordelijkheid in verband met scheidsgerechten voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten die zijn ingesteld bij internationale overeenkomsten waarbij de Europese Unie partij is

P7_TC1-COD(2012)0163


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 912/2014.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie

De vaststelling en toepassing van deze verordening laat de in de Verdragen vastgelegde bevoegdheidsverdeling onverlet en mag niet worden uitgelegd als een geval van gedeelde bevoegdheid van de Unie op gebieden waarop de bevoegdheid van de Unie niet is uitgeoefend.

(1) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 23 mei 2013 (Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0219).


Bescherming tegen gedumpte en gesubsidieerde import uit landen die geen lid zijn van de EU ***I
PDF 435kWORD 142k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap en Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (COM(2013)0192 – C7-0097/2013 – 2013/0103(COD))
P7_TA(2014)0420A7-0053/2014

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0192),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0097/2013),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A7-0053/2014),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(1);

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2014 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2014 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap en Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn

P7_TC1-COD(2013)0103


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De gemeenschappelijke regels voor de bescherming tegen invoer met dumping en invoer met subsidie uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie, zijn vervat in Verordening (EG) nr. 1225/2009(3) respectievelijk in Verordening (EG) nr. 597/2009(4) (hierna gezamenlijk "de basisverordeningen" genoemd). De verordeningen werden aanvankelijk na de afsluiting van de ronde van Uruguay in 1995 vastgesteld. Op grond van het feit dat de verordeningen sindsdien een aantal keren zijn gewijzigd, besloot de Raad in 2009 de verordeningen omwille van de duidelijkheid en de rationele ordening van de teksten te codificeren.

(2)  Hoewel de verordeningen inmiddels zijn gewijzigd, heeft sinds 1995 geen fundamentele evaluatie van de werking ervan plaatsgevonden. Om die reden nam de Commissie in 2011 het initiatief tot een herziening van de verordeningen om deze beter te doen aansluiten op de behoeften van het bedrijfsleven aan het begin van de 21e eeuw.

(3)  Op grond van de herziening moeten enkele bepalingen van de basisverordeningen worden gewijzigd om de transparantie en de voorspelbaarheid te verhogen, in doeltreffende maatregelen ter bestrijding van vergeldingspraktijkenvergeldingspraktijken van derde landen te voorzien, de doeltreffendheid en de handhaving van de instrumenten te verbeteren en de praktijk bij nieuwe onderzoeken te optimaliseren. Bovendien dienen bepaalde praktijken die in de afgelopen jaren in verband met antidumping- en antisubsidieonderzoeken zijn toegepast, in de verordeningen te worden opgenomen. [Am. 1]

(4)  Ter verbetering van de transparantie en de voorspelbaarheid van antidumping- en antisubsidieonderzoeken dienen de partijen die door de instelling van voorlopige antidumping- en compenserende maatregelen worden geraakt, met name importeurs, op de hoogte worden gebracht van de naderende instelling van dergelijke maatregelen. De desbetreffende termijn moet overeenkomen met het tijdvak tussen het tijdstip waarop de ontwerpuitvoeringshandeling aan het overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 ingestelde antidumpingcomité en het overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EG) nr. 597/2009 ingestelde antisubsidiecomité is voorgelegd, en de vaststelling van die handeling door de Commissie anderzijds. Dit tijdvak is verankerd in artikel 3, lid 3, van Verordening (EU) nr. 182/2011. Ook dienen de partijen in het geval van onderzoeken waarbij de instelling van voorlopige maatregelen niet gepast is, eveneens ruim op tijd op de hoogte te worden gesteld van het feit dat geen voorlopige maatregelen worden ingesteld. [Am. 2]

(5)  Alvorens voorlopige maatregelen in te stellen, moet exporteurs en producenten de gelegenheid worden geboden hun eigen dumping- of subsidiemarge te berekenen. Eventuele fouten in deze berekening zouden vervolgens vóór de instelling van de maatregelen kunnen worden gecorrigeerd. [Am. 95]

(6)  Om doeltreffende maatregelen ter bestrijding van vergeldingspraktijken te waarborgen, moeten producenten in de Unie een beroep op de basisverordeningen kunnen doen zonder vergelding door derden te moeten vrezen. De bestaande bepalingen voorzien erin dat in bijzondere omstandigheden, met name wanneer het diverse en gefragmenteerde bedrijfstakken betreft die grotendeels uit kleine en middelgrote ondernemingen (kmo´s) bestaan, een onderzoek kan worden ingesteld zonder dat een klacht is ontvangen, op voorwaarde dat voldoende bewijzen voorhanden zijn voor het bestaan van dumping of tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, schade en een oorzakelijk verband daartussen. Tot dergelijke bijzondere omstandigheden moeten ook dreigingen met vergelding door derde landen worden gerekend. [Am. 3]

(7)  Wanneer een onderzoek niet op basis van een klacht wordt ingesteld, moeten de producenten in de Unie verplicht worden verzocht medewerking te verlenen en de nodige informatie te verstrekken opdat het onderzoek doorgang kan vinden, teneinde te waarborgen dat voldoende informatie beschikbaar is om het onderzoek uit te voeren ingeval van dergelijke dreigingen met vergelding. Kleine ondernemingen en micro-ondernemingen moeten van deze verplichting worden vrijgesteld, om hun onredelijke administratieve lasten en kosten te besparen. [Am. 4]

(8)  Derde landen interveniëren in toenemende mate in de handel in grondstoffen, bijvoorbeeld in de vorm van uitvoerrechten of dubbele prijsstelling, met de bedoeling om de grondstoffen ten behoeve van binnenlandse downstreamgebruikers in het eigen land te houden. De kosten van grondstoffen zijn derhalve niet het resultaat van de werking van de gebruikelijke krachten van de markt en geen afspiegeling van vraag en aanbod van een bepaalde grondstof. Dergelijke interventies veroorzaken bijkomende verstoringen van de handel. Als gevolg hiervan kan producenten in de Unie niet alleen schade worden berokkend door dumping, maar hebben zij ten opzichte van de downstreamproducenten uit derde landen die zich aan dergelijke praktijken schuldig maken, ook te kampen met een sterkere verstoring van de handel. Om de handel voldoende te kunnen beschermen, dient de regel van het lagere recht in dergelijke gevallen van structurele verstoringen van de grondstoffenmarkt niet te worden toegepast.

(9)  In de Unie zijn tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies in beginsel verboden krachtens artikel 107, lid 1, VWEU. Tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies die door derde landen worden verleend, zorgen daarom voor een bijzondere verstoring van de handel. De omvang van de door de Commissie goedgekeurde staatssteun is mettertijd gestaag gedaald. Met betrekking tot het antisubsidie-instrument dient de regel van het lagere recht bijgevolg niet meer te worden toegepast op de invoer uit landen waar subsidiëring plaatsvindt.

(10)  Om de praktijk bij nieuwe onderzoeken te optimaliseren, moeten de gedurende het onderzoek geïnde rechten worden terugbetaald aan de importeurs wanneer maatregelen na uitvoering van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van maatregelen niet worden verlengd. Dit is gepast aangezien in dergelijke gevallen is gebleken dat gedurende de onderzoeksperiode niet aan de voorwaarden voor handhaving van de maatregelen is voldaan. [Am. 5]

(11)  Bepaalde praktijken die in de afgelopen jaren in verband met antidumping- en antisubsidieonderzoeken zijn toegepast, dienen in de verordeningen te worden opgenomen.

(11 bis)  Documenten ter verduidelijking van de vaste praktijk van de Commissie met betrekking tot de toepassing van deze verordening (met inbegrip van de vier ontwerprichtsnoeren inzake de selectie van het referentieland, het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen en de duur van de maatregelen, de schademarge en de belangen van de Unie) mogen pas door de Commissie worden vastgesteld na de inwerkingtreding van deze verordening en adequate raadpleging van het Europees Parlement en de Raad, en deze documenten dienen dan volledig in overeenstemming te zijn met de inhoud van deze verordening. [Am. 6]

(11 ter)  De Unie is, in tegenstelling tot haar lidstaten, geen partij bij de IAO-verdragen. Tot dusver zijn alleen de basisverdragen van de IAO door alle lidstaten van de Unie geratificeerd. Om de definitie van een toereikend niveau van sociale normen, die is gebaseerd op de in bijlage I bis van Verordening (EU) nr. 1225/2009 vermelde IAO-verdragen, actueel te houden werkt de Commissie deze bijlage door middel van gedelegeerde handelingen bij zodra lidstaten van de Unie verdere "prioritaire" IAO-verdragen hebben geratificeerd. [Am. 7]

(12)  De bedrijfstak van de Unie mag niet langer op basis van de in de verordeningen vastgestelde toepassingsdrempels worden gedefinieerd.

(12 bis)  Diverse en gefragmenteerde sectoren die grotendeels uit kmo´s bestaan ondervinden moeilijkheden bij de toegang tot handelsbeschermingsprocedures wegens de complexiteit van de procedures en de hoge kosten die hieraan verbonden zijn. De toegang van kmo's tot het instrument dient te worden bevorderd door een versterking van de rol van de kmo-helpdesk, die kmo's ondersteuning moet bieden bij het indienen van klachten en ertoe moet bijdragen dat aan de drempelvoorwaarden voor het openen van onderzoeken kan worden voldaan. Tevens dienen de administratieve procedures in verband met handelsbeschermingsprocedures beter te worden aangepast aan de beperkte middelen waarover kmo's beschikken. [Am. 8]

(12 ter)  De duur van onderzoeken in antidumpingsgevallen moet worden beperkt tot negen maanden en deze onderzoeken moeten worden afgerond binnen twaalf maanden na inleiding van de procedure. De duur van onderzoeken in antisubsidiegevallen moet worden beperkt tot negen maanden en deze onderzoeken moeten worden afgerond binnen tien maanden na inleiding van de procedure. In ieder geval mogen voorlopige rechten alleen worden ingesteld gedurende een periode die loopt van 60 dagen tot 6 maanden na de inleiding van de procedure. [Am. 9]

(12 quater)  Niet-vertrouwelijke elementen van aan de Commissie voorgelegde verbintenissen moeten aan de belanghebbenden, het Europees Parlement en de Raad worden medegedeeld. De Commissie moet worden verplicht de bedrijfstak van de Unie te raadplegen alvorens een eventuele aangeboden verbintenis te aanvaarden. [Am. 10]

(13)  In het geval van een oorspronkelijk onderzoek waarbij dumping- of subsidiemarges worden vastgesteld die onder de de-minimisdrempel liggen, moet het onderzoek onmiddellijk worden beëindigd met betrekking tot de betrokken exporteurs, die naderhand niet aan een nieuw onderzoek in verband met dezelfde procedure worden onderworpen.

(14)  Met betrekking tot nieuwe onderzoeken in verband met antidumping- of antisubsidiemaatregelen moet het, waar gepast, mogelijk zijn om anders te werk te gaan dan bij het onderzoek dat tot instelling van die maatregelen heeft geleid, teneinde te waarborgen dat ten aanzien van verschillende onderzoeken op een gegeven tijdstip een coherente werkwijze wordt gehanteerd. Hierdoor wordt met name de nodige speelruimte geboden om werkwijzen te wijzigen die gaandeweg op grond van veranderende omstandigheden zijn herzien.

(15)  Wanneer aan de voorwaarden is voldaan voor de opening van een onderzoek naar de ontwijking van maatregelen, moet de invoer in elk geval worden onderworpen aan registratie.

(16)  Bij onderzoeken naar de ontwijking van maatregelen is het wenselijk om de voorwaarde te schrappen dat producenten van het betrokken product niet verbonden mogen zijn met enige producent voor wie de oorspronkelijke maatregelen gelden, willen zij in aanmerking komen voor vrijstelling van registratie of uitgebreide rechten. Dit omdat de ervaring leert dat producenten van het betrokken product soms niet betrokken blijken te zijn bij ontwijkingspraktijken, maar wel verbonden zijn met een producent voor wie de oorspronkelijke maatregelen gelden. In dergelijke gevallen dient een dergelijke producent de vrijstelling niet uitsluitend op grond van het feit te worden geweigerd dat de onderneming verbonden is met een producent voor wie de oorspronkelijke maatregelen gelden. Wanneer de ontwijking in de Unie plaatsvindt, mag het feit dat importeurs zijn verbonden aan exporteurs voor wie de maatregelen gelden, niet de doorslag geven bij de beoordeling of hem vrijstelling kan worden verleend.

(17)  Wanneer het aantal producenten in de Unie zo groot is dat een steekproef moet worden genomen, moet een steekproef van producenten uit alle producenten in de Unie worden samengesteld, en niet alleen uit de producenten die de klacht hebben ingediend.

(18)  Bij de beoordeling van het belang van de Unie moeten alle producenten in de Unie, en niet alleen de producenten die de klacht hebben ingediend, in de gelegenheid worden gesteld om opmerkingen te maken. [Am. 93]

(18 bis)  Het jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1225/2009 en Verordening (EG) nr. 597/2009 maakt het mogelijk de handelsbeschermingsinstrumenten geregeld en tijdig te monitoren als onderdeel van een gestructureerde interinstitutionele dialoog over dit onderwerp. De openbaarmaking van dit verslag, zes maanden na de presentatie ervan aan het Europees Parlement en de Raad, garandeert transparantie voor belanghebbenden en het publiek. [Am. 11]

(18 ter)  De Commissie moet zorgen voor grotere transparantie ten aanzien van procedures, interne procedures en onderzoeksresultaten, terwijl alle niet-vertrouwelijke dossiers via een internetplatform openbaar moeten worden gemaakt voor belanghebbenden. [Am. 12]

(18 quater)  De Commissie moet het Europees Parlement en de Raad regelmatig informeren over ingestelde onderzoeken en over ontwikkelingen in verband met deze onderzoeken. [Am. 13]

(18 quinquies)  Wanneer het aantal producenten in de Unie zo groot is dat een steekproef moet worden genomen, dient de Commissie, bij samenstelling van een steekproef van producenten, ten volle rekening te houden met het aandeel van kmo´s in de steekproef, met name in het geval van diverse en gefragmenteerde bedrijfstakken die grotendeels uit kmo´s bestaan. [Am. 14]

(18 sexies)  Om de handelsbeschermingsinstrumenten doeltreffender te maken, moeten vakbonden in staat worden gesteld gezamenlijk met de bedrijfstak van de Unie schriftelijke klachten in te dienen. [Am. 92]

(19)  Verordening (EG) nr. 1225/2009 en Verordening (EG) nr. 597/2009 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1225/2009 wordt als volgt gewijzigd:

-1. De titel wordt vervangen door:"

"Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie"; [Am. 15]

"

-1 bis. Volgende overweging wordt ingevoegd:"

"11 bis. Derde landen interveniëren in toenemende mate in de handel, bijvoorbeeld in de vorm van uitvoerrechten of dubbele prijsstelling, met de bedoeling om voordelen te verschaffen aan binnenlandse producenten. Dergelijke interventies veroorzaken bijkomende verstoringen van de handel. Als gevolg hiervan kan producenten in de Unie niet alleen schade worden berokkend door dumping, maar hebben zij ten opzichte van de producenten uit derde landen die zich aan dergelijke praktijken schuldig maken, ook te kampen met een sterkere verstoring van de handel. Verschillen op het gebied van arbeids- en milieunormen kunnen eveneens in bijkomende verstoringen van de handel resulteren. De regel van het lagere recht dient derhalve in dergelijke gevallen waarin in het land van uitvoer geen toereikende sociale en milieunormen gelden, niet te worden toegepast. Een toereikend niveau wordt gedefinieerd op grond van de ratificatie van de basisverdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en van multilaterale milieuovereenkomsten waarbij de Unie partij is. Met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo´s) lijden onder oneerlijke concurrentie aangezien zij zich hier vanwege hun kleine omvang moeilijk aan kunnen aanpassen. De regel van het lagere recht dient bijgevolg niet te worden toegepast wanneer de klacht is ingediend namens een bedrijfstak die grotendeels uit kmo's bestaat. Daarentegen moet de regel van het lagere recht altijd worden toegepast als een structurele verstoring van de grondstoffenmark het gevolg is van een besluit dat door een tot de minst ontwikkelde landen behorende staat bewust is genomen ter bescherming van het algemeen belang."; [Am. 16]

"

-1 ter. Aan artikel 1, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"Het gebruik van een gedumpt product in verband met de exploratie van het continentaal plateau of de exclusieve economische zone van een lidstaat of de winning van grondstoffen in die gebieden, wordt als invoer in de zin van deze verordening beschouwd die dienovereenkomstig aan rechten wordt onderworpen indien als gevolg van dat gebruik schade wordt berokkend aan de bedrijfstak van de Unie."; [Am. 17]

"

-1 quater. Aan artikel 1 wordt het volgende lid toegevoegd:"

"4 bis. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder een grondstof verstaan de input van een bepaald product dat een doorslaggevende invloed heeft op de productiekosten ervan."; [Am. 18]

"

-1 quinquies. Aan artikel 1 wordt het volgende lid toegevoegd:"

"4 ter. Een grondstof wordt geacht voorwerp te zijn van een structurele verstoring wanneer de prijs ervan niet uitsluitend het resultaat is van de normale marktwerking wat vraag en aanbod betreft. Dergelijke verstoringen zijn het gevolg van maatregelen van derde landen zoals uitvoerbelastingen, uitvoerbeperkingen en systemen van dubbele prijzen."; [Am. 19]

"

-1 sexies. In artikel 2, lid 7, onder a), wordt de tweede alinea vervangen door:"

"Een geschikt derde land met een markteconomie wordt op redelijke wijze geselecteerd, met inachtneming van alle betrouwbare gegevens die op het tijdstip van de selectie beschikbaar zijn. Het geselecteerde land kent tevens toereikende sociale en milieunormen, waarbij er sprake is van een toereikend niveau indien het derde land de multilaterale milieuovereenkomsten en de daaraan gehechte protocollen waarbij de Unie op een gegeven moment partij is, alsook de in bijlage I bis opgesomde IAO‑verdragen heeft geratificeerd en doeltreffend ten uitvoer legt. Voorts wordt rekening gehouden met termijnen; in voorkomend geval wordt gebruik gemaakt van een derde land met markteconomie dat bij hetzelfde onderzoek betrokken is."; [Ams. 70 en 86]

"

1.  In artikel 4, lid 1, wordt de aanhef vervangen door:"

"1. In de zin van deze verordening wordt onder "bedrijfstak van de Unie" verstaan alle producenten in de Unie van soortgelijke producten of diegenen van deze producenten wier gezamenlijke productie van de betrokken producten een groot deel van de totale productie van deze producten in de Unie uitmaakt, met dien verstande dat:";

"

1 bis.  In artikel 5, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:"

"Behoudens het bepaalde in lid 6, wordt een onderzoek naar het bestaan, de omvang en de gevolgen van dumping geopend naar aanleiding van een schriftelijke klacht die door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid namens een bedrijfstak van de Unie wordt ingediend. Klachten kunnen ook door de bedrijfstak van de Unie of een namens deze handelende natuurlijke persoon of rechtspersoon of vereniging zonder rechtspersoonlijkheid gezamenlijk met vakbonden worden ingediend."; [Ams. 87 en 90]

"

1 ter.  In artikel 5 wordt het volgende lid ingevoegd:"

"1 bis. De Commissie bevordert toegang tot het instrument voor diverse en gefragmenteerde bedrijfstakken, die merendeels bestaan uit kmo´s, in de context van gevallen van antidumping, door middel van een kmo-helpdesk.

De kmo-helpdesk zorgt voor meer bekendheid van het instrument en geeft voorlichting en uitleg met betrekking tot specifieke zaken, de vraag hoe een klacht kan worden ingediend en hoe bewijzen voor dumping en schade het best kunnen worden gepresenteerd.

De kmo-helpdesk stelt standaardformulieren beschikbaar voor met het oog op de beoordeling van de representativiteit in te dienen statistieken en voor de vragenlijsten.

Na de instelling van een onderzoek stelt de kmo-helpdesk ondernemingen en hun relevante verenigingen die waarschijnlijk gevolgen zullen ondervinden van de instelling van het onderzoek op de hoogte van de relevante termijnen om zich te laten registreren als belanghebbende.

De kmo-helpdesk helpt de ondernemingen met vragen inzake het invullen van vragenlijsten, waarbij bijzondere aandacht zal worden besteed aan vragen van kmo's met betrekking tot onderzoeken die worden ingesteld overeenkomstig artikel 5, lid 6. Voor zover mogelijk helpt zij problemen als gevolg van taalbarrières verminderen.

Ingeval kmo´s aantonen dat er aanwijzingen zijn voor dumping, verstrekt de kmo-helpdesk, overeenkomstig artikel 14, lid 6, informatie over de ontwikkeling van de omvang en de waarde van de invoer van het betrokken product.

De kmo-helpdesk geeft tevens adviezen over aanvullende manieren om in contact te treden met de raadadviseur-auditeur en de nationale douaneautoriteiten. De kmo-helpdesk informeert ondernemingen over de mogelijkheden en de voorwaarden waaronder zij kunnen verzoeken om herziening van de maatregelen en om terugbetaling van de betaalde antidumpingrechten."; [Am. 20]

"

1 quater.  Aan artikel 5, lid 4, wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"In het geval van diverse en gefragmenteerde bedrijfstakken die grotendeels uit kmo's bestaan, helpt de Commissie de belanghebbenden deze drempels te bereiken door ondersteuning te bieden via de kmo-helpdesk."; [Am. 21]

"

1 quinquies.  Artikel 5, lid 6, wordt vervangen door:"

"6. Indien de Commissie in bijzondere omstandigheden, met name in het geval van diverse en gefragmenteerde bedrijfstakken die merendeels uit kmo's bestaan, besluit een onderzoek te openen, zonder dat zij een daartoe strekkende schriftelijke klacht van of namens de bedrijfstak van de Unie heeft ontvangen, wordt hiertoe slechts overgegaan indien er voldoende bewijsmateriaal is voor het bestaan van dumping, schade en oorzakelijk verband, zoals bedoeld in lid 2, om de opening van het onderzoek te rechtvaardigen."; [Am. 22]

"

1 sexies.  Artikel 6, lid 9, wordt vervangen door:"

"9. Het onderzoek in de overeenkomstig artikel 5, lid 9 ingeleide procedures wordt, voor zover mogelijk, binnen uiterlijk negen maanden afgesloten. Het wordt in ieder geval binnen een jaar na de opening beëindigd, overeenkomstig artikel 8 of artikel 9 gedane bevindingen. De onderzoeksperioden vallen indien mogelijk, in het bijzonder in het geval van diverse en gefragmenteerde bedrijfstakken die grotendeels uit kmo´s bestaan, samen met het boekjaar."; [Am. 23]

"

2.  Aan artikel 6 wordt de volgende leden toegevoegd:"

"10. De producenten in de Unie van het soortgelijke product, zijn verplicht tot kleine en micro- ondernemingen uitgezonderd, worden verzocht om medewerking aan de krachtens artikel 5, lid 6, ingeleide procedure. [Am. 24]

   10 bis. De Commissie zorgt voor optimale toegang tot informatie voor alle belanghebbenden door te voorzien in een informatiesysteem door middel waarvan belanghebbenden op de hoogte worden gesteld wanneer er nieuwe niet-vertrouwelijke informatie wordt toegevoegd aan het onderzoeksdossier. Niet-vertrouwelijke informatie moet ook toegankelijk worden gemaakt via een internetplatform. [Am. 25]
   10 ter. De Commissie ziet erop toe dat de procedurele rechten van de belanghebbenden daadwerkelijk gewaarborgd worden en zorgt er tevens voor dat procedures onpartijdig, objectief en binnen een redelijke termijn worden afgewikkeld, waar nodig door een raadadviseur-auditeur. [Am. 26]
   10 quater. De vragenlijsten die in de onderzoeken worden gebruikt, worden op verzoek van belanghebbenden door de Commissie opgesteld in alle officiële talen van de Unie."; [Am. 27]

"

3.  Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

(a)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Voorlopige rechten kunnen worden ingesteld indien een procedure is ingeleid overeenkomstig artikel 5, hiervan bericht is gegeven en belanghebbenden overeenkomstig artikel 5, lid 10, voldoende gelegenheid hebben gehad, inlichtingen te verstrekken en opmerkingen te maken, er voorlopig is vastgesteld dat dumping plaatsvindt en daaruit schade voor een bedrijfstak van de Unie voortvloeit, en het belang van de Unie maatregelen ter voorkoming van dergelijke schade noodzakelijk maakt. Voorlopige rechten worden niet eerder ingesteld dan 60 dagen en niet later dan zes maanden na de inleiding van de procedure."; [Am. 28]

"

(a)  aan lid 1 wordt de volgende zin toegevoegd:"

"Voorlopige rechten worden niet eerder toegepast dan twee weken na toezending van de informatie aan de belanghebbenden overeenkomstig artikel 19 bis. Deze informatie doet geen afbreuk aan besluiten die de Commissie daarna neemt." [Am. 29]

"

(b)  lid 2 wordt vervangen door:"

"2. Het voorlopige antidumpingrecht bedraagt niet meer dan de voorlopig vastgestelde dumpingmarge. Het voorlopige antidumpingrecht en is lager dan de dumpingmarge indien dit lagere recht toereikend is om de schade aan de bedrijfstak van de Unie weg te nemen, tenzij in verband met het betrokken product in het land van uitvoer een structurele verstoring van de grondstoffenmarkt is vastgesteld.

In de volgende omstandigheden is het lagere recht niet van toepassing:

   a) in verband met het betrokken product zijn in het land van uitvoer structurele verstoringen of een omvangrijke interventie door de overheid met betrekking tot onder meer prijzen, kosten en inputs, waaronder bijvoorbeeld grondstoffen en energie, onderzoek en arbeid, outputs, verkoop en investeringen alsook wisselkoersmanipulaties en voorwaarden voor handelsfinanciering vastgesteld;
   b) in het land van uitvoer gelden geen toereikende sociale en milieunormen, met dien verstande dat sprake is van een toereikend niveau indien het derde land de multilaterale milieuovereenkomsten en de daaraan gehechte protocollen waarbij de Unie op een gegeven tijdstip partij is, alsook de in bijlage I bis vermelde IAO-verdragen heeft geratificeerd en doeltreffend ten uitvoer legt;
   c) de indiener van de klacht vertegenwoordigt een diverse en gefragmenteerde bedrijfstak die grotendeels uit kmo´s bestaat;
   d) in het kader van het onderzoek of van een apart antisubsidieonderzoek is, ten minste voorlopig, vastgesteld dat het land van uitvoer een of meer subsidies verstrekt aan de producenten-exporteurs van het betrokken product.

Het lagere recht wordt evenwel altijd toegepast wanneer in verband met het betrokken product een structurele verstoring van de grondstoffenmarkt wordt vastgesteld in een land van uitvoer dat tot de minst ontwikkelde landen behoort als vermeld in bijlage IV bij Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad*.

__________

* Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad."; [Am. 30]

"

3 bis.  Artikel 8, lid 1, wordt vervangen door:"

"1. Mits er voorlopig is vastgesteld dat dumping plaatsvindt en daaruit schade voortvloeit, kan de Commissie na specifieke raadpleging van het raadgevend comité overgaan tot aanvaarding van een door een exporteur op vrijwillige basis aangeboden bevredigende verbintenis om zijn prijzen te herzien of de uitvoer met dumping te staken, mits door die aangeboden verbintenis gewaarborgd is dat de schadelijke gevolgen van de dumping daadwerkelijk worden weggenomen. In dergelijke gevallen en voor de duur van de verbintenis zijn de door de Commissie op grond van artikel 7, lid 1, ingestelde voorlopige rechten of de door de Raad op grond van artikel 9, lid 4, ingestelde definitieve rechten niet van toepassing op de invoer van de betreffende producten die geproduceerd worden door de ondernemingen die worden genoemd in het besluit van de Commissie tot aanvaarding van verbintenissen, en eventuele wijzigingen daarvan. De prijzen worden ingevolge deze verbintenissen niet sterker verhoogd dan nodig is om de dumpingmarge te doen verdwijnen. De prijsverhoging moet lager zijn dan de dumpingmarge als dat toereikend is om de schade aan de bedrijfstak van de Unie weg te nemen, tenzij de Commissie bij het instellen van voorlopige of definitieve rechten heeft besloten dat dit lagere recht niet moet worden toegepast."; [Am. 31]

"

3 ter.  Artikel 8, lid 4, wordt vervangen door:"

"4. Partijen die een verbintenis aanbieden, dienen een betekenisvolle niet-vertrouwelijke versie daarvan te verschaffen die ter beschikking van de bij het onderzoek betrokken partijen, het Europees Parlement en de Raad kan worden gesteld. De partijen worden verzocht zo veel mogelijk informatie te verstrekken betreffende de inhoud en aard van de onderneming waarbij terdege rekening wordt gehouden met de bescherming van vertrouwelijke informatie in de zin van artikel 19. Voorts moet de Commissie alvorens een eventuele aangeboden verbintenis te aanvaarden de bedrijfstak van de Unie raadplegen met betrekking tot de belangrijkste kenmerken van de onderneming."; [Am. 32]

"

4.  Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

(a)  lid 3 wordt vervangen door:"

"3. Bij een overeenkomstig artikel 5, lid 9, ingeleide procedure wordt de schade normaal als te verwaarlozen beschouwd wanneer de betrokken invoer minder bedraagt dan de in artikel 5, lid 7, aangegeven hoeveelheden. Deze procedure wordt onmiddellijk beëindigd indien wordt vastgesteld dat de dumpingmarge minder dan 2% bedraagt, uitgedrukt als percentage van de uitvoerprijs.";

"

(b)  in lid 4 wordt de laatste volzin vervangen door:"

"Het antidumpingrecht bedraagt niet meer dan de vastgestelde dumpingmarge. Het antidumpingrecht is en moet lager zijn dan de dumpingmarge deze marge indien dit lagere recht toereikend is om de schade aan de bedrijfstak van de Unie weg te nemen, tenzij in verband met het betrokken product in het land van uitvoer een structurele verstoring van de grondstoffenmarkt is vastgesteld.

In de volgende omstandigheden is het lagere recht niet van toepassing:

   a) in verband met het betrokken product zijn in het land van uitvoer structurele verstoringen of een omvangrijke interventie door de overheid met betrekking tot onder meer prijzen, kosten en inputs, waaronder bijvoorbeeld grondstoffen en energie, onderzoek en arbeid, outputs, verkoop en investeringen alsook wisselkoersmanipulaties en voorwaarden voor handelsfinanciering vastgesteld;
   b) in het land van uitvoer gelden geen toereikende sociale en milieunormen, met dien verstande dat sprake is van een toereikend niveau indien het derde land de multilaterale milieuovereenkomsten en de daaraan gehechte protocollen waarbij de Unie op een gegeven tijdstip partij is, alsook de in bijlage I bis vermelde IAO-verdragen heeft geratificeerd en doeltreffend ten uitvoer legt;
   c) de indiener van de klacht vertegenwoordigt een diverse en gefragmenteerde bedrijfstak die grotendeels uit kmo´s bestaat;
   d) in het kader van het onderzoek of van een apart antisubsidieonderzoek ten minste voorlopig is vastgesteld dat het land van uitvoer een of meer subsidies verstrekt aan de producenten-exporteurs van het betrokken product.

Het lagere recht wordt evenwel altijd toegepast wanneer in verband met het betrokken product een structurele verstoring van de grondstoffenmarkt wordt vastgesteld in een land van uitvoer dat tot de minst ontwikkelde landen behoort als vermeld in bijlage IV bij Verordening (EU) nr. 978/2012."; [Am. 33]

"

5.  Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

(-a)  in lid 2 wordt de tweede alinea vervangen door:"

"Een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van een maatregel wordt geopend, wanneer het verzoek daartoe voldoende bewijs bevat, dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot voortzetting of herhaling van dumping en schade zou leiden. Deze waarschijnlijkheid kan bijvoorbeeld worden aangetoond door het bewijs, dat nog steeds invoer met dumping plaatsvindt en dat daardoor schade ontstaat, dat het verdwijnen van de schade geheel of ten dele aan de bestaande maatregelen is toe te schrijven of dat de omstandigheden van de exporteurs dan wel de marktsituatie van zodanige aard zijn, dat de schade veroorzakende dumping waarschijnlijk zal voortduren. Deze waarschijnlijkheid kan tevens worden aangetoond aan de hand van aanhoudende verstorende maatregelen door het land van export."; [Am. 77/rev]

"

(a)  aan lid 5 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"Indien de maatregel na een onderzoek als bedoeld in lid 2 komt te vervallen, worden alle vanaf de datum van opening van dat onderzoek geïnde rechten terugbetaald, mits om die terugbetaling is verzocht bij en deze is toegekend door de nationale douaneautoriteiten overeenkomstig de toepasselijke douanewetgeving van de Unie betreffende terugbetaling en kwijtschelding van rechten. Een dergelijke terugbetaling vormt geen aanleiding tot betaling van rente door de desbetreffende nationale douaneautoriteiten." [Am. 35]

"

(b)  lid 9 wordt geschrapt.

6.  Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

(a)  in lid 3 wordt de tweede zin vervangen door:"

"Het onderzoek wordt, na raadpleging van het raadgevend comité, geopend door middel van een verordening van de Commissie die de douaneautoriteiten tevens de instructie geeft de invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, te registreren of zekerheidstelling te eisen.";

"

(b)  in lid 4 wordt de eerste alinea vervangen door:"

"De invoer door ondernemingen waarop een vrijstelling van toepassing is, hoeft niet overeenkomstig artikel 14, lid 5, te worden geregistreerd en hierop zijn geen rechten van toepassing. Een voldoende door bewijsmateriaal gestaafd verzoek tot vrijstelling moet worden ingediend binnen de in de verordening van de Commissie tot opening van het onderzoek gestelde termijn. Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter ontwijking buiten de Unie geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan producenten van het betreffende product die kunnen aantonen dat zij niet betrokken zijn bij enige ontwijking zoals beschreven in de leden 1 en 2 van dit artikel. Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter ontwijking binnen de Unie geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan importeurs die kunnen aantonen dat zij niet betrokken zijn bij ontwijkingspraktijken als omschreven in de leden 1 en 2.";

"

6 bis.  Artikel 14, lid 3, wordt vervangen door:"

"3. Uit hoofde van deze verordening kunnen bijzondere bepalingen worden vastgesteld, in het bijzonder wat de gemeenschappelijke definitie betreft van het begrip "oorsprong van goederen" als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2913/92 of overeenkomstig artikel 2 van het douanewetboek."; [Am. 36]

"

(6 ter)  In artikel 14 wordt lid 5 vervangen door:"

"5. De Commissie kan, nadat zij de lidstaten tijdig heeft geïnformeerd, de douaneautoriteiten opdracht geven passende maatregelen te nemen om de invoer te registreren, zodat met ingang van de datum van registratie maatregelen met betrekking tot deze invoer kunnen worden genomen. Tot registratie van de invoer wordt overgegaan naar aanleiding van een door de bedrijfstak van de Unie ingediend verzoek dat voldoende bewijsmateriaal bevat om een dergelijke maatregel te rechtvaardigen. De invoer kan ook op initiatief van de Commissie aan registratie worden onderworpen.

Indien de door de bedrijfstak van de Unie ingediende klacht een verzoek tot registratie en voldoende bewijsmateriaal bevat om een dergelijke maatregel te rechtvaardigen, wordt de invoer aan registratie onderworpen met ingang van de datum waarop het onderzoek wordt ingesteld.

De registratieverplichting wordt opgelegd door middel van een verordening waarin het doel van de maatregel en, zo nodig, een schatting van de bedragen die eventueel later verschuldigd zullen zijn, worden vermeld. Registratie van de invoer geschiedt niet voor een periode van langer dan negen maanden."; [Am. 79]

"

6 quater.  In artikel 14 wordt lid 6 vervangen door:"

"6. De lidstaten brengen de Commissie maandelijks verslag uit over de invoer van goederen die voorwerp van onderzoeken en maatregelen zijn, onder opgave van het bedrag van de rechten dat op grond van de onderhavige verordening is geheven. De Commissie kan na ontvangst van een uitdrukkelijk en met redenen omkleed verzoek van een belanghebbende partij en na advies hierover van het in artikel 15, lid 2, bedoelde comité beslissen om hen te informeren over het volume en de waarde van de invoer van deze producten."; [Am. 75]

"

6 quinquies.  Aan artikel 14 wordt het volgende lid toegevoegd:"

"7 bis. Wanneer de Commissie beoogt een document aan te nemen of te publiceren ter verduidelijking van de vaste praktijk van de Commissie met betrekking tot de toepassing van enig element van deze verordening, raadpleegt zij alvorens het document aan te nemen of te publiceren het Europees Parlement en de Raad, teneinde consensus te bereiken en het desbetreffende document aan te nemen. Voor latere wijzigingen van dergelijke documenten gelden dezelfde procedurele vereisten. In elk geval zijn deze documenten in volledige overeenstemming met de bepalingen van deze verordening. Zij strekken niet tot uitbreiding van de bevoegdheden van de Commissie tot het vaststellen van maatregelen, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie."; [Am. 39]

"

7.  In artikel 17 wordt lid 1 vervangen door:"

"1. Indien het aantal producenten in de Unie, exporteurs of importeurs, dat vrijwillig medewerking aan het onderzoek verleent, of het aantal productsoorten of transacties groot is, kan het onderzoek worden beperkt tot een redelijk aantal partijen, producten of transacties, door gebruik te maken van statistisch geldige steekproeven op basis van op het tijdstip van de selectie beschikbare gegevens, of tot de grootste representatieve productie-, verkoop- of exporthoeveelheden die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kunnen worden onderzocht. In het geval van diverse en gefragmenteerde bedrijfstakken die grotendeels uit kmo´s bestaan, moet bij de definitieve selectie van partijen rekening worden gehouden met hun aandeel in de desbetreffende bedrijfstak."; [Am. 40]

"

8.  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 19 bis

Informatie over voorlopige maatregelen

"1. De producenten in de Unie, de importeurs, de exporteurs, en hun representatieve verenigingen en vertegenwoordigers van het land van uitvoer kunnen om informatie verzoeken over de beoogde instelling van voorlopige rechten. Deze verzoeken dienen binnen de in het bericht van opening/inleiding vastgestelde termijn schriftelijk te worden ingediend. Dergelijke informatie wordt deze partijen ten minste twee weken vóór het verstrijken van de in artikel 7, lid 1, genoemde termijn voor de instelling van voorlopige rechten ter beschikking gesteld. Deze informatie omvat het volgende:

   a) een slechts ter informatie dienend overzicht over de voorgestelde rechten, en
   b) nadere gegevens over de berekening van de dumpingmarge en de passende marge om de schade aan de bedrijfstak van de Unie weg te nemen, waarbij naar behoren rekening moet worden gehouden met de geheimhoudingsverplichtingen van artikel 19. De betrokken partijen kunnen binnen een termijn van drie werkdagen opmerkingen over de juistheid van de berekeningen indienen. [Am. 41]
   2. Indien wordt besloten het onderzoek voort te zetten zonder voorlopige rechten in te stellen, worden de belanghebbenden twee weken vóór het verstrijken van de in artikel 7, lid 1, genoemde termijn voor de instelling van voorlopige rechten in kennis gesteld van het feit dat geen voorlopige rechten worden ingesteld.";

"

9.  Artikel 21, lid 2, wordt vervangen door:"

"2. Teneinde de autoriteiten een gezonde basis te verschaffen om bij het besluit, of de instelling van maatregelen in het belang van de Unie is, met alle standpunten en gegevens rekening te kunnen houden, kunnen de producenten in de Unie, de importeurs en hun representatieve verenigingen, de representatieve gebruikers en de representatieve consumentenorganisaties binnen de in het bericht van opening van een antidumpingonderzoek gestelde termijnen, zich bij de Commissie bekendmaken en haar inlichtingen verstrekken. Deze inlichtingen, of passende samenvattingen daarvan, worden ter beschikking gesteld aan de andere in dit artikel genoemde partijen, die het recht hebben daarover opmerkingen te maken." [Am. 42]

"

9 bis.  Aan artikel 22 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"1 bis. Zodra alle lidstaten nieuwe IAO-verdragen hebben geratificeerd, werkt de Commissie bijlage I bis bij volgens de procedure van artikel 290 VWEU."; [Am. 43]

"

9 ter.  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 22 bis

Verslag

   1. Om het toezicht op de tenuitvoerlegging van de Verordening door het Europees Parlement en de Raad te vergemakkelijken legt de Commissie, hierbij terdege rekening houdend met de bescherming van vertrouwelijke informatie in de zin van artikel 19, het Europees Parlement en de Raad jaarlijks een verslag voor over de toepassing en tenuitvoerlegging van deze verordening, als onderdeel van een dialoog inzake handelsbeschermingsinstrumenten tussen de Commissie, het Europees Parlement en de Raad. Het verslag omvat informatie over de vaststelling van voorlopige en definitieve maatregelen, de beëindiging van onderzoeken zonder maatregelen, verbintenissen, nieuwe onderzoeken, herzieningsprocedures en verificatiebezoeken, en de activiteiten van de diverse instanties die bevoegd zijn voor het toezicht op de uitvoering van de verordening en de naleving van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening. Het verslag omvat ook het gebruik van handelsbeschermingsinstrumenten door derde landen gericht tegen de Unie, informatie over het herstel van de bedrijfstak van de Unie die getroffen wordt door de genomen maatregelen en de beroepen tegen de genomen maatregelen. Het omvat de werkzaamheden van de raadadviseur-auditeur van het Directoraat-generaal Handel en die van de kmo-helpdesk in verband met de toepassing van deze verordening.
   2. Het Europees Parlement kan de Commissie binnen een maand nadat deze het verslag heeft ingediend, op een ad-hocvergadering van zijn bevoegde commissie uitnodigen om alle aspecten met betrekking tot de toepassing van deze verordening uiteen te zetten en toe te lichten. Het verslag kan tevens onderwerp zijn van een resolutie.
   3. Uiterlijk zes maanden na de indiening van het verslag bij het Europees Parlement en de Raad, maakt de Commissie het verslag openbaar."; [Am. 44]

"

9 quater.  De volgende bijlage wordt toegevoegd:"

"Bijlage I bis

In de artikelen 7, 8 en 9 bedoelde IAO-verdragen

   1. Verdrag betreffende de gedwongen of verplichte arbeid, nr. 29 (1930)
   2. Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, nr. 87 (1948)
   3. Verdrag betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, nr. 98 (1949)
   4. Verdrag betreffende gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde, nr. 100 (1951)
   5. Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, nr. 105 (1957)
   6. Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep, nr. 111 (1958)
   7. Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces, nr. 138 (1973)
   8. Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid, nr. 182 (1999)"; [Am. 45]

"

Artikel 2

Verordening (EG) nr. 597/2009 wordt als volgt gewijzigd:

-1. De titel wordt vervangen door:"

"Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Unie zijn"; [Am. 46]

"

-1 bis. Volgende overweging wordt ingevoegd:"

"(9 bis) In de Unie zijn tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies in het algemeen verboden krachtens artikel 107, lid 1, VWEU. Tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies die door derde landen worden verleend, zorgen daarom voor een bijzondere verstoring van de handel. De omvang van de door de Commissie goedgekeurde staatssteun is mettertijd gestaag gedaald. Met betrekking tot het antisubsidie-instrument dient de regel van het lagere recht bijgevolg niet meer te worden toegepast op de invoer uit een land of uit landen waar subsidiëring plaatsvindt."; [Am. 47]

"

-1 ter. In artikel 1, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"Het gebruik van een gesubsidieerd product in verband met de exploratie van het continentaal plateau of de exclusieve economische zone van een lidstaat of de winning van grondstoffen in die gebieden, wordt als invoer in de zin van deze verordening beschouwd die dienovereenkomstig aan rechten wordt onderworpen indien als gevolg van dat gebruik schade wordt berokkend aan de bedrijfstak van de Unie."; [Am. 48]

"

1.  In artikel 9, lid 1, wordt de aanhef vervangen door:"

"1. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder "bedrijfstak van de Unie"verstaan, de gezamenlijke producenten in de Unie van de soortgelijke producten of diegenen van deze producenten wier gezamenlijke productie van de betrokken producten een groot deel van de totale productie van deze producten in de Unie uitmaakt, met dien verstande dat:";

"

1 bis.  In artikel 10, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:"

"1. Behoudens het bepaalde in lid 8 wordt een onderzoek geopend naar het bestaan, de mate en de gevolgen van beweerde subsidiëring naar aanleiding van een schriftelijke klacht die namens de bedrijfstak van de Unie door een natuurlijke persoon, door een rechtspersoon of door een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid wordt ingediend.. Klachten kunnen ook door de bedrijfstak van de Unie of een namens deze handelende natuurlijke persoon of rechtspersoon of vereniging zonder rechtspersoonlijkheid gezamenlijk met vakbonden worden ingediend."; [Am. 91]

"

1 ter.  Aan artikel 10, lid 6, wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"In het geval van gediversifieerde en gefragmenteerde bedrijfstakken die grotendeels uit kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) bestaan, helpt de Commissie de belanghebbenden deze drempels te bereiken door ondersteuning te bieden via de kmo-helpdesk."; [Am. 94]

"

1 quater.  Artikel 10, lid 8, wordt vervangen door:"

"8. Indien de Commissie in bijzondere omstandigheden, met name in het geval van diverse en gefragmenteerde bedrijfstakken die merendeels uit kmo´s bestaan, , besluit een onderzoek te openen zonder dat zij een schriftelijke klacht van of namens de bedrijfstak van de Unie om tot opening van een onderzoek over te gaan, heeft ontvangen, geschiedt zulks aan de hand van voldoende bewijsmateriaal betreffende het bestaan van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, van schade en van oorzakelijk verband als bedoeld in lid 2, om de opening van een dergelijk onderzoek te rechtvaardigen." [Am. 49]

"

1 quinquies.  Artikel 11, lid 9, wordt vervangen door:"

"9. Het onderzoek in de overeenkomstig artikel 10, lid 11 ingeleide procedures wordt, voor zover mogelijk, binnen uiterlijk negen maanden afgesloten. Het wordt in ieder geval binnen 10 maanden na de opening ervan afgesloten in overeenstemming met de bevindingen als bedoeld in artikel 13 voor verbintenissen of met die als bedoeld in artikel 15 voor definitieve maatregelen. De onderzoeksperioden vallen indien mogelijk, in het bijzonder in het geval van diverse en gefragmenteerde bedrijfstakken die grotendeels uit kmo´s bestaan, samen met het boekjaar."; [Am. 51]

"

2.  Aan artikel 11 worden volgende leden toegevoegd:"

"11. De producenten van het soortgelijke product in de Unie, zijn verplicht tot kleine en micro- ondernemingen uitgezonderd, worden verzocht om medewerking aan de krachtens artikel 10, lid 8, ingeleide procedure. [Am. 50]

   11 bis. De Commissie bevordert de toegang tot het instrument voor diverse en gefragmenteerde bedrijfstakken, die grotendeel uit kmo´s bestaan, in de context van gevallen van antisubsidie, door middel van een kmo-helpdesk.

De kmo-helpdesk zorgt voor meer bekendheid van het instrument en geeft voorlichting en uitleg met betrekking tot specifieke zaken, de vraag hoe een klacht kan worden ingediend en hoe bewijzen voor tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies en schade het best kunnen worden gepresenteerd. De kmo-helpdesk stelt standaardformulieren beschikbaar voor met het oog op de beoordeling van de representativiteit in te dienen statistieken en voor de vragenlijsten.

Na de instelling van een onderzoek stelt de kmo-helpdesk ondernemingen en hun relevante verenigingen die waarschijnlijk gevolgen zullen ondervinden van de instelling van het onderzoek op de hoogte van de relevante termijnen om zich te laten registreren als belanghebbende.

De kmo-helpdesk helpt de ondernemingen met vragen inzake het invullen van vragenlijsten, waarbij bijzondere aandacht zal worden besteed aan vragen van kmo's met betrekking tot onderzoeken die worden ingesteld overeenkomstig artikel 10, lid 8. Voor zover mogelijk helpt zij problemen als gevolg van taalbarrières verminderen.

Ingeval kmo´s aantonen dat er aanwijzingen zijn voor tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, verstrekt de kmo-helpdesk, overeenkomstig artikel 24, lid 6, informatie over de ontwikkeling van de omvang en de waarde van de invoer van het betrokken product.

De kmo-helpdesk geeft tevens adviezen over aanvullende manieren om in contact te treden met de raadadviseur-auditeur en de nationale douaneautoriteiten. De kmo-helpdesk informeert ondernemingen over de mogelijkheden en de voorwaarden waaronder zij kunnen verzoeken om herziening van de maatregelen en om terugbetaling van de betaalde tot compenserende maatregelen aanleiding gevende rechten. [Am. 52]

   11 ter. De Commissie zorgt voor optimale toegang tot informatie voor alle belanghebbenden door te voorzien in een informatiesysteem door middel waarvan belanghebbenden op de hoogte worden gesteld wanneer er nieuwe niet-vertrouwelijke informatie wordt toegevoegd aan het onderzoeksdossier. Niet-vertrouwelijke informatie moet ook toegankelijk worden gemaakt via een internetplatform. [Am. 53]
   11 quater. De Commissie ziet erop toe dat de procedurele rechten van de belanghebbenden daadwerkelijk gewaarborgd worden en zorgt er tevens voor dat procedures onpartijdig, objectief en binnen een redelijke termijn worden afgewikkeld, waar nodig door een raadadviseur-auditeur. [Am. 54]
   11 quinquies. De vragenlijsten die in de onderzoeken worden gebruikt, worden op verzoek van belanghebbenden door de Commissie opgesteld in alle officiële talen van de Unie."; [Am. 55]

"

3.  Artikel 12, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

(-a)  de tweede alinea wordt vervangen door:"

"Voorlopige rechten worden niet eerder ingesteld dan 60 dagen en niet later dan zes maanden na de inleiding van de procedure."; [Am. 56]

"

(a)  de derde alinea wordt vervangen door:"

"Het voorlopig compenserend recht bedraagt niet meer dan het totaal van de voorlopig vastgestelde, tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies.";

"

(b)  de volgende alinea wordt aan het einde toegevoegd:"

"Voorlopige rechten worden niet eerder toegepast dan twee weken na toezending van de informatie aan de belanghebbenden overeenkomstig artikel 29 bis. Deze informatie doet geen afbreuk aan besluiten die de Commissie daarna neemt." [Am. 57]

"

3 bis.  Artikel 13, lid 1, wordt vervangen door:"

"1. Mits er voorlopig is vastgesteld dat subsidiering plaatsvindt en daaruit schade voortvloeit, kan de Commissie overgaan tot aanvaarding van op vrijwillige basis aangeboden verbintenissen, die inhouden dat:

   (a) het land van oorsprong en/of van uitvoer ermee instemt de subsidie in te trekken of te beperken of andere maatregelen te nemen met betrekking tot de gevolgen ervan, of
   (b) een exporteur zich ertoe verbindt zijn prijzen te herzien of zijn uitvoer naar het betrokken gebied te staken zolang voor deze uitvoer tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies worden verleend, mits de Commissie na specifieke raadpleging van het raadgevend comité heeft vastgesteld dat daarmee de schadelijke gevolgen van de subsidiëring worden weggenomen.

In dergelijke gevallen en voor de duur van de verbintenis gelden de door de Commissie op grond van artikel 12, lid 3, ingestelde voorlopige rechten of de door de Raad op grond van artikel 15, lid 1, ingestelde definitieve rechten niet voor de invoer van de betreffende producten die worden geproduceerd door de ondernemingen die worden genoemd in het besluit van de Commissie tot aanvaarding van verbintenissen, en eventuele wijzigingen daarvan.

De regel van het lagere recht is niet van toepassing op prijzen die in het kader van dergelijke verbintenissen in verband met antisubsidieprocedures worden overeengekomen."; [Am. 58]

"

3 ter.  Artikel 13, lid 4, wordt vervangen door:"

"4. Partijen die een verbintenis aanbieden, dienen een betekenisvolle niet-vertrouwelijke versie daarvan te verschaffen die ter beschikking van de bij het onderzoek betrokken partijen, het Europees Parlement en de Raad kan worden gesteld. De partijen worden verzocht zo veel mogelijk informatie te verstrekken betreffende de inhoud en aard van de onderneming waarbij terdege rekening wordt gehouden met de bescherming van vertrouwelijke informatie in de zin van artikel 29. Voorts moet de Commissie alvorens een eventuele aangeboden verbintenis te aanvaarden de bedrijfstak van de Unie raadplegen met betrekking tot de belangrijkste kenmerken van de onderneming."; [Am. 59]

"

4.  In artikel 14 wordt lid 5 vervangen door:"

"5. De hoogte van de subsidies waartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, wordt als minimaal beschouwd indien deze minder dan 1% ad valorem bedraagt, met dien verstande dat bij onderzoeken naar de invoer uit ontwikkelingslanden de drempel voor het als minimaal te beschouwen 2% ad valorem bedraagt.";

"

5.  In artikel 15, lid 1, wordt de laatste alinea vervangen door:"

"Het compenserend recht bedraagt niet meer dan de vastgestelde, tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies.";

"

6.  Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

(a)  aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"Indien de maatregel na een onderzoek als bedoeld in artikel 18 komt te vervallen, worden alle na de datum van inleiding van dat onderzoek geïnde rechten terugbetaald. De terugbetaling moet overeenkomstig de douanewetgeving van de Unie bij de nationale douaneautoriteiten worden aangevraagd." [Am. 60]

"

(b)  lid 6 wordt geschrapt.

7.  Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

(a)  in de tweede volzin van lid 4 wordt "kan" vervangen door "moet".

(b)  in lid 6 wordt de tweede alinea vervangen door:"

"Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter ontwijking buiten de Unie geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan producenten van het betreffende product als zij kunnen aantonen dat zij niet betrokken zijn bij enige ontwijking zoals beschreven in lid 3.";

"

(c)  in lid 6 wordt de derde alinea vervangen door:"

"Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter ontwijking binnen de Unie geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan importeurs als zij kunnen aantonen dat zij niet betrokken zijn bij enige ontwijking zoals beschreven in lid 3.";

"

7 bis.  Artikel 24, lid 3, wordt vervangen door:"

"3. Uit hoofde van deze verordening kunnen bijzondere bepalingen worden vastgesteld, in het bijzonder wat de gemeenschappelijke definitie betreft van het begrip "oorsprong van goederen" als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2913/92 of overeenkomstig artikel 2 van het douanewetboek."; [Am. 61]

"

7 ter.  In artikel 24 wordt lid 5 vervangen door:"

"5. De Commissie kan, nadat zij de lidstaten tijdig heeft geïnformeerd, de douaneautoriteiten opdracht geven passende maatregelen te nemen om de invoer te registreren, zodat met ingang van de datum van registratie maatregelen met betrekking tot deze invoer kunnen worden genomen.

Tot registratie van de invoer wordt overgegaan naar aanleiding van een door de bedrijfstak van de Unie ingediend verzoek dat voldoende bewijsmateriaal bevat om een dergelijke maatregel te rechtvaardigen. De invoer kan ook op initiatief van de Commissie aan registratie worden onderworpen.

Indien de door de bedrijfstak van de Unie ingediende klacht een verzoek tot registratie en voldoende bewijsmateriaal bevat om een dergelijke maatregel te rechtvaardigen, wordt de invoer aan registratie onderworpen met ingang van de datum waarop het onderzoek wordt ingesteld.

De registratieverplichting wordt opgelegd door middel van een verordening waarin het doel van de maatregel en, zo nodig, een schatting van de bedragen die eventueel later verschuldigd zullen zijn, worden vermeld. De invoer wordt voor een periode van ten hoogste negen maanden aan registratieplicht onderworpen."; [Am. 78]

"

7 quater.  In artikel 24 wordt lid 6 vervangen door:"

"6. De lidstaten brengen de Commissie maandelijks verslag uit over de invoer van goederen die voorwerp van onderzoeken en maatregelen zijn, onder opgave van het bedrag van de rechten dat op grond van de onderhavige verordening is geheven. De Commissie kan na ontvangst van een uitdrukkelijk en met redenen omkleed verzoek van een belanghebbende partij en na advies hierover van het in artikel 25, lid 2, bedoelde comité beslissen om hen te informeren over het volume en de waarde van de invoer van deze producten."; [Am. 76]

"

7 quinquies.  Aan artikel 24 wordt het volgende lid toegevoegd:"

"7 bis. Wanneer de Commissie beoogt een document aan te nemen of te publiceren ter verduidelijking van de vaste praktijk van de Commissie met betrekking tot de toepassing van enig element van deze verordening, raadpleegt zij alvorens het document aan te nemen of te publiceren het Europees Parlement en de Raad, teneinde consensus te bereiken en het desbetreffende document aan te nemen. Voor latere wijzigingen van dergelijke documenten gelden dezelfde procedurele vereisten. In elk geval zijn deze documenten in volledige overeenstemming met de bepalingen van deze verordening. Zij strekken niet tot uitbreiding van de bevoegdheden van de Commissie tot het vaststellen van maatregelen, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie."; [Am. 64]

"

8.  In Artikel 27, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door wordt vervangen door:"

"1. Indien het aantal producenten in de Unie, exporteurs of importeurs, dat medewerking aan het onderzoek verleent, of het aantal productsoorten of transacties groot is, kan het onderzoek worden beperkt tot:

   a) een redelijk aantal partijen, producten of transacties door aan de hand van op het tijdstip van de selectie beschikbare informatie van statistisch significante steekproeven gebruik te maken; of
   b) het grootste representatieve productie-, afzet- of uitvoervolume dat redelijkerwijs binnen de beschikbare tijd kan worden onderzocht.

In het geval van diverse en gefragmenteerde bedrijfstakken die grotendeels uit kmo´s bestaan,wordt bij de definitieve selectie van partijen rekening gehouden met hun aandeel in de desbetreffende bedrijfstak."; [Am. 65]

"

9.  Na artikel 29 wordt het volgende artikel ingevoegd:"

"Artikel 29 bis

Informatie over voorlopige maatregelen

"1. De producenten in de Unie, de importeurs, de exporteurs, en hun representatieve verenigingen en het land van oorsprong en/of van uitvoer kunnen om informatie verzoeken over de beoogde instelling van voorlopige rechten. Deze verzoeken dienen binnen de in het bericht van opening/inleiding vastgestelde termijn schriftelijk te worden ingediend. Dergelijke informatie wordt deze partijen ten minste twee weken vóór het verstrijken van de in artikel 12, lid 1, genoemde termijn voor de instelling van voorlopige rechten ter beschikking gesteld.

Deze informatie omvat het volgende:

   a) een slechts ter informatie dienend overzicht over de voorgestelde rechten, en
   b) nadere gegevens over de berekening van de subsidiemarge en de passende marge om de schade aan de bedrijfstak van de Unie weg te nemen, waarbij naar behoren rekening moet worden gehouden met de geheimhoudingsverplichtingen van artikel 29. De betrokken partijen kunnen binnen een termijn van drie werkdagen opmerkingen over de juistheid van de berekeningen indienen.
   2. Indien wordt besloten het onderzoek voort te zetten zonder voorlopige rechten in te stellen, worden de belanghebbenden twee weken vóór het verstrijken van de in artikel 12, lid 1, genoemde termijn voor de instelling van voorlopige rechten in kennis gesteld van het feit dat geen voorlopige rechten worden ingesteld." [Am. 66]

"

10.  Artikel 31, lid 2, wordt vervangen door:"

"2. Teneinde de autoriteiten een deugdelijke basis te verschaffen om bij het besluit of de instelling van maatregelen in het belang van de Unie is, met alle standpunten en gegevens rekening te kunnen houden, kunnen de producenten in de Unie, de importeurs en hun representatieve verenigingen, de representatieve gebruikers- en consumentenorganisaties zich binnen de in het bericht van opening van een antisubsidieonderzoek gestelde termijnen, bij de Commissie bekendmaken en haar inlichtingen verstrekken. Deze inlichtingen, of passende samenvattingen daarvan, worden ter beschikking gesteld aan de andere in dit lid genoemde partijen die het recht hebben daarover opmerkingen te maken." [Am. 67]

"

10 bis.  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 33 bis.

Verslag

   1. Om het toezicht op de tenuitvoerlegging van de Verordening door het Europees Parlement en de Raad te vergemakkelijken legt de Commissie, hierbij terdege rekening houdend met de bescherming van vertrouwelijke informatie in de zin van artikel 19, het Europees Parlement en de Raad jaarlijks een verslag voor over de toepassing en tenuitvoerlegging van deze verordening, als onderdeel van een dialoog inzake handelsbeschermingsinstrumenten tussen de Commissie, het Europees Parlement en de Raad. Het verslag omvat informatie over de vaststelling van voorlopige en definitieve maatregelen, de beëindiging van onderzoeken zonder maatregelen, verbintenissen, nieuwe onderzoeken, herzieningsprocedures en verificatiebezoeken, en de activiteiten van de diverse instanties die bevoegd zijn voor het toezicht op de uitvoering van de verordening en de naleving van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening. Het verslag omvat ook het gebruik van handelsbeschermingsinstrumenten door derde landen gericht tegen de Unie, informatie over het herstel van de bedrijfstak van de Unie die getroffen wordt door de genomen maatregelen en de beroepen tegen de genomen maatregelen. Het omvat de werkzaamheden van de raadadviseur-auditeur van het Directoraat-generaal Handel en die van de kmo-helpdesk in verband met de toepassing van deze verordening.
   2. Het Europees Parlement kan de Commissie binnen een maand nadat deze het verslag heeft ingediend, op een ad-hocvergadering van zijn bevoegde commissie uitnodigen om alle aspecten met betrekking tot de toepassing van deze verordening uiteen te zetten en toe te lichten. Het verslag kan tevens onderwerp zijn van een resolutie.
   3. Uiterlijk zes maanden na de indiening van het verslag bij het Europees Parlement en de Raad, maakt de Commissie het verslag openbaar.". [Am. 68]

"

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het wordt geconsolideerd met Verordening (EG) nr. 1225/2009 en Verordening (EG) nr. 597/2009 uiterlijk op …(5) [Am. 69]

Artikel 4

Deze verordening is van toepassing op alle onderzoeken waarvoor na de inwerkingtreding van deze verordening overeenkomstig artikel 10, lid 11, van Verordening (EG) nr. 597/2009 of artikel 5, lid 9, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 een bericht van inleiding van een procedure is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) Op basis van de amendementen aangenomen op 5 februari 2014 (Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0082).
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2014.
(3)Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51).
(4)Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 93).
(5) * Drie maanden na inwerkingtreding van deze verordening.


Statuut en financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen ***I
PDF 200kWORD 55k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (COM(2012)0499 – C7-0288/2012 – 2012/0237(COD))
P7_TA(2014)0421A7-0140/2013

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0499),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 224 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0288/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 7 februari 2013(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 13 februari 2013(2),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 31 januari 2013(3),

–  gezien zijn resolutie van 6 april 2011 over de toepassing van Verordening (EG) nr. 2004/2003 betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau(4),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 5 maart 2014 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie juridische zaken (A7‑0140/2013),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2014 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

P7_TC1-COD(2012)0237


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.)

(1) PB C 67 van 7.3.2013, blz. 1.
(2) PB C 133 van 9.5.2013, blz. 90.
(3) PB C 62 van 2.3.2013, blz. 77.
(4) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 46.


Financiering van Europese politieke partijen ***I
PDF 196kWORD 46k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 wat betreft de financiering van Europese politieke partijen (COM(2012)0712 – C7-0393/2012 – 2012/0336(COD))
P7_TA(2014)0422A7-0200/2013

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0712),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0393/2012),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 7 februari 2013(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 31 maart 2014 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en het advies van de Commissie constitutionele zaken (A7‑0200/2013),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, aan de Commissie, aan de Rekenkamer, alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2014 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2014 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 wat betreft de financiering van Europese politieke partijen

P7_TC1-COD(2012)0336


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU, Euratom) nr. 1142/2014.)

(1) PB C 67 van 7.3.2013, blz. 1.


Financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie ***I
PDF 205kWORD 51k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (COM(2013)0639 – C7-0303/2013 – 2013/0313(COD))
P7_TA(2014)0423A7-0108/2014

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0639),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0303/2013),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 3 december 2013(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 28 maart 2014 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7-0108/2014),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij deze resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2014 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU, Euratom) nr. .../2014 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie

P7_TC1-COD(2013)0313


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU, Euratom) nr. 547/2014.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gemeenschappelijk Verklaring over de afzonderlijke kwijting voor Gemeenschappelijke Ondernemingen overeenkomstig artikel 209 van het Financieel Reglement

1.  Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zijn het erover eens dat gemeenschappelijke ondernemingen zouden moeten worden opgericht overeenkomstig artikel 209 van het Financieel Reglement, zodat zij kunnen profiteren van de vereenvoudigde financiële regels die beter aansluiten bij hun publiek-private aard.

Zij zijn het echter ook eens over het volgende:

–  Gezien de specifieke aard en de huidige status van de gemeenschappelijke ondernemingen en ten behoeve van continuïteit met het zevende kaderprogramma zou er voor de gemeenschappelijke ondernemingen een afzonderlijke kwijting moeten blijven bestaan die op aanbeveling van de Raad door het Europees Parlement wordt verleend. Daarom zullen in de oprichtingshandelingen van de gemeenschappelijke ondernemingen die in het kader van het programma Horizon 2020 worden opgericht specifieke afwijkingen van artikel 209 van het Financieel Reglement worden ingevoerd. In deze afwijkingen zal worden verwezen naar de afzonderlijke kwijting en zullen zo nodig aanvullende aanpassingen staan.

–  De gedelegeerde verordening van de Commissie van 30 september 2013 betreffende de financiële modelregeling voor PPP's overeenkomstig artikel 209 van het Financieel Reglement moet in werking treden, zodat de gemeenschappelijke ondernemingen onmiddellijk kunnen profiteren van de in het nieuwe financiële kader ingevoerde vereenvoudigingen.

2.  Het Europees Parlement en de Raad nemen er nota van dat de Commissie:

–  ervoor zal zorgen dat de financiële regels van de gemeenschappelijke ondernemingen afwijkingen van de financiële modelregeling voor PPP's bevatten die weergeven dat er in hun oprichtingshandelingen een afzonderlijke kwijting is ingevoerd;

–  voornemens is de noodzakelijke wijzigingen in de artikel 209 en artikel 60, lid 7 van het Financieel Reglement voor te stellen in het kader van de toekomstige herziening van het Financieel Reglement.

(1) PB C 4 van 8.1.2014, blz. 1.


Kooldioxide-emissies door maritiem vervoer ***I
PDF 546kWORD 182k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie van kooldioxide-emissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 (COM(2013)0480 – C7-0201/2013 – 2013/0224(COD))
P7_TA(2014)0424A7-0080/2014

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0480),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0201/2013),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 oktober 2013(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

–  gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie vervoer en toerisme (A7-0080/2014),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2014 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie van kooldioxidebroeikasgasemissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 [Am. 1]

P7_TC1-COD(2013)0224


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het klimaat- en energiepakket(5), waarin wordt opgeroepen tot bijdragen van alle sectoren van de economie aan het bereiken van deze emissieverminderingen, met inbegrip van de internationale zeevaart, biedt een duidelijk mandaat: "Indien er uiterlijk op 31 december 2011 via de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) geen internationale overeenkomst waarin de emissies van de internationale zeescheepvaart in de reductiestreefcijfers worden opgenomen, door de lidstaten is goedgekeurd en/of een dergelijke via het UNFCCC tot stand gekomen overeenkomst niet door de Gemeenschap is goedgekeurd, dient de Commissie een voorstel te doen inzake de opname van de emissies van de internationale zeescheepvaart in de reductieverplichting van de Gemeenschap, zulks met het oog op de inwerkingtreding van het voorgestelde besluit uiterlijk in 2013. Dit voorstel dient eventuele negatieve gevolgen voor de concurrentiepositie van de Gemeenschap, rekening houdend met de potentiële milieuvoordelen, tot een minimum te beperken.".

(1 bis)  Maritiem vervoer heeft een effect op het mondiale klimaat en op de luchtkwaliteit, ten gevolge van de kooldioxide-emissie (CO2) en overige emissies, waaronder stikstofoxide (NOx), zwaveloxide (SOx), methaan (CH4), fijnstof (PM) en zwarte koolstof (BC). [Am. 2]

(1 ter)  De internationale zeescheepvaart is de enige vervoerssector die buiten het streven van de Unie naar terugdringing van de broeikasgasuitstoot valt. Volgens de effectbeoordeling bij dit verordeningsvoorstel zijn de EU-gerelateerde CO2-emissies door de internationale scheepvaart van 1990 tot 2007 met 48 % toegenomen. [Am. 3]

(1 quater)  In het licht van het snel ontwikkelende wetenschappelijke inzicht in deze effecten, moet in de context van deze verordening regelmatig een bijgewerkte beoordeling van de niet-CO2-effecten van het maritiem vervoer op het mondiale klimaat worden uitgevoerd. De Commissie moet aan de hand van haar beoordelingen en rekening houdend met de resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2011 over een brede aanpak van niet-CO2 -gerelateerde maar voor het klimaat relevante antropogene emissies, de implicaties voor het beleid en de beleidsmaatregelen analyseren om die emissies te beperken. [Am. 4]

(1 quinquies)  De Commissie moet ook maatregelen treffen om de andere activiteiten aan te pakken die leiden tot de emissie van broeikasgassen en luchtvervuilende stoffen die niet onder deze verordening vallen, d.w.z. het gebruik van koelvloeistoffen aan boord van vissersvaartuigen, en verdampingsemissies bij het laden-lossen van brandstof en bulkgoederen (bijv. vluchtige organische stoffen (VOC's), PM). [Am. 5]

(1 sexies)  In het witboek "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" van de Commissie van 28 maart 2011 wordt ertoe opgeroepen uiterlijk in 2050 de emissies van maritiem vervoer met 40 % (indien haalbaar met 50 %) te verminderen ten opzichte van 2005, te weten door toepassing van de beginselen "de gebruiker betaalt" en "de vervuiler betaalt". [Am. 6]

(1 septies)  In de resolutie van het Europees Parlement van 15 december 2011 over het Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem wordt opgeroepen tot "een uniforme reductie van de uitstoot van CO2 en vervuilende stoffen in de scheepvaart met 30 % in de hele Unie, waartoe de IMO-overeenkomsten inzake de "Energy Efficiency Index"(EEDI) en het "Ship Energy Efficiency Management Plan"(SEEMP) zullen bijdragen". [Am. 7]

(2)  In juli 2011 heeft de IMO technische en operationele maatregelen goedgekeurd, in het bijzonder de EEDI voor nieuwe schepen en het SEEMP, die tot verbetering zullen leiden in de vorm van een vermindering van de verwachte toename van broeikasgasemissies, maar die op zichzelf niet kunnen leiden tot de benodigde absolute vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door de internationale scheepvaart die benodigd is om te voldoen aan de wereldwijde doelstelling voor de beperking van de wereldwijde temperatuurstijging tot 2 °C.

(3)  Volgens door de IMO verstrekte gegevens kunnen het specifieke energieverbruik en de CO2-emissies van schepen tot met 25 tot 75 % worden verminderd door toepassing van operationele maatregelen en benutting van bestaande technologieën; een aanzienlijk deel van deze maatregelen kan worden beschouwd als kosteneffectief, - of zouden de sector zelfs nettovoordelen kunnen bieden - aangezien de lagere brandstofkosten ervoor zorgen dat eventuele operationele of investeringskosten kunnen worden terugverdiend. [Am. 8]

(4)  Om de kooldioxide-emissies door de scheepvaart op Unie-niveau te verminderen, blijft de best mogelijke optie het oprichten tenuitvoerleggen van een marktgebaseerde maatregel, namelijk beprijzing van de emissies of een heffing waarvoor de oprichting nodig is van een systeem voor monitoring, rapportage en verificatie (MRV) van CO2-emissies broeikasgasemissies op basis van het brandstofverbruik van schepen.als Het verzamelen van gegevens over die emissies is een eerste stap in een gefaseerde aanpak, die gerechtvaardigd wordt door de noodzaak om dergelijke emissies terug te dringen, voor de opname van emissies door maritiem vervoer in de verbintenis van de Unie voor de vermindering van broeikasgassen. Toegang van het publiek tot de emissiegegevens zal bijdragen tot het wegnemen van marktbelemmeringen die vaak verhinderen dat maatregelen die meer opleveren dan ze kosten en die de emissies van de sector beperken, worden toegepast. [Am. 9]

(5)  De goedkeuring van maatregelen om broeikasgasemissies en brandstofverbruik te verminderen, wordt gehinderd door het bestaan van marktbelemmeringen, zoals het gebrek aan betrouwbare informatie over de brandstofefficiëntie van schepen of aan technologieën om schepen aan te passen, gebrek aan toegang tot financiering voor investeringen in de efficiëntie van schepen en de verdeling van de voordelen, aangezien scheepseigenaren niet profiteren van hun investeringen omdat de brandstofrekening wordt betaald door de exploitant.

(6)  Uit de resultaten van de belanghebbendenraadpleging en besprekingen met internationale partners blijkt dat een gefaseerde aanpak voor de opname van emissies door maritiem vervoer in de verbintenis van de Unie voor het verminderen van broeikasgasemissies moet worden toegepast door de invoering van een robuust MRV-systeem voor CO2-emissies broeikasgasemissies door maritiem vervoer als eerste stap en de prijsstelling invoering van nieuwe beleidsinstrumenten, met name, de beprijzing van deze emissies of een heffing in een latere fase. Dankzij deze aanpak wordt het mogelijk om op internationaal niveau aanzienlijke vooruitgang te boeken bij het afspreken van doelen voor de vermindering van broeikasgasemissies en nadere maatregelen om deze verminderingen tegen minimale kosten te bewerkstelligen. [Am. 10]

(7)  De verwachting is dat de invoering van een MRV-systeem voor de Unie zal leiden tot emissieverminderingen van maximaal 2 % in vergelijking met de voortzetting van de huidige aanpak en geaggregeerde netto kostenbesparingen van maximaal 1,2 miljard EUR tegen 2030, aangezien het kan bijdragen aan het wegnemen van marktbelemmeringen, in het bijzonder belemmeringen die verband houden met het gebrek aan informatie over de efficiëntie van schepen. Deze verlaging van de vervoerskosten komt ten goede aan de internationale handel. Daarnaast is een robuust MRV-systeem een vereiste voor marktgebaseerde maatregelen of efficiëntienormen andere maatregelen om het beginsel "de vervuiler betaalt" een betere grondslag te verschaffen, of die nu op Unie-niveau of wereldwijd worden toegepast. Gezien het internationale karakter van de scheepvaart is een wereldwijde, gecoördineerde aanpak de aangewezen en meest effectieve methode om emissies door de internationale scheepvaart te verminderen. Tevens biedt het systeem betrouwbare gegevens om exacte streefdoelen voor emissievermindering te kunnen vaststellen en de voortgang te beoordelen in de bijdrage van het maritiem vervoer aan een koolstofarme economie. [Am. 11]

(8)  Alle reizen binnen de Unie, alle inkomende reizen vanuit de laatste haven buiten de Unie naar de eerste Unie-haven en alle uitgaande reizen vanuit een Unie-haven naar een volgende haven buiten de Unie moeten met het oog op de monitoring als relevant worden beschouwd. CO2-emissies Broeikasgasemissies in Unie-havens, inclusief schepen die aangemeerd liggen of zich verplaatsen binnen de haven, moeten ook worden meegerekend, met name omdat er specifieke maatregelen en alternatieve technologieën, zoals infrastructuren voor stroomvoorziening van schepen op de aanlegplaats, beschikbaar zijn voor de vermindering of voorkoming daarvan. Deze regels moeten op non-discriminatoire wijze worden toegepast op alle schepen, ongeacht de gevoerde vlag. [Am. 12]

(8 bis)  Gezien het geografische toepassingsgebied en de bijbehorende noodzaak de broeikasgasemissies buiten de jurisdictie van de lidstaten te controleren, en gezien de opname van overal ter wereld gevestigde rederijen, moet de Commissie derde landen in een vroeg stadium en op passende wijze informeren, zodat de internationale acceptatie maximaal is. [Am. 13]

(9)  Het voorgestelde MRV-systeem moet worden vastgesteld door middel van een verordening vanwege de complexe en zeer technische aard van de geïntroduceerde bepalingen, de noodzaak van uniforme regels in de hele Unie gelet op de internationale aard van de zeevaart, met talloze schepen die havens aandoen in verschillende lidstaten, en om toepassing in de hele Unie makkelijker te maken.

(10)  Een robuust, per schip specifiek MRV-systeem voor de Unie moet worden gebaseerd op de berekening van de emissies afkomstig van de verbruikte brandstof of op de accurate rapportage van de werkelijke emissies op reizen van en naar Unie-havens, aangezien brandstofverkoopgegevens niet voldoende nauwkeurige ramingen kunnen bieden voor het brandstofverbruik binnen dit specifiek toepassingsgebied als gevolg van de grote tankcapaciteit van schepen. [Am. 14]

(11)  Het MRV-systeem van de Unie moet ook andere klimaatrelevante relevante informatie omvatten waarmee de efficiëntie van de schepen kan worden vastgesteld of waarmee om de bepalende factoren voor de ontwikkeling van emissies verder kunnen worden geanalyseerd. Dit toepassingsgebied brengt te analyseren en het MRV-systeem van de Unie in lijn te brengen met internationale initiatieven voor de invoering van efficiëntienormen voor bestaande schepen, die tevens operationele maatregelen omvatten, en draagt bij te dragen aan het wegnemen van marktbelemmeringen die verband houden met het gebrek aan informatie. [Am. 15]

(12)  Om de administratieve lasten voor scheepseigenaren en –exploitanten te minimaliseren, in het bijzonder voor kleine en middelgrote ondernemingen, en om de kosten/batenverhouding van het MRV te optimaliseren zonder de doelstelling om een groot deel van de broeikasgasemissies door maritiem vervoer te regelen, in gevaar te brengen, moeten de regels voor MRV alleen van toepassing zijn op grote uitstoters. Er is na een gedetailleerde objectieve analyse van de omvang en emissies van schepen vanuit en naar Unie-havens gekozen voor een drempel van 5 000 bruto ton (GT). Ongeveer 55 % van het aantal schepen dat Unie-havens aandoet, zijn schepen van 5 000 GT en meer, die ongeveer 90 % van de betreffende emissies vertegenwoordigen. Met deze non-discriminatoire maatregel wordt ervoor gezorgd dat de belangrijkste uitstoters onder de verordening vallen. Een lagere drempel leidt tot hogere administratieve lasten, terwijl een hogere drempel de dekking van de emissies zou beperken en derhalve ook de effectiviteit van het systeem voor het milieu.

(13)  Om de administratieve lasten voor scheepseigenaren en –exploitanten verder te beperken, richten de monitoringsregels zich op CO2 als verreweg het meest relevante broeikasgas dat wordt uitgestoten door maritiem vervoer en dat goed is voor bijna 98 % van de totale broeikasgasemissies in de sector. [Am. 17]

(14)  De regels moeten rekening houden met de bestaande eisen en gegevens die al op schepen beschikbaar zijn; om die reden moet aan scheepseigenaren de mogelijkheid worden geboden om te kiezen voor een van de volgende vier monitoringmethoden: het gebruik van brandstofleveringsnota’s, monitoring van de brandstoftank, stroommeters voor de toepasselijke verbrandingsprocessen of directe emissiemetingen. In een voor ieder schip specifiek monitoringplan moet de gemaakte keuze worden vastgelegd; het plan moet nadere gegevens verstrekken over de toepassing van de geselecteerde methode.

(15)  Bedrijven die verantwoordelijk zijn voor een volledige rapportageperiode van een schip dat scheepvaartactiviteiten uitvoert, moeten verantwoordelijk worden geacht voor de naleving van alle monitoring- en rapportagevereisten gedurende deze rapportageperiode, met inbegrip van de indiening van een naar behoren geverifieerd emissierapport. Bij verandering van eigenaar is de nieuwe eigenaar alleen verantwoordelijk voor naleving van de monitoring- en rapportageverplichtingen betreffende de rapportageperiode waarin de verandering van eigenaar is opgetreden. Om de naleving van deze vereisten makkelijker te maken, moet de nieuwe eigenaar een kopie ontvangen van het meest recente monitoringplan en, indien van toepassing, een conformiteitsdocument. De verandering van eigenaar moet ook leiden tot wijziging van het monitoringplan om de nieuwe eigenaar van het schip in staat te stellen zijn eigen keuze te maken voor een bepaalde monitoringmethode.

(16)  Op dit moment vallen andere broeikasgassen, klimaatbeïnvloeders en luchtvervuilers niet onder het Het MRV-systeem van de Unie om te voorkomen dat de installatie van niet voldoende betrouwbare en in de handel beschikbare meetapparatuur kan worden vereist, hetgeen de invoering van het MRV-systeem in de Unie zou kunnen hinderen biedt een mogelijkheid om te zorgen voor coherente regulering van de scheepvaartsector ten opzichte van andere sectoren. [Am. 18]

(16 bis)  Krachtens het MARPOL-Verdrag worden de EEDI voor nieuwe schepen, alsmede het gebruik van de SEEMP's binnen de bestaande vloot verplicht gesteld. [Am. 19]

(17)  Om de administratieve lasten voor scheepseigenaren en –exploitanten te beperken, moet de rapportage en publicatie van gerapporteerde informatie op jaarbasis worden verzorgd. Als de publicatie van emissies, brandstofverbruik en efficiëntiegerelateerde informatie wordt beperkt tot jaarlijkse gemiddelden en geaggregeerde cijfers, moet rekening worden gehouden met vertrouwelijkheidskwesties. De aan de Commissie gerapporteerde gegevens moeten worden opgenomen in statistieken voor zover deze gegevens relevant zijn voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken in overeenstemming met Besluit 2012/504/EU van de Commissie(6).

(18)  Verificatie door geaccrediteerde controleurs moet ervoor zorgen dat monitoringplannen en emissieverslagen correct zijn en voldoen aan de bij deze verordening gestelde vereisten. Bekwaamheidsvereisten zijn dan ook van essentieel belang om te waarborgen dat een verificateur de in deze verordening bedoelde verificatieactiviteiten kan uitvoeren. Als belangrijk element voor de vereenvoudiging van de verificatie, moeten controleurs de betrouwbaarheid van de gegevens controleren door gerapporteerde gegevens te vergelijken met geraamde gegevens die gebaseerd zijn op de traceergegevens en kenmerken van het schip. Dergelijke ramingen kunnen worden verstrekt door de Commissie. Controleurs zijn onafhankelijke en bevoegde personen of rechtspersonen en moeten zijn geaccrediteerd door nationale accrediteringsinstanties die zijn opgericht in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad(7). [Am. 20]

(19)  Een conformiteitsdocument dat wordt verstrekt door een controleur moet aan boord van schepen worden bewaard om aan te tonen dat aan de verplichtingen voor monitoring, rapportage en verificatie is voldaan. Controleurs dienen de Commissie te informeren over de afgifte van dergelijke documenten.

(20)  Op basis van ervaring met soortgelijke taken betreffende maritieme veiligheid, zou het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) de Commissie kunnen ondersteunen bij de uitvoering van bepaalde taken.

(21)  Niet-naleving van de bepalingen van deze verordening dient tot de toepassing van sancties te leiden. De handhaving van de verplichtingen betreffende het MRV-systeem moet worden gebaseerd op bestaande instrumenten, namelijk degene die zijn ingesteld in toepassing van Richtlijn 2009/21/EG(8) en Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad(9) en op informatie betreffende de afgifte van conformiteitsdocumenten. Het document waarin de naleving door het schip van de monitoring- en rapportageverplichtingen wordt bevestigd, moet door de Commissie worden toegevoegd aan de lijst met certificaten en documenten waarnaar wordt verwezen in artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2009/16/EG.

(22)  In Richtlijn 2009/16/EG wordt de mogelijkheid geboden een schip aan te houden indien certificaten die aan boord moeten worden bewaard niet aanwezig zijn. Indien schepen gedurende meer dan één rapportageperiode niet hebben voldaan aan de monitoring- en rapportageverplichtingen, is het echter passend om te voorzien in de mogelijkheid van verwijdering. Dit moet zodanig worden toegepast dat de situatie binnen een redelijke tijdsperiode kan worden hersteld.

(23)  Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad(10) moet worden gewijzigd om op grond van deze verordening vereisten vast te stellen voor de monitoring en de rapportage van CO2-emissies door maritiem vervoer door de lidstaten.

(24)  Het MRV-systeem van de Unie moet dienen als model voor de invoering van een wereldwijd MRV-systeem. Een wereldwijd MRV-systeem verdient de voorkeur, aangezien het als effectiever kan worden beschouwd vanwege het ruimere toepassingsgebied. In dit verband moet de Commissie relevante informatie over de tenuitvoerlegging van deze verordening delen met de IMO en andere bevoegde internationale organen en moeten er relevante voorstellen worden ingediend bij de IMO. Wanneer er overeenstemming is bereikt over een wereldwijd MRV-systeem, moet de Commissie het MRV-systeem van de Unie evalueren om het in overeenstemming te brengen met het wereldwijde systeem.

(25)  Om gebruik te kunnen maken van de beste beschikbare praktijken en wetenschappelijke informatie, moet de bevoegdheid om wetgevingshandelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag worden gedelegeerd aan de Commissie met betrekking tot de evaluatie van bepaalde technische aspecten van de monitoring en rapportage van CO2-emissies broeikasgasemissies van schepen en de nadere regels voor de verificatie van emissierapporten en de accreditatie van controleurs. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. [Am. 21]

(26)  Met het oog op uniforme voorwaarden voor het gebruik van geautomatiseerde systemen en standaard elektronische templates voor de samenhangende rapportage van emissies en andere klimaatrelevante relevante informatie aan de Commissie en betrokken landen moeten er uitvoeringsbevoegdheden worden overgedragen aan de Commissie. Deze noodzakelijke uitvoeringsbevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(11). [Am. 22]

(27)  De doelstelling van de voorgestelde actie, namelijk de monitoring, rapportage en controle van CO2-emissies broeikasgasemissies van schepen als eerste stap in een gefaseerde aanpak ter vermindering van deze emissies en ter verwezenlijking van de doelstellingen van het witboek "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte" van de Commissie kan niet voldoende worden bereikt door de lidstaten als zij alleen handelen, als gevolg van de internationale aard van de zeevaart en kan derhalve, vanwege de omvang en effecten van de actie, beter worden bereikt op Unie-niveau. De Unie kan acties vaststellen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag vastgelegde subsidiariteitsbeginsel. In overeenstemming met het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. [Am. 23]

(28)  De regels tot vaststelling van het MRV-systeem moeten voldoen aan de bepalingen van Richtlijn 95/46/EG(12) en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad(13).

(29)  Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2015 om te verzekeren dat de lidstaten en de relevante belanghebbenden voldoende tijd hebben om de noodzakelijke maatregelen te nemen voor de effectieve toepassing van deze verordening voordat de eerste verslagperiode begint op 1 januari 2018,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening zijn regels vastgesteld voor de nauwkeurige monitoring, rapportage en verificatie van kooldioxide-emissies (CO2-emissies) broeikasgasemissies en andere klimaatrelevante relevante informatie van schepen die aankomen in, zich bevinden in of vertrekken uit havens die onder de jurisdictie vallen van een lidstaat, om op kosteneffectieve wijze de vermindering van CO2-emissies broeikasgasemissies door het maritiem vervoer te bevorderen. [Am. 24]

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Deze verordening is van toepassing op de emissies van schepen van meer dan 5 000 brutoton die zijn vrijgekomen tijdens de reis van de laatste aanloophaven tot een haven onder de jurisdictie van een lidstaat, en van een haven onder de jurisdictie van een lidstaat naar de volgende aanloophaven, evenals binnen havens onder de jurisdictie van een lidstaat.

2.  Deze verordening is niet van toepassing op oorlogsschepen, hulpschepen van de marine, schepen die vis vangen of verwerken, houten schepen met een primitieve bouw, schepen die niet mechanisch worden aangedreven en overheidsschepen die worden gebruikt voor niet-commerciële doelen. [Am. 26]

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)  "emissies": de uitstoot van CO2 in de atmosfeer door schepen, zoals bepaald in artikel 2;

b)  "aanloophaven": de haven waar een schip stopt om vracht te laden of te lossen of om passagiers te laten in- of ontschepen, met uitzondering van stops die uitsluitend bedoeld zijn om te tanken, verse voorraden in te slaan en/of de bemanning af te lossen;

c)  "bedrijf": de eigenaar van een schip – zoals bepaald in artikel 2 – of een andere persoon, zoals de beheerder of de rompbevrachter, die de verantwoordelijkheid voor de scheepsactiviteiten heeft overgenomen van de scheepseigenaar;

d)  "brutotonnage" (GT): de metrische brutotonnage die is berekend overeenkomstig de voorschriften voor tonnagemeting van bijlage I bij het Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen, 1969;

e)  "verificateur": een rechtspersoon die verificatie-activiteiten uitvoert en die is geaccrediteerd door een nationale accreditatie-instantie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 en deze verordening of een agentschap dat verantwoordelijk is voor het scheepsemissiemodelleringssysteem; [Am. 28]

f)  "verificatie": de activiteiten die worden uitgevoerd door een verificateur om de conformiteit te beoordelen van de door het bedrijf overgelegde documenten met de vereisten uit hoofde van deze verordening;

g)  "andere klimaatrelevante relevante informatie": informatie die betrekking heeft op de broeikasgasemissies van het brandstofverbruik, de vervoerswerkzaamheden , de afgelegde afstand, de mogelijkheden voor stroomvoorziening op de aanlegplaats en de energie-efficiëntie van schepen en die het mogelijk maakt emissietrends te analyseren en de prestaties van schepen te beoordelen; [Am. 29]

h)  "emissiefactor": de gemiddelde uitstoot van een broeikasgas in verhouding tot de activiteitengegevens van een bronstroom, aangenomen dat sprake is van volledige oxidatie bij verbranding en volledige conversie bij alle andere chemische reacties;

i)  "onzekerheid": een parameter, gerelateerd aan het resultaat van de bepaling van een grootheid, die de spreiding aanduidt van de waarden welke redelijkerwijs kunnen worden toegekend aan die bepaalde grootheid, met inbegrip van de effecten van zowel systematische als toevalsfactoren, uitgedrukt als een percentage, en die een betrouwbaarheidsinterval rond de gemiddelde waarde beschrijft dat 95 % van de geschatte waarden omvat, rekening houdend met de eventuele asymmetrie van de verdeling van die waarden;

j)  "conservatief": gebaseerd op een reeks aannames die zijn vastgesteld om te garanderen dat de jaarlijkse emissies niet worden onderschat en de afstanden of de hoeveelheid vervoerde vracht niet worden overschat; [Am. 30]

k)  "ton CO2": metrische ton CO2; [Am. 31]

l)  "verslagperiode": één kalenderjaar waarbinnen de emissies moeten worden gemonitord en gerapporteerd;

(l bis)  "schip op de aanlegplaats": een schip dat veilig afgemeerd of voor anker ligt in een haven in de Unie, tijdens het laden, lossen of het fungeren als hotel voor de bemanning (hotelling), met inbegrip van de tijd waarin het schip niet is betrokken bij goederenafhandeling; [Am. 32]

(l ter)  "ijswaardigheid": de score die door de overheid of door een door de overheid erkende instantie aan een schip is toegekend en die aangeeft dat het schip geschikt is om te varen bij zee-ijs. [Am. 33]

HOOFDSTUK II

MONITORING EN RAPPORTAGE

AFDELING 1

Beginselen en methoden voor monitoring en rapportage

Artikel 4

Algemene beginselen voor monitoring en rapportage

1.  De bedrijven monitoren en rapporteren voor elk schip de hoeveelheid en het soort brandstof dat gedurende een kalenderjaar rapporteringsperiode is verbruikt binnen elke haven alle havens onder de jurisdictie van een lidstaat en voor elke reis alle reizen die aankomt in en vertrekt vanuit een haven onder de jurisdictie van een lidstaat in overeenstemming met de leden 2 tot en met 6. [Am. 34]

2.  De monitoring en rapportage zijn volledig en beslaan alle emissies CO2-emissies afkomstig van de verbranding van brandstoffen, zowel wanneer het schip op zee is als wanneer op de aanlegplaats is. De bedrijven nemen gepaste maatregelen om lacunes in de gegevens tijdens de verslagperiode te voorkomen. [Am. 35]

3.  De monitoring en rapportage zijn consistent en vergelijkbaar in de tijd. De bedrijven gebruiken dezelfde monitoringmethoden en gegevensreeksen, onder voorbehoud van wijzigingen en afwijkingen die zijn goedgekeurd door de verificateur.

4.  De bedrijven verkrijgen, noteren, verzamelen, analyseren en documenteren monitoringgegevens, met inbegrip van aannames, referenties, emissiefactoren en activiteitengegevens, op transparante wijze, zodat de verificateur de vaststelling van de emissies kan reproduceren.

5.  De bedrijven zorgen ervoor dat de vaststelling van de emissies niet systematisch of bewust onnauwkeurig gebeurt. Zij identificeren en verminderen eventuele bronnen van onnauwkeurigheden.

6.  De bedrijven maken een redelijke garantie van de integriteit van de te monitoren en rapporteren emissiegegevens mogelijk.

6 bis.  De bedrijven houden in hun latere monitoring en rapportage rekening met de aanbevelingen in de overeenkomstig artikel 13 opgestelde verificatieverslagen. [Am. 36]

Artikel 5

Methoden voor de monitoring en rapportage van emissies door maritiem vervoer

1.  Voor de toepassing van artikel 4, leden 1, 2 en 3, stellen bedrijven hun emissies en andere klimaatrelevante informatie vast voor elk van hun schepen van meer dan 5 000 GT in overeenstemming met een van de in bijlage I opgenomen methoden.

1 bis.  Wanneer een internationale overeenkomst om broeikasgasemissies door maritiem vervoer te monitoren wordt bereikt, herziet de Commissie de in bijlage I bedoelde methoden en wordt zij ertoe gemachtigd overeenkomstig artikel 24 gedelegeerde handelingen aan te nemen betreffende eventuele wijzigingen op die bijlage om het gebruik van stroommeters voor de toepasselijke verbrandingsprocessen of directe emissiemetingen nader te specificeren. [Am. 38]

AFDELING 2

MONITORINGPLAN

Artikel 6

Inhoud en indiening van het monitoringplan

1.  Uiterlijk 31 augustus 2017 dienen bedrijven bij de verificateurs een monitoringplan in waarin vermeld wordt welke methode is gekozen om emissies en andere klimaatrelevante relevante informatie voor elk van hun schepen van meer dan 5 000 GT te monitoren en te rapporteren. [Am. 39 - aangepast omwille van consistentie met artikel 2, lid 1, betreffende het toepassingsgebied.]

2.  In afwijking van lid 1 dient het bedrijf voor schepen die voor het eerst na 1 januari 2018 onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, onverwijld en niet later dan twee maanden nadat de eerste haven onder de jurisdictie van een lidstaat is aangedaan, een monitoringplan in bij de verificateur.

3.  Het in lid 1 vermelde monitoringplan bestaat uit volledige en transparante documentatie over de monitoringmethode voor een specifiek schip en bevat ten minste de volgende elementen:

a)  de identificatie van en het type schip, met inbegrip van de naam van het schip, het registratienummer bij de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), de registratie- of thuishaven, de ijswaardigheid van het schip en de naam van de eigenaar van het schip; [Am. 40]

b)  de naam van het bedrijf, evenals adres, telefoonnummer, fax en e-mailadres van een contactpersoon;

c)  een beschrijving van de volgende emissiebronnen en de bijbehorende brandstoftypen aan boord van het schip, zoals hoofdmotoren, hulpmotoren, boilers en generatoren van inerte gassen en de gebruikte brandstoftypen:

(i)  hoofdmotor(en);

(ii)  hulpmotor(en);

(iii)  boiler(s);

(iv)  generator(en) van inerte gassen; [Am. 41]

d)  een beschrijving van de procedures, systemen en verantwoordelijkheden die worden gebruikt voor het bijwerken van de lijst van emissiebronnen gedurende een monitoringjaar monitoringperiode om te verzekeren dat de emissies van het schip volledig worden gemonitord en gerapporteerd; [Am. 42]

e)  een beschrijving van de procedures die worden gebruikt om de volledigheid van de lijst van reizen te monitoren;

f)  een beschrijving van de procedures voor de monitoring van het brandstofverbruik van het schip, waaronder:

i)  de uit bijlage I gekozen methode voor het berekenen van het brandstofverbruik van elke emissiebron, met inbegrip van een beschrijving van de gebruikte meetapparatuur, indien van toepassing;

ii)  de procedures voor de meting van de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks, alsook een beschrijving van de gebruikte meetinstrumenten en, indien van toepassing, de procedures voor registratie, retrieval, overdracht en opslag van de informatie betreffende de metingen;

iii)  de gekozen methode om in voorkomend geval de dichtheid te bepalen;

iv)  een procedure die garandeert dat de totale aan de brandstofmetingen verbonden onzekerheid voldoet aan de eisen van deze verordening, waar mogelijk onder verwijzing naar de nationale wetgeving, clausules in klantencontracten of door de brandstofleveranciers gehanteerde nauwkeurigheidsnormen;

g)  de afzonderlijke emissiefactoren voor ieder brandstoftype, of in het geval van alternatieve brandstoffen, de methoden ter bepaling van de emissiefactoren, met inbegrip van de bemonsteringmethode, analysemethoden en een beschrijving van de ingeschakelde laboratoria (en waar relevant de bevestigde ISO 17025-accreditatie);

h)  een beschrijving van de procedures die worden gebruikt voor het vaststellen van de activiteitengegevens per reis, waaronder:

i)  de procedures, verantwoordelijkheden en gegevensbronnen voor het vaststellen en vastleggen van de afstand per gemaakte reis;

ii)  de procedures, verantwoordelijkheden, formules en gegevensbronnen voor het vaststellen en vastleggen van de vervoerde vracht en het aantal passagiers, voor zover van toepassing; [Am. 43]

iii)  de procedures, verantwoordelijkheden, formules en gegevensbronnen voor het vaststellen en vastleggen van de op zee doorgebrachte tijd tussen de vertrek- en de aankomsthaven;

h bis)  de procedures, verantwoordelijkheden, formules en gegevensbronnen voor het vaststellen en vastleggen van de afgelegde afstand en de tijd gedurende welke het schip door ijs heeft gevaren; [Am. 44]

i)  een beschrijving van de te gebruiken methode voor het vaststellen van vervangende gegevens om lacunes in de gegevens op te vullen;

j)  de datum van de laatste wijziging van het monitoringplan. [Am. 45]

j bis)  een revisiestaat om alle details betreffende verrichte revisies te noteren. [Am. 46]

4.  Bedrijven maken gebruik van gestandaardiseerde monitoringplannen op basis van templates. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 24 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de technische regels vast te stellen voor het opstellen van de templates voor de in lid 1 vermelde monitoringplannen. worden vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 25, lid 2, van deze verordening vermelde procedure vastgesteld door de Commissie Deze templates zijn zo eenvoudig mogelijk en leiden niet tot overbodige rompslomp. [Am. 47]

Artikel 7

Wijzigingen van het monitoringplan

De bedrijven controleren regelmatig of het monitoringplan van het schip de aard en functie van het schip weerspiegelt en of de monitoringmethode kan worden verbeterd.

In de volgende onder a) tot en met e) beschreven situaties wordt het monitoringplan door een bedrijf gewijzigd. Het monitoringplan wordt enkel gewijzigd in het licht van de specifieke wijzigingen die zijn doorgevoerd ten gevolge van die situaties: [Am. 48]

a)  indien het schip van eigenaar, van documenthouder of vlaggenstaat wisselt; [Am. 49]

b)  indien er nieuwe emissies ontstaan als gevolg van nieuwe emissiebronnen of als gevolg van het gebruik van nieuwe brandstoffen die nog niet zijn opgenomen in het monitoringplan;

c)  indien de beschikbaarheid van gegevens is gewijzigd, als gevolg van het gebruik van nieuwe typen meetinstrumenten, bemonsteringsmethoden of analysemethoden, of om andere reden, en dit tot een grotere mate van nauwkeurigheid bij de vaststelling van emissies heeft geleid;

d)  indien gegevens die voortvloeien uit de eerder gebruikte monitoringmethode onjuist blijken te zijn;

e)  indien het monitoringplan niet voldoet aan de vereisten van deze verordening en de verificateurs het bedrijf verzoeken het plan te wijzigen.

Bedrijven informeren de verificateurs onverwijld over eventuele voorstellen voor de wijziging van het monitoringplan.

Aanzienlijke wijzigingen in het monitoringplan moeten worden beoordeeld door de verificateur.

AFDELING 3

MONITORING VAN EMISSIES EN ANDERE RELEVANTE INFORMATIE

Artikel 8

Monitoring van activiteiten binnen een verslagperiode

1.  Vanaf 1 januari 2018 monitoren bedrijven, op basis van het in overeenstemming met artikel 13, lid 1, goedgekeurde monitoringplan, de emissies voor elk schip per reis en op jaarbasis door een geschikte methode – gekozen uit de in deel B van bijlage I opgenomen methoden – toe te passen en door de emissies in overeenstemming met deel A van bijlage I te berekenen.

1 bis.  Monitoring mag worden opgeschort gedurende perioden waarin het schip zich in een noodsituatie bevindt met inbegrip van levensreddende acties. [Am. 50]

Artikel 9

Monitoring per reis

Op basis van het in overeenstemming met artikel 13, lid 1, goedgekeurde monitoringplan, monitoren bedrijven, in overeenstemming met deel A van bijlage I en bijlage II, voor elk schip en voor elke reis die aankomt in of vertrekt vanuit een haven onder de jurisdictie van een lidstaat de volgende informatie:

a)  vertrek- en aankomsthaven, inclusief de datum en het tijdstip van vertrek en van aankomst;

b)  de hoeveelheid en emissiefactor voor elk type brandstof dat in totaal is verbruikt en uitgesplitst naar de brandstof die is gebruikt binnen en buiten emissiecontrolegebieden; [Am. 51]

c)  uitgestoten CO2;

d)  afgelegde afstand;

e)  op zee doorgebrachte tijd;

f)  vervoerde vracht; [Am. 53]

f bis)  energie-efficiëntie als bepaald in bijlage II; [Am. 54]

g)  vervoerswerkzaamheden. [Am. 55]

g bis)  datum en tijdstip van het begin en het einde van perioden gedurende welke de monitoring is opgeschort wegens noodsituaties zoals levensreddende acties, alsmede de beschrijving hiervan. [Am. 56]

Voor schepen voor de grote vaart die een reeks Uniehavens aandoen, dient het Europese traject te worden beschouwd als één reis. [Am. 57]

In afwijking van lid 1 worden schepen die uitsluitend opereren binnen het toepassingsgebied van de verordening en die meerdere reizen per dag maken vrijgesteld van de verplichting om de emissies per reis te monitoren. [Am. 58]

Artikel 10

Monitoring op jaarbasis

Op basis van het in overeenstemming met artikel 13, lid 1, goedgekeurde monitoringplan monitort het bedrijf, in overeenstemming met deel A van bijlage I en bijlage II, voor elk schip en voor elk kalenderjaar de volgende parameters:

a)  de hoeveelheid en emissiefactor voor elk type brandstof dat in totaal is verbruikt en uitgesplitst naar de brandstof die is gebruikt binnen en buiten emissiecontrolegebieden;

b)  totale CO2-emissies;

c)  totale CO2-emissies van alle reizen tussen havens onder de jurisdictie van een lidstaat;

d)  totale CO2-emissies van alle reizen die zijn vertrokken uit havens onder de jurisdictie van een lidstaat;

e)  totale CO2-emissies van alle reizen naar havens onder de jurisdictie van een lidstaat;

f)  CO2-emissies binnen havens onder de jurisdictie van een lidstaat op de aanlegplaats;

g)  totale afgelegde afstand;

h)  totale op zee en op de aanlegplaats doorgebrachte tijd;

i)  totale vervoerswerkzaamheden;

j)  gemiddelde energie-efficiëntie. [Am. 59]

AFDELING 4

RAPPORTAGE

Artikel 11

Inhoud van het emissieverslag

1.  De bedrijven dienen vanaf 2019 uiterlijk 30 april van elk jaar bij de Commissie en de autoriteiten van de betreffende vlaggenstaten een emissieverslag in dat betrekking heeft op de emissies en andere klimaatrelevante informatie tijdens de gehele verslagperiode voor elk schip dat onder hun verantwoordelijkheid valt, en dat als bevredigend is beoordeeld door een verificateur in overeenstemming met de in artikel 14 vermelde vereisten.

2.  Wanneer een schip van eigenaar wisselt, zorgt het nieuwe bedrijf ervoor dat elk schip onder zijn verantwoordelijkheid voldoet aan de vereisten van deze verordening tijdens de volledige verslagperiode waarbinnen het de verantwoordelijkheid voor het betreffende schip overneemt.

3.  Bedrijven nemen in het in lid 1 vermelde emissieverslag de volgende informatie op:

a)  gegevens ter identificatie van het schip en het bedrijf, waaronder:

i)  naam van het schip,

ii)  IMO-registratienummer;

iii)  registratie- of thuishaven;

iii bis)  de ijswaardigheid van het schip, [Am. 60]

iv)  gecertificeerde technische efficiëntie van het schip (in voorkomend gevaluitgedrukt in de "Energy Efficiency Design Index" (EEDI) of de "Estimated Index Value" (EVI) in overeenstemming met IMO-resolutie MEPC.215 (63)) wanneer dit van toepassing is op het desbetreffende type schip; [Am. 61]

v)  naam van de eigenaar van het schip;

vi)  adres van de eigenaar van het schip en zijn hoofdvestiging;

vii)  naam van het bedrijf (wanneer dat niet de eigenaar van het schip is);

viii)  adres van het bedrijf (wanneer dat niet de eigenaar van het schip is) en zijn hoofdvestiging;

ix)  adres, telefoonnummer, fax en e-mailadres van een contactpersoon; [Am. 62]

b)  informatie over de gebruikte monitoringmethode en het bijbehorende niveau van onzekerheid;

c)  de resultaten van de jaarlijkse monitoring van de parameters in overeenstemming met artikel 10.

(c bis)  details betreffende de opschorting van monitoringperioden wegens noodsituaties en levensreddende acties. [Am. 63]

Artikel 12

Formaat van het emissieverslag

1.  Het in artikel 11 vermelde emissieverslag wordt ingediend via automatische systemen en volledige gegevensuitwisselingsformaten, met inbegrip van elektronische templates.

2.  De technische regels voor het opstellen van het in lid 1 vermelde gegevensuitwisselingsformaat – met inbegrip van elektronische templates – worden vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 25, lid 2, van deze verordening vermelde procedure vastgesteld door de Commissie.

HOOFDSTUK III

VERIFICATIE EN ACCREDITATIE

Artikel 13

Omvang van de verificatie-activiteiten en verificatieverslag

1.  De verificateur beoordeelt of het in artikel 6 vermelde monitoringplan aan de vereisten van de artikelen 6 en 7 voldoet. Wanneer de beoordeling aanbevelingen bevat die moeten worden opgenomen in het monitoringplan, herziet het bedrijf zijn monitoringplan voor aanvang van de verslagperiode.

2.  De verificateur beoordeelt of het emissieverslag aan de in de artikelen 8 tot en met 11 en bijlage I en II opgenomen vereisten voldoet.

3.  De verificateur zorgt er in het bijzonder voor dat de emissies en andere klimaatrelevante relevante informatie die zijn opgenomen in het emissieverslag, zijn vastgesteld in overeenstemming met de artikelen 8, 9 en 10 en het in artikel 6 vermelde monitoringplan. Tevens zorgt de verificateur ervoor dat de emissies en andere in de verslagen opgenomen klimaatrelevante relevante informatie overeenstemmen met de gegevens die overeenkomstig bijlagen I en II zijn berekend op basis van andere bronnen. [Am. 64]

4.  Wanneer in de beoordeling wordt geconcludeerd dat, naar beste weten van de verificateur, het emissieverslag geen wezenlijke verkeerde verklaringen en fouten bevat, brengt de verificateur een verificatieverslag uit. In het verificatieverslag worden alle kwesties vermeld die betrekking hebben op de door de verificateur uitgevoerde werkzaamheden.

5.  Wanneer in de beoordeling wordt geconcludeerd dat het emissieverslag wezenlijke verkeerde verklaringen, fouten of inconsistenties bevat of niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 11 en 14 en bijlage I, brengt de verificateur het bedrijf hiervan tijdig op de hoogte en verzoekt hij het bedrijf een herzien emissieverslag in te dienen. Het bedrijf corrigeert eventuele meegedeelde gebreken of inconsistenties zodat het verificatieproces tijdig kan worden voltooid. De verificateur vermeldt in zijn verificatieverslag of de gebreken tijdens de verificatie door het bedrijf zijn verholpen.

5 bis.  Wanneer de verificateur heeft vastgesteld dat de prestaties van het bedrijf met betrekking tot de monitoring en rapportage van emissies op bepaalde vlakken kunnen worden verbeterd, bijvoorbeeld ten aanzien van nauwkeurigheid, efficiëntie van de monitoring en rapportage, neemt hij in het verificatieverslag aanbevelingen op voor mogelijke verbeteringen. [Am. 65]

Artikel 14

Algemene verplichtingen en beginselen voor de verificateurs

1.  De verificateur is onafhankelijk van het bedrijf of de exploitant van het betreffende schip en voert de door deze verordening vereiste activiteiten uit in het openbaar belang. Om die reden zijn de verificateur en alle onderdelen van dezelfde rechtspersoon geen bedrijf of scheepsexploitant, geen eigenaar van een bedrijf of deel van een bedrijf, noch heeft de verificateur relaties met het bedrijf die zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid kunnen beïnvloeden.

2.  Bij de verificatie van het in artikel 11 vermelde emissieverslag en de door het bedrijf toegepaste monitoringprocedures, beoordeelt de verificateur de betrouwbaarheid, geloofwaardigheid en nauwkeurigheid van de monitoringsystemen en van de gerapporteerde gegevens en informatie betreffende emissies, in het bijzonder:

a)  de vermelding van het brandstofverbruik voor reizen binnen het toepassingsgebied van deze verordening;

b)  de gerapporteerde gegevens inzake het brandstofverbruik en de daarmee verband houdende metingen en berekeningen;

c)  de keuze en het gebruik van emissiefactoren;

d)  de berekeningen ter bepaling van de totale emissies; en

e)  de berekeningen ter bepaling van de energie-efficiëntie.

3.  De verificateur neemt overeenkomstig artikel 11 ingediende verslagen alleen in overweging als betrouwbare en geloofwaardige gegevens en informatie het mogelijk maken de emissies te bepalen met een grote mate van zekerheid en mits het volgende gewaarborgd is:

a)  de gerapporteerde gegevens zijn consistent met de geschatte gegevens gebaseerd op de traceergegevens en kenmerken van het schip, zoals het geïnstalleerde motorvermogen;

b)  de gerapporteerde gegevens bevatten geen inconsistenties, in het bijzonder bij de vergelijking van de totale jaarlijks voor elk schip aangeschafte hoeveelheid brandstof met het totale brandstofverbruik tijdens reizen die vallen binnen het toepassingsgebied van deze verordening;

c)  de gegevens zijn verzameld in overeenstemming met de toepasselijke regels;

d)  de relevante verslagen van het schip zijn volledig en consistent.

Artikel 15

Verificatieprocedures

1.  De verificateur stelt mogelijke risico’s in verband met het monitoring- en rapportageproces vast door gerapporteerde emissies te vergelijken met geschatte gegevens gebaseerd op de traceergegevens en kenmerken van het schip, zoals het geïnstalleerde motorvermogen. Wanneer er aanzienlijke afwijkingen worden gevonden, voert de verificateur nadere analyses uit. [Am. 66]

2.  De verificateur stelt mogelijke risico’s vast in verband met de verschillende berekeningsstappen door alle gebruikte gegevensbronnen en methoden te beoordelen.

3.  De verificateur houdt rekening met eventuele door het bedrijf toegepaste risicobeheersingsmethoden om het niveau van onzekerheid te verminderen, rekening houdend met de nauwkeurigheid van de gebruikte monitoringsmethoden.

4.  Het bedrijf verstrekt de verificateur eventuele aanvullende informatie om hem in staat te stellen de verificatieprocedures uit te voeren. De verificateur kan spotchecks uitvoeren tijdens het verificatieproces om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens en informatie te bepalen.

5.  De Commissie is bevoegd om in overeenstemming met artikel 24 gedelegeerde handelingen vast te stellen om nadere regels te bepalen voor de in deze verordening genoemde verificatieactiviteiten en de accreditatiemethoden voor verificateurs. Deze gedelegeerde handelingen zijn gebaseerd op de verificatiebeginselen van artikel 14 en op de toepasselijke internationaal geaccepteerde normen.

Artikel 16

Accreditering van verificateurs

1.  Een verificateur die de monitoringplannen en emissieverslagen beoordeelt en de in de artikelen 13 en 17 vermelde conformiteitsdocumenten afgeeft, wordt geaccrediteerd voor activiteiten onder het toepassingsgebied van deze verordening door een nationale accreditatie-instantie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008.

2.  Indien er geen specifieke bepalingen betreffende de accreditatie zijn vastgesteld in deze verordening, zijn de relevante bepalingen van Verordening (EG) nr. 765/2008 van toepassing.

3.  De Commissie is bevoegd om in overeenstemming met artikel 24 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de accreditatiemethoden voor verificateurs nader te bepalen.

HOOFDSTUK IV

CONFORMITEIT EN BEKENDMAKING VAN INFORMATIE

Artikel 17

Afgifte van een conformiteitsdocument

1.  Wanneer het in artikel 11 vermelde emissieverslag voldoet aan de vereisten van de artikelen 11 tot en met 15 en de vereisten in bijlagen I en II, geeft de verificateur, op basis van het verificatieverslag, een conformiteitsdocument af voor het betreffende schip.

2.  Het in lid 1 vermelde conformiteitsdocument bevat de volgende gegevens:

a)  de identiteit van het schip (naam, IMO-registratienummer en registratie- of thuishaven);

b)  naam, adres en hoofdvestiging van de eigenaar van het schip;

c)  de identiteit van de verificateur;

d)  de afgiftedatum van het conformiteitsdocument (de verslagperiode waarop het betrekking heeft en de geldigheidsperiode).

3.  Conformiteitsdocumenten worden als geldige documenten beschouwd gedurende een periode van 18 maanden na afloop van de verslagperiode.

4.  De verificateur informeert de Commissie en de autoriteiten van de vlaggenstaat onverwijld over de afgifte van een conformiteitsdocument en draagt de in lid 2 vermelde gegevens over via geautomatiseerde systemen en volledige gegevensuitwisselingsformaten, met inbegrip van elektronische templates die door de Commissie zijn vastgesteld in overeenstemming met de in de onderhavige verordening vastgestelde procedure.

5.  De technische regels voor het vaststellen van het in lid 4 vermelde gegevensuitwisselingsformaat – met inbegrip van elektronische templates – worden vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 25, lid 2, van deze verordening vermelde procedure vastgesteld door de Commissie.

Artikel 18

Verplichting om een geldig conformiteitsdocument aan boord te hebben

Vanaf 30 juni 2019 bewaren schepen die aankomen in, zich bevinden in of vertrekken uit een haven onder de jurisdictie van een lidstaat, aan boord een in overeenstemming met artikel 17 afgegeven geldig document waaruit blijkt dat het schip de rapportage- en monitoringverplichtingen voor de betreffende verslagperiode heeft nageleefd.

Artikel 19

Naleving van de monitoring- en rapportageverplichtingen en inspecties

1.  Op basis van de in overeenstemming met artikel 21, lid 1 gepubliceerde informatie zorgen alle lidstaten ervoor dat de in de artikelen 8 tot en met 12 vermelde monitoring- en rapportagevereisten worden nageleefd door de schepen die onder hun vlag varen.

2.  Alle lidstaten zorgen ervoor dat bij inspecties van schepen in havens onder hun jurisdictie geverifieerd wordt of het in artikel 18 vermelde conformiteitsdocument zich aan boord bevindt.

3.  Onverminderd lid 2 van dit artikel en op basis van de in overeenstemming met artikel 21 gepubliceerde informatie, verifiëren de lidstaten voor elk schip dat niet voldoet aan artikel 21, lid 2, onder j) en k), en dat een haven onder hun jurisdictie aandoet, of het in artikel 18 vermelde conformiteitsdocument zich aan boord bevindt.

3 bis.  Tijdens de door het EMSA (Europees Agentschap voor maritieme veiligheid) uitgevoerde bezoeken en inspecties om de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/16/EG te monitoren, zal het EMSA ook de toepassing van de leden 1, 2 en 3 door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten monitoren en verslag uitbrengen aan de Commissie. [Am. 67]

Artikel 20

Straffen, uitwisseling van informatie en verwijderingsbevel

1.  De lidstaten voorzien in een strafsysteem voor niet-naleving van de in de artikelen 8 tot en met 12 vastgestelde monitoring- en rapportagevereisten en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die straffen worden opgelegd. De straffen zijn niet minder streng dan die welke overeenkomstig de nationale wetgeving betreffende broeikasgasemissies zijn voorzien in geval van niet-naleving van rapportageverplichtingen door marktdeelnemers, en zijn effectief, evenredig en afschrikkend. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk 1 juli 2017 in kennis van deze bepalingen en informeren de Commissie onverwijld over eventuele latere wijzigingen van deze bepalingen. [Am. 68]

2.  De lidstaten zorgen voor een doeltreffende uitwisseling van informatie en een doeltreffende samenwerking tussen hun nationale autoriteiten die de naleving van de monitoring- en rapportagevereisten waarborgen of, in voorkomend geval, de autoriteit die belast is met de strafprocedures. Nationale strafprocedures die zijn ingesteld door een lidstaat, worden gemeld aan de Commissie, het EMSA, de overige lidstaten en de betreffende vlaggenstaat.

3.  Voor schepen die gedurende meer dan één verslagperiode niet hebben voldaan aan de monitoring- en rapportagevereisten, kan de nationale havenautoriteit een verwijderingsbevel uitvaardigen dat wordt gemeld aan de Commissie, EMSA, de overige lidstaten en de betreffende vlaggenstaat. Als gevolg van de afgifte van een dergelijk verwijderingsbevel weigert elke lidstaat het schip de toegang tot zijn havens, totdat het bedrijf voldoet aan de monitoring- en rapportagevereisten van de artikelen 8 tot en met 12 en dit feit bevestigd wordt door de kennisgeving van een geldig conformiteitsdocument aan de nationale havenautoriteit die het verwijderingsbevel heeft afgegeven.

Artikel 21

Bekendmaking van informatie

1.  De Commissie maakt elk jaar uiterlijk 30 juni de in overeenstemming met artikel 11 gerapporteerde jaarlijkse emissies openbaar bekend, evenals , met inachtneming van de vertrouwelijkheid van commerciële informatie over de naleving door het bedrijf van de in de artikelen 11 en 17 vermelde monitoring- en rapportagevereisten om een gewettigd economisch belang te beschermen, overeenkomstig artikelen 3 en 4 van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad(14). [Am. 69]

2.  De in lid 1 vermelde bekendmaking bevat de volgende gegevens:

a)  de identiteit van het schip (naam, IMO-registratienummer, en registratie- of thuishaven en de ijswaardigheid van het schip); [Am. 70]

b)  de identiteit van de eigenaar van het schip (naam en adres van de eigenaar en zijn hoofdvestiging);

c)  de technische efficiëntie van het schip (EEDI of EVI, indien van toepassing op het desbetreffende type schip); [Am. 71]

d)  de jaarlijkse CO2-emissies;

e)  het totale jaarlijkse brandstofverbruik tijdens reizen die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen;

f)  het gemiddelde jaarlijkse brandstofverbruik en de broeikasgasemissies per afgelegde afstand tijdens reizen die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen;

g)  het gemiddelde jaarlijkse brandstofverbruik en de broeikasgasemissies per afgelegde afstand en vervoerde vracht tijdens reizen die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen; [Am. 73]

h)  de jaarlijkse op zee doorgebrachte tijd tijdens reizen die vallen onder het toepassingsgebied van deze verordening; [Am. 74]

i)  de gebruikte monitoringmethode;

j)  de afgifte- en verloopdatum van het conformiteitsdocument;

k)  de identiteit van de verificateur die het emissieverslag heeft goedgekeurd.

3.  De Commissie publiceert jaarlijks een verslag over de emissies door maritiem vervoer en andere klimaatrelevante relevante informatie. [Am. 75]

4.  EMSA staat de Commissie bij in haar werkzaamheden om aan de artikelen 11, 12, 17 en 21 van deze verordening te voldoen in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad(15).

HOOFDSTUK V

INTERNATIONALE SAMENWERKING

Artikel 22

Internationale samenwerking

1.  De Commissie informeert de IMO en andere relevante internationale organen regelmatig over de uitvoering van deze verordening om de ontwikkeling te bevorderen van internationale regels binnen de IMO voor de monitoring, de rapportage en de verificatie van broeikasgasemissies door maritiem vervoer.

2.  De Commissie onderhoudt technische uitwisselingen met derde landen over de uitvoering van deze verordening, in het bijzonder over de verdere ontwikkeling van monitoringsmethoden, de organisatie van de rapportage en de verificatie van emissieverslagen.

3.  Wanneer een internationale overeenkomst betreffende wereldwijde maatregelen ter vermindering van de broeikasgasemissies door maritiem vervoer wordt bereikt, evalueert de Commissie deze verordening en kan ze, zo nodig, wijzigingen van deze verordening voorstellen ziet ze erop toe dat deze is afgestemd op de relevante internationale regels van de IMO. [Am. 76]

HOOFDSTUK VI

GEDELEGEERDE EN UITVOERINGSBEVOEGDHEDEN EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 23

Bevoegdheidsdelegatie

De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen in aanvulling op en tot wijziging van de bepalingen van de bijlagen I en II wordt overgedragen aan de Commissie om rekening te houden met recente wetenschappelijke informatie evenals de relevante gegevens aan boord van schepen en de relevante internationale regels en internationaal geaccepteerde normen, alsmede om de bijlagen in overeenstemming te brengen met de relevante internationale regels van de IMO, met het doel de conformiteit met internationale regels te waarborgen om de meest nauwkeurige en efficiënte methoden vast te stellen voor de monitoring van emissies, en om de nauwkeurigheid van de in verband met de monitoring en rapportage van emissies verzochte informatie te verbeteren. Deze bevoegdheid wordt, onder voorbehoud van de in artikel 24 vermelde voorwaarden, overgedragen aan de Commissie uitsluitend <