Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2904(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0166/2014

Debatten :

PV 23/10/2014 - 6.2
CRE 23/10/2014 - 6.2

Stemmingen :

PV 23/10/2014 - 7.2

Aangenomen teksten :

P8_TA(2014)0040

Aangenomen teksten
PDF 140kWORD 58k
Donderdag 23 oktober 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Mensenrechten in Oezbekistan
P8_TA(2014)0040RC-B8-0166/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2014 over de mensenrechten in Oezbekistan (2014/2904(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Oezbekistan,

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over de uitvoering van de EU-strategie voor Centraal-Azië(1),

–  gezien de EU-strategie voor een nieuw partnerschap met Centraal-Azië, die op 21 en 22 juni 2007 door de Europese Raad werd goedgekeurd, en de gezamenlijke voortgangsverslagen van de Commissie en de Raad van 24 juni 2008 en 28 juni 2010,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van oktober 2009 en 2010,

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(2),

–  gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, die op 12 mei 2014 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn vastgesteld,

–  gezien de aankondiging tijdens de bijeenkomst van ministers van de EU en de Centraal-Aziatische landen op 20 november 2013 van de beschikbaarstelling in het kader van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking van 1 miljard euro voor de landen van Centraal-Azië voor de periode 2014-2020,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Oezbekistan wel toezeggingen heeft gedaan wat betreft de bescherming van de mensenrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, vergadering, vereniging en godsdienst, die gewaarborgd worden door het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, alsmede het verbod op foltering zoals verankerd in het Verdrag tegen foltering, maar dat deze toezeggingen weinig positief resultaat hebben opgeleverd;

B.  overwegende dat de Oezbeekse overheid duizenden mensen op politieke gronden gevangen houdt om de onderdrukking kracht bij te zetten, waarvan strijders voor de mensenrechten, opposanten, journalisten, gelovigen, kunstenaars en andere vermeende critici het slachtoffer zijn; overwegende dat Oezbekistan op de persvrijheidsindex 2014 van Verslaggevers zonder grenzen de 166e plaats inneemt van in totaal 180 landen, en dat Freedom House de kwalificatie "niet vrij" heeft gegeven aan Oezbekistan en de pers en internet aldaar; overwegende dat de digitale vrijheid in Oezbekistan stelselmatig ingeperkt en geschonden wordt;

C.  overwegende dat onder meer de volgende personen louter gevangen zijn gezet wegens de vreedzame uitoefening van de vrijheid van meningsuiting: vijftien bekende strijders voor de mensenrechten(3), vijf journalisten(4), vier vreedzame politieke opposanten(5) en drie onafhankelijke religieuze figuren(6); overwegende dat zeven anderen vermeende critici van de regering zijn dan wel getuigen van het bloedbad van 13 mei 2005 in Andijan, waar honderden merendeels vreedzame betogers door regeringstroepen werden doodgeschoten(7); overwegende dat vele van de gevangenen ernstige gezondheidsproblemen hebben, dat zij gemarteld zijn en tijdens hun gevangenschap op willekeurige gronden strafvermeerdering hebben gekregen;

D.  overwegende dat de Oezbeekse regering op de aanhoudende druk van buitenaf, zoals sancties, beperking van militaire bijstand, en scherpe, openbare, gerichte kritiek van haar internationale partners, heeft gereageerd met steeds verdergaande stappen ter verbetering van de mensenrechtensituatie, zoals vrijlating van sommige politieke gevangenen aan de vooravond van belangrijke bilaterale topontmoetingen of bezoeken van hooggeplaatsten;

E.  overwegende dat de Oezbeekse regering nog steeds weigert in te stemmen met een onafhankelijk onderzoek naar het bloedbad met honderden doden in Andijan in 2005; overwegende dat meer dan tweehonderd mensen in verband met dat bloedbad nog steeds gevangen zitten na geheime processen waarbij ernstige procedurefouten zijn gemaakt en bekentenissen wellicht door marteling afgedwongen zijn; overwegende dat bepaalde delicten in verband met het bloedbad alsmede foltering onder universele rechtsmacht vallen;

F.  overwegende dat de Raad in 2009 en 2010 EU-sancties introk om "de Oezbeekse autoriteiten aldus aan te moedigen verdere ingrijpende maatregelen te nemen om de rechtsstaat en de mensenrechtensituatie ter plekke te verbeteren" en daarbij verklaarde dat hij "de mensenrechtensituatie in Oezbekistan voortdurend nauwlettend in het oog [zal] houden" en dat "de intensiteit en de kwaliteit van de dialoog en de samenwerking zullen afhangen van de Oezbeekse hervormingen";

G.  overwegende dat volgens de jongste berichten dwangarbeid en kinderarbeid bij de katoenoogst nog steeds veel voorkomen ondanks de toezeggingen van de Oezbeekse autoriteiten om hier een halt aan toe te roepen, en dat er volgens een IAO-rapport van 19 november 2013 een miljoen Oezbeekse kinderen en volwassenen onder dwang en in onaanvaardbare omstandigheden in de katoenoogst werken en bij weigering op straf moeten rekenen;

H.  overwegende dat de onderhandelingen over toetreding van Oezbekistan tot de WTO nog gaande zijn en dat de Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de EU en Oezbekistan een duidelijke clausule bevat over eerbiediging van democratie en mensenrechten, waaraan de partijen zich hebben te houden;

1.  wijst op het belang van de betrekkingen tussen de EU en Oezbekistan en van versterking van de politieke en economische samenwerking, maar beklemtoont dat die betrekkingen gebaseerd moeten zijn op eerbiediging aan beide zijden van de beginselen van democratie, rechtsstaat en mensenrechten, zoals duidelijk vastgelegd is in de Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de EU en Oezbekistan;

2.  dringt aan op onmiddellijke, onvoorwaardelijke vrijlating van alle politieke gevangenen die gevangen zitten wegens vreedzame uiting van politieke standpunten, activiteiten in maatschappelijke organisaties of de journalistiek, of religieuze overtuigingen;

3.  stelt dat al degenen die beschuldigd zijn van geweldpleging een nieuw en eerlijk proces overeenkomstig internationale normen dienen te krijgen en in geval van schuld tot een strafrechtelijke en/of bestuursrechtelijke sanctie, eveneens overeenkomstig internationale maatstaven, moeten worden veroordeeld;

4.  verzoekt de Oezbeekse autoriteiten foltering niet toe te staan, onverwijld en onvoorwaardelijk een eind te maken aan alle vormen van folter en mishandeling in gevangenissen en slechte behandeling bij voorarrest en in strafinrichtingen, te voorzien in ongehinderde toegang tot rechtsbijstand in alle stadia van het strafrechtelijk onderzoek en in snelle en goede medische zorg, het onafhankelijk toezicht op gevangenissen opnieuw in te voeren en de familieleden van gevangenen volledige informatie te verstrekken over hun verblijfplaats en gezondheidstoestand;

5.  verzoekt de Oezbeekse autoriteiten alle beambten, beveiligers en gevangenbewaarders ter verantwoording te roepen die beschuldigd worden van foltering, slechte behandeling en ontzegging van medische zorg aan gedetineerden;

6.  verlangt dat Oezbekistan zich houdt aan alle internationale aanbevelingen tegen folter, de Jaslyk-gevangenis (64/71) onverwijld sluit, de elf speciale VN-verzoeken, waaronder dat van de speciale VN-rapporteur inzake foltering, om toestemming voor een bezoek aan Oezbekistan inwilligt, en toestemming geeft voor onbelemmerde inspectie van gevangenissen door het Rode Kruis en andere onafhankelijke toezichthouders;

7.  verlangt dat de Oezbeekse regering een eind maakt aan de gewoonte om voor amnestie in aanmerking komende politieke gevangenen op willekeurige gronden buiten de jaarlijkse amnestieverlening te houden, alsmede aan het willekeurig vermeerderen van gevangenisstraf voor kleine vergrijpen of "overtreding van de gevangenisregels" op grond van artikel 221 van het wetboek van strafrecht inzake "weerspannigheid";

8.  verzoekt de Oezbeekse autoriteiten de rechten van vrouwen te eerbiedigen, met name door de aanbevelingen van het VN-comité tegen foltering op te volgen;

9.  verzoekt de hoge vertegenwoordiger van de EU, de EDEO en de lidstaten onverwijld een strategie in werking te stellen om Oezbekistan de komende maanden tot concrete, aantoonbare verbeteringen in de mensenrechtensituatie te bewegen, waarbij de tiende jaardag van het bloedbad van Andijan, volgend jaar, als peildatum moet gelden; verzoekt de EDEO het Parlement mede te delen welke Oezbeekse gezagsdragers verantwoordelijk waren voor het bloedbad van Andijan, met inbegrip van de twaalf tegen wie de EU sancties heeft ingesteld, die vervolgens ingetrokken zijn;

10.  stelt dat deze concrete verbeteringen onder meer de volgende, door de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU in 2010 gestelde voorwaarden moeten omvatten: 1) vrijlating van alle gedetineerde strijders voor de mensenrechten en gewetensgevangenen; 2) toestemming voor onbelemmerde activiteit van niet-gouvernementele organisaties in Oezbekistan; 3) verlening van volledige medewerking aan alle speciale VN-rapporteurs; 4) waarborging van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid; 5) praktische toepassing van de overeenkomsten tegen kinderarbeid; 6) modellering van het verkiezingsproces naar internationale normen;

11.  is van oordeel dat de EU bij het uitblijven van wezenlijke vooruitgang het initiatief moet nemen tot een resolutie in de VN-Mensenrechtenraad op grond van punt 4 om te komen tot invoering van een specifiek op Oezbekistan gericht mechanisme en een permanente, proactieve inzet van de Mensenrechtenraad middels toezicht, openbare rapportage en debat over de mensenrechtensituatie in Oezbekistan;

12.  is voorts van oordeel dat in dit bijzonder dringende geval verstrekking van gegevens aan de Samenwerkingsraad overbodig is en dat de EU Oezbekistan overeenkomstig de artikelen 2 en 95 van de Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking dient mede te delen dat er gerichte strafmaatregelen zullen worden genomen als er niet binnen zes maanden vooruitgang bij bovengenoemde mensenrechtenkwesties is geboekt;

13.  verzoekt de lidstaten zich te houden aan de gedragscode voor wapenexport en de verordeningen inzake uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik;

14.  verzoekt de Oezbeekse autoriteiten volledige uitvoering te geven aan zijn resolutie van 15 december 2011 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, tot wijziging van de overeenkomst ten einde de bepalingen van de overeenkomst uit te breiden tot de bilaterale handel in textiel, gelet op het vervallen van de bilaterale overeenkomst inzake textiel(8);

15.  verlangt dat de Raad, de Commissie en de EDEO het Parlement een openbare evaluatie doen toekomen van de maatregelen die de EU heeft genomen om Oezbekistan ertoe te bewegen zich te houden aan de criteria inzake mensenrechten die de ministers van Buitenlandse Zaken in 2010 hebben geformuleerd; verzoekt de Mensenrechtenraad van de VN een monitoringmechanisme voor Oezbekistan in te voeren; verzoekt de Raad en de Commissie verbetering te brengen in de mensenrechtendialoog met de Oezbeekse regering; verwacht van de EDEO dat hij bij de mensenrechtendialoog met Oezbekistan in november duidelijke taal zal spreken over alle ernstige mensenrechtenschendingen en dat hij deze besprekingen meer resultaatgericht maakt, zodat de uiterst teleurstellende patsituatie die nu heerst doorbroken wordt;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de president, de regering en het parlement van de Republiek Oezbekistan, de EDEO, de Raad en de Commissie, de Raad van Europa, de OVSE en de Mensenrechtenraad van de VN.

(1)PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 91.
(2)Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0470.
(3)Azam Farmonov, Mehriniso Hamdamova, Zulhumor Hamdamova, Isroiljon Kholdorov, Nosim Isakov, Gaybullo Jalilov, Nuriddin Jumaniyazov, Matluba Kamilova, Ganikhon Mamatkhanov, Chuyan Mamatkulov, Zafarjon Rahimov, Yuldash Rasulov, Bobomurod Razzokov, Fahriddin Tillaev en Akzam Turgunov.
(4)Solijon Abdurakhmanov, Muhammad Bekjanov, Gayrat Mikhliboev, Yusuf Ruzimuradov en Dilmurod Saidov.
(5)Murod Juraev, Samandar Kukanov, Kudratbek Rasulov en Rustam Usmanov.
(6)Ruhiddin Fahriddinov, Hayrullo Hamidov en Akram Yuldashev.
(7)Dilorom Abdukodirova, Botirbek Eshkuziev, Bahrom Ibragimov, Davron Kabilov, Erkin Musaev, Davron Tojiev en Ravshanbek Vafoev.
(8)PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 195.

Juridische mededeling - Privacybeleid