Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2197(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0010/2014

Ingediende teksten :

A8-0010/2014

Debatten :

PV 22/10/2014 - 19
CRE 22/10/2014 - 19

Stemmingen :

PV 23/10/2014 - 7.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2014)0044

Aangenomen teksten
PDF 237kWORD 64k
Donderdag 23 oktober 2014 - Straatsburg
Kwijting 2012: Europese Raad en Raad
P8_TA(2014)0044A8-0010/2014
Besluit
 Resolutie

1.Besluit van het Europees Parlement van 23 oktober 2014 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, afdeling II – Europese Raad en Raad (COM(2013)0570 – C7-0275/2013 – 2013/2197(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2013)0570 – C7–0275/2013)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2012, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2012 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd(4), als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn besluit van 3 april 2014(5) tot uitstel van het besluit tot verlening van kwijting voor het begrotingsjaar 2012, alsmede de antwoorden van de Raad,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6), en met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(7), en met name de artikelen 164, 165 en 166,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(8),

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0010/2014),

1.  verleent de secretaris-generaal van de Raad geen kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Raad en de Raad voor het begrotingsjaar 2012;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB L 56 van 29.2.2012.
(2) PB C 334 van 15.11.2013, blz. 1.
(3) PB C 331 van 14.11.2013, blz. 1.
(4) PB C 334 van 15.11.2013, blz. 122.
(5) PB C 266 van 5.9.2014, blz. 24.
(6) PB C 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(7) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(8) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


2.Resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2014 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, afdeling II – Europese Raad en Raad (COM(2013)0570 – C7‑0275/2013 – 2013/2197(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2013)0570 – C7‑0275/2013)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2012, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2012 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd(4), als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn besluit van 3 april 2014(5) tot uitstel van het besluit tot verlening van kwijting voor het begrotingsjaar 2012, alsmede de antwoorden van de Raad,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6), en met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(7), en met name de artikelen 164, 165 en 166,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(8),

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0010/2014),

A.  overwegende dat alle instellingen van de Unie transparant moeten zijn en dat zij ten volle verantwoording verschuldigd zijn aan de burgers van de Unie voor de hun als instelling van de Unie toevertrouwde middelen;

B.  overwegende dat de Europese Raad en de Raad, als instellingen van de Unie, een democratische verantwoordingsplicht hebben tegenover de burgers van de Unie voor zover zij begunstigden zijn van middelen van de algemene begroting van de Europese Unie;

C.  overwegende dat het Parlement van alle EU-instellingen het enige rechtstreeks verkozen orgaan is en belast is met het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie;

1.  benadrukt de rol die het Parlement overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vervult bij het verlenen van kwijting voor de begroting;

2.  wijst erop dat de Unie, ingevolge artikel 335 VWEU, “wordt vertegenwoordigd door elk van de instellingen, uit hoofde van hun administratieve autonomie, voor de aangelegenheden die verband houden met hun respectieve werking”, en dat de instellingen derhalve, met inachtneming van artikel 55 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (het Financieel Reglement), individueel verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van hun begroting;

3.  benadrukt de rol van het Parlement en de andere instellingen in de kwijtingsprocedure, zoals die geregeld is in het Financieel Reglement en met name in de artikelen 164 t/m 166 daarvan;

4.  wijst erop dat, ingevolge artikel 94 van het Reglement van het Parlement, "de bepalingen inzake de verlening van kwijting aan de Commissie voor de uitvoering van de begroting eveneens van toepassing zijn voor de procedure voor de verlening van kwijting aan [...] de personen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de begrotingen van de overige instellingen en organen van de Europese Unie, zoals de Raad (voor wat betreft zijn uitvoerende activiteiten)";

Advies van de Rekenkamer betreffende de Europese Raad en de Raad in zijn betrouwbaarheidsverklaring voor het begrotingsjaar 2012

5.  benadrukt dat de Rekenkamer in het jaarverslag inzake het begrotingsjaar 2012 opmerkingen heeft geformuleerd over de Europese Raad en de Raad met betrekking tot fouten in het ontwerp van de aanbestedingsprocedures; merkt op dat één fout betrekking heeft op het uitvoeren van een procedure van gunning door onderhandeling en dat een andere fout betrekking heeft op de toepassing van een selectiecriterium;

6.  neemt nota van het antwoord van de Raad dat "de Raad en de Europese Raad beschikken over een degelijk gecentraliseerd aanbestedingskader, dat recentelijk is aangepast aan het nieuwe Financieel Reglement en aan de nieuwe uitvoeringsvoorschriften, en zal worden versterkt met nieuw uitgewerkte templates voor opdrachten en uitnodigingen tot inschrijving; daarnaast zullen specifieke opleidingscursussen worden ontwikkeld met het oog op het omschrijven en hanteren van selectie- en gunningscriteria";

7.  onderschrijft de aanbevelingen van de Rekenkamer dat de ordonnateurs van de Europese Raad en de Raad het ontwerp, de coördinatie en het functioneren van aanbestedingen moeten verbeteren door middel van passende controles en betere begeleiding;

8.  wijst erop dat de Raad niet nader is ingegaan op de aanbevelingen van de Rekenkamer;

Hangende zaken

9.  herhaalt zijn oproep aan de Raad om het Parlement te informeren over de voortgang bij de bouw en de definitieve kostenraming van het "Europa"-gebouw;

10.  verzoekt de Raad een toelichting te geven op alle maatregelen die gedurende de bouw van het Europagebouw ten uitvoer zijn gelegd om de uitvoering van het project te verbeteren;

11.  herinnert de Raad aan het verzoek van het Parlement om een overzicht te krijgen van de vooruitgang bij het "Résidence Palace"-bouwproject evenals een nauwkeurige uitsplitsing van de tot dusver gemaakte kosten;

12.  dringt er bij de Raad op aan een gedetailleerde schriftelijke uitleg te verstrekken over de totale omvang van de financiële middelen die werden gebruikt voor de aankoop van het Résidence Palace-gebouw, de begrotingsonderdelen waar deze kredieten vandaan zijn gekomen, de betalingen die tot dusver zijn verricht, de betalingen die nog verricht moeten worden en het doel waarvoor het gebouw moet dienen;

13.  herinnert aan zijn verzoek aan de Raad om informatie te verstrekken over het proces van administratieve modernisering, met name over de concrete uitvoeringsmaatregelen van dat proces, alsook over het verwachte effect ervan op de begroting van de Raad;

14.  betreurt de moeilijkheden die tot op heden herhaaldelijk werden ondervonden in de kwijtingsprocedures als gevolg van een gebrek aan samenwerkingsbereidheid van de Raad; wijst erop dat het Parlement de secretaris-generaal van de Raad geen kwijting heeft verleend voor de begrotingsjaren 2009, 2010 en 2011 vanwege de redenen die uiteen zijn gezet in de resoluties van 10 mei 2011(9), 25 oktober 2011(10), 10 mei 2012(11), 23 oktober 2012(12), 17 april 2013(13) en 9 oktober 2013(14), en zijn besluit om de secretaris-generaal van de Raad kwijting te verlenen voor het begrotingsjaar 2012 heeft uitgesteld wegens de redenen die uiteen zijn gezet in zijn resolutie van 3 april 2014;

15.  herhaalt dat een effectieve begrotingscontrole alleen mogelijk is indien het Parlement en de Raad samenwerken, als uiteengezet in zijn resolutie van 3 april 2014; bevestigt dat het Parlement niet in staat is met kennis van zaken een besluit te nemen over de verlening van kwijting;

16.  herinnert eraan dat het Parlement, op grond van zijn op 17 april 2013 aangenomen kwijtingsbesluit, de vragen van de Raad aan de Commissie heeft toegestuurd, en dat de Commissie per brief d.d. 23 januari 2014 heeft geantwoord; herinnert de Raad aan het standpunt van de Commissie dat alle instellingen volledig deel uitmaken van het follow up-proces ten aanzien van de opmerkingen die het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure formuleert, en dat alle instellingen moeten samenwerken teneinde het soepele verloop van de kwijtingsprocedure te waarborgen;

17.  wijst erop dat de Commissie in bovengenoemde brief heeft verklaard dat zij geen toezicht zal houden op de tenuitvoerlegging van de begrotingen van de andere instellingen en dat beantwoording van de vragen die aan een andere instelling zijn gericht de autonomie van die instelling zou schenden om haar eigen afdeling van de begroting ten uitvoer te leggen;

18.  betreurt dat de Raad blijft verzuimen de vragen van het Parlement te beantwoorden; herinnert aan de conclusies van de workshop van het Parlement van 27 september 2012 over het recht van het Parlement om kwijting te verlenen aan de Raad, waar deskundigen uit juridische en academische milieus het er grotendeels over eens waren dat het Parlement recht had op informatie; verwijst in dit verband naar artikel 15, lid 3, derde alinea, VWEU, waarin wordt bepaald dat elke instelling, elk orgaan of elke instantie zorgt voor transparantie in zijn of haar werkzaamheden;

19.  benadrukt nogmaals dat de uitgaven van de Raad op dezelfde wijze moeten worden gecontroleerd als de uitgaven van andere instellingen, en dat de fundamentele onderdelen van een dergelijke controle zijn vastgelegd in zijn kwijtingsresoluties van de afgelopen jaren, met name in de resolutie van 23 oktober 2012;

20.  onderstreept de bevoegdheid van het Parlement om kwijting te verlenen krachtens de artikelen 316, 317 en 319 VWEU, in overeenstemming met de huidige interpretatie en praktijk, namelijk verlening van kwijting voor elke rubriek van de begroting afzonderlijk, teneinde de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetalers van de Unie te waarborgen;

21.  is van mening dat het onvermogen om de gevraagde documenten aan het Parlement te verstrekken bovenal het recht van burgers van de Unie op informatie en transparantie ondermijnt en een bron van zorg wordt, aangezien het een zeker democratisch tekort binnen de instellingen van de Unie blootlegt; dringt er derhalve bij de Raad op aan de verzoeken van het Parlement om informatie niet te beschouwen als pogingen om institutionele suprematie te verwerven, maar prioriteit te geven aan het recht van het publiek om volledig te worden geïnformeerd;

22.  is van mening dat het noodzakelijk is verschillende mogelijkheden te overwegen om de regels voor het verlenen van kwijting als vastgelegd in het VWEU te actualiseren;

23.  vindt dat het Parlement en de Raad enige vooruitgang zouden kunnen boeken door een "modus vivendi"-procedure op te zetten tezamen met een lijst van documenten die moeten worden uitgewisseld om hun respectievelijke rol in het kwijtingsproces te vervullen; moedigt de Raad in dit verband aan te zoeken naar een politieke oplossing voor het verlenen van kwijting aan de Raad, ongeacht het feit dat de het Parlement en de Raad daarover nog steeds uiteenlopende juridische standpunten hebben;

24.  is van mening dat een bevredigende samenwerking tussen het Parlement, de Europese Raad en de Raad als gevolg van een open en formele dialoog een positief signaal kan zijn aan de burgers van de Unie.

(1) PB L 56 van 29.2.2012.
(2) PB C 334 van 15.11.2013, blz. 1.
(3) PB C 331 van 14.11.2013, blz. 1.
(4) PB C 334 van 15.11.2013, blz. 122.
(5) PB L 266 van 5.9.2014, blz. 24.
(6) PB L 248 van 16.9.2012, blz. 1.
(7) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(8) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(9) PB L 250 van 27.9.2011, blz. 25.
(10) PB L 313 van 26.11.2011, blz. 13.
(11) PB L 286 van 17.10.2012, blz. 23.
(12) PB L 350 van 20.12.2012, blz. 71.
(13) PB L 308 van 16.11.2013, blz. 22.
(14) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 97.

Juridische mededeling - Privacybeleid