Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 25 november 2014 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Protocol betreffende voor rijdend spoorwegmaterieel specifieke aangelegenheden ***
 Haags Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze ***
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2014/008 FI/STX Rauma – Finland
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2014/005 FR/GAD – Frankrijk
 Advies van het Hof van Justitie inzake de verenigbaarheid met de Verdragen van de Overeenkomst tussen Canada en de Europese Unie inzake de doorgifte en verwerking van gegevens uit het Passenger Name Record
 De EU en het mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015
 Werkgelegenheids- en sociale aspecten van de EU2020-strategie

Protocol betreffende voor rijdend spoorwegmaterieel specifieke aangelegenheden ***
PDF 209kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 november 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad inzake de goedkeuring namens de Europese Unie van het Protocol bij het Verdrag inzake internationale zekerheden op mobiel materieel betreffende voor rijdend spoorwegmaterieel specifieke aangelegenheden, vastgesteld te Luxemburg op 23 februari 2007 (15113/2013 – C8-0004/2014 – 2013/0184(NLE))
P8_TA(2014)0054A8-0030/2014

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15113/2013),

–  gezien het Protocol bij het Verdrag inzake internationale zekerheden op mobiel materieel betreffende voor rijdend spoorwegmaterieel specifieke aangelegenheden, vastgesteld te Luxemburg op 23 februari 2007(1),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 81, lid 2, en artikel 218, lid 6, onder a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0004/2014),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en de artikelen 99, lid 2, en 108, lid 7,van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0030/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de goedkeuring van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 331 van 16.12.2009, blz. 5.


Haags Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze ***
PDF 207kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 november 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de goedkeuring namens de Europese Unie van het Haags Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze (12052/2014 – C8-0222/2014 – 2014/0021(NLE))
P8_TA(2014)0055A8-0034/2014

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12052/2014),

–  gezien het Haags Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze(1),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 81, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0222/2014),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie juridische zaken (A8-0034/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het besluit betreffende de goedkeuring van het Verdrag;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Permanent Bureau van de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht.

(1) PB L 133 van 29.5.2009, blz. 3.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2014/008 FI/STX Rauma – Finland
PDF 307kWORD 61k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2014/008 FI/STX Rauma, ingediend door Finland) (COM(2014)0630 – C8-0214/2014 – 2014/2137(BUD))
P8_TA(2014)0056A8-0043/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0630 – C8‑0214/2014),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13 hiervan,

–  gezien de trialoogprocedure overeenkomstig punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0043/2014),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om middelen beschikbaar te stellen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van de nieuwe EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Europees Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60% van de totale geschatte kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat de Finse autoriteiten op 27 mei 2014 aanvraag EGF/2014/008 FI/STX Rauma hebben ingediend naar aanleiding van 577 ontslagen bij STX Finland Oy, een onderneming werkzaam in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2 afdeling 30 ("Vervaardiging van andere transportmiddelen");

E.  overwegende dat de aanvraag voldoet aan de subsidiabiliteitscriteria die zijn vastgelegd in de EFG-verordening;

1.  stelt vast dat de Finse autoriteiten de aanvraag hebben ingediend op grond van het criterium voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, dat vereist dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 500 werknemers gedwongen zijn ontslagen of zelfstandigen hun werkzaamheden hebben beëindigd, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd bij leveranciers of downstreamproducenten;

2.  merkt op dat de Finse autoriteiten de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG op 27 mei 2014 hebben ingediend en dat de beoordeling daarvan door de Commissie op 14 oktober 2014 is gepubliceerd; is ingenomen met het feit dat de beoordeling binnen slechts vijf maanden is afgerond;

3.  wijst erop dat de Finse autoriteiten aanvoeren dat de scheepvaartsector de laatste jaren wereldwijd zeer sterk is veranderd en dat als deel van deze trend het marktaandeel van de EU in de scheepsbouw(4) sterk is afgenomen van 13% in 2007 tot 5% in de eerste drie kwartalen van 2013, terwijl het equivalente marktaandeel van China, Zuid-Korea en Japan samen steeg van 77% in 2007 tot 86% in de eerste drie kwartalen van 2013; wijst erop dat, naast deze aanzienlijke expansie van Azië op de scheepsbouwmarkt, het geslonken orderboek ten gevolge van de economische crisis ervoor heeft gezorgd dat de sector in Europa lijdt onder een wereldwijde overcapaciteit, met harde concurrentie als gevolg;

4.  stemt ermee in dat deze factoren verband houden met door de globalisering veroorzaakte grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen en dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, zodat dat Finland bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage op grond van die verordening;

5.  wijst erop dat tot op heden voor de scheepsbouwsector in brede zin zes EFG-aanvragen werden ingediend, waarvan er één gebaseerd was op handelsgerelateerde globalisering en de overige vijf op de wereldwijde financiële en economische crisis; is van mening dat herstructurering in de sector de problemen kan verlichten en dat de scheepsbouwsectoren in de verschillende lidstaten ondersteund kunnen worden met richtsnoeren vanuit een Europees perspectief;

6.  merkt op dat deze ontslagen de werkloosheidssituatie in Zuidwest-Finland verder zullen verergeren, omdat de meeste ontslagen werknemers een laag onderwijsniveau hebben, gecombineerd met een relatief hoge leeftijd, waardoor het risico van langdurige werkloosheid hoog is; is des te bezorgder over de gevolgen van deze sluiting voor de regio omdat de scheepswerf en de staalindustrie economische kernactiviteiten vormen en een lange traditie hebben in deze regio, wat de overschakeling op nieuwe economische activiteiten extra moeilijk maakt;

7.  wijst erop dat naast de 577 binnen de referentieperiode ontslagen werknemers nog eens 57 werknemers in aanmerking komen die na de referentieperiode van vier maanden werden ontslagen, waarmee het totaal op 634 personen komt, waarvan voor 565 personen EFG-steun zal worden aangevraagd;

8.  merkt op dat de totale geraamde kosten voor deze maatregelen 2 378 000 EUR bedragen, waarvan 113 000 EUR bestemd voor de implementatie, en dat de financiële bijdrage van het EFG 1 426 800 EUR bedraagt, wat goed is voor 60% van de totale kosten;

9.  is verheugd dat de Finse autoriteiten op 15 januari 2014 hebben besloten met de uitvoering van de individuele diensten voor de getroffen werknemers te beginnen teneinde de werknemers snel bijstand te verlenen, daarmee vooruitlopend op het definitieve besluit over de toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket en zelfs op de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG;

10.  wijst erop dat de Finse autoriteiten hebben aangegeven dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening werd opgesteld in overleg met de betrokken sociale partners en verschillende andere belanghebbenden en juicht het toe dat het overleg nog steeds plaats vindt in een werkgroep die speciaal door het Ministerie van Werkgelegenheid en Economie wordt bijeengeroepen om oplossingen te vinden voor de ontslagen bij STX Finland;

11.  stelt vast dat de individuele dienstverlening bestaat uit de volgende drie soorten maatregelen voor de ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: i) de ontslagen werknemers helpen een nieuwe baan te vinden, ii) de ontslagen werknemers helpen een eigen bedrijf op te richten, en iii) onderwijs en opleiding aanbieden;

12.  verwelkomt het feit dat het instellen van servicepunten wordt voorgesteld als een van de maatregelen; acht het positief dat deze servicepunten persoonlijkere en diepgaandere diensten zullen verstrekken dan de openbare dienst voor arbeidsbemiddeling kan bieden;

13.  wijst erop dat een hoog percentage (41,42%) van de ontslagen werknemers tussen de 55 en 64 jaar oud is; wijst er verder op dat deze leeftijdsgroep een groter gevaar loopt op langdurige werkloosheid en uitsluiting van de arbeidsmarkt; is daarom van mening dat deze werknemers specifieke behoeften kunnen hebben waar bij de individuele dienstverlening aandacht aan moet worden besteed;

14.  verwelkomt in het bijzonder de maatregel "Enquête bij ondernemingen", waarbij in samenwerking met bedrijven en sectoren in Rauma een enquête over banen in de regio Rauma wordt uitgevoerd, om actuele informatie te vergaren over de personeelsbehoeften van de ondernemingen, en de werknemers voor wie steun wordt aangevraagd te stimuleren om in de goede richting naar een baan te zoeken, alsmede om hen van de nodige opleiding te voorzien;

15.  verwelkomt het idee dat wie van plan is een bedrijf op te richten, kan uitproberen hoe het is om ondernemer te zijn door stage te lopen in een bestaand bedrijf; wijst op de potentiële toegevoegde waarde van het oprichten van een bedrijf na te zijn ontslagen, zowel voor de personen in kwestie als voor de samenleving als geheel;

16.  wijst erop dat loonsubsidies bedoeld zijn om ervoor te zorgen dat de beoogde werknemers die door nieuwe werkgevers worden aangenomen geen achterstand oplopen in de eerste periode van hun nieuwe baan; is van mening dat een dergelijke maatregel de werknemers kan stimuleren om te gaan zoeken naar en zich in te zetten voor een breder spectrum van nieuwe en nog onbekende banen;

17.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG-verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het gecoördineerde pakket gericht dient te zijn op de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

18.  is van mening dat de binnen de nieuwe ESF-programmeringsperiode geplande ESF-maatregelen complementair moeten zijn met de voorgestelde maatregelen en de reïntegratie van werknemers in toekomstgerichte en duurzame economische sectoren moeten stimuleren;

19.  herinnert eraan dat inzetbaarheid van werknemers ook samenhangt met de mate van integratie in de samenleving en vraagt daarom speciaal aandacht te besteden aan de sociale begeleiding van oudere en laagopgeleide werknemers;

20.  verwelkomt het feit dat bij de toegang tot de voorgestelde acties en hun uitvoering de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie zullen worden gerespecteerd;

21.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

22.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2014/008 FI/STX Rauma, ingediend door Finland)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit 2014/878/EU.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) uitgedrukt in productievolume


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2014/005 FR/GAD – Frankrijk
PDF 305kWORD 63k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2014/005 FR/GAD, ingediend door Frankrijk) (COM(2014)0662 – C8-0226/2014 – 2014/2166(BUD))
P8_TA(2014)0057A8-0044/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0662 – C8‑0226/2014),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014‑2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014‑2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure overeenkomstig punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8‑0044/2014),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te verlenen aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om middelen beschikbaar te stellen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van de EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geschatte kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat de Franse autoriteiten op 6 juni 2014 aanvraag EGF/2014/005 FR/GAD hebben ingediend naar aanleiding van 744 ontslagen bij GAD société anonyme simplifiée, een onderneming die actief is in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2‑afdeling 10 ("Vervaardiging van voedingsmiddelen");

E.  overwegende dat de aanvraag voldoet aan de subsidiabiliteitscriteria die zijn vastgelegd in de EFG‑verordening;

F.  overwegende dat de plaatselijke autoriteiten in Bretagne niet betrokken waren bij de organisatie van de individuele dienstverlening ("cellule de reclassement") aan de getroffen werknemers, ook al zijn ze verantwoordelijk voor de beroepsopleiding; overwegende dat de vertegenwoordigers van de plaatselijke vakbonden van de grootste locaties niet betrokken waren bij de onderhandelingen over de maatregelen;

1.  stelt vast dat de Franse autoriteiten de aanvraag hebben ingediend op grond van het criterium voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, dat vereist dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 500 werknemers gedwongen zijn ontslagen of zelfstandigen hun werkzaamheden hebben beëindigd, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen en/of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd bij leveranciers en downstreamproducenten;

2.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening en dat Frankrijk bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage op grond van die verordening;

3.  stelt vast dat de Franse autoriteiten de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG op 6 juni 2014 hebben ingediend en dat de beoordeling daarvan door de Commissie op 24 oktober 2014 is gepubliceerd; is ingenomen met het feit dat de Commissie zich aan de door de EFG-verordening opgelegde krappe termijn van twaalf weken heeft gehouden;

4.  neemt er nota van dat de Franse autoriteiten aanvoeren dat GAD, een slachterij en vleesverwerkende onderneming, klem zat tussen prijsdruk van twee kanten: de varkensfokkers moesten de stijging van de prijs van diervoeder doorberekenen, en de consumenten hadden minder te besteden;

5.  is het ermee eens dat het lagere verbruik van varkensvlees als gevolg van hogere prijzen en een lagere koopkracht van de consumenten verband houdt met de wereldwijde financiële en economische crisis als bedoeld in Verordening (EG) nr. 546/2009(4);

6.  is van mening dat de stijging van de prijzen van varkensvoer, dat de Unie grotendeels invoert uit landen die onlangs met droogte te kampen hadden, aan de globalisering zou kunnen worden toegeschreven;

7.  is van mening dat ook andere factoren een belangrijke rol speelden in de moeilijkheden van de onderneming, zoals oneerlijke concurrentie op de interne markt vanwege concurrenten die misbruik maakten van de detacheringsrichtlijn(5), of het feit dat niet in alle lidstaten een fatsoenlijk minimumloon is vastgesteld;

8.  vraagt de Commissie te zorgen voor gelijke voorwaarden op de interne markt en voor samenhang tussen de betreffende wetgeving en instrumenten;

9.  concludeert dat de financiële moeilijkheden van GAD aan verscheidene factoren toe te schrijven zijn, maar is het er niettemin mee eens dat Frankrijk aanspraak kan maken op een financiële bijdrage uit het EFG;

10.  merkt op dat er tot op heden één andere EFG-aanvraag is ingediend met betrekking tot de sector "Vervaardiging van voedingsmiddelen"(6), eveneens gebaseerd op de wereldwijde financiële en economische crisis;

11.  merkt op dat de werkloosheidssituatie in Bretagne door deze ontslagen nog zal verergeren, aangezien de werkgelegenheid in deze regio relatief sterk afhankelijk is van de agrarische sector (11 % in Bretagne tegen gemiddeld 5 % in Frankrijk);

12.  merkt op dat naast de 744 binnen de referentieperiode ontslagen werknemers nog eens 16 werknemers in aanmerking komen die na de referentieperiode van vier maanden werden ontslagen, waarmee het totaal op 760 personen komt, terwijl het aantal beoogde begunstigden van de EFG-maatregelen eveneens 760 bedraagt;

13.  merkt op dat de totale geraamde kosten 1 530 000 EUR bedragen, waarvan 30 000 EUR voor implementatie bestemd is, en dat de financiële bijdrage uit het EFG 918 000 EUR bedraagt, d.w.z. 60 % van de totale kosten;

14.  constateert met voldoening dat de Franse autoriteiten op 3 januari 2014 hebben besloten met de uitvoering van de individuele diensten voor de getroffen werknemers te beginnen teneinde de werknemers snel bijstand te verlenen, daarmee vooruitlopend op het definitieve besluit over de toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket en zelfs op de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG;

15.  constateert dat de Franse autoriteiten hebben aangegeven dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening is opgesteld nadat aan de centrale ondernemingsraad van GAD op 28 juni 2013 was meegedeeld dat het de bedoeling was 889 arbeidsplaatsen te schrappen;

16.  betreurt echter dat de lokale overheden en vakbonden onvoldoende bij de voorbereidingen zijn betrokken; stelt in het kader van een toekomstige herziening van de EFG-verordening voor om verplicht te stellen dat nationale autoriteiten bij hun aanvraag om beschikbaarstelling van middelen vermelden dat formeel overleg heeft plaatsgevonden met de lokale overheden en vakbonden; acht het noodzakelijk dat het EFG beter wordt geïntegreerd in de programma's en processen voor omschakeling van lokale economische structuren;

17.  is ingenomen met het feit dat de werknemers reeds worden ondersteund met diverse maatregelen om hen te helpen een nieuwe baan te vinden, en dat per 20 mei 2014, 108 van hen reeds een arbeidsovereenkomst voor meer dan zes maanden hadden, en nog eens 66 voor minder dan zes maanden, terwijl drie een eigen bedrijf hadden opgericht en bijna alle werknemers ervoor hadden gekozen in de regio te blijven;

18.  betreurt dat de individuele dienstverlening die aan de ontslagen werknemers zal worden verstrekt, slechts uit één actie bestaat, die zal worden uitgevoerd door een uniek loket ("cellule de reclassement"), beheerd door twee gecontracteerde dienstverleners; merkt op dat Frankrijk slechts vraagt om financiering uit het EFG voor dit uniek loket; spreekt zijn bezorgdheid uit over de beperkte hoeveelheid middelen per werknemer (ongeveer 1 200 EUR); roept de Franse autoriteiten op om in de geplande EFG-aanvraag voor de resterende te sluiten vestigingen van GAD een ambitieuzer programma voor te stellen met een breder scala aan maatregelen, zoals een onthaalcentrum en dossierbehandeling, begeleiding door externe deskundigen, thematische workshops, opleidingen, opleidingstoelagen en subsidies om een eigen bedrijf op te richten;

19.  verwacht dat de Commissie en de Franse autoriteiten zich nauwgezet zullen houden aan het beginsel dat betalingen aan de bureaus per tranche plaatsvinden, op basis van bereikte resultaten;

20.  is van mening dat het houden van toezicht op de activiteiten van de bureaus door middel van geregelde schriftelijke rapporten waarborgt dat de middelen op de juiste wijze worden ingezet om de deelnemers een individueel carrièreperspectief te bieden, naast een toereikend aantal aanbiedingen voor werk en begeleiding bij de oprichting van bedrijven, in het kader van het uniek-loketsysteem;

21.  herinnert eraan dat de middelen dienen om de werknemers te helpen en in geen geval om de gecontracteerde bureaus te ondersteunen;

22.  is ingenomen met het feit dat de gecontracteerde bureaus worden betaald overeenkomstig een schaal op basis van de bereikte resultaten;

23.  wijst erop dat 17,5 % van de ontslagen werknemers tussen de 55 en 64 jaar oud is; wijst er verder op dat deze leeftijdsgroep een groter gevaar loopt op langdurige werkloosheid en uitsluiting van de arbeidsmarkt; is daarom van mening dat deze werknemers specifieke behoeften kunnen hebben waar bij de individuele dienstverlening aandacht aan moet worden besteed;

24.  is ingenomen met het feit dat bij de toegang tot de voorgestelde acties en hun uitvoering de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie zullen worden gerespecteerd;

25.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG-verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het gecoördineerde pakket gericht dient te zijn op de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

26.  wijst erop dat de Franse autoriteiten geen financiering hebben gevraagd voor voorbereidende activiteiten, beheer en voorlichting en publiciteit;

27.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

28.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2014/005 FR/GAD, ingediend door Frankrijk)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit 2014/876/EU.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1927/2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (PB L 167 van 29.6.2009, blz. 26).
(5) Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1).
(6) EGF/2014/001 EL/Nutriart, betreffende bakkerijproducten.


Advies van het Hof van Justitie inzake de verenigbaarheid met de Verdragen van de Overeenkomst tussen Canada en de Europese Unie inzake de doorgifte en verwerking van gegevens uit het Passenger Name Record
PDF 130kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2014 over het inwinnen van het advies van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid met de Verdragen van de Overeenkomst tussen Canada en de Europese Unie inzake de doorgifte en verwerking van gegevens uit het Passenger Name Record (2014/2966(RSP))
P8_TA(2014)0058B8-0265/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de leden 6 en 11 daarvan,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van de overeenkomst tussen Canada en de Europese Unie inzake de doorgifte en verwerking van gegevens uit het Passenger Name Record (12652/2013),

–  gezien de overeenkomst tussen Canada en de Europese Unie inzake de doorgifte en verwerking van gegevens uit het Passenger Name Record (12657/2013),

–  gezien de mededeling van de Commissie over de algemene aanpak van de doorgifte van passagiersgegevens (Passenger Name Record - PNR) aan derde landen (COM(2010)0492),

–  gezien zijn resoluties van 5 mei 2010 over de opening van onderhandelingen over overeenkomsten inzake persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) met de Verenigde Staten, Australië en Canada(1), en van 11 november 2010 over de algemene aanpak van doorgifte van PNR-gegevens aan derde landen(2),

–  gezien het advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming van 19 oktober 2010 inzake de mededeling van de Commissie over de algemene aanpak van de doorgifte van PNR-gegevens aan derde landen(3),

–  gezien het advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming van 30 september 2013 over de voorstellen voor besluiten van de Raad tot de sluiting en ondertekening van de overeenkomst tussen Canada en de Europese Unie inzake de doorgifte en verwerking van gegevens uit het Passenger Name Record(4),

–  gezien het op 12 november 2010 aangenomen advies 7/2010 van de Groep gegevensbescherming artikel 29 inzake de mededeling van de Commissie over de algemene aanpak van de doorgifte van PNR-gegevens aan derde landen,

–  gezien artikel 16 VWEU en de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van 9 maart 2010 in zaak C‑518/07, Commissie tegen de Bondsrepubliek Duitsland,

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van 8 april 2014 in de gevoegde zaken C‑293/12 en C‑594/12, waarin de richtlijn gegevensbewaring ongeldig werd verklaard,

–  gezien artikel 108, lid 6, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie in 2005 een overeenkomst heeft gesloten met Canada over de verwerking van PNR-gegevens op grond van een reeks verbintenissen van het Canada Border Services Agency (CBSA) met betrekking tot de uitvoering van zijn PNR-programma; overwegende dat de desbetreffende beschikking van de Commissie op 22 september 2009 is verstreken, en dat er dientengevolge geen Europese rechtsgrond meer is voor de doorgifte van PNR-gegevens aan het CBSA;

B.  overwegende dat het CBSA zich er eenzijdig toe heeft verbonden de EU te garanderen dat deze verbintenissen van kracht blijven tot er een nieuwe overeenkomst in werking treedt; overwegende dat dit is meegedeeld aan alle lidstaten en hun gegevensbeschermingsautoriteiten;

C.  overwegende dat voor de sluiting van nieuwe PNR-overeenkomsten – sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 – de goedkeuring van het Europees Parlement is vereist voordat zij door de Raad kunnen worden aangenomen;

D.  overwegende dat de Raad op 2 december 2010 een besluit heeft aangenomen, samen met een mandaat voor onderhandelingen, waarin hij de Commissie machtigt namens de EU onderhandelingen te openen over een overeenkomst met Canada over de doorgifte en verwerking van PNR-gegevens;

E.  overwegende dat de Commissie de Raad op 18 juli 2013 heeft voorgesteld een besluit te nemen over de sluiting van de overeenkomst;

F.  overwegende dat de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming op 30 september 2013 een advies heeft uitgebracht over de overeenkomst, waarin hij vraagtekens zet bij de noodzakelijkheid en evenredigheid van de PNR-regelingen en de massale overdracht van PNR-gegevens naar derde landen, alsook bij de keuze van de rechtsgrond;

G.  overwegende dat de Raad het Parlement op 5 december 2013 heeft gevraagd zijn goedkeuring te hechten aan de sluiting van de overeenkomst;

H.  overwegende dat de overeenkomst op 25 juni 2014 is ondertekend;

I.  overwegende dat de Raad het Parlement op 7 juli 2014 heeft verzocht om goedkeuring van de sluiting van de overeenkomst;

J.  overwegende dat het Hof van Justitie de richtlijn gegevensbewaring in zijn arrest van 8 april 2014 in de gevoegde zaken C‑293/12 en C‑594/12 ongeldig heeft verklaard;

K.  overwegende dat de overeenkomst als doel heeft om, zoals omschreven in artikel 1 van de overeenkomst, voorwaarden vast te stellen voor de doorgifte, het gebruik en de bescherming van PNR-gegevens;

1.  is van oordeel dat er rechtsonzekerheid heerst over de vraag of de ontwerpovereenkomst verenigbaar is met de bepalingen van de Verdragen (artikel 16 VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikelen 7, 8 en 52, lid 1) betreffende het recht van personen op de bescherming van hun persoonsgegevens; heeft voorts zijn twijfels bij de keuze van de rechtsgrond, namelijk artikel 82, lid 1, onder d), en artikel 87, lid 2, onder a), VWEU (gerechtelijke en politiële samenwerking), in plaats van artikel 16 VWEU (gegevensbescherming);

2.  besluit het advies van het Hof van Justitie in te winnen over de verenigbaarheid van bovengenoemde overeenkomst met de Verdragen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, en de nodige maatregelen te nemen om zulk advies van het Hof van Justitie in te winnen.

(1) PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 70.
(2) PB C 74 E van 13.3.2012, blz. 8.
(3) PB C 357 van 30.12.2010, blz. 7.
(4) PB C 51 van 22.2.2014, blz. 12.


De EU en het mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015
PDF 337kWORD 102k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2014 over de EU en het mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015 (2014/2143(INI)),
P8_TA(2014)0059A8-0037/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000,

–  gezien het verslag dat in juli 2014 werd aangenomen door de open werkgroep duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de VN,

–  gezien het verslag dat op 8 augustus 2014 werd aangenomen door het intergouvernementele comité van deskundigen inzake financiering van duurzame ontwikkeling,

–  gezien de ministeriële verklaring van het politiek forum op hoog niveau voor duurzame ontwikkeling, van juli 2014,

–  gezien het verslag van de Verenigde Naties van 2014 over de millenniumontwikkelingsdoelstellingen,

–  gezien het slotdocument van de vergadering op hoog niveau van het GPEDC van april 2014 in Mexico,

–  gezien de Verklaring van Beijing en het Actieplatform, aangenomen door de Vierde wereldconferentie over vrouwen op 15 september 1995, en de daaruit voortvloeiende resultaatsdocumenten,

–  gezien de uitvoering van het actieprogramma van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD), dat in 1994 is aangenomen in Caïro, en de resultaten van de +20-herziening,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien het " Gender Chart 2012 " van de VN, waarin de vooruitgang wat betreft de gendergelijkheidsaspecten van de acht millenniumontwikkelingsdoelstellingen wordt geëvalueerd,

–  gezien de resultaten van de conferentie van de Verenigde Naties inzake milieu en ontwikkeling van 1992 en het verslag over de follow-up ervan inzake duurzame ontwikkeling die van 20 tot en met 22 juni 2012 plaatsvond in Rio de Janeiro (Brazilië),

–  gezien het verslag over menselijke ontwikkeling in 2014 van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) getiteld "Sustaining Human Progress: Reducing Vulnerabilities and Building Resilience", Reducing Vulnerabilities and Building Resilience’,

–  gezien het verslag van de Groep van Eminente Personen op hoog niveau van mei 2013 over de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015,

–  gezien het verslag over de VN-conferentie inzake duurzame ontwikkeling die van 20 tot en met 22 juni 2012 plaatsvond in Rio de Janeiro (Brazilië),

–  gezien het voor de secretaris-generaal van de VN opgestelde verslag van de werkgroep van het VN-stelsel voor de VN-ontwikkelingsagenda na 2015 getiteld: "Realising the future we want for all",

–  gezien de resolutie met de titel "Keeping the promise: United to achieve the Millennium Development Goals", aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN tijdens haar bijeenkomst op hoog niveau over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, tijdens de 65e zitting in 2010,

–  gezien het actieprogramma van Istanbul voor de minst ontwikkelde landen voor de jaren 2011-2020,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van mensen met een handicap,

–  gezien het verslag van de FAO over de situatie rond voedselonzekerheid,

–  gezien de verklaring en het actieplan aangenomen op het forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp gehouden in Busan in december 2011,

–  gezien het UNDP-verslag getiteld "Beyond the Midpoint: Achieving the Millennium Development Goals" van januari 2010,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en het wettelijk kader van de mensenrechten,

–  gezien de werkzaamheden van het System Task Team van de VN in het kader van de VN-ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015, gezamenlijk geleid door de VN-afdeling economische en sociale zaken (UN DESA) en het UNDP, met steun van alle VN-organisaties en in overleg met belanghebbenden,

–  gezien de mondiale strategie en het actieplan inzake de volksgezondheid, innovatie en intellectuele eigendom van de WHO van 24 mei 2008,

–  gezien de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en de Actieagenda van Accra,

–  gezien de verklaring van 1986 over het recht op ontwikkeling,

–  gezien de EU-Gedragscode over complementariteit en arbeidsverdeling in het ontwikkelingsbeleid(1),

–  gezien artikel 7 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin opnieuw is vastgelegd dat de EU toeziet "op de samenhang tussen haar verschillende beleidsmaatregelen en optredens, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen",

–  gezien artikel 208 VWEU dat bepaalt dat de Unie "bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening [houdt] met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking",

–  gezien de mededeling van de Commissie van maandag 2 juni 2014 getiteld "Een waardig leven voor iedereen: armoede uitroeien en de wereld een duurzame toekomst geven" (COM(2014)0335),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2014 getiteld "Een sterkere rol voor de particuliere sector bij het streven naar inclusieve en duurzame groei in ontwikkelingslanden" (COM(2014)0263),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 30 april 2014, een instrumentarium getiteld "A right-based approach, encompassing all human rights for EU development Cooperation" (SWD(2014)0152),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 februari 2013 getiteld "Een waardig leven voor iedereen: armoede uitroeien en de wereld een duurzame toekomst geven" (COM(2013)0092),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 september 2012 getiteld "Aan de basis van democratie en duurzame ontwikkeling: het maatschappelijke engagement van Europa in de externe betrekkingen" (COM(2012)0492),

–  gezien de openbare raadplegingen van de Commissie inzake de voorbereiding van een EU-standpunt met betrekking tot een ontwikkelingskader voor de periode na 2015 die van 15 juni 2012 tot 15 september 2012 zijn gehouden,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten die in het kader van de Raad bijeenkomen, het Europees Parlement en de Commissie, betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie getiteld "De Europese consensus"(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 april 2005 getiteld "Samenhang in het ontwikkelingsbeleid" (COM(2005)0134) en de conclusies van de 3166e Raad Buitenlandse Zaken van 14 mei 2012 getiteld "Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering",

–  gezien Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020(3),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 2 april 2014 over de 69e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties(4),

–  gezien zijn standpunt van 2 april 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Jaar voor ontwikkeling (2015)(5),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 inzake de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling – vaststelling van het kader voor de periode na 2015(6),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 19 mei 2014 over een op rechten gebaseerde benadering van ontwikkelingssamenwerking, die alle mensenrechten omvat,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 12 december 2013 over de financiering van armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling na 2015,

–  gezien de gezamenlijke ACP-EU-verklaring over de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 van 20 juni 2014,

–  gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 25 juni 2013 over de overkoepelende agenda voor de periode na 2015,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0037/2014),

A.  overwegende dat in 2000 alle relevante belanghebbenden bijeen zijn gekomen om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's) vast te stellen teneinde vóór 2015 concrete ontwikkelings- en armoedebestrijdingsdoelstellingen te verwezenlijken;

B.  overwegende dat de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling hebben geleid tot een vergroting van het bewustzijn omtrent de uitbanning van de armoede in de wereld als urgent probleem en prioriteit voor wereldwijde maatregelen; overwegende dat de mate waarin de MDG ' s verwezenlijkt zijn varieert, maar dat zij een zichtbaar positieve uitwerking hebben gehad op de bestrijding van extreme armoede, het terugdringen van malaria en tuberculose, het verbeteren van de toegang tot drinkwater en het verminderen van de verschillen in de toegang tot basisscholen; overwegende dat bepaalde tekortkomingen volledig aan bod moeten komen tijdens de vaststelling van het kader voor de periode na 2015;

C.  overwegende dat uit beoordelingen van de vooruitgang bij het verwezenlijken van de huidige MDG ' s is gebleken dat binnen het nieuwe kader een sterke koppeling tussen armoedebestrijding en stimulering van duurzame ontwikkeling en één enkele, universele reeks doelstellingen met gedifferentieerde benaderingen van cruciaal belang zijn;

D.  overwegende dat de stedelijke bevolking naar verwachting zal toenemen van de huidige 3,6 miljard tot meer dan 6 miljard mensen en dat de grootste steden naar verwachting zullen uitgroeien tot megasteden met meer dan 100 miljoen inwoners; overwegende dat een te sterke verstedelijking de duurzaamheid van de ontwikkeling in alle opzichten aantast;

E.  overwegende dat op de in Cairo in 1994 gehouden Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling is opgeroepen tot toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten, waartoe ook gezinsplanning behoort; brengt in deze context in herinnering dat in 2013 naar schatting 289 000 vrouwen zijn gestorven tijdens de zwangerschap of de bevalling; herinnert aan MDG 5, alsmede de noodzaak dat vrouwen toegang krijgen tot effectieve methoden voor contraceptie en gezinsplanning om de kraambedsterfte met bijna een derde terug te brengen;

F.  overwegende dat de terugdringing van armoede ongelijk verloopt en dat de ongelijkheden tussen en binnen landen, die zowel in de ontwikkelde als in de ontwikkelingslanden zijn toegenomen, een zware uitdaging vormen de ontwikkeling, vooral in lage-inkomenslanden (LICs) en middeninkomenslanden (MICs); overwegende dat 1,5 miljard mensen in armoede leven, in drieledig opzicht misdeeld namelijk waar het gaat om gezondheid, om onderwijs en om levenspeil, met name in conflictgebieden en fragiele staten;

G.  overwegende dat gewelddadige conflicten en humanitaire crisissituaties nog steeds afbreuk doen aan het ontwikkelingswerk; overwegende dat vrouwen door militaire conflicten en crises zwaarder worden getroffen;

H.  overwegende dat er nog steeds aanvullende maatregelen nodig zijn om het percentage mensen dat aan honger lijdt te halveren, aangezien 162 miljoen jonge kinderen aan ondervoeding lijden; overwegende dat verborgen honger te definiëren is als tekort aan vitaminen en mineralen in het voedingspatroon, en een onomkeerbare uitwerking kan hebben op de gezondheid en ook sociaal-economische consequenties vanwege het teruglopen van de productiviteit van de bevolking;

I.  gezien het feit dat 2014 het Internationale Jaar van de gezinslandbouw is;

J.  overwegende dat in de verklaring van 1986 over het recht op ontwikkeling wordt erkend dat ontwikkeling een fundamenteel mensenrecht is; overwegende dat in deze verklaring wordt toegezegd een " op mensenrechten gebaseerde " benadering te volgen die is gericht op het verwezenlijken van alle mensenrechten (economische, sociale, culturele, politieke en burgerrechten); en overwegende dat in deze verklaring tegelijkertijd wordt toegezegd de internationale samenwerking te versterken;

K.  overwegende dat klimaatverandering een bedreiging vormt voor het terugdringen van de armoede, terwijl veel ontwikkelingslanden nog afhankelijk zijn van de landbouw en klimaatgevoelige natuurlijke hulpbronnen en niet over het vermogen beschikken om klimaatrisico ' s te beheren; overwegende dat er een dringende noodzaak bestaat om de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen terug te dringen en tot een billijker en duurzamer beheer van en bestuur over natuurlijke hulpbronnen te komen;

L.  overwegende dat de positieve resultaten bij het behalen van de MDG ' s op het punt van volksgezondheid grotendeels toe te schrijven zijn aan investeringen in O & O in de voorafgaande jaren; overwegende dat intellectuele eigendomsrechten de toegang tot betaalbare geneesmiddelen niet mogen belemmeren;

M.  overwegende dat ontwikkelingsmogelijkheden voor jonge kinderen en toegang tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs en kwalitatief hoogwaardige opleidingen voor elk kind, elke jongere en elke volwassene een essentiële voorwaarde vormen om de van generatie op generatie doorwerkende spiraal van armoede en ongelijkheid te kunnen doorbreken;

N.  overwegende dat er weinig voortgang is gemaakt op het punt van gendergelijkheid en weerbaar maken van vrouwen; overwegende dat vrouwen vaak discriminatie en geweld moeten dulden;

O.  overwegende dat vrouwen en meisjes wereldwijd een meerderheid vormen van mensen die in extreme armoede leven, en dat gendergelijkheid en vrouwenrechten een absolute voorwaarde zijn voor het welslagen van het mondiaal ontwikkelingssamenwerkingskader voor de periode na 2015; dat dagelijks wereldwijd naar schatting achthonderd vrouwen sterven als gevolg van complicaties tijdens de zwangerschap of de bevalling; overwegende dat op de in Cairo in 1994 gehouden Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling is opgeroepen tot universele toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg, waardoor levens kunnen worden gered;

P.  overwegende dat vrouwen meer dan de helft van het aantal migranten uitmaken;

Q.  overwegende dat Afrika via clandestiene geldstromen aanzienlijk meer kapitaal naar de rest van de wereld exporteert dan het aan internationale ontwikkelingshulp en overmakingen ontvangt;

R.  overwegende dat het nieuwe ontwikkelingskader gelegenheid biedt om de brede betrokkenheid van maatschappelijke organisaties, lokale autoriteiten en nationale parlementen te waarborgen;

S.  overwegende dat er nieuwe en fatsoenlijke banen moeten worden gecreëerd om op mondiaal niveau te kunnen inspelen op de demografische groei; overwegende dat de particuliere sector een belangrijke bron van werkgelegenheid vormt in ontwikkelingslanden en derhalve een onmisbare partner kan zijn in de strijd tegen armoede wanneer er duidelijke verantwoordingsmechanismen bestaan en internationale regelgeving inzake sociale bescherming wordt nageleefd;

T.  overwegende dat ontwikkelingshulp een unieke rol blijft spelen bij het terugdringen van de armoede en bewerkstelligen van verandering in ontwikkelingslanden;

U.  overwegende dat het op nationaal niveau vrijmaken van middelen een essentieel onderdeel vormt van de strijd tegen armoede en ongelijkheid;

V.  overwegende dat de EU en haar lidstaten de grootste donoren zijn van ontwikkelingshulp en derhalve een drijvende kracht moeten blijven bij de volgende fase van de onderhandelingen in VN-verband, waarbij met name de aanpak op basis van de mensenrechten moet worden bevorderd;

W.  overwegende dat in de conclusies van de Raad van december 2014 een samenhangende reeks beginselen en de hoofdlijnen van de onderhandelingsstrategie uiteen zullen worden gezet;

X.  overwegende dat artikel 208 VWEU bepaalt dat het uitbannen van de armoede de primaire doelstelling is van het ontwikkelingsbeleid van de EU, en met het oog op de ontwikkelingssamenwerking ook samenhang in het beleid verlangt;

I.  De millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling: evaluatie en nieuwe uitdagingen

1.  benadrukt dat het wereldlandschap in de afgelopen jaren is veranderd, en dat het economische en politieke evenwicht in de wereld is verschoven, dat sommige ontwikkelingslanden en opkomende economieën weliswaar een beduidende economische groei hebben doorgemaakt maar nog steeds een hoge en toenemende mate van ongelijkheid kennen; is van mening dat er een nieuwe benadering nodig is die ook mondiaal bestuur omvat, met bijzondere aandacht voor beleidscoherentie voor ontwikkeling en mondiale collectieve voorzieningen;

2.  herinnert eraan dat de MDG's weliswaar hun eenduidigheid tot voordeel hebben, maar niet toekomen aan de onderliggende structurele factoren die armoede en ongelijkheid in de hand werken; onderstreept dat het nieuwe kader voor duurzame ontwikkeling voor na 2015 verandering moet brengen door de oorzaken van armoede en ongelijkheid bij de wortel aan te pakken, en zo de achterwege gebleven onderdelen van de huidige MDG's alsnog af te maken;

3.  benadrukt dat de in 2000 vastgestelde MDG ' s tot de vele in de middeninkomenslanden en ontwikkelingslanden behaalde successen behoren, en dat deze resultaten correct moeten worden geanalyseerd en dat hieruit lering moet worden getrokken tijdens de vormgeving van het mondiale ontwikkelingskader voor de periode na 2015;

4.  herinnert eraan dat de MDG ' s een diepgaand verschil hebben gemaakt in het leven van mensen, maar dat belangrijke kwesties als mensenrechtenschendingen, gewapende conflicten en terrorisme, klimaatverandering, voedselonzekerheid, gemis van landbezitsrechten of landgebruiksrechten, migratie, werkloosheid, beperkte toegang tot gezondheidszorg en onderwijs, demografische veranderingen, verloren gaan van biodiversiteit, corruptie, belastingfraude en belastingontwijking, gebrek aan middelen, niet-duurzame groei, werkloosheid en financiële en economische crises nog altijd voor uiterst gecompliceerde en in elkaar grijpende uitdagingen voor de komende decennia zorgen, die vragen om nieuwe ontwikkelingstrajecten die uitzicht kunnen bieden op inclusieve en duurzame ontwikkeling voor eenieder;

5.  beklemtoont dat ecologische duurzaamheid een allesoverheersende uitdaging is, bij falen waarvan de menselijke ontwikkeling in al haar aspecten in gevaar komt; brengt met name in herinnering dat milieudegradatie een enorme belemmering vormt voor het behalen van de doelstelling om extreme armoede en honger uit te bannen; wijst er bijvoorbeeld op dat blijvende ongelijkheden en onenigheid over schaarse hulpbronnen behoren tot de voornaamste factoren die conflicten, honger, onveiligheid en geweld in de hand werken, die op hun beurt de menselijke ontwikkeling en pogingen om tot een duurzame ontwikkeling te komen belemmeren;

6.  benadrukt dat het nieuwe kader een doeltreffend antwoord op deze uitdagingen moet bieden en belangrijke kwesties moet aanpakken zoals de eerbiediging van de waardigheid van ieder individu, rechtvaardigheid, gelijkheid, goed bestuur, democratie, de rechtsstaat, vrede en veiligheid, klimaatverandering, rampenrisicovermindering en opbouw van zelfredzaamheid, behoud van biodiversiteit, inclusieve en duurzame ontwikkeling, landbezitsrechten en landgebruiksrechten, gezondheidszorg en sociale bescherming, onderwijs, onderzoek en innovatie en de rechten van vrouwen, kinderen, jongeren en minderheden;

7.  onderstreept dat het nieuwe ontwikkelingskader universeel van aard moet zijn en op alle landen toepasbaar, waaronder de EU-lidstaten, en derhalve relevant en billijk moet zijn voor zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met verschillende nationale omstandigheden, vermogens, beleidsterreinen en prioriteiten; onderstreept dat de hiermee gemoeide nieuwe verantwoordelijkheden en lasten eerlijk en gelijk over alle landen moeten worden verdeeld; roept in deze context de EU op om aan te geven welke concrete maatregelen en verbintenissen zij zou kunnen aanbevelen om op nationaal en internationaal niveau te kunnen inspelen op het universaliteitsbeginsel;

8.  benadrukt dat wederzijdse verantwoordingsplicht en transparantie op elk niveau de spil van het nieuwe ontwikkelingskader moeten vormen en dat het van belang is dat nationale regeringen en andere actoren, waaronder de private sector, aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de implementatie van het kader;

9.  roept de EU op actief leiding te geven in het proces naar de vastlegging van een enkel, alomvattend en geïntegreerd mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015, en constateert met voldoening dat eenieder het erover eens is dat de nieuwe mondiale ontwikkelingsagenda het mondiale partnerschap voor duurzame ontwikkeling nieuw leven moet inblazen en de wijze van uitvoering hiervan moet versterken;

II.  De behoefte aan een hernieuwd mondiaal partnerschap en een krachtig en samenhangend standpunt van de EU

10.  spoort de EU aan tot een actieve rol bij het gestalte geven aan een nieuw wereldwijd partnerschap dat alle landen zal aanzetten tot actie, ook de opkomende economieën, alle relevante belanghebbenden waaronder de particuliere sector, organisaties uit het maatschappelijk middenveld, lokale autoriteiten en nationale parlementen;

11.  dringt erop aan dat de EU een sterke, coherente en uniforme positie inneemt in de komende intergouvernementele onderhandelingen, rekening houdende met de in deze resolutie onderstreepte prioriteiten;

12.  stelt zich achter de conclusies van de open werkgroep van de VN; meent niettemin dat het kader zoals in deze conclusies geschetst, uiteindelijk zou kunnen worden geclusterd, waarbij het evenwicht bewaard moet blijven tussen uitbanning van armoede, bestrijding van ongelijkheden en de drie dimensies van duurzame ontwikkeling, en zolang het niet ten koste gaat van de op mensenrechten gebaseerde benadering, en evenmin van de meer ambitieuze en innovatieve doelstellingen;

13.  benadrukt dat het nieuwe mondiale kader een gepaste institutionele architectuur moet omvatten, die gericht is op de belangrijkste doelstellingen, uitbanning van armoede, bestrijding van ongelijkheden en bevordering van duurzame ontwikkeling, met duidelijke richtsnoeren voor het controleren van de tenuitvoerlegging en dat deze architectuur ook rekening moet houden met de complexiteit en de onderlinge verbanden tussen verschillende delen van het toekomstige kader;

14.  ziet beleidssamenhang met het oog op duurzame ontwikkeling als essentieel instrument voor deinvulling van het kader voor de periode na 2015; roept de EU derhalve op om er met de nodige richtsnoeren, effectbeoordelingen en observatie- en rapporteringsinstrumenten voor te zorgen dat die beleidssamenhang in het kader ook een plaats krijgt;

15.  beklemtoont dat het universele karakter van de mondiale ontwikkelingsagenda na 2015 strengere verbintenissen met zich meebrengt voor de EU en haar lidstaten; benadrukt dat de nieuwe doelstellingen voor duurzame ontwikkeling in het mondiale kader ook terug te vinden moeten zijn in zowel het interne als het externe beleid van de EU;

III.  Prioriteitsgebieden

16.  herinnert eraan dat de uitbanning van de armoede de belangrijkste prioriteit van de mondiale ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 moet blijven, samen met de onderling verweven pijlers van economische, ecologische en sociale duurzaamheid en een versterkt mondiaal partnerschap;

Uitbanning van armoede, terugdringing van ongelijkheid en duurzame ontwikkeling

17.  benadrukt dat de uitbanning van armoede en duurzame ontwikkeling samen het basisthema van het mondiale ontwikkelingskader voor de periode na 2015 moeten vormen; onderstreept dat het kader mensgericht moet zijn en het rechtsvacuüm moet opvullen met een op rechten gebaseerde benadering, om de ongelijkheden - zowel binnen als tussen de landen - te verkleinen, een van de belangrijkste doelstellingen immers van het kader;

18.  beklemtoont dat ongelijkheid alle inspanningen voor economische ontwikkeling en armoedebestrijding doorkruist; stelt nogmaals dat uitbanning van armoede, gelijkheid en duurzame ontwikkeling alleen mogelijk worden als met alle kwetsbare groepen rekening wordt gehouden en als gelijke toegang tot en duurzaam gebruik van hulpbronnen, evenals goed bestuur, worden bevorderd; vraagt de EU en de lidstaten hun steun te geven aan SDG 10, zoals door de open VN-werkgroep voorgesteld als op zichzelf staande doelstelling voor het nieuwe kader;

19.  benadrukt dat wanneer het kader echt hervormend moet zijn, een doelstelling voor het uitbannen van extreme armoede van twee dollar per dag noodzakelijk is;

20.  onderstreept dat het toekomstige kader de multidimensionale aspecten van armoede en ongelijkheid moet aanpakken, die meer behelzen dan een gebrek aan inkomen en die betrekking hebben op de menselijke waardigheid en alle menselijke dimensies, waaronder de sociale dimensie; onderstreept dat armoede niet uitsluitend op basis van het inkomen moet worden beoordeeld, maar ook op basis van welzijnsindicatoren en het bbp;

21.  beveelt aan de staatsopbouw te steunen middels grotere algemene en/of sectorale begrotingssteun die afhankelijk wordt gesteld van de criteria voor goed bestuur;

22.  benadrukt dat de onderhandelingspositie van werknemers in een grotendeels gemondialiseerde economie is verzwakt door de liberalisering, hetgeen de eerbiediging van de rechten in de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de agenda voor waardig werk in gevaar brengt; dringt er dan ook bij de EU op aan haar strategie voor het handelsbeleid zodanig op te zetten dat hoge sociale en milieunormen worden gehandhaafd en beschermd, terwijl elke vorm van sociale en milieudumping wordt ontmoedigd;

23.  benadrukt dat er een belangrijk verband bestaat tussen goed bestuur, duurzame economische groei en de verkleining van sociale ongelijkheden; onderstreept hoe belangrijk het is om gelijke kansen en rechten te bevorderen, evenals sociale dialoog; pleit voor een ruimere definiëring van armoede: niet alleen op basis van het BNP, maar ook aan de hand van grotere inhoudsmaten voor vooruitgang en welzijn;

24.  wijst op de cruciale economische en sociale rol van een sterke en stabiele middenklasse; onderstreept dat de middenklasse meer moet worden betrokken bij het politieke proces dat een inclusieve groei bevordert;

25.  verzoekt om de bevordering van een ecologisch duurzame ontwikkeling in alle landen, zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden, door middel van een duurzaam gebruik van hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen en bescherming van het milieu;

26.  benadrukt de noodzaak om duurzame ontwikkeling te bevorderen door te streven naar een evenwichtigere regionale ontwikkeling door middel van de bevordering van kleinere steden en het voorkomen van een buitenproportionele groei van de grote steden;

Een op mensenrechten gebaseerde aanpak

27.  is verheugd over het feit dat de bevordering van een op mensenrechten gebaseerde en op mensen gerichte benadering is opgenomen in de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling zoals voorgesteld door de open werkgroep van de VN; uit evenwel zijn zorg over het feit dat tot op heden geen steun is gegeven aan een ambitieuzere benadering en benadrukt dat een dergelijke benadering van essentieel belang is om armoede, sociale uitsluiting en ongelijkheid bij de wortel aan te pakken;

28.   benadrukt de universaliteit, ondeelbaarheid en onderlinge afhankelijkheid van alle mensenrechten van alle mensen, zonder onderscheid op welke grond dan ook, te beginnen bij het fundamentele recht op waardigheid voor alle mensen, met bijzondere aandacht voor de mensenrechten van vrouwen en meisjes, waartoe ook de bevordering behoort van universele toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten, evenals bescherming en respectering van de rechten van migranten en minderheden, waaronder LGBTI en mensen met HIV; onderstreept hoezeer het belangrijk is dat de rechten van mensen met een handicap in het nieuwe kader worden gerespecteerd en bevorderd;

29.  dringt er bij de EU op aan te benadrukken dat het belangrijk is om binnen de agenda voor de periode na 2015 prioriteit te verlenen aan de vaststelling en tenuitvoerlegging van een passend rechtskader, alsook dat nationaal en lokaal beleid gericht moet zijn op de bestrijding van corruptie en straffeloosheid en op de waarborging van een gelijke toegang tot onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke instanties, en effectieve rechtsmiddelen tegen mensenrechtenschendingen, in het bijzonder jegens gemarginaliseerde groepen, evenals bescherming van mensenrechtenactivisten; benadrukt dat een kader voor de periode na 2015 ook moet zorgen voor goed bestuur, democratie en rechtsstatelijkheid;

30.  vraagt van de EU een verdubbelde inspanning om in de intergoevermentele onderhandelingen te bereiken dat de op mensenrechten gebaseerde benadering (HRBA) en het recht op ontwikkeling als grondslagconcept zullen dienen voor het mondiale ontwikkelingskader voor na 2015, en daarmee dat de hoofdpijlers van die benadering, universaliteit en ondeelbaarheid, non-discriminatie en gelijkheid, verantwoordingsplicht en rechtsstatelijkheid, inspraak en inclusie worden opgenomen in de vormgeving, de invulling en de bewaking van het ontwikkelingskader na 2015; acht het belangrijk dat de door de open VN-werkgroep voorgestelde SDG 16 in het nieuwe kader als op zichzelf staande doelstelling wordt aangehouden;

Conflictpreventie, herstel na een conflict, vredesopbouw en bevordering van duurzame vrede

31.  is van oordeel dat het mondiale ontwikkelingskader voor de periode na 2015 recht moet doen aan de New Deal voor de inzet in kwetsbare staten en de in Busan overeengekomen doelstellingen inzake vredesopbouw en staatsvorming; wijst erop dat in het nieuwe kader speciale aandacht word gevraagd voor kwetsbare staten; noemt het een positieve ontwikkeling dat de bevordering van vreedzame samenlevingen een van de prioriteiten van de EU is en zich ontwikkelt tot een belangrijk onderdeel van het nieuwe kader; acht het zaak om structurele, intensieve partnerschappen aan te gaan voor de lange duur, waarin hervorming van de veiligheidssector en de invoering van rechtsstatelijkheid en democratie voorop worden gesteld;

32.  onderstreept dat het nieuwe kader zich moet richten op de onderliggende oorzaken van conflict en kwetsbaarheid; dringt erop aan dat de Europese instellingen meer responsieve procedures in situaties na een conflict opzetten en een strategie vaststellen waarmee de veiligheidsdoelstellingen zo goed mogelijk aan de hand van ontwikkelingshulp worden gerealiseerd;

33.  veroordeelt ten sterkste het uitblijven van vervolging en straf in conflictgebieden , vooral waar het gaat om seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes; benadrukt de noodzaak om de inspanningen voor de bescherming van burgers die worden getroffen door gewapende conflicten, en met name vrouwen en kinderen, te verdubbelen, betere toegang te bieden tot psychologische hulpverlening en de koppeling van noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling (LRRD) in het nieuwe mondiale kader te versterken;

34.  erkent de belangrijke bijdrage van vrouwen aan conflictpreventie en vredesopbouw, en dringt daarom aan op de bevordering van resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad om de deelname van vrouwen aan conflictoplossing en aan de opbouw van democratie te waarborgen;

Beperking van de klimaatverandering en van het risico op rampen en bescherming van het milieu

35.  is van mening dat beperking van de klimaatverandering op doeltreffende, zichtbare en ambitieuze wijze als horizontaal thema moet worden geïntegreerd in het ontwikkelingskader voor de periode na 2015; steunt de brede reeks maatregelen om het effect van de klimaatverandering tegen te gaan en te zorgen voor een betere toekomst voor de komende generatie, waartoe ook de afschaffing behoort van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu; onderstreept dat duurzame energie speciale aandacht moet krijgen want zulke energie is van cruciaal belang voor het opvangen van de klimaatveranderingseffecten;

36.  benadrukt echter dat deze beleidsintegratie niet tot gevolg mag hebben dat geld voor de officiële ontwikkelingshulp wegvloeit naar klimaatprojecten die niet direct gericht zijn op armoedeverlichting;

37.  constateert dat vele arme gemeenschappen al de eerste gevolgen ondervinden van de klimaatverandering terwijl zij daarvoor het minst verantwoordelijk zijn; stelt nogmaals dat actie voor beperking van uitstoot dringend geboden is, met het accent op koolstofarme strategieën; onderstreept dat overschakeling naar een energie-efficiënte en op hernieuwbare energie gebaseerde economie verder kan helpen bij de uitbanning van armoede; stelt dat de EU moet ijveren voor universele toegang tot hernieuwbare, betrouwbare en betaalbare energielevering;

38.  stelt met voldoening vast dat aanpassing aan de klimaatveranderingen duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen nadrukkelijk aanwezig en geïntegreerd is in de resultaten van de open werkgroep, onder andere in de voorziene doelstellingen voor oceanen en zeeën, alsook voor biodiversiteit en bossen;

39.  benadrukt dat het van groot belang is dat het nieuwe kader voorziet in maatregelen met oog op humanitaire bijstand, capaciteitsopbouw en inspraak worden opgenomen teneinde het rampenrisico doeltreffend te verminderen en de redzaamheid te versterken; onderstreept dat meer moet worden gedaan aan internationale hulp, coördinatie en rampenbestrijding in noodsituaties, en aan herstel en wederopbouw waar zich een catastrofe heeft voorgedaan;

40.  erkent de onderscheidende rol van vrouwen bij het meewerken aan duurzaamheid, en pleit daarom voor integratie van het gendergelijkheidsperspectief in milieu- en klimaatveranderingsbeleid, met het oog op minder ongelijkheid in de genderverhoudingen waar het gaat om toegang tot en zeggenschap over middelen voor aanpassing aan de klimaatverandering;

Voedselzekerheid, voeding, duurzame landbouw, bestrijding van bodemaantasting, water en sanitaire voorzieningen

41.  constateert met voldoening dat voedsel-en voedingszekerheid naar boven is gekomen als prioritair thema voor het nieuwe mondiale ontwikkelingskader en dat in het resultaatsdocument van de open VN-werkgroep de uitbanning van honger, het realiseren van voedselzekerheid, verbetering van voeding en bevordering van duurzame landbouw als doelstelling op zich zijn opgenomen; onderkent dat bij de uitwerking van het nieuwe kader rekening gehouden moet worden met de specifieke positie van vrouwen in de landbouw waar het gaat om voedselzekerheid;

42.  benadrukt in dit verband dat het van groot belang is om aandacht te besteden aan het verband met een grotere productiviteit in de duurzame landbouw en visserij, dit leidt namelijk tot minder verlies en verspilling van voedsel, een transparant beheer van natuurlijke hulpbronnen en aanpassing aan de klimaatverandering;

43.  wijst erop dat pachtzekerheid voor kleinschalige landbouwers waarbij rekening wordt gehouden met traditionele landgebruiksrechten, aan zowel plaatselijke economieën als de voedselzekerheid ten goede zou komen;

44.  stelt dat verder moet worden gekeken dan alleen naar voedselzekerheid, en wil voedsel tot elementair mensenrecht bestempelen, zodat een duidelijk "honger = nul" ten doel kan worden gesteld en tegen 2025 een einde kan worden gemaakt aan het schandalige fenomeen honger; onderstreept dat de inspanningen tot uitbanning van honger en ondervoeding alsook van het bestaan van ‘verborgen honger’ zich speciaal moeten richten op kinderen en zogende vrouwen;

45.  onderstreept het belang van de tenuitvoerlegging in alle landen van de Rio+20-toezeggingen inzake bodemaantasting en de FAO-richtlijnen inzake het recht op voedsel en inzake grondbezit; onderstreept het belang van mondiaal goed bestuur voor het verhinderen van landroof;

46.  benadrukt dat goed bestuur in de grondsector moet worden versterkt en land moet worden beschermd tegen het steeds grotere risico dat een bedrijvenconsortium er beslag op legt;

47.  wijst erop dat het belangrijk is om toegang tot veilig drinkwater, sanitaire voorzieningen en geïntegreerd waterbeheer als een nieuwe prioriteit te beschouwen; stelt met nadruk dat actie geboden is om het gebruik van gevaarlijke chemicaliën terug te brengen en vervuiling te voorkomen;

Gezondheidszorg en onderwijs

48.  is van mening dat de gezondheidszorgsector van cruciaal belang is voor de economische en sociale ontwikkeling van samenlevingen; dringt er derhalve bij de EU op aan zich in het nieuwe mondiaal kader te richten op de bevordering van billijke en universele gezondheidszorg voor iedereen en met name speciale aandacht te besteden aan betaalbare gezondheidszorg voor kinderen en moeders, inclusief een ambitieuze doelstelling voor het uitbannen van voorkombare sterfte onder moeders, nieuwgeborenen en kinderen, en ook een halt toe te roepen aan epidemieën als AIDS, tuberculose, malaria, en andere overdraagbare ziekten;

49.  erkent gezondheidszorg als mensenrecht; onderstreept hoe belangrijk een betere toegang voor eenieder tot hygiëne en goede gezondheidszorg en verzekeringsdekking is, wat ook geldt voor seksuele en reproductieve medische diensten; roept de EU op om speciale nadruk te leggen op het voorkomen van uitsluiting en discriminatie van de meest kwetsbare groepen waar het gaat om gezondheidszorgstelsels;

50.  wijst erop dat het enorm belangrijk is te blijven werken aan de toegang tot water, sanitaire voorzieningen en hygiëne als sectoroverschrijdende thema's die van invloed zijn op het behalen van de andere doelstellingen op de agenda voor de periode na 2015, waaronder gezondheid, onderwijs en gendergelijkheid;

51.  benadrukt dat onderwijs de sleutel is tot de ontwikkeling tot zelfredzame samenlevingen; dringt erop aan dat toegang tot alle niveaus van goed onderwijs in het nieuwe mondiale ontwikkelingskader terug te vinden moet zijn, en dat het kader ook ingaat op het probleem van toegang tot onderwijs in nood- en crisissituaties; wijst erop dat het nodig is participatief burgerschap door de volledige uitoefening van politieke en burgerrechten te bevorderen en dat het opbouwen van innovatieve kennismaatschappijen;

52.  roept de Commissie op de prioriteit van het bestrijden van de ongelijke toegang tot gezondheidszorg en onderwijs in de periode na 2015 te bevorderen en specifieke maatregelen te nemen om kansarme personen en groepen die gevaar lopen te worden gediscrimineerd, te bereiken;

De centrale rol van vrouwen in het mondiale ontwikkelingskader na 2015

53.  constateert met instemming dat versterking van de positie van vrouwen en meisjes en van de gendergelijkheid als prioriteit is erkend door de open werkgroep, gezien de centrale rol van vrouwen in het nieuwe mondiale ontwikkelingskader; roept de EU en haar lidstaten op het pleidooi van de open werkgroep om gendergelijkheid als een doel op zich te behandelen bij te vallen, en tevens aan te sturen op integratie van gendermainstreaming in alle doelstellingen, en de formulering van ambitieuze streefdoelen rond de rechten van vrouwen en meiden, en de krachtiger invulling daarvan, te bevorderen;

54.  wijst er nogmaals op dat het van belang is om alle vormen van discriminatie en geweld jegens vrouwen en meisjes in het nieuwe kader uit te bannen; onderstreept hoe belangrijk het is dat alle discriminerende wetgeving en praktijken worden afgeschaft; dringt er bij de EU op aan om de uitbanning van alle geweld, zoals huiselijk geweld, vrouwenhandel, seksuele uitbuiting en seksuele intimidatie en alle schadelijke praktijken, met inbegrip van gedwongen huwelijken en genitale verminking van vrouwen, tot een van de topprioriteiten in het nieuwe mondiale kaderop gebied van de mensenrechten te bestempelen;

55.  is van mening dat de mondiale agenda voor de periode na 2015 een duidelijke boodschap moet overbrengen wat betreft de deelname van vrouwen aan het besluitvormingsproces;

56.  benadrukt dat het belangrijk is te zorgen voor gelijke toegang tot tewerkstelling voor zowel mannen als vrouwen, en te zorgen voor gelijk loon voor gelijk werk in de hele wereld; onderkent de noodzaak om vrouwen die een kind krijgen verzekerd zijn van het recht om tevens hun baan te behouden;

57.  onderstreept dat het belangrijk is dat meisjes ruimere toegang krijgen tot alle niveaus van onderwijs en dat barrières voor verder leren worden weggenomen;

58.  benadrukt dat het belangrijk is dat medische diensten zoals gezinsplanning, waaronder ook seksuele en reproductieve gezondheidsrechten en -zorg, voor eenieder toegankelijk zijn;

59.  acht specifieke en doeltreffende beschermingsregelingen voor migrerende vrouwen geboden en onderkent dat voor vrouwen het recht belangrijk is om te migreren en zich in een nieuwe cultuur te integreren;

Inclusieve en duurzame groei, werkgelegenheid en het scheppen van behoorlijke banen

60.  onderstreept dat inclusieve en duurzame groei, gepaard met schepping van fatsoenlijke banen en middelenefficiëntie, gericht op een duurzamer consumptie- en productiemodel, en aanpassing aan de klimaatverandering, van cruciaal belang is voor het welslagen van het kader voor de periode na 2015; acht de bepaling van kwalitatieve indicatoren van cruciaal belang om te kunnen nagaan in welke mate de de vooruitgang in het ontwikkelingsproces inclusief en duurzaam is en in hoeverre er rekening wordt gehouden met de behoeften van de minstbedeelde en kwetsbaarste groepen;

61.  benadrukt dat het essentieel is dat wordt gecontroleerd in hoeverre de economische ontwikkeling ook de minstbedeelde en kwetsbaarste groepen omvat, en in hoeverre de lonen gelijke tred houden met de stijging van de productiviteit; herinnert eraan dat de staat verantwoordelijk is voor de voorziening van elementaire sociale diensten ten behoeve van de burgers, hetgeen ook een bijdrage vormt voor uitbanning van de armoede; acht de invoering van op nationaal niveau vast te stellen sociale beschermingsbodems en minimumlonen in ontwikkelingslanden van essentieel belang;

62.  dringt er bij de EU op aan een gunstig klimaat te bevorderen voor ondernemerschap, handel, investeringen en innovatie, ter bevordering van het terugdringen van ongelijkheden en met het oog op het vergroten van de sociale rechtvaardigheid;

63.  benadrukt dat kinderarbeid in het nieuwe mondiale ontwikkelingskader geleidelijk moet worden uitgebannen;

64.  dringt aan op een nieuw mondiaal kader dat een eerlijkere en duurzamere handelsregeling tot stand brengt die op overleg, transparantie en respect is gebaseerd en waarmee naar eerlijkere internationale handel wordt gestreefd; is van mening dat Fair Trade een voorbeeld is van een geslaagd partnerschap, waarbij een groot aantal belanghebbenden overal ter wereld en in verschillende stadia van de toeleveringsketens betrokken zijn, dat ervoor zorgt dat achtergestelde producenten, met name vrouwen, toegang hebben tot de markt, dat duurzame middelen van bestaan waarborgt, arbeidsnormen naleeft, kinderarbeid geleidelijk uitbant en ecologisch duurzame landbouw- en productiepraktijken aanmoedigt;

65.  onderstreept dat het nieuwe mondiale kader een universele, transparante, op regels gebaseerde, open, niet-discriminerende en eerlijke multilaterale handelsregeling in het kader van de WTO moet bevorderen; vraagt de EU om haar strategie voor duurzame ontwikkelingsbeleid , met inbegrip van de eerlijke handel (fair trade9 opnieuw te overdenken;

66.  dringt aan op ondersteuning voor de uitwerking van groene stimuleringsmaatregelen, zoals schepping van groene banen;

67.  onderstreept dat het van belang is jongerenwerkloosheid op te nemen in het nieuwe ontwikkelingskader op te nemen;

De particuliere sector

68.  benadrukt dat de particuliere sector een belangrijke drijvende kracht kan zijn achter inclusieve en duurzame groei, indien hij rekening houdt met de kernvoorwaarden van ontwikkeling zoals mensenrechten, arbeidsrechten, de verantwoordingsplicht van bedrijven en transparantiemechanismen, maatschappelijke dialoog en verbintenissen voor de bescherming van het milieu; roept de EU op tot ondersteuning van opbouw van regelgevingsstelsels die overmatige bureaucratie tegengaan, bevorderlijk zijn voor goed bestuur, omkoping en corruptie bestrijden en banenschepping aanmoedigen; benadrukt de noodzaak van een beter sociaal verantwoord ondernemen van multinationale bedrijven, door middel van bindende wettelijke regels; benadrukt dat de particuliere sector een belangrijke drijvende kracht zou moeten zijn achter inclusieve en duurzame groei;

69.  dringt aan op transparante en eerlijke regels voor de toegang tot lokale en internationale markten, die alle partijen gelijke kansen bieden;

70.  wijst erop dat maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) als belangrijk element in het nieuwe kader thuishoort;

71.  roept de EU op ervoor te zorgen dat alle naar de particuliere sector gaande hulpstromen aan de doelmatigheidsbeginselen voor ontwikkelingshulp beantwoorden en zich ervan te vergewissen dat de particuliere sector in ontwikkelingslanden erop is ingesteld mensen uit de armoede te halen;

72.  verwelkomt de aanbeveling van de Raad om zich meer te richten op ondersteuning van KMO door schepping van een gunstig klimaat voor kleine ondernemers en gemakkelijker toegang tot financiering en scholing;

73.  is met name voorstander van verdere ontwikkeling van het initiatief voor sociaal ondernemerschap op gebied van ontwikkelingssamenwerking; pleit voor uitvinding van nieuwe instrumenten die bevorderlijk zijn voor betere samenwerking tussen kleine en middelgrote ondernemingen in ontwikkelde landen en in ontwikkelingslanden;

74.  dringt er bij de EU op aan om fiscale rechtvaardigheid en het mobiliseren van binnenlandse middelen als een prioriteit op de agenda voor de periode na 2015 te zetten, aangezien dit een belangrijke rol speelt in de hervorming van de maatschappij, het uitbannen van de armoede en het terugdringen van ongelijkheden;

Het maatschappelijk middenveld

75.  erkent de noodzaak van een participatieve aanpak in het nieuwe ontwikkelingskader ten einde de spelers op alle niveaus voortdurend bij een en ander te betrekken, onderstreept de cruciale rol die maatschappelijke organisaties, en in het bijzonder vrouwenorganisaties, spelen als brengers van ontwikkeling en ijveraars voor universaliteit, gelijkheid, inclusiviteit, verantwoordingsplicht en transparantie; benadrukt dat het van belang is om in dialoog te treden met organisaties in het veld en de directe inspraak van mensen en gemeenschappen te vergemakkelijken;

76.  benadrukt dat maatschappelijke organisaties een belangrijke rol spelen bij het bevorderen van de rechtspraak, de mensenrechten en de democratische beginselen onderschrijven, met name in landen waar de staatsvorming nog aan het begin staat en de overheidscapaciteit beperkt is;

Plaatselijke overheden en nationale parlementen

77.  onderstreept dat het belangrijk is plaatselijke overheden en nationale parlementen te betrekken bij de planning en de uitvoering van ontwikkelingsprojecten en het beheer van financiële hulpstromen; benadrukt dat hiervoor een daadwerkelijk participatieproces nodig is dat in een vroeg stadium van de ontwikkelingsfase moet plaatsvinden en dat vanuit dit oogpunt gedecentraliseerde overheidssteun moet worden erkend en versterkt;

IV.  Terbeschikkingstelling van financiële middelen

78.  spoort de lidstaten aan om hun toezegging om ten minste 0,7% van hun bni toe te wijzen aan ODA, waaronder ten minste 0,2% van het bni aan de minst ontwikkelde landen en andere erg kwetsbare staten, gestand te doen; roept de EU op tot een coherente en alomvattende internationale aanpak voor de financiering na het jaar 2015; roept de EU op om nauw te blijven samenwerken met andere donoren bij de totstandbrenging van innovatieve financiële mechanismen, zoals de belasting op financiële transacties;

79.  herinnert eraan dat het beginsel van eigen zeggenschap in het kader van ontwikkelingssamenwerking moet worden gerespecteerd; wijst op de noodzaak van het versterken van de politieke dialoog tussen de geldverschaffers en de partnerlanden;

80.  wijst de Commissie en de lidstaten erop dat ODA het kernstuk moet blijven van het Europese beleid voor ontwikkelingssamenwerking, dat gericht is op uitbanning van armoede;

81.  vraagt de EU de mechanismen voor het combineren van giften en leningen te toetsen om er zeker van te zijn dat zij transparant en verantwoordingsplichtig zijn en een duidelijk effect hebben in termen van duurzame ontwikkeling; vraagt de Commissie om uitvaardiging van richtsnoeren die gebaseerd zijn op geharmoniseerde strategieën voor terugdringing van armoede;

82.  herhaalt zijn oproep om de bestrijding van corruptie, witwassen, belastingontduiking en -ontwijking, belastingsparadijzen en schadelijke belastingstructuren tot eerste prioriteit te maken bij de financiering van ontwikkeling; herinnert eraan dat ontwikkelingslanden gedurende het voorbije decennium naar schatting ongeveer 6 triljoen USD hebben verloren aan illegale financiële stromen, een bedrag dat vele malen groter is dan de ODA-middelen over deze periode, wat het belang aantoont van meer transparantie en mondiaal goed bestuur;

83.  roept de EU op om waar mogelijk publiek-private partnerschappen op te zetten en een prioriteit te maken van het inzetten van de ervaring, deskundigheid en beheersystemen van de particuliere sector, in samenwerking met de overheid;

84.  dringt er bij de EU op aan de ontwikkelingslanden te blijven steunen in hun inspanningen tot het genereren van meer binnenlandse - openbare en particuliere - inkomsten en hun hulp te bieden bij de invoering van billijke, duurzame en rechtvaardige belastingstelsels die de armoede zou doen dalen en hen minder afhankelijk zouden maken van ontwikkelingshulp;

V.  Indicatoren en verantwoordingsplicht

85.  benadrukt dat toegankelijke, uitgesplitste en betrouwbare data van cruciaal belang zijn om passend beleid te ontwerpen met betrekking tot de nieuwe ontwikkelingsagenda alsook om regeringen en de internationale gemeenschap rekenschap te laten afleggen;

86.  beklemtoont dat er degelijke verantwoordingsmechanismen nodig zijn om ervoor te zorgen dat zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden hun verbintenissen nakomen en doeltreffend de uitdagingen van armoede en duurzaamheid die in het kader voor de periode na 2015 behandeld zullen worden, aanpakken; beklemtoont dat het kader empirisch onderbouwd moet zijn en financiële streefcijfers en op alle niveaus degelijke controle- en verantwoordingsmechanismen moet omvatten; herinnert eraan dat deze bewakingsmechanismen een toetsingsmogelijkheid moeten omvatten aan de hand van openheid en transparantie;

o
o   o

87.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de voorzitter van de open werkgroep voor doelstellingen voor duurzame ontwikkeling.

(1) Conclusies van de Raad 9558/07 van 15.5.2007.
(2) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(3) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 44.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0259.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0269.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0283.


Werkgelegenheids- en sociale aspecten van de EU2020-strategie
PDF 180kWORD 78k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2014 over werkgelegenheids- en sociale aspecten van de Europa 2020-strategie (2014/2779(RSP))
P8_TA(2014)0060B8-0252/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 maart 2014 getiteld "Tussenopname van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2014)0130),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 en 21 maart 2014,

–  gezien zijn resolutie van 16 juni 2010 over de Europa 2020-strategie(1),

–  gezien het verslag van de Commissie van 13 november 2013 getiteld "Een eengemaakte markt voor groei en werkgelegenheid: een analyse van de geboekte vooruitgang en de resterende hindernissen in de lidstaten – Bijdrage tot de jaarlijkse groeianalyse 2014" (COM(2013)0785),

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2011 over het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting(2),

–  gezien zijn resolutie van 17 juli 2014 over werkgelegenheid voor jongeren(3),

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over werkgelegenheids- en sociale aspecten van de EU2020-strategie (O-000076/2014 – B8‑0035/2014 en O‑000077/2014 – B8‑0036/2014),

–  gezien de door de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken ingediende ontwerpresolutie,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in de integrale aanpak van de Europa 2020-strategie wordt onderstreept dat slimme, duurzame en inclusieve groei niet kan worden gerealiseerd wanneer niet alle vijf de kerndoelen worden gehaald;

B.  overwegende dat de sociale effecten van begrotingsconsolidatiemaatregelen en de noodzaak om een passend niveau van sociale investeringen in stand te houden als ontwikkelings- en groeiversterkende factor, ondanks de integrale aard van de Europa 2020-strategie niet voldoende zijn onderkend op andere beleidsterreinen;

C.  overwegende dat de EU de kerndoelen van de Europa 2020-strategie voor werkgelegenheid en armoedebestrijding bij lange na nog niet heeft gehaald;

D.  overwegende dat sinds de opstelling van de Europa 2020-strategie in 2010 de werkloosheid in sommige lidstaten gestaag is opgelopen en het werkloosheidspercentage voor de EU-28 op een verontrustend niveau van 10,1% in 2014 is gekomen, met 24,6 miljoen werklozen in de Unie en ook een stijgend aantal werkende armen; overwegende dat de cijfers nog slechter zijn in de meest perifere gebieden, waar het gemiddelde werklosheidspercentage bij 24% ligt en de gemiddelde jeugdwerkloosheid bij 51%(4);

E.  overwegende dat het aantal personen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd sinds 2008 met 10 miljoen is toegenomen tot 122,6 miljoen, oftewel een op vier personen; overwegende dat de verschillen tussen de lidstaten ook toenemen; overwegende dat het percentage door armoede bedreigde mensen in de EU gemiddeld 24,8% bedraagt, terwijl het overeenkomstige cijfer voor kinderen (tot 18 jaar) bij 28% ligt, en dat deze cijfers zijn gestegen sinds de Europa 2020-strategie in 2010 is vastgesteld;

F.  overwegende dat het armoedepercentage onder mensen met een handicap, gedeeltelijk als gevolg van de beperkte toegang tot werk, 70% boven het gemiddelde ligt;

G.  overwegende dat er 16 miljoen meer burgers aan een baan moeten zien te komen om in 2020 de werkgelegenheidsdoelstelling van 75% te halen;

H.  overwegende dat volgens de meest recente prognoses van de Commissie het werkloosheidspercentage in de EU naar verwachting slechts in zeer geringe mate zal dalen, en wel tot 10,4% in 2015;

I.  overwegende dat de hoge werkloosheidscijfers in de EU verband houden met de smaller wordende industriële en productiebasis;

J.  overwegende dat de hervormingen moeten doorgaan om tegemoet te komen aan de vraag van de burgers naar werkgelegenheid en op sociaal gebied;

K.  overwegende dat de verschillen in werkloosheidspercentages tussen de lidstaten en per regio toenemen, wat leidt tot een polarisatie in de EU tussen de kern en de periferie met het gevaar dat op de lange termijn grotere sociale ongelijkheid ontstaat;

L.  overwegende dat artikel 174 VWEU bepaalt dat de Unie haar optreden gericht op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang moet ontwikkelen en vervolgen, ook in regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen;

M.  overwegende dat sommige lidstaten, om de crisis te boven te komen, aanzienlijk hebben bezuinigd op hun overheidsuitgaven juist op het moment dat de vraag naar sociale bescherming groeide vanwege de toename van het aantal werklozen; overwegende dat de nationale begrotingsmiddelen voor sociale zekerheid nog meer onder druk zijn komen te staan doordat er minder premies worden afgedragen ten gevolge van grootschalig banenverlies of loonsverlaging, waardoor het Europese sociale model ernstig in gevaar komt;

N.  overwegende dat de regio's die kampen met ernstige natuurlijke of demografische belemmeringen vaak gekenmerkt worden door een lagere arbeidsparticipatiegraad en meer moeite hebben om toegang te krijgen tot publieke diensten, zoals onderwijs en gezondheidszorg;

O.  overwegende dat de jeugdwerkloosheid een steeds grotere bron van zorg is en het alarmerende niveau van 23,3% (EU-gemiddelde in 2013) heeft bereikt, terwijl meer dan 40% van de jongeren een tijdelijk contract heeft en bijna 25% deeltijds werkt;

P.  overwegende dat de werkloosheid en de jeugdwerkloosheid ook verband houden met het ontbreken van doeltreffende maatregelen om overheidsinvesteringen te stimuleren op het gebied van innovatie, onderzoek en ontwikkeling alsmede beroepskwalificaties en ‑vaardigheden, die economische groei en schaalvoordelen aanjagen;

Q.  overwegende dat de Commissie in februari 2013 het pakket sociale investeringen heeft goedgekeurd;

R.  overwegende dat in het kader van de Europa 2020-strategie landenspecifieke aanbevelingen aan 13 lidstaten zijn gedaan om de werkgelegenheid onder vrouwen te stimuleren;

S.  overwegende dat de stijging van de arbeidsparticipatie van vrouwen in sommige lidstaten voornamelijk is toe te schrijven aan de toename van deeltijdwerk; overwegende dat, omgerekend in voltijdsequivalenten, slechts 53,3% van de vrouwelijke beroepsbevolking een baan heeft; overwegende dat in 2012 32,9% van de vrouwen in deeltijd werkte, tegenover 8,4% van de mannen;

T.  overwegende dat het Europees Sociaal Fonds de inspanningen om de Europa 2020-doelstellingen te halen ondersteunt door middel van werkloosheidsbestrijdingsacties met bijzondere aandacht voor jongeren; overwegende dat het door Jean-Claude Juncker toegezegde investeringspakket van 300 miljard EUR moet worden gebruikt om de Europa 2020-doelstellingen te halen; overwegende dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan het verminderen van de armoede en het scheppen van hoogwaardige banen;

U.  overwegende dat de Europese Raad in zijn conclusies van 27 juni 2014 benadrukte dat het huidige werkloosheidsniveau in de EU onaanvaardbaar hoog is, en daarom een strategische agenda overeengekomen is waarin sterk de nadruk ligt op banen, groei en concurrentievermogen;

V.  overwegende dat de EU weliswaar op schema ligt bij haar doelstellingen op het gebied van vroegtijdig schoolverlaten, maar dat er bij de uitvalpercentages nog steeds grote verschillen tussen de lidstaten bestaan; overwegende dat een verlaging van de uitvalpercentages ertoe zal leiden dat jongeren beter bemiddelbaar worden;

W.  overwegende dat de inkomensongelijkheid is toegenomen, waarbij de rijkste 20% in 2012 5,1 keer zo veel verdiende als de armste 20%, hetgeen nog een indicator is van de toenemende sociale ongelijkheid in en tussen de lidstaten; overwegende dat een dergelijke toename van de ongelijkheid de samenleving in Europa dreigt te destabiliseren en daarom moet worden aangepakt met behulp van groeibevorderende maatregelen op het gebied van de werkgelegenheid en de toegang tot openbare kennis en via het scheppen van kwalitatief goede banen;

X.  overwegende dat er bijzondere aandacht moet uitgaan naar gendermainstreaming en op vrouwen gerichte beleidsmaatregelen om de kerndoelen in de Europa 20202-strategie inzake werkgelegenheid en armoedevermindering te kunnen realiseren en de nog steeds bestaande kloof tussen manen en vrouwen op het gebied van werkloosheid en armoede te kunnen dichten;

Y.  overwegende dat de demografische uitdagingen en de vergrijzing van invloed zullen blijven op het vermogen van de lidstaten om de Europa 2020-doelstellingen te halen;

Z.  overwegende dat de Commissie wijst op het bestaan van macro-economische onevenwichtigheden en ongelijkheden tussen de arbeidsmarktprestaties van de lidstaten, met name ten aanzien van jeugdwerkloosheid;

AA.  overwegende dat een toename van de economische groei op zichzelf geen garantie vormt voor meer fatsoenlijke banen en een vermindering van de armoede of van de sociale ongelijkheid, maar gepaard moet gaan met passende beleidskeuzes om die doelen te bereiken;

AB.  overwegende dat het sociaal, werkgelegenheids-, begrotings- en economisch beleid nauw met elkaar verweven zijn , maar dat de commissies die bevoegd zijn sociale bescherming, werkgelegenheid, economisch beleid en economische en financiële zaken deze vraagstukken nog steeds vrij geïsoleerd behandelen, waardoor een geïntegreerde beleidsvorming wordt bemoeilijkt;

1.  betreurt het dat het huidige beleid uitsluitend gericht is op economische groei, zonder de noodzaak van een inclusieve, op rechten gebaseerde en duurzame aanpak te erkennen; onderstreept dat de baten van de groei over de gehele samenleving moeten worden gespreid om die te kunnen verduurzamen;

2.  betreurt het dat de jaarlijkse groeianalyses en de landenspecifieke aanbevelingen (LSA's) die tot nu toe zijn aangenomen in het kader van de jaarlijkse cyclus van het Europees semester, niet voldoende zijn afgestemd op de werkgelegenheids-, armoedebestrijdings- en onderwijsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie; betreurt het dat het belang van de socialezekerheidsstelsels als essentiële instrumenten om de economie en de samenleving te stabiliseren en de armoede te verminderen, niet voldoende in aanmerking wordt genomen; roept op tot vastberadener inspanningen om het EU-beleid te sturen en te coördineren teneinde bij te dragen tot de versterking van de interne markt en zo eventuele hindernissen voor het goede functioneren ervan weg te nemen en gebruik te maken van het potentieel van de interne markt om slimme, duurzame en inclusieve groei te stimuleren en banen te scheppen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het halen van de Europa 2020-doelstellingen in de toekomstige LSA's wordt aangemerkt als prioriteit;

3.  erkent de lopende werkzaamheden in het kader van "voorbij groei", zoals wordt geïllustreerd door de inspanningen van het Italiaanse voorzitterschap, en is van mening dat deze moeten worden meegenomen in de evaluatie van de Europa 2020-strategie; wijst op het standpunt dat het heeft ingenomen in zijn resolutie van 8 juni 2011 over het bbp en verder – Meting van de vooruitgang in een veranderende wereld(5);

4.  verzoekt om benchlearning als verplicht beginsel in de Europa 2020-strategie op te nemen voor het beleid van de lidstaten, in het bijzonder met betrekking tot de Europese arbeidsmarkt; dit houdt in dat er werk wordt gemaakt van efficiënt toezicht op en het vastleggen van modellen en methoden van beste praktijken in Europa, met bijzondere aandacht voor de vermindering van de werkloosheid, met name onder jongeren; dit moet resulteren in een proces van benchmarken en klassering van relevante nationale voorbeelden, zodat er door alle lidstaten concrete politieke gevolgen aan deze bevindingen worden verbonden;

5.  roept de lidstaten op een ambitieuzere en concretere benadering te hanteren als ze de EU-doelstellingen vertalen naar hun eigen doelstellingen op nationaal niveau; pleit er in het bijzonder voor dat werkgelegenheids-, armoedebestrijdings- en onderwijsdoelstellingen worden uitgesplitst naar leeftijd en geslacht om gemakkelijker ijkpunten te kunnen bepalen;

6.  is van mening dat het halen van de herindustrialisatiedoelstellingen van het allergrootste belang is voor het concurrentievermogen van de EU en dat door het weer op gang brengen van een echt Europees industriebeleid de groei kan worden bevorderd en nieuwe hoogwaardige banen kunnen ontstaan;

7.  dringt aan op de invoering van een duaal onderwijsstelsel, dat op nationaal of regionaal niveau flexibel moet fungeren, en op de inrichting van een efficiënte dienst werkgelegenheid, die nauwe banden heeft met het Europese netwerk; verzoekt verder om de toepassing van echte LLL-concepten (een leven lang leren) en arbeidsmarktmaatregelen om het kwalificatieniveau van oudere werknemers te verbeteren;

8.  herinnert aan het belang van de sociale partners voor het arbeidsmarktbeleid en benadrukt dat overleg met de sociale partners een integraal onderdeel van het proces moet zijn; verzoekt daarom de Raad, de Commissie en de lidstaten een grotere rol aan de sociale partners toe te kennen om te zorgen voor een geslaagde tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie;

9.  roept op tot de oprichting van een platform van sociale partners waarin de belangen van werkgevers en werknemers worden verenigd;

10.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat elke toename van de werkgelegenheid het resultaat is van het scheppen van hoogwaardige banen in de Europese economie;

11.  betreurt het feit dat de toename van de werkgelegenheid gedeeltelijk het resultaat is geweest van onzekere arbeidsvormen, zoals nulurencontracten, schijnzelfstandigheid en onvrijwillig deeltijdwerk; is bezorgd dat werknemers met dergelijke banen geen fatsoenlijk bestaan kunnen opbouwen en geen passende arbeidsrechten genieten;

12.  onderstreept dat de kwaliteit van banen belangrijk is om meer mensen aan het werk te krijgen en hen in staat te stellen om langer door te werken, en dat dit dus een cruciale factor is voor het halen van de werkgelegenheidsdoelstelling van de Europa 2020-strategie; is derhalve van mening dat er in de werkgelegenheidsindicatoren niet alleen aandacht moet zijn voor het aantal personen dat werk vindt, maar ook voor de kwaliteit van het werk, zodat er een gedetailleerd beeld ontstaat van de nationale arbeidsmarkten;

13.  is van mening dat alle lidstaten een nationaal verslag moeten indienen over hun jaarlijkse vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen in de Europa 2020-strategie; verzoekt de Commissie daarnaast een jaarlijks voortgangsverslag op te stellen over de uitvoering van de Europa 2020-strategie en alle kerndoelen;

14.  juicht het toe dat het scorebord van de belangrijkste werkgelegenheids- en sociale indicatoren in de cyclus van dit jaar voor het eerst is gebruikt; vraagt om de opneming van aanvullende indicatoren, zoals kinderarmoedepercentages, toegang tot gezondheidszorg en dakloosheid; verzoekt om een aanvullende analyse van de kenmerken van bevolkingsgroepen in de lidstaten die in armoede leven, om de beleidsinspanningen sterker te kunnen concentreren; verzoekt de lidstaten en de EU het scorebord te gebruiken als hulpmiddel dat in een vroeg stadium waarschuwingen uitzendt, zodat er passende beleidsmaatregelen kunnen worden ontwikkeld;

15.  wenst dat binnen de strategie tegenover de financiële en economische prioriteiten sterke sociale prioriteiten worden geplaatst, om te bereiken dat het sociaal beleid wordt versterkt; benadrukt dat binnen de procedure van het Europees semester werkgelegenheids- en sociale overwegingen even belangrijk moeten worden als macro-economische; pleit bovendien voor het organiseren van gezamenlijke vergaderingen van de Raden EPSCO en ECOFIN om tot een coherent standpunt te komen;

16.  is van mening dat de doelstellingen van meer hoogwaardige banen en hulpbronnenefficiëntie doeltreffender en zichtbaarder aan bod moeten komen in de Europa 2020-vlaggenschipinitiatieven, met name in de initiatieven Efficiënt gebruik van hulpbronnen, Innovatie-Unie, Digitale agenda en Industriebeleid, onder meer door kwantificeerbare werkgelegenheidsindicatoren op te nemen in de desbetreffende scoreborden;

17.  acht het verder van belang dat voortaan bij de belangrijkste werkgelegenheids- en sociale indicatoren die worden gebruikt voor het scorebord, stelselmatig wordt gedifferentieerd tussen mannen en vrouwen;

18.  verzoekt de Europese Raad om de hervorming van de Economische en Monetaire Unie (EMU) met spoed te voltooien, met name via de coördinatie vooraf van grote economische hervormingsplannen, beoordeling van de sociale effecten en daarop gerichte solidariteitsmechanismen; roept ertoe op deze coördinatie te ondersteunen met een uitgebreide beoordeling vooraf en achteraf van de sociale en de gendereffecten;

19.  herinnert eraan dat volgens Eurofound de kosten van jongeren die geen onderwijs genieten, niet aan het werk zijn en geen opleiding volgen (gederfde inkomsten, gederfde belastingopbrengsten en hogere uitgaven aan uitkeringen) in de EU zijn toegenomen van 153 miljard EUR in 2011 naar 162 miljard EUR in 2012, en dat volgens de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) in totaal 21 miljard EUR nodig is om bij te dragen tot een oplossing voor het probleem van jeugdwerkloosheid in de eurozone; is daarom van mening dat er meer EU-middelen nodig zijn om de in de Europa 2020-strategie geformuleerde doelstelling van 75% werkgelegenheid te halen; wijst erop dat het naar voren halen van uitgaven (frontloading) geen extra geld betekent en het risico met zich meebrengt dat de financiering wordt geconcentreerd in de beginfase, wanneer er beperkt gebruik van wordt gemaakt, en opraakt wanneer er veel gebruik van wordt gemaakt, waardoor het werk voor de projectbegunstigden ter plaatse moeilijker en onvoorspelbaarder wordt; is voorts van mening dat de Commissie voor de lidstaten en hun openbare diensten voor arbeidsvoorziening alomvattende, nauwkeurige richtsnoeren moet opstellen inzake de subsidiabiliteit van hun programma ' s in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

20.  meent dat de lidstaten beter op de behoeften van de arbeidsmarkt moeten inspelen, met name door te zorgen voor sterke koppelingen tussen de onderwijswereld en de bedrijfswereld;

21.  verzoekt de Commissie om het Europees Sociaal Fonds en de andere Europese structuur- en investeringsfondsen nauw af te stemmen op de beleidsprioriteiten van de Europa 2020-strategie om hun rol als financiële pijlers van de strategie te versterken;

22.  wijst erop dat de uitvoering van de jongerengarantie moet worden bekeken om de lidstaten verantwoordelijk te houden voor de verbintenissen die zij in het kader van de aanbeveling tot invoering van een jongerengarantie zijn aangegaan;

23.  spoort de lidstaten ertoe aan om, teneinde de werkgelegenheidsdoelstelling van 75% te halen, de leidinggevende, bestuurlijke en ondernemersvaardigheden bij jongeren te verbeteren, teneinde nieuwe bedrijven en starters in staat te stellen nieuwe markten aan te boren en zo hun groeipotentieel te benutten, zodat jongeren werkgevers worden en niet alleen werknemers;

24.  is ingenomen met het feit dat een aantal lidstaten programma's heeft aangenomen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; onderstreept dat het bedrag van 6 miljard EUR niet voldoende is om het probleem van de jeugdwerkloosheid in de EU op te lossen; roept de Commissie derhalve op om het financieringsvraagstuk na de periode 2014-2015 op te lossen;

25.  is verheugd over de aankondiging van de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, over een breed opgezet investeringsprogramma om de werkloosheid te bestrijden; benadrukt de behoefte aan hogere investeringen (in infrastructuur, onderzoek en ontwikkeling, groene banen, innovatie en de voltooiing van de interne digitale markt) met het oog op het behoud en het scheppen van banen, zoals in de Europa 2020-strategie gesteld, waarbij niet alleen wordt gekeken naar de beschikbaar gestelde bedragen, maar ook naar de reële beleidsuitkomsten; wijst erop dat dergelijke investeringen met het oog op langetermijnvoordelen kunnen worden toegespitst op hoogwaardige infrastructuur voor formeel en informeel onderwijs en op het wegnemen van belemmeringen om de toegang gelijker te maken; spoort ertoe aan om deze investeringen aan concrete werkgelegenheids- en armoededoelstellingen te koppelen, aangezien ook investeringen op terreinen als hoogwaardige openbare dienstverlening belangrijk zijn om de nagestreefde inclusieve samenleving tot stand te brengen;

26.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in bijzondere mate rekening te houden met de meest perifere gebieden, die als gevolg van hun natuurlijke nadelen, waaronder hun afgelegenheid, geografische versnippering, kwetsbare economie en natuurlijke beperkingen, een grotere ongelijkheid kennen bij de toegang van de bevolking tot banen, stages en opleidingen; onderstreept dat deze gebieden daarom behoefte hebben aan specifieke verbeterde mechanismen voor de uitvoering van investeringsprogramma's, zoals zij de Europa 2020-doelen kunnen verwezenlijken en hun economische en sociale ontwikkelingskansen kunnen grijpen;

27.  verzoekt de lidstaten de nadruk te leggen op sectoren met een hoog groei- en banenpotentieel, zoals de groene sector, de witte sector en de ICT-sector;

28.  beveelt aan in het kader van een nieuw investeringsprogramma ter bestrijding van de werkloosheid de nadruk te leggen op de bestrijding van jeugdwerkloosheid, die op dit moment tot de ernstigste problemen van de EU behoort; is van mening dat hiertoe meer geld moet worden toegewezen aan Erasmus voor jonge ondernemers, teneinde het ondernemerschap en de mobiliteit onder jongeren doeltreffender te ondersteunen als een efficiënte manier om jeugdwerkloosheid, armoede en sociale uitsluiting tegen te gaan;

29.  verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten een genderpijler op te nemen in het Europa 2020-kader om te meten hoe de vermindering van het verschil in participatiegraad tussen mannen en vrouwen vordert, en om de mogelijkheid te scheppen dat de beleidsmaatregelen in de jaarlijkse groeianalyse tot uiting komen in de landenspecifieke aanbevelingen;

30.  herhaalt zijn wens dat uitvoering wordt gegeven aan het pakket sociale investeringen, waaronder: de mededeling over sociale investering voor groei en cohesie, de aanbeveling "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken", de werkdocumenten van de diensten van de Commissie over gegevens inzake demografische en sociale trends, de actieve integratie van mensen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, sociale diensten van algemeen belang, langdurige zorg in een vergrijzende samenleving, aanpak van de dakloosheid in de Europese Unie, investeren in gezondheid en sociale investeringen via het Europees Sociaal Fonds;

31.  stelt vast dat het tijdschema en de procedures voor het Europees semester zich zodanig hebben ontwikkeld dat het Parlement geen formele rol krijgt toebedeeld in de cyclus en daardoor niet voldoende tijd heeft voor beraadslaging voorafgaand aan de lentetop van de Europese Raad;

32.  verzoekt de lidstaten om onnodige administratieve rompslomp en bureaucratie voor zelfstandigen, micro-ondernemingen en kmo' s af te schaffen en gunstige voorwaarden voor startende bedrijven te creëren;

33.  benadrukt dat de belastingdruk moet worden verplaatst van arbeid naar andere vormen van duurzame belasting om groei en het creëren van banen te bevorderen;

34.  verzoekt de lidstaten en de Commissie de instrumenten voor de arbeidsmobiliteit, met name EURES (Europees portaal voor beroepsmobiliteit) en de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, te bevorderen en te verbeteren om de (jeugd)werkgelegenheid te vergroten;

35.  merkt op dat de doelstellingen van de Europa 2020-strategie nog niet zijn gerealiseerd en is van mening dat er met het oog op het halen van die doelstellingen nog krachtiger maatregelen moeten worden getroffen om de bestaande kloof te overbruggen; verzoekt de Commissie daarom een openbare raadplegingsprocedure te starten voor de evaluatie van het Europees semester om de doeltreffendheid en de legitimiteit ervan te verbeteren, als onderdeel van de tussentijdse evaluatie, aangezien het semester moet bijdragen tot de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie;

36.  betreurt het dat de Europese Raad in zijn eerste discussie over de beoordeling van de Europa 2020-strategie op 20 en 21 maart 2014 niet heeft beraadslaagd over het kerndoel armoedebestrijding;

37.  vraagt de Commissie om een strategie te ontwikkelen ter ondersteuning van de lidstaten bij het aanpakken van dakloosheid door geïntegreerde beleidsmaatregelen en passende sociale investeringen;

38.  onderstreept dat een toename van de ongelijkheid, zoals die in de EU wordt ervaren en gestaafd wordt door de landenverslagen in het kader van het Europees semester, de democratie ernstig bedreigt; wijst op de waarschuwing van het IMF en de ILO dat een verdere toename van de ongelijkheid in de EU onze samenlevingen zou kunnen ontwrichten; herhaalt zijn verzoek om ambitieuzere doelstellingen en nauwkeurigere, objectieve meetmethoden met het oog op het verminderen van de ongelijkheid, de armoede en de sociale uitsluiting, zowel in als tussen lidstaten, vooral gezien de toenemende sociale verschillen in sommige lidstaten;

39.  verzoekt de lidstaten dringende maatregelen te nemen om het tij van een stijgend percentage van de bevolking dat door armoede en sociale uitsluiting wordt bedreigd, te keren, teneinde uitvoering te geven aan het Europa 2020-kerndoel om ten minste 20 miljoen mensen te bevrijden van het risico op armoede of sociale uitsluiting;

40.  verzoekt de lidstaten om de toegang tot de arbeidsmarkt en passende sociale zekerheid te garanderen voor de meest kwetsbaren in de samenleving;

41.  verzoekt de Commissie om nieuwe concrete maatregelen te treffen op het vlak van onderwijs- en innovatiebeleid teneinde de complementariteit tussen groei en de bestrijding van ongelijkheid te versterken;

42.  roept ertoe op om bij de tussentijdse evaluatie van de Europa 2020-strategie een subdoelstelling voor de vermindering van armoede onder kinderen vast te stellen;

43.  pleit daarom voor objectieve armoede-indicatoren om de armoedepercentages in de lidstaten te meten en zo vast te stellen wie er op de rand van uitsluiting balanceren;

44.  herinnert er evenwel aan dat een armoede-indicator geen rechtstreeks bewijs levert voor de ervaring van sociale uitsluiting, en verzoekt derhalve om een betere meting van de ervaren sociale uitsluiting om beter te begrijpen wat de redenen van sociale uitsluiting zijn en welke groepen er met name mee te maken hebben;

45.  onderkent dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het halen van de Europa 2020-doelstellingen, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, terwijl de EU hun acties ondersteunt; is van mening dat dit proces dankzij onderlinge toetsing en het delen van goede praktijken de lidstaten steun kan bieden bij de uitvoering van de noodzakelijke structurele hervormingen, het flexibeler maken van de arbeidsmarkt en het creëren van voorwaarden waarin bedrijven banen kunnen scheppen; benadrukt evenwel hoe belangrijk tijdige actie van de lidstaten is, aangezien niet handelen ernstige gevolgen zou hebben in de gehele EU; roept ertoe op de nationale parlementen en de lokale en regionale overheden te betrekken bij het ontwerp en de uitvoering van de nationale hervormingsprogramma's, mede aan de hand van regelingen inzake meerlagig bestuur;

46.  betreurt het dat het aangenomen meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode 2014-2020, met een begroting van 960 miljard euro, voor het eerst in de geschiedenis neerkomt op een netto verlaging van de EU-begroting; is van mening dat het MFK niet toereikend is om bij te dragen tot het halen van de werkgelegenheids- en sociale doelstellingen van de Europa 2020-strategie; acht de tussentijdse evaluatie van het MFK dan ook van het allergrootste belang voor de strategische heroriëntatie van de EU-uitgaven in de richting van een banenrijk economisch herstel;

47.  herinnert aan de rol van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken bij het toezicht op de doeltreffende besteding van de ESF-middelen (Europees Sociaal Fonds), met name van de 20% die beschikbaar is voor sociale inclusie, en op de wijze waarop de lidstaten deze investeringsbron hebben gebruikt om de Europa 2020-doelstellingen te verwezenlijken;

48.  benadrukt dat de werkgelegenheids-, de armoedebestrijdings- en de onderwijsdoelstelling nauwkeuriger moet worden gevolgd en dat er tijdiger vergelijkbare statistieken moeten worden geproduceerd; pleit daarom voor actuele werkloosheidscijfers en voor indicatoren inzake het aantal personen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd, in het bijzonder op NUTS 3-niveau, om de feitelijke situatie op de nationale arbeidsmarkten te kunnen beoordelen;

49.  verzoekt de Commissie een specifieke jongerenwerkgelegenheidsdoelstelling en/of een specifiek integraal richtsnoer inzake jongerenwerkgelegenheid vast te stellen bij de tussentijdse evaluatie van de Europa 2020-strategie;

50.  roept ertoe op om naast de sociale partners ook het maatschappelijk middenveld te betrekken bij een betekenisvolle raadpleging die in alle stadia van het proces een systematisch element van de Europa 2020-strategie moet worden; verzoekt de Commissie om richtsnoeren op te stellen voor een dergelijke procedure;

51.  wijst erop dat een echte raadpleging van belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld niet alleen de democratische legitimiteit van het proces zou vergroten en de kans dat burgers de hervormingen aanvaarden en dat deze met succes worden uitgevoerd, zou doen toenemen, maar ook de empirische basis van de evaluatie van hervormingen kan versterken; is van mening dat met het oog daarop de jaarlijkse conventie van het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting nauwer moet worden afgestemd op het Europees semester;

52.  verzoekt de Commissie rekening te houden met het resultaat van de lopende openbare raadpleging alvorens concrete voorstellen voor de tussentijdse evaluatie van de strategie te publiceren; hamert er tevens op dat het Parlement moet worden geraadpleegd over de definitieve besluiten voordat ze worden goedgekeurd;

53.  roept op tot een krachtige ambitie om de klimaatveranderings- en energieduurzaamheidsdoelen te halen, aangezien die integraal deel uitmaken van slimme, duurzame en inclusieve groei;

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de nationale parlementen en de Europese Raad.

(1) PB C 236E van 12.8.2011, blz. 57.
(2) PB C 153E van 31.5.2013, blz. 57.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0010.
(4) Eurostat, EU Employment and Social Situation Quarterly Review, september 2014.
(5) PB C 380E van 11.12.2012, blz. 81.

Juridische mededeling - Privacybeleid