Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 16 december 2014 - Straatsburg
Verkiezing van de ombudsman
 Wetenschappelijk onderzoek van vraagstukken in verband met levensmiddelen ***I
 Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES) ***
 Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (GNSS) met Marokko ***
 Verlenging van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking met Oekraïne ***
 Deelname van Kroatië aan de Europese Economische Ruimte ***
 "Octroi de mer"-belastingregeling in de Franse ultraperifere gebieden *
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2014/010 IT/Whirlpool
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2013/006 PL/Fiat Auto Poland S.A.
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2014/013 EL/Odyssefs Fokas
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2013/014 FR/Air France
 Benoeming van de leden van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad *

Verkiezing van de ombudsman
PDF 36kWORD 48k
Besluit
Bijlage
Besluit van het Europees Parlement van 16 december 2014 houdende verkiezing van de Europese Ombudsman (2014/2092(INS))

Het Europees Parlement,

—  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 24, derde alinea, en artikel 228,

—  gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

—  gezien zijn Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt(1),

—  gezien artikel 219 van zijn Reglement,

—  gezien de oproep tot kandidaatstelling(2),

—  gezien zijn stemming van 16 december 2014,

1.  verkiest Emily O'REILLY om de functie van Europese Ombudsman uit te oefenen tot het eind van de zittingsperiode;

2.  verzoekt Emily O'REILLY voor het Hof van Justitie de eed af te leggen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit als bijlage bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie;

4.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en het Hof van Justitie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

van 16 december 2014

houdende verkiezing van de Europese Ombudsman

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit 2014/949/EU, Euratom.)

(1)PB L 113 van 4.5.1994, blz. 15.
(2)PB C 293 van 2.9.2014, blz. 13.


Wetenschappelijk onderzoek van vraagstukken in verband met levensmiddelen ***I
PDF 212kWORD 50k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 december 2014 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot intrekking van Richtlijn 93/5/EEG van de Raad van 25 februari 1993 betreffende de bijstand aan de Commissie en de samenwerking van de lidstaten bij het wetenschappelijk onderzoek van vraagstukken in verband met levensmiddelen (COM(2014)0246 – C8-0005/2014 – 2014/0132(COD))
P8_TA(2014)0074A8-0059/2014

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0246),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0005/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 9 juli 2014(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 26 november 2014 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59, en artikel 50, lid 1,van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8‑0059/2014),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 december 2014 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad tot intrekking van Richtlijn 93/5/EEG van de Raad betreffende de bijstand aan de Commissie en de samenwerking van de lidstaten bij het wetenschappelijk onderzoek van vraagstukken in verband met levensmiddelen

P8_TC1-COD(2014)0132


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2015/254.)

(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.


Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES) ***
PDF 208kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 december 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de toetreding van de Europese Unie tot de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES) (09412/2014 – C8-0042/2014 – 2013/0418(NLE))
P8_TA(2014)0075A8-0036/2014

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (09412/2014),

–  gezien de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 192, lid 1, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0042/2014),

–  gezien artikel 192, lid 1, artikel 207 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, en artikel 39 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0036/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de toetreding tot de Overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (GNSS) met Marokko ***
PDF 210kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 december 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System) (GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (10437/2014 – C8-0108/2014 – 2013/0414(NLE))
P8_TA(2014)0076A8-0045/2014

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (10437/2014),

–  gezien het ontwerp van Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System) (GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (10717/2006),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 172 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0108/2014),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, artikel 108, lid 7, en artikel 50, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0045/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Koninkrijk Marokko.


Verlenging van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking met Oekraïne ***
PDF 207kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 december 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad tot verlenging van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne (11047/2014 – C8-0114/2014 – 2014/0154(NLE))
P8_TA(2014)0077A8-0039/2014

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad tot verlenging van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne (11047/2014),

–  gezien de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne(1),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 186 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0114/2014),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, artikel 108, lid 7, en artikel 50, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0039/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de verlenging van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Oekraïne.

(1) PB L 36 van 12.2.2003, blz. 32.


Deelname van Kroatië aan de Europese Economische Ruimte ***
PDF 207kWORD 46k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement aan de Raad van 16 december 2014 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van een Overeenkomst betreffende de deelname van de Republiek Kroatië aan de Europese Economische Ruimte, en drie daarmee verband houdende overeenkomsten (06698/2014 – C8-0002/2014 – 2014/0047(NLE))
P8_TA(2014)0078A8-0026/2014

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (06698/2014),

–  gezien de Overeenkomst betreffende de deelname van de Republiek Kroatië aan de Europese Economische Ruimte, en drie daarmee verband houdende overeenkomsten (06696/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 217, artikel 218, lid 6, en artikel 218, lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0002/2014),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A8-0026/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst en de drie daarmee verband houdende overeenkomsten;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek IJsland, het Vorstendom Liechtenstein en het Koninkrijk Noorwegen.


"Octroi de mer"-belastingregeling in de Franse ultraperifere gebieden *
PDF 205kWORD 46k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 december 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de "octroi de mer"-belastingregeling in de Franse ultraperifere gebieden (COM(2014)0666 – C8-0242/2014 – 2014/0308(CNS))
P8_TA(2014)0079A8-0054/2014

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2014)0666),

–  gezien artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0242/2014),

–  gezien artikel 59 en artikel 50, lid 1van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0054/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2014/010 IT/Whirlpool
PDF 230kWORD 61k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2014/010 IT/Whirlpool, ingediend door Italië) (COM(2014)0672 – C8-0231/2014 – 2014/2170(BUD))
P8_TA(2014)0080A8-0064/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0672 – C8‑0231/2014),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014‑2020(2), en met name artikel 12 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13 hiervan,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0064/2014),

A.  overwegende dat de Europese Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om gebruik te maken van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van de nieuwe EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat de Italiaanse autoriteiten op 18 juni 2014 aanvraag EGF/2014/010 IT/Whirlpool hebben ingediend naar aanleiding van het ontslag van 608 werknemers bij Whirlpool Europe S.r.l., een onderneming die actief was in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2 - afdeling 27 ("Vervaardiging van elektrische apparatuur"), en bij vijf leveranciers en downstreamproducenten;

E.  overwegende dat de aanvraag voldoet aan de subsidiabiliteitscriteria die zijn vastgelegd in de EFG-verordening;

1.  stelt vast dat de Italiaanse autoriteiten de aanvraag hebben ingediend op grond van het criterium voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, dat vereist dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 500 werknemers gedwongen zijn ontslagen of zelfstandigen hun werkzaamheden hebben beëindigd, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen en/of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd bij leveranciers en downstreamproducenten; is het met de Commissie eens dat voldaan is aan de voorwaarden van de EFG-verordening en dat Italië bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage op grond van die verordening;

2.  merkt op dat de Italiaanse autoriteiten de aanvraag voor een bijdrage uit het EFG op 18 juni 2014 hebben ingediend en dat de beoordeling ervan op 28 oktober 2014 door de Commissie beschikbaar is gesteld; is ingenomen met het feit dat de Commissie zich aan de door de EFG-verordening opgelegde krappe termijn van twaalf weken heeft gehouden;

3.  merkt op dat de Italiaanse autoriteiten aanvoeren dat de wereldwijde financiële en economische crisis zware gevolgen heeft gehad voor de consumptiekeuzen van de Italiaanse gezinnen, die hun aankopen, vooral van duurzame goederen, waaronder ook huishoudapparaten, opnieuw overwogen;

4.  wijst erop dat door de financiële en economische crisis en de aanzienlijke daling van het verbruik van de gezinnen, de Italiaanse markt voor grote huishoudapparaten met 16,5 % is gekrompen, namelijk van 3 174 miljard EUR in 2010 tot 2 649 miljard EUR in 2013;

5.  is het ermee eens dat de grote daling van de productie van elektrische apparaten in de periode 2008-2012 verband houdt met de wereldwijde financiële en economische crisis als bedoeld in Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad(4), en dat Italië bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage uit het EFG;

6.  merkt op dat er tot op heden twee andere EFG-aanvragen zijn ingediend met betrekking tot de sector "Vervaardiging van elektrische apparatuur"(5), die eveneens gebaseerd zijn op de wereldwijde financiële en economische crisis;

7.  merkt op dat de werkgelegenheidssituatie in de provincie Trento, waar de werkloosheid sinds het uitbreken van de crisis is verdubbeld, namelijk van 2,9 % in 2007 tot 6,1 % in 2013, door deze ontslagen nog zal verslechteren; benadrukt dat de daling van de werkgelegenheid gevolgen heeft voor de bouwsector (- 10,3 %) en de industrie (- 2,4 %) en dat het aantal werklozen in Trentino volgens de gegevens van ISTAT in het eerste kwartaal van 2014 ongeveer 18 700 bedroeg, terwijl er in de arbeidsbureaus van de provincie ongeveer 41 800 geregistreerd waren;

8.  merkt op dat naast de 502 gedwongen ontslagen bij Whirlpool, dat als de primaire onderneming wordt beschouwd, tijdens de referentieperiode ook nog 106 werknemers gedwongen zijn ontslagen bij vijf leveranciers en downstreamproducenten, dat deze zijn opgenomen in het aantal in aanmerking komende werknemers, wat het totaal op 608 brengt, en dat zij allen gelden als werknemers die in aanmerking komen voor EFG-maatregelen;

9.  merkt op dat de totale kosten voor deze aanvraag geraamd worden op 3 150 000 EUR, waarvan 126 000 EUR voor implementatie bestemd is, en dat de financiële bijdrage uit het EFG 1 890 000 EUR bedraagt, d.w.z. 60 % van de totale kosten;

10.  is ingenomen met het feit dat de Italiaanse autoriteiten, om de werknemers snel bijstand te verlenen, hebben beslist om met de uitvoering van de individuele dienstverlening aan de getroffen werknemers te beginnen op 4 februari 2014, lang vóór het definitieve besluit over de toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket en zelfs vóór de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG;

11.  juicht het toe dat de sociale partners betrokken waren bij de onderhandelingen over de te steunen maatregelen; stelt het tevens op prijs dat de vakbonden worden betrokken bij het toezicht op de uitvoering en de eventuele herziening van de maatregelen, alsook bij de beoordeling van de resultaten; is tevens ingenomen met het feit dat de geplande maatregelen, hun inhoud en de relevante aspecten van de uitvoering ervan (met inbegrip van een tijdschema) werden voorgesteld en besproken met de voormalige werknemers van de Whirlpool-fabriek van Spini di Gargdolo tijdens verscheidene vergaderingen (15 in totaal) die tussen februari en maart 2014 zijn gehouden, en dat van het totale aantal werknemers die aan deze bijeenkomsten hebben deelgenomen, er zich 393 hebben ingeschreven voor deelname aan deze maatregelen;

12.  merkt op dat de individuele dienstverlening die aan de ontslagen werknemers zal worden verstrekt, zal bestaan uit: voorlichtingsbijeenkomsten, intake en registratie, advies en begeleiding, beoordeling van de vaardigheden, algemene opleiding en omscholing, beroepsopleiding, coaching, begeleiding na de re-integratie op de arbeidsmarkt en bij het oprichten van een eigen bedrijf, toelagen voor het zoeken naar werk, toelagen bij deelname en bijdragen in de reiskosten, en premies voor het aanwerven van werknemers;

13.  merkt op dat 16,78 % van de beoogde begunstigden onderdanen van derde landen zijn; is van mening dat bepaalde elementen van de begeleidingsmaatregelen bijzonder nuttig kunnen zijn om deze begunstigden te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

14.  pleit ervoor de concrete resultaten van de opleiding, omscholing en beroepsopleiding die aan de deelnemers is verstrekt te beoordelen om een betere kijk te hebben op de doeltreffendheid van de maatregelen;

15.  is ingenomen met de maatregelen voor begeleiding na herintreding en begeleiding naar ondernemerschap;

16.  is van mening dat de aanwervingspremie voor nieuwe werkgevers een stimulans moet zijn om de deelnemers vast of ten minste voor 12 maanden in dienst te nemen; merkt op dat naar schatting minder dan de helft (250) van alle begunstigden zal deelnemen aan deze maatregel;

17.  is ingenomen met het feit dat bij de toegang tot de voorgestelde acties en hun uitvoering de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie zullen worden nageleefd;

18.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG-verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het gecoördineerde pakket gericht moet zijn op de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

19.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

20.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie samen met de bijlage te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2014/010 IT/Whirlpool, ingediend door Italië)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2015/42.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1927/2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, PB L 167 van 29.6.2009, blz. 26.
(5) EGF/2009/010 LT AB Snaige COM(2010)0008, EGF/2011/023 IT Antonio Merloni COM(2013)0090.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2013/006 PL/Fiat Auto Poland S.A.
PDF 351kWORD 62k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2013/006 PL/Fiat Auto Poland S.A., ingediend door Polen) (COM(2014)0699 – C8-0243/2014 – 2014/2181(BUD))
P8_TA(2014)0081A8-0062/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0699 – C8‑0243/2014),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure waarin is voorzien in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0062/2014),

A.  overwegende dat de Europese Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen ondervinden, en om hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om gebruik te maken van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van Verordening (EU) nr. 1309/2013(4) vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geschatte kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat Polen aanvraag EGF/2013/006 PL/Fiat heeft ingediend voor een financiële bijdrage uit het EFG naar aanleiding van 1079 gedwongen ontslagen, waarvan 829 bij Fiat Auto Polen en 250 bij 21 leveranciers en downstreamproducenten en waarbij naar verwachting 777 personen aan de EFG-maatregelen zullen deelnemen, in verband met een daling van productie van de fabriek te Tychy van Fiat Auto Polen S.A. ("Fiat-fabriek te Tychy") in de provincie Silezië, Polen, tijdens de referentieperiode van 21 januari 2013 tot 21 mei 2013;

E.  overwegende dat de aanvraag voldoet aan de subsidiabiliteitscriteria die zijn vastgelegd in de EFG-verordening;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2, onder a), van de EFG-verordening en dat Polen bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage op grond van die verordening;

2.  merkt op dat de Poolse autoriteiten de aanvraag voor een financiële bijdrage van het EFG op 29 juli 2013 hebben ingediend en tot en met 16 juni 2014 aanvullende informatie hebben verstrekt, en dat de Commissie op 10 november 2014 haar beoordeling ter beschikking heeft gesteld;

3.  is verheugd dat de Poolse autoriteiten op 21 januari 2013 hebben besloten met de uitvoering van de individuele diensten voor de getroffen werknemers te beginnen teneinde de werknemers snel bijstand te verlenen, ruimschoots vooruitlopend op het besluit over de toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket;

4.  merkt op dat de Europese automobielindustrie sinds 2007, toen de Europese productie van personenwagens goed was voor 32,2 % van de wereldwijde productie, marktaandeel heeft verloren en dat dit percentage daalde tot 23,2 % in 2012; wijst er verder op dat de productie van de EU-27 tussen 2011 en 2012 met 7 % is gedaald, terwijl de wereldwijde productie in dezelfde periode met 5,3 % is gestegen; benadrukt dat de situatie op nationaal vlak nog erger was, aangezien het productievolume in 2012 bijna een derde lager was dan in 2011;

5.  is het daarom met de Commissie eens dat de ontslagen in de Fiat-fabriek te Tychy en bij de leveranciers en downstreamproducenten verband houden met door de globalisering veroorzaakte grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen; benadrukt dat het effect van de globalisering werd verergerd door de gevolgen van de financiële crisis, waardoor de verkoop van nieuwe personenwagens in de EU tot het laagste niveau is gedaald sinds er gegevens beschikbaar zijn;

6.  merkt op dat de ontslagen bij de Fiat-fabriek te Tychy naar verwachting negatieve gevolgen zullen hebben in de regio, waar de voormalige werknemers van Fiat Auto Poland en zijn leveranciers en downstreamproducenten 10% van alle werklozen in die regio uitmaken;

7.  wijst erop dat de werkloosheid in Silezië sinds 2011 is gestegen; wijst er daarnaast op dat het aantal collectieve ontslagen in de regio tussen 2011 en 2012 bijna is verdubbeld;

8.  wijst erop dat tot op heden voor de automobielsector 21 EFG-aanvragen werden ingediend, waarvan er 12 gebaseerd waren op handelsgerelateerde globalisering en 9 op de wereldwijde financiële en economische crisis;

9.  stelt vast dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening waarvoor medefinanciering wordt aangevraagd, de volgende maatregelen omvat voor de terugkeer van 777 ontslagen werknemers naar de arbeidsmarkt: opleiding en kosten in verband met opleiding, opleiding in ondernemerschap, opleidingsbeurzen, stagebeurzen, stagekosten, bemiddeling, subsidies voor wie zich als zelfstandige vestigt, aanmoedigingspremie voor het aanwerven van werknemers;

10.  wijst erop dat de subsidies voor wie zich als zelfstandige vestigt (tot 4 995 EUR) voorwaardelijk zijn en afhangen van het succes van de activiteit als zelfstandige; wijst erop dat deze voorwaardelijkheid deelnemers er niet van mag weerhouden om zich voor deze maatregel aan te melden;

11.  merkt op dat de individuele dienstverlening eind 2013 is beëindigd en dat blijkens voorlopige gegevens 269 personen hebben deelgenomen aan 313 verschillende activiteiten in het kader van het pakket, van wie er 219 werk hebben gevonden dankzij de verleende steun;

12.  stelt vast dat volgens de voorlopige gegevens de totale kosten van de individuele dienstverlening aanzienlijk lager zijn uitgevallen dan geraamd omdat een geringer aantal werknemers hiervan gebruik heeft gemaakt;

13.  onderstreept dat ondanks het feit dat minder werknemers aan de activiteiten hebben deelgenomen dat aanvankelijk gedacht, volgens de voorlopige cijfers nog 85 onder het pakket vallende werknemers bij het arbeidsbureau staan ingeschreven, waaruit blijkt dat de overgrote meerderheid van de bij Fiat Auto Poland ontslagen werknemers werk hebben gevonden;

14.  verwelkomt het feit dat de regionale raad voor de werkgelegenheid betrokken was bij het opstellen van de EFG-aanvraag en een belangrijke rol speelde bij de beslissingen over het maatregelenpakket van het project;

15.  herinnert eraan dat de inzetbaarheid van alle werknemers verbeterd moet worden door aangepaste opleidingen en de erkenning van de in de loop van het beroepsleven opgedane vaardigheden en bekwaamheden; verwacht dat de opleiding die in het gecoördineerde pakket wordt aangeboden, niet alleen is afgestemd op de behoeften van de ontslagen werknemers, maar ook op het huidige ondernemingsklimaat; is van mening dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het pakket moet aansluiten bij de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

16.  beklemtoont dat overeenkomstig artikel 6 van de EFG-verordening moet worden gewaarborgd dat met middelen uit het EFG de duurzame herintegratie van individuele ontslagen werknemers op de arbeidsmarkt wordt gesteund; benadrukt voorts dat de EFG-steun alleen actieve arbeidsmarktmaatregelen kan medefinancieren die duurzame werkgelegenheid voor de lange termijn opleveren; herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren;

17.  juicht het toe dat er o.a. specifieke bemiddelingsmaatregelen zijn voor de groep werknemers van 50 jaar en ouder, die een aanzienlijk deel van de begunstigden omvat; wijst erop dat deze leeftijdsgroep een groter gevaar loopt op langdurige werkloosheid en uitsluiting van de arbeidsmarkt;

18.  wijst op het hoge percentage oudere en lager gekwalificeerde werknemers die getroffen zijn door de ontslagen, respectievelijk 18,7% en 62,6% van alle ontslagen werknemers; roept ertoe op dat speciale aandacht besteed wordt aan die twee groepen, onder meer in de vorm van specifieke EFG-maatregelen;

19.  wijst erop dat de zes werknemers met chronische gezondheidsproblemen of handicaps mogelijk specifieke behoeften hebben in het kader van een individuele aanpak;

20.  verwelkomt het feit dat het beginsel van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, alsmede van non-discriminatie, wordt en zal worden toegepast tijdens de verschillende stadia van uitvoering van en toegang tot de EFG-maatregelen;

21.  wijst erop dat Fiat Auto Poland op 20 december 2012 een akkoord heeft gesloten met de vakbonden, waarin is bepaald op basis van welke criteria werknemers ontslagen zouden worden, en welke stimulansen werknemers bij vrijwillig ontslag zouden ontvangen.

22.  merkt op dat de informatie die is verstrekt over het gecoördineerde pakket van individuele diensten waarvoor EFG-middelen worden aangevraagd, gegevens bevat over de complementariteit met maatregelen die worden gefinancierd uit de structuurfondsen; benadrukt dat de Poolse autoriteiten bevestigen dat voor de subsidiabele maatregelen geen steun uit andere financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in haar jaarverslagen een vergelijkende evaluatie van deze gegevens op te nemen, om ervoor te zorgen dat de bestaande verordeningen volledig in acht worden genomen en wordt voorkomen dat door de Unie gefinancierde diensten dubbel worden aangeboden;

23.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

24.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie samen met de bijlage te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2013/006 PL/Fiat Auto Polen S.A. uit Polen)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2015/41.)

(1) PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855).


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2014/013 EL/Odyssefs Fokas
PDF 240kWORD 65k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2014/013 EL/Odyssefs Fokas, ingediend door Griekenland) (COM(2014)0702 – C8-0245/2014 – 2014/2183(BUD))
P8_TA(2014)0082A8-0063/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0702 – C8‑0245/2014),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13 hiervan,

–  gezien de trialoogprocedure waarin is voorzien in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0063/2014),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen ondervinden of die van een wereldwijde economische en financiële crisis, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om gebruik te maken van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van de nieuwe EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geschatte kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat de Griekse autoriteiten op 29 juli 2014 aanvraag EGF/2014/013 EL/Odyssefs Fokas hebben ingediend naar aanleiding van het ontslag van 551 werknemers bij Odyssefs Fokas S.A., een onderneming die actief was in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2 - afdeling 47 ("Detailhandel, met uitzondering van de handel in auto's en motorfietsen");

E.  overwegende dat de aanvraag voldoet aan de subsidiecriteria van de EFG-verordening,

1.  is ingenomen met het feit dat de Griekse autoriteiten de grote voordelen van dit financieel instrument inzien en het reeds meerdere malen hebben gebruikt om de negatieve gevolgen van de financiële en economische crisis te bestrijden;

2.  stelt vast dat de Griekse autoriteiten de aanvraag hebben ingediend op grond van het criterium voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, dat vereist dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 500 werknemers gedwongen zijn ontslagen of zelfstandigen hun werkzaamheden hebben beëindigd, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd bij leveranciers of downstreamproducenten;

3.  merkt op dat de Griekse autoriteiten de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG op 29 juli 2014 hebben ingediend en dat de beoordeling daarvan door de Commissie op 11 november 2014 is gepubliceerd; is ingenomen met het feit dat de beoordelingsprocedure binnen vijf maanden is afgerond;

4.  merkt op dat de Griekse autoriteiten aanvoeren dat er voornamelijk twee gebeurtenissen waren die tot de gedwongen ontslagen hebben geleid: de daling van het beschikbare gezinsinkomen ― ingevolge de hogere belastingdruk, de dalende lonen (zowel in de privé- als in de overheidssector) en de stijgende werkloosheid ― wat een zeer sterke daling van de koopkracht tot gevolg had; en de drastische afname van de leningen aan ondernemingen en particulieren door het gebrek aan liquide middelen in de Griekse banken;

5.  is het ermee eens dat deze factoren verband houden met de wereldwijde financiële en economische crisis als bedoeld in Verordening (EG) nr. 546/2009(4), en dat Griekenland bijgevolg in aanmerking komt voor een EFG-bijdrage;

6.  merkt op dat tot nu toe voor de detailhandel reeds drie andere EFG-aanvragen werden ingediend, waarvan twee door Griekenland, die eveneens op de wereldwijde financiële en economische crisis gebaseerd waren;

7.  merkt op dat als gevolg van deze ontslagen, de werkloosheid verder zal stijgen in een land dat het aantal werklozen in de periode 2008-2013 zag verviervoudigen en dat het hoogste werkloosheidspercentage heeft van de lidstaten en wereldwijd het op vier na hoogste werkloosheidspercentage; is met name bezorgd over de regio's Attica en Centraal-Macedonië, waar 90 % van de ontslagen is gevallen en die nu al kampen met werkloosheidspercentages die hoger liggen dan het landelijk gemiddelde van 27,5 %;

8.  wijst erop dat naast de 551 binnen de referentieperiode ontslagen werknemers nog eens 49 werknemers in aanmerking komen die vóór de referentieperiode van vier maanden werden ontslagen, waarmee het totaal op 600 personen komt; merkt op dat 89,17 % van de ontslagen werknemers die in aanmerking komen voor EFG-steun vrouw zijn;

9.  is ingenomen met het feit dat de Griekse autoriteiten daarnaast individuele, door het EFG medegefinancierde dienstverlening zullen verstrekken aan maximaal 500 jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen (NEET's) en die op de datum van de indiening van de aanvraag jonger waren dan 30 jaar, aangezien alle ontslagen die in punt 8 worden vermeld zich voordoen in de NUTS II-regio's Κεντρική Μακεδονία (Centraal-Macedonië) (EL12), Θεσσαλία (Thessalië) (EL14) en Aττική (Attica) (EL30), die voor het Jeugdwerkgelegenheidsinitiatief in aanmerking komen, wat dus betekent dat er in totaal 1 100 begunstigden zijn;

10.  merkt op dat de Griekse autoriteiten besloten hebben om door het EFG medegefinancierde individuele dienstverlening te verstrekken aan maximaal 500 jongeren onder de 30 jaar die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen (NEET's); merkt op dat de Griekse autoriteiten volgens de aanvraag onder meer criteria zullen toepassen die zijn afgestemd op de criteria van het uitvoeringsplan voor de Griekse jongerengarantie (m.a.w. met uitsluiting bedreigde jongeren, de hoogte van het gezinsinkomen, het onderwijsniveau, de duur van de werkloosheid, enz.), alsook blijken van belangstelling; verzoekt de Griekse autoriteiten de sociale criteria in acht te nemen en ervoor te zorgen dat bij de selectie van de ontvangers van EFG-steun de beginselen van niet-discriminatie en gelijke kansen ten volle worden geëerbiedigd;

11.  onderschrijft de sociale criteria die door de Griekse autoriteiten worden gehanteerd om vast te stellen wie er als NEET's in aanmerking komen voor de EFG-maatregelen, rekening houdend met het inkomen per huishouden, het opleidingsniveau en de duur van de werkloosheid; dringt er op aan dat het beginsel van non-discriminatie bij de selectie van de begunstigden ten volle wordt geëerbiedigd om ervoor te zorgen dat degenen die het verst afstaan van de arbeidsmarkt een kans krijgen;

12.  dringt er bij de Griekse autoriteiten op aan gedetailleerde informatie te verschaffen over de gefinancierde acties en resultaten om beste praktijken te delen, met name met betrekking tot de selectie en de steun die wordt verleend aan NEET's;

13.  merkt op dat de totale geraamde kosten 10 740 000 EUR bedragen, waarvan 210 000 EUR bestemd is voor de implementatie, en dat de financiële bijdrage van het EFG 6 444 000 EUR bedraagt, wat goed is voor 60 % van de totale kosten;

14.  merkt op dat de bijdrage voor de activiteiten op het gebied van voorbereiding, beheer, voorlichting en publiciteit en controle en rapportage 1,96 % van het totale budget vormt; wijst er verder op dat bijna de helft van deze bijdrage voor voorlichting en publiciteit zal worden gebruikt;

15.  is ingenomen met het feit dat de Griekse autoriteiten, om de werknemers snel bijstand te verlenen, hebben beslist om met de uitvoering van de individuele dienstverlening aan de getroffen werknemers te beginnen op 20 oktober 2014, lang vóór het definitieve besluit over de toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket;

16.  merkt op dat de Griekse autoriteiten hebben laten weten dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening werd opgesteld in overleg met vertegenwoordigers van de beoogde begunstigden (voormalige werknemers van Fokas en de advocaten van de werknemers) en de Federatie van werknemers uit de privésector in Griekenland;

17.  merkt op dat het pakket van individuele dienstverlening is afgestemd op de specifieke behoeften van de NEET's en de volgende maatregelen omvat: loopbaanbegeleiding, opleiding, omscholing en beroepsopleiding, bijdragen aan het opstarten van een bedrijf, toelagen voor het zoeken naar werk, opleidingstoelagen en mobiliteitstoelagen;

18.  benadrukt het belang van individuele dienstverlening om de beoogde begunstigden te helpen hun vaardigheden in kaart te brengen en om een realistisch loopbaanontwikkelingsplan op te stellen op basis van hun belangen en kwalificaties;

19.  is ingenomen met het feit dat de voorgestelde maatregelen ook monitoring omvatten, waarbij wordt voorzien in een follow-up van de deelnemers tijdens de zes maanden na afloop van de uitvoering van de maatregelen;

20.  merkt op dat het merendeel van de gevraagde financiering bestemd is om de bijdrage voor het opzetten van een bedrijf (3 000 000 EUR) en opleidingsmaatregelen (2 960 000 EUR) te steunen;

21.  merkt op dat maximaal 200 geselecteerde werknemers en NEET's die een eigen bedrijf oprichten, het maximale bedrag van 15 000 EUR zullen ontvangen als bijdrage in de oprichtingskosten; benadrukt dat deze maatregel tot doel heeft ondernemerschap te bevorderen door financiering te verstrekken aan levensvatbare bedrijfsinitiatieven, wat op de middellange termijn moet leiden tot het creëren van extra banen; merkt op dat de toekenning van dit maximale bedrag afhankelijk is van specifieke voorwaarden en de levensvatbaarheid van de gesteunde nieuwe bedrijven;

22.  benadrukt de werkelijke toegevoegde waarde en beveelt aan om actieve arbeidsmarktmaatregelen aan te bieden; merkt op dat circa een derde van de geplande steun bestaat uit toelagen en derhalve passieve arbeidsmarktmaatregelen;

23.  merkt op dat de kosten voor de opleidingsmaatregelen in deze aanvraag vergelijkbaar zijn met die in eerdere aanvragen van Griekenland; wijst erop dat deze kosten in vergelijkbare aanvragen van andere lidstaten variëren;

24.  is van mening dat de binnen de nieuwe ESF-programmeringsperiode geplande ESF-maatregelen complementair moeten zijn met de EFG-planning en de reïntegratie van werknemers in toekomstgerichte en duurzame economische sectoren moeten stimuleren; herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG-verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het door het EFG gesteunde gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het gecoördineerde pakket gericht moet zijn op de overgang naar een grondstoffenefficiënte economie;

25.  is ingenomen met het feit dat bij de toegang tot de voorgestelde acties en hun uitvoering de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie zullen worden gerespecteerd;

26.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

27.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie samen met de bijlage te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2014/013 EL/Odyssefs Fokas, ingediend door Griekenland)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2015/43.)

(1)PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2)PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3)PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4)PB L 167 van 29.6.2009, blz. 26.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2013/014 FR/Air France
PDF 229kWORD 60k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2013/014 FR/Air France, ingediend door Frankrijk) (COM(2014)0701 – C8-0247/2014 – 2014/2185(BUD))
P8_TA(2014)0083A8-0065/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0701 – C8‑0247/2014),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13 hiervan,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0065/2014),

A.  overwegende dat de Europese Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen ondervinden, en om hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om gebruik te maken van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van Verordening (EU) nr. 1309/2013(4) vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geschatte kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat Frankrijk aanvraag EGF/2013/014 FR/Air France heeft ingediend om middelen ter beschikking te stellen uit het EFG naar aanleiding van 5 213 gedwongen ontslagen, waarbij naar verwachting 3 886 personen aan de maatregelen zullen deelnemen, tijdens en na de referentieperiode van 1 juli 2013 tot 31 oktober 2013, als gevolg van de afname van het marktaandeel van de EU in het luchtvervoer;

E.  overwegende dat de aanvraag voldoet aan de subsidiabiliteitscriteria die zijn vastgelegd in de EFG-verordening;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 2, onder a), van de EFG-verordening en dat Frankrijk bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage op grond van die verordening;

2.  stelt vast dat de Franse autoriteiten de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG op 20 december 2013 hebben ingediend, tot en met 24 juli 2014 aanvullende informatie hebben verstrekt, en dat de Commissie haar beoordeling op 11 november 2014 bekend heeft gemaakt;

3.  is ingenomen met het feit dat de Franse autoriteiten op 6 november 2012 hebben besloten met de uitvoering van de individuele diensten voor de getroffen werknemers te beginnen om de werknemers snel bijstand te verlenen, ruimschoots vooruitlopend op het besluit over en de aanvraag voor toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket;

4.  is van mening dat de ontslagen bij Air France verband houden met grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen als gevolg van de globalisering, waarbij het marktaandeel van de Unie in het luchtvervoer afneemt, met name door de spectaculaire groei van drie grote maatschappijen in de regio van de Perzische Golf, en dat deze trend nog wordt verergerd door de wereldwijde financiële en economische crisis;

5.  merkt op dat de ontslagen bij Air France naar verwachting negatieve gevolgen zullen hebben voor de regio Île-de-France, die bovendien geconfronteerd wordt met nog andere massaontslagen bij Peugeot Citroën Automobile (PSA), waar de productie-eenheid in Aulnay in 2014 volledig wordt gesloten;

6.  stelt vast dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening waarvoor medefinanciering wordt aangevraagd, de volgende maatregelen omvat voor de terugkeer van 3 886 ontslagen werknemers naar de arbeidsmarkt: adviesdiensten en loopbaanbegeleiding voor werknemers, opleiding, bijdrage bij het oprichten van een bedrijf, regelmatige informatie- en communicatieactiviteiten, re-integratietoelage en mobiliteitstoelage;

7.  is ingenomen met het bedrag van 21 580 020 EUR dat bestemd is voor de re-integratietoelage, die zal worden uitbetaald tot het eind van de "congé de reclassement" en 70 % van het laatste brutosalaris van de werknemer bedraagt; merkt op dat het aandeel van dergelijke toelagen in Verordening (EU) nr. 1309/2013 wordt beperkt tot 35 % van het totale, uit het EFG beschikbaar gestelde bedrag voor een bepaald dossier, maar benadrukt dat Frankrijk de aanvraag heeft ingediend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 546/2009(5), die geldt voor aanvragen die zijn ingediend tot en met eind 2013 en een veel ruimer gebruik van middelen toelaat voor specifieke toelagen zoals de re-integratietoelage en de bijdrage voor de oprichting van een eigen bedrijf;

8.  is gekant tegen het gebruik van het EFG als instrument om ontslagen te financieren; is van mening dat dit fonds moet worden gebruikt om de terugkeer van werknemers op de arbeidsmarkt te ondersteunen;

9.  herinnert eraan dat de middelen moeten bijdragen tot de terugkeer van de begunstigden op de arbeidsmarkt in plaats van hun na het ontslag gewoon een vervangingsinkomen te geven; merkt op dat dit doel veel beter kan worden bereikt door de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1309/2013 die momenteel van kracht is;

10.  is ingenomen met het feit dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening werd opgesteld in overleg met de vertegenwoordigers van de werknemers voor wie steun wordt aangevraagd en de sociale partners, en het volgende omvat; opleiding, adviesdiensten voor werknemers, bijdragen voor de oprichting van een eigen bedrijf, re-integratietoelagen en mobiliteitstoelagen;

11.  herinnert eraan dat de inzetbaarheid van alle werknemers verbeterd moet worden door aangepaste opleidingen en de erkenning van de in de loop van het beroepsleven opgedane vaardigheden en bekwaamheden; verwacht dat de opleiding die in het gecoördineerde pakket wordt aangeboden, niet alleen is afgestemd op de behoeften van de ontslagen werknemers, maar ook op het huidige ondernemingsklimaat;

12.  merkt tot zijn spijt op dat de meerderheid van de ontslagen werknemers tussen 55 en 64 jaar oud zijn; is ingenomen met de verschillende stimuleringsmaatregelen, onder meer de bijdrage om een eigen bedrijf op te richten met daarbij de aanwerving van werknemers van meer dan 55 jaar;

13.  beklemtoont dat overeenkomstig artikel 6 van de EFG-verordening moet worden gewaarborgd dat met middelen uit het EFG de duurzame herintegratie van individuele ontslagen werknemers op de arbeidsmarkt wordt gesteund; benadrukt voorts dat de EFG-steun alleen actieve arbeidsmarktmaatregelen kan medefinancieren die duurzame werkgelegenheid voor de lange termijn opleveren; herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren;

14.  merkt op dat de informatie die is verstrekt over het gecoördineerde pakket van individuele diensten waarvoor EFG-medefinanciering wordt aangevraagd, geen gegevens bevat over de complementariteit met maatregelen die worden gefinancierd uit de structuurfondsen, maar verwijst hierbij naar een schriftelijke overeenkomst met de onderneming waar de ontslagen zijn gevallen, waarin is vastgesteld dat de onderneming voor de implementatie van de hierboven beschreven maatregelen niet ook nog eens financiële bijdragen uit andere financiële instrumenten van de Unie zal ontvangen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in haar jaarverslagen een vergelijkende evaluatie van deze gegevens op te nemen zodat de bestaande verordeningen volledig in acht worden genomen en wordt voorkomen dat door de Unie gefinancierde diensten dubbel worden aangeboden;

15.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

16.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie samen met de bijlage te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

over de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2013/014 FR/Air France, ingediend door Frankrijk)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2015/44.)

(1) PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4)Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855).
(5) Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1927/2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, PB L 167 van 29.6.2009, blz. 26.


Benoeming van de leden van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad *
PDF 217kWORD 50k
Besluit van het Europees Parlement van 16 december 2014 over het voorstel van de Commissie voor de benoeming van de voorzitter, de vicevoorzitter en de leden van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (C(2014)9456 – C8-0284/2014 – 2014/0901(NLE))
P8_TA(2014)0084A8-0070/2014

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 5 december 2014 voor de benoeming van de voorzitter, de vicevoorzitter en de leden van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (C(2014)9456),

–  gezien artikel 56, lid 6, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010(1),

–  gezien zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0070/2014),

A.  overwegende dat in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 is bepaald dat de voorzitter, de vicevoorzitter en de leden van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad ("de afwikkelingsraad"), naar wie wordt verwezen in artikel 43, lid 1, onder b), van die verordening, worden benoemd op basis van verdienste, vaardigheden, kennis van bancaire en financiële aangelegenheden en ervaring die relevant is op het gebied van financieel toezicht en financiële regelgeving alsook bankafwikkeling;

B.  overwegende dat in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 is bepaald dat bij de benoeming voor de afwikkelingsraad de beginselen van genderevenwicht, ervaring en beroepsbekwaamheid in acht worden genomen;

C.  overwegende dat de Commissie op 19 november 2014 overeenkomstig artikel 56, lid 6, van Verordening (EU) nr. 806/2014 een eerste lijst van kandidaten voor de functie van voorzitter en van vicevoorzitter van de afwikkelingsraad heeft vastgesteld;

D.  overwegende dat de Commissie op 1 december 2014 overeenkomstig artikel 56, lid 6, van Verordening (EU) nr. 806/2014 een eerste lijst heeft vastgesteld van kandidaten voor de functie van de leden van de afwikkelingsraad, waarnaar wordt verwezen in artikel 43, lid 1, onder b), van die verordening;

E.  overwegende dat deze twee lijsten aan het Parlement zijn voorgelegd overeenkomstig artikel 56, lid 6, van Verordening (EU) nr. 806/2014;

F.  overwegende dat de Commissie op 5 december 2014 een voorstel voor de benoeming van de voorzitter, de vicevoorzitter en de leden van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad heeft vastgesteld en dit voorstel aan het Parlement heeft voorgelegd;

G.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement de kwalificaties van de voor de functie van voorzitter, vicevoorzitter en leden van de afwikkelingsraad voorgedragen kandidaten heeft onderzocht, met name met het oog op de vereisten in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014;

H.  overwegende dat de commissie op 8 december 2014 een hoorzitting heeft gehouden met mevrouw Elke König, de kandidaat die is voorgedragen voor de functie van voorzitter van de afwikkelingsraad, waarbij zij een inleidende verklaring heeft afgelegd en vervolgens heeft geantwoord op vragen van de leden van de commissie;

I.  overwegende dat de commissie op 9 december 2014 een hoorzitting heeft gehouden met de heer Timo Löyttyniemi, de kandidaat die is voorgedragen voor de functie van vicevoorzitter van de afwikkelingsraad, alsook met Mauro Grande, Antonio Carrascosa, Joanne Kellermann en Dominique Laboureix, de vier kandidaten die zijn voorgedragen voor de functie van leden van de afwikkelingsraad. Tijdens die hoorzitting hebben alle vijf kandidaten een inleidende verklaring afgelegd en op vragen van de leden van de commissie geantwoord;

1.  keurt het voorstel van de Commissie voor de benoeming van de volgende kandidaten goed:

   a) Elke König voor de functie van voorzitter van de afwikkelingsraad,
   b) Timo Löyttyniemi voor de functie van vicevoorzitter van de afwikkelingsraad,
   c) Mauro Grande voor de functie van lid van de afwikkelingsraad,
   d) Antonio Carrascosa voor de functie van lid van de afwikkelingsraad,
   e) Joanne Kellermann voor de functie van lid van de afwikkelingsraad,
   f) Dominique Laboureix voor de functie van lid van de afwikkelingsraad,

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid