Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2222(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0043/2015

Ingediende teksten :

A8-0043/2015

Debatten :

PV 11/03/2015 - 7
CRE 11/03/2015 - 7

Stemmingen :

PV 11/03/2015 - 9.16
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0068

Aangenomen teksten
PDF 214kWORD 254k
Woensdag 11 maart 2015 - Straatsburg
Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2015
P8_TA(2015)0068A8-0043/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2015 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2015 (2014/2222(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 145, 148 en 152, alsmede artikel 153, lid 5, van het VWEU,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de EU, en met name hoofdstuk IV (solidariteit),

–  gezien artikel 349 VWEU betreffende de specifieke maatregelen ten gunste van de ultraperifere gebieden,

–  gezien het herziene Europees Sociaal Handvest, en met name artikel 30 over het recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting,

–  gezien zijn resolutie van dinsdag 25 februari 2014 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: sociale en werkgelegenheidsaspecten(1),

–  gezien zijn resolutie van 22 oktober 2014 inzake het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2014(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2014 over "de jaarlijkse groeianalyse 2015" (COM(2014)0902), en het ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid dat daaraan als bijlage is toegevoegd,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 met als titel "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 getiteld "Het optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact" (COM(2015)0012),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 oktober 2013 getiteld "Versterking van de sociale dimensie van de Economische en Monetaire Unie" (COM(2013)0690),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 met als titel "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2014 over werkgelegenheids- en sociale aspecten van de Europa 2020-strategie(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 april 2012 getiteld "Naar een banenrijk herstel" (COM(2012)0173),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2010 met als titel "Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang" COM(2010)0758), en de desbetreffende resolutie van het Parlement van 15 november 2011(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie over het Initiatief "Kansen voor jongeren" (COM(2011)0933),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld "Naar sociale investering voor groei en cohesie – inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020" (COM(2013)0083),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2014 over werkgelegenheid en de sociale aspecten van de rol en activiteiten van de trojka (ECB, Commissie en IMF) aangaande de programmalanden van de eurozone,(5),

–  gezien zijn resolutie van 11 juni 2013 over sociale huisvesting in de Europese Unie(6),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 "Hoe kan de Europese Unie bijdragen tot de totstandkoming van een stimulerend klimaat voor het scheppen van banen door ondernemingen, bedrijven en starters?"(7),

–  gezien zijn resolutie van 17 juli 2014 over werkgelegenheid voor jongeren(8),

–  gezien het "Global Wage Report 2014/2015" van de Internationale Arbeidsorganisatie (International Labour Organisation, ILO) van 5 december 2014,

–  gezien het OESO-werkdocument "Trends in Income Inequality and its Impact on Economic Growth" van 9 december 2014;

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 juli 2014 getiteld "Initiatief voor groene werkgelegenheid: het banenpotentieel van de groene economie benutten" (COM(2014)0446),

–  gezien zijn resoluties van 14 september 2011(9) en van 16 januari 2014(10) over een EU-strategie inzake dakloosheid,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0043/2015),

A.  overwegende dat Europa zich moet inzetten voor het model van de sociale markteconomie om te zorgen voor duurzame groei en de volgende generatie banen te verschaffen in plaats van met schulden op te zadelen;

B.  overwegende dat de economische en sociale context in de EU broos blijft en overwegende dat volgens de economische najaarsprognose van 2014 het economische herstel broos blijft; overwegende dat het groeipercentage in de eurozone, ondanks de negatieve groeipercentages in de eurozone in de afgelopen twee jaar, voor 2014 naar verwachting op 0,8 % zal uitkomen en in 2015 op 1,1 %; overwegende dat slechts weinig lidstaten positievere vooruitzichten hebben en overwegende dat de vooruitzichten door de Commissie de voorbije jaren stelselmatig neerwaarts zijn bijgesteld; overwegende dat ondanks het feit dat het verwachte totale tekort in de EU-28 in 2014 is gedaald naar 3 %, dit tekort in sommige lidstaten hoog blijft, waaruit blijkt dat verdere begrotingsconsolidatie die verenigbaar is met groei en betere en duurzame werkgelegenheid, noodzakelijk is, aangezien het herstel noch robuust is, noch een stevige basis heeft;

C.  overwegende dat de tijdens de economische crisis genomen snelle route van begrotingsconsolidatie ertoe heeft geleid dat lidstaten de Europa 2020-doelstellingen niet halen, hetgeen aantoont dat begrotingsbeleid gedifferentieerd en aangepast aan de specifieke situatie van elke lidstaat moet zijn; overwegende dat de scherpe daling van de olieprijzen een extra impuls kan geven aan de economie van veel EU-lidstaten, vooral als ze snel wordt omgezet in lagere energiekosten voor families en ondernemingen;

D.  overwegende dat de EU haar economisch en sociaal beleid moet blijven verbeteren om de Europa 2020-doelstellingen zo spoedig mogelijk te bereiken en de risico's van gestage stagnatie en deflatie te beheersen en overwegende dat hiervoor de inspanningen ter bevordering van investeringen en structurele hervormingen die het economische concurrentievermogen op een sociaal verantwoorde manier verhogen, moeten worden gehandhaafd; overwegende dat een ecologische transformatie nodig is om een overgang naar een bronnenefficiënte economie en duurzame ontwikkeling te verwezenlijken; overwegende dat het zorgwekkend is dat de EU erop achteruitgaat in de wereldeconomie als gevolg van de crisis, het wegvallen van de industriële basis en het gebrek aan vertrouwen van investeerders en ondernemers, terwijl andere landen stevige tekenen van herstel vertonen; overwegende dat het IMF in oktober 2014 heeft geschat dat de waarschijnlijkheid van een recessie in de eurozone is toegenomen en dat die tegen het eind van het jaar op 35-40 % zou liggen;

E.  overwegende dat de verantwoordelijkheid voor de invulling van het werkgelegenheidsbeleid, met inbegrip van het jeugdwerkgelegenheidsbeleid, in de eerste plaats bij de lidstaten ligt en dat dergelijke maatregelen het best op nationaal niveau worden getroffen;

F.  overwegende dat de EU zo spoedig mogelijk de snelle vergrijzing van haar bevolking moet aanpakken;

G.  overwegende dat het werkloosheidspercentage ondanks enige verbetering (voor het eerst sinds 2011 is er een kleine toename geweest in het aantal vaste contracten) historisch hoog blijft, met bijna 25 miljoen mensen zonder werk in de EU; overwegende dat de langdurige werkloosheid zorgwekkend hoog is, en dat 12 miljoen mensen langer dan een jaar werkloos zijn (4 % meer dan vorig jaar); overwegende dat de jeugdwerkloosheidspercentages niet noemenswaardig lager zijn geworden (slechts 1,9 % ten opzichte van 2013), en het EU-gemiddelde 21,2 % bedraagt; overwegende dat 75 % van de langdurig werklozen in de EU jonger is dan 35 jaar; overwegende dat de situatie op de arbeidsmarkt met name voor jongeren bijzonder ernstig is ongeacht hun opleidingsniveau, behalve in sommige lidstaten;

H.  overwegende dat het Europees Sociaal Fonds, de Jongerengarantie en het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief volledig en op correcte wijze dienen te worden benut om duurzame projecten te financieren en daarmee de werkloosheid, en meer in het bijzonder de jeugdwerkloosheid, te bestrijden;

I.  overwegende dat het aantal jongeren dat werkloos is en geen onderwijs of opleiding volgt (not in education, employment or training, NEET's) hoog blijft en dat Romajongeren in deze groep oververtegenwoordigd zijn;

J.  overwegende dat verschillende factoren, waaronder het niet kunnen creëren van een positieve omgeving waarin investeringen en groei worden gestimuleerd, de verlaging van de marktinkomens en de verzwakking van het effect van de sociale overdrachten in de loop van de tijd(11) en inspanningen van sommige lidstaten om hun economie opnieuw in evenwicht te brengen door middel van bezuinigingen op sociale zekerheid, hebben geleid tot een aanzienlijke verlaging van het netto besteedbare inkomen van huishoudens, waardoor meer Europese gezinnen dreigen te worden uitgesloten, en de ongelijkheid, ook genderongelijkheid, alarmerend is toegenomen; overwegende dat voor een op de vier Europeanen armoede dreigt; overwegende dat werkloosheid en arbeidsonzekerheid zeer sterk zijn gestegen en dat voor 50% van alle werkzoekenden het vinden van een baan onvoldoende is om aan armoede te ontkomen;

K.  overwegende dat uit de meest recente beschikbare cijfers (die over 2013) blijkt dat de langdurige werkloosheid zich op een historisch hoog peil bevindt van 5,1 % van de beroepsbevolking in de EU-28; overwegende dat langdurige werkloosheid niet alleen cruciale gevolgen heeft voor iemands levensloop, maar tevens kan leiden tot structurele werkloosheid in de EU;

L.  overwegende dat 25,1 % van de EU-bevolking momenteel het gevaar loopt armoede te lijden of sociaal te worden uitgesloten; overwegende dat kinderarmoede gemiddeld sneller stijgt dan armoede in het algemeen, en dat in sommige lidstaten een op de drie kinderen onder de armoedegrens leeft;

M.  overwegende dat oudere werknemers de meest waarschijnlijke groep vormen die langdurig werkloos zal zijn; overwegende dat in 2012 slechts de helft van de 55- tot 65-jarige werknemers aan het werk was; overwegende dat ouderen harder getroffen worden door de bezuinigingen op de overheidsuitgaven voor sociale en gezondheidsdiensten en sociale uitkeringen; overwegende dat vooral sommige categorieën ouderen, zoals personen die ouder zijn dan 80, oudere vrouwen, oudere migranten of oudere leden van etnische minderheden, het risico lopen in armoede te vervallen;

N.  overwegende dat sommige lidstaten, om de crisis te boven te komen, aanzienlijk hebben bezuinigd op hun overheidsuitgaven, juist op het moment dat de vraag naar sociale bescherming groeide vanwege de toename van het aantal werklozen; overwegende dat de nationale begrotingstoewijzingen voor sociale zekerheid verder onder druk zijn komen te staan door een afname van de bijdragen ten gevolge van veel banenverlies en loonsverlagingen, waardoor het Europees sociaal model ernstig in gevaar wordt gebracht; overwegende dat de geëiste hervormingen niet aansluiten op de behoeften en verwachtingen van de burgers op sociaal en werkgelegenheidsgebied;

O.  overwegende dat de bestrijding van armoede niet alleen een van de belangrijkste doelstellingen van Europa 2020 is, maar ook een sociale verplichting vormt voor de lidstaten en dat degelijk en duurzaam werk de beste methode is om aan armoede te ontkomen; overwegende dat inspanningen dienen te worden geleverd om de toegang tot werk te vergemakkelijken, met name voor personen met de minste kansen op de arbeidsmarkt; overwegende dat de arbeidsmarkt nog altijd wordt gekenmerkt door aanzienlijke ongelijkheid qua werkvoorwaarden en dat vrouwen boven de 55 jaar een groter risico lopen dan mannen op een leven in armoede of op sociale uitsluiting;

P.  overwegende dat de sociaaleconomische onevenwichtigheden tussen lidstaten verder zijn toegenomen, terwijl het omgekeerde het geval is voor de doelstelling van regionale convergentie; overwegende dat de kern-periferie-kloof voor werkloosheid is toegenomen van 3,5 % in 2000 tot 10 % in 2013; overwegende dat deze divergentie het risico van versplintering verhoogt en een bedreiging vormt voor de economische stabiliteit en de sociale cohesie van de EU; overwegende dat in het zesde cohesieverslag de rol van de structuurfondsen wordt benadrukt bij het bestrijden van ongelijkheid, met name tijdens de crisis;

Q.  overwegende dat artikel 174 VWEU het volgende bepaalt: "Teneinde de harmonische ontwikkeling van de Unie in haar geheel te bevorderen, ontwikkelt en vervolgt de Unie haar optreden gericht op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang. De Unie stelt zich in het bijzonder ten doel, de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's te verkleinen. Wat betreft die regio's wordt bijzondere aandacht besteed aan de plattelandsgebieden, de regio's die een industriële overgang doormaken, en de regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals de meest noordelijke regio's met een zeer geringe bevolkingsdichtheid, alsmede insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden";

R.  overwegende dat regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen over het algemeen een hoger werkloosheidspercentage, minder economische groei en een gebrek aan betekenisvolle investeringen gericht op versterking van hun potentieel hebben;

S.  overwegende dat het Parlement de afgelopen twee jaar heeft gewaarschuwd voor de sociale gevaren van deflatie in een context van lage groei, hoge werkloosheid en neerwaartse druk op de lonen; overwegende dat de Europese Centrale Bank (ECB) op de lange termijn lage inflatie heeft voorspeld en heeft gewaarschuwd voor de gevolgen hiervan voor de binnenlandse vraag, groei en werkgelegenheid; overwegende dat deflatie sinds augustus 2014 een feit is geworden in acht lidstaten (waarvan zes deel uitmaken van de eurozone); overwegende dat het stimuleren van de vraag en de werkgelegenheid in de EU ernstig wordt beperkt doordat kmo's amper toegang hebben tot krediet en doordat buitensporige overheids- en particuliere schuld, met name hypothecaire schuld, moet worden teruggedrongen; overwegende dat de afnemende inflatiepercentages deze problemen nog eens versterken, doordat de reële rentepercentages en de reële schuldenlast stijgen, wat zou kunnen leiden tot een vicieuze cirkel van economische depressie; overwegende dat de ECB op 22 januari 2015 op al deze aspecten reageerde door te beginnen met de uitvoering van een uitgebreid programma om activa aan te kopen, waarbij de gecombineerde maandelijkse aankoop van activa 60 miljard EUR bedraagt en de uitvoering gepland is om tot ten minste september 2016 te duren;

T.  overwegende dat een expansief monetair beleid kan worden gebruikt om de export te stimuleren als een manier om de economie in de EU op de korte termijn te verbeteren;

U.  overwegende dat lage rentetarieven kunnen worden gebruikt om investeringen in de EU te stimuleren;

V.  overwegende dat de begrotingsdiscipline is toegenomen en nieuwe doelstellingen – met meer nadruk op structurele dan op cyclische tekorten – zijn ingevoerd; overwegende dat, desondanks, de omvang van de begrotingsmultipliers in de huidige context nog steeds erg groot is; overwegende dat de middellangetermijndoelstelling en het streefdoel voor de schuld moeten worden gehaald teneinde een omgeving tot stand te brengen waarin economische groei en werkgelegenheid worden gestimuleerd; overwegende dat sociale, milieu- en genderaspecten van deze maatregelen systematisch moeten worden beoordeeld;

W.  overwegende dat publieke en private investeringen in de EU alarmerend gedaald zijn en nu ongeveer 20 % onder het niveau van voor de crisis liggen en dus lager zijn dan die van de belangrijkste economische partners van de EU elders in de wereld; overwegende dat investeren in betere en duurzame banen, menselijk potentieel, onderzoek en innovatie (ook kleinschaligere projecten), een energie-unie met een efficiënt hulpbronnenverbruik, de digitale interne markt, de bevordering van het ondernemerschap en een beter ondernemersklimaat voor kmo's tot de topprioriteiten moeten behoren van zowel de Commissie als de lidstaten, omdat investeringen hierin niet alleen essentieel zijn om te zorgen voor herstel maar ook om het economisch potentieel van de EU om te groeien en welvaart te scheppen te vergroten;

X.  overwegende dat hervormingen niet worden gedragen door de lidstaten en er geen inclusieve, sociale en duurzame oplossingen zijn ontwikkeld, omdat de nationale parlementen, het Europees Parlement, lokale en regionale autoriteiten, maatschappelijke organisaties en de sociale partners op nationaal en Europees niveau onvoldoende betrokken geweest zijn bij het proces van het Europees semester, waardoor het vertrouwen van de burgers in het EU-project is afgenomen;

Y.  overwegende dat het vaststellen van lonen een bevoegdheid van de lidstaten is;

Ambitieus economisch beleid voor groei en hoogwaardige banen en ter bestrijding van deflatie

1.  is verheugd over de geïntegreerde aanpak van de Commissie voor groei, die voornamelijk steunt op drie pijlers: een investeringsplan voor Europa, structurele hervormingen en budgettaire verantwoordelijkheid; vraagt binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact (SGP) een ambitieus, expansief economisch en fiscaal beleid in te voeren om slimme, duurzame en inclusieve groei te stimuleren en betere en duurzame banen te scheppen; onderstreept dat solidariteit een kernwaarde vormt waarop de Europese Unie gestoeld is; vraagt de Commissie de inspanningen van de lidstaten te ondersteunen door concrete aanbevelingen te doen die voor hen en voor de EU als geheel nuttig zijn, zodat zij niet slechts gericht zijn op begrotingsconsolidatie, maar ook op structurele hervormingen op een sociaal uitgebalanceerde en economisch efficiënte en duurzame manier; benadrukt dat lage inflatie nu al leidt tot een stijging van de reële rente, alsmede van de reële overheids- en particuliere schuld, waardoor in combinatie met de hoge langdurige werkloosheid en jeugdwerkloosheid de groei wordt afgeremd en de armoede toeneemt;

2.  is zich bewust van de relatie tussen budgettaire verantwoordelijkheid en de noodzaak om investeringen en structurele hervormingen in de lidstaten, in de context van het SGP, te stimuleren; is in dit verband verheugd over de mededeling van de Commissie getiteld "Het optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact"; dringt er bij de partners op aan om, ingeval een lidstaat wordt geconfronteerd met buitensporige macro-economische onevenwichtigheden, hervormingen toe te passen door gebruik te maken van de reeds aanwezige flexibiliteit in de regelgeving en overeenkomsten om ervoor te zorgen dat budgettaire verantwoordelijkheid verenigbaar is met economische groei, de creatie van banen en de welvaartsstaat;

3.  benadrukt dat structurele hervormingen in de lidstaten noodzakelijk zijn; merkt op dat hoewel sommige lidstaten die hervormingen hebben uitgevoerd, erin geslaagd zijn hun concurrentievermogen op de wereldmarkt te herstellen, deze hervormingen verenigbaar moeten zijn met slimme, duurzame en inclusieve groei alsook met de creatie van degelijke banen; vraagt dat de focus van deze hervormingen wordt uitgebreid naar gebieden als de energie-unie, de digitale interne markt of fiscale hervormingen, opdat deze doelstellingen kunnen worden bereikt; is van mening dat de op de arbeidsmarkt gepromote hervormingen ook de flexibiliteit en zekerheid moeten invoeren die nodig zijn om verdeling te beëindigen en fatsoenlijke lonen te garanderen;

4.  is verheugd dat de prioriteit investeringen in de nieuwe beleidsmix is toegevoegd aan de bestaande prioriteiten begrotingsconsolidatie en structurele hervormingen; is niettemin van mening dat er in de jaarlijkse groeianalyse meer aandacht moet worden besteed aan de totale vraag en de relatie daarvan met loonsverhogingen en sociale ongelijkheden; onderstreept dat de voornaamste prioriteit betreffende het terugdringen van macro-economische onevenwichtigheden niet moet liggen bij het uitbreiden van de overschotten op de lopende rekening, maar juist bij het verhogen van de groei, investeringen en de werkgelegenheid, alsook bij het terugdringen van de armoede;

5.  is bezorgd dat de investeringen in de EU in de afgelopen jaren aanzienlijk zijn teruggelopen, en nu ongeveer 20 % onder het niveau van voor de crisis liggen; waarschuwt dat de afname nog sterker was in perifere lidstaten waar de begrotingsconsolidatie acuter was; benadrukt nogmaals het banenpotentieel van de groene economie, die volgens ramingen van de Commissie alleen al in de sectoren energie-efficiëntie en hernieuwbare energie tegen 2020 vijf miljoen banen zou kunnen opleveren, op voorwaarde dat een ambitieus klimaat- en energiebeleid wordt gevoerd; vraagt de lidstaten voldoende te investeren in deze sectoren en te anticiperen op de toekomstige werknemersvaardigheden;

6.  is verheugd dat investeringen een van de drie belangrijkste pijlers van de strategie van de Commissie voor 2015 zijn en dringt erop aan dat het plan onverwijld wordt uitgevoerd; neemt nota van het feit dat de bijdragen van de lidstaten aan het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) niet in acht worden genomen bij de vaststelling van de budgettaire aanpassing overeenkomstig hetzij het preventieve, hetzij het correctieve deel van het SGP;

7.  is van mening dat de drie belangrijkste pijlers van de strategie van de Commissie voor 2015 gezamenlijk moeten worden geïmplementeerd teneinde investeringen op een verantwoorde manier te stimuleren in gebieden met een daadwerkelijk effect op de groei en de werkgelegenheid, zoals de digitale economie, groene sectoren en gezondheidszorg;

8.  neemt er nota van dat het EFSI gebaseerd zal zijn op bestaande EU-middelen en geen "vers" overheidsgeld betreft, afgezien van een extra 5 miljard EUR van de Europese Investeringsbank (EIB); benadrukt het risico van een ontoereikend fonds dat gebaseerd is op al te optimistische aannames over de waarschijnlijkheid dat het leeuwendeel van de benodigde financiering zal worden aangetrokken van particuliere investeerders; dringt er bij de EIB op aan een verandering van oriëntatie te overwegen, namelijk van puur commerciële bankactiviteiten naar een projectrisicobeoordelingsmodel op grond van vastgestelde criteria en transparantie; dringt er bij de Commissie op aan na te gaan hoe de EU-begroting en andere, nieuwe middelen kunnen worden gebruikt om ervoor te zorgen dat het EFSI kan leveren;

9.  verzoekt de Commissie en de EIB de gevolgen van de economische crisis te beoordelen voor het bankwezen en de uiteindelijke begunstigden van EIB-financiering, met name ten aanzien van kmo's, de sociaaleconomische sector en overheidsbedrijven;

10.  benadrukt het feit dat het EFSI gericht moet zijn op het creëren van nieuwe investeringen op gebieden waar de animo van de beleggers gering is en geen investeringen moet doen die anders elders gedaan zouden worden (crowding out), en zich niet zou moeten richten op zeer rendabele investeringen die anders sowieso gedaan zouden worden (deadweight); dringt er bij de Commissie op aan ook sociale investeringen te doen en te stimuleren die niet alleen financiële winst opleveren maar ook positieve sociale overloopeffecten hebben, zoals investeringen in menselijk potentieel, investeringen met grote gevolgen voor het scheppen van betere en duurzame banen of sociale integratie en armoedebestrijding, zoals socialezekerheidsstelsels en sociale dienstverlening of investeringen in de sociale economie; dringt nogmaals aan op implementatie van het pakket sociale-investeringsmaatregelen (Social Investment Package, SIP);

11.  dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor investeringen in economisch zwakkere regio's die kampen met hoge werkloosheid, en in kmo's in dergelijke regio's, omdat zij zeer beperkt toegang hebben tot financiering, om ervoor te zorgen dat deze inspanningen tot concrete verbeteringen leiden waar zij het hardst nodig zijn, waarbij de keuze op passende wijze afhangt van de economische eigenschappen van de investeringen; deelt de visie van de Commissie dat groeiende sectoren als de digitale economie, groene sectoren en gezondheidszorg, behoefte hebben aan gekwalificeerde werknemers;

12.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan specifieke uitgebreide mechanismen te ontwikkelen voor de tenuitvoerlegging van investeringsprogramma's in de ultraperifere gebieden, waar door hun afgelegen ligging, geografische versplintering, broze economieën en natuurlijke beperkingen een hoger aantal ongelijkheden te vinden is bij de toegang tot werkgelegenheid, goederen en diensten;

13.  dringt er bij de Commissie op aan om bij het programmeren van het Europees Investeringsplan rekening te houden met gebieden die te kampen hebben met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, met name wat betreft de toegang tot breedbandverbinding;

14.  dringt er bij de Commissie op aan het EU-EIB Project Bond Initiative, dat in 2012 als proefproject is gestart, grondig te herzien en te verbeteren, waardoor het kan bijdragen aan een prominentere rol van het Europees Investeringsplan op het vlak van de bevordering van de werkgelegenheid; vraagt in dit verband tevens om een gedetailleerde evaluatie van de in het SIP opgenomen obligaties met sociale impact;

Verantwoord beleid met hernieuwde aandacht voor investeringen, hoogwaardige werkgelegenheid en groei

15.  merkt op dat het Europees Investeringsplan een noodzakelijke aanvulling vormt op de inspanningen om duurzame economische groei en de creatie van banen te stimuleren, die ondersteuning van particuliere en overheidsmiddelen nodig hebben om succesvol te zijn; is verheugd over het feit dat er in de jaarlijkse groeianalyse 2015 nog steeds wordt aangedrongen op meer inspanningen van landen met ruimte op hun begroting om de Europese vraag te stimuleren alsmede investeringen;

16.  is verheugd over het aanhoudende tempo van de begrotingsconsolidatie en over de invoering van nieuwe doelstellingen – met meer nadruk op structurele dan op cyclische tekorten – die een positief effect zouden moeten hebben op werkgelegenheid en duurzame groei; merkt echter op dat de omvang van de begrotingsmultipliers in de huidige context nog steeds erg groot is en dat dit een negatief effect zal hebben op de economische groei en de werkgelegenheid, alsook op de duurzaamheid van sociale stelsels; vraagt de Commissie het gebruik van de maximale flexibiliteit binnen de huidige regels van het SGP te faciliteren;

17.  dringt erop aan een Europees kader te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de investeringen in het Europees Investeringsplan een aanzienlijk effect hebben in termen van het stimuleren van duurzame groei, het creëren van hoogwaardige banen en het bevorderen van sociale vooruitgang; dringt er bij de Commissie op aan om de investeringen in het kader van het Europees Investeringsplan te monitoren en te controleren en om bovendien de economische en sociale effecten van de investeringen in reële termen te controleren en te meten; dringt er bij de Commissie op aan specialisten op het gebied van sociaal beleid op te nemen in de commissie van deskundigen van het nieuwe EFSI, die de financiering van projecten zal goedkeuren, en ervoor te zorgen dat een positieve sociale impact een van de essentiële criteria bij de selectie is;

18.  benadrukt het belang van de flexibiliteit die in het bestaande SGP voorhanden is teneinde manoeuvreerruimte te bieden voor sociale investeringen, met name sociale investeringen in mensen, waardoor zij hun hele leven lang over de benodigde vaardigheden en ondersteunende voorwaarden kunnen beschikken om op productieve en vervullende wijze aan de economie en de maatschappij deel te nemen; benadrukt in dit verband de mogelijke rol die de sociale economie kan spelen bij het verwezenlijken van duurzame, inclusieve en hoogwaardige banen;

Herstel van de financiering van kmo's ter stimulering van particuliere investeringen en werkgelegenheid

19.  benadrukt dat hoewel kmo's het merendeel van de werkgelegenheid scheppen, zij nog steeds grote problemen ondervinden om toegang tot financiering te krijgen en onrustbarend diep in de schulden zitten; is derhalve verheugd over de nieuwe aanbevelingen van de Commissie inzake de toegang van kmo's tot financiering, met een nieuwe benadering van insolventie en faillissement; dringt bij de lidstaten aan op verdere inspanningen om met het oog hierop de schuldherstructureringsregelingen te verbeteren; dringt er bij de Commissie op aan, waar nodig, de tenuitvoerlegging op nationaal niveau van de in haar aanbeveling van 12 maart 2014 vastgelegde beginselen te bevorderen via landenspecifieke aanbevelingen; benadrukt dat kmo's en door vrouwen geleide ondernemingen meer problemen ondervinden om toegang tot financiering te krijgen; vraagt de Commissie de oorzaken van deze situatie te analyseren en maatregelen voor te stellen om dit op te lossen;

20.  benadrukt het belang om in de EU een ondernemerscultuur te verwezenlijken door de belemmeringen voor zelfstandig ondernemen en het opstarten van een onderneming te verminderen; wijst erop dat dit kan worden ondersteund door een intelligente mix van financiële ondersteuningsmaatregelen, zoals de pijler microfinanciering en sociaal ondernemerschap van het Europees programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (European Union Programme for Employment and Social Innovation, EaSI), of oplossingen in de vorm van "one stop shops" in het overheidsbestuur voor de registratie van nieuwe ondernemingen;

21.  is bezorgd dat de financiële versnippering in de eurozone in sommige gevallen de groei en duurzaamheid van kmo's in gevaar brengt; verzoekt om het herstel van de leencapaciteit van de economie, waardoor kmo's in staat worden gesteld te investeren en banen te creëren, en om de toegang tot het ondernemerschap en de toegang van kmo's tot programma's als Cosme en Horizon 2020 te vereenvoudigen;

22.  verzoekt de lidstaten om onnodige administratieve rompslomp en bureaucratie voor zelfstandigen, micro-ondernemingen en kmo' s af te schaffen en gunstige voorwaarden te creëren voor startende bedrijven;

23.  is verheugd over de gezamenlijke kmo-leningsregeling van de Commissie en de EIB om structuurfondsen te gebruiken om de investeringen in deze bedrijven te stroomlijnen teneinde betere en duurzame werkgelegenheid te stimuleren; dringt er bij de ECB op aan om deze beleidsmaatregelen aan te vullen en na te gaan hoe zij kmo-activa kan aankopen en de ontwikkeling van kmo's kan ondersteunen in het kader van programma's van kwantitatieve versoepeling op basis van goede praktijken in andere economische regio's, of borg te staan voor financieringsbronnen van kmo's, die in veel lidstaten voor wel 80 % van de werkgelegenheid zorgen;

24.  neemt nota van het uitgebreide programma van de ECB om activa aan te kopen, dat eens te meer ten goede komt aan het bankwezen; dringt er derhalve bij de ECB op aan haar potentieel te benutten om de reële economie te verbeteren en kredieten te verstrekken teneinde in de EU de groei te bevorderen en de werkloosheid aan te pakken;

25.  is verheugd over de door de Commissie aangekondigde maatregelen om de werkgelegenheid in kmo's te stimuleren door alternatieven voor bankleningen te creëren, en het regelgevings- en begrotingskader te verbeteren om langetermijninvesteringen in kmo's te bevorderen; dringt erop aan deze maatregelen onverwijld uit te voeren; vraagt de Commissie eveneens kleinschaligere projecten te ondersteunen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan financiële coöperaties te overwegen voor de financiering van kmo's (kredietverenigingen), als alternatief financieringsinstrument, en om op nationaal en EU-niveau de toegang van kmo's tot aanbestedingen en financiering te verbeteren;

26.  benadrukt het belang van intermediaire instanties die met kmo's verbonden zijn, zoals kamers van koophandel, en die fungeren als aanjager met multipliereffect voor de tenuitvoerlegging van het EU-beleid met betrekking tot kmo's en dringt er bij de Commissie op aan met hen een partnerschapsdialoog aan te gaan over de manieren waarop EU-beleid met betrekking tot kmo's beter kan worden geïmplementeerd teneinde de creatie van degelijke banen te stimuleren;

Een efficiënter gebruik van de fondsen

27.  benadrukt dat het beleid inzake groei en werkgelegenheid tot gedifferentieerde territoriale effecten heeft geleid, afhankelijk van de specifieke situatie van iedere regio van de EU, en dat de regionale verschillen sinds het begin van de crisis groter zijn geworden; benadrukt dat er in de landenspecifieke aanbevelingen rekening moet worden gehouden met territoriale verschillen binnen de lidstaten om groei en werkgelegenheid te stimuleren met behoud van de territoriale samenhang;

28.  is van mening dat cohesiebeleidsmaatregelen een essentiële rol moeten spelen om de interne verschillen in concurrentievermogen en de structurele onevenwichtigheden te verkleinen in regio's die daar het meeste behoefte aan hebben; dringt er bij de Commissie op aan passende oplossingen te overwegen voor die lidstaten die, hoewel ze kampen met een zeer hoge werkloosheid, gedwongen worden EU-middelen terug te storten vanwege medefinancieringsproblemen; dringt er bij de Commissie op aan prefinanciering te overwegen om in de periode 2014-2020 voor deze lidstaten maximale benutting van fondsen te vergemakkelijken, terwijl wordt gewaarborgd dat hierbij altijd het beginsel van budgettaire verantwoordelijkheid wordt geëerbiedigd;

29.  dringt er bij de Commissie op aan om dringend maatregelen te treffen ter bestrijding van fiscale dumping, belastingfraude en belastingontwijking, en vraagt dat op het niveau van de Raad een ambitieuze belasting op financiële transacties wordt goedgekeurd;

30.  is ervan overtuigd dat EU-financiering, met name uit het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en het Europees Sociaal Fonds (ESF), niet mag worden gebruikt om nationale benaderingen te subsidiëren, maar overeenkomstig het besluit van de lidstaten moet worden aangewend om extra steun te geven ter aanvulling en versterking van nationale programma's;

31.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regio's om te zorgen voor een volledige implementatie van de EU-fondsen voor de periode 2007-2013 en om het ESF en andere Europese structuurfondsen nauw af te stemmen op de Europa 2020-strategie; verzoekt de Commissie om streng te controleren dat 20 % van het ESF uitsluitend voor armoede wordt gebruikt; verzoekt de Commissie om in de volgende jaarlijkse groeianalyses en landenspecifieke aanbevelingen een hoofdstuk op te nemen met betrekking tot de implementatie van het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (Fund for European Aid to the Most Deprived, FEAD);

32.  verzoekt de Commissie om structurele hervormingen te ontwikkelen voor de energiemarkten om een veerkrachtige energie-unie te verwezenlijken die minder afhankelijk is van externe bronnen en waarbij de bronnen worden gediversifieerd (bijvoorbeeld Algerijns gas);

Hervormingen om het groeipotentieel, het menselijk potentieel en de productiviteit te vergroten

33.  merkt op dat doorslaggevende investeringsplannen voor duurzame groei en hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid alsmede door de ECB genomen maatregelen alleen succesvol kunnen zijn als ze gepaard gaan met nationale hervormingen die hoogwaardige arbeidsparticipatie bevorderen, de activiteit en productiviteit verhogen, het menselijk potentieel van alle leeftijdsgroepen vergroten (met inbegrip van de kwetsbaarste groepen) en sterke sociale stelsels en socialezekerheidsstelsels ondersteunen; wijst erop dat het besluit van het Parlement en de Raad betreffende verbeterde samenwerking tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening (ODA's) een belangrijk element voor het verbeteren van de arbeidsmarkten is; is van mening dat bij structurele arbeidsmarkthervormingen interne flexibiliteitsmaatregelen moeten worden ingevoerd om de werkgelegenheid te handhaven in tijden van economische ontwrichting, de arbeidskwaliteit en -zekerheid te waarborgen bij wisseling van baan, en te zorgen voor werkloosheidsuitkeringen die gebaseerd zijn op realistische activeringsvereisten en re-integratiebeleid en passende ondersteuning bieden voor ontslagen werknemers;

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om innovatieve manieren te overwegen om investeringen in de EU aan te moedigen; wijst op de recente ontwikkeling bij bedrijven om hun productie en diensten naar de EU terug te brengen en onderstreept de mogelijkheden die hierdoor ontstaan voor de werkgelegenheid, met name voor jongeren; is van mening dat de economieën in de EU een unieke kans hebben om dit terughalen van banen te versnellen;

35.  verzoekt de Commissie en de lidstaten beleidsmaatregelen te treffen die zijn toegesneden op het creëren van hoogwaardige banen voor langdurig werklozen, oudere werklozen, vrouwen en andere prioritaire groepen die bijzonder hard zijn getroffen door de crisis, zoals immigranten, de Romagemeenschap en mensen met een handicap, waaronder maatregelen ter bevordering van antidiscriminatiebeleid op de werkplek, het evenwicht tussen werk en privéleven en een leven lang leren en maatregelen die zijn toegesneden op de verbetering van het lage opleidingsniveau waar sommige van deze groepen, die veelal risico lopen op sociale uitsluiting, mee te maken hebben; dringt erop aan om in de landenspecifieke aanbevelingen systematisch de loonkloof en de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen te behandelen; dringt er bij de Commissie op aan van iedere lidstaat een nationaal banenplan te eisen voor het scheppen van banen, zoals overeengekomen met de lidstaten op de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad van 2012;

36.  roept de Commissie op met een nieuw initiatief te komen dat gericht is op het bevorderen van de werkgelegenheid onder de Roma in de lidstaten door middel van maatregelen om vaardigheden en kwalificaties te bevorderen, discriminatie te bestrijden, en de werkgelegenheid te stimuleren, bijvoorbeeld door het werken als zelfstandige of ondernemer, en door innovatieve financiële instrumenten te gebruiken;

37.  roept de lidstaten op prioriteit te geven aan het overbruggen van de genderkloven op de arbeidsmarkt, met name door de loonverschillen tussen mannen en vrouwen aan te pakken en maatregelen ten uitvoer te leggen om het combineren van werk en gezin te vergemakkelijken, onder andere door de beschikbaarheid van voorzieningen voor kinderopvang te vergroten;

38.  betreurt het dat het Europees semester nog onvoldoende is afgestemd op de Europa 2020-strategie; roept de Commissie en de lidstaten op om de gedurende het Europees semester uitgevoerde economische maatregelen in lijn te brengen met de sociale en werkgelegenheidsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie en de in de Verdragen vastgelegde sociale beginselen; dringt aan op intensievere inspanningen om het EU-beleid te sturen en te coördineren om slimme, duurzame en inclusieve groei te stimuleren en betere en duurzame banen te scheppen; roept de Commissie op de tussentijdse evaluatie van de Europa 2020-strategie op tijd te presenteren, rekening houdend met de dringende behoefte om meer vooruitgang te boeken op het gebied van armoedebestrijding en andere sociale doelen, alsmede de behoefte aan een betere betrokkenheid van belangrijke belanghebbenden;

Onderwijs en een actief arbeidsmarktbeleid om het menselijk potentieel te verbeteren

39.  is van mening dat de toenemende internationale concurrentie die wordt aangedreven door steeds beter opgeleid personeel, de EU confronteert met ernstige tekorten en discrepanties die de economische groei afremmen; is van mening dat, als de lidstaten een reële kans willen hebben om de werkgelegenheidsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie te halen, zij zich moeten concentreren op het scheppen van de juiste omgeving voor de creatie van banen;

40.  herhaalt zijn oproep aan de Raad, de Commissie en de lidstaten om een pijler inzake gelijkheid van mannen en vrouwen in het Europa 2020-kader in te bouwen;

41.  wijst erop dat de strategie om het concurrentievermogen te herstellen niet alleen gericht moet zijn op arbeidskosten, maar ook op verhoging van de productiviteit door te investeren in menselijk potentieel en structurele hervormingen;

42.  roept de lidstaten op hun investeringen in menselijk potentieel weer op te voeren naar het niveau van voor de crisis, met name om de overgang tussen onderwijs en werk voor jongeren soepeler te maken, en te investeren in beroepsopleidingen en programma’s voor een leven lang leren;

43.  is ingenomen met het feit dat de Commissie de lidstaten er in de jaarlijkse groeianalyse voor 2015 toe oproept de langetermijninvesteringen in onderwijs, onderzoek en innovatie te handhaven of te bevorderen; merkt echter op dat de lidstaten met begrotingsproblemen over onvoldoende middelen beschikken om die doelstelling te verwezenlijken;;

44.  benadrukt het belang van een actief arbeidsmarktbeleid voor sommige lidstaten in de huidige context; dringt er bij die lidstaten op aan het actieve arbeidsmarktbeleid uit te breiden en effectiever te maken;

Hoogwaardige banen en lonen als motor voor productiviteit en groei

45.  spoort de lidstaten aan om specifiek iets te doen aan de hoge werkloosheid onder benadeelde bevolkingsgroepen door voorrang te verlenen aan hun toegang tot en hun integratie in de arbeidsmarkt en door het toegangs- en integratiebeleid te mainstreamen, aangezien werk de sleutel is tot succesvolle integratie;

46.  herinnert eraan dat fatsoenlijke lonen niet alleen van belang zijn voor de sociale cohesie, maar ook zorgen voor een sterk herstel en een productieve economie; dringt er bij de Commissie op aan te onderzoeken welk effect de invoering van minimumlonen in de lidstaten heeft op het vlak van de verkleining van de loonverschillen; dringt er bij de Commissie op aan een conferentie te organiseren over een Europees kader voor minimumlonen;

47.  is bezorgd dat de arbeidsmarkthervormingen in veel lidstaten niet hebben geleid tot een verlaging van het aantal onzekere banen; merkt op dat 50 % van de banen die in 2014 zijn gecreëerd, tijdelijke banen waren; merkt op dat er volgens de Commissie, nog steeds werkenden armen zijn, en dat voor 50 % van alle werkzoekenden het vinden van een baan onvoldoende is om aan armoede te ontkomen, of om de productiviteit te verhogen; dringt er bij de lidstaten op aan om van hoogwaardige werkgelegenheid een prioriteit te maken en segmentering van de arbeidsmarkt aan te pakken; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun hervormingen van de arbeidsmarkt gericht zijn op het stimuleren van betere en duurzame werkgelegenheid, het terugdringen van segmentering, het bevorderen van de integratie van kwetsbare groepen in de arbeidsmarkt, het bevorderen van gendergelijkheid, het verminderen van armoede onder werkenden en het garanderen van gepaste sociale bescherming aan alle werkenden, ook zelfstandigen;

48.  is van mening dat de lidstaten alleen arbeidsplaatsen kunnen scheppen als de markt dat toelaat, als ze kunnen vertrouwen op geschoold personeel, als de arbeidsmarkten voldoende flexibel zijn, als de arbeidskosten met inbegrip van de salarissen afgestemd zijn op de productiviteit, als de stelsels voor sociale bescherming werken aantrekkelijk maken en als de regelgeving evenredig en empirisch onderbouwd is;

49.  roept de Commissie en de lidstaten op zich meer in te spannen om sociale dumping in de EU aan te pakken, die aanzienlijke schade toebrengen aan de getroffen werknemers en de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten; verzoekt bovendien de sociale partners op alle niveaus bij deze inspanningen te betrekken;

50.  is verheugd over het initiatief betreffende een Europees platform voor zwartwerk; dringt er andermaal bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat mensen met onzekere arbeidsovereenkomsten alsook zelfstandigen elementaire rechten en passende sociale bescherming genieten, in het bijzonder met betrekking tot het combineren van werk en gezin; dringt er bij de Commissie op aan meer te doen aan de aanvullende problemen die worden veroorzaakt door onvrijwillig deeltijd- en tijdelijk werk en door schijnzelfstandigheid;

51.  betreurt het feit dat er nauwelijks gewag wordt gemaakt van de kwaliteit of de duurzaamheid van de banen die zijn gecreëerd, met name wat betreft de werkgelegenheid van vrouwen, die in onevenredig veel gevallen deeltijdwerk doen vanwege moeilijkheden bij het combineren van werk en gezin;

52.  is van mening dat het halen van de herindustrialisatiedoelstellingen van het allergrootste belang is voor het concurrentievermogen van de EU en vindt dat door het weer op gang brengen van een echt Europees industriebeleid de groei kan worden bevorderd en nieuwe hoogwaardige banen kunnen ontstaan;

53.  betreurt het feit dat, wanneer naar werkloosheidscijfers wordt gekeken, andere factoren niet naar behoren in aanmerking worden genomen, zoals het toegenomen aantal niet-actieve personen, mobiliteit en migratie;

Jeugdwerkloosheid en arbeidsmobiliteit

54.  is verheugd over de daling van de jeugdwerkloosheid, maar wijst erop dat deze nog verontrustend hoog is en niet noodzakelijkerwijs gebaseerd is op de nettotoename van de werkgelegenheid; benadrukt dat arbeidsonzekerheid en onderbezetting ook zijn toegenomen en dat 43 % van de jongeren werkzaam is onder onzekere voorwaarden, op basis van onvrijwillige deeltijdcontracten of als schijnzelfstandige;

55.  dringt er bij de Commissie op aan een Europees kader voor te stellen waarbij minimumvereisten worden ingevoerd voor de tenuitvoerlegging van jongerengaranties en concrete maatregelen worden genomen om het bewustzijn onder het publiek te vergroten; verzoekt de lidstaten het beschikbare budget efficiënt in te zetten, de jongerengaranties onverwijld toe te passen en ervoor te zorgen dat zij ook jongeren uit een benadeeld sociaal milieu bereiken; dringt erop aan dat bij de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader een passend budget wordt toegekend in overeenstemming met de ILO-aanbevelingen; merkt op dat volgens schattingen van de ILO 21 miljard EUR nodig is om het probleem van de jeugdwerkloosheid op te lossen;

56.  roept de Commissie dringend op verder te gaan dan de aanbevelingen van de Raad van maart 2014 over een kwaliteitskader voor stages en een nieuw kwaliteitskader voor te stellen dat gericht is op het voorkomen van discriminatie en uitbuiting van jonge werknemers;

57.  roept de lidstaten op de arbeidsmarkten toegankelijker te maken voor diegenen die gezinstaken hebben, zoals het opvoeden van kinderen en het verzorgen van familieleden die zorg nodig hebben; pleit daarom voor maatregelen ter bevordering van de combinatie van werk en gezin als onderdeel van de in het kader van het Europees semester aangedreven arbeidsmarkthervormingen;

58.  herhaalt de oproep aan de lidstaten om te investeren in mogelijkheden voor levenslang leren, beroepsopleidingen en opleidingen op de werkplek; dringt erop aan dat nationale systemen voor levenslang leren worden onderzocht in het kader van de strategieën van het Europees semester voor arbeidsmarkthervormingen;

59.  benadrukt dat er volgens de Commissie, ondanks de hoge werkloosheid, twee miljoen vacatures zijn in de EU, en dat in 2013 slechts 3,3 % van de actieve bevolking in een andere lidstaat werkzaam was, waaruit blijkt dat het mobiliteitsniveau nog steeds laag ligt vergeleken met de VS of Japan; herinnert eraan dat de verschillen in arbeidsmobiliteit (die in de lidstaten die het zwaarst door de crisis zijn getroffen tot 10 procentpunt kunnen bedragen) positief beïnvloed kunnen worden door het instrument van het EURES-platform in te zetten; spreekt zijn permanente steun uit voor het beginsel van vrij verkeer;

60.  roept de Commissie en de lidstaten op ervoor te zorgen dat de overheidsdiensten voor arbeidsvoorziening naar behoren werken, om het zoeken naar werk in het buitenland eenvoudiger te maken en te stimuleren;

61.  wijst erop dat, gezien het aantal werknemers, met name jongeren, die nu hun land van herkomst verlaten om in andere landen werk te zoeken, er dringend passende maatregelen moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat iedere werknemer onder een regeling voor sociale zekerheid valt en arbeidsrechten geniet; dringt er in dit verband bij de Commissie en de lidstaten op aan de EU-arbeidsmobiliteit via instrumenten zoals EURES verder te verbeteren en tegelijkertijd vast te houden aan het beginsel van gelijke behandeling en naleving van de loonafspraken en sociale normen; dringt er bij iedere lidstaat op aan sociaal en werkgelegenheidsbeleid vast te stellen waarin gelijke rechten en gelijke beloning voor mannen en vrouwen op dezelfde werkplek worden gegarandeerd, in overeenstemming met de beginselen die de basis vormen van het vrije verkeer van werknemers, en met name vanuit een genderperspectief;

62.  herinnert aan de EU-doelstellingen op het gebied van gendergelijkheid, met name de werkgelegenheid voor vrouwen en mannen van 75 % tegen 2020 en de terugdringing met 20 miljoen van het aantal mensen dat in armoede leeft of in armoede dreigt te vervallen;

63.  roept de Commissie dringend op om een voorstel te presenteren met betrekking tot ouderschapsverlof dat bijdraagt tot het garanderen van gelijke werkomstandigheden voor vrouwen en mannen, vooral met het oog op het feit dat de EU snel vergrijst, waardoor de mogelijkheden van de lidstaten om de noodzakelijke sociale diensten in de toekomst te handhaven in gevaar komen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan meer beleidsmaatregelen in te voeren die bijdragen aan de bevolkingsgroei in de EU, ofwel door een hoger geboortecijfer ofwel door immigratie te stimuleren;

64.  betreurt het dat de door de EU opgelegde bezuinigingsmaatregelen voor het herstel van het vertrouwen van investeerders hebben geleid tot een verslechtering van de arbeids- en sociale omstandigheden, met een hogere werkloosheid, meer armoede en meer ongelijkheid tot gevolg;

65.  verzoekt de lidstaten om de samenwerking tussen het bedrijfsleven en de onderwijssector op alle niveaus te verbeteren;

Een dringende oproep voor de sociale dimensie en voor convergentie in de EU

66.  herhaalt zijn waarschuwing dat de Unie voor sociaaleconomische uitdagingen staat, in het bijzonder in sommige lidstaten, en dat als de regionale convergentie terugloopt, dit risico's met zich meebrengt voor de duurzaamheid en voor het potentieel van stabiele groei; herinnert eraan dat voor 122 miljoen EU-burgers armoede of sociale uitsluiting dreigt, met inbegrip van armoede onder werkenden en kinderarmoede; wijst erop dat momenteel naar schatting voor 19 % van de kinderen in de EU armoede dreigt en dat deze aantallen onaanvaardbaar zijn en onmiddellijk moeten worden verlaagd; dringt er bij de Commissie op aan de sociale dimensie in de EU te blijven ontwikkelen; erkent het werk van de Commissie op het vlak van de sociale pijler van de Economische en Monetaire Unie als onderdeel van het proces om de sociale dimensie in de huidige structuur van de economische governance-regelingen te integreren en vraagt deze richting aan te houden om het bereiken van de Europa 2020-strategie te bevorderen;

67.  betreurt het dat er geen indicatoren en duidelijke definities zijn van absolute armoede, waar veel EU-landen mee te maken hebben;

68.  herinnert de Commissie eraan dat overeenkomstig artikel 9 VWEU sociaal- en werkgelegenheidsbeleid met het oog op de bevordering van het Europese sociale acquis, de basis moet vormen van het gehele Europees beleid; verzoekt de Commissie haar verplichting na te komen om het Europees semester aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te koppelen;

69.  wijst erop dat sociale bescherming en sociaal beleid, met name in de vorm van werkloosheidsuitkeringen, minimuminkomenssteun en progressieve belastingen, aanvankelijk hebben geholpen de ergste effecten van de recessie te beperken en de arbeidsmarkten en de consumptie hebben gestabiliseerd; benadrukt echter dat sociale stabilisatoren door EMU-landen die met negatieve economische schokken werden geconfronteerd, op grote schaal als correctiefactoren zijn gebruikt; benadrukt dat sociale bescherming en sociaal beleid onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen;

Sociale stabilisatoren

70.  stelt vast dat de Commissie in haar jaarverslag 2013 over de sociale en werkgelegenheidssituatie in de EU heeft gewezen op het belang van de uitgaven voor sociale bescherming als vangnet tegen sociale risico's; wijst nog eens op het belang van automatische stabilisatoren om asymmetrische schokken op te vangen, een excessief beroep op de verzorgingsstaat te voorkomen en daarmee de duurzaamheid van de EMU als geheel te schragen; verzoekt de Commissie in de landenspecifieke aanbevelingen het belang te onderstrepen van handhaving van sterke automatische stabilisatoren in de lidstaten, omdat die bij uitstek bevorderlijk zijn voor handhaving van de sociale cohesie en stimulering van de binnenlandse vraag en de economische groei; dringt er andermaal bij de Commissie op aan dat zij met een groenboek over automatische stabilisatoren in de eurozone komt;

71.  merkt op dat de Commissie als doel heeft "de EU-wetgeving lichter, eenvoudiger en goedkoper te maken voor de burgers en het bedrijfsleven"; benadrukt dat het afbreken van regelgevingsbarrières noch het Europese sociale acquis op terreinen als gezondheid en veiligheid op het werk of informatie en raadpleging van werknemers mag ondermijnen, noch de ILO-verdragen, noch het Europees Sociaal Handvest, en dat daarbij de onafhankelijkheid van de sociale partners zoals vastgelegd in het Verdrag moet worden geëerbiedigd; roept de Commissie dringend op geloofwaardige stappen te zetten om ervoor te zorgen dat zwangere werknemers of werknemers die onlangs zijn bevallen adequaat worden beschermd;

Sociale indicatoren

72.  is verheugd over het feit dat het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid dat als bijlage bij de jaarlijkse groeianalyse is gevoegd, een scorebord bevat voor werkgelegenheid en sociaal beleid; vraagt de Commissie te onderzoeken of deze indicatoren toereikend zijn om een diepgaande analyse van de sociaaleconomische situatie in de lidstaten uit te voeren; onderstreept het belang van inzicht in de dynamiek en de gevolgen van ontwikkelingen in het inkomen van huishoudens en groeiende inkomensongelijkheid; betreurt het dat veel gegevens die in het scorebord van dit jaar zijn gepresenteerd, gedateerd zijn; verzoekt de Commissie dit scorebord meer te gebruiken bij het formuleren van beleid; verzoekt om een gedetailleerd overzicht van de keuzes van de lidstaten op verschillende beleidsterreinen en de bijbehorende resultaten; doet een beroep op de Commissie om de reikwijdte en doeltreffendheid hiervan te evalueren en te verbeteren en ervoor te zorgen dat zij volledig in aanmerking worden genomen bij de ontwikkeling van landenspecifieke aanbevelingen;

73.  benadrukt dat binnen de procedure van het Europees semester werkgelegenheids- en sociale overwegingen even belangrijk moeten worden als macro-economische;

74.  roept op tot vaststelling van de belangrijkste macro-economische en macrosociale onevenwichtigheden in de economie van de EU en de eurozone, en formulering op basis daarvan van in het kader van het Europees semester voorbereide landenspecifieke aanbevelingen, met inbegrip van stappen naar de convergentie van arbeids- en sociale normen;

Armoede en sociale uitsluiting

75.  betreurt het dat de jaarlijkse groeianalyse en het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid geen maatregel of beleidskader bevat om te voldoen aan de doelstelling voor armoedebestrijding van de Europa 2020-strategie; roept de Commissie en de lidstaten op om ervoor te zorgen dat deze doelstelling beter wordt weerspiegeld in het Europees semester;

76.  onderstreept dat het sociale acquis, de horizontale sociale clausule en het protocol over diensten van algemeen belang ten uitvoer moeten worden gelegd;

77.  is ingenomen met de oproep van de voorzitter van de Commissie aan de EU-lidstaten om een minimumloon in te voeren om de armoede in de EU te bestrijden; roept de Commissie op een initiatief voor te stellen ter bevordering van de invoering van een minimumloon in de lidstaten; benadrukt dat het aan de afzonderlijke lidstaten is om het niveau van het minimumloon vast te stellen en dat dit niveau in overeenstemming moet zijn met de specifieke sociaaleconomische situatie van de betreffende lidstaat;

78.  betreurt het dat de Commissie in haar aanpak van genderongelijkheden verzoening tussen werk en gezin hoofdzakelijk behandelt als een probleem dat alleen bij vrouwen voorkomt; merkt op dat maatregelen gericht op de bevordering van die verzoening voor zowel mannen als vrouwen van cruciaal belang zijn voor de creatie van banen en een rechtstreekse uitwerking hebben op de kwaliteit van de gecreëerde banen; merkt op dat toegang tot betaalbare en hoogwaardige kinderopvang nog steeds een grote hindernis vormt voor deze verzoening en dringt er daarom bij de Commissie op aan om bij het analyseren van het scorebord van cruciale werkgelegenheids- en sociale indicatoren alert te zijn op deze indicator;

79.  verzoekt de Commissie met de lidstaten samen te werken om onmiddellijk iets te doen aan de verontrustende toename van armoede onder kinderen in heel de EU, en wel door invoering van alomvattende langetermijnmaatregelen, voortbouwend op de goede praktijken in sommige lidstaten, met name maatregelen voor het verhogen van de overheidssteun voor schoolmaaltijden, en de uit drie pijlers bestaande aanbeveling van de Commissie uit het pakket sociale-investeringsmaatregelen "Investeren in kinderen" ten uitvoer te leggen;

80.  wijst erop dat nieuwe vormen van armoede die zijn verergerd als gevolg van de schuldencrisis – zoals armoede onder werkenden waardoor zij bijvoorbeeld hun hypotheeklasten niet meer kunnen betalen, of hoge energieprijzen waardoor energiearmoede ontstaat – hebben geleid tot een toename van het aantal uitzettingen, executieverkopen en daklozen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een geïntegreerd beleid te voeren ter bevordering van sociale en betaalbare woningen, een doeltreffend preventief beleid om het aantal uitzettingen terug te dringen en een beleid om het probleem van de energiearmoede aan te pakken, voortbouwend op de goede praktijken die in een aantal lidstaten zijn waargenomen, en een einde te maken aan de criminalisering van daklozen, die in sommige lidstaten de kop opsteekt; dringt er bij de Commissie op aan onmiddellijk een EU-actieplan over dakloosheid op te stellen, waar het EP meermaals om heeft gevraagd en waartoe andere organen van de EU ook hebben opgeroepen, om de lidstaten te helpen het urgente en snel groeiende daklozenprobleem aan te pakken;

81.  vraagt de Commissie een strategie te ontwikkelen ter ondersteuning van de lidstaten bij het aanpakken van dakloosheid door geïntegreerde beleidsmaatregelen en passende sociale investeringen;

82.  roept de Commissie en de lidstaten op dringend actie te ondernemen om dakloosheid aan te pakken; wijst erop dat deze extreme vorm van armoede en sociale uitsluiting een schending van de grondrechten vormt en in een meerderheid van de lidstaten is gestegen; doet een beroep op de Commissie om een voorstel te presenteren met concrete mechanismen om de inspanningen van de lidstaten voor het bestrijden van dakloosheid te evalueren en te ondersteunen, zoals gevraagd in de resoluties van het Parlement van 14 september 2011 en 16 januari 2014 over een EU-strategie tegen dakloosheid;

83.  roept de Commissie op te beoordelen of het mogelijk is het FEAD tijdens de tussentijdse evaluatie van het meerjarig financieel kader uit te breiden;

Duurzame pensioenen en gezondheid

84.  verzoekt om betaalbare overheidsdiensten van hoge kwaliteit op het gebied van zorg voor kinderen en afhankelijke personen die het mogelijk maken, met name voor vrouwen, om terug te keren op de arbeidsmarkt en het gemakkelijker maken om werk en gezin te combineren;

85.  herinnert de Commissie eraan dat, om ervoor te zorgen dat de pensioenen duurzaam, zeker en passend zijn, pensioenhervormingen gepaard moeten gaan met beleid dat: werkgelegenheidskansen voor oudere en jonge werknemers ontwikkelt teneinde bij te dragen aan een duurzaam pensioenstelsel; de prikkels voor het gebruik van regelingen voor vervroegde pensionering en andere soortgelijke uitstapregelingen beperkt; regelingen omvat voor de vergoeding voor tijd die wordt besteed aan verzorging van kinderen of afhankelijke familieleden; werkgelegenheidskansen voor oudere werknemers ontwikkelt; de toegang tot levenslang leren garandeert voor zowel werkenden als werklozen van alle leeftijden; gezond ouder worden op de werkplek bevordert, rekening houdend met lichamelijke en psychosociale risico’s voor de gezondheid en veiligheid; belastingvoordelen invoert om te stimuleren dat mensen langer blijven werken; en actief en gezond ouder worden stimuleert; benadrukt dat pensioenhervormingen nationale politieke en sociale cohesie vereisen en alleen kunnen slagen wanneer daarover wordt onderhandeld met de sociale partners en vertegenwoordigers van de jongere generatie en de oudere generatie als de bevolkingsgroepen die er direct bij zijn betrokken; vraagt de lidstaten volledig rekening te houden met het standpunt van het Parlement inzake de groenboeken en de witboeken over pensioenen;

86.  neemt kennis van de aanbeveling van de Commissie om de zorgstelsels zodanig te hervormen dat zij hun doelstelling verwezenlijken om universele toegang tot hoogwaardige zorg te bieden – met inbegrip van betaalbare geneesmiddelen, met name levensreddende – en ervoor te zorgen dat de rechten van medisch personeel worden geëerbiedigd; merkt op dat ten gevolge van de crisis sommige lidstaten er niet voor hebben kunnen zorgen dat de gezondheidszorg volledig wordt gedekt; dringt er bij de Commissie op aan concrete aanbevelingen te formuleren om deze situatie recht te zetten; pleit voor meer hervormende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit en de financiële toegankelijkheid van de gezondheidszorgvoorzieningen niet in gevaar worden gebracht;

87.  merkt op dat de Commissie heeft erkend dat de sectoren sociale zorg en gezondheidszorg een aanzienlijk groeipotentieel hebben en cruciale investeringsterreinen zijn bij het nastreven van duurzame economieën; verzoekt de Commissie verslag te leggen over de vorderingen bij de ontwikkeling van initiatieven in het kader van de Europa 2020-strategie op het gebied van investeringen in de sectoren sociale zorg en gezondheidszorg met betrekking tot kwaliteitswerkgelegenheid;

88.  dringt erop aan doeltreffende preventieve maatregelen op het gebied van gezondheid, zoals "een leven lang gezond ouder worden" te versterken en te ontwikkelen, teneinde de levenskwaliteit te verhogen en tegelijkertijd de kosten van de nationale gezondheidszorgstelsels voor medische behandelingen en geneesmiddelen die aan het levenseinde noodzakelijk zijn, te verlagen;

Eerlijkere stelsels voor belasting op arbeid

89.  benadrukt dat de belastingwig een grotere impact heeft op verdieners van lage lonen en het tweede inkomen in een gezin, en dat dit moet worden aangepakt; dringt er bij de Commissie op aan kennis te nemen van het belastingrapport van het IMF van oktober 2013, waarin erop wordt gewezen dat er ruimte is voor betere en progressievere vormen van belastingheffing;

90.  merkt op dat het van belang is de belasting op arbeid te verlagen, met name voor werknemers met een laag loon en laaggeschoolden, langdurig werklozen en andere kwetsbare groepen, terwijl ervoor moet worden gezorgd dat openbare pensioenstelsels op de lange termijn duurzaam zijn; dringt er bij de lidstaten op aan arbeid minder te belasten en in plaats daarvan de belastingen op verbruik en kapitaal en milieuheffingen te verhogen, maar daarbij wel voldoende aandacht te besteden aan de potentiële herverdelingseffecten;

Grotere democratische legitimiteit van het Europees semester

91.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de beperkte rol die het alsook de nationale parlementen, de sociale partners en organisaties uit het maatschappelijk middenveld heeft bij de vaststelling, de monitoring en de tenuitvoerlegging van economische en sociale prioriteiten in het Europees semester; herhaalt zijn oproep voor een sterkere en meer gestructureerde betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners op zowel EU- als nationaal niveau, teneinde de legitimiteit van het proces van het Europees semester te verbeteren door concrete richtsnoeren te ontwikkelen;

92.  pleit ervoor dat subnationale parlementen en lokale en regionale autoriteiten worden betrokken bij het ontwerp en de tenuitvoerlegging van nationale hervormingsprogramma’s, onder andere via regelingen inzake meerlagig bestuur;

93.  roept de Commissie dringend op de sociale partners nauwer te betrekken bij de voorbereiding van de jaarlijkse groeianalyse en meer in het algemeen de sociale partners een vaste rol toe te kennen in het proces van het Europees semester;

94.  dringt in dat opzicht opnieuw aan op sluiting van een interinstitutioneel akkoord om het Parlement te betrekken bij de opstelling en goedkeuring van de jaarlijkse groeianalyse en de richtsnoeren inzake economisch beleid en werkgelegenheid;

o
o   o

95.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0129.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0038.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0060.
(4) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 57.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0240.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0246.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0394.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0010.
(9) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 101.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0043.
(11) Gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad - Begeleidend document bij de mededeling van de Commissie "Jaarlijkse groeianalyse 2015", (COM(2014)0906), blz. 44. Zie eveneens OECD Employment Outlook 2014, http://www.keepeek.com/Digital-Asset-Management/oecd/employment/oecd-employment-outlook-2014_empl_outlook-2014-en#page1.

Juridische mededeling - Privacybeleid