Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2169(IMM)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0059/2015

Ingediende teksten :

A8-0059/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 25/03/2015 - 20.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0084

Aangenomen teksten
PDF 218kWORD 57k
Woensdag 25 maart 2015 - Brussel
Verzoek om opheffing van de immuniteit van Ivan Jakovčić
P8_TA(2015)0084A8-0059/2015

Besluit van het Europees Parlement van 25 maart 2015 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Ivan Jakovčić (2014/2169(IMM))

Het Europees Parlement,

–  gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Ivan Jakovčić, dat op 5 september 2014 werd ingediend door de advocaat van de benadeelde partij als eiser in strafrechtelijke procedure nr. K-143/14 in behandeling bij de rechtbank te Pazin (Kroatië), en van de ontvangst waarvan op 23 oktober 2014 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  gezien de brieven van de permanente vertegenwoordiger van de Republiek Kroatië bij de EU van 14 februari 2014 en 16 januari 2015, waarin wordt bevestigd dat een benadeelde partij als eiser volgens de Kroatische wet gerechtigd is te verzoeken om de opheffing van de immuniteit van een Kroatisch lid van het Europees Parlement,

–  na Ivan Jakovčić te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien artikel 8 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008 en 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien zijn resolutie van 24 april 2009 over de parlementaire immuniteit in Polen(2),

–  gezien de artikelen 23 en 28 van het reglement van orde van het Kroatische parlement,

–  gezien artikel 61, lid 1, van het Kroatische wetboek van strafvordering,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0059/2015),

A.  overwegende dat de advocaat van een particuliere eiser verzocht heeft om de opheffing van de immuniteit van Ivan Jakovčić, lid van het Europees Parlement, in verband met een strafprocedure waarin hij wordt beschuldigd van eerroof;

B.  overwegende dat de permanente vertegenwoordiger van de Republiek Kroatië bij de EU de Voorzitter van het Parlement bij schrijven van 14 februari 2014 heeft medegedeeld dat er geen specifieke procedurele regels bestaan voor verzoeken om opheffing van de immuniteit van Kroatische leden van het Europees Parlement en dat derhalve de bepalingen inzake verzoeken om opheffing van de immuniteit van leden van het Kroatische parlement moeten worden toegepast, en dat volgens die bepalingen een bevoegde overheidsinstantie, de benadeelde partij als eiser en een particuliere eiser gerechtigd zijn een verzoek in te dienen om toestemming voor voorlopige hechtenis of om inleiding van een strafprocedure tegen een parlementslid;

C.  overwegende dat de permanente vertegenwoordiger van de Republiek Kroatië bij de EU bij schrijven van 16 januari 2015 heeft bevestigd dat de procedure in verband waarmee om opheffing van de immuniteit van de heer Jakovčić is verzocht inderdaad bij de bevoegde rechtbank in Kroatië aanhangig was;

D.  overwegende dat overeenkomstig artikel 8 van het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie tegen de leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden en dat zij evenmin kunnen worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

E.  overwegende dat met deze bepaling wordt beoogd het beginsel te waarborgen dat de leden van het Europees Parlement zich vrijelijk kunnen uiten, maar dat dit niet inhoudt dat smaad, laster, aanzetting tot haat of aantasting van iemands goede naam toegestaan zouden zijn;

F.  overwegende dat het verzoek om opheffing van de immuniteit verband houdt met een strafprocedure tegen de heer Jakovčić op grond van artikel 147, leden 1 en 2, van het Kroatische wetboek van stafrecht voor lasterlijke uitlatingen die hij zou hebben gedaan in een interview voor de Kroatisch omroep HRT op 22 juli 2014;

G.  overwegende dat artikel 61, lid 1, van het Kroatische wetboek van strafvordering (Zakon o kaznenom postupku) bepaalt dat in geval van civiele vervolging de klacht moet worden ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de bevoegde natuurlijke of rechtspersoon kennis heeft gekregen van het delict en de dader;

H.  overwegende dat verzoeken om opheffing van de immuniteit volgens artikel 9, lid 2, van het Reglement onverwijld en met inachtneming van de relatieve complexiteit ervan worden behandeld;

I.  overwegende dat de heer Jakovčić ten tijde van het interview lid van het Europees Parlement was; overwegende dat de gewraakte uitlatingen evenwel betrekking hadden op een zaak die speelde toen hij nog geen lid van het Parlement was;

J.  overwegende dat de bewuste uitlatingen derhalve geen rechtstreeks en duidelijk verband houden met de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement en evenmin in de zin van artikel 8 van protocol nr. 7 kunnen gelden als mening of stem die hij in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht;

K.  overwegende dat niet kan worden geoordeeld dat de heer Jakovčić in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft gehandeld;

1.  is van oordeel dat het verzoek om opheffing van de immuniteit van de heer Jakovčić door de bevoegde autoriteit is ingediend in de zin van artikel 9, lid 1, van het Reglement, en dat het derhalve ontvankelijk is; is voorts van oordeel dat er in het licht van artikel 9, lid 2, van het Reglement aan het Parlement geen termijn kan worden gesteld aan de besluitvorming over een verzoek om opheffing van de immuniteit;

2.  besluit de immuniteit van Ivan Jakovčić op te heffen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de Republiek Kroatië en aan Ivan Jakovčić.

(1) Arrest van 12 mei 1964 in zaak 101/63, Wagner/Fohrmann en Krier (EU:C:1964:28); arrest van 10 juli 1986 in zaak 149/85, Wybot/Faure e.a. (EU:C:1986:310); arrest van 15 oktober 2008 in zaak T-345/05, Mote/Parlement (EU:T:2008:440); arrest van 21 oktober 2008 in gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07, Marra/De Gregorio en Clemente (EU:C:2008:579); arrest van 19 maart 2010 in zaak T-42/06, Gollnisch/Parlement (EU:T:2010:102); arrest van 6 september 2011 in zaak C-163/10, Patriciello (EU:C:2011:543); arrest van 17 januari 2013 in gevoegde zaken T-346/11 en T-347/11, Gollnisch/Parlement (EU:T:2013:23).
(2) PB C 184 E van 8.7.2010, blz. 72.

Juridische mededeling - Privacybeleid