Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2258(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0136/2015

Ingediende teksten :

A8-0136/2015

Debatten :

PV 19/05/2015 - 9
CRE 19/05/2015 - 9

Stemmingen :

PV 21/05/2015 - 7.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0214

Aangenomen teksten
PDF 193kWORD 88k
Donderdag 21 mei 2015 - Straatsburg
Financiering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid
P8_TA(2015)0214A8-0136/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 21 mei 2015 over de financiering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (2014/2258(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en met name de artikelen 21, 24, 41, 42, 43, 44 en 46,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 2 december 2013 betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3) en de latere wijzigingen daarvan,

–  gezien het speciaal verslag nr. 18/2012 van de Europese Rekenkamer, "Bijstand van de Europese Unie aan Kosovo op het gebied van de rechtsstaat",

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 18 december 2013,

–  gezien de conclusies van de Raad over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van 25 november 2013 en 18 november 2014,

–  gezien het voortgangsverslag van 7 juli 2014 van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger (VV/HV) en het hoofd van het Europees Defensieagentschap over de uitvoering van de conclusies van de Europese Raad van december 2013,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de VV/HV en de Commissie over de alomvattende EU-aanpak van externe conflicten en crisissituaties en conclusies van de Raad van 12 mei 2014 die hiermee verband houden,

–  gezien het jaarverslag 2014 en het financieel verslag 2013 van het Europees Defensieagentschap,

–  gezien zijn resolutie van 3 april 2014 over de alomvattende aanpak van de EU en de gevolgen ervan voor de coherentie van het externe optreden van de EU(4),

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Helsinki van 11 december 1999 (hoofddoel voor 2003) en het hoofddoel voor 2010, zoals door de Raad op 17 mei 2004 goedgekeurd,

–  gezien het civiel hoofddoel voor 2010, dat door de Conferentie over de verbetering van de civiele vermogens werd goedgekeurd en waarvan de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen op 19 november 2007 kennis heeft genomen,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie buitenlandse zaken en de Begrotingscommissie overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Begrotingscommissie (A8-0136/2015),

A.  overwegende dat in de steeds uitdagendere veiligheidsomgeving in en buiten de Unie, die gekenmerkt wordt door nieuwe risico's en bedreigingen waaraan geen enkele lidstaat alleen het hoofd kan bieden, het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) moet worden versterkt om een doeltreffender beleidsinstrument te kunnen zijn en de veiligheid van de EU-burgers en de bevordering van de Europese belangen en waarden echt te kunnen garanderen; overwegende dat de Unie de veiligheid aan haar buitengrenzen moet verhogen;

B.  overwegende dat wegens besparingen op defensie-uitgaven en bestaande overlappingen de financiering van GVDB-missies en -operaties opnieuw bekeken moet worden en begrotingstoewijzingen op een betere en meer kostenefficiënte wijze benut moeten worden, waarbij tegelijkertijd moet worden gezorgd voor gedegen democratisch toezicht door de Europese instellingen op alle missies en operaties, ongeacht of het om civiele of militaire operaties gaat;

C.  overwegende dat de Europese Raad van december 2013 heeft besloten de financiële aspecten van EU-missies en operaties te onderzoeken, met inbegrip van een herziening van het Athenamechanisme, om ervoor te zorgen dat de Unie via de procedures en regels sneller, flexibeler en efficiënter kan zijn bij het inzetten van civiele missies en militaire operaties;

D.  overwegende dat de hoge vertegenwoordiger van de EU volgens de bepalingen van het Verdrag van Lissabon ook vicevoorzitter van de Commissie, hoofd van het Europese Defensieagentschap en voorzitter van de Raad Buitenlandse Zaken van de Europese Unie is; overwegende dat het Europees Defensieagentschap volgens artikel 45 van het VEU "zijn taken voor zover nodig in overleg met de Commissie vervult";

1.  stelt vast dat de EU en de lidstaten grote financiers van de verschillende vredes- en crisisbeheersoperaties overal ter wereld zijn en dat civiele en militaire GVDB-missies en -operaties een bijzonder klein deel van alle fondsen vormen; erkent het belang van de GVDB-interventies voor het bewerkstelligen van vrede, en moedigt de lidstaten aan om een meer uitgesproken standpunt in te nemen over conflictpreventie, wederopbouw na een conflict en het handhaven van een duurzame vrede in conflictgebieden; is ervan overtuigd dat de Europese Unie het zich niet kan veroorloven om zich uitsluitend te richten op de instrumenten die worden ingezet na afloop van crises of ter begeleiding van de beëindiging van crises;

2.  vraagt de VV/HV en de lidstaten het potentieel van het Verdrag van Lissabon, en met name van artikel 44 over de uitvoering van een GVDB-missie door een groep lidstaten en artikel 46 over permanente gestructureerde samenwerking, volledig te benutten voor een sneller en flexibeler gebruik van de GVDB-missies en -operaties; 

3.  stelt bezorgd vast dat de lidstaten, ondanks een gezamenlijke defensiebegroting van ongeveer 190 miljard EUR, nog steeds niet kunnen voldoen aan de hoofddoelen van Helsinki van 1999; herinnert aan de ambitieuze civiele hoofddoelen die de EU heeft gesteld; vraagt de rol van de EU op het vlak van defensie te versterken in de context van de NAVO en betreurt het dat er geen doctrine bestaat waarbinnen de taken van artikel 43 VEU (de uitgebreide "Petersbergtaken") worden geoperationaliseerd; is een sterk voorstander van nauwere veiligheids- en defensiecoördinatie en -samenwerking in de context van de NAVO tussen de lidstaten en op EU-niveau en in het bijzonder van het bundelen en delen van middelen, capaciteiten en vermogens; verzoekt de Commissie dringend een analyse uit te voeren met betrekking tot de uitdagingen en behoeften op het gebied van veiligheid en defensie;

4.  merkt op dat het niveau van de financiering voor civiele GVDB-missies in het kader van het GBVB-hoofdstuk van de EU-begroting de voorbije jaren is gedaald en naar verwachting als onderdeel van het meerjarig financieel kader 2014-2020 stabiel zal blijven; betreurt het dat de civiele missies te lijden hebben onder het veralgemeende tekort aan betalingskredieten, waardoor de Commissie als verzachtende maatregel de betaling van 22 miljoen EUR moet uitstellen tot 2015; is echter verheugd dat er voor ongeveer 16 miljoen EUR aan mogelijke besparingen zijn geïdentificeerd, waardoor in de toekomst bijkomende missies kunnen worden gefinancierd, indien nodig;

Kostenbesparende / efficiëntieverhogende initiatieven

5.  uit zijn tevredenheid over de concrete maatregelen en pragmatische oplossingen die de Commissie recent in het bestaande kader van financiële regels heeft ingevoerd om de financiële procedures ten aanzien van civiele GVDB-missies korter te maken; betreurt het dat de aankoop van essentiële apparatuur en diensten voor GVDB-missies in het kader van het GBVB aanzienlijk is vertraagd, deels wegens het vaak trage besluitvormingsproces van de Raad, maar ook wegens het gebrek aan een geconsolideerde benadering tot de toepassing van de financiële regels op GVDB-missies, en dat dit negatieve gevolgen heeft voor het functioneren en het personeel van de missie en mogelijk ook voor de veiligheid;

6.  dringt er bij de Commissie op aan deze tekortkomingen weg te werken door een specifiek model uit te werken voor de financiële regels voor civiele GVDB-missies en bestaande richtsnoeren aan te passen aan de behoeften van dergelijke missies, teneinde de snelle, flexibele en efficiëntere uitvoering van missies te vergemakkelijken en tegelijkertijd goed financieel beheer van de EU-middelen en een gepaste bescherming van de financiële belangen van de EU te garanderen; is van mening dat de civiele operationele commandant de bevoegdheden over de begroting moet krijgen, net zoals de hoofden van de EU-delegaties die hebben gekregen;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om jaarlijks een raming op te stellen van het totale bedrag van de uitgaven in het kader van het veiligheids- en defensiebeleid, die met name een transparant overzicht van de toegekende overheidsopdrachten omvat, teneinde de begroting voor dit beleid in de toekomst efficiënter te kunnen beheren;

8.  raadt ten zeerste aan een gemeenschappelijk dienstencentrum en een geïntegreerd systeem voor hulpmiddelenbeheer op te richten om de inzetsnelheid en kostenefficiëntie van civiele missies te verbeteren; betreurt het dat dit initiatief tot een impasse heeft geleid; stelt vast dat momenteel wordt nagedacht over een missie-ondersteuningsplatform, maar vraagt de Commissie en de EDEO stappen te ondernemen voor de oprichting van een echt gemeenschappelijk dienstencentrum;

9.  is van mening dat de chronische beperkingen van de administratieve begroting van de dienst civiel plannings- en uitvoeringsvermogen van de EDEO moeten worden verzacht, omdat de jaarlijkse begrotingstoewijzing te klein blijft om alle plannings-, uitvoerings- en ondersteuningstaken uit te voeren, vooral wanneer verschillende missies bijna tegelijkertijd worden uitgestuurd;

10.  is van mening dat de permanente GVDB-opslag, die momenteel alleen in geval van nieuwe civiele GVDB-missies wordt gebruikt, spoedig moet worden opgewaardeerd door het actieterrein ervan uit te breiden naar reeds bestaande missies, de beschikbaarheid van opgeslagen materiaal te verbeteren en de verscheidenheid van het benodigde materiaal te vergroten; stelt voor dat de GVDB-opslag door het toekomstige gemeenschappelijk dienstencentrum wordt beheerd;

11.  benadrukt dat de missies gepast personeel moeten krijgen in overeenstemming met de verschillende beloften van de lidstaten op dit vlak (bv. het civiel hoofddoel voor 2010 of het meerjarig programma voor de ontwikkeling van civiele vermogens); betreurt het echter dat het moeilijk is voor GVDB-missies voldoende gekwalificeerd personeel aan te werven en te houden; moedigt het uitgebreid gebruik van snel inzetbare civiele-crisisreactieteams (CRT's) aan, waardoor de snellereactiecapaciteit van de EU zou toenemen, de snelle opbouw van missies zou vergemakkelijken en zou worden bijgedragen aan de doeltreffendheid van de crisisbeheersingsreacties van de EU;

12.  betreurt de ondoorzichtigheid en de hoge kosten van de selectieprocedure van de private ondernemingen die worden gekozen om de veiligheid van het personeel van de civiele GVDB-missies te garanderen; verzoekt dat er een specifiek kadercontract inzake veiligheid voor civiele GVDB-missies wordt uitgewerkt om de tarieven die private beveiligingsondernemingen aanrekenen te verlagen en de selectieprocedure transparanter te maken; is van mening dat Europese ondernemingen in dat verband voorrang moeten krijgen;

Coherentie en complementariteit

13.  is van mening dat het GVDB onderdeel van de bredere GBVB-dimensie en van het extern optreden van de EU in zijn geheel is, en tevens onderdeel van de interne dimensie van het beleid inzake de interne markt, industrie, ruimtevaart, onderzoek en ontwikkeling; is er sterk van overtuigd dat voor coherentie en complementariteit tussen de verschillende instrumenten moet worden gezorgd om schaalvoordelen te verwezenlijken en de impact van EU-uitgaven te maximaliseren; is ervan overtuigd dat de EU over meer instrumenten en hefboompotentieel beschikt dan welke supranationale instelling dan ook, omdat het veiligheids- en defensiebeleid van de EU kan worden versterkt door een alomvattende aanpak met andere soorten EU-instrumenten en financieringsmechanismen; denkt daarom dat de GBVB-middelen op een intelligentere wijze moeten worden benut, met name via een versterkte coördinatie tussen GVDB-instrumenten en de verschillende door de Commissie beheerde programma's voor EU-financiering;

14.  vraagt om betere synergieën tussen de militaire en de civiele missies, waar gepast, en verzoekt in het bijzonder om hier rekening mee te houden aan het begin van de planningprocessen, met name op het vlak van gebouwen, medische diensten, logistiek, transport en de beveiliging van missies, terwijl de verschillende bevelslijnen moeten worden geëerbiedigd en een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen de aard, de doelstellingen en de werking van civiele missies enerzijds en die van militaire operaties anderzijds;

15.  onderstreept de potentiële besparingen die zouden voortvloeien uit het stimuleren van synergieën op EU-niveau op militair gebied, bijvoorbeeld ten aanzien van vervoer, opleiding en medische hulp; wijst op de rol die het Europees Defensieagentschap in het kader van zijn opdracht speelt om de interoperabiliteit en de synergieën ten aanzien van defensie-uitrusting en inzetcapaciteiten tussen de EU-lidstaten te bevorderen, maar betreurt ten zeerste dat hoewel het agentschap onder leiding staat van de HV/VV, het nog steeds onder de bevoegdheid van de Raad valt en volledig buiten de begroting van de Europese Unie wordt gefinancierd en bijgevolg ontsnapt aan het Europese democratische toezicht;

16.  is verheugd over de herziening van de crisisbeheersingsprocedures, waarover in 2013 overeenstemming werd bereikt en waardoor de planning en het uitsturen van GVDB-missies werden verbeterd; benadrukt dat meer moet worden gedaan om het blijvend hokjesdenken, waardoor de verschillende onderdelen van het buitenlands beleid van de EU naast elkaar functioneren, te doorbreken;

17.  verzoekt de Commissie om te voorzien in permanente financiële procedures voor de samenwerking tussen de Commissie, de EDEO, het EDA, de ESA en de lidstaten op het gebied van het GVDB en het beleid inzake de interne markt, industrie, ruimtevaart, onderzoek en ontwikkeling; verzoekt de Commissie en de Raad om permanente financiële regels vast te stellen om een koppeling aan te brengen tussen de EU-actoren op het gebied van interne veiligheid (zoals Frontex, Europol, ENISA) en die voor externe defensie (zoals het EDA, de EDEO);

18.  is ingenomen met de tenuitvoerlegging van een gezamenlijk proefproject inzake GVDB-onderzoek van de Commissie en het EDA, zoals voorgesteld door het Parlement in de begroting van 2015, in het licht van de tenuitvoerlegging van de EU-doelstellingen en EU-begroting door het agentschap; betreurt in die context dat de Commissie het Parlement geen beoordeling heeft verstrekt van het potentieel van artikel 185 VWEU, zoals gevraagd in zijn resolutie van 21 november 2013 over de Europese technologische en industriële defensiebasis(5);

19.  is ingenomen met de routekaart voor de uitvoering van de mededeling voor meer concurrentie en efficiëntie in de defensie- en veiligheidssector van de Commissie, die werd aangenomen op 24 juni 2014; verzoekt de Commissie in dat opzicht om in een belanghebbendenbeoordeling te beschrijven op welke manier de potentiële begunstigden en de nationale en regionale overheden klaar zijn om de beschreven maatregelen (de ESI-fondsen, het ERDF, het ESF of Interreg V) te benutten; betreurt in dat opzicht dat de voorstellen van de Commissie misschien te laat zijn gekomen om de lopende toewijzing van middelen door de nationale en regionale overheden te beïnvloeden of EU-middelen een nieuwe bestemming te geven die een sterkere Europese technologische en industriële defensiebasis (EDTIB) ten goede komt;

20.  is tevreden over het opleidings- en uitrustingsinitiatief, waardoor voor de capaciteitsopbouw van partners wordt gezorgd, als deel van een transitie- of exitstrategie, door de financiering van verschillende vormen van hardware en niet-dodelijke uitrusting voor veiligheids- en defensiediensten van derde landen te vergemakkelijken, en pleit voor een gezamenlijke aanpak van deze kwestie door de EDEO en de Commissie; steunt de creatie van projectcellen, waaraan geïnteresseerde lidstaten of derde landen kunnen bijdragen en daardoor een snelle levering en aandacht voor de veiligheidsbehoeften van gastlanden wordt verzekerd door projecten te ondersteunen, en is van mening dat deze cellen systematisch moeten worden gebruikt;

21.  is ingenomen met de voorstellen van de Commissie voor een betere tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/81/EG (inzake overheidsopdrachten) en Richtlijn 2009/43/EG (inzake de overdracht van defensiegerelateerde producten in de interne markt); verzoekt de Commissie om rekening te houden met het feit dat de Europese ondernemingen die actief zijn in de defensiesector, een bijzonder financieel en rechtsstelsel moeten genieten om competitief te kunnen zijn, en om de lidstaten te steunen in hun inspanningen om hun defensiecapaciteiten te consolideren;

Financiering van militaire operaties

22.  erkent dat militaire operaties door de lidstaten worden gefinancierd buiten de EU-begroting om en dat hun gemeenschappelijke kosten door het Athenamechanisme worden gedekt; benadrukt dat het Athenamechanisme essentieel is voor het inzetten van deze operaties, en dat het een instrument van solidariteit tussen de lidstaten vormt en hen aanmoedigt om aan GVDB-missies bij te dragen, vooral lidstaten die niet veel financiële en operationele middelen hebben; betreurt het echter dat het feitelijke aandeel gemeenschappelijke kosten zeer laag blijft (naar schatting circa 10-15 % van alle kosten) en dat het hoge aandeel van door de lidstaten gedragen kosten en verantwoordelijkheden bij militaire operaties op basis van het principe "de kosten worden gedragen waar ze worden gemaakt" indruist tegen de beginselen van solidariteit en lastenverdeling, waardoor de lidstaten minder geneigd zijn actief deel te nemen; is bezorgd dat deze stand van zaken, met name gezien de onwil van de lidstaten om deel te nemen aan de opbouw van de troepenmacht voor de operaties, de snelle inzet van GVDB-operaties verhindert en de algemene efficiëntie ervan in het gedrang brengt; is van mening dat de langetermijnfinanciering van militaire missies moet worden gegarandeerd;

23.  betreurt in dit verband dat uit de herziening van het Athenamechanisme, die tegen het einde van 2014 uitgevoerd had moet worden, slechts zeer beperkte resultaten zijn voortgekomen, zoals de organisatie van een vorm van vervroegde financiering van bepaalde kosten om de inzetsnelheid te verbeteren; betreurt het dat de Raad geen overeenstemming heeft bereikt om de financiering van de kosten van de strategische inzet van de EU-gevechtstroepen op te nemen in de lijst van gedeelde kosten die systematisch door Athena worden gedragen, en slechts een vernieuwbaar besluit voor twee jaar heeft aangenomen; vraagt de volgende Europese Raad over defensie te overwegen de kosten die voor Athena in aanmerking komen, verder uit te breiden, zoals de automatische financiering van uitgaven aan de operationele en missie-inzet in het kader van het GVDB (infrastructuur voor de huisvesting van troepen, uitgaven voor de vaststelling van de punten van binnenkomst voor troepen in de operationele gebieden en veiligheidsvoorraden, levensmiddelen en brandstof, waar nodig);

24.  steunt initiatieven om na te gaan of in het kader van Athena financiële bijdragen van derde landen of internationale organisaties kunnen worden aangetrokken en beheerd; steunt eveneens de optie van gezamenlijke financiering, waarbij een kleiner aantal deelnemende landen sommige operationele kosten van de missies zouden financieren, op voorwaarde dat hun bijdragen door Athena worden beheerd en veeleer een aanvulling vormen op de gemeenschappelijke kosten in plaats van deze te vervangen;

25.  herinnert eraan dat in het Verdrag van Lissabon nieuwe GVDB-bepalingen werden toegevoegd, waarvan de EU de mogelijkheden nog niet heeft benut; spoort de Raad aan gebruik te maken van artikel 44 VEU, waardoor een groep lidstaten die dat willen, GVDB-taken kunnen uitvoeren; is van mening dat er dringend behoefte is aan een sneller besluitvormingsproces; is van mening dat de ad-hocfinancieringsmechanismen voor een militaire operatie meer moeten dekken dan de traditionele gemeenschappelijke kosten die door Athena worden terugbetaald;

26.  vraagt de Raad in de loop van dit begrotingsjaar te beginnen met de oprichting van het startfonds (bedoeld in artikel 41, lid 3, VEU) voor de dringende financiering van de beginfasen van militaire operaties, dat ook als sterk instrument voor capaciteitsontwikkeling kan dienst doen; verzoekt de Raad om een voorstel in te dienen over de wijze waarop het Parlement in een crisissituatie snel kan worden geraadpleegd; merkt op dat er een specifiek budget bestaat voor voorbereidingsmaatregelen voor civiele missies, maar dat wat militaire missies betreft het inzetten en de doeltreffendheid structureel verhinderd zullen blijven zolang deze mogelijkheid niet wordt benut; spoort de lidstaten ten zeerste aan de in artikel 46 VEU bedoelde permanente gestructureerde samenwerking aan te gaan, waardoor de dringend noodzakelijke verbetering van het snellereactievermogen van de EU sneller zou worden verwezenlijkt; betreurt in dat opzicht het gebrek aan inhoud in het beleidskader van de Raad voor systematische defensiesamenwerking op de lange termijn, dat op 18 november 2014 werd aangenomen, aangezien in het document enkel de huidige praktijken worden beschreven; verzoekt de Commissie daarom om het benodigde voorstel in te dienen om te verduidelijken hoe de EU-begroting de oprichting van de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO) en de werkzaamheden op het gebied van militaire samenwerking in vredestijd binnen het PESCO-kader kan bevorderen;

27.  verbaast zich erover dat er op Europees niveau nog altijd geen maatregelen bestaan voor de fiscale stimulering van samenwerking en bundeling van krachten; neemt kennis van de oproep van de Raad van december 2013 om de mogelijkheden voor dergelijke maatregelen te onderzoeken en betreurt het dat gedurende het gehele afgelopen jaar de discussies nog tot geen enkele concrete maatregel op dit gebied hebben geleid; merkt op dat de Belgische regering reeds op ad-hocbasis btw-vrijstellingen geeft in de voorbereidende fases van bepaalde EDA-projecten, zoals Satcom; is van mening dat dergelijke vrijstellingen een systematisch karakter moeten krijgen en moeten worden uitgebreid naar infrastructuur en concrete vermogensprogramma's, naar het voorbeeld van het bestaande mechanisme bij de NAVO of dat bij de EU voor infrastructuur voor civiel onderzoek; roept op andere stimulansen te ontwikkelen ter aanmoediging van vermogenssamenwerking tussen Europeanen;

Transparantie en verantwoording

28.  benadrukt dat transparantie en verantwoording niet alleen voor het democratisch toezicht essentiële vereisten zijn, maar ook voor de degelijke werking en de geloofwaardigheid van onder de EU-vlag uitgevoerde missies; herhaalt dat het Parlement veel belang hecht aan het uitoefenen van controle op de manier waarop de verschillende GVDB-missies en -operaties worden begroot; uit zijn tevredenheid over de in het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 bedoelde verslagleggingsmechanismen, zoals de kwartaalverslagen over de GBVB-begroting en de gezamenlijke informatiebijeenkomsten over het GBVB; is ingenomen met de toezegging van de VV/HV om die bijeenkomsten nieuw leven in te blazen en te voorzien in voldoende flexibiliteit ten aanzien van hun reikwijdte teneinde het Parlement volledig op de hoogte te houden van militaire missies en de werkzaamheden en agenda van het Politiek en Veiligheidscomité; wijst erop dat eventuele verbeteringen van de flexibiliteit en efficiëntie van de financiering en het uitvoeren van missies en operaties de verwezenlijkte positieve ontwikkelingen op het gebied van transparantie en verantwoordingsplicht bij GVDB-interventies niet in het gedrang mogen brengen; vraagt de Commissie artikel 49, lid 1, onder g), van het financieel reglement zo breed mogelijk te interpreteren, een specifieke lijn voor te stellen voor elke civiele GVDB-missie onder het GBVB-hoofdstuk en de opneming van uitvoerige informatie over elke missie, de deelnemers en de uitgaven in het jaarlijks activiteitenverslag verplicht te stellen;

29.  kijkt uit naar de initiatieven die duidelijkheid en consistentie moeten brengen op het vlak van financierings- en werkingsregels voor civiele missies; is tevreden dat de Commissie in het licht van de voortdurende discussie over flexibiliteit van de financiële regels heeft beloofd een specifiek model voor alle GVDB-missies voor te bereiden en de bestaande richtsnoeren aan te passen aan de behoeften van de missies;

Niet alleen woorden maar ook daden

30.  moedigt de VV/HV aan op het vlak van het GVDB het voortouw te nemen en een sturende rol op zich te nemen om het hokjesdenken te doorbreken en te zorgen voor coördinatie tussen de Raad, de Commissie en de EDEO en voor coherentie tussen de twee laatste organen; stelt voor aan de speciale vertegenwoordigers van de EU een mandaat toe te vertrouwen om de dialoog en samenwerking tussen de verschillende EU-actoren ter plaatse te verbeteren teneinde de coherentie van EU-actie te verhogen en van de verschillende financieringsbronnen een voordeel (en niet slechts een uitdaging) te maken;

31.  is van mening dat de volgende Europese Raad over defensie van de gelegenheid gebruik moet maken om een diepgaande discussie te houden en concrete voorstellen te doen over de hervorming van de financiële regelingen voor GVDB-missies en -operaties om deze efficiënter en succesvoller te maken; dringt er bij de lidstaten op aan zich te houden aan de beloften van de Europese Raad van december 2013; is van mening dat er tijdens de volgende Europese Raad over defensie concrete maatregelen moeten worden goedgekeurd om de defensiecapaciteiten van de Unie te versterken als aanvulling op de NAVO, om het Europees Defensieagentschap te steunen en te versterken en om te komen tot een gemeenschappelijke industriële en technologische basis;

32.  verzoekt de Commissie om de lidstaten te steunen in hun inspanningen voor de operationele tenuitvoerlegging van de besluiten van de Europese Raad met betrekking tot de versterking van de defensiecapaciteiten en daarbij rekening te houden met de begrotingsproblemen waarmee sommige lidstaten te kampen hebben;

o
o   o

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de EU-lidstaten, de secretaris-generaal van de NAVO en de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de NAVO.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0286.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0514.

Juridische mededeling - Privacybeleid