Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2732(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0575/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 11/06/2015 - 5.1

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0229

Aangenomen teksten
PDF 185kWORD 80k
Donderdag 11 juni 2015 - Straatsburg
Syrië: de situatie in Palmyra en de zaak van Mazen Darwish
P8_TA(2015)0229RC-B8-0575/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2015 over Syrië, de situatie in Palmyra en de zaak van Mazen Darwish (2015/2732(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Syrië, onder meer die van 30 april 2015(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 februari 2015 getiteld „Elementen voor een regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak, en de dreiging die uitgaat van Da'esh",

–  gezien de verklaringen en rapporten van de secretaris-generaal van de VN en de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten over het conflict in Syrië,

–  gezien de rapporten van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor Syrië van de VN-Mensenrechtenraad,

–  gezien het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof, goedgekeurd op 17 juli 1998, en met name artikel 8, lid 2, onder b), punt ix) daarvan, waarin is bepaald dat het opzettelijk aanvallen van historische monumenten een oorlogsmisdaad is,

–  gezien zijn resolutie van 30 april 2015 over de vernieling van cultuurgoederen door IS/Da'esh(2),

–  gezien artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin gesteld wordt dat "de Unie en de lidstaten de samenwerking met derde landen en de bevoegde internationale organisaties op het gebied van cultuur bevorderen",

–  gezien Verordening (EG) nr. 116/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de uitvoer van cultuurgoederen,

–  gezien de resolutie over de oprichting van een informeel netwerk van rechtshandhavingsinstanties en rechtshandhavingsexpertise op het gebied van culturele goederen (EU Cultnet), aangenomen door de Raad tijdens zijn zitting van 25 en 26 oktober 2012,

–  gezien het tweede Protocol (1999) bij het Verdrag van Den Haag van 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, van 21 mei 2015 over de situatie in Palmyra, en gezien de verklaring van de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton van 17 februari 2012, waarin de arrestatie van Mazen Darwish wordt veroordeeld, en de plaatselijke EU-verklaring van 3 april 2012 over de aanhoudende detentie zonder aanklacht van de heer Mazen Darwish en zeven andere mensenrechtenactivisten,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers, aangenomen in juni 2004 en geactualiseerd in 2008,

–  gezien resolutie 2222(2015) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat meer dan 220 000 mensen, voornamelijk burgers, om het leven zijn gekomen sinds het begin van het conflict in Syrië in 2011; overwegende dat het regime-Assad, IS/Da'esh, al-Nusra en de andere partijen die bij het conflict betrokken zijn, zich schuldig hebben gemaakt aan massale en terugkerende schendingen van de mensenrechten en van het internationale humanitaire recht; overwegende dat de overgrote meerderheid van die misdrijven tot op heden onbestraft is gebleven;

B.  overwegende dat het aantal folteringen en massale arrestaties en de grootschalige verwoesting van woonwijken de afgelopen maanden dramatisch zijn geëscaleerd, en dat veel Syriërs ontheemd zijn en sommigen zelfs worden gedwongen verder te gaan verblijven van de humanitaire hulp die zij nodig hebben;

C.  overwegende dat IS/Da'esh sinds de verovering van de oude Syrische stad in Palmyra ten minste 400 mensen heeft omgebracht, onder wie vrouwen en kinderen, en volgens het Syrische observatiecentrum voor de mensenrechten ten minste 217 mensen heeft geëxecuteerd en zo'n 600 anderen, waaronder vrouwen en kinderen, gevangen houdt omdat ze ervan verdacht worden betrekkingen met de strijdkrachten van het regime te onderhouden en leden van het regime in hun huis te verbergen;

D.  overwegende dat de verovering van de stad Palmyra werd gevolgd door hevige luchtaanvallen door pro-Assad troepen, waarbij meer dan een dozijn burgers werd gedood en veel van de nog resterende inwoners zijn weggevlucht;

E.  overwegende dat na een nieuw offensief in april-mei 2015, IS/Da'esh op 17 mei 2015 Ramadi heeft veroverd en op 21 mei 2015 Palmyra, waardoor het 50 % van het Syrische grondgebied onder zijn controle kreeg; overwegende dat het transnationale karakter van de zogeheten Islamitische Staat, die over belangrijke financiële middelen en volgens sommige bronnen over ongeveer 200 000 strijders beschikt, een bedreiging vormt voor de hele regio; overwegende dat naar schatting duizenden buitenlanders, waaronder EU-burgers, met de gewapende groepen van IS meevechten; overwegende dat de opmars van IS/Da'esh de humanitaire crisis nog heeft verergerd, met name doordat hij een omvangrijke ontheemding van burgers heeft veroorzaakt;

F.  overwegende dat de leden van de VN-Veiligheidsraad op 5 juni 2015 hun verontwaardiging hebben geuit over het vele geweld en alle aanvallen op burgers in Syrië, en de terroristische aanslagen van IS/Da'esh, al-Nusra en andere terreurgroeperingen in het land hebben veroordeeld;

G.  overwegende dat Palmyra tussen Damascus en de oostelijke stad Deir al-Zour ligt en er zich in de buurt belangrijke gasvelden en fosfaatmijnen bevinden; overwegende dat de verovering van Palmyra samenviel met de verovering door IS/Da'esh van Ramadi in de Iraakse provincie Anbar, maar ook plaatsvond kort na het terreinverlies van IS/Da'esh rond Tikrit;

H.  overwegende dat Palmyra, dat meer dan 2000 jaar oud is, een uitermate belangrijke culturele locatie is en is opgenomen in de werelderfgoedlijst van de UNESCO; overwegende dat de directeur-generaal van de UNESCO op 21 mei 2015 heeft opgeroepen tot de onmiddellijke beëindiging van de vijandelijkheden in de stad;

I.  overwegende dat Palmyra een symbool is van het rijke culturele erfgoed van Syrië, en monumentale ruïnes bevat van een grote stad die een van de belangrijkste culturele centra van de oude wereld was; overwegende dat de massale moordpartijen en vernietiging van archeologisch en cultureel erfgoed door IS/Da'esh onder bepaalde omstandigheden als een misdaad tegen de menselijkheid en "culturele zuivering" worden beschouwd, en volgens het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof een oorlogsmisdrijf vormen; overwegende dat Irina Bokova, directeur-generaal van de UNESCO, deze stelselmatige aanvallen op cultureel erfgoed als "culturele zuivering" heeft omschreven;

J.  overwegende dat IS/Da'esh zowel in Irak als in Syrië het culturele erfgoed aanvalt en vernietigt en dit als oorlogstactiek gebruikt om angst en haat te zaaien; overwegende dat als gevolg van de verovering van Palmyra door IS/Da'esh, het historische erfgoed van deze stad dreigt te worden vernietigd;

K.  overwegende dat in de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en voor de dreiging die uitgaat van IS/Da'esh, die de Raad Buitenlandse Zaken van 16 maart 2015 heeft aangenomen, de EU met kracht de moedwillige verwoesting van archeologische vindplaatsen en cultureel erfgoed veroordeelt en opmerkt dat dergelijke daden als een oorlogsmisdaad in de zin van het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (ICC) kunnen worden beschouwd;

L.  overwegende dat het project voor de driejarige dringende bescherming van het Syrische erfgoed dat de UNESCO en andere partners hebben gelanceerd, het culturele erfgoed van het land moet beschermen;

M.  overwegende dat de illegale handel in cultuurgoederen nu de op twee na belangrijkste vorm van illegale handel is, na die in drugs en wapens, en dat deze illegale handel wordt gedomineerd door netwerken van de georganiseerde misdaad, en dat de huidige nationale en internationale mechanismen noch voldoende zijn toegerust noch voldoende worden ondersteund om deze problematiek aan te pakken; overwegende dat de EU alle passende maatregelen overeenkomstig Resolutie 2199 (2015) van de VN-Veiligheidsraad heeft genomen om de illegale handel in cultuurgoederen te voorkomen;

N.  overwegende dat er sinds het begin van het Syrische conflict in maart 2011 sprake is van wijdverbreide en ernstige schendingen van de mensenrechten, met name het opzettelijk aanvallen, willekeurige opsluiting en ontvoering van onafhankelijke journalisten, mensenrechtenactivisten, humanitaire hulpverleners en medisch personeel, die het slachtoffer zijn van bedreigingen, geweld, willekeurige arrestatie en verdwijning in Syrië;

O.  overwegende dat Mazen Darwish, een Syrische journalist en activist en voorzitter van het Syrisch Centrum voor media en vrijheid van meningsuiting, reeds sinds 2012 gevangen wordt gehouden, net zoals Hani Al-Zaitani en Hussain Ghrer, wegens hun inspanningen om de vrijheid van meningsuiting te verdedigen; overwegende dat Mazen Darwish naar verluidt ernstig werd gefolterd en mishandeld, en op 6 mei 2015 naar een onbekende plek is overgebracht; overwegende dat Mazen Darwish de Persvrijheidsprijs 2015 van de UNESCO heeft gekregen, alsook andere belangrijke internationale prijzen, zoals de Preis der Lutherstädte – "Das unerschrockene Wort" 2015, de Bruno-Kreisky-Preis für Verdienste um die Menschenrechte 2013, en de PEN-Pinterprijs 2014; overwegende dat de aanhoudende opsluiting van Mazen Darwish, Hani Al-Zaitani en Hussain Ghrer een verder bewijs is van het repressieve karakter van het regime van Bashar al-Assad in Syrië;

P.  overwegende dat de Algemene Vergadering van de VN in Resolutie 67/262 van 15 mei 2013 de Syrische autoriteiten heeft opgeroepen alle personen die willekeurig worden vastgehouden, waaronder de leden van het Syrische Centrum voor media en vrijheid van meningsuiting, onmiddellijk vrij te laten;

Q.  overwegende dat de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten, Zeid Ra'ad Al Hussein, er op 19 februari 2015 bij de Syrische autoriteiten op heeft aangedrongen iedereen die wordt vastgehouden voor het vreedzaam uiten van zijn standpunten, onder wie Mazen Darwish, vrij te laten;

R.  overwegende dat honderden mensenrechtenactivisten het slachtoffer zijn van bedreigingen, geweld, willekeurige arrestatie en verdwijning in Syrië; overwegende dat dit ook geldt voor de mensenrechtenadvocate en winnares van de Sacharov-prijs 2011, Razan Zeitouneh, die op 9 december 2013 in Duma werd ontvoerd;

1.  veroordeelt met klem de gruwelijke, stelselmatige en wijdverbreide mensenrechtenschendingen en de schendingen van het internationale humanitaire recht door het regime van al-Assad, terroristen van IS/Da'esh en andere jihadistische groeperingen in Syrië, alsook de veroordelingen en beschuldigingen van politieke, civiele en mensenrechtenactivisten, bloggers en journalisten; herhaalt zijn ondubbelzinnige veroordeling van foltering, de in intensiteit opgevoerde beschietingen en het gebruik van bombardementen vanuit de lucht, waaronder met vatenbommen, door de Syrische regering; spreekt zijn diepe medeleven uit met de slachtoffers; blijft ten zeerste onthutst over het schokkende niveau van menselijk lijden en het verlies aan mensenlevens in het Syrië-conflict en maakt zich ernstig zorgen over de verslechterende humanitaire en veiligheidssituatie in Syrië;

2.  veroordeelt de verovering van Palmyra door IS/Da'esh op 21 mei 2015 na een belegering van negen dagen die veel mensenlevens heeft gekost, alsook het feit dat het sindsdien in en rond de stad ten minste 217 mensen heeft vermoord en zich alom schuldig blijft maken aan misbruik en wreedheden in het "kalifaat" dat het heeft afgekondigd in de gebieden in Syrië en Irak die het onder zijn controle heeft;

3.  uit zijn bezorgdheid over de situatie op de Palmyra-site en over het lot van de duizenden inwoners van de stad Palmyra, alsook over het lot van de duizenden mensen die door de opmars van IS/Da'esh zijn verdreven en dat van de vrouwen en kinderen in Palmyra, en verwijst daarbij naar het gebruikelijke optreden van IS/Da'esh tot nu toe elders, te weten het ontvoeren, gebruiken en misbruiken van vrouwen en kinderen, met inbegrip van verkrachting, seksueel misbruik, gedwongen huwelijken en gedwongen recrutering van kinderen;

4.  moedigt de Raad, de Commissie en de hoge vertegenwoordiger aan alle noodzakelijke financiële en personele middelen beschikbaar te stellen om de vluchtelingen bij te staan;

5.  is ingenomen met de toezegging - gedaan tijdens de bijeenkomst van de ministers van de internationale coalitie tegen IS/Da'esh in Parijs op 2 juni 2015 - om de collectieve inspanningen om IS/Da'esh te verslaan, te verdubbelen; verzoekt de coalitie meer te doen voor het implementeren van een gemeenschappelijke, multi-dimensionale en langetermijnstrategie ter verzwakking en uiteindelijke vernietiging van IS/Da'esh; onderstreept dat deze strategie aangevuld zal moeten worden met versterkte samenwerking tussen alle regionale staats- en niet-staatsactoren die zich aan de strijd tegen IS/Da'esh hebben gecommitteerd;

6.  is er onverminderd van overtuigd dat het conflict niet daadwerkelijk zal kunnen worden opgelost en dat er in Syrië geen sprake van duurzame vrede zal kunnen zijn indien de plegers - in beide kampen - van misdaden gedurende het conflict niet ter verantwoording worden geroepen;

7.  wijst erop dat een duurzame oplossing voor de crisis in Syrië enkel kan worden bereikt door middel van een inclusieve politieke oplossing op basis van het communiqué van Genève van 30 juni 2012 en met de steun van de internationale gemeenschap; verzoekt de speciale gezant van de VN, Staffan de Mistura, met alle partijen te werken aan een daadwerkelijke politieke transitie die tegemoetkomt aan de legitieme verwachtingen van de Syrische bevolking en hen in staat stelt hun eigen toekomst op onafhankelijke en democratische wijze invulling te geven;

8.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over het grote gebrek aan financiële middelen na de VN-oproepen in 2014, wat geleid heeft tot tijdelijke opschorting van het Wereldvoedselhulpprogramma aan de Syrische vluchtelingen; dringt er derhalve bij de internationale gemeenschap op aan meer financiële middelen en bijstand ter beschikking te stellen bij volgende oproepen;

9.  verzoekt de internationale gemeenschap nog intensiever te zoeken naar oplossingen ter verlichting van de crisis en ter beëindiging van de oorlog in Syrië, en spreekt zijn steun uit voor degenen die zich inzetten om IS/Da'esh in Syrië en Irak te bestrijden; verzoekt de regeringen van de regio samen te werken, aangezien nauwe samenwerking op het gebied van veiligheid het enige middel is om vrede en veiligheid in de regio te bewerkstelligen;

10.  verzoekt de internationale gemeenschap alles te doen wat in haar vermogen ligt om de burgerbevolking te beschermen en het unieke culturele erfgoed van Palmyra te vrijwaren, en verzoekt alle partijen onmiddellijk een eind te maken aan de vijandelijkheden in Palmyra en de burgers die het geweld proberen te ontvluchten niets in de weg te leggen;

11.  verlangt de onmiddellijke beëindiging van de vernietiging van het culturele erfgoed van Syrië en Irak, waaronder religieuze sites en objecten; onderstreept dat dit soort daden van IS/Da'esh of andere individuen, groeperingen, facties en entiteiten niet kunnen worden getolereerd, en roept er ook toe op het culturele erfgoed van Irak in stand te houden door de culturele en religieuze eigendommen en sites te beschermen in overeenstemming met het internationale humanitaire recht;

12.  spoort de EU en de lidstaten aan bewustmakingscampagnes te ontwikkelen om het illegaal verkopen en kopen van cultuurobjecten uit de conflictgebieden te ontmoedigen;

13.  wijst nog eens op de enorme waarde van het culturele erfgoed voor de hele mensheid en is in dit verband van oordeel dat de vernietiging ervan als een onaanvaardbare oorlogsmisdaad moet worden aangemerkt;

14.  onderstreept de noodzaak van gemeenschappelijke inspanningen van de internationale gemeenschap om de illegale handel in culturele eigendommen en cultuurobjecten, waarmee IS/Da'esh zichzelf onder andere financiert, te voorkomen;

15.  onderschrijft de verklaringen van de directeur-generaal van de UNESCO en alle bijzondere maatregelen van de VN en de UNESCO om Palmyra en alle andere culturele en historische locaties die worden bedreigd, te beschermen;

16.  verzoekt de secretaris-generaal van de VN om de kwestie van de bescherming van alle culturele sites die worden bedreigd door terroristische groeperingen, met inbegrip van IS/Da'esh, aan de Veiligheidsraad voor te leggen met het oog op de aanneming van een resolutie over dit onderwerp;

17.  verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen praktische stappen te ondernemen om, in samenwerking met de Verenigde Naties, bedreigde culturele, historische, religieuze en archeologische sites in Palmyra en het gehele Midden-Oosten te beschermen;

18.  is ingenomen met en ondersteunt het uitermate belangrijke werk van de plaatselijke en de internationale organisaties van het maatschappelijk middenveld op het gebied van het documenteren van de mensenrechtenschendingen en het vergaren van bewijsmateriaal van oorlogsmisdaden, van misdaden tegen de menselijkheid en van andere misdaden; geeft uitdrukking aan zijn grote bewondering voor en solidariteit met alle Syrische activisten die onvermoeid - en met gevaar voor eigen leven - doorgaan met het monitoren, documenteren en rapporteren van de mensenrechtensituatie in hun door oorlog verscheurde land;

19.  maakt zich ernstige zorgen over de steeds verder verslechterende humanitaire en mensenrechtensituatie in Syrië en onderstreept het belang van het eerbiedigen van de vrijheid van meningsuiting en van het recht van mensenrechtenactivisten om hun werk te doen, in overeenstemming met de internationale verplichtingen die Syrië is aangegaan; wijst erop dat eenieder recht heeft op vrijheid van mening en van meningsuiting, en dat dit een van de fundamentele mensenrechten is; veroordeelt alle schendingen van de persvrijheid en alle daden van geweld tegen journalisten in Syrië;

20.  verzoekt de Syrische autoriteiten onmiddellijk en onvoorwaardelijk alle aanklachten tegen Mazen Darwish en alle anderen die gevangen worden gehouden, veroordeeld zijn en/of berecht worden voor het op vreedzame wijze uitoefenen van het recht op vrije meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering, alsook alle mensenrechtenactivisten en strijders voor politieke rechten die op arbitraire wijze van hun vrijheid zijn beroofd vanwege hun activisme, in te trekken en hen vrij te laten;

21.  verzoekt de Syrische autoriteiten met klem onmiddellijk openheid van zaken te geven omtrent het lot en de verblijfplaats van de drie mannen, en ervoor te zorgen dat zij niet gefolterd en/of slecht behandeld worden, dat zij onmiddellijk contact kunnen opnemen met hun familieleden en advocaten, en dat zij de eventueel nodige medische verzorging krijgen;

22.  dringt er met klem bij alle lidstaten op aan prioriteit te geven aan de ratificatie van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning; roept de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten op de universele ratificatie en de tenuitvoerlegging van dit belangrijke instrument voor de mensenrechten te bevorderen en steun te geven aan het werk van het VN-Comité inzake gedwongen verdwijningen, dat is opgericht op grond van dit verdrag;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de speciale gezant voor Syrië van de VN/de Arabische Liga, en alle bij het conflict in Syrië betrokken partijen.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0187.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0179.

Juridische mededeling - Privacybeleid