Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2253(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0242/2015

Ingediende teksten :

A8-0242/2015

Debatten :

PV 10/09/2015 - 3
CRE 10/09/2015 - 3

Stemmingen :

PV 10/09/2015 - 8.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0322

Aangenomen teksten
PDF 204kWORD 97k
Donderdag 10 september 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
30e en 31e jaarverslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2012-2013)
P8_TA(2015)0322A8-0242/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 10 september 2015 over het 30e en 31e jaarverslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2012-2013) (2014/2253(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het 30e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2012) (COM(2013)0726),

–  gezien het 31e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2013) (COM(2014)0612),

–  gezien het verslag van de Commissie "Evaluatieverslag EU-Pilot" (COM(2010)0070),

–  gezien het verslag van de Commissie "Tweede evaluatieverslag over EU Pilot" (COM(2011)0930),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 maart 2002 betreffende betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het gemeenschapsrecht (COM(2002)0141),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 april 2012 getiteld "Tot modernisering van het beheer van betrekkingen met de klager inzake de toepassing van het recht van de Unie" (COM(2012)0154),

–  gezien het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(1),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over het 29ste jaarverslag over de controle op de toepassing van het gemeenschapsrecht (2011)(2),

–  gezien het onderzoek: ‘The impact of the crisis on fundamental rights across Member States of the EU - Comparative analysis’(3), ("De impact van de crisis op de grondrechten in de lidstaten - een vergelijkende analyse"),

–  gezien het door de Commissie op 19 mei 2015 goedgekeurde pakket maatregelen voor betere regelgeving,

–  gezien artikel 52 en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie constitutionele zaken, en de Commissie verzoekschriften (A8-0242/2015),

A.  overwegende dat artikel 17 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) de Commissie de essentiële rol van "hoedster van de Verdragen" toebedeelt;

B.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 6, lid 1, VEU, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het EU-Handvest) dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen, en gericht is aan de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie, alsmede de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen (artikel 51, lid 1, EU-handvest);

C.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 258, leden 1 en 2, VWEU, de Commissie een met redenen omkleed advies uitbrengt indien zij van oordeel is dat een lidstaat een krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, en de zaak aanhangig kan maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie indien de betrokken staat dit advies niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn opvolgt;

D.  overwegende dat het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie voorziet in de informatie-uitwisseling over alle inbreukprocedures vanaf de ingebrekestelling, maar dat de informele EU-Pilot-procedure die voorafgaat aan de inleiding van de formele inbreukprocedure buiten dat kader valt;

E.  overwegende dat artikel 41 van het EU-Handvest het recht op behoorlijk bestuur omschrijft als het recht van eenieder dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen worden behandeld, en dat artikel 298 VWEU bepaalt dat bij de vervulling van hun taken de instellingen, organen en instanties van de Unie steunen op een open, doeltreffend en onafhankelijk ambtenarenapparaat;

F.  overwegende dat artikel 51 van het EU-Handvest de verplichting van de lidstaten om het Handvest na te leven beperkt tot de situatie waarin zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, maar voor de instellingen, organen en instanties van de EU niet in een dergelijke beperking van de verplichtingen uit het Handvest voorziet;

G.  overwegende dat, in de context van de recente financiële crisis, lidstaten maatregelen hebben moeten treffen die de naleving van het primaire EU-recht in gevaar brengen, met name de bepalingen inzake de bescherming van de sociale en economische rechten;

1.  merkt op dat de Commissie overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 27 oktober 2011 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over toelichtende stukken, de beide medewetgevers verslag heeft uitgebracht over haar tenuitvoerlegging;

2.  is ingenomen met het 30e en 31e jaarverslag van de Commissie over de toepassing van het EU-recht, en merkt op dat, volgens deze jaarverslagen, in het jaar 2012 op de vier beleidsterreinen vervoer, gezondheids- en consumentenbescherming, milieubescherming en de interne markt en diensten, de meeste inbreukprocedures met betrekking tot omzetting zijn ingeleid tegen de lidstaten, overwegende dat in 2013 de gebieden milieu, gezondheids- en consumentenbescherming, interne markt en diensten, en vervoer, het meest problematisch waren; herinnert er echter aan dat deze beoordelingen achteraf niet in de plaats kunnen treden van de verplichting van de Commissie om op doeltreffende wijze en tijdig toezicht uit te oefenen op de toepassing en uitvoering van het EU-recht, en merkt op dat het Parlement middels zijn toezicht op de Commissie kan bijdragen aan de evaluatie van de uitvoering van wetgeving;

3.  wijst erop dat de Europese burger, in een Europese Unie die berust op de rechtsstaat en de zekerheid en voorzienbaarheid van de wetgeving, vóór alles op een duidelijke, toegankelijke, transparante en snelle manier te weten moet kunnen komen (ook via internet) of er nationale regels zijn ingevoerd ter omzetting van Unierecht, en welke dat zijn, en welke nationale autoriteiten verantwoordelijk zijn voor een correcte uitvoering van die regels;

4.  merkt op dat burgers en bedrijven een eenvoudig, voorspelbaar en betrouwbaar regelgevingskader verwachten;

5.  dringt er bij de Commissie op aan bij de uitvaardiging en evaluatie van wetgeving meer te letten op de lasten waarmee zij de kmo's wellicht opzadelt;

6.  vraagt de Commissie en de lidstaten om in een vroeger stadium van het wetgevingsproces afstemming te zoeken zodat het eindresultaat doeltreffender ten uitvoer kan worden gelegd;

7.  merkt op dat laattijdige omzetting, onjuiste omzetting en slechte toepassing van het EU-recht kan leiden tot differentiëring tussen de lidstaten en een gelijk speelveld in EU als geheel kan verstoren;

8.  vraagt de Commissie alle lidstaten gelijk te behandelen, ongeacht hun grootte of het tijdstip van hun toetreding;

9.  merkt op dat de uitvoering en omzetting van het EU-recht ongelijk blijft in de lidstaten; merkt op dat burgers die in een andere lidstaat willen leven, werken of zaken willen doen, dagelijks worden geconfronteerd met aanhoudende problemen vanwege de ongelijke uitvoering van het EU-recht binnen de rechtssystemen van de lidstaten;

10.  herinnert eraan dat de Commissie, overeenkomstig artikel 17 VEU, de taak heeft toe te zien op de toepassing van het recht van de Unie, met inbegrip van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikel 6, lid 1, VEU), waarvan de bepalingen zijn gericht op de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie en op de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen (artikel 51, lid 1, EU-Handvest); herinnert eraan dat de Commissie, op grond van de artikelen 258 tot en met 260 VWEU, de bevoegdheid heeft inbreukprocedures in te leiden om de naleving van het EU-recht te waarborgen; verzoekt de Commissie niettemin om de uitoefening van de rol van het Parlement van medewetgever te vergemakkelijken door het van voldoende informatie te voorzien en haar verantwoordingsplicht te blijven vervullen;

11.  merkt op dat er in totaal 731 inbreukprocedures werden afgesloten omdat de lidstaten in kwestie aantoonden dat zij het EU-recht waren nagekomen; neemt kennis van het feit dat het Hof van Justitie in 2013 52 keer uitspraak heeft gedaan op grond van artikel 258 VWEU, waarbij de uitspraak in 31 arresten (59,6 %) ongunstig uitviel voor de lidstaten; herinnert eraan dat, om deze statistieken in perspectief te plaatsen, het Hof tot nu toe in 3 274 (87,3 %) inbreukprocedures de Commissie in het gelijk stelde; verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van al deze uitspraken;

12.  is ingenomen met het feit dat de Commissie steeds meer beroep doet op uitvoeringsplannen voor nieuwe EU-wetgeving gericht aan de lidstaten, waardoor meer kans is op tijdige en correcte uitvoering bij de omzetting en toepassing, problemen bij de omzetting en toepassing worden voorkomen, wat op zijn beurt een impact heeft op het aantal hiermee samenhangende verzoekschriften dat wordt ingediend;

13.  wijst nogmaals op het feit dat de Commissie nadruk moet leggen op doeltreffende probleemoplossing, doeltreffend beheer en preventieve maatregelen, maar stelt voor dat de Commissie eveneens nadenkt over nieuwe, andere manieren dan formele inbreukprocedures om de omzetting en handhaving van het EU-recht te verbeteren;

14.  houdt er onverkort aan vast dat EU-wetgeving naar behoren en onverwijld moet worden omgezet in de rechtsorde van elke lidstaat, zodat onnodige vertragingen en inbreukprocedures kunnen worden voorkomen; verzoekt de autoriteiten in de lidstaten dringend om "gold-plating" (overdreven omzetting) te vermijden; dit leidt immers dikwijls tot zeer verschillend verlopende uitvoeringsprocessen in de lidstaten, waardoor het respect voor EU-wetgeving afneemt wanneer de burger zich realiseert dat binnen de EU aanzienlijke verschillen bestaan; wijst op de noodzaak van intensievere samenwerking tussen de leden van het Europees Parlement en de commissies Europese zaken van de nationale en regionale parlementen; is ingenomen met de vernieuwing van het Verdrag van Lissabon op grond waarvan het Hof van Justitie, op verzoek van de Commissie, aan de lidstaten sancties kan opleggen wegens te late omzetting zonder een tweede uitspraak af te wachten; dringt er bij de EU-instellingen (Raad, Commissie, ECB) op aan het primaire EU-recht te respecteren (Verdragen en Handvest van de grondrechten) bij de uitvaardiging van secundair recht, of de formulering van beleidsmaatregelen in economische en sociale aangelegenheden die de grondrechten en het algemeen belang raken;

15.  merkt het gebruik door de Commissie op van het begrip "gold-plating", dat verwijst naar een teveel aan normen, richtsnoeren en procedures die zich op nationaal, regionaal en lokaal niveau ophopen en de verwachte beleidsdoelstellingen doorkruisen; vraagt de Europese Commissie om het begrip duidelijk te omschrijven; benadrukt dat in die omschrijving duidelijk moet uitkomen dat de lidstaten het recht hebben strengere normen vast te stellen waar nodig, waarbij wel moet worden bedacht dat betere harmonisatie bij de tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving belangrijk is voor de werking van de interne markt;

16.  stelt vast dat de afname in 2012 van het aantal inbreukprocedures wegens te late omzetting ten opzichte van voorgaande jaren voornamelijk te danken was aan het feit dat er in 2012 minder richtlijnen omgezet moesten worden; erkent echter dat de statistieken voor het jaar 2013 een reële afname van het aantal inbreukprocedures wegens te late omzetting te zien geven, en het aantal inbreukprocedures eind 2013 het laagste niveau in vijf jaar tijd bereikte, hetgeen als een positief gevolg kan worden opgevat van de invoering in artikel 260, lid 3, VWEU van de spoedprocedure voor sancties in geval van niet-omzetting;

17.  merkt op dat de daling van het aantal inbreukprocedures wegens te late omzetting in 2013, 2012 en in de laatste vijf jaar verklaard kan worden door het gebruik van het EU-pilotsysteem (inclusief SOLVIT 2) en door de opneming in artikel 260, lid 3 VWEU van de spoedprocedure voor sancties in geval van niet-omzetting; benadrukt dat de tijdige omzetting van richtlijnen een belangrijke beleidsprioriteit van de Commissie moet blijven en de omzettingstermijnen moeten worden gehandhaafd;

18.  wijst erop dat de toename tijdens de onderzochte periode van het aantal nieuwe dossiers via EU-pilot, met name in verband met het milieu, belasting, justitie en douane, en de afname van het aantal openstaande inbreukprocedures, blijk geven van een positieve tendens in de lidstaten wat betreft de uitvoering van EU-recht, en aantoont dat EU-pilot een doeltreffend middel is om tot een vroegtijdige oplossing voor mogelijke inbreuken te komen; is van niettemin van mening dat meer gedaan moet worden op het gebied van de handhaving van EU-recht om de doorzichtigheid daarvan en de controle daarop door klagers en belanghebbende partijen te verbeteren, en betreurt het dat, ondanks herhaalde verzoeken, het Parlement nog steeds onvoldoende toegang heeft tot informatie over EU-Pilot-procedures en lopende zaken; stelt vast dat er behoefte bestaat aan versterking van de juridische status en de legitimiteit van EU-pilot, en is van mening dat dit tot stand gebracht kan worden door meer transparantie en grotere participatie van klagers en het Europees Parlement;

19.  roept de Commissie daarom andermaal op met voorstellen te komen voor bindende regels in de vorm van een verordening krachtens de nieuwe rechtsgrondslag van artikel 298 VWEU teneinde het recht van de burger op behoorlijk bestuur, zoals bepaald in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten, ten volle te eerbiedigen;

20.  erkent dat de primaire verantwoordelijkheid voor de correcte tenuitvoerlegging en toepassing van EU-recht bij de lidstaten ligt, en benadrukt dat de EU-instellingen verplicht zijn het primaire EU-recht in acht te nemen bij het produceren van afgeleid EU-recht, of bij het besluiten over, het uitvoeren van en het voorschrijven van sociaal, economisch of ander beleid aan lidstaten, en benadrukt tevens hun verplichting om EU-lidstaten bij te staan in hun pogingen om democratische en sociale waarden te respecteren en EU-wetgeving om te zetten in tijden van bezuinigingen en economische beperkingen; herinnert eraan dat de EU-instellingen gebonden zijn aan het subsidiariteitsbeginsel en de bevoegdheden van de lidstaten dienen te respecteren;

21.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de bezuinigingsmaatregelen die aan de EU-lidstaten met te hoge schulden tijdens de periode van de twee onderhavige jaarverslagen zijn opgelegd, welke maatregelen vervolgens in wetgevingshandelingen van afgeleid EU-recht zijn opgenomen om te worden omgezet in nationaal recht, en met name over de drastische besparingen op overheidsuitgaven als gevolg waarvan de capaciteit van het administratieve en gerechtelijke apparaat van de lidstaten om het EU-recht correct uit te voeren, aanzienlijk is afgenomen; ;

22.  is van mening dat de lidstaten waarvoor hervormingsprogramma's gelden, in staat moeten blijven om hun verplichting tot eerbiediging van sociale en economische rechten na te komen;

23.  herinnert eraan dat de EU-instellingen, ook als zij handelen als lid van groepen van internationale kredietverleners, gebonden zijn aan de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

24.  benadrukt dat het van het allergrootste belang is dat de EU-instellingen de Verdragen naleven; merkt op dat de Commissie de lidstaten moet helpen bij de correcte invoering van de EU-wetgeving, om de steun voor de EU en het vertrouwen in haar legitimiteit te versterken; spoort de Commissie aan om bedenkingen die de lidstaten tijdens de uitvoeringsprocedure kenbaar maken, te publiceren; benadrukt dat de steun van nationale parlementen bij de omzetting van wetgeving van essentieel belang is om de toepassing van EU-wetgeving te verbeteren en verzoekt dan ook om de dialoog met de nationale parlementen te intensiveren, ook indien bedenkingen betreffende de subsidiariteit zijn geuit; merkt de cruciale rol op van reguliere beoordelingen achteraf en het belang om de opvatting van de nationale parlementen te vragen, teneinde zorgen of wetgevingsproblemen die nog niet eerder bekend waren, weg te nemen;

25.  wijst erop dat het recht om een verzoekschrift te richten tot het Parlement een van de steunpilaren is van het Europees burgerschap, overeenkomstig artikel 44 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 227 VWEU; wijst erop dat dit recht instrumenten biedt die nodig maar niet voldoende zijn om de deelname van het publiek aan het besluitvormingsproces van de Europese Unie te versterken en een belangrijke rol vervult bij het identificeren en beoordelen van mogelijke lacunes en overtredingen in het kader van de uitvoering van EU-wetgeving door de lidstaten, alsook bij het informeren van de EU-instellingen hierover; benadrukt in dit verband de cruciale rol van de Commissie verzoekschriften als doeltreffende schakel tussen de EU-burgers, het Parlement, de Commissie en de nationale parlementen;

26.  is verheugd dat de Commissie de essentiële rol erkent die de klager vervult door haar te helpen inbreuken op het EU-recht op te sporen;

27.  herhaalt dat de Europese instellingen, en met name de Commissie en de Raad, de wetgeving en jurisprudentie van de EU op het gebied van transparantie en de toegang tot documenten volledig moeten toepassen en naleven; eist in dit verband de daadwerkelijke toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(4), en van de daarmee verband houdende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

28.  benadrukt dat de EU is opgericht als een Unie die gegrondvest is op het beginsel van de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten (artikel 2 VEU); herhaalt dat zorgvuldig toezicht op handelingen en nalatigheden van de lidstaten en de EU-instellingen van het grootste belang is, en benadrukt dat het aantal verzoekschriften dat gericht is aan het Parlement en het aantal klachten bij de Commissie over problemen die al door de Commissie opgelost zouden zijn, aantonen dat burgers zich steeds meer het belang van betere toepassing van EU-recht aantrekken; verzoekt de Commissie om sneller en duidelijker te reageren op kennisgevingen van burgers in verband met inbreuken op het EU-recht;

29.  neemt kennis van het grote aantal inbreukprocedures dat in 2013 werd afgesloten voordat ze het Hof van Justitie bereikten, waarbij slechts ongeveer 6,6 % van alle zaken werd afgesloten met een uitspraak van het Hof; is bijgevolg van mening dat het van wezenlijk belang is nauwkeurig toezicht te blijven houden op de maatregelen van de lidstaten, rekening houdend met het feit dat in sommige verzoekschriften steeds wordt verwezen naar problemen die blijven bestaan nadat een zaak is afgesloten;

30.  is ingenomen met het feit dat de Commissie steeds meer belang hecht aan verzoekschriften als informatiebron ten aanzien van klachten van burgers over overheden, waaronder de Europese Unie, en mogelijke schendingen van de EU-wetgeving bij de daadwerkelijke toepassing ervan, wat wordt aangetoond door het feit dat in de twee jaarverslagen bijzondere aandacht werd besteed aan verzoekschriften; merkt op dat er tegelijkertijd meer verzoekschriften worden doorgestuurd door de Commissie verzoekschriften naar de Commissie met het verzoek om bijkomende informatie te verstrekken; betreurt echter de trage beantwoording van talrijke verzoekschriften wanneer de Commissie om een standpunt wordt gevraagd;

31.  merkt bovendien op dat behoefte bestaat aan een constructieve dialoog met de lidstaten in het kader van de Commissie verzoekschriften en verzoekt de lidstaten waarop de relevante verzoekschriften betrekking hebben vertegenwoordigers te sturen om tijdens haar vergaderingen voor de commissie te spreken;

32.  wijst erop dat de door de EU-burgers of in een lidstaat woonachtige personen ingediende verzoekschriften betrekking hebben op schendingen van de EU-wetgeving, met name met betrekking tot de grondrechten, binnenlandse zaken, justitie, de interne markt, gezondheid, consumenten, vervoer, belasting, landbouw en plattelandsontwikkeling en het milieu; is van mening dat uit de verzoekschriften blijkt dat er nog altijd vele verstrekkende gevallen van onvolledige omzetting of het ontbreken van toereikende handhaving zijn, hetgeen effectief tot een onjuiste toepassing van het EU-recht leidt; benadrukt dat een dergelijke situatie meer inspanningen van de lidstaten en een permanente controle door de Commissie vereist; onderstreept met name dat er veel verzoekschriften worden ingediend om te wijzen op discriminatie en belemmeringen waar personen met een handicap mee te maken krijgen;

33.  merkt op dat er problemen blijven bestaan in de dialoog met sommige lidstaten en sommige regio's, die aarzelen om de gevraagde documenten of uitleg te verstrekken;

34.  is ingenomen met de inzet van de diensten van de Commissie om de uitwisseling van informatie met de Commissie verzoekschriften te verbeteren en herhaalt zijn verzoek om:

   a) te zorgen voor verbeterde communicatie tussen de twee partijen, met name met betrekking tot het starten van inbreukprocedures door de Commissie en de voortgang daarvan, met inbegrip van de EU Pilot-procedure, om ervoor te zorgen dat het Parlement volledig wordt geïnformeerd, zodat het zijn wetgevingswerkzaamheden kan blijven verbeteren;
   b) meer inspanningen te leveren om binnen een redelijke termijn alle mogelijke relevante informatie te verstrekken over de onderzoeks- en inbreukprocedures aan de Commissie verzoekschriften, waardoor de commissie op een meer doeltreffende manier kan reageren op verzoeken van burgers;
   c) instemming van de Commissie om rekening te houden met de verslagen van de Commissie verzoekschriften, en met name met de daarin opgenomen bevindingen en aanbevelingen, wanneer de Commissie haar mededelingen opstelt en herziening van wetgeving voorbereidt;

35.  betreurt het dat het Europees Parlement, dat de Europese burgers rechtstreeks vertegenwoordigt en zich als volwaardig medewetgever via parlementaire vragen en de werkzaamheden van de Commissie verzoekschriften steeds meer bezighoudt met klachtenprocedures, nog steeds niet automatisch transparante en tijdige informatie verkrijgt over de uitvoering van EU-wetgeving, ofschoon die informatie essentieel is, niet alleen om de toegankelijkheid en rechtszekerheid voor de Europese burger te vergroten maar ook met het oog op wijzigingen ter verbetering van die wetgeving; is van mening dat betere communicatie tussen het Europees Parlement en nationale parlementen in dit verband een stap in de goede richting kan zijn; dringt aan op meer doeltreffende en doelmatige samenwerking tussen de instellingen en verwacht dat de Commissie de clausule in het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie te goeder trouw toepast waarin zij zich ertoe verplicht om "het Parlement beknopte gegevens ter beschikking [te stellen] over alle inbreukprocedures vanaf de ingebrekestelling, waaronder, zo het Parlement hierom verzoekt, […] de kwesties waarop de inbreukprocedure betrekking heeft";

36.  verlangt dat er bij de bevoegde directoraten-generaal van het Parlement (IPOL, EXPO en Onderzoek) een autonoom systeem wordt ingericht voor ex-post-effectbeoordeling van de belangrijkste Europese wetgeving die bij medebeslissing en overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure door het Europees Parlement, deels met medewerking van de nationale parlementen, is aangenomen;

37.  merkt op dat het Hof heeft aangegeven dat "schade die door nationale instellingen is veroorzaakt [...] alleen tot aansprakelijkheid van die instellingen kan leiden, en alleen de nationale rechtbanken [...] bevoegd [blijven] voor het vaststellen van schadeloosstelling voor dergelijke schade"(5); onderstreept derhalve de noodzaak om de rechtsmiddelen die op nationaal niveau beschikbaar zijn, te versterken, zodat de klagers hun rechten op directere en persoonlijkere wijze kunnen doen gelden;

38.  stelt vast dat de meeste klachten van burgers op het gebied van justitie betrekking hebben op de bewegingsvrijheid en de bescherming van persoonsgegevens; herhaalt dat het recht op vrij verkeer één van de vier fundamentele vrijheden van de EU vormt, dat is vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan alle Europese burgers wordt gewaarborgd; herhaalt dat het recht van EU-burgers om vrij in andere lidstaten te reizen, te verblijven en te werken één van de fundamentele vrijheden van de Europese Unie vormt en aldus moet worden gegarandeerd en beschermd;

39.  benadrukt dat de volledige omzetting en doeltreffende uitvoering van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel een absolute prioriteit is; dringt er bij de lidstaten op aan alles in het werk te stellen om het nieuwe asielpakket volledig, correct en tijdig om te zetten;

40.  merkt op dat er op het beleidsterrein binnenlandse zaken in 2012 22 inbreukprocedures liepen en in 2013 44; betreurt het ten zeerste dat de meeste inbreukprocedures in 2013 werden ingeleid in verband met de te late omzetting van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel; merkt op dat er nog altijd veel klachten worden ingediend met betrekking tot het asielbeleid;

41.  merkt op dat er op het gebied van justitie in 2012 61 inbreukprocedures liepen en in 2013 67; wijst erop dat de meeste van deze procedures betrekking hadden op burgerschap en het vrij verkeer van personen; betreurt ten zeerste dat de meeste inbreukprocedures wegens te late omzetting werden ingeleid in verband met de te late omzetting van Richtlijn 2010/64/EU betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures; spreekt zijn bezorgdheid uit over de aanzienlijke toename van het aantal klachten op het gebied van justitie in 2013;

42.  is verheugd over de aanzienlijke vooruitgang die de afgelopen jaren is geboekt ten aanzien van de versterking van de rechten van verdachten en beklaagden in de EU; benadrukt het wezenlijke belang van een tijdige, volledige en juiste omzetting van alle maatregelen die zijn opgesomd in de routekaart van de Raad ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures; wijst erop dat deze maatregelen essentieel zijn voor een doeltreffende justitiële samenwerking in strafzaken in de EU;

43.  benadrukt dat mensenhandel een ernstig misdrijf is en een vorm van schending van de mensenrechten en de menselijke waardigheid vormt, die de Unie niet kan tolereren; betreurt dat het aantal slachtoffers van mensenhandel naar en vanuit de EU toeneemt; wijst erop dat er op dit gebied weliswaar een passend wettelijk kader bestaat, maar dat de uitvoering van dit kader door de lidstaten in de praktijk nog te wensen overlaat; onderstreept dat het risico van mensenhandel als gevolg van de huidige situatie in het Middellandse Zeegebied nog toeneemt, en vraagt de lidstaten uiterst doortastend op te treden tegen de daders van dergelijke misdrijven en de slachtoffers zo doeltreffend mogelijk te beschermen;

44.  herinnert eraan dat de in protocol 36 bij het Verdrag van Lissabon vastgelegde overgangsperiode op 1 december 2014 is geëindigd; benadrukt dat na afloop van deze overgangsperiode een omvattende evaluatie dient plaats te vinden van de maatregelen die zijn genomen onder de voormalige derde pijler en de uitvoering van die maatregelen door de lidstaten; wijst erop dat het Parlement sinds april 2015 nog niet is ingelicht over de stand van zaken met betrekking tot de verschillende wetgevingsmaatregelen die de lidstaten in de periode vóór Lissabon hebben vastgesteld op het gebied van justitiële en politiële samenwerking; verzoekt de Commissie het beginsel van loyale samenwerking te eerbiedigen en deze informatie zo snel mogelijk aan het Parlement ter beschikking te stellen;

45.  herinnert eraan dat in de conclusies van de Europese Raad van juni 2014 wordt gesteld dat de komende vijf jaar in algemene zin prioriteit moet worden gegeven aan de consequente omzetting en de daadwerkelijke uitvoering en consolidering van de bestaande juridische instrumenten en beleidsmaatregelen op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (RVVR); verlangt van de Commissie dat zij nadrukkelijker toeziet op de concrete tenuitvoerlegging van EU-wetgeving door de lidstaten; is van mening dat dit een politieke prioriteit dient te zijn, gelet op de brede kloof die vaak gaapt tussen het op Unie-niveau aangenomen beleid en de uitvoering daarvan op nationaal niveau; spoort de parlementen van de lidstaten ertoe aan meer deel te nemen aan het Europese debat en aan het toezicht op de toepassing van het EU-recht, in het bijzonder op het vlak van binnenlandse zaken;

46.  benadrukt dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 11 september 2013 over Europese talen die met uitsterven worden bedreigd en taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie(6), herhaalde dat de Commissie aandacht moet besteden aan het feit dat sommige lidstaten en regio's met hun beleid het voortbestaan van talen binnen hun grenzen in gevaar brengen, ook al zijn deze talen op Europees niveau niet bedreigd, en de Commissie ook verzocht zich te beraden over de administratieve en juridische belemmeringen waarmee projecten met betrekking tot bedreigde talen te maken hebben vanwege de geringe omvang van de desbetreffende taalgemeenschappen; vraagt de Commissie in dit verband om bij de beoordeling van de toepassing van het EU-recht terdege rekening te houden met de rechten van personen die tot minderheden behoren;

47.  benadrukt dat de toegang van de burgers tot informatie en documenten over de toepassing van EU-recht niet alleen binnen de RVVR maar ook op andere beleidsgebieden verbeterd moet worden; dringt er bij de Commissie op aan in kaart te brengen op welke manieren dit het beste kan worden gedaan, en daarbij gebruik te maken van bestaande communicatiekanalen, teneinde de transparantie te verbeteren en de toegang tot informatie en documenten over de toepassing van EU-recht te waarborgen; vraagt de Commissie een wettelijk bindend instrument voor te stellen met betrekking tot de administratieve procedure voor de behandeling van klachten van burgers;

48.  herhaalt dat de goede werking van een echte Europese ruimte van recht gestoeld op eerbiediging van de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten van vitaal belang is voor de EU, en dat de volledige, correcte en tijdige uitvoering van de EU-wetgeving een voorafgaande voorwaarde is om deze doelstelling te kunnen bereiken;

49.  onderstreept dat verbeterde uitvoering een van de prioriteiten is in het zevende milieuactieprogramma;

50.  betreurt het dat de EU-wetgeving op het gebied van milieu en gezondheid nog steeds gevolgen ondervindt door de vele gevallen van te late of onjuiste omzetting en slechte uitvoering door de lidstaten; merkt op dat uit het 31ste jaarlijkse verslag van de Commissie over de toepassing van het EU-recht blijkt dat de grootste categorie inbreukprocedures in 2013 betrekking had op het milieu; herinnert eraan dat in gebreke blijven met de uitvoering van milieubeleid hoge kosten met zich brengt, naar schatting zo'n 50 miljard EUR per jaar, de proceskosten van inbreukprocedures meegerekend (COWI et al. 2011); benadrukt bovendien dat de uitvoering van het milieubeleid vele sociaaleconomische voordelen zou opleveren die in kosten-batenanalyses niet altijd terug te vinden zijn;

51.  verzoekt de Commissie strenger de hand te houden aan de toepassing van de EU-milieuwetgeving en sneller en effectiever onderzoek te doen naar eventuele inbreuken in verband met milieuvervuiling;

52.  verzoekt de Commissie krachtiger op te treden tegen te late omzetting van milieurichtlijnen en meer gebruik te maken van dwangsommen;

53.  vraagt de Commissie om een nieuw voorstel over toegang tot de rechter in milieuzaken en een voorstel inzake milieu-inspecties uit te brengen, indien mogelijk zonder meer bureaucratie en administratieve kosten;

54.  onderstreept dat de milieubescherming op een hoog peil gehandhaafd moet blijven en waarschuwt dat een hoog niet-nakomingspercentage niet mag worden opgevat als reden om het ambitieniveau van de milieuwetgeving te verlagen;

55.  is bang dat de Commissie in haar communicatie over het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT) de moeilijkheid om uitvoering te geven aan milieu- en gezondheidswetgeving als te groot voorstelt; onderstreept dat de wetgeving op het gebied van milieu, voedselveiligheid en gezondheid niet mag worden ondergraven in het kader van het REFIT-programma; onderkent de noodzaak van betere regelgeving en is van mening dat bij vereenvoudiging van regelgeving ook de problemen aandacht moeten krijgen die bij de uitvoering zijn opgedoken; stelt dat REFIT op de minst belastende manier resultaten moet opleveren voor burgers en bedrijven;

56.  is ingenomen met de nieuwe praktijk op grond waarvan de Commissie in gerechtvaardigde gevallen de lidstaten kan verzoeken toelichtende stukken bij te voegen wanneer zij de Commissie in kennis stellen van hun omzettingsmaatregelen; herhaalt evenwel zijn verzoek om in alle EU-talen het publiceren van concordantietabellen bij de omzetting van richtlijnen verplicht te stellen, en betreurt dat REFIT een unilateraal besluit van de Commissie was, zonder effectieve sociale en parlementaire dialoog;

57.  merkt op dat de Commissie in verband met REFIT de dialoog over gezonde regelgeving met burgers, lidstaten, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld in het algemeen moet vergemakkelijken om ervoor te zorgen dat de kwaliteit en de sociale aspecten van de EU-wetgeving behouden blijven en dat de vooruitgang ten aanzien van één ideaal niet ten koste gaat van andere idealen;

58.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0051.
(3) Beleidsondersteunende afdeling C: Rechten van de burger en Constitutionele Zaken voor de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (2015).
(4) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
(5) Zie het arrest in zaak 175/84.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0350.

Juridische mededeling - Privacybeleid