Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 28 april 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Toetsing van de verklaringen van voorgedragen commissarissen betreffende hun financiële belangen (interpretatie van lid 1 (a) van Bijlage XVI van het Reglement)
 Internationaal Verdrag betreffende de normen voor de bemanning van vissersvaartuigen ***
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2015: Wijziging van het MFK voor de jaren 2014-2020
 Ingebruikname van het eCall-boordsysteem ***II
 Richtlijn inzake kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en richtlijn inzake energie uit hernieuwbare bronnen ***II
 Vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen ***II
 Kooldioxide-emissies door maritiem vervoer ***II
 Europese statistiek ***II
 Meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
 Aanlandingsplicht ***I
 Protocol bij de Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de EG en Rusland, om rekening te houden met de toetreding van Kroatië tot de EU ***
 Tenuitvoerlegging van het Bologna-proces
 De Europese film in het digitale tijdperk
 Een nieuwe EU-bosstrategie

Toetsing van de verklaringen van voorgedragen commissarissen betreffende hun financiële belangen (interpretatie van lid 1 (a) van Bijlage XVI van het Reglement)
PDF 147kWORD 59k
Besluit van het Europees Parlement van 28 april 2015 betreffende de toetsing van de verklaringen van voorgedragen commissarissen betreffende hun financiële belangen (interpretatie van lid 1 (a) van Bijlage XVI van het Reglement) (2015/2047(REG))
P8_TA(2015)0096

Het Europees Parlement,

–  gezien de brief van 9 april 2015 van de voorzitter van de Commissie constitutionele zaken,

–  gelet op artikel 226 van zijn Reglement,

1.  besluit de volgende interpretatie op te nemen in lid 1 (a) van Bijlage XVI van het Reglement:

"De toetsing van de verklaring van een voorgedragen commissaris betreffende zijn financiële belangen door de voor juridische zaken bevoegde commissie houdt niet alleen in dat geverifieerd wordt of de verklaring naar behoren is ingevuld maar ook dat beoordeeld wordt of er uit de inhoud van de verklaring een belangenconflict kan worden afgeleid. Het is vervolgens aan de voor de hoorzitting verantwoordelijke commissie om te besluiten of zij al dan niet nadere informatie verlangt van de voorgedragen commissaris."

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.


Internationaal Verdrag betreffende de normen voor de bemanning van vissersvaartuigen ***
PDF 241kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 april 2015 betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad waarbij de lidstaten worden gemachtigd om zich aan te sluiten bij het Internationale Verdrag betreffende de normen voor de bemanning van vissersvaartuigen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van 1995 van de Internationale Maritieme Organisatie in het belang van de Europese Unie (15528/2014 – C8-0295/2014 – 2013/0285(NLE))
P8_TA(2015)0097A8-0064/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (15528/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 46, artikel 53, lid 1, en artikel 62, alsmede krachtens artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), letter v), en artikel 218, lid 8, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0295/2014),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, artikel 99, lid 2, alsmede artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8‑0064/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van besluit van de Raad;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2015: Wijziging van het MFK voor de jaren 2014-2020
PDF 257kWORD 66k
Resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2015 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2015 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie (07660/2015/2015 – C8-0098/2015 – 2015/2013(BUD))
P8_TA(2015)0098A8-0138/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, definitief vastgesteld op 17 december 2014(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3) (MFK-verordening),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2015, goedgekeurd door de Commissie op 20 januari 2015 (COM(2015)0016),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2015, vastgesteld door de Raad op 21 april 2015 en toegezonden aan het Europees Parlement op 22 april 2015 (07660/2015),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2015/623/ van de Raad van 21 april 2015 houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(5),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0138/2015),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2015 verband houdt met het voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van de MFK-verordening (COM(2015)0015), zoals voorzien in artikel 19 van die verordening;

B.  overwegende dat artikel 19 van de MFK-verordening bepaalt dat het meerjarig financieel kader in geval van een te late vaststelling van regels of programma's onder gedeeld beheer, moet worden herzien om de toegewezen bedragen die in 2014 niet zijn gebruikt, over te dragen naar daaropvolgende jaren, boven de vastgestelde uitgavenmaxima;

C.  overwegende dat in 2014 voor een bedrag van 21 043 639 478 EUR in lopende prijzen aan vastleggingskredieten voor programma's in gedeeld beheer in de zin van artikel 19 van de MFK-verordening verlopen is, welk bedrag overeenkomt met de tranches "2014" van programma's die niet in 2014 vastgelegd konden worden, noch naar 2015 overgedragen konden worden;

D.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2015 voorziet in de overdracht van het grootste deel van deze toewijzingen naar de begroting 2015 en in het opnemen van van kleinere overdrachten in de ontwerpbegrotingen voor de jaren 2016 en 2017;

E.  overwegende dat in het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2015 voorgesteld wordt de vastleggingskredieten in 2015 voor de verschillende fondsen onder gedeeld beheer in het kader van rubriek 1b, rubriek 2 en rubriek 3 met 16 476,4 miljoen EUR te verhogen;

F.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2015 ook het voorstel omvat 2,5 miljoen EUR meer uit te trekken voor het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) in rubriek 4, om de bijdragen uit rubriek 4 en uit rubriek 1b aan programma’s van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) — Europese territoriale samenwerking (ETS), op dezelfde manier te kunnen blijven behandelen;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2015, zoals door de Commissie ingediend, en van het standpunt van de Raad daarover;

2.  herinnert eraan dat een dergelijke herziening van de MFK-verordening een standaardprocedure is aan het begin van elke MFK-periode en dat het dienovereenkomstige ontwerp van gewijzigde begroting op deze herziening moet worden afgestemd;

3.  wijst er nogmaals op dat het voor de Europese burgers en de economieën in alle lidstaten van cruciaal belang is dat de ongebruikte kredieten voor het jaar 2014 naar volgende jaren kunnen worden overgedragen om bij te dragen aan het scheppen van banen en groei;

4.  is ingenomen met het feit dat de ongebruikte kredieten zoveel mogelijk naar het begrotingsjaar 2015 zijn overgedragen aangezien dit een oneerlijke behandeling van bepaalde lidstaten, regio's en operationele programma's zal voorkomen, de uitvoering en verwezenlijking van het cohesiebeleid zal versnellen en zal bijdragen tot het vermijden van de concentratie van betalingen aan het einde van de MFK-periode;

5.  is echter bezorgd over het langetermijneffect dat dit uitstel met een jaar voor de algehele situatie betreffende betalingen zal hebben; verzoekt daarom de Commissie om de uitvoering nauwlettend te volgen en alles in het werk te stellen om het sneeuwbaleffect van onbetaalde rekeningen te vermijden, door indien nodig adequate voorstellen in te dienen om de jaarlijkse niveaus van betalingskredieten aan te passen, overeenkomstig de betreffende bepalingen van de MFK-verordening;

6.  vestigt de aandacht op het feit dat het besluit om de meeste niet-gebruikte kredieten over te dragen van 2014 naar 2015, een flexibele houding van de Commissie kan vereisen voor het aanpakken van de moeilijkheden die kunnen ontstaan door een onevenwichtig financieel profiel en die ertoe kunnen leiden dat er in de periode 2014-2020 ongebruikte vastleggingskredieten zijn; verzoekt de Commissie om op basis van gelijkaardige ervaringen uit het verleden waarbij programma’s laat werden goedgekeurd, gepaste maatregelen voor te stellen voor het geval een dergelijke situatie zich voordoet;

7.  onderstreept de noodzaak om over dit ontwerp van gewijzigde begroting tijdig tot overeenstemming te komen om een snelle goedkeuring van de betreffende programma's mogelijk te maken;

8.  keurt het standpunt van de Raad inzake de gewijzigde begroting nr. 2/2015 goed;

9.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 1/2015 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer, het Comité van de Regio's en de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 69 van 13.3.2015.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 103 van 22.4.2015, blz. 1.


Ingebruikname van het eCall-boordsysteem ***II
PDF 246kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 april 2015 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake typegoedkeuringseisen voor de uitrol van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem en houdende wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (05130/3/2015 – C8-0063/2015 – 2013/0165(COD))
P8_TA(2015)0099A8-0053/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (05130/3/2015 – C8‑0063/2015),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2013(1),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0316),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0053/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 341 van 21.11.2013, blz. 47.
(2) Aangenomen teksten van 26.2.2014, P7_TA(2014)0154.


Richtlijn inzake kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en richtlijn inzake energie uit hernieuwbare bronnen ***II
PDF 246kWORD 70k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 april 2015 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (10710/2/2014 – C8-0004/2015 – 2012/0288(COD))
P8_TA(2015)0100A8-0025/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (10710/2/2014 – C8‑0004/2015),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 april 2013(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0595),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 1 april 2015 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 69 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0025/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in tweede lezing vast;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 28 april 2015 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2015/…van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2015/1513.)

(1) PB C 198 van 10.7.2013, blz. 56.
(2) Aangenomen teksten van 11 september 2013, P7_TA(2013)0357.


Vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen ***II
PDF 254kWORD 64k
Resolutie
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 april 2015 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende de vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen (05094/1/2015 – C8-0064/2015 – 2013/0371(COD))
P8_TA(2015)0101A8-0130/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (05094/1/2015 – C8-0064/2015),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 februari 2014(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 3 april 2014(2),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(3) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0761),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0130/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de verklaring die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

5.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van het Europees Parlement

Het Europees Parlement neemt kennis van de verklaring van de Commissie over de vaststelling van het akkoord tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG met het oog op de vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen.

Zoals de Commissie in haar toelichting heeft verklaard, bestaat de doelstelling van haar aanvankelijke voorstel erin "de negatieve gevolgen voor het milieu (vooral zwerfafval) te beperken, de afvalpreventie te bevorderen en de hulpbronnen efficiënter te gebruiken, maar ook de negatieve sociaaleconomische effecten te beperken. Meer specifiek wil het voorstel het verbruik van plastic draagtassen met een dikte van minder dan 50 micron (0,05 millimeter) in de Europese Unie verminderen."

Het Europees Parlement is van oordeel dat de door de medewetgevers overeengekomen tekst volledig strookt met de doelstellingen van het Commissievoorstel.

De Commissie concludeerde in haar effectbeoordeling dat de optie die een preventiedoelstelling voor de gehele EU combineert met een uitdrukkelijke aanbeveling om gebruik te maken van een prijsstellingsmaatregel en de mogelijkheid voor de lidstaten om marktbeperkingen toe te passen in afwijking van artikel 18 een zeer groot potentieel heeft om ambitieuze milieuresultaten op te leveren, terwijl positieve economische effecten worden bereikt, de negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid worden voorkomen, de aanvaarding door het publiek wordt gewaarborgd en wordt bijgedragen aan een grotere bewustwording inzake het duurzame verbruik.

Het Europees Parlement is van mening dat de overeengekomen definitieve tekst is gebaseerd op de optie waaraan de Commissie in haar eigen effectbeoordeling de voorkeur geeft en dat in deze tekst passende bepalingen zijn opgenomen die de lidstaten in staat stellen voor een daadwerkelijke vermindering van het verbruik van plastic draagtassen in de gehele EU te zorgen.

Het Europees Parlement wijst er bovendien op dat volgens paragraaf 30 van het Interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven" uit 2003 de medewetgevers mogen beslissen of een effectbeoordeling nodig is voorafgaand aan de aanneming van een belangrijk amendement.

Het Europees Parlement wijst erop dat overeenkomstig artikel 13, lid 2, VEU "de instellingen loyaal [samenwerken]." Het Parlement waardeert de inspanningen van de Commissie met het oog op de afsluiting van de interinstitutionele onderhandelingen. Het betreurt echter het feit dat de in de verklaring van de Commissie kwesties aan de orde komen, die tijdens de wetgevingsprocedure reeds afdoende zijn behandeld.

Ten slotte herinnert het Parlement eraan dat de Commissie als hoedster van de Verdragen volledig verantwoordelijk is voor de juiste toepassing van het Unierecht door de lidstaten.

(1) PB C 214 van 8.7.2014, blz. 40.
(2) PB C 174 van 7.6.2014, blz. 43.
(3) Aangenomen teksten van 16.4.2014, P7_TA(2014)0417.


Kooldioxide-emissies door maritiem vervoer ***II
PDF 247kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 april 2015 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een verordening van het Europees Parlement en de Raad over de monitoring, de rapportage en de verificatie van kooldioxide-emissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG (17086/1/2014 – C8-0072/2015 – 2013/0224(COD))
P8_TA(2015)0102A8-0122/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (17086/1/2014 – C8-0072/2015),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 oktober 2013(1),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2013)0480),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0122/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 67 van 6.3.2014, blz. 70.
(2) Aangenomen teksten van 16 april 2014, P7_TA(2014)0424.


Europese statistiek ***II
PDF 245kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 april 2015 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 223/2009 betreffende de Europese statistiek (05161/2/2015 – C8-0073/2015 – 2012/0084(COD))
P8_TA(2015)0103A8-0137/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (05161/2/2015 – C8-0073/2015),

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Spaanse Congres van Afgevaardigden, de Spaanse Senaat en de Oostenrijkse Federale Raad, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 6 november 2012(1),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0167),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0137/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 374 van 4.12.2012, blz. 2.
(2) Aangenomen teksten van 21.11.2013, P7_TA(2013)0505.


Meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
PDF 525kWORD 221k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 28 april 2015 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad (COM(2014)0614 – C8-0174/2014 – 2014/0285(COD))(1)
P8_TA(2015)0104A8-0128/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)   In het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee16 van 10 december 1982, waarbij de Unie partij is, zijn instandhoudingsverplichtingen vastgesteld, onder meer betreffende het behoud of het herstel van populaties van beviste soorten op een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.
(1)   In het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee16 van 10 december 1982, waarbij de Unie partij is, zijn instandhoudingsverplichtingen vastgesteld, onder meer betreffende het behoud of het herstel van populaties van beviste soorten op een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, op basis van de relevante ecologische en economische factoren.
__________________
__________________
16 PB L 179 van 23.6.1998, blz. 3
16 OJ L 179 van 23.6.1998, blz. 3.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)   Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad stelt de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid ( " GVB " ) vast in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie. Het GVB heeft onder meer ten doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, het voorzorgsbeginsel toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen.
(4)   Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad stelt de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid ( " GVB " ) vast in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie. Het GVB heeft onder meer ten doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit sociaaleconomisch en ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, op basis van een evenwichtige toepassing op het visserijbeheer van het voorzorgsbeginsel en van een ecosysteemgerichte benadering.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Het bij deze verordening vastgestelde meersoortenbeheersplan vereist dat er meer rekening wordt gehouden met de verschillende ecologische rollen en functies van de tot dit plan behorende soorten. Aangezien er een grote mate van interactie is tussen de verschillende soorten, kunnen vangsten niet voor alle soorten tegelijkertijd op duurzame wijze op maximumniveau worden gebracht en moet worden besloten welke soorten prioriteit krijgen.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)  De Raad en het Europees Parlement dienen rekening te houden met de meest recente aanbevelingen en verslagen van de ICES betreffende de maximale duurzame opbrengst, om te waarborgen dat de verordening zo actueel mogelijk is.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 quater (nieuw)
(7 quater)  Overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad1a (hierna de kaderrichtlijn mariene strategie, KMS) zijn gegevens over de verspreiding van natuurlijke grootte en leeftijd in commerciële visbestanden belangrijke indicatoren voor het doel om een goede ecologische status van het mariene milieu te bereiken.
_________________________
1a Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)   Het is passend een meersoortenvisserijplan vast te stellen dat rekening houdt met de dynamische relaties tussen de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden en ook aandacht heeft voor de soorten die de bijvangst van de visserij op die bestanden uitmaken, namelijk de schol-, griet-, bot- en tarbotbestanden in de Oostzee. Doel van dit plan moet zijn, voor de betrokken bestanden de maximale duurzame opbrengst te bereiken en te handhaven.
(8)   Het uiteindelijke doel is een meersoortenvisserijplan vast te stellen dat rekening houdt met de dynamische relaties tussen de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden en ook aandacht heeft voor de soorten die de bijvangst van de visserij op die bestanden uitmaken, namelijk de schol-, griet-, bot- en tarbotbestanden in de Oostzee. Doel van dit plan moet zijn het herstel, de realisatie en de handhaving van populaties van de betrokken visbestanden boven een niveau dat voor de betrokken bestanden de duurzame opbrengst kan opleveren, met zo weinig mogelijk impact op andere soorten, bijvoorbeeld zeevogels, en op het ruimere mariene milieu, in overeenstemming met artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)   De exploitatie van de kabeljauwbestanden en de pelagische bestanden mag de duurzaamheid van de bij die visserijen als bijvangst optredende bestanden, namelijk de Oostzeebestanden van schol, griet, bot en tarbot, niet in het gedrang brengen. Het plan dient er daarom ook op gericht te zijn de instandhouding van deze bijvangstbestanden op een biomassaniveau dat hoger is dan het met het voorzorgsbeginsel overeenstemmende niveau, te waarborgen.
(9)   De exploitatie van de kabeljauwbestanden en de pelagische bestanden mag de duurzaamheid van de bij die visserijen als bijvangst optredende bestanden, namelijk de Oostzeebestanden van schol, griet, bot en tarbot, niet in het gedrang brengen. Het plan dient er daarom ook op gericht te zijn de instandhouding te waarborgen van deze bijvangstbestanden op een biomassaniveau dat hoger is dan het niveau dat overeenstemt met de op het voorzorgsbeginsel en het ecosysteem gebaseerde benadering van visserijbeheer en dat voor de betrokken bestanden de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Met Verordening (EU) Nr. 1380/2013 wordt voorts beoogd om teruggooi geleidelijk uit te bannen met gebruikmaking van het beste wetenschappelijke advies, door ongewenste vangsten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken. Deze doelstelling kan worden bereikt door het selectieproces voor vistuig en visserijpraktijken te verbeteren.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bepaalt dat de visserijmogelijkheden worden vastgesteld in overeenstemming met de in de meerjarenplannen opgenomen streefwaarden.
(11)  Artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bepaalt dat de visserijmogelijkheden worden vastgesteld in overeenstemming met de in de meerjarenplannen opgenomen streefwaarden. Bij vaststelling van de te bereiken niveaus voor de sterfte door visserij en biomassa moet rekening worden gehouden met het meest actuele wetenschappelijke advies.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)   Die streefwaarden dienen derhalve te worden vastgesteld en uitgedrukt als visserijsterftecoëfficiënten, zulks op basis van wetenschappelijk advies19.
(12)   Die streefwaarden dienen derhalve te worden vastgesteld en uitgedrukt als visserijsterftecoëfficiënten, zulks op basis van wetenschappelijk advies19, die ervoor zorgen dat de populaties van geëxploiteerde soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. De maximale duurzame opbrengst dient de bovengrens te zijn voor de exploitatie.
__________________
__________________
19 Technische diensten van ICES, september 2014 http://www.ices.dk/sites/pub/Publication%20Reports/Advice/2014/Special%20Requests/EU_Fmsy_range_for_Baltic_cod_and_pelagic_stocks.pdf
19 Technische diensten van ICES, september 2014 http://www.ices.dk/sites/pub/Publication%20Reports/Advice/2014/Special%20Requests/EU_Fmsy_range_for_Baltic_cod_and_pelagic_stocks.pdf
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)   Er moeten instandhoudingsreferentiepunten worden vastgesteld zodat extra voorzorgen kunnen worden genomen wanneer de omvang van een bestand een bepaald kritiek niveau bereikt dat een ernstig risico inhoudt. Die instandhoudingsreferentiepunten moeten worden vastgesteld op het niveau van de minimale paaibiomassa die de reproductiecapaciteit van het bestand onaangetast laat. Wanneer de bestandsomvang tot onder de minimale paaibiomassa daalt, moeten herstelmaatregelen worden overwogen.
(13)   Er moeten instandhoudingsreferentiepunten worden vastgesteld zodat extra voorzorgen kunnen worden genomen wanneer de omvang van een bestand een bepaald kritiek niveau bereikt dat een ernstig risico inhoudt. Die instandhoudingsreferentiepunten moeten worden vastgesteld op het biomassaniveau overeenstemmend met de maximale duurzame opbrengst (BMSY) van een bestand. Er moeten herstelmaatregelen worden overwogen om te voorkomen dat de bestandsomvang tot onder dat niveau daalt.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)   In het geval van de als bijvangst gevangen bestanden dienen, bij ontstentenis van wetenschappelijk advies over het minimale paaibiomassaniveau, specifieke instandhoudingsmaatregelen worden vastgesteld wanneer een bestand luidens wetenschappelijk advies gevaar loopt.
(14)   In het geval van de als bijvangst gevangen bestanden dienen, bij ontstentenis van wetenschappelijk advies over het minimale paaibiomassaniveau, specifieke instandhoudingsmaatregelen te worden vastgesteld wanneer andere indicatoren het mogelijk maken een wetenschappelijk advies te formuleren dat aangeeft dat een bestand gevaar loopt. De wetenschappelijke gegevens over het minimale paaibiomassaniveau van de bijvangst moeten snel ter beschikking worden gesteld opdat de nodige maatregelen kunnen worden getroffen.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)   Teneinde de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting na te leven, dient het plan te voorzien in andere beheersmaatregelen zoals beschreven in artikel 15, lid 4, onder a) tot en met c), van die verordening. Dergelijke maatregelen moeten worden vastgesteld middels een gedelegeerde handeling.
(16)   Teneinde de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting na te leven, dient het plan te voorzien in andere beheersmaatregelen zoals beschreven in artikel 15, lid 4, onder a) tot en met c), van die verordening. Dergelijke maatregelen moeten worden vastgesteld middels een gedelegeerde handeling na overleg met de betrokken adviesraden.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  De Commissie moet het advies van de betrokken adviesraden in acht nemen, wanneer zij gedelegeerde handelingen vaststelt om de in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsplicht na te leven om te voorzien in andere beheersmaatregelen zoals vastgesteld in artikel 15, lid 4, onder a) tot en met c), van die verordening.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)   Het plan dient voorts te voorzien in de aanneming, middels gedelegeerde handelingen, van bepaalde begeleidende technische maatregelen die moeten bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van het plan, met name inzake de bescherming van jonge of paaiende vis. In afwachting van de herziening van Verordening (EG) nr. 2187/200520 van de Raad moet ook de mogelijkheid worden opengelaten dat dergelijke maatregelen, indien zulks nodig is voor het bereiken van de doelstellingen van het plan, afwijken van sommige niet-essentiële elementen van die verordening.
(17)   Het plan dient voorts te voorzien in de aanneming, na overleg met de betrokken adviesraden en middels gedelegeerde handelingen, van bepaalde begeleidende technische maatregelen die moeten bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van het plan, met name inzake de bescherming van jonge of paaiende vis. In afwachting van de herziening van Verordening (EG) nr. 2187/200520 van de Raad moet ook de mogelijkheid worden opengelaten dat dergelijke maatregelen, indien zulks nodig is voor het bereiken van de doelstellingen van het plan, afwijken van sommige niet-essentiële elementen van die verordening.
__________________
__________________
20 Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21 december 2005 betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 88/98 (PB L 349 van 31.12.2005, blz. 1).
20 Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21 december 2005 betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 88/98 (PB L 349 van 31.12.2005, blz. 1).
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)  De Commissie moet het advies van de betrokken adviesraden in acht nemen, wanneer zij bepaalde begeleidende technische maatregelen neemt die moeten bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van het plan.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)   Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, dient de Commissie overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden gemachtigd handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen op het stuk van herstelmaatregelen voor schol, bot, tarbot en griet, de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting en technische maatregelen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig, op gepaste wijze en gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.
(18)   Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, dient de Commissie overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden gemachtigd handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen op het stuk van herstelmaatregelen voor schol, bot, tarbot en griet, de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting en technische maatregelen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau en op het niveau van gespecialiseerde instanties van de lidstaten en de Unie, in samenwerking met het Europees Parlement. Er moeten intensieve debatten worden gevoerd met de betrokken belanghebbenden voordat een voorstel voor een specifieke maatregel wordt afgerond. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig, op gepaste wijze en gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 bis (nieuw)
(18 bis)  De Commissie moet het advies van de betrokken adviesraden in acht nemen, wanneer zij gedelegeerde handelingen vaststelt die het toepassingsgebied van deze verordening aanvullen op het stuk van herstelmaatregelen voor schol, bot, tarbot en griet, de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting en technische maatregelen.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 ter (nieuw)
(18 ter)  Bij de tenuitvoerlegging van het bij deze verordening vastgestelde plan moet voorrang worden verleend aan de toepassing van het principe van regionalisering zoals bepaald in artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)   Wanneer de Commissie gemachtigd is om gedelegeerde handelingen met betrekking tot bepaalde in het plan vervatte instandhoudingsmaatregelen vast te stellen, dienen de lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer van de visserijen in de Oostzee overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de mogelijkheid te hebben om gemeenschappelijke aanbevelingen met betrekking tot deze maatregelen in te dienen, zodat deze goed op de specifieke kenmerken van de Oostzee en haar visserijen worden afgestemd. Voor de indiening van die aanbevelingen moet een uiterste termijn worden vastgesteld, zoals voorgeschreven bij artikel 18, lid 1, van genoemde verordening.
(19)   Wanneer de Commissie gemachtigd is om gedelegeerde handelingen met betrekking tot bepaalde in het plan vervatte instandhoudingsmaatregelen vast te stellen, dienen de lidstaten en de adviesraden met een rechtstreeks belang bij het beheer van de visserijen in de Oostzee overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de mogelijkheid te hebben om gemeenschappelijke aanbevelingen met betrekking tot deze maatregelen in te dienen, zodat deze goed op de specifieke kenmerken van de Oostzee en haar visserijen worden afgestemd. Voor de indiening van die aanbevelingen moet een uiterste termijn worden vastgesteld, zoals voorgeschreven bij artikel 18, lid 1, van genoemde verordening.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  Om de doeltreffendheid en de vernieuwende aspecten van het plan te verbeteren, moet ernaar worden gestreefd een resultaatgerichte en een bottom-upbenadering op te nemen in de gemeenschappelijke aanbevelingen en daaropvolgende gedelegeerde handelingen.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 ter (nieuw)
(19 ter)  De Commissie moet het advies van de betrokken adviesraden in acht nemen, wanneer zij gedelegeerde handelingen met betrekking tot bepaalde in het plan vervatte instandhoudingsmaatregelen vaststelt.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Er moeten regels worden vastgesteld om te waarborgen dat er in het geval van tijdelijke stillegging van visserijactiviteiten financiële steun kan worden verleend krachtens Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad1a.
___________
1a Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)   Wat de tijdhorizon betreft: de maximale duurzame opbrengst zal voor de betrokken bestanden naar verwachting tegen 2015 worden bereikt en moet van dan af worden gehandhaafd.
(25)   Wat de tijdhorizon betreft: de betrokken bestanden moeten indien mogelijk tegen 2015 de streefwaarde hebben bereikt. Een latere datum voor het halen ervan kan alleen worden toegestaan indien het verwezenlijken van deze doelstellingen in 2015 de sociale en economische duurzaamheid van de betrokken vissersvloten ernstig in gevaar zou brengen. Na 2015 moeten die niveaus zo spoedig mogelijk en hoe dan ook uiterlijk in 2020 worden gehaald. De streefwaarde moet vanaf die momenten worden gehandhaafd.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 26
(26)  Bij ontstentenis van een visserijinspanningsregeling moeten de specifieke regels inzake het speciale visdocument en de vervanging van vaartuigen of motoren die in de Golf van Riga van toepassing zijn, worden geschrapt. Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.
Schrappen
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 2
2.  Het plan is ook van toepassing op schol, bot, tarbot en griet i n de ICES-deelgebieden 22-32 die bij de visserij op de betrokken bestanden wordt gevangen.
2.  Deze verordening schrijft tevens voor dat de maatregelen voor bijvangsten van schol, bot, tarbot en griet in de ICES-deelgebieden 22-32 moeten worden toegepast bij de visserij op de in lid 1 bedoelde bestanden.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 - letter b en c
(b)   "kom": een groot, verankerd, aan staken vastgemaakt of soms drijvend net dat open is aan het oppervlak en is uitgerust met verschillende soorten voorzieningen om vis te verzamelen en vast te houden, en dat doorgaans is verdeeld in kamers die onderaan met netwerk zijn afgesloten;
b)   "kom, fuik en weer": een verankerd, aan staken vastgemaakt of soms drijvend net dat is uitgerust met verschillende soorten voorzieningen om vis te verzamelen en vast te houden, en dat doorgaans is verdeeld in kamers die onderaan met netwerk zijn afgesloten;
c)   " korven en kubben " : voor de vangst van schaaldieren of vissen bestemde kleine, afzonderlijk of in rijen op de zeebodem geplaatste vallen in de vorm van uit verschillende materialen vervaardigde kooien of manden; zij zijn middels touwen (boeirepen) verbonden met op het zeeoppervlak drijvende boeien die de positie aangeven, en zijn voorzien van één of meer openingen of gaten waarlangs de dieren binnenkomen;
c)   "korven en kubben": voor de vangst van schaaldieren of vissen bestemde, afzonderlijk of in rijen op de zeebodem geplaatste vallen in de vorm van uit verschillende materialen vervaardigde kooien of manden; zij zijn middels touwen (boeirepen) verbonden met op het zeeoppervlak drijvende boeien die de positie aangeven, en zijn voorzien van één of meer openingen of gaten waarlangs de dieren binnenkomen;
Amendementen 63, 28 en 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 3
1.  Het plan beoogt een bijdrage te leveren aan de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, en met name:
1.  Het plan verzekert de realisering van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en de in kaderrichtlijn mariene strategie (KMS) 2008/56/EG genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, en met name:
(a)   het bereiken en handhaven van de maximale duurzame opbrengst voor de betrokken bestanden, en
(a)   het brengen en behouden van de betrokken bestanden boven een biomassaniveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, en
(b)  het waarborgen van de instandhouding van de schol-, griet-, bot- en tarbotbestanden in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel.
(b)  het waarborgen van de instandhouding van de schol-, griet-, bot- en tarbotbestanden boven de voor een maximale duurzame opbrengst vereiste niveaus.
2.   Het plan beoogt een bijdrage te leveren aan de implementatie van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de betrokken bestanden en voor schol.
2.   Het plan draagt bij tot het uitbannen van teruggooi, met gebruikmaking van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, door ongewenste vangsten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsook tot de implementatie van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de betrokken bestanden en voor schol.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 bis (nieuw)
Artikel 3 bis
Coherentie met de milieuwetgeving van de Unie
1.  Met het plan wordt een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer toegepast.
2.  Om ervoor te zorgen dat de negatieve effecten van visserijactiviteiten op het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt en dat aantasting van het mariene milieu door visserijactiviteiten wordt voorkomen, is het plan coherent met en draagt het bij tot het halen van de doelstellingen van de kaderrichtlijn mariene strategie, om tegen 2020 een goede milieutoestand te bereiken. Met name wordt er met het plan naar gestreefd:
(a)  ervoor te zorgen dat is voldaan aan de voorwaarden die beschreven staan in beschrijvend element 3 in Annex I bij die richtlijn;
(b)  bij te dragen tot de voldoening van de beschrijvende elementen 1, 4 en 6 in bijlage I bij die richtlijn, in verhouding tot de rol die visserij voor de vervulling ervan speelt
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1
1.   De visserijsterfte voor de betrokken bestanden bereikt tegen 2015 de streefwaarde en wordt van dan af gehandhaafd binnen de volgende bandbreedtes:
1.   Bij de streefwaarde voor de visserijsterfte voor de betrokken bestanden wordt rekening gehouden met het meest recente wetenschappelijke advies en deze streefwaarde wordt bereikt indien mogelijk tegen 2015 en geleidelijk toenemend uiterlijk in 2020 en wordt daarna gehandhaafd. De visserijsterfte voor de betrokken bestanden wordt binnen de volgende bandbreedtes vastgesteld:
Bestand
Streefwaarde (bandbreedte) voor de visserijsterfte

Bestand
Streefwaarde (bandbreedte) voor de visserijsterfte

Kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee
0.23-0.29

Kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee
tussen 0 en de FMSY

Kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee
0.41-0.51

Kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee
tussen 0 en de FMSY

Haring in het centrale deel van de Oostzee
0.23-0.29

Haring in het centrale deel van de Oostzee
tussen 0 en de FMSY

Haring in de Golf van Riga
0.32-0.39

Haring in de Golf van Riga
tussen 0 en de FMSY

Haring in de Botnische Zee
0.13-0.17

Haring in de Botnische Zee
tussen 0 en de FMSY

Haring in de Botnische Baai
Niet gedefinieerd

Haring in de Botnische Baai
tussen 0 en de FMSY

Haring in het westelijke deel van de Oostzee
0.25-0.31

Haring in het westelijke deel van de Oostzee
tussen 0 en de FMSY

Sprot in de Oostzee
0.26-0.32

Sprot in de Oostzee
tussen 0 en de FMSY

De waarden voor de FMSY (visserijsterfte die consistent is met het halen van de maximale duurzame opbrengst) moeten worden overgenomen uit het meest recente, betrouwbare wetenschappelijke advies dat beschikbaar is, en voor F (visserijsterfte) moet worden gestreefd naar 0,8 maal de FMSY.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De vangstmogelijkheden worden zodanig vastgesteld dat de waarschijnlijkheid dat zij de in de tabel in lid 1 weergegeven F‑MSY-waarden overschrijden, minder dan 5 % bedraagt.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  Tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten in de zin van art. 33 van Verordening (EU) nr. 508/2014, gewaarborgd met financiële steun op grond van die verordening, is in het kader van deze verordening toegestaan.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.   De instandhoudingsreferentiepunten, uitgedrukt als minimumniveau van de paaibiomassa waarbij de reproductiecapaciteit onaangetast blijft, bedraagt voor de betrokken bestanden:
1.   De instandhoudingsreferentiepunten die zijn afgestemd op volledig behoud van de reproductiecapaciteit, bedragen voor de betrokken bestanden:
Bestand
Minimumniveau van de paaibiomassa (in ton)

Bestand
Minimumniveau van de paaibiomassa (in ton)

Kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee
36 400

Kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee
36 400 voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee
88 200

Kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee
88 200 voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Haring in het centrale deel van de Oostzee
600 000

Haring in het centrale deel van de Oostzee
600 000 voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Haring in de Golf van Riga
Niet gedefinieerd

Haring in de Golf van Riga
Niet gedefinieerd voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Haring in de Botnische Zee
Niet gedefinieerd

Haring in de Botnische Zee
Niet gedefinieerd voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Haring in de Botnische Baai
Niet gedefinieerd

Haring in de Botnische Baai
Niet gedefinieerd voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Haring in het westelijke deel van de Oostzee
110 000

Haring in het westelijke deel van de Oostzee
110 000 voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Sprot in de Oostzee
570 000

Sprot in de Oostzee
570 000 voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.  Wanneer de paaibiomassa van enig betrokken bestand in een bepaald jaar lager is dan het in lid 1 vastgestelde minimumniveau voor die paaibiomassa, worden passende herstelmaatregelen vastgesteld om een snelle terugkeer van het betrokken bestand naar het voorzorgsniveau te waarborgen. In het bijzonder worden, in afwijking van artikel 4, lid 2, van deze verordening en in overeenstemming met artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, de visserijmogelijkheden vastgesteld op een niveau dat lager is dan datgene wat resulteert in de in artikel 4, lid 1, genoemde streefbandbreedtes voor de visserijsterfte. Deze herstelmaatregelen kunnen, indien passend, ook de indiening van wetsvoorstellen door de Commissie alsook overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 door de Commissie vastgestelde noodmaatregelen omvatten.
2.  Wanneer de paaibiomassa van enig betrokken bestand in een bepaald jaar lager is dan het in lid 1 vastgestelde minimumniveau voor die paaibiomassa, worden passende herstelmaatregelen vastgesteld om te waarborgen dat het betrokken bestand zo snel mogelijk boven een niveau wordt teruggebracht dat de maximale duurzame opbrengst (MSY) kan opleveren. In het bijzonder worden, in afwijking van artikel 4, lid 2, van deze verordening en in overeenstemming met artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, de visserijmogelijkheden vastgesteld op een niveau dat lager is dan datgene wat resulteert in de in artikel 4, lid 1, van deze verordening genoemde streefbandbreedtes voor de visserijsterfte. Deze herstelmaatregelen kunnen, indien passend, ook de indiening van wetsvoorstellen door de Commissie alsook overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 door de Commissie vastgestelde noodmaatregelen omvatten.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Wanneer de biomassa van enig betrokken bestand in een bepaald jaar daalt tot onder het in onderstaande tabel aangegeven niveau, worden passende maatregelen getroffen om de gerichte visserij op het betrokken bestand stop te zetten:
Bestand
Grenswaarde voor het biomassa-niveau (in ton)

Kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee
26 000

Kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee
63 000

Haring in het centrale deel van de Oostzee
430 000

Haring in de Golf van Riga
Niet gedefinieerd

Haring in de Botnische Zee
Niet gedefinieerd

Haring in de Botnische Baai
Niet gedefinieerd

Haring in het westelijke deel van de Oostzee
90 000

Sprot in de Oostzee
410 000

Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 6
Artikel 6
Artikel 6
Maatregelen bij bedreigingen voor schol, bot, tarbot en griet
Technische instandhoudingsmaatregelen voor schol, bot, tarbot en griet
1.   Wanneer luidens wetenschappelijk advies de instandhouding van enig schol-, bot-, tarbot- of grietbestand in de Oostzee wordt bedreigd, wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 15 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake specifieke instandhoudingsmaatregelen voor het bedreigde bestand, en zulks met betrekking tot:
1.   Wanneer luidens wetenschappelijk advies maatregelen nodig zijn om te waarborgen dat het schol-, bot-, tarbot- of grietbestand in de Oostzee overeenkomstig het voorzorgsbeginsel wordt beheerd, wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 15 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake specifieke instandhoudingsmaatregelen voor bijvangsten van schol, bot, tarbot en griet, met betrekking tot de volgende technische maatregelen:
(c)  (a) aanpassing van de visserijcapaciteit en de visserijinspanning;
(a)   aanpassing van de visserijcapaciteit en de visserijinspanning;
(d)(b) technische maatregelen, met inbegrip van
(1)   de kenmerken van het vistuig, met name de maaswijdte, de twijndikte en de afmetingen van het vistuig;
(b)   de kenmerken van het vistuig, met name de maaswijdte, de twijndikte en de afmetingen van het vistuig;
(2)   het gebruik van het vistuig, met name de onderwatertijd en de diepte waarop het vistuig wordt ingezet;
(c)  het gebruik van het vistuig, met name de onderwatertijd en de diepte waarop het vistuig wordt ingezet;
(3)   een verbod op of beperking van de visserij in specifieke gebieden;
(d)  een verbod op of beperking van de visserij in specifieke gebieden;
(4)   een verbod op of beperking van de visserij gedurende specifieke perioden;
(e)  een verbod op of beperking van de visserij gedurende specifieke perioden;
(5)   de minimale instandhoudingsreferentiegrootte.
(f)  de minimale instandhoudingsreferentiegrootte;
(g)  andere kenmerken gerelateerd aan selectiviteit.
2.   De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn erop gericht de in artikel 3, lid 1, onder b), genoemde doelstelling te bereiken en worden gebaseerd op wetenschappelijk advies.
2.   De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn erop gericht de in artikel 3, lid 1, onder b), genoemde doelstelling, alsmede coherentie met de milieuwetgeving van de Unie overeenkomstig artikel 3 bis te bereiken en worden gebaseerd op het beste beschikbare wetenschappelijke advies.
3.   De betrokken lidstaten kunnen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gemeenschappelijke aanbevelingen indienen met betrekking tot specifieke instandhoudingsmaatregelen als bedoeld in lid 1.
3.   De betrokken lidstaten kunnen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gemeenschappelijke aanbevelingen indienen met betrekking tot specifieke instandhoudingsmaatregelen als bedoeld in lid 1.
3 bis.  Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen raadpleegt de Commissie het Europees Parlement en de relevante adviesraden.
3 ter.  De Commissie analyseert in overleg met de lidstaten in kwestie de impact van de in lid 1 genoemde gedelegeerde handelingen een jaar na de goedkeuring ervan, en vervolgens ieder jaar. Als uit deze analyse blijkt dat een gedelegeerde handeling niet geschikt is om de bestaande situatie aan te pakken, kunnen de lidstaten in kwestie een gemeenschappelijke aanbeveling overeenkomstig artikel 18, lid 1; van Verordening (EU) Nr. 1380/2013 indienen.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 7
In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 geldt de aanlandingsverplichting voor de betrokken bestanden en voor schol niet wanneer de visserij daarop plaatsvindt met het volgende vistuig: kommen, korven en kubben.
In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 geldt de aanlandingsverplichting niet voor kabeljauw wanneer de visserij daarop plaatsvindt met het volgende vistuig: kommen, korven en kubben, en fuiken en weren.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2
2.  De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn erop gericht de in artikel 3 genoemde doelstellingen, en met name de bescherming van jonge of paaiende vis, te bereiken.
2.  De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn erop gericht de in artikel 3 genoemde doelstellingen, en met name de bescherming van jonge of paaiende vis, alsmede coherentie met de milieuwetgeving van de Unie overeenkomstig artikel 3 bis, te bereiken, en ervoor te zorgen dat de negatieve effecten van visserijactiviteiten op het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3 – letter a
a)   de in de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 2187/2005 bedoelde en in de bijlagen II en III van die verordening vervatte bepalingen inzake doelsoorten en maaswijdten;
a)   de in de bijlagen II, III en IV bij Verordening (EG) nr. 2187/2005 vervatte en in de artikelen 3, 4 en 14, lid 1, daarvan bedoelde bepalingen inzake doelsoorten, maaswijdten en minimuminstandhoudingsreferentie–groottes;
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3 – letter f
f)  het verbod op de trawlvisserij in de Golf van Riga overeenkomstig artikel 22 van die verordening.
Schrappen
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Bovendien streeft de Commissie ernaar rekening te houden met de recentste wetenschappelijke studies, waaronder degene die afkomstig zijn van de ICES, voordat zij technische maatregelen goedkeurt.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.  Tijdens het paaien van de kabeljauw is pelagische visserij met staande visnetten met een maaswijdte van minder dan 110 mm en gesleept vistuig met een maaswijdte van 120 mm verboden.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk VI bis (nieuw)
HOOFDSTUK VI bis
SPECIFIEKE MAATREGELEN
Artikel 9 bis
Specifieke maatregelen
1.  Alle visserij is van 1 mei tot en met 31 oktober verboden binnen de gebieden die worden ingesloten door de punten met de volgende geografische coördinaten, gemeten volgens het WGS84-coördinatenstelsel, achtereenvolgens door middel van loxodromen met elkaar te verbinden:
(a)  Gebied 1:
—  55° 45′ NB, 15° 30′ OL
—  55° 45′ NB, 16° 30′ OL
—  55° 00′ NB, 16° 30′ OL
—  55° 00′ NB, 16° 00′ OL
—  55° 15′ NB, 16° 00′ OL
—  55° 15′ NB, 15° 30′ OL
—  55° 45′ NB, 15° 30′ OL
(b)  Gebied 2:
—  55° 00′ NB, 19° 14′ OL
—  54° 48′ NB, 19° 20′ OL
—  54° 45′ NB, 19° 19′ OL
—  54° 45′ NB, 18° 55′ OL
—  55° 00′ NB, 19° 14′ OL
(c)  Gebied 3:
—  56° 13′ NB, 18° 27′ OL
—  56° 13′ NB, 19° 31′ OL
—  55° 59′ NB, 19° 13′ OL
—  56° 03′ NB, 19° 06′ OL
—  56° 00′ NB, 18° 51′ OL
—  55° 47′ NB, 18° 57′ OL
—  55° 30′ NB, 18° 34′ OL
—  56° 13′ NB, 18° 27′ OL
2.  Alle EU-vaartuigen met een lengte over alles van 3 m of meer die in de Oostzee vistuig voor de kabeljauwvisserij aan boord hebben of gebruiken in overeenstemming met artikel 2187 van Verordening (EG) nr. 2187/2005, beschikken over een speciaal visdocument voor de kabeljauwvisserij in de Oostzee.
3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 15 gedelegeerde handelingen tot wijziging van dit artikel vast te stellen indien zulks nodig is om de in artikel 3 genoemde doelstellingen te bereiken, met name de bescherming van jonge of paaiende vis.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 10
Artikel 10
Artikel 10
Regionale samenwerking
Regionale samenwerking
1.   Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in het kader van dit hoofdstuk genomen maatregelen.
1.   Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in artikel 6, 8 en 9 van deze verordening genoemde maatregelen.
2.   De betrokken lidstaten kunnen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gemeenschappelijke aanbevelingen indienen binnen de volgende termijnen:
2.   De betrokken lidstaten kunnen, na raadpleging van de regionale adviesraden, in artikel 6, lid 3, artikel 8, lid 3, en artikel 9, lid 4, van deze verordening genoemde gemeenschappelijke aanbevelingen de eerste keer niet later dan twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening indienen, en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 14, maar uiterlijk op 1 september voor maatregelen die betrekking hebben op de lidstaten. De lidstaten kunnen dergelijke aanbevelingen ook indienen wanneer zich bij een van de onder het plan vallende bestanden een plotse verandering van de situatie voordoet, indien de aanbevolen maatregelen noodzakelijk of gerechtvaardigd worden geacht op basis van wetenschappelijk advies.
(a)  voor de in artikel 6, lid 1, vervatte maatregelen en met betrekking tot een gegeven kalenderjaar, uiterlijk op 1 september van het vorige jaar;
(b)  voor de in artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 1, vervatte maatregelen, de eerste keer niet later dan zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens zes maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 14.
2 bis.  De betrokken adviesraden kunnen eveneens aanbevelingen indienen binnen de in lid 2 vermelde termijnen.
2 ter.  Iedere afwijking door de Commissie van de gemeenschappelijke aanbevelingen wordt aan het Europees Parlement en aan de Raad voorgelegd en is controleerbaar.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 12
Artikel 12
Artikel 12
Voorafgaande kennisgevingen
Voorafgaande kennisgevingen
1.   In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 geldt de in dat artikel vervatte verplichting tot voorafgaande kennisgeving voor kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van acht meter of meer die ten minste 300 kg kabeljauw of twee ton vis uit pelagische bestanden aan boord hebben.
1.   In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 geldt de in dat artikel vervatte verplichting tot voorafgaande kennisgeving voor:
(a)  met betrekking tot vissersvaartuigen die vissen op kabeljauw, kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van acht meter of meer die ten minste 300 kg kabeljauw aan boord hebben;
.
(b)  met betrekking tot vissersvaartuigen die vissen op haring en/of sprot, kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van acht meter of meer die ten minste twee ton vis uit pelagische bestanden aan boord hebben;
2.   In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedraagt de in dat artikel vermelde termijn voor voorafgaande kennisgeving ten minste een uur vóór het geplande tijdstip van aankomst in de haven.
2.   In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedraagt de in dat artikel vermelde termijn voor voorafgaande kennisgeving ten minste een uur vóór het geplande tijdstip van aankomst in de haven. De bevoegde autoriteiten van de kustlidstaten kunnen per geval toestemming verlenen voor een vroegere binnenkomst in de haven, op voorwaarde dat wordt voldaan aan de vereiste voorwaarden voor de passende controlemaatregelen.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – letter b
b)   5 ton vis uit pelagische bestanden.
b)   2 ton vis uit pelagische bestanden.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 14
Artikel 14
Artikel 14
Evaluatie van het plan
Evaluatie van het plan
De Commissie zorgt ervoor dat de effecten van dit plan op de onder deze verordening vallende bestanden en op de visserijen die deze bestanden exploiteren, zes jaar na de inwerkingtreding van het plan en vervolgens om de zes jaar worden geëvalueerd, met name om rekening te houden met veranderingen in de wetenschappelijke adviezen. De Commissie deelt de resultaten van deze evaluaties mee aan het Europees Parlement en de Raad.
Drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens om de vijf jaar beoordeelt de Commissie de effecten van dit meerjarenplan op de onder deze verordening vallende bestanden en op de visserijen die deze bestanden exploiteren, met name met betrekking tot de vooruitgang die gerealiseerd is inzake het brengen en behouden van de visbestanden boven een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. De Commissie deelt de resultaten van deze evaluatie mee aan het Europees Parlement en de Raad en kan indien nodig, rekening houdend met het recentste wetenschappelijk advies, aanpassingen in het meerjarenplan voorstellen of wijzigingen in de gedelegeerde handelingen initiëren.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk IX bis (nieuw)
HOOFDSTUK IX bis
STEUN UIT HET EUROPEES FONDS VOOR MARITIEME ZAKEN EN VISSERIJ
Artikel 14 bis
Steun van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij
Voor de toepassing van letter (c) van artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 508/2014 wordt het meerjarenplan waarin in deze verordening is voorzien, beschouwd als meerjarenplan in de zin van de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 2
2.   De in de artikelen 6, 8 en 9 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
2.   De in de artikelen 6, 8 en 9 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar na 1 september 2015. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 16
De artikelen 20 en 21 van Verordening (EG) nr. 2187/2005 worden geschrapt.
Verordening (EG) nr. 2187/2005 wordt als volgt gewijzigd:
1.  In artikel 13 wordt lid 3 geschrapt.
2.  In bijlage IV wordt in de kolom met het opschrift "minimumlengte" de maat "38 cm" betreffende de minimuminstandhoudingsreferentie–grootte voor kabeljauw vervangen door "35 cm".

(1) De zaak werd terugverwezen naar de Commissie uit hoofde van artikel 61, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A8-0128/2015).


Aanlandingsplicht ***I
PDF 244kWORD 97k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 april 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2187/2005, (EG) nr. 1967/2006, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 2347/2002 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1434/98 in samenhang met de aanlandingsplicht (COM(2013)0889 – C7-0465/2013 – 2013/0436(COD))
P8_TA(2015)0105A8-0060/2014

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0889),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0465/2013),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 29 april 2014(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 20 februari 2015 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0060/2014),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 april 2015 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2187/2005, (EG) nr. 1967/2006, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 2347/2002 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad, en Verordeningen (EU) nr. 1379/2013 en (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad, in verband met de aanlandingsverplichting, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1434/98 van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 2015/812.)

(1) PB C 311 van 12.9.2014, blz. 68.


Protocol bij de Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de EG en Rusland, om rekening te houden met de toetreding van Kroatië tot de EU ***
PDF 244kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 april 2015 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van het protocol bij de Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (11878/2014 – C8-0006/2015 – 2014/0052(NLE))
P8_TA(2015)0106A8-0129/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (11878/2014),

–  gezien het ontwerp-protocol bij de Overeenkomst inzake Partnerschap en Samenwerking waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (11513/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 91, artikel 100, lid 2, de artikelen 207 en 212, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0006/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0129/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Russische Federatie.


Tenuitvoerlegging van het Bologna-proces
PDF 205kWORD 97k
Resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2015 over de follow-up van de tenuitvoerlegging van het Bologna-proces (2015/2039(INI))
P8_TA(2015)0107A8-0121/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens, met name artikel 26,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 14,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van Sorbonne over de harmonisatie van de architectuur van het Europese hogeronderwijsstelsel, ondertekend door de vier bevoegde ministers namens Frankrijk, Duitsland, Italië en het Verenigd Koninkrijk op 25 mei 1998 in Parijs (Sorbonne-verklaring)(1),

–  gezien de gezamenlijke verklaring die op 19 juni 1999 in Bologna werd ondertekend door de ministers van Onderwijs van 29 Europese landen (Bologna-verklaring)(2),

–  gezien het communiqué dat op 28 en 29 april 2009 in Leuven en Louvain-la-Neuve werd uitgegeven door de conferentie van Europese ministers met bevoegdheid voor hoger onderwijs(3),

–  gezien de verklaring van Boedapest en Wenen van 12 maart 2010, aangenomen door de ministers van Onderwijs van 47 landen, waarmee de Europese hogeronderwijsruimte (EHOR) officieel van start ging(4),

–  gezien het communiqué dat op 26 en 27 april 2012 in Boekarest werd uitgegeven door de conferentie van Europese ministers en het derde Bologna-beleidsforum(5),

–  gezien de mobiliteitsstrategie 2020 voor de Europese hogeronderwijsruimte (EHOR) die op 26 en 27 april 2012 door de conferentie van ministers inzake EHOR werd aangenomen in Boekarest (6),

–  gezien Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt ("de IMI-verordening")(7),

–  gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 tot vergemakkelijking van de afgifte van eenvormige visa voor een verblijf van korte duur aan onderzoekers die onderdaan zijn van een derde land en die zich met het oog op wetenschappelijk onderzoek verplaatsen in de Gemeenschap(8),

–  gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 over verdere Europese samenwerking op het gebied van de kwaliteitsborging in het hoger onderwijs(9),

–  gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren(10),

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding ("ET 2020")(11),

–  gezien de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten op 26 november 2009, in het kader van de Raad bijeen, over het ontwikkelen van de rol van onderwijs in een ten volle functionerende kennisdriehoek(12),

–  gezien de conclusies van de Raad van 11 mei 2010 over de internationalisering van het hoger onderwijs(13),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 28 juni 2011 inzake beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten(14),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 28 juni 2011 getiteld "Jeugd in beweging – de leermobiliteit van jongeren bevorderen"(15),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 mei 2006 getiteld "Invulling van de moderniseringsagenda voor de universiteiten: onderwijs, onderzoek en innovatie" (COM(2006)0208),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2010 over een digitale agenda voor Europa (COM(2010)0245),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld "Ondersteuning van groei en werkgelegenheid – een agenda voor de modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen" (COM(2011)0567),

–  gezien het rapport "Higher Education in Europe 2009: Developments in the Bologna Process" (Eurydice, Europese Commissie, 2009)(16),

–  gezien het rapport "Focus on Higher Education in Europe 2010: The Impact of the Bologna Process" (Eurydice, Europese Commissie, 2010)(17),

–  gezien het rapport "The European Higher Education Area in 2012: Bologna Process Implementation Report" (Eurydice, Europese Commissie, 2012)(18),

–  gezien de onder docenten gehouden Eurobarometer-enquête uit 2007 over de hervorming van het hoger onderwijs(19),

–  gezien de onder studenten gehouden Eurobarometer-enquête uit 2009 over de hervorming van het hoger onderwijs(20),

–  gezien de Eurostat-publicatie van 16 april 2009 getiteld "The Bologna Process in Higher Education in Europe – Key indicators on the social dimension and mobility"(21),

–  gezien het eindverslag van de op 8 en 9 september 2011 in Jerevan (Armenië) gehouden internationale conferentie over de financiering van het hoger onderwijs(22),

–  gezien zijn resolutie van 23 september 2008 over het Bologna-proces en studentenmobiliteit(23),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de dialoog tussen universiteiten en bedrijfsleven: een nieuw partnerschap voor de modernisering van de Europese universiteiten(24),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2012 over de bijdrage van de Europese instellingen aan de versteviging en de uitbouw van het Bologna-proces(25),

–  gezien het nieuwe Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI)(26),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0121/2015),

A.  overwegende dat het belang van het Bologna-proces in de huidige economische situatie moet schuilen in het nastreven van de doelstellingen om het hoogst mogelijke kennis- en innovatieniveau voor burgers te bereiken via ruime toegang tot onderwijs en de permanente vernieuwing daarvan, en overwegende dat dit weerspiegeld moet worden in de herziening van de Europa 2020-strategie en in de uitvoering van het investeringsplan van Juncker voor Europa;

B.  overwegende dat bijna een op de drie werkgevers in de EU problemen ondervindt bij de aanwerving van gekwalificeerd personeel; overwegende dat vanuit het oogpunt van de toenemende discrepantie tussen vaardigheden in de EU (de kloof tussen de arbeidsvaardigheden van een persoon en de eisen van de arbeidsmarkt) de Bologna-hervormingen niet veel succes hebben opgeleverd; overwegende dat de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden een belangrijke uitdaging is voor Europa, met gevolgen voor alle terreinen van de samenleving, van de productiviteit en effectiviteit van bedrijven tot het welzijn van jongeren nu en in de toekomst;

C.  overwegende dat het probleem van de jeugdwerkloosheid niet veel kleiner is geworden sinds het begin van de crisis in 2008; overwegende dat aan het eind van 2014 ongeveer 5 miljoen jongeren onder de 25 werkloos waren in de EU;

D.  overwegende dat, zoals een filosoof ooit zei "universiteiten zich moeten onderscheiden door hun zoektocht naar waarheid en schoonheid", naast hun taak om nieuwe vakmensen, wetenschappers, ingenieurs, leraren, dokters, politici en burgers op te leiden;

E.  overwegende dat universiteiten moeten worden beschouwd als de belangrijkste spelers in het Bologna-proces, terwijl een ondersteunende rol op het vlak van coördinatie, regelgeving en personele en financiële middelen is weggelegd voor regionale en nationale instellingen;

F.  overwegende dat er in het kader van dit intergouvernementele initiatief, uitgevoerd in samenwerking met academici, inspanningen zijn gedaan om een gemeenschappelijk Europees antwoord te bieden op ernstige problemen in veel landen, maar dat deze ontoereikend waren;

G.  overwegende dat het werkelijke doel van het Bologna-proces is om mobiliteit en internationalisering te bevorderen, alsmede om de compatibiliteit en de vergelijkbaarheid van de normen en de kwaliteit van verschillende hogeronderwijsstelsels te waarborgen, waarbij tegelijkertijd de autonomie van universiteiten geëerbiedigd wordt en zodoende wordt bijgedragen aan de totstandbrenging van een authentiek democratische Europese ruimte waarin burgers gelijke mogelijkheden worden geboden;

H.  overwegende dat er een beoordeling moet worden uitgevoerd van de vooruitgang die de afgelopen vijftien jaar is geboekt, waarbij rekening wordt gehouden met zowel het succesverhaal van intraregionale samenwerking, als met de aanhoudende problemen en de onevenredige mate van verwezenlijking van de gestelde doelen;

I.  overwegende dat het Bologna-proces in de meeste landen weliswaar een drijvende kracht is geweest achter onderwijshervormingen, maar dat het in een aantal andere landen kan worden ervaren als een bureaucratische last vanwege slechte communicatie en het feit dat de werkelijke visie erachter niet begrepen is;

J.  overwegende dat de pan-Europese aard van het Bologna-proces op waarde moet worden geschat, evenals de betrokkenheid van alle deelnemende partijen, waaronder studenten, docenten, onderzoekers en niet-onderwijzend personeel;

K.  overwegende dat voortdurende en meer financiële steun voor onderwijs, opleiding, inclusief beroepsopleiding, kennis en onderzoek cruciaal is, vooral in deze periode van economische crisis;

L.  overwegende dat in deze aan verandering onderhevige context de politieke toewijding van de Europese instellingen, de nationale regeringen en alle belanghebbenden, die ten grondslag ligt aan het Bologna-proces, en hun betrokkenheid bij de verwezenlijking van het proces moet worden bekrachtigd;

Rol van het Bologna-proces

1.  merkt op dat onderwijs en onderzoek tot de belangrijkste pijlers van onze samenleving behoren als het gaat om de ontwikkeling van vaardigheden, groei en nieuwe banen; onderstreept dat een grotere investering in onderwijs cruciaal is om armoede, sociale ongelijkheid en werkloosheid, vooral jeugdwerkloosheid, doeltreffend aan te pakken en sociale inclusie te bevorderen;

2.  stelt vast dat het Bologna-proces ertoe kan bijdragen de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden in de EU op te heffen als studenten in staat worden gesteld de competenties te verwerven en te ontwikkelen die op de arbeidsmarkt gevraagd worden, en dat hierdoor het belangrijke doel kan worden gehaald om de inzetbaarheid van afgestudeerden te vergroten;

3.  is zich bewust van de belangrijke rol die het Bologna-proces speelt bij de totstandbrenging van een op kennis gebaseerd Europa; benadrukt dat de verspreiding van kennis, onderwijs en onderzoek een wezenlijk onderdeel vormt van de Europa 2020-strategie en bijdraagt aan de bevordering van het Europees burgerschap; wijst echter ook op de behoefte aan overleg binnen het hoger onderwijs (docenten, studenten en niet-onderwijzend personeel) om de weerstand tegen hervormingen in het kader van het Bologna-proces te kunnen begrijpen, alsmede de noodzaak om openbaar onderwijs te garanderen dat gratis en toegankelijk is voor iedereen en tegemoetkomt aan de behoeften in de samenleving;

4.  constateert dat de Bologna-hervormingen hebben geresulteerd in de verwezenlijking van een Europese hogeronderwijsruimte (EHOR), en de afgelopen vijftien jaar de weg vrijgemaakt hebben voor successen door hogeronderwijsstructuren vergelijkbaarder te maken, de mobiliteit te vergroten, kwaliteitsborgingssystemen aan te bieden, diploma's te erkennen en de kwaliteit van de onderwijssystemen en de aantrekkelijkheid van het hoger onderwijs in Europa te verbeteren;

5.  stelt vast dat er in het kader van het Bologna-proces nog veel werk verzet moet worden voor de aanpassing van de onderwijssystemen aan de behoeften op de arbeidsmarkt, bij de verbetering van de algehele inzetbaarheid en het concurrentievermogen en bij de aantrekkelijkheid van het hoger onderwijs in Europa; merkt op dat de Europese instellingen voor hoger onderwijs snel moeten kunnen inspelen op de economische, culturele, wetenschappelijke en technologische veranderingen in onze moderne samenleving zodat ze hun potentieel om groei, inzetbaarheid voor werk en sociale cohesie te stimuleren, volledig kunnen benutten;

6.  wijst op de doelstellingen voor de komende jaren en de nationale prioriteiten voor maatregelen die uiterlijk in 2015 moeten worden genomen, zoals uiteengezet door de ministersconferentie inzake EHOR die in 2012 in Boekarest werd gehouden, en in haar aanbevelingen voor de EHOR-mobiliteitsstrategie tot 2020, waarin wordt gepleit voor de oprichting van nieuwe waarnemingsposten, nieuwe benaderingen ten aanzien van de diverse Europese universitaire gemeenschappen en nieuwe systemen om de leden van die universitaire gemeenschappen te betrekken bij het hervormingsproces voor dit plan;

Prioriteiten en uitdagingen

7.  verzoekt de EHOR-landen om gemeenschappelijk overeengekomen hervormingen door te voeren om haast te maken met de verwezenlijking van de doelen van het Bologna-proces, en de geloofwaardigheid van de EHOR te vergroten; juicht steun toe aan de landen die moeilijkheden ondervinden bij de uitvoering van deze hervormingen; is in dit bestek voorstander van het opzetten van brede partnerschappen tussen landen, regio's en belanghebbenden;

8.  verzoekt de lidstaten de beoordeling van hogeronderwijsinstellingen verder te verbeteren en bij te werken volgens de normen die eerder gesteld zijn door onderwijssystemen op internationaal niveau, waarbij excellentie wordt beloond met het oog op de bevordering van kennis, onderzoek en wetenschap;

9.  benadrukt dat de verscheidenheid van het onderwijs, waaronder de verscheidenheid van talen, moet worden behouden; dringt er bij de lidstaten op aan meer studiebeurzen beschikbaar te stellen en erop toe te zien dat de beurzen gemakkelijk toegankelijk zijn;

10.  wijst erop dat de inspanningen moeten worden opgevoerd om de EHOR te ontwikkelen en verder te gaan met de vooruitgang die is geboekt bij het verwezenlijken van de doelstellingen daarvan, in samenwerking met de Europese onderwijs- en opleidingsruimte, de Europese ruimte voor levenslang leren en de Europese onderzoeksruimte;

11.  verzoekt alle belanghebbenden die betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van het Bologna-proces de kwaliteitsborging te verbeteren om een Europese hogeronderwijsruimte tot stand te brengen waarvan de aantrekkelijkheid wordt verbeterd als referentie voor wereldwijde academische excellentie;

12.  verzoekt de lidstaten, de EHOR-landen en de EU als geheel om het algemene begrip van en de steun voor het Bologna-proces aan te wakkeren, waaronder lokale maatregelen voor meer doeltreffende en dynamische betrokkenheid bij het halen van de doelstellingen;

13.  wijst erop dat voor de Commissie als lid van het Bologna-proces een belangrijke rol is weggelegd bij het ontwikkelen van de EHOR, en ziet graag dat zij zich nog meer inzet om het proces nieuw leven in te blazen en de inspanningen op te voeren om de gestelde doelen te halen;

14.  wijst erop dat de kwaliteit van onderwijs en onderzoek in de tertiaire sector moet worden opgenomen in de gestelde doelen; is van mening dat een van de indicatoren van de verwezenlijking van deze doelen de inzetbaarheid van afgestudeerden moet zijn, wat ook een van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie is;

15.  pleit voor een dialoog tussen regeringen, hogeronderwijsinstellingen en onderzoeksinstituten om de beschikbare fondsen gericht, optimaal en efficiënt in te zetten en op zoek te gaan naar nieuwe en verschillende financieringsmodellen als aanvulling op overheidsfinanciering; benadrukt tevens het belang van Horizon 2020 als drijvende kracht achter onderzoeksprojecten waarin Europese hogeronderwijsinstellingen samenwerken, en vindt het zorgwekkend dat er herhaalde pogingen zijn ondernomen om de financiering hiervoor te beperken terwijl andere onderdelen van de begroting buiten schot blijven;

16.  roept de regeringen op de overheidsfinanciering voor onderwijs efficiënter te besteden en de belangrijkste doelstelling van de EU na te leven om uiterlijk in 2020 3 % van het bbp van de Unie te investeren in onderzoek en ontwikkeling; benadrukt dat ambitieuze financiering van onderwijs en onderzoek nodig is, aangezien dit het instrument bij uitstek is om iedereen toegang te garanderen tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs en om de strijd aan te binden met de economische crisis en werkloosheid;

17.  wijst op de mogelijke financieringsmogelijkheden voor het hoger onderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding, die moeten worden verstrekt vanuit het EFSI; toont zich zeer verontrust over de geplande verlaging van de financiering voor Horizon 2020 op het vlak van onderzoek en onderwijs, ten gunste van het EFSI;

18.  waarschuwt ervoor dat eventuele bezuinigingen op Horizon 2020 zonder twijfel gevolgen hebben voor de volledige tenuitvoerlegging van het Bologna-proces, en dringt er dan ook bij de Commissie op aan elk voorstel van dien aard in te trekken;

19.  moedigt zowel top-down- als bottom-upbenaderingen aan, waarbij de hele academische wereld en de sociale partners worden betrokken, en pleit voor de politieke inzet en samenwerking van de ministers voor EHOR bij het uitwerken van een gemeenschappelijke strategie voor de verwezenlijking van de Bologna-hervormingen;

20.  pleit voor de verdere ontwikkeling van studieprogramma's met duidelijk geformuleerde doelstellingen, waarin kennis en een combinatie van vaardigheden wordt aangeboden, zowel algemeen als beroepsmatig, die niet alleen nodig zijn om afgestudeerden voor te bereiden op de vereisten van de arbeidsmarkt en capaciteit op te bouwen voor levenslang leren, maar ook en voornamelijk om burgers te laten integreren; staat achter de volledige tenuitvoerlegging van het Europees kader voor de certificering van beroepskwalificaties;

21.  benadrukt de rol van natuurwetenschappen, technologie, techniek en wiskunde (de zogenaamde STEM-disciplines) en het belang ervan voor de maatschappij, de economie en de inzetbaarheid van afgestudeerden;

22.  pleit voor de correcte tenuitvoerlegging van het Europees systeem voor het verzamelen en overdragen van studiepunten (ECTS) en het diplomasupplement in de EHOR, als essentiële hulpmiddelen die gekoppeld zijn aan de werklast van de studenten en studieresultaten, om de mobiliteit te vergemakkelijken en studenten te helpen hun academische en extracurriculaire prestaties op één plek onder te brengen;

23.  benadrukt dat de wederzijdse erkenning en compatibiliteit van academische diploma's moet worden gegarandeerd om het systeem van kwaliteitsborging op Europees niveau en in alle landen die zich aangesloten hebben bij de EHOR te versterken, in overeenstemming met de herziene versie van de Europese normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging in de Europese hogeronderwijsruimte; verzoekt alle EHOR-landen en hun kwaliteitsborgingsinstanties zich aan te sluiten bij de Europese netwerken voor kwaliteitsborging (ENQA en EQAR);

24.  spoort de partners van het Bologna-proces en vooral de Commissie aan om de discrepantie tussen aangeboden en gevraagde vaardigheden en competenties regelmatig te meten op het moment dat afgestudeerden de arbeidsmarkt betreden;

25.  benadrukt het belang van het doel van de Europa 2020-strategie op grond waarvan 40 % van de mensen tussen de 30 en 34 jaar hoger onderwijs moeten hebben afgerond en de juiste vaardigheden en competenties hebben verworven om zinvol werk te vinden;

26.  benadrukt de waarde van kwalificatiekaders om de transparantie te verbeteren, en verzoekt de landen die deel uitmaken van het Bologna-proces om hun nationale kwalificatiekaders af te stemmen op die van de EHOR en Europese kwalificatiekaders;

27.  benadrukt dat de nationale kwalificatiekaders in veel lidstaten nog moeten worden aangepast aan het Europese kwalificatiekader en aan de Europese normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging; constateert dat veel nationale kwalificatiekaders nog steeds niet zijn ingeschreven in het Europees kwaliteitsborgingsregister voor het hoger onderwijs (EQAR);

28.  merkt op dat de mobiliteit van studenten, docenten, onderzoekers en niet-onderwijzend personeel een van de belangrijkste prioriteiten van het Bologna-proces vormt; verzoekt de lidstaten de mogelijkheden voor en de kwaliteit van de mobiliteit te verbeteren, en benadrukt dat er meer aandacht moet worden besteed aan de tenuitvoerlegging van de mobiliteitsstrategie 2020 en dat de kwantitatieve doelstelling van 20 % voor studentenmobiliteit uiterlijk in 2020 moet zijn gehaald; benadrukt in dit verband de cruciale rol van het Erasmus+-programma en van Horizon 2020, en het belang van de soepele en efficiënte tenuitvoerlegging en bevordering ervan; benadrukt dat studiebeurzen voor Erasmus+ moeten worden vrijgesteld van belastingen en sociale heffingen;

29.  pleit voor de geleidelijke opname van studentenmobiliteit in de officiële universitaire curricula;

30.  benadrukt dat er voldoende studenten en docenten betrokken moeten zijn bij de onderdelen kunst en muziek in de mobiliteitsprogramma's van de EU;

31.  verzoekt de Commissie en de lidstaten Europese en internationale regelingen voor partnerschap en mobiliteit op te nemen bij de criteria voor het rangschikken van universiteiten en instellingen voor vervolgonderwijs;

32.  wijst op de belangrijke rol van hogeronderwijsinstellingen bij het bevorderen van mobiliteit en het opleveren van afgestudeerden en onderzoekers met de kennis en de vaardigheden waarmee ze met succes kunnen worden ingezet in de mondiale economie;

33.  verzoekt de lidstaten, de EU en de EHOR om de mobiliteit te versterken door het leren van talen te stimuleren, administratieve obstakels uit de weg te ruimen, een passende regeling voor financiële steun te bieden en de overdraagbaarheid van toelagen, beurzen en studiepunten te garanderen; stelt vast dat mobiliteit nog altijd minder toegankelijk is voor studenten uit minder welvarende milieus;

34.  benadrukt, met betrekking tot zowel het ontwerp als de uitvoering van programma's, de verschuiving van het onderwijsparadigma naar een meer studentgeoriënteerde benadering waartoe ook de persoonlijke ontwikkeling van studenten behoort; onderstreept hoe belangrijk de deelname van studenten aan het bestuur van het hoger onderwijs is;

35.  onderstreept dat studieprogramma's gericht moeten zijn op de langetermijnbehoeften op de markt; benadrukt tevens dat inzetbaarheid inhoudt dat studenten een breed scala aan verschillende competenties moeten beheersen waarmee ze worden klaargestoomd voor de arbeidsmarkt en een goede basis leggen voor levenslang leren; is in dit verband voorstander van een actieve dialoog en nationale en grensoverschrijdende samenwerking bij programma's en stages tussen de universitaire gemeenschap en het bedrijfsleven, waardoor de economische crisis mede kan worden bestreden, economische groei kan worden gestimuleerd, en een bijdrage kan worden geleverd aan de kennismaatschappij om mogelijkheden te bieden in bredere sociale zin; spoort instellingen voor hoger onderwijs aan zich open te stellen voor transdisciplinaire studies, de oprichting van universitaire onderzoeksinstituten en samenwerking met verscheidene partners;

36.  benadrukt dat er een keur aan mogelijkheden moet worden geboden voor levenslang leren en voor aanvullende vormen van leren zoals niet-formeel en informeel onderwijs;

37.  verlangt meer inspanningen om de koppeling tussen hoger onderwijs en onderzoek te verbeteren, onder andere door de bevordering van op onderzoek gebaseerd onderwijs, en merkt het programma Horizon 2020 aan als een essentieel financieringsmechanisme om onderzoek een impuls te geven; pleit voor een betere onderlinge afstemming van maatregelen die het Bologna-proces ondersteunen, zoals de programma's Horizon 2020 en Erasmus+;

38.  pleit voor flexibelere leerpaden, waaronder gezamenlijke masteropleidingen en interdisciplinaire studies, waarmee innovatie, creativiteit, beroepsonderwijs en -opleiding, duaal onderwijs en ondernemerschap in het hoger onderwijs wordt ondersteund, en wenst dat het potentieel van nieuwe technologieën, digitalisering en ICT wordt onderzocht als verrijking van het lesmateriaal en om een breed scala aan vaardigheden en nieuwe modellen voor zelfstudie, doceren en beoordeling verder te ontwikkelen;

39.  verzoekt instellingen voor hoger onderwijs, overheidsinstanties, sociale partners en ondernemingen om de dialoog te blijven aangaan en daarmee de inzetbaarheid voor werk te vergemakkelijken en te verbeteren; benadrukt in dit verband dat de discussie moet worden toegespitst op het onbenutte potentieel van het hoger onderwijs om groei en werkgelegenheid te stimuleren; verzoekt de EHOR-landen en instellingen voor hoger onderwijs nauwer samen te werken om kwalitatief hoogwaardige stages en leerlingplaatsen te garanderen en de mobiliteit in deze context te vergroten; benadrukt dat belanghebbenden beter moeten samenwerken om het niveau van kwalificaties op te krikken en te zorgen voor een nieuwe lichting geschoolde arbeidskrachten, en om de verstrekking, de toegankelijkheid en de kwaliteit van begeleiding op het vlak van carrières en werk te verbeteren; vindt bovendien dat stages binnen studieprogramma's en leren op de werkplek verder moeten worden gestimuleerd;

40.  benadrukt dat erkende vluchtelingen toegang moet worden verschaft tot alle instellingen in de EHOR zodat ze via onderwijs op eigen benen kunnen staan; benadrukt verder dat de regels voor verblijfsvergunningen voor afgestudeerden die op zoek zijn naar een beroepsmatige activiteit waarvoor zij zijn opgeleid, verder moeten worden versoepeld; benadrukt dat de inspanningen voor wederzijdse erkenning van erkende vluchtelingen moeten worden opgevoerd, vooral wat betreft de mobiliteit van dergelijke studenten;

41.  benadrukt dat de lidstaten en alle instellingen voor hoger onderwijs die zich hebben aangesloten bij de EHOR verantwoordelijk zijn voor het aanbieden van kwalitatief hoogwaardig onderwijs dat maatschappelijke en economische uitdagingen het hoofd kan bieden, en onderstreept dat deze partijen nauw moeten samenwerken om de doelstellingen van het Bologna-proces te halen;

42.  stelt vast dat slechts enkele lidstaten een uitvoerige strategie hebben opgesteld om studenten met een minder gunstige sociaal-economische achtergrond toe te laten tot het hoger onderwijs en zo het probleem van de zogenaamde sociale filter aan te pakken;

43.  pleit voor meer betrokkenheid van middelbareschoolleerkrachten bij het Bologna-proces door de kwaliteit van de lerarenopleidingen en beroepsmobiliteit te stimuleren om zo tegemoet te komen aan de nieuwe onderwijs- en opleidingsbehoeften van de kennismaatschappij en bij te dragen aan betere studieprestaties;

44.  benadrukt de rol van het onderwijs en de kwaliteit en missie van het onderwijs bij de vorming van toekomstige generaties en de bijdrage aan meer sociale en economische samenhang en aan het scheppen van banen, meer concurrentievermogen en groeipotentieel; pleit in dit verband voor een grotere erkenning van het leraarsvak;

45.  pleit voor economische en sociale inspanningen om de sociale inclusie te verbeteren door iedereen eerlijke en open toegang tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs te bieden, door de erkenning van academische en beroepskwalificaties, studieperioden in het buitenland, eerdere studies, programma's waarin "zachte vaardigheden" worden geleerd en niet-formeel en informeel leren te vergemakkelijken, en door een gemêleerde studentenpopulatie relevant onderwijs te bieden via levenslang leren;

46.  benadrukt de sociale dimensie van het Bologna-proces; pleit voor gerichte maatregelen om de deelname van ondervertegenwoordigde en achtergestelde groepen aan te wakkeren, onder andere via internationale mobiliteitsprogramma's;

47.  benadrukt dat onderwijsmobiliteit belangrijk is bij interculturele studies, en dat in het kader van het Bologna-proces actieve maatregelen moeten worden genomen om de interculturele kennis en het interculturele respect van studenten te bevorderen;

48.  pleit voor inspanningen om de strategie voor de externe dimensie van de EHOR verder uit te bouwen, door middel van samenwerking met andere regio's in de wereld, om het concurrentievermogen en de aantrekkelijkheid van de EHOR in een mondiale omgeving te vergroten, de informatieverstrekking over EHOR te verbeteren, de op partnerschap gebaseerde samenwerking te versterken, een intensievere beleidsdialoog te voeren en verder te gaan met de erkenning van kwalificaties;

49.  benadrukt dat er meer gegevens moeten worden verzameld door EHOR-landen om de uitdagingen van het Bologna-proces beter te kunnen bepalen en aan te pakken;

50.  benadrukt het belang van de volgende ministersconferentie inzake EHOR, die in mei 2015 zal worden gehouden in Jerevan, en wel om een objectieve en kritische evaluatie uit te voeren van de vorderingen en de tegenvallende resultaten bij het behalen van de prioriteiten voor 2012-2015, teneinde de EHOR met de volledige steun van de Unie een impuls te geven en verder te consolideren;

o
o   o

51.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) http://www.ehea.info/Uploads/Declarations/SORBONNE_DECLARATION1.pdf
(2) http://www.ehea.info/Uploads/Declarations/BOLOGNA_DECLARATION1.pdf
(3) http://www.ehea.info/Uploads/Declarations/Leuven_Louvain-la‑Neuve_Communiqu%C3%A9_April_2009.pdf
(4) http://www.ehea.info/Uploads/Declarations/Budapest-Vienna_Declaration.pdf
(5) http://www.ehea.info/Uploads/(1)/Bucharest%20Communique%202012(1).pdf
(6)http://www.ehea.info/Uploads/%281%29/2012%20EHEA%20Mobility%20Strategy.pdf
(7) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 132.
(8) PB L 289 van 3.11.2005, blz. 23.
(9) PB L 64 van 4.3.2006, blz. 60.
(10) PB C 111 van 6.5.2008, blz. 1.
(11) PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.
(12) PB C 302 van 12.12.2009, blz. 3.
(13) PB C 135 van 26.5.2010, blz. 12.
(14) PB C 191 van 1.7.2011, blz. 1.
(15) PB C 199 van 7.7.2011, blz. 1.
(16) http://eacea.ec.europa.eu/education/eurydice/documents/thematic_reports/099EN.pdf
(17) http://eacea.ec.europa.eu/education/eurydice/documents/thematic_reports/122EN.pdf
(18) http://www.ehea.info/Uploads/(1)/Bologna%20Process%20Implementation%20Report.pdf
(19) http://ec.europa.eu/public_opinion/flash/fl198_en.pdf
(20) http://ec.europa.eu/public_opinion/flash/fl_260_en.pdf
(21) http://ec.europa.eu/eurostat/documents/3217494/5713011/KS-78-09-653-EN.PDF/3eb9f4ec-dc39-4e51-a18b-b61eb7c2518b?version=1.0
(22) http://www.ehea.info/news-details.aspx?ArticleId=253
(23) PB C 8 E van 14.1.2010, blz. 18.
(24) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 95.
(25) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 24.
(26) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 (COM(2015)0010).


De Europese film in het digitale tijdperk
PDF 193kWORD 86k
Resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2015 over de Europese film in het digitale tijdperk (2014/2148(INI))
P8_TA(2015)0108A8-0123/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen van de Organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur (Unesco) van 20 oktober 2005,

–  gezien Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten)(1),

–  gezien Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014 - 2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 november 2014 over het Europese audiovisuele beleid in het digitale tijdperk(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2010 getiteld "Een digitale agenda voor Europa" (COM(2010)0245),

–  gezien het "Eerste verslag van de Commissie van 4 mei 2012 over de toepassing van Richtlijn 2010/13/EU, "de richtlijn audiovisuele mediadiensten", Audiovisuele mediadiensten en onlinetoestellen in het verleden en in de toekomst" (COM(2012)0203),

–  gezien het eerste verslag van de Commissie van 24 september 2012 over de toepassing van de artikelen 13, 16 en 17 van Richtlijn 2010/13/EU in de periode 2009-2010 - Bevordering van Europese producties bij televisiediensten en audiovisuele mediadiensten op aanvraag in de EU (COM(2012)0522),

–  gezien het derde verslag van de Commissie van 7 december 2012 over de uitdagingen voor het Europese filmerfgoed van het analoge en het digitale tijdperk (SWD(2012)0431) over de uitvoering van Aanbeveling 2005/865/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2005 inzake cinematografisch erfgoed en het concurrentievermogen van verwante industriële activiteiten,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 december 2012 over inhoud in de interne digitale markt (COM(2012)0789),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 24 april 2013 getiteld "Voorbereiding op een volledig geconvergeerde audiovisuele wereld: groei, creatie en waarden" (COM(2013)0231),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 november 2013 over overheidssteun voor films en andere audiovisuele werken(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 mei 2014 getiteld "De Europese film in het digitale tijdperk – Een brug slaan tussen culturele diversiteit en concurrentievermogen" (COM(2014)0272),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 4 december 2014 over "De Europese film in het digitale tijdperk",

–  gezien zijn resolutie van 16 november 2011 over de Europese film in het digitale tijdperk(6),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2012 over de onlineverspreiding van audiovisuele werken in de Europese Unie(7),

–  gezien zijn resolutie van 22 mei 2013 over de toepassing van de richtlijn audiovisuele mediadiensten(8),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 over de voorbereiding op een volledig geconvergeerde audiovisuele wereld(9),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0123/2015),

A.  overwegende dat films zowel economische als culturele goederen zijn die een grote bijdrage leveren aan de Europese economie in termen van groei en werkgelegenheid, en tegelijkertijd de identiteitsvorming in Europa bevorderen door de diversiteit van taal en cultuur te weerspiegelen, de Europese cultuurvormen over de grenzen heen te promoten en culturele uitwisseling en wederzijds begrip tussen burgers te faciliteren;

B.  overwegende dat het potentieel van de culturele en de creatieve sector in Europa, en met name van de Europese filmindustrie, nog beter moet worden benut bij het bevorderen van de Europese culturele diversiteit en het Europese culturele erfgoed alsmede bij het creëren van duurzame groei en banen, hetgeen weer ten goede kan komen aan andere economische sectoren en voor Europa aldus een concurrentievoordeel oplevert ten opzichte van de rest van de wereld;

C.  overwegende dat de Europese filmindustrie weliswaar een van de grootste producenten ter wereld is, met 1 500 nieuwe films in 2014, maar een zeer heterogene structuur kent, zowel wat de financiering als wat het soort producties betreft;

D.  overwegende dat Europese films opvallen door hun kwaliteit, originaliteit en diversiteit, maar te kampen hebben met beperkte reclame en distributie in de Unie, en dat dit te zien is aan de relatief geringe toeschouwersaantallen, terwijl zij wel moeten optornen tegen intense internationale concurrentie en problemen ondervinden bij de distributie in en buiten Europa;

E.  overwegende dat circulatie van Europese, niet-binnenlandse films in de lidstaten gering is, ondanks het grote aantal films dat ieder jaar wordt geproduceerd, terwijl niet-Europese producties een wijde distributie binnen de Unie kennen;

F.  overwegende dat de diversiteit van de Europese films, die de rijkdom en de kracht van de culturele en taaldiversiteit in Europa weerspiegelt, ook betekent dat de Europese filmmarkt van nature gecompartimenteerd is;

G.  overwegende dat het promoten van de productie van kwaliteitsfilms vooral van belang is voor kleine lidstaten met talen die slechts door een gering aantal personen worden gesproken;

H.  overwegende dat het subprogramma MEDIA van het programma Creatief Europa (hierna. MEDIA) nieuwe geldbronnen biedt alsmede kansen voor de distributie en circulatie van Europese, niet-binnenlandse films en voor het vergroten van de toeschouwersaantallen en het verbeteren van de mediageletterdheid;

I.  overwegende dat het opbouwen van vertrouwen in het internet en het verbeteren van de toegang tot legale audiovisuele inhoud een van de kerndoelstellingen van de digitale interne markt zou moeten zijn, en daarmee zou bijdragen tot investeringen in de Europese film;

J.  overwegende dat het vertonen van films in de bioscoop als eerste screening nog steeds een groot percentage van de inkomsten uit films vertegenwoordigt en daarom van essentieel belang is voor de financiering van de productie en distributie van Europese films, en bovendien een aanzienlijke impact heeft op het succes van films wanneer zij later via andere kanalen worden uitgebracht;

K.  overwegende dat een toenemend aantal Europese films met een bescheiden budget voor productie en reclame evenwel profijt zou hebben van flexibelere strategieën voor het uitbrengen ervan en eerdere beschikbaarheid via video-on-demanddiensten (VOD);

L.  overwegende dat een betere timing van het moment waarop films worden uitgebracht voor een groter potentieel publiek zou zorgen en het illegaal bekijken van films minder aantrekkelijk zou maken;

M.  overwegende dat artikel 13, lid 1, van de richtlijn audiovisuele mediadiensten lidstaten verplicht te waarborgen dat aanbieders van on-demanddiensten Europese producten promoten; overwegende dat deze bepaling op uiteenlopende wijze is toegepast, met meer of minder strenge wettelijke voorschriften, en dat dit ertoe heeft geleid dat aanbieders zich vestigen in de lidstaten die de minste eisen stellen;

N.  overwegende dat de meeste overheidssteun voor de Europese filmindustrie, zowel uit nationale als uit EU-bronnen, bestemd is voor de productie van films;

O.  overwegende dat in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1295/2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa wordt bepaald dat de Commissie "een garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren" vaststelt die tot doel heeft de toegang tot financiering voor kmo's in de culturele en de creatieve sector te vergemakkelijken en participerende financiële intermediairs in staat te stellen de risico's die verbonden zijn aan projecten waarvoor kmo's leningen en financiering zoeken, beter in te schatten;

P.  overwegende dat de Commissie er in haar derde verslag van 7 december 2012 over de uitdagingen voor het Europese filmerfgoed van het analoge en het digitale tijdperk op wees dat slechts 1,5% van het Europese filmerfgoed gedigitaliseerd is; overwegende dat dit percentage nog steeds onveranderd is, ongeacht de herhaaldelijk uitgesproken bezorgdheid dat veel van dit erfgoed voorgoed verloren zal gaan voor toekomstige generaties, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het feit dat slechts 10% van de stomme films bewaard zijn gebleven;

Q.  overwegende dat digitalisering en mediaconvergentie nieuwe kansen voor distributie van en reclame voor Europese films over de grenzen heen creëren, evenals grotere mogelijkheden voor innovatie en flexibiliteit, en tegelijkertijd een grondige verandering in gedrag en verwachtingen van de kijkers teweegbrengen;

R.  overwegende dat het van essentieel belang is om te voorzien in financiële middelen voor de digitalisering, conservering en online-beschikbaarheid van het filmerfgoed en aanverwant materiaal en om Europese normen vast te stellen voor de conservering van digitale films;

S.  overwegende dat mediageletterdheid, en met name filmgeletterdheid, de burger kan aanzetten tot kritisch denken en begrip en zijn eigen creativiteit en uitdrukkingsvermogen kan stimuleren;

T.  overwegende dat auteursrechten in het digitale tijdperk moeten blijven aanzetten tot investeringen in het produceren en scheppen van films en een adequate beloning van de rechthebbenden moeten waarborgen, maar ook moeten zorgen voor de ontwikkeling van nieuwe diensten en grensoverschrijdende toegang voor burgers en de culturele en de creatieve sector in staat moeten stellen te blijven bijdragen tot groei en het scheppen van banen;

U.  overwegende dat ervoor moet worden gezorgd dat Richtlijn 2012/28/EU over het gebruik van verweesde werken doeltreffend wordt uitgevoerd en dat films worden opgenomen in de definitie van voor het publiek toegankelijke verweesde werken;

Reclame, grensoverschrijdende distributie en toegankelijkheid

1.  moedigt de Europese filmindustrie aan de ontwikkeling van innoverende diensten, nieuwe bedrijfsmodellen en distributiekanalen voort te zetten, met het doel de grensoverschrijdende beschikbaarheid van Europese films in de Unie en daarbuiten te verbeteren zodat kijkers in de hele Unie toegang krijgen tot een nog groter aantal films via een toenemend aantal platforms; stelt in dit opzicht voor dat de Europese filmindustrie lering trekt uit de beste commerciële methoden die buiten de EU worden gebruikt;

2.  erkent de impact van het ongeoorloofde gebruik van creatief werk op de creatieve cyclus en de rechten van creatief werkenden; onderstreept de behoefte aan een beter legaal aanbod van hoge kwaliteit, en aan bewustmaking onder jongeren;

3.  wijst erop dat de ontwikkeling van grensoverschrijdende portabiliteit van audiovisuele diensten gezien de snelle toename van VOD en onlinetransacties in de Unie verder zou kunnen worden verkend, daar dit films toegankelijk maakt ongeacht waar de kijker zich bevindt;

4.  onderstreept de betekenis van gerichte marketing in de Unie, die rekening houdt met de culturele specificiteit van Europese kijkers, zodat betere en efficiëntere reclame voor Europese films gewaarborgd wordt;

5.  dringt dan ook aan op grotere beschikbaarheid van ondertitelde films, teneinde de grensoverschrijdende circulatie van Europese films te vergroten, het besef van de Europese culturele en taaldiversiteit onder de kijkers te verhogen en het wederzijds begrip te doen toenemen;

6.  wijst met name op de rol van het MEDIA-programma bij het ondersteunen van ondertiteling en nasynchroniseren opdat er meer Europese films beschikbaar komen, met name in de originele versie met ondertitels, waardoor zij gemakkelijker kunnen circuleren en kennis en begrip van cultuur en talen in Europa helpen verbeteren;

7.  onderstreept het belang van de onlangs goedgekeurde voorbereidende actie ten behoeve van crowdsourcing voor ondertiteling om de circulatie van Europese werken te verbeteren en de inspanningen van de Commissie om deze actie uit te voeren;

8.  schaart zich daarnaast achter initiatieven zoals het proefproject van de Commissie getiteld "De bevordering van de Europese integratie door middel van cultuur", dat tot doel heeft een groter aantal ondertitelde Europese films aan te bieden door nieuwe ondertitelde versies van bepaalde tv-programma's in heel Europa uit te brengen;

9.  herinnert aan het essentiële belang van nog betere toegang tot films voor personen met een handicap, met name via audiobeschrijving en ondertiteling;

10.  onderstreept de bijzondere betekenis van particuliere en openbare Europese tv-zenders voor de productie van films, zowel voor de televisie als voor coproducties voor de bioscoop, en benadrukt welke rol zij kunnen spelen bij het veiligstellen van de toekomst voor talloze filmbedrijven in de EU, vooral kleine en middelgrote bedrijven;

11.  herinnert aan de rol van de LUX-prijs van het EP, die met de jaren steeds meer erkenning geniet, bij het bevorderen van de Europese film door middel van het vertalen van de ondertitels van de winnende film in alle 24 officiële talen van de Unie, hetgeen de Europese film meer zichtbaarheid, bewustmaking en beschikbaarheid oplevert; verzoekt de nationale parlementen de LUX-prijs in de lidstaten nog sterker te promoten, in samenwerking met de voorlichtingsbureaus van het Europees Parlement;

12.  is van mening dat het nodig is Europese coproducties te promoten en te steunen en denkt dat een toename van dergelijke producties wellicht zal leiden tot bredere distributie van Europese films in heel Europa;

13.  wijst tevens op het toenemende succes van Europese tv-series van hoge kwaliteit en het strategisch belang van verdere aanmoediging van productie, distributie en bevordering van dergelijke series op de Europese en de wereldmarkt;

14.  roept de lidstaten op bijzondere evenementen te steunen en te promoten, zoals bijvoorbeeld filmfestivals en reizende bioscopen, teneinde de verspreiding en circulatie van Europese films op hun grondgebied te stimuleren en te steunen;

15.  stelt voor de bestaande maatregelen voor optimalisering van de prijs van bioscooptickets, ontwikkeling van innoverende aanbiedingen alsmede aanbiedingen van abonnementen die de attractiviteit van bioscopen en de toegankelijkheid ervan voor iedereen helpen waarborgen, verder te verbeteren;

Vergroting van het publiek

16.  moedigt distributeurs en bioscoopuitbaters aan de zichtbaarheid en beschikbaarheid van niet-binnenlandse Europese films te vergroten met het doel een groter publiek te bereiken;

17.  erkent dat bioscopen nog steeds de meest uitgelezen locaties zijn om films te presenteren en te promoten, maar daarnaast ook plaatsen met een belangrijke maatschappelijke dimensie waar mensen elkaar ontmoeten en van gedachten wisselen; benadrukt dat het verdwijnen van kleine en onafhankelijke bioscopen, met name in kleine steden en minder ontwikkelde gebieden, betekent dat de toegang tot Europese culturele bronnen, erfgoed en dialoog beperkt wordt; roept de Commissie en de lidstaten in dit verband op het uitrusten van alle bioscoopschermen met digitale beeld- en geluidstechnologie te steunen, teneinde dergelijke bioscopen te behouden;

18.  onderstreept het belang van het promoten van films in een vroeg stadium van de productie, om de circulatie te verbeteren en het potentiële publiek in Europa opmerkzaam te maken;

19.  onderstreept de betekenis van MEDIA bij het testen van innoverende benaderingen bij het vergroten van het publiek, met name door middel van filmfestivals, initiatieven met betrekking tot filmgeletterdheid en acties ter vergroting van het publiek;

Gelijk speelveld

20.  wijst erop dat artikel 13, lid 1, van de richtlijn audiovisuele mediadiensten lidstaten verplicht te waarborgen dat aanbieders van on-demanddiensten Europese producten promoten; benadrukt dat deze bepaling op ongelijke wijze is toegepast, met meer of minder strenge wettelijke voorschriften, en dat dit ertoe zou kunnen leiden dat aanbieders zich vestigen in de lidstaten die de minste eisen stellen;

21.  is van mening dat eenieder die in economisch opzicht, ook al is het onrechtstreeks, profiteert van Europese filmwerken, via rechtstreekse verstrekking, het op de markt brengen of verspreiding, met inbegrip van links of verstrekking via video-on-demand, een financiële bijdrage zou moeten leveren aan de productie van Europese films; roept de Commissie op dit tot leidraad te maken, ook bij onderzoek naar de filmsubsidiesystemen van lidstaten vanuit concurrentie-oogpunt;

22.  roept de Commissie op voornoemd punt in aanmerking te nemen bij een eventueel voorstel voor een herziening van het huidige juridisch kader, zodat een gelijk speelveld op de Europese audiovisuele markt wordt gewaarborgd, met billijke en gelijke voorwaarden voor alle aanbieders;

23.  roept VOD en SVOD-platforms op om cijfers te verstrekken over het gebruik van alle films in hun catalogi, zodat de impact hiervan goed kan worden beoordeeld;

Financiering

24.  is van mening dat een betere circulatie van Europese films op zowel de Europese als de internationale markt een evenwichtigere overheidssteun voor productie en distributie vereist, met meer steun voor ontwikkeling, reclame en internationale distributie;

25.  acht het noodzakelijk om de financiële middelen voor distributie en marketing van en reclame voor films in reële termen te verhogen zonder dat dit ten koste gaat van de middelen voor de productie;

26.  roept met name de lidstaten op om de overheidssteun te verhogen teneinde de distributie van en de reclame voor binnenlandse films in het buitenland en van niet-binnenlandse Europese films in een vroeg stadium te steunen;

27.  roept de lidstaten op stimulansen te bevorderen die tot doel hebben de productie, distributie, beschikbaarheid en aantrekkelijkheid van Europese films te faciliteren; is van mening dat toepassing van identieke lage btw-tarieven op culturele audiovisuele werken die online dan wel offline worden verkocht, de groei van nieuwe diensten en platformen zal stimuleren;

28.  wijst op de rol die de door Creatief Europa geboden garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sector kan spelen bij het faciliteren van toegang tot financiering voor kmo's in de culturele en creatieve sector en het aanmoedigen van investeringen door financiële tussenpersonen, zodat er meer geldbronnen voor de filmindustrie beschikbaar komen;

29.  stelt voor om de doeltreffendheid en efficiency van Europese en nationale stelsels voor de financiering van films te evalueren en daarbij met name te kijken naar de kwaliteit en doelgroep van films die subsidie ontvangen, maar ook naar de beschikbaarheid en doeltreffendheid van financieringsinstrumenten voor marketing en vergroting van het publiek; roept de Commissie op de lidstaten in kennis te stellen van de voorbeelden van optimale methoden die hierbij aan het licht komen;

30.  herinnert eraan dat productie en coproductie van films aanzienlijke investeringen vergen en dat het huidige juridisch kader multiterritoriale licenties niet verbiedt, en benadrukt dan ook dat de diversiteit van productie- en distributieregelingen moet blijven bestaan teneinde investeringen in Europese films aan te moedigen, met het doel tegemoet te komen aan de culturele en taalverscheidenheid op de Europese markt en de culturele diversiteit te behouden en te bevorderen;

31.  onderstreept dat Europese films subsidie ontvangen uit een groot aantal Europese, nationale en regionale overheidsmiddelen, en dat meer complementariteit bij het gebruik van deze middelen moet worden aangemoedigd, zodat zij doeltreffender worden ingezet;

Europees filmforum

32.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie om een Europees filmforum in het leven te roepen, dat tot doel heeft een gestructureerde dialoog te faciliteren met alle belanghebbenden in de audiovisuele sector over de uitdagingen waarmee de Europese filmindustrie momenteel in het digitale tijdperk wordt geconfronteerd, teneinde samenwerking, bundeling van informatie en uitwisseling van optimale methoden te bevorderen;

33.  roept in dit verband op tot brede participatie en samenwerking tussen alle betrokken instellingen, met name met het Europees Parlement;

Mediageletterdheid

34.  roept de lidstaten op hun inspanningen op te voeren om mediageletterdheid, met name filmgeletterdheid, in schoolprogramma's en instellingen voor cultuuronderwijs te verbeteren en op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau initiatieven te ontplooien voor alle niveaus van formeel, informeel en niet-officieel onderwijs en scholing;

35.  is zich bewust van de bijzondere betekenis van bioscopen voor film- en mediageletterdheid als generatieomspannende locaties waar iets te leren valt, en is ingenomen met alle maatregelen die deze functie van bioscopen gericht bevorderen;

36.  vestigt de aandacht op de bevordering van educatieve films voor jongeren en spreekt zijn steun uit aan wedstrijden die jongeren aanmoedigen om audiovisueel werk te creëren; wijst daarnaast op de mogelijkheden die MEDIA biedt bij het ondersteunen van projecten op het gebied van filmgeletterdheid;

Innovatie

37.  steunt innoverende projecten en methoden zoals de voorbereidende actie van de Commissie voor de circulatie van Europese films in het digitale tijdperk, die bedoeld is om een flexibelere manier van films uitbrengen via media in verschillende lidstaten te testen, en acht het een goede zaak dat deze actie wordt ondergebracht in het programma Creatief Europa;

38.  is van mening dat dergelijke initiatieven, die het uitbrengen van films flexibeler maken, voordelen kunnen meebrengen voor bepaalde soorten Europese films wat betreft zichtbaarheid, het bereiken van publiek, inkomsten en besparingen, en moedigt de Commissie en de lidstaten meer aandacht te besteden aan dergelijke initiatieven;

Digitalisering en archivering

39.  roept de lidstaten op te waarborgen dat cinematografische werken worden gedigitaliseerd en een verplichte afgifteregeling voor digitale formats in te voeren of hun bestaande regelingen voor deze formats aan te passen door afgifte van een internationaal genormde digitale master van digitale films voor te schrijven;

40.  wijst op de betekenis van audiovisuele archieven, met name van instellingen voor cinematografisch erfgoed en televisiezenders, en dringt er bij de lidstaten op aan te voorzien in een adequaat financieringsniveau en een regeling voor de vereffening van rechten, zodat zij zich beter kunnen kwijten van hun overheidstaken zoals het behoud, de digitalisering en het aan het publiek beschikbaar stellen van cinematografisch erfgoed;

41.  wijst op de belangrijke rol van de Europese digitale bibliotheek EUROPEANA als digitale bibliotheek voor het Europees audiovisueel erfgoed (zowel film als televisie);

o
o   o

42.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.
(2) PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 221.
(4) PB C 433 van 3.12.2014, blz. 2.
(5) PB C 332 van 15.11.2013, blz. 1.
(6) PB C 153E van 31.5.2013, blz. 102.
(7) PB C 353E van 3.12.2013, blz. 64.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0215.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0232.


Een nieuwe EU-bosstrategie
PDF 292kWORD 107k
Resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2015 over "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector" (2014/2223(INI))
P8_TA(2015)0109A8-0126/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's getiteld "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector" (COM(2013)0659),

–  gezien de bij die mededeling gevoegde werkdocumenten van de diensten van de Commissie SWD(2013)0342 en SWD(2013)0343,

–  gezien de conclusies van de Raad Landbouw en visserij van 19 mei 2014 betreffende de nieuwe EU-bosstrategie,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 30 januari 2014 getiteld "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector",

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 juli 2014 over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's getiteld "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector",

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2006 over de tenuitvoerlegging van de bosbouwstrategie van de Europese Unie(1),

–  gezien Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 over een algemeen milieuactieprogramma voor de Unie voor de periode tot 2020 – "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet",

–  gezien de Europa 2020-strategie, waaronder de initiatieven Innovatie-Unie en Efficiënt gebruik van hulpbronnen,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Een EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering" (COM(2013)0216),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020" (COM(2011)0244),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0126/2015),

A.  overwegende dat de Europese Unie niet de bevoegdheid heeft om een gemeenschappelijk bosbouwbeleid uit te stippelen, maar dat bepaalde beleidslijnen van de Unie gevolgen kunnen hebben voor het nationale bosbouwbeleid, terwijl het de lidstaten zijn die de beslissingen over de beleidsmaatregelen ten aanzien van bosbouw en bossen nemen;

B.  overwegende dat er ongeacht de onmiskenbare bevoegdheid van de lidstaten in de bosbouwsector mogelijke voordelen voor de bosbouwsector te bespeuren vallen bij een betere coördinatie en positionering van deze belangrijke economische sector die fungeert als banenmotor op Europees niveau, met name in de landelijke gebieden, alsmede bescherming van de ecosystemen en het creëren van milieuvoordelen voor iedereen, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de lidstaten;

C.  overwegende dat hout een hernieuwbare hulpbron is die vaak onderbenut blijft in Europa en dat slim en duurzaam gebruik van deze grondstof moet worden gewaarborgd, onder meer door het verder ontwikkelen en uitwisselen van knowhow;

D.  overwegende dat bossen unieke flora, fauna en schimmels bevatten;

E.  overwegende dat de omvang en de aard van bossen sterk uiteenlopen en dat het grondgebied van sommige lidstaten voor meer dan de helft uit bossen bestaat; overwegende dat duurzaam geëxploiteerde bossen van zeer grote betekenis zijn voor de lokale, regionale Europese en internationale toegevoegde waarde, de werkgelegenheid op het platteland helpen behouden en bijdragen aan een op de bio-economie gebaseerde samenleving, in het bijzonder in structureel achtergestelde regio's, en tegelijkertijd een essentiële bijdrage leveren aan de bescherming van zowel het milieu als het klimaat en aan de biodiversiteit;

F.  overwegende dat biomassa uit bossen een zeer belangrijke bron van hernieuwbare energie is; overwegende dat de Europese bossen momenteel ongeveer 10 % van de koolstofemissies van de EU vastleggen en daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan het beheersen van de klimaatverandering;

G.  overwegende dat de burgers van de Unie door de verstedelijking van de maatschappij over weinig affiniteit met bossen en weinig kennis over bosbouw of de invloed daarvan op welvaart, werkgelegenheid, klimaat, milieu, de menselijke gezondheid en de totale waardeketen en het verband met de ecosystemen in bredere zin beschikken;

H.  overwegende dat er door steeds meer EU-beleid steeds hogere eisen worden gesteld aan de bossen; overwegende dat die eisen zorgvuldig op elkaar moeten worden afgestemd, en dat de vraag naar nieuwe vormen van houtgebruik in de bio-economie en naar bio-energie gepaard moet gaan met een efficiënt gebruik van hulpbronnen, het gebruik van nieuwe technologieën en respect voor de grenzen aan duurzame voorziening;

I.  overwegende dat de Europese bosbouw gekenmerkt wordt door duurzaam beheer en langetermijnplanning en dat het beginsel van duurzaamheid op elk niveau, van plaatselijk tot wereldwijd, nog sterker moet worden benadrukt, teneinde werkgelegenheid te scheppen, de biodiversiteit te beschermen, de klimaatverandering af te zwakken en woestijnvorming tegen te gaan;

J.  overwegende dat de rol die bossen in economisch, sociaal en milieuopzicht vervullen, met inbegrip van bescherming en valorisatie van het culturele en natuurlijke erfgoed en bevordering van duurzaam (milieu)toerisme, onder de aandacht moet worden gebracht;

K.  overwegende dat door de groei van de wereldbevolking de vraag naar energie steeds verder toeneemt en bossen derhalve een belangrijkere rol dienen te spelen in de toekomstige energiemix van de EU;

Algemene opmerkingen – rol van bossen, bosbouw en houtsector in economisch en maatschappelijk opzicht

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie inzake een nieuwe EU-bosstrategie en de hierbij gevoegde werkdocumenten, en wijst er met nadruk op dat een EU-strategie inzake bossen het accent moet leggen op het waarborgen van het duurzame beheer van bossen en hun multifunctionele rol in economisch, sociaal en milieu-opzicht, en betere coördinatie en communicatie moet waarborgen van EU-beleid dat rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met bosbouw; wijst er in deze context op dat de steeds talrijkere Europese beleidsinitiatieven op het gebied van economie en werkgelegenheid, energievoorziening, milieu- en klimaatbescherming een grotere bijdrage van de bosbouwsector noodzakelijk maken;

2.  onderstreept dat de waarde van bosecosysteemdiensten systematischer moet worden bepaald en in aanmerking moet worden genomen in de besluitvorming in de publieke en particuliere sector;

3.  wijst erop dat bergbossen, die lawines en modderstromen tegenhouden en als natuurlijke bescherming tegen overstromingen fungeren, hun beschermende functie voor mens en natuur alleen in volle omvang kunnen uitoefenen als ze gezond en stabiel zijn; onderstreept dat met name in dit verband grensoverschrijdende communicatie onontbeerlijk is;

4.  onderstreept in dit verband dat alle pogingen om de bosbouw op EU-niveau te regelen moeten worden tegengehouden, dat het lokale en regionale karakter van de sector en de bevoegdheden van de lidstaten geëerbiedigd moeten worden, en daarbij tegelijkertijd moet worden gestreefd naar coherentie van de respectieve bevoegdheden van de Europese Unie en de lidstaten;

5.  benadrukt dat de bossen in de EU gekenmerkt worden door grote diversiteit, waaronder uiteenlopende vormen van eigendom, omvang, aard en problemen;

6.  onderstreept dat de Europese bosstrategie rekening moet houden met het feit dat het grondgebied van sommige lidstaten voor meer dan de helft met bos is bedekt, dat duurzaam beheerde bossen van zeer grote betekenis zijn voor de lokale en regionale toegevoegde waarde en het behoud van werkgelegenheid op het platteland, en tegelijkertijd in belangrijke mate bijdragen tot de bescherming van het milieu;

7.  wijst in dit verband op de bijzonder waardevolle functie van stabiele gemengde bossen met gebiedsspecifieke, inheemse boomsoorten, op hun essentiële ecosysteemfuncties en op hun bijdrage aan de biodiversiteit;

8.  verzoekt de lidstaten boseigenaren te ondersteunen bij hun inspanningen om gebiedsspecifieke, inheemse gemengde bossen in stand te houden en aan te planten;

9.  betreurt het dat de arbeidsomstandigheden van werknemers in de bosbouwsector bij de voorgestelde strategie niet als uitgangspunt worden genomen en verzoekt de Commissie om rekening te houden met een slimme organisatie van het werk, de hoge eisen die aan de gebruikte technologie worden gesteld en kwalitatief hoogstaand werk;

10.  merkt op dat de bosbouwsector momenteel werk biedt aan meer dan 3 miljoen Europese burgers en benadrukt dat de bossector alleen met geschoolde werknemers op de lange termijn concurrerend kan zijn;

11.  is van mening dat de Europese bosstrategie de nodige voorwaarden moet scheppen opdat de EU kan beschikken over opleidingsfaciliteiten en werknemers die zich volledig bewust zijn van de huidige uitdagingen en bedreigingen voor de bossector, alsmede van de veiligheidsregels die inherent zijn aan bosbeheer;

12.  benadrukt dat er behoefte is aan een uitgebreide en holistische gezamenlijke strategie en is ingenomen met de erkenning van de rol die bossen en de houtsector in de EU in economisch, maatschappelijk en milieuopzicht spelen en van de voordelen daarvan;

13.  is van mening dat deze erkenning een solide basis vormt voor steun aan de Europese bosbouwsector, onder meer bij de preventie en beheersing van bosrampen, een beter gebruik van hulpbronnen, de verbetering van het concurrentievermogen, het scheppen van banen, het stimuleren van de houtsector en het behoud van ecologische functies;

14.  vestigt de aandacht op de belangrijke rol die de bio-economie speelt in de verwezenlijking van de nieuwe prioriteiten van de Commissie, namelijk groei, werkgelegenheid en investeringen;

15.  erkent dat er voor de EU een rol is weggelegd bij het ondersteunen van nationale beleidsmaatregelen voor een actief, multifunctioneel en duurzaam bosbeheer, met inbegrip van het beheer van verschillende soorten bos, en bij het opvoeren van de samenwerking om grensoverschrijdende bedreigingen zoals bosbranden, klimaatverandering en invasieve niet-inheemse soorten aan te pakken;

16.  acht het noodzakelijk dat er in de strategie meer aandacht wordt besteed aan het probleem van boomziekten, zoals de eikenziekte die kurkeikenplantages in Portugal, Frankrijk en Spanje decimeert en ook schade toebrengt aan speciale beschermingszones en biosfeerreservaten;

17.  benadrukt dat de voorspelde groei van de vraag naar hout zowel een kans als een bedreiging kan zijn voor de bossen en alle bosgerelateerde sectoren, met name omdat de bossen ten gevolge van de klimaatverandering naar verwachting steeds vaker en zwaarder geteisterd zullen worden door droogte, brand, stormen en plagen; wijst in dit verband op de noodzaak om de bossen te beschermen tegen deze toenemende bedreigingen en om hun productieve en beschermende functies met elkaar in overeenstemming te brengen;

18.  is ingenomen met maatregelen om het bosareaal te vergroten, met name met inheemse soorten, in gebieden die niet geschikt zijn voor de voedselproductie en in het bijzonder in de buurt van stedelijke gebieden, om nadelige warmte-effecten te beperken, de verontreiniging te verminderen en de verbinding tussen mens en bos te verbeteren;

19.  schaart zich uitdrukkelijk achter het streven van de Commissie om de werkgelegenheid en het genereren van rijkdom in de bosbouwsector in Europa duurzaam te bevorderen;

20.  benadrukt de belangrijke rol die de duurzame productie en het gebruik van hout en andere van de houtsector afkomstige materialen zoals kurk en houtproducten, bijvoorbeeld textielvezels, speelt voor de ontwikkeling van duurzame economische modellen en het scheppen van groene banen;

21.  roept de Commissie ertoe op om de problemen bij de bevoorrading stroomafwaarts in de toeleveringsketen te analyseren die samenhangen met de stijgende vraag in derde landen, met name naar rondhout, en om deze sector te steunen;

22.  verzoekt de Commissie en de lidstaten voor prikkels te zorgen waardoor het groeiende aantal vrouwelijke boseigenaren extra advies en ondersteuning voor actief en duurzaam beheer van hun bossen ontvangt;

23.  benadrukt dat ongeveer 60 % van de bossen in de EU privé-eigendom is, in handen van ongeveer 16 miljoen particuliere eigenaren, en onderstreept in dit verband de betekenis van eigendom en eigendomsrechten en steunt alle maatregelen die belangengroeperingen in staat stellen deel te nemen aan een dialoog over het ontwikkelen en uitvoeren van duurzaam bosbeheer en de uitwisseling van informatie te verbeteren;

24.  wijst erop dat boseigenaren een essentiële rol spelen op het platteland en toont zich in dit verband tevreden over de erkenning die de bosbouw en de boslandbouw in de programma's voor plattelandsontwikkeling in het kader van het GLB 2014-2020 krijgen;

25.  is van oordeel dat de implementatie van de EU-bosstrategie erbij gebaat zou zijn indien zij ondersteund wordt door een goede coördinatie met de beschikbare EU-financiering, waaronder uit het ELFPO;

26.  moedigt de lidstaten en regio's ertoe aan gebruik te maken van de in het kader van hun respectieve programma's voor plattelandsontwikkeling beschikbare middelen om duurzaam bosbeheer te steunen en boslandbouw te stimuleren, en collectieve milieugoederen te verstrekken, zoals zuurstofproductie, koolstofopslag en bescherming van gewassen tegen klimaateffecten, maar ook het stimuleren van lokale economieën en het creëren van groene banen;

27.  erkent dat verbetering van vervoer en logistiek voor het bosbeheer en de houtwinning noodzakelijk is; roept de lidstaten daarom op om duurzame logistieke en houtkapsystemen te ontwikkelen die het klimaat minder belasten, waaronder het gebruik van vrachtwagens en schepen die worden aangedreven met duurzame biobrandstoffen, alsmede meer gebruik van spoorwegen; moedigt met het oog daarop de inzet van de structuurfondsen en de programma's voor plattelandsontwikkeling van de EU aan;

28.  erkent de maatschappelijke rol van bossen wat betreft de fysieke en mentale gezondheid van de burgers en merkt op dat de door bossen geleverde collectieve goederen een grote milieu- en recreatiewaarde hebben en bijdragen aan de levenskwaliteit, in het bijzonder in de vorm van zuurstofvoorziening, koolstofopslag, zuivering van de lucht, opslag en zuivering van water, het tegengaan van erosie en bescherming tegen lawines, en een plaats voor buitenactiviteiten bieden;

29.  dringt aan op openbaar vervoer tussen stedelijke gebieden en bossen zodat bossen en bosgebieden beter toegankelijk worden;

30.  vestigt de aandacht op andere met het bos verband houdende activiteiten, bijvoorbeeld het oogsten van andere bosproducten dan hout, zoals paddenstoelen of bosvruchten, of het laten grazen van vee en de bijenhouderij;

31.  roept de Commissie op economische activiteiten te stimuleren die als bron van grondstoffen kunnen dienen voor de farmaceutische, cosmetische en voedselindustrie en als een alternatief kunnen worden ingezet om de werkloosheid en ontvolking van het platteland aan te pakken, en om de producten van deze activiteiten te bevorderen als heilzaam zijnde voor de menselijke gezondheid;

Efficiënt gebruik van hulpbronnen – hout als duurzame grondstof (duurzaam beheer van bossen)

32.  onderstreept dat het gebruik van hout en andere producten uit houtoogst als hernieuwbare en klimaatvriendelijke grondstoffen enerzijds, en duurzaam beheer van bossen anderzijds een belangrijke rol kunnen spelen bij het bereiken van de sociaaleconomische doelstellingen van de Europese Unie, zoals alternatieve energiebronnen, afzwakking van het klimaateffect en aanpassing daaraan alsmede tenuitvoerlegging van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; merkt op dat het in strijd is met deze doelstellingen als bossen niet actief worden beheerd;

33.  benadrukt dat wetenschappelijk onderzoek uitwijst dat het CO2- absorptievermogen van beheerde bossen groter is dan dat van niet-beheerde bossen en onderstreept het belang van duurzaam bosbeheer bij het maximaliseren van het potentieel voor koolstofopslag van de Europese bossen;

34.  is van mening dat bossen niet alleen mogen worden beschouwd als koolstofreservoirs;

35.  onderstreept dat moet worden gekeken naar de mogelijkheid om door middel van efficiënt gebruik en hergebruik van hout en houtmaterialen een bijdrage te leveren aan de vermindering van het tekort op de handelsbalans van de Unie, de verhoging van de zelfvoorzieningsgraad van de EU op het gebied van hout, de vergroting van het concurrentievermogen van de bosbouwsector, het terugdringen van niet-duurzaam bosbeheer, de bescherming van het milieu en de vermindering van de ontbossing in derde landen;

36.  ondersteunt uitdrukkelijk het hulpbronefficiënte gebruik van hout als hernieuwbare, multi-inzetbare maar beperkt beschikbare grondstof en spreekt zich uit tegen een wettelijk bindende prioritering bij het gebruik van hout, daar deze niet alleen de energiemarkt en de ontwikkeling van nieuwe en innoverende vormen van het gebruik van biomassa beperkingen oplegt, maar in veel afgelegen regio's en plattelandsgebieden ook alleen al uit infrastructureel oogpunt niet uitvoerbaar is;

37.  is voorstander van een open en op de markt gerichte aanpak met vrijheid voor alle marktdeelnemers door voorrang te verlenen aan lokaal geproduceerd hout om de koolstofvoetafdruk ten gevolge van intercontinentaal transport te minimaliseren en duurzame lokale productie te stimuleren;

38.  is van mening dat gezien het feit dat een aantal van de grootste biomassabronnen van de Unie zich in de meest dunbevolkte en afgelegen regio's bevinden, in de strategie ten volle rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van dergelijke regio's;

39.  erkent de waarde van hout voor energiedoeleinden, als een manier om energieschaarste te bestrijden, bij te dragen aan de doelstellingen voor hernieuwbare energie van het klimaat- en energiekader 2030 en nieuwe kansen voor bedrijven te creëren;

40.  is van mening dat de nieuwe bosstrategie de mogelijkheid moet bieden tot nauwere samenwerking bij het vraagstuk van de structurering van de bosbouwsector en de groepering van de actoren teneinde de bosbouwhulpbronnen beter te kunnen gebruiken;

41.  is van oordeel dat duurzaam bosbeheer moet uitgaan van algemeen erkende en aanvaarde beginselen en instrumenten, zoals criteria en indicatoren voor duurzaam bosbeheer, die altijd op de gehele sector moeten zijn gericht ongeacht het eindgebruik van hout;

42.  ondersteunt het voornemen van de Commissie om samen met de lidstaten en de belanghebbenden een ambitieuze, objectieve en operationele reeks criteria en indicatoren voor duurzaam bosbeheer te ontwikkelen, wijst erop dat deze criteria moeten aansluiten bij de vereisten van Forest Europe (de ministerconferentie over de bescherming van de bossen in Europa)(2), die een pan-Europese grondslag vormen voor uniforme verslaglegging over duurzaam bosbeheer en een basis voor certificering van duurzaamheid, rekening houdend met de diversiteit van de bostypen in Europa;

43.  erkent dat er door de toenemende vraag naar uit bossen afkomstig materiaal, hoofdzakelijk als gevolg van de ontwikkeling van hernieuwbare energie op basis van biomassa, behoefte is aan nieuwe maatregelen om de beschikbaarheid van hout te vergroten en tegelijkertijd een duurzaam bosbeheer te garanderen;

44.  wijst op de aanzienlijke vooruitgang die bereikt is in de onderhandelingen in het kader van Forest Europe over een "Europees bossenverdrag"(3) als bindend raamwerk voor duurzaam bosbeheer en voor een beter evenwicht tussen de belangen in het bosbeleid en roept de lidstaten en de Commissie op alles in het werk te stellen om de onderhandelingen voort te zetten en tot een positief einde te brengen;

45.  is van mening dat plannen voor bosbeheer of vergelijkbare instrumenten belangrijke strategische instrumenten kunnen zijn voor de uitvoering van concrete maatregelen op het niveau van individuele bedrijven, voor langetermijnplanning en voor de uitvoering van een duurzaam bosbeheer in de Europese bossen; benadrukt evenwel dat de uitvoering van de in deze plannen vervatte concrete maatregelen op het niveau van de bosbouwbedrijvigheid onder de nationale regelingen moet blijven vallen;

46.  verzoekt de lidstaten overeenkomstig het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel de tenuitvoerlegging van de bosbeheerplannen te monitoren en te bevorderen zonder onnodige administratieve lasten te creëren;

47.  is voorstander van een duidelijke scheiding tussen plannen voor bosbeheer en de beheersplannen in het kader van Natura 2000;

48.  wijst erop dat plannen voor bosbeheer enkel een voorwaarde vormen voor het verkrijgen van EU-middelen voor plattelandsontwikkeling voor begunstigde ondernemingen vanaf een bepaalde grootte en dat bossen onder de drempelgrootte hiervan zijn vrijgesteld; merkt voorts op dat soortgelijke instrumenten eveneens kunnen worden goedgekeurd;

49.  verzoekt de lidstaten om deze flexibiliteit bij de toepassing van de wetgeving ten volle te benutten, met name in het belang van kleinere marktdeelnemers;

50.  roept de Commissie en de lidstaten op stimulansen te ontwikkelen voor en steun te verlenen aan nieuwe bedrijfsmodellen, zoals productiecoöperaties, die kleine particuliere boseigenaren ertoe aanzetten om hun bos actief en duurzaam te beheren;

51.  is van oordeel dat het voor een correcte tenuitvoerlegging van de strategie van essentieel belang is om een specifiek actieplan voor de lange termijn te hebben waarin de nadruk ligt op het belang van mobilisatie en duurzaam gebruik van hout uit bossen, met als doel het creëren van toegevoegde waarde en banen, terwijl er middelen beschikbaar worden gesteld om particuliere bosbouwondernemingen te versterken en georganiseerde groepen van boseigenaren te ondersteunen;

52.  onderstreept dat een doeltreffend beheer van hulpbronnen ondersteunende programma's moet omvatten voor de bebossing van gronden die niet geschikt zijn voor landbouw en voor het creëren van groenstroken;

Onderzoek en ontwikkeling – opleiding en bijscholing

53.  is van mening dat er voorrang moet worden verleend aan de praktische toepassing van onderzoek, daar de hele sector profiteert van nieuwe ideeën en de houtsector een groot groeipotentieel heeft; is tevens van mening dat verdere investeringen in innovatie in de sector kunnen leiden tot nieuwe productieniches en efficiëntere processen die zorgen voor een slimmer gebruik van de beschikbare middelen en voor een zo gering mogelijke negatieve impact op de bosbestanden;

54.  roept de Commissie op de Europese programma's voor onderzoek en ontwikkeling (Horizon 2020) en het programma voor het concurrentievermogen van het midden- en kleinbedrijf (COSME) te toetsen op bosbouw- en houtverwerkingsaspecten en zo nodig nieuwe instrumenten voor de houtsector te ontwikkelen alsmede doelgericht onderzoek naar kostenefficiënte oplossingen voor nieuwe, innoverende houtproducten te stimuleren om de ontwikkeling van een duurzame, op houtproducten gebaseerde bio-economie te steunen;

55.  is ingenomen met de uitwisseling tussen de lidstaten van optimale methoden en bestaande kennis inzake bossen, en roept de lidstaten en de Commissie op om uitwisseling tussen industrie, wetenschappers en producenten te steunen;

56.  benadrukt hoe belangrijk steun voor de EU-kaderprogramma's voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie is voor het bewerkstelligen van slimme en duurzame groei en het ontwikkelen van producten met hogere toegevoegde waarde, schonere technologie en een grote mate van technologische geavanceerdheid, met name op het vlak van geraffineerde biobrandstoffen en industrieel bouwen met hout, maar ook in de automobiel- en textielindustrie;

57.  herinnert eraan dat de bio-economie volgens de Commissie in 2009 naar schatting meer dan 2 biljoen euro waard was en goed was voor 20 miljoen banen, d.w.z. 9% van de totale werkgelegenheid in de EU;

58.  merkt op dat elke in het kader van Horizon 2020 in bio-economisch onderzoek en innovatie geïnvesteerde euro rond de 10 euro aan toegevoegde waarde zal genereren; benadrukt dat bossen een cruciale rol spelen in de bio-economie en dat dat ook in de toekomst zo zal blijven;

59.  is van oordeel dat het vervangen van op olie gebaseerde of warmte-intensieve grondstoffen door hout en producten uit houtoogst moet worden gestimuleerd, overeenkomstig de vooruitgang op het gebied van onderzoek en technologie, en een positieve bijdrage kan leveren aan de verdere beperking van de klimaatverandering en aan het scheppen van banen;

60.  benadrukt dat er een kostenanalyse moet worden gemaakt van alle EU-wetgeving die gevolgen heeft voor de waardeketens van de houtsector, teneinde alle onnodige en omslachtige bureaucratische procedures te schrappen en een gunstig kader te scheppen om het concurrentievermogen op lange termijn van de sector op duurzame wijze te versterken, en dat moet worden vastgehouden aan het beginsel dat wetgevingsvoorstellen die gevolgen hebben voor de bosbouwsector en de waardeketens van de houtsector, aan een grondige effectbeoordeling moeten worden onderworpen;

61.  is van oordeel dat vergroting van de kennis over bossen voor het onderzoek van zeer groot belang is en dat betrouwbare gegevens onontbeerlijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de bosstrategie;

62.  stelt vast dat er middelen voor het verzamelen van informatie en voor monitoring beschikbaar zijn via het Copernicus-programma en andere ruimte-initiatieven op Europees niveau, en beveelt aan meer gebruik te maken van deze middelen en instrumenten;

63.  wijst erop dat de nationale bosinventarisaties een uitgebreide monitoring voor de bestandsopname van de bossen vormen en aansluiten bij het regionale aspect en het streven naar minder bureaucratie en minder kosten;

64.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om een Europese bosinformatiesysteem tot stand te brengen op basis van nationale gegevens en met initiatieven die de beschikbare gegevens beter vergelijkbaar maken, en wenst in dat verband een grondigere analyse van de gegevens over de economie en de werkgelegenheid in de bosbouw en de houtsector;

65.  acht het met name raadzaam aan om gegevensreeksen voor de langere termijn samen te stellen om het begrip van trends in de bosbouw en de aanpassing ervan aan de klimaatverandering te bevorderen;

66.  is van oordeel dat bekwame en goed opgeleide arbeidskrachten van essentieel belang zijn voor een geslaagde uitvoering van duurzaam bosbeheer en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan maatregelen te ontwikkelen en – waar mogelijk – reeds aanwezige instrumenten, zoals het programma voor het platteland (ELFPO), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en de Europese opleidingsprogramma's (ET2020) te benutten om generatievernieuwing te ondersteunen en het gebrek aan bekwame arbeidskrachten in de bosbouw te verhelpen;

67.  dringt er bij de Commissie op aan om het opzetten van informatiecampagnes voor de sector te ondersteunen met als doel de bewustwording te vergroten van de kansen die de sector biedt om werkloosheid en ontvolking aan te pakken, en de sector tevens aantrekkelijker te maken voor jongeren;

68.  is van mening dat er programma's voor opleiding en bijscholing moeten worden ontwikkeld, met name ook voor nieuwkomers en jonge bosbouwers alsook voor de huidige werknemers in de bouwsector teneinde hen bewuster te maken van de mogelijkheden die het gebruik van hout biedt, om ervoor te zorgen dat de overdracht van kennis over bosbeheer en de verwerkende industrie gewaarborgd blijft;

69.  erkent dat duurzaam beheer tijdens de gehele levensduur van bosbouwproducten een aanzienlijke bijdrage kan leveren tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de groene economie, met name als het gaat om de doelstellingen die verband houden met het beleid voor de beperking van de klimaatverandering en een efficiënt gebruik van hulpbronnen;

70.  is van oordeel dat de lidstaten duurzaam gebruik van houtproducten in de bouwsector moeten bevorderen, onder andere bij het bouwen van beter betaalbare woningen waarbij gebruik wordt gemaakt van duurzaam geproduceerde grondstoffen;

71.  wijst op de betekenis van traditionele, hoogwaardige gebruiksvormen die nog steeds een enorm groeipotentieel hebben, zoals het gebruik van hout als bouw- en verpakkingsmateriaal;

72.  merkt op dat de huidige technologische ontwikkelingen de bouw van hoogwaardige woningen waarbij hoofdzakelijk hout wordt gebruikt mogelijk maken en daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan het terugdringen van de CO2-uitstoot in de bouwsector;

73.  wijst erop dat de voorschriften voor het gebruik van hout in de bouwnijverheid in de diverse lidstaten uiteenlopen; dringt bijgevolg aan op de goedkeuring van EU-regels om een groter gebruik van hout in de bouw te bevorderen;

74.  roept de lidstaten op initiatieven te ontwikkelen om de overdracht van kennis en technologie te bevorderen en bestaande EU-programma's ter ondersteuning van onderzoek en innovatie in de bosbouw- en de houtsector ten volle te benutten;

75.  wijst op de aanzienlijke lacunes in het wetenschappelijk en technologisch onderzoek in verband met de aanpassing van de bosbouwsector aan de klimaatverandering, met inbegrip van onderzoek naar de impact van het groeiende aantal plagen en ziekten die een ernstige bedreiging vormen voor de bossen en de houtsectoren in Europa;

76.  roept de Commissie en de lidstaten op meer besef te wekken van de economische, maatschappelijke en ecologische rol van de Europese bossen en de houtsector, evenals van het belang van de duurzame, op hout gebaseerde bio-economie en van hout als essentiële hernieuwbare grondstof in de EU;

77.  acht het van groot belang om wetenschappelijk onderzoek naar het rationele gebruik van biomassa en de ontwikkeling van snel groeiende energiegewassen aan te moedigen en een model te creëren met economische prikkels voor het gebruik van biomassa-afval;

Wereldwijde uitdagingen – milieubescherming en klimaatverandering

78.  benadrukt dat duurzaam bosbeheer een positieve invloed heeft op de biodiversiteit, de gevolgen van de klimaatverandering kan afzwakken en het risico van bosbranden, ongedierteplagen en ziekten kan verminderen;

79.  benadrukt dat de Unie is overeengekomen dat tegen 2020 het biodiversiteitsverlies en de achteruitgang van ecosysteemdiensten, inclusief bestuiving, tot staan moeten zijn gebracht, dat de ecosystemen en de diensten die zij leveren, moeten worden behouden en dat ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen moet zijn hersteld; voegt hieraan toe dat de Unie voorts is overeengekomen dat het bosbeheer duurzaam moet zijn, dat de bossen, de daarin aanwezige biodiversiteit en de door bossen geleverde diensten beschermd en, waar mogelijk, verbeterd moeten worden en dat de weerbaarheid van bossen tegen klimaatverandering, branden, stormen, plagen en ziekten moet worden verbeterd; onderstreept daarnaast dat er dus behoefte bestaat aan de ontwikkeling en uitvoering van een vernieuwde EU-strategie voor de bossen, waarin de diverse exploitatievormen en voordelen van bossen aan de orde komen en die bijdraagt aan een meer strategische benadering van de bescherming en verbetering van de bossen, onder meer door duurzaam bosbeheer(4);

80.  dat ook andere thema's verder moeten worden uitgewerkt, zoals het probleem van de overbevolking van herbivoren, de gezondheid van bossen en het bevorderen van een duurzame houtproductie, het thema van de genetische bosbouwhulpbronnen, maatregelen om bosbranden te voorkomen en te bestrijden en bodemerosie te vermijden, en herstel van de vegetatie;

81.  erkent dat bosbouw met een korte omlooptijd kan voorzien in duurzame hout-biomassa en in het nodige gebiedsonderhoud, waardoor het risico van bodemerosie en van aardverschuivingen op braakliggende of uit de productie genomen grond afneemt;

82.  verzoekt de Commissie en de lidstaten specifieke maatregelen te nemen om Aichi-doelstelling 5 te halen, volgens welke het tempo waarmee alle natuurlijke habitats, met inbegrip van bossen, verloren gaan tegen 2020 ten minste gehalveerd en waar mogelijk tot bijna nul gereduceerd moet worden, en de aantasting en versnippering aanzienlijk beperkt moeten worden;

83.  dringt er bij de lidstaten op aan hun bosbouwbeleid zodanig te ontwerpen dat daarin ten volle rekening wordt gehouden met het belang van bossen voor het beschermen van de biodiversiteit, het voorkomen van bodemerosie, de koolstofopslag en luchtzuivering en de handhaving van de waterkringloop;

84.  wijst erop dat de bio-economie het kernelement van slimme en groene groei in Europa moet gaan vormen om de doelstellingen van de kerninitiatieven "Innovatie-Unie" en "Een Europa dat zijn hulpbronnen efficiënt gebruikt" in het kader van de Europa 2020-strategie te bereiken, en dat hout als grondstof een belangrijke rol speelt bij het dichterbij brengen van een biogebaseerde economie;

85.  benadrukt dat er dringend duidelijkheid moet komen over de broeikasgasemissies van de verschillende toepassingen van bosbiomassa voor energie en dat moet worden vastgesteld welke toepassingen de grootste reductie binnen een beleidsrelevant tijdsbestek kunnen opleveren;

86.  acht het belangrijk dat de toepassing van het concept van een bio-economie wordt bevorderd, met inachtneming van de grenzen van duurzame levering van grondstoffen, met het oog op grotere economische levensvatbaarheid van de houtsector door middel van innovatie en technologie-overdracht;

87.  dringt erop aan dat meer steun wordt verleend aan uiteenlopende bosproducten, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de verschillende eisen die aan bosproducten worden gesteld met elkaar in evenwicht worden gebracht en worden afgezet tegen het potentieel van duurzame levering en de overige ecosysteemfuncties en -diensten die bossen leveren;

88.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het tempo van de wereldwijde ontbossing, met name in ontwikkelingslanden, en vaak als gevolg van illegale houtkap;

89.  steunt mechanismen die de wereldwijde ontwikkeling van de bosbouw in de richting van een duurzamer gebruik stimuleren, en wijst daarbij met name op de EU-verordening over hout(5), bedoeld ter bestrijding van illegale houtkap en het op de Europese markt brengen van uit derde landen ingevoerd illegaal gekapt hout, en op het vergunningssysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (FLEGT)(6) en op de daarmee samenhangende vrijwillige partnerschapsovereenkomsten;

90.  verzoekt de Commissie de langverwachte evaluatie van de werking en doeltreffendheid van de Europese verordening over hout te publiceren en onderstreept dat een nieuwe verordening in verhouding moet zijn en erop gericht onnodige kosten en rapportagevereisten voor de Europese boseigenaren en bosbouwers te vermijden zonder dat het doel van de verordening in het gedrang komt;

91.   is in het licht van de uitdagingen die de opwarming van de aarde en de klimaatverandering met zich brengen van oordeel dat alleen gezonde, biologisch diverse en robuuste ecosystemen en soortenpopulaties veerkrachtig zijn;

92.  wijst op de mogelijkheden van de Natura 2000-gebieden, waar dankzij de daar aanwezige bijzondere natuurlijke hulpbronnen producten en diensten van hoge milieu- en culturele kwaliteit kunnen worden geproduceerd;

93.  onderstreept het belang van gezonde bosecosystemen die een leefgebied vormen voor planten en dieren, maar benadrukt dat goedbedoelde wetgeving zoals de EU-habitatrichtlijn de besluitvorming over landinrichting beïnvloedt en evenredig moet worden toegepast;

94.  erkent de rol van bossen bij de ontwikkeling van daarmee verband houdende sectoren en wijst in dat opzicht op het belang van ondersteuning voor telers van honingdragende bomen, hetgeen weer het bestuivingsproces ondersteunt;

95.  is van mening dat bepaalde problemen betrekking hebben op de bosbouwsector op mondiaal niveau, zoals illegale houtkap, en verzoekt de Commissie daarom in de relevante internationale organisaties meer steun aan de bosbouwsector te verlenen;

96.  stelt vast dat de vraag naar biomassa, met name hout, toeneemt en spreekt dan ook zijn voldoening uit over de inspanningen van de Commissie en de lidstaten om ontwikkelingslanden te steunen bij hun maatregelen ter verbetering van hun bosbouwbeleid en bosregelgeving, met name in het kader van REDD+(7) (bestrijding van factoren die ontbossing en bosdegradatie in de hand werken);

97.  verzoekt de Commissie om een actieplan inzake ontbossing en bosdegradatie uit te werken teneinde de in de mededeling van de Commissie over ontbossing vastgestelde doelstellingen te verwezenlijken, zoals het zevende milieuactieprogramma voorschrijft; acht het belangrijk dat niet alleen wordt voorzien in het behoud en beheer van de bestaande bossen, maar ook in de herbebossing van ontboste gebieden;

98.  is van mening dat er ook een aparte verwijzing moet worden opgenomen naar de noodzaak van grootschalige herbebossing van herhaaldelijk door bosbranden getroffen gebieden;

Uitvoering – verslaglegging

99.  herinnert eraan dat de uitvoering van de EU-bosstrategie een meerjarig gecoördineerd proces dient te zijn waarin rekening dient te worden gehouden met de standpunten van het Parlement en dat een efficiënte, coherente en met weinig bureaucratie gepaard gaande uitvoering van de strategie wenselijk is;

100.  betreurt het dat het uitvoeringsproces al gedeeltelijk is begonnen voordat het Parlement zijn standpunt heeft vastgesteld en is van oordeel dat dit niet strookt met de doelstelling van een betere coördinatie van de beleidsmaatregelen voor bossen zoals de Commissie in de tekst van haar strategie stelt;

101.  is van mening dat de nieuwe strategie banden moet creëren tussen de financieringsstrategieën en -plannen van de Europese Unie en die van de lidstaten en dat moet worden gezorgd voor meer samenhang in de planning, financiering en uitvoering van sectoroverschrijdende activiteiten;

102.  dringt aan op een inclusieve, gestructureerde en evenwichtige uitvoering van de strategie;

103.  is dan ook van mening dat het mandaat van het Permanent Comité voor de bosbouw moet worden versterkt en beter gefinancierd, zodat de Commissie de vakkennis uit de lidstaten ten volle kan benutten bij de uitvoering van de nieuwe EU-bosstrategie op het niveau van de EU; verzoekt de Commissie daarom het Permanent Comité voor de bosbouw vroegtijdig te raadplegen voordat een initiatief wordt genomen of een tekstvoorstel wordt gedaan met gevolgen voor het bosbeheer en de houtsector;

104.  benadrukt de belangrijke rol van de Groep voor dialoog met het maatschappelijk middenveld voor bosbouw en kurk en dringt erop aan dat deze naar behoren bij de uitvoering van de strategie wordt betrokken;

105.  is van mening dat het horizontale karakter van de bosbouwproblematiek interne samenwerking vereist tussen de verschillende diensten van de Commissie als er maatregelen worden overwogen die gevolgen kunnen hebben voor de specifieke kenmerken van het duurzame beheer van de bossen en de aanverwante sectoren; verzoekt DG Milieu, DG Klimaat, DG Agri, DG Energie en DG Onderzoek en innovatie alsmede andere DG's derhalve om op strategisch niveau samen te werken teneinde voor een doeltreffende uitvoering van de strategie te zorgen via betere coördinatie en communicatie;

106.  is van mening dat er gezien de prioriteiten van de Commissie inzake groei, werkgelegenheid en investeringen ook bij de uitvoering van de nieuwe EU-bosstrategie voorrang moet worden verleend aan bevordering van concurrentievermogen en duurzaamheid van de bosbouwsector, steun aan plattelands- en stedelijke gebieden, uitbreiding van de kennis, bescherming van bossen en behoud van hun ecosystemen, bevordering van coördinatie en communicatie, en vergroting van het duurzame gebruik van hout en andere bosproducten;

107.  roept de Commissie op in aanvulling op de strategie met een robuust actieplan met specifieke maatregelen te komen en het Parlement jaarlijks verslag te doen van de bereikte vooruitgang bij de uitvoering van de concrete acties van de strategie;

108.  spreekt zich uit voor een bijeenkomst van een "uitgebreide" commissie AGRI – ENVI – ITRE, om een evenwichtige discussie over de vooruitgang bij de uitvoering van de nieuwe EU-bosstrategie mogelijk te maken;

o
o   o

109.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 413.
(2) Forest Europe – ministerconferentie over de bescherming van de bossen in Europa, internationaal onderhandelingscomité voor de sluiting van een juridisch bindende overeenkomst over de bossen in Europa: http://www.foresteurope.org/
(3) Zie http://www.forestnegotiations.org/
(4) Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet".
(5) Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen;
(6) Verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (FLEGT = Wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw)
(7) Reductie van broeikasgasemissies ten gevolge van ontbossing en bosdegradatie: http://unfccc.int/methods/redd/items/7377.php

Juridische mededeling - Privacybeleid