Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 30 april 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Opschorting van uitzonderlijke handelsmaatregelen wat betreft Bosnië en Herzegovina ***I
 Vervolging van christenen over de hele wereld, naar aanleiding van de moordpartij onder studenten in Kenia door de terreurgroep Al-Shabaab
 Vernieling van culturele locaties door IS/Da'esh
 De situatie in de Malediven
 Voortgangsverslag 2014 over Albanië
 Voortgangsverslag 2014 over Bosnië en Herzegovina
 Jaarverslag 2013 van de Europese Investeringsbank
 Expo Milano 2015 : Voedsel voor de planeet, energie voor het leven
 Situatie in Nigeria
 De zaak Nadia Savchenko
 De situatie in het vluchtelingenkamp Yarmoek in Syrië
 Gevangenneming van activisten voor de mensenrechten en werknemersrechten in Algerije

Opschorting van uitzonderlijke handelsmaatregelen wat betreft Bosnië en Herzegovina ***I
PDF 441kWORD 87k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 30 april 2015 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1215/2009 van de Raad tot vaststelling van uitzonderlijke handelsmaatregelen ten behoeve van de landen en gebieden die deelnemen aan of verbonden zijn met het stabilisatie- en associatieproces van de Europese Unie en tot opschorting van de toepassing ervan wat betreft Bosnië en Herzegovina (COM(2014)0386 – C8-0039/2014 – 2014/0197(COD))(1)
P8_TA(2015)0177A8-0060/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Verordening (EG) nr. 1215/2009 biedt geen enkele mogelijkheid om het toekennen van uitzonderlijke handelsmaatregelen tijdelijk op te schorten in geval van ernstige en systematische schendingen van de grondbeginselen van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat door de begunstigden ervan. Het is wenselijk om een dergelijke mogelijkheid in die verordening op te nemen om ervoor te zorgen dat snel kan worden ingegrepen in geval van ernstige en systematische schendingen van de grondbeginselen van de mensenrechten, de democratie en de rechtstaat in een van de landen en gebieden die deelnemen aan of verbonden zijn met het stabilisatie- en associatieproces van de Europese Unie.
(2)  Verordening (EG) nr. 1215/2009 biedt geen enkele mogelijkheid om het toekennen van uitzonderlijke handelsmaatregelen tijdelijk op te schorten in geval van ernstige en systematische schendingen van de grondbeginselen van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat door de begunstigden ervan. Het is wenselijk om een dergelijke mogelijkheid in die verordening op te nemen om ervoor te zorgen dat snel kan worden ingegrepen in geval van ernstige en systematische schendingen van de grondbeginselen van de mensenrechten, de democratie en de rechtstaat in een van de landen en gebieden die deelnemen aan of verbonden zijn met het stabilisatie- en associatieproces van de Europese Unie. Eerbiediging van democratische beginselen, de rechtsstaat, mensenrechten en de bescherming van minderheden zijn vereisten om verder te kunnen gaan met het toetredingsproces.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Sinds de start van het stabilisatie- en associatieproces zijn stabilisatie- en associatieovereenkomsten gesloten met alle betrokken landen van de westelijke Balkan, met uitzondering van Bosnië en Herzegovina en Kosovo3. In juni 2013 heeft de Raad de Commissie gemachtigd om met Kosovo onderhandelingen over een stabilisatie- en associatieovereenkomst te openen.
(5)  Sinds de start van het stabilisatie- en associatieproces zijn stabilisatie- en associatieovereenkomsten gesloten met alle betrokken landen van de westelijke Balkan, met uitzondering van Bosnië en Herzegovina en Kosovo3. In mei 2014 zijn de onderhandelingen over een stabilisatie- en associatieovereenkomst met Kosovo afgerond en in juli 2014 is de overeenkomst geparafeerd.
______________
_______________
3 Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
3 Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Bosnië en Herzegovina heeft echter nog niet aanvaard de in het kader van de interimovereenkomst toegekende handelsconcessies aan te passen teneinde het preferentiële traditionele handelsverkeer tussen Kroatië en Bosnië en Herzegovina in het kader van de Midden-Europese Vrijhandelsovereenkomst (Cefta) in aanmerking te nemen. Mocht ten tijde van de vaststelling van deze verordening geen overeenkomst over de aanpassing van de in de stabilisatie- en associatieovereenkomst en de interimovereenkomst opgenomen handelsconcessies zijn ondertekend en voorlopig worden toegepast door de Europese Unie en Bosnië en Herzegovina, dan moeten de aan Bosnië en Herzegovina toegekende preferenties met ingang van 1 januari 2016 worden opgeschort. Zodra Bosnië en Herzegovina en de Europese Unie een overeenkomst over de aanpassing van de handelsconcessies in de interimovereenkomst hebben ondertekend en voorlopig hebben toegepast, moeten de preferenties opnieuw worden ingesteld.
(7)  Bosnië en Herzegovina heeft echter nog niet aanvaard de in het kader van de interimovereenkomst toegekende handelsconcessies aan te passen teneinde het preferentiële traditionele handelsverkeer tussen Kroatië en Bosnië en Herzegovina in het kader van de Midden-Europese Vrijhandelsovereenkomst (Cefta) in aanmerking te nemen. Mocht ten tijde van de vaststelling van deze verordening geen overeenkomst over de aanpassing van de in de stabilisatie- en associatieovereenkomst en de interimovereenkomst opgenomen handelsconcessies zijn ondertekend en voorlopig worden toegepast door de Europese Unie en Bosnië en Herzegovina, dan moeten de aan Bosnië en Herzegovina toegekende preferenties met ingang van 1 januari 2016 worden opgeschort. Zodra Bosnië en Herzegovina en de Europese Unie een overeenkomst over de aanpassing van de handelsconcessies in de interimovereenkomst hebben ondertekend en voorlopig hebben toegepast, moeten de preferenties opnieuw worden ingesteld. De autoriteiten van Bosnië en Herzegovina en de Commissie moeten hun inspanningen verdubbelen om vóór 1 januari 2016 en in overeenstemming met de interimovereenkomst een wederzijds aanvaardbare oplossing te vinden, met name ten aanzien van grensoverschrijdende handel.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Er moet rekening worden gehouden met de constante vorderingen van de desbetreffende landen en gebieden van de Westelijke Balkan in de richting van het lidmaatschap van de Unie, alsook met de toetreding van Kroatië tot de Unie en het feit dat de interimovereenkomst met Bosnië en Herzegovina dientengevolge moet worden aangepast. In dit verband moet ook worden gelet op de ondubbelzinnige inzet van de Unie voor het vooruitzicht van Bosnië en Herzegovina op EU-lidmaatschap, zoals vervat in de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 15 december 2014. In die conclusies wordt er opnieuw op gewezen dat het politieke leiderschap van Bosnië en Herzegovina de hervormingen die nodig zijn voor integratie in de EU tot kernpunt moet maken van de werkzaamheden van alle betrokken instellingen, en dat op alle overheidsniveaus voor functionaliteit en doeltreffendheid moet worden gezorgd om Bosnië en Herzegovina in staat te stellen zich op een toekomstig EU-lidmaatschap voor te bereiden.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)  De Europese Unie blijft belang hechten aan de steun voor Europees perspectief voor Bosnië en Herzegovina en verwacht van de politiek leiders van dit land dat ze streven naar hervormingen die gericht zijn op goed functionerende instellingen en op waarborging van gelijke rechten voor de drie bevolkingsgroepen en alle burgers van Bosnië en Herzegovina.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt -1 (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1215/2009
Overweging 14 bis (nieuw)
(-1) De volgende overweging wordt ingevoegd:
"(14 bis) Met het oog op een adequate democratische toezicht op de toepassing van deze verordening moet de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen worden overgedragen aan de Commissie voor noodzakelijke amendementen en technische aanpassingen van de bijlagen I en II naar aanleiding van amendementen op CN-codes en de Taric-onderverdelingen, voor noodzakelijke aanpassingen naar aanleiding van de toekenning van handelspreferenties in het kader van andere overeenkomsten tussen de Unie en de landen en gebieden die onder deze verordening vallen, en voor de opschorting van de voordelen van deze verordening wanneer niet wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: doeltreffende administratieve samenwerking ter voorkoming van fraude, eerbiediging van de mensenrechten en de beginselen van de rechtsstaat, en doeltreffende economische hervormingen en regionale samenwerking. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad. De Commissie dient volledige gegevens en documentatie te verstrekken over de bijeenkomsten met nationale deskundigen die zij belegt in het kader van haar werkzaamheden ter voorbereiding en tenuitvoerlegging van gedelegeerde handelingen. In dit verband moet de Commissie ervoor zorgen dat het Europees Parlement naar behoren bij het proces wordt betrokken, volgens optimale werkmethoden zoals die zijn gebleken uit eerdere ervaring op andere beleidsterreinen, om zo de beste voorwaarden te creëren voor het toekomstig toezicht van het Europees Parlement op gedelegeerde handelingen."
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 1 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1215/2009
Artikel 2 – lid 3
(1 bis)  Artikel 2, lid 3, wordt vervangen door:
3.  Bij niet-naleving door een land of gebied van lid 1 of 2, kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen het recht van de betrokken landen en gebieden op de voordelen van deze verordening volledig of gedeeltelijk opschorten. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 8, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure.
3.  Bij niet-naleving door een land of gebied van lid 1, onder a) of b), kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen het recht van de betrokken landen en gebieden op de voordelen van deze verordening volledig of gedeeltelijk opschorten. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 8, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 1 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1215/2009
Artikel 7 – punt c (nieuw)
(1 ter)  In artikel 7 wordt het volgende punt ingevoegd:
(c)  de gedeeltelijke of volledige opschorting van het recht van een betrokken land of gebied op voordelen in het kader van deze verordening, indien het land of gebied in kwestie niet voldoet aan de voorwaarden zoals omschreven in artikel 2, lid 1, onder c) en d), en artikel 2, lid 2, van deze verordening.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 1 quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1215/2009
Artikel 10 – lid 1 – alinea 1 – inleidende formule
(1 quater)  De inleidende formule van artikel 10, lid 1, wordt vervangen door:
1.  Wanneer de Commissie oordeelt dat er voldoende bewijs is van fraude, of dat de in artikel 1 genoemde landen en gebieden niet de vereiste administratieve medewerking verlenen voor de verificatie van het bewijs van oorsprong, dat hun uitvoer naar de Gemeenschap een scherpe stijging vertoont die hun normale productieniveau en uitvoercapaciteit overstijgt, of dat zij artikel 2, lid 1, overtreden, kan zij maatregelen nemen om de bij deze verordening vastgestelde regelingen voor een periode van drie maanden geheel of ten dele te schorsen, mits zij vooraf:
1.  Wanneer de Commissie oordeelt dat er voldoende bewijs is van fraude, of dat de in artikel 1 genoemde landen en gebieden niet de vereiste administratieve medewerking verlenen voor de verificatie van het bewijs van oorsprong, dat hun uitvoer naar de Gemeenschap een scherpe stijging vertoont die hun normale productieniveau en uitvoercapaciteit overstijgt, of dat zij artikel 2, lid 1, onder a) en b), overtreden, kan zij maatregelen nemen om de bij deze verordening vastgestelde regelingen voor een periode van drie maanden geheel of ten dele te schorsen, mits zij vooraf:

(1) De zaak werd terugverwezen voor een nieuwe behandeling naar de bevoegde Commissie uit hoofde van artikel 61, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A8-0060/2015).


Vervolging van christenen over de hele wereld, naar aanleiding van de moordpartij onder studenten in Kenia door de terreurgroep Al-Shabaab
PDF 182kWORD 77k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 april 2015 over de vervolging van christenen in de hele wereld, naar aanleiding van de moord op studenten in Kenia door de terreurgroepering Al-Shabaab (2015/2661(RSP))
P8_TA(2015)0178RC-B8-0382/2015

Het Europees Parlement,

—  gezien zijn eerdere resoluties over Kenia,

–  gezien de tweede, herziene partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (de "Overeenkomst van Cotonou"), en in het bijzonder de artikelen 8, 11 en 26 daarvan,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, van 23 november 2014 over de moord op 28 burgers en van 3 april 2015 over de slachtpartij op het Garissa-universiteit,

–  gezien de persverklaring van de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie, die op 9 april 2015 zijn 497e bijeenkomst hield, over de terroristische aanslag in Garissa in Kenia,

–  gezien de aanval van de Keniaanse luchtmacht op trainingskampen van Al-Shabaab in Somalië als reactie op het bloedbad op de Garissa-universiteit,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging van 1981,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien de EU-richtsnoeren aangaande het internationale humanitaire recht,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de meest recente terroristische aanslag in Garissa in Kenia tegen jonge mensen, onderwijs en derhalve de toekomst van het land was gericht; overwegende dat jonge mensen hoop en vrede vertegenwoordigen en de toekomstige sterkhouders van de ontwikkeling van het land zijn; overwegende dat onderwijs essentieel is voor de strijd tegen gewelddadig extremisme en fundamentalisme;

B.  overwegende dat het aantal aanvallen op religieuze minderheden, en met name christenen, over de hele wereld in de laatste maanden enorm is toegenomen; overwegende dat christenen iedere dag worden afgeslacht, geslagen en gearresteerd, vooral in enkele delen van de Arabische wereld door jihadistische terroristen;

C.  overwegende dat christenen de meest vervolgde religieuze groep vormen; overwegende dat dit soort extremisme en vervolging een steeds belangrijkere factor vormt van het toenemende verschijnsel van massale migratie; overwegende dat uit gegevens blijkt dat ieder jaar meer dan 150 000 christenen worden omgebracht;

D.  overwegende dat op 15 februari 2015 21 Egyptische koptische christenen in Libië door IS/Da'esh onthoofd zijn;

E.  overwegende dat de aanvallers in Garissa hun aanvallen met opzet hebben gericht op niet-moslims en christenen hebben geselecteerd om hen wreed te executeren; overwegende dat Al-Shabaab openlijk en in het openbaar heeft verklaard een oorlog te voeren tegen christenen in de regio;

F.  overwegende dat het beschermen van de rechten van kinderen en jonge mensen en het versterken van vaardigheden, onderwijs en innovatie cruciaal is voor het vergroten van hun kansen op economisch, sociaal en cultureel gebied en voor het verder aanzwengelen van de economische ontwikkeling van het land;

G.  overwegende dat Al-Shabaab al vaker aanslagen op studenten, scholen en andere onderwijsfaciliteiten heeft gepleegd; overwegende dat onder meer in december 2009 een zelfmoordterrorist 19 mensen mee de dood in rukte tijdens een afstudeerceremonie van medicijnenstudenten in Mogadishu, Somalië en in oktober 2011 de terroristische organisatie de verantwoordelijkheid opeiste voor een bomaanslag – eveneens in Mogadishu – waarbij 70 doden vielen, waaronder studenten die bij het Somalische Ministerie van Onderwijs op examenresultaten stonden te wachten;

H.  overwegende dat op 25 maart 2015 minstens 15 mensen het leven hebben gelaten bij een aanval van Al-Shabaab op een hotel in Mogadishu en overwegende dat Yusuf Mohamed Ismail Bari-Bari, de permanente vertegenwoordiger van Somalië bij de Verenigde Naties in Genève, Zwitserland, bij deze aanval om het leven is gekomen;

I.  overwegende dat Kenia met steeds meer aanslagen op burgers te maken krijgt sinds oktober 2011 toen Keniaanse troepen het zuiden van Somalië zijn binnengevallen om deel te nemen aan een gecoördineerde operatie samen met Somalische militaire eenheden tegen een door Al-Shabaab gecontroleerd gebied nadat de terroristen vier mensen hadden gegijzeld;

J.  overwegende dat sinds november 2011 Keniaanse troepen onderdeel uitmaken van de missie van de Afrikaanse Unie in Somalië (AMISOM), die op 19 januari 2007 door de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie in het leven is geroepen en op 20 februari 2007 is goedgekeurd door de VN-Veiligheidsraad (resolutie 1744(2007)), die de Afrikaanse Unie onlangs groen licht heeft gegeven om haar missie tot 30 november 2015 voort te zetten (resolutie 2182(2014));

K.  overwegende dat het Ethiopische leger een grote bijdrage heeft geleverd aan de strijd tegen de terroristische organisatie Al-Shabaab, en dat hetzelfde geldt voor het leger van Oeganda, zij het op meer bescheiden schaal;

L.  overwegende dat Al-Shabaab banden heeft gevormd met andere islamistische groepen in Afrika, zoals Boko Haram in Nigeria en Al-Qaeda in de Islamitische Maghreb;

M.  overwegende dat de terroristische organisatie Al-Shabaab regelmatig burgers aanvalt en doodt, zowel in Somalië zelf als in zijn buurlanden, zoals in juli 2010 in Kampala in Oeganda, en in het bijzonder in Kenia, waar alleen de grotere aanslagen de aandacht van de internationale gemeenschap hebben getrokken, maar kleinere aanslagen een veel vaker voorkomend fenomeen zijn;

N.  overwegende dat Al-Shabaab de verantwoordelijkheid heeft opgeëist voor de aanslagen in juli 2014 op de dorpen Hindi, Gamba, Lamu en Tana River aan de kust van Kenia, waarbij meer dan 100 mensen werden geëxecuteerd, en ook voor de twee aanslagen in het district Mandela eind 2014, waarbij 64 mensen werden gedood;

O.  overwegende dat na de terreuraanslag op de Garissa- universiteit de Keniaanse regering er ten aanzien van het VN-vluchtelingenbureau (UNHCR) mee heeft gedreigd de vluchtelingenkampen van Dadaab binnen drie maanden te sluiten; overwegende dat het UNHCR daarop heeft gewaarschuwd dat dit "extreme humanitaire en praktische consequenties" zou hebben; overwegende dat het VN-Vluchtelingenverdrag gedwongen terugkeer van vluchtelingen naar gebieden waar hun leven of vrijheid gevaar loopt, verbiedt;

P.  overwegende dat de African Standby Force (ASF) nog niet operationeel is, en dat de EU heeft aangegeven bereid te zijn ondersteuning te verlenen aan de vredehandhavingscapaciteiten in Afrika als onderdeel van haar veiligheidsstrategie voor Afrika;

Q.  overwegende dat in artikel 11 van de Partnerschapsovereenkomst ACS-EU staat dat "de activiteiten op het gebied van vredesopbouw, conflictpreventie en conflictoplossing met name inhouden: steun voor de evenwichtige verdeling van politieke, economische, sociale en culturele kansen onder alle geledingen van de samenleving, steun voor versterking van de democratische legitimiteit en de effectiviteit van het bestuur, steun voor de totstandbrenging van effectieve instrumenten voor de vreedzame verzoening van groepsbelangen, [...] steun voor het overbruggen van scheidslijnen tussen verschillende geledingen van de samenleving en steun voor een actieve en georganiseerde civiele samenleving";

1.  veroordeelt in de meest scherpe bewoordingen de bewuste terroristische aanslag van Al-Shabaab op 2 april 2015 in Garissa, waar de organisatie 147 jonge mensen, onschuldige universiteitsstudenten heeft vermoord en 79 anderen heeft verwond; veroordeelt met klem alle mensenrechtenschendingen, met name de gevallen waarin mensen worden gedood op grond van hun godsdienst, overtuigingen of etnische oorsprong;

2.  veroordeelt eens te meer de aanslagen door Al-Shabaab in de zomer van 2014 op meerdere kustplaatsen in Kenia, waaronder Mpeketoni, waar 50 mensen werden geëxecuteerd; veroordeelt met klem de aanval op het Westgate Shopping Centre in Nairobi op 24 september 2013, waarbij 67 doden vielen te betreuren; veroordeelt de aanval van Al-Shabaab van 25 maart 2015 in Mogadishu, waarbij ambassadeur Yusuf Mohamed Ismail Bari-Bari, de permanente vertegenwoordiger van Somalië bij de Verenigde Naties in Genève, om het leven is gekomen;

3.  betuigt zijn medeleven met de familieleden van de slachtoffers en de bevolking en de regering van de Republiek Kenia; is solidair met Kenia nu dit land met dit soort verachtelijke daden van agressie wordt geconfronteerd;

4.  herinnert eraan dat godsdienstvrijheid een grondrecht is en veroordeelt met klem elke vorm van geweld of discriminatie op grond van godsdienst;

5.  veroordeelt de recente aanvallen op christelijke gemeenschappen in verschillende landen, met name in verband met het overboord werpen van 12 christenen tijdens een recente overtocht uit Libië en de afslachting van 30 Ethiopische christenen op 19 april 2015, en spreekt zijn solidariteit uit met de families van de slachtoffers;

6.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het misbruik van religie door plegers van terroristische aanslagen in verschillende delen van de wereld en over de toename van het aantal gevallen van intolerantie, repressie en geweld tegen christenen, vooral in enkele delen van de Arabische wereld; hekelt de instrumentalisering van godsdienst in verscheidene conflicten; veroordeelt het toenemende aantal aanvallen op kerken in de hele wereld, met name de aanval op 15 maart 2015 in Pakistan waarbij 14 mensen zijn gedood; veroordeelt ten sterkste de opsluiting, verdwijning, foltering, slavernij en openbare terechtstelling van christenen in Noord-Korea; bevestigt en ondersteunt het onvervreemdbare recht van alle religieuze en etnische minderheden die in Irak en Syrië wonen, met inbegrip van christenen, om onder waardige, gelijke en veilige omstandigheden in hun historische en traditionele vaderland te blijven wonen; merkt op dat leden van verschillende religieuze groepen eeuwenlang vreedzaam in deze regio hebben samengeleefd;

7.  verzoekt de EU-instellingen te voldoen aan de verplichting van artikel 17 VWEU om een open, transparante en regelmatige dialoog te voeren met kerken en religieuze, levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties, teneinde ervoor te zorgen dat de vervolging van christelijke gemeenschappen en andere religieuze gemeenschappen een prioritaire kwestie voor de EU is;

8.  hekelt het gebruik van historisch recht of "dhimmi pact" door IS/Da’esh in Syrië en Irak om christenen af te persen door onder doodsbedreiging belastingen op religieuze grondslag te heffen en beperkingen op te leggen;

9.  bevestigt nogmaals zijn solidariteit met alle christenen die in verschillende delen van Afrika vervolgd worden, met bijzondere aandacht voor de recente gruweldaden in Libië, Nigeria en Sudan;

10.  laakt en verwerpt elke onjuiste interpretatie van de boodschap van de Islam om een gewelddadige, wrede, totalitaire, onderdrukkende en expansiegerichte ideologie te creëren die de uitroeiing van christelijke minderheden rechtvaardigt; dringt er bij moslimleiders op aan alle terroristische aanvallen zonder voorbehoud te veroordelen, met inbegrip van de aanvallen gericht tegen religieuze gemeenschappen en minderheden en met name christenen;

11.  dringt erop aan dat onmiddellijk een grondig, onpartijdig en effectief onderzoek wordt gevoerd naar de aanslagen met het oog op het identificeren en berechten van de daders, organisatoren, geldschieters en sponsors van deze laakbare daden van terrorisme;

12.  is ervan overtuigd dat een doeltreffend antwoord op deze wandaden alleen gevonden kan worden indien Kenia zijn optreden coördineert met andere Afrikaanse landen, en verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Raad de veiligheids- en terroristische dreiging in de regio in kwestie aan te pakken in samenwerking met de Afrikaanse Unie, en de Afrikaanse Unie in dit verband te ondersteunen bij haar cruciale inspanningen gericht op het aanpakken van Al-Shabaab via AMISOM; verzoekt de EU met klem steun te verlenen aan pan-Afrikaanse en regionale mechanismen voor conflictbeheersing, zoals in het bijzonder de African Standby Force (ASF);

13.  roept de regering van Kenia op haar verantwoordelijkheid te nemen en iets te doen aan het geweld van Al-Shabaab, alsook aan de achterliggende oorzaken; is van mening dat veiligheid alleen kan worden gerealiseerd, als de verdeeldheden binnen de Keniaanse politiek en civiele maatschappij en de regionale onevenwichten op ontwikkelingsgebied naar behoren worden aangepakt; betreurt de late respons van de politiediensten; dringt er met name bij de regering op aan de terroristische aanvallen niet te gebruiken als voorwendsel voor het terugschroeven van de burgerlijke vrijheden; verzoekt de Keniaanse autoriteiten hun strategie inzake terrorismebestrijding te baseren op de rechtstaat en de eerbiediging van de grondrechten; acht het essentieel dat op de terrorismebestrijdingsmaatregelen democratisch en justitieel toezicht wordt uitgeoefend;

14.  verzoekt de Keniaanse autoriteiten met klem te voorkomen dat een kloof tussen de religieuze gemeenschappen ontstaat of dat de moslimgemeenschap op één lijn wordt gesteld met Al-Shabaab, en al het mogelijke te doen om de eenheid van het land te bewaren in het belang van de sociale en economische groei en de stabiliteit, alsmede de waardigheid en de mensenrechten van de bevolking; verzoekt de regering van Kenia, de oppositieleiders en de religieuze leiders iets te doen aan de historische grieven van marginalisering, regionale breuklijnen binnen het land en institutionele discriminatie, en erop toe te zien dat de terrorismebestrijdingsmaatregelen alleen de daders viseren en niet etnische en religieuze gemeenschappen in zijn algemeenheid;

15.  herinnert de Europese Dienst voor extern optreden en de lidstaten eraan dat zij in het EU-actieplan voor mensenrechten en democratie van juni 2012 beloofd hebben bij alle gesprekken over terrorismebestrijding met derde landen de mensenrechten ter sprake te brengen;

16.  verzoekt de EU een programma voor militaire training in Kenia te implementeren en militair materieel ter beschikking te stellen, en samen te werken met het leger en de politiediensten van Kenia, en deze te trainen, bij het bestrijden van terrorisme, teneinde een verder oprukken van Al-Shabaab te voorkomen;

17.  verzoekt de regering van Kenia met klem er alles aan te doen om zich te houden aan de regels van de rechtsstaat en de mensenrechten, de democratische beginselen en de grondrechten in acht te nemen, en verzoekt de EU haar internationale partners hierbij te helpen en een financiële bijdrage ter beschikking te stellen voor het versterken van de bestaande governanceprogramma's, teneinde voor nationale veiligheid te zorgen en vrede en stabiliteit te brengen in het land en de regio; is van oordeel dat de geweldsspiraal van Al-Shabaab in samenwerking met de buurlanden moet worden aangepakt; verzoekt de EU hiervoor alle noodzakelijke steun op financieel en logistiek gebied en op het vlak van deskundigheid te bieden, inclusief de mogelijkheid van gebruikmaking van de Vredesfaciliteit voor Afrika en de EU-instrumenten voor crisisbeheersing;

18.  verzoekt de Keniaanse veiligheidstroepen zich bij hun respons op de terroristische bedreiging aan de wetten te houden; verzoekt de Keniaanse regering in te staan voor de veiligheid en de bescherming van de vluchtelingenkampen op haar grondgebied, in overeenstemming met internationale wetgeving;

19.  benadrukt dat het internationale terrorisme gefinancierd wordt door illegaal witwassen, losgeld, afpersing, drugshandel en corruptie; verzoekt de Commissie en de lidstaten de samenwerking met derde landen te vergroten ten aanzien van informatie-uitwisseling over witwaspraktijken en de financiering van terrorisme;

20.  betuigt andermaal zijn steun voor alle initiatieven om de dialoog en het wederzijds respect tussen religieuze en andere gemeenschappen te bevorderen; verzoekt alle religieuze autoriteiten verdraagzaamheid te bevorderen en initiatieven te nemen tegen haat en gewelddadige en extremistische radicalisering;

21.  hekelt de terroristische aanvallen op onderwijsinstellingen en -gebouwen, die een middel zijn om het onderwijs aan en de waardigheid van alle burgers te ondermijnen alsook om wantrouwen en verdeeldheid tussen gemeenschappen te veroorzaken; herinnert aan de ontvoering en verdwijning van christelijke meisjes in de Nigeriaanse stad Chibok door de jihadistische terreurgroepering Boko Haram, die wereldwijd werd veroordeeld;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering van Kenia, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit (IGAD), de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.


Vernieling van culturele locaties door IS/Da'esh
PDF 264kWORD 83k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 april 2015 over de vernieling van cultuurgoederen door ISIS/Da'esh (2015/2649(RSP))
P8_TA(2015)0179RC-B8-0375/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de vragen met verzoek om mondeling antwoord aan de Raad en de Commissie over de vernieling van cultuurgoederen door ISIS/Da’esh (O-000031/2015 – B8-0115/2015 en O-000032/2015 – B8-0116/2015),

–  gezien artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) waarin wordt bepaald dat "het optreden van de Unie erop [is] gericht de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen’, met name op het gebied van ‘instandhouding en bescherming van het cultureel erfgoed van Europees belang’ en dat ‘de Unie en de lidstaten de samenwerking met derde landen [bevorderen] en met de inzake cultuur bevoegde internationale organisaties",

–  gezien Verordening (EG) Nr. 116/2009 van 18 december 2008 van de Raad betreffende de uitvoer van cultuurgoederen(1),

–  gezien Verordening (EG) Nr. 1210/2003 van 7 juli 2003 van de Raad betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2465/96(2),

–  gezien Verordening (EU) Nr. 1332/2013 van de Raad van 13 december 2013 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië(3), aangenomen op basis van Besluit 2013/760/GBVB van de Raad van 13 december 2013 houdende wijziging van Besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië(4), en in het bijzonder artikel 11c betreffende de invoer, uitvoer of overdracht van Syrische cultuurgoederen,

–  gezien gemeenschappelijk optreden van de Raad 2001/555/GBVB van 20 juli 2001 betreffende de oprichting van een satellietcentrum van de Europese Unie(5), zoals gewijzigd door gemeenschappelijk optreden van de Raad 2009/834/GBVB(6),

–  gezien de resolutie van de Raad van oktober 2012 over het opzetten van een informeel netwerk van wetshandhavingsautoriteiten en expertise op het gebied van cultuurgoederen (EU-Cultnet), (14232/12),

–  gezien het Tweede Protocol bij Unesco-Verdrag van 1954 inzake de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict, van 1999,

–  gezien de Unesco-Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen te verbieden en te verhinderen van 14 november 1970,

–  gezien het Unesco-Verdrag van 16 november 1972 inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld,

–  gezien het Unesco-Verdrag van 17 oktober 2003 inzake de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed,

–  gezien het Unesco-Verdrag van 20 oktober 2005 inzake de bescherming en bevordering van de verscheidenheid van culturele uitdrukkingsvormen,

–  gezien het Unidroit-Verdrag van 1995 inzake de internationale terugkeer van gestolen en onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen,

–  gezien resolutie 2199 van de VN-Veiligheidsraad van 12 februari 2015 over de bedreiging van de internationale vrede en veiligheid als gevolg van terroristische daden door Al-Qaida(7),

–  gezien het Handvest van Venetië voor de restauratie en het behoud van monumenten en cultureel erfgoed van 1964, dat een internationaal kader schept voor de restauratie en het behoud van oude gebouwen,

–  gezien het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof als aangenomen op 17 juli 1998, en met name artikel 8, lid 2, letter b) onder ix), waarin wordt bepaald dat "het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen gewijd aan godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of caritatieve doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, voor zover deze niet worden gebruikt voor militaire doeleinden" wordt beschouwd als een oorlogsmisdaad,

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het beleid van de Europese Unie ter zake, waarin wordt bepaald, in paragraaf 211, dat "het opzettelijk vernietigen van cultureel en artistiek erfgoed, zoals thans gebeurt in Irak en Syrië, dient vervolgd te worden als oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid"(8),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van het Europees Parlement en de Raad van 6 februari 2015 over de regionale strategie voor Syrië en Irak en de dreiging die uitgaat van Da’esh (JOIN(2015)0002), waarin de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) de ernst van de vernieling en plundering van cultureel erfgoed inzagen bij de bestrijding van de crises en Syrië en Irak en onderkenden welke dreiging uitgaat van Da’esh,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat diverse archeologische, religieuze en culturele plaatsen in Syrië en Irak onlangs het doelwit zijn geworden van doelgerichte vernielingen door extremistische groeperingen die voornamelijk gelieerd zijn aan de Islamitische Staat in Irak en Syrië (ISIS/Da'esh) en dat deze stelselmatige aanvallen op cultureel erfgoed door Irina Bokova, directeur-generaal van de Unesco, zijn bestempeld als "culturele zuivering";

B.  overwegende dat volgens de Unesco de term "culturele zuivering" verwijst naar een bewuste strategie om culturele verscheidenheid te vernietigen door gerichte acties tegen personen wegens hun culturele, etnische of religieuze achtergrond, in combinatie met opzettelijke aanvallen op hun gebedsplaatsen, monumenten en scholen, en dat de strategie van culturele zuivering die kan worden gadegeslagen in Irak en Syrië, zich manifesteert in aanvallen op cultureel erfgoed, dat wil zeggen zowel op fysieke, tastbare en gebouwde cultuuruitingen, zoals monumenten en gebouwen, als op minderheden en immateriële cultuuruitingen zoals gewoontes, tradities en geloofsovertuigingen(9);

C.  overwegende dat sommige acties waarbij cultureel erfgoed werd vernield, onder bepaalde omstandigheden worden beschouwd als misdaden tegen de menselijkheid(10); overwegende dat zij, met name wanneer zij gericht zijn tegen leden van een religieuze of etnische minderheid, gelijkgeschakeld kunnen worden aan een misdaad van vervolging als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder h), van het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof;

D.  overwegende dat dergelijke acties waarbij culturele en historische locaties en voorwerpen worden vernield, niet nieuw zijn en niet alleen plaatsvinden in Irak en Syrië; overwegende dat volgens de Unesco “cultureel erfgoed een belangrijke component is van de culturele identiteit van gemeenschappen, groepen en individuen en van sociale cohesie en dat de opzettelijke vernieling ervan negatieve gevolgen heeft voor de menselijke waardigheid en de mensenrechten”(11); het feit benadrukkende dat, zoals o.a. door de Unesco is verklaard, de opbrengst van het plunderen en smokkelen van culturele en religieuze goederen en objecten in Irak en Syrië door ISIS/Da'esh, wordt gebruikt om de terreurdaden van ISIS/Da'esh te helpen ondersteunen, met als gevolg dat artistieke en culturele goederen "oorlogswapens" worden;

E.  overwegende dat de Unesco, dankzij de financiering die wordt verstrekt door de Europese Unie, tezamen met andere strategische partners op 1 maart 2014 het driejarige project "Emergency Safeguarding of the Syrian Heritage" heeft opgestart, dat met name gericht is op de dringende bescherming van het Syrische culturele erfgoed;

F.  overwegende dat de Europese Unie de Conventie inzake de bescherming van de verscheidenheid van culturele inhoud en kunstzinnige expressie die op 20 oktober 2005 is aangenomen, heeft geratificeerd, het eerste internationale rechtsinstrument waarmee de tweeledige economische en culturele aard wordt erkend van cultureel erfgoed, dat derhalve niet mag worden beschouwd als iets dat louter handelswaarde heeft;

G.  overwegende dat de Unesco-Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen te verbieden en te verhinderen, die werd ondertekend op 17 november 1970, en het Unidroit-Verdrag inzake de internationale terugkeer van gestolen en onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen van 24 juni 1995 essentiële rechtsinstrumenten zijn voor een betere bescherming van het mondiale culturele erfgoed;

H.  overwegende dat illegale handel in cultuurgoederen nu de op twee na belangrijkste vorm van illegale handel is, na die in drugs en wapens, en dat deze illegale handel wordt gedomineerd door netwerken van de georganiseerde misdaad en dat de huidige nationale en internationale mechanismen noch voldoende zijn toegerust noch voldoende worden ondersteund om deze problematiek aan te pakken(12);

I.  overwegende dat de bestrijding van illegale handel in cultuurgoederen geen specifieke bevoegdheid is van de Europese Unie, in zoverre dat die niet is verankerd in de Verdragen, maar wel valt onder verschillende bevoegdheidsterreinen van de EU, zoals de interne markt, de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (RVVR), cultuur en het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB);

J.  overwegende dat de bestrijding van illegale handel in cultuurgoederen dringend beter moet worden gecoördineerd en dat er meer moet worden samengewerkt om de bewustwording te bevorderen, informatie te delen en het wettelijk kader te versterken; overwegende dat er in de Conclusies van de Raad van december 2011 over de voorkoming en bestrijding van misdaden tegen cultuurgoederen onder meer is aanbevolen dat de lidstaten de samenwerking tussen de wetshandhavingsinstanties, culturele autoriteiten en particuliere organisaties intensiveren;

K.  overwegende dat in oktober 2012 met een resolutie van de Raad een informeel netwerk is gecreëerd van wetshandhavingsautoriteiten en expertise op het gebied van cultuurgoederen (EU-Cultnet), met als hoofddoel de informatie-uitwisseling met betrekking tot de preventie van illegale handel in cultuurgoederen te verbeteren en informatie te identificeren en te delen over criminele netwerken die ervan worden verdacht bij de illegale handel betrokken te zijn;

L.  overwegende dat Irina Bokova, directeur-generaal van de Unesco op zaterdag 28 maart 2015 in Bagdad de campagne #Unite4Heritage heeft gestart om wereldwijd steun te verwerven voor de bescherming van cultureel erfgoed, door gebruik te maken van sociale netwerken;

1.  veroordeelt de opzettelijke vernieling van culturele, archeologische en religieuze monumenten door ISIS in Syrië en Irak ten zeerste;

2.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) passende politieke maatregelen te nemen, in overeenstemming met resolutie 2199 van de VN-Veiligheidsraad van 12 februari 2015, om een eind te maken aan de illegale handel in culturele goederen die afkomstig zijn van het grondgebied van Syrië en Irak gedurende conflictperiodes in deze contreien, zodat deze goederen niet kunnen worden gebruikt als financieringsbron;

3.  verzoekt de VV/HV culturele diplomatie en interculturele dialoog in te zetten als instrument om de verschillende gemeenschappen met elkaar te verzoenen en de vernielde culturele locaties weer op te bouwen;

4.  verzoekt de VV/HV, de EU en de lidstaten veiligheidsmaatregelen te nemen aan de buitengrenzen van de EU om te voorkomen dat cultuurgoederen uit Syrië en Irak de Unie in worden gesmokkeld en verzoekt hen op doeltreffende wijze samen te werken in het kader van een gezamenlijk optreden tegen de handel in kunstwerken van Syrische of Iraakse herkomst in Europa, aangezien een groot deel van de handel in kunst uit het Midden-Oosten bestemd is voor de Europese markt, samen met de Verenigde Staten en het gebied rond de Golf;

5.  stelt de Commissie in dit verband voor om zich in overeenstemming met paragraaf 17 van resolutie 2199 van de VN-Veiligheidsraad van 12 februari 2015 te concentreren op de bestrijding van de illegale handel in culturele kunstwerken, met name in goederen die deel uitmaken van het cultureel erfgoed en die sinds 6 augustus 1990 op illegale wijze uit Irak en sinds 15 maart 2011 uit Syrië zijn weggehaald; verzoekt de Commissie een gecoördineerde benadering uit te stippelen voor de bestrijding van die illegale handel, daarbij samenwerkend met degenen die op nationaal niveau verantwoordelijk zijn voor de opsporingsdiensten en in nauwe samenwerking met de Unesco en andere internationale organisaties zoals de Icom (Internationale Raad van Musea), het Internationaal Blauwe Schild Comité (ICBS) van de Icom, Europol, Interpol, Unidroit (Internationaal Instituut voor de eenmaking van het privaatrecht), de WCO (Werelddouaneorganisatie), de Icomos (Internationale Raad voor Monumenten en Landschappen) en het Iccrom (Internationaal Centrum voor de Studie tot het behoud en de restauratie van culturele goederen);

6.  verzoekt de VV/HV het Satellietcentrum van de Europese Unie in Torrejón erbij te betrekken, dat de besluitvormng van de Unie in het kader van het GBVB ondersteunt door materiaal te verstrekken dat afkomstig is uit de analyse van satellietbeelden, om archeologisch en cultureel erfgoed in Syrië en Irak in de gaten te houden en bij te houden op een lijst en om de werkzaamheden van Syrische archeologen te steunen, teneinde verdere plunderingen te voorkomen en het leven van burgers te beschermen;

7.  verzoekt de Commissie een snelle en veilige uitwisseling van informatie en het delen van optimale werkmethoden tot stand te brengen tussen de lidstaten om de strijd aan te binden tegen de illegale handel in culturele kunstwerken die onrechtmatig zijn weggehaald uit Irak en Syrië, en er bij de lidstaten op aan te dringen gebruik te maken van internationale hulpmiddelen voor politie- en douanefunctionarissen tegen de illegale handel in cultuurgoederen, zoals de speciale database "I-24/7" van Interpol voor gestolen kunstwerken, en het online communicatiemedium van het programma Archeo van de Werelddouaneorganisatie (WCO);

8.  verlangt dat er wordt nagedacht over het opzetten van Europese opleidingsprogramma's voor rechters, politie- en douanefunctionarissen, overheidsinstanties en marktdeelnemers in het algemeen, om degenen die betrokken zijn bij de bestrijding van de illegale handel in cultuurgoederen, in staat te stellen hun expertise te vergroten en te verbeteren, en initiatieven zoals de e-cursus voor Syrische erfgoedspecialisten, die in januari 2013 werd aangeprezen door de Icomos, lesmateriaal over risicobeheer bij rampen, eerstehulpmaatregelen voor culturele collecties en documentatietechniek te omarmen;

9.  verzoekt de Commissie zich te verbinden aan internationale projecten uit het maatschappelijk middenveld voor de bescherming en signalering van cultuurgoederen die gevaar lopen, zoals het AAAS-project voor geospatiale technologie, en de activiteiten van onderzoeksgemeenschappen te blijven ondersteunen, zoals Project Mosul dat is ontwikkeld door het Initial Training Network for Digital Cultural Heritage (gefinancierd met een subsidie voor Marie Skłodowska-Curie-acties);

10.  verzoekt de Commissie meer steun te verlenen aan het internationaal waarnemingscentrum voor de illegale handel in cultuurgoederen van de Icom, dat een noodlijst heeft opgesteld van Syrische en Iraakse antiquiteiten, bedoeld als hulpmiddel voor musea, douanebeambten, politieagenten en kunsthandelaren en -verzamelaars en waarbij naar verwachting satellietbeelden zullen worden gebruikt om de situatie ter plaatse te observeren, in samenwerking met Unitar;

11.  verzoekt de EU en de lidstaten bewustmakingscampagnes te ontwikkelen om de aankoop en verkoop van cultuurgoederen die afkomstig zijn van illegale handel vanuit oorlogsgebieden, te ontmoedigen;

12.  verzoekt de lidstaten de nodige stappen te ondernemen om universiteiten, onderzoeksinstanties en culturele instellingen te betrekken, onder andere via regels inzake beroepsethiek, bij de strijd tegen de illegale handel in cultuurgoederen uit oorlogsgebieden;

13.  dringt er bij de Commissie op aan de #Unite4Heritage-campagne van de Unesco te ondersteunen door een voorlichtingscampagne te starten die gericht is op Irak en Syrië, om de bewustwording te vergroten van het belang van het daar aanwezige cultureel erfgoed, van de manier waarop de opbrengst van plunderingen worden ingezet om onderdrukking door de regering en terreurdaden te financieren en van de mogelijke straffen voor de illegale invoer van cultuurgoederen die afkomstig zijn uit deze landen, of uit derde landen;

14.  verzoekt de Commissie de werking te versterken en te verbeteren van het informele netwerk van wetshandhavingsautoriteiten en expertise op het gebied van cultuurgoederen (EU-Cultnet) dat is opgezet met de resolutie van de Raad van oktober 2012, waarvan het doel is om de uitwisseling van informatie in verband met de preventie van de illegale handel in cultuurgoederen te verbeteren en de totstandbrenging van een aanvullend instrument te beogen om de invoer van cultuurgoederen die onrechtmatig door Syrië en Irak naar de EU zijn verplaatst, te controleren;

15.  verzoekt de Raad de Eurojust- en Europolafdelingen te versterken die zich bezighouden met het ondersteunen van de lopende onderzoeken, de preventie en de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot de illegale handel in cultuurgoederen;

16.  is tevreden met de heropstarting van de acties van het Internationaal Blauwe Schild Comité van de Icom;

17.  verzoekt de Europese Unie de nodige stappen te ondernemen, in samenwerking met de Unesco en het Internationaal Strafhof, om binnen het internationaal recht de categorie "misdaden tegen de menselijkheid" uit te breiden tot daden waardoor het cultureel erfgoed van de mensheid opzettelijk op grote schaal wordt beschadigd of vernield;

18.  dringt er bij de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan op aan de Unesco-Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen te verbieden en te verhinderen van 1970, de Unidroit-Overeenkomst van 1995 en het Haags Verdrag inzake de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict van 1954, alsmede het Tweede Protocol hierbij van 1999, te ratificeren;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de directeur-generaal van de Unesco, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 39 van 10.2.2009, blz. 1.
(2) PB L 169 van 8.7.2003, blz. 6.
(3) PB L 335 van 14.12.2013, blz. 3.
(4) PB L 335 van 14.12.2013, blz. 50.
(5) PB L 200 van 25.7.2001, blz. 5.
(6) PB L 297 van 13.11.2009, blz. 18.
(7) http://www.refworld.org/docid/54ef1f704.html
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0076.
(9) http://www.unesco.org/new/en/media-services/single-view/news/conference_report_heritage_and_cultural_diversity_at_risk_in_iraq_and_syria/
(10) International Criminal Tribunal for Yugoslavia, Kordić & Čerkez, 26 februari 2001, IT-95-14/2; punten 207 en 208.
(11) UNESCO Declaration on Intentional Destruction of Cultural Heritage (Verklaring van de Unesco over de opzettelijke vernieling van cultureel erfgoed), 2003.
(12) http://www.africa-eu-partnership.org/newsroom/all-news/morocco-africa-eu-workshop-fight-against-illegal-trafficking-cultural-goods


De situatie in de Malediven
PDF 171kWORD 72k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 april 2015 over de situatie op de Maldiven (2015/2662(RSP))
P8_TA(2015)0180RC-B8-0392/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de Maldiven,

–  gezien de gezamenlijke plaatselijke verklaring van de Europese Unie van 20 januari 2012 over de recente ontwikkelingen op de Maldiven, onder meer de arrestatie van een strafrechter,

–  gezien de gezamenlijke plaatselijke verklaring van de Europese Unie van 30 september 2014 over bedreigingen voor het maatschappelijk middenveld en de mensenrechten op de Maldiven,

–  gezien de gezamenlijke plaatselijke verklaring van de Europese Unie van 24 februari 2015 over de rechtsstaat op de Maldiven,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 30 april 2014 over de herinvoering van de doodstraf op de Maldiven,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 14 maart 2015 over de veroordeling van Mohamed Nasheed, voormalig president van de Maldiven,

–  gezien de verklaring van Zeid Ra'ad al-Hussein, hoge commissaris voor de rechten van de mens van de VN, van 18 maart 2015 over het proces tegen voormalig president Mohamed Nasheed,

–  gezien de verklaring van Gabriela Knaul, speciaal rapporteur van de VN voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten, van 19 maart 2015 over het feit dat democratie op de Maldiven niet mogelijk is zonder een rechtvaardige en onafhankelijke rechterlijke macht,

–  gezien het eindverslag van de waarnemersmissie van de EU naar de parlementsverkiezingen in de Republiek der Maldiven van 22 maart 2014,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij de Maldiven partij zijn,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Mohamed Nasheed, voormalig president van de Maldiven, op 13 maart 2015 tot 13 jaar gevangenis is veroordeeld op beschuldiging van terrorisme wegens de arrestatie in januari 2012 van de toenmalige hoogste strafrechter, waarover de EU haar bezorgdheid heeft uitgedrukt;

B.  overwegende dat het controversiële proces niet voldeed aan de nationale en internationale normen voor de rechtspraak, ondanks de oproep van de Verenigde Naties om de gerechtelijke procedure tegen voormalig president Nasheed rechtvaardig en transparant te laten verlopen;

C.  overwegende dat Mohamed Nasheed, die zich reeds lang op niet-gewelddadige wijze inzet voor de mensenrechten en de pluralistische democratie, tijdens de dertigjarige dictatuur van president Maumoon Abdul Gayoom herhaaldelijk is gevangengezet en onder omstreden omstandigheden aftrad, vier jaar nadat hij zijn ambt als eerste democratisch gekozen president van de Maldiven had opgenomen;

D.  overwegende dat het ontbreken van politieke onafhankelijkheid en afdoende opleiding bij de Maldivische rechterlijke macht de geloofwaardigheid van het rechtsbestel zowel in eigen land als internationaal aantast;

E.  overwegende dat Tholhath Ibrahim en Mohamed Nazim, voormalige ministers van Defensie, onlangs tot respectievelijk 10 en 11 jaar gevangenis zijn veroordeeld, terwijl Ahmed Nazim, voormalig ondervoorzitter van de Majlis, tot 25 jaar gevangenis werd veroordeeld; overwegende dat ook deze rechtszaken door onregelmatigheden zouden zijn ontsierd;

F.  overwegende dat politici uit de oppositie routinematig worden geïntimideerd en dat de Maldiven in een recent rapport van het Comité van de Interparlementaire Unie over de mensenrechten van parlementsleden worden aangeduid als een van de ergste landen ter wereld vanuit het oogpunt van aanvallen tegen en foltering en intimidatie van parlementsleden in de oppositie;

G.  overwegende dat het Maldivische parlement op 30 maart 2015 een wijziging van de wet op gevangenisstraf en voorwaardelijke invrijheidstelling heeft aangenomen waardoor mensen die een gevangenisstraf uitzitten geen lid van een partij mogen zijn; overwegende dat Mohamed Nasheed hierdoor de facto van de actieve politiek wordt uitgesloten en hem belet wordt om deel te nemen aan de presidentsverkiezingen in 2018;

H.  overwegende dat sinds februari 2015 ten minste 140 vreedzame demonstranten werden gearresteerd en dat zij alleen werden vrijgelaten onder voorwaarden die hun recht om nog verder te demonstreren ernstig inperken;

I.  overwegende dat maatschappelijke organisaties en voorvechters van de mensenrechten steeds meer te maken krijgen met pesterijen, intimidatie een aanvallen, met inbegrip van de Commissie voor de rechten van de mens van de Maldiven, die voor het hooggerechtshof is gedaagd op beschuldiging van hoogverraad en het ondermijnen van de grondwet, omdat zij een rapport over de mensenrechtensituatie op de Maldiven heeft opgesteld voor de universele periodieke toetsing van de Raad voor de rechten van de mens van de VN; overwegende dat ngo's met intrekking van hun erkenning worden bedreigd;

J.  overwegende dat de persvrijheid in de afgelopen jaren ernstig is beknot en dat drie journalisten zijn gearresteerd toen zij berichtten over de politieke demonstraties voor de vrijlating van Mohamed Nasheed; overwegende dat Ahmed Rilwan, een journalist die kritisch ten opzichte van de regering staat en die in augustus 2014 is verdwenen, nog steeds wordt vermist en dat gevreesd wordt dat hij dood is;

K.  overwegende dat de politieke onrust bovenop de bezorgdheid komt over een toenemend militante islam op de Maldiven en over het aantal geradicaliseerde jonge mannen die zich naar verluidt bij ISIS hebben gevoegd;

L.  overwegende dat het parlement van de Maldiven op 27 april 2014 heeft gestemd voor de opheffing van het in 1954 ingestelde moratorium op de doodstraf, waardoor het mogelijk wordt om een doodvonnis uit te spreken tegen minderjarigen vanaf zeven jaar, die schuldbekwaam kunnen worden geacht en worden geëxecuteerd zodra zij de leeftijd van 18 jaar bereiken, en die tot die tijd in hechtenis kunnen worden gehouden; overwegende dat dit in strijd is met de verplichtingen ten aanzien van de mensenrechten die de Maldiven als partij bij het Verdrag inzake de rechten van het kind is aangegaan;

M.  overwegende dat gastarbeiders te lijden hebben onder dwangarbeid, de confiscatie van hun identiteitskaarten en reisdocumenten, het inhouden of niet‑betalen van hun loon en schuldhorigheid, en dat zij door de Maldivische autoriteiten met uitzetting zijn bedreigd naar aanleiding van hun protesten tegen discriminatie en geweld na een reeks aanvallen tegen gastarbeiders;

N.  overwegende dat een beperkt aantal vrouwen uit Sri Lanka, Thailand, India, China, de Filipijnen, Oost-Europa, de landen van de voormalige Sovjetunie, Bangladesh en de Maldiven het slachtoffer zijn van sekshandel op de Maldiven en dat sommige Maldivische kinderen volgens berichten het slachtoffer zijn van seksueel misbruik en dwangarbeid;

1.  is zeer verontrust over de toenemende tendens naar autoritair bestuur op de Maldiven, het harde optreden tegen politieke tegenstanders en de intimidatie van de media en het maatschappelijk middenveld, waardoor de in de afgelopen jaren geboekte vooruitgang bij de invoering van mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat in het land op het spel komt te staan; roept alle partijen op om zich te onthouden van handelingen die deze crisis nog verder kunnen aanwakkeren, en de democratie en de rechtsstaat te eerbiedigen;

2.  betreurt de ernstige onregelmatigheden in de rechtszaak tegen voormalig president Nasheed; dringt erop aan dat hij onverwijld wordt vrijgelaten en dat, indien tegen zijn veroordeling beroep wordt aangetekend, de rechten van de heer Nasheed ten volle worden gerespecteerd overeenkomstig de internationale verbintenissen, de nationale grondwet van de Maldiven en alle internationaal erkende waarborgen voor een eerlijk proces; verzoekt de EU‑delegatie naar Sri Lanka en de Maldiven erop aan te dringen dat hen wordt toegestaan het proces in beroep nauwlettend te volgen;

3.  onderstreept dat de eerbiediging van de rechtsstaat, het recht op een eerlijk proces, een behoorlijke rechtsbedeling en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht overeenkomstig de bepalingen van het IVBPR centrale elementen in het democratische proces vormen; benadrukt dat alle Maldivische burgers, ook voormalig president Mohamed Nasheed, moeten worden behandeld volgens deze beginselen, die van groot belang zijn voor een pluralistische samenleving;

4.  dringt aan op een geloofwaardig en inclusief politiek proces waarbij alle democratische krachten worden betrokken, teneinde de stabiliteit op de Maldiven te herstellen en te handhaven en het land weer in de richting van de overgang naar een democratisch bestel te sturen; dringt aan op onmiddellijke beëindiging van de intimidatie van politieke tegenstanders; verzoekt de regering van de Maldiven de nodige stappen te nemen om het vertrouwen in haar toewijding aan de democratie, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de rechtsstaat, met inbegrip van de eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting en vergadering en de eerbiediging van een eerlijke rechtsbedeling, te herstellen;

5.  dringt aan op onmiddellijke beëindiging van de politieke inmenging in en op depolitisering van het rechtsbestel op de Maldiven; vraagt om dringende hervormingen die de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Maldivische rechtspraak moeten garanderen, teneinde in eigen land en internationaal het vertrouwen in het functioneren van die rechtspraak te herstellen; onderstreept dat deze hervormingen onverwijld moeten worden goedgekeurd en uitgevoerd;

6.  herinnert de regering van de Maldiven eraan dat de grondwet van het land het recht op betogen erkent, en dat vrijlatingsvoorwaarden die mensen beletten om vreedzaam te demonstreren onwettig zijn;

7.  dringt aan op onmiddellijke beëindiging van het geweld tegen vreedzame demonstranten en herinnert de veiligheidsstrijdkrachten aan hun plicht om vreedzame demonstranten tegen gewelddadige bendes te beschermen; verzoekt de regering van de Maldiven om een einde te maken aan de straffeloosheid waarmee burgerwachten geweld tegen mensen gebruiken, en om religieuze tolerantie, vreedzame betogingen, kritische media en het maatschappelijk middenveld te bevorderen; dringt erop aan dat de plegers van dergelijk gewelddadige aanvallen worden berecht;

8.  verzoekt de regering van de Maldiven een gedegen onderzoek naar de verdwijning van Ahmed Rilwan mogelijk te maken;

9.  veroordeelt de herinvoering van de doodstraf op de Maldiven en dringt er bij de regering en het parlement van de Maldiven op aan het moratorium op de doodstraf opnieuw in te stellen;

10.  moedigt alle actoren op de Maldiven aan om op alle terreinen constructief samen te werken, vooral ten aanzien van de klimaatverandering, die het land kan destabiliseren;

11.  verzoekt de plaatselijke autoriteiten de minimumnormen met het oog op de uitbanning van mensenhandel na te leven; prijst de aanhoudende inspanningen om het probleem aan te pakken en de vooruitgang die daarbij is geboekt, maar dringt erop aan dat de bepalingen van de wet ter voorkoming van mensenhandel onverwijld worden toegepast, aangezien er nog steeds ernstige problemen zijn op het gebied van rechtshandhaving en de bescherming van slachtoffers;

12.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten om een waarschuwing met betrekking tot de mensenrechtensituatie op de Maldiven op hun websites met reisadviezen te plaatsen;

13.  dringt er bij de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Dienst voor extern optreden op aan dat zij de politieke situatie op de Maldiven van nabij blijven volgen en in de bilaterale betrekkingen van de EU met dit land alsmede in internationale multilaterale fora een proactieve rol spelen om stabiliteit tot stand te brengen, de democratie en de rechtsstaat te versterken en de volledige eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in het land te waarborgen;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, en het parlement en de regering van de Republiek der Maldiven.


Voortgangsverslag 2014 over Albanië
PDF 189kWORD 86k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 april 2015 over het voortgangsverslag 2014 over Albanië (2014/2951(RSP))
P8_TA(2015)0181B8-0358/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Thessaloniki van 19 en 20 juni 2003 over de vooruitzichten van de landen op de Westelijke Balkan op toetreding tot de EU,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 26 en 27 juni 2014 en van de Raad Algemene Zaken van16 december 2014,

–  gezien het advies van de Commissie over het verzoek van Albanië om toetreding tot de Europese Unie van 9 november 2010 en het verslag van de Commissie van 4 juni 2014 over de vooruitgang die door Albanië is geboekt met betrekking tot de strijd tegen corruptie en de georganiseerde misdaad en op het gebied van de hervorming van het rechtsstelsel (COM(2014)0331),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2014-2015" van 8 oktober 2014 (COM(2014)0700), samen met het werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2014)18 getiteld "Albania 2014 Progress Report", alsmede het indicatieve strategiedocument over Albanië (2014-2020) dat op 18 augustus 2014 is goedgekeurd,

–  gezien de resolutie van het Albanese parlement van 24 december 2014 over de politieke overeenkomst tussen de regerende meerderheid en de oppositie,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Albanië,

–  gezien het werk van Knut Fleckenstein in zijn hoedanigheid van permanent rapporteur voor Albanië van de Commissie buitenlandse zaken,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Albanië de afgelopen jaren indrukwekkende vooruitgang heeft geboekt op de weg naar toetreding tot de EU en om deze reden in juni 2014 de status van kandidaat-lidstaat heeft verkregen; dat er nog altijd problemen zijn die snel en efficiënt moeten worden aangepakt zodat Albanië verdere vorderingen kan maken op de weg naar het EU-lidmaatschap;

B.  overwegende dat de coherente vaststelling en effectieve tenuitvoerlegging van duurzame hervormingen op de vijf prioritaire gebieden de democratische transformatie in Albanië ondersteunen en de weg vrijmaken voor het opstarten van toetredingsonderhandelingen met de EU; dat het toetredingsproces van Albanië een drijvende kracht is geworden achter EU-gerelateerde hervormingen in Albanië, en dat het tijdschema ervan afhankelijk zal zijn van de snelheid waarmee die zullen worden verwezenlijkt en van de kwaliteit ervan; dat de opening van toetredingsonderhandelingen een stimulans zou vormen voor verdere hervormingen omdat er een tastbaar en geloofwaardig EU-perspectief geboden wordt;

C.  overwegende dat toetreding tot de EU een inclusief proces is waarbij het gehele land en alle Albanese burgers betrokken zijn; dat een constructieve en duurzame politieke dialoog over EU-gerelateerde hervormingen, in een geest van samenwerking en compromis tussen de belangrijkste politieke krachten, van vitaal belang is voor verdere vorderingen in het toetredingsproces; dat er politieke consensus over en brede publieke steun voor het EU-integratieproces bestaat; dat het succes van de hervormingsagenda sterk afhankelijk is van een democratisch politiek klimaat;

D.  overwegende dat het Europees Parlement een belangrijke rol heeft gespeeld in de inspanningen om een gezond politiek klimaat in het land te scheppen;

E.  overwegende dat de EU van de rechtsstaat het kernpunt van het uitbreidingsproces heeft gemaakt; dat tastbare vooruitgang op het gebied van de onafhankelijkheid van de rechtspraak en de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad essentieel is om het EU-integratieproces te bevorderen; dat krachtige politieke steun van cruciaal belang is om op deze gebieden vooruitgang te boeken;

F.  overwegende dat er aanzienlijke stappen moeten worden gezet bij het hervormen van het rechtsstelsel en het toepassen van die hervormingen; dat de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad ondanks de geboekte vooruitgang een grote uitdaging blijft; dat de vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijkheid van de media nog altijd niet zijn gegarandeerd;

G.  overwegende dat de aanwezigheid van een professionele, effectieve en op verdienste gebaseerde overheid de ruggengraat is van het integratieproces van elk land dat lid wil worden van de EU;

H.  overwegende dat Albanië constructieve betrekkingen met zijn buurlanden onderhoudt en zich op voorbeeldige wijze aan het buitenlands beleid van de EU heeft aangepast;

1.  complimenteert Albanië met het verkrijgen van de status van kandidaat-lidstaat; benadrukt dat dit moet worden gezien als een aanmoediging om nog intensiever verder te gaan met hervormen; spreekt zijn aanhoudende steun uit voor het EU-integratieproces van Albanië; is van mening dat alleen met concrete maatregelen en aanhoudende politieke inzet om die maatregelen uit te voeren de democratische transformatie kan worden bestendigd en de EU-gerelateerde hervormingen kunnen worden doorgevoerd; moedigt Albanië aan om degelijke resultaten te boeken met betrekking tot de EU-gerelateerde hervormingen;

2.  meent dat het van wezenlijk belang is dat alle politieke partijen daadwerkelijk met elkaar blijven samenwerken, en met elkaar met eerlijke middelen kunnen wedijveren om te komen tot betere politieke ideeën en concepten, dat deze samenwerking wordt ondersteund, en dat een democratische politieke cultuur tot stand komt met als uitgangspunt dat democratische politieke processen voortkomen uit een dialoog waarin getracht wordt compromissen te sluiten en te aanvaarden; is ervan overtuigd dat dit het vertrouwen van burgers in de openbare instellingen zal doen toenemen; verzoekt de regeringscoalitie met klem de uitoefening van het recht van de oppositie op democratische controle te faciliteren, en dringt er bij de oppositie op aan dat zij dit recht volledig en op verantwoordelijke wijze uitoefent;

3.  is verheugd over de oprichting van gezamenlijke werkgroepen in het kader van de dialoog op hoog niveau over de belangrijkste prioriteiten met als doel een breed platform tot stand te brengen voor de soepele doorvoering van hervormingen en toezicht te waarborgen op de vooruitgang op de vijf sleutelgebieden, met name de hervorming van de overheid, de versterking van de rechterlijke macht, de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad, en de betere bescherming van de mensenrechten; moedigt de autoriteiten aan intensiever te werken aan deze prioriteiten en degelijke resultaten te boeken bij de tenuitvoerlegging ervan;

4.  roept op de snelle oprichting van een inclusieve nationale raad voor Europese integratie waaraan eveneens vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke instellingen deelnemen met als doel een brede nationale consensus te bereiken over de EU-gerelateerde hervormingen en in het EU-toetredingsproces; roept de betreffende organen op om belanghebbenden en het bredere publiek volledig en tijdig te informeren over de voortgang van het EU-integratieproces;

5.  onderstreept de rol van het parlement als voornaamste democratische instelling en roept de bevoegde autoriteiten dan ook op de toezichthoudende rol van het parlement te versterken en te zorgen voor een meer geïnstitutionaliseerd overleg over ontwerpwetgeving; is in dit verband verheugd over de op 5 maart 2015 goedgekeurde herziene wet inzake de rol van het parlement in het Europese integratieproces van Albanië, alsook over de op basis van een consensus tot stand gekomen parlementaire resolutie van 24 december 2014 waarin is overeengekomen dat de oppositie zich weer aansluit bij de politieke werkzaamheden en dat de regeringspartijen met de oppositie consensus proberen te bereiken over belangrijke hervormingen, dat de besluiten van het grondwettelijk hof worden geëerbiedigd en dat de kwestie van personen met een strafblad die een openbaar ambt bekleden of zich kandidaat stellen voor een openbaar ambt zal worden opgelost; roept op tot een adequate en tijdige tenuitvoerlegging ervan op constructieve wijze; roept alle politieke partijen ertoe op de democratische consensusvorming te verbeteren, die cruciaal is om het toetredingsproces vooruit te helpen; vindt het belangrijk dat het maatschappelijke middenveld, de media en de burgers van Albanië de leiders van het land om rekenschap vragen voor specifieke beleidsresultaten;

6.  is bezorgd over de voortdurende toename van de politieke polarisatie in Albanië waardoor verdere inspanningen met het oog op EU-integratie zouden kunnen worden belemmerd; herinnert de regeringscoalitie en de oppositie aan hun gedeelde verantwoordelijkheid jegens de burgers voor een duurzame, constructieve en inclusieve politieke dialoog op basis waarvan de belangrijkste hervormingen kunnen worden goedgekeurd en uitgevoerd; verzoekt de regeringspartijen en de oppositie te blijven streven naar een echte politieke dialoog en op constructieve wijze samen te werken;

7.  onderstreept dat alleen met een goed functionerende overheid alle andere hervormingen met succes kunnen worden uitgevoerd; is dan ook verheugd over het feit dat een begin is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de wet inzake het ambtelijk apparaat en roept op tot de verdere correcte uitvoering ervan zodat de bestuurlijke capaciteiten worden vergroot, de overheid gedepolitiseerd wordt en de corruptie onder ambtenaren bestreden wordt, verdiensten een grotere rol gaan spelen bij benoemingen, bevorderingen en ontslagen, de doeltreffendheid, transparantie, verantwoordingsplicht, professionaliteit en financiële houdbaarheid van het ambtelijk apparaat versterkt worden en goed bestuur op alle niveaus in de hand wordt gewerkt; roept op tot versterking van het personeelsbeheer, een evaluatiesysteem voor ambtenaren en onafhankelijke toezicht op de tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake het ambtelijk apparaat; spoort ertoe aan een brede strategie voor de hervorming van de overheid te voltooien en de depolarisatie en de kennis over het EU-recht en de EU-besluitvormingsprocedures te blijven bevorderen; benadrukt de noodzaak om de openbare integriteit te versterken, openbare diensten te verbeteren en staatsmiddelen doeltreffender te beheren; roept op tot een verbetering van de openbare toegang tot diensten en informatie; is in dit verband verheugd over de nieuwe wet inzake toegang tot informatie; roept op tot versterking van de instelling van de ombudsman door voldoende rekening te houden met zijn bevindingen en aanbevelingen;

8.  benadrukt de noodzaak om de gefragmenteerde plaatselijke overheid te hervormen en een functionele lokale overheid op poten te zetten die kan inspelen op de behoeften van de burgers door op efficiënte wijze openbare diensten te verlenen; roept ertoe op de administratieve capaciteit van de plaatselijke overheden te versterken, zodat die hun gezag kunnen uitoefenen en de wet ten uitvoer kunnen leggen op een financieel houdbare manier; roept op tot meer transparantie, doeltreffendheid en inclusiviteit bij de plaatselijke overheden; wijst op de uitspraak van het grondwettelijk hof in het beroep tegen de hervorming van de administratieve en territoriale opdeling van het land;

9.  benadrukt het belang van de aanstaande plaatselijke verkiezingen en verzoekt de bevoegde autoriteiten de aanbevelingen van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) en de centrale kiescommissie op te volgen; verzoekt om meer onafhankelijkheid en capaciteit van kiesorganen;

10.  benadrukt de noodzaak om de rechtsstaat te versterken en de rechterlijke macht te hervormen om ervoor te zorgen dat de burgers en het bedrijfsleven vertrouwen hebben in het rechtsstelsel; is verheugd over de toezegging van Albanië om het rechtsstelsel te hervormen, maar betreurt de voortdurende problemen met betrekking tot de werking ervan, zoals politisering en beperkte verantwoordingsplicht, een hoog corruptieniveau, onvoldoende middelen en achterstanden; wijst er andermaal op dat er nog veel moet worden gedaan om de onafhankelijkheid, de doeltreffendheid en de verantwoordingsplicht van de rechterlijke macht te vergroten en de benoemingen, de bevorderingen en de tuchtregeling voor rechters, openbare aanklagers en advocaten te verbeteren; verzoekt de autoriteiten om hervormingen door te voeren in constructieve samenwerking met alle belanghebbenden, waaronder relevante maatschappelijke organisaties, en door samenwerking met de Commissie van Venetië, middels de opstelling en uitvoering van een langetermijnstrategie voor de hervorming van het rechtsstelsel;

11.  herinnert aan de resolutie van het Albanese parlement van november 2013 over de integratie van Albanië in Europa waarin een aantal belangrijke maatregelen is vastgelegd, hoofdzakelijk met betrekking tot de rechtsstaat; onderstreept het belang van een strikte eerbiediging van de rechtsstaat en de onafhankelijkheid en transparantie van rechterlijke instanties zoals het hooggerechtshof; benadrukt de noodzaak om de besluiten van het grondwettelijk hof op dit gebied na te leven; verzoekt de bevoegde autoriteiten de integriteit en onafhankelijkheid van belangrijke democratische instellingen en de depolitisering van de rechterlijke macht te bevorderen; verzoekt de bevoegde autoriteiten om onverwijld recht te doen aan de slachtoffers van de gebeurtenissen van 21 januari 2011;

12.  wijst op de onbevredigende staat van het jeugdstrafrecht; verzoekt de bevoegde autoriteiten met plannen te komen om de situatie te verbeteren;

13.  is bezorgd over het feit dat corruptie, onder andere binnen het rechtsstelsel, nog steeds een ernstig probleem is; dringt er bij Albanië op aan de corruptiebestrijding op alle niveaus aanzienlijk te versterken en het rechtskader, de institutionele capaciteit en de interinstitutionele informatie-uitwisseling en samenwerking te verbeteren; is verheugd over de benoeming van een nationale coördinator voor corruptiebestrijding die de activiteiten zal coördineren en toezicht zal houden op de tenuitvoerlegging op centraal vlak, en roept op tot de aanneming van een omvattende en strikte anticorruptiestrategie en actieplannen voor de periode 2014-2020; herhaalt dat er een sterker anticorruptiekader moet worden ontwikkeld dat een brede waaier van instellingen moet omvatten; neemt met voldoening kennis van de maatregelen ter verbetering van transparantie, waaronder de publicatie van vermogensverklaringen van hoge ambtenaren en de oprichting van anticorruptie-contactpunten in alle vakministeries;

14.  herhaalt de noodzaak om degelijke resultaten te boeken bij onderzoeken, vervolgingen en veroordelingen op alle niveaus, ook bij corruptie op hoog niveau; acht het van wezenlijk belang dat de efficiëntie van de onderzoeken wordt verbeterd en dat voldoende middelen, opleidingen en gespecialiseerd personeel worden ingezet in de strijd tegen corruptie, in het bijzonder op het gebied van openbare aanbestedingen, volksgezondheid, belasting, onderwijs, politie, douane en de plaatselijke overheid; pleit ervoor dat maatschappelijke organisaties deelnemen aan en toezicht houden op de corruptiebestrijding; roept ertoe op stelselmatig over te gaan tot inbeslagname van crimineel vermogen, witwassers stelselmatig te veroordelen en systematisch gebruik te maken van financieel onderzoek; verzoekt de bevoegde autoriteiten om de bestaande wetgeving betreffende de bescherming van klokkenluiders te uit te breiden;

15.  vindt het zorgwekkend dat er ondanks een positieve trend in de bestrijding van georganiseerde misdaad en met name in de strijd tegen mensenhandel en drugshandel nog steeds veel onopgeloste problemen zijn; erkent weliswaar dat recente politieoperaties goede resultaten hebben opgeleverd, maar roept Albanië er ook toe op een brede strategische aanpak te ontwikkelen en maatregelen te nemen om hindernissen voor de efficiëntie van onderzoeken weg te nemen teneinde op alle terreinen en niveaus goede resultaten te boeken op het gebied van onderzoeken, vervolgingen en veroordelingen; moedigt sterkere samenwerking tussen agentschappen aan, ook op plaatselijk niveau, evenals regionale en internationale politiële en judiciële samenwerking; beveelt aan dat er in de strijd tegen drugshandel nauwer wordt samengewerkt met partnerinstanties in de Westelijke Balkan en met de diensten van EU-lidstaten;

16.  prijst de inspanningen op het gebied van de bestrijding van mensenhandel, die nog altijd een grote uitdaging vormt; verzoekt de bevoegde autoriteiten om een brede en op de slachtoffers gerichte aanpak te ontwikkelen, interinstitutionele samenwerking te verbeteren en te zorgen voor capaciteitsopbouw voor openbare aanklagers, rechters en politie; wijst andermaal op de noodzaak van permanente, gespecialiseerde, gezamenlijke opleidingsactiviteiten voor officieren van justitie, rechters en politieagenten; is verheugd over de samenwerking van de Albanese politie en het Albanese openbaar ministerie met de EU-lidstaten, die goede resultaten heeft opgeleverd;

17.  prijst de ombudsman om zijn inspanningen om de mensenrechten te bevorderen, zijn openheid tegenover kwetsbare mensen en zijn samenwerking met organisaties uit het maatschappelijk middenveld; betreurt het dat de jaarverslagen en de speciale verslagen van de ombudsman niet zijn besproken in het parlement en bijgevolg niet kunnen worden gepubliceerd en niet officieel erkend zijn; verzoekt de regering en het parlement de onafhankelijkheid en doeltreffendheid van mensenrechteninstellingen te vergroten, de samenwerking met het Bureau van de ombudsman te verbeteren en dit politiek en financieel te blijven ondersteunen;

18.  neemt kennis van de bezorgdheid over veiligheid in verband met de terugkeer van strijders uit het buitenland; juicht maatregelen om radicalisering te voorkomen en het verschijnsel strijders uit het buitenland te voorkomen; dringt aan op de tenuitvoerlegging van de strategie en het actieplan inzake terrorismebestrijding; is verheugd over de toename van het aantal personeelsleden bij de terrorismebestrijdingseenheid van de politie en moedigt intensievere regionale samenwerking aan in de strijd tegen terrorisme; is ingenomen met de nieuwe operationele overeenkomst die met Europol is gesloten en roept op tot de effectieve tenuitvoerlegging ervan;

19.  benadrukt dat de deelname van burgers aan het openbare leven, de beleidsplanning en de besluitvorming en het proces van integratie in de EU moet worden versterkt om een brede nationale consensus over hervormingen en het EU-toetredingsproces te bevorderen; beveelt verdere ontwikkeling aan van de mechanismen voor raadpleging van (en tussen) het maatschappelijk middenveld en plaatselijke gemeenschappen; vreest dat de politisering van maatschappelijke organisaties hun mogelijke bijdrage aan de versterking van de democratische cultuur kan verzwakken;

20.  prijst de religieuze harmonie, het klimaat van religieuze verdraagzaamheid en de over het algemeen goede interetnische betrekkingen in het land; verzoekt de bevoegde autoriteiten om het klimaat van inclusie en tolerantie voor alle minderheden in het land te blijven bevorderen; verzoekt de regering een brede wet betreffende minderheden in te dienen om de huidige lacunes in de wetgeving weg te werken overeenkomstig de aanbevelingen van het Raadgevend Comité van de Raad van Europa voor het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden, en de wet betreffende de bescherming tegen discriminatie op doelmatige wijze ten uitvoer te leggen; prijst de commissaris voor de bescherming tegen discriminatie voor zijn bijdrage aan de strijd tegen discriminatie, onder meer die op grond van geslacht, in het bijzonder op de arbeidsmarkt, in het onderwijs en in de toegang tot maatschappelijke diensten; moedigt verdere maatregelen aan ter verbetering van de leefomstandigheden van de Roma door hun beter toegang te verschaffen tot inschrijving in de bevolkingsregisters, huisvesting, onderwijs, werk en maatschappelijke en gezondheidsdiensten; onderstreept dat de leefomstandigheden van de Roma moeten worden verbeterd via betere coördinatie tussen de centrale en de lokale overheden en via samenwerking tussen ministeries;

21.  is verheugd over de oprichting van de nationale raad voor gendergelijkheid en de benoeming van gendercoördinatoren in alle belangrijke ministeries; roept op tot verdere maatregelen tegen huiselijk geweld, ontoereikende toegang van vrouwen tot de rechter en gendervooroordelen op de arbeidsmarkt; is verheugd over de opname van de LGBTI-gemeenschap in de sociale-inclusiestrategie 2015-2020, de oprichting van een werkgroep LGBTI-rechten in het Ministerie van Sociale Zaken en de opening van het eerste opvanghuis voor LGBTI-personen; prijst de amendementen op het Wetboek van Strafrecht die haatdelicten en haatpropaganda op grond van seksuele geaardheid en genderidentiteit strafbaar stellen;

22.  moedigt de regering voorts aan te werken aan een wet inzake geslachtserkenning en ervoor te zorgen dat de voorwaarden voor geslachtserkenning voldoen aan de normen zoals vastgesteld bij aanbeveling CM/Rec(2010)5 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten inzake maatregelen ter bestrijding van discriminatie op grond van seksuele geaardheid of genderidentiteit; is van mening dat de fundamentele rechten van LGBTI-personen eerder worden gewaarborgd wanneer zij toegang hebben tot wettelijke regelingen zoals samenlevingscontracten, het geregistreerd partnerschap en het huwelijk, en moedigt de Albanese autoriteiten aan deze mogelijkheden in overweging te nemen;

23.  vraagt de Albanese autoriteiten gehoor te geven aan het verzoek van de Verenigde Naties en aan de aanbeveling van de ombudsman om een homogene en betrouwbare gegevensbank op te zetten, de in 2005 opgerichte coördinerende raad voor de bestrijding van eerwraak te activeren en een actieplan te ontwikkelen dat gericht is op de rechtsstatelijke aspecten van de bestrijding van eerwraak;

24.  onderstreept het cruciale belang van professionele, onafhankelijke en pluriforme publieke en particuliere media als hoeksteen van de democratie; is ernstig bezorgd over het gebrek aan echt onafhankelijke media en aan transparantie over eigendom en financiering van de media; moedigt Albanië te waarborgen dat journalisten vrij kunnen werken; benadrukt dat er nog meer inspanningen moeten worden geleverd om de onafhankelijkheid van de mediaregulator en de openbare omroep te waarborgen; is bezorgd over het gebrek aan transparantie over eigendom en financiering van de media, mediapolarisatie en zelfcensuur; roept op tot de versterking van de beroepsethiek van journalisten; dringt erop aan dat de smaadwetgeving naar behoren ten uitvoer wordt gelegd; merkt op dat de verkiezing van een nieuwe voorzitter en nieuwe bestuursleden van de Autoriteit voor audiovisuele media door de oppositie ter discussie wordt gesteld; verzoekt de regering de onafhankelijkheid van en de steun aan deze autoriteit te waarborgen, zodat zij haar taken ten volle kan verrichten, ook met betrekking tot het vergemakkelijken van de digitale omschakeling en de doelmatige tenuitvoerlegging van de wet audiovisuele media;

25.  is verheugd over de verbetering van het ondernemingsklimaat en over het nastreven van een functionerende markteconomie, maar roept de regering op tot het nemen van verdere maatregelen tegen de zwakke handhaving bij de uitvoering van contracten en de tekortkomingen in de rechtsstaat, evenals tegen de omvangrijke informele economie; roept op tot verdere hervormingen om het hoofd te bieden aan de concurrentiedruk op de gemeenschappelijke Europese markt; verzoekt de regering de bescherming van de eigendomsrechten te versterken en het tempo op te voeren bij de totstandbrenging van een duurzaam en samenhangend beleid op het gebied van legalisering, restitutie en compensatie van eigendommen; benadrukt hoe belangrijk het is om gunstige voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van de particuliere sector en voor buitenlandse directe investeringen;

26.  benadrukt dat onderwijs en opleiding moeten worden verbeterd om discrepanties tussen de vraag naar en het aanbod van vaardigheden aan te pakken en de inzetbaarheid van met name jongeren te vergroten; verzoekt de Commissie om nauw samen te werken met de regering om bepaalde zwaktes op de arbeidsmarkt te bestrijden, waaronder de toenemende werkeloosheid, en oplossingen te vinden die overeenstemmen met de Europa 2020-strategie; is verheugd over het indicatieve strategiedocument over Albanië (2014-2020) waarin wordt erkend dat het onderwijs, de werkgelegenheid en het sociaal beleid moeten worden ondersteund door middel van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA);

27.  verzoekt de bevoegde autoriteiten een nationale energiestrategie uit te stippelen waarin bijzondere nadruk ligt op hernieuwbare energie en energiezekerheid, met inbegrip van energiebronnendiversificatie; is van mening dat Albanië meer zou moeten investeren in hernieuwbare-energieprojecten en bijbehorende infrastructuur; verzoekt Albanië de ecologische impact van waterkrachtprojecten op het nationaal natuurbezit te overwegen; roept op tot naleving van de EU-kaderrichtlijn water, die tot doel heeft voor een goede ecologische en chemische status van alle natuurlijke oppervlaktewaterlichamen te zorgen;

28.  dringt er bij de Albanese autoriteiten op aan alomvattende beheersplannen voor de bestaande nationale parken te ontwikkelen met inachtneming van de kwaliteits- en beheersrichtsnoeren voor beschermde gebieden van categorie II van de World Commission of Protected Areas van de Internationale Unie voor natuurbehoud (IUCN); dringt er bij de autoriteiten op aan om af te zien van alle ontwikkelingsplannen die het netwerk van beschermde gebieden van het land kunnen aantasten, en verzoekt hen af te zien van de bouwplannen voor kleine en grootschalige waterkrachtcentrales, met name in de nationale parken; verzoekt met name om heroverweging van de plannen voor de bouw van waterkrachtcentrales langs de rivier de Vjosa en haar zijrivieren, aangezien deze projecten schadelijk zijn voor een van de laatste uitgebreide, intacte en bijna-natuurlijke rivierecosystemen van Europa;

29.  is verheugd over de voortdurende constructieve en proactieve houding van Albanië ten opzichte van regionale en bilaterale samenwerking; benadrukt de belangrijke rol die het land speelt bij de versterking van de regionale stabiliteit; prijst de politieke wil om de betrekkingen met Servië te verbeteren; spoort Albanië en Servië aan om verdere maatregelen te nemen en verklaringen af te leggen die de regionale stabiliteit en samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen in de hand werken; is verontrust over verklaringen van de Albanese premier waarin deze speculeert op de eenwording van Albanezen uit Albanië en Kosovo; verzoekt Albanië zich constructief te blijven opstellen in de regio en de kennis en ervaring die tijdens hun EU-toetredingsproces is opgedaan te delen met de andere landen in de Westelijke Balkan, teneinde de samenwerking te versterken en de regio verder te stabiliseren; is verheugd over de volledige aansluiting van Albanië bij de EU-standpunten inzake het buitenlands beleid, waaronder de beperkende EU-maatregelen jegens Rusland en de deelname van Albanië aan crisisbeheersingsoperaties in het kader van het GVDB; wijst op zijn streven als huidige fungerende voorzitter van het samenwerkingsproces in Zuidoost-Europa om de dialoog tussen de deelnemende landen te bevorderen; verzoekt Albanië actief deel te nemen aan de tenuitvoerlegging van de Adriatisch-Ionische strategie van de Europese Unie;

30.  dringt aan op meer samenwerking tussen het Europees Parlement en het parlement van Albanië; beveelt aan het toekomstige vergaderschema van het Parlementair Stabilisatie- en associatiecomité EU-Albanië en dat van de dialoog op hoog niveau over de belangrijkste prioriteiten zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen om het parlementair toezicht op het EU-toetredingsproces te versterken;

31.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regering en het parlement van Albanië.


Voortgangsverslag 2014 over Bosnië en Herzegovina
PDF 207kWORD 100k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 april 2015 over het voortgangsverslag 2014 over Bosnië en Herzegovina (2014/2952(RSP))
P8_TA(2015)0182B8-0359/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO) tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en Bosnië en Herzegovina anderzijds, die op 16 juni 2008 werd ondertekend, en door alle EU-lidstaten en Bosnië en Herzegovina is geratificeerd,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 over de Westelijke Balkan en de bijlage daarbij met als titel "De agenda van Thessaloniki voor de Westelijke Balkan: op weg naar Europese integratie",

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 oktober, 17‑18 november en 15‑16 december 2014,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2014‑2015" van 8 oktober 2014 (COM(2014)0700), samen met het werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0305) getiteld "Bosnia and Herzegovina 2014 Progress Report", alsmede het indicatieve strategiedocument over Bosnië en Herzegovina (2014‑2017) dat op 15 december 2014 is goedgekeurd,

–  gezien de schriftelijke belofte met betrekking tot de EU-integratie van het presidentschap van Bosnië en Herzegovina van 29 januari 2015 waaraan de parlementaire vergadering van Bosnië en Herzegovina op 23 februari 2015 zijn goedkeuring heeft verleend,

–  gezien het besluit van de Raad van 19 januari 2015 om Lars‑Gunnar Wigemark tot speciale vertegenwoordiger van de EU en hoofd van de delegatie voor Bosnië en Herzegovina te benoemen,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het land,

–  gezien de werkzaamheden van Cristian Dan Preda als de vaste rapporteur over Bosnië en Herzegovina van de Commissie buitenlandse zaken,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU herhaaldelijk ondubbelzinnig heeft verklaard zich te willen inzetten voor het Europees perspectief van Bosnië en Herzegovina en de territoriale integriteit, soevereiniteit en eenheid van het land;

B.  overwegende dat de EU Bosnië en Herzegovina een nieuwe mogelijkheid heeft geboden op grond van een gecoördineerde aanpak die is ontwikkeld om het land te helpen bij de hervatting van het hervormingsproces, de verbetering van de sociale en economische situatie en het dichterbij de Europese Unie te brengen; overwegende dat nu een even ondubbelzinnige inzet en betrokkenheid van de politieke elites van het land is vereist; overwegende dat toetreding tot de EU een inclusief proces is dat het hele land aangaat en alle burgers, en een nationale consensus over de hervormingsagenda vereist;

C.  overwegende dat de uitermate complexe en inefficiënte institutionele architectuur, het gebrek aan voldoende samenwerking en coördinatie tussen de politieke leiders van Bosnië en Herzegovina en alle bestuurslagen, de afwezigheid van een gemeenschappelijke visie en een politieke wil, en etnocentrische attitudes de vooruitgang ernstig hebben belemmerd; overwegende dat meningsverschillen op politiek en etnisch gebied uiterst negatieve gevolgen hebben gehad voor de werkzaamheden van de vergaderingen op nationaal niveau;

D.  overwegende dat de voortdurende politieke patstelling een ernstige belemmering vormt voor de stabilisering en ontwikkeling van het land en dat de burgers een veilige en voorspoedige toekomst wordt onthouden; overwegende dat politieke inertie, werkeloosheid en een zeer hoge mate van corruptie en ontevredenheid over de politieke elites in februari 2014 tot maatschappelijke onrust hebben geleid die zich vanuit Tuzla verspreidde over het hele land;

E.  overwegende dat de EU van de rechtsstaat het kernpunt van het uitbreidingsproces heeft gemaakt; overwegende dat krachtige politieke steun van cruciaal belang is om op deze gebieden vooruitgang te boeken;

F.  overwegende dat de corruptie wijdverbreid is, het openbaar bestuur gefragmenteerd is, de vele verschillende rechtsstelsels een uitdaging vormen, de samenwerkingsmechanismen met het maatschappelijk middenveld nog steeds zwak zijn, het medialandschap gepolariseerd is, en gelijke rechten voor alle constituerende bevolkingsgroepen en burgers niet gewaarborgd zijn;

G.  overwegende dat meer dan 50 % van de staatsinkomsten van Bosnië en Herzegovina wordt besteed aan de instandhouding van de administratie op tal van niveaus; overwegende dat Bosnië en Herzegovina op grond van indicatoren voor "gemakkelijk zakendoen" van de Wereldbank de laagste score van de Europese landen behaalt en behoort tot de landen met de laagste scores op de Corruption Perception Index (corruptieperceptie-index); overwegende dat Bosnië en Herzegovina het hoogste percentage jeugdwerkloosheid in Europa kent (59 % van de beroepsbevolking tussen 15 en 24 jaar);

1.  is verheugd over het feit dat de Raad heeft gereageerd op zijn oproep om de aanpak van de EU ten aanzien van Bosnië en Herzegovina opnieuw te bekijken; dringt er bij de nieuwe leiders van Bosnië en Herzegovina op aan zich volledig in te zetten voor de uitvoering van de noodzakelijke institutionele, economische en sociale hervormingen om het leven van de burgers van Bosnië en Herzegovina te verbeteren en om vooruitgang in de richting van het EU-lidmaatschap mogelijk te maken; wijst erop dat aanzienlijke vooruitgang bij de uitvoering van de hervormingsagenda, met inbegrip van het "Pact voor groei en banen", noodzakelijk zal zijn opdat de aanvraag van het EU-lidmaatschap in aanmerking wordt genomen; onderstreept het feit dat Bosnië en Herzegovina, zoals elke (potentiële) kandidaat-lidstaat, moet worden beoordeeld op zijn eigen verdiensten, en dat de snelheid en kwaliteit van de noodzakelijke hervormingen het tijdspad voor de toetreding bepalen;

2.  benadrukt dat de Commissie bijzondere aandacht moet besteden aan de tenuitvoerlegging van het vonnis in de zaak Sejdić-Finci, wanneer de Raad haar vraagt een advies voor te bereiden over de aanvraag van het EU-lidmaatschap; verzoekt de Commissie bereid te zijn zich in te zetten voor een overeenkomst over de tenuitvoerlegging ervan om de gelijke rechten van alle burgers te garanderen, alsook om een actieve rol te spelen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU-agenda, met inbegrip van een functioneel systeem voor goed bestuur, democratische ontwikkeling en economische welvaart, en eerbiediging van de mensenrechten;

3.  steunt de Europese integratie van Bosnië en Herzegovina ten zeerste en is ervan overtuigd dat de versterkte aanpak van de EU onder meer moet focussen op sociaaleconomische kwesties, het ondernemingsklimaat, het institutioneel kader, de rechtsstaat en het bestuur, het wetshandhavingsbeleid, de rechterlijke macht, het maatschappelijk middenveld en de jeugd, en tegelijkertijd de EU-voorwaarden voor toetreding onveranderd moet houden; vraagt de HV/VV, de Commissie en de lidstaten een gecoördineerd, consistent en coherent EU-standpunt aan te houden en te tonen dat de EU-integratie van Bosnië en Herzegovina een prioriteit is van het buitenlands beleid van de EU; benadrukt dat de EU moet trachten alle financiële donoren samen te brengen ter ondersteuning van de efficiënte uitvoering van de nieuwe aanpak van de EU en de schriftelijke belofte;

4.  uit zijn tevredenheid over de schriftelijke belofte om te integreren in de EU, die werd gedaan door het presidentschap van Bosnië en Herzegovina, en die op 23 februari 2015 werd ondertekend door alle in het parlement vertegenwoordigde politieke partijen en ondersteund door het parlement zelf, over maatregelen om institutionele functionaliteit en efficiëntie in te voeren, hervormingen in alle bestuurslagen te starten, en om het verzoeningsproces te versnellen en de administratieve capaciteit te versterken; erkent dat de schriftelijke belofte de weg heeft vrijgemaakt voor de overeenkomst in de Raad op 16 maart 2015 om over te gaan tot sluiting en de inwerkingtreding van de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO); is verheugd over de inwerkingtreding van de SAO, die gepland staat op 1 juni 2015, waardoor Bosnië en Herzegovina en de EU nauwer met elkaar kunnen samenwerken en hun banden kunnen versterken; vraagt alle politieke leiders volledig mee te werken aan de zorgvuldige en snelle uitvoering van de schriftelijke belofte met name wat betreft de versterking van de rechtsstaat en de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad; herinnert eraan dat politiek engagement en oprechte verantwoordelijkheid voor het hervormingsproces van essentieel belang zijn; vraagt de nieuwe leiders van Bosnië en Herzegovina met de EU een stappenplan af te spreken voor een brede en inclusieve hervormingsagenda om het land vooruit te brengen op de weg naar Europese integratie; roept op tot transparantie in het proces van de planning en uitvoering van de hervormingen en verzoekt dringend het maatschappelijk middenveld bij het hervormingsproces te betrekken;

5.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de verklaring die op 25 april 2015 is aangenomen op het congres van de Alliantie van onafhankelijke sociaaldemocraten (SNSD) in Oost-Sarajevo, waarin o.a. werd aangedrongen op een referendum over de onafhankelijkheid van de Republika Srpska in 2018; benadrukt het feit dat de Republika Srpska op grond van het akkoord van Dayton geen recht op afscheiding heeft; herinnert eraan dat met de ondertekening van de schriftelijke belofte, alle politieke partijen, en dus ook de SNSD, zich eraan hebben gecommitteerd de ‘soevereiniteit, de territoriale integriteit en de politieke onafhankelijkheid van Bosnië en Herzegovina’ te respecteren; verzoekt de nieuwe politieke leiders dringend zich te onthouden van tweedracht zaaiende nationalistische en separatistische retoriek die leidt tot polarisatie in de samenleving en zich serieus in te spannen voor hervormingen die het leven van de burgers in Bosnië en Herzegovina verbeteren, een democratische inclusieve en functionerende staat creëren en het land dichter bij de EU brengen;

6.  verzoekt de politieke leiders voorrang te geven aan het opzetten van een doeltreffend EU-coördinatiemechanisme, door instellingen op alle bestuursniveaus op efficiënte wijze aan elkaar te koppelen, om ervoor te zorgen dat het acquis in het hele land geharmoniseerd wordt omgezet en gehandhaafd met het oog op de algehele welvaart van de burgers; benadrukt dat zonder een dergelijk mechanisme het EU-toetredingsproces in een impasse zal blijven, aangezien de huidige organisatie van het land te inefficiënt en disfunctioneel is; benadrukt dat Bosnië en Herzegovina door de oprichting van een dergelijk mechanisme ten volle van de beschikbare fondsen zal kunnen profiteren; benadrukt dat met het oog op de hervorming concrete stappen moeten worden gezet en dat het land en de burgers een duidelijke richting moet worden geboden;

7.  benadrukt dat de aanpak van de sociaaleconomische behoeften van burgers prioriteit moet hebben; acht het echter ook van essentieel belang dat er naast politieke hervormingen aandacht blijft voor de democratisering van het politieke systeem; onderstreept het feit dat economische voorspoed alleen mogelijk is als deze gebaseerd is op een democratische en inclusieve samenleving en staat; benadrukt tevens dat Bosnië en Herzegovina geen succesvolle kandidaat voor het EU-lidmaatschap zal zijn zolang nog er geen passende institutionele omstandigheden zijn verwezenlijkt; merkt op dat een constitutionele hervorming die gericht is op consolidering, stroomlijning en versterking van het institutionele kader nog steeds van essentieel belang is voor de transformatie van Bosnië en Herzegovina tot een effectieve, inclusieve en volledig functionerende staat; herinnert eraan dat bij de toekomstige constitutionele hervorming ook rekening moet worden gehouden met de beginselen van federalisme, decentralisatie, subsidiariteit en legitieme vertegenwoordiging om te zorgen voor een efficiënt en soepel integratieproces van Bosnië en Herzegovina in de EU; dringt er bij alle politieke leiders op aan werk te maken van het doorvoeren van de nodige wijzigingen;

8.  is tevreden over de initiatieven van de Commissie om de door het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) gefinancierde projecten sneller uit te voeren en het economische bestuur te versterken; betreurt het dat het gebrek aan daadkracht gevolgen kan hebben voor de toewijzing van EU-middelen aan de politieke en sociaaleconomische ontwikkeling in het kader van IPA‑II; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan overeenstemming te bereiken over nationale strategieën per sector, in het bijzonder voor prioritaire terreinen als vervoer, energie, milieu en landbouw, aangezien dit de voornaamste vereiste is om ten volle van IPA-financiering te kunnen genieten;

9.  spreekt zijn lof uit over het feit dat de verkiezingen van oktober 2014 goed zijn verlopen; stelt echter vast dat het verkiezingsproces voor de tweede maal op rij plaats had zonder dat elke burger zich voor elke functie kandidaat kon stellen; benadrukt dat alle nieuwe parlementaire organen en regeringen op alle niveaus dringend moeten worden ingesteld; spoort de nieuwe leiders aan het beginsel van algemeen, gelijk en rechtstreeks kiesrecht na te leven, zich open te stellen voor de bevolking, het gesprek aan te gaan met het maatschappelijk middenveld, en onverwijld verantwoorde antwoorden op hun legitieme bekommernissen te formuleren; roept de bevoegde autoriteiten op een onderzoek te starten naar de zeer ernstige beschuldigingen tegen de premier van de Republika Srpska (RS), die betrokken zou zijn bij het kopen van de stemmen van twee parlementariërs die geen lid van haar partij zijn, om een meerderheid te verwerven in de parlementaire vergadering van de RS (RSNA);

10.  is verheugd over de overrompelende nationale en internationale solidariteit, met inbegrip van het EU-programma voor herstel na overstromingen, naar aanleiding van de natuurrampen van 2014; is tevreden dat de EU op verzoek van Bosnië en Herzegovina onmiddellijk aanzienlijke reddings- en hulpverleningsmaatregelen heeft getroffen en in juli 2014 een donorconferentie heeft georganiseerd, onder auspiciën van de Commissie, samen met Frankrijk en Slovenië; onderstreept dat de Commissie Bosnië en Herzegovina heeft gevraagd deel uit te maken van het mechanisme voor civiele bescherming van de Unie; vraagt op alle niveaus doeltreffende en gecoördineerde preventiemaatregelen te treffen om de gevolgen van de huidige rampen aan te pakken en dergelijke rampen in de toekomst te voorkomen; is verheugd over de vele positieve voorbeelden van zeer nauwe interetnische samenwerking en steun na de overstromingen, een teken dat verzoening mogelijk is; is van mening dat regionale samenwerking en nauwe betrekkingen met buurlanden fundamenteel zijn voor een snelle reactie op dit soort rampen in de toekomst;

11.  herinnert eraan dat een professioneel, effectief en op verdiensten gebaseerd openbaar bestuur voor Bosnië en Herzegovina en ieder ander land dat lid van de EU wil worden, de ruggengraat van het integratieproces vormt; is uiterst bezorgd dat het openbaar bestuur, dat geacht wordt Bosnië en Herzegovina op weg te helpen naar EU-lidmaatschap en de levensomstandigheden van zijn burgers te verbeteren, gefragmenteerd, gepolitiseerd en disfunctioneel blijft; blijft bezorgd over de betaalbaarheid en over het feit dat het gebrek aan politieke wil voor de hervorming van het ambtelijk apparaat gevolgen kan hebben voor de openbare dienstverlening; verzoekt alle bevoegde actoren een nieuwe strategie voor de hervorming van het openbaar bestuur en een nieuw actieplan voor na 2014 aan te nemen om de complexe institutionele structuur te vereenvoudigen, de kosten te rationaliseren en de staat beter te laten functioneren;

12.  dringt er bij de autoriteiten op aan van corruptiebestrijding een absolute prioriteit te maken, omdat het nog niet tot bevredigende verbeteringen heeft geleid en alle sectoren ermee te maken hebben, met inbegrip van gezondheidszorg en onderwijs, die de meest kwetsbare mensen treffen, en het pessimisme onder burgers toeneemt en hun vertrouwen in de instellingen wordt aangetast; dringt aan op doeltreffende anti-corruptiemechanismen, onafhankelijke gerechtelijke afhandeling en inclusieve raadplegingen met alle belanghebbenden, waardoor een tijdige goedkeuring van een hernieuwd strategisch kader voor 2015‑2019 moet worden gewaarborgd; dringt in het algemeen aan op efficiënte tenuitvoerlegging van anti-corruptiemaatregelen; is verheugd dat op staatsniveau een aantal anti-corruptiewetten werd aangenomen, met inbegrip van de bescherming van klokkenluiders en dat, op federaal niveau, preventie-organen werden opgericht; veroordeelt pogingen om de bestaande beginselen van de rechtsstaat te ondermijnen en uit zijn bezorgdheid over het feit dat de wet inzake belangenconflicten het juridisch kader verzwakt en een stap achteruit betekent voor de preventie van belangenconflicten, omdat het risico op politieke inmenging er door toeneemt en ambtenaren niet worden gestimuleerd om de regels na te leven; dringt aan op het versterken van parlementaire organen ter preventie van belangenconflicten; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan in ophefmakende corruptiezaken voor doeltreffende onderzoeken, vervolgingen en veroordelingen te zorgen, in het bijzonder in het kader van overheidsopdrachten en privatisering;

13.  blijft uiterst bezorgd over de inefficiëntie van het rechtsstelsel, het risico op politieke inmenging in rechtszaken, de politisering van benoemingsprocedures, de gefragmenteerde begrotingsprocedure op het vlak van de rechterlijke macht en het openbaar ministerie, en het risico op belangenconflicten in het rechtsstelsel; dringt er bij de nieuwe leiders van het land op aan structurele en institutionele hervormingen door te voeren en zo onder meer de harmonisering van de vier verschillende rechtsstelsels aan te pakken; nodigt hen uit de aanbevelingen van de Commissie te volgen, zoals bv. de institutionele hervorming van het rechtsstelsel op nationaal niveau, met inbegrip van de goedkeuring van een wet op rechtbanken van Bosnië en Herzegovina; dringt er bij de komende ministerraad op aan de reeds voorbereide nieuwe hervormingsstrategie voor het rechtsstelsel aan te nemen; spreekt nogmaals zijn steun uit voor de instelling van een Ombudsman; merkt op dat in de grondwet van de Republika Srpska nog steeds een moratorium op de doodstraf van kracht is en spoort de autoriteiten van de Republika Srpska aan de doodstraf met onmiddellijke ingang af te schaffen;

14.  vindt het zorgwekkend dat de toegang tot gratis rechtsbijstand slechts zeer beperkt is en dat het recht daarop nog steeds niet volledig wettelijk is vastgelegd in heel Bosnië en Herzegovina, waardoor het recht op toegang tot de rechter voor de meest kwetsbare mensen beperkt is; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan op staatsniveau een wet inzake gratis rechtsbijstand goed te keuren en de rol van het maatschappelijk middenveld bij het verstrekken daarvan duidelijk vast te leggen;

15.  is tevreden dat de gestructureerde dialoog over justitie tussen de EU en Bosnië en Herzegovina werd uitgebreid naar bijkomende kwesties betreffende de rechtsstaat, in het bijzonder corruptie en discriminatie, en dat deze uitbreiding positieve resultaten heeft opgeleverd op het vlak van regionale samenwerking, de vervolging van oorlogsmisdaden, en de professionalisering en doeltreffendheid van het rechtsstelsel; is ingenomen dat het maatschappelijk middenveld een rol heeft toebedeeld gekregen in het proces; stelt vast dat de omstandigheden in verschillende rechtbanken in de entiteiten zijn verbeterd, met inbegrip van de bescherming van getuigen;

16.  is bezorgd dat in bepaalde verklaringen de legitimiteit van de veroordelingen van het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY) ter discussie werd gesteld, waardoor de rechtbank in Den Haag wordt ondermijnd; dringt aan op stappen om de bescherming van slachtoffers te verbeteren en het werk van het kantoor van de aanklager van Bosnië en Herzegovina te verbeteren door de behandeling van oorlogsmisdaden van categorie II te herzien; is verheugd over de vorderingen bij het wegwerken van de achterstand bij de afhandeling van oorlogsmisdaden; stelt vast dat de vervolging van oorlogsmisdaden waarbij seksueel geweld werd gebruikt, is verbeterd en verzoekt dit proces voort te zetten; benadrukt dat de bevoegde autoriteiten het nog steeds niet goedgekeurde programma op nationaal niveau ter verbetering van het statuut van slachtoffers van dergelijke oorlogsmisdaden moeten goedkeuren, met inbegrip van het recht op compensatie, en ervoor moeten zorgen dat zij daadwerkelijk toegang krijgen tot de rechter, en dat zij de bepalingen van het strafrecht van Bosnië en Herzegovina inzake seksueel geweld in overeenstemming moeten brengen met internationale normen;

17.  spreekt zijn zorg uit over het onverminderd hoge aantal vermiste personen en de geringe voortgang op dat gebied; verzoekt de autoriteiten een intensieve vorm van samenwerking tussen de twee entiteiten tot stand te brengen en de inspanningen bij de opsporing van vermiste personen op te voeren;

18.  herdenkt alle slachtoffers van de genocide in Srebrenica in 1995 en betuigt zijn diepste gevoelens van medeleven aan de betrokken families en overlevenden; spreekt zijn steun uit voor organisaties zoals "Moeders van Srebrenica en Zepa", met het oog op de cruciale rol die zij hebben vervuld om de aandacht hiervoor te vergroten en een bredere basis te creëren voor verzoening tussen alle burgers van het land; roept alle burgers van Bosnië en Herzegovina op de herdenking van de massamoord in Srebrenica twintig jaar geleden aan te grijpen als een kans om een verdere impuls te geven aan verzoening en samenwerking, twee elementen die voor alle landen uit de regio de belangrijkste voorwaarden vormen voor vervolgstappen op weg naar toetreding tot Europa;

19.  stelt bezorgd vast dat er in Bosnië en Herzegovina 84 500 binnenlandse ontheemden en 6 853 vluchtelingen zijn; is bezorgd over de schending van de rechten van teruggekeerde vluchtelingen in de Republika Srpska; is echter verheugd dat het parlement van de Federatie nieuwe maatregelen heeft aangenomen waardoor personen die terugkeren uit de Republika Srpska (RS), in de Federatie toegang hebben tot pensioenuitkeringen en gezondheidszorg, maar benadrukt dat het van belang is dat alle burgers gelijke toegang hebben tot sociale voorzieningen; verzoekt instanties op alle bestuurlijke niveaus, en in het bijzonder de autoriteiten van de Republika Srpska, de terugkeer van binnenlandse ontheemden en vluchtelingen te bespoedigen door alle daartoe benodigde wettelijke en bestuurlijke maatregelen te treffen en ten uitvoer te leggen; dringt aan op samenwerking op dit gebied en om de juiste voorwaarden te scheppen voor hun vreedzame en duurzame reïntegratie; vraagt dat de herziene strategie met betrekking tot bijlage VII van het vredesakkoord van Dayton effectief wordt uitgevoerd; vraagt de goede regionale samenwerking in het kader van het proces van de verklaring van Sarajevo voort te zetten; dringt aan op een alomvattende aanpak om de resterende problemen op te lossen om het land tegen 2019 te ontmijnen;

20.  spreekt nogmaals zijn steun uit voor de visumliberalisering die tot zichtbare positieve effecten heeft geleid voor de burgers van Bosnië en Herzegovina; herhaalt zijn toezegging om het recht op visumvrij reizen voor de burgers van de Westelijke Balkan te waarborgen; dringt daarnaast aan op maatregelen op nationaal niveau, in het bijzonder sociaaleconomische maatregelen voor de meest kwetsbare groepen, alsmede op actieve maatregelen ter verbetering van de samenwerking en informatie-uitwisseling bij de aanpak van netwerken van de georganiseerde misdaad, op strengere grenscontroles en op voorlichtingscampagnes; verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om de integriteit van de regeling voor vrijstelling van visumplicht te waarborgen en in samenwerking met de lidstaten mogelijk misbruik van het asielsysteem van de EU aan te pakken;

21.  merkt op dat de bestrijding van de georganiseerde misdaad en corruptie van fundamenteel belang is om pogingen tot criminele infiltratie in politieke, juridische en economische systemen tegen te gaan; stelt vast dat enige vooruitgang werd geboekt op het vlak van de bestrijding van georganiseerde misdaad en terrorisme; wijst erop dat het van belang is te voldoen aan de GRECO-aanbevelingen; neemt met zorg kennis van meldingen over toenemende radicalisering van jongeren in Bosnië en Herzegovina, die zich in betrekkelijk groten getale bij de terroristische strijders van IS aansluiten; dringt er bij de autoriteiten op aan het wetboek van strafrecht te wijzigen zodat het strafbaar stellen van de financiering van terrorisme wordt versterkt; is verheugd over de wijziging van het wetboek van strafrecht die behelst dat het lid worden van buitenlandse paramilitaire groeperingen wordt verboden en bestraft om religieuze radicalisering te voorkomen; benadrukt tevens dat het belangrijk is om alle vormen van extremisme en geweldsverheerlijkende radicalisering te voorkomen; is eveneens tevreden over grootschalige politieacties in heel Bosnië en Herzegovina, waarbij personen werden gearresteerd op verdenking van het organiseren, steunen en financieren van terroristische activiteiten, waaronder buitenlandse strijders; dringt erop aan in het wetboek van strafrecht van de Federatie van Bosnië en Herzegovina een bepaling over haatdelicten op te nemen; prijst de relevante agentschappen van Bosnië en Herzegovina voor hun inspanningen en vastberadenheid om de toenemende veiligheidsdreigingen op professionele wijze te bestrijden; verzoekt de Commissie om de bevoegde autoriteiten assistentie te verlenen bij het tegengaan van alle bedreigingen van de veiligheid en terroristische dreigingen;

22.  Veroordeelt streng de terroristische aanval van 27 april 2015 op een politiekantoor in de Oost-Bosnische stad Zvornik, waarbij een politieman omkwam en twee andere gewond raakten; uit zijn solidariteit met de slachtoffers en hun families; veroordeelt ten strengste de gewelddadige, extremistische ideologie achter deze aanval; vraagt de bevoegde autoriteiten, de verantwoordelijke veiligheidsdiensten en de gerechtelijke instellingen samen te werken bij het voeren van een snel en diepgaand onderzoek en bij het voorkomen van aanvallen in de toekomst; uit zijn hoop dat de instellingen en burgers van Bosnië en Herzegovina elkaar zullen vinden in het bestrijden van de terroristische dreiging en extremistisch geweld;

23.  stelt vast dat Bosnië en Herzegovina nog steeds fungeert als een land van herkomst, doorreis en bestemming voor mensenhandel; beveelt aan dat de autoriteiten doeltreffende maatregelen treffen, met inbegrip van wetgevingsmaatregelen, om drugshandel en mensenhandel te bestrijden en bescherming te bieden aan de slachtoffers daarvan;

24.  vindt dat de rol van het maatschappelijk middenveld moet worden versterkt door deze de belangen van de burgers te laten verwoorden, met name van jongeren, zoals vorig jaar tijdens de plenaire vergaderingen aan de orde werd gesteld; wijst erop dat het maatschappelijk middenveld een bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van sociale cohesie en democratie in de samenleving, door het verlenen van sociale diensten van vitaal belang; merkt op dat vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol moeten spelen in het EU-integratieproces; dringt er bij de Commissie op aan Europese middelen ter beschikking te blijven stellen aan organisaties van het maatschappelijk middenveld; merkt op dat de institutionele mechanismen voor de samenwerking met het maatschappelijk middenveld zwak blijven en de ontwikkeling van een meer participerende, inclusieve en ontvankelijke democratie in het hele land belemmeren; dringt derhalve aan op de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van transparante en inclusieve mechanismen van openbare raadpleging waarbij alle publieke belanghebbenden worden betrokken, op de vaststelling van een kader voor openbaar debat over belangrijke wetgevingsbesluiten, en op de goedkeuring van een nationale strategie voor het maatschappelijk middenveld; spreekt zijn zorg uit over het aantal gemelde gevallen van intimidatie tijdens de sociale onrust van vorig jaar;

25.  vindt dat in Bosnië en Herzegovina een inclusieve en tolerante samenleving moet worden bevorderd en dat de rechten van minderheden en kwetsbare groepen moeten worden beschermd en bevorderd; herinnert eraan dat het niet uitvoeren van het vonnis in de zaak Sejdić-Finci tot openlijke discriminatie van burgers van Bosnië en Herzegovina leidt; dringt erop aan dat er stappen worden ondernomen om de rol van de Ombudsman voor de mensenrechten te versterken en dat er op nationaal niveau in samenwerking met het maatschappelijk middenveld een strategie tegen alle vormen van discriminatie wordt ontwikkeld; vraagt de bevoegde autoriteiten de wetgeving verder te harmoniseren met het EU-acquis, en daarbij in het bijzonder aandacht te schenken aan handicaps en leeftijd als gronden van discriminatie, zoals onderstreept in de gestructureerde dialoog; vraagt het Ministerie van Mensenrechten en Vluchtelingen van Bosnië en Herzegovina onverwijld een werkgroep in te stellen voor het opstellen van wijzigingen in de antidiscriminatiewet van Bosnië en Herzegovina; is bezorgd over het feit dat haatdragende taal, haatdelicten, bedreigingen, pesterijen en discriminatie ten aanzien van LGBTI wijdverbreid blijven; moedigt de autoriteiten aan bewustmakingsacties over de rechten van LGBTI te organiseren onder de rechterlijke macht, rechtshandhavingsinstanties en het grote publiek; is bezorgd dat nog steeds gevallen van discriminatie op grond van religie worden gemeld;

26.  betreurt ten zeerste de voortdurende marginalisering en discriminatie van Roma; prijst de vorderingen die zijn geboekt op het gebied van de huisvestingsbehoeften van Roma, maar moedigt verdere stappen ter verbetering van de leefomstandigheden van Roma aan door hun toegang tot werkgelegenheid, gezondheidszorg en onderwijs te verbeteren;

27.  merkt op dat er wettelijke bepalingen ter waarborging van de rechten van vrouwen en gendergelijkheid bestaan, maar dat in de uitvoering van deze bepalingen slechts beperkte vooruitgang is geboekt; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan zich proactief in te spannen om de deelname van vrouwen aan de politiek en de arbeidsmarkt te verhogen, om de discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt op grond van zwangerschap en ouderschapsverlof te bestrijden, hun sociale en economische situatie te verbeteren, en hun rechten te bevorderen, beschermen en versterken, en in het algemeen, het publiek ervan bewust te maken en de mensen te doen inzien wat vrouwenrechten behelzen; verzoekt de autoriteiten met klem een strategie aan te nemen voor de uitvoering van het Verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld van de Raad van Europa en een geharmoniseerd systeem in te stellen voor toezicht op en gegevensverzameling over gevallen van geweld tegen vrouwen;

28.  dringt er bij Bosnië en Herzegovina op aan zo snel mogelijk een verwijzing naar seksuele oriëntatie en genderidentiteit op te nemen in de wet inzake haatmisdrijven, om het aldus mogelijk te maken dat mensen die verschillende vormen van repressie wegens seksuele oriëntatie of genderidentiteit uitoefenen, worden veroordeeld;

29.  stelt vast dat er juridische bepalingen werden ingevoerd inzake de vrijheid van meningsuiting; uit echter zijn bezorgdheid over de politieke en financiële druk op de media en de intimidatie en bedreigingen van journalisten en uitgevers, ook in de periode voorafgaand aan de verkiezingen; veroordeelt pogingen om de bestaande regels te ondermijnen, die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, ook online; benadrukt dat gebeurtenissen als de inval van de politie in de kantoren van Klix.ba in Sarajevo of de recente goedkeuring door de Nationale Vergadering van de Republika Srpska (RSNA) van de controversiële wet inzake openbare orde en vrede aanleiding geven tot ernstige bezorgdheid over de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid in het land, inclusief in de sociale media; benadrukt dat media zonder vrees moeten kunnen functioneren in een gezonde democratie; dringt erop aan dat de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid volledig moeten worden geëerbiedigd en dat journalisten informatie moeten kunnen inwinnen over zaken van openbaar belang; onderstreept dat stabiele en duurzame financiering, redactionele onafhankelijkheid, uitzending in alle officiële talen en pluralisme van essentieel belang zijn voor publieke media; verzoekt de autoriteiten alle mazen in de wet te dichten die de volledige transparantie van de eigendom van de media systematisch belemmeren en regelgeving te initiëren om te waarborgen dat er geen sprake is van ongepaste politieke invloed; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan de politieke, institutionele en financiële onafhankelijkheid van de openbare omroepen te waarborgen en de wetten van de entiteiten over publieke omroepen op één lijn te brengen met de wetgeving op nationaal niveau; benadrukt dat de directeur van de Regelgevende Autoriteit voor communicatie op basis van verdiensten moet worden aangeduid;

30.  blijft bezorgd over het feit dat in openbare scholen in kinderen nog steeds op basis van afkomst worden gescheiden; merkt op dat een gemeenschappelijke, inclusieve en objectieve bestudering van de gemeenschappelijke geschiedenis en recente historische gebeurtenissen wordt verhinderd doordat er sprake is van drie verschillende curricula; dringt bij de autoriteiten aan op een effectieve uitvoering van de beginselen van inclusief onderwijs met betrekking tot kinderen met een handicap; dringt er bij de nieuwe leiders van het land op aan onverwijld in beide entiteiten en het Brčko District een inclusief en niet-discriminatoir onderwijssysteem te bevorderen, de scheiding tussen de verschillende etnische groepen op te heffen en verder te werken aan onderwijshervormingen gericht op betere onderwijsnormen en de invoering van een gemeenschappelijk curriculum; verzoekt ook om haast te maken met de uitvoering van het actieplan voor de onderwijsbehoeften van Roma-kinderen en hun integratie in het onderwijssysteem;

31.  herinnert eraan dat de bevolking van Bosnië en Herzegovina met de straatprotesten in februari 2014 een duidelijke roep om sociaal-economische hervormingen heeft laten horen; is ervan overtuigd dat de tenuitvoerlegging van maatregelen in de zes belangrijkste hervormingsgebieden van het "Pact voor groei en banen" de vastgelopen sociaaleconomische hervormingen opnieuw zal stimuleren, ook op het vlak van groei en werkgelegenheid en overheidsopdrachten; vraagt de nieuwe regeringen op nationaal, entiteits- en kantonnaal niveau nauw met elkaar samen te werken om van economisch bestuur en het Pact een belangrijke hervormingsprioriteit te maken; benadrukt de noodzaak van de verdere ontwikkeling en uitvoering van een economisch hervormingsprogramma;

32.  is van mening dat Bosnië en Herzegovina weinig vooruitgang heeft geboekt in zijn groei naar een functionerende markteconomie; benadrukt dat het van belang is het hoofd te bieden aan concurrentiedruk en marktwerking; is bezorgd dat aanzienlijke gebreken op het vlak van bedrijfsklimaat negatieve gevolgen blijven hebben voor de ontwikkeling van de privésector en buitenlandse directe investeringen; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan de zwakke handhaving van de rechtsstaat, de grote informele sector en de hoge corruptie aan te pakken, omdat deze het bedrijfsklimaat belemmeren; dringt aan op harmonisering met de Solvabiliteit II-richtlijn;

33.  benadrukt dat de gefragmenteerde socialezekerheidsstelsels moeten worden hervormd en geharmoniseerd op basis van de behoeften van de burgers om allen een gelijke behandeling te bieden, de armoede te verminderen en een sociaal vangnet te ontwikkelen dat beter is afgestemd op arme en sociaal uitgesloten mensen; onderstreept het feit dat economische voorspoed en het uitzicht op een baan, met name voor jongeren, van essentieel belang zijn voor de ontwikkeling van het land; verzoekt de regeringen de arbeidsmarkt te hervormen om iets aan de zeer hoge werkloosheid te doen, met de focus op jeugd-, vrouwen- en langetermijnwerkloosheid; merkt op dat de arbeids- en vakbondsrechten nog steeds beperkt zijn; verzoekt de autoriteiten de relevante wetten in het hele land verder te verbeteren en te harmoniseren; benadrukt dat onderwijs en opleiding verbeterd moeten worden om de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden aan te pakken en de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt vooral onder jongeren te verbeteren;

34.  benadrukt het belang van de harmonisering en verbetering van geldende vakbondsrechten en voorschriften voor arbeidsvoorwaarden, die zich op dit moment niet binnen alle sectoren op hetzelfde niveau bevinden; merkt voorts op dat sociale uitkeringen en pensioenen niet gelijk worden verdeeld onder iedereen;

35.  merkt op dat weinig vorderingen zijn geboekt op het gebied van het milieu en de klimaatverandering en vraagt de autoriteiten om een betere milieubescherming in overeenstemming met EU-normen; dringt er bij Bosnië en Herzegovina op aan al zijn contractuele verplichtingen uit hoofde van de Energiegemeenschap en de SAO na te leven, en te zorgen voor een adequate en snelle toenadering tot het milieu-acquis van de EU, inclusief het voorkomen van excessieve luchtverontreiniging door de olieraffinaderij van Bosanski Brod; benadrukt dat Bosnië en Herzegovina zijn verplichtingen in het kader van het Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband (Espoo, 1991) en het Protocol betreffende strategische milieu-effectrapportage (Kiev, 2003), en andere internationale verdragen volledig moet gaan naleven, in het bijzonder met betrekking tot de activiteiten in het stroomgebied van de Neretva en de Trebišnjica; ;

36.  is verheugd over de constructieve en proactieve houding van Bosnië en Herzegovina ten aanzien van regionale samenwerking; prijst de regelmatige gezamenlijke grenscontroles met buurlanden; onderstreept het cruciale belang van goede betrekkingen met de buurlanden; nodigt de nieuwe leiders uit de inspanningen voor een oplossing van de openstaande grens- en eigendomsgeschillen met de buurlanden voort te zetten en op te voeren; moedigt Bosnië en Herzegovina aan het demarcatieproces met Montenegro te goeder trouw op basis van de in mei 2014 bereikte overeenkomst af te ronden;

37.  betreurt het dat er uiteenlopende standpunten over het buitenlands beleid van Bosnië en Herzegovina blijven bestaan, waardoor de aanpassing aan de EU-standpunten laag is (52 %); wijst op het cruciale belang van een uniform buitenlands beleid van Bosnië en Herzegovina; maakt zich zorgen over de gevolgen van de verwerping door Rusland van de standaardformuleringen van de Vredesimplementatieraad over de territoriale integriteit van Bosnië en Herzegovina en de negatieve bewoordingen van dat land over de EU-aspiraties van Bosnië en Herzegovina; is ingenomen met de voortgezette aanwezigheid van operatie Althea, als onderdeel van een hernieuwd VN-mandaat, die is gericht op capaciteitsopbouw en opleiding;

38.  verzoekt de recentelijk gekozen instellingen van Bosnië en Herzegovina gebruik te maken van de hernieuwde benadering van de EU om de overeenkomst te sluiten over de aanpassing van de interimovereenkomst/SAO, rekening houdend met de toetreding van Kroatië tot de EU en met de instandhouding van de traditionele handel;

39.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de HV/VV, de Raad, de Commissie, het presidentschap van Bosnië en Herzegovina, de ministerraad van Bosnië en Herzegovina, de Parlementaire Vergadering van Bosnië en Herzegovina en de regeringen en parlementen van de Federatie van Bosnië en Herzegovina, Republika Srpska en de regeringen van tien provincies/kantons.


Jaarverslag 2013 van de Europese Investeringsbank
PDF 228kWORD 115k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 april 2015 over de Europese Investeringsbank - Jaarverslag 2013 (2014/2156(INI))
P8_TA(2015)0183A8-0057/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het activiteitenverslag 2013 van de Europese Investeringsbank,

–  gezien het financieel jaarverslag 2013 van de Europese Investeringsgroep (EIB-groep),

–  gezien de artikelen 15, 126, 175, 208, 209, 271, 308 en 309 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en Protocol nr. 5 bij dit Verdrag betreffende de statuten van de EIB,

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2012 over innovatieve financiële instrumenten in de context van het volgende meerjarig financieel kader(1),

–  gezien zijn resolutie van 7 februari 2013 over het jaarverslag 2011 van de Europese Investeringsbank(2),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2014 over de Europese Investeringsbank (EIB) - jaarverslag 2012(3),

–  gezien het verslag van de voorzitter van de Europese Raad van 26 juni 2012 getiteld "Naar een echte economische en monetaire unie",

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2012 over de aantrekkelijkheid van investeren in Europa(4),

–  gezien zijn resolutie van 26 februari 2014 over langetermijnfinanciering van de Europese economie(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie over de langetermijnfinanciering van de Europese economie (COM(2014)0168) van 27 maart 2014,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 28 en 29 juni 2012 waarin met name een verhoging van het kapitaal van de EIB met 10 miljard euro werd voorgesteld,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 27 en 28 juni 2013, waarin wordt verzocht om de totstandbrenging van een nieuw investeringsplan om kmo's te ondersteunen en de financiering van de economie een impuls te geven,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 22 mei 2013, waarin de doelstelling is opgenomen om al het EU-beleid in dienst te stellen van de ondersteuning van concurrentie, banen en groei,

–  gezien de mededelingen van de Commissie over innovatieve financiële instrumenten: "Een kader voor de volgende generatie innovatieve instrumenten" (COM(2011)0662) en "Een proeffase voor het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties" (COM(2011)0660),

–  gezien de kapitaalsverhoging van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO), met name in verband met de kwestie van de betrekkingen tussen de EIB en de EBWO,

–  gezien de beslissing om de werkingssfeer van de EBWO uit te breiden tot het Middellandse Zeegebied(6),

–  gezien het nieuwe memorandum van overeenstemming tussen de EIB en de EBWO dat op 29 november 2012 is ondertekend,

–  gezien Besluit nr. 1080/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011(7) over het externe mandaat van de EIB voor 2007-2013,

–  gezien de mededeling van de Commissie over een investeringsplan voor Europa (COM(2014)0903) van 26 november 2014,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie begrotingscontrole en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0057/2015),

A.  overwegende dat alle mogelijke middelen van de lidstaten en de EU, inclusief die van de EIB, onverwijld op efficiënte wijze moeten worden ingezet om overeenkomstig de Europa 2020-strategie de overheids- en privé-investeringen aan te moedigen en te versterken, het concurrentievermogen te vergroten, weer tot duurzame en inclusieve groei te komen en het scheppen van kwalitatief goede banen en infrastructuur te stimuleren, daarbij in aanmerking nemende dat de EIB een op de ondersteuning van de sociale samenhang gericht instrument is en in de huidige, kritieke sociaaleconomische situatie waardevolle steun kan bieden aan lidstaten die met problemen te kampen hebben;

B.  overwegende dat de economische en financiële crisis, in combinatie met het bezuinigingsbeleid, de economische groei in een groot aantal lidstaten ernstig heeft aangetast, hetgeen heeft geleid tot een snelle verslechtering van de sociale omstandigheden en gestaag toenemende ongelijkheden en onevenwichtigheden tussen de Europese regio's, zodat de nagestreefde sociale samenhang en echte convergentie niet kunnen worden bereikt en de Europese integratie en de democratie worden gedestabiliseerd;

C.  overwegende dat de EIB geen commerciële bank is en de essentiële rol moet blijven spelen van katalysator voor de financiering van gezonde overheids- en privé-investeringen op lange termijn en dat zij tegelijk de beste prudentiële praktijken moet blijven volgen om haar zeer sterke kapitaalpositie te handhaven, die weer een positief effect heeft op de financieringsvoorwaarden;

D.  overwegende dat er bijzondere inspanningen moeten worden geleverd met het oog op de uitbreiding van het gezamenlijk optreden (samen met het EIF of andere garantie-instrumenten) voor de financiering van kmo's of al dan niet tastbare duurzame infrastructuur, wel beseffend dat het verlies aan economische concurrentiekracht van de lidstaten een van de redenen is voor de daling van de investeringen en de kredietverstrekking;

E.  overwegende dat de EIB haar mandaat voor de financiering van projecten die deel uitmaken van de externe maatregelen van de EU, met inachtneming van strenge sociale- en milieunormen dient te blijven vervullen;

F.  overwegende dat de selectie van investeringsprojecten door de EIB op onafhankelijke wijze en op grond van hun levensvatbaarheid, meerwaarde en effect op het economisch herstel dient plaats te vinden;

G.  overwegende dat de EIB zich in de context van een betere macro-economische coördinatie met de lidstaten moet ontwikkelen in de richting van het model van een ontwikkelingsbank;

H.  overwegende dat de EIB ook een bank met kennis van zaken en goede praktijken moet zijn en niet louter een financiële instelling;

I.  overwegende dat de betrekkelijk kleine en sterk geconcentreerde securitisatiemarkt van de Europese Unie, die slechts een beperkte securitisatie van kmo-kredieten biedt, door de crisis nog verder is gekrompen;

Investeringen

1.  neemt kennis van het jaarverslag 2013 van de EIB, de toename van de financieringsactiviteiten van de groep met 37 % tot 75,1 miljard EUR en de kapitaalverhoging van de EIB in 2013; maakt zich zorgen over de huidige economische stilstand in de EU, en met name over de significante afname van de publieke en particuliere investeringen – die ongeveer 18 % lager liggen dan in 2007 – en de onthutsende daling van de kredietverlening aan kmo's met 35 % tussen 2008 en 2013; onderstreept dat deze afname een enorme hinderpaal is voor een duurzaam herstel, alsmede voor echte vooruitgang in de richting van de Europa 2020-doelstellingen;

2.  wijst er in het licht hiervan op dat uit de nationale ramingen blijkt dat bijna de helft van alle lidstaten de nationale doelstellingen op het gebied van onderwijsprogramma's en vermindering van de broeikasgasemissies in 2020 niet zal halen en dat de trends inzake werkgelegenheid en terugdringing van de armoede zelfs nog negatiever zijn;

3.  concludeert dat de verbetering van de financieringsinstrumenten van de EIB geen vervanging vormt voor nationaal economisch beleid en structurele hervormingen die gericht zijn op duurzame groei en nieuwe banen;

4.  neemt kennis van de mededeling van de Commissie over een investeringsplan voor Europa (COM(2014)0903), waarin het om bestaande fondsen gaat en gemikt wordt op het aantrekken van privé-kapitaal in een verhouding 1:15; stelt vast dat het doel is de economie van de EU nieuwe kracht te geven door de komende drie jaar in het kader van het nieuwe Europees Fonds voor strategische investeringen 315 miljard EUR te mobiliseren; wijst erop dat de EIB voor de tenuitvoerlegging van het investeringsplan extra personele middelen nodig zal hebben, teneinde haar mandaat te vervullen;

5.  neemt in dit verband kennis van de oprichting van een taskforce onder leiding van de Commissie en de Europese Investeringsbank en neemt nota van de volgens de gewone wetgevingsprocedure goed te keuren wetgevingsvoorstellen met het oog op de oprichting van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); onderstreept dat deze wetgevingsvoorstellen moeten voorzien in een hoogwaardig governance- en selectieproces alsook een aan democratische verantwoording onderworpen controle- en evaluatiekader ter onderbouwing van het fonds, waarbij zo transparant mogelijk de criteria uiteengezet moeten worden die zullen worden gehanteerd ter bepaling van de projecten die geschikt worden geacht voor opneming in het plan;

6.  verwacht van het financieringsplan van de Commissie dat het in lidstaten en regio's voor een betere en gemakkelijkere toegang tot financiering zorgt; herinnert eraan dat het van essentieel belang is dat de EIB met name in deze lidstaten en regio's samenwerkt met de Europese fondsen om productieve overheidsinvesteringen en onontbeerlijke infrastructuurwerken te kunnen verwezenlijken;

7.  is van mening dat er prioriteit moet worden toegekend aan projecten met een Europese meerwaarde en een positieve kosten-batenanalyse; wijst erop dat het van belang is projecten uit te voeren die een maximaal effect kunnen sorteren waar het gaat om het genereren van banen; onderstreept dat het accent moet liggen op risicovollere projecten die niet gemakkelijk in aanmerking komen voor financiering door banken; waarschuwt dat de taskforce politieke druk zou kunnen ondervinden om door specifieke belangengroeperingen gesteunde projecten te bevorderen, waardoor middelen ten onrechte worden toegewezen aan niet-renderende investeringen die niet het algemeen belang dienen;

8.  benadrukt dat de garanties die de Commissie via het EFSI wil verstrekken, geen nieuw geld inhouden, maar herschikte middelen; onderstreept dat het van essentieel belang is de alternatieve kosten van een dergelijke herschikking te bepalen en dus duidelijk vast te stellen in hoeverre het totale rendement van de beoogde aanvullende investeringen die door het EFSI moeten worden medegefinancierd, naar verwachting hoger ligt dan wat de oorspronkelijke toewijzing van de herschikte middelen zou hebben opgebracht;

9.  wijst erop dat het proces voor de selectie van projecten gericht moet zijn op het vermijden van verdringings- en herschikkingeffecten en zich daarom moet concentreren op projecten die een Europese meerwaarde kennen, een groot potentieel door innovatie hebben en aan het additionaliteitscriterium voldoen; benadrukt dat rekening moet worden gehouden met het werkgelegenheidspotentieel van de projecten die worden geselecteerd in EU-landen waar massale werkloosheid heerst;

10.  verzoekt de Commissie in dit verband om in haar aanstaande wetgevingsvoorstel een nauwkeurige analyse op te nemen van de onderdelen van het EU-begrotingskader waaruit garanties aan het EFSI verwacht worden, teneinde de alternatieve kosten in verband met de herschikking van die middelen te minimaliseren; verzoekt de Raad, de Commissie en de Raad van gouverneurs van de EIB ook terdege te beoordelen welke herverdelingseffecten het investeringsplan met zich brengt, namelijk een mogelijke toename van de winst voor investeerders ten koste van klanten die moeten betalen voor het gebruik van nieuwe infrastructuur om voldoende rendement te waarborgen; verzoekt de EIB en de Commissie het investeringstekort in de EU nader te onderzoeken op de samenstelling ervan, d.w.z. of het aan privé- dan wel overheidsinvesteringen schort, en te specificeren wat voor soort investeringen, privé of door de overheid, zullen worden gesteund en hoe groot de verwachte productieve effecten van die investeringen zijn;

11.  merkt op dat de Europese Centrale Bank de bereidheid heeft uitgesproken om op de secundaire markt door het EFSI uitgegeven obligaties aan te kopen, wanneer het fonds deze obligaties zelf uitgeeft of wanneer de EIB dit namens het fonds doet;

12.  wijst erop dat het noodzakelijk is een nieuw evenwicht te vinden tussen betere evaluatie en optimale investering en de economie in de richting van duurzame groei en werkgelegenheidsherstel te loodsen;

13.  herinnert aan het belang van de Europa 2020-strategie; onderstreept dat in het toekomstige "investeringspakket" beter rekening moet worden gehouden met de algemene doelstellingen op het gebied van cohesiebeleid, duurzaamheid en energie-efficiëntie; verzoekt de Commissie en de Raad van gouverneurs van de EIB hun prestatie-indicatoren voor investeringen van hoge kwaliteit met het oog daarop te verbeteren;

14.  onderstreept dat de EIB met betrekking tot de financiering van het investeringsplan voor Europa een belangrijke rol zal moeten spelen door 5 miljard EUR vast te leggen voor de oprichting van het nieuwe Europees Fonds voor strategische investeringen; verzoekt daarom de Raad, de Commissie en de Raad van gouverneurs van de EIB een gedegen beoordeling te maken van de consistentie tussen de nieuwe taken die in de kader van dit plan aan de EIB worden toegewezen en de middelen van de EIB;

15.  is met betrekking hiertoe van mening dat voor een passende betrokkenheid van de EIB bij het investeringsplan de komende vijf jaar een substantiële verhoging van de plafonds voor de door de EIB verstrekte en opgenomen kredieten nodig zal zijn, om het balanstotaal van de EIB aanzienlijk op te trekken; is van mening dat een te groot hefboomeffect de doelstellingen van het investeringsplan zal ondergraven;

16.  is van mening dat de bevordering van het institutionele kader voor de werking van de interne kapitaalmarkt op positieve wijze zal bijdragen aan een snellere tenuitvoerlegging van het investeringsplan

17.  wijst er evenwel op dat in het huidige activiteitenplan van de EIB is voorzien in een beperking van de kredietstromen tot 67 miljard EUR in 2014 en 2015, terwijl het midden van de beoogde bandbreedte voor 2016 naar verwachting 58,5 miljard EUR zal bedragen;

18.  benadrukt dat de bijkomende kredietverstrekkingscapaciteit van de EIB als gevolg van de recente kapitaalverhoging met 10 miljard EUR, onderbenut is gebleven; dringt er bij de betrokken belanghebbenden op aan acties ter uitbreiding van de kredietverstrekking door de EIB zo goed mogelijk te bevorderen;

19.  verzoekt de Commissie multilaterale samenwerkingsverbanden tussen de EIB en de nationale ontwikkelingsbanken aan te moedigen om synergieën te bevorderen, risico's en kosten te delen en te zorgen voor passende kredietverlening voor EU-projecten met een positieve impact op de productiviteit, het scheppen van banen, milieubescherming en de kwaliteit van leven;

20.  verzoekt de Commissie en de EIB om aan investeringen met een duidelijke sociale waarde, waaronder hogere werkgelegenheid, een grotere plaats toe te kennen binnen de activiteiten van de EIB, via leningen activiteiten te stimuleren die de werkloosheid moeten verminderen, met bijzondere nadruk op het creëren van werkgelegenheid voor jongeren, en publieke en productieve investeringen en onontbeerlijke infrastructuurprojecten te steunen, met name in lidstaten met een hoge werkloosheid en een lager dan gemiddeld bbp;

21.  herhaalt zijn voorzichtige steun aan de ontwikkeling van publiek-private partnerschappen (PPP's) die, indien goed opgezet, een belangrijke rol kunnen spelen in investeringen op lange termijn, in de digitale economie, op het gebied van onderzoek en innovatie, menselijk kapitaal en Europese vervoers-, energie- of telecommunicatienetwerken; betreurt het dat gebrekkige PPP's geleid hebben tot een kostbaar systeem van overheidsfinanciering van de particuliere sector, met overheidsschuld als gevolg; wijst er bovendien op dat dergelijke activiteiten vaak gepaard gaan met een gebrek aan transparantie en asymmetrische informatie in de uitvoeringsclausules tussen de publieke en particuliere actoren, doorgaans ten voordele van de particuliere sector;

22.  stelt de EIB voor haar sectorale analysevaardigheden en macro-economische analyseactiviteiten te versterken;

Risicodelingsinstrumenten en projectobligaties

23.  wijst erop dat in risicodelingsinstrumenten waarbij uiteindelijk overheidssubsidies worden verstrekt, alleen mag worden voorzien als er sprake is van een gebrekkige marktwerking die externe kosten veroorzaakt, of voor de uitvoering van opdrachten van algemeen belang, bijvoorbeeld de verstrekking van publieke goederen en diensten van algemeen economisch belang, in het besef dat dit altijd een risico van socialisering van verliezen en privatisering van winsten inhoudt; merkt op dat dit betekent dat in geval van falen de overheid de verliezen moet dragen;

24.  wijst erop dat het gebruik van overheidsmiddelen voor risicodelingsinstrumenten, en meer specifiek voor eersteverliestranches van investeringsinstrumenten, expliciet moet worden gekoppeld aan een vermindering van de meetbare negatieve externe kosten, de totstandbrenging van meetbare positieve externe kosten of de uitvoering van openbaredienstverplichtingen en diensten van algemeen economisch belang; wijst erop dat artikel 14 van het VWEU een rechtsgrond biedt voor deze koppeling door middel van een gewoon wetgevingsvoorstel;

Kmo's

25.  benadrukt dat kmo's de ruggengraat van de Europese economie vormen, en als zodanig een hoofddoel voor investeringen moeten vormen; vindt het zorgwekkend dat de toegang tot financiering een van de nijpendste problemen blijft die kmo's in Europa ondervinden; onderstreept dat de financiële middelen efficiënter aan de kmo's moeten worden toegewezen, waarbij een brede groep particuliere beleggers die middelen ter beschikking stelt;

26.  dringt er bij de EIB op aan de daling van de financiering voor kmo's volledig te onderzoeken en met een uitgebreid plan te komen om ervoor te zorgen dat kmo's in heel Europa worden aangemoedigd om, waar dit mogelijk is, financiering onder auspiciën van de EIB aan te vragen; verzoekt de Commissie en de EIB de gevolgen van de economische crisis voor het bankwezen en de uiteindelijke begunstigden van EIB-financiering te beoordelen, met name ten aanzien van kmo's, de sociale economie en overheidsbedrijven; vraagt de EIB de gevolgen voor de reële economie en de resultaten van haar steun aan kmo's in Europa voor de jaren 2010-2014 te evalueren en er uitvoerig verslag over uit te brengen;

27.  vestigt de aandacht op het hoge percentage micro-ondernemingen in de Europese economie en is verheugd over de stappen die de EIB heeft gezet om in Europa kredieten toe te kennen in de vorm van microfinanciering; dringt aan op voortzetting van investeringen in deze sector vanwege het belang van micro-ondernemingen bij het scheppen van werkgelegenheid;

28.  wijst in het bijzonder op de reële voordelen van de toepassing van het risicodelingsmechanisme ter bevordering van de financiering van kmo's de en innovatie in Europa;

29.  neemt kennis van de grotere steun voor kmo's in de Europese Unie, die neerkwam op 21,9 miljard EUR, waardoor meer dan 230 000 kmo's toegang tot financiering kregen;

30.  verzoekt de EIB haar leencapaciteit voor kmo's en innovatieve starters verder te vergroten; wijst op het belang van versterking van andere EIB-instrumenten, zoals de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit;

31.  is verheugd over de uitvoering en de ontwikkeling van nieuwe activiteiten op het gebied van handelsfinanciering in de landen die getroffen zijn door de economische crisis, met name met de handelsfinancieringsfaciliteit voor kmo's of financiële oplossingen op maat, zoals de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor financiële inclusie; moedigt de EIB aan de voordelen van deze nieuwe instrumenten uit te breiden naar nieuwe begunstigden op Europees niveau;

32.  benadrukt dat in de evaluatie die de Commissie in december 2014 heeft uitgevoerd, rekening moet worden gehouden met zowel de negatieve als de positieve effecten van projecten in de proeffase van het PBI (initiatief inzake projectobligaties); acht het betreurenswaardig dat de EIB enkele infrastructuurprojecten heeft ondersteund die niet levensvatbaar en niet duurzaam zijn gebleken; is van mening dat de EIB moet investeren in projecten die tastbare economische resultaten opleveren, klimaatvriendelijk zijn en tegemoet komen aan de behoeften en de belangen van de bevolking die ermee moet worden gediend;

33.  betreurt de rol die door de EIB en de Commissie wordt gespeeld in het Castorproject, dat in het kader van het PBI wordt gefinancierd, met een risicobeoordeling waarin geen rekening is gehouden met het risico van toegenomen seismische activiteit als gevolg van de injectie van gas, ondanks het bestaan van studies waarin duidelijk voor de mogelijke gevaren wordt gewaarschuwd(8); dringt er bij de Commissie en de EIB op aan actie te ondernemen om te voorkomen dat Spaanse burgers via een groter begrotingstekort of via hogere energiekosten 1 300 miljoen EUR compensatie moet betalen voor een project dat op rampzalige wijze is beoordeeld; verzoekt de Commissie de aanbevelingen van de Europese Ombudsman te volgen en te onderzoeken of de beslissingen van de Spaanse regering over Castor zouden kunnen worden beschouwd als verboden staatssteun;

34.  betreurt het dat de EIB de rondweg "Passante di Mestre" heeft gefinancierd, nadat de Italiaanse autoriteiten de aanhouding van de ceo van de voornaamste onderaannemer wegens belastingfraude hadden bekendgemaakt; verzoekt de EIB om, gezien het nog lopende onderzoek van de Italiaanse autoriteiten naar het corruptieschandaal rond de aanleg en het beheer van de Passante di Mestre, dit project niet te financieren in het kader van het PBI of een ander financieel instrument, en ervoor te zorgen dat zij haar beleid van nul tolerantie van fraude uitvoert wanneer zij het gebruik van projectobligaties overweegt;

35.  verzoekt de EIB haar risicodragende capaciteit te vergroten door de kredietverstrekking te bevorderen aan de sectoren van de economie die de potentie hebben om groei en banen te genereren, maar moeite hebben om zonder goede garanties financiering te verkrijgen;

36.  vraagt daarom om een algemene beoordeling van de proefprojecten op basis van een inclusief en open raadplegingsproces met deelname van nationale en lokale overheidsinstanties; wijst er eveneens op dat bij de beoordeling van gefinancierde projecten moet worden nagegaan of is voldaan aan de voorwaarden inzake meerwaarde, milieu, productiviteit en werkgelegenheid; wijst erop dat het PBI zich nog in de proeffase bevindt; verzoekt voorts de Commissie om via de gewone wetgevingsprocedure een wetgevingsvoorstel in te dienen voor een beter kader voor de toekomstige strategie op het gebied van projectobligaties, inclusief een verbetering van de prestatie-indicatoren van de EIB met betrekking tot investeringen van hoge kwaliteit, om zowel de impact van de gefinancierde projecten in termen van externe kosten als het maatschappelijke en ecologische rendement ervan zo breed mogelijk te kunnen identificeren en meten;

37.  is bezorgd over de mogelijkheid dat PBI's over de hele linie worden gebruikt als een manier om de kosten voor privé-investeringen te verlagen, ofwel door lagere rentetarieven ofwel door socialisering van verliezen, in plaats van de beperktere insteek dat steun wordt verleend voor investeringen van algemeen belang waarbij privé-investeringen aantoonbaar onmisbare expertise of knowhow verschaffen die niet voorhanden is in de publieke sector;

Energie en klimaat

38.  verzoekt de EIB te zorgen voor een goede toepassing van haar nieuwe kredietverleningscriteria voor energieprojecten en periodiek en openbaar verslag uit te brengen over de toepassing van deze criteria;

39.  verzoekt de EIB haar investeringsinspanningen op te voeren met het oog op een significante beperking van haar koolstofvoetafdruk, en verzoekt haar te werken aan beleidsmaatregelen die de EU helpen haar klimaatdoelstellingen te bereiken; juicht het toe dat de EIB in 2015 een klimaatbeoordeling en een evaluatie van al haar activiteiten uitvoert en om publicatie van een en ander zal verzoeken, hetgeen wellicht tot een vernieuwd klimaatbeschermingsbeleid leidt; hoopt dat het energiebeleid van de EIB concreet zal worden geschraagd door haar prestatienorm voor emissies, die moet worden toegepast op alle projecten voor energieopwekking met behulp van fossiele brandstoffen, teneinde investeringen uit te filteren waarvan de verwachte koolstofemissies boven een drempelwaarde uitkomen; verzoekt de EIB de prestatienorm voor emissies voortdurend te toetsen en strengere verplichtingen op te leggen;

40.  juicht alle stappen van de EIB in de richting van een omschakeling naar hernieuwbare energie toe; vraagt een correctie van de regionale ongelijkheid in de kredietverlening voor energie uit hernieuwbare bronnen, in het bijzonder om projecten te steunen in lidstaten die afhankelijk zijn van niet-hernieuwbare energiebronnen, rekening houdend met de verschillen tussen de economieën van de lidstaten, en wenst dat in de toekomst meer aandacht wordt besteed aan kleinschalige, los van het net staande gedecentraliseerde projecten voor hernieuwbare energie waarbij burgers en gemeenschappen betrokken worden; is van mening dat dankzij deze energiebronnen de sterke afhankelijkheid van Europa van energie uit derde landen kan worden teruggedrongen, de voorzieningszekerheid wordt verbeterd en groene groei en het scheppen van groene banen een stimulans krijgen; onderstreept het belang van financiering van energie-efficiëntie, energienetwerken en daarmee verband houdend O&O;

41.  verzoekt de EIB het volume van haar kredietverlening voor projecten op het gebied van energie-efficiëntie in alle sectoren te vergroten, met name waar het gaat om procesoptimalisatie, kmo's, gebouwen en het stedelijk milieu; verzoekt de EIB overeenkomstig het cohesiebeleid prioriteit te geven aan sterk achtergestelde gebieden;

42.  dringt er bij de EIB op aan een evaluatieverslag in te dienen waarin de mogelijkheid wordt onderzocht van gefaseerde afschaffing van haar kredietverlening voor projecten op het gebied van niet-hernieuwbare energie;

Infrastructuur

43.  benadrukt dat investeringen in duurzame infrastructuurprojecten essentieel zijn voor het verbeteren van het concurrentievermogen en het herstel van de groei en de werkgelegenheid in Europa; wenst daarom dat de EIB-financiering naar de gebieden gaat die het meest te kampen hebben met hoge werkloosheid; wijst erop dat de EIB-financiering zich voornamelijk moet richten op landen die achterblijven wat betreft de kwaliteit en ontwikkeling van hun infrastructuur;

44.  stimuleert een sterkere gerichtheid op sociale duurzaamheid bij de activiteiten van de EIB op het gebied van stedelijke investeringen; merkt op dat de EIB-financiering voor sociale woningbouw is verbeterd, maar benadrukt dat in het kader van duurzame stadsvernieuwing meer onderzoek en activiteiten nodig zijn op het gebied van sociale duurzaamheid;

Onderzoek en innovatie

45.  juicht het toe dat de eerste activiteiten van het initiatief voor financiering van groei (GFI) van start zijn gegaan, en onderstreept het belang van een adequate financiering van onderzoeks- en innovatieprojecten en innovatieve starters;

Werkgelegenheid en sociale zaken

46.  neemt kennis van de start van het initiatief "Vaardigheden en banen - Investeren voor de jeugd" en vraagt de EIB met klem om de tenuitvoerlegging van dit initiatief te versnellen en na te denken over uitbreiding ervan;

Governance, transparantie en verantwoordingsplicht

47.  verzoekt de EIB de tenuitvoerlegging van projecten scherper te controleren, in samenwerking met de lidstaten, om te zorgen voor meer efficiëntie en een behoorlijk beheer van de toegewezen middelen;

48.  wijst erop dat de geografische verdeling van de door de EIB verstrekte financiering significante verschillen in de kredietverstrekking aan de verschillende lidstaten aan het licht brengt; verzoekt daarom de EIB de redenen voor dergelijke verschillen te bekijken en ervoor te zorgen dat de financiële instellingen in alle lidstaten volledig in staat zijn EIB-programma's te beheren en ten uitvoer te leggen; roept voorts op tot speciale voorlichtingscampagnes in alle lidstaten met als doel meer bekendheid te geven aan specifieke EIB-programma's; roept tevens op tot een sterkere samenwerking tussen de EIB en de nationale autoriteiten om de knelpunten aan te pakken die de ondertekening en uitvoering van EIB-projecten in de weg staan;

49.  herinnert eraan dat de Raad en het Parlement het erover een zijn dat de tijd rijp is om de rationalisatie van het stelsel van Europese financiële overheidsinstellingen te onderzoeken(9);

50.  dringt er bij de EIB op aan de onafhankelijkheid en de effectiviteit van haar dienst klachtenbehandeling te verbeteren; verzoekt de directie van de EIB de aanbevelingen van deze dienst over te nemen; verzoekt de EIB te adviezen van de Europese Ombudsman op te volgen en een betere samenwerking te betrachten, om situaties als het onderzoek naar de tegen de EIB ingediende klacht nr. 178/2014/AN te voorkomen(10);

51.  is van mening dat er nog steeds aanzienlijke manoeuvreerruimte bestaat voor het verbeteren van de transparantie en het beoordelen van de economische en sociale impact van de kredieten en de doeltreffendheid van de toepassing van het zorgvuldigheidsbeginsel; verzoekt de EIB nogmaals om nadere informatie over de manier waarop deze kwesties versneld zullen worden aangepakt, en verzoekt de EIB om samen met de Commissie een lijst van strenge criteria voor de selectie van deze financiële tussenpersonen vast te stellen en om deze lijst openbaar te maken;

52.  betreurt de uitkomst van de evaluatie van het transparantiebeleid van de EIB; constateert dat het nieuwe transparantiebeleid zwakker is dan het oorspronkelijke beleid en er niet in slaagt voorgoed een einde te maken aan de vroegere geheimhoudingscultuur van de EIB, dringt erop aan dat de EIB in haar werk uitgaat van principiële openbaarmaking in plaats van principiële vertrouwelijkheid; herinnert eraan dat de EIB verplicht is ervoor te zorgen dat haar transparantiebeleid in overeenstemming is met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie; betreurt het dat uit de index van 2013 inzake de transparantie van ontwikkelingshulp(11) blijkt dat de EIB pover presteert op het punt van transparantie en het afleggen van verantwoording;

53.  verzoekt de EIB zich te onthouden van samenwerking met financiële tussenpersonen die een negatieve reputatie hebben op het gebied van transparantie, belastingontduiking of praktijken van agressieve fiscale planning of andere schadelijke fiscale praktijken zoals "fiscale rulings" en misbruik van intragroep-facturering, fraude, corruptie of ecologische en sociale effecten, of die geen aanzienlijke plaatselijke eigen inbreng hebben, en haar beleid inzake witwassen en het bestrijden van de financiering van terrorisme bij te werken; onderstreept dat er behoefte is aan meer transparantie met betrekking tot de verlening van mondiale kredieten, om een grondig toezicht op de impact van dit soort indirecte kredietverlening te verzekeren; moedigt de EIB aan zowel directe financiering als financiering via intermediairs afhankelijk te stellen van de openbaarmaking van fiscaal relevante gegevens per land overeenkomstig de CRD IV-bepaling voor kredietinstellingen alsook van de openbaarmaking van informatie over de uiteindelijke begunstigden; verzoekt de EIB daartoe een nieuw beleid gericht op verantwoordelijke belastingheffing op te stellen, uitgaande van de evaluatie van haar beleid inzake niet-coöperatieve rechtsgebieden (NCJ-beleid) in 2015;

54.  dringt er bij de EIB op aan niet samen te werken met entiteiten die opereren vanuit rechtsgebieden met geheimhoudingsregelingen "die met name gekenmerkt [worden] door het ontbreken van belastingen of de toepassing van nominale belastingtarieven, een gebrek aan daadwerkelijke informatie-uitwisseling met buitenlandse belastingautoriteiten en het ontbreken van transparantie in wetgevings-, rechts- of bestuursbepalingen, of [zijn aangewezen] door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling of de financiële taskforce (...)"(12);

55.  dringt er bij de EIB op aan een leidende rol en voorbeeldfunctie te vervullen waar het gaat om fiscale transparantie en verantwoordelijkheid; verzoekt de EIB in het bijzonder nauwkeurige gegevens te verzamelen over de belastingbetalingen die voortvloeien uit haar investeringen en kredietverstrekking, met name over de belasting op ondernemingswinsten en in het bijzonder in ontwikkelingslanden, en deze gegevens jaarlijks te analyseren en te publiceren;

56.  is tevreden met de instelling in 2014 van een openbaar documentenregister overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1367/2006;

57.  betreurt het dat de EIB in de context van een recente zaak (Mopani/Glencore) weigert bekend te maken wat de bevindingen van haar interne onderzoek zijn; neemt aandachtig nota van de aanbevelingen van de Europese Ombudsman in klachtenprocedure 349/2014/OV(13) dat de EIB terugkomt op haar weigering om toegang te verlenen tot haar onderzoeksverslag over aantijgingen van belastingontduiking jegens Glencore in verband met de financiering van de Mopani-kopermijn in Zambia; vraagt de EIB aan de aanbevelingen van de Europese Ombudsman gevolg te geven;

58.  betreurt het gebrek aan verscheidenheid in het directiecomité, de Raad van gouverneurs en de raad van bestuur van de EIB, in het bijzonder wat genderevenwicht betreft; verzoekt de EIB de richtlijn kapitaalvereisten naar de geest uit te voeren, die in artikel 88, lid 2, banken ertoe verplicht om "[...] een streefcijfer vast [te stellen] voor de vertegenwoordiging van het ondervertegenwoordigde geslacht in het leidinggevend orgaan en [...] een beleid uit [te stippelen] om het aantal vertegenwoordigers van het ondervertegenwoordigde geslacht in het leidinggevend orgaan te vergroten en op die manier het streefcijfer te halen. Het streefcijfer, de beleidslijn en de uitvoering ervan worden bekendgemaakt [...]";

59.  herinnert eraan dat er is overeengekomen dat de gouverneur van de EBWO voor de Unie jaarlijks aan het Europees Parlement verslag uitbrengt over het kapitaalgebruik, de maatregelen voor transparantie over de wijze waarop de EBWO aan de doelstellingen van de Unie heeft bijgedragen, het nemen van risico's en de samenwerking tussen de EIB en de EBWO buiten de Unie; betreurt het dat de gouverneur en de Commissie niet proactief hebben gehandeld ten aanzien van de uitvoering van deze wettelijke bepaling(14);

60.  is tevreden over het feit dat de EIB het Internationaal Initiatief inzake transparantie van ontwikkelingshulp (IATI) heeft ondertekend en dienovereenkomstig is begonnen met de openbaarmaking van informatie over haar kredietverstrekking buiten de Europese Unie;

Extern beleid

61.  herinnert eraan dat het externe beleid van de EIB, met name de regionale technische operationele richtsnoeren, moet stroken met de doelstellingen van het externe optreden van de Unie overeenkomstig artikel 21 van het VEU; dringt aan op volledige naleving van de wetgeving van de begunstigde landen;

62.  is tevreden met de instelling van het kader voor resultatenmeting (Results Measurement Framework, REM) voor activiteiten buiten de EU en met de verslagen over de tenuitvoerlegging hiervan;

63.  verzoekt de EIB na te gaan of het mogelijk is de externe financiering voor de landen van de oostelijk nabuurschap en in het zuidelijke Middellandse-Zeegebied binnen het huidige mandaat te verhogen;

64.  juicht het toe dat de EIB overeenkomstig het nieuwe mandaat voor kredietverlening in derde landen voor de periode 2014-2020 verplicht is rapporten over de voltooiing van projecten te publiceren; verwacht van de EIB dat zij deze verplichting al in 2015 nakomt;

65.  verzoekt de Europese Rekenkamer nogmaals om vóór de tussentijdse evaluatie van het externe mandaat van de EIB een speciaal verslag op te stellen over de resultaten van de externe kredietverleningsactiviteiten van de EIB en de aansluiting daarvan op het EU-beleid en om de toegevoegde waarde daarvan af te zetten tegen de eigen middelen van de EIB; verzoekt de Rekenkamer tevens om in haar analyse te differentiëren tussen de uit de EU-begroting verleende garanties, de door het EOF gegarandeerde investeringsfaciliteit, de verschillende mengvormen die worden gebruikt in het kader van het EU-Afrika-trustfonds voor infrastructuur, het Caribisch investeringsfonds en de investeringsfaciliteit voor het Stille Oceaangebied, alsook het gebruik van terugvloeiende middelen voor deze investeringen; vraagt de Europese Rekenkamer in haar analyse ook in te gaan op het beheer door de EIB van de middelen die zij uit de EU-begroting ontvangt in de context van de investeringsfaciliteit via het Europees Ontwikkelingsfonds en via de verschillende mengvormen binnen gecombineerde EU-faciliteiten, en het gebruik van terugvloeiende middelen voor deze investeringen;

Verdere aanbevelingen

66.  wenst dat de EIB en het Parlement een platform opzetten voor een dialoog tussen de EIB en de relevante parlementaire commissies; vraagt in het verlengde hiervan dat de EIB elk kwartaal naar het Parlement komt om verslag uit te brengen over de voortgang en activiteiten van de EIB en deze te bespreken; stelt voor om een geregelde structurele dialoog tussen de president van de EIB en het Parlement op te zetten, vergelijkbaar met de monetaire dialoog die vier maal per jaar plaatsvindt tussen de ECB en het Parlement, om het parlementaire toezicht op de activiteiten van de EIB te verbeteren en versterkte samenwerking en coördinatie tussen de twee instellingen mogelijk te maken;

67.  wijst op de aanhoudende klachten van met name kleine ondernemingen over de geringe toegang tot financiering afkomstig van de externe leencapaciteit van de EIB, alsmede tot financiering van het EIF; verzoekt daarom om een jaarlijks overzicht van het aantal kmo's, met name micro-ondernemingen, dat van deze faciliteiten heeft geprofiteerd, en van de maatregelen die de EIB heeft genomen inzake het beleid van intermediairs waar de EIB gebruik van maakt om kmo's daadwerkelijk een betere toegang tot financiering te geven;

68.  pleit voor een grondige evaluatie van en een rapport over de risico's en controlesystemen in verband met gecombineerde financiering met de Europese Commissie, waarin de impact van gecombineerde activiteiten niet alleen wordt belicht vanuit de invalshoek van het toezicht, maar ook vanuit de governance-opties;

69.  is verheugd over de hoge kwaliteit van de activa van de EIB, met een aandeel probleemkredieten van bijna 0 % (0,2 %) van de totale kredietportefeuille; acht het van het grootste belang dat de EIB haar triple A-kredietstatus behoudt, zodat zij steeds onder optimale financieringsvoorwaarden toegang tot de internationale kapitaalmarkten heeft, met de daaruit voortvloeiende positieve gevolgen voor de duur van projecten, de belanghebbenden en het bedrijfsmodel van de EIB;

70.  wijst erop dat de in artikel 287, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genoemde tripartiete regeling voor de samenwerking tussen de EIB, de Commissie en de Rekenkamer inzake de controle door de Rekenkamer van de activiteiten die de EIB uitvoert in verband met het beheer van de middelen van de Unie en van de lidstaten, in 2015 hernieuwd zal worden; verzoekt de EIB de taakomschrijving van de Rekenkamer in dit verband te actualiseren en deze uit te breiden met alle nieuwe EIB-faciliteiten die werken met openbare middelen van de EU of van het Europees Ontwikkelingsfonds;

71.  vindt het verheugend dat de raad van bestuur van de EIB in 2013 een geactualiseerd beleid inzake fraudebestrijding heeft goedgekeurd, waarin de "zero tolerance"-aanpak van de bank wordt bevestigd;

72.  dringt aan op meer doelgerichtheid, minder regulering en meer flexibiliteit bij de toekenning van EIB-middelen;

73.  dringt er bij de EIB op aan deel te nemen aan een structureel communicatieproces met parlementen, regeringen en sociale partners, teneinde op reguliere basis de werkgelegenheidsinitiatieven te identificeren waarmee het concurrentievermogen van Europa duurzaam kan worden versterkt;

74.  is ingenomen met de steun die aan kmo's wordt verstrekt in regio's waar de jeugdwerkloosheid hoger is dan 25 %;

75.  is ingenomen met de focus op "midcaps" (ondernemingen met tussen 250 en 3 000 werknemers) door middel van het midcap-initiatief en het financieringsinitiatief voor groei, waarmee de leningverstrekking aan met name innovatieve midcaps wordt gestimuleerd;

76.  is ingenomen met het nieuwe initiatief van de EIB "Vaardigheden en banen - Investeren in de jeugd", dat zich richt op de financiering van voorzieningen voor beroepsopleiding en mobiliteit van studenten/leerlingen, teneinde jongeren duurzame arbeidskansen te bieden, en dringt aan op meer aandacht voor beroepsopleidingstrajecten en meer investeringen in dit leningenprogramma in de komende jaren; is evenwel van mening dat dit initiatief geen financiële middelen mag onttrekken aan het huidige beurzenstelsel, met name het Erasmus+-programma; benadrukt dat mobiliteit als een mogelijkheid moet worden beschouwd en vrijwillig moet blijven en geen instrument mag worden dat bijdraagt tot de ontvolking en marginalisering van gebieden die door werkloosheid worden getroffen; wil dat de aandacht uitgaat naar projecten die het mogelijk maken kwalitatief goede banen te scheppen, met bijzondere nadruk op projecten voor het scheppen van banen voor jongeren, de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te vergroten, de langdurige werkloosheid te verminderen en de kansen op werk voor achtergestelde groepen te verbeteren;

77.  is ingenomen met de uitgebreide ervaring van de EIB op het gebied van de financiering van onderwijs en opleiding door middel van studentenleningen die in heel Europa worden verstrekt, in het bijzonder nu de EIB-groep in 2015 daadwerkelijk van start gaat met de "Erasmus Master Mobile Student Loans Guarantees" (leninggaranties voor masterstudenten die in het buitenland studeren); benadrukt het belang van voordelige terugbetalingsregelingen, zodat leningen volledig en eenvoudig toegankelijk zijn voor alle studenten, ongeacht hun economische achtergrond;

78.  dringt er bij de EIB op aan om bij de selectie van haar projecten op basis van de drie-pijler-evaluatiemethode bijzondere aandacht te besteden aan het bij de eerste pijler ondergebrachte criterium, namelijk de bijdrage aan groei en werkgelegenheid; onderstreept het belang van banen, opleiding en leerlingplaatsen voor jongeren met het oog op de overgang naar een duurzaam model dat werkgelegenheid creëert;

79.  herinnert aan de toezegging van vicevoorzitter Katainen om het potentieel van de EIB niet alleen op het gebied van infrastructuur, maar ook op het gebied van jeugdwerkgelegenheid en onderwijs te vergroten, en verzoekt de EIB om in haar volgende jaarverslag uiteen te zetten welke vooruitgang op dit terrein is geboekt; is van mening dat reeds in gang gezette maatregelen ten behoeve van de jeugdwerkgelegenheid sneller ten uitvoer gelegd en geleidelijk uitgebreid dienen te worden;

80.  is van mening dat de EIB in aanzienlijke mate moet investeren in maatregelen die duurzame banen voor de jongere generaties opleveren, in aanvulling op de maatregelen die reeds in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief zijn doorgevoerd;

o
o   o

81.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de EIB en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 72 E van 11.3.2014, blz. 51.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0057.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0201.
(4) PB C 349 E van 29.11.2013, blz. 27.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0161.
(6) PB L 177 van 7.7.2012, blz. 1.
(7) PB L 280 van 27.10.2011, blz. 1.
(8) Zie: Observatori de l’Ebre (CSIC, URLL). Evaluación de Impacto Ambiental (SGEA/SHG; Ref.: GAD/13/05) -‘Almacenamiento subterráneo de gas natural Amposta (Permiso Castor) Tarragona); IAM 2109-07 - Estudio elaborado por la Dirección General de Política Ambiental y Sostenibilidad del Departamento de Medio Ambienta y Vivienda de la Generalitat de Catalunya sobre el estudio de impacto ambiental del Proyecto de almacén subterráneo de gas natural Castor’; en Simone Cesca, Francesco Grigoli, Sebastian Heimann, Álvaro González, Elisa Buforn, Samira Maghsoudi, Estefania Blanch y Torsten Dahm (2014): ‘The 2013 September–October seismic sequence offshore Spain: a case of seismicity triggered by gas injection?’, Geophysical Journal International, 198, 941–953.
(9) Overweging 8 van Besluit nr. 1219/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de inschrijving door de Europese Unie op nieuwe aandelen in het kapitaal van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) ingevolge het besluit dit kapitaal te verhogen (PB L 313 van 26.11.2011, blz. 1).
(10) Besluit van de Europese Ombudsman als afsluiting van het onderzoek naar klacht 178/2014/AN tegen de Europese Investeringsbank - http://www.ombudsman.europa.eu/cases/decision.faces/en/58171/html.bookmark
(11) http://newati.publishwhatyoufund.org/2013/index-2013/results/
(12) Overweging 13 van Besluit nr. 1219/2011/EU.
(13) http://www.ombudsman.europa.eu/cases/draftrecommendation.faces/en/58471/html.bookmark
(14) Artikel 3 van Besluit nr. 1219/2011/EU.


Expo Milano 2015 : Voedsel voor de planeet, energie voor het leven
PDF 197kWORD 90k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 april 2015 over de expo 2015 in Milaan: Voedsel voor de planeet, energie voor het leven (2015/2574(RSP))
P8_TA(2015)0184B8-0360/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het besluit van het Internationaal Tentoonstellingsbureau om van 1 mei t/m 30 oktober 2015 een wereldtentoonstelling te organiseren over het onderwerp "Voedsel voor de planeet, energie voor het leven",

–  gezien het besluit van de Commissie van 3 mei 2013 over de deelname van de Commissie aan de wereldtentoonstelling 2015 in Milaan (C(2013)2507),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 3 mei 2013, getiteld "Deelname van de EU aan de wereldtentoonstelling 2015 in Milaan, met als thema "Voedsel voor de planeet, energie voor het leven"" (COM(2013)0255),

–  gezien de werkzaamheden van de wetenschappelijke stuurgroep van de Europese Unie, gesteund door de Commissie en het Parlement en ingesteld op 21 maart 2014 om deskundig advies te geven over de uitdagingen van voedsel- en voedingszekerheid en richtsnoeren te formuleren voor het programma van evenementen op de expo 2015,

–  gezien de millenniumontwikkelingsdoelstellingen die in september 2000 zijn vastgesteld door de Verenigde Naties en de ontwerpdoelen voor duurzame ontwikkeling die door de volgende Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in september 2015 moeten worden goedgekeurd,

–  gezien de publicatie "De mondiale landbouw in 2030/2050: de herziening van 2012" van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO),

–  gezien het feit dat 2014 door de FAO was uitgeroepen tot Internationaal Jaar van de gezinslandbouw,

–  gezien het feit dat 2015 door de FAO is uitgeroepen tot Internationaal Jaar van de bodem,

–  gezien zijn resolutie van 18 januari 2011 over de erkenning van de landbouw als sector die van strategisch belang is voor de voedselzekerheid(1),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2012 over het voorkomen van voedselverspilling: strategieën voor een doelmatiger voedselvoorzieningsketen in de EU(2),

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 en in het bijzonder artikel 25, dat het recht op voeding erkent als onderdeel van het recht op een behoorlijke levensstandaard,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de Expo Milano 2015: Voedsel voor de planeet, energie voor het leven (O-000016/2015 – B8-0109/2015),

–  gezien de door de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling ingediende ontwerpresolutie,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat "Voedsel voor de planeet, energie voor het leven" het thema van Expo Milano 2015 is en dat dit evenement een forse impuls kan geven aan het debat over de verbetering van de voedselproductie en -distributie, de aanpak van voedselverspilling, de bevordering en verdere ontwikkeling van de reeds bestaande positieve initiatieven rond the problematiek van voedselonzekerheid, ondervoeding en slechte diëten en het vinden van een evenwicht tussen aanbod en consumptie;

B.  overwegende dat het thema van Expo Milano 2015 de mogelijkheid biedt om na te denken en te debatteren over diverse manieren om te proberen oplossingen te vinden voor de tegenstrijdigheden van een gemondialiseerde wereld, waar enerzijds volgens gegevens van de FAO 898 miljoen ondervoede mensen honger lijden en anderzijds 1,4 miljard mensen te kampen hebben met overgewicht, waarvan er 500 miljoen zwaarlijvig zijn – een situatie die tot maatschappelijke en economische schade leidt en in sommige gevallen dramatische gevolgen heeft voor de menselijke gezondheid;

C.  overwegende dat Expo Milano2015 samenvalt met zowel het streefjaar van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MOD's) als het door de VN uitgeroepen Internationaal Jaar van de bodem en dat dit evenement een inspiratiebron zou moeten zijn voor het debat over de nieuwe doelen voor duurzame ontwikkeling, waarvan het definitieve ontwerp zich momenteel in de onderhandelingsfase bevindt en dat landbouw en voedsel- en voedingszekerheid als centrale thema's heeft;

D.  overwegende dat de thema's van de expo 2015 in Milaan hoofdzakelijk betrekking hebben op voedsel, met inbegrip van visserij, een thema dat net als landbouw verband houdt met voedsel, onafhankelijkheid op het gebied van de voedselvoorziening en duurzaamheid;

E.  overwegende dat in het kader van Expo Milano 2015 wordt gewerkt aan een "Handvest van Milaan", een document dat zal worden overhandigd aan de secretaris-generaal van de VN als erfenis van de wereldtentoonstelling 2015 en bijdrage aan het internationale debat over de MOD's;

F.  overwegende dat de thema's van Expo Milano 2015 voornamelijk betrekking hebben op de landbouwsector, die een hoeksteen van de economie van de Unie blijft, gezien het feit dat de export van landbouwproducten twee derde van de totale buitenlandse handel uitmaakt, dat de EU de grootste exporteur van landbouwproducten ter wereld blijft en dat de EU-voedingsindustrie een jaarlijkse omzet genereert van bijna een biljoen EUR en aan meer dan 4 miljoen mensen werk biedt;

G.  overwegende dat visserij net als landbouw een belangrijk onderdeel is van de economie, ten eerste wat betreft de invoer, aangezien de EU de grootste importeur wereldwijd is van visserij- en aquacultuurproducten en de invoerwaarde 4,1 miljard EUR per jaar bedraagt, en ten tweede omdat 116 094 mensen werkzaam zijn in de visserijsector, 85 000 in de aquacultuursector en 115 651 in de visverwerkingssector;

H.  overwegende dat 'Voedsel voor de planeet, energie voor het leven' een mondiaal thema is, dat alle economische en productieactiviteiten omvat die bijdragen aan de waarborging van voeding en duurzaamheid;

I.  overwegende dat de visserijsector moet worden betrokken bij het debat over voedsel voor de planeet aangezien zij in vis, schaal- en schelpdieren voorziet, waarbij zij streeft naar evenwicht tussen aanbod en consumptie;

J.  overwegende dat de wetenschappelijke stuurgroep van de EU voor Expo Milano 2015 voorspelt dat er nieuwe kennis vergaard zal moeten worden op bepaalde specifieke gebieden en dat er door middel van onderwijs en voorlichting meer begrip bij het grote publiek moet worden gekweekt over voeding en voedselproductie binnen de landbouw- en visserijsector en de blauwe economie, zodat mensen de wereldwijde gevolgen van hun eigen voedingskeuzen onder ogen zien;

K.  overwegende dat de ervaring van het maatschappelijk middenveld en zijn bijdrage aan het debat over vraagstukken in verband met Expo Milano 2015 cruciaal zijn en dat de ervaringen en initiatieven van maatschappelijke organisaties moeten worden aangemoedigd om een grondig internationaal debat op gang te brengen en richtsnoeren op te stellen om de wereldwijde crises rond voedsel en voeding in te dammen;

L.  overwegende dat gezonde bodems niet alleen de basis vormen voor de productie van voedsel, brandstof, vezels en medische producten, maar ook essentieel zijn voor onze ecosystemen, omdat zij een fundamentele rol spelen in de koolstofcyclus, en daarnaast ook water opslaan en filteren en helpen bij het tegengaan van overstromingen en droogte;

M.  overwegende dat onze oceanen, zeeën en binnenwateren van grote waarde zijn voor een gezonde voeding, en dat de bescherming daarvan voor ons van levensbelang is; overwegende dat 10 tot 12 % van de wereldbevolking werkzaam is in de visserij en aquacultuur;

N.  overwegende dat het platform Open Expo met het oog op de volledige transparantie van Expo Milano 2015 openlijk alle informatie over het beheer, de organisatie en het verloop van het evenement publiceert hetgeen kan worden beschouwd als een goed voorbeeld van transparantie;

O.  overwegende dat de FAO schat dat de groei van de wereldbevolking van 7 naar 9,1 miljard tot 2050 een toename van de voedselvoorziening van 70 % zal vergen, maar dat volgens dezelfde prognoses productiestijgingen alleen niet zullen volstaan om voedselzekerheid voor iedereen te garanderen;

P.  overwegende dat het aantal mensen dat honger lijdt, volgens de FAO in 2010 925 miljoen bedroeg en dat meer dan een derde van de sterfte onder kinderen jonger dan vijf jaar toe te schrijven is aan ondervoeding;

Q.  overwegende dat volgens de schatting van de FAO het landbouwareaal dat in gebruik is, tegen 2050 met slechts 4,3 % zal zijn toegenomen;

R.  overwegende dat de stijging van het inkomen per hoofd van de bevolking in opkomende landen een verschuiving in het eetpatroon teweegbrengt naar producten met een hoger proteïnegehalte, inclusief proteïnen van dierlijke oorsprong, en verwerkte producten, waarbij wereldwijd een convergentie van de voedingspatronen naar het model van rijkere bevolkingen in de hand wordt gewerkt;

S.  overwegende dat de productie van eiwitten een van de grootste uitdagingen vormt voor de voedselzekerheid, en dat in dit verband daarom een belangrijke rol is weggelegd voor visserij en voor de blauwe economie als geheel, met name wat het algenonderzoek betreft;

T.  overwegende dat vis een belangrijke bron van eiwitten en micronutriënten is voor verarmde gemeenschappen die moeilijk toegang hebben tot andere voedingsbronnen; overwegende dat mensen in grote delen van de wereld op lokaal niveau met mariene hulpbronnen in hun levensonderhoud en voedingsbehoeften voorzien, binnen gemeenschappen die in kust- en binnenwateren dicht bij hun woonplaats vissen;

U.  overwegende dat diëten die voor een groot deel uit dierlijke producten bestaan, duidelijk meer hulpbronnen verbruiken dan diëten die veel plantaardige producten omvatten;

V.  overwegende dat de landbouw banen en middelen van bestaan oplevert voor meer dan 70 % van de beroepsbevolking, voornamelijk vrouwen, in ontwikkelingslanden; overwegende dat de Wereldbank ervan uitgaat dat groei in de landbouwsector tweemaal zo doeltreffend is voor het terugdringen van armoede als groei in andere sectoren;

W.  overwegende dat volgens de FAO in 2012 zo'n 58,3 miljoen mensen actief waren in de primaire sector van de visvangst en aquacultuur; overwegende dat vrouwen meer dan 15 % uitmaakten van alle mensen die in 2012 rechtstreeks in de primaire visserijsector actief waren; overwegende dat over het algemeen 10 tot 12 % van de wereldbevolking met visserij en aquacultuur in zijn levensonderhoud voorziet;

X.  overwegende dat er in de EU gebieden zijn waar voedselonzekerheid heerst en dat er in de EU nog steeds 79 miljoen mensen onder de armoedegrens leven, terwijl 124,2 miljoen mensen, ofwel 24,8 %, het risico lopen van armoede of sociale uitsluiting, tegenover 24,3 % in 2011;

Y.  overwegende dat slechts de helft van alle ontwikkelingslanden (62 van de 118) op schema ligt bij de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen;

Z.  overwegende dat het recht op voedsel en goede voeding een cruciale rol speelt bij het halen van de MOD's; overwegende dat voeding is gekoppeld aan de meeste, zo niet alle, MOD's, die op hun beurt onderling sterk verweven zijn;

AA.  overwegende dat verschillende internationale rechtsinstrumenten het recht op voedsel verbinden met andere mensenrechten, zoals het recht op leven, middelen van bestaan, gezondheid, eigendom, onderwijs en water;

AB.  overwegende dat het aandeel van de officiële ontwikkelingshulp (ODA) dat wereldwijd aan de landbouw wordt toegewezen, de afgelopen dertig jaar zeer sterk is afgenomen;

AC.  overwegende dat met het begrip voedsel- en voedingszekerheid niet alleen de beschikbaarheid van levensmiddelen wordt bedoeld, maar ok het recht op voedsel, nauwkeurige informatie over wat we eten, en een universele, duurzame toegang tot gezonde voeding, die weer andere factoren als sanitaire voorzieningen, hygiëne, inenting en ontworming omvat;

AD.  overwegende dat honger en ondervoeding de voornaamste oorzaken zijn van sterfte bij de mens en de grootste bedreiging vormen voor wereldwijde vrede en veiligheid;

AE.  overwegende dat schommelende levensmiddelenprijzen een ongunstige invloed hebben op de voedselzekerheid en de voedselvoorzieningsketen;

AF.  overwegende dat door de wereldwijde economische teruggang en de stijgende voedsel- en brandstofprijzen de voedselvoorziening in talrijke ontwikkelingslanden is verslechterd, met name in de minst ontwikkelde landen, waardoor de vooruitgang van de laatste 10 jaar op het vlak van de armoedebestrijding voor een deel teniet is gedaan;

AG.  overwegende dat de broze markten voor landbouw- en visserijproducten in ontwikkelingslanden de voedselvoorziening buitengewoon kwetsbaar maken voor natuurrampen, conflicten en volksgezondheidscrises;

AH.  overwegende dat het voedselsysteem zowel bijdraagt aan als lijdt onder de klimaatverandering, met gevolgen voor de beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen en de voorwaarden voor landbouw- en industriële productie en visserij;

AI.  overwegende dat natuurrampen die worden veroorzaakt door de klimaatverandering, een grote impact hebben op de EU-lidstaten en daarbuiten, met gevaar voor de voedselzekerheid en de voedselsoevereiniteit, vooral in situaties waar reeds sprake is van kwetsbaarheid;

AJ.  overwegende dat de Commissie schat dat 30 % van de levensmiddelen wereldwijd verloren gaat of verspild wordt en dat de jaarlijkse voedselverspilling in de Europese Unie, die nu ongeveer 89 miljoen ton of 179 kilo per persoon bedraagt, tot 2020 zal stijgen naar ongeveer 126 miljoen ton, een toename van 40 %, tenzij er preventieve maatregelen worden genomen;

AK.  overwegende dat een beter beheer van de voedselvoorzieningsketen zou leiden tot een efficiënter bodemgebruik en beter waterbeheer, gunstige effecten zou sorteren op de hele landbouw- en visserijsector wereldwijd en ook de strijd tegen ondervoeding en malnutritie in ontwikkelingslanden vooruit zou helpen;

AL.  overwegende dat het teruggooien van vis een nutteloze verspilling van kostbare, levende rijkdommen is die een grote rol speelt bij van de daling van de visstand; overwegende dat het teruggooien van vis een aantal negatieve milieueffecten heeft voor mariene ecosystemen, omdat dit veranderingen teweegbrengt in de algehele structuur van voedselketens en habitats, wat een bedreiging vormt voor de houdbaarheid van de visserij zoals die momenteel wordt bedreven;

AM.  overwegende dat honger, malnutritie en ondervoeding bestaan naast paradoxale aantallen gevallen van obesitas en ziektes die zijn toe te schrijven aan onevenwichtige eetgewoonten en sociale en economische gevolgen hebben met een soms dramatisch effect op de gezondheid;

AN.  overwegende dat investerings- en handelsovereenkomsten een nadelig effect kunnen hebben op de voedselzekerheid en kunnen leiden tot ondervoeding, indien door verpachting of verkoop van landbouwgrond aan particuliere investeerders de plaatselijke bevolking de toegang wordt ontnomen tot de productiebronnen die onmisbaar zijn voor hun levensonderhoud, of grote hoeveelheden voedsel worden geëxporteerd en op internationale markten worden verkocht, waardoor het gastland sterker afhankelijk wordt van - en kwetsbaarder wordt voor - schommelingen van de grondstoffenprijzen op de internationale markten;

AO.  overwegende dat er niet op duurzame wijze een einde kan worden gemaakt aan de honger door alleen maar voldoende voedsel voor iedereen te verstrekken, maar dat dit alleen lukt als kleine boeren en vissers in staat worden gesteld om de grond en wateren te behouden en te bewerken, eerlijke handelssystemen in stand worden gehouden en kennis, innovatie en duurzame praktijken worden gedeeld;

AP.  overwegende dat de fundamentele rol moet worden erkend die landbouwers en vissers, en met name de gezinsbedrijven in de landbouw en visserij, spelen met het oog op het garanderen van de mondiale voedselveiligheid;

AQ.  overwegende dat het bijzonder belangrijk is te erkennen dat vissers en vistelers een essentiële rol spelen voor onze Europese kustgebieden en eilanden;

AR.  overwegende dat het multifunctionele aspect van de land-, bosbouw en visserij moet worden erkend, omdat deze sector naast de productie van levensmiddelen een cruciale rol speelt voor het algemeen welzijn, dat zich uitdrukt in landschapskwaliteit, biodiversiteit, stabiliteit van het klimaat, oceaankwaliteit en het temperen van natuurrampen als overstromingen, droogte en branden;

1.  onderstreept dat de volgende punten essentieel zijn om de uitdaging die de voedselzekerheid inhoudt, te kunnen aangaan: een sterke, duurzame landbouw- en visserijsector in de EU, een florerende, gediversifieerde plattelandseconomie, een schoon milieu en agrarische familiebedrijven, ondersteund door een stabiel, eerlijker, internationaal duurzaam en adequaat gefinancierd gemeenschappelijk landbouwbeleid;

2.  onderstreept hoe belangrijk het is een duurzaam en voldoende gefinancierd GVB te voeren en coherentie te waarborgen tussen het handels- en visserijbeleid in de EU;

3.  is van mening dat ecologische duurzaamheid alleen kan worden gerealiseerd en dat de inspanningen op het gebied van aanpassing aan en afzwakking van de klimaatverandering alleen kunnen slagen, als er sprake is van economische duurzaamheid voor de landbouwbedrijven en de landbouwers toegang hebben tot grond, krediet en opleiding;

4.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan het thema van de wereldtentoonstelling 2015 in Milaan "Voedsel voor de planeet, energie voor het leven" in te zetten om verplichtingen te formuleren waaraan moet worden voldaan om inhoud te geven aan het recht op goede, gezonde, duurzame en weloverwogen voeding;

5.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het "EU-paviljoen" op de expo 2015 de bezoekers doet beseffen dat er dringende problemen in de gehele voedselvoorzieningsketen moeten worden aangepakt, waaronder het op termijn in stand houden van de productie, distributie en consumptie van levensmiddelen, dat de voedselverspilling moet worden tegengegaan en dat actie moet worden ondernomen tegen verkeerde voeding, slechte eetgewoonten en obesitas;

6.  onderstreept dat het recht op voedsel een fundamenteel mensenrecht is en alleen kan worden gegarandeerd als alle mensen toegang hebben tot geschikte, veilige en voedzame levensmiddelen, om te voorzien in hun voedselbehoeften voor een actief en gezond leven;

7.  onderstreept dat de toegang tot voedsel een voorwaarde is om de armoede en ongelijkheid te kunnen verminderen en de MOD's te verwezenlijken;

8.  benadrukt dat de strijd tegen ondervoeding en het verlenen van universele toegang tot adequate voedzame voeding een van de belangrijkste doelstellingen op de agenda voor de periode na 2015 moet zijn in het kader van het streven naar beëindiging van honger, met een specifieke oproep om tot 2030 een einde te maken aan alle vormen van ondervoeding;

9.  is van mening dat grotere schommelingen op de voedselmarkten problemen opleveren voor de duurzaamheid en ons nopen tot intensiever optreden ten behoeve van de zekerheid van de voedselvoorziening en de ecologische duurzaamheid van de voedselproductie, en wel door de schaarste aan natuurlijke hulpbronnen tegen te gaan en onderzoek en innovatie in de landbouw en visserij te bevorderen;

10.  is van mening dat met een adequaat kader op institutioneel gebied en op het gebied van regelgeving en monitoring een omgeving kan worden bevorderd voor de ontwikkeling van robuuste, duurzame, billijke, betaalbare en gediversifieerde marktsystemen voor de landbouw en visserij;

11.  dringt er bij de Commissie op aan dat zij toeziet op consistentie tussen de politieke besluiten van haar directoraten-generaal voor handel, landbouw en visserij, om wederkerigheid op het gebied van hygiëne- en duurzaamheidsnormen te kunnen waarborgen;

12.  is van mening dat kleinschalige landbouw en biologische landbouw met een hoge natuurwaarde of met aanplant van bomen moeten worden bevorderd als modellen die bijzonder effectief zijn om duurzaamheid te realiseren in de mondiale voedselproductie;

13.  verzoekt de Commissie efficiëntere agronomische praktijken te bevorderen, zoals de agro-ecologische en op diversifiëring gerichte benadering en een verbeterd hulpbronnenbeheer voor duurzame landbouw, teneinde de inputkosten voor de landbouwproductie en de verspilling van nutriënten te verminderen, de kennis- en innovatieoverdracht te vergroten, de efficiënte omgang met hulpbronnen te bevorderen en de verscheidenheid aan gewassen en de duurzaamheid binnen landbouwsystemen te verhogen;

14.  verzoekt de Commissie steun te verlenen voor onderzoek op het gebied van de kwaliteit van kustwateren, grondbeheer en duurzame intensivering door bevordering van een efficiënter gebruik van voedingsstoffen, water en energie, een grotere focus op het behoud van watervoorraden en bodemrijkdommen, verdere aanpassing van biologische maatregelen voor de bestrijding van plagen (geïntegreerde gewasbescherming, IPM) en bevordering van onderzoek om de opbrengsten te verbeteren en tegelijk de milieu-impact te verminderen;

15.  toont zich bezorgd over de opkomst van het verschijnsel landroof en de gevolgen ervan voor de voedselzekerheid in ontwikkelingslanden en de toekomst van de landbouw en de boeren;

16.  maakt zich zorgen over de wereldwijde opkomst van illegale visserij, die zeer schadelijke effecten heeft op het milieu, de biodiversiteit en de economie;

17.  verzoekt de Commissie de lidstaten bewust te maken van en aan te moedigen tot het gebruik van de hulpbron grond volgens het principe van duurzaamheid, aangezien dit nodig is voor de realisatie van voedselzekerheid en behoorlijke voeding, aanpassing aan en verlichting van de klimaatverandering en een duurzame ontwikkeling in het algemeen;

18.  onderstreept dat het belangrijk is bodemdegradatie, die de armoede en de voedselonzekerheid nog verergert, aan te pakken;

19.  verzoekt de Commissie de mondiale tenuitvoerlegging van de facultatieve richtsnoeren voor verantwoord beheer van bodemgebruik, visserij en bosbouw van de VN-FAO aan te moedigen, zowel bij investeerders als bij de doellanden;

20.  verzoekt de Italiaanse regering projecten voor te stellen en ontwikkelen voor een duurzaam hergebruik van de expo 2015-locaties;

21.  verzoekt de Commissie zich in te zetten voor het wereldwijd verwezenlijken van de doelstellingen van de FAO ter ondersteuning van de ontwikkeling van beleidsmaatregelen op landbouw-, milieu- en sociaal gebied die bevorderlijk zijn voor duurzame gezinslandbouw;

22.  benadrukt dat de huidige onevenwichtigheden in de voedselvoorzieningsketen de duurzaamheid van de voedselproductie in gevaar brengen, en dringt aan op meer transparantie en eerlijkheid in deze keten en de afschaffing van oneerlijke handelspraktijken en andere marktverstoringen, teneinde een billijke opbrengst voor de boeren te garanderen, alsmede eerlijke winsten en prijzen in de gehele voedselvoorzieningsketen en een renderende landbouwsector die voor voedselzekerheid zorgt; verzoekt de Commissie bijgevolg alle nodige stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat deze doelstellingen zo spoedig mogelijk worden gehaald;

23.  acht het nodig dat de Commissie en de lidstaten beleid bevorderen om op te treden tegen oneerlijke praktijken, waarvan het bestaan is erkend in het kader van het forum op hoog niveau van de Commissie, met het oog op de verbetering van de voedselvoorzieningsketen;

24.  onderstreept dat omwille van de voedselzekerheid krachtig moet worden opgetreden tegen het verlies van land en het opgeven van minderwaardige landbouwgronden;

25.  benadrukt dat krachtig moet worden opgetreden tegen illegale visserij om voedselzekerheid te garanderen;

26.  onderstreept dat plattelandsontwikkeling een centrale rol speelt voor de economische en sociale groei van de gebieden in kwestie en wenst dat er steun wordt verleend aan jonge landbouwers;

27.  verzoekt de Commissie te werken aan een ambitieuze internationale overeenkomst waarin voedsel als remmende factor voor klimaatverandering wordt opgenomen, met het oog op de internationale discussies in het kader van de 21st conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering dit jaar in Parijs;

28.  verzoekt de Raad de rol te erkennen die de hele landbouwsector zowel bij het temperen van de klimaatverandering als bij de aanpassing eraan speelt;

29.  verzoekt de Commissie voedselverspilling met ambitieuze, duidelijk geformuleerde en bindende doelstellingen te bestrijden en de lidstaten aan te sporen actie te ondernemen tegen voedselverspilling op elk niveau van de voedselvoorzieningsketen, van akker tot bord;

30.  spoort de lidstaten aan burgers voor te lichten, optimale werkmethoden te stimuleren en te verspreiden, analyses uit te voeren en sociale campagnes en campagnes in de scholen te lanceren over voedselverspilling en over het belang van een gezond, evenwichtig dieet, bij voorkeur met producten van de plaatselijke landbouw, waarbij 2016 moet worden uitgeroepen tot Europees Jaar tegen voedselverspilling;

31.  vindt het belangrijk om een dialoog aan te gaan met de belanghebbenden om ervoor te zorgen dat onverkochte, veilige en nog eetbare levensmiddelen stelselmatig ter beschikking worden gesteld aan liefdadigheidsorganisaties;

32.  spoort de lidstaten en de Commissie ertoe aan om, te beginnen in de laagste schoolklassen, gezonde en bewuste voeding en kwaliteits- en duurzaamheidsnormen voor voeding verder te bevorderen via onderzoek en voorlichting - aanmoedigen van een verantwoorde en gezonde levensstijl - en meer beleid te ontwikkelen voor het uitbannen van verkeerde voeding en slechte eetpatronen en het voorkomen van obesitas;

33.  onderstreept hoe belangrijk het is om opvoeding tot gezonde en evenwichtige voeding te stimuleren en meer bekendheid te geven aan en reclame te maken voor lokale producten en traditionele eetgewoonten;

34.  wijst er met klem op dat het hele voedselsysteem, waarvan de landbouw een onderdeel is, samen met het handels-, het gezondheids-, het onderwijs-, het klimaat- en het energiebeleid, moet functioneren vanuit een benadering waarin de mensenrechten centraal staan, met de Unie als voorvechter;

35.  dringt er daarom op aan de genderdimensie en de bevordering van zelfredzaamheid van vrouwen op te nemen in alle beleidsmaatregelen die zijn gericht op de bestrijding van voedselonzekerheid;

36.  wijst er andermaal op hoe belangrijk het is de landbouw en visserij in de ontwikkelingslanden te bevorderen en een adequaat deel van de officiële ontwikkelingshulp (ODA) van de EU voor de landbouwsector uit te trekken; vindt het betreurenswaardig dat de ontwikkelingshulp die naar de landbouw gaat, sinds de jaren tachtig dramatisch is verlaagd, en is verheugd dat er wordt erkend dat die tendens moet worden omgekeerd;

37.  acht het belangrijk de situatie van vrouwen in de landbouw te verbeteren, met name in de ACS-landen (Afrika, Caribisch gebied, Stille Oceaan), omdat is gebleken dat de empowerment van en investeringen in vrouwen op het platteland leidt tot een significante toename van de productiviteit en tot een vermindering van de honger en de ondervoeding;

38.  verzoekt de lidstaten en de Commissie de voorkeur te geven aan samenwerkingsprogramma's op het gebied van microkrediet die bedoeld zijn ter ondersteuning van kleine, ecologisch duurzame teelten voor de voeding van de plaatselijke bevolking;

39.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad en de commissarissen van de deelnemende lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de wereldtentoonstelling 2015 in Milaan.

(1) PB C 136 E van 11.5.2012, blz. 8.
(2) PB C 227 E van 6.8.2013, blz. 25.


Situatie in Nigeria
PDF 188kWORD 82k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 april 2015 over de situatie in Nigeria (2015/2520(RSP))
P8_TA(2015)0185RC-B8-0370/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Nigeria en in het bijzonder zijn meest recente plenaire debat over de kwestie op 14 januari 2015,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, onder meer die van 8 januari, 19 januari, 31 maart, en 14 en 15 april 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad van 9 februari 2015,

–  gezien de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 583/2014 van de Commissie van 28 mei 2014(1) waarin Boko Haram wordt toegevoegd aan de lijst van personen, groepen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen worden bevroren,

–  gezien de vijfde ministeriële dialoog tussen Nigeria en de EU in Abuja op 27 november 2014,

–  gezien de voorlopige conclusies van de verkiezingswaarnemingsmissies van de EU en het Europees Parlement,

–  gezien de regionale conferentie over veiligheid van 20 januari 2015 in Niamey,

–  gezien de verklaringen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Ban Ki-moon, over het aanhoudende geweld en de verslechterende veiligheidssituatie in het noordoosten van Nigeria,

–  gezien de verklaringen van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten over de mogelijkheid om leden van Boko Haram aan te klagen wegens oorlogsmisdaden,

–  gezien de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging van 1981,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van 1981, dat op 22 juni 1983 door Nigeria werd geratificeerd,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, dat op 29 oktober 1993 door Nigeria werd geratificeerd,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien de op 29 mei 1999 aangenomen grondwet van de Federale Republiek Nigeria, en met name de bepalingen in hoofdstuk IV,

–  gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) en het bijbehorende facultatief protocol,

–  gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (de "Overeenkomst van Cotonou"),

–  gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarin is vastgelegd dat in al het extern beleid van de EU rekening moet worden gehouden met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Nigeria het meest dichtbevolkte land met de grootste etnische verscheidenheid in Afrika is en dat het gekenmerkt wordt door regionale en religieuze verdeeldheid en een tweedeling tussen het noorden en het zuiden met grote economische en maatschappelijke ongelijkheden;

B.  overwegende dat Nigeria de grootste economie van het Afrikaanse continent en een belangrijke handelspartner van de EU is; overwegende evenwel dat Nigeria, ondanks zijn vele rijkdommen, behoort tot de landen waar de ongelijkheid het grootst is in de wereld, aangezien meer dan 70% van de bevolking van minder dan 1,25 US-dollar per dag moet rondkomen, terwijl 10% van de bevolking van het land meer dan 90% van de rijkdommen en hulpbronnen controleert;

C.  overwegende dat de aanslagen van Boko Haram tussen 3 en 8 januari 2015 Baga en 16 omliggende steden en dorpen als doelwit hadden, wat (zoals uit satellietbeelden valt op te maken) geleid heeft tot de vernietiging van bijna 3 700 gebouwen en de dood van duizenden mensen;

D.  overwegende dat Boko Haram een aantal steden in het noordoosten van Nigeria heeft ingenomen en burgers blijft dwingen zich bij hen aan te sluiten, waaronder een groot aantal kinderen; overwegende dat het door Boko Haram veroorzaakte geweld sinds 2009 meer dan 22 000 mensenlevens heeft gekost, en zonder onderscheid gericht is tegen christenen, moslims en iedereen die geen aanhanger is van haar dogmatische en extreme overtuigingen; overwegende dat Boko Haram in maart 2015 trouw heeft gezworen aan de groepering Islamitische Staat; overwegende dat er op 27 maart 2015 honderden lichamen zijn gevonden in de noordoostelijke stad Damasak, blijkbaar van slachtoffers van de opstand van Boko Haram;

E.  overwegende dat in april 2014 meer dan 270 meisjes zijn ontvoerd uit een openbare school in Chibok (deelstaat Borno); overwegende dat de meeste van deze meisjes nog steeds vermist zijn en een ernstig risico lopen het slachtoffer te worden van seksueel geweld, slavernij en gedwongen huwelijken; overwegende dat er sindsdien nog honderden mensen door Boko Haram zijn ontvoerd; overwegende dat er op 28 april 2015 bijna 300 meisjes en vrouwen gered zijn in het Sambisa-bos;

F.  overwegende dat de VN schatten dat door het geweld in de deelstaten Borno, Yobe en Adamawa 1,5 miljoen mensen, waaronder 800 000 kinderen, ontheemd zijn geraakt en dat meer dan 3 miljoen mensen zijn getroffen door de opstand;

G.  overwegende dat meer dan 300 000 Nigerianen naar het noordwesten van Kameroen en het zuidwesten van Niger zijn gevlucht om aan het geweld te ontsnappen, en overwegende dat honderden Nigerianen hun leven riskeren op de migratieroutes naar de EU, in de hoop op betere economische en sociale leefomstandigheden en grotere veiligheid;

H.  overwegende dat Boko Haram als doel heeft een volledig islamitische staat in het noorden van Nigeria op te richten, met invoering van sharia-rechtbanken, en Westers onderwijs te verbieden;

I.  overwegende dat vanwege de toenemende onveiligheid, boeren niet langer hun land kunnen bebouwen of hun gewassen kunnen oogsten uit angst om door leden van Boko Haram te worden aangevallen, waardoor de voedselonzekerheid nog verder toeneemt;

J.  overwegende dat het aantal aanvallen, waaronder met kinderen die als zelfmoordterroristen worden ingezet, toeneemt, en overwegende dat de aanvallen in een groot gebied plaatsvinden, en ook in de buurlanden Tsjaad en Kameroen;

K.  overwegende dat de aanvankelijke respons van de Nigeriaanse autoriteiten volkomen ontoereikend was en onder de bevolking een gevoel van wantrouwen jegens de overheidsinstellingen heeft veroorzaakt; overwegende dat Nigeriaanse soldaten, onder het bewind van de voormalige regering, op grote schaal mensen gevangen hebben gezet en hun toevlucht hebben genomen tot buitengerechtelijke executies en vele andere schendingen van het internationaal recht;

L.  overwegende dat het feit dat de opstand van Boko Haram doorwerkt in de buurlanden onderstreept hoe belangrijk een grotere regionale samenwerking en respons zijn;

M.  overwegende dat Nigeria een sleutelrol speelt in de regionale en Afrikaanse politiek en via de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) een van de drijvende krachten achter regionale integratie is;

N.  overwegende dat de aardolie-opbrengsten gestaag zijn gedaald en er een economische crisis dreigt, en overwegende dat volgens bepaalde schattingen jaarlijks tussen de 3 en 8 miljard US-dollar aan Nigeriaanse olie wordt gestolen; overwegende dat door tientallen jaren van economisch wanbestuur, instabiliteit en corruptie, investeringen in het onderwijsstelsel en het stelsel van sociale diensten zijn belemmerd;

O.  overwegende dat onderwijs, geletterdheid, vrouwenrechten, sociale rechtvaardigheid en een eerlijke verdeling van de overheidsinkomsten over de samenleving via belastingstelsels, het terugdringen van de ongelijkheid en de strijd tegen corruptie en belastingontduiking essentiële elementen zijn voor de bestrijding van fundamentalisme, geweld en intolerantie;

P.  overwegende dat terrorisme wereldwijd een bedreiging vormt, maar dat de inspanningen van de internationale gemeenschap om meer te ondernemen tegen Boko Haram in Nigeria tot op zekere hoogte afhankelijk waren van de vraag in hoeverre de verkiezingen geloofwaardig, verantwoordbaar en transparant zouden zijn;

Q.  overwegende dat Nigeria een nog jonge, kwetsbare democratie is, die na de verkiezingen van 2011 met extreem geweld te maken kreeg en waar beschuldigingen van stemfraude zijn geuit;

R.  overwegende dat de onafhankelijke nationale verkiezingscommissie (INEC) de verkiezingen van 14 en 28 februari 2015 heeft uitgesteld tot 28 maart en 11 april 2015, om de regering in staat te stellen militaire acties tegen Boko Haram te starten, en overwegende dat een regionale respons in maart 2015 is gestart;

S.  overwegende dat het leger van Tsjaad, samen met Niger en Kameroen, de belangrijkste troepenmacht vormt die tegen Boko Haram vecht, en overwegende dat de volledige betrokkenheid van dat leger in de strijd tegen de terroristen van Boko Haram in Gamboru Ngala, Malam Fatouri en Kangalam in Nigeria bevestigd is; overwegende dat dit leger erkenning verdient voor de hoge prijs die het betaalt voor zijn rol in de oorlog tegen het terrorisme; overwegende dat het Europees Parlement zijn volledige solidariteit betuigt aan de gewonden en de nabestaanden van de slachtoffers;

T.  overwegende dat de verkiezingscampagne in een gespannen sfeer plaatsvond met meldingen van aan de verkiezingen gerelateerde incidenten in alle delen van het land, in het bijzonder in het zuiden en het zuidwesten, naast aanvallen van Boko Haram ter ontmoediging van kiezers, schendingen van campagnevoorschriften en beïnvloeding van kiezers;

U.  overwegende dat de lokale en internationale waarnemers, waaronder waarnemers van de EU, tekortkomingen in het systeem opmerkten, met name bij het tellen van de stemmen, alsmede machtsmisbruik en gebruik van geweld; overwegende dat er evenwel geen systematische manipulatie werd waargenomen;

V.  overwegende dat de EU op verzoek van de regering een langetermijn-verkiezingswaarnemingsmissie naar het land heeft gestuurd, die ook een delegatie van het Europees Parlement omvatte; overwegende dat de Afrikaanse Unie, het Gemenebest van Naties en ECOWAS eveneens dergelijke missies hebben gestuurd;

W.  overwegende dat de presidentskandidaat van de oppositiepartij All Progressives Congress (APC), generaal Muhammadu Buhari, op 31 maart 2015 tot winnaar van de verkiezingen is uitgeroepen en de zittende president zijn nederlaag zonder protest heeft erkend; overwegende dat de oppositiepartij APC in vier van de zes geopolitieke zones de meeste stemmen in de verkiezingen voor het presidentschap en voor de senaat en het huis van afgevaardigden heeft behaald;

X.  overwegende dat er minder vrouwen zijn gekozen dan in 2011, toen de trend ook al negatief was;

Y.  overwegende dat 17% van de meisjes vóór hun 15e is gehuwd, en dat deze cijfers in de noordwestelijke regio oplopen tot 76%; overwegende dat Nigeria het grootste absolute aantal gevallen van vrouwelijke genitale verminking ter wereld kent, met name ongeveer een kwart van de naar schatting 115 tot 130 miljoen slachtoffers in de wereld;

1.  veroordeelt met klem het aanhoudende en steeds zorgwekkendere geweld, met inbegrip van de aanhoudende golf van aanslagen met vuurwapens en bommen, zelfmoordaanslagen, seksuele slavernij en ander seksueel geweld, ontvoeringen en andere geweldsdaden door de terreurorganisatie Boko Haram tegen civiele, regerings- en militaire doelen in Nigeria, die geleid hebben tot duizenden doden en gewonden en honderdduizenden ontheemden, en die kunnen worden beschouwd als misdaden tegen de menselijkheid;

2.  betreurt het afslachten van onschuldige mannen, vrouwen en kinderen, en schaart zich achter de Nigeriaanse bevolking in haar vastberaden strijd om alle vormen van terrorisme in het land uit te roeien; prijst het werk en de moed van alle journalisten en mensenrechtenverdedigers die het extremisme van Boko Haram en de onschuldige slachtoffers van het geweld dat hieruit voortvloeit onder de aandacht van de wereld willen brengen;

3.  herinnert eraan dat een jaar geleden 276 meisjes op een school buiten Chibok werden ontvoerd en dat volgens mensenrechtenorganisaties nog eens minstens 2 000 meisjes en vrouwen zijn ontvoerd; verzoekt de regering en de internationale gemeenschap alles in het werk te stellen om de ontvoerden te vinden en te bevrijden;

4.  verzoekt de nieuwgekozen president zijn campagnebeloftes gestand te doen en alles in het werk te stellen om een eind te maken aan het geweld van Boko Haram, de stabiliteit en veiligheid in het hele land te herstellen en de achterliggende oorzaken van het terrorisme aan te pakken, en met name harder op te treden tegen de interne corruptie, het wanbeheer en de inefficiëntie binnen de overheidsdiensten en het leger, die ertoe hebben geleid dat deze niet in staat zijn op te treden tegen de gesel van Boko Haram in het noorden van het land, alsmede maatregelen te treffen om Boko Haram af te snijden van zijn illegale inkomstenbronnen door middel van samenwerking met de buurlanden, met name wat betreft smokkel en illegale handel;

5.  verzoekt de Nigeriaanse religieuze autoriteiten en leiders actief met het maatschappelijk middenveld en de overheid samen te werken om het extremisme en de radicalisering te bestrijden;

6.  roept de nieuwe Nigeriaanse autoriteiten tevens op een routekaart vast te stellen voor de sociale en economische ontwikkeling van de noordelijke en zuidelijke deelstaten om de armoede en de ongelijkheid alsmede de gebrekkige onderwijsmogelijkheden en toegang tot gezondheidszorg aan te pakken en door middel van decentralisering een eerlijke verdeling te bevorderen van de aardolie-inkomsten, die een van de oorzaken van het toenemende geweld vormen; roept de Nigeriaanse autoriteiten eveneens op ernstige stappen te ondernemen om een einde te maken aan vrouwelijke genitale verminking, kindhuwelijken en kinderarbeid; vraagt de EU al haar middelen in te zetten om deze maatregelen te bevorderen, en om illegale geldstromen en belastingontduiking en -ontwijking op doeltreffende wijze een halt toe te roepen, en de democratische internationale samenwerking in belastingzaken te verbeteren;

7.  is ingenomen met de vastberadenheid van de 13 landen die op 20 en 21 januari 2015 aan de regionale top in Niamey hebben deelgenomen, en met name met de toezegging van militaire hulp van Tsjaad om samen met Kameroen, Niger en Nigeria de strijd aan te gaan met de terroristische dreiging van Boko Haram; dringt aan op versterking van deze regionale respons, met gebruikmaking van alle beschikbare instrumenten en met volledige inachtneming van het internationaal recht; roept ECOWAS met name op tot de voortzetting van de concrete uitvoering van haar nieuwe terrorismebestrijdingsstrategie, met bijzondere aandacht voor de bestrijding van grensoverschrijdende illegale stromen van wapens en strijders, en sluikhandel; wijst er verder op dat zonder deze samenwerking het geweld waarschijnlijk zal aanhouden, waardoor de vrede en de stabiliteit in de hele regio worden ondermijnd; wijst in dit verband op het feit dat Boko Haram trouw heeft gezworen aan de groepering Islamitische Staat, en op de noodzaak om verdere coördinatie of samenwerking tussen de twee terreurorganisaties en de uitbreiding van deze bedreiging te verhinderen;

8.  is ingenomen met de initiatieven van de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie en verzoekt de Afrikaanse Unie zo spoedig mogelijk concrete maatregelen te nemen, samen met alle betrokken landen, om de strijd tegen terroristische groeperingen in het Sahelgebied te coördineren; verzoekt de Europese Unie de totstandbrenging van regionale conflictbeheersmechanismen, zoals de Afrikaanse Stand-bytroepenmacht (ASF), te ondersteunen, alsook de mogelijkheid om gebruik te maken van de Vredesfaciliteit voor Afrika en de EU-instrumenten voor crisisbeheersing;

9.  dringt er bij de internationale gemeenschap op aan meer te doen om de Nigeriaanse regering te helpen Boko Haram te bestrijden en de onderliggende oorzaken van terrorisme aan te pakken, daar alleen een wereldwijde respons een definitief einde kan maken aan geweld en fundamentalisme;

10.  verzoekt de EU en haar lidstaten uitvoering te geven aan hun toezegging om Nigeria en zijn bevolking uitgebreide politieke, humanitaire en ontwikkelingssteun te bieden door de dreiging van Boko Haram aan te pakken en de ontwikkeling van het land te waarborgen; spoort de EU ertoe aan haar politieke dialoog met Nigeria in het kader van artikel 8 van de herziene Overeenkomst van Cotonou voort te zetten en in die context kwesties te behandelen rond de universele mensenrechten, waaronder de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst en overtuiging alsmede het verbod op discriminatie op welke grond ook, zoals die zijn vastgelegd in universele, regionale en nationale mensenrechteninstrumenten;

11.  verzoekt de internationale gemeenschap tevens om de Nigeriaanse vluchtelingen in buurlanden bij te staan; dringt er bij de EU-lidstaten op aan onverwijld een geloofwaardig en alomvattend Europees systeem op te zetten om de migratieroutes van Afrika beneden de Sahara naar het Midden-Oosten en Noord-Afrika te beheren, de landen van herkomst, zoals Nigeria, duurzame ontwikkelingsoplossingen te bieden en een einde te maken aan de menselijke tragedies die op deze routes plaatsvinden;

12.  roept de EU tevens op onderzoek te doen naar de financiering van Boko Haram en de transparantie van de handel in alle natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van aardolie, aan de orde te stellen, om te voorkomen dat conflicten door bedrijven verder worden aangewakkerd; roept de Nigeriaanse autoriteiten en buitenlandse ondernemingen ertoe op bij te dragen aan een verbeterd bestuur in de winningsindustrie door zich te houden aan het initiatief voor transparantie in de winningsindustrie en de bedragen die ondernemingen overmaken aan de Nigeriaanse regering te publiceren;

13.  is van mening dat de Nigeriaanse regering het recht en de verantwoordelijkheid heeft om haar bevolking te beschermen tegen terrorisme, maar benadrukt dat dergelijke acties moeten worden uitgevoerd met inachtneming van de mensenrechten en de rechtsstaat;

14.  verzoekt om een grondig onderzoek naar vermoedelijke mensenrechtenschendingen, waaronder buitengerechtelijke executies, foltering, willekeurige arrestatie en aan afpersing gerelateerd misbruik, en is van mening dat dergelijke acties niet kunnen worden gerechtvaardigd als middel om de dreiging die uitgaat van Boko Haram of andere terroristische organisaties te bestrijden; is van mening dat het rechtssysteem van Nigeria zo snel mogelijk moet worden hervormd met het oog op een doeltreffende strafrechtspleging om terrorisme te bestrijden, en dat ook hervormingen van de Nigeriaanse nationale veiligheidstroepen nodig zijn;

15.  benadrukt dat gewonde soldaten een passende behandeling moeten krijgen, en dat meisjes en vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van verkrachting in een gewapend conflict toegang moeten krijgen tot het volledige scala aan seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten, waaronder abortus, in door de EU gefinancierde humanitaire faciliteiten, overeenkomstig het gemeenschappelijke artikel 3 van de Verdragen van Genève, waarin alle nodige medische zorg voor gewonden en zieken, zonder nadelig onderscheid, wordt gewaarborgd;

16.  feliciteert generaal Muhammad Buhari met de overwinning in de presidentsverkiezingen namens het All Progressives Congress (APC) en verder al diegenen - van alle partijen - die een zetel hebben veroverd in de senaat of het huis van afgevaardigden of die tot gouverneur of tot lid zijn verkozen van de assemblees van de deelstaten (State Houses of Assembly); prijst de kandidaten die hun nederlaag ruimhartig hebben toegegeven, in eerste instantie de zittende president Goodluck Jonathan, en is er verheugd over dat alle politieke partijen en kandidaten blijvend gecommitteerd zijn aan vreedzame verkiezingen, en spoort hen aan de resultaten zonder geweld te blijven aanvaarden;

17.  prijst de Nigeriaanse bevolking om haar democratische enthousiasme en participatie tijdens het hele verkiezingsproces en verzoekt de Nigeriaanse autoriteiten om zich nog meer in te zetten voor goed bestuur en voor democratische instellingen met een grotere verantwoordingsplicht; is van mening dat de machtsoverdracht via de stembus wijst op een verdieping van de democratie in Nigeria die als model kan dienen voor andere Afrikaanse landen;

18.  is verheugd over het feit dat de INEC voor een - gezien de omstandigheden - redelijk geloofwaardig, transparant en eerlijk verkiezingsproces heeft kunnen zorgen, ondanks de interne en externe problemen en de druk waarmee het te kampen had, en is met name verheugd over de inclusie van personen met een handicap;

19.  spoort slachtoffers aan hun bezwaren via de officiële geschilbeslechtingsmechanismen aan te kaarten en verzoekt de Nigeriaanse regering alle bezwaren volledig en op geloofwaardige wijze te onderzoeken en de mogelijkheid van rechtsherstel te bieden; verzoekt de EU de ontwikkeling van dergelijke mechanismen te ondersteunen;

20.  verzoekt de Nigeriaanse regering de deelname van vrouwen aan het openbare en politieke leven te bevorderen;

21.  herhaalt zijn oproep om de antihomowet en de doodstraf af te schaffen;

22.  verzoekt de Nigeriaanse autoriteiten noodmaatregelen te nemen in de Nigerdelta, onder meer maatregelen om een einde te maken aan illegale oliegerelateerde activiteiten, en degenen die aan verontreiniging zijn blootgesteld te helpen; verzoekt de EU en haar lidstaten technische expertise en middelen te verstrekken om het gebied te helpen herstellen; vraagt alle bedrijven die in de regio actief zijn, de strengste internationale normen te hanteren en af te zien van acties die een negatieve impact kunnen hebben op het milieu en de plaatselijke gemeenschappen;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Nigeria, de vertegenwoordigers van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten en de Afrikaanse Unie.

(1) PB L 160 van 29.5.2014, blz. 27.


De zaak Nadia Savchenko
PDF 166kWORD 66k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 april 2015 over de zaak Nadiya Savchenko (2015/2663(RSP))
P8_TA(2015)0186RC-B8-0406/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Rusland en Oekraïne, met name de resoluties over de moord op de Russische oppositieleider Boris Nemtsov en de toestand van de democratie in Rusland van 12 maart 2015(1) , en over de toestand in Oekraïne van 15 januari 2015(2),

–  gezien de verklaring van 4 maart 2015 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over de voortdurende detentie van Nadiya Savchenko,

–  gezien het "Complex van maatregelen ter uitvoering van de akkoorden van Minsk" dat op 12 februari 2015 in Minsk werd overeengekomen en ondertekend en in zijn geheel werd bekrachtigd bij Resolutie 2202 (2015) van de VN-Veiligheidsraad van 17 februari 2015,

–  gezien de verklaring van de EU van 16 april 2015 over ontvoering en onwettige detentie van Oekraïense burgers door de Russische Federatie,

–  gezien de bepalingen van internationaal humanitair recht en in het bijzonder het Derde Verdrag van Genève over de behandeling van krijgsgevangenen van 12 augustus 1949,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de president van Oekraïne, de voorzitter van de Europese Raad en de voorzitter van de Europese Commissie na afloop van de 17e top EU-Oekraïne, waarin zij aandrongen op spoedige vrijlating van alle gijzelaars en onwettig gedetineerden onder wie Nadiya Savchenko,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de pro-Russische militanten van de zgn. "Volksrepubliek Loehansk" op 18 juni 2014 in de oostelijke Oekraïne luitenant Nadiya Savchenko, militair vlieger en voormalig officier van de Oekraïense strijdkrachten, op Oekraïens grondgebied hebben ontvoerd, vastgehouden en vervolgens illegaal naar de Russische Federatie hebben overgebracht;

B.  overwegende dat mevrouw Savchenko, geboren in 1981, een eervolle militaire carrière achter de rug heeft: zij was namelijk de enige vrouwelijke militair bij de Oekraïense vredestroepen in Irak en de eerste vrouw die zich heeft aangemeld voor de vliegeropleiding van de Oekraïense luchtmacht, en ook heeft zij als vrijwilliger deelgenomen aan de strijd in het oostelijk deel van Oekraïne in het Aidar Battalion, waarbij zij gevangen werd genomen;

C.  overwegende dat de onderzoekscommissie van Rusland op 24 april 2015 een definitieve aanklacht uitbracht tegen Nadiya Savchenko (medeplichtigheid bij moord op twee of meer personen, medeplichtigheid bij poging tot moord op twee of meer anderen en illegale overschrijding van de Russische grens);

D.  overwegende dat Nadiya Savchenko lid is van de Verkhovna Rada en van de Oekraïense delegatie bij de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (PVRE); overwegende dat de PVRE-commissie voor reglement, immuniteiten en institutionele zaken heeft bevestigd dat zij immuniteit geniet; overwegende dat de Russische Federatie weigert de diplomatieke immuniteit van Nadiya Savchenko als lid van de Verkhovna Rada te erkennen; overwegende dat de internationale gemeenschap tal van pogingen heeft ondernomen om de vrijlating van Nadiya Savchenko te bewerkstelligen, zoals met de PVRE-resolutie 2034 (2015) waarin werd gevraagd om haar onmiddellijke vrijlating en om respectering van haar parlementaire immuniteit als lid van de Oekraïense delegatie bij de PVRE;

E.  overwegende dat de Russische Federatie in de Minsk-akkoorden instemde met de uitwisseling van alle politieke gevangenen en onwettig gedetineerde personen volgens het allen-voor-allen-principe, welke uitwisseling uiterlijk op de vijfde dag na de terugtrekking van de zware wapens had moeten zijn voltooid; overwegende dat Nadiya Savchenko bij meerdere gelegenheden amnestie kreeg aangeboden op voorwaarde dat zij schuld zou bekennen;

F.  overwegende dat Nadiya Savchenko al meer dan drie maanden in hongerstaking is uit protest tegen haar onwettige detentie; overwegende dat zij aan onvrijwillige psychiatrische onderzoeken en behandeling werd onderworpen; overwegende dat de rechters in Moskou haar verzoeken om opheffing van haar voorlopige hechtenis hebben afgewezen; overwegende dat haar gezondheidstoestand inmiddels is verslechterd; overwegende dat de EU en enkele lidstaten hun oprechte humanitaire verontrusting hieromtrent hebben laten blijken; overwegende dat er op de VN-mensenrechtenraad en het Internationale Rode Kruis meermaals een beroep is gedaan om de vrijlating van Nadiya Savchenko te bewerkstelligen;

1.  dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van Nadiya Savchenko; spreekt zijn veroordeling uit over de wijze waarop de Russische Federatie Nadiya Savchenko illegaal heeft ontvoerd, bijna een jaar heeft vastgehouden en onderzoek tegen haar instelt; verlangt dat de Russische autoriteiten hun internationale toezeggingen van de Minsk-akkoorden nakomen, en met name het "Complex van maatregelen ter uitvoering van de akkoorden van Minsk"; stelt dat Rusland geen rechtsgrond of rechtsmacht heeft om zulke actie tegen Nadiya Savchenko te ondernemen als detentie, onderzoek of beschuldiging;

2.  beschouwt de detentie van Nadiya Savchenko als krijgsgevangene in een Russische gevangenis als schending van het verdrag van Genève; onderstreept dat degenen die verantwoordelijk zijn voor haar onwettige detentie in Rusland internationale sancties riskeren of andere juridische consequenties;

3.  herinnert de Russische autoriteiten eraan dat mevrouw Savchenko in een uiterst wankele gezondheidstoestand verkeert en dat zij rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor haar veiligheid en welzijn; roept de Russische autoriteiten op om onpartijdige internationale artsen bij Nadiya Savchenko toe te laten en erop toe te zien dat medische of psychologische onderzoeken alleen met haar toestemming plaatsvinden, en te denken aan de consequenties als zij nog veel langer in hongerstaking blijft; roept Rusland op internationale humanitaire organisaties permanent bij haar toe te laten;

4.  dringt aan op onmiddellijke vrijlating van alle andere Oekraïense burgers zoals de Oekraïense filmregisseur Oleg Sentsov en Khaizer Dzhemilev, die ook onwettig in Rusland worden vastgehouden;

5.  vraagt de president van Frankrijk en de bondskanselier van Duitsland, en de respectieve ministers van buitenlandse zaken, om de kwestie van de vrijlating van Nadiya Savchenko ter sprake te brengen in de volgende vergadering van de contactgroep voor de uitvoering van de Minsk-akkoorden binnen het Normandië-formaat; vraagt de VV/HV, de Commissie en de EDEO de zaak Nadiya Savchenko nauwlettend te blijven volgen en in de diverse formaten en besprekingen met Russische autoriteiten aan de orde te blijven stellen, en het Parlement van het resultaat van deze inspanningen op de hoogte te houden;

6.  wijst erop dat vrijlating van Nadiya Savchenko niet alleen een nodige stap betekent voor verbetering van de betrekkingen tussen Rusland met Oekraïne maar ook blijk zou geven van eerbiediging en erkenning van de fundamentele mensenrechten van de zijde van de Russische autoriteiten;

7.  herinnert eraan dat Nadiya Savchenko bij de algemene parlementsverkiezingen van oktober 2014 in het Oekraïens parlement werd gekozen, en dat zij deel uitmaakt van de Oekraïense delegatie bij de PVRE, en als zodanig internationale immuniteit geniet; herinnert Rusland aan zijn internationale verplichting haar immuniteit als lid van de PVRE te respecteren;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de lidstaten, de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie, de president, de regering en het parlement van Oekraïne en de voorzitter van de parlementaire vergaderingen van de Raad van Europa.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0074.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0011.


De situatie in het vluchtelingenkamp Yarmoek in Syrië
PDF 172kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 april 2015 over de situatie in het vluchtelingenkamp Yarmouk in Syrië (2015/2664(RSP))
P8_TA(2015)0187RC-B8-0373/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het internationale humanitaire recht,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Syrië,

–  gezien de verklaring van 10 april 2015 van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) en de commissaris voor humanitaire hulp en crisisbeheer over de situatie in Yarmouk, Syrië,

–  gezien de verklaring van 18 april 2015 van de VV/HV namens de Europese Unie, over de situatie in het Palestijnse vluchtelingenkamp Yarmouk in Syrië,

–  gezien de resoluties 2139 (2014), 2165 (2014) en 2191 (2014) van de VN-Veiligheidsraad,

–  gezien artikel 135, lid 5 en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat IS/Da'esh het Palestijnse vluchtelingenkamp in Yarmouk op 1 april 2015 heeft aangevallen; overwegende dat het regime-Assad de beschietingen en luchtbombardementen op het kamp als reactie op de IS-aanval heeft voortgezet en dat er in het kamp hevige straatgevechten hebben plaatsgevonden tussen gewapende anti-Assad-oppositiegroepen, met aan de ene kant Aknaf Bait al-Makdis en aan de andere kant IS/Da'esh en Jabhat al-Nusra; overwegende dat op 16 april 2015 Palestijnse militaire eenheden, met de steun van Syrische rebellen, de IS/Da'esh-strijders hebben gedwongen het kamp te verlaten; overwegende dat de terugtrekking van IS/Da'esh tot gevolg heeft dat Jabhat al-Nusra, een afdeling van al-Qaeda, grotendeels de controle over het kamp krijgt;

B.  overwegende dat Yarmouk, het grootste Palestijnse vluchtelingenkamp in Syrië, dat in 1957 werd opgericht om mensen op te vangen die het Arabisch-Israëlische conflict ontvluchtten, verzeild is geraakt in een strijd tussen de Syrische regering en gewapende groeperingen als Jabhat al-Nusra en het Vrije Syrische Leger; overwegende dat er vóór het Syrische conflict meer dan 160 000 burgers in het kamp woonden en dat dat er nu nog slechts 18 000 zijn;

C.  overwegende dat de 480 000 Palestijnse vluchtelingen een zeer kwetsbare groep blijven vormen in de crisis in Syrië; overwegende dat zij verspreid zijn over meer dan 60 kampen in de regio; overwegende dat 95 % van de Palestijnse vluchtelingen momenteel afhankelijk is van de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) om te kunnen voorzien in hun dagelijkse behoefte aan voedsel, water en gezondheidszorg;

D.  overwegende dat de burgerbevolking in het kamp Yarmouk sinds december 2012 wordt belegerd en onderworpen aan willekeurige bombardementen en beschietingen door het regime-Assad, en nu nog steeds in het kamp vastzit; overwegende dat volgens de UNRWA 18 000 Palestijnse en Syrische burgers in Yarmouk, waaronder 3 500 kinderen, dringend behoefte hebben aan de meest elementaire humanitaire hulp;

E.  overwegende dat er een permanente gezondheidscrisis in het kamp heerst, aangezien er sprake was van een tyfusepidemie in 2014 en hepatitis A en watergerelateerde ziekten endemisch zijn, evenals ondervoeding, met alle bekende gevolgen van dien;

F.  overwegende dat de VN-Veiligheidsraad alle partijen in de Syrische burgeroorlog verzocht heeft om humanitaire toegang tot het kamp Yarmouk te verlenen en om de humanitaire hulp zonder belemmeringen toe te laten tot het kamp;

G.  overwegende dat de Commissie onmiddellijke noodfinanciering ten belope van 2,5 miljoen EUR heeft uitgetrokken voor UNRWA-operaties om de Palestijnse vluchtelingen in Syrië levensreddende bijstand te bieden in de vorm van contanten en noodhulpgoederen;

H.  overwegende dat voorts in het kader van de humanitaire EU-financiering voor Syrië in 2015 steun zal worden vrijgemaakt voor een snelle humanitaire respons om in de behoeften van kwetsbare families te voorzien; overwegende dat deze financiering is bestemd voor alle door het conflict getroffen delen van Syrië, met specifieke aandacht voor de recente geweldzones in Yarmouk, Idlib, Dara'a en Aleppo;

I.  overwegende dat het feit dat het Syrische regime en andere strijdende partijen de humanitaire toegang tot de vluchtelingen in het kamp van Yarmouk blijven weigeren in strijd is met het internationale humanitaire recht; overwegende dat het vermogen van de UNRWA om levensreddende noodhulp te bieden, in reactie op spoedeisende ontwikkelingen zoals die in Yarmouk, ernstig wordt ondermijnd door een chronisch gebrek aan financiering voor humanitaire interventies binnen Syrië;

1.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de voortdurende verslechtering van de veiligheids- en humanitaire situatie in Syrië, met name in het Palestijnse vluchtelingenkamp Yarmouk en andere Palestijnse kampen; herhaalt zijn nadrukkelijke toezegging om de slachtoffers van het Syrische conflict te ondersteunen;

2.  veroordeelt de overname van het kamp Yarmouk en de terroristische daden van IS/Da'esh en Jabhat al-Nusra, alsook de belegering van Yarmouk door het regime-Assad en de bombardementen op het kamp, waaronder die met vatenbommen, welke een ondraaglijk lijden veroorzaken onder de getroffen bevolking; dringt erop aan onmiddellijk een einde te maken aan de belegering en alle aanvallen op de burgerbevolking;

3.  spreekt zijn bezorgdheid uit met betrekking tot alle mensenrechtenverdedigers die in het kamp Yarmouk worden vastgehouden en degenen die momenteel gevangen worden gehouden door de Syrische veiligheidstroepen; verzoekt alle gewapende groepen in het kamp Yarmouk zich niet meer te richten tegen mensenrechtenverdedigers;

4.  dringt aan op de eerbiediging van de neutrale status van Yarmouk en de bescherming van de burgers in het kamp, met name vrouwen en kinderen, alsook de vrijwaring van medische voorzieningen, scholen en toevluchtsoorden;

5.  benadrukt dat de aanhoudende oorlog in Syrië en de dreiging die uitgaat van IS/Da'esh een ernstig gevaar vormen voor de inwoners van Syrië en voor het Midden-Oosten in ruimere zin; verzoekt de EU een bijdrage te leveren aan de gezamenlijke inspanningen om de humanitaire crisis te verzachten en aan de hulp die buurlanden wordt geboden om onderdak te bieden aan vluchtelingen die het conflict in Syrië ontvluchten, van wie velen omkomen op boten in de Middellandse Zee;

6.  verzoekt om de tenuitvoerlegging van de resoluties 2139 (2014), 2165 (2014) en 2191 (2014) van de VN-Veiligheidsraad op het hele Syrische grondgebied; dringt er bij alle bij het conflict betrokken partijen op aan de UNRWA, het ICRC en andere internationale hulporganisaties onbelemmerde toegang te verlenen tot het vluchtelingenkamp Yarmouk, teneinde onmiddellijke en onvoorwaardelijke humanitaire toegang mogelijk te maken, gewonde burgers te evacueren en een veilige doorgang te bieden aan alle burgers die het kamp willen verlaten; verzoekt om de instelling van humanitaire corridors die niet worden gecontroleerd door het Syrische regime dan wel IS/Da'esh en Jabhat al-Nusra, in het licht van hun grove en voortdurende schendingen van het internationale humanitaire recht;

7.  is ingenomen met het feit dat de Commissie onmiddellijke noodfinanciering ten belope van een bedrag van 2,5 miljoen EUR heeft uitgetrokken voor UNWRA-operaties om de Palestijnse vluchtelingen in Syrië levensreddende bijstand te bieden; prijst de UNRWA voor het belangrijke werk dat zij levert en spreekt zijn nadrukkelijke toezegging uit om te blijven samenwerken met commissaris-generaal Pierre Krähenbühl van de UNRWA en met alle andere partners om het leed van de meest hulpbehoevenden te verzachten; benadrukt dat de EU en haar lidstaten hun steun aan de UNRWA voor de noodhulp voor de burgers in Yarmouk en andere delen van Syrië moeten opvoeren, zodat alle Palestijnse vluchtelingen, gastgemeenschappen en anderen de hulp krijgen die ze nodig hebben; verzoekt de EU om een bijdrage te leveren aan de financiering van het door de UNRWA voor noodhulp gevraagde bedrag van 30 miljoen dollar, en om de UNRWA diplomatieke en politieke steun te bieden;

8.  veroordeelt met klem het misbruik van kinderen, de slachtpartijen, de folteringen, de moorden en het seksuele geweld waarvan de Syrische bevolking het slachtoffer is; benadrukt het belang van het nemen van passende maatregelen om de veiligheid van onschuldige burgers, waaronder vrouwen en kinderen, te waarborgen; erkent dat vrouwen en kinderen vaak het slachtoffer zijn van oorlogsverkrachting in het Syrische conflict, ook in de gevangenissen van het regime; onderstreept dat in gemeenschappelijk artikel 3 van de Conventies van Genève is vastgelegd dat gewonden en zieken alle noodzakelijke medische zorg moeten krijgen die hun toestand vergt, zonder daarbij nadelig onderscheid te maken; dringt er bij humanitaire hulpverleners op aan het volledige scala aan gezondheidsdiensten aan te bieden in de door de EU gefinancierde humanitaire voorzieningen;

9.  steunt ten volle de inspanningen van de speciale vertegenwoordiger van de VN voor Syrië, Staffan de Mistura, om alle partijen te bewegen tot plaatselijke wapenstilstanden en humanitaire pauzes om humanitaire hulpverlening mogelijk te maken; verzoekt de EU nogmaals het initiatief te nemen voor diplomatieke inspanningen met dat doel voor ogen;

10.  herhaalt zijn verzoek om een duurzame oplossing voor het Syrische conflict door middel van een inclusief en door Syrië geleid politiek proces op basis van het communiqué van Genève van juni 2012, wat zal leiden tot een waarachtige politieke overgang die voldoet aan de legitieme verwachtingen van de Syrische bevolking en hen in staat stelt op onafhankelijke en democratische wijze hun eigen toekomst te bepalen; is ingenomen met de aankondiging dat er in mei hernieuwde besprekingen van Genève zullen plaatsvinden tussen het regime-Assad, de oppositie, leden van de VN-Veiligheidsraad en regionale mogendheden waaronder Iran;

11.  blijft ervan overtuigd dat er geen duurzame vrede in Syrië mogelijk is zonder dat rekenschap wordt afgelegd voor de misdaden die door alle partijen tijdens het conflict zijn gepleegd, met inbegrip van de misdaden met betrekking tot het kamp Yarmouk; herhaalt zijn oproep om de situatie in Syrië door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof; verzoekt de EU en haar lidstaten serieuze aandacht te schenken aan de recente aanbeveling van de VN-onderzoekscommissie om een speciaal tribunaal voor de in Syrië gepleegde misdaden op te richten;

12.  is van oordeel dat het Parlement een ad-hocbezoek moet brengen aan het vluchtelingenkamp Yarmouk om de humanitaire situatie onafhankelijk te kunnen beoordelen, zodra de veiligheidssituatie dat toestaat, in samenwerking met de VN en onafhankelijk van het regime-Assad en andere bij het conflict betrokken partijen;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de speciale gezant van de VN-Arabische Liga in Syrië, de secretaris-generaal van de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten, de president van de Palestijnse Autoriteit, de Raad van het Palestijnse Zelfbestuur en alle partijen die betrokken zijn bij het conflict in Syrië.


Gevangenneming van activisten voor de mensenrechten en werknemersrechten in Algerije
PDF 179kWORD 76k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 april 2015 over de detentie van werknemers en mensenrechtenactivisten in Algerije (2015/2665(RSP))
P8_TA(2015)0188RC-B8-0418/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn vorige resoluties over Algerije, vooral die van 9 juni 2005 over persvrijheid in Algerije(1) en die van 10 oktober 2002 over de sluiting van een associatieovereenkomst met Algerije(2),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het beleid van de Europese Unie ter zake(3), en gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over "Het Europees nabuurschapsbeleid: naar een sterker partnerschap – standpunt van het EP over de voortgangsverslagen van 2012"(4),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 april 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid,

–  gezien de verklaring van de Europese Unie van 13 mei 2014 na de achtste zitting van de Associatieraad EU-Algerije,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 15 mei 2012 van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en het veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, getiteld "Resultaten boeken voor een nieuw Europees nabuurschapsbeleid" (JOIN(2012)0014),

–  gezien de beleidsmemo van de Commissie inzake het Europees nabuurschapsbeleid in 2013 van maart 2014 over Algerije,

–  gezien de verklaring van de Europese Raad van juni 2011 over het zuidelijk nabuurschap,

–  gezien de verklaring van de hoge commissaris voor de mensenrechten van de VN, Navi Pillay, tijdens haar bezoek aan Algerije in september 2012,

–  gezien de associatieovereenkomst tussen de EU en Algerije die van kracht werd op 1 september 2005,

–  gezien artikel 2 van bovengenoemde associatieovereenkomst waarin wordt bepaald dat de eerbiediging van de democratische beginselen en de grondrechten het leidend principe in de binnenlandse en internationale beleidsvoering van de partijen is en een essentieel onderdeel van die overeenkomst vormt,

–  gezien de grondwet van Algerije die bij referendum is aangenomen op 28 november 1996, met name de artikelen 34 t/m 36, 39, 41 en 43,

–  gezien het definitieve verslag van 5 augustus 2012 dat is uitgebracht door de verkiezingsobservatiemissie van de EU naar de parlementsverkiezingen in Algerije,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten waarbij Algerije partij is,

–  gezien Verdrag nr. 87 van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht uit 1948 en ILO-Verdrag nr. 98 betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen uit 1949,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er in Algerije onlangs protesten hebben plaatsgevonden tegen werkloosheid; overwegende dat de Algerijnse autoriteiten toegeven dat de eisen van de demonstranten legitiem zijn; overwegende dat mensenrechtenverdedigers, onder wie ook arbeidsrechtenactivisten desondanks, vooral in de zuidelijke regio's van Algerije de afgelopen vier jaar en sinds het begin van 2015 met opnieuw opgelaaide intensiteit, bedreigd zijn, verbaal geïntimideerd zijn en het slachtoffer zijn geworden van mishandeling en gerechtelijke intimidatie tegen de achtergrond van uit de hand lopende economische, maatschappelijke en milieudemonstraties;

B.  overwegende dat Mohamed Rag, arbeidsrechtenactivist van het Nationaal Comité voor de verdediging van de rechten van werklozen (Comité National pour la Défense des Droits des Chômeurs, CNDDC) in de stad Laghouat, op 22 januari 2015 gearresteerd werd en veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 18 maanden en een boete van 20 000 DZD voor "geweldpleging tegen een agent van de veiligheidstroepen tijdens het uitoefenen van zijn taken", en overwegende dat zijn straf in hoger beroep werd bekrachtigd op 18 maart 2015;

C.  overwegende dat op 28 januari 2015 in de stad Laghouat acht arbeidsrechtenactivisten die tevens lid zijn van het CNDDC (Khencha Belkacem, Brahimi Belelmi, Mazouzi Benallal, Azzouzi Boubakeur, Korini Belkacem, Bekouider Faouzi, Bensarkha Tahar en Djaballah Abdelkader) werden gearresteerd toen ze zich verzamelden voor de stadsrechtbank om de vrijlating van Mohamed Rag te eisen; overwegende dat deze acht activisten vervolgens in maart werden veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar met zes maanden voorwaardelijk en een boete van elk 5 000 DZD voor een "niet-toegestane/illegale bijeenkomst" en het "uitoefenen van druk op de besluiten van rechters";

D.  overwegende dat in Laghouat tijdens de hoorzitting van bovengenoemde CNDCC-activisten op 11 maart 2015 een ongebruikelijk groot aantal politieagenten werd ingezet om het publiek en de getuigen voor de verdediging te verhinderen de rechtszaal binnen te gaan, en overwegende dat buiten de rechtszaal de politie bijna vijftig vreedzame betogers die zich solidair toonden met de negen gevangenen arresteerde en vervolgens weer vrijliet;

E.  overwegende dat de noodtoestand in februari 2011 weliswaar werd opgeheven als antwoord op de golf van massademonstraties voor de democratie, maar dat de wettelijke en praktische beperkingen voor vreedzame bijeenkomsten van kracht zijn gebleven, met name een decreet van 18 juni 2001 op grond waarvan het nog steeds verboden is in het openbaar te demonstreren in de stad Algiers, en Wet nr. 91-19 van 2 december 1991 inzake openbare bijeenkomsten en demonstraties op grond waarvan voor elke publieke gebeurtenis vooraf een vergunning moet worden aangevraagd; overwegende dat het ministerie van Binnenlandse Zaken zelden toestemming geeft voor openbare bijeenkomsten;

F.  overwegende dat iedereen die deelneemt aan niet-goedgekeurde demonstraties vervolgd kan worden en een gevangenisstraf riskeert die kan variëren in lengte van twee maanden tot vijf jaar, op grond van de artikelen 99 en 100 van het Algerijnse wetboek van strafrecht; overwegende dat in januari 2014 – de termijn voor de inschrijving van nieuwe verenigingen – alle verenigingen die niet goedgekeurd waren illegaal werden verklaard; overwegende dat vreedzame demonstraties met veel machtsvertoon en soms geweld uiteengeslagen worden door de politie, en dat vreedzame betogers soms al van tevoren worden gearresteerd zodat de demonstraties geen doorgang kunnen vinden;

G.  overwegende dat de Algerijnse regering in 2014 prodemocratische grondwettelijke herzieningen heeft doorgevoerd en verdere hervormingen heeft beloofd ter bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden; overwegende dat de tenuitvoerlegging van die hervormingen tot nu toe onbevredigend is verlopen;

H.  overwegende dat in maart 2015 vier andere arbeidsrechtenactivisten, Rachid Aouine, Youssef Sultani, Abdelhamid Brahimi en Ferhat Missa, tevens leden van het CNDDC in de stad El Oued, werden gearresteerd en beschuldigd van het aanzetten tot samenscholing; overwegende dat twee van hen zijn vrijgelaten, maar dat Rachid Aouine veroordeeld is en Youssef Sultani in vrijheid zijn proces afwacht;

I.  overwegende dat in januari 2012 een nieuwe wet op verenigingen (12-06) van kracht werd op grond waarvan non-gouvernementele organisaties en maatschappelijke groeperingen beperkingen opgelegd kregen wat betreft hun oprichting, de uitvoering van hun activiteiten, hun inschrijving en de toegang tot buitenlandse financiering; overwegende dat in deze wet leden van niet-ingeschreven, geschorste en opgeheven verenigingen strafbaar worden gesteld en zij veroordeeld kunnen worden tot zes maanden gevangenisstraf en een hoge boete, waardoor dus de vrijheid van vereniging ernstig wordt beknot;

J.  overwegende dat, ofschoon Wet 90-14 van 2 juni 1990 over de voorwaarden voor de uitoefening van vakbondsrechten werknemers toestaat een verbond op te richten zonder dat zij hiervoor schriftelijk om toestemming hoeven te vragen bij de autoriteiten, de autoriteiten diverse malen hebben geweigerd een ontvangstbewijs af te geven dat onontbeerlijk is voor vakbonden om werknemers wettelijk te mogen vertegenwoordigen;

K.  overwegende dat Algerije, waarvan de toepassing van ILO-Verdrag nr. 87 in juni 2014 momenteel onderzocht wordt, in verscheidene verslagen van ILO-deskundigen onder de loep is genomen vanwege de schendingen van het recht van werknemers om te staken en vakbonden naar keuze te vormen;

L.  overwegende dat de onderhandelingen over het actieplan tussen de EU en Algerije in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid in 2012 van start zijn gegaan; overwegende dat de Commissie weliswaar inzag dat beide partijen belang hadden bij een intensievere dialoog en nauwere samenwerking op het vlak van veiligheid en regionale vraagstukken, maar in maart 2014 toch haar bezorgdheid uitte over het gebrek aan een onafhankelijke rechterlijke macht en de verslechtering van de situatie met betrekking tot de vrijheid van vereniging, vergadering en meningsuiting in Algerije;

M.  overwegende dat Algerije sinds januari 2014 lid is van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties;

1.  toont zich bezorgd over de arrestatie en de detentie van de vreedzame activisten Rachid Aouine, Mohamed Rag, Khencha Belkacem, Brahimi Belelmi, Mazouzi Benallal, Azzouzi Boubakeur, Korini Belkacem, Bekouider Faouzi, Bensarkha Tahar, Djaballah Abdelkader, aangezien zij worden vastgehouden ondanks het feit dat hun activiteiten volledig legaal zijn volgens de Algerijnse wet en in overeenstemming zijn met de instrumenten van internationale mensenrechten die Algerije geratificeerd heeft;

2.  wijst erop dat Algerije gebonden is aan artikel 2 van de associatieovereenkomst waarin is vastgelegd dat een wezenlijk onderdeel daarvan de eerbiediging van democratische beginselen en fundamentele mensenrechten, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en het Afrikaans Handvest voor de rechten van de mens en de volkeren vormt, en dat Algerije daarom verplicht is de universele mensenrechten te eerbiedigen, waaronder de vrijheid van vergadering en vereniging;

3.  is van mening dat pesten en intimidatie van arbeidsrechtenactivisten en mensenrechtenverdedigers, o.a. op gerechtelijk niveau, een praktijk is die niet in overeenstemming is met de bepalingen van de verklaring van de Verenigde Naties over mensenrechtenverdedigers;

4.  is van mening dat het recht op een eerlijk proces en een minimale garantie voor het recht op verdediging voor alle gevangenen, zo ook mensenrechtenverdedigers en arbeidsrechtenactivisten, in overeenstemming is met artikel 14, lid 3, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat door Algerije geratificeerd is;

5.  roept de Algerijnse autoriteiten tevens op zorg te dragen voor de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering en die te garanderen, en de juiste stappen te ondernemen om de veiligheid en de beveiliging van activisten uit het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers, en de vrijheid om hun legitieme en vreedzame activiteiten te ontplooien, te waarborgen;

6.  herinnert aan de aanbeveling van de speciale rapporteur van de Verenigde Naties inzake de bevordering en de bescherming van de vrijheid van meningsuiting aan de Algerijnse regering om het decreet van 18 juni 2001 in te trekken waarmee vreedzame betogingen en alle vormen van openbare demonstratie in Algiers verboden werden, en om een systeem in te stellen van louter kennisgeving in plaats van een vooraf afgegeven vergunning voor openbare demonstraties;

7.  roept de Algerijnse autoriteiten op Wet 12-06 inzake verenigingen in te trekken en een echte dialoog aan te gaan met maatschappelijke organisaties om een nieuwe wet te concipiëren die overeenkomt met internationale mensenrechtennormen en de Algerijnse grondwet;

8.  is ingenomen met het feit dat sinds 2012 twaalf vakbondsorganisaties hun vergunning hebben ontvangen; wijst erop dat er geen administratieve manoeuvres mogen worden bedacht om onafhankelijke vakbonden die buiten de bestaande vakbondsorganisatie proberen te functioneren een wettelijke status te onthouden; roept de Algerijnse autoriteiten op toe te staan dat nieuwe vakbonden zich wettelijk kunnen inschrijven en te voldoen aan de ILO-verdragen die door Algerije geratificeerd zijn, met name Verdrag nr. 87 betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht Verdrag nr. 98 betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen;

9.  waardeert het dat Algerije de meeste internationale mensenrechtenverdragen heeft geratificeerd; juicht meer betrokkenheid en betere samenwerking van de Algerijnse autoriteiten met de Verenigde Naties toe, en dan vooral met de Internationale Arbeidsorganisatie en het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten; roept de Algerijnse autoriteiten op samen te werken met de vertegenwoordigers van de speciale procedures van de VN, onder ander door speciale rapporteurs voor een bezoek uit te nodigen en hun aanbevelingen in overweging te nemen; verzoekt Algerije daarnaast om actief samen te werken met de mensenrechtenmechanismen van de Afrikaanse Unie, vooral de speciale rapporteur inzake mensenrechtenverdedigers;

10.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en het veiligheidsbeleid (VV/HV) en de EU-lidstaten toe te zien op een duidelijk en principieel EU-beleid jegens Algerije waarin een mensenrechtendialoog is opgenomen, in overeenstemming met het strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie; roept de VV/HV en de lidstaten op ervoor te zorgen dat er een inhoudelijke dialoog tot stand komt met Algerije op het vlak van politiek, veiligheid en mensenrechten, en verzoekt daarom de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) duidelijke benchmarks en indicatoren vast te stellen waaraan de EU-doelstellingen getoetst moeten worden, en waarmee de vooruitgang op het gebied van mensenrechten, straffeloosheid, de vrijheid van vereniging, vergadering en meningsuiting, de rechtsstaat en de situatie van mensenrechtenverdedigers in Algerije beoordeeld kan worden;

11.  dringt er bij de Algerijnse autoriteiten, de VV/HV en de EDEO op aan een belangrijk hoofdstuk over mensenrechten op te nemen in het toekomstige actieplan EU-Algerije, waarin een sterke politieke wil tot uiting komt om gezamenlijk de juridische en praktische bevordering en bescherming van de mensenrechten vooruit te helpen in overeenstemming met de Algerijnse grondwet en de internationale mensenrechtenverdragen en de Afrikaanse regionale mensenrechteninstrumenten waarbij Algerije partij is; is van mening dat er concrete mensenrechtendoelstellingen moeten worden opgenomen in het actieplan EU-Algerije, in combinatie met een tijdpad voor de hervormingen die Algerije moet doorvoeren, met de zinvolle betrokkenheid van het onafhankelijke maatschappelijk middenveld; verlangt dat er indicatoren worden vastgesteld voor een objectieve en regelmatige beoordeling van de mensenrechtensituatie in Algerije;

12.  roept de EDEO en de lidstaten op alle processen en rechtszaken tegen mensenrechtenverdedigers en arbeidsrechtenactivisten op de voet te volgen via de aanwezigheid van vertegenwoordigers van de EU-delegatie en de ambassades van de lidstaten in Algiers en daarover verslag uit te brengen aan het Parlement;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale EU-vertegenwoordiger voor de mensenrechten, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de EU-delegatie in Algiers, de regering van Algerije, de secretaris-generaal van de VN en de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties.

(1) PB C 124 E van 25.5.2006, blz. 567.
(2) PB C 279 E van 20.11.2003, blz. 115.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0076.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0446.

Juridische mededeling - Privacybeleid