Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2247(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0314/2015

Ingediende teksten :

A8-0314/2015

Debatten :

PV 23/11/2015 - 16
CRE 23/11/2015 - 16

Stemmingen :

PV 24/11/2015 - 5.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0402

Aangenomen teksten
PDF 285kWORD 111k
Dinsdag 24 november 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Cohesiebeleid en gemarginaliseerde gemeenschappen
P8_TA(2015)0402A8-0314/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 24 november 2015 over cohesiebeleid en gemarginaliseerde gemeenschappen (2014/2247(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 151, 153, 162 en 174 t/m 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Europees Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de Europese overeenkomsten tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, meer in het bijzonder het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de overeenkomstige jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens, het Europees Sociaal Handvest en de daarmee verband houdende aanbevelingen van het Europees Comité voor sociale rechten, en het Kaderverdrag van de Raad van Europa betreffende de bescherming van de nationale minderheden,

–  gezien de Verklaring van de Verenigde Naties over de rechten van inheemse volkeren,

–  gezien het IAO-verdrag betreffende inheemse en in stamverband levende volken in onafhankelijke landen,

–  gezien de EU-richtlijnen inzake non-discriminatie, artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en protocol nr. 12 bij dit verdrag,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 5 januari 2011 inzake de rechten van mensen met een handicap,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1) (hierna "de GB-verordening"),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 437/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling wat betreft de subsidiabiliteit van huisvestingsprojecten voor gemarginaliseerde gemeenschappen(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen(6),

–  gezien gedelegeerde verordening (EU) Nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen(7),

–  gezien zijn resolutie van 26 februari 2014 over het zevende en achtste voortgangsverslag van de Europese Commissie over het cohesiebeleid van de EU en het strategisch verslag 2013 over de uitvoering van de programma's 2007-2013(8),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma(9),

–  gezien zijn resolutie van 11 juni 2013 over sociale huisvesting in de Europese Unie(10),

–  gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over de EU-strategie voor de integratie van de Roma(11),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van de Lissabon- en EU 2020-doelstellingen(12),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2009 over de sociale situatie van de Roma en de verbetering van hun toegang tot de arbeidsmarkt in de EU(13),

–  gezien het zesde verslag van de Commissie over economische, sociale en territoriale cohesie, getiteld "Investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie" van 23 juli 2014,

–  gezien de fiche met thematische richtsnoeren van de Commissie van 27 februari 2014 over Roma en gemarginaliseerde gemeenschappen (thematische doelstelling 9 – sociale inclusie en armoede),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 april 2014 getiteld "Verslag over de tenuitvoerlegging van het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma" (COM(2014)0209),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 mei 2012 getiteld "Nationale strategieën voor integratie van de Roma: eerste stap van de uitvoering van het EU-kader" (COM(2012)0226),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 december 2010 getiteld "Strategie van de Europese Unie voor de Donau-regio" (COM(2010)0715),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 december 2010 "Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang" (COM(2010)0758),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 over "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten(14),

–  gezien de ontwerpnota van de Commissie van 1 juli 2015 met richtsnoeren inzake het gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen voor de aanpak van onderwijs- en ruimtelijke segregatie,

–  gezien de vraag aan de Commissie met verzoek om schriftelijk antwoord van 24 februari 2015 over financiering voor gemarginaliseerde gemeenschappen (E-002782/2015),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's over "Strategieën voor integratie van de Roma"(15),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0314/2015),

A.  overwegende dat het cohesiebeleid gericht is op de bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie, de vermindering van sociale ongelijkheden, met inbegrip van de vermindering en de uitroeiing van armoede en exclusie, en dat hiertoe segregatie moet worden voorkomen en gelijke toegang en gelijke kansen moeten worden bevorderd voor alle burgers, inclusief de meest gemarginaliseerde gemeenschappen, alsmede groepen en individuen van alle leeftijden die te maken hebben met armoede en sociale uitsluiting en beperkte toegang tot onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting en gezondheidszorg;

B.  overwegende dat het cohesiebeleid, zoals gedefinieerd in de Europese Akte van 1986, gericht is op het verkleinen van de verschillen tussen de afzonderlijke regio's en van de achterstand van de minst begunstigde regio's; overwegende dat het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie hier nog een ander facet aan toevoegt en verwijst naar "economische, sociale en territoriale samenhang";

C.  overwegende dat de doelstelling van sociale cohesie het nodig maakt dat Europa een rol speelt bij de beleidsmaatregelen inzake de inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen en vereist dat de lidstaten hun bevoegdheden op dit gebied gebruiken, door ondersteunende acties ten uitvoer te leggen en door werk te verrichten in het kader van transnationale samenwerkingsprogramma's en nationale programma's;

D.  overwegende dat in 2010 financieringsmogelijkheden voor gemarginaliseerde gemeenschappen in het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) zijn ingevoerd; overwegende dat het wetgevingskader voor het cohesiebeleid 2014-2020 een strategische aanpak biedt;

E.  overwegende dat in Verordening (EU) nr. 1304/2013 is bepaald dat het ESF ten goede komt aan mensen, inclusief kansarme groepen zoals langdurig werklozen, mensen met een handicap, migranten, etnische minderheden, gemarginaliseerde gemeenschappen en mensen uit alle leeftijdsgroepen die met armoede en sociale uitsluiting worden geconfronteerd;

F.  overwegende dat in de programmeringsperiode 2014-2020 minstens 23,1% van de begroting voor het cohesiebeleid zal worden toegewezen aan investeringen in het kader van het ESF; overwegende dat het EFRO en het ESF een specifieke en significante rol spelen, waarbij tenminste 20% van het ESF in elke lidstaat is toegewezen aan de specifieke doelstelling van bevordering van sociale inclusie, bestrijding van armoede en alle discriminatie, zodat het cruciale instrumenten zijn voor de bevordering van een grotere inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen;

G.  overwegende dat in Verordening (EU) nr. 1303/2013 een aantal voorwaarden is vastgesteld in verband met non-discriminatie, gender en handicap waaraan moet worden voldaan(16);

H.  overwegende dat het zesde verslag van de Commissie over economische, sociale en territoriale cohesie toont dat de economische crisis de armoede en de sociale uitsluiting heeft vergroot;

I.  overwegende dat de economische crisis en de daaruit voortvloeiende bezuinigingen en soberheidsmaatregelen hebben geleid tot talrijke problemen, met vaak als resultaat ernstige begrotingsproblemen voor gemeenten, zodat er een gebrek aan keuzemogelijkheden is ontstaan voor de omgang met gemarginaliseerde groepen en voor het streven naar een verbetering van hun inclusie en naar de voorkoming van verdere segregatie, omdat dergelijke maatregelen in hoge mate, en soms uitsluitend, afhankelijk zijn van ESIF-financiering;

J.  overwegende dat de gevolgen van de economische crisis en de bezuinigingen op openbare diensten de situatie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen hebben verslechterd;

K.  overwegende dat vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen te maken hebben met een ernstiger meervoudige discriminatie en er bij hen sprake is van een veel lagere arbeidsparticipatie dan bij mannen uit die gemeenschappen en bij andere vrouwen;

L.  overwegende dat een groot aantal publieke en particuliere spelers op diverse niveaus en in diverse sectoren, waaronder vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, betrokken is en vaak een belangrijke rol speelt bij de tenuitvoerlegging van het integratiebeleid, zodat een coherente en goed gecoördineerde aanpak nodig is;

M.  overwegende dat er op EU-niveau geen definitie bestaat van gemarginaliseerde gemeenschappen; overwegende dat voor een begrip van het verslag allereerst inzicht nodig is in marginalisering op basis van een analyse van bepaalde hoedanigheden en kenmerken van gemarginaliseerde groepen, waarbij rekening wordt gehouden met hun specifieke situatie en behoeften, zoals leef- en werkomstandigheden en beperkte toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en werk, en vroegtijdig schoolverlaten, in combinatie met structurele en systemische exclusie, met als doel om te zorgen voor hun effectieve sociaaleconomische inclusie;

N.  overwegende dat de Commissie gemarginaliseerde gemeenschappen niet heeft gedefinieerd en het aan de lidstaten overlaat een definitie op te stellen op basis van hun nationale indicatoren; overwegende dat marginalisering echter kan worden vastgesteld door te kijken naar een reeks relevante indicatoren, zoals sociale uitsluiting, een hoog niveau van langdurige werkloosheid, een laag opleidingsniveau, (zeer) slechte huisvesting, een hoge mate van discriminatie en een overmatige blootstelling aan gezondheidsrisico's en/of een gebrek aan toegang tot gezondheidszorg, met andere woorden, die bevolkingsgroepen die het kwetsbaarst en het meest hulpbehoevend worden geacht;

O.  overwegende dat marginalisering een sociaal fenomeen is waarbij individuen of gemeenschappen sociaal worden uitgesloten en stelselmatig worden buitengesloten van deelname aan of toegang tot sociale en politieke processen die essentieel zijn voor hun maatschappelijke integratie; overwegende dat het begrip 'gemarginaliseerde gemeenschappen' betrekking heeft op diverse groepen en individuen, zoals minderheden, Roma, mensen met een handicap, mensen die onder de armoedegrens leven of door armoede worden bedreigd, migranten, vluchtelingen en sociaal uitgesloten groepen in de samenleving; overwegende dat racisme, patriarchaal ingestelde samenlevingen, homofobie, economische achterstand en andere discriminatoire factoren bijdragen aan het ontstaan van ongelijkheid en een zwakkere positie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen;

P.  overwegende dat het gemeenschappelijke kenmerk van een gemarginaliseerde gemeenschap een plaats kan zijn, bijvoorbeeld voor gemarginaliseerde gemeenschappen in plattelandsgebieden en achtergestelde buurten; of een gezamenlijk belang, zoals vluchtelingen en asielzoekers en etnische en taalkundige minderheden; en mensen met een handicap, ouderen, daklozen en inheemse bevolkingen; overwegende dat deze verschillende typen gemarginaliseerde gemeenschappen gemeenschappelijke problemen kennen en allemaal lijden onder diverse vormen van stigmatisering en discriminatie;

Q.  overwegende dat in Europa vele groepen gemarginaliseerde mensen te vinden zijn; merkt op dat de Roma, een benaming die in Europa op verschillende manieren wordt gedefinieerd, de grootste etnische minderheid en een van de meest gemarginaliseerde gemeenschappen in Europa vormen;

R.  overwegende dat het cohesiebeleid gemarginaliseerde gemeenschappen moet benaderen overeenkomstig hun diversiteit, rekening houdend met specifieke behoeften; overwegende dat de inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen in financiering vereist dat inspanningen worden geleverd op alle niveaus, met behulp van een geïntegreerde en coherente aanpak op lange termijn, permanente oplossingen, empowerment, voortbouwen op ervaring en capaciteitsopbouw, ook voor vrouwen en meisjes in gemarginaliseerde gemeenschappen, en de overgang van institutionele naar binnen de gemeenschap georganiseerde zorg, om een einde te maken aan de segregatie en te komen tot normalisatie;

S.  overwegende dat in strategieën van het Europees cohesiebeleid voor het versterken van de positie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen rekening moet worden gehouden met de situatie van oudere vrouwen, vrouwen met een handicap, vrouwelijke verzorgers en vrouwen met geestelijke gezondheidsproblemen;

T.  overwegende dat projecten op basis van kunst en cultuur ter bevordering van interculturele uitwisselingen, empowerment van de deelnemers, ontwikkeling van creatieve en sociale vaardigheden en actieve participatie in het leven van de plaatselijke gemeenschap behoren tot de meest effectieve instrumenten om sociale inclusie en integratie aan te pakken;

U.  overwegende dat onderwijs, zowel formeel als informeel, cruciaal is voor het uitbannen van marginalisering en meervoudige discriminatie, wat betreft het tot stand brengen van dialoog, openheid en begrip tussen gemeenschappen en het versterken van de positie van gemarginaliseerde gemeenschappen; overwegende dat een genderperspectief in het onderwijs, en de rol ervan bij het versterken van de positie van vrouwen en meisjes in gemarginaliseerde gemeenschappen, niet uit het oog mag worden verloren;

Algemene beginselen

1.  herinnert eraan dat de kwestie van gemarginaliseerde gemeenschappen dringend moet worden aangepakt; onderstreept het feit dat het cohesiebeleid een belangrijke rol speelt voor de ondersteuning van de economische, sociale en territoriale inclusie van deze gemeenschappen;

2.  herinnert eraan dat gemarginaliseerde gemeenschappen zijn aangewezen als prioriteit van de cohesiebeleidsmaatregelen vanwege de toenemende bezorgdheid over, en inzet voor de bestrijding van sociale uitsluiting, alsmede bezorgdheid over de situatie van de Roma en de reeds lang bestaande noodzaak om hun levensomstandigheden te verbeteren;

3.  verzoekt de Commissie om richtsnoeren te geven voor een definitie van gemarginaliseerde gemeenschappen en een aantal hoedanigheden en kenmerken van gemarginaliseerde groepen aan te geven, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie, uitdagingen en behoeften van elke potentiële doelgroep, om de sociaaleconomische inclusie ervan te bevorderen, en waarbij vertegenwoordigers van die gemeenschappen betrokken worden; benadrukt dat deze richtsnoeren de doeltreffendheid van het cohesiebeleid voor de versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie in de hele Europese Unie voort zouden bevorderen;

4.  is tevreden met het feit dat met het wetgevingskader voor het cohesiebeleid 2014-2020 nieuwe elementen zijn ingevoerd waarmee de oorspronkelijke aanpak wordt geconsolideerd, door de financieringsmogelijkheden uit te bereiden en mechanismen in te voeren om ervoor te zorgen dat de steun voor gemarginaliseerde gemeenschappen strookt met de Europese waarden en doelstellingen en dat bij deze steun rekening wordt gehouden met het feit dat de groepen in kwestie bij het hele proces moeten worden betrokken;

5.  verzoekt de Commissie gedetailleerde informatie te verstrekken over het gebruik dat van de financieringsmogelijkheden voor gemarginaliseerde gemeenschappen is gemaakt; verzoekt om de uitvoering van een analyse om passende conclusies te kunnen trekken en om de belemmeringen voor een verder gebruik of de best mogelijke resultaten te kunnen identificeren;

6.  verzoekt de Commissie eveneens toe te zien op het effectieve toepassing van de Europese gedragscode met betrekking tot het partnerschapsprincipe en de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld; herinnert eraan dat de horizontale beginselen in de GB-verordening, die fundamentele rechten belichamen zoals de bevordering van gelijke kansen, de voorkoming van discriminatie en de bevordering van duurzame ontwikkeling, moeten worden toegepast bij de opstelling en tenuitvoerlegging van programma's in het kader van het ESIF; herinnert eraan dat alle acties van de lidstaten die worden gefinancierd in het kader van het EU-cohesiebeleid de principes van de grondrechten moeten eerbiedigen en in geen geval mogen bijdragen aan segregatie;

7.  benadrukt dat gelijke kansen en non-discriminatie horizontale principes voor de nieuwe verordeningen van de ESI-fondsen zijn en dat deze moeten worden toegepast om de systemische oorzaken van de ongelijkheid weg te werken, ongeacht of het gaat om economische, sociale of gendergerelateerde oorzaken, alsmede met betrekking tot de toegang tot cultuur en onderwijs; benadrukt dat bij de analyse van de wortels van de exclusie moet worden gefocust op een begrip en op bewustmaking van de systemische vreemdelingenhaat en racisme;

8.  herinnert eraan dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een principe is dat horizontaal van toepassing is op het cohesiebeleid; betreurt de meervoudige discriminatie waar vooral vrouwen, migranten en personen met een handicap binnen gemarginaliseerde gemeenschappen mee te maken hebben;

9.  benadrukt dat bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid de cruciale uitdaging moet worden aangepakt van de armoede en uitsluiting van jongeren en kinderen, volwassenen en mensen met een handicap, inclusief de overgang van institutionele zorg en diensten voor kwetsbare kinderen naar zorg en diensten die gebaseerd zijn op de gemeenschap; dringt er bij de betrokken lidstaten op aan passende actie te ondernemen en maatregelen te treffen om strategieën te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen om dit te bereiken, met toepassing van een geïntegreerde aanpak;

10.  wijst erop dat de vormgeving van beleid dat is gericht op specifieke groepen volgens het principe van "uitdrukkelijke maar niet-exclusieve gerichtheid" vereist dat andere doelgroepen die verkeren in soortgelijke sociaaleconomische omstandigheden, niet worden uitgesloten, om het aanwakkeren van defensieve reacties te voorkomen; benadrukt dat dit principe slechts een eerste stap is in de richting van de erkenning van het feit dat aandacht moet worden besteed aan gemeenschappen en individuen die behoren tot de kwetsbaarste en meest gemarginaliseerde;

11.  benadrukt het feit dat er op verantwoordingsplicht berustende, transparante en democratische structuren moeten zijn voor de bestrijding van corruptie en het frauduleuze gebruik van middelen om te zorgen voor de inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen;

12.  beschouwt toegang tot de dienstverlening van de overheid als een van de belangrijkste doelstellingen om de inclusie van gemarginaliseerde groepen aan te pakken; roept de lidstaten op tot verbetering van het verstrekken van toegesneden gezondheidsinformatiemateriaal en de ontwikkeling van ziektepreventiestrategieën en gemeenschapsinitiatieven op het gebied van de gezondheidszorg in gemarginaliseerde gemeenschappen; roept op tot de oprichting van gespecialiseerde structuren, zoals informatieposten die advies verstrekken over kwesties in verband met toegang tot de gezondheidszorg, de arbeidsmarkt en het onderwijs; vraagt dat actie wordt ondernomen voor een omschakeling van een aanpak op basis van vraag naar een gastvrije, dienstverleningsgerichte aanpak;

13.  roept ertoe op om de nationale strategieën voor gemarginaliseerde gemeenschappen, inclusief de nationale strategieën voor de integratie van Roma, de nationale armoedebestrijdingsstrategieën, de strategieën voor de inclusie van andere gemarginaliseerde en achtergestelde gemeenschappen en de strategieën voor gendergelijkheid, beter te coördineren en sterker te koppelen aan het cohesiebeleid;

14.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om kinderen centraal te stellen bij de uitvoering van het EU-kader voor nationale strategieën inzake de Roma en wijst nogmaals op het belang van de bevordering van gelijke toegang tot huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en waardige levensomstandigheden voor kinderen;

15.  verzoekt de lidstaten en de plaatselijke autoriteiten het gebruik aan te moedigen van ESF-financiering voor de ondersteuning van projecten op het gebied van informeel onderwijs en een leven lang leren, alsmede projecten op basis van cultuur, om de doelstellingen te realiseren inzake investeringen in nieuwe vaardigheden voor innovatie en inzake de strijd tegen werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting;

16.  wijst erop – gezien de toenemende regionale verschillen, de demografische uitdagingen en de situatie van jongeren die steeds meer wegtrekken of van plan zijn weg te trekken uit hun land van herkomst – dat in de begrotingscyclus voor de periode 2014-2020 minder middelen ter beschikking staan voor het cohesiebeleid; is van mening dat het cohesiebeleid nog steeds voor toegevoegde waarde kan zorgen met betrekking tot het werk dat reeds wordt verricht in de lidstaten en dat het cohesiebeleid, door de nadruk te leggen op het verbeteren van de kansen op werk, maatschappelijke participatie en investeringen in vaardigheden, met name in die regio's die dit het meest nodig hebben, naast andere voordelen kan resulteren in meer sociale inclusie en de terugdringing van armoede door voldoende flexibiliteit te bieden om de lidstaten in staat te stellen op de lokale behoeften afgestemde geïndividualiseerde steun te verlenen en ervoor te zorgen dat de financiering wordt gebruikt in die gebieden waar de werkloosheid het hoogst en het geld het meest nodig is;

17.  roept de Commissie op om erop toe te zien dat de lidstaten deze principes toepassen bij de tenuitvoerlegging van de operationele programma's; verzoekt de Commissie haar analyse op te nemen in haar rapportering, inclusief met betrekking tot de nationale strategieën voor integratie van de Roma;

18.  benadrukt dat de bezuinigingen op openbare diensten die tijdens de crisis in enkele lidstaten zijn doorgevoerd, tot hogere werkloosheid, een gebrek aan sociale zekerheid, een moeilijke huisvestingssituatie en gezondheidsproblemen hebben geleid; verzoekt de lidstaten de ESF-steun efficiënter te gebruiken om de kwaliteit van en gelijke toegang tot de openbare diensten voor gemarginaliseerde gemeenschappen te verbeteren en elke vorm van discriminatie te bestrijden;

19.  pleit voor de inachtneming van een mensenrechtenperspectief bij het opzetten van door cohesiefondsen gesteunde acties en benadrukt dat culturele, economische en sociale rechten moeten worden verwerkt in beleidsmaatregelen die gericht zijn op de erkenning van vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen als volwaardige actieve burgers en dat racisme, zowel openlijk als verhuld, bij het ontwerp van elke actie en beleidsmaatregel expliciet moet worden aangepakt;

Opstellen van programma’s

20.  benadrukt dat het partnerschapsprincipe moet leiden tot betrokkenheid op alle niveaus en dat het door de lidstaten verplicht moet worden toegepast, en niet slechts pro forma; benadrukt dat het belangrijk is dat de gedragscode inzake partnerschap ten uitvoer wordt gelegd, om te zorgen voor gelijke participatie en vertegenwoordiging van de partners, waarbij specifieke aandacht moet worden besteed aan de inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen, om rekening te houden met hun specifieke situatie en potentiële uitdagingen, wat het leveren van een substantiële bijdrage aan het partnerschap betreft; is bezorgd over de slechte naleving van de voorschriften inzake verplichte betrokkenheid van partners overeenkomstig de desbetreffende principes die zijn vastgesteld in de GB-verordening en de Europese gedragscode inzake partnerschap; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan te zorgen voor de betrokkenheid van partners, inclusief de meest belanghebbenden, en een systeem van stimulansen en uitwisseling van beste praktijken ten uitvoer te leggen, met inbegrip van specifieke ondersteuning voor de beheersautoriteiten en begunstigden die bijzonder goede resultaten hebben behaald op dit gebied;

21.  betreurt dat de Commissie partnerschapsovereenkomsten heeft aanvaard die in onvoldoende mate gemarginaliseerde gemeenschappen omvatten; vraagt de Commissie maatregelen te treffen om te waarborgen dat de gemarginaliseerde gemeenschappen worden opgenomen in de voorbereiding, tenuitvoerlegging en beoordeling van de projecten, als manier om te zorgen voor de empowerment van de gemeenschappen in kwestie; stelt voor om aanbevelingen te presenteren in het kader van het Europees Semester als passend instrument om het ondernemen van actie door de lidstaten te bevorderen;

22.  verzoekt de lidstaten gevolg te geven aan de landenspecifieke aanbevelingen die ten aanzien van de sociale inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen zijn gedaan, en verzoekt de Commissie deze nauwlettend op te volgen;

23.  is verheugd dat sommige lidstaten, waaronder die welke aanbevelingen hebben ontvangen, ervoor kiezen om van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen een investeringsprioriteit te maken in hun operationele programma's; waarschuwt echter dat dit ook moet worden doorgevoerd op beleidsterreinen zoals onderwijs en werkgelegenheid;

24.  verzoekt de lidstaten volledig gebruik te maken van de middelen; benadrukt dat specifiek de nadruk moet worden gelegd op financieringsmaatregelen die verder gaan dan gerichte actie in het kader van de thematische doelstelling voor sociale inclusie, bestrijding van armoede en elke vorm van discriminatie, waarbij de voorkeur moet worden gegeven aan een geïntegreerde en systematische aanpak;

25.  is van mening dat meerlagige governance en coördinatie een belangrijke rol spelen; benadrukt dat de betrokkenheid van de lokale autoriteiten en belanghebbenden van wezenlijk belang is om de doelgroep te bereiken en dat daarvoor de grootst mogelijke territoriale nabijheid vereist is;

Uitvoering van de programma’s

26.  wijst op het belang van een geïntegreerde benadering; is van mening dat de middelen moeten worden gebruikt op meer geïntegreerde wijze, inclusief door middel van meerfondsenprogramma's, door de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling, geïntegreerde territoriale investeringen en kruisfinanciering, overeenkomstig artikel 98, lid 2, van de GB-verordening, en dat synergieën tot stand moeten worden gebracht met andere EU- en nationale financieringsinstrumenten; verzoekt de betrokken diensten en autoriteiten te streven naar actieve samenwerking alle niveaus, ook grensoverschrijdend;

27.  merkt op dat kruisfinanciering momenteel beperkt gebruikt wordt, in zekere mate vanwege het complexe karakter van de regels in artikel 98, lid 2, van de GB-verordening; is van mening dat een grotere flexibiliteit van de regels voor kruisfinanciering, met name met betrekking tot gemarginaliseerde gemeenschappen, kan leiden tot meer doeltreffendheid van de projecten en een belangrijke meerwaarde kan opleveren voor de impact ervan; verzoekt de Commissie daarom een analyse uit te voeren van de toepassing van kruisfinanciering en van de mate waarin deze wordt gebruikt;

28.  merkt op dat gemarginaliseerde gemeenschappen vaak wonen in minder gunstige wijken; benadrukt het belang van de reële tenuitvoerlegging van stadsvernieuwingsprogramma's voor achtergestelde wijken, waarin geïntegreerde en plaatsgerichte benaderingen worden gecombineerd en waarmee economische. sociale en territoriale uitdagingen worden aangepakt, en het stedelijke milieu wordt verbeterd, en waarbij tevens nadruk wordt gelegd op grotere connectiviteit, om deze gemeenschappen een betere toegang te verlenen; is van mening dat de toekomstige stedelijke agenda van de EU op adequate wijze aandacht moet besteden aan de centrale uitdagingen en behoeften in verband met gemarginaliseerde gemeenschappen in stedelijke gebieden, teneinde het ontstaan van gettowijken te voorkomen en segregatie, armoede en sociale uitsluiting met succes te kunnen bestrijden;

29.  wijst op de specifieke behoeften van gemarginaliseerde gemeenschappen in rurale, afgelegen en berggebieden, inclusief uitdagingen op het gebied van connectiviteit, mobiliteit en toegang tot diensten, maar ook met betrekking tot culturele en sociale mogelijkheden; benadrukt het belang van een betere verbinding van de regio's; merkt ook op dat mensen in grensoverschrijdende gebieden vaak gemarginaliseerd worden als gevolg van hun geografische situatie en dat daar bij het formuleren van het cohesiebeleid beter rekening mee moet worden gehouden, met name in het kader van de doelstelling van Europese territoriale samenwerking;

30.  onderstreept het feit dat de capaciteit van de belanghebbenden moet worden opgebouwd, inclusief overheidsdiensten, administraties en instanties van het maatschappelijk middenveld, om te zorgen voor de empowerment van gemeenschappen, met name door hen in staat te stellen beter te participeren in de totstandkoming van het beleid; roept ertoe op om met dit doel ook gebruik te maken van gerichte technische assistentie en financiering;

31.  verzoekt de Commissie de technische bijstand te verlenen die nodig is ter verbetering van de administratieve capaciteit van organen die zich bezighouden met het beheer van de structuurfondsen, en roept de lidstaten op advies en administratieve steun te bieden, bijvoorbeeld door het organiseren van cursussen, hulp bij steunaanvragen en het verstrekken van uitleg, om het voor gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma gemakkelijker te maken om aan informatie te komen over Europese en nationale financieringsprogramma's ter ondersteuning van ondernemerschap en werkgelegenheid en om daartoe strekkende aanvragen in te dienen;

32.  benadrukt dat de sociale partners toegang moeten hebben tot technische bijstand om niet alleen hun capaciteiten te versterken maar ook te zorgen voor hun coördinatie en vertegenwoordiging in de ad-hoc-comités die de operationele programma's vaststellen en uitvoeren;

33.  wijst erop dat de Commissie, in een partnerschap met vertegenwoordigers van gemarginaliseerde gemeenschappen, na het geven richtsnoeren voor een definitie van gemarginaliseerde gemeenschappen, een ad hoc deskundigengroep voor het geven van advies moet opzetten, en het geven van adequate training aan het administratieve personeel moet bevorderen, om te zorgen voor specifieke kennis van de problemen van gemarginaliseerde gemeenschappen en de bestrijding van discriminerende praktijken, teneinde inclusie te bevorderen door middel van een constructieve en doeltreffende dialoog, en de tenuitvoerlegging en controle van de door de EU gefinancierde projecten in verband met gemarginaliseerde gemeenschappen op geïntegreerde en effectieve wijze uit te voeren en te controleren, om de impact ervan zo groot mogelijk te maken;

34.  acht het van essentieel belang dat gelijkheidsorganen, vrouwenorganisaties en vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen worden betrokken bij het besluitvormingsproces over de toewijzing, aanwending, uitvoering en controle van de middelen, op alle niveaus, van lokaal en regionaal niveau tot lidstaat- en EU-niveau, en is van oordeel dat het toezicht op en de evaluatie van de uitgevoerde programma's moeten worden beschouwd als een essentieel proces ter verbetering van de participatie van vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen;

35.  neemt kennis van de aanpak dat alle voorzieningen inzake strategisch en operationeel beleid, inclusief voldoende administratieve of institutionele capaciteit, voorhanden moeten zijn voordat investeringen worden gedaan; moedigt de Commissie ertoe aan grondig te volgen of aan deze voorwaarden wordt voldaan en ervoor te zorgen dat de betrokken lidstaten aanvullende acties ondernemen, met name op het gebied van de bevordering van inclusie en de bestrijding van armoede en discriminatie;

Monitoring en aanbevelingen

36.  wijst erop dat door de EU gefinancierde projecten een langetermijnperspectief moeten hebben om effectief te zijn en dat met de middelen investeringen moeten worden ondersteund in de feitelijke behoeften van de begunstigden, met mechanismen om ervoor te zorgen dat de doelgroepen worden bereikt en uitsluiting en marginalisering worden aangepakt; vraagt kwalitatief hoogstaande evaluatie- en monitoringmechanismen; verzoekt de Commissie te zorgen voor proactieve en participerende mechanismen voor monitoring en waarneming van de acties van de lidstaten in het proces van de planning en de evaluatie van de middelen die worden gebruikt voor gemarginaliseerde gemeenschappen;

37.  benadrukt dat uitsluiting met betrekking tot huisvesting, dakloosheid, onderwijs en werkloosheid vaak essentiële elementen van marginalisering zijn; benadrukt daarom dat geïntegreerde huisvesting en interventies ten gunste van gemarginaliseerde gemeenschappen op het gebied van onderwijs en werk belangrijk zijn;

38.  herinnert eraan – gezien het feit dat de recente economische en financiële crisis met name gemarginaliseerde groepen heeft getroffen die bij onrust op de arbeidsmarkt het grootste risico lopen hun baan te verliezen – dat onderwijs en werk de beste manier zijn om aan armoede te ontkomen en dat het integreren van gemarginaliseerde gemeenschappen in de samenleving en de arbeidsmarkt derhalve een prioriteit moet zijn; stelt met bezorgdheid vast dat leden van gemarginaliseerde gemeenschappen vaak het slachtoffer worden van sociale uitsluiting en discriminatie en als gevolg daarvan worden geconfronteerd met belemmeringen van de toegang tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs, werk, gezondheidszorg, vervoer, informatie en diensten in het algemeen, wat een complex probleem is dat naar behoren moet worden aangepakt door middel van het complementaire gebruik en een doeltreffende combinatie van het ESIF en nationale middelen; benadrukt derhalve dat er ten aanzien van bestaande EU-programma's, zoals het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, Erasmus+ en Creatief Europa, bijzondere inspanningen moeten worden geleverd om leden van gemarginaliseerde gemeenschappen te bereiken, gekoppeld aan een regelmatige controle van het succes daarvan, teneinde de armoede- en marginaliseringscyclus te doorbreken en de beroepsvaardigheden en -kwalificaties van mensen te verbeteren;

39.  dringt erop aan dat de middelen worden aangewend om de leefomstandigheden te verbeteren en om vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen gemakkelijker toegang te bieden tot kwalitatief hoogwaardig en stabiel onderwijs, huisvesting, gezondheidszorg, werkgelegenheid, kinderopvang, sociale dienstverlening, slachtofferhulp en rechtsbedeling;

40.  benadrukt dat de vertegenwoordigers van de gemarginaliseerde gemeenschappen actief bij de zaak moeten worden betrokken en de mogelijkheid moeten krijgen als volwaardig lid in de monitoringmaatregelen te participeren; wijst erop dat aanzienlijke ervaring had kunnen worden opgedaan op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau; onderstreept het feit dat de beste praktijken moeten worden verspreid en dat er gebruik van moet worden gemaakt; verzoekt de Commissie en de lidstaten alle bestaande beste prakrijken te analyseren, waaronder innoverende praktijken in verband met de inclusie van gemarginaliseerde groepen en individuen in de maatschappij, en netwerkactiviteiten te initiëren, onder meer tussen sociale, jeugd- en gemeenschapswerkers, alsmede academici en onderzoekers; benadrukt dat op EU-niveau een netwerkplatform moet worden ingesteld voor de facilitering van de uitwisseling van beste praktijken en de gezamenlijke oplossing van problemen, dat ook kan dienen als e-leer-faciliteit voor capaciteitsopbouw;

41.  verzoekt de Commissie aandacht te besteden aan het cohesiebeleid en gemarginaliseerde gemeenschappen in haar jaarlijkse gestructureerde dialoog met het maatschappelijk middenveld en organisaties die partners vertegenwoordigen en er tegelijk voor te zorgen dat de vertegenwoordigers van gemarginaliseerde gemeenschappen participeren en een debat te faciliteren op basis van een kwantitatieve en kwalitatieve analyse;

42.  wijst erop dat bewustzijn van de structurele en systemische inclusie niet alleen nodig is aan de kant van de maatschappij als geheel, maar in het bijzonder essentieel is voor het werk van besluitvormers en belanghebbenden op alle administratieve niveaus en van andere betrokken publieke instanties; verzoekt alle publieke belanghebbenden en onderwijsinstellingen een grondige analyse uit te voeren van de oorzaken van discriminatie en marginalisering, en mensen bewust te maken van het feit dat vreemdelingenhaat en racisme en alle soorten marginalisering die leiden tot systemische exclusie, met inbegrip van zigeunerhaat, moeten worden bestreden; verzoekt de Commissie de EU-wetgeving inzake discriminatie strikt te handhaven en te controleren; verzoekt de openbare diensten voor arbeidsvoorziening kwalitatief hoogwaardige, op behoeften gebaseerde en op maat gesneden diensten aan te bieden;

43.  benadrukt er een tweeledige aanpak nodig is om gemarginaliseerde groepen te helpen integreren, namelijk rechtstreeks samen met de betrokkenen door middel van voorlichting, met inbegrip van onderwijsvoorzieningen, opleiding, beroepskeuzebegeleiding en arbeidskansen, en samen met de plaatselijke gemeenschap en de lokale overheden om de beeldvorming onder de bevolking te verbeteren en/of te veranderen door ze meer bewust te maken van de gevolgen van vooroordelen, de openbare dienstverlening te verbeteren en de sociale stelsels aan te passen;

44.  benadrukt dat onderwijs een grondrecht is dat is verankerd in het Verdrag betreffende de Europese Unie; beklemtoont dat het waarborgen van een gelijke toegang tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs voor alle leden van de samenleving de sleutel is voor het doorbreken van de cyclus van sociale uitsluiting; is van mening dat formeel, niet-formeel en informeel onderwijs dat gekenmerkt wordt door onderricht op het gebied van diversiteit, een eerste stap is in de richting van een reële politieke, economische en sociale integratie van de gemarginaliseerde gemeenschappen; benadrukt dat er programma's, projecten en steunactiviteiten voor gemarginaliseerde gemeenschappen ten uitvoer moeten worden gelegd om te zorgen voor voorschools onderwijs, tegemoet te komen aan de behoefte aan formeel onderwijs, en tevens mogelijkheden te bieden voor andere vormen van onderwijs alsmede levenslang leren, met name wat betreft beroepsvaardigheden en ICT, en de toegang tot de media te verbeteren, onder meer met het oog op de versterking van de positie van vrouwen en meisjes in gemarginaliseerde gemeenschappen;

45.  verzoekt de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten het gebruik aan te moedigen van het EFRO voor de ondersteuning van kmo's en sociale ondernemingen die gemarginaliseerde gemeenschappen bij hun activiteiten betrekken en deze gemeenschappen ten goede komen; wijst erop dat er activiteiten voor gemarginaliseerde gemeenschappen uitgevoerd moeten worden om hulp te verlenen en de omstandigheden te scheppen voor micro-ondernemerschap, met behoud van verschillende manieren van zakendoen;

46.  wijst erop dat veel sectoren in de nabije toekomst een ingrijpende gedaanteverandering zullen ondergaan, deels vanwege het grootschaliger gebruik van online-instrumenten en -oplossingen; wijst erop dat dit zowel laaggeschoolde als middelbaar opgeleide werknemers onder druk zal zetten en dat vooral leden van gemarginaliseerde gemeenschappen hierdoor getroffen zullen worden, omdat momenteel vooral deze personen werk vinden in deze sectoren; benadrukt het belang van toegankelijke en betaalbare opleiding en diensten voor iedereen op het gebied van nieuwe technologieën en sectoren, met bijzondere aandacht voor kansen in de digitale sector en de groene economie, met name voor de meest benadeelde groepen; wijst op de belangrijke, ondersteunende rol van micro- en kleine ondernemingen bij het behoud van banen in plattelandsgebieden en dringt derhalve aan op een grotere nadruk op het waarborgen van de toegang tot financiering voor deze ondernemingen;

47.  wijst erop hoe belangrijk het is de positie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen te versterken door vrouwelijk ondernemerschap en de participatie van vrouwen in die gemeenschappen te stimuleren;

48.  benadrukt de belangrijke rol die maatschappelijk ondernemerschap, coöperatieve ondernemingen, onderlinge maatschappijen en alternatieve ondernemingen kunnen vervullen in het versterken van de positie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen; beveelt aan dat cohesiefondsen, in het bijzonder het ESF, steun verlenen aan investeringen op dit vlak met een sterk genderperspectief;

49.  verzoekt de Commissie de beperkingen te analyseren van de huidige toewijzingsregel voor de bepaling van steun met middelen van cohesiefondsen op basis van het bbp, door beter gebruik te maken van beschikbare indicatoren, zoals de EU-SILC-gegevens van Eurostat over inkomen en levensomstandigheden, waarmee zichzelf bestendigende armoede en sociale kwetsbaarheid op het grondgebied van de Unie kunnen worden geïdentificeerd, om de EU-steun voor gemarginaliseerde gemeenschappen beter te richten;

50.  onderstreept dat gemarginaliseerde gemeenschappen in het Europese politieke debat vaak het voorwerp zijn van een tendentieuze politieke instrumentalisering en dat een gedetailleerde analyse van de structurele uitsluiting nodig is, zowel in de partnerschapsovereenkomsten als in de betreffende operationele programma's; verzoekt de Commissie te zorgen voor coherente, consistente en duidelijke richtsnoeren voor de ontwikkeling, de tenuitvoerlegging en het beheer van de door de EU gefinancierde projecten in verband met gemarginaliseerde gemeenschappen, inclusief grondige analyses, voorbeelden van beste praktijken en beleidsaanbevelingen, om ervoor te zorgen dat gemarginaliseerde gemeenschappen in de EU-fondsen worden opgenomen, mede met het oog op de komende programmeringsperiode;

51.  dringt aan op de verwerking van een genderperspectief en een intersectorale analyse van financiering in alle door de EU gefinancierde initiatieven, programma's, acties en financieringsregelingen voor integratie en sociale inclusie, zodat aan de specifieke behoeften van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen tegemoet kan worden gekomen en de verscheidenheid van stemmen en standpunten van vrouwen in verschillende structurele posities en rollen beter in beeld kan worden gebracht; is van oordeel dat gendereffectbeoordelingen en genderbewust budgetteren nuttig kunnen zijn voor het evalueren van de effecten op vrouwen van financieringsprioriteiten, de toewijzing van financiële middelen en specificaties voor financieringsprogramma's; benadrukt dat er systematisch naar geslacht uitgesplitste gegevens moeten worden verzameld en dat deze regelmatig moeten worden geanalyseerd;

52.  verzoekt de lidstaten een prijs in te stellen voor voorbeeldige toewijding aan de integratie en inclusie van gemarginaliseerde groepen bij de tenuitvoerlegging van EU-fondsen; suggereert dat een dergelijke prijs voor uitmuntend werk wordt uitgereikt aan gemeenten of regio's in de lidstaten;

53.  verzoekt de lidstaten een netwerk tussen gemeenten en steden die zich bezighouden met de integratie van gemarginaliseerde groepen, mogelijk te maken en aan te moedigen; suggereert dat het burgemeestersconvenant inzake klimaatverandering kan dienen als voorbeeld voor dit netwerk;

o
o   o

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 132 van 29.5.2010, blz. 1.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(5) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 62.
(6) PB L 72 van 12.3.2014, blz. 1.
(7) PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0132.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0594.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0246.
(11) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 112.
(12) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 120.
(13) PB C 87 E van 1.4.2010, blz. 60.
(14) PB C 378 van 24.12.2013, blz. 1.
(15) PB C 114 van 15.4.2014, blz. 73.
(16) Deel II van bijlage XI bij Verordening (EU) nr. 1303/2013.

Juridische mededeling - Privacybeleid