Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 21 mei 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Zimbabwe, het geval van mensenrechtenactivist Itai Dzamara
 De benarde positie van de Rohingya-vluchtelingen, alsmede de massagraven in Thailand
 Swaziland, het geval van de mensenrechtenactivisten Thulani Maseko en Bheki Makhubu
 Tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid
 Financiering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid
 De veiligheids- en defensiecapaciteiten in Europa

Zimbabwe, het geval van mensenrechtenactivist Itai Dzamara
PDF 173kWORD 71k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 mei 2015 over Zimbabwe, de zaak van de mensenrechtenactivist Itai Dzamara (2015/2710(RSP))
P8_TA(2015)0210RC-B8-0465/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de Zimbabwe, met name die van 7 februari 2013(1),

–  gezien de lokale verklaringen van de EU van 11 maart 2015 en 9 april 2015 over de ontvoering van Itai Dzamara,

–  gezien de verklaring namens de EU van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 19 februari 2014 over de herziening van de betrekkingen tussen de EU en Zimbabwe,

–  gezien de besluiten van de Raad 2014/98/GBVB van 17 februari 2014(2) en 2015/277/GBVB(3) van 19 februari 2015 tot wijziging van Besluit 2011/101/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Zimbabwe;

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van het Bureau van de Hoge commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) van 18 januari 2013 over de recente aanvallen op verdedigers van de mensenrechten vóór de verkiezingen,

–  gezien het algemeen politiek akkoord dat in 2008 is ondertekend door de drie grootste politieke partijen, te weten ZANU PF, MDC‑T en MDC,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad over Zimbabwe van 23 juli 2012 en het Uitvoeringsbesluit 2012/124/GBVB van de Raad van 27 februari 2012(4) betreffende beperkende maatregelen tegen Zimbabwe,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van 27 juni 1981, dat door Zimbabwe is geratificeerd,

–  gezien de grondwet van Zimbabwe,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Itai Dzamara, een prominente Zimbabwaanse mensenrechtenactivist, leider van de Occupy Africa Unity Square-beweging en politiek tegenstander van president Mugabe, naar verluidt op 9 maart 2015 in een buitenwijk van Harare is ontvoerd door vijf ongeïdentificeerde gewapende mannen; overwegende dat onbekend is waar hij wordt vastgehouden en dat ernstige bezorgdheid bestaat over zijn veiligheid en gevreesd wordt dat zijn rechten worden geschonden;

B.  overwegende dat de heer Dzamara in de maanden voor zijn ontvoering een aantal vreedzame demonstraties heeft geleid tegen de verslechterende politieke en economische situatie in Zimbabwe; overwegende dat de heer Dzamara twee dagen eerder een politieke bijeenkomst toesprak die was georganiseerd door de oppositiebeweging Movement for Democratic Change – Tsvangirai (MDC‑T), waarbij hij opriep tot massale protesten tegen de toenemende onderdrukking en verslechterende economische situatie in het land, president Mugabe opriep af te treden en opriep tot hervormingen van het kiesstelsel;

C.  overwegende dat de regering tot nu toe blijft zwijgen over de verdwijning van de heer Dzamara, wat bij het publiek het vermoeden doet rijzen dat de overheid verantwoordelijk zou kunnen zijn; overwegende dat de regerende partij ZANU‑PF zijn gedwongen verdwijning ontkent en de oppositiepartijen beschuldigt van een in scène gezette actie;

D.  overwegende dat het Hooggerechtshof in een uitspraak van 13 maart 2015 de Zimbabwaanse autoriteiten opdroeg een zoekactie naar de heer Dzamara te starten en het Hooggerechtshof hiervan elke twee weken verslag uit te brengen, totdat zijn verblijfplaats bekend wordt; overwegende dat het Hooggerechtshof is genegeerd door de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor uitvoering van de uitspraak en dat de overheidsinstanties nog geen gevolg hebben gegeven aan de uitspraak;

E.  overwegende dat de heer Dzamara meerdere keren is aangevallen door aanhangers van de regeringspartij ZANU‑PF en politieofficieren in uniform; overwegende dat in november 2014 ongeveer twintig politiemensen in uniform de heer Dzamara handboeien hebben omgedaan en hem bewusteloos hebben geslagen, en ook zijn advocaat, Kennedy Masiye, hebben aangevallen;

F.  overwegende dat op 27 april 2015 in Harare 11 mensen zijn gearresteerd nadat zij deelnamen aan een optocht om steun te betuigen aan de vermiste Itai Dzamara; overwegende dat de activisten zijn gearresteerd en zes uur lang zijn vastgehouden;

G.  overwegende dat de echtgenote van de heer Dzamara, Sheffra Dzamara, het Hooggerechtshof in Harare na zijn ontvoering heeft verzocht om de politie en de Central Intelligence Organisation (CIO) op te dragen een zoektocht naar haar man te starten; overwegende dat de politie en de CIO tijdens de hoorzitting ontkenden op de hoogte te zijn van de verblijfplaats van de heer Dzamara; overwegende dat Sheffra Dzamara begin april meldde dat onbekende mannen haar onafgebroken in de gaten hielden en dat ze vreesde voor haar leven;

H.  overwegende dat de huidige situatie in Zimbabwe op het gebied van de mensenrechten en de democratie verslechtert en dat voortdurend melding wordt gemaakt van intimidatie en schendingen van de mensenrechten van mensenrechtenactivisten, journalisten en leden van maatschappelijke organisaties in Zimbabwe;

I.  overwegende dat de politie vaak misbruik maakt van bestaande wetten, zoals de Public Order and Security Act (POSA) en de Access to Information and Protection of Privacy Act (AIPPA), om wettige openbare vergaderingen en bijeenkomsten te verbieden;

J.  overwegende dat de vrijheid van vergadering, vereniging en meningsuiting essentiële onderdelen zijn van elke democratie;

K.  overwegende dat de EU in 2015 weer steun is gaan verlenen aan Zimbabwe, in de vorm van 234 miljoen EUR voor het nationaal indicatief programma, om Zimbabwe te helpen democratischer en welvarender te worden, en dat de Europese Raad besloot om een aantal sancties tegen Zimbabwe te handhaven; overwegende dat alleen president Robert Mugabe, zijn vrouw en een defensieonderneming onderworpen blijven aan de bevriezing van tegoeden en het reisverbod; overwegende dat ook een wapenembargo van de EU van kracht blijft;

L.  overwegende dat op 16 maart 2013 per referendum een nieuwe grondwet is aangenomen, met als doel om de bezem door de politiek te halen, maar dat de vooruitgang in de praktijk traag verloopt en de mensenrechtensituatie precair blijft;

1.  veroordeelt ten stelligste de gedwongen verdwijning van de mensenrechtenactivist Itai Dzamara en roept op tot zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating;

2.  dringt er bij de regering van Zimbabwe op aan alle nodige maatregelen te nemen om de heer Dzamara te vinden en alle verantwoordelijken voor het gerecht te brengen; roept de regering op volledig samen te werken met het Hooggerechtshof, dat de regering heeft opgedragen de heer Dzamara te gaan zoeken;

3.  roept de Zimbabwaanse autoriteiten op de veiligheid en beveiliging van zijn vrouw en familie, collega's en aanhangers te garanderen;

4.  is ernstig bezorgd over meldingen van mensenrechtenorganisaties van toenemend politiek geweld en intimidatie van de politieke oppositie, alsmede over de ernstige beperkingen en intimidatie waar mensenrechtenactivisten mee te maken hebben, die vaak worden geslagen door de politie en worden gearresteerd op grond van valse beschuldigingen; betreurt dat sinds de vorige verkiezingen en de goedkeuring van de nieuwe grondwet in 2013 weinig vooruitgang is geboekt met betrekking tot de rechtsstaat en in het bijzonder met de verbetering van de mensenrechtensituatie;

5.  dringt er bij de Zimbabwaanse autoriteiten op aan onderzoek te doen naar beschuldigingen van gebruik van excessief geweld en andere mensenrechtenschendingen door politie- en overheidsambtenaren, en deze daarvoor ter verantwoording te roepen;

6.  herinnert aan de algemene verantwoordelijkheid die de Zimbabwaanse regering draagt voor het waarborgen van de veiligheid van al haar burgers; roept de Zimbabwaanse autoriteiten op tot het uitvoeren van de bepalingen van de VN-verklaring van de rechten van de mens, het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en de door Zimbabwe geratificeerde regionale mensenrechteninstrumenten;

7.  herinnert eraan dat Zimbabwe in het kader van het algemeen politiek akkoord (GPA) heeft toegezegd te zullen waarborgen dat zowel de wetgeving als de procedures en praktijken in het land in overeenstemming zullen zijn met internationale beginselen en wetgeving op het gebied van de mensenrechten, waaronder de vrijheid van vergadering, vereniging en meningsuiting;

8.  neemt met instemming kennis van de instelling van de Zimbabwaanse Mensenrechtencommissie, maar is teleurgesteld dat deze niet is toegerust met significante bevoegdheden waarmee zij onafhankelijk zou kunnen optreden en haar doelstellingen met betrekking tot de urgente mensenrechtenvraagstukken waarmee het land wordt geconfronteerd zou kunnen bereiken;

9.  roept daarom op tot gecoördineerde maatregelen door de internationale gemeenschap, in het bijzonder de Ontwikkelingsgemeenschap van zuidelijk Afrika (SADC); is van oordeel dat aan deze regionale organisatie een belangrijke rol toekomt als hoeder van het algemeen politiek akkoord, die onder meer kan aandringen op de uitvoering van het akkoord, en met name artikel 13 daarvan, teneinde een onpartijdige opstelling van de politie en andere veiligheidskrachten te waarborgen;

10.  dringt er bij de Zimbabwaanse regering en president Mugabe op aan hun internationale verplichtingen na te komen en de bepalingen van de internationale verdragen die Zimbabwe heeft ondertekend uit te voeren, en de rechtsstaat en de civiele en politieke rechten te eerbiedigen;

11.  vraagt de EU haar politieke dialoog over de mensenrechten op basis van artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou te intensiveren, en de regering met name aan te moedigen de Public Order and Security Act en de Access to Information and Protection of Privacy Act in te trekken of op toereikende wijze te amenderen, teneinde misbruik ervan onmogelijk te maken;

12.  betreurt dat de tussentijdse economische partnerschapsovereenkomst (EPO) die met vier oostelijke en zuidelijke Afrikaanse (ESA) landen, waaronder Zimbabwe, is gesloten geen nadrukkelijke en handhaafbare mensenrechtenclausule bevat;

13.  wijst op de opheffing van sancties zoals besloten door de EU en steunt de gerichte maatregelen die gehandhaafd blijven tegen de president en zijn vrouw, alsmede het wapenembargo, die zijn ingesteld naar aanleiding van de politieke en mensenrechtensituatie in Zimbabwe;

14.  is van mening dat de bevordering van de democratie en de bescherming van de mensenrechten en de rechtsstaat van wezenlijk belang zijn om Zimbabwe in staat te stellen een vrij en welvarend land te worden;

15.  verzoekt de EU-delegatie in Harare de regering van nationale eenheid van Zimbabwe te blijven steunen om de mensenrechtensituatie te verbeteren; benadrukt dat de EU ervoor moet zorgen dat de ontwikkelingshulp aan Zimbabwe ook werkelijk wordt gebruikt om tegemoet te komen aan de behoeften van de bevolking, in het bijzonder via maatschappelijke organisaties, en dat de politieke en economische hervormingen waarvoor de steun bedoeld is worden doorgevoerd;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de EDEO, de regering en het parlement van Zimbabwe, de regeringen van de Ontwikkelingsgemeenschap van zuidelijk Afrika, de Commissie van de Afrikaanse Unie, het Pan-Afrikaanse Parlement, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en de secretaris-generaal van het Gemenebest.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0059.
(2) PB L 50 van 20.2.2014, blz. 20.
(3) PB L 47 van 20.2.2015, blz. 20.
(4) PB L 54 van 28.2.2012, blz. 20.


De benarde positie van de Rohingya-vluchtelingen, alsmede de massagraven in Thailand
PDF 168kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 mei 2015 over het lot van Rohingya-vluchtelingen, met inbegrip van massagraven in Thailand (2015/2711(RSP))
P8_TA(2015)0211RC-B8-0469/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Myanmar/Birma en de Rohingya's, in het bijzonder die van 20 april 2012(1), 13 september 2012(2), 22 november 2012(3) en 13 juni 2013(4) , en zijn resolutie van 23 mei 2013 over hernieuwde toegang van Myanmar/Birma tot het stelsel van algemene tariefpreferenties(5),

–  gezien zijn resolutie van 5 februari 2009 over de situatie van Birmaanse vluchtelingen in Thailand(6),

–  gezien de verklaring van het VN-Bureau voor vluchtelingen (UNHCR) van 6 mei 2015 betreffende massagraven van Rohingya's in Thailand,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966,

–  gezien het VN-verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen en het aanvullende protocol hierbij van 1967,

–  gezien de mensenrechtenverklaring van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN), met name paragraaf 13, 15, 16 en 18,

–  gezien de oproep van UNHCR van 15 mei 2015 aan regionale overheden om opsporings- en reddingsoperaties uit te voeren, waarin het waarschuwt voor "een mogelijke humanitaire ramp",

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in een escalerende regionale crisis volgens schattingen duizenden Rohingya's en andere vluchtelingen zich nog steeds op boten in de Andamanse Zee en de Straat van Malakka bevinden, dat sommigen van hen door mensenhandelaars zijn achtergelaten met weinig voedsel en water, en dat zij opnieuw de zee op worden geduwd wanneer hun boten de territoriale wateren binnenvaren;

B.  overwegende dat op 1 en 4 mei 2015 de militaire politie de lichamen van ten minste 30 etnische Rohingya-moslims heeft gevonden in een verdacht mensenhandelkamp in de regio Sadao, gelegen in de provincie Songkhla, dicht bij de grens tussen Thailand en Maleisië; overwegende dat een paar dagen later een ander kamp met ten minste vijf andere graven is gevonden;

C.  overwegende dat Rohingya's nog altijd worden vervolgd en gediscrimineerd, en dat hun nog altijd op arbitraire wijze het staatsburgerschap wordt ontnomen in Myanmar/Birma, waardoor zij statenloos worden; overwegende dat de Birmese regering op 1 april 2015 hun tijdelijke identiteitskaarten heeft ingetrokken waardoor zij hun stemrecht hebben verloren; overwegende dat misdrijven of wreedheden tegen hen nog altijd in de regel onbestraft blijven;

D.  overwegende dat Rohingya's Myanmar/Birma in groten getale hebben verlaten sinds de gewelduitbraak in 2012, die heeft geleid tot de verwoesting van buurten en tot honderden sterfgevallen; overwegende dat velen van hen die wisten te ontsnappen, in de handen zijn gevallen van smokkelbendes die actief zijn in de Golf van Bengalen;

E.  overwegende dat volgens het periodieke UNHCR-verslag van 8 mei 2015 ongeveer 25 000 Rohingya's en Bengalezen tussen januari en maart 2015 aan boord van smokkelboten zijn gegaan; overwegende dat dit bijna het dubbele is van het aantal personen die dit hebben gedaan in dezelfde periode in 2014;

F.  overwegende dat enkele duizenden Rohingya's over zee zijn gevlucht om aan vervolging te ontkomen, en overwegende dat honderden van hen om het leven zijn gekomen door zinkende boten of doordat zij weer de zee opgejaagd werden;

G.  overwegende dat sinds het optreden mensenhandelaars zeeroutes zijn gaan gebruiken; overwegende dat mensenhandelaars migranten steeds vaker op zee achterlaten;

H.  overwegende dat duizenden Rohingya's en andere migranten nog altijd via Thailand en uit andere landen in de regio worden gesmokkeld door mensenhandelaars, waaronder in bepaalde gevallen corrupte plaatselijke Thaise autoriteiten, en onder onmenselijke omstandigheden worden gevangengehouden in junglekampen in Zuid-Thailand, waar zij worden gefolterd, uitgehongerd en doodgeslagen voor losgeld van hun gezinnen en familieleden, of worden verkocht als slaven;

I.  overwegende dat UNHCR heeft opgeroepen tot gezamenlijke actie na de ontdekking van de massagraven van Rohingya's in Thailand, en landen in de regio heeft aangespoord hun samenwerking op te voeren bij het nemen van maatregelen ter bestrijding van mensensmokkel en ‑handel, en te zorgen voor bescherming van slachtoffers;

J.  overwegende dat het Rohingya-vraagstuk niet is besproken tijdens de kort gelden gehouden 26e ASEAN-top (26‑28 april 2015) in Maleisië;

K.  overwegende dat van 2010 tot 2015 het directoraat-generaal Humanitaire Hulp en Civiele Bescherming (ECHO) van de Commissie ongeveer 57,3 miljoen EUR aan humanitaire hulp heeft verstrekt aan kwetsbare personen in de deelstaat Rakhine; overwegende dat ECHO in 2015 projecten in de deelstaat Rakhine financiert om in te spelen op enkele van de meest urgente behoeften van de Rohingya's in de noordelijke gemeenten, waaronder voedsel en voeding, basisgezondheidsdiensten en andere huishoudelijke basisartikelen, en om de sinds 2012 verplaatste bevolking te ondersteunen;

L.  overwegende dat ECHO sinds 2013 325 000 EUR heeft toegewezen aan de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), voor de verstrekking van voedsel, huishoudelijke basisartikelen, gezondheidszorg en bescherming aan ongeveer 3 000 Rohingya's (mannen, vrouwen en kinderen) die worden vastgehouden in Thailand;

1.  spreekt zijn diepste bezorgdheid uit over het lot van de Rohingya-vluchtelingen en de humanitaire crisis die zich momenteel afspeelt op volle zee en in de territoriale wateren tussen Myanmar/Birma, Bangladesh, Thailand en Indonesië, en is geschokt over de bevindingen na de recente opgraving van tientallen lichamen uit massagraven in de buurt van mensenhandelkampen in Zuid-Thailand; betuigt zijn deelneming aan de nabestaanden van de slachtoffers;

2.  roept de Thaise autoriteiten op tot het instellen van een onmiddellijk, volledig en geloofwaardig strafrechtelijk onderzoek naar de massagraven van Rohingya-moslims, indien nodig met ondersteuning van de VN, om ervoor te zorgen dat degenen die hiervoor verantwoordelijk zijn worden berecht;

3.  is verheugd over het feit dat de Thaise regering het probleem van de mensenhandel in Thailand en de rest van de regio heeft erkend, evenals de medeplichtigheid van bepaalde corrupte autoriteiten bij de mensensmokkel; roept de Thaise regering en zijn functionarissen op om een einde te maken aan elke vorm van medewerking met de criminele bendes die verantwoordelijk zijn voor de smokkel van Rohingya's en andere migranten in Thailand;

4.  roept alle landen in de regio op om hun samenwerking op te voeren bij het nemen van maatregelen ter bestrijding van mensensmokkel en ‑handel, en te zorgen voor bescherming van slachtoffers; onderstreept de belangrijke rol die de ASEAN op dit gebied kan spelen; moedigt de regeringen van de landen in de regio aan om deel te nemen aan de komende regionale bijeenkomst over de situatie van migranten, op uitnodiging van Thailand, op 29 mei 2015 in Bangkok; is verheugd over het feit dat wordt gewerkt aan een ASEAN-verdrag ter bestrijding van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel (ACTIP), dat door de ASEAN-leiders in de loop van 2015 zou moeten worden goedgekeurd;

5.  roept alle landen in de regio ertoe op het VN-verdrag betreffende de status van vluchtelingen te ondertekenen en te ratificeren en Rohingya-asielzoekers ten minste tijdelijke bescherming te bieden, en tegelijkertijd de Birmese regering te ondersteunen bij het vinden van duurzame, rechtvaardige oplossingen voor de onderliggende problemen;

6.  roept de regering van Myanmar/Birma er verder toe op zijn beleid te wijzigen en alle noodzakelijke maatregelen te treffen om een einde te maken aan de vervolging en discriminatie van de Rohingya-minderheid; herhaalt zijn eerdere oproepen om de wet op het staatsburgerschap van 1982 te wijzigen of in te trekken, om ervoor te zorgen dat de Rohingya's gelijke toegang hebben tot het staatsburgerschap van Myanmar/Birma;

7.  is verheugd over de langverwachte verklaring van 18 mei 2015 van de woordvoerder van de oppositiepartij van Aung San Suu Kyi, de Nationale Liga voor Democratie, volgens welke de regering van Myanmar/Birma het staatsburgerschap aan de Rohingya-minderheid moet verlenen;

8.  spoort de leiders van Indonesië, Maleisië en Thailand aan om het redden van de levens van de migranten en vluchtelingen die vastzitten op schepen in de Golf van Bengalen en de Andamanse Zee tot een topprioriteit te maken, en is verheugd over de verklaring van Maleisië en Indonesië van 20 mei 2015 volgens welke zij tijdelijk asiel zullen verlenen aan op zee onderschepte migranten;

9.  is verheugd over steun van de Europese Unie en internationale organisaties zoals UNHCR aan de Rohingya's in Myanmar/Birma en Thailand, en de humanitaire steun van de EU aan binnenlands ontheemden in de deelstaat Arakan/Rakhine, aan Rohingya's zonder documenten en kwetsbare gastgemeenschappen in Bangladesh en aan Rohingya- en Bengaalse migranten die momenteel vastzitten in detentiecentra voor immigranten (mannen) en socialezekerheidscentra (vrouwen en kinderen) in Thailand;

10.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid deze kwestie op het hoogst mogelijke politieke niveau aan te kaarten bij haar ontmoetingen met vertegenwoordigers van Thailand en Myanmar/Birma en andere ASEAN-landen;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Myanmar/Birma, de regering en het parlement van Thailand, de secretaris-generaal van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN), de intergouvernementele commissie voor de mensenrechten van de ASEAN, de speciale vertegenwoordiger van de VN voor de mensenrechten in Myanmar/Birma, de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN, de VN-Raad voor de mensenrechten en de regeringen en parlementen van andere landen in de regio.

(1) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 79.
(2) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 145.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0464.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0286.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0228.
(6) PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 144.


Swaziland, het geval van de mensenrechtenactivisten Thulani Maseko en Bheki Makhubu
PDF 175kWORD 74k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 mei 2015 over Swaziland, het geval van de mensenrechtenactivisten Thulani Maseko en Bheki Makhubu (2015/2712(RSP))
P8_TA(2015)0212RC-B8-0473/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien de wet van Swaziland van 2000 inzake arbeidsverhoudingen (gewijzigd),

–  gezien het nationaal programma voor fatsoenlijk werk van de Internationale Arbeidsorganisatie (International Labour Organisation, ILO) voor Swaziland,

–  gezien de universele periodieke doorlichting van de VN-Mensenrechtenraad over Swaziland van 4 oktober 2011,

–  gezien het EU-stelsel van algemene preferenties (SAP), zoals door het Parlement goedgekeurd op 31 oktober 2012,

–  gezien de verklaring van de EU tijdens de 103e zitting van de Internationale Arbeidsconferentie op 6 juni 2014 in Genève,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid op 30 juli 2014 over de veroordeling van Bheki Makhubu, de redacteur van het Nation Magazine, en Thulani Maseko, mensenrechtenadvocaat,

–  gezien resolutie 286 van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volken (African Commission on Human and Peoples' Rights, ACHPR) over de vrijheid van meningsuiting in het Koninkrijk Swaziland,

–  gezien de lokale EU-verklaring van 1 april 2014 over de recente arrestatie en voortdurende opsluiting van Bheki Makhubu, de redacteur van het Nation Magazine, en Thulani Maseko, mensenrechtenadvocaat,

–  gezien het persbericht van 28 maart 2014 van de speciale rapporteur van de ACHPR voor de vrijheid van meningsuiting en toegang tot informatie in Afrika over de arrestatie van de heer Thulani Rudolf Maseko en de heer Bheki Makhubu,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Swaziland een absolute monarchie onder leiding van koning Mswati III is, die in 1973 de noodtoestand heeft afgekondigd die 41 jaar later nog steeds van kracht is, en die absolute macht uitoefent op de regering, het parlement en de rechterlijke macht en tijdens wiens heerschappij mensenrechten, de levensstandaard en de toename van de chronische armoede aanzienlijk zijn verslechterd, terwijl de eerbiediging van de rechtsstaat er enorm op achteruit is gegaan, zoals in het bijzonder blijkt uit het verbod op politieke partijen; overwegende dat de grondrechten van werknemers systematisch worden geschonden en de Swazische regering de voorbije decennia inbreuken heeft gepleegd op de mensenrechten en vakbondsrechten en de tussenkomsten van de ILO met betrekking tot de toepassing van verdrag nr. 87 niet heeft nageleefd;

B.  overwegende dat de heer Thulani Maseko, een advocaat die voor het Verbond van vakverenigingen van Swaziland werkt, op 17 maart 2014 werd gearresteerd nadat hij in een artikel kritiek had geuit op het gebrek aan onafhankelijkheid van het rechterlijk systeem in Swaziland; overwegende dat hij op 19 maart 2015 na de publicatie van een brief uit de gevangenis waarin hij de omstandigheden van zijn opsluiting aan de kaak stelt, zonder advocaat voor een disciplinair comité in de gevangenis moest verschijnen en dan naar eenzame opsluiting werd overgebracht; overwegende dat hij dit besluit heeft aangeklaagd, maar dat tot nog toe geen datum werd vastgesteld voor de hoorzitting bij het Hoog Gerechtshof;

C.  overwegende dat de heer Bheki Makhubu, een columnist en hoofdredacteur van The Nation, dat als de enige onafhankelijke krant van het land wordt beschouwd, werd gearresteerd op beschuldiging van "het schandaliseren van de rechterlijke macht" en "minachting voor de rechtbank" na de publicatie van het artikel waarin kritiek werd geuit op het rechtssysteem;

D.  overwegende dat Thulani Maseko en Bheki Makhubu op 17 juli 2014 door het Hoog Gerechtshof van Swaziland werden veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf wegens minachting voor de rechtbank, een uitspraak die disproportioneel lijkt in vergelijking met de gebruikelijke straf voor soortgelijke gevallen (30 dagen met de mogelijkheid een boete te betalen); overwegende dat de rechter die het proces voorzat, Mpendulo Simelane, in een van de artikelen in de krant van de heer Maseko werd vermeld en overwegende dat dit een duidelijke belangenvermenging en belemmering van een eerlijk proces inhoudt;

E.  overwegende dat gerechtelijke intimidatie van kritische stemmen in Swaziland niet beperkt blijft tot de zaak van de heer Maseko en de heer Makhubu, maar deel uitmaakt van een verontrustende trend om de vrijheid van meningsuiting in het land te beknotten, waar 32 wetten de vrijheid van meningsuiting en toegang tot informatie beperken en politieke partijen sinds 1973 zijn verboden;

F.  overwegende dat de autoriteiten in Swaziland naast beschuldigingen van minachting voor de rechtbank ook de wet inzake terrorismebestrijding van 2008 en de wet inzake ordeverstoring en subversieve activiteiten van 1938 actief gebruiken om activisten te intimideren en de uitoefening te beperken van de rechten op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering en overwegende dat de autoriteiten in september 2014 tegen de heer Maseko ook een proces begonnen zijn in het kader van de wet inzake ordeverstoring en subversieve activiteiten op basis van een beschuldiging wegens ordeverstoring die voor het eerst tegen hem werd geuit in 2009; overwegende dat internationale organisaties de bepalingen van de wet inzake terrorismebestrijding hebben veroordeeld als onverenigbaar met de verplichtingen van Swaziland op het vlak van mensenrechten op basis van een aantal rechtsgronden;

G.  overwegende dat zeven personen in april 2014 werden gearresteerd en beschuldigd van terroristische activiteiten gewoon omdat zij politieke T-shirts droegen; overwegende dat de premier van Swaziland, Barnabas Sibusiso Dlamini, tijdens een toespraak voor het parlement op 7 augustus 2014 zei dat twee vakbondsleiders die aan de Afrikaanse top in Washington DC hadden deelgenomen, moesten worden gewurgd voor hun kritiek op de regering en dat enkel erkende vakbonden de dag van de arbeid (1 mei) zouden mogen vieren;

H.  overwegende dat Winnie Magagula, minister voor Werk en Sociale Zekerheid van Swaziland, op 8 oktober 2014 alle federaties met onmiddellijke ingang buiten werking heeft gesteld en zo het Verbond van vakverenigingen van Swaziland (TUCOSWA) en de verenigde vakbonden van Swaziland (ATUSWA), de Werkgeversfederatie van Swaziland, de Kamer van koophandel (FSE&CC) en een aantal andere statutaire organen heeft ontbonden en overwegende dat in artikel 5 van het door de regering van Swaziland geratificeerde ILO-Verdrag nr. 87 betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen het recht van werknemersorganisaties wordt erkend om deel uitmaken van een federatie of confederatie naar keuze;

I.  overwegende dat de regering van Swaziland de aanbevelingen en herhaalde oproepen van de internationale vakbondsbeweging ter eerbiediging van de rechten in het kader van door Swaziland geratificeerde internationale verdragen, in het bijzonder ILO-Verdrag nr. 87, compleet heeft genegeerd en daarentegen het recht van werknemers op vrije vereniging en om vakbondsactiviteiten uit te oefenen totaal heeft opgeheven;

J.  overwegende dat na een onderzoeksreis van het Internationaal Verbond van Vakverenigingen (International Trade Union Confederation, ITUC) van 14‑16 mei 2015 naar Swaziland om de vooruitgang op het vlak van vrijheid van vereniging te beoordelen en politieke en mensenrechtenactivisten te bezoeken, TUCOSWA eindelijk opnieuw werd geregistreerd; overwegende dat de autoriteiten desondanks geen zekerheid hebben gegeven dat zij zich niet zullen mengen in de werking en organisatie van vakbonden en dat de politie komt opdagen op vakbondsvergadering;

K.  overwegende dat de EU op 15 juli 2014 de onderhandelingen over een economische partnerschapsovereenkomst (EPO) met de EPO-groep Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika (waaronder Swaziland) heeft afgerond en dat deze EPO waarschijnlijk in de tweede helft van 2015 aan het Parlement wordt voorgelegd voor mogelijke goedkeuring;

L.  overwegende dat Swaziland in november 2014 zijn preferentiële handelsovereenkomst met de VS in het kader van de African Growth and Opportunity Act (AGOA) heeft verloren nadat de regering de hervormingsmaatregelen, waartoe ze in 2013 uit vrije wil was overgegaan, niet heeft doorgevoerd, met inbegrip van het aanpakken van de beperkingen van de vrijheid van vereniging, vergadering en meningsuiting, zoals de gevangenisstraf van de heer Maseko en de heer Makhubu, en het wijzigen van de wet inzake terrorismebestrijding, de wet inzake openbare orde en de wet inzake arbeidsverhoudingen;

M.  overwegende dat de EU in het kader van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) 62 miljoen EUR heeft toegekend aan het nationaal indicatief programma voor de periode 2014‑2020 met als prioriteiten onder meer de bevordering van goed bestuur, transparantie, verantwoordingsplicht, onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de rechtsstaat en versterking van de veiligheid;

1.  vraagt om de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van de heer Maseko en de heer Makhubu aangezien hun gevangenschap rechtstreeks verband houdt met de legitieme uitoefening van hun recht op vrijheid van mening en meningsuiting; vraagt om de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle gewetensgevangenen en politieke gevangenen, met inbegrip van Mario Masuku, voorzitter van de People's United Democratic Movement en Maxwell Dlamini, secretaris-generaal van het jongerencongres van Swaziland; veroordeelt de moeilijke omstandigheden waarin beide gevangenen worden vastgehouden en vraagt de autoriteiten van Swaziland om in alle omstandigheden hun fysieke en psychologische integriteit te garanderen;

2.  herinnert aan de beloften die Swaziland heeft gedaan in het kader van de Overeenkomst van Cotonou om democratie, de rechtsstaat en de mensenrechtenbeginselen, met inbegrip van vrijheid van meningsuiting en vrijheid van de media, te eerbiedigen; uit zijn grote bezorgdheid over de afbrokkeling van de democratie en basisrechten in Swaziland en de steeds brutalere manier waarop de regering met haar tegenstanders omgaat;

3.  merkt op dat de straf die de heer Maseko en de heer Makhubu hebben gekregen, veel zwaarder is dan andere straffen in soortgelijke gevallen en beschouwt dit als een duidelijke poging om de activisten het zwijgen op te leggen en als afschrikmiddel voor anderen, zoals de verantwoordelijke rechter heeft verklaard; vraagt de regering van Swaziland ervoor te zorgen dat autoriteiten onmiddellijk ophouden met het intimideren van journalisten, advocaten, rechters met een onafhankelijke instelling, vakbondsvertegenwoordigers en parlementsleden die worden bedreigd met geweld, arrestatie, vervolging of andere drukkingsmiddelen als gevolg van hun pleidooien voor de mensenrechten, de eerbiediging van de rechtsstaat of politieke hervormingen;

4.  vraagt de regering van Swaziland een echte dialoog aan te gaan met vakbonden over wetgevingshervormingen die ervoor zullen zorgen dat de rechten van werknemers worden geëerbiedigd in overeenstemming met internationale verplichtingen;

5.  dringt er bij de autoriteiten van Swaziland op aan concrete maatregelen te nemen om de vrijheid van meningsuiting te eerbiedigen en te bevorderen, democratie en pluraliteit te garanderen en een wetgevingskader op te richten waarbinnen politieke partijen zich kunnen registeren, kunnen functioneren en volledig kunnen deelnemen, in overeenstemming met internationale en regionale mensenrechtenverplichtingen en de grondwet van Swaziland, meer bepaald artikel 24;

6.  benadrukt dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht een fundamenteel democratisch principe is dat geëerbiedigd moet worden;

7.  is van mening dat de gevangenschap van politieke activisten en het verbieden van vakbonden duidelijk indruisen tegen de beloftes die Swaziland heeft gedaan in het kader van de Overeenkomst van Cotonou om democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten te eerbiedigen en ook in het kader van het hoofdstuk over duurzame ontwikkeling van de economische partnerschapsovereenkomst met de Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika, waarvoor het Parlement zijn steun zal laten afhangen van de eerbiediging van de gedane beloftes, ook het naleven van internationale verdragen, in het bijzonder van belangrijke IAO-normen, zoals verdragen nr. 87 en 98;

8.  herinnert eraan dat de EU aan Swaziland handelspreferenties toekent om handelsstimulansen te verstrekken met het oog op de eerbiediging van belangrijke mensen- en arbeidsrechten en goed bestuur; is van mening dat het verbieden van vakbonden en de gevangenschap van politieke tegenstanders indruisen tegen deze doelstellingen;

9.  vraagt de Commissie derhalve haar verplichtingen na te komen en te monitoren of Swaziland de mensenrechten en arbeids- en milieuverdragen in het kader van het SAP naleeft en een onderzoek te starten om na te gaan of de in het kader van het SAP gewaarborgde arbeidsrechten ernstig en systematisch werden geschonden;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering van Swaziland, de regeringen van de lidstaten van de Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika, de Internationale Arbeidsorganisatie, de Afrikaanse Unie en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.


Tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid
PDF 215kWORD 106k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 mei 2015 over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid) (2014/2220(INI))
P8_TA(2015)0213A8-0054/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid),

–  gezien het jaarverslag van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie (hv/vv) aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (12094/14), in het bijzonder de delen over het Europees veiligheids- en defensiebeleid,

–  gezien de artikelen 2 en 3 en titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), in het bijzonder de artikelen 21, 24 en 36,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 19-20 december 2013,

–  gezien de conclusies van de interparlementaire conferentie voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van 4 april 2014 en 7 november 2014,

–  gezien de Europese veiligheidsstrategie (EVS) getiteld "Een veilig Europa in een betere wereld", die op 12 december 2003 door de Europese Raad is aangenomen, en gezien het verslag over de tenuitvoerlegging van de EVS getiteld "Veiligheid in een veranderende wereld", dat op 11 en 12 december 2008 is aangenomen door de Europese Raad,

–  gezien de conclusies van de Raad over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van 25 november 2013 en 18 november 2014,

–  gezien het voortgangsverslag van 7 juli 2014 van de hv/vv en het hoofd van het Europees Defensieagentschap over de tenuitvoerlegging van de conclusies van de Europese Raad van december 2013,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de vv/hv en de Commissie over de alomvattende EU-aanpak van externe conflicten en crisissituaties en de conclusies van de Raad van 12 mei 2014 die hiermee verband houden,

–  gezien de gezamenlijke mededeling over een EU-strategie inzake cyberveiligheid: een open, veilige en beveiligde cyberruimte, en de desbetreffende conclusies van de Raad van 25 juni 2013, en gezien het EU-beleidskader voor cyberdefensie aangenomen op 18 november 2014,

–  gezien de maritieme veiligheidsstrategie van de EU van 24 juni 2014 en het actieplan voor de maritieme veiligheidsstrategie van de EU van december 2014,

–  gezien het besluit van de Raad van 24 juni 2014 inzake de regelingen voor de toepassing van de solidariteitsclausule van de Unie,

–  gezien het beleidskader voor systematische en langetermijnsamenwerking op het vlak van defensie aangenomen op 18 november 2014,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 juli 2013 getiteld "Naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector" (COM(2013)0542) en het stappenplan voor de uitvoering ervan van 24 juni 2014 (COM(2014)0387),

–  gezien Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap(1),

–  gezien Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG(2),

–  gezien zijn resoluties over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, in het bijzonder die van 21 november 2013 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(3) en over de Europese technologische en industriële defensiebasis(4), en van 12 september 2013 over de maritieme dimensie van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(5) en over de militaire structuren van de EU: stand van zaken en toekomstperspectieven(6),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over cyberveiligheid en defensie(7),

–  gezien zijn resolutie van 3 april 2014 over de alomvattende aanpak van de EU en de gevolgen ervan voor de coherentie van het externe optreden van de EU(8),

–  gezien zijn aanbeveling aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, de Raad en de Commissie van 13 juni 2013 over de evaluatie in 2013 van de organisatie en het functioneren van de EDEO(9) en gezien de conclusies van de Raad over de EDEO-evaluatie 2013 van 17 december 2013(10),

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien artikel 132, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0054/2015),

Algemene veiligheidssituatie

1.  meent dat de veiligheidssituatie van de EU en haar Oostelijke en Zuidelijke buurlanden steeds minder stabiel wordt vanwege het grote aantal langdurige en nieuwe, opkomende bedreigingen voor de veiligheid; meent dat het conflict in Oost-Oekraïne, de conflicten in Syrië en Irak, met de opkomst van de terroristische organisatie ISIS, de crisis in Libië en de terroristische dreiging in Afrika (in het bijzonder in de Sahel, Libië en de Hoorn van Afrika) de veiligheid van de Unie rechtstreeks in gevaar brengen; meent bovendien dat het door de accentverschuiving in de Verenigde Staten naar Azië en de Stille Oceaan evenals door de gevolgen van de financiële crisis voor de defensiebegrotingen en -vermogens van de lidstaten, duidelijk is geworden dat de Unie en de lidstaten een sterkere verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun eigen veiligheid en defensie; benadrukt dat de EU enkel doeltreffend op de nieuwe, hierboven genoemde veiligheidsuitdagingen kan reageren als haar structuren en haar lidstaten op een goed gecoördineerde manier samenwerken in de context van het GBVB/GVDB;

2.  is van mening dat sinds de totstandkoming van het EVDB/GVDB aan het einde van de jaren '90, de onveiligheid aan de grenzen en in de nabije omgeving van de EU nog nooit zo sterk is geweest; is er bezorgd over dat de Unie niet in staat is om gezamenlijk en beslissend op te treden tegen deze dreigingen en zich te vaak moet beperken tot de initiatieven van een of meerdere lidstaten of tot ad-hocverbonden waarin zij slechts een marginale of aanvullende rol speelt;

3.  is van mening dat de Unie en haar lidstaten zich met spoed aan deze nieuwe veiligheidsuitdagingen moeten aanpassen, in het bijzonder door effectief gebruik te maken van de bestaande GVDB-instrumenten, onder andere door deze beter te koppelen aan de instrumenten voor het buitenlands beleid, de humanitaire hulp en het ontwikkelingsbeleid van de EU, door nationale acties sterker te coördineren en middelen sterker te bundelen, en, indien noodzakelijk, door op pragmatische en flexibele wijze gebruik te maken van nieuwe Europese-solidariteitsmechanismen; benadrukt dat de grenzen tussen buitenlandse veiligheid en binnenlandse veiligheid steeds verder vervagen; roept dan ook op tot sterkere samenhang tussen externe en interne instrumenten, en tot sterkere samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten, in het bijzonder op het gebied van terrorismebestrijding, georganiseerde misdaad, cyberdefensie en migratie, onder leiding van de vv/hv;

4.  benadrukt dat de Unie haar kracht en bestaansrecht put uit haar vermogen om middelen te mobiliseren en tegelijkertijd een breed scala aan diplomatieke, veiligheids-, defensie-, economische, handels-, ontwikkelings- en humanitaire instrumenten in te zetten, met volledige inachtneming van de bepalingen van het handvest van de Verenigde Naties; benadrukt dat de militaire en civiele instrumenten van het GVDB integraal onderdeel zijn van deze alomvattende aanpak;

Van de Raad van december 2013 tot juni 2015: het GVDB, een werkelijke prioriteit?

5.  is verheugd over de conclusies van de Raad van december 2013, waarin de noodzaak wordt erkend om het GVDB te versterken, de doeltreffendheid, zichtbaarheid en impact van dit beleid te verbeteren, de vermogens verder te ontwikkelen en de Europese defensie-industrie te versterken;

6.  betreurt, in het bijzonder gezien de toenemende externe instabiliteit, dat de in 2013 gegeven politieke impuls niet heeft geleid tot sterkere samenwerking en de inhoudelijke en snelle uitvoering van concrete maatregelen met het potentieel om de uitgesproken ambities te realiseren; meent dat de Unie tot op heden nauwelijks over de vermogens en de operationele en industriële middelen beschikt om op beslissende wijze te kunnen deelnemen aan de preventie en het beheer van internationale crises en om haar strategische autonomie en haar strategische belangen te kunnen waarborgen, overeenkomstig de waarden en normen die zijn vastgelegd in artikel 21 van het Verdrag van Lissabon; verzoekt de lidstaten om dringend concrete maatregelen uit te voeren;

7.  is ingenomen met de benoeming van de nieuwe vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini; is verheugd over haar eerste verklaringen en over haar besluit om de Raad Buitenlandse Zaken en Defensie voor te zitten, waaruit haar belangstelling voor het GVDB blijkt; hoopt dat haar standpunten een positieve impuls zullen geven aan de ontwikkeling van het GVDB; verzoekt de vv/hv om een voortrekkersrol te spelen in de werkzaamheden met het oog op de verdere tenuitvoerlegging van het GVDB en de bundeling en deling van Europese defensievermogens; verzoekt de Commissie om de werkzaamheden van de task force defensie voort te zetten op Commissieniveau, onder leiding van de vv/hv, om zo politieke sturing en toezicht te verzekeren;

8.  verwacht dat de lidstaten en de Europese instellingen, vóór de vergadering van de Europese Raad van juni 2015, tijdens welke opnieuw defensievraagstukken zullen worden behandeld, concrete maatregelen zullen aannemen overeenkomstig de in december 2013 gedane toezeggingen; is verheugd over de bevestiging van de staatshoofden dat de Raad Defensie op 25-26 juni 2015 zal plaatsvinden en roept hen op de beperkte tenuitvoerlegging kritisch bekijken en meer druk uit te oefenen op de defensiebureaucratie om de besluiten die in december 2013 op het hoogste politieke niveau zijn genomen, ten uitvoer te leggen; benadrukt dat de Europese Raad van juni 2015 onwillige lidstaten ertoe moet aansporen om meer middelen te investeren in defensie, en zijn inspanningen moet toespitsen op die gebieden van het crisisbeheer waarop de EU echt een meerwaarde kan bieden;

9.  is van mening dat tijdens de volgende vergadering van de Europese Raad Defensie besluiten moeten worden genomen die zullen leiden tot de verbetering van het vermogen van de Unie en de lidstaten wat betreft territoriale defensie, als aanvulling op de NAVO, en wat betreft het vermogen om te reageren op interne veiligheidsuitdagingen en om de nodige inzetbare vermogens te ontwikkelen om een zinvolle bijdrage van de EU aan het crisisbeheer te verzekeren, en het Europese Defensieagentschap en de Europese technologische en industriële defensiebasis moet versterken, door te starten met de uitwerking van een breed veiligheidsconcept waarin de interne en externe dimensie van veiligheid worden geïntegreerd;

GVDB-missies en -operaties

10.  is bezorgd over het feit dat ook de laatste civiele en militaire operaties van het GVDB op de sinds vele jaren bekende structurele tekortkomingen zijn gestuit, namelijk gebrek aan efficiëntie om onmiddellijk te reageren op civiele en militaire acties, lange en rigide besluitvormingsprocessen, behoefte aan meer solidariteit tussen de lidstaten met betrekking tot de financiering van de missies, gebrekkige afstemming van de mandaten van de missies op de betrokken gebieden, budgettaire beperkingen, problemen bij de opbouw van de troepenmacht, onvoldoende logistiek reactievermogen en een tekort aan financiële middelen;

11.  is van mening dat het vraagstuk rond de financiering van de GVDB-missies en -operaties van wezenlijk belang is voor de toekomst van dit beleid; betreurt dat het tijdens de vergadering van de Raad in december 2013 begonnen debat hierover vooralsnog tot geen enkel concreet voorstel geleid heeft; acht het wenselijk dat het Athenamechanisme systematisch de uitgaven van GVDB-missies en -operaties dekt, in het bijzonder in verband met de inzet van EU-gevechtstroepen, infrastructuur voor de huisvesting van de troepen, uitgaven met betrekking tot de instelling van toegangspunten voor troepen tot het strijdtoneel en, indien nodig, veiligheidsvoorraden van voedsel en brandstof; acht het bovendien wenselijk dat dit mechanisme wordt gebruikt voor het beheer van de financiering door lidstaten, op bilaterale wijze, en door derde landen en internationale organisaties, waardoor deze in staat worden gesteld om financieel aan operaties deel te nemen en dat in bijzonder gegronde gevallen de deelname van derde landen in crisisinterventieoperaties en -missies van de Europese Unie wordt ondersteund;

12.  spoort aan tot verdere inspanningen om de geldverschaffing voor civiele missies te bespoedigen en besluitvormingsprocedures en uitvoering te vereenvoudigen; is in dit verband van mening dat de Commissie middels gedelegeerde handelingen en in overeenstemming met artikel 210 van het Financieel Reglement specifieke aanbestedingsregels dient in te voeren voor de crisisbeheersingsmaatregelen uit hoofde van het GVDB, om zo het snelle, soepele verloop van operaties te bevorderen;

13.  verzoekt om een mechanisme van vervroegde financiering als hulp voor de lidstaten die wensen deel te nemen aan een GVDB-missie om hun deelname te bekostigen en op die manier de beslissing om de missie op te starten te vergemakkelijken;

14.  benadrukt de bijdrage van de EU aan de internationale veiligheid, het crisisbeheer en de vredeshandhaving via de civiele en militaire missies en operaties van de EU, als belangrijk onderdeel van de brede EU-aanpak; merkt op dat de door de Europese Unie sinds 2009 begonnen civiele en militaire missies te vaak zijn opgezet om bij crises zichtbaarheid te geven aan de Unie en niet als strategisch instrument op basis van een diepgaande analyse en planning; is van mening dat deze missies, waarvan moet worden benadrukt en toegejuicht hoe professioneel en toegewijd het personeel ter plaatse is, daadwerkelijke, doeltreffende politieke instrumenten moeten zijn die op verantwoordelijke wijze worden gebruikt, als onderdeel van een algemene actiestrategie, in het bijzonder in de omgeving van de EU; steunt de lopende herziening van de crisisbeheersingsstructuren binnen de EDEO; dringt er bij de vv/hv op aan de bestaande structuren veel efficiënter te maken zodat er sneller en adequater kan worden ingesprongen op zich voordoende crises, onder meer door het aantal parallelle structuren te verminderen;

15.  beschouwt gekwalificeerd personeel dat over de juiste opleiding, vaardigheden en leiderskwaliteiten beschikt als belangrijk onderdeel van een geslaagde missie;

16.  heeft onder andere twijfels over de aanvang en het behoud van een missie voor grensbeheer in Libië (EUBAM, Libië), in een institutionele en veiligheidscontext die nog altijd zodanig is dat de vastgestelde basisdoelstellingen niet kunnen worden gehaald; verzoekt om de behoeften van Libië opnieuw te beoordelen in het licht van de recente zorgwekkende ontwikkelingen, om zo gepast te kunnen reageren op veiligheidsproblemen, bijvoorbeeld in verband met de voortgezette inspanningen in de strijd tegen terrorisme in Mali en de Sahel;

17.  is van mening dat de doeltreffendheid van de 17 lopende EU-missies in het buitenland moet worden geëvalueerd;

18.  betreurt eveneens dat, gezien de situatie in de Gazastrook, de discussies van de Raad over de EU-missie voor bijstandverlening inzake grensbeheer in Rafah (EUBAM, Rafah) nog steeds geen resultaten hebben opgeleverd; verzoekt om de reactivering van deze missie en om een nieuwe beoordeling van het mandaat, de grootte en de middelen ervan, opdat een bijdrage kan worden geleverd aan het toezicht op de grens van de Gazastrook met Egypte en Israël;

19.  is ingenomen met de uitgebreide inzet van de EU in de Hoorn van Afrika, onder andere via de GVDB-missies en -operaties EUTM Somalië, EUNAVFOR Atalanta en EUCAP Nestor; merkt in dit verband op dat de activiteiten van EUCAP Nestor plaatshebben in een gecompliceerde institutionele en operationele omgeving, met zeer veel internationale spelers, waaronder de EU; verzoekt de Raad en de EDEO in dit verband om de doelstellingen van de missie te rationaliseren;

20.  hoopt dat de twee civiele missies die dit jaar van start zijn gegaan – de missie van de Raad gericht op de hervorming van de civiele veiligheidssector in Oekraïne (EUAM Oekraïne) en de missie ter ondersteuning van de binnenlandse veiligheidsdiensten van Mali (EUCAP Sahel Mali), hun mandaat doeltreffend zullen vervullen en zich zullen toespitsen op duidelijk vastgestelde, meetbare en op de lange termijn gerichte doelstellingen;

21.  wijst op het bestaan sinds juni 2013 van een opslagruimte voor een snelle beschikbaarstelling van noodzakelijke middelen aan civiele GVDB-missies; is van mening dat deze opslagruimte slechts doeltreffend kan worden gebruikt indien deze in dienst staat van de betrokken missiehoofden en de door hen vastgestelde behoeften, en niet pas kan worden ingezet na een besluit van de Commissie; wenst dat jaarlijks een activiteitenverslag betreffende deze opslagruimte wordt opgesteld, om een concrete beoordeling te kunnen maken van de toegevoegde waarde ervan voor de snelle inzet van civiele missies;

22.  is verheugd over de lopende studies voor de oprichting van een gezamenlijk dienstencentrum waarin de middelen bestemd voor de civiele GVDB-missies zouden worden gebundeld en waardoor de missies efficiënter zouden worden ingezet; verzoekt om de oprichting van een gezamenlijk dienstencentrum; is van mening dat de meest doeltreffende oplossing zou bestaan uit één enkele institutionele structuur binnen de EDEO waarbinnen de diensten voor civiele missies (personeelszaken, IT, logistiek...) zouden worden gecentraliseerd en gerationaliseerd, die tot op heden voor elke missie apart worden geregeld;

23.  merkt op dat de militaire GVDB-operaties steeds vaker gericht zijn op de opleiding van troepenmachten (EUTM Mali en EUTM Somalië); is verheugd over het besluit om deze operaties uit te voeren, maar benadrukt dat het mandaat van elke missie moet worden aangepast aan de omstandigheden in elke afzonderlijke situatie; is van mening dat de samengestelde eenheden volledig operationeel moeten zijn en dus over aanvalsvermogen dienen te beschikken; betreurt dat missies met een uitvoerend mandaat tegenwoordig nog maar zelden worden overwogen; is van mening dat gezien de aanhoudende dreigingen in de omgeving van de EU, de Unie het zich niet kan veroorloven om zich uitsluitend te richten op de instrumenten die worden ingezet na afloop van crises of ter begeleiding van de beëindiging van crises en dat zij moet kunnen optreden op alle gebieden van crisisbeheer, in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties;

24.  betreurt de aanhoudende problemen rond de opbouw van troepen die zijn ondervonden bij het opstarten van militaire missies; merkt op dat, met uitzondering van EUTM Mali, waaraan 23 lidstaten effectief bijdragen, bij alle lopende militaire EU-operaties slechts zes lidstaten betrokken zijn; dringt er bij de lidstaten op aan meer troepen te leveren voor operaties, wanneer de nodige nationale vermogens voorhanden zijn; wijst op de noodzaak van een gemeenschappelijke en op samenwerking gebaseerde aanpak voor het bijeenbrengen van de nodige troepen; is ingenomen met de bijdragen van derde landen, die getuigen van de concrete waarde van partnerschappen binnen het GVDB; verzoekt de lidstaten een sterkere bereidheid te tonen wat betreft militaire EU-operaties en op basis hiervan de middelen en vermogens waarover zij beschikken voor deelname hieraan, ter beschikking te stellen;

25.  is van mening dat, aangezien zowel de civiele (EUCAP) als de militaire (EUTM) missies van de Unie gericht zijn op opleiding, een structureel beleid zou moeten worden ingevoerd om deze missies op langere termijn te kunnen waarborgen via een doeltreffend mandaat en efficiënte doelstellingen die afgestemd zijn op de situatie waarin de missie plaatsvindt, door het bieden van financiële en materiële bijstand; meent dat met dit nieuwe beleid, als onderdeel van de inspanningen van de Unie voor samenwerking en ontwikkeling, verdere uitvoering zou kunnen worden gegeven aan de werkzaamheden in het kader van de initiatieven "Train and Equip" en "E2I" gericht op de versterking van de capaciteiten van derde landen (materieel, wapens, infrastructuur, salarissen), opdat deze over operationele troepenmachten beschikken; spoort de Commissie er in dit verband toe aan om innovatieve financieringsbronnen te verkennen;

26.  neemt nota van het in november 2013 door de Raad geuite voornemen om de modulaire structuur en de flexibiliteit van de EU-gevechtstroepen te verbeteren opdat deze kunnen worden ingezet voor alle soorten crisisbeheerstaken; merkt echter op dat de enige vooralsnog in dit verband geboekte (zeer beperkte) vooruitgang eruit bestaat dat wordt overwogen om het Athenamechanisme de kosten voor het strategisch vervoer van de gevechtstroepen naar de operatietonelen te laten dekken; erkent dat de weinig constructieve houding bij alle lidstaten een politieke en operationele belemmering vormt voor de inzet van gevechtstroepen;

27.  is verheugd over het positieve bericht van de laatste informele vergadering van de Raad Defensie dat het potentieel van artikel 44 VEU zal worden onderzocht; betreurt evenwel dat door de verdeeldheid over dit onderwerp geen vooruitgang is geboekt wat betreft de toepassingsbepalingen van artikel 44; is van mening dat met de tenuitvoerlegging van artikel 44 de flexibiliteit van de Unie en de snelheid waarmee zij kan optreden aanzienlijk kunnen worden verbeterd, en dus ook haar capaciteit om de haar omringende dreigingen te bestrijden; spoort de lidstaten die geen belang hebben bij of niet de middelen hebben voor deelname aan GVDB-missies aan een constructieve houding aan te nemen door het optreden van andere lidstaten, indien deze dit wenselijk achten, mogelijk te maken;

28.  verzoekt de vv/hv bovendien om de mogelijkheden van andere artikelen ter zake van het Verdrag van Lissabon te onderzoeken, in het bijzonder de artikelen over het startfonds (art. 41 VEU), permanente gestructureerde samenwerking (art. 46 VEU), de solidariteitsclausule (art. 222 VWEU) en de clausule betreffende wederzijdse bijstand (art. 42 VEU);

29.  wenst dat serieus wordt overwogen om gebruik te maken van multilateraal stafpersoneel – in formaties die blijk geven van de noodzakelijke modulariteit –, waarvan de doeltreffendheid reeds in de praktijk is bewezen, zoals het Eurocorps van Straatsburg;

30.  verbaast zich erover dat er nog steeds geen gemeenschappelijke EU-strategie bestaat om het hoofd te bieden aan de nieuwe uitdagingen met betrekking tot de veiligheid in de EU; is ingenomen met het voornemen en de verbintenis van de vv/hv om een proces van strategische bezinning over de uitdagingen en kansen voor het buitenlands en veiligheidsbeleid op te zetten; herinnert eraan dat met dit proces wordt beoogd een nieuwe gemeenschappelijke Europese veiligheidsstrategie te ontwikkelen ter vaststelling van de nieuwe geostrategische scenario's, dreigingen en wereldwijde uitdagingen, en de acties vast te stellen die de EU kan ondernemen in reactie hierop, met name in het kader van GBVB en het GVDB; verzoekt de vv/hv bovendien om een breed proces te starten om een nog ambitieuzer witboek inzake Europese veiligheid en defensie te ontwikkelen om de strategische ambities en de processen voor vermogensontwikkeling van de EU te stroomlijnen; wacht op de toekomstige mededeling van de vv/hv waarin de effecten van de veranderingen op de situatie in de wereld zullen worden beoordeeld en de uitdagingen en kansen ervan voor de EU zullen worden bepaald;

31.  is ingenomen met de goedkeuring op 18 november 2014 van het EU-beleidskader voor cyberdefensie, waarin vijf prioriteiten zijn vastgesteld voor cyberdefensie in het kader van het GVDB en waarin de rol van de verschillende actoren wordt verduidelijkt; is verheugd over het feit dat met het kader wordt beoogd de ontwikkeling van nationale capaciteiten op het gebied van cyberdefensie te ondersteunen en de bescherming van communicatienetwerken voor de GVDB-instrumenten te versterken; benadrukt dat een gemeenschappelijk niveau van cyberveiligheid in de lidstaten moet worden bereikt om vooruitgang te kunnen boeken bij de samenwerking op dit gebied en ons vermogen ter bestrijding van cyberaanvallen en cyberterrorisme te versterken, en hoopt dat dit actieplan het begin zal zijn van een meer systematische integratie van cyberdefensieaspecten in de nationale-veiligheidsstrategieën van de lidstaten, en ertoe zal leiden dat de EU-instellingen zich bewust worden van het belang van cyberdefensie; verzoekt verder om een samenhangende Europese strategie om kritieke (digitale) infrastructuur te beveiligen tegen cyberaanvallen en tegelijkertijd de digitale rechten en vrijheden van de burgers te beschermen en te bevorderen; herinnert aan de noodzaak van meer duidelijkheid en een passend rechtskader, gezien de problemen bij het toeschrijven van cyberaanvallen en de behoefte aan een evenredige en noodzakelijke respons in alle contexten;

32.  wijst op de onmiddellijke dreiging voor het cyberdomein en onderstreept de noodzaak van weerbaarheid en paraatheid in de EU om op cybercrises te reageren, ook in de context van het GVDB, en spoort daarom alle lidstaten ertoe aan om hun ontwikkeling van cyberdefensievermogens onverwijld aanzienlijk te versterken; benadrukt dat er moet worden geïnvesteerd in hooggekwalificeerd menselijk kapitaal en O&I; wijst op de noodzaak van synergieën en complementariteit in het civiele en het militaire domein van cyberveiligheid en -defensie in de EU; onderstreept het belang van een nauwere samenwerking op het gebied van cyberdefensie met de NAVO;

33.  benadrukt het belang van samenwerking tussen de EU en andere internationale instellingen op het gebied van veiligheid en defensie, in het bijzonder de VN, de NAVO, de Afrikaanse Unie en de OVSE; is verheugd over de verklaring van de top van de NAVO in Wales van september 2014, waarin de organisatie haar steun aan de ontwikkeling van het GVDB bevestigt; dringt aan op de uitvoering van maatregelen voor de versterking van de twee organisaties;

Vermogens

34.  meent dat de gevolgen van de economische en financiële crisis van 2008 hebben geleid tot een verlaging van de nationale defensiebegrotingen en dat deze verlaging is opgetreden zonder de minste coördinatie tussen de lidstaten, waardoor de strategische autonomie van de Unie in gevaar is gebracht, evenals de mogelijkheden van haar lidstaten om te voorzien in de vermogensbehoeften van hun krijgsmacht, en afbreuk is gedaan aan de verantwoordelijkheden en het potentieel van de Unie als mondiale verstrekker van veiligheid; benadrukt dat het belangrijk is dat er tussen de lidstaten van tevoren plannen worden gemaakt voor strategische investeringen voor de aankoop en het herstel van materieel;

35.  is ervan overtuigd dat de EU vitaal belang heeft bij een veilige, open en schone maritieme omgeving waarin de vrije doorgang van goederen en personen en het vreedzaam, legaal, billijk en duurzaam gebruik van de rijkdommen van de oceanen mogelijk is; is van mening dat het institutionele kader van de EU, zowel op civiel als op militair gebied, dan ook verder moet worden ontwikkeld om de Europese strategie voor maritieme veiligheid ten uitvoer te leggen; merkt op dat de meeste strategische middelen, kritieke infrastructuur en vermogens onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen en dat hun bereidheid om de samenwerking te versterken van het allergrootste belang is voor de Europese veiligheid;

36.  is verheugd over de goedkeuring door de Raad van 18 november 2014, van een politiek kader voor systematische langetermijnsamenwerking op defensiegebied, uitgaande van de samenvoeging van de processen voor vermogensplanning en van informatie-uitwisseling; benadrukt dat met ditzelfde doel de lidstaten de gedragscode van het EDA op het gebied van de bundeling van krachten en de verdeling van middelen verder moeten uitvoeren, om op een meer doeltreffende wijze te anticiperen op toekomstige vermogenstekorten en de samenwerking voor vermogensontwikkeling te systematiseren; verzoekt de vv/hv om bewijs voor te leggen voor specifieke maatregelen die zullen worden getroffen om de samenwerking op het gebied van defensie te versterken; verzoekt de lidstaten om, gezien de ongecoördineerde toename van bi- of multilaterale defensiesamenwerking, een permanente samenwerkingsstructuur (PESCO) op te zetten met het oog op een betere coördinatie en om EU-financiering te gebruiken voor samenwerking in vredestijd; verzoekt de vv/hv om realistische plannen voor te stellen voor de geslaagde lancering van PESCO;

37.  is verheugd over de aanneming door de Raad van november 2014 van het vermogensontwikkelingsplan (CDP) van het EDA, waarin de 16 prioriteiten voor vermogensontwikkeling zijn vastgelegd; is eveneens verheugd over het werk van het EDA door middel van de samenwerkingsdatabank (Codaba), waarin de mogelijkheden voor samenwerking tussen de lidstaten worden geïnventariseerd, hetgeen de weg baant voor verschillende vormen van samenwerking; spoort de lidstaten aan om rekening te houden met deze instrumenten bij de ontwikkeling van hun militaire vermogens; verzoekt om overlapping van elders lopende initiatieven strikt te vermijden en meer aandacht te besteden aan het identificeren van manieren om een echte meerwaarde te creëren;

38.  verbaast zich erover dat er nog altijd op EU-niveau geen maatregelen bestaan voor de fiscale stimulering van samenwerking en bundeling van krachten; wijst op de oproep van de Raad van december 2013 om de mogelijkheden voor dergelijke maatregelen te onderzoeken en betreurt dat gedurende het gehele afgelopen jaar de discussies nog tot geen enkele concrete maatregel op dit gebied hebben geleid; merkt op dat de Belgische regering reeds op ad-hocbasis BTW-vrijstellingen geeft, voor de voorbereidende fases van bepaalde EDA-projecten (bijvoorbeeld voor satellietcommunicatie); is van mening dat dergelijke vrijstellingen een systematisch karakter moeten krijgen en moeten worden uitgebreid naar infrastructuur en concrete vermogensprogramma's, naar het voorbeeld van het bestaande mechanisme bij de NAVO of dat van de EU voor infrastructuur voor civiel onderzoek; roept op andere stimulansen te ontwikkelen ter aanmoediging van samenwerking tussen Europese belanghebbenden;

39.  is verheugd over de bestaande samenwerkingsmodellen, zoals het European Airlift Transport Command (EATC) en over de voortdurende uitbreiding ervan met nieuwe lidstaten; betreurt dat dit model dat al jaren bestaat nog niet is aangepast aan andere soorten defensievermogens; roept op tot het gebruik van het EATC-model op andere gebieden van operationele bijstand om de grootste vermogenstekorten weg te nemen;

40.  wijst op de zeer beperkte vooruitgang die is geboekt bij projecten voor de bundeling van krachten en de verdeling van middelen; is met name verheugd over de vooruitgang die is geboekt op het gebied van bijtanken in de lucht met de aanschaf van een multifunctionele tankertransportvloot; betreurt dat tot op heden een zeer beperkt aantal lidstaten aan dit project heeft deelgenomen en spoort de lidstaten die op dit gebied met tekortkomingen kampen, aan zich hierbij aan te sluiten; is van mening dat de lidstaten de projecten inzake bundeling van krachten en verdeling van middelen moeten voortzetten en hierbij de aandacht moeten vestigen op de 16 vermogensdomeinen die ze met het EDA en de Militaire Staf van de Europese Unie via het GVDB hebben vastgesteld;

41.  wijst op het voornemen van de Raad om projecten te ontwikkelen om de EU-vermogens te versterken, onder andere op het gebied van op afstand bestuurde luchtvaartuigen (RPAS) en gouvernementele satellietcommunicatie; wijst op de noodzaak om een regelgevend kader vast te stellen voor de initiële integratie, uiterlijk in 2016, van RPAS in het Europese luchtvaartsysteem, rekening houdend met de civiele en militaire behoeften en de noodzaak om het internationaal recht te eerbiedigen; verzoekt de Commissie om toe te lichten hoe de middelen van Horizon 2020 voor civiel-militair onderzoek kunnen worden gebruikt voor de integratie van RPAS in het Europese luchtruim;

42.  is verheugd over de geboekte vooruitgang op het gebied van de EU-satellietdiensten (Galileo, Copernicus, EGNOS); meent dat dergelijke ruimtediensten, in het bijzonder Copernicus, operationeel moeten worden gemaakt om te kunnen voorzien in de behoeften van de GVDB-missies en -operaties in termen van hogeresolutiesatellietbeelden; is verheugd over de lancering van het project Ariane 6; betreurt dat, om technische en commerciële redenen, de Unie nog altijd Russische draagraketten aanschaft, hetgeen strijdig is met haar doelstelling om een zekere strategische autonomie te verwerven en benadrukt daarom dat er werk moet worden gemaakt van de verdere ontwikkeling van technologieën die zowel een civiele als militaire toepassing kunnen hebben en die onze onafhankelijkheid waarborgen;

43.  verzoekt de Unie om de lidstaten aan te sporen om te voldoen aan de vermogensdoelstellingen van de NAVO, door een minimum aan defensie-uitgaven ter hoogte van 2 % van het bbp verplicht te stellen, evenals een minimum aan uitgaven voor belangrijke voorzieningen, waaronder onderzoek en ontwikkeling, ter hoogte van 20 % van hun defensiebegroting;

De defensie-industrie

44.  is verheugd over het voorstel van de Commissie voor een verbetering van de toegang van kmo's tot defensiemarkten, die momenteel zeer specifiek zijn om verschillende redenen, namelijk: de vraag komt vrijwel uitsluitend van overheden, het aantal bedrijven op de markt is beperkt, het ontwikkelen van producten kost veel tijd en de producten hebben een lange levensduur, en bepaalde technologieën hebben een strategisch karakter;

45.  wijst op de mededeling van de Commissie van juli 2013 getiteld "Naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector", en op het stappenplan van juni 2014 over de tenuitvoerlegging ervan en de hierin opgenomen voorstellen, in het bijzonder voor een betere tenuitvoerlegging van de richtlijnen 2009/81/EG en 2009/43/EG inzake de interne markt, zonder afbreuk te doen aan de soevereine rechten van de lidstaten, die voortvloeien uit artikel 346 VWEU;

46.  is van mening dat vooruitlopend op al deze maatregelen een gemeenschappelijke definitie moet worden vastgesteld van de omvang van de Europese industriële en technologische defensiebasis (EDTIB) om te kunnen bepalen welke bedrijven of strategische activiteiten hiervan gebruik zouden kunnen maken, rekening houdend met het potentieel van de defensie-industrie, dat van lidstaat tot lidstaat verschilt; is van mening dat deze definitie in het bijzonder zou kunnen worden gebaseerd op bepaalde criteria, zoals de ontwikkeling binnen de EU van materieel en technologie, de controle van ondernemingen over de eigendomsrechten en de gebruiksrechten voor het ontwikkelde materieel en de ontwikkelde technologie, en de waarborg dat, in geval van buitenlandse aandeelhouders, deze niet over te veel stemrecht beschikken, waardoor ondernemingen de controle over hun activiteiten zouden kunnen verliezen; wijst op de noodzaak om de kritieke defensiemiddelen van de EU vast te stellen (zoals essentiële industriële vermogens en kritieke technologieën);

47.  herinnert eraan dat het industrie-, ruimte- en onderzoeksbeleid van de EU met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is uitgebreid naar het domein van defensie; wijst erop dat de programma's van de Unie op andere gebieden zoals interne beveiliging en grensbewaking, rampenbeheer en ontwikkeling veelbelovende vooruitzichten bieden voor de gezamenlijke ontwikkeling van vermogens die relevant zijn voor deze beleidsterreinen en voor de uitvoering van GVDB-missies; verzoekt de Commissie om te voorzien in permanente procedures voor samenwerking tussen de Commissie, de EDEO, het EDA en de lidstaten op het gebied van de interne markt, industrie, ruimtevaart, onderzoek en ontwikkeling; verzoekt de Commissie om een permanente koppeling tot stand te brengen tussen EU-organen en -agentschappen op het gebied van interne veiligheid (Frontex, Europol, ENISA) en externe veiligheid en defensie (het Europees Defensieagentschap, EDEO);

48.  wijst op de voorstellen van de Commissie voor een betere tenuitvoerlegging van de Richtlijnen 2009/81/EG (opdrachten op defensie- en veiligheidsgebied) en 2009/43/EG (overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de interne markt); meent dat ook moet worden bepaald wat wordt verstaan onder materieel en technologie van hoge strategische waarde en waarop Richtlijn 2009/81/EG (materieel voor essentiële veiligheidsbelangen) en Richtlijn 2004/18/EG (materieel dat wordt gebruikt voor defensiedoeleinden, doch niet specifiek voor defensiedoeleinden is ontworpen) geen betrekking hebben; is van mening dat EU-ondernemingen die activiteiten in deze sector ontplooien, een specifiek juridisch en financieel stelsel nodig hebben dat hun concurrentievermogen bevordert en tegelijk de strategische autonomie van de EU waarborgt;

49.  wijst op het voornemen van de Raad om een regeling voor EU-brede leveringszekerheid in te voeren waarin wordt voorzien dat de lidstaten elkaar onderling ondersteunen en snel inspelen op elkaars defensiebehoeften; wacht op het stappenplan van de Commissie waarin opties voor de uitvoering van deze regeling zullen worden opgenomen, alsook het nieuwe groenboek over de controle over buitenlandse investeringen in strategische defensieondernemingen; is ingenomen met de aanneming van de uitgebreide kaderregeling van het EDA voor leveringszekerheid tussen de lidstaten als belangrijk vrijwillig, juridisch niet-bindend mechanisme voor de lidstaten om de wederzijdse ondersteuning en bijstand inzake leveringszekerheid te verbeteren; verzoekt het EDA en de Commissie om gezamenlijk aanvullende maatregelen en initiatieven te ontwikkelen om een EU-brede leveringszekerheid te bevorderen en de lidstaten te ondersteunen bij de tenuitvoerlegging van de nieuwe kaderregeling;

50.  verzoekt de Commissie om duidelijk Europese financiële middelen en instrumenten vast te stellen en ter beschikking te stellen, om de opzet van een Europese interne markt voor de defensie-industrie te ondersteunen;

51.  is ingenomen met de goedkeuring van de wijzigingen in de uitvoercontrolelijsten van het Wassenaar Arrangement met betrekking tot bewakings- en toegangsdetectietechnologie, die onlangs ook ten uitvoer zijn gelegd op EU-niveau; benadrukt echter dat er meer nodig is om de ongecontroleerde productie en uitvoer van technologie die kan worden gebruikt om de kritieke infrastructuur van de EU aan te vallen en de mensenrechten te schenden, te voorkomen; verzoekt de Commissie daarom om zo snel mogelijk met een voorstel te komen voor een herziening van de verordening inzake de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik;

52.  meent dat geen enkele regering alleen onderzoeks- en technologieprogramma's met een dergelijke omvang kan starten; herinnert aan de verklaring van de Raad van december 2008 over het versterken van de vermogens en de verbintenis van de lidstaten om de collectieve doelstelling te bereiken om 2% van de defensie-uitgaven aan onderzoeksfinanciering te besteden; verzoekt de vv/hv en het hoofd van het EDA om gegevens te verstrekken over hoe we er op dat vlak voor staan; is dan ook verheugd over de voorstellen van de Commissie betreffende de ontwikkeling van synergieën tussen civiel en defensieonderzoek; wijst er in dit verband op dat het programma voor veiligheidsonderzoek van Horizon 2020 aanzienlijke mogelijkheden biedt om vermogens te ontwikkelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de onderzoeksmissie ter ondersteuning het externe beleid van de Unie, te steunen, bijvoorbeeld via technologische ontwikkeling op het gebied van technologie voor tweeërlei gebruik om de interoperabiliteit van de civiele bescherming en militaire strijdmachten te verbeteren, zoals vermeld in het specifieke programma tot vaststelling van Horizon 2020; verzoekt de Commissie en de lidstaten om hiermee samenhangende onderzoeksactiviteiten op te nemen in de jaarlijkse werkprogramma's; is eveneens verheugd over de start van voorbereidende acties en hoopt dat de voorbereidende actie op het gebied van het GVDB zal leiden tot de financiering van een onderzoeksterrein op grond van het volgende meerjarig financieel kader; wijst op het belang van de tenuitvoerlegging van een gezamenlijk proefproject inzake GVDB-onderzoek van de Commissie en het EDA, zoals voorgesteld door het Parlement in de begroting 2015, met het oog op de tenuitvoerlegging van de EU-doelstellingen en de EU-begroting door het agentschap; betreurt in dit verband dat de Commissie het Parlement geen beoordeling heeft verstrekt van het potentieel van artikel 185 VWEU, zoals gevraagd in zijn resolutie van 21 november 2013 over de Europese technologische en industriële defensiebasis;

53.  roept tegelijkertijd op tot de grootste waakzaamheid, of het nu gaat om beheersvraagstukken, intellectuele-eigendomsrechten, cofinanciering of regels voor deelname aan de voorbereidende actie op defensiegebied; wenst dat de lidstaten volledig worden betrokken bij het besluitvormingsproces om onnodige bureaucratie te voorkomen en ervoor te zorgen dat de programma's in de strategische behoeften van het GVDB en de lidstaten voorzien;

54.  herinnert aan de uiterst gevoelige en strategische aard van het onderzoek op het gebied van defensie voor zowel het concurrentievermogen van de ondernemingen als voor de strategische autonomie van de EU, en verzoekt om de invoering van een passend beleid inzake intellectuele eigendom dat verband houdt met veiligheid en defensie om de onderzoeksresultaten te beschermen; wacht op desbetreffende voorstellen van de Commissie, evenals van defensieondernemingen;

55.  wijst op de voorstellen van de Commissie ter bevordering van de instelling van gemeenschappelijke normen en certificeringsprocedures voor defensiematerieel; wacht op het stappenplan van het EDA en de Commissie voor de opstelling van industriële normen op defensiegebied, en de suggesties van het EDA en het EASA voor de verbetering van de wederzijdse erkenning van militaire certificering binnen de EU; betreurt de terughoudendheid van Europese normalisatieorganisaties om normalisatiezegels af te geven voor defensieproducten;

o
o   o

56.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de NAVO, de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de NAVO, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de fungerend voorzitter van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de OVSE, de voorzitter van de Vergadering van de Afrikaanse Unie en de secretaris-generaal van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten.

(1) PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1.
(2) PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0513.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0514.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0380.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0381.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0457.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0286.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0278.
(10) http://eeas.europa.eu/library/publications/2013/3/2013_eeas_review_nl.pdf


Financiering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid
PDF 193kWORD 88k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 mei 2015 over de financiering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (2014/2258(INI))
P8_TA(2015)0214A8-0136/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en met name de artikelen 21, 24, 41, 42, 43, 44 en 46,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 2 december 2013 betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3) en de latere wijzigingen daarvan,

–  gezien het speciaal verslag nr. 18/2012 van de Europese Rekenkamer, "Bijstand van de Europese Unie aan Kosovo op het gebied van de rechtsstaat",

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 18 december 2013,

–  gezien de conclusies van de Raad over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van 25 november 2013 en 18 november 2014,

–  gezien het voortgangsverslag van 7 juli 2014 van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger (VV/HV) en het hoofd van het Europees Defensieagentschap over de uitvoering van de conclusies van de Europese Raad van december 2013,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de VV/HV en de Commissie over de alomvattende EU-aanpak van externe conflicten en crisissituaties en conclusies van de Raad van 12 mei 2014 die hiermee verband houden,

–  gezien het jaarverslag 2014 en het financieel verslag 2013 van het Europees Defensieagentschap,

–  gezien zijn resolutie van 3 april 2014 over de alomvattende aanpak van de EU en de gevolgen ervan voor de coherentie van het externe optreden van de EU(4),

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Helsinki van 11 december 1999 (hoofddoel voor 2003) en het hoofddoel voor 2010, zoals door de Raad op 17 mei 2004 goedgekeurd,

–  gezien het civiel hoofddoel voor 2010, dat door de Conferentie over de verbetering van de civiele vermogens werd goedgekeurd en waarvan de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen op 19 november 2007 kennis heeft genomen,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie buitenlandse zaken en de Begrotingscommissie overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Begrotingscommissie (A8-0136/2015),

A.  overwegende dat in de steeds uitdagendere veiligheidsomgeving in en buiten de Unie, die gekenmerkt wordt door nieuwe risico's en bedreigingen waaraan geen enkele lidstaat alleen het hoofd kan bieden, het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) moet worden versterkt om een doeltreffender beleidsinstrument te kunnen zijn en de veiligheid van de EU-burgers en de bevordering van de Europese belangen en waarden echt te kunnen garanderen; overwegende dat de Unie de veiligheid aan haar buitengrenzen moet verhogen;

B.  overwegende dat wegens besparingen op defensie-uitgaven en bestaande overlappingen de financiering van GVDB-missies en -operaties opnieuw bekeken moet worden en begrotingstoewijzingen op een betere en meer kostenefficiënte wijze benut moeten worden, waarbij tegelijkertijd moet worden gezorgd voor gedegen democratisch toezicht door de Europese instellingen op alle missies en operaties, ongeacht of het om civiele of militaire operaties gaat;

C.  overwegende dat de Europese Raad van december 2013 heeft besloten de financiële aspecten van EU-missies en operaties te onderzoeken, met inbegrip van een herziening van het Athenamechanisme, om ervoor te zorgen dat de Unie via de procedures en regels sneller, flexibeler en efficiënter kan zijn bij het inzetten van civiele missies en militaire operaties;

D.  overwegende dat de hoge vertegenwoordiger van de EU volgens de bepalingen van het Verdrag van Lissabon ook vicevoorzitter van de Commissie, hoofd van het Europese Defensieagentschap en voorzitter van de Raad Buitenlandse Zaken van de Europese Unie is; overwegende dat het Europees Defensieagentschap volgens artikel 45 van het VEU "zijn taken voor zover nodig in overleg met de Commissie vervult";

1.  stelt vast dat de EU en de lidstaten grote financiers van de verschillende vredes- en crisisbeheersoperaties overal ter wereld zijn en dat civiele en militaire GVDB-missies en -operaties een bijzonder klein deel van alle fondsen vormen; erkent het belang van de GVDB-interventies voor het bewerkstelligen van vrede, en moedigt de lidstaten aan om een meer uitgesproken standpunt in te nemen over conflictpreventie, wederopbouw na een conflict en het handhaven van een duurzame vrede in conflictgebieden; is ervan overtuigd dat de Europese Unie het zich niet kan veroorloven om zich uitsluitend te richten op de instrumenten die worden ingezet na afloop van crises of ter begeleiding van de beëindiging van crises;

2.  vraagt de VV/HV en de lidstaten het potentieel van het Verdrag van Lissabon, en met name van artikel 44 over de uitvoering van een GVDB-missie door een groep lidstaten en artikel 46 over permanente gestructureerde samenwerking, volledig te benutten voor een sneller en flexibeler gebruik van de GVDB-missies en -operaties; 

3.  stelt bezorgd vast dat de lidstaten, ondanks een gezamenlijke defensiebegroting van ongeveer 190 miljard EUR, nog steeds niet kunnen voldoen aan de hoofddoelen van Helsinki van 1999; herinnert aan de ambitieuze civiele hoofddoelen die de EU heeft gesteld; vraagt de rol van de EU op het vlak van defensie te versterken in de context van de NAVO en betreurt het dat er geen doctrine bestaat waarbinnen de taken van artikel 43 VEU (de uitgebreide "Petersbergtaken") worden geoperationaliseerd; is een sterk voorstander van nauwere veiligheids- en defensiecoördinatie en -samenwerking in de context van de NAVO tussen de lidstaten en op EU-niveau en in het bijzonder van het bundelen en delen van middelen, capaciteiten en vermogens; verzoekt de Commissie dringend een analyse uit te voeren met betrekking tot de uitdagingen en behoeften op het gebied van veiligheid en defensie;

4.  merkt op dat het niveau van de financiering voor civiele GVDB-missies in het kader van het GBVB-hoofdstuk van de EU-begroting de voorbije jaren is gedaald en naar verwachting als onderdeel van het meerjarig financieel kader 2014-2020 stabiel zal blijven; betreurt het dat de civiele missies te lijden hebben onder het veralgemeende tekort aan betalingskredieten, waardoor de Commissie als verzachtende maatregel de betaling van 22 miljoen EUR moet uitstellen tot 2015; is echter verheugd dat er voor ongeveer 16 miljoen EUR aan mogelijke besparingen zijn geïdentificeerd, waardoor in de toekomst bijkomende missies kunnen worden gefinancierd, indien nodig;

Kostenbesparende / efficiëntieverhogende initiatieven

5.  uit zijn tevredenheid over de concrete maatregelen en pragmatische oplossingen die de Commissie recent in het bestaande kader van financiële regels heeft ingevoerd om de financiële procedures ten aanzien van civiele GVDB-missies korter te maken; betreurt het dat de aankoop van essentiële apparatuur en diensten voor GVDB-missies in het kader van het GBVB aanzienlijk is vertraagd, deels wegens het vaak trage besluitvormingsproces van de Raad, maar ook wegens het gebrek aan een geconsolideerde benadering tot de toepassing van de financiële regels op GVDB-missies, en dat dit negatieve gevolgen heeft voor het functioneren en het personeel van de missie en mogelijk ook voor de veiligheid;

6.  dringt er bij de Commissie op aan deze tekortkomingen weg te werken door een specifiek model uit te werken voor de financiële regels voor civiele GVDB-missies en bestaande richtsnoeren aan te passen aan de behoeften van dergelijke missies, teneinde de snelle, flexibele en efficiëntere uitvoering van missies te vergemakkelijken en tegelijkertijd goed financieel beheer van de EU-middelen en een gepaste bescherming van de financiële belangen van de EU te garanderen; is van mening dat de civiele operationele commandant de bevoegdheden over de begroting moet krijgen, net zoals de hoofden van de EU-delegaties die hebben gekregen;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om jaarlijks een raming op te stellen van het totale bedrag van de uitgaven in het kader van het veiligheids- en defensiebeleid, die met name een transparant overzicht van de toegekende overheidsopdrachten omvat, teneinde de begroting voor dit beleid in de toekomst efficiënter te kunnen beheren;

8.  raadt ten zeerste aan een gemeenschappelijk dienstencentrum en een geïntegreerd systeem voor hulpmiddelenbeheer op te richten om de inzetsnelheid en kostenefficiëntie van civiele missies te verbeteren; betreurt het dat dit initiatief tot een impasse heeft geleid; stelt vast dat momenteel wordt nagedacht over een missie-ondersteuningsplatform, maar vraagt de Commissie en de EDEO stappen te ondernemen voor de oprichting van een echt gemeenschappelijk dienstencentrum;

9.  is van mening dat de chronische beperkingen van de administratieve begroting van de dienst civiel plannings- en uitvoeringsvermogen van de EDEO moeten worden verzacht, omdat de jaarlijkse begrotingstoewijzing te klein blijft om alle plannings-, uitvoerings- en ondersteuningstaken uit te voeren, vooral wanneer verschillende missies bijna tegelijkertijd worden uitgestuurd;

10.  is van mening dat de permanente GVDB-opslag, die momenteel alleen in geval van nieuwe civiele GVDB-missies wordt gebruikt, spoedig moet worden opgewaardeerd door het actieterrein ervan uit te breiden naar reeds bestaande missies, de beschikbaarheid van opgeslagen materiaal te verbeteren en de verscheidenheid van het benodigde materiaal te vergroten; stelt voor dat de GVDB-opslag door het toekomstige gemeenschappelijk dienstencentrum wordt beheerd;

11.  benadrukt dat de missies gepast personeel moeten krijgen in overeenstemming met de verschillende beloften van de lidstaten op dit vlak (bv. het civiel hoofddoel voor 2010 of het meerjarig programma voor de ontwikkeling van civiele vermogens); betreurt het echter dat het moeilijk is voor GVDB-missies voldoende gekwalificeerd personeel aan te werven en te houden; moedigt het uitgebreid gebruik van snel inzetbare civiele-crisisreactieteams (CRT's) aan, waardoor de snellereactiecapaciteit van de EU zou toenemen, de snelle opbouw van missies zou vergemakkelijken en zou worden bijgedragen aan de doeltreffendheid van de crisisbeheersingsreacties van de EU;

12.  betreurt de ondoorzichtigheid en de hoge kosten van de selectieprocedure van de private ondernemingen die worden gekozen om de veiligheid van het personeel van de civiele GVDB-missies te garanderen; verzoekt dat er een specifiek kadercontract inzake veiligheid voor civiele GVDB-missies wordt uitgewerkt om de tarieven die private beveiligingsondernemingen aanrekenen te verlagen en de selectieprocedure transparanter te maken; is van mening dat Europese ondernemingen in dat verband voorrang moeten krijgen;

Coherentie en complementariteit

13.  is van mening dat het GVDB onderdeel van de bredere GBVB-dimensie en van het extern optreden van de EU in zijn geheel is, en tevens onderdeel van de interne dimensie van het beleid inzake de interne markt, industrie, ruimtevaart, onderzoek en ontwikkeling; is er sterk van overtuigd dat voor coherentie en complementariteit tussen de verschillende instrumenten moet worden gezorgd om schaalvoordelen te verwezenlijken en de impact van EU-uitgaven te maximaliseren; is ervan overtuigd dat de EU over meer instrumenten en hefboompotentieel beschikt dan welke supranationale instelling dan ook, omdat het veiligheids- en defensiebeleid van de EU kan worden versterkt door een alomvattende aanpak met andere soorten EU-instrumenten en financieringsmechanismen; denkt daarom dat de GBVB-middelen op een intelligentere wijze moeten worden benut, met name via een versterkte coördinatie tussen GVDB-instrumenten en de verschillende door de Commissie beheerde programma's voor EU-financiering;

14.  vraagt om betere synergieën tussen de militaire en de civiele missies, waar gepast, en verzoekt in het bijzonder om hier rekening mee te houden aan het begin van de planningprocessen, met name op het vlak van gebouwen, medische diensten, logistiek, transport en de beveiliging van missies, terwijl de verschillende bevelslijnen moeten worden geëerbiedigd en een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen de aard, de doelstellingen en de werking van civiele missies enerzijds en die van militaire operaties anderzijds;

15.  onderstreept de potentiële besparingen die zouden voortvloeien uit het stimuleren van synergieën op EU-niveau op militair gebied, bijvoorbeeld ten aanzien van vervoer, opleiding en medische hulp; wijst op de rol die het Europees Defensieagentschap in het kader van zijn opdracht speelt om de interoperabiliteit en de synergieën ten aanzien van defensie-uitrusting en inzetcapaciteiten tussen de EU-lidstaten te bevorderen, maar betreurt ten zeerste dat hoewel het agentschap onder leiding staat van de HV/VV, het nog steeds onder de bevoegdheid van de Raad valt en volledig buiten de begroting van de Europese Unie wordt gefinancierd en bijgevolg ontsnapt aan het Europese democratische toezicht;

16.  is verheugd over de herziening van de crisisbeheersingsprocedures, waarover in 2013 overeenstemming werd bereikt en waardoor de planning en het uitsturen van GVDB-missies werden verbeterd; benadrukt dat meer moet worden gedaan om het blijvend hokjesdenken, waardoor de verschillende onderdelen van het buitenlands beleid van de EU naast elkaar functioneren, te doorbreken;

17.  verzoekt de Commissie om te voorzien in permanente financiële procedures voor de samenwerking tussen de Commissie, de EDEO, het EDA, de ESA en de lidstaten op het gebied van het GVDB en het beleid inzake de interne markt, industrie, ruimtevaart, onderzoek en ontwikkeling; verzoekt de Commissie en de Raad om permanente financiële regels vast te stellen om een koppeling aan te brengen tussen de EU-actoren op het gebied van interne veiligheid (zoals Frontex, Europol, ENISA) en die voor externe defensie (zoals het EDA, de EDEO);

18.  is ingenomen met de tenuitvoerlegging van een gezamenlijk proefproject inzake GVDB-onderzoek van de Commissie en het EDA, zoals voorgesteld door het Parlement in de begroting van 2015, in het licht van de tenuitvoerlegging van de EU-doelstellingen en EU-begroting door het agentschap; betreurt in die context dat de Commissie het Parlement geen beoordeling heeft verstrekt van het potentieel van artikel 185 VWEU, zoals gevraagd in zijn resolutie van 21 november 2013 over de Europese technologische en industriële defensiebasis(5);

19.  is ingenomen met de routekaart voor de uitvoering van de mededeling voor meer concurrentie en efficiëntie in de defensie- en veiligheidssector van de Commissie, die werd aangenomen op 24 juni 2014; verzoekt de Commissie in dat opzicht om in een belanghebbendenbeoordeling te beschrijven op welke manier de potentiële begunstigden en de nationale en regionale overheden klaar zijn om de beschreven maatregelen (de ESI-fondsen, het ERDF, het ESF of Interreg V) te benutten; betreurt in dat opzicht dat de voorstellen van de Commissie misschien te laat zijn gekomen om de lopende toewijzing van middelen door de nationale en regionale overheden te beïnvloeden of EU-middelen een nieuwe bestemming te geven die een sterkere Europese technologische en industriële defensiebasis (EDTIB) ten goede komt;

20.  is tevreden over het opleidings- en uitrustingsinitiatief, waardoor voor de capaciteitsopbouw van partners wordt gezorgd, als deel van een transitie- of exitstrategie, door de financiering van verschillende vormen van hardware en niet-dodelijke uitrusting voor veiligheids- en defensiediensten van derde landen te vergemakkelijken, en pleit voor een gezamenlijke aanpak van deze kwestie door de EDEO en de Commissie; steunt de creatie van projectcellen, waaraan geïnteresseerde lidstaten of derde landen kunnen bijdragen en daardoor een snelle levering en aandacht voor de veiligheidsbehoeften van gastlanden wordt verzekerd door projecten te ondersteunen, en is van mening dat deze cellen systematisch moeten worden gebruikt;

21.  is ingenomen met de voorstellen van de Commissie voor een betere tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/81/EG (inzake overheidsopdrachten) en Richtlijn 2009/43/EG (inzake de overdracht van defensiegerelateerde producten in de interne markt); verzoekt de Commissie om rekening te houden met het feit dat de Europese ondernemingen die actief zijn in de defensiesector, een bijzonder financieel en rechtsstelsel moeten genieten om competitief te kunnen zijn, en om de lidstaten te steunen in hun inspanningen om hun defensiecapaciteiten te consolideren;

Financiering van militaire operaties

22.  erkent dat militaire operaties door de lidstaten worden gefinancierd buiten de EU-begroting om en dat hun gemeenschappelijke kosten door het Athenamechanisme worden gedekt; benadrukt dat het Athenamechanisme essentieel is voor het inzetten van deze operaties, en dat het een instrument van solidariteit tussen de lidstaten vormt en hen aanmoedigt om aan GVDB-missies bij te dragen, vooral lidstaten die niet veel financiële en operationele middelen hebben; betreurt het echter dat het feitelijke aandeel gemeenschappelijke kosten zeer laag blijft (naar schatting circa 10-15 % van alle kosten) en dat het hoge aandeel van door de lidstaten gedragen kosten en verantwoordelijkheden bij militaire operaties op basis van het principe "de kosten worden gedragen waar ze worden gemaakt" indruist tegen de beginselen van solidariteit en lastenverdeling, waardoor de lidstaten minder geneigd zijn actief deel te nemen; is bezorgd dat deze stand van zaken, met name gezien de onwil van de lidstaten om deel te nemen aan de opbouw van de troepenmacht voor de operaties, de snelle inzet van GVDB-operaties verhindert en de algemene efficiëntie ervan in het gedrang brengt; is van mening dat de langetermijnfinanciering van militaire missies moet worden gegarandeerd;

23.  betreurt in dit verband dat uit de herziening van het Athenamechanisme, die tegen het einde van 2014 uitgevoerd had moet worden, slechts zeer beperkte resultaten zijn voortgekomen, zoals de organisatie van een vorm van vervroegde financiering van bepaalde kosten om de inzetsnelheid te verbeteren; betreurt het dat de Raad geen overeenstemming heeft bereikt om de financiering van de kosten van de strategische inzet van de EU-gevechtstroepen op te nemen in de lijst van gedeelde kosten die systematisch door Athena worden gedragen, en slechts een vernieuwbaar besluit voor twee jaar heeft aangenomen; vraagt de volgende Europese Raad over defensie te overwegen de kosten die voor Athena in aanmerking komen, verder uit te breiden, zoals de automatische financiering van uitgaven aan de operationele en missie-inzet in het kader van het GVDB (infrastructuur voor de huisvesting van troepen, uitgaven voor de vaststelling van de punten van binnenkomst voor troepen in de operationele gebieden en veiligheidsvoorraden, levensmiddelen en brandstof, waar nodig);

24.  steunt initiatieven om na te gaan of in het kader van Athena financiële bijdragen van derde landen of internationale organisaties kunnen worden aangetrokken en beheerd; steunt eveneens de optie van gezamenlijke financiering, waarbij een kleiner aantal deelnemende landen sommige operationele kosten van de missies zouden financieren, op voorwaarde dat hun bijdragen door Athena worden beheerd en veeleer een aanvulling vormen op de gemeenschappelijke kosten in plaats van deze te vervangen;

25.  herinnert eraan dat in het Verdrag van Lissabon nieuwe GVDB-bepalingen werden toegevoegd, waarvan de EU de mogelijkheden nog niet heeft benut; spoort de Raad aan gebruik te maken van artikel 44 VEU, waardoor een groep lidstaten die dat willen, GVDB-taken kunnen uitvoeren; is van mening dat er dringend behoefte is aan een sneller besluitvormingsproces; is van mening dat de ad-hocfinancieringsmechanismen voor een militaire operatie meer moeten dekken dan de traditionele gemeenschappelijke kosten die door Athena worden terugbetaald;

26.  vraagt de Raad in de loop van dit begrotingsjaar te beginnen met de oprichting van het startfonds (bedoeld in artikel 41, lid 3, VEU) voor de dringende financiering van de beginfasen van militaire operaties, dat ook als sterk instrument voor capaciteitsontwikkeling kan dienst doen; verzoekt de Raad om een voorstel in te dienen over de wijze waarop het Parlement in een crisissituatie snel kan worden geraadpleegd; merkt op dat er een specifiek budget bestaat voor voorbereidingsmaatregelen voor civiele missies, maar dat wat militaire missies betreft het inzetten en de doeltreffendheid structureel verhinderd zullen blijven zolang deze mogelijkheid niet wordt benut; spoort de lidstaten ten zeerste aan de in artikel 46 VEU bedoelde permanente gestructureerde samenwerking aan te gaan, waardoor de dringend noodzakelijke verbetering van het snellereactievermogen van de EU sneller zou worden verwezenlijkt; betreurt in dat opzicht het gebrek aan inhoud in het beleidskader van de Raad voor systematische defensiesamenwerking op de lange termijn, dat op 18 november 2014 werd aangenomen, aangezien in het document enkel de huidige praktijken worden beschreven; verzoekt de Commissie daarom om het benodigde voorstel in te dienen om te verduidelijken hoe de EU-begroting de oprichting van de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO) en de werkzaamheden op het gebied van militaire samenwerking in vredestijd binnen het PESCO-kader kan bevorderen;

27.  verbaast zich erover dat er op Europees niveau nog altijd geen maatregelen bestaan voor de fiscale stimulering van samenwerking en bundeling van krachten; neemt kennis van de oproep van de Raad van december 2013 om de mogelijkheden voor dergelijke maatregelen te onderzoeken en betreurt het dat gedurende het gehele afgelopen jaar de discussies nog tot geen enkele concrete maatregel op dit gebied hebben geleid; merkt op dat de Belgische regering reeds op ad-hocbasis btw-vrijstellingen geeft in de voorbereidende fases van bepaalde EDA-projecten, zoals Satcom; is van mening dat dergelijke vrijstellingen een systematisch karakter moeten krijgen en moeten worden uitgebreid naar infrastructuur en concrete vermogensprogramma's, naar het voorbeeld van het bestaande mechanisme bij de NAVO of dat bij de EU voor infrastructuur voor civiel onderzoek; roept op andere stimulansen te ontwikkelen ter aanmoediging van vermogenssamenwerking tussen Europeanen;

Transparantie en verantwoording

28.  benadrukt dat transparantie en verantwoording niet alleen voor het democratisch toezicht essentiële vereisten zijn, maar ook voor de degelijke werking en de geloofwaardigheid van onder de EU-vlag uitgevoerde missies; herhaalt dat het Parlement veel belang hecht aan het uitoefenen van controle op de manier waarop de verschillende GVDB-missies en -operaties worden begroot; uit zijn tevredenheid over de in het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 bedoelde verslagleggingsmechanismen, zoals de kwartaalverslagen over de GBVB-begroting en de gezamenlijke informatiebijeenkomsten over het GBVB; is ingenomen met de toezegging van de VV/HV om die bijeenkomsten nieuw leven in te blazen en te voorzien in voldoende flexibiliteit ten aanzien van hun reikwijdte teneinde het Parlement volledig op de hoogte te houden van militaire missies en de werkzaamheden en agenda van het Politiek en Veiligheidscomité; wijst erop dat eventuele verbeteringen van de flexibiliteit en efficiëntie van de financiering en het uitvoeren van missies en operaties de verwezenlijkte positieve ontwikkelingen op het gebied van transparantie en verantwoordingsplicht bij GVDB-interventies niet in het gedrang mogen brengen; vraagt de Commissie artikel 49, lid 1, onder g), van het financieel reglement zo breed mogelijk te interpreteren, een specifieke lijn voor te stellen voor elke civiele GVDB-missie onder het GBVB-hoofdstuk en de opneming van uitvoerige informatie over elke missie, de deelnemers en de uitgaven in het jaarlijks activiteitenverslag verplicht te stellen;

29.  kijkt uit naar de initiatieven die duidelijkheid en consistentie moeten brengen op het vlak van financierings- en werkingsregels voor civiele missies; is tevreden dat de Commissie in het licht van de voortdurende discussie over flexibiliteit van de financiële regels heeft beloofd een specifiek model voor alle GVDB-missies voor te bereiden en de bestaande richtsnoeren aan te passen aan de behoeften van de missies;

Niet alleen woorden maar ook daden

30.  moedigt de VV/HV aan op het vlak van het GVDB het voortouw te nemen en een sturende rol op zich te nemen om het hokjesdenken te doorbreken en te zorgen voor coördinatie tussen de Raad, de Commissie en de EDEO en voor coherentie tussen de twee laatste organen; stelt voor aan de speciale vertegenwoordigers van de EU een mandaat toe te vertrouwen om de dialoog en samenwerking tussen de verschillende EU-actoren ter plaatse te verbeteren teneinde de coherentie van EU-actie te verhogen en van de verschillende financieringsbronnen een voordeel (en niet slechts een uitdaging) te maken;

31.  is van mening dat de volgende Europese Raad over defensie van de gelegenheid gebruik moet maken om een diepgaande discussie te houden en concrete voorstellen te doen over de hervorming van de financiële regelingen voor GVDB-missies en -operaties om deze efficiënter en succesvoller te maken; dringt er bij de lidstaten op aan zich te houden aan de beloften van de Europese Raad van december 2013; is van mening dat er tijdens de volgende Europese Raad over defensie concrete maatregelen moeten worden goedgekeurd om de defensiecapaciteiten van de Unie te versterken als aanvulling op de NAVO, om het Europees Defensieagentschap te steunen en te versterken en om te komen tot een gemeenschappelijke industriële en technologische basis;

32.  verzoekt de Commissie om de lidstaten te steunen in hun inspanningen voor de operationele tenuitvoerlegging van de besluiten van de Europese Raad met betrekking tot de versterking van de defensiecapaciteiten en daarbij rekening te houden met de begrotingsproblemen waarmee sommige lidstaten te kampen hebben;

o
o   o

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de EU-lidstaten, de secretaris-generaal van de NAVO en de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de NAVO.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0286.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0514.


De veiligheids- en defensiecapaciteiten in Europa
PDF 203kWORD 96k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 mei 2015 over de gevolgen van de ontwikkelingen op de Europese defensiemarkten voor de veiligheids- en defensiecapaciteiten in Europa (2015/2037(INI))
P8_TA(2015)0215A8-0159/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 19-20 december 2013 over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 november 2014 over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 juli 2013 getiteld "Naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector" (COM(2013)0542) en de desbetreffende routekaart voor de uitvoering van 24 juni 2014 (COM(2014)0387),

–  gezien Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap(1),

–  gezien Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG(2),

–  gezien het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie,

–  gezien het beleidskader voor systematische en langetermijnsamenwerking op het vlak van defensie, dat de Raad op 18 november 2014 heeft aangenomen,

–  gezien de bijgewerkte kaderregeling inzake bevoorradingszekerheid tussen de deelnemende lidstaten, die het bestuur van het Europees Defensieagentschap (EDA) in november 2013 heeft aangenomen, en de bijbehorende gedragscode voor prioriteitstelling, die het bestuur van het EDA in mei 2014 heeft aangenomen,

–  gezien zijn resolutie van 21 november 2013 over de Europese technologische en industriële defensiebasis(3) en die van 14 december 2011 over de gevolgen van de financiële crisis voor de defensiesector in de EU-lidstaten(4),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0159/2015),

A.  overwegende dat er in het kader van het defensiepakket uit 2009 nieuwe wetgeving inzake de Europese defensiemarkt is ingevoerd en dat alle 28 lidstaten de nieuwe regels in hun nationale wetgeving hebben omgezet; overwegende dat deze nieuwe wetgeving in wezen neerkomt op de invoering van een regelgevingskader dat op transparantie, non-discriminatie en mededinging berust en is toegesneden op de specifieke kenmerken van de defensiesector;

B.  overwegende dat de lidstaten het erover eens zijn dat er een Europese markt voor defensiemateriaal en -diensten moet worden ontwikkeld; overwegende dat de Europese Raad zelfs heeft opgeroepen tot de totstandbrenging van een regeling om overal in de EU voorzieningszekerheid te garanderen; overwegende dat voldoende capaciteit en levering van uitrusting alsmede de strategische autonomie van de EU van cruciaal belang zijn voor de veiligheid van de Unie en die van haar nabuurschap;

C.  overwegende dat het succes van de vredes- en veiligheidsmissies van het GVDB grotendeels afhankelijk is van het vermogen snel en onmiddellijk te reageren, en dat het daarom van essentieel belang is een werkelijke Europese defensiemarkt tot stand te brengen om overlappingen te voorkomen en de administratieve rompslomp te verminderen;

D.  overwegende dat de Europese defensiesector door het gebrek aan consolidering, kostenefficiëntie en transparantie op de Europese defensiemarkten steeds meer afhankelijk kan worden van het buitenland, terwijl de Europese veiligheid meer dan ooit sinds het einde van de Koude Oorlog op velerlei vlakken rechtstreeks wordt bedreigd;

E.  overwegende dat investeringen in onderzoek en technologie in de defensiesector van alle lidstaten, alsmede gezamenlijke investeringen in onderzoek en technologie in de defensiesector in het kader van Europese samenwerking de afgelopen jaren alarmerend zijn gedaald;

De ontwikkelingen op de defensiemarkten brengen de Europese autonomie in gevaar

1.  maakt zich nog steeds grote zorgen over de veel voorkomende en grotendeels ongecoördineerde bezuinigingen op de defensiebegroting in de meeste lidstaten; beklemtoont dat de bezuinigingen op de defensiebegrotingen de defensiecapaciteit van de lidstaten en de EU verzwakken en twijfels doen rijzen over de mate van paraatheid om de nationale en Europese veiligheid te waarborgen; is van mening dat deze ongecoördineerde bezuinigingen, in combinatie met structurele problemen en oneerlijke en ondoorzichtige praktijken, de Unie in gevaar brengen doordat strategische middelen en capaciteiten worden opgegeven en de kansen worden verspeeld die de coördinatie van het defensiebeleid en het bundelen en delen van defensiemiddelen zouden kunnen opleveren voor de verwezenlijking van de welvaart en vrede van de EU in overeenstemming met artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, haar voorzieningszekerheid en de verdediging van haar burgers en belangen;

2.  maakt zich ernstig zorgen over de toename van gewapende conflicten, laagintensieve crises, hybride oorlogen en "oorlogen bij volmacht", falende staten, instabiliteit en wijdverbreide mensenrechtenschendingen in de onmiddellijke nabijheid van de EU en over de terreurdreiging binnen en buiten de EU; meent dat de huidige bedreigingen met betrekking tot de veiligheid voor de EU als geheel gelden en vereend en gecoördineerd moeten worden aangepakt, door civiele en militaire middelen te bundelen en te delen; acht het in dit verband absoluut noodzakelijk geen middelen te verspillen en van essentieel belang het belastinggeld beter te gebruiken en verder werk te maken van de totstandbrenging van een Europese markt voor defensiemateriaal en de ontwikkeling van een concurrerende Europese technologische en industriële defensiebasis (EDTIB), waarmee middels meer grensoverschrijdende samenwerking synergieën kunnen worden bereikt en die het GVDB van de benodigde capaciteiten kan voorzien; is ook van mening dat dit cruciaal zal zijn voor het verhogen van de efficiëntie en kosteneffectiviteit van het Europese optreden in het kader van NAVO-operaties om de veiligheid en stabiliteit in Europa en haar nabuurschap te garanderen;

3.  vindt het dan ook zorgwekkend dat de lidstaten de richtlijnen van het defensiepakket uit 2009 zo traag en inconsistent ten uitvoer leggen en verzoekt de Commissie specifieke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de richtlijnen correct worden toegepast, door de omzetting in nationale wetgeving op te volgen, teneinde marktverstoringen te voorkomen; erkent dat de invoering van nieuwe wetgeving een werk van lange adem is, maar waarschuwt dat een onjuiste en versnipperde toepassing tot slechte praktijknormen dreigt te leiden, dat daarmee de verwezenlijking van de in de richtlijnen vastgestelde doelstellingen in gevaar komt en dat zo de totstandbrenging van de Europese markt voor defensiemateriaal in het gedrang wordt gebracht en de ontwikkeling van een EDTIB wordt verzwakt; benadrukt dat het defensiepakket ook moet bijdragen tot het creëren van stimulansen voor samenwerking op het vlak van defensie in Europa en moedigt de Commissie en het EDA aan om in dat verband nauw samen te werken; herinnert er met spijt aan dat de gezamenlijke aankoop in de defensiesector is gestagneerd, en in de afgelopen jaren zelfs is gedaald;

4.  waarschuwt voor het gevaar dat de Europese defensiesector van het buitenland afhankelijk raakt, net nu de veiligheidssituatie steeds complexer en uitdagender wordt; waarschuwt met name voor de combinatie van ongecoördineerde defensiebegrotingen van de lidstaten, de aanhoudende marktversnippering ondanks nieuwe regelgeving inzake de interne markt, de groeiende afhankelijkheid van de defensie-industrie van export buiten de EU en de toegenomen buitenlandse investeringen in de Europese defensiesector in een aantal landen, wat zou kunnen leiden tot ondoorzichtigheid en het uit handen geven van de controle over strategische nationale en Europese defensiebedrijven, -middelen en -technologie;

5.  is van mening dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan de gevolgen die bepaalde projecten – zoals de samenwerking met Rusland op gevoelige terreinen, waaronder satellietlancering met Sojoezraketten, en strategisch luchttransport – voor de autonomie en onafhankelijkheid van de EU kunnen hebben; benadrukt dat de lidstaten een prioritaire toetsing van hun militaire c.q. defensie-industrie moeten uitvoeren en voor stimulansen moeten zorgen om deze te ontwikkelen voor zover de EU-wetgeving dit toelaat;

6.  benadrukt dat een zeer concurrerende, moderne en geïntegreerde industriële Europese defensiestrategie van essentieel belang is om de Europese capaciteiten op defensiegebied te kunnen waarborgen en in andere, gerelateerde economische sectoren een positief effect te kunnen creëren; merkt op dat meer samenwerking op het gebied van economische middelen en menselijk kapitaal noodzakelijk is om vooruitgang te boeken met onderzoek voor tweeërlei gebruik waarmee onze afhankelijkheid van het buitenland zo veel mogelijk wordt beperkt en onze leveranties en grondstoffen voor de industrie worden gewaarborgd, met name die van kritieke aard;

7.  merkt op dat de Europese Raad van december 2013 weliswaar geen afdoend antwoord op deze situatie heeft gegeven, maar wel een aantal actielijnen uitstippelde om het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) te verbeteren en zich ertoe verbond in juni 2015 de vorderingen te evalueren; betreurt dat ondanks de verdere verslechtering van de veiligheidssituatie, zowel intern als ten oosten en ten zuiden van de EU, waardoor gevaren ontstaan voor de veiligheid in de EU, geen werkelijke vooruitgang is geboekt bij het aanpakken van de huidige uitdagingen en bedreigingen voor de veiligheid;

8.  verzoekt de Europese Raad met klem de nodige lering te trekken en concrete maatregelen te treffen om de versnippering van de Europese defensiemarkt ongedaan te maken; roept de Europese Raad ertoe op specifieke richtsnoeren voor defensiebeleid en de Europese defensiemarkt te verstrekken, daarbij rekening houdend met de specifieke kenmerken van de defensiesector, om de transparantie en het concurrentievermogen van de sector te vergroten en te garanderen dat de nodige defensiecapaciteiten beschikbaar zijn om de Europese veiligheid te waarborgen en de doelstellingen van het GVDB te kunnen verwezenlijken;

Afnemende Europese vraag als gevolg van bezuinigingen: behoefte aan verdere samenwerking

9.  is van mening dat de jaren van ongecoördineerde nationale defensiebegrotingen in Europa moeten worden gecompenseerd door een intensievere samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten, mede via de afstemming van het defensiebegrotingsbeleid en de coördinatie van strategische keuzes in verband met de aanschaf van militair materiaal en uitrusting voor tweeërlei gebruik in overeenstemming met transparante normen voor overheidsopdrachten; benadrukt dat het belangrijk is dat er tussen de lidstaten van tevoren plannen worden gemaakt voor strategische investeringen voor de aankoop en de herstelling van materieel; roept andermaal op om de vraag in de hele EU te consolideren en zo een concurrerende en onafhankelijke EDTIB te bevorderen en in stand te houden; beklemtoont dat het ontwikkelen van een efficiënte en transparante EDTIB van essentieel belang is voor het vermogen van Europa om zijn burgers, belangen en waarden te beschermen, overeenkomstig de doelstellingen van het Verdrag, en zijn verantwoordelijkheden op te nemen om de veiligheid te bevorderen; verzoekt de Commissie een industriële strategie te ontwikkelen waarin de voornaamste capaciteiten worden bepaald waarop een EDTIB kan worden gebouwd;

10.  herinnert eraan dat de 28 EU-lidstaten nog steeds het nummer twee van de wereld zijn op het gebied van zowel defensie-uitgaven als wapenuitvoer; is van mening dat dit aantoont dat de Europese lidstaten en de Unie nog steeds een belangrijke rol spelen in de wereldwijde wapenverkoop en overheidsopdrachten op defensiegebied; vindt gecombineerde jaarlijkse defensie-uitgaven voor een bedrag van 190 miljard EUR een enorme hoeveelheid belastinggeld; herinnert er ook aan dat talloze recente onderzoeken hebben aangetoond dat het voornaamste probleem ligt in het feit dat in veel van de 28 EU-lidstaten defensiebudgetten heel inefficiënt worden gespendeerd, hetgeen tot lange vertragingen en hogere kosten leidt en in veel gevallen tot gevolg heeft dat gloednieuwe helikopters, gevechtsvliegtuigen en andere technologie niet operationeel zijn; benadrukt dat het noodzakelijk is de relaties tussen nationale defensie-overheden en defensiebedrijven grondig te herstructureren en strikte kwaliteitscriteria voor de output van aankoopprojecten in te voeren;

11.  is van mening dat de huidige budgettaire beperkingen in de EU-lidstaten een kans moeten bieden voor meer en betere samenwerking op het gebied van de aanschaf van defensiemateriaal, om meer waar voor het belastinggeld te bieden en voldoende militaire capaciteiten in de hele EU en een duurzame voorzieningszekerheid te garanderen; is van mening dat de lidstaten voor een keuze staan tussen doeltreffend samenwerken om het hoofd te bieden aan gemeenschappelijke uitdagingen of strategische capaciteiten verliezen en de nationale en Europese burgers en belangen niet verdedigen;

12.  pleit nogmaals voor meer convergentie tussen de nationale defensieplanningsprocessen en is in dit verband ingenomen met de goedkeuring door de Raad van het beleidskader voor systematische en langetermijnsamenwerking op het vlak van defensie; betreurt echter dat dit niet bindend is en dat er geen duidelijk en gestructureerd proces mee is ingevoerd; benadrukt dat dit document moet worden verwelkomd door de Europese Raad teneinde een belangrijke aanjager te worden; spoort de lidstaten ertoe aan het EDA om steun te verzoeken bij hun nationale defensiebeoordelingen en informatie over nationale investeringsplannen en prioriteiten te delen binnen het Militair Comité van de EU; verzoekt de lidstaten om permanente gestructureerde samenwerking (PESCO) te lanceren met het oog op een betere coördinatie en om EU-financiering te gebruiken voor samenwerking in vredestijd; verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vv/hv) om realistische plannen voor te stellen voor de geslaagde lancering van PESCO;

13.  verlangt dat samenwerking en het bundelen en delen van initiatieven prioriteit krijgen en dat daartoe prikkels worden gecreëerd; verzoekt de Europese Commissie om een voorstel voor te leggen dat verduidelijkt hoe niet-marktverstorende fiscale stimulansen deze doelstellingen kunnen dienen; neemt nota van de beslissing van België om btw-vrijstelling toe te kennen aan ad-hocprojecten van het EDA en is van mening dat deze vrijstelling moet worden veralgemeend naar alle samenwerkingsactiviteiten van het EDA; is ingenomen met het werk van het EDA in verband met een gedeeld aankoopmechanisme en verwacht dat dit maatregelen bevat om de op samenwerking gebaseerde aanschaf van en steun voor defensiemateriaal te stimuleren;

14.  wijst erop dat defensiebedrijven, en met name kmo's, in het kader van Horizon 2020, COSME en de Europese structuur- en investeringsfondsen EU-financiering kunnen aanvragen voor projecten voor tweeërlei gebruik en andere projecten; verzoekt de Commissie en de lidstaten om bedrijven, en met name kmo's, te helpen op passende wijze gebruik te maken van Europese financieringsmogelijkheden voor defensiegerelateerde projecten;

15.  wijst erop dat de EU de afgelopen tijd steeds meer te maken heeft gekregen met bedreigingen en uitdagingen in cyberspace, hetgeen een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid van de afzonderlijke lidstaten en de EU als geheel; is van oordeel dat dergelijke bedreigingen naar behoren moeten worden beoordeeld en dat er op EU-niveau maatregelen moeten worden getroffen om te voorzien in technische en andere veiligheidsmaatregelen in de lidstaten;

16.  verzoekt de Europese Raad tijdens zijn bijeenkomst van juni 2015 de noodzaak tot het stroomlijnen van processen van openbare aanbesteding en toewijzing van contracten in verband met cyberveiligheid te behandelen en te zorgen voor meer coördinatie tussen de lidstaten, zodat de Unie snel het hoofd kan bieden aan grote wereldwijde bedreigingen zoals cyberterrorisme en cyberaanvallen;

17.  herhaalt zijn oproep aan de vv/hv en de Raad om een gemeenschappelijk standpunt van de EU over het gebruik van gewapende drones te formuleren, waarin het allergrootste belang wordt gehecht aan de eerbiediging van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht en waarin kwesties zoals het rechtskader, evenredigheid, verantwoording, bescherming van burgers en transparantie aan bod komen;

Toenemende externe afhankelijkheid: behoefte aan een gemeenschappelijke aanpak

18.  waarschuwt dat Europese defensiebedrijven hun dalende omzet in Europa steeds meer compenseren met export buiten de EU; is bezorgd over de negatieve gevolgen die dit met zich kan brengen, zoals de overdracht van gevoelige technologieën en intellectuele-eigendomsrechten aan hun toekomstige concurrenten en de verplaatsing van de productie naar buiten de EU, waarmee de Europese voorzieningszekerheid in gevaar wordt gebracht; meent dat het een ernstige strategische vergissing is de EU het risico te laten lopen dat de EDTIB afhankelijk wordt van afnemers in vreemde mogendheden met andere strategische belangen;

19.  wijst erop dat in het gemeenschappelijk standpunt van de EU over wapenuitvoer een gemeenschappelijke opvatting is vastgelegd met betrekking tot de controle op de uitvoer van militaire technologie en goederen om de nationale exportcontrolesystemen te coördineren; is van mening dat een coherentere toepassing van de acht criteria daarvan noodzakelijk is om er niet alleen voor te zorgen dat overkoepelende doelstellingen op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid voorrang hebben op economische winst op korte termijn, maar ook dat er een gelijk speelveld voor de Europese bedrijven bestaat;

20.  dringt er bij de lidstaten met klem op aan zich te houden aan de beginselen van het gemeenschappelijk standpunt en in de jaarverslagen volledig verslag uit te brengen over hoe het staat met hun uitvoer van defensiemateriaal naar derde landen; verzoekt de Raad en de vv/hv na te gaan hoe de naleving van de verslagleggingsverplichting kan worden verbeterd en hoe de transparantie van en de publieke controle op het kader voor uitvoercontrole kan worden verhoogd; wijst erop dat de eerbiediging van het gemeenschappelijk standpunt van fundamenteel belang is voor de verwezenlijking van de waarden en beginselen van de EU, met name op het gebied van de internationale mensenrechtenwetgeving en het internationaal humanitair recht, en van haar verantwoordelijkheden inzake lokale, regionale en mondiale veiligheid;

21.  neemt kennis van de mededeling van de Commissie over de herziening van het uitvoercontrolebeleid met betrekking tot goederen voor tweeërlei gebruik en benadrukt in dit verband dat moet worden gezorgd voor controlemodaliteiten die het vrije verkeer van goederen en technologie binnen de interne markt niet in de weg staan en uiteenlopende interpretaties van de EU-regels voorkomen; dringt er bij de Commissie met klem op aan om dringend een nieuw wetgevingsvoorstel in te dienen om de regeling voor controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik bij te werken teneinde de coherentie, efficiëntie en transparantie ervan te verbeteren, de effecten op de mensenrechten te erkennen en voor een gelijk speelveld te zorgen; benadrukt dat dit voorstel rekening moet houden met de veranderende aard van uitdagingen op het gebied van veiligheid en de snelheid van technologische ontwikkelingen, in het bijzonder wanneer het gaat over software en apparatuur op het vlak van bewaking en binnendringing en de handel in softwarekwetsbaarheden;

22.  merkt op dat het toenemende belang van technologieën voor tweeërlei gebruik weliswaar voordelen biedt in de vorm van synergieën tussen de defensiesector en commerciële productie, maar de sector ook afhankelijk maakt van civiele toeleveringsketens, waarvan de productie vaak buiten Europa is ondergebracht; verlangt van de Commissie en het EDA informatie over de mogelijke risico's van de toenemende internationalisering, de mogelijke gevolgen die wijzigingen in de eigendomsstructuur in de defensiesector kunnen hebben voor de voorzieningszekerheid, en de grotere risico's voor de Europese en de nationale veiligheid, waaronder de digitale infrastructuur van de EU; roept de Commissie op het Parlement tijdig te informeren over de status van het groenboek over de controle op industriële activa op het gebied van defensie en veiligheid, dat zij voor het einde van 2014 had aangekondigd, en verzoekt om informatie over de resultaten van de aangekondigde raadplegingen van belanghebbenden;

23.  is blij met de inspanningen van het EDA en de Commissie in verband met een regeling voor EU-brede voorzieningszekerheid, zoals hen was opgedragen door de Europese Raad, en ziet uit naar een routekaart met specifieke stappen die in juni 2015 moet worden voorgelegd ter goedkeuring door de staatshoofden en regeringsleiders; verzoekt de Commissie en het EDA precies aan te geven in hoeverre het voorstel van het Parlement over "een alomvattende en ambitieuze EU-regeling voor gegarandeerde aanvoer (...) die gebaseerd is op een stelsel van wederzijdse garanties en een risico- en behoefteanalyse, eventueel met gebruik van de rechtsgrond voor permanente gestructureerde samenwerking"(5) is opgenomen in het voorbereidende werk; is van mening dat de door de Commissie in het verleden gebruikte methoden, zoals het in kaart brengen en monitoren, ontoereikend waren; benadrukt dat moet worden gefocust op nieuwe benaderingen van de manier waarop het vrije verkeer van militaire uitrusting voor de strijdkrachten van de 28 lidstaten kan worden gegarandeerd;

24.  meent dat wederzijdse garanties tussen de lidstaten inzake voorzieningszekerheid een fundamenteel aspect zijn voor de totstandbrenging van een geïntegreerde Europese defensiemarkt; is ingenomen met de bijgewerkte kaderregeling inzake voorzieningszekerheid van het EDA en denkt dat dit instrument het wederzijdse vertrouwen en de solidariteit versterkt, maar betreurt dat hieraan geen wettelijke verplichtingen verbonden zijn; is van mening dat de regeling voor EU-brede voorzieningszekerheid op de tenuitvoerlegging van bestaande wetgeving moet berusten, en met name op de volledige tenuitvoerlegging van de richtlijn inzake de overdracht van defensiegoederen binnen de EU om belemmeringen voor het verkeer van defensieproducten binnen de EU weg te nemen;

Het potentieel van de regels inzake de interne markt volledig benutten

25.  benadrukt dat het defensiepakket dat door de Commissie werd gelanceerd, het concurrentievermogen van de Europese defensie-industrie moet ondersteunen en onder meer ten doel heeft de problemen te beperken die worden veroorzaakt door de versnippering van de Europese defensiemarkt, de soms protectionistische houding bij de gunning van defensieopdrachten en het gebrek aan coördinatie tussen de verschillende lidstaten wat betreft de regelingen voor controle op de overdracht van defensiegerelateerde producten;

26.  onderstreept dat een interne markt op defensiegebied garant zou staan voor volledige transparantie en dubbel werk, dat tot verstoringen van de markt leidt, zou voorkomen; benadrukt dat het succes van de vredes- en veiligheidsmissies van het GVDB grotendeels afhankelijk is van het vermogen snel te reageren en dat meer integratie van cruciaal belang is bij de stroomlijning van processen en het terugdringen van de kosten;

27.  merkt op dat de voltooiing van een Europese markt op defensiegebied een zeer concurrerende, op innovatie en technologie gebaseerde industrie vereist, die middels meer grensoverschrijdende samenwerking synergieën tot stand kan brengen, en dat vooruitgang met het onderzoek naar technologieën voor tweeërlei gebruik van cruciaal belang is om onze onafhankelijkheid te waarborgen en de voorzieningszekerheid te garanderen, in het bijzonder in geval van leveranties van kritieke aard;

28.  wijst erop dat teneinde de Europese defensie en technologische innovatie te versterken en aanzienlijk te besparen, Europa schaalvoordelen moet creëren en een gemeenschappelijke EU-markt voor overheidsopdrachten op defensiegebied tot stand moet brengen, mede om een moderne, geïntegreerde en concurrerende Europese defensie-industrie te bevorderen; wijst erop dat de regels inzake de interne markt volledig zouden moeten worden benut door middel van meer grensoverschrijdende samenwerking, teneinde de voortschrijdende versnippering van de Europese defensie- en veiligheidssector tegen te gaan, die leidt tot overlapping van programma's inzake defensiemateriaal en een gebrek aan transparantie over de betrekkingen tussen nationale defensie-overheden en de defensie-industrie; spoort de lidstaten aan om nationale voorschriften die niet voldoen aan de Richtlijnen 2009/43/EG en 2009/81/EG en die een belemmering vormen voor de interne markt voor overheidsopdrachten op defensiegebied, te schrappen en Richtlijn 2009/81/EG over aanbestedingen op defensie- en veiligheidsgebied en Richtlijn 2009/43/EG over de overdracht van defensiegerelateerde producten, correct om te zetten en toe te zien op de naleving ervan; verzoekt de Commissie specifieke maatregelen te nemen om te waarborgen dat de richtlijnen correct worden toegepast en om de nationale omzettingsprocedures te controleren en te monitoren, teneinde verstoringen van de markt te voorkomen;

29.  verzoekt de Commissie om, met het oog op de best mogelijke benutting van middelen, de lidstaten aan te moedigen gezamenlijke aankopen te doen door middel van aankoopcentrales, zoals het EDA, als bepaald in Richtlijn 2009/81/EG;

30.  spoort de Commissie aan haar inspanningen te intensiveren om een gelijk speelveld op de Europese defensiemarkten te creëren, teneinde protectionistische praktijken van de lidstaten te bestrijden door grensoverschrijdende samenwerking en betere toegang tot toeleveringsketens van de defensie-industrie te bevorderen, en door maatregelen te nemen om een einde te maken aan de situatie waarbij enkele lidstaten uitsluitend optreden als leveranciers van defensietechnologieën en andere slechts als afnemers; is in dit verband van mening dat het gebruik van uitsluitingen in de zin van Richtlijn 2009/81/EG terdege moet worden gemotiveerd; verzoekt de Commissie om het Parlement op de hoogte te brengen van de effecten van de zeven reeds gepubliceerde richtsnoeren (inzake respectievelijk toepassingsgebied, uitsluitingen, O&O, voorzieningszekerheid, informatieveiligheid, onderaanneming, compensaties) en merkt op dat de Commissie voornemens is in 2015 nog eens twee richtsnoeren te publiceren; is van mening dat deze richtsnoeren de Commissie de perfecte gelegenheid bieden om in dialoog te treden met de lidstaten over onderwerpen die nooit op een gestructureerde, open manier zijn besproken en vraagt informatie over de uitkomsten van een dergelijke dialoog met de lidstaten;

31.  wijst erop dat artikel 346 VWEU in zijn huidige formulering en in de huidige praktijk de lidstaten nog steeds veel ruimte biedt om een beroep te doen op de toepassing ervan en zo af te wijken van de toepassing van het Europese recht inzake overheidsopdrachten op defensiegebied bij het gunnen van defensieopdrachten; verzoekt de lidstaten daarom om artikel 346 VWEU correct en effectief toe te passen, in overeenstemming met de vereisten die zijn vastgelegd in de EU-voorschriften, in de richtlijnen betreffende de interne markt en in de voorschriften inzake overheidsopdrachten op defensiegebied; herinnert eraan dat de maatregelen uit hoofde van artikel 346 volgens de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie beperkt dienen te worden tot uitzonderlijke, duidelijk afgebakende gevallen, en niet verder mogen reiken dan de grenzen van zulke gevallen; waarschuwt dat de onjuiste toepassing van afwijkingen van de internemarktvoorschriften de mededinging in de EU actief belemmert, transparantie in de weg staat, corruptie in de hand werkt en zo de totstandbrenging van een EU-defensiemarkt schaadt, en nadelig is voor een goed werkende EDTIB en de ontwikkeling van geloofwaardige militaire vermogens;

32.  wijst erop dat op de lange termijn de volledige afschaffing van compensaties zal bijdragen tot een beter functionerende interne markt in de Europese defensiesector ; dringt er derhalve bij de Commissie op aan te blijven controleren of de lidstaten compensaties die op grond van artikel 346 van het Verdrag niet naar behoren zijn gerechtvaardigd, wel afbouwen; acht dit noodzakelijk om de soepele werking en de transparantie van de interne markt in de Europese defensiesector te waarborgen en om alle leveranciers, met name kmo's, gelijke voorwaarden te bieden;

33.  brengt in herinnering dat kaderovereenkomsten, onderaanneming en verdeling in percelen middelen moeten zijn om gevestigde toeleveringsketens open te breken ten gunste van kmo's; wijst er niettemin op dat de beginselen van transparantie in de keten van onderaannemers en gedeelde verantwoordelijkheid moeten worden verzekerd; verzoekt de lidstaten, het EDA en de Commissie om er, in onderlinge samenwerking en in samenwerking met hoofdaannemers, voor te zorgen dat kmo's volledig bekend zijn met de verschillende fases van de waardeketen, hetgeen hen zal helpen hun toegang tot overheidsopdrachten op defensiegebied te vergemakkelijken en te consolideren en tevens de geografisch onevenwichtige ontwikkeling van de Europese industriële en technologische defensiebasis te keren;

34.  merkt op dat de industrie nog weinig gebruik maakt van de belangrijkste instrumenten van de richtlijn betreffende de overdracht van defensiegoederen, met name algemene vergunningen en certificering van defensiebedrijven, en dat er mazen zitten in de administratieve samenwerking tussen de lidstaten om passende controlemaatregelen te verzekeren teneinde inbreuken op de voorwaarden van overdrachtvergunningen te voorkomen; spoort de Commissie en de lidstaten aan ervoor te zorgen dat deze instrumenten in de praktijk daadwerkelijk worden gebruikt en is dan ook ingenomen met het initiatief van de Commissie om een werkgroep met de lidstaten op te richten over de harmonisering van de richtlijn betreffende de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de EU;

35.  erkent het stappenplan van de Commissie uit 2014 met de titel "Naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector" en de in dat plan door de Commissie gedane toezegging om te onderzoeken hoe de mogelijke negatieve effecten van door derde landen geëiste compensaties kunnen worden tegengegaan en welke gevolgen deze compensaties hebben voor de interne markt en de Europese industrie; benadrukt dat dit plan tijdig moet worden uitgevoerd en dat indien noodzakelijk aanvullende maatregelen moeten worden genomen; schaart zich volledig achter de inspanningen van de Commissie om praktische richtsnoeren te bieden aan kmo's die Europese middelen aanwenden in projecten voor tweeërlei gebruik;

36.  herhaalt dat de lidstaten de transparantie van hun aanbestedingspraktijken in de defensiesector ten aanzien van de Commissie en de EU-agentschappen onverwijld moeten verbeteren; onderstreept dat specifieke aanbestedingsprocedures, zoals de procedure van gunning door onderhandelingen zonder voorafgaande bekendmaking van een opdracht, moeten worden beperkt tot uitzonderlijke gevallen en enkel kunnen worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang op het gebied van defensie en veiligheid, in overeenstemming met Richtlijn 2009/81/EG; spoort de Commissie aan te zorgen voor toereikend toezicht zodat in 2016 de geplande uitgebreide rapportage met betrekking tot beide richtlijnen aan het Parlement en de Raad kan plaatsvinden;

37.  wijst op het belang van regelmatige controles van defensie- en veiligheidsuitrusting door de bevoegde toezichthoudende autoriteiten, met inbegrip van boekhoudkundige controles;

38.  onderstreept dat samenwerking tussen strategische partners van essentieel belang is voor de Europese voorzieningszekerheid en spoort de Commissie en de lidstaten er daarom toe aan rekening te houden met overheidsopdrachten op het gebied van defensie wanneer zij over internationale handelsovereenkomsten onderhandelen;

Herziening van het pakket inzake overheidsopdrachten op defensiegebied

39.  verzoekt de Commissie in haar verslagen aan het Parlement en de Raad over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/81/EG en Richtlijn 2009/43/EG in 2016 grondig te beoordelen of en in welke mate de bepalingen van die richtlijnen correct zijn toegepast en of de doelstellingen ervan verwezenlijkt zijn, en om dienovereenkomstig wetgevingsvoorstellen te doen, indien de bevindingen van deze verslagen daar aanleiding toe geven;

40.  benadrukt dat nadere speciale rapportageverplichtingen voor de lidstaten moeten worden ingevoerd, tezamen met bepalingen inzake passende waarborgen voor de vertrouwelijkheid;

41.  brengt in herinnering dat de modernisering van de EU-regels voor openbare aanbestedingen zoals beschreven in Richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU, beide aangenomen in 2014, ten doel had de transparantie in de keten van onderaannemers en de naleving van de milieu-, sociale en arbeidswetgeving te waarborgen; benadrukt dat de nieuwe richtlijnen mogelijkheden bieden voor beter gestroomlijnde procedures, zoals het gebruik van elektronische aanbestedingen, vraagbundeling en het gebruik van de economisch voordeligste inschrijving, die kunnen worden aangepast aan de specifieke kenmerken van de defensie- en veiligheidssector;

42.  dringt, met het oog op de totstandbrenging van een innovatieve en concurrerende Europese industrie en de optimale benutting van veiligheids- en defensiemiddelen, aan op de introductie van de nieuwe "innovatiepartnerschap"-procedure bij overheidsopdrachten op defensiegebied, zodat aanbestedende diensten deze procedure kunnen instellen voor de ontwikkeling en daaropvolgende aankoop van nieuwe, innovatieve producten, diensten of werken, de nodige marktstimulansen worden geboden en de ontwikkeling van innovatieve oplossingen wordt ondersteund zonder de markt af te schermen;

43.  benadrukt dat bij aanbestedingsprocedures voor veiligheids- en defensiemateriaal de optimale bescherming en de veiligheid van de burgerbevolking centraal moeten staan;

o
o   o

44.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de parlementen van de EU-lidstaten, de Parlementaire Vergadering van de NAVO en de secretaris-generaal van de NAVO.

(1) PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1.
(2) PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0514.
(4) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 9.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0514.

Juridische mededeling - Privacybeleid