Instelling van een enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector, bevoegdheden, aantal leden en duur van het mandaat
165k
66k
Besluit van het Europees Parlement van 17 december 2015 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector (2015/3037(RSO))
– gezien het door 283 leden ingediende verzoek om instelling van een enquêtecommissie naar vermeende inbreuken op het Unierecht en vermeend wanbeheer bij de toepassing daarvan in verband met emissiemetingen in de automobielsector,
– gezien het voorstel van de Conferentie van voorzitters,
– gezien artikel 226 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 19 april 1995 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement(1),
– gezien Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie(2),
– gezien Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd(3),
– gezien Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa(4), en lopende inbreukprocedures in verband daarmee,
– gezien Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken(5),
– gezien zijn resolutie van 27 oktober 2015 over emissiemetingen bij auto's(6), waarin wordt opgeroepen tot een grondig onderzoek naar de rol en de verantwoordelijkheid van de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten, waarbij rekening wordt gehouden met de problemen die vermeld werden in het verslag van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie van 2011,
– gezien de ontwerpverordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 betreffende emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) (D042120),
– gezien het advies van het technisch comité motorvoertuigen (TCMV), opgericht krachtens artikel 40, lid 1, van Richtlijn 2007/46/EG, van 28 oktober 2015,
– gezien artikel 198 van zijn Reglement,
1. besluit tot instelling van een Enquêtecommissie inzake de vermeende inbreuken op het Unierecht en vermeend wanbeheer bij de toepassing daarvan in verband met emissiemetingen in de automobielsector, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de nationale of Unierechtbanken;
2. besluit dat de enquêtecommissie tot taak heeft:
–
onderzoek te doen naar de vermeende niet-naleving door de Commissie van de verplichting die is voorzien in artikel 14, lid 3, van Verordening (EG) nr. 715/2007, om de testcycli voor het meten van emissie regelmatig te beoordelen en deze aan te passen wanneer zij niet langer adequaat zijn of niet langer de echte emissies weerspiegelen, teneinde adequaat de emissies bij reëel rijden op de weg te weerspiegelen, ondanks berichten over ernstige en aanhoudende overschrijdingen van de emissiegrenswaarden voor voertuigen onder normale gebruiksomstandigheden, in strijd met de verplichtingen vastgelegd in artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 715/2007, waaronder de verslagen van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie van 2011 en 2013, en onderzoek van de Internationale Raad voor schoon vervoer (ICCT) dat in 2014 beschikbaar kwam;
–
te onderzoeken of het waar is dat de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten verzuimd hebben passende en doeltreffende maatregelen vast te stellen voor het uitoefenen van toezicht op de handhaving van het verbod op manipulatie-instrumenten, zoals bepaald in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 715/2007 en dit verbod te handhaven;
–
te onderzoeken of het waar is dat de Commissie verzuimd heeft tijdig tests vast te stellen die reëel rijden op de weg weerspiegelen en maatregelen vast te stellen inzake het gebruik van manipulatie-instrumenten, zoals bepaald in artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 715/2007;
–
te onderzoeken of het waar is dat de lidstaten verzuimd hebben bepalingen vast te stellen inzake aan fabrikanten op te leggen doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties in het geval van overtreding van Verordening (EG) nr. 715/2007, waaronder het gebruik van manipulatie-instrumenten, het weigeren om toegang tot informatie te verschaffen en het vervalsen van testresultaten voor typegoedkeuring of conformiteit onder bedrijfsomstandigheden, zoals bedoeld in artikel 13, leden 1 en 2, van die verordening;
–
te onderzoeken of het waar is dat de lidstaten verzuimd hebben alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de bepalingen inzake sancties voor overtredingen van Verordening (EG) nr. 715/2007 worden toegepast, zoals bedoeld in artikel 13, lid 1, van die verordening;
–
informatie te vergaren en te analyseren om vast te stellen of de Commissie en de lidstaten reeds vóór de kennisgeving ("notice of violation") van het milieuagentschap van de Verenigde Staten van Amerika van 18 september 2015 over bewijs van het gebruik van manipulatie-instrumenten beschikten;
–
informatie te vergaren en te analyseren over de uitvoering door de lidstaten van de bepalingen van Richtlijn 2007/46/EG, en met name artikel 12, lid 1, en artikel 30, leden 1, 3 en 4;
–
informatie te vergaren en te analyseren om vast te stellen of de Commissie en de lidstaten over bewijs van het gebruik van manipulatie-instrumenten voor CO2-emissietests beschikten;
–
ter zake aanbevelingen te doen als zij dit nuttig acht;
3. besluit dat de enquêtecommissie binnen zes maanden na aanvang van haar werkzaamheden een interimverslag en binnen 12 maanden na goedkeuring van dit besluit haar eindverslag moet indienen;
4. besluit dat de enquêtecommissie 45 leden zal tellen;
5. verzoekt zijn Voorzitter zorg te dragen voor publicatie van dit besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie.
– gezien zijn eerdere resoluties over Egypte, met name de resoluties van 15 januari 2015 over de situatie in Egypte(1) en van 8 oktober 2015 over de doodstraf(2),
– gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over Egypte van augustus 2013 en februari 2014,
– gezien de associatieovereenkomst EU-Egypte van 2001, die in 2004 in werking is getreden en geschraagd is door het actieplan EU-Egypte van 2007,
– gezien het in het kader van het ENB opgestelde voortgangsverslag 2014 over Egypte van 25 maart 2015,
– gezien de recente verklaringen van de Europese Dienst voor extern optreden over Egypte, waaronder die van 16 juni 2015 over rechterlijke vonnissen in Egypte en van 4 februari 2015 over de veroordeling van activisten in Egypte,
– gezien de gezamenlijke verklaring van Federica Mogherini, hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en Thorbjørn Jagland, secretaris-generaal van de Raad van Europa, ter gelegenheid van de Europese dag en de Werelddag tegen de doodstraf op 10 oktober 2015,
– gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf en de richtsnoeren voor een EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing,
– gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het VN-Verdrag betreffende de rechten van het kind en het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing waarbij Egypte partij is, gezien de resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, met name die van 18 december 2014 over het moratorium op de toepassing van de doodstraf (69/186),
– gezien de grondwet van de Arabische Republiek Egypte,
– gezien de Egyptische wet nr. 107 van 24 november 2013 betreffende het recht op openbare vergaderingen, optochten en vreedzame betogingen,
– gezien het presidentieel decreet van november 2014 (wet 140), dat het mogelijk maakt dat buitenlanders die een strafbaar feit ten laste is gelegd, naar hun land van herkomst worden teruggebracht,
– gezien de beginselen en richtsnoeren inzake het recht op een eerlijk proces en rechtsbijstand in Afrika van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en de volkeren, gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,
– gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de Ierse burger Ibrahim Halawa meer dan twee jaar wordt vastgehouden wegens verdenking, tijdens een familievakantie in Caïro op 16 en 17 augustus 2013, deelgenomen te hebben aan een onrechtmatige protestactie, waarin het gedrag van betogers geleid zou hebben tot doden en opzettelijke vernieling; overwegende dat tijdens deze protesten 97 personen zijn omgekomen, voornamelijk als gevolg van het buitensporig gebruik van geweld door veiligheidstroepen; overwegende dat Ibrahim Halawa ten tijde van zijn arrestatie 17 jaar oud was en derhalve volgens Egyptisch en internationaal recht nog minderjarig was;
B. overwegende dat Ibrahim Halawa gearresteerd is toen hij samen met zijn drie zusters in de moskee Al-Fateh zijn toevlucht had gezocht, nadat tijdens een demonstratie geweld uitgebroken was; overwegende dat zijn drie zusters vervolgens door de autoriteiten zijn vrijgelaten;
C. overwegende dat de aanklager er niet in geslaagd is te bewijzen dat Ibrahim Halawa betrokken is geweest bij enig geweld tijdens de protesten; overwegende dat de aanklager zich enkel heeft kunnen baseren op politiegetuigen en -verslagen, en onderzoeken van inlichtingendiensten; overwegende dat zijn proces herhaaldelijk uitgesteld is en laatstelijk op 15 december 2015 door de Egyptische rechtbank is opgeschort; overwegende dat hij pas een jaar na zijn arrestatie in beschuldiging is gesteld; overwegende dat Ibrahim Halawa op 19 december 2015 samen met 493 personen, van wie de meesten meerderjarig zijn, een massaproces wacht zonder dat er enige waarborg is dat aan de minimumeisen van een vrij en eerlijk proces voldaan wordt, en hij bij veroordeling mogelijk de doodstraf krijgt; overwegende dat in mei 2015 Egypte zes mensen heeft geëxecuteerd, van wie een persoon van dezelfde leeftijd als Ibrahim Halawa nu;
D. overwegende dat sinds 2013 een groot aantal doodstraffen zijn uitgesproken in massaprocessen tegen vermeende leden van de Moslimbroederschap en vermeende aanhangers van de afgezette president Morsi; overwegende dat deze procedures een schending vormen van de verplichtingen van Egypte uit hoofde van het internationaal recht;
E. overwegende dat in artikel 10 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens wordt bepaald dat "een ieder, in volle gelijkheid, recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen en bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging";
F. overwegende dat Ibrahim Halawa vastgehouden wordt wegens het vreedzaam uitoefenen van zijn recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering en door Amnesty International beschouwd wordt als een politieke gevangene; overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering onmisbare pijlers zijn van een democratische en pluralistische samenleving; overwegende dat artikel 73 van de Egyptische grondwet bepaalt dat burgers het recht hebben om openbare vergaderingen, optochten, betogingen en alle vormen van vreedzaam protest te organiseren;
G. overwegende dat sinds de militaire machtsovername van juli 2013 naar verluidt een groot aantal betogers en gewetensbezwaarden gevangengenomen is; overwegende dat de vrijheid van vereniging, de vrijheid van vergadering en de vrijheid van meningsuiting sinds juli 2013 punten van bijzondere zorg zijn gebleven;
H. overwegende dat Ibrahim Halawa met bijzonder harde omstandigheden in de gevangenis geconfronteerd wordt, waaronder vermeende foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling tijdens de arrestatie en detentie, en dat medische en juridische bijstand geweigerd is; overwegende dat, volgens zijn familie en juridische vertegenwoordigers, Ibrahim Halawa sinds 21 oktober 2015 als protest tegen zijn voortgezette detentie in hongerstaking is en zijn gezondheidstoestand daarmee ernstig in gevaar brengt;
I. overwegende dat het Egyptisch openbaar ministerie van Caïro-Noord en de rechtbank niet hebben erkend dat de Ibrahim Halawa ten tijde van zijn arrestatie minderjarig was, hetgeen in strijd is met de verplichtingen die op de Egyptische autoriteiten rusten krachtens het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarbij Egypte partij is;
J. overwegende dat elk vonnis waarin personen die ten tijde van het strafbare feit de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, de doodstraf wordt opgelegd, en de tenuitvoerlegging daarvan, onverenigbaar zijn met de internationale verplichtingen van Egypte;
K. overwegende dat de Ierse minister van Buitenlandse Zaken en Handel, Charles Flanagan, zijn teleurstelling heeft uitgesproken over het steeds opnieuw uitstellen van het proces van Ibrahim Halawa in Egypte; overwegende dat functionarissen van het Ierse consulaat tot dusver alle hoorzittingen hebben bijgewoond en tevens 48 consulaire bezoeken aan Ibrahim Halawa hebben afgelegd, hetgeen het belang onderstreept dat de Ierse regering aan deze zaak toekent;
L. overwegende dat Egypte buitenlanders in vrijheid heeft gesteld op grond van een in november 2014 uitgevaardigd presidentieel decreet dat het mogelijk maakt om buitenlanders die een strafbaar feit ten laste is gelegd naar hun land van herkomst uit te wijzen;
M. overwegende dat Egypte tot op heden heeft geweigerd de voorlopige maatregelen uit te voeren die de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volken in maart 2015 verzocht heeft, om, met het oog op het waarborgen van hun integriteit, Ibrahim Halawa en de andere bij de zaak betrokken minderjarigen, onmiddellijk op borgtocht in vrijheid te stellen;
N. overwegende dat de EU en haar lidstaten op uiteenlopende gebieden streven naar het aanknopen van nauwere betrekkingen met Egypte en zijn bevolking, als belangrijk buurland en partner; overwegende dat Egypte van alle Arabische landen de meeste inwoners heeft, met een bevolking van meer dan 80 miljoen mensen, en een cruciale plaats inneemt in het zuidelijke Middellandse Zeegebied; overwegende dat het land met ernstige veiligheidsproblemen te kampen heeft vanwege de situatie in de buurlanden; overwegende dat politieke, economische en maatschappelijke ontwikkelingen in Egypte verstrekkende gevolgen hebben voor de gehele regio en daarbuiten;
1. spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de onaanvaardbare schending van elementaire mensenrechten door de willekeurige detentie van Iers staatsburger Ibrahim Halawa en verzoekt de Egyptische autoriteiten hem onmiddellijk en onvoorwaardelijk in vrijheid te stellen en over te dragen aan de Ierse autoriteiten, in het kader van een presidentieel decreet dat in november 2014 op grond van de Egyptische wet 140 is uitgevaardigd;
2. uit zijn ernstige bezorgdheid over de verslechterende gezondheidstoestand van Ibrahim Halawa als gevolg van zijn hongerstaking en de naar verluidt slechte omstandigheden in de gevangenis; verzoekt de Egyptische autoriteiten om als prioriteit ervoor te zorgen dat Ibrahim Halawa in goede gezondheid en welzijn blijft zolang hij in de gevangenis verblijft; eist dat alle meldingen over foltering en mishandeling van Ibrahim Halawa grondig en onafhankelijk worden onderzocht;
3. vraagt de Egyptische autoriteiten om ervoor te zorgen dat artikel 10 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten wordt geëerbiedigd, waarin wordt bepaald dat "alle personen die van hun vrijheid zijn beroofd dienen te worden behandeld met menselijkheid en met eerbied voor de waardigheid, inherent aan de menselijke persoon";
4. herinnert de Egyptische autoriteiten eraan dat Egypte gebonden is aan onbetwistbare internationale verplichtingen uit hoofde van het Verdrag inzake de rechten van het kind, zoals die van toepassing zijn op Ibrahim Halawa; verzoekt de Egyptische autoriteiten, in geval van een veroordeling van Ibrahim Halawa, het risico op de doodstraf categorisch uit te sluiten, aangezien hij ten tijde van zijn arrestatie minderjarig was;
5. wijst er andermaal op dat de EU het gebruik van de doodstraf onder alle omstandigheden met klem veroordeelt en verzoekt om een volledig moratorium op de toepassing van de doodstraf in Egypte; dringt er bij Egypte op aan het tweede facultatief protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1996, gericht op de afschaffing van de doodstraf, te ratificeren;
6. is bijzonder bezorgd over het feit dat de Egyptische autoriteiten het recht op een eerlijk proces van Ibrahim Halawa en de andere 493 aangeklaagden niet eerbiedigen, met name over het gebrek aan mogelijkheden om de voortdurende detentie en de strafklachten tegen hen te laten herzien of aan te vechten, de herhaaldelijke weigering van toegang tot advocaten en de buitensporige duur van het voorarrest, wat een schending inhoudt van de Egyptische binnenlandse en internationale verplichtingen;
7. blijft ervan overtuigd dat het bijzonder moeilijk is voor de advocaten van Ibrahim Halawa om een individueel verweer op te bouwen indien zijn zaak wordt gehoord als onderdeel van het massaproces van alle aangeklaagden die in verband met de protesten in augustus 2013 gearresteerd zijn;
8. spreekt zijn krachtige veroordeling uit van het gebruik van massaprocessen in gerechtelijke procedures en verzoekt de Egyptische autoriteiten het internationale recht in acht te nemen en de strengste internationale normen met betrekking tot het recht op een eerlijk proces en een behoorlijke rechtsgang te waarborgen; verzoekt de Egyptische autoriteiten om de invrijheidsstelling van degenen die vastgehouden worden wegens het vreedzaam uitoefenen van hun recht op meningsuiting en hun recht van vergadering en vereniging, welke rechten verankerd zijn in de Egyptische grondwet en andere internationale verdragen waarbij Egypte partij is; is diep verontrust over de ernstige verslechtering van het mediaklimaat; veroordeelt de processen tegen en de veroordeling bij verstek van Egyptische en buitenlandse journalisten;
9. vraagt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), middels de EU-delegatie in Caïro, en de lidstaten, met name Ierland, om toezicht te houden op alle hoorzittingen tijdens het proces van Ibrahim Halawa en zijn mede-aangeklaagden; verwacht dat de EDEO deze zaak in zijn dialoog met Egypte op het allerhoogste niveau aan de orde stelt, en over het toezicht op het proces regelmatig verslag uitbrengt aan het Parlement; verzoekt de Ierse autoriteiten volledige juridische, consulaire en andere vormen van steun te blijven bieden aan Ibrahim Halawa en zijn verwanten, en hem regelmatig in de gevangenis te bezoeken, evenals de EU-delegatie; verzoekt de Egyptische autoriteiten, gezien het Europese burgerschap van Ibrahim Halawa, de consulaire toegang van de Ierse regering te blijven faciliteren;
10. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de president van de Arabische Republiek Egypte en zijn interim-regering.
– gezien zijn eerdere resoluties over de Maldiven, met name die van 16 september 2004(1) en van 30 april 2015(2),
− gezien het eindverslag van 22 maart 2014 van de waarnemersmissie van de EU naar de parlementsverkiezingen in de Republiek der Maldiven,
− gezien de gezamenlijke plaatselijke verklaring d.d. 30 september 2014 over bedreigingen voor het maatschappelijk middenveld en de mensenrechten op de Maldiven, die is afgegeven door de EU-delegatie in overeenstemming met de ambassades van de EU-lidstaten en de ambassades van Noorwegen en Zwitserland in Colombo die bij de Maldiven zijn geaccrediteerd,
− gezien de verklaring d.d. 12 maart 2015 van de voorzitter van haar Delegatie voor de betrekkingen met de Zuid-Aziatische landen over de arrestatie van oud-president Nasheed op de Maldiven en de brief d.d. 10 april 2015 van de voorzitter van haar Commissie buitenlandse zaken aan de minister van Buitenlandse Zaken van de Republiek der Maldiven,
− gezien de verklaring van 14 maart 2015 van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de veroordeling van oud-president van de Maldiven, Mohamed Nasheed,
− gezien de verklaring van 5 november 2015 van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over het uitroepen van de noodtoestand op de Maldiven,
− gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij de Maldiven partij zijn,
− gezien de verklaring van 18 maart 2015 van Zeid Ra'ad al-Hussein, hoge commissaris voor de rechten van de mens van de VN, over het proces tegen oud-president Mohamed Nasheed,
− gezien advies nr. 33/2015 (Maldiven) van 4 september 2015 van de VN-werkgroep inzake arbitraire opsluiting,
− gezien de documentatie met betrekking tot de universele periodieke toetsing (UPT) door de VN-Mensenrechtenraad betreffende de Maldiven, van 6 mei 2015,
– gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,
A. overwegende dat het verloop van de presidentsverkiezingen, waardoor Abdulla Yameen Abdul Gayoom aan de macht kwam, werd verstoord door onregelmatigheden;
B. overwegende dat Mohamed Nasheed, de eerste democratisch verkozen president van de Maldiven, op 13 maart 2015 tot 13 jaar gevangenisstraf werd veroordeeld op grond van politieke gemotiveerde aanklachten en overwegende dat dit veroordeeld werd door de VN-werkgroep inzake arbitraire opsluiting; overwegende dat zijn proces werd verstoord door onregelmatigheden; overwegende dat andere oud-functionarissen, inclusief oud-vice-president Ahmed Adeeb en de oud-ministers van Defensie Mohamed Nazim en Tholhath Ibrahim ook zijn gearresteerd en gevangengenomen;
C. overwegende dat er bezorgdheid is geuit over de sterk gepolitiseerde rechterlijke macht van de Maldiven, die in de loop der jaren misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden en de heersende partij heeft bevoordeeld en politici van de oppositie heeft tegengewerkt;
D. overwegende dat de regering van de Maldiven op 4 november 2015 de noodtoestand heeft uitgeroepen, en deze zes dagen later heeft herroepen, die lijkt te zijn gebruikt om massale anti-regeringsbetogingen tegen te gaan en sterk is veroordeeld omdat de grondrechten van de burgers werden opgeschort en omdat leger en politie de bevoegdheid kregen arbitraire huiszoekingen en arrestaties te verrichten;
E. overwegende dat de politie op 27 en 28 november 2015 betogers van de oppositie heeft verspreid, met gebruik van traangas en pepperspray, en meer dan een tiental demonstranten heeft gearresteerd die aandrongen op vrijlating van de oud-president en andere gevangengenomen politieke leiders;
F. overwegende dat Mahfooz Saeed, een mensenrechtenadvocaat en lid van het juridisch team van oud-president Mohamed Nasheed, op 4 september 2015 is aangevallen;
G. overwegende dat een moratorium voor de doodstraf op de Maldiven (inclusief uitgestelde vonnissen op minderjarigen) dat was ingesteld in 1953, in april 2014 werd afgeschaft;
H. overwegende dat het parlement wetgeving heeft aangenomen waardoor het aandringen op restrictieve maatregelen en andere vergelijkbare strafmaatregelen tegen de regering van de Maldiven en haar leden, een vorm van verraad is;
I. overwegende dat de Maldiven door het Comité over de mensenrechten van parlementsleden van de Interparlementaire Unie is aangemerkt als een van de ergste landen ter wereld wegens aanvallen op parlementsleden van de oppositie waarbij politici van de oppositie routinematig worden geïntimideerd, gearresteerd en gevangengenomen; overwegende dat de vrijheid van meningsuiting, inclusief de mediavrijheid, de vrijheid van vergadering en democratisch pluralisme steeds meer onder druk zijn komen te staan met de arrestatie en beschuldiging van honderden anti-regeringsbetogers;
J. overwegende dat er ook bezorgdheid bestaat over de toenemende radicale islamistische strijdbaarheid en over het aantal geradicaliseerde jonge mannen en vrouwen die zich zouden hebben aangesloten bij ISIS; overwegende dat de Maldiven naar schatting het grootste aantal ISIS-rekruten per hoofd van de bevolking van alle landen hebben;
K. overwegende dat Ahmed Rilwan, een journalist die kritisch tegenover de regering staat en die in augustus 2014 is "verdwenen", nog steeds wordt vermist en dat nu gevreesd wordt dat hij dood is;
L. overwegende dat bendes en radicale islamistische groeperingen - naar verluidt in samenwerking met de politie - vaak instellingen, organisaties en individuen aanvallen die kritisch tegenover de regering staan of die worden beschuldigd van atheïsme, en overwegende dat hierdoor een klimaat van intimidatie ontstaat;
M. overwegende dat maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten steeds meer te maken krijgen met pesterijen, intimidatie en aanvallen, met inbegrip van de voormalige Commissie voor de rechten van de mens van de Maldiven (HRCM), die door het hooggerechtshof is bekritiseerd omdat zij een rapport heeft opgesteld voor de universele periodieke toetsing van de VN-Mensenrechtenraad;
1. geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de geleidelijke verslechtering van de democratische normen en de toenemende autoritaire tendensen op de Maldiven, waardoor een klimaat van angst en politieke spanning ontstaat dat de vooruitgang die de afgelopen jaren is geboekt op het gebied van mensenrechten, democratie en rechtsstaat in het land in gevaar zou kunnen brengen;
2. betreurt de repressie van politieke tegenstanders; dringt bij de regering van de Maldiven aan op onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van oud-president Nasheed, oud-vice-president Ahmed Adeeb, en de oud-ministers van defensie Ibrahim en Nazim, alsmede sjeik Imran Abdulla, en andere politieke tegenstanders, en alle tenlasteleggingen in te trekken; is ook bezorgd over de verslechterende gezondheidstoestand van de oud-president;
3. geeft nogmaals uiting aan zijn grote ontevredenheid over de ernstige onregelmatigheden in het proces tegen oud-president Mohamed Nasheed;
4. dringt er bij de regering van de Maldiven op aan volledige onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen en het procesrecht te eerbiedigen en het recht op een eerlijk, onpartijdig en onafhankelijk proces; benadrukt dat depolitisering van de rechterlijke macht in het land nodig is, en ook in de veiligheidsdiensten;
5. geeft in dit verband uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over het ontslag van de procureur-generaal en herinnert de regering eraan dat het ambt van procureur-generaal volgens de grondwet van Maldiven een onafhankelijk grondwettelijk orgaan is en dat de procureur in staat gesteld moet worden zijn legitieme grondwettelijke mandaat te vervullen zonder arbitraire politieke interferentie of intimidatie door andere regeringsorganen;
6. is ernstig bezorgd over de continue erosie van de mensenrechten, inclusief het misbruik van de noodtoestand door de uitvoerende macht op de Maldiven en over het gevaar van verdere verslechtering; herinnert de Republiek der Maldiven aan haar internationale verplichtingen met betrekking tot de mensenrechten, inclusief de rechten van het kind en de grondrechten;
7. dringt aan op het aangaan van een werkelijke dialoog tussen alle politieke partijen over de toekomst van deze kwetsbare eilandstaat;
8. dringt er bij de regering van de Maldiven op aan het recht op demonstratie en het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering te eerbiedigen en volledig te ondersteunen, en niet te trachten deze rechten in te perken; verzoekt de regering van de Maldiven tevens om een einde te maken aan de straffeloosheid waarmee burgerwachten geweld gebruiken tegen mensen die pleiten voor religieuze tolerantie, vreedzame betogers, kritische media en het maatschappelijk middenveld; dringt er bij de Republiek der Maldiven op aan haar internationale verplichtingen volledig te eerbiedigen;
9. dringt er bij de regering van de Maldiven op aan de rechten te waarborgen van pleitbezorgers van de democratie, gematigde moslims en aanhangers van secularisme, en degenen die gekant zijn tegen de Wahhabi-salafistische ideologie die gepromoot wordt op de Maldiven en hun recht te waarborgen om te participeren op alle gebieden van het openbare leven op de Maldiven;
10. herinnert eraan dat mediavrijheid de hoeksteen vormt van een goed functionerende democratie; dringt er bij de regering en de autoriteiten van de Maldiven op aan te zorgen voor adequate bescherming van journalisten en mensenrechtenactivisten die geconfronteerd worden met intimidatie en aanvallen wegens hun legitieme werkzaamheden, en, in dit verband, een diepgaand onderzoek te laten instellen naar de verdwijning van Ahmed Rilwan, de aanslag op Mahfooz Saeed en de aanvallen en intimidaties van journalisten, leden van maatschappelijke organisaties en onafhankelijke instellingen;
11. dringt met spoed aan op herinstelling van het moratorium op de doodstraf met het oog op afschaffing ervan en op herziening van het wetboek van strafrecht om het gebruik van lijfstraffen af te schaffen;
12. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om toeristen die een bezoek aan de Maldiven overwegen volledig op de hoogte te stellen van de mensenrechtensituatie in het land; dringt er tevens bij de Europese Dienst voor extern optreden op aan om de mensenrechtensituatie en de politieke situatie op de Maldiven nauwlettend in het oog te houden;
13. dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan met het oog op de aanhoudende democratische achteruitgang en de verslechtering van de mensenrechtensituatie op de Maldiven, beperkende maatregelen in te voeren in de vorm van gerichte sancties om buitenlandse activa van bepaalde leden van de regering van de Maldiven en leidende figuren van het Maldivische bedrijfsleven te bevriezen en hen reisverboden op te leggen;
14. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de lidstaten en de regering en het parlement van de Maldiven.
– gezien zijn resolutie van 15 januari 2014 over de toekomst van de betrekkingen tussen de EU en de ASEAN(1),
– gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 15 april 2015 over de recent aangenomen wijziging van de wet tegen staatsondermijning in Maleisië,
– gezien de verklaring van de woordvoerder van de EDEO van 17 maart 2015 over de arrestatie van Nurul Izzah, oppositielid van het parlement in Maleisië,
– gezien de verklaring van de woordvoerder van de EDEO van 10 februari 2015 over de veroordeling van Anwar Ibrahim, Maleisisch oppositiepoliticus,
– gezien het strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie,
– gezien de verklaring van de hoge commissaris voor de rechten van de mens van de VN van 9 april 2015 over de ontwerpen voor de antiterreurwet en de wet tegen staatsondermijning,
– gezien de gezamenlijke persverklaring van de EDEO van 23 oktober 2015 over de beleidsdialoog over de mensenrechten tussen de EU en de ASEAN,
– gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers,
– gezien de universele periodieke toetsing door de VN van oktober 2013,
– gezien het verslag van de speciale rapporteur inzake mensenhandel van juni 2015,
– gezien de tweede universele periodieke toetsing van Maleisië door de VN-Mensenrechtenraad en de aanbevelingen ervan van oktober 2013,
– gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,
– gezien de verklaring van de Verenigde Naties over mensenrechtenverdedigers van 1998,
– gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966,
– gezien het VN-Verdrag van 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,
– gezien de verklaring inzake mensenrechten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten,
– gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de EU Maleisië als een belangrijke politieke en economische partner in Zuidoost-Azië beschouwt; overwegende dat de EU en Maleisië onderhandelen over een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst en een vrijhandelsovereenkomst;
B. overwegende dat de ruimte voor publiek debat en vrije meningsuiting in Maleisië snel afneemt, omdat de regering haar toevlucht neemt tot vaag geformuleerde strafwetten om haar criticasters de mond te snoeren en openbare ontevredenheid en vreedzame meningsuiting, ook debatten over kwesties van openbare belang, de kop in te drukken; overwegende dat deze wetten onder meer de wet tegen staatsondermijning, de wet op drukpers en publicaties, de wet op communicatie en multimedia en de wet op vreedzame vergadering omvatten;
C. overwegende dat de wet op de nationale veiligheidsraad op 3 december 2015 in het Maleisische parlement door een meerderheid werd goedgekeurd; overwegende dat door deze wet de door de premier geleide nationale veiligheidsraad verregaande bevoegdheden krijgt om de noodtoestand af te kondigen in elk gebied dat als veiligheidsrisico wordt beschouwd, waarbij ruime bevoegdheden worden verleend om zonder bevelschrift te arresteren, te doorzoeken en in beslag te nemen;
D. overwegende dat sinds begin 2014 alleen al op basis van de wet tegen staatsondermijning minstens 78 personen werden onderzocht of beschuldigd;
E. overwegende dat Anwar Ibrahim, de voormalige oppositieleider, in februari 2015 werd veroordeeld op basis van beschuldigingen van sodomie na een politiek gemotiveerde vervolging met een strafrechtelijke procedure die niet aan de internationale normen voor eerlijke procesvoering beantwoordde, tot gevolg; overwegende dat hij niet de gepaste medische verzorging kreeg;
F. overwegende dat LGBTI-personen in Maleisië strafbaar worden gesteld door het verbod op sodomie en regionale verboden op het dragen van kleren van het andere geslacht en geconfronteerd worden met politieke haatzaaiingen, willekeurige arrestaties, fysieke en seksuele mishandeling, gevangenneming en andere vormen van misbruik;
G. overwegende dat de Maleisische cartoonist Zulkiflee Anwar Ulhaque (Zunar) op basis van de wet tegen staatsondermijning beschuldigd wordt na kritische tweets over de regering naar aanleiding van de veroordeling van Anwar Ibrahim; overwegende dat de blogger Khalid Ismath en academicus Azmi Sharom met soortgelijke beschuldigingen worden geconfronteerd;
H. overwegende dat de Maleisische corruptiebestrijdingscommissie de premier heeft ondervraagd in verband met beschuldigingen van smeergeld nadat meer dan 600 miljoen EUR werd ontdekt op zijn bankrekening zonder rechtvaardiging van de herkomst of het doel en afzonderlijke aantijgingen dat honderden miljoenen euro's verdwenen zijn van contracten van een door hem opgericht staatsbedrijf, 1Malaysia Development Berhad (1MDB);
I. overwegende dat aan mediakanalen en uitgeverijen krachtens de wet op drukpers en publicaties beperkingen werden opgelegd nadat zij over deze aantijgingen verslag hadden uitgebracht en overwegende dat advocaat Matthias Chang en politicus Khairuddin Abu Hassan werden gearresteerd na hun onderzoek naar deze aantijgingen;
J. overwegende dat de hoge vertegenwoordiger tijdens haar bezoek aan Maleisië op 5-6 augustus 2015 haar bezorgdheid heeft geuit over het misbruik dat wordt gemaakt van de strafwetgeving;
K. overwegende dat de Maleisische politie, volgens ngo's en de VN, steeds vaker haar toevlucht neemt tot folterpraktijken, arrestaties 's avonds laat, ongerechtvaardigde voorlopige hechtenis en selectieve vervolging;
L. overwegende dat Maleisië de doodstraf blijft uitvoeren en dat er momenteel tot 1 000 gevangenen in de dodencel zitten;
M. overwegende dat Maleisië lid is van de VN-Veiligheidsraad en momenteel voorzitter is van de ASEAN en dat de 27e ASEAN-top van 18 tot 22 november 2015 in Kuala Lumpur heeft plaatsgevonden;
1. herhaalt het grote engagement van de EU voor het Maleisische volk, met wie de EU sterke en langdurige politieke, economische en culturele banden heeft;
2. betreurt de verslechterende mensenrechtensituatie in Maleisië en in het bijzonder de harde aanpak van activisten uit het maatschappelijk middenveld, academici, media en politieke activisten; uit zijn bezorgdheid over de piek van het aantal personen die beschuldigd of gearresteerd worden op basis van de wet tegen staatsondermijning;
3. is uiterst bezorgd over de goedkeuring van de wet op de nationale veiligheidsraad en dringt aan op de opheffing ervan; vraagt de regering een gepast evenwicht in stand te houden tussen de behoefte de nationale veiligheid te vrijwaren en de verplichting de burgerrechten en politieke rechten te beschermen;
4. dringt er bij de Maleisische regering op aan alle politieke gevangenen onmiddellijk vrij te laten, ook de voormalige oppositieleider Anwar Ibrahim, en hen de gepaste medische verzorging te verstrekken, en politiek gemotiveerde aanklachten te laten vallen, ook tegen cartoonist Zulkiflee Anwar Haque (Zunar), blogger Khalid Ismath, academicus Azmi Sharom, politieke dissidenten Khairuddin Abu Hassan en Matthias Chang, en mensenrechtenactivisten Lena Hendry en Maria Chin Abdullah;
5. dringt er bij de Maleisische autoriteiten op aan de wet tegen staatsondermijning in te trekken en alle wetgeving, met inbegrip van de antiterreurwet, de wet op drukpers en publicaties, de wet op communicatie en multimedia en de wet op vreedzame vergadering en andere relevante strafrechtelijke bepalingen, in overeenstemming te brengen met internationale normen over de vrijheid van meningsuiting en vergadering en de bescherming van de mensenrechten; vraagt de Maleisische autoriteiten vreedzame vergaderingen te faciliteren en de veiligheid van alle deelnemers en hun vrijheid van meningsuiting in het hele land te garanderen;
6. dringt aan op de oprichting van de onafhankelijke commissie voor de afhandeling van klachten over en wangedrag van de politie, zoals werd aanbevolen in de politieonderzoekscommissie in 2005, om aantijgingen van foltering en sterfgevallen tijdens politiehechtenis te onderzoeken;
7. benadrukt het belang van onafhankelijke en transparante onderzoeken naar de beschuldigingen van smeergeld en van een volledige samenwerking met de onderzoekers; dringt er bij de Maleisische regering op aan geen druk uit te oefenen op de Maleisische corruptiebestrijdingscommissie en de media;
8. betreurt ten zeerste de opgang van racistische groeperingen die verder bijdragen tot etnische spanningen;
9. moedigt de Maleisische regering aan tot het starten van een dialoog met oppositiepartijen en belanghebbenden van het maatschappelijk middenveld;
10. roept de Maleisische regering op tot de ratificering van belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, met inbegrip van het ICCPR, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, IAO-Verdrag nr. 169, het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof alsook het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen en het facultatieve protocol;
11. vraagt de Maleisische regering een vaste uitnodiging uit te breiden naar alle speciale rapporteurs van de VN, waardoor zij Maleisië kunnen bezoeken zonder om een uitnodiging te verzoeken;
12. herhaalt zijn standpunt dat de doodstraf een wrede, onmenselijke of onterende behandeling is en vraagt Maleisië een moratorium in te voeren als eerste stap in de richting van de afschaffing van de doodstraf voor alle misdaden en alle doodstraffen om te zetten in gevangenisstraffen;
13. vraagt de EU en de lidstaten, in overeenstemming met het strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie, hun beleid ten aanzien van Maleisië te coördineren om hervormingen met betrekking tot bovenstaande punten van zorg op alle mogelijke manieren aan te moedigen, ook in de context van de VN, waar Maleisië in 2015-2016 een niet-permanent lid van de VN-Veiligheidsraad is;
14. dringt er bij de EU-delegatie in Maleisië op aan haar inspanningen op te voeren om projecten over de vrijheid van meningsuiting en de hervorming van repressieve wetgeving te financieren en alle gepaste instrumenten, met inbegrip van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), te gebruiken om mensenrechtenactivisten te beschermen; dringt aan op de opheffing van het verbod op sodomie en vraagt de EDEO, in overeenstemming met de EU-richtsnoeren om het genot van alle mensenrechten door LGBTI's te bevorderen en te beschermen, haar activiteiten omtrent de rechten van LGBTI-personen in Maleisië, die geconfronteerd worden met geweld en vervolging, op te voeren en vooral te ijveren voor de decriminalisering van homo- en transseksualiteit;
15. herhaalt het belang van de beleidsdialoog over de mensenrechten tussen de EU en de ASEAN als een nuttig instrument om goede praktijken uit te wisselen en initiatieven voor capaciteitsopbouw te bevorderen;
16. vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat tijdens toekomstige onderhandelingen over een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst en een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Maleisië gepast rekening wordt gehouden met mensenrechtenkwesties;
17. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, het parlement en de regering van Maleisië, de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN en de regeringen van de ASEAN-lidstaten.
Kaderovereenkomst tussen de EU en Vietnam inzake een breed partnerschap en samenwerking (protocol om rekening te houden met de toetreding van Kroatië) ***
246k
60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 17 december 2015 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van het protocol bij de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (13079/2014 – C8-0282/2014 – 2014/0222(NLE))
– gezien het ontwerp van besluit van de Raad (13079/2014),
– gezien het ontwerp van protocol bij de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (13078/2014),
– gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de artikelen 207 en 209 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0282/2014),
– gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en artikel 99, lid 2 en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,
– gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0340/2015),
1. hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;
2. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Socialistische Republiek Vietnam.
Kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de EU en Vietnam (goedkeuring) ***
244k
61k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 17 december 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van een kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds (05432/2015 – C8-0062/2015 – 2013/0440(NLE))
– gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05432/2015),
– gezien het ontwerp van kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds (18204/2010),
– gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de artikelen 207 en 209, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0062/2015),
– gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 17 december 2015(1) inzake het ontwerp van besluit,
– gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,
– gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0339/2015),
1. hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;
2. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Socialistische Republiek Vietnam.
Kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de EU en Vietnam (resolutie)
300k
98k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 17 december 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds (05432/2015 – C8-0062/2015 – 2013/0440(NLE) – 2015/2096(INI))
– gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05432/2015),
– gezien de ontwerpkaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds (18204/2010),
– gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de artikelen 207 en 209 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a),
– gezien zijn wetgevingsresolutie van 17 december 2015(1) over het ontwerp van besluit,
– gezien de diplomatieke betrekkingen die op 22 oktober 1990 zijn aangeknoopt tussen Vietnam en de EU (destijds de Europese Gemeenschappen),
– gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Vietnam die op 1 juni 1996 in werking is getreden(2),
– gezien de aankondiging van de Commissie van 4 augustus 2015 dat de EU en Vietnam overeenstemming hebben bereikt over een brede vrijhandelsovereenkomst waarover sinds 26 juni 2012 werd onderhandeld,
– gezien de ontwerpaanbeveling van EU-ombudsman Emily O’Reilly van 26 maart 2015, waarin de Commissie wordt opgeroepen om onverwijld de impact op de mensenrechten te beoordelen, in de context van de voorgenomen vrijhandelsovereenkomst met Vietnam,
– gezien het meerjarig indicatief programma van de Europese Unie voor Vietnam 2014-2020,
– gezien de mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam die in 2003 is begonnen, en de vierde ronde van de versterkte mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam die op 19 januari 2015 in Brussel heeft plaatsgevonden,
– gezien de onderhandelingen over een vrijwillige partnerschapsovereenkomst met Vietnam inzake het actieplan van de EU voor wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (Flegt), die in november 2010 zijn gestart,
– gezien Verordening (EEG) nr. 1440/80 van de Raad van 30 mei 1980 betreffende de sluiting van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Indonesië, Maleisië, de Filippijnen, Singapore en Thailand, lidstaten van de Association of South-East Asian Nations(3), en het op 14 februari 1997 ondertekende protocol betreffende de uitbreiding tot de Socialistische Republiek Vietnam van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de lidstaten van de ASEAN(4),
– gezien de gezamenlijke mededeling van 18 mei 2015 aan het Parlement en de Raad getiteld "De EU en de ASEAN: een partnerschap met een strategische doelstelling",
– gezien de tiende ASEM-top in Milaan op 16 en 17 oktober 2014 en de volgende top die in 2016 zal worden gehouden in Ulaanbaatar, Mongolië,
– gezien het bezoek dat de Delegatie van het Parlement voor de betrekkingen met de Zuidoost-Aziatische landen in oktober 2013 aan Vietnam heeft gebracht,
– gezien de interparlementaire vergadering tussen het Europees Parlement en Vietnam in Hanoi op 30 oktober 2013,
– gezien het bezoek van de voorzitter van de Commissie, José Manuel Barroso, aan Vietnam in augustus 2014,
– gezien het bezoek van de premier van Vietnam, Nguyen Tan Dung, aan de Europese Unie in oktober 2014,
– gezien de 22e vergadering van het Gemengd Samenwerkingscomité ASEAN-EU, die op 5 februari 2015 in Jakarta werd gehouden,
– gezien zijn recente resoluties over Vietnam, in het bijzonder die van 12 juli 2007 over de mensenrechten in Vietnam(5), van 22 oktober 2008 over democratie, mensenrechten en de nieuwe partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EU-Vietnam(6), van 26 november 2009 over de situatie in Laos en Vietnam(7), van 18 april 2013 over Vietnam, in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting(8), van 15 januari 2014 over de toekomst van de betrekkingen tussen de EU en de ASEAN(9) en van 17 april 2014 over de onderhandelingen over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam(10),
– gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(11),
– gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 over vrijheid van pers en media in de wereld(12),
– gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, die op 12 mei 2014 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn vastgesteld,
– gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over mensenrechten en technologie: het effect van inbreuk- en bewakingssystemen op de mensenrechten in derde landen(13),
– gezien het feit dat Vietnam op 28 juli 1995 volwaardig lid is geworden van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN),
– gezien het feit dat Vietnam oprichtend lid is van de Mekongriviercommissie, die op 5 april 1995 is opgericht om nauwer samen te werken ten behoeve van de duurzame ontwikkeling van het stroomgebied van de Mekong,
– gezien de 26e top van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN), die op 26-28 april 2015 in Kuala Lumpur en Langkawi in Maleisië werd gehouden,
– gezien de 14e veiligheidstop voor Azië (IISS Shangri-La dialoog), die op 29-31 mei 2015 in Singapore werd gehouden,
– gezien de basisverklaring van Hanoi, de nationale strategie van Vietnam voor de implementatie van de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp,
– gezien het verslag van de werkgroep voor de universele periodieke toetsing (UPR) over Vietnam van 9 oktober 2009 en de aanbevelingen in het tweede UPR-verslag over Vietnam tijdens de 26e zitting van de VN-Mensenrechtenraad op 20 juni 2014, en het lidmaatschap van Vietnam van de VN-Mensenrechtenraad in de periode 2014-2016,
– gezien de recente ratificatie door Vietnam van het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en het langverwachte bezoek van de speciale rapporteur van de VN voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in juli 2014,
– gezien het feit dat dit jaar het einde van de Vietnamoorlog (40 jaar geleden) wordt herdacht,
– gezien artikel 99, lid 1, tweede alinea, van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0342/2015),
A. overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Vietnam in 2015 25 jaar bestaan; overwegende dat deze betrekkingen zich spoedig hebben uitgebreid van handel en hulp naar andere beleidsterreinen;
B. overwegende dat de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking gericht is op een modern, breed en wederzijds voordelig partnerschap, dat gebaseerd is op gedeelde belangen en beginselen als gelijkheid, wederzijds respect, de rechtsstaat en mensenrechten;
C. overwegende dat de EU de grootste exportmarkt van Vietnam is; overwegende dat de EU samen met haar lidstaten de meeste officiële ontwikkelingshulp verstrekt aan Vietnam en dat de EU-begroting voor dit doel met 30 % zal worden verhoogd tot 400 miljoen EUR in 2014-2020;
D. overwegende dat de Vietnamese autoriteiten hebben aangekondigd in 45 sectoren het verbod op directe buitenlandse investeringen op te heffen, en maatregelen hebben aangenomen om de regelgeving voor het bedrijfsleven in het land te vereenvoudigen om buitenlandse investeringen te stimuleren;
E. overwegende dat Vietnam de afgelopen decennia consistent heeft gekozen voor een uitgesproken pro-Europese aanpak en actief overleg heeft gevoerd met de EU als de ASEAN-landencoördinator voor ASEAN-EU-dialoogbetrekkingen in de periode 2012-2015 en als gastland van de 132e vergadering van de Interparlementaire Unie (IPU) in Hanoi van 28 maart tot 1 april 2015; overwegende dat het Vietnamese coördinatorschap werd gekenmerkt door een aanzienlijke toename in het aantal vergaderingen tussen de EU en de ASEAN en het hoge niveau daarvan; overwegende dat Vietnam zich heeft aangesloten bij het door Beijing naar voren geschoven project van de Aziatische Investeringsbank voor infrastructuur (Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB));
F. overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en de ASEAN alomvattend zijn en een brede reeks sectoren omvatten, waaronder handel en investeringen, ontwikkeling, economie en politieke kwesties; overwegende dat het actieplan van Bandar Seri Begawan van 2012 was aangenomen om een meer strategische nadruk te leggen op de regionale samenwerking in deze sectoren tussen de EU en de ASEAN;
G. overwegende dat de trans-Pacifische partnerschapsovereenkomst tussen twaalf landen in het Pacifisch gebied, waaronder Vietnam, op 5 oktober 2015 is afgerond, waarmee een nieuw handelsblok in het leven wordt geroepen dat 36 % van het wereldwijde bbp vertegenwoordigt en verstrekkende gevolgen voor de wereldhandel zou kunnen hebben;
H. overwegende dat Vietnam de afgelopen twee decennia veel succes heeft geboekt met betrekking tot de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, alsook inzake armoedebestrijding, economische ontwikkeling, sociale zekerheid, werkgelegenheid, onderwijs en gezondheidszorg;
I. overwegende dat de impact van het "doi moi"-beleid (herstelbeleid) en de stappen die zijn gezet om een markteconomie te vormen ook hebben geleid tot een grotere armoedekloof; overwegende dat het aantal protesten over door de regering in beslag genomen grond en eigendommen is toegenomen; overwegende dat de Vietnamese uitvoer echter te lijden heeft gehad onder de mondiale recessie, en dat het Vietnamese bbp in 2014 zowat de traagste groei vertoonde sinds het einde van de Aziatische economische crisis; overwegende dat Vietnam te kampen heeft met een beroepsbevolking die ieder jaar met meer dan een miljoen toeneemt;
J. overwegende dat in lid 1 van artikel 1 van de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking het engagement ten aanzien van de algemene beginselen van het internationaal recht wordt bevestigd en is bepaald dat "eerbiediging van de democratische beginselen en de mensenrechten" een essentieel bestanddeel van de overeenkomst is en ten grondslag ligt aan het interne en internationale beleid van beide partijen; overwegende dat er nog gevallen zijn van mensenrechtenactivisten die in weinig transparante omstandigheden zijn gearresteerd en dat het volgende congres van de Vietnamese Communistische Partij, dat gepland is voor januari 2016, de ware lakmoesproef zal zijn voor de reële eerbiediging van de democratische beginselen in Vietnam;
K. overwegende dat beperkingen van de vrijheid van meningsuiting, zowel online als offline, de pers- en mediavrijheid, de toegang tot informatie, de vrijheid van vergadering en vereniging en de vrijheid van godsdienst, zoals gerapporteerd door de speciale rapporteur van de VN voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, in Vietnam een ernstig probleem blijven;
L. overwegende dat Vietnam voor de EU een gewaardeerde partner bij onderhandelingen over klimaatverandering is en in de aanloop naar de VN-conferentie over klimaatverandering, in november 2015 in Parijs, heeft toegezegd zijn emissies ten opzichte van 2010 met 8 tot 10 % te verlagen en het energieverbruik per eenheid bbp met 1 tot 1,5 % per jaar terug te brengen;
M. overwegende dat een aantal Europese burgers, wegens historische banden, van Vietnamese origine is en dat Tsjechië zijn burgers van Vietnamese afkomst heeft erkend als een etnische minderheid;
N. overwegende dat de spanningen tussen China en zijn buurlanden in de Zuid-Chinese Zee, met inbegrip van Vietnam, onlangs zijn opgelopen als gevolg van unilateraal optreden in omstreden gebieden in de Zuid-Chinese Zee dat niet in overeenstemming is met het internationaal recht; overwegende dat de escalatie van territoriale geschillen in de regio mondiale gevolgen heeft en een ernstige bedreiging voor de vrede, veiligheid, stabiliteit en internationale handel vormt; overwegende dat het wegnemen van deze spanningen van bijzonder strategisch belang is voor de EU, met het oog op de handhaving van de mondiale veiligheid en de stabiliteit rondom belangrijke zeeroutes in de Zuid-Chinese Zee die cruciaal zijn voor de EU-handel; overwegende dat Vietnam het juridisch verzoek van de Filipijnen van 16 maart 2015 aan het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos) officieel steunt;
O. overwegende dat Vietnam tegelijkertijd de samenwerking op het gebied van strategie, veiligheid en energie met zijn Aziatische buren heeft opgevoerd en zijn bilaterale banden met vooraanstaande internationale spelers zoals de Verenigde Staten en Rusland aanhaalt, gezien de weer oplevende spanningen in de Zuid-Chinese Zee;
P. overwegende dat Vietnam nog steeds ernstig verontreinigd is door de explosieve overblijfselen van de Vietnamoorlog, en de mensen en het milieu er nog steeds lijden onder de gevolgen van de ongeveer 20 miljoen gallon Agent Orange (dioxine) die er werd gesproeid;
1. is verheugd over het sluiten van de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking met Vietnam en onderstreept dat Vietnam van groot strategisch belang is als partner van de EU in Zuidoost-Azië en de ASEAN; benadrukt dat de overeenkomst de toekomstige betrekkingen in een breed kader plaatst, met het oog op een betere samenwerking op het gebied van mondiale en regionale uitdagingen, zoals goed bestuur en corruptiebestrijding, economische en sociale vooruitgang, rekening houdend met het beginsel van duurzame ontwikkeling, ontwapening, massavernietigingswapens en de strijd tegen terrorisme; verzoekt de regeringen en parlementen van de lidstaten het ratificatieproces te versnellen om de inwerkingtreding van de overeenkomst te garanderen;
2. hoopt dat de EU en Vietnam in economisch opzicht beiden baat zullen hebben bij de ratificatie van de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking; wijst op de mogelijke gevolgen van een toekomstige handels- en investeringsovereenkomst voor het scheppen van werkgelegenheid en het bestrijden van armoede; is ingenomen met de economische en financiële hervormingen die de Vietnamese autoriteiten ter hand hebben genomen om de verdere integratie van Vietnam in de wereldeconomie te stimuleren, en verzoekt Vietnam door te gaan met deze hervormingen; roept de Vietnamese regering en de EU ertoe op de samenwerking op het gebied van economie, handel en nieuwe technologie op multilaterale fora voort te zetten; is ingenomen met het feit dat het Vietnamese bbp per inwoner sinds 2010 haast verdubbeld is;
3. onderstreept het belang van overeenkomsten inzake een breed partnerschap en samenwerking in de betrekkingen tussen de EU en de ASEAN; meent dat de samenwerking tussen de EU en de ASEAN op meerdere gebieden kan worden versterkt, bijvoorbeeld ten aanzien van de ontwikkeling van de financiële sector, transparantie en de coördinatie van het macro-economisch beleid;
4. verzoekt de lidstaten met het oog op beleidscoherentie om de afzonderlijke doelstellingen van hun respectieve ontwikkelingssamenwerking zo veel mogelijk af te stemmen op de doelstellingen die zijn vervat in de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking;
5. is verheugd over de vroege tenuitvoerlegging van de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking, terwijl het ratificatieproces op het vlak van handel, mensenrechten, migratie, regionale zekerheid, energie, wetenschap en technologie nog gaande is;
6. benadrukt het belang van het vaststellen van duidelijke ijkpunten en bindende termijnen voor de uitvoering van de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking;
7. is ingenomen met de artikelen in de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking die verwijzen naar een gezamenlijk engagement en samenwerking op het gebied van de mensenrechten; hoopt dat de wederzijdse eerbiediging van democratische beginselen en de mensenrechten de reeds lang bestaande dialoog met de Vietnamese regering over het bevorderen van met name de vrijheid van meningsuiting, vergadering, vereniging en godsdienst, zoals bepaald in de Vietnamese grondwet, artikel 69, en in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikelen 9, 10 en 11, zal versterken;
8. benadrukt het potentieel dat het internet en ICT hebben om gemeenschapsopbouw, het maatschappelijk middenveld en mondiale economische, sociale, wetenschappelijke, culturele en politieke ontwikkelingen mogelijk te maken, in de hand te werken en aan te zwengelen; onderstreept daarom het belang van onbeperkte toegang tot een vrij en open internet, vanuit economisch, sociaal en mensenrechtenoogpunt;
9. staat positief tegenover het besluit van de Vietnamese autoriteiten om de visumregeling voor burgers van vijf Europese landen af te schaffen, en meent dat dit besluit nauwere samenwerking in de toeristische sector zal bevorderen;
10. is verheugd over het door de Vietnamese premier aangekondigde "masterplan" voor de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de universele periodieke toetsing (UPR) van de VN-Mensenrechtenraad, en over de strategie voor de hervorming van het rechtsstelsel, die tegen 2020 zou moeten worden afgerond;
11. is ingenomen met de verhoging van het EU-budget voor officiële ontwikkelingshulp voor Vietnam tot 400 miljoen EUR voor de periode 2014-2020; spoort de Commissie ertoe aan te investeren in een grotere zichtbaarheid van EU-activiteiten in en van steun aan Vietnam om het strategische potentieel van deze middelen te optimaliseren;
12. moedigt de EU aan om de capaciteitsontwikkeling van Vietnam te blijven steunen door de inachtneming van goed bestuur en de rechtsstaat te bevorderen en is verheugd dat de EU-samenwerking onder meer gericht is op hervormingen van het openbaar bestuur – met inbegrip van het belastingstelsel, dat cruciaal is voor de optimalisering van het vermogen om binnenlandse inkomsten te genereren en belastingontwijking en corruptie te bestrijden –, wetenschap en technologie, vervoer en stedelijke en regionale planning en ontwikkeling;
13. verzoekt het Parlement en de Commissie in nauw overleg een beoordeling van eventuele schendingen van de mensenrechten uit te voeren om een adequaat democratisch toezicht op de toepassing van de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking te garanderen; verzoekt de Commissie de desbetreffende documenten gelijktijdig, snel en op passende wijze aan het Europees Parlement toe te zenden;
14. is verheugd dat de onderhandelingen over de vrijhandelsovereenkomst zijn afgerond; is er stellig van overtuigd dat de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking en de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam moeten bijdragen tot de versterking van de mensenrechten in Vietnam;
15. is verheugd over de opname in de toekomstige vrijhandelsovereenkomst van een hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling, verbintenissen ten aanzien van de fundamentele arbeidsnormen en verdragen van de IAO, eerbiediging van fundamentele arbeidsrechten door beide partijen, verbintenissen ter ondersteuning van het behoud en het duurzame beheer van natuurlijke rijkdommen met bijzondere aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en eerlijke en ethische handelsregelingen;
16. verzoekt de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger aan de door de nieuwe overeenkomst gewekte verwachtingen te voldoen en te garanderen dat het beleid dat de EU en haar lidstaten in de context van de uitvoering van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst en de toekomstige vrijhandelsovereenkomst met Vietnam nastreven, helpt om de eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat en goed bestuur te bevorderen; pleit voor capaciteitsopbouw met het oog op een betere afhandeling van klachten van personen en gemeenschappen die gevolgen van de overeenkomsten ondervinden in het kader van artikel 35 van de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking; verzoekt de Vietnamese regering de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld te vergroten door middel van de participatie van verenigingen en ngo's in de politieke, economische en sociale ontwikkeling van het land;
17. verzoekt de Vietnamese regering concrete vooruitgang te boeken betreffende de implementatie van de UPR-aanbevelingen van de VN-Mensenrechtenraad, te beginnen met de oprichting van een onafhankelijk nationaal mensenrechteninstituut; dringt er bij de Commissie op aan dat zij Vietnam de nodige ondersteuning biedt op het vlak van capaciteitsopbouw; is ingenomen met de EU-financiering via het Europees instrument voor democratie en mensenrechten en dringt erop aan dat deze initiatieven worden voortgezet om de inspanningen van de regering te ondersteunen;
18. verzoekt de leden van het twaalfde congres van de Vietnamese Communistische Partij met het oog op de verkiezingen van 2016 een grotere democratische participatie van burgers mogelijk te maken, met name door ervoor te zorgen dat er oppositiepartijen, maatschappelijke organisaties en ngo's kunnen worden opgezet;
19. betreurt dat naar schatting meer dan 500 gevangenen in de dodencel zitten; roept de Vietnamese regering op om een onmiddellijk moratorium op executies in te stellen en passende wetgeving voor de afschaffing van de doodstraf aan te nemen, waarbij het de opening van het systeem toejuicht maar betreurt dat er nog steeds mensenrechtenactivisten vastzitten; is in dit verband ingenomen met het feit dat de regering bereid is het aantal misdaden waar de doodstraf op staat, in te perken, en verzoekt de regering bekend te maken of er nog terechtstellingen plaatsvinden en, zo ja, op grond van welke tenlastelegging;
20. wijst er andermaal op dat de mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam een belangrijk instrument is dat op efficiënte en pragmatische wijze kan worden ingezet om Vietnam tot het doorvoeren van de nodige hervormingen aan te sporen en het land daarbij te begeleiden;
21. dringt aan op ratificatie van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof;
22. neemt kennis van het feit dat de kleding- en textielindustrie, waarin meer dan twee miljoen werknemers werkzaam zijn, de grootste exportsector van Vietnam is, en maakt zich zorgen over het gebrek aan beschikbare mechanismen waarmee werknemers hun rechten kunnen verdedigen; onderstreept dat de Vietnamese autoriteiten een zeer positief signaal zouden afgeven indien zij zouden overgaan tot ratificatie van Verdrag nr. 87 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht en IAO-Verdrag nr. 98 betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen;
23. verzoekt de autoriteiten de vreedzame uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering niet te onderdrukken; dringt in dit verband aan op de herziening van het wetboek van strafvordering, in het bijzonder de artikelen 79, 87, 88 en 258; neemt kennis van de onlangs aan meer dan 18 000 gevangenen verleende amnestie en betreurt dat hier geen politieke gevangenen bij zaten; blijft bezorgd over een zestigtal gewetensgevangenen, onder wie mensenrechtenverdedigers, journalisten, bloggers en landrecht-, arbeids- en milieuactivisten, die in Vietnamese cellen worden vastgehouden en om diverse redenen met summiere processen zijn veroordeeld, vooral wegens misdaden die verband houden met de vrijheid van meningsuiting en misdaden tegen de staat, en dringt aan op hun vrijlating; pleit voor hervorming van het strafrechtsysteem en met name van het wetboek van strafvordering, met inbegrip van de clausules waarin vreedzame activiteiten strafbaar worden gesteld op grond van de nationale veiligheid; verzoekt de autoriteiten een onafhankelijk strafrechtsysteem in te stellen;
24. roept ertoe op de godsdienstvrijheid te eerbiedigen en een einde te maken aan discriminatie en onderdrukking van etnische en religieuze minderheden, met inbegrip van pesterijen, achtervolging, intimidatie, opsluiting en huisarrest van en fysiek geweld en reisverboden tegen christenen, boeddhisten, Hoa Hao en Cao Dai, met name de vervolging van religieuze gemeenschappen zoals de Verenigde Boeddhistische Kerk van Vietnam, alsmede Montagnard-christenen en Khmer Kromboeddhisten; dringt aan op het doorvoeren van hervormingen om de sociaal-economische situatie van etnische en religieuze minderheden te verbeteren; dringt aan op een herziening van de wetgeving die de registratie van religieuze groepen regelt; wijst op het tragische lot van eerbiedwaardige Thich Quang Do, een 87-jarige boeddhistische dissident die sinds meer dan dertig jaar zonder aanklacht onder huisarrest staat in zijn klooster, en roept nogmaals op om hem vrij te laten;
25. roept op tot een dringende hervorming van het rechtssysteem om internationale normen voor eerlijke processen te waarborgen, overeenkomstig artikel 10 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens;
26. is bezorgd over het feit dat Vietnam een van de grootste bronlanden voor slachtoffers van mensenhandel is, alsook over berichten over grote aantallen kinderen die het slachtoffer worden van kinderprostitutie, mensenhandel of mishandeling, met name dan jongens, die wettelijk niet beschermd zijn tegen seksueel misbruik; dringt er bij Vietnam op aan dat het krachtige en doeltreffende wetgeving op het gebied van kinderbescherming ontwikkelt waarmee alle kinderen, ongeacht hun geslacht, worden beschermd; verzoekt de Commissie Vietnam te ondersteunen bij het versterken van zijn capaciteiten op het gebied van migratiebeleid en de strijd tegen mensenhandel en georganiseerde misdaad, onder meer in de context van zijn arbeids- en migratiebeleid; is eveneens bezorgd over berichten over de uitbuiting van Vietnamese slachtoffers van mensenhandel, met inbegrip van minderjarigen, in de lidstaten; verzoekt de Commissie er dringend voor te zorgen dat belangrijke beschermende bepalingen van de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel volledig ten uitvoer worden gelegd; spoort de regering van Vietnam en de Commissie aan te overwegen een subcommissie of gespecialiseerde werkgroep inzake mensenhandel op te richten in het kader van de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking;
27. onderstreept de sociaal-economische uitdagingen waar Vietnam voor staat met zijn jonge bevolking en toenemende urbanisatie;
28. is verheugd over de aanneming van de in 2013 gewijzigde wetgeving inzake grondbezit maar blijft zeer bezorgd over de schendingen van eigendomsrechten, gedwongen uitzettingen en inbeslagnemingen van grond door de staat voor ontwikkelingsprojecten, met de landonteigening van honderdduizenden boeren tot gevolg; verzoekt de regering te stoppen met landroof en adequate klachtenmechanismen op te zetten;
29. is verheugd over de uitgebreide juridische verbintenissen van de Vietnamese autoriteiten om gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen en de bestrijding van discriminatie te bevorderen, maar uit bezorgdheid over het feit dat huiselijk geweld, vrouwen- en kinderhandel, het groeiende probleem van hiv/aids onder vrouwen en schendingen van seksuele en reproductieve rechten ernstige problemen blijven; dringt er bij de Vietnamese regering op aan om de hervorming van haar register van de burgerlijke stand voort te zetten en een einde te maken aan de discriminerende praktijken die soms voortvloeien uit de eigenaardigheden van het "Hộ khẩu" (familieregister), aangezien vele families, en met name kinderen, hierdoor niet kunnen worden geregistreerd en dus geen toegang hebben tot onderwijs en sociale diensten;
30. prijst Vietnam om zijn leidende rol in Azië ten aanzien van de ontwikkeling van de rechten van LGBTI's, in het bijzonder de onlangs aangenomen wet inzake huwelijk en familie, die huwelijksplechtigheden tussen personen van hetzelfde geslacht toestaat;
31. deelt de bezorgdheid van de Vietnamese regering dat corruptie een van de grootste uitdagingen van Vietnam vormt; merkt op dat er meer aandacht moet worden besteed aan het feit dat burgers die corruptie aan de kaak stellen, een doelwit zijn van de autoriteiten; dringt er bij de Vietnamese autoriteiten op aan dat zij grondig onderzoek doen naar de onderdrukking van journalisten, bloggers en klokkenluiders; betreurt bovendien het oneigenlijke gebruik door de Vietnamese regering van artikel 258 van het strafwetboek, waarin is voorzien in de strafbaarstelling van "misbruik van de democratische vrijheden", met een maximumstraf van 7 jaar gevangenis; merkt op dat ondanks de anti-corruptiewet slechts een klein aantal zaken succesvol is vervolgd en doet een beroep op de regering om deze wet beter te handhaven;
32. verzoekt de Vietnamese autoriteiten corruptie krachtiger te bestrijden, om zo een positief signaal af te geven aan buitenlandse investeerders; merkt op dat de zwakke juridische infrastructuur en het corruptiesysteem tot financiële onvoorspelbaarheid leiden en een aanzienlijke belemmering vormen voor investeringen en bedrijfsactiviteiten;
33. uit ernstige bezorgdheid over milieuschade in Vietnam, in het bijzonder vervuiling, ontbossing en niet-duurzame mijnactiviteiten die gehele regio's en waterwegen vernietigen en het leven van lokale gemeenschappen ontregelen, alsook activiteiten van Vietnamese bedrijven in het buitenland die bijdragen aan de aantasting van het milieu en landroof;
34. dringt bij de Vietnamese regering aan op de invoering van maatregelen ter waarborging van een doeltreffende handhaving van wetgeving ter bescherming van het milieu en de biodiversiteit, met name tegen de negatieve effecten van ontbossing en grondstoffendelving, met duidelijke, tijdgebonden en resultaatgerichte doelstellingen op alle bovengenoemde terreinen; dringt er bij de Commissie op aan dat zij daartoe de nodige ondersteuning biedt op het vlak van capaciteitsopbouw;
35. benadrukt dat de Mekongriviercommissie raadplegingen vooraf en alomvattende grensoverschrijdende beoordelingen moet uitvoeren van de effecten van de ontwikkelingsplannen voor een waterkrachtcentrale in de hoofdstroom van de Mekongrivier op het milieu, de visserijsector en het levensonderhoud;
36. merkt op dat het ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en Milieubeheer een strategie voor de aanpassing aan de klimaatverandering heeft aangenomen; wijst erop dat het land betrokken is bij de ontwikkeling van biomassa en zonne-energie en is verheugd over de sterke focus van het hulppakket van de EU (2014-2020) betreffende duurzame energie-ontwikkeling;
37. verzoekt de Commissie en de lidstaten, gezien de erfenis van de Vietnamoorlog wat de volksgezondheid en het milieu betreft, om de oprichting van een fonds voor steun aan de slachtoffers en aan oorlogsveteranen te overwegen en om de acties te intensiveren op het gebied van sanering met betrekking tot schadelijke stoffen en op het gebied van de ontmijning van de gebieden die zelfs 40 jaar na het einde van het conflict nog slachtoffers blijven maken, door het sturen van gespecialiseerde missies;
38. verzoekt de regering haar besluit om in Ninh de eerste kerncentrale van Vietnam te bouwen en te exploiteren, te herzien;
39. is ingenomen met het feit dat Vietnam specifieke maatregelen heeft genomen om de kennis en het onderzoek op het gebied van wetenschap en technologie te ontwikkelen, om de zwakke plekken van het hoger onderwijs aan te pakken, om geëmigreerde Vietnamezen aan te trekken en om samen te werken met Europese en Amerikaanse academische instellingen teneinde dit proces te versnellen;
40. verzoekt China en zijn desbetreffende buurlanden, met inbegrip van Vietnam, zich er sterker voor in te zetten dat de spanningen verminderen in het omstreden gebied in de Zuid-Chinese Zee; is van mening dat deze situatie niet alleen belangrijke EU-belangen in de regio in gevaar dreigt te brengen maar ook de mondiale veiligheid en de vrijheid van scheepvaart op belangrijke zeeroutes die cruciaal zijn voor de EU-handel; beklemtoont dat de geschillen vreedzaam moeten worden opgelost, door middel van vertrouwenscheppende maatregelen en bilaterale en regionale discussies en op grond van het internationaal recht, waaronder het zeerecht, en bemiddeling door onpartijdige internationale organen zoals Unclos; onderstreept hoe belangrijk het is op samenwerking gestoelde oplossingen te vinden waarbij alle partijen worden betrokken; roept de Commissie en de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger ertoe op de situatie actief te volgen en zich ervoor in te zetten dat het geschil in overeenstemming met het internationaal recht wordt beslecht; is ingenomen met de gezamenlijke verklaring van de Chinese en Vietnamese leiders van april 2015 waarin zij zich verbinden tot een vreedzame oplossing van de eilandgeschillen;
41. staat positief tegenover de door de ASEAN gespeelde rol bij het vreedzaam beslechten van de geschillen, en met name wat betreft haar streven om een regionale gedragscode op te stellen;
42. dringt aan op nauwere parlementaire samenwerking en een grotere rol van het Parlement en de interparlementaire vergaderingen met het oog op het monitoren van de tenuitvoerlegging van de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking;
43. beschouwt de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking met Vietnam als een gelegenheid voor de EU om haar positie in Azië te versterken en een grotere rol in de regio te spelen; beklemtoont dat deze overeenkomst ook een kans voor de EU is om haar doelstellingen op het gebied van vrede, de rechtsstaat, democratie en de mensenrechten, maritieme veiligheid en een gemeenschappelijk gebruik van middelen te bevorderen;
44. wijst er nadrukkelijk op dat het Parlement krachtens artikel 218, lid 10, VWEU in iedere fase van de procedure onverwijld en ten volle moet worden geïnformeerd over de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking; benadrukt dat dit onder meer betekent dat het Parlement moet worden voorzien van uitgebreide schriftelijke informatie over de doelstellingen van EU-acties en -standpunten, met name over de situatie van de mensenrechten, de vrijheid van meningsuiting en de rechtsstaat in het land; onderstreept voorts dat de steunpunten van de EU-delegatie een essentiële rol spelen bij het toezicht op de mensenrechten in het land;
45. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en de volksvergadering van Vietnam.
– gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien de mededeling van de Commissie van 21 oktober 2015 "Stappen naar de voltooiing van de economische en monetaire unie" (COM(2015)0600),
– gezien het Besluit van de Commissie van 21 oktober 2015 tot oprichting van een onafhankelijk raadgevend Europees begrotingscomité (C(2015)8000),
– gezien de aanbeveling van de Commissie van 21 oktober 2015 voor een aanbeveling van de Raad inzake de oprichting van nationale comités voor het concurrentievermogen in de eurozone (COM(2015)0601),
– gezien de mededeling van de Commissie van 21 oktober 2015 getiteld "Een routekaart naar een consistentere externe vertegenwoordiging van de eurozone in internationale fora" (COM(2015)0602),
– gezien het voorstel van de Commissie van 21 oktober 2015 voor een besluit van de Raad tot vaststelling van maatregelen om geleidelijk een gezamenlijke vertegenwoordiging van de eurozone in het Internationaal Monetair Fonds tot stand te brengen (COM(2015)0603),
– gezien het verslag over de voltooiing van de economische en monetaire unie ("verslag van de vijf voorzitters"),
– gezien zijn resolutie van 24 juni 2015 over de evaluatie van het kader voor economische governance: balans en uitdagingen(1),
– gezien Verordeningen (EU) nr. 1173/2011(2), (EU) nr. 1174/2011(3), (EU) nr. 1175/2011(4), (EU) nr. 1176/2011(5) en (EU) nr. 1177/2011(6), Richtlijn 2011/85/EU(7), en Verordeningen (EU) nr. 472/2013(8) en (EU) nr. 473/2013(9) (het "sixpack" en het "twopack"),
– gezien Richtlijn 2014/49/EU inzake de depositogarantiestelsels(10),
– gezien de vraag aan de Commissie over de voltooiing van Europa's economische en monetaire unie (O-000152/2015 - B8-1113/2015),
– gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat in het verslag van de vijf voorzitters over de voltooiing van de economische en monetaire unie voorstellen worden gedaan voor de voltooiing van Europa's economische en monetaire unie;
B. overwegende dat in zijn resolutie over de evaluatie van het kader voor economische governance: balans en uitdagingen wordt benadrukt dat er spoedig en ambitieus vooruitgang moet worden geboekt op het vlak van versterking van de eurozone;
C. overwegende dat de Commissie als onderdeel van fase 1 van de routekaart van het verslag van de vijf voorzitters op 21 oktober 2015 een pakket heeft gepubliceerd met stappen in de richting van de voltooiing van de economische en monetaire unie (EMU), dat bestaat uit twee mededelingen, een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad, voorstel voor een besluit van de Raad en een Besluit van de Commissie;
Algemene beoordeling
1. neemt kennis van de voorstellen van de Commissie ter versterking van de EMU en erkent dat sommige stappen in de juiste richting werden ondernomen, maar merkt op dat bijkomende inspanningen noodzakelijk zullen zijn om de huidige tekortkomingen van het institutioneel kader van de eurozone aan te pakken;
2. dringt, zoals in zijn resolutie over de evaluatie van het kader voor economische governance: balans en uitdagingen, aan op de tenuitvoerlegging van de bepalingen van het sixpack en het twopack en benadrukt dat sommige van de bijkomende stappen die noodzakelijk zijn voor de voltooiing van de EMU, mogelijk zijn in het kader van de bestaande verdragen en instrumenten;
3. betreurt het dat in het door de Commissie gepubliceerde pakket niet genoeg ruimte wordt gelaten voor parlementair toezicht en debat op Europees niveau, die noodzakelijk zijn ter garantie van democratische verantwoording met betrekking tot in de context van de EMU genomen besluiten en derhalve ook ter garantie van ownership van burgers van governance van de eurozone;
4. vraagt de Commissie om, zoals bepaald in het verslag van de vijf voorzitters, het Parlement ten gepaste tijde te raadplegen in het kader van de voorbereiding van het witboek over de transitie van fase 1 van de hervormingen van de EMU naar fase 2;
Europees semester
5. dringt er bij de Commissie op aan onderhandelingen te beginnen over een interinstitutioneel akkoord inzake Europese economische governance, met inbegrip van het Europees semester en het toezicht op de tenuitvoerlegging van het macro-economische aanpassingsprogramma, met het Parlement, de Raad en de Eurogroep, zoals bepaald in het verslag van de vijf voorzitters; dringt er op aan dat door dit interinstitutioneel akkoord ervoor moet worden gezorgd dat de structuur van het Europees semester, binnen het kader van de verdragen, zinvol en regelmatig parlementair toezicht van het proces, in het bijzonder met betrekking tot aanbevelingen voor de eurozone, mogelijk maakt;
Europees begrotingscomité en nationale comités voor het concurrentievermogen
6. betreurt het dat de Commissie ervoor heeft gekozen niet de gewone wetgevingsprocedure te gebruiken voor de besluiten met betrekking tot nationale comités voor het concurrentievermogen en verzoekt de Commissie hiertoe een wetgevingsvoorstel te doen;
7. benadrukt dat het Europees begrotingscomité, als raadgevend comité van de Commissie, verantwoording verschuldigd is aan het Parlement en zijn beoordelingen in deze context openbaar en transparant moeten zijn;
Externe vertegenwoordiging van de eurozone
8. vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de internationale vertegenwoordiging van de eurozone aan democratisch toezicht van het Parlement wordt onderworpen;
o o o
9. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het mensenrechtenbeleid van de EU
313k
187k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie (2015/2229(INI))
– gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de Verenigde Naties (VN), in het bijzonder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, die op 16 december 1966 in New York zijn aangenomen,
– gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en de resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind(1),
– gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
– gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens,
– gezien de artikelen 2, 3, 8, 21 en 23 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),
– gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie, die op 25 juni 2012 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn goedgekeurd(2),
– gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten,
– gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, die op 12 mei 2014 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn vastgesteld(3),
– gezien de richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging(4),
– gezien de richtsnoeren voor interparlementaire delegaties van het Europees Parlement over het bevorderen van de mensenrechten en democratie bij hun bezoeken buiten de Europese Unie(5),
– gezien het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014, dat op 22 juni 2015 door de Raad is aangenomen(6),
– gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019), aangenomen door de Raad op 20 juli 2015(7),
– gezien het EU-actieplan getiteld "Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020)" (genderactieplan, GAP II), dat op 26 oktober 2015 door de Raad is aangenomen(8),
– gezien de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 getiteld "Increasing the impact of EU development policy: an agenda for change" (Het vergroten van het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid: een agenda voor verandering)(9),
– gezien de conclusies van de Raad van 5 december 2014 over de bevordering en bescherming van de rechten van het kind(10),
– gezien Besluit (GBVB) 2015/260 van de Raad van 17 februari 2015 houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten(11),
– gezien de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 over gender in ontwikkeling(12),
– gezien Resolutie 1325 van 31 oktober 2000 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid(13),
– gezien zijn spoedresoluties over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat,
– gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over het EU-beleid ten aanzien van mensenrechtenverdedigers(14),
– gezien zijn resolutie van 7 juli 2011 over het externe beleid van de EU ter bevordering van democratie(15),
– gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(16),
– gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 over vrijheid van pers en media in de wereld(17),
– gezien zijn resolutie van 8 oktober 2013 over corruptie in de publieke en de private sector: het effect op de mensenrechten in derde landen(18),
– gezien zijn resolutie van 10 oktober 2013 over discriminatie op grond van kaste(19),
– gezien zijn resolutie van 13 maart 2014 over EU-prioriteiten voor de 25e vergadering van de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC)(20),
– gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over de prioriteiten van de EU voor de VN-Mensenrechtenraad in 2015(21),
– gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 2 april 2014 over de 69e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties(22),
– gezien zijn resolutie van 11 maart 2014 over het wereldwijd uitbannen van foltering(23),
– gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het beleid van de Europese Unie ter zake(24),
– gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(25),
– gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over mensenrechten en technologie: het effect van inbreuk- en bewakingssystemen op de mensenrechten in derde landen(26),
– gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over migratie en vluchtelingen in Europa(27),
– gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de verlenging van het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling(28),
– gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de doodstraf(29),
– gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 8 oktober 2014, getiteld "Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2014-15"(30),
– gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie aan de Europese Raad, het Europees Parlement, de Raad en het Comité van de Regio's van 8 maart 2011 over een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse Zeegebied(31),
– gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie aan de Europese Raad, het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 25 mei 2011, getiteld "Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden"(32),
– gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 30 april 2014, getiteld "A rights-based approach, encompassing all human rights for EU development cooperation" (Een op rechten gebaseerde benadering voor de EU-ontwikkelingssamenwerking waarin alle mensenrechten besloten liggen) (SWD(2014)0152),
– gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 26 juni 2014 waarin wordt opgeroepen tot de oprichting van een open, intergouvernementele werkgroep gericht op de ontwikkeling van een internationaal, juridisch bindend instrument voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens(33),
– gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 inzake de nieuwe benadering van de EU van mensenrechten en democratie - evaluatie van de activiteiten van het Europees Fonds voor Democratie (EFD) sinds de oprichting(34),
– gezien het jaarverslag van 2014 van UNFPA (Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties) en Unicef inzake het gezamenlijk programma met betrekking tot vrouwelijke genitale verminking(35),
– gezien artikel 52 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0344/2015),
A. overwegende dat de EU zich er op grond van artikel 21 VEU toe verbindt een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) uit te bouwen volgens de beginselen van de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, het beginsel van gelijkheid en solidariteit en de naleving van het Handvest van de Verenigde Naties, Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en het internationaal recht;
B. overwegende dat de Europese Unie uit hoofde van artikel 6 VEU moet toetreden tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
C. overwegende dat de eerbiediging, de bevordering, de ondeelbaarheid, de vrijwaring en de universaliteit van de mensenrechten de steunpilaren moeten vormen van het externe optreden van de EU;
D. overwegende dat een betere samenhang tussen het binnenlands en buitenlands beleid van de EU, evenals tussen de verschillende aspecten van haar buitenlands beleid een absolute vereiste is voor een succesvol en doeltreffend EU-beleid op het gebied van de mensenrechten; overwegende dat de EU door een betere samenhang in staat moet zijn sneller te reageren in de beginfase van mensenrechtenschendingen;
E. overwegende dat het streven van de EU naar een doeltreffend multilateralisme, met de VN als kern, een integraal onderdeel vormt van het buitenlands beleid van de Unie en geworteld is in de overtuiging dat een multilateraal systeem gebaseerd op universele regels en waarden de beste manier is om de wereldwijde crises, uitdagingen en bedreigingen het hoofd te bieden;
F. overwegende dat de eerbiediging van de mensenrechten onder druk staat en wereldwijd bedreigd wordt; overwegende dat de universaliteit van de mensenrechten ernstig in twijfel wordt getrokken door een aantal autoritaire regimes, met name in multilaterale fora;
G. overwegende dat meer dan de helft van de wereldbevolking nog steeds in landen met een niet-democratisch en repressief regime leeft, en dat de vrijheid op mondiaal niveau de laatste jaren voortdurend achteruitgegaan is; overwegende dat de maatschappij en het individu een prijs betalen wanneer de mensenrechten niet worden nageleefd;
H. overwegende dat er wereldwijd talloze pogingen worden gedaan om de ruimte voor het maatschappelijk middenveld te beperken, ook in de VN-Mensenrechtenraad;
I. overwegende dat democratische regimes niet alleen gekenmerkt worden door het organiseren van vrije verkiezingen, maar ook door transparant bestuur, eerbiediging van de rechtsstaat, vrijheid van meningsuiting, eerbiediging van de mensenrechten, aanwezigheid van een onafhankelijk gerechtelijk apparaat en eerbiediging van het internationaal recht en de internationale overeenkomsten en richtsnoeren inzake de eerbiediging van de mensenrechten;
J. overwegende dat de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) bij de voorstelling van het nieuwe gezamenlijke actieplan inzake mensenrechten en democratie heeft verklaard dat de mensenrechten een van de overkoepelende prioriteiten van haar mandaat zouden worden en als kompas zouden dienen voor alle betrekkingen met de EU-instellingen, alsook met derde landen, internationale organisaties en het maatschappelijk middenveld; overwegende dat in 2017 een tussentijdse evaluatie van het actieplan inzake mensenrechten en democratie wordt uitgevoerd die zal samenvallen met de tussentijdse evaluatie van de financieringsinstrumenten voor het externe optreden, wat moet bijdragen tot meer samenhang in het externe optreden van de EU;
K. overwegende dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), de Commissie, de Raad en de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het nieuwe actieplan; overwegende dat de EU-missies en de EU-vertegenwoordigingen in derde landen een belangrijke aanvullende rol kunnen spelen om het actieplan te doen slagen;
L. overwegende dat er voor passende middelen gezorgd moet worden en dat die middelen op de meest efficiënte manier moeten worden aangewend om mensenrechten en democratie in derde landen beter te kunnen bevorderen;
M. overwegende dat de EU meer moet doen om de effecten van haar eigen beleid op de mensenrechten te beoordelen, de positieve effecten ervan te maximaliseren, de negatieve effecten te voorkomen en te verminderen, en de toegang tot rechtsmiddelen voor getroffen bevolkingsgroepen te verbeteren;
N. overwegende dat betrekkingen met leiders en autoriteiten van derde landen in het kader van alle bilaterale en multilaterale fora tot de meest doeltreffende instrumenten behoren voor het aanpakken van mensenrechtenkwesties in derde landen; overwegende dat organisaties uit het maatschappelijk middenveld in derde landen een belangrijke gesprekspartner vormen bij de uitwerking en uitvoering van het mensenrechtenbeleid van de EU;
O. overwegende dat de EU het voor het aanpakken van mensenrechtenschendingen als een van haar hoofdprioriteiten beschouwt om een nauwe samenwerking tot stand te brengen met het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers in derde landen;
P. overwegende dat internationale samenwerking een grotere rol moet krijgen met het oog op een betere eerbiediging van de grondrechten en een doeltreffender parlementair toezicht op inlichtingendiensten die digitale bewakingstechnologie gebruiken;
Q. overwegende dat de EU en haar lidstaten van bij de oprichting trouwe bondgenoten zijn van het Internationaal Strafhof (International Criminal Court, ICC) door financiële, politieke, diplomatieke en logistieke steun te verlenen, de universaliteit van het Statuut van Rome te bevorderen en de integriteit ervan te verdedigen ter versteviging van de onafhankelijkheid van het ICC;
R. overwegende dat het beleid ter ondersteuning van mensenrechten en democratie dient te worden geïntegreerd in alle EU-beleidslijnen met een buitenlandse dimensie, zoals ontwikkeling, migratie, veiligheid, terrorismebestrijding, uitbreiding en handel, om de eerbiediging van de mensenrechten te blijven bevorderen;
S. overwegende dat de handelspolitiek van de Unie krachtens artikel 207 VWEU moet stoelen op de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Europese Unie;
T. overwegende dat de verschillende vormen van migratie een belangrijke uitdaging vormen voor het buitenlands beleid van de EU, waarvoor onmiddellijke, doeltreffende en duurzame oplossingen vereist zijn om te waarborgen dat de mensenrechten van personen in nood, zoals mensen op de vlucht voor oorlog en geweld, geëerbiedigd worden overeenkomstig de Europese waarden en internationale mensenrechtennormen;
U. overwegende dat de wereldeconomie een ernstige crisis heeft doorgemaakt die gevolgen kan hebben voor de economische en sociale rechten, voor de levensomstandigheden van mensen (toename van de werkloosheid en de armoede, ongelijkheid en onzeker werk, minder kwaliteitsvolle en beperkte toegang tot diensten) en dus ook voor hun welzijn;
V. overwegende dat vrijheid van denken, geweten, godsdienst en overtuiging een van de prioriteiten van de EU moet worden en onvoorwaardelijk bevorderd moet worden, op basis van universele en ondeelbare waarden; overwegende dat deze rechten nog steeds worden bedreigd, aangezien het aantal gerelateerde schendingen sterk is gestegen;
W. overwegende dat de wereldwijde afschaffing van de doodstraf een van de prioriteiten van het buitenlandse mensenrechtenbeleid van de EU blijft; overwegende dat in juni 2016 het 6e wereldcongres tegen de doodstraf zal plaatsvinden in Oslo, Noorwegen;
X. overwegende dat kinderen, vrouwen en personen die tot minderheden behoren steeds meer met specifieke bedreigingen, gewelddaden en seksueel geweld geconfronteerd worden, in het bijzonder in conflictgebieden;
Y. overwegende dat de Sacharovprijs in 2014 aan Dr. Denis Mukwege werd uitgereikt voor zijn niet-aflatende inzet, als arts en verdediger van de mensenrechten, voor de slachtoffers van seksueel geweld en genitale verminking; overwegende dat genitale verminking van vrouwen een fundamentele schending van de rechten van vrouwen en kinderen inhoudt en dat het absoluut noodzakelijk is om de strijd tegen genitale verminking en seksueel geweld centraal te stellen in het buitenlands en mensenrechtenbeleid van de EU;
Z. overwegende dat in 2014 naar schatting 230 miljoen kinderen in landen en gebieden waar gewapende conflicten heersen blootgesteld werden aan extreem geweld en trauma's, doordat ze onder dwang geronseld werden door of een bewust doelwit waren van gewelddadige groeperingen;
AA. overwegende dat in artikel 25 van de UVRM wordt bepaald dat eenieder recht heeft op een levensstandaard die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, en dat moeder en kind recht hebben op bijzondere zorg en bijstand, waaronder medische verzorging; overwegende dat in Resolutie 26/28(36) van de Mensenrechtenraad (MRR) wordt opgeroepen om tijdens de volgende vergadering van het Sociaal Forum van de MRR de aandacht te vestigen op toegang tot geneesmiddelen in het kader van het recht van eenieder op het hoogst mogelijke niveau van lichamelijke en geestelijke gezondheid; overwegende dat in de statuten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) wordt bepaald dat het een van de grondrechten van ieder mens is om het hoogst mogelijke niveau van gezondheid te genieten, zonder onderscheid naar ras, godsdienst, politieke overtuiging, economische of sociale situatie;
AB. overwegende dat de klimaatverandering gevolgen heeft voor de toegang tot water, natuurlijke hulpbronnen en voedsel;
AC. overwegende dat het opzettelijk en stelselmatig vernietigen door terroristische organisaties en oorlogvoerende groeperingen van waardevolle archeologische sites die deel uitmaken van het werelderfgoed erop gericht is bevolkingen te destabiliseren en te beroven van hun culturele identiteit, en niet alleen gezien moet worden als een oorlogsmisdaad, maar ook als een misdaad tegen de menselijkheid;
Algemene overwegingen
1. uit zijn diepe bezorgdheid over de toenemende bedreiging van de mensenrechten en de democratische waarden, zoals vrijheid van meningsuiting, vrijheid van denken, geweten en godsdienst, en vrijheid van vergadering en vereniging, in vele delen van de wereld, onder meer in gebieden die onder een autoritair regime staan; spreekt eveneens zijn diepe bezorgdheid uit over de beperking van de openbare ruimte voor het maatschappelijk middenveld en over het groeiende aantal mensenrechtenverdedigers die wereldwijd onder vuur liggen;
2. dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan zich meer in te spannen om mensenrechten en democratische waarden centraal te stellen in hun betrekkingen met de rest van de wereld, zoals ze hebben toegezegd in het VEU; merkt op dat de EU passende maatregelen moet treffen wanneer ze te maken krijgt met ernstige inbreuken op de mensenrechten in derde landen, met name in het geval van autoritaire regimes, onder meer via betrekkingen inzake handel, energie en veiligheid;
3. wijst er nogmaals op dat het van cruciaal belang is te zorgen voor een betere samenhang tussen het binnenlands en buitenlands beleid van de EU met betrekking tot de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische waarden; benadrukt in dit verband dat, hoewel dit verslag over het buitenlands beleid van de EU ter bevordering van de mensenrechten gaat, het Parlement ook elk jaar een door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken opgesteld verslag goedkeurt over de toestand van de grondrechten in de Europese Unie; benadrukt evenzeer hoe belangrijk het is om in het buitenlands beleid van de EU en alle bijhorende instrumenten naar een betere samenhang en consistentie te streven, en niet met twee maten te meten;
4. verzoekt de EU en haar lidstaten om binnenlandse uitdagingen op het gebied van de mensenrechten effectief aan te pakken, zoals de situatie van de Roma, de behandeling van vluchtelingen en migranten, de discriminatie van LGBTI's, racisme, geweld tegen vrouwen, de omstandigheden in gevangenissen en de vrijheid van de media in de lidstaten, teneinde geloofwaardig en consistent te blijven in het buitenlandse mensenrechtenbeleid;
5. benadrukt dat het belangrijk is de samenhang van het EU-beleid te waarborgen ten aanzien van situaties van bezetting of annexatie van grondgebied; herinnert eraan dat het internationaal humanitair recht de leidraad moet zijn voor het EU-beleid ten aanzien van alle situaties van dergelijke aard;
6. geeft uiting aan zijn krachtige verzet tegen de annexatie, bezetting en kolonisatie van gebieden en beklemtoont het onvervreemdbare recht van volkeren op zelfbeschikking;
7. is van mening dat de EU en haar lidstaten, om te kunnen voldoen aan hun verbintenis met betrekking tot het bevorderen van de mensenrechten en de democratie in de wereld, met één enkele, rechtlijnige stem moeten spreken en ervoor moeten zorgen dat hun boodschap gehoord wordt;
8. benadrukt bovendien het belang van een betere samenwerking tussen de Commissie, de Raad, de EDEO, het Parlement en de EU-delegaties om de algemene samenhang van het EU-beleid inzake mensenrechten en democratie te verbeteren en dit beleid een centrale positie te geven te midden van alle EU-beleidslijnen met een buitenlandse dimensie, in het bijzonder in de domeinen die te maken hebben met ontwikkeling, veiligheid, werkgelegenheid, migratie, handel en technologie;
9. roept de EU op de volledige effecten van haar eigen beleid op de mensenrechten te verbeteren en te systematiseren, en ervoor te zorgen dat deze analyses worden gebruikt om haar beleid dientengevolge te hertekenen; roept de EU op doeltreffendere mechanismen te ontwikkelen om de positieve effecten van haar beleid op de mensenrechten te maximaliseren, de negatieve effecten te voorkomen en te verminderen en de toegang tot rechtsmiddelen voor getroffen bevolkingsgroepen te verbeteren;
10. vestigt de aandacht op zijn verbintenis op lange termijn om de mensenrechten te bevorderen en de democratische waarden uit te dragen, zoals onder meer blijkt uit de jaarlijkse uitreiking van de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken, het werk van de Subcommissie mensenrechten en de maandelijkse plenaire debatten en resoluties over gevallen waarin de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat geschonden zijn;
11. uit zijn diepe bezorgdheid over de opzettelijke en stelselmatige vernietiging en plundering van waardevolle archeologische sites die deel uitmaken van het werelderfgoed en die erop gericht zijn bevolkingen te destabiliseren en hun culturele identiteit te ondergraven, uitgevoerd door terroristische organisaties en oorlogvoerende groeperingen, die door de illegale handel in gestolen kunstpatrimonium hun gewelddadige activiteiten financieren; verzoekt de Commissie daarom om in samenwerking met de VN en de UNESCO de illegale handel in kunstschatten uit conflictgebieden te bestrijden en initiatieven te ontwikkelen ter bescherming van het cultureel erfgoed in dergelijke gebieden; verzoekt de Commissie de opzettelijke vernietiging van collectief menselijk erfgoed te classificeren als misdaad tegen de menselijkheid en hier als zodanig ook juridisch gevolg aan te geven;
Beleidsinstrumenten van de EU om de mensenrechten en de democratie wereldwijd te bevorderen
EU-jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld
12. verwelkomt de aanneming van het EU-jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014; meent dat het jaarverslag een onmisbaar instrument is voor een kritische blik op het EU-beleid inzake mensenrechten, democratie en de rechtsstaat in de wereld, alsook voor de communicatie en het debat over dit beleid; verzoekt de EDEO en de Commissie om een uitgebreide follow-up van de kwesties die in het jaarverslag worden aangekaart, met inbegrip van specifieke, op maat gesneden voorstellen om deze problemen op te lossen, alsook om een betere samenhang in de verschillende verslagen over het buitenlands EU-beleid inzake mensenrechten en democratie;
13. verzoekt de VV/HV nogmaals tijdens twee plenaire zittingen per jaar in debat te gaan met de leden van het Europees Parlement, de eerste maal op het moment dat het EU-jaarverslag wordt voorgesteld, en de tweede maal in een reactie op het verslag van het Parlement; benadrukt dat schriftelijke antwoorden van de Commissie en de EDEO op de resolutie van het Parlement betreffende het jaarverslag over mensenrechten en democratie een belangrijke rol spelen in de interinstitutionele betrekkingen, aangezien ze een systematische en diepgaande follow-up mogelijk maken van alle punten die door het Parlement aan de orde zijn gesteld;
14. prijst de EDEO en de Commissie voor hun uitgebreide rapportering over de activiteiten die de EU in 2014 heeft ondernomen op het gebied van mensenrechten en democratie; is niettemin van mening dat de huidige vorm van het jaarverslag over mensenrechten en democratie verbeterd kan worden door een beter overzicht te bieden van de concrete gevolgen die de acties van de EU hebben voor de mensenrechten en de democratie in derde landen, en van de vooruitgang die geboekt is, alsook door een meer lezersgerichte vormgeving; dringt er bovendien op aan verslag uit te brengen over maatregelen die getroffen zijn als reactie op resoluties van het Parlement over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;
15. pleit er in dit verband voor dat de EDEO bij het opstellen van het jaarverslag een meer analytische benadering hanteert en tegelijkertijd verslag blijft uitbrengen over de uitvoering van het strategisch kader en het actieplan van de EU; is van mening dat in het jaarverslag niet alleen de nadruk gelegd moet worden op de verwezenlijkingen van de EU en de optimale werkmethoden op dit gebied, maar ook aangeven moet worden met welke uitdagingen en beperkingen de EU wordt geconfronteerd in haar pogingen om de mensenrechten en de democratie in derde landen te bevorderen, en welke lessen hieruit getrokken kunnen worden voor concrete acties in de komende jaren;
16. blijft bij zijn standpunt dat de landenverslagen in het jaarverslag minder beschrijvend en minder statisch moeten zijn en in plaats daarvan een beter beeld moeten geven van de uitvoering van de landenstrategieën op het gebied van de mensenrechten en een overzicht moeten bieden van de gevolgen die de acties van de EU in de praktijk hebben;
Strategisch kader en (nieuw) actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie
17. herhaalt zijn standpunt dat de goedkeuring van het strategisch kader en het eerste actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie in 2012 een belangrijke mijlpaal vormde voor de EU om mensenrechten en democratie zonder uitzondering te integreren in haar betrekkingen met de rest van de wereld;
18. is verheugd dat de Raad in juli 2015 een nieuw actieplan inzake mensenrechten en democratie voor de periode 2015-2019 heeft goedgekeurd; prijst de EDEO voor het raadplegen van de Commissie, het Parlement, de lidstaten, het maatschappelijk middenveld en regionale en internationale organisaties bij de beoordeling van het eerste actieplan en het opstellen van het nieuwe;
19. is ingenomen met de hernieuwde verbintenis van de EU om over de hele wereld de mensenrechten te bevorderen en te beschermen en de democratie te ondersteunen; merkt op dat het actieplan bedoeld is om de EU in staat te stellen gerichter, systematischer en gecoördineerder te werk te gaan op het gebied van mensenrechten en democratie, alsook om de effecten van haar beleid en instrumenten op het terrein te vergroten; steunt in dit verband de vooropstelling van vijf strategische actiegebieden;
20. verzoekt de VV/HV, de EDEO, de Commissie, de Raad en de lidstaten ervoor te zorgen dat het nieuwe actieplan op een doeltreffende en samenhangende manier wordt uitgevoerd; vestigt er met name de aandacht op hoe belangrijk het is om de instrumenten die de EU gebruikt bij het bevorderen van mensenrechten en democratie in de wereld doeltreffender te maken en hun plaatselijke effect te maximaliseren; wijst op de noodzaak om op een snelle en passende manier te reageren op schendingen van mensenrechten; wijst er nogmaals op dat het belangrijk is de inspanningen op te voeren om mensenrechten en democratie te integreren in elke buitenlandse actie van de EU, ook op hoog politiek niveau;
21. benadrukt dat de EU voor het verwezenlijken van de ambitieuze doelstellingen uit het nieuwe actieplan in voldoende middelen en deskundigheid moet voorzien, zowel wat specifiek personeel voor delegaties en hoofdkantoren als wat beschikbare middelen voor projecten betreft;
22. herhaalt zijn standpunt dat een grote eensgezindheid en een betere coördinatie tussen de lidstaten en de EU-instellingen noodzakelijk zijn om de agenda voor mensenrechten en democratie op een samenhangende en consequente manier te bevorderen; wijst er nogmaals op dat het actieplan zowel de EU als de lidstaten aanbelangt; stelt daarom nadrukkelijk dat de lidstaten, zonder uitzondering, meer verantwoordelijkheid moeten opnemen bij de uitvoering van het actieplan en het strategisch kader van de EU, en deze moeten gebruiken als hun eigen blauwdruk voor de bilaterale en multilaterale bevordering van mensenrechten en democratie; neemt met tevredenheid kennis van de geplande tussentijdse beoordeling van het nieuwe actieplan en benadrukt het belang van inclusief overleg om de bereikte resultaten op het vlak van de integratie van mensenrechten op een consistente manier weer te geven;
23. dringt er in dit verband bij de Raad Buitenlandse Zaken op aan het thema democratie en mensenrechten regelmatig te bespreken; herhaalt zijn verzoek aan de Raad Buitenlandse Zaken een jaarlijks openbaar debat te voeren over EU-acties op het gebied van mensenrechten en democratie;
24. prijst de EDEO en de Commissie voor hun rapportering over de uitvoering van het eerste actieplan en rekent erop dat deze manier van verslaggeven ook in het kader van het nieuwe actieplan wordt aangehouden; wijst bovendien nogmaals op zijn vastberadenheid nauw betrokken te blijven bij en geraadpleegd te worden over de uitvoering van het nieuwe actieplan;
25. roept de VV/HV op om in samenwerking met alle commissarissen een programma op te stellen dat mensenrechten in verschillende EU-activiteiten integreert, met name op het gebied van ontwikkeling, migratie, milieu, werkgelegenheid, gegevensbescherming op het internet, handel, investeringen, technologie en het bedrijfsleven;
Overzicht van andere beleidsinstrumenten van de EU
Het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten
26. herinnert aan het belang van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de EU (SVEU) voor de mensenrechten om de zichtbaarheid en doeltreffendheid van de EU bij de bescherming en bevordering van mensenrechten en democratische beginselen over de hele wereld te verbeteren; prijst de huidige mandaathouder voor zijn aanzienlijke verwezenlijkingen en voor de regelmatige uitwisseling met het Parlement en het maatschappelijk middenveld;
27. is ingenomen met de verlenging van het mandaat van de SVEU tot februari 2017 en herhaalt zijn verzoek om hier een permanent mandaat van te maken; dringt derhalve aan op een herziening van het mandaat om ervoor te zorgen dat de SVEU initiatiefrecht, voldoende personeel en financiële middelen krijgt, in het openbaar het woord kan nemen, verslag kan uitbrengen over verwezenlijkingen naar aanleiding van bezoeken aan derde landen en kan communiceren over het standpunt van de EU inzake mensenrechtenkwesties, teneinde de rol van de SVEU zichtbaarder en doeltreffender te maken;
28. dringt er bij de Raad nogmaals op aan in het mandaat van de geografische SVEU's vast te leggen dat zij nauw moeten samenwerken met de SVEU voor de mensenrechten;
Landenstrategieën inzake mensenrechten en de rol van de EU-delegaties
29. merkt op dat het Politiek en Veiligheidscomité 132 landenstrategieën op het gebied van de mensenrechten (hierna landenstrategieën genoemd) heeft bekrachtigd na gecoördineerde inspanningen van de EU-delegaties, de EU-instellingen en de lidstaten; spreekt nogmaals zijn steun uit voor de doelstelling van de landenstrategieën om de EU-acties voor elk land op maat te snijden volgens de specifieke toestand en behoeften ter plekke; wijst op de noodzaak deze landenstrategieën permanent te evalueren en bij te sturen indien nodig en dringt erop aan de samenwerking, communicatie en uitwisseling van gegevens tussen de EU-delegaties, de ambassades van de lidstaten en de EU-instellingen bij het opstellen en uitvoeren van landenstrategieën verder te verbeteren;
30. herhaalt zijn oproep om de leden van het Europees Parlement toegang te geven tot de inhoud van de landenstrategieën in een degelijke vorm, zodat ze hun taken naar behoren en op een transparante manier kunnen vervullen; pleit ervoor dat de EDEO en de Commissie naar buiten toe communiceren over de doelstelling van elke strategie om de transparantie van de landenstrategieën te vergroten; staat erop dat de EDEO voor elke individuele landenstrategie duidelijke en meetbare voortgangsindicatoren opneemt;
31. wijst er met klem op hoe belangrijk het is om op alle niveaus van beleidsvorming ten aanzien van afzonderlijke derde landen rekening te houden met de landenstrategieën, onder meer bij de voorbereiding van politieke dialogen op hoog niveau, mensenrechtendialogen, landenstrategiedocumenten en jaarlijkse actieprogramma's;
32. is ingenomen met de aanwijzing van contactpunten voor de mensenrechten en/of genderkwesties door alle delegaties en door de missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB); merkt echter op dat de informatie die online beschikbaar is voor het publiek in vele gevallen gedateerd is, en roept daarom op tot een snelle herziening;
33. herhaalt zijn aanbeveling aan de VV/HV en de EDEO om duidelijke operationele richtsnoeren uit te werken in verband met de rol van contactpunten in delegaties, om hun de bevoegdheid te geven als echte mensenrechtenadviseurs op te treden en hen in staat te stellen hun werk op een doeltreffende manier en met coherentie en inclusiviteit uit te voeren, ter optimalisering van het werk van de delegaties; is van mening dat het werk van de contactpunten voor de mensenrechten evenzeer ondersteund moet worden door het diplomatieke personeel van de lidstaten; is van oordeel dat het werk van de contactpunten voor de mensenrechten volledig onafhankelijk en vrij moet zijn van politieke inmenging en intimidatie door nationale autoriteiten van derde landen, met name in hun contacten met mensenrechtenactivisten en het maatschappelijk middenveld;
Mensenrechtendialogen en -overleg
34. erkent dat mensenrechtendialogen met derde landen een doeltreffend instrument kunnen zijn voor bilateraal engagement en samenwerking ter bevordering en bescherming van de mensenrechten, mits deze geen doel op zich zijn, maar een middel om specifieke verbintenissen en resultaten van de partner te verkrijgen; is daarom ingenomen met het tot stand brengen van mensenrechtendialogen met een groeiend aantal landen, zoals Birma/Myanmar, en moedigt dit aan; neemt in dit verband met voldoening kennis van, bij wijze van voorbeeld, de zesde ronde in de mensenrechtendialoog tussen de EU en Moldavië;
35. dringt er bij de VV/HV en de EDEO op aan tijdens het verloop van de mensenrechtendialogen en de bijbehorende seminars voor het maatschappelijk middenveld een duidelijk, resultaatgericht perspectief voor ogen te houden dat aansluit bij de landenstrategieën; spoort de EDEO aan consequent voorbereidende dialogen te voeren met organisaties uit het maatschappelijk middenveld, die automatisch zouden moeten doorsijpelen in de eigenlijke dialoog; dringt er verder op aan dat de VV/HV, de SVEU voor de mensenrechten en de EDEO individuele gevallen van mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen of gevangengenomen zijn, van politieke gevangenen en van inbreuken op de mensenrechten tijdens de mensenrechtendialogen stelselmatig en op een verantwoordelijke en transparante manier ter sprake te brengen; vindt het van wezenlijk belang dat de EDEO stelselmatig nagaat of alle toezeggingen die tijdens elke mensenrechtendialoog gedaan zijn nagekomen worden;
36. herhaalt zijn verzoek aan de EDEO om een uitgebreid mechanisme te ontwikkelen om toezicht te houden op de werking van de mensenrechtendialogen en deze te kunnen herzien, in samenwerking met organisaties uit het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenorganisaties, teneinde het effect van de dialogen te vergroten; is van mening dat er politieke conclusies getrokken moeten worden en alternatieve ondersteuningsinstrumenten voor de bevordering van mensenrechten gebruikt moeten worden indien de dialogen in een bepaald land voortdurend mislukken; merkt in dit verband op dat de mensenrechtendialoog met Rusland in 2014 is opgeschort en neemt eveneens kennis van het gebrek aan resultaten van de mensenrechtendialogen met China en Belarus; dringt er daarom op aan dat de EDEO zijn mensenrechtenstrategie ten aanzien van Rusland en China grondig herziet;
37. roept de EU en haar delegaties op tot meer politiek overleg, in samenwerking met het maatschappelijk middenveld, met overheden die de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat schenden, en dringt erop aan dat de politieke dialoog over mensenrechten tussen de EU en derde landen een meer inclusieve en bredere definitie van non-discriminatie moet omvatten, onder andere met betrekking tot LGBTI's, godsdienst of overtuiging, geslacht, ras of etnische afkomst, leeftijd, handicap en seksuele geaardheid; onderstreept dat met name in landen die in het verleden slecht hebben gepresteerd op het gebied van ontwikkeling en de eerbiediging van de mensenrechten de ontwikkelingshulp gehandhaafd en zelfs versterkt moet worden, maar bij voorkeur gekanaliseerd moet worden via organisaties van het maatschappelijk middenveld en niet-gouvernementele lokale partners, en dat er systematisch toezicht op gehouden moet worden, in combinatie met toezeggingen door de respectieve regeringen om de mensenrechtensituatie op het terrein te verbeteren;
38. erkent het belang van aanvullende maatregelen tegen individuen (gerichte sancties zoals de bevriezing van tegoeden of een reisverbod) in de omgang met autoritaire regimes indien de dialogen blijven mislukken;
EU-mensenrechtenrichtsnoeren
39. stelt met tevredenheid vast dat de Raad in mei 2014 de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline heeft goedgekeurd; herinnert echter aan zijn verzoek aan de EDEO om de selectieprocedure voor de in de EU-richtsnoeren behandelde thema's te verduidelijken en ook het Parlement en het maatschappelijk middenveld hieromtrent te raadplegen alvorens de thema's te kiezen;
40. herhaalt zijn verzoek aan de VV/HV en de EDEO om de EU-richtsnoeren inzake het internationaal humanitair recht (IHR)(37) daadwerkelijk en consequent uit te voeren, ook met betrekking tot conflicten en humanitaire crises in landen als Syrië, Irak, Libië en Oekraïne; pleit er in dit verband voor dat de EDEO organisaties uit het maatschappelijk middenveld ondersteunt die ijveren voor de eerbiediging van het IHR door zowel statelijke als niet-statelijke actoren; dringt er bovendien op aan dat de EU alle beschikbare instrumenten actief aanwendt om naleving van het IHR door statelijke en niet-statelijke actoren te verbeteren; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan bij te dragen aan het huidige initiatief van Zwitserland en het Internationale Comité van het Rode Kruis ter verbetering van de naleving van het IHR;
41. wijst er met klem op hoe belangrijk het is de uitvoering van de EU-richtsnoeren inzake de mensenrechten, met inbegrip van de uitvoering van de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind, systematisch te beoordelen aan de hand van duidelijk gedefinieerde benchmarks; is van mening dat verdere maatregelen nodig zijn om het personeel van de EDEO en de EU-delegaties en de buitenlandse vertegenwoordigingen van de lidstaten bewust te maken van de inhoud van de richtsnoeren, teneinde ervoor te zorgen dat ze naar behoren worden uitgevoerd; herhaalt zijn oproep om organisaties van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenorganisaties actiever te betrekken bij de selectie, uitwerking, evaluatie en herziening van de richtsnoeren;
Mensenrechten en democratie via de beleidslijnen en instrumenten van het buitenlands beleid van de EU
42. herinnert eraan dat de EU zich ertoe heeft verbonden mensenrechten en democratie centraal te stellen in haar betrekkingen met derde landen; benadrukt daarom dat de bevordering van mensenrechten en democratische beginselen gesteund moet worden doorheen het hele EU-beleid en desbetreffende financiële instrumenten met een buitenlandse dimensie, zoals het uitbreidings- en nabuurschapsbeleid, het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, en het beleid inzake ontwikkeling, handel, justitie en binnenlandse zaken; beklemtoont in dit verband de recente inspanningen van de EU om mensenrechtenschendingen op te nemen in de vroegtijdigewaarschuwingsmatrix in verband met crisispreventie;
43. onderstreept dat de EU uit hoofde van de Verdragen verplicht is ervoor te zorgen dat al haar maatregelen en activiteiten met betrekking tot buitenlands beleid worden opgezet en uitgevoerd op een manier die de mensenrechten en de rechtsstaat bestendigt en ondersteunt;
44. is van mening dat de financieringsinstrumenten voor het externe optreden van de EU een belangrijk instrument zijn voor de bevordering en de verdediging van de mensenrechten en de democratische waarden in het buitenland; herhaalt zijn oproep om de samenhang van de verschillende thematische en geografische instrumenten te verbeteren;
45. stelt vast dat de Commissie inspanningen doet om te voldoen aan haar toezegging mensenrechtenbepalingen op te nemen in haar effectbeoordelingen voor wetgevings- en niet-wetgevingsvoorstellen, uitvoeringsmaatregelen en handelsovereenkomsten; spoort de Commissie aan de kwaliteit, de uitgebreide opzet en de follow-up van de effectbeoordelingen te verbeteren zodat gewaarborgd wordt dat er stelselmatig mensenrechtenkwesties in aan bod komen; wijst op de rol die het maatschappelijk middenveld kan spelen in dit proces;
Uitbreidings- en nabuurschapsbeleid
46. herinnert eraan dat het uitbreidingsbeleid van de EU een van de krachtigste instrumenten is om de eerbiediging van mensenrechten en democratische beginselen aan te moedigen; wijst erop dat het uitbreidingsproces zal worden voortgezet ondanks het feit dat er tot 2019 geen uitbreiding kan plaatsvinden vanwege de stand van de onderhandelingen en de situatie in de betrokken landen, en is verheugd dat het hoofdstuk rechterlijke macht en grondrechten, en het hoofdstuk justitie, vrijheid en veiligheid bij toetredingsonderhandelingen op een nieuwe manier worden benaderd, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de tijd die nodig is om deze hervormingen naar behoren uit te voeren;
47. spreekt zijn bezorgdheid uit over de verslechterende toestand van de vrijheid van meningsuiting en media in bepaalde uitbreidingslanden en in een aantal landen van het Europees nabuurschap; benadrukt dat de onafhankelijkheid en de transparantie van eigendom van de media in deze landen dringend verbeterd moeten worden en dat de politieke en economische druk op journalisten, die vaak tot censuur en zelfcensuur leidt, onverwijld aangepakt moet worden; verzoekt de Commissie tijdens toetredingsonderhandelingen toezicht te blijven houden op en voorrang te blijven geven aan de eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting en van de media;
48. betreurt dat een behoorlijke tenuitvoerlegging van rechtskaders voor de bescherming van minderheden een uitdaging blijft, zoals is aangegeven in de uitbreidingsstrategie van de Commissie voor 2014-2015(38); verzoekt de uitbreidingslanden hun inspanningen op te voeren om een cultuur van aanvaarding van minderheden tot stand te brengen door minderheden meer te betrekken bij de besluitvormingsprocessen en hen beter te integreren in het onderwijssysteem, met bijzondere aandacht voor Roma-kinderen; dringt er bij de EU op aan de tenuitvoerlegging van de bepalingen ter bescherming van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van personen die tot minderheden behoren en de strijd tegen alle vormen van discriminatie, waaronder haatmisdrijven op basis van seksuele geaardheid, gedurende het uitbreidingsproces nauwlettend te volgen;
49. stelt met bezorgdheid vast dat de democratische politieke cultuur in enkele kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten en in een aantal landen van het Europees nabuurschap verslechtert; herinnert eraan dat goed bestuur, de eerbiediging van de rechtsstaat, het recht op vrije meningsuiting, het respecteren van de mensenrechten, de politieke dialoog, het maken van compromissen en het betrekken van alle belanghebbenden in het besluitvormingsproces de kern uitmaken van democratische regimes; stelt evenzeer met bezorgdheid vast dat de uitbreidingslanden weinig vooruitgang boeken bij het vergroten van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en in de strijd tegen corruptie; dringt er samen met de Commissie bij de uitbreidingslanden op aan een geloofwaardige registratie van onderzoeken, vervolgingen en definitieve veroordelingen uit te bouwen;
50. herinnert er in verband met de lopende herziening van het Europees nabuurschapsbeleid aan dat het VEU bepaalt dat de EU bijzondere betrekkingen moet ontwikkelen met de naburige landen, stoelend op de waarden van de EU, waaronder eerbiediging van de mensenrechten en democratie(39); herinnert er eveneens aan dat de EU na de Arabische Lente in 2011 haar beleid ten aanzien van het nabuurschap heeft herzien op basis van het beginsel "meer voor meer", dat bedoeld is om de democratische instellingen en de bevordering van de mensenrechten te versterken; onderstreept dat de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen ernstig aangetast is door de grote uitdagingen waarmee het Europees nabuurschap de laatste jaren is geconfronteerd, zoals de verspreiding van instabiliteit en conflict in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, waar extremisten en jihadistische groeperingen misbruik maken van de situatie, alsook het menselijk lijden dat wordt veroorzaakt door het optreden van Rusland;
51. is er daarom van overtuigd dat de bevordering van mensenrechten en democratische beginselen centraal moet blijven staan in het herzien Europees nabuurschapsbeleid; wijst er nogmaals op dat de bevordering van mensenrechten en democratie in het belang van zowel partnerlanden als de EU is;
52. benadrukt dat de EU democratische en doeltreffende mensenrechteninstellingen, het maatschappelijk middenveld en de vrije media in naburige landen actief moet blijven ondersteunen; wijst in dit verband in positieve zin op de voortdurende aanzienlijke steun uit hoofde van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten en de faciliteit voor het maatschappelijk middenveld; is evenzeer ingenomen met de consistente en doeltreffende inzet van het Europees Fonds voor de Democratie (EFD) in het oostelijke en zuidelijke nabuurschap voor de bevordering van democratie en eerbiediging van grondrechten en vrijheden, zoals vermeld werd in het eerste evaluatieverslag van het Parlement over het EFD(40); dringt er bij de EU en haar lidstaten sterk op aan om krachtige stimulansen en kennis uit hun eigen overgangsprocessen te blijven bieden om democratische hervormingsprocessen in het nabuurschap van de EU te ondersteunen;
53. blijft erbij dat het absoluut noodzakelijk is om een einde te maken aan de Russische agressie in Oekraïne en te zorgen voor stabiliteit en de eerbiediging van de mensenrechten;
Mensenrechten door middel van handel
54. spreekt andermaal zijn steun uit voor de systematische opname van mensenrechtenclausules in alle internationale overeenkomsten tussen de EU en derde landen, waarin onder meer rekening wordt gehouden met de Europese sociale dialoog en de arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO); verzoekt de Commissie de uitvoering van de mensenrechtenclausules op doeltreffende en stelselmatige wijze te controleren en te beoordelen en regelmatig aan het Parlement verslag uit brengen over de eerbiediging van de mensenrechten in partnerlanden; is ermee ingenomen dat de Raad stelselmatiger beperkende maatregelen treft ten aanzien van derde landen die de mensenrechten bewust schenden; beveelt in dit verband aan dat wanneer een derde land waarmee een overeenkomst is afgesloten de mensenrechten op ernstige wijze schendt, de EU concrete stappen zet om passende sancties uit te voeren zoals vastgelegd in de mensenrechtenclausules;
55. is ingenomen met de inwerkingtreding op 1 januari 2014 van het nieuwe stelsel van algemene preferenties (SAP) (Verordening (EU) nr. 978/2012); merkt in positieve zin op dat aan het eind van 2014 aan 14 landen SAP+-preferenties waren verleend, en herinnert eraan dat van landen wordt geëist dat ze de ratificatie van de 27 belangrijkste internationale verdragen handhaven, alsook dat ze toezicht houden op de daadwerkelijke uitvoering ervan, overeenkomstig de criteria die zowel in deze verdragen als door de EU zijn vastgelegd; verwacht dat de Commissie tegen eind 2015 een oprechte en transparante beoordeling van de feiten verricht en aan het Parlement en de Raad verslag uitbrengt over de stand van de ratificatie en de daadwerkelijke uitvoering van de verdragen door de begunstigden van de SAP+-preferenties; herhaalt zijn aanbeveling dat het Statuut van Rome moet worden toegevoegd aan de toekomstige lijst van verdragen;
Bedrijfsleven en mensenrechten
56. is van mening dat handel en mensenrechten hand in hand kunnen gaan en dat voor het bedrijfsleven een belangrijke rol is weggelegd wat de bevordering van mensenrechten en democratie betreft; is van mening dat de bevordering van de mensenrechten gebaseerd moet zijn op samenwerking tussen de overheid en de particuliere sector; verklaart in dit verband nogmaals dat Europese bedrijven passende maatregelen moeten treffen om ervoor te zorgen dat hun activiteiten in derde landen beantwoorden aan de mensenrechtennormen; bevestigt bovendien dat het voor de EU van belang is maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen, en dat Europese bedrijven het voortouw nemen in de bevordering van internationale normen inzake bedrijfsleven en mensenrechten; dringt er bovendien bij de EU op aan actief deel te nemen aan de 12e zitting van de werkgroep van de VN over de mensenrechtenproblematiek in het kader van transnationale ondernemingen en andere bedrijven, en steun te verlenen aan de inspanningen om het beleid van deze ondernemingen af te stemmen op de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen; pleit ervoor dat de EU en haar lidstaten deelnemen aan de discussie over een internationaal juridisch bindend instrument, in het kader van de VN, inzake bedrijfsleven en mensenrechten;
57. is gezien het bovenstaande van mening dat de EDEO van de EU-delegaties moet eisen dat ze betrekkingen onderhouden met in derde landen werkzame Europese bedrijven om de eerbiediging van de mensenrechten in hun bedrijfsgerelateerde activiteiten te waarborgen; herhaalt bovendien zijn verzoek dat EU-delegaties de eerbiediging van de mensenrechten in bedrijfsvoering als prioriteit opnemen voor plaatselijke oproepen tot het indienen van voorstellen in het kader van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) en dat EU-delegaties alle nodige maatregelen nemen om mensenrechtenverdedigers te beschermen, in overeenstemming met de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers;
58. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om tegen het einde van 2015 verslag uit te brengen over de uitvoering van de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten(41) door de EU-lidstaten;
59. roept op tot een gecoördineerde EU-actie tegen landroof door te ijveren voor afdoende veiligheidsmechanismen ter voorkoming van dit fenomeen in de betrokken landen en tussen EU- en andere Europese bedrijven die daar aanwezig zijn;
60. roept de EU op om een proefproject te ontwikkelen inzake de ondeelbaarheid van de mensenrechten, problemen in verband met grondbezit (landroof en gedwongen uitzetting) en de samenhang van het EU-beleid in dit verband; verzoekt de EU met klem verslag uit te brengen over haar inspanningen om toetreding tot het Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten in overweging te nemen, in overeenstemming met de verbintenis die is aangegaan in het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019;
Mensenrechten en ontwikkeling
61. is van mening dat ontwikkelingssamenwerking en de bevordering van mensenrechten en democratische beginselen hand in hand moeten gaan; herinnert er in dit verband aan dat de VN hebben verklaard dat ontwikkelingsdoelstellingen zonder benadering op basis van de mensenrechten niet volledig bereikt kunnen worden; herinnert er ook aan dat de EU zich ertoe heeft verbonden partnerlanden te ondersteunen, rekening houdend met hun ontwikkelingssituatie en hun vooruitgang op het gebied van mensenrechten en democratie; spoort aan om in alle instrumenten duidelijk omschreven resultatenkaders op te nemen om de inclusie van gemarginaliseerde en kwetsbare groepen te waarborgen en een op mensenrechten gebaseerde aanpak te integreren;
62. is ingenomen met het werkdocument van de diensten van de Commissie, getiteld "A rights-based approach, encompassing all human rights, including women's and girls' rights, for EU development cooperation" (Een op rechten gebaseerde benadering voor de EU-ontwikkelingssamenwerking, waarin alle mensenrechten besloten liggen, ook de rechten van vrouwen en meisjes), dat in april 2014 is gepubliceerd en door de Raad positief is onthaald; spoort de Commissie aan toezicht te houden op de uitvoering van de op rechten gebaseerde benadering en ervoor te zorgen dat mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking elkaar in de praktijk versterken; verzoekt de Commissie om een transparante en openbare beoordeling van de tenuitvoerlegging van de EU‑toolbox voor een op rechten gebaseerde benadering; dringt er bij de EU op aan haar rol als voorvechter van de mensenrechten in de wereld te versterken door op doeltreffende, coherente en weloverwogen manier gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten ter bevordering en bescherming van de mensenrechten en de verdedigers ervan, en door de doeltreffendheid van haar beleid inzake ontwikkelingshulp, in overeenstemming met de nieuwe duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (SDG) 16;
63. is ingenomen met de goedkeuring van de ambitieuze Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling op de speciale VN-top in New York, alsook met de leidende rol die de EU in dit proces heeft vervuld, met name met betrekking tot de opname van fundamentele EU-waarden zoals mensenrechten en goed bestuur; merkt in positieve zin op dat de nieuwe agenda duidelijk is verankerd in verbintenissen inzake mensenrechten en dat met de 17 doelstellingen en 169 streefdoelen wordt geprobeerd mensenrechten voor iedereen te verwezenlijken; deelt de onderliggende visie van dit document van een wereld die wordt gekenmerkt door de universele eerbiediging van de mensenrechten en de menselijke waardigheid, de rechtsstaat, het recht, gelijkheid en non-discriminatie, alsook door respect voor ras, etniciteit en culturele verscheidenheid, en door gelijke kansen die de volledige ontwikkeling van het menselijk potentieel mogelijk maken en bijdragen tot gedeelde welvaart; benadrukt dat het belangrijk is om de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, zijn toezichtmaatregelen en zijn toekomstige tenuitvoerlegging door alle belanghebbenden, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector, te onderbouwen met een benadering waarin mensenrechten en gendergelijkheid centraal staan, naast het uitroeien van armoede, het verminderen van ongelijkheid en sociale uitsluiting en de democratisering van de economie;
64. benadrukt het belang van beleidscoherentie voor ontwikkeling voor de verwezenlijking van de nieuwe agenda voor duurzame ontwikkeling; wijst erop dat de op mensenrechten gebaseerde benadering moet leiden tot een dieper inzicht in beleidscoherentie voor ontwikkeling, aangezien er geen vooruitgang kan worden geboekt op het gebied van duurzame ontwikkeling en de uitbanning van armoede als de obstakels voor de verwezenlijking van rechten niet worden weggewerkt;
65. bevestigt nogmaals dat de wereldwijde last van armoedegerelateerde en verwaarloosde ziekten dringend moet worden aangepakt; verzoekt om de uitwerking van een ambitieuze politieke strategie op lange termijn en een overeenkomstig actieplan inzake wereldgezondheid, innovatie en toegang tot geneesmiddelen om onder meer te investeren in onderzoek en ontwikkeling, om zo het recht te waarborgen op een levensstandaard die hoog genoeg is om de gezondheid en het welzijn van elk individu te verzekeren, zonder onderscheid naar ras, godsdienst, politieke overtuiging, economische of sociale situatie, genderidentiteit of seksuele geaardheid;
66. staat erop dat de actieagenda van Addis Abeba een engagement inhoudt om te voorzien in een universele "sociale beschermingsvloer" (een minimum aan sociale bescherming), universele gezondheidszorgstelsels en essentiële openbare diensten voor iedereen, waaronder gezondheidszorg en onderwijs;
67. neemt met tevredenheid kennis van de richtsnoeren voor terrorismebestrijding, die door de EDEO en de Commissie zijn opgesteld en door de Raad zijn goedgekeurd om de eerbiediging van de mensenrechten te waarborgen bij het plannen en uitvoeren van projecten met derde landen inzake bijstand op het gebied van terrorismebestrijding; verzoekt de EDEO en de Commissie toe te zien op de daadwerkelijke uitvoering van de richtsnoeren, te beginnen met een brede verspreiding; herinnert er in dit verband aan dat de eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele vrijheden de basis vormt van een geslaagd beleid inzake terrorismebestrijding, met inbegrip van het gebruik van digitale bewakingstechnologieën; steunt de internationale pogingen om een eind te maken aan de door IS/Da'esh gepleegde schendingen van de mensenrechten;
Rechten van inheemse volkeren
68. roept de EDEO, de Commissie en de lidstaten op de herziening van het mandaat van het deskundigenmechanisme inzake de rechten van inheemse volkeren te steunen, in overeenstemming met het slotdocument van de Wereldconferentie over inheemse volkeren (Resolutie 69/2 van de Algemene Vergadering van de VN(42)), met het oog op het toezicht op en de evaluatie en verbetering van de tenuitvoerlegging van de Verklaring inzake de rechten van inheemse volkeren; verzoekt de lidstaten erop aan te dringen dat alle houders van mandaten voor speciale VN-procedures bijzondere aandacht besteden aan problemen waarmee inheemse vrouwen en meisjes kampen, en hierover stelselmatig verslag uitbrengen aan de UNHRC; dringt er bij de EDEO en de lidstaten op aan de ontwikkeling van het op het hele bestel gerichte actieplan inzake inheemse volkeren actief te steunen, overeenkomstig het verzoek van de Algemene Vergadering van de VN in haar resolutie van september 2014, in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van regelmatige raadplegingen van inheemse volkeren als onderdeel van dit proces; betreurt het ten zeerste dat mensen met een geestesziekte in sommige gebieden in West-Afrika aan bomen in het woud vastgeketend worden of op straat worden achtergelaten, en dat dit algemeen voorkomende praktijken zijn die door de plaatselijke gemeenschappen worden goedgekeurd;
EU-actie op het vlak van migratie en vluchtelingen
69. uit zijn diepe bezorgdheid over en verklaart zich solidair met het hoge aantal vluchtelingen en migranten dat ernstige schendingen van de mensenrechten ondergaat als slachtoffer van conflicten, vervolgingen, bestuurlijke tekortkomingen en netwerken voor illegale immigratie, mensenhandel, mensensmokkel, extremistische groeperingen en criminele bendes; spreekt ook zijn diepe leedwezen uit over het tragische verlies van levens onder de mensen die de grenzen van de EU proberen te bereiken;
70. benadrukt dat de onderliggende oorzaken van de migratiestromen en dus de buitenlandse dimensie van de vluchtelingencrisis dringend aangepakt moeten worden, onder meer door duurzame oplossingen te vinden voor de conflicten in ons nabuurschap, door samenwerking en partnerschap met de betrokken derde landen uit te bouwen en via het buitenlands beleid van de EU; beklemtoont de behoefte aan een brede, op mensenrechten gebaseerde benadering van migratie en verzoekt de EU beter samen te werken met de VN, met inbegrip van de VN-organisaties, alsook met regionale organisaties, regeringen en ngo's om de onderliggende oorzaken van de migratiestromen aan te pakken en de situatie in vluchtelingenkampen in de buurt van conflictgebieden te verbeteren; herhaalt zijn verzoek aan de EU om ervoor te zorgen dat alle samenwerkings- en overnameovereenkomsten op het gebied van migratie met landen buiten de EU stroken met het internationaal recht; herinnert eraan dat een wereldwijde strategie inzake migratie nauw verbonden is met het humanitaire en ontwikkelingsbeleid, met inbegrip van de totstandbrenging van humanitaire corridors en de afgifte van humanitaire visa, alsook andere buitenlandse beleidsmaatregelen; neemt kennis van de operatie van de door de Europese Unie geleide zeemacht – Middellandse Zee (EUNAVFOR MED) tegen mensensmokkelaars en -handelaars in het Middellandse Zeegebied; benadrukt ook dat er op EU-niveau dringend sterkere beleidslijnen ontwikkeld moeten worden om dringende problemen met betrekking tot migranten en vluchtelingen aan te pakken en een doeltreffend, eerlijk en duurzaam mechanisme te vinden voor het verdelen van de lasten tussen de lidstaten; is ingenomen met de maatregelen die de Commissie op 9 september 2015 heeft voorgesteld om de vluchtelingencrisis aan te pakken, zoals de geplande herziening van de Dublinverordening;
71. verzoekt de EU en de lidstaten de steun voor de strijd tegen de mensenhandel op te voeren middels externe beleidsmaatregelen en daarbij speciale aandacht te besteden aan de bescherming van slachtoffers, minderjarigen in het bijzonder; is ervan overtuigd dat de EU de samenwerking met derde landen en andere betrokken partijen moet versterken om beproefde methoden uit te wisselen en bij te dragen aan de ontmanteling van internationale netwerken voor mensenhandel; beklemtoont nogmaals dat alle lidstaten de EU-richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan(43) en de strategie voor de uitroeiing van mensenhandel 2012-2016(44) ten uitvoer moeten leggen;
72. wijst erop dat 17,5 miljoen mensen in 2014 ontheemd raakten ten gevolge van door klimaatproblemen veroorzaakte rampen; merkt op dat deze ontheemden vooral te vinden zijn in de gebieden in het zuiden, die het kwetsbaarst zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering; wijst erop dat 85 % van die ontheemden zich in ontwikkelingslanden bevinden, voornamelijk binnen één land of binnen delen van landen; merkt op dat de EU-lidstaten in het kader van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen hebben toegezegd 0,7 % van het bbp toe te wijzen aan de financiering van ontwikkelingshulp;
73. verzoekt de EU actief deel te nemen aan het debat over de term "klimaatvluchteling", met inbegrip van een mogelijke juridische definitie ervan in het internationaal recht of in wettelijk bindende internationale overeenkomsten;
74. herhaalt zijn oproep voor een gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake het gebruik van gewapende drones waarin de mensenrechten en het internationaal humanitair recht worden gehandhaafd, en waarin kwesties zoals het rechtskader, evenredigheid, verantwoording en de bescherming van burgers en transparantie aan bod komen; dringt er nogmaals bij de EU op aan om een verbod uit te vaardigen op de ontwikkeling, de productie en het gebruik van volledig autonome wapens waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd; dringt er bij de EU op aan zich te verzetten en een verbod uit te vaardigen tegen de praktijk van buitengerechtelijk en doelgericht doden en zich ertoe te verbinden passende maatregelen te treffen, overeenkomstig de binnenlandse en internationale wettelijke verplichtingen, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een individu of entiteit binnen haar rechtsgebied in verband zou kunnen worden gebracht met onwettig doelgericht doden in het buitenland;
Internationale culturele en sportevenementen en mensenrechten
75. maakt er zich ernstige zorgen over dat een aantal grootschalige sportmanifestaties wordt georganiseerd door autoritaire staten waar mensenrechten en fundamentele vrijheden worden geschonden; benadrukt dat er behoefte is aan bewustmakingscampagnes om het grote publiek ervan te overtuigen dat er mensenrechtenbepalingen nodig zijn met betrekking tot sportevenementen, waarin het probleem van gedwongen prostitutie en mensenhandel wordt opgenomen; verzoekt de EU en haar lidstaten met klem in discussie te gaan met de UNHCR en andere multilaterale fora, alsook met nationale sportfederaties, het bedrijfsleven en organisaties uit het maatschappelijk middenveld om bij dergelijke evenementen een volledige naleving van de mensenrechten te waarborgen, onder meer door hiervan een criterium te maken om te bepalen aan wie grote internationale sportevenementen worden toegekend; houdt in dit verband de komende FIFA-wereldbeker in Rusland in 2018 en in Qatar in 2022 en de Olympische Spelen in Peking in 2022 in het oog;
EU-actie in multilaterale organisaties
76. spreekt nogmaals zijn volledige steun uit voor de sterke inzet van de EU bij het ijveren voor de bevordering van mensenrechten en democratische beginselen door samen te werken met de structuren van de Verenigde Naties en de gespecialiseerde VN-organisaties, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), overeenkomstig de artikelen 21 en 220 VEU; is daarom verheugd over de aanneming van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen;
77. herhaalt bovendien hoe belangrijk het is dat de EU actief en consequent deelneemt aan alle mensenrechtenmechanismen van de VN, met name de Derde Commissie van de Algemene Vergadering en de VN-Mensenrechtenraad; erkent de inspanningen van de EDEO, de EU-delegaties in New York en Genève en de lidstaten om de samenhang van het EU-optreden inzake mensenrechtenkwesties op VN-niveau te vergroten; spoort de EU aan de inspanningen op te voeren om haar stem te laten horen, onder meer door de toenemende praktijk van regio-overschrijdende initiatieven te versterken en door steun te verlenen aan en het initiatief te nemen voor resoluties;
78. dringt erop aan dat de grondrechten van de volkeren van de Westelijke Sahara, waaronder de vrijheid van vereniging, meningsuiting en het recht op vergadering, worden geëerbiedigd; eist vrijlating van alle politieke gevangenen van het Sahrawivolk; eist dat toegang wordt verleend aan leden van het Parlement, onafhankelijke waarnemers, ngo's en de pers tot de gebieden van de Westelijke Sahara; verzoekt de Verenigde Naties met klem Minurso een mensenrechtenmandaat te geven, overeenkomstig alle andere VN-vredesmissies ter wereld; is voorstander van een eerlijke en blijvende oplossing van het conflict in de Westelijke Sahara, op basis van het recht op zelfbeschikking van het Sahrawivolk, in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Verenigde Naties;
79. herinnert aan het belang van de instandhouding van de geïnstitutionaliseerde praktijk om een parlementaire delegatie naar de Algemene Vergadering van de VN te sturen; is blij dat de praktijk in 2015 weer opgenomen is, tijdens de 28e zitting van de Mensenrechtenraad;
80. benadrukt dat alle leden van de Mensenrechtenraad, met het oog op de geloofwaardigheid en legitimiteit van dit VN-orgaan, de hoogste mensenrechtennormen moeten hanteren en hun toezeggingen op het gebied van de mensenrechten moeten nakomen; is van mening dat de mensenrechten in alle internationale fora bevorderd, ontwikkeld en geconsolideerd moeten worden; verzoekt de Commissie in het openbaar verslag uit te brengen over alle activiteiten en acties die zij heeft ondernomen om schot te brengen in de mensenrechtenagenda en om op het gebied van mensenrechten meer verantwoording en aansprakelijkheid te eisen van internationale organisaties als de WHO en de Wereldbank (IBRD (Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling), IFC (Internationale Financieringsmaatschappij), MIGA(Multilateraal Agentschap voor Investeringsgaranties));
81. bevestigt nogmaals zich sterk te zullen inzetten om een einde maken aan de straffeloosheid van de zwaarste misdaden die de internationale gemeenschap aanbelangen, en om ervoor te zorgen dat de slachtoffers van oorlogsmisdaden, van misdaden tegen de menselijkheid en volkerenmoord aanspraak kunnen maken op gerechtigheid, en spreekt daarom nogmaals zijn grote steun uit voor het Internationaal Strafhof (ICC); vindt het betreurenswaardig dat in 2014 geen enkel land het Statuut van Rome heeft geratificeerd; benadrukt de verantwoordelijkheid om een einde te maken aan straffeloosheid en om gerechtelijke vervolging in te stellen tegen de verantwoordelijken van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, met inbegrip van misdaden met seksueel geweld; uit er zijn diepe bezorgdheid over dat meerdere aanhoudingsbevelen nog niet zijn uitgevoerd; dringt er bij de EU op aan krachtige diplomatieke en politieke steun te blijven geven om de betrekkingen tussen het ICC en de VN te versterken en uit te breiden, met name in de VN Veiligheidsraad, alsook in haar bilaterale betrekkingen en in alle andere fora; dringt er bij de EU, met inbegrip van haar delegaties, en de lidstaten op aan meer inspanningen te leveren ter bevordering van de universaliteit van het Statuut van Rome en de ratificatie en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van dit document; verzoekt de EU-lidstaten om het ICC te voorzien van de benodigde middelen en om hun steun aan het internationaal strafrechtelijk systeem verder op te trekken, onder meer door financiële steun te verlenen aan organisaties uit het maatschappelijk middenveld, bijvoorbeeld via het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR); dringt aan op de tenuitvoerlegging van de EU-toolkit uit 2013 betreffende de complementariteit tussen de internationale en de nationale rechtsbedeling;
82. verzoekt de EU en haar lidstaten het ICC en de behoefte aan handhaving van zijn besluiten in alle soorten dialogen met derde landen actief te steunen;
Eerbiediging van de mensenrechten wereldwijd verbeteren
Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst of overtuiging
83. herinnert eraan dat vrijheid van denken, geweten, godsdienst en overtuiging een fundamenteel mensenrecht is, zoals erkend is in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en gewaarborgd is door artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de VN; herinnert er evenzeer aan dat dit recht nauw samenhangt met andere mensenrechten en fundamentele vrijheden, bestaande uit het recht om te geloven of niet te geloven, de vrijheid om een theïstisch, niet-theïstisch of atheïstisch geloof te belijden en het recht om een geloof naar keuze aan te nemen, te wijzigen en ervan afstand te doen of het opnieuw aan te nemen; uit zijn bezorgdheid over het feit dat een aantal landen nog steeds verzuimt zich neer te leggen bij de VN-normen en zijn toevlucht neemt tot staatsrepressie, waaronder mogelijk lijfstraffen, gevangenisstraffen, buitensporige boetes en zelfs de doodstraf, in strijd met de vrijheid van godsdienst of overtuiging; maakt zich zorgen over de toegenomen vervolging van religieuze of levensbeschouwelijke minderheidsgroepen, waaronder christelijke gemeenschappen, alsook over onrechtmatige schade aan de plaatsen waar ze samenkomen;
84. verzoekt de EU en haar lidstaten meer inspanningen te leveren om bij te dragen aan de uitbanning van alle vormen van religieuze discriminatie en de interreligieuze dialoog te bevorderen wanneer ze met derde landen samenwerken; vraagt om concrete acties ter bescherming van religieuze minderheden, niet-gelovigen, geloofsafvalligen en atheïsten die het slachtoffer zijn van wetgeving inzake godslastering, en verzoekt de EU en de lidstaten zich in te zetten voor de afschaffing van dergelijke wetten; is ingenomen met het engagement van de EU om in internationale fora te ijveren voor de vrijheid van godsdienst of overtuiging, onder meer door het mandaat van de speciale VN-rapporteur voor vrijheid van godsdienst en overtuiging te steunen; geeft zijn volledige steun aan de werkwijze van de EU om in de Mensenrechtenraad en op de Algemene Vergadering van de VN het initiatief te nemen voor thematische resoluties over dit thema; vraagt concrete actie en maatregelen om de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging daadwerkelijk ten uitvoer te leggen en te verbeteren; is van oordeel dat er op zowel internationale als regionale fora actie ondernomen moet worden door een open, transparante en regelmatige dialoog in stand te houden met kerkgenootschappen en religieuze gemeenschappen, in toepassing van artikel 14 VWEU, onder meer via EU-delegaties; vestigt evenzeer de aandacht op de noodzaak om voor een stelselmatige en consequente opleiding van EU-personeel in de hoofdkantoren en delegaties te zorgen;
EU-actie tegen de doodstraf
85. is ingenomen met de gezamenlijke verklaring van oktober 2014 van de VV/HV en de secretaris-generaal van de Raad van Europa(45) waarin nogmaals met klem bevestigd wordt dat ze de doodstraf radicaal veroordelen, in alle gevallen en in alle omstandigheden; blijft bij zijn standpunt dat de wereldwijde afschaffing van de doodstraf een van de centrale EU-doelstellingen met betrekking tot de mensenrechten moet zijn; wijst erop dat bij de ondersteuning van het handhavingsbeleid inzake drugs in derde landen gestreefd moet worden naar de afschaffing van de doodstraf voor drugsgerelateerde misdrijven; verzoekt de EU en de lidstaten om zich in het kader van het 6e Wereldcongres tegen de doodstraf, dat in juni 2016 zal plaatsvinden in Oslo, Noorwegen, in ondubbelzinnige bewoordingen uit te spreken tegen de doodstraf, zich nog meer in te zetten voor de afschaffing van de doodstraf en steun te geven aan bewustmakingscampagnes over dit onderwerp;
86. uit zijn bezorgdheid over het toenemende aantal doodvonnissen en terechtstellingen in de hele wereld; betreurt het ten zeerste dat de doodstraf in sommige derde landen nog steeds is opgenomen in de wetgeving; vindt het betreurenswaardig dat Belarus na een onderbreking van twee jaar opnieuw terechtstellingen uitvoert; herhaalt daarom zijn oproep aan Belarus om een moratorium op de doodstraf in te stellen dat uiteindelijk moet leiden tot de afschaffing ervan; merkt op dat in acht landen de doodstraf voor homoseksualiteit in de wetgeving is opgenomen;
87. dringt er bij de EDEO, de Commissie en de lidstaten op aan richtsnoeren op te stellen voor een uitgebreid en doeltreffend Europees beleid inzake de doodstraf, aangezien tientallen Europese burgers een terechtstelling te wachten staat in derde landen, en hierin krachtige en versterkte mechanismen voor identificatie, verlening van rechtsbijstand en diplomatieke vertegenwoordiging op te nemen;
88. verzoekt de EU om betrekkingen te blijven onderhouden met landen waar de doodstraf nog bestaat, en daarbij gebruik te maken van alle diplomatieke middelen en samenwerkingsinstrumenten om de afschaffing van de doodstraf te bekomen; herhaalt bovendien zijn verzoek aan de EU om te blijven toezien op de omstandigheden waarin terechtstellingen worden uitgevoerd in de landen waar de doodstraf nog steeds wordt toegepast;
Strijd tegen foltering en mishandeling
89. meent dat de EU, naar aanleiding van het dertigjarig bestaan van het VN-Verdrag tegen foltering en gelet op het feit dat foltering en mishandeling wereldwijd blijven voortbestaan, haar inspanningen moet opvoeren om deze zware schendingen van de mensenrechten uit te bannen; benadrukt dat leden van kwetsbare groepen zoals kinderen en vrouwen of etnische, taalkundige of religieuze minderheden vaker worden blootgesteld aan foltering of mishandeling in hechtenis, en daarom speciale aandacht vereisen; vraagt de EDEO en de VV/HV daarom met klem om nadrukkelijker de strijd aan te gaan met foltering en andere wrede, onmenselijke en vernederende behandelingen of straffen, via geïntensiveerde diplomatieke actie en een meer systematische openbare stellingname waarin de waarden en beginselen waartoe de EU zich heeft verbonden worden uitgedrukt; pleit ervoor dat de EDEO, de EU-delegaties en de lidstaten ten volle gebruikmaken van alle bestaande instrumenten, zoals de EU-richtsnoeren inzake foltering(46); pleit in dit verband voor een voortdurende verbetering van de controlemechanismen voor de uitvoer van geneesmiddelen die gebruikt kunnen worden voor terechtstellingen of foltering, door er een gerichte clausule met betrekking tot de eindbestemming in op te nemen waarmee de overdracht van veiligheidsgerelateerde voorwerpen die duidelijk geen ander praktisch doel dienen dan de voltrekking van de doodstraf of foltering opgeschort of tegengehouden kan worden;
90. benadrukt dat er landen zijn die hebben nagelaten maatregelen te treffen om te voorzien in de dringende behoefte aan volledig gefinancierde plannen voor de verbetering van de omstandigheden in gevangenissen; merkt op dat er bijzonder weinig vooruitgang is geboekt bij de inspanningen om ervoor te zorgen dat strafinrichtingen de internationale mensenrechtennormen naleven en dat de rechten van gevangenen op leven, fysieke integriteit en waardigheid worden beschermd; benadrukt dat de omstandigheden in gevangenissen verbeterd moeten worden om de mensenrechten te eerbiedigen, en dat gedetineerden geen inhumane of vernederende behandelingen of straffen mogen ondergaan;
Discriminatie
91. benadrukt dat geen enkele vorm van discriminatie, geweld, vergeldingsstraffen, foltering, seksueel misbruik van vrouwen en meisjes, genitale verminking, kindhuwelijken, gedwongen huwelijken, vrouwenhandel, discriminatie of sociale uitsluiting op basis van sociale klasse of afkomst, of huiselijk geweld ooit te rechtvaardigen valt op grond van maatschappelijke, religieuze of culturele overtuigingen of tradities;
92. veroordeelt alle vormen van discriminatie in de meest krachtige bewoordingen, met inbegrip van discriminatie op grond van ras, kleur, geslacht, seksuele geaardheid, genderidentiteit, taal, cultuur, godsdienst of overtuiging, sociale afkomst, kaste, geboorte, leeftijd, handicap of gelijk welke andere status; dringt er bij de EU op aan haar inspanningen op te voeren om alle vormen van discriminatie, racisme en xenofobie uit te bannen via mensenrechtendialogen en politieke dialogen, het werk van de EU-delegaties en open diplomatie; dringt er bij de EU voorts op aan te blijven ijveren voor de ratificatie en volledige uitvoering van alle VN-Verdragen die dit doel dienen, zoals het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie of het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;
LGBTI-rechten
93. is van mening dat de EU zich moet blijven inspannen voor een betere eerbiediging van de rechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI's), in overeenstemming met de EU-richtsnoeren ter zake(47); pleit voor de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren, onder meer via de opleiding van EU-personeel in derde landen; betreurt dat er nog steeds 75 landen zijn waarin homoseksualiteit gecriminaliseerd wordt, waaronder acht landen die hiervoor de doodstraf uitspreken, en is van mening dat gewelddadige praktijken en handelingen tegen individuen op basis van hun seksuele geaardheid niet onbestraft mogen blijven; spreekt zijn steun uit voor de niet-aflatende werkzaamheden van de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten ter bestrijding van deze discriminerende wetten, alsook voor het werk van andere VN-organisaties; maakt zich zorgen over de inperking van de fundamentele vrijheden van verdedigers van de mensenrechten van LGBTI's en roept de EU op hen meer steun te betuigen; merkt op dat LGBTI's meer kans maken om geëerbiedigd te worden in hun grondrechten indien zij toegang hebben tot wettelijke instituties, mogelijk via geregistreerd partnerschap of huwelijk;
94. benadrukt dat minderheidsgroepen in derde landen specifieke behoeften hebben en dat geijverd moet worden voor hun volledige gelijkwaardigheid op alle gebieden van het economische, sociale, politieke en culturele leven;
Discriminatie op grond van kaste
95. neemt met grote bezorgdheid kennis van de schaal en de gevolgen van discriminatie op grond van kaste en van het blijvend bestaan van mensenrechtenschendingen op grond van kaste, met inbegrip van toegangsweigering tot het gerechtelijk apparaat of werkgelegenheid, aanhoudende segregatie, armoede en stigmatisering; dringt aan op de vaststelling van een EU-instrument ter preventie en uitbanning van discriminatie op grond van kaste; pleit ervoor dat dit thema geïntegreerd wordt in de richtsnoeren en actieplannen van de EDEO en de Commissie, met name in het kader van de strijd van de EU tegen alle vormen van discriminatie en haar inspanningen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes en alle vormen van discriminatie jegens hen;
Rechten van personen met een handicap
96. is ingenomen met de ratificatie van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; wijst nogmaals op het belang van een daadwerkelijke tenuitvoerlegging door zowel de lidstaten als de EU-instellingen; benadrukt in het bijzonder dat het beginsel van universele toegankelijkheid en het geheel van rechten van personen met een handicap op geloofwaardige wijze in alle relevante EU-beleidsdomeinen moeten worden geïntegreerd, met inbegrip van ontwikkelingssamenwerking, en onderstreept daarbij het prescriptieve en horizontale karakter van dit thema;
97. moedigt de VV/HV aan om steun te blijven verlenen aan het ratificerings- en uitvoeringsproces van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in landen die dit verdrag nog niet hebben geratificeerd of ten uitvoer hebben gelegd;
98. benadrukt dat de internationale gemeenschap de situatie van vrouwen met een handicap als een prioriteit heeft aangemerkt; brengt de conclusies van het Bureau van de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten in herinnering, waarin werd verklaard dat beleidsmaatregelen en programma's ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap moeten worden opgesteld in nauwe samenwerking met personen met een handicap zelf, met erkenning van hun autonomie, en met organisaties voor gehandicapten; beklemtoont dat er systematisch toezicht op instellingen en een adequate opleiding voor zorgverleners nodig is; dringt erop aan dat de EU de bestrijding van discriminatie op grond van handicap tot vast onderdeel maakt van haar externe beleid en ontwikkelingssamenwerking, met inbegrip van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR);
Rechten van vrouwen en meisjes
99. herinnert eraan dat de Sacharovprijs in 2014 is uitgereikt aan dr. Denis Mukwege wegens zijn grote inzet voor slachtoffers van seksueel geweld en zijn niet-aflatende steun voor de vrouwenrechten, wat het publiek ervan bewust heeft gemaakt dat geweld en seksuele verminking van vrouwen, meisjes en kinderen ingezet worden als oorlogsmiddel; veroordeelt alle vormen van misbruik en geweld tegen vrouwen, meisjes en kinderen ten stelligste, in het bijzonder het inzetten van seksueel geweld als oorlogswapen, alsook genitale verminking, kindhuwelijken, huwelijk op jonge leeftijd en gedwongen huwelijk, seksuele slavernij, verkrachting binnen het huwelijk en andere vormen van schadelijke traditionele gebruiken; benadrukt dat vrouwen, meisjes en kinderen die misbruikt zijn in conflictsituaties toegang moeten hebben tot gezondheids- en psychologische zorg, in overeenstemming met het internationaal recht; neemt in dit verband kennis van de brief van de VV/HV met betrekking tot het beleid inzake humanitaire hulp, waarin met name sprake is van het voorkomen van seksueel geweld en het verlenen van passende steun en toegang tot gezondheids- en psychologische zorg in geval van verkrachting in conflictsituaties; verzoekt de lidstaten van de Raad van Europa het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te ondertekenen en te ratificeren;
100. benadrukt dat de EDEO optimale werkmethoden moet uitwisselen om de gebrekkige toegang tot de rechter van slachtoffers van met seksueel geweld verbonden misdrijven te verbeteren; veroordeelt ten stelligste dat vrouwen in derde landen gebrekkige toegang hebben tot de rechter, met name wanneer zij het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld; verzoekt de Commissie een actieve rol te spelen bij de vervolging van dergelijke misdrijven in derde landen en, in sommige gevallen, door lidstaten; verzoekt de Commissie met de EDEO samen te werken om de bestaande steun aan slachtoffers te verbeteren, maatregelen tegen gendergeweld op te nemen in het humanitaire optreden van de EU en bij dit optreden prioriteit te geven aan acties die gericht zijn tegen gendergerelateerd geweld en seksueel geweld in gewapende conflicten; is ingenomen met de toezeggingen van de EU met betrekking tot een follow-up van de wereldtop voor de beëindiging van seksueel geweld in gewapende conflicten van juni 2014 in Londen en verzoekt de Commissie daarom concrete maatregelen te treffen;
101. betreurt het gebrek aan preventiebeleid met betrekking tot gendergerelateerd geweld en het gebrek aan slachtofferhulp, alsook de hoge mate van straffeloosheid voor de daders in een groot aantal landen; verzoekt de EDEO optimale werkmethoden uit te wisselen met derde landen over wetgevingsprocedures en opleidingsprogramma's voor de politie, justitieel personeel en ambtenaren; spoort de EU ertoe aan steun te verlenen aan organisaties uit het maatschappelijk middenveld die zich inzetten voor de mensenrechten en gendergelijkheid in derde landen, en nauw samen te werken met internationale organisaties die actief zijn op het gebied van gendergelijkheid, zoals de IAO, de OESO, de VN en de Afrikaanse Unie, om synergieën tot stand te brengen en de positie van vrouwen te versterken;
102. is ernstig bezorgd over de toename van gendergerelateerd geweld in vele delen van de wereld en over het stijgend aantal vrouwenmoorden (feminicide) in Latijns-Amerika, in een context van alomtegenwoordig geweld en structurele discriminatie; veroordeelt alle vormen van gendergerelateerd geweld en het afschuwelijke misdrijf van feminicide ten stelligste, evenals de voor dergelijke misdrijven heersende straffeloosheid, die nog meer dood en geweld in de hand kan werken;
103. spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over mogelijke mensenrechtenschendingen ten aanzien van vrouwen en meisjes in vluchtelingenkampen in het Midden-Oosten en Afrika, waar onder meer gevallen van seksueel geweld tegen en ongelijke behandeling van vrouwen en meisjes worden gemeld; verzoekt de EDEO aan te dringen op strengere regels en optimale werkmethoden in derde landen om een eind te maken aan de ongelijke behandeling van vluchtelingen, ongeacht hun geslacht;
104. betreurt het dat de helft van de wereldbevolking geconfronteerd wordt met loondiscriminatie en dat vrouwen wereldwijd 60 à 90 % van het gemiddelde inkomen van mannen verdienen;
105. verzoekt de Commissie, de EDEO en de VV/HV te blijven ijveren voor de politieke en economische versterking van de positie van vrouwen en meisjes door gendergelijkheid te integreren in al hun buitenlandse beleidslijnen en programma's, onder meer door gestructureerde dialogen te voeren met derde landen, door gendergerelateerde kwesties in het openbaar te bespreken en door hiertoe voldoende middelen uit te trekken; neemt met genoegen kennis van het nieuwe kader voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen voor 2016-2020(48); benadrukt dat de aandacht naar de horizontale pijler moet gaan, die erop gericht is de Commissie en de EDEO in staat te stellen betere resultaten te bereiken op het vlak van de EU-verbintenissen ter verbetering van de rechten van vrouwen en meisjes door middel van de externe betrekkingen;
106. betreurt het gebrek aan gendergelijkheid in het domein van de politiek; herinnert eraan dat vrouwen en mannen gelijkwaardig zijn en dezelfde politieke rechten en burgerlijke vrijheden moeten genieten en betreurt evenzeer dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in de economische, sociale en politieke besluitvorming; benadrukt dat er doeltreffende beschermingsmechanismen moeten komen voor vrouwelijke mensenrechtenverdedigers; is voorstander van de invoering van een quotaregeling ter bevordering van de participatie van vrouwen in politieke organen en het democratisch proces, met name als kandidaten;
107. verzoekt de EU zich te blijven inzetten voor een economisch, sociaal en politiek sterkere positie van vrouwen als middel om ervoor te zorgen dat ze hun rechten en fundamentele vrijheden daadwerkelijk kunnen genieten, en het grootste belang te hechten aan de toegang tot hoogwaardig onderwijs voor meisjes, met inbegrip van meisjes uit de armste en meest gemarginaliseerde gemeenschappen; dringt aan op steun voor beroepsonderwijs voor vrouwen, op een grotere deelname aan beroepsopleidingen op het domein van wetenschap en technologie, op de ontwikkeling van opleidingsprogramma's op het gebied van gendergelijkheid voor onderwijsprofessionals in derde landen en op maatregelen om te voorkomen dat stereotypen via onderwijsmateriaal worden doorgegeven; roept de EU ertoe op in al haar diplomatieke, handels- en ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten rekening te houden met deze prioriteit;
108. benadrukt dat meisjes in vluchtelingenkampen, conflictgebieden en gebieden die worden getroffen door extreme armoede en extreme milieuomstandigheden zoals droogte en overstromingen onderwijs moeten blijven krijgen;
109. spoort de EU aan steun voor vrouwen en meisjes te blijven integreren in GVDB-operaties en de VN-architectuur voor vredesopbouw, en te blijven streven naar de tenuitvoerlegging en versterking van Resolutie 1325 (2000)(49) en Resolutie 1820 (2008)(50) van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid; verzoekt de EU in dit verband om op internationaal niveau te ijveren voor de erkenning van de toegevoegde waarde van de deelname van vrouwen aan de preventie en oplossing van conflicten, alsook aan vredeshandhaving, humanitaire hulpverlening, wederopbouw in de nasleep van conflicten en democratische overgangsprocessen die tot blijvende en stabiele politieke oplossingen leiden; benadrukt evenzeer hoe belangrijk het is het volledige gamma aan mensenrechten voor vrouwen te waarborgen en bij te dragen aan de versterking van hun positie, onder meer in het kader van de agenda voor de periode na 2015 en via ondersteuning van het actieprogramma van Peking en het Verdrag van Istanbul; is verheugd over de EU-steun voor VN-resoluties met betrekking tot de genderproblematiek, in het bijzonder wat de rol van de vrijheid van mening en meningsuiting betreft bij het versterken van de positie van de vrouw; neemt met genoegen kennis van de conclusies van de 59e zitting van de VN-Commissie voor de Status van de Vrouw(51);
110. verzoekt de Commissie om concrete acties ter verbetering van de deelname van vrouwen aan verkiezingen stelselmatig op te nemen in alle EU-verkiezingswaarnemingsmissies, overeenkomstig de desbetreffende EU-richtsnoeren, daarbij rekening te houden met de conclusies van de studiebijeenkomst van hooggeplaatste verkiezingsdeskundigen die in april 2014 te Brussel werd gehouden, en lering te trekken uit de ervaringen die tijdens eerdere missies zijn opgedaan;
111. is ingenomen met de inspanningen van de EDEO in derde landen om meer vaart zetten achter de tenuitvoerlegging van de verplichtingen en toezeggingen op het vlak van vrouwenrechten in het kader van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW), het actieprogramma van Peking, de verklaring van Caïro inzake bevolking en ontwikkeling in de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015;
112. benadrukt hoe belangrijk het is dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het "acquis" van het actieprogramma van Peking betreffende de toegang tot onderwijs en gezondheidszorg als een fundamenteel mensenrecht en de bescherming van seksuele en reproductieve rechten; onderstreept dat de universele eerbiediging van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en de toegang tot de desbetreffende dienstverlening de zuigelingen- en moedersterfte helpen terugdringen; wijst erop dat gezinsplanning, de gezondheid van moeders en een gemakkelijke toegang tot anticonceptie en veilige abortus belangrijke factoren zijn om vrouwenlevens te redden en om vrouwen te helpen hun leven weer op te pakken als ze het slachtoffer zijn geweest van verkrachting; beklemtoont dat deze beleidsmaatregelen centraal moeten staan in de ontwikkelingssamenwerking met derde landen;
113. is van mening dat huwelijken op minderjarige leeftijd een schending van de fundamentele mensenrechten vormen en het leven van de betrokken meisjes op alle vlakken beïnvloeden, omdat hun onderwijs in het gedrang komt, waardoor ook hun vooruitzichten worden ingeperkt, omdat hun gezondheid in gevaar wordt gebracht en omdat zij meer risico lopen het slachtoffer te worden van geweld en misbruik;
114. stelt met grote bezorgdheid vast dat de postorderbruidindustrie sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw alarmerend snel is gegroeid; stelt met bezorgdheid vast dat er een aantal gedocumenteerde gevallen bestaat van vrouwen die aangevallen en/of vermoord zijn nadat zij als postorderbruid met een man getrouwd waren; betreurt dat er een groot aantal minderjarige meisjes op postorderwebsites te zien is en benadrukt dat, als kinderen voor seksuele doeleinden worden gebruikt, dit als kindermisbruik moet worden beschouwd;
115. veroordeelt de praktijk van draagmoederschap, die de waardigheid van de vrouw ondermijnt aangezien haar lichaam en voortplantingsfuncties worden gebruikt als een handelsartikel; is van mening dat de praktijk van draagmoederschap, die neerkomt op reproductieve uitbuiting en gebruik van het menselijk lichaam voor financiële of andersoortige winst, met name als het gaat om kwetsbare vrouwen in ontwikkelingslanden, moet worden verboden en met spoed moet worden behandeld in de mensenrechteninstrumenten;
Rechten van het kind
116. bevestigt nogmaals de dringende behoefte aan een universele ratificatie en daadwerkelijke uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en de bijhorende facultatieve protocollen; roept alle staten op zich ertoe te verbinden de ergste vormen van kinderarbeid, zoals gedefinieerd in artikel 3 van IAO-verdrag nr. 182, uit te bannen, waaronder kinderslavernij, kinderhandel, kinderprostitutie en gevaarlijk werk dat de lichamelijke en geestelijke gezondheid van het kind schaadt;
117. is ingenomen met de in december 2014 aangenomen conclusies van de Raad over de bevordering en bescherming van de rechten van het kind(52), en dringt er bij de EU op aan partnerlanden te blijven steunen in hun strijd tegen alle vormen van geweld ten aanzien van kinderen, met inbegrip van seksuele uitbuiting, en hun vermogen om de kinderrechten beter te kunnen beschermen te helpen vergroten; is verheugd over de wereldwijde lancering van de toolkit voor de rechten van het kind van de EU en UNICEF in 2014(53); neemt kennis van de verklaring van mei 2014 van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa over de rechten van interseksuele kinderen;
118. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een voorstel in te dienen met een uitgebreide strategie en een actieplan voor de rechten van het kind voor de komende vijf jaar, teneinde in het buitenlands beleid van de EU voorrang te geven aan kinderrechten, als ondersteuning bij de inspanningen van de EU om hun rechten te bevorderen, met name door er mee voor te zorgen dat kinderen toegang hebben tot water, sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg en onderwijs, door voor de rehabilitatie en re-integratie te zorgen van kinderen die in dienst zijn bij gewapende groeperingen, door kinderarbeid, foltering, het probleem van kinderen die van hekserij worden beschuldigd, kinderhandel, kindhuwelijken en seksuele uitbuiting uit te roeien, alsook door kinderen bijstand te bieden in gewapende conflicten en te waarborgen dat ze in conflictgebieden en vluchtelingenkampen toegang krijgen tot onderwijs; verzoekt de VV/HV jaarlijks verslag uit te brengen aan het Parlement over de resultaten die bereikt zijn met betrekking tot op het kind gerichte externe maatregelen van de EU; prijst de campagne "Kinderen, geen soldaten" en verzoekt de EU en de lidstaten met klem om hun steun hiervoor meer kracht bij te zetten, teneinde de doelstelling te behalen om tegen eind 2016 een einde te maken aan de praktijk van gewapende regeringstroepen om kinderen te rekruteren voor en in te zetten in conflicten;
119. is verheugd over de samenwerking van de EU met UNICEF, die heeft geleid tot een toolkit voor het integreren van de rechten van het kind in ontwikkelingssamenwerking en in de ondersteuning van de belangrijkste millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en kinderbeschermingsprogramma's voor het verwezenlijken van de rechten van het kind, met name in kwetsbare situaties, alsook over de samenwerking met de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA);
120. is ingenomen met de actieve samenwerking tussen de EU en verscheidene speciale rapporteurs van de VN die zich bezighouden met economische, sociale en culturele rechten, waaronder de speciale rapporteur voor het mensenrecht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, de speciale rapporteur voor het recht op onderwijs, de speciale rapporteur voor het recht op voedsel, de speciale rapporteur voor extreme armoede en mensenrechten, en de speciale rapporteur voor behoorlijke huisvesting; stelt met voldoening vast dat de bevordering van de economische, sociale en culturele rechten is versterkt in het indicatief meerjarenprogramma 2014-2017 van het EIDHR, dat onder meer als doel heeft bij te dragen aan de versterking van vakbonden, aan een verhoogde aandacht voor loonkwesties, aan de bescherming van landschappen, aan de bevordering van sociale integratie door economische emancipatie en aan de vermindering van economische discriminatie en geweld op de werkplek;
Versterking van de democratie wereldwijd
121. benadrukt dat de EU zich ertoe heeft verbonden de eerbiediging van mensenrechten en democratische waarden te handhaven en te bevorderen in haar betrekkingen met de rest van de wereld; herinnert eraan dat democratische regimes niet alleen gekenmerkt worden door vrije en eerlijke verkiezingsprocessen, maar onder meer ook door de vrijheid van meningsuiting, pers en vereniging, de rechtsstaat en verantwoordingsplicht, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en onpartijdig bestuur; benadrukt dat democratie en mensenrechten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en elkaar versterken, zoals is uiteengezet in de conclusies van de Raad van 18 november 2009 over de ondersteuning van de democratie in de externe betrekkingen van de EU; stelt met tevredenheid vast dat in het nieuwe actieplan inzake mensenrechten en democratie meer aandacht wordt besteed aan activiteiten ter ondersteuning van de democratie;
Verdediging van de vrijheid van meningsuiting en versterking van het maatschappelijk middenveld
122. wijst er nogmaals op dat de vrijheid van meningsuiting een essentieel onderdeel vormt van alle democratische samenlevingen, aangezien ze een cultuur van pluralisme bevordert die de positie van het maatschappelijk middenveld en de burgers versterkt om hun regeringen en beleidsmakers ter verantwoording te roepen, en de eerbiediging van de rechtsstaat ondersteunt; dringt er daarom bij de EU op aan zich harder in te spannen om de vrijheid van meningsuiting via haar buitenlandse beleidslijnen en instrumenten te bevorderen;
123. verzoekt de EU en haar lidstaten nogmaals beter toezicht te houden op alle vormen van beknotting van de vrijheid van meningsuiting en de media in derde landen, en dergelijke beperkingen snel en stelselmatig te veroordelen, zelfs wanneer ze worden opgelegd met legitieme doeleinden, zoals terrorismebestrijding, staatsveiligheid of ordehandhaving; benadrukt hoe belangrijk het is de daadwerkelijke uitvoering van de EU-richtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline te verzekeren en de effecten regelmatig na te gaan; herinnert aan het doel van de EU om voor iedereen een niet-discriminerende toegang tot informatie en vrijheid van meningsuiting te waarborgen en te beschermen, zowel online als offline;
124. is van mening dat de informatie- en communicatietechnologie (ICT) kansen biedt voor het versterken van de mensenrechten, van democratische praktijken en van sociale en economische ontwikkeling indien informatie zo toegankelijk mogelijk wordt gemaakt; benadrukt bovendien dat ICT bijdraagt aan de inspanningen van organisaties uit het maatschappelijk middenveld, met name in ondemocratische regimes; uit zijn bezorgdheid over het gebruik van ICT door een aantal autoritaire regimes, dat een steeds grotere bedreiging vormt voor mensenrechten- en democratieactivisten; beklemtoont dat er meer steun nodig is voor het bevorderen van vrijheid van de media, het beschermen van onafhankelijke journalisten en bloggers, het dichten van de digitale kloof en het vergemakkelijken van de onbeperkte toegang tot informatie; verzoekt de Commissie om bijzondere aandacht te besteden aan het mensenrechtenaspect van goederen voor tweeërlei gebruik in het kader van de herziening van het EU-controlesysteem voor uitvoer;
EU-steun voor verdedigers van de mensenrechten
125. betreurt dat het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van mensenrechtenverdedigers, wereldwijd steeds meer onder vuur ligt; maakt er zich ernstige zorgen over dat een toenemend aantal landen, zoals Rusland en enkele Centraal-Aziatische landen, keiharde wetten aanneemt die het mogelijk maken het werk van ngo's te onderdrukken door hun toegang tot buitenlandse fondsen te beperken, zware rapporteringsvoorschriften in te voeren en bij niet-naleving van de regels zware straffen op te leggen; brengt in herinnering dat het recht op vrijheid van vergadering en vereniging een wezenlijk kenmerk is van een democratische, open en tolerante samenleving; dringt aan op hernieuwde inspanningen om de beperkingen en intimidatie tegen te gaan waarmee personen die voor organisaties uit het maatschappelijk middenveld werken wereldwijd geconfronteerd worden, en verzoekt de EU met klem een voorbeeld te stellen bij het beschermen en bevorderen van de rechten in kwestie;
126. merkt in positieve zin op dat de VV/HV in het nieuwe actieplan herhaalt dat de EU zich ertoe verbindt de positie van plaatselijke spelers en organisaties uit het maatschappelijk middenveld te versterken, en benadrukt dat het maatschappelijk middenveld, waaronder mensenrechtenverdedigers in het bijzonder, meer aandacht en inspanningen van de EU vergen, omdat hun bewegingsruimte aanzienlijk is ingekrompen; dringt er daarom bij de EU en haar lidstaten op aan te werken aan een samenhangend en omvattend antwoord op de grote uitdagingen waarmee het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van mensenrechtenverdedigers, wereldwijd geconfronteerd wordt;
127. verzoekt de EU en haar lidstaten met klem om gevallen van schendingen van de vrijheid van vergadering en vereniging, onder meer door verscheidene vormen van verbod op en beperking van organisaties uit het maatschappelijk middenveld en hun activiteiten, voortdurend te volgen en op elk niveau van de politieke dialoog ter sprake te brengen;
128. verzoekt de EU en haar lidstaten bovendien gebruik te maken van alle beschikbare middelen om individuele gevallen van mensenrechtenverdedigers en activisten uit het maatschappelijk middenveld die in gevaar zijn stelselmatig ter sprake te brengen, in het bijzonder de gevallen waarbij mensen gevangengezet zijn; spoort de EU-delegaties en het diplomatieke personeel van de lidstaten aan mensenrechtenverdedigers actief te blijven steunen door op stelselmatige wijze toe te zien op processen, gedetineerde activisten te bezoeken, verklaringen af te leggen over individuele gevallen en schendingen van de mensenrechten aan de orde te stellen in gesprekken met hun desbetreffende tegenhangers; staat erop dat vooraanstaande vertegenwoordigers van de EU, met name de VV/HV, de leden van de Commissie, speciale vertegenwoordigers van de EU en overheidsfunctionarissen van de lidstaten stelselmatig mensenrechtenverdedigers ontmoeten tijdens hun reizen naar landen waar het maatschappelijk middenveld onder druk staat;
129. neemt met tevredenheid kennis van de EU-bijstand aan mensenrechtenverdedigers en het maatschappelijk middenveld over de hele wereld door financiering via het EIDHR; benadrukt dat het bijzonder belangrijk is het EIDHR te gebruiken voor de bescherming van de mensenrechtenverdedigers die het meeste gevaar lopen; beklemtoont eveneens dat steun voor mensenrechtenverdedigers in gevaar eerst en vooral volgens effectiviteitscriteria toegewezen moet worden en dat al te normatieve voorwaarden vermeden moeten worden; verzoekt de Commissie, de EDEO en de EU-delegaties ervoor te zorgen dat de beschikbare financiering voor mensenrechtenverdedigers goed besteed wordt;
Ondersteuning van verkiezingsprocessen en verbetering van de rechtsstaat, van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van onpartijdig bestuur in derde landen
130. is ingenomen met de acht verkiezingswaarnemingsmissies en de acht verkiezingsdeskundigenmissies die in 2014 door de EU over de hele wereld zijn ingezet; herhaalt zijn waardering voor de niet-aflatende ondersteuning die de EU bij verkiezingsprocessen biedt en voor de bijstand en steun die zij daarbij aan binnenlandse waarnemers verleent;
131. herinnert aan het belang van een behoorlijke follow-up van de verslagen en aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissies, als een manier om hun invloed te vergroten en de EU-steun voor democratische normen in de betrokken landen sterker te maken;
132. pleit ervoor dat de EU haar inspanningen opvoert voor de ontwikkeling van een bredere benadering van democratiseringsprocessen, waarvan vrije en eerlijke verkiezingen slechts één dimensie uitmaken, om een positieve bijdrage te leveren aan de versterking van democratische instellingen en van het vertrouwen van de bevolking in verkiezingsprocessen over de hele wereld;
133. neemt in dit verband met tevredenheid kennis van de start in 2014 van een tweede generatie proefprojecten met betrekking tot democratieondersteuning in twaalf geselecteerde EU-delegaties, als gevolg van een toezegging uit de conclusies van de Raad van november 2009 en het actieplan inzake mensenrechten en democratie van 2012; legt een sterke nadruk op het belang van deze proefprojecten voor het bereiken van een betere samenhang in de ondersteuning van democratie via de buitenlandse beleidslijnen en instrumenten van de EU;
134. is ingenomen met de toezegging van de Commissie, de EDEO en de lidstaten in het nieuwe actieplan inzake mensenrechten en democratie om in derde landen op een meer vastberaden en consequente manier overleg te plegen met instanties die verkiezingen beheren, parlementaire instellingen, lokale ngo's, mensenrechtenverdedigers en organisaties uit het maatschappelijk middenveld, om er mee voor te zorgen dat deze intenser betrokken worden bij het toezicht op en het verloop van verkiezingen en dat ze sterker staan, en zodoende de democratische processen te versterken;
135. herinnert eraan dat de ervaringen die zijn opgedaan door de Europese Unie, door politici, academici, de media, ngo's en het maatschappelijk middenveld in de overgang naar democratie in het kader van het uitbreidings- en nabuurschapsbeleid op een positieve manier kunnen bijdragen aan de vaststelling van beproefde methoden die gebruikt kunnen worden voor de ondersteuning en consolidering van andere democratiseringsprocessen over de hele wereld;
136. herinnert eraan dat corruptie een bedreiging vormt voor het uitoefenen van gelijke mensenrechten, en democratische processen zoals de rechtsstaat en een eerlijke rechtsbedeling ondermijnt; herinnert er ook aan dat de EU exclusieve bevoegdheid heeft opgeëist voor de ondertekening van het VN-Verdrag tegen corruptie (UNCAC);
137. is van mening dat de EU het belang van transparantie en toegankelijkheid, integriteit, verantwoordingsplicht en een degelijk beheer van overheidszaken, overheidsfinanciën en overheidseigendommen, zoals bepaald in het UNCAC, moet beklemtonen in alle platforms voor dialoog met derde landen; is van mening dat corruptie in al zijn vormen de democratische beginselen ondergraaft en een nadelige invloed heeft op sociale en economische ontwikkeling; dringt aan op een follow-up van zijn verzoek tot een beter toezicht op de uitvoering van het UNCAC, en eveneens op een grondige afweging van de OESO-aanbevelingen; pleit ervoor dat de EU derde landen op een meer samenhangende en stelselmatige manier ondersteunt bij het aanpakken van corruptie door middel van deskundigheid bij het opzetten en consolideren van onafhankelijke en doeltreffende instellingen voor corruptiebestrijding, onder meer via een proactieve samenwerking met de particuliere sector; pleit er evenzeer voor om innovatieve financiële mechanismen te ontwikkelen ter versterking van de strijd tegen alle vormen van corruptie; wijst in dit verband op het verzoek om financiële transacties beter te reguleren op internationaal niveau;
138. is van mening dat de EU meer inspanningen moet leveren om op multilateraal en bilateraal niveau te ijveren voor de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht; spoort de EU aan om eerlijke rechtsbedeling wereldwijd te ondersteunen door derde landen bij te staan in het proces van wetgevende en institutionele hervormingen; spoort ook de EU-delegaties en de ambassades van de lidstaten aan stelselmatig toe te zien op processen, met het oog op de bevordering van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;
Sterker optreden van het Europees Parlement inzake mensenrechten
139. is ingenomen met de herziening van de richtsnoeren voor interparlementaire delegaties van het Europees Parlement over bevordering van de mensenrechten en democratie, uitgevoerd door de Conferentie van delegatievoorzitters in samenwerking met de Subcommissie mensenrechten; raadt in dit verband aan dat mensenrechtenkwesties, vooral individuele gevallen waarnaar in resoluties van het Parlement wordt verwezen, tijdens delegatiebezoeken aan derde landen systematischer en transparanter ter sprake worden gebracht en dat ook de schriftelijke rapportering aan de Subcommissie mensenrechten over getroffen maatregelen systematischer en transparanter gebeurt en, wanneer politiek gerechtvaardigd, middels een specifieke debriefingssessie;
140. benadrukt dat er voortdurend moet worden nagedacht over de meest geschikte manieren om de geloofwaardigheid, zichtbaarheid en doeltreffendheid van de resoluties van het Parlement met betrekking tot inbreuken op de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat te maximaliseren;
141. spoort het debat aan over de mogelijkheid om de verschillende instrumenten van het Parlement ter ondersteuning en bevordering van de mensenrechten in één strategisch document op te nemen, dat het Parlement tijdens een plenaire vergadering moet goedkeuren;
o o o
142. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitter van de 70e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad, de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten en de hoofden van de EU-delegaties.
– gezien het vredesakkoord van Dayton, het algemeen kaderakkoord en de twaalf bijlagen daarbij,
– gezien zijn resoluties van 7 juli 2005(1), 15 januari 2009(2) en 9 juli 2015(3) over Srebrenica,
– gezien het advies van de Commissie van Venetië van 11 maart 2005 over de constitutionele hervormingen in Bosnië en Herzegovina,
– gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,
A. overwegende dat met het vredesakkoord van Dayton, dat op 14 december 1995 in Parijs werd ondertekend, een einde kwam aan de meest bloedige oorlog in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog;
B. overwegende dat met het akkoord een einde kwam aan de oorlog, maar nog geen functionerende, levensvatbare staat tot stand werd gebracht, en overwegende dat de institutionele structuur van het land bovenmatig ingewikkeld en inefficiënt is gebleken;
1. onderstreept hoe belangrijk de ondertekening van het vredesakkoord van Dayton is geweest, herdenkt alle slachtoffers van de tragische gebeurtenissen in Bosnië en Herzegovina, en betuigt zijn oprechte medeleven aan de families van al diegenen die in de oorlog zijn omgekomen;
2. merkt tot zijn spijt op dat, in de twintig jaar na de beëindiging van de oorlog en na de vaststelling van een algemeen kaderakkoord waarin zowel de belangrijkste aspecten van de vredesregeling zijn uiteengezet, als de manier waarop het land in de toekomst moet worden vormgegeven, opeenvolgende regeringen er niet in zijn geslaagd een volledig functionerende, levensvatbare staat op te bouwen;
3. is erover verheugd dat de terugkeer van vluchtelingen en binnenlands ontheemden zo succesvol verlopen is, evenals de wederopbouw en de teruggave van eigendom, in overeenstemming met bijlage VII van het akkoord van Dayton; wijst andermaal op de noodzaak om de bijlage bij het vredesakkoord van Dayton en de daaraan gerelateerde strategie volledig ten uitvoer te leggen, teneinde de duurzame terugkeer van binnenlands ontheemde personen, vluchtelingen en andere door de oorlog getroffen personen te waarborgen; onderstreept in dit verband dat Kroaten, Bosniërs en anderen permanent naar de Republika Srpska moeten kunnen terugkeren; onderstreept de noodzaak om vooruitgang te boeken bij het verbeteren van de sociaal-economische integratie van degenen die zijn teruggekeerd; roept op om de coördinatie van de inspanningen op alle niveaus te verbeteren, en meer aandacht te schenken aan de meest kwetsbare ontheemde personen, waaronder Roma en vrouwen die het slachtoffer werden van geweld; betreurt dat er, volgens het Internationale Comité van het Rode Kruis, nog altijd ongeveer 7 000 vermiste personen zijn wier lot onbekend is;
4. onderkent de positieve transformatie die Bosnië en Herzegovina de afgelopen 20 jaar heeft ondergaan van een door oorlog verscheurd land dat net een oorlog achter de rug heeft in een staat die naar lidmaatschap van de Europese Unie streeft;
5. herhaalt dat de EU alles gelegen is aan het Europese perspectief en het verdere toetredingsproces van Bosnië en Herzegovina, en alle landen op de westelijke Balkan; is van mening dat regionale samenwerking en het Europese integratieproces de beste manier zijn om verzoening te bevorderen en haat en tweedracht te overwinnen;
6. roept de autoriteiten op het gegeven dat het inmiddels 20 jaar geleden is dat het vredesakkoord van Dayton werd gesloten als een stimulans te gebruiken om, in het bijzonder met het oog op het aanstaande verzoek van Bosnië en Herzegovina om toetreding tot de EU, vaart te zetten achter de noodzakelijke hervormingen; herhaalt dat nu prioritair gewerkt moet worden aan het invullen van de sociaal-economische behoeften van de bevolking, alsook aan het ontwikkelen van een doeltreffende coördinatiemechanisme voor EU-zaken; herhaalt dat het eveneens van cruciaal belang is om tegelijkertijd door te gaan met constitutionele en politieke hervormingen en democratisering van het politieke systeem, hetgeen zal uitmonden in daadwerkelijke gelijkheid voor en democratische vertegenwoordiging van de drie bevolkingsgroepen en alle burgers van het land; onderstreept dat alle burgers van Bosnië en Herzegovina zich op alle niveaus van het politieke besluitvormingsproces zonder onderscheid verkiesbaar moeten kunnen stellen;
7. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de regering en het parlement van Bosnië en Herzegovina en zijn entiteiten, en de regeringen en parlementen van de landen van de westelijke Balkan.
Wapenuitvoer: tenuitvoerlegging van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB
215k
106k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2015 over wapenuitvoer: tenuitvoerlegging van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB (2015/2114(INI))
– gezien Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (hierna "het gemeenschappelijk standpunt")(1),
– gezien de herziening van het gemeenschappelijk standpunt onder leiding van de Groep export van conventionele wapens van de Raad (COARM),
– gezien het zestiende jaarverslag volgens artikel 8, lid 2, van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie(2),
– gezien Besluit 2012/711/GBVB van de Raad van 19 november 2012 inzake steun voor activiteiten van de Unie ter bevordering, bij derde landen, van de controle op wapenuitvoer en van de beginselen en criteria van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB,
– gezien de strategie van de EU ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens van 9 december 2003,
– gezien de Europese veiligheidsstrategie (EVS) getiteld "Een veilig Europa in een betere wereld", die op 12 december 2003 door de Europese Raad is goedgekeurd,
– gezien het Wapenhandelsverdrag (ATT) dat op 2 april 2013 door de Algemene Vergadering van de VN is aangenomen(3),
– gezien zijn resolutie van 5 februari 2014 over de ratificatie van het VN-wapenhandelsverdrag (ATT)(4),
– gezien zijn resolutie van 21 mei 2015 over de gevolgen van de ontwikkelingen op de Europese defensiemarkten voor de veiligheids- en defensiecapaciteiten in Europa(5), met name de paragrafen 4, 10, 18, 19, 20 en 21,
– gezien Besluit 2013/768/GBVB van de Raad van 16 december 2013 betreffende EU-activiteiten ter ondersteuning van de uitvoering van het Wapenhandelsverdrag, in het kader van de Europese veiligheidsstrategie(6),
– gezien Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik(7), zoals gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 599/2014, en gezien de lijst van producten en technologieën voor tweeërlei gebruik in bijlage I ervan,
– gezien de mededeling van de Commissie van 24 april 2014 aan de Raad en het Europees Parlement getiteld "De herziening van het uitvoercontrolebeleid: waarborgen van veiligheid en concurrentievermogen in een veranderende wereld" (COM(2014)0244),
– gezien de gemeenschappelijke verklaring van 12 juni 2014 van het Parlement, de Raad en de Commissie over de toetsing van het controlesysteem voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik,
– gezien de conclusies van de Raad van 21 november 2014 over de herziening van het uitvoercontrolebeleid,
– gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over mensenrechten en technologie: het effect van inbreuk- en bewakingssystemen op de mensenrechten in derde landen(8),
– gezien Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap(9),
– gezien de strategie van de EU ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en munitie daarvoor, aangenomen door de Raad op 15-16 december 2005, en Gemeenschappelijk Optreden 2002/589/GBVB van de Raad van 12 juli 2002 inzake de bijdrage van de Europese Unie aan de bestrijding van de destabiliserende accumulatie en verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens en tot intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 1999/34/GBVB,
– gezien Gemeenschappelijk Standpunt 2003/468/GBVB van de Raad van 23 juni 2003 over het toezicht op de tussenhandel in wapens(10),
– gezien de bijgewerkte gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen die door de Raad is goedgekeurd op 9 februari 2015,
– gezien de gids voor de gebruiker bij Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie,
– gezien het Wassenaar Arrangement van 12 mei 1996 betreffende exportcontrole voor conventionele wapens en goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik, alsmede de in 2015 bijgewerkte lijsten van deze goederen en technologieën en munitie(11),
– gezien de besluiten van de 19e plenaire vergadering van het Wassenaar Arrangement betreffende exportcontrole voor conventionele wapens en goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik, gehouden te Wenen op 3 en 4 december 2013,
– gezien Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad van 27 juni 2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,
– gezien de mededeling van de Commissie van 28 april 2015 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de Europese veiligheidsagenda, (COM(2015)0185),
– gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling, goedgekeurd op 24 februari 2006,
– gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 13 oktober 2011 getiteld "Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering" (COM(2011)0637),
– gezien de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, met name doelstelling 16: streefdoel 16.4, waarin staten worden opgeroepen de illegale wapenhandel drastisch te beperken,
– gezien Besluit 2014/512/GBVB van de Raad betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren,
– gezien artikel 42, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 346 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),
– gezien het Wapenhandelsverdrag van de VN, dat op 24 december 2014 in werking is getreden,
– gezien Resolutie 24/35 van de VN-Mensenrechtenraad van 8 oktober 2013 over het effect van wapenhandel op de mensenrechten in gewapende conflicten(12),
– gezien artikel 52 en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0338/2015),
A. overwegende dat het mondiale veiligheidsklimaat in de nabije omgeving van de EU drastisch gewijzigd is, vooral in het zuiden en het oosten;
B. overwegende dat in artikel 51 van het Handvest van de VN het inherente recht tot individuele of collectieve zelfverdediging wordt erkend;
C. overwegende dat het in het belang van de internationale stabiliteit belangrijk is te voorzien in afschrikmiddelen op basis van een beoordeling per geval, met volledige inachtneming van artikel 51 van het Handvest van de VN en criterium 4 van het gemeenschappelijk standpunt inzake de handhaving van vrede, veiligheid en stabiliteit in de regio;
D. overwegende dat de ongecontroleerde verspreiding van wapens een ernstig gevaar vormt voor vrede en veiligheid, mensenrechten en duurzame ontwikkeling; overwegende dat er elke minuut ergens ter wereld iemand sterft door wapengeweld en er vijftien nieuwe wapens worden geproduceerd;
E. overwegende dat het reguleren van de internationale wapenhandel per definitie een wereldwijde ambitie is; overwegende dat de EU moet zorgen voor samenhang in haar externe activiteiten in hun totaliteit binnen de context van haar externe betrekkingen, teneinde de democratie en de rechtsstaat te bevorderen, conflicten te voorkomen, armoede uit te bannen, internationale dialoog te bevorderen en internationale stabiliteit en veiligheid te handhaven; overwegende dat de EU-lidstaten tussen 2010 en 2014 verantwoordelijk waren voor 25,4 % van het volume van werkelijke leveringen(13) van de voornaamste conventionele wapens wereldwijd;
F. overwegende dat de uitbanning van armoede, zoals vastgelegd in het Verdrag van Lissabon, het prioritaire doel van het EU-ontwikkelingsbeleid is en overwegende dat het tevens een van de prioriteiten van het externe optreden van de EU is om aan een stabielere en welvarendere wereld te bouwen; overwegende dat de levering van wapens aan conflictlanden niet alleen de kans vergroot dat het geweld escaleert, maar ook negatieve gevolgen heeft voor het ontwikkelingspotentieel van deze landen, zoals is gebleken uit verslagen van humanitaire organisaties waarin deze gevolgen in cijfers werden gegoten(14);
G. overwegende dat de EU-lidstaten in 2013 wapens hebben uitgevoerd ter waarde van 36,7 miljard EUR in totaal, waarvan 26 miljard EUR naar derde landen; overwegende dat, ter vergelijking, de totale begroting voor het Europees nabuurschapsinstrument voor 2014-2020 15,4 miljard EUR bedraagt; overwegende dat de EU-lidstaten verantwoordelijk waren voor 30 % van de totale wapenuitvoer; overwegende dat moeilijk beweerd kan worden dat deze handelsstromen tot de rechtstreekse veiligheidsbelangen van de EU behoren;
H. overwegende dat Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB een juridisch bindend kader is waarin acht criteria voor de uitvoer van conventionele wapens zijn vastgelegd die de EU-lidstaten moeten toepassen op hun besluiten voor het verlenen van vergunningen; overwegende dat met name in de context van de ontwikkeling van een Europese defensiemarkt en een Europese industriële en technologische defensiebasis naar behoren rekening gehouden moet worden met dit gemeenschappelijk standpunt;
I. overwegende dat de derde landen Albanië, Bosnië en Herzegovina, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, IJsland, Canada, Montenegro en Noorwegen zich officieel hebben aangesloten bij de in het gemeenschappelijk standpunt vastgelegde criteria en beginselen;
Het mondiale veiligheidsklimaat en wapenuitvoer
1. maakt zich ernstige zorgen over de verspreiding van gewapende conflicten, met name in Oekraïne, Syrië, Irak, Libië en Jemen, evenals over alle internationale conflicten die door de steeds verdergaande mondialisering een bedreiging vormen voor de stabiliteit en de veiligheid, en die de onmiddellijke omgeving van de EU minder stabiel en minder veilig hebben gemaakt; merkt op dat de wapenhandel met conflictstaten mogelijk heeft bijgedragen aan deze conflicten;
2. vindt het betreurenswaardig dat de ontwikkelingen van de laatste twee jaar hebben aangetoond dat wapens soms terechtkomen in handen van terroristen of repressieve regimes of landen waar kinderen geronseld of gebruikt kunnen worden voor vijandelijkheden, of van regimes die twijfelachtige betrekkingen hebben met internationaal terrorisme of een agressief binnenlands en buitenlands beleid voeren, en is van mening dat het daarom noodzakelijk is doeltreffende regelingen voor de controle op wapenuitvoer aan te nemen; veroordeelt het gebruik van wapens om onveiligheid en gewapende conflicten intern en extern aan te wakkeren, of om binnenlandse repressie, regionale conflicten of ernstige schendingen van de mensenrechten en de basisvrijheden te ondersteunen; vindt het eveneens betreurenswaardig dat de illegale handel in wapens een omvangrijke en winstgevende onderneming blijft;
3. betreurt het dat elk jaar ongeveer een half miljoen(15) mensen sterft ten gevolge van wapengeweld, zowel in gewapende conflicten als in de context van criminele activiteiten;
4. bevestigt nogmaals dat de eerbiediging van het gemeenschappelijk standpunt van fundamenteel belang is voor de verwezenlijking van de waarden en beginselen van de EU, met name op het gebied van de internationale mensenrechtenwetgeving en het internationaal humanitair recht, en van de verantwoordelijkheden van de EU als zodanig op het gebied van regionale en mondiale veiligheid;
5. merkt op dat de EU-lidstaten belangrijke mondiale wapenuitvoerders zijn, verantwoordelijk voor een wereldwijde uitvoer ter waarde van 36,711 miljard EUR in 2013, waarvan 10,735 miljard EUR tussen de lidstaten onderling en 25,976 miljard EUR naar derde landen, volgens gegevens uit het zestiende jaarverslag; herhaalt dat in artikel 10 van het gemeenschappelijk standpunt is vastgesteld dat de lidstaten economische, commerciële en industriële belangen in aanmerking mogen nemen, maar dat deze factoren niet van invloed mogen zijn op de toepassing van de acht criteria voor de wapenuitvoer;
6. betreurt evenwel dat artikel 10 vaak over het hoofd wordt gezien, in het bijzonder omdat Europese defensiebedrijven hun dalende omzet in Europa steeds meer compenseren met uitvoer buiten de EU; is diep bezorgd over de gevolgen die de overdracht van gevoelige kennis en technologie naar derde landen teweeg kan brengen voor de veiligheid en defensie van de EU, aangezien deze overdracht een verhoogd risico op afhankelijkheid van derde landen met afwijkende strategische belangen inhoudt, bijvoorbeeld Rusland;
7. herinnert eraan dat de defensie-industrie een instrument moet vormen om de defensie en veiligheid van de lidstaten ten uitvoer te leggen door een regeling voor voorzieningszekerheid in de EU te waarborgen en tegelijkertijd ook bij te dragen aan de tenuitvoerlegging van een versterkt gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), aangezien dit van belang is om de wereldwijde stabiliteit en veiligheid te helpen waarborgen; erkent dat wapenuitvoer een rol heeft gespeeld in het versterken en verder ontwikkelen van de industriële en technologische basis van de Europese defensie, die van belang is geweest bij een grote reeks innovaties en technologische ontwikkelingen;
8. erkent de legitimiteit van uitvoer die strikt voldoet aan de criteria die zijn vastgelegd in artikel 4, letter c, van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB en die wordt verricht naar aanleiding van een verzoek aan de EU overeenkomstig het recht op zelfverdediging; steunt de levering van defensieve wapens in het geval van wettige zelfverdediging; wijst op het besluit van sommige lidstaten om defensieve wapens te leveren aan de peshmerga in Iraaks Koerdistan en aan Oekraïne; merkt op dat er geen coördinatie tussen de lidstaten is op dit vlak;
9. wijst erop dat de weigering en opschorting van licenties ten gevolge van embargo's of conflicten enerzijds een positief signaal zijn, maar er tegelijkertijd op wijzen dat het uitvoerbeleid van de EU enkel in staat is tot reageren; is van mening dat een grondigere beoordeling van de specifieke risico's waarmee ontvangende landen geassocieerd worden noodzakelijk is vooraleer er licenties worden toegekend;
10. merkt op dat de risico's verbonden aan de omleiding, de smokkel en het inslaan van wapens en explosieven toenemen en een uitdaging blijven die moet worden aangepakt; benadrukt het gevaar dat wapens uit derde landen die door een hoge mate aan corruptie gekenmerkt worden door de toegenomen wapensmokkel en -handel en het gebrek aan controles op de plekken van binnenkomst, zoals havens, in Europa terecht kunnen komen, waardoor de veiligheid van de burgers in het gedrang kan komen, zoals in een recent verslag van Europol is onderstreept(16);
11. benadrukt dat de controle op wapenuitvoer een integraal onderdeel vormt van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU en toegepast moet worden volgens de beginselen die zijn vastgelegd in artikel 21, VEU, met name de bevordering van de democratie en de rechtsstaat, en van vredehandhaving, conflictpreventie en het versterken van de internationale veiligheid; herinnert eraan dat het van cruciaal belang is voor samenhang te zorgen tussen wapenuitvoer en de geloofwaardigheid van de EU als wereldwijd pleitbezorger van de mensenrechten; is er ten stelligste van overtuigd dat een effectievere tenuitvoerlegging van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt een grote bijdrage zou leveren aan de ontwikkeling van zowel het GBVB als het GVDB; dringt erop aan dat de kwestie van wapenuitvoer binnen de nieuwe globale EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid naar behoren onderzocht wordt in het licht van de gewijzigde veiligheidscontext en de daarmee samenhangende gevaren en bedreigingen ten aanzien van de Europese veiligheidsbelangen;
12. betreurt het dat onwettige, illegale en ongereguleerde wapenhandel de politieke stabiliteit blijft ondermijnen en democratische economische en/of sociale ontwikkeling in sommige delen van de wereld in de weg blijft staan; erkent dat een samenhangende interpretatie en doeltreffende toepassing van criterium 8 van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB een beslissende bijdrage zou kunnen leveren aan de EU-doelstellingen voor beleidscoherentie ten aanzien van ontwikkeling; dringt aan op een blijvende aandacht voor criterium 8 om de mogelijke negatieve gevolgen van wapenuitgaven voor de ontwikkelingskansen van armere ontvangende landen te beoordelen;
Wapenhandelsverdrag
13. is ingenomen met de inwerkingtreding van het Wapenhandelsverdrag (WHV); is verheugd over de outreach-activiteiten van de EU voor de bevordering van een universele bekrachtiging en tenuitvoerlegging van het WHV, en dringt aan op blijvende inspanningen in dit verband, met name in landen die veel wapens verhandelen; dringt er bij de lidstaten die het WHV nog niet hebben geratificeerd op aan om dit zo spoedig mogelijk te doen; erkent dat het WHV een positieve verwezenlijking is, maar desondanks zijn beperkingen en dubbelzinnigheden heeft (onduidelijke begrippen, uitzonderingen op de rapportageverplichting, gebrek aan een sanctieregeling);
14. is verheugd over het succes van de eerste conferentie van de staten die partij zijn bij het verdrag, die van 24 tot 27 augustus 2015 in Cancún werd gehouden, maar wijst erop dat er geen overeenstemming is bereikt over het te gebruiken model voor de jaarverslagen; is van mening dat het verdrag pas echt succesvol zal zijn als er maatregelen worden genomen om het universeel toepasbaar te maken en als bindende mechanismen of sanctieregelingen worden vastgesteld die gebruikt kunnen worden wanneer wordt verzuimd de regels toe te passen;
15. is ingenomen met de vereiste dat landen die partij zijn bij het WHV in de beslissingsprocedure voor het verlenen van licenties rekening moeten houden met het gevaar dat de verhandelde wapens gebruikt zouden kunnen worden om ernstige feiten van gendergerelateerd geweld of geweld tegen vrouwen en kinderen te plegen of in de hand te werken; verzoekt de lidstaten om in het gemeenschappelijk standpunt sterkere taal te gebruiken met betrekking tot gendergerelateerd geweld of ernstige feiten van geweld tegen vrouwen en kinderen;
16. looft het feit dat de EU over een juridisch bindend kader beschikt dat uniek is in de wereld en dat het mogelijk maakt om de controle op de uitvoer van wapens te handhaven, ook in crisisgebieden en in landen met een twijfelachtige staat van dienst op het gebied van de mensenrechten; is in dat verband ook ingenomen met het feit dat verschillende Europese en derde landen zich op basis van het gemeenschappelijk standpunt hebben aangesloten bij het systeem voor controles op de uitvoer van wapens;
17. is ingenomen met het feit dat Albanië, Bosnië en Herzegovina, Canada, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, IJsland, Montenegro en Noorwegen zich achter de criteria en beginselen van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB hebben geschaard; merkt op dat er sinds 2012 een bijzonder systeem voor informatie-uitwisseling tussen de EU en de aangesloten derde landen wordt toegepast;
Gemeenschappelijk standpunt
18. herinnert eraan dat het gemeenschappelijk standpunt tot een gecoördineerde aanpak van de wapenhandel moet leiden waarbij het recht van lidstaten om een meer beperkend nationaal beleid te voeren niet wordt aangetast, zoals vastgesteld in artikel 3 van het gemeenschappelijk standpunt; herinnert er voorts ook aan dat de lidstaten in ieder geval de exclusieve bevoegdheid behouden om het verhandelen van militaire technologie of militaire wapens te weigeren, en dat de algemene normen die zijn vastgelegd in het gemeenschappelijk standpunt beschouwd moeten worden als de minimumnorm voor het beheer van de handel in militaire technologieën, overeenkomstig overweging 3; merkt op dat harmonisatie op Europees niveau niet gebruikt mag worden als voorwendsel om strengere nationale regels af te zwakken;
19. verzoekt de lidstaten om de criteria van het gemeenschappelijk standpunt in alle gevallen op een samenhangende manier te interpreteren en strikt toe te passen en om het besluitvormingsproces niet te laten leiden door politieke en economische overwegingen; verzoekt de lidstaten voorts om reeds overeengekomen contracten op te zeggen wanneer een transactie ten gevolge van een drastisch veranderde situatie indruist tegen het gemeenschappelijk standpunt;
20. is van mening dat het echte probleem gelegen is in een onnauwkeurige toepassing en een inconsistente interpretatie van het gemeenschappelijk standpunt door de lidstaten en acht het daarom van cruciaal belang dat er een consistente en ambitieuze toepassing van de acht criteria wordt nagestreefd; wijst in dit verband op het gebrek aan sanctiemechanismen in het geval van schending van de criteria en acht het wenselijk regelingen vast te stellen om onafhankelijke controles en sanctiemechanismen uit te voeren in het geval van schending van het gemeenschappelijk standpunt;
21. vestigt de aandacht op de herziening van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB door COARM en op het besluit dat het standpunt de doelstellingen van de Raad op behoorlijke wijze dient en in overeenstemming is met het WHV; merkt op dat er geen wijzigingen zijn doorgevoerd, ondanks de ernstige situatie in Syrië en Irak, de toename van terroristische activiteiten en de alomtegenwoordige conflicten en instabiliteit in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, die op hun beurt de veiligheid van de Unie zelf in gedrang zouden kunnen brengen;
22. neemt kennis van de bijstelling van de gids voor de gebruiker bij het gemeenschappelijk standpunt van de Raad en van de EU-lijst van militaire goederen; kijkt uit naar de aanneming door COARM van een nieuw online mechanisme voor de uitwisseling van informatie; is ingenomen met de nieuwe verwijzingen naar onderdelen van het WHV die nog niet zijn opgenomen in het gemeenschappelijk standpunt en met de wijzigingen aan de gedetailleerde richtsnoeren voor criterium 7; dringt erop aan dat er in het bijzonder inspanningen worden geleverd op het vlak van richtsnoeren voor een doeltreffende uitvoering van criterium 8;
23. verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de acht criteria strenger toegepast worden; is van mening dat de lidstaten die op Europees niveau deelnemen aan COARM de focus van hun beoordelingen moeten uitbreiden naar de toestand in het land van bestemming en de specifieke militaire technologie in kwestie; moedigt de lidstaten aan strengere nationale criteria toe te passen;
24. is bezorgd over het effect dat het dreigen met juridische stappen door ondernemingen in sommige lidstaten kunnen hebben op de behandeling van aanvragen voor uitvoervergunningen, of het nu om reële of veronderstelde dreigementen gaat; herinnert de lidstaten eraan dat een strikte, nauwgezette toepassing van de acht criteria de benodigde gronden levert om vergunningen te weigeren;
25. merkt op dat de lidstaten volgens criterium 2 een uitvoervergunning alleen dienen te weigeren wanneer er een "duidelijk risico" bestaat dat de uit te voeren militaire technologie of uitrusting gebruikt kan worden voor binnenlandse onderdrukking; is van mening dat dit criterium ruimte laat voor een onsamenhangende toepassing van de gemeenschappelijke regels; wenst dat er overleg wordt gepleegd met vertegenwoordigers van de Raad van Europa, het Bureau van de Hoge Vertegenwoordiger voor de Mensenrechten en mensenrechtenorganisaties om criterium 2 verder te verduidelijken;
26. staat kritisch tegenover de frequente schendingen van de acht criteria door verschillende lidstaten; betreurt dat er geen mechanismen beschikbaar zijn om schendingen van de acht criteria door een lidstaat te bestraffen en dat er ook geen plannen bestaan voor dergelijke mechanismen; is van mening dat moet worden voorzien in methoden en instrumenten om onafhankelijke controles en sanctiemechanismen uit te voeren bij schending van het gemeenschappelijk standpunt;
27. dringt er bij alle lidstaten op aan om het begrip "risico" in de procedures voor het verlenen van vergunningen voor wapenhandel te benaderen vanuit het voorzorgsbeginsel, zoals dat standaard wordt gedaan bij de behandeling van andere kwesties, zoals terrorisme, witwaspraktijken of milieuproblemen;
28. benadrukt de behoefte aan een coherenter beleid inzake embargo's en aan de onmiddellijke toepassing ervan; verzoekt de lidstaten duidelijkheid te scheppen in de nationale en internationale bepalingen met betrekking tot de uitvoer van "militaire" en "niet-militaire" wapens, aangezien deze bepalingen ertoe zouden kunnen leiden dat de handel in handvuurwapens de regels kan omzeilen door omschreven te worden als "niet-militair";
29. herinnert eraan dat Verordening (EU) nr. 258/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot uitvoering van artikel 10 van het Protocol van de Verenigde Naties tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens tot doel heeft de handel in vuurwapens voor civiel gebruik effectief te controleren; erkent de legitimiteit van de handel in jacht- en sportwapens voor civiel gebruik uit hoofde van deze verordening; is ingenomen met de herziening van de EU-wetgeving over vuurwapens (met inbegrip van de wetgeving over het onbruikbaar maken van wapens, administratieve sancties en alarmwapens) en met het voornemen om met betrekking tot wapensmokkel de politiesamenwerking met buurlanden te versterken; verzoekt de Commissie dientengevolge om Europol meer slagkracht te geven;
30. verzoekt de lidstaten om in het gemeenschappelijk standpunt een mechanisme op te nemen waarmee bestaande vergunningen voor de uitvoer van wapens naar landen waartegen een Europees wapenembargo is ingesteld nadat de uitvoervergunning werd verleend automatisch worden bevroren;
31. stelt voor om de mogelijkheden na te gaan om de toepassing van de acht criteria uit te breiden naar diensten gerelateerd aan de wapenuitvoer, zoals consultancy, en naar de activiteiten van in de EU gevestigde particuliere militaire ondernemingen in derde landen; dringt aan op een gemeenschappelijke EU-aanpak van het probleem van de drijvende wapenarsenalen;
32. verzoekt alle lidstaten die Gemeenschappelijk Standpunt 2003/468/GBVB van de Raad van 23 juni 2003 over het toezicht op de tussenhandel in wapens nog niet volledig naleven om toe te lichten waarom zij het standpunt niet naleven en welke stappen zij voorstellen te nemen om hun verplichtingen uit hoofde van het gemeenschappelijk standpunt na te komen en wanneer zij dat denken te doen; spoort de lidstaten ertoe aan om diensten voor het transporteren en financieren van wapens in hun wetgeving voor de tussenhandel in wapens op te nemen;
33. is bezorgd over mogelijke omleiding van de uitvoer en verzoekt de lidstaten een doeltreffend controlesysteem in te voeren (toezichtsystemen, een antimisbruikclausule in eindgebruikerscertificaten en onderzoek ter plaatse van eindgebruikers), onder meer door hiervoor bijkomend personeel in te zetten; is van mening dat er een betere samenwerking tussen de lidstaten onderling, tussen de lidstaten en Europol en Eurojust en tussen de lidstaten en derde landen moet komen om het eenvoudiger te maken tussenhandelaars en smokkelaars te vervolgen voor illegale wapenhandel; verzoekt de Raad criterium 7 beter in overeenstemming te brengen met artikel 11 van het WHV;
34. maakt zich ernstige zorgen over de mogelijke omzeiling van EU-controles op uitvoer via productie onder licentie in derde landen of via buitenlandse dochterondernemingen van in de EU gevestigde ondernemingen; dringt er bij COARM op aan deze kwestie grondig te onderzoeken in haar volgende jaarverslag;
35. roept op tot een betere afstemming van de werkzaamheden binnen de Raad en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) om ervoor te zorgen dat aspecten met betrekking tot conflictpreventie, ontwikkeling en mensenrechten naar behoren in aanmerking genomen worden; verzoekt om regelmatig overleg tussen COARM en COHOM (Groep rechten van de mens) en verzoekt COARM om te overleggen met alle relevante belanghebbenden in de EU, zoals Intcen (EU-Centrum voor de analyse van inlichtingen), de EU-coördinator voor terrorismebestrijding en de EU-delegaties, teneinde de samenhang te verbeteren en informatie te delen die relevant kan zijn voor besluiten om vergunningen voor wapenhandel te verlenen, in het bijzonder ten aanzien van de risico's in de voorgestelde ontvangende landen, om zo de kwaliteit van de besluiten die in het kader van het gemeenschappelijk standpunt worden genomen te verbeteren;
Transparantie
36. betreurt de late goedkeuring van het zestiende jaarverslag, waardoor dit het verslag met de grootste vertraging ooit is;
37. merkt op dat een volledige indiening inhoudt dat gegevens worden verstrekt over de financiële waarde van zowel de afgegeven vergunningen voor wapenuitvoer als de werkelijke uitvoer, uitgesplitst naar zowel bestemming als categorie volgens de lijst van militaire goederen van de EU; verzoekt de overige lidstaten om hun verplichting om een jaarverslag in te dienen en gegevens te verstrekken voor het zestiende jaarverslag alsnog na te komen en dit ook voor de volgende jaarverslagen tijdig te doen;
38. merkt op dat het verslag gestandaardiseerde informatie bevat over verleende uitvoerlicenties, maar geen omvattende informatie over de werkelijke wapenuitvoer; dringt er bij de Raad en de VV/HV op aan om op zoek te gaan naar manieren om de naleving van de rapportageverplichting te verbeteren en de transparantie van en het openbaar toezicht op het kader voor controles op uitvoer te vergroten, in het bijzonder door ervoor te zorgen dat de lidstaten alle uitvoer van wapens melden; verzoekt dit gebrek te verhelpen en derhalve te voorzien in een jaarverslag dat de werkelijke uitvoergegevens weergeeft, uitgesplitst naar type en bestemming;
39. verzoekt om de invoering van een gestandaardiseerde procedure voor rapportage en indiening, met inbegrip van een deadline, opdat alle lidstaten op uniforme wijze zouden omgaan met informatie over de werkelijke uitvoer en licentiegegevens en alle lidstaten deze procedure zouden naleven; verzoekt de lidstaten volledig verslag te geven over geweigerde licenties, met onder meer informatie per licentie over het ontvangende land en de specifieke overheid, een beschrijving van de verhandelde voorwerpen en hun aantal, met verwijzing naar de subcategorieën in de lijst van militaire goederen, samen met de precieze reden voor de weigering; stelt voor om de vorm van het jaarverslag te wijzigen en het verslag opnieuw uit te brengen als een openbare, interactieve en doorzoekbare online gegevensbank;
40. roept op tot intensiever overleg tussen de lidstaten met betrekking tot de handel met fragiele en onstabiele regio's of landen, in het bijzonder die met een agressieve houding ten opzichte van hun nabije omgeving; dringt aan op een grondige en systematische controle van de tenuitvoerlegging van de sanctieregeling van de EU tegen Rusland op het gebied van wapenuitvoer en de verkoop van technologie voor tweeërlei gebruik; verzoekt de lidstaten een lijst op te stellen van personen (zowel entiteiten als individuen) die zijn veroordeeld voor het schenden van de wetgeving inzake wapenuitvoer en voor gevallen waarbij omleiding is vastgesteld, en van personen die weliswaar niet gerechtelijk veroordeeld zijn, maar van wie wel is vastgesteld dat ze betrokken zijn bij illegale wapenhandel of activiteiten die een bedreiging vormen voor de internationale veiligheid; verzoekt de lidstaten gedetailleerde informatie te verstrekken over de procedures voor de intrekking of opschorting van verleende licenties met betrekking tot landen die onder embargo staan;
41. acht het van essentieel belang dat landen die kandidaat zijn om toe te treden tot de EU de standpunten en beginselen van de EU inzake wapenuitvoer en wapenhandel eerbiedigen;
42. roept op tot toezicht op de illegale wapenhandel en tot samenwerking op dit gebied, door middel van samenwerkingsprocedures tussen politiediensten en grensautoriteiten op basis van de uitwisseling van informatie en gegevensbanken, om zo het veiligheidsrisico voor de EU en haar burgers zoveel mogelijk te beperken;
Openbaar toezicht
43. herinnert eraan dat regeringen de politieke verantwoordelijkheid dragen voor het al dan niet uitvoeren van militaire goederen of goederen voor tweeërlei gebruik; verzoekt de lidstaten gedetailleerde informatie te verstrekken over elke toegekende licentie, zodat op Europees niveau kan worden gecontroleerd of landen zich mogelijk niet aan de criteria van het gemeenschappelijk standpunt houden vanwege economische, politieke of persoonlijke belangen; verzoekt de EDEO/COARM de taak op zich te nemen om licenties te onderzoeken waarover twijfel bestaat of ze voldoen aan de criteria van het gemeenschappelijk standpunt;
44. is er vast van overtuigd dat burgers en parlementen het recht hebben door hun regering in detail geïnformeerd te worden over beslissingen inzake wapenuitvoer, aangezien deze gevolgen hebben voor de veiligheid en het welzijn van hun natie en andere landen van de wereld, en of ze overeenstemmen met het belang van transparantie en een beter openbaar toezicht; dringt erop aan de verslagen publiek toegankelijk te maken;
45. verzoekt de Raad en de EDEO om ook de toegang tot informatie met betrekking tot EU-sancties en wapenembargo's te verbeteren, aangezien deze informatie vaak niet is bijgewerkt of gepresenteerd wordt in een weinig toegankelijke vorm;
46. roept op tot een versterking van het parlementair toezicht, zowel op nationaal als op Europees niveau, via jaarverslagen in de parlementen; dringt erop aan dat de Europese wapenuitvoer en het Europese industriële defensiebeleid op de volgende interparlementaire conferentie over het GBVB/GVDB ter tafel komt;
47. is ingenomen met het regelmatige overleg met het maatschappelijk middenveld als blijk van toenemende transparantie; verzoekt de Commissie en de EDEO/COARM om deze dialoog met het maatschappelijk middenveld, ngo's en denktanks voort te zetten; spoort het maatschappelijk middenveld en de academische wereld aan om onafhankelijk onderzoek te verrichten naar de wapenhandel;
Nieuwe technologieën en de kwestie van goederen voor tweeërlei gebruik
48. is van mening dat het door technologische ontwikkelingen steeds moeilijker wordt een onderscheid te maken tussen zuiver militair en zuiver civiel gebruik, en dat er daarom speciale aandacht moet uitgaan naar de lijst van goederen voor tweeërlei gebruik in het licht van het Wassenaar Arrangement; verzoekt de VV/HV, de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat alle achterpoortjes gesloten worden op het niveau van het Wassenaar Arrangement of tussen de lijst van militaire goederen en de bijlagen van de verordening inzake goederen voor tweeërlei gebruik, en bijzondere aandacht te besteden aan nieuwe technologieën van strategisch belang, zoals systemen voor van op afstand bestuurde luchtvaartuigen, toegepaste robotica en bewakingstechnologie;
49. herinnert eraan dat de wereldwijde proliferatie van bepaalde bewakings- en inbraaktechnologieën niet alleen de mensenrechten kan schaden, maar ook een aanzienlijke bedreiging kan vormen voor de strategische belangen van de EU en voor onze digitale infrastructuur;
50. is ingenomen met het lopende initiatief van de Commissie om de controles van de EU op de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik te moderniseren en met haar voornemen om in de eerste helft van 2016 een nieuw wetgevingsvoorstel in te dienen voor intelligente en doeltreffende beleidsmaatregelen om de commerciële uitvoer van diensten op het gebied van de toepassing en het gebruik van technologieën voor tweeërlei gebruik te reguleren, en er tegelijk doeltreffende veiligheidsmechanismen in op te nemen om te voorkomen dat dergelijke controles op uitvoer het wetenschappelijk onderzoek en onderzoek op het gebied van IT-veiligheid zouden schaden; onderstreept dat het voorstel gericht moet zijn op een betere samenhang en transparantie van de regelingen voor de controle op uitvoer en dat in het voorstel ten volle rekening gehouden moet worden met de veranderende aard van de veiligheidsuitdagingen en de snelheid waarmee nieuwe technologie wordt ontwikkeld, in het bijzonder op het gebied van bewakings- en inbraaksoftware; is verheugd over de overeenkomst die op 4 december 2013 is bereikt door de landen die partij zijn bij het Wassenaar Arrangement om controles mogelijk te maken op het gebied van bewaking, van instrumenten voor ordehandhaving en het verzamelen van informatie en van systemen voor netwerkbewaking; herinnert eraan dat de potentieel schadelijke uitvoer van ICT-producten en -diensten die gebruikt kunnen worden in verband met mensenrechtenschendingen in bepaalde derde landen dringend moet worden aangepakt, zoals overeengekomen in de gemeenschappelijke verklaring van april 2014 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;
51. verzoekt de lidstaten voldoende middelen ter beschikking te stellen om de controles op de uitvoer van, de tussenhandel in en de doorvoer van goederen voor tweeërlei gebruik daadwerkelijk ten uitvoer te leggen; is ingenomen met de lopende, door de EU gefinancierde programma's voor capaciteitsopbouw om de systemen voor de controle op uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik van derde landen te ondersteunen; verzoekt de lidstaten om ook in de EU opleidingscapaciteit vrij te maken;
52. benadrukt dat de Commissie ondernemingen die twijfelen of ze een uitvoervergunning moeten aanvragen op een vlotte manier nauwkeurige en bijgewerkte informatie moet kunnen aanbieden over de wettigheid of de mogelijk schadelijke gevolgen van potentiële transacties;
53. vraagt de Commissie voorstellen in te dienen om te beoordelen hoe EU-normen met betrekking tot ICT kunnen worden gebruikt ter voorkoming van mogelijk schadelijke gevolgen van de uitvoer van deze technologieën of andere diensten naar derde landen waar concepten als "legale interceptie" niet noodzakelijk hetzelfde betekenen als in de EU, of die bijvoorbeeld een slechte reputatie op het gebied van mensenrechten hebben of waar de rechtsstaat niet bestaat;
54. bevestigt opnieuw dat EU-normen, in het bijzonder de normen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de EU, voorrang moeten krijgen op andere overwegingen bij de beoordeling van incidenten waarbij technologieën voor tweeërlei gebruik op een zodanige manier worden ingezet dat zij de mensenrechten kunnen inperken;
55. betreurt het dat bepaalde Europese ondernemingen en internationale ondernemingen die handel drijven in technologieën voor tweeërlei gebruik actief samenwerken met landen die in strijd met de mensenrechten handelen, terwijl ze toch op de hoogte zijn van de schadelijke gevolgen voor de mensenrechten;
56. dringt er publiekelijk bij de Commissie op aan om ondernemingen die bij dergelijke activiteiten betrokken zijn uit te sluiten van EU-aanbestedingsprocedures, onderzoeks- en ontwikkelingsfinanciering en elke andere vorm van financiële steun;
o o o
57. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de regeringen en parlementen van de lidstaten.
http://www.wassenaar.org/controllists/, "lijst van goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik en munitie" - Wassenaar Arrangement betreffende exportcontrole voor conventionele wapens en goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik, 25 maart 2015.
– gezien zijn resolutie van 10 mei 2012 over de octrooiering van essentiële biologische processen(1),
– gezien Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen(2), en met name artikel 4, waarin wordt bepaald dat werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten of dieren niet octrooieerbaar zijn,
– gezien het Europees Octrooiverdrag (EOV) van 5 oktober 1973, met name artikel 53, onder b),
– gezien het besluit van de grote kamer van beroep van het Europees Octrooibureau (EOB) van 25 maart 2015 in de zaken G2/12 (tomaten) en G2/13 (broccoli),
– gezien het uitvoeringsreglement van het EOV, en met name artikel 26, waarin wordt gesteld dat Richtlijn 98/44/EG als aanvullend middel voor uitleg moet worden gebruikt voor Europese octrooiaanvragen en octrooien met betrekking tot biotechnologische uitvindingen,
– gezien het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten van 2 december 1961, zoals herzien in Genève op 10 november 1972, 23 oktober 1978 en 19 maart 1991 ("het UPOV-verdrag van 1991"),
– gezien Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht(3) ("Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad"), met name artikel 15, onder c) en d),
– gezien de Overeenkomst van de Raad betreffende een eengemaakt octrooigerecht van 19 februari 2013(4) ("de UPC-Overeenkomst"), met name artikel 27, punt c),
– gezien de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, met inbegrip van de handel in namaakproducten (TRIPS-Overeenkomst), met name artikel 27, lid 3, waarin wordt bepaald dat lidstaten werkwijzen van wezenlijk biologische aard kunnen uitsluiten van octrooieerbaarheid,
– gezien artikel 128, lid 5, en 123, lid 4, van zijn Reglement,
A. overwegende dat toegang tot biologisch plantaardig materiaal, met inbegrip van plantenkenmerken, absoluut noodzakelijk is om groei en innovatie te stimuleren en voor het ontwikkelen van nieuwe plantenrassen om de mondiale voedselzekerheid te waarborgen, de klimaatverandering tegen te gaan en monopolievorming in de kweeksector te voorkomen, en tegelijkertijd de kmo's meer kansen te bieden;
B. overwegende dat intellectuele-eigendomsrechten van belang zijn voor de instandhouding van economische prikkels om nieuwe plantaardige producten te ontwikkelen en voor het concurrentievermogen;
C. overwegende dat octrooien op conventioneel voortgebrachte producten of op genetisch materiaal dat noodzakelijk is voor conventionele voortbrenging, afbreuk kunnen doen aan de uitzondering van artikel 53, onder b), van het Europees Octrooiverdrag en van artikel 4 van Richtlijn 98/44/EG;
D. overwegende dat via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten, zoals planten, zaden en inheemse plantenkenmerken en genen, moeten worden uitgesloten van octrooieerbaarheid;
E. overwegende dat gewasveredeling een innovatief proces is dat door landbouwers en landbouwgemeenschappen sinds het ontstaan van de landbouw wordt toegepast en dat niet-geoctrooieerde rassen en teeltwijzen belangrijk zijn voor de genetische diversiteit;
F. overwegende dat Richtlijn 98/44/EG wetsvoorschriften voor biologische uitvindingen en in het bijzonder gentechnologie bevat, maar dat het niet de bedoeling van de wetgever was om in het kader van die richtlijn producten van wezenlijk biologische aard octrooieerbaar te maken, zoals ook aangegeven wordt in de overwegingen 52 en 53;
G. overwegende dat talrijke aanvragen voor via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten momenteel hangende zijn bij het Europees Octrooibureau en dat het dus dringend noodzakelijk is de reikwijdte en uitlegging van Richtlijn 98/44/EG, en met name artikel 4, te verduidelijken;
H. overwegende dat Richtlijn 98/44/EG de impliciete erkenning inhoudt van de vrijheid om voor experimentele doeleinden materiaal te gebruiken dat onder een octrooi valt, hetgeen volgt uit artikel 12, lid 3, onder b), en artikel 13, lid 3, onder b);
I. overwegende dat de "kwekersvrijstelling" als bedoeld in artikel 27, onder c), van de UPC-Overeenkomst alleen van toepassing zal zijn op krachtens het eenheidsoctrooisysteem verleende octrooien en niet automatisch zal gelden voor nationale octrooien binnen de EU, waardoor er een niet-geharmoniseerde situatie ontstaat met betrekking tot de mogelijkheden om te kweken met biologisch materiaal dat onder een octrooi valt;
J. overwegende dat zowel het internationale stelsel voor kwekersrecht, dat gebaseerd is op het UPOV-verdrag, als het EU-stelsel, dat gebaseerd is op Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad, als grondbeginsel hebben dat een houder van een kweekproduct anderen er niet van mag weerhouden het beschermde product voor verdere kweekactiviteiten te gebruiken;
1. spreekt zijn bezorgdheid uit over het recente besluit van de grote kamer van beroep van het EOB in zaak G2/12 (tomaten) en G2/13 (broccoli) dat ertoe zou kunnen leiden dat het EOB meer octrooien gaat verlenen voor natuurlijke eigenschappen die in nieuwe rassen worden geïntroduceerd door middel van werkwijzen van wezenlijk biologische aard, zoals kruising en selectie;
2. verzoekt de Commissie met spoed opheldering te verschaffen over de reikwijdte en uitlegging van Richtlijn 98/44/EG, en met name artikel 4, artikel 12, lid 3, onder b), en artikel 13, lid 3, onder b), teneinde voor rechtszekerheid omtrent het verbod op de octrooieerbaarheid van via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten te zorgen en te verduidelijken dat kweken met biologisch materiaal dat onder een octrooi valt, toegestaan is;
3. verzoekt de Commissie haar verduidelijking inzake de octrooieerbaarheid van via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten toe te sturen aan het EOB, zodat die als aanvullend middel voor uitleg kan worden gebruikt;
4. verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de Unie de toegang tot en het gebruik van via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten zal blijven waarborgen, zodat, wanneer van toepassing, de praktijk om kwekersvrijstelling te verlenen niet verstoord wordt;
5. verzoekt de Commissie er in de context van multilaterale besprekingen over de harmonisering van het octrooirecht naar te streven dat via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten worden uitgesloten van octrooieerbaarheid;
6. verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de ontwikkeling en de implicaties van het octrooirecht op het gebied van de bio- en gentechnologie, zoals voorgeschreven wordt in artikel 16, onder c), van Richtlijn 98/44/EG en zoals het Parlement heeft gevraagd in zijn resolutie van 10 mei 2012 over de octrooiering van essentiële biologische processen;
7. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en het Europees Octrooibureau.
– gezien de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening voor Burundi van 28 augustus 2000,
– gezien de grondwet van Burundi, met name artikel 96,
– gezien het Afrikaans Handvest inzake democratie, verkiezingen en bestuur,
– gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,
– gezien de gezamenlijke verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, en de commissaris voor Internationale Samenwerking en Ontwikkeling, Neven Mimica, over de verslechtering van de situatie in Burundi van 13 december 2015,
– gezien de conclusies van de Raad over het overleg EU-Republiek Burundi krachtens artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou van 8 december 2015,
– gezien resolutie 2248 (2015) van de VN-Veiligheidsraad over de situatie in Burundi van 12 november 2015,
– gezien de gezamenlijke verklaring van de plaatsvervangend secretaris-generaal van de VN, Jan Eliasson, de voorzitter van de Afrikaanse Unie, Nkosazana Dlamini-Zuma, en de VV/HV, Federica Mogherini, over Burundi van 12 november 2015,
– gezien de besluiten van de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie (AUPSC) over de situatie in Burundi van 13 juni, 17 oktober en 13 november 2015,
– gezien de verklaringen van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap over de situatie in Burundi van 31 mei en 6 juli 2015,
– gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU over de situatie in Burundi van woensdag 9 december 2015,
– gezien Verordening (EU) nr. 2015/1755 van de Raad van 1 oktober 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi,
– gezien de conclusies van de Raad over Burundi van 16 maart, 18 mei, 22 juni en 16 november 2015,
– gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de situatie in Burundi(1),
– gezien de door de Raad op 26 oktober 2015 goedgekeurde brief waarin wordt gevraagd om de opening van overleg met de autoriteiten van Burundi overeenkomstig artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou,
– gezien de verklaring van de aanklager van het Internationaal Strafhof, mevrouw Fatou Bensouda, van 6 november 2015,
– gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de veiligheidssituatie in Burundi de afgelopen dagen ernstig is verslechterd, na de aanvallen op drie legerkampen in Bujumbura; overwegende dat de Burundese veiligheidstroepen op 11 en 12 december 2015 minstens 87 mensen hebben gedood; overwegende dat vele van deze moorden blijkbaar lukrake executies waren;
B. overwegende dat artikel 96 van de grondwet van Burundi en artikel 7, lid 3, van Protocol II van de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening bepalen dat de president slechts twee ambtstermijnen kan hebben; overwegende dat president Pierre Nkurunziza al sinds 2005 in functie is en in 2010 is herkozen;
C. overwegende dat er in Burundi op 29 juni 2015 parlementsverkiezingen en plaatselijke verkiezingen en op 21 juli 2015 presidentsverkiezingen zijn gehouden; overwegende dat beide verkiezingsprocessen volgens de internationale gemeenschap niet op een transparante, inclusieve, vrije en geloofwaardige manier zijn verlopen; overwegende dat de Afrikaanse Unie om die redenen heeft geweigerd waarnemers te sturen om de verkiezingen te volgen, dat de EU zijn verkiezingswaarnemingsmissie naar Burundi heeft onderbroken en dat een groot deel van de Burundese oppositie besloot de verkiezingen te boycotten;
D. overwegende dat de kandidatuur van president Nkurunziza voor een derde termijn en zijn daaropvolgende herverkiezing na de verkiezingen van 21 juli 2015 het land in de diepste politieke crisis hebben gestort sinds het einde van de burgeroorlog;
E. overwegende dat de Burundese regering de besluiten en aanbevelingen van de AU en de Oost-Afrikaanse Gemeenschap (EAC) van resp. 13 juni 2015 en 6 juli 2015, waarvan de volledige toepassing de weg zou hebben vrijgemaakt voor geloofwaardige en inclusieve verkiezingen, heeft genegeerd;
F. overwegende dat er volgens het OHCHR en andere mensenrechtenorganisaties in de aanloop naar en na afloop van de verkiezingen sprake is geweest van politiek gemotiveerde mensenrechtenschendingen, aantasting van de mensenrechten en geweld in het land, met name gericht tegen activisten van de oppositie, mensenrechtenactivisten en journalisten, waaronder Pierre Claver Mbonimpa, wiens zoon dood is aangetroffen nadat hij was gearresteerd door de politie, Marguerite Barankitse, Antoine Kaburahe en Bob Rugurika; overwegende dat algemeen de overtuiging heerst dat deze daden grotendeels zij het niet uitsluitend toe te rekenen zijn aan staatsdiensten; overwegende dat de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de veiligheid in Burundi en de bescherming van de Burundese bevolking, onder eerbiediging van de rechtsstaat, de mensenrechten en het internationale humanitaire recht, bij de Burundese regering ligt;
G. overwegende dat als gevolg van de verslechterende politieke situatie in Burundi meer dan 200 000 personen in eigen land ontheemd geraakt zijn of hun toevlucht in buurlanden hebben gezocht; overwegende dat de EU in juli 2015 haar humanitaire hulp heeft opgevoerd en een extra bedrag van 4,5 miljoen EUR aan hulp voor de ontheemde bevolking heeft gemobiliseerd;
H. overwegende dat Burundi een van de minst ontwikkelde landen ter wereld is; overwegende dat bijna de helft (45 %) van de 10,6 miljoen inwoners niet ouder is dan 15 jaar (waarbij 19,9 % van de bevolking wordt gevormd door kinderen onder de leeftijd van 5 jaar is); overwegende dat Burundi op de eerste plaats staat in de wereldhongerindex, met drie kinderen op vijf die een groeiachterstand hebben; overwegende dat Burundi in de periode 2013-2014 twee plaatsen is teruggevallen op de menselijke ontwikkelingsindex van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties, namelijk van de 178e naar de 180e plaats, overwegende dat vier van de vijf personen in Burundi moeten rondkomen van nog geen 1,25 USD per dag, en dat 66,9 % van de bevolking beneden de armoedegrens leeft;
I. overwegende dat de EU op 26 oktober 2015 heeft verzocht om overleg overeenkomstig artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou teneinde onderzoek te doen naar het feit dat essentiële elementen van de overeenkomst, met name mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat, niet geëerbiedigd worden; overwegende dat dit overleg op 8 december 2015 van start is gegaan;
J. overwegende dat de EU op 8 december 2015 van mening was dat de standpunten die Burundi had ingenomen tijdens het overleg overeenkomstig artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou, het onmogelijk zouden maken een oplossing te vinden voor het feit dat Burundi essentiële elementen van zijn partnerschap met de EU niet eerbiedigt; overwegende dat de EU ook van mening was dat de door Burundi ingenomen standpunten geen bevredigend antwoord mogelijk zouden maken op de besluiten van de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie van 17 oktober en 13 november 2015, met name wat het feit betreft dat onverwijld een eerlijke en inclusieve dialoog op basis van de Overeenkomst van Arusha tot stand moet worden gebracht;
K. overwegende dat de politieke patstelling in Burundi die gevolg is van de ontbrekende dialoog tussen de Burundese belanghebbenden, en de daaruit voortvloeiende verslechtering van de economische en veiligheidssituatie, ernstige consequenties hebben voor de bevolking en een grote bedreiging vormen voor de stabiliteit van de regio, waar voor de komende twee jaar diverse verkiezingen gepland zijn (Uganda, de Democratische Republiek Congo, Rwanda);
L. overwegende dat de internationale gemeenschap een significante rol speelt als hoedster van de akkoorden van Arusha; overwegende dat de regionale en subregionale inspanningen om de crisis aan te pakken en de dialoog tussen alle politieke krachten weer op gang te brengen, tot dusver geen positieve resultaten hebben opgeleverd;
M. overwegende dat de politieke oppositie en het maatschappelijk middenveld op 1 augustus 2015 in Addis Abeba bijeen is gekomen om de Nationale Raad voor herstel van de akkoorden van Arusha en de rechtsstaat in het leven te roepen;
N. overwegende dat de president op 23 september 2015 een decreet heeft getekend tot oprichting van een nationale commissie voor een inter-Burundese dialoog die gedurende zes maanden de onderhandelingen moet leiden; overwegende dat het maatschappelijk middenveld zich zeer sceptisch heeft uitgesproken over de mogelijke realisaties van deze commissie, omdat de meeste leden van de oppositie en het maatschappelijk middenveld die de derde termijn van president Nkurunziza afwijzen, worden vervolgd op verdenking van deelname aan een opstand en medeplichtigheid aan de mislukte coup van 13 en 14 mei 2015; overwegende dat de voorzitter van de nieuwe Nationale Vergadering, Pascal Nyabenda, heeft verklaard dat "degenen die betrokken waren bij het organiseren en uitvoeren van de staatsgreep (...) niet aan de dialoog zullen kunnen deelnemen";
O. overwegende dat de AU, de EU en de VS de bevriezing van tegoeden en reisverboden hebben opgelegd aan de regerings- en oppositieleiders die er door hun optreden en verklaringen toe bijdragen dat het geweld voortduurt en het zoeken naar een politieke oplossing voor de crisis in Burundi belemmeren;
P. overwegende dat de VS en een aantal andere landen hun burgers hebben geadviseerd Burundi onmiddellijk te verlaten, gezien de verslechterende veiligheidssituatie;
Q. overwegende dat de Raad voor Vrede en Veiligheid van de AU op 17 oktober 2015 verzocht heeft om de afronding van een noodplan voor – indien de situatie dit vereist – het inzetten van een missie onder Afrikaanse leiding om geweld in het land te voorkomen, en overeengekomen is een grondig onderzoek in te leiden naar de mensenrechtenschendingen en andere misdaden tegen de burgerbevolking van Burundi;
R. overwegende dat de VN-secretaris-generaal, Ban Ki-moon, op 30 november 2015 een drietal voorstellen aan de Veiligheidsraad heeft voorgelegd met de aanbeveling het mandaat van de VN-aanwezigheid in Burundi te herzien aan de hand van de ontwikkelingen, hetgeen de weg vrijmaakt voor een vredeshandhavingsmissie, als laatste hulpmiddel, als de crisis verergert;
S. overwegende dat een ondersteuningsteam van de VN zal worden ingezet om een inter-Burundese dialoog te ondersteunen, de regering te adviseren over een versterking van de instellingen van de rechtsstaat en over ontwapeningskwesties, te coördineren met de regionale actoren, te zorgen voor monitoring en rapportage met betrekking tot de situatie op het terrein, en de planning van de VN met betrekking tot grotere aanwezigheid in Burundi te faciliteren;
T. overwegende dat de AU en andere internationale actoren herhaaldelijk hebben aangedrongen op een echte en inclusieve dialoog waarbij alle belanghebbenden worden betrokken, gebaseerd op eerbiediging van de Overeenkomst van Arusha en de Burundese grondwet, met het doel tot een oplossing voor het conflict in Burundi te komen waarin alle partijen zich kunnen vinden; overwegende dat de EU en de VN dit voorstel steunen;
U. overwegende dat de bemiddelingsinspanningen worden voortgezet met volledige steun van de AU, de EU en de VN, teneinde de inter-Burundese dialoog te bevorderen zodat er een op een consensus gebaseerde, vreedzame oplossing voor de crisis in Burundi wordt gevonden;
V. overwegende dat de EU in aanzienlijke mate bijdraagt aan de jaarlijkse begroting van Burundi, waarvan ca. de helft afkomstig is uit buitenlandse hulp, en overwegende dat de EU recentelijk 432 miljoen EUR heeft toegewezen aan Burundi uit het Europees Ontwikkelingsfonds 2014-2020;
W. overwegende dat de Burundese autoriteiten bij Decreet 530/1597 de werkzaamheden van tien mensenrechtenorganisaties, namelijk ACAT-Burundi, APRODH, AMINA, FOCODE, FORSC, FONTAINE-ISOKO, Maison Shalon, PARCEM, RCP en SPPDF, hebben stopgezet en hun bankrekeningen hebben geblokkeerd;
1. spreekt zijn uiterste bezorgdheid uit over de ernstige politieke en veiligheidssituatie in Burundi alsmede de snel verslechterende humanitaire situatie in het land, en over de mogelijke gevolgen hiervan voor de veiligheid en stabiliteit in de hele subregio;
2. veroordeelt krachtig de recente gewelddaden en de steeds veelvuldiger mensenrechtenschendingen en misdaden als moord, buitengerechtelijke executies, schending van de fysieke integriteit van personen, marteling en andere gevallen van wrede, onmenselijke en/of vernederende behandeling, willekeurige arrestaties en illegale detentie, inclusief van kinderen en de bezetting van scholen door leger en politie, en schending van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting, alsmede de heersende straffeloosheid; vraagt een grondig en onafhankelijk onderzoek naar de moorden en misdaden en vraagt dat de plegers van deze daden voor het gerecht worden gebracht;
3. dringt aan op de onmiddellijke beëindiging van het geweld, de mensenrechtenschendingen en de politieke intimidatie van tegenstanders en op de onmiddellijke ontwapening van alle gewapende groepen die banden met politieke partijen hebben, onder strikte eerbiediging van het internationale recht en de mensenrechten;
4. verzoekt alle partijen met klem om de nodige voorwaarden te scheppen voor herstel van vertrouwen en nationale eenheid, en dringt aan op onmiddellijke hervatting van een inclusieve en transparante nationale dialoog waarbij de regering, de oppositiepartijen en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties betrokken zijn;
5. wijst erop dat een dergelijke dialoog, gericht op blijvende vrede, veiligheid en stabiliteit en op herstel van de democratie en de rechtsstaat in het belang van de Burundese bevolking, gebaseerd zou moeten zijn op de Overeenkomst van Arusha en de Burundese grondwet, die naleving van het internationaal recht en de internationale verdragen voorschrijft;
6. wijst er met name op dat de gewapende groeperingen die in Burundi actief zijn veel jongeren tellen, inclusief kinderen onder 18, en verzoekt de internationale gemeenschap bijzondere aandacht te besteden aan de re-integratie van deze jongeren en het bevorderen van hun deelname aan een vreedzaam politiek proces;
7. verlangt dat alle partijen in Burundi zich onthouden van iedere actie die de vrede en veiligheid in het land zou bedreigen; veroordeelt ten sterkste alle openbare uitspraken die bedoeld zijn om tot geweld aan te zetten of haat te zaaien onder de verschillende groepen van de Burundese samenleving, en die de huidige spanning nog kunnen verergeren, en roept alle partijen op zich van zulke uitlatingen te onthouden;
8. herinnert de autoriteiten van Burundi aan hun verplichting om toe te zien op veiligheid op het Burundese grondgebied en op de mensenrechten, burgerrechten en politieke rechten en de fundamentele vrijheden, zoals vastgelegd in de Burundese grondwet, het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en andere internationale en regionale mensenrechteninstrumenten;
9. herinnert er in dit verband aan dat het partnerschap tussen de EU en Burundi onder de Overeenkomst van Cotonou valt en dat alle partijen verplicht zijn de bepalingen van die overeenkomst te eerbiedigen en na te leven, met name de eerbiediging van de mensenrechten; herinnert er met name aan dat artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou voorziet in de mogelijkheid van overlegprocedures in geval van niet-naleving van de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat en is ingenomen met het besluit van de EU om te verzoeken om overleg overeenkomstig genoemd artikel;
10. veroordeelt ten strengste de schending van de Overeenkomst van Arusha door president Nkurunziza, bestaand uit het feit dat hij zich voor een derde ambtstermijn als president heeft laten beëdigen;
11. dringt er bij de Burundese autoriteiten op aan te stimuleren dat de waarheid wordt vastgesteld betreffende de grootschalige misdaden die tussen 1962 en 2008 zijn begaan, en wel door middel van gerechtelijke en niet-gerechtelijke maatregelen zoals een commissie voor waarheid en verzoening en speciale rechtbanken, teneinde een nationale verzoening tot stand te brengen;
12. is ingenomen met de bemiddelingsinspanningen onder leiding van de EAC, gesteund door de AU en de VN, om de dialoog tussen de Burundese belanghebbenden te vergemakkelijken; roept de VV/HV op eveneens steun te verlenen aan deze bemiddelingsinspanningen; verzoekt de regering van Burundi en de overige belanghebbenden met klem de bemiddelaar hun volledige medewerking te verlenen;
13. spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het aantal slachtoffers en gevallen van ernstige mensenrechtenschendingen die sinds het begin van de crisis zijn gemeld; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan onverwijld een grondig onderzoek in te stellen naar de omstandigheden en motieven van deze misdaden en te waarborgen dat degenen die hiervoor verantwoordelijk zijn, voor de rechter worden gebracht; herhaalt dat degenen die voor de schending of aantasting van de mensenrechten verantwoordelijk zijn, niet vrijuit mogen gaat; verzoekt de autoriteiten ervoor te zorgen dat scholen een veilige haven zijn voor leeractiviteiten; verzoekt de aanklager van het Internationaal Strafhof de situatie in Burundi van nabij te volgen en steunt haar verklaring van 6 november 2015;
14. dringt aan op intrekking van Decreet 530/1597 tot voorlopige opschorting van de werkzaamheden van diverse mensenrechtenorganisaties en op onmiddellijke opheffing van de bevriezing van hun bankrekeningen, zodat die organisaties hun werkzaamheden onbelemmerd kunnen voortzetten;
15. dringt erop aan dat journalisten en mensenrechtenactivisten die in ballingschap leven, veilig kunnen terugkeren, dat de media die na de mislukte staatsgreep van 13 en 14 mei 2015 werden opgeheven, opnieuw worden toegelaten en dat de aanklachten tegen journalisten die ervan worden beschuldigd rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken te zijn geweest bij de mislukte staatsgreep, worden ingetrokken;
16. is met name bezorgd over de dramatische discriminatie en criminalisering van LGBTI-mensen in Burundi; beklemtoont nogmaals dat seksuele geaardheid valt onder de vrijheid van meningsuiting en het recht van mensen op een persoonlijke levenssfeer, die verankerd zijn in het internationale recht op het gebied van mensenrechten, op grond waarvan de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie moeten worden beschermd en de vrijheid van meningsuiting moet worden gewaarborgd; verzoekt het parlement en de regering van Burundi derhalve om de strafrechtelijke bepalingen die discriminerend zijn voor LGBTI-personen af te schaffen;
17. onderstreept het feit dat de crisis een grote impact heeft op kinderen en verzoekt de Commissie te blijven samenwerken met internationale partners om te zorgen voor de voorziening van gezondheidszorg, inclusief essentiële geneesmiddelen, veilige toegang tot onderwijs en bescherming van kinderen tegen alle vormen van geweld, en om de toegang tot andere sociale diensten te garanderen;
18. is verheugd dat de AU mensenrechtenwaarnemers en militaire deskundigen naar Burundi heeft gestuurd om toe te zien op de mensenrechtensituatie, en benadrukt dat het van belang is met hen samen te werken om de uitvoering van hun mandaat te vergemakkelijken; vraagt daarnaast het Internationaal Strafhof om binnen het raam van zijn rechtsmacht onderzoek in te stellen naar gemelde schendingen van de mensenrechten tijdens de recente crisis;
19. is ingenomen met de door de EU goedgekeurde gerichte sancties die aansluiten bij het besluit van de AU om gerichte sancties op te leggen, waaronder een reisverbod voor en de bevriezing van tegoeden van Burundese onderdanen die er door hun optreden en verklaringen toe bijdragen dat het geweld voortduurt en de inspanningen voor een politieke oplossing voor de crisis in Burundi belemmeren; dringt er bij de EU op aan dergelijke sancties uit te breiden tot alle personen wier handelingen een bedreiging vormen van de vrede en stabiliteit in de regio, aanzetten tot haat en in strijd zijn met de Overeenkomst van Arusha;
20. dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan, gezien de wijze waarop het overeenkomstig artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou gevoerde overleg zich heeft ontwikkeld, om na te denken over het bevriezen van alle niet-humanitaire hulp aan de Burundese regering, totdat het buitensporige geweld en de mensenrechtenschendingen door regeringstroepen, zoals gedocumenteerd door het OHCHR, ophouden en er via een echte inter-Burundese dialoog een politieke oplossing is gevonden, de hulp een andere bestemming te geven, om het maatschappelijk middenveld te versterken; is van mening dat de hulp van de EU de fundamentele problemen van ongelijkheid, armoede en chronische ondervoeding moet aanpakken, om de onlangs goedgekeurde duurzame ontwikkelingsdoelstellingen te realiseren;
21. spreekt zijn ernstige verontrusting uit over de aanhoudende uittocht van Burundese vluchtelingen naar de omringende landen; betuigt nogmaals zijn steun aan alle humanitaire organisaties die ter plaatse werkzaam zijn, alsmede de buurlanden waar de vluchtelingen worden opgevangen; doet een beroep op de internationale gemeenschap en humanitaire organisaties om hulp te blijven verlenen aan allen die als ontheemde of vluchteling te lijden hebben onder het conflict; is verheugd over het voornemen van de EU om de financiële steun en de humanitaire hulp te verhogen om in de dringende behoeften van deze mensen te voorzien;
22. dringt er bij de AU, de VN en de EU op aan serieus aandacht te besteden aan de regionale dimensie en verdere destabilisering van de regio te voorkomen door hun aanwezigheid op het terrein te vergroten, met name door een permanente politieke dialoog te onderhouden tussen de landen in de regio; dringt er bij de AU in dit verband op aan in overleg met de VN-Veiligheidsraad te overwegen een vredeshandhavingsmissie onder Afrikaanse leiding in te zetten indien de veiligheids- en mensenrechtensituatie in Burundi verder verslechtert;
23. verzoekt de VV/HV, Federica Mogherini, de inspanningen voort te zetten om te zorgen voor de onmiddellijke vrijlating van Richard Spiros Hagabimana, een politieagent in Burundi, die onwettig werd opgesloten en gefolterd omdat hij op 28 juli 2015 weigerde in zijn hoedanigheid als politieagent op een menigte te schieten;
24. is van mening dat de problemen in Burundi verband houden met geschillen inzake de controle over vruchtbare landbouwgrond, inkomensongelijkheid en discriminatie; dringt in verband hiermee aan op de vaststelling van een verantwoord regelgevend kader met betrekking tot de wijze waarop bedrijven omgaan met mensenrechtenverplichtingen en verplichtingen inzake het naleven van sociale en milieunormen;
25. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van Burundi, de Raad ACS-EU, de Commissie, de Raad, de Oost-Afrikaanse Gemeenschap en de regeringen van haar lidstaten, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de instellingen van de Afrikaanse Unie en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
Bescherming van het Virunga National Park in de Democratische Republiek Congo
184k
80k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2015 over de bescherming van het Virunga National Park in de Democratische Republiek Congo (2015/2728(RSP))
– gezien het Verdrag betreffende de bescherming van cultureel en natuurlijk werelderfgoed, goedgekeurd op de Algemene Conferentie van de UNESCO in Parijs op 16 november 1972,
– gezien de aanwijzing - door UNESCO - van het Virunga National Park (VNP) tot werelderfgoed in 1979 en als bedreigd werelderfgoed in 1994,
– gezien het Biodiversiteitsverdrag, op 5 juni 1992 goedgekeurd op de Wereldtop van Rio de Janeiro,
– gezien het Verdrag inzake wetlands van internationale betekenis met name als habitats voor watervogels, gesloten in Ramsar in 1971,
– gezien de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen (en de bijgewerkte versies daarvan), aangenomen in 1976, en de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten, zoals goedgekeurd in 1971,
– gezien de slotverklaring van de overeenkomst die is bereikt naar aanleiding van de klacht van WWF International tegen SOCO International van juli 2014,
– gezien het wettelijke en contractuele kader voor de winning van koolwaterstoffen in de Democratische Republiek Congo (DRC), waaronder 'Ordonnance-Loi n° 81-013 portant législation générale sur les mines et les hydrocarbures', de 'Code minier' en elke eventuele toekomstige 'Code congolais des hydrocarbures', alsmede de 'Contrats de Partage et de Production des hydrocarbures' (CPP's),
– gezien de vraag aan de Commissie over de bescherming van het Virunga National Park in de Democratische Republiek Congo (O-000108/2015 – B8-1111/2015),
– gezien de ontwerpresolutie van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,
– gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat het VNP, gelegen in de DRC-provincies Noord-Kivu en "Province Orientale", aan de grens met Rwanda en Oeganda, het oudste nationale park is van Afrika, tot het UNESCO-werelderfgoed behoort, en wereldwijd bekend is om zijn unieke habitats en rijke biodiversiteit, die het tot het meest biodiverse park in Afrika maken; overwegende dat het park met name bekend is om zijn berggorilla's, een ernstig bedreigde soort die is opgenomen in bijlage I van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites) van 1973;
B. overwegende dat volgens het Biodiversiteitsverdrag, dat ook de DRC heeft ondertekend en geratificeerd, het behoud van de biologische diversiteit een gemeenschappelijke aangelegenheid is voor de mensheid en integraal deel uitmaakt van het ontwikkelingsproces; overwegende dat dit verdrag juridisch bindend is en de partijen verplicht tot naleving van zijn bepalingen;
C. overwegende dat het VNP ook wordt beschermd door het Ramsar-verdrag en de nationale wetgeving van de DRC; overwegende dat de Commissie en sommige EU-lidstaten de afgelopen 25 jaar steun hebben verleend voor de instandhouding van het park;
D. overwegende dat het VNP een van de drie Ramsar-gebieden in de DRC is (nr. 787); overwegende dat de DRC ingevolge het Ramsar-verdrag een aantal verplichtingen heeft ten aanzien van de gebieden op de Ramsar-lijst, zoals het formuleren en vervolgens uitvoeren van een planning voor het in stand houden van de wetlands die op de lijst staan, en het - zo veel als mogelijk - verstandig gebruiken van de wetlands binnen haar grondgebied (artikel 3, lid 1, van het Ramsar-verdrag);
E. overwegende dat volgens het WWF-rapport "The economic value of Virunga Park" van 2013 het Virunga National Park jaarlijks een economische waarde van 48,9 miljoen USD heeft; overwegende dat het VNP in een stabiele situatie tot groei van de economie en het toerisme zou kunnen bijdragen, en jaarlijks een waarde van één miljard USD en 45 000 arbeidsplaatsen zou kunnen hebben;
F. overwegende dat het park, ondanks zijn status van beschermde wildernis, al decennialang wordt bedreigd door gewapende groepen die zich bezighouden met stroperij, ontbossing en andere vormen van niet-duurzame en illegale exploitatie van de natuurlijke rijkdommen; overwegende dat het Virunga National Park om die reden op de lijst van bedreigd werelderfgoed staat; overwegende dat een oliekoorts in een context van enorme armoede, een zwakke staat, slecht bestuur en regionale onveiligheid ernstige destabiliserende gevolgen voor de samenleving en het milieu zou hebben;
G. overwegende dat de regering van de DRC in december 2007 concessies voor olieboringen in 85 % van het park heeft verleend; verder overwegende dat SOCO International PLC (SOCO) tot dusver de enige maatschappij is die in het park proefboringen heeft verricht;
H. overwegende dat de wetgeving van de DRC milieubelastende activiteiten in beschermde gebieden weliswaar verbiedt, maar dat de exploratievergunning van SOCO stoelt op een uitzondering in deze wetgeving die "wetenschappelijke activiteiten" in beschermde gebieden toelaat;
I. overwegende dat SOCO niet meer over de vergunning voor blok V in het Virunga National Park beschikt;
J. overwegende dat de resultaten van de systemische studie op de aanwezigheid van olie in het VNP wijzen: herhaalt dat oliewinning (en -exploratie) onverenigbaar zijn met de bescherming van het park, dat een werelderfgoedgebied vormt;
K. overwegende dat de verantwoordelijkheid om de mensenrechten na te leven een algemene gedragsnorm is voor alle ondernemingen wereldwijd, zoals herhaald in de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten en de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen;
L. overwegende dat in en rond het VNP meer dan twintig jaar lang gewelddadige conflicten hebben gewoed; overwegende dat zowel de rebellen, als het reguliere leger zich hebben gefinancierd met de opbrengsten van illegale mijnbouw, de illegale exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen (hout, kolen, enz.) en het stropen van bedreigde diersoorten, alsmede de illegale handel in andere natuurlijke hulpbronnen, en dat de exploratie en winning van mogelijke oliereserves hoogst waarschijnlijk tot nog meer geweld en ernstige schendingen van de mensenrechten en tot vervuiling in het gebied zullen leiden;
M. overwegende dat de grootschalige kap van vegetatie, de introductie van invasieve planten, de fragmentatie van habitats, een grotere kans op stroperij en op verontreiniging door olielekken, het affakkelen van gas en het dumpen van afval tot de ernstigste milieurisico's van de winning van olie in gebieden met een zwak bestuur behoren; overwegende dat het risico van een "olievloek" tot een toename van de armoede en de ongelijkheid zou kunnen leiden, zoals uit verschillende casestudy's blijkt (bijvoorbeeld die betreffende de Nigerdelta);
N. overwegende dat het duurzaam beheren van het land, het water en de dieren in het VNP directe en indirecte economische voordelen zal opleveren voor de bevolking, die sterk van de natuurlijke rijkdommen van het park afhankelijk is; overwegende dat volgens het WWF het berggorillatoerisme alleen al jaarlijks dertig miljoen USD zou kunnen opbrengen en duizenden banen zou kunnen creëren;
1. onderstreept de absolute noodzaak om te voorkomen dat het VNP, in 1979 door UNESCO tot werelderfgoed verklaard en in 1994 tot bedreigd werelderfgoed, onherstelbare schade lijdt;
2. betreurt dat het VNP ook tot een van de gevaarlijkste plaatsen ter wereld is geworden waar het gaat om natuurbescherming (voornamelijk dieren in het wild); stelt met grote bezorgdheid vast dat gewapende groepen betrokken zijn bij de illegale exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het park en dat ze door grondstoffendelving en houtskoolwinning enerzijds hun militaire activiteiten financieren en anderzijds zich persoonlijk verrijken; betreurt ook dat gewapende groepen zich op grote schaal met stroperij bezighouden voor voeding en voor de handel in ivoor en bushmeat, waarmee de oorlog wordt gefinancierd; stelt daarnaast met bezorgdheid vast dat militairen zich door een gebrek aan discipline, onregelmatige uitbetaling van lonen en voedseltekort ook steeds meer inlaten met illegale activiteiten, zoals ambachtelijke mijnbouw, houtskoolwinning en stroperij; overwegende dat het park gekenmerkt wordt door veel ongerepte natuur en het zeer moeilijk is om het oppervlak van 790 000 hectare te beschermen, vooral gezien het feit dat de regering hiervoor slechts in beperkte mate financiële middelen uittrekt; overwegende dat de hoofdopzichter van het park, de Belgische prins Emmanuel de Merode, op 15 april 2014 door drie schutters ernstig werd verwond, en dat de afgelopen tien jaar meer dan 140 opzichters in actieve dienst in het park om het leven zijn gebracht;
3. onderstreept dat het VNP onherstelbare schade zou kunnen lijden als gevolg van olie-exploratie en -winning of andere illegale activiteiten; acht het onaanvaardbaar dat in 2007 concessies voor olieboringen binnen het VNP zijn verleend aan de Franse oliemaatschappij TOTAL en de Britse oliemaatschappij SOCO International, in schending van het Verdrag van Parijs voor de bescherming van cultureel en natuurlijk werelderfgoed, het Biodiversiteitsverdrag van 1992, het Ramsar-verdrag en de Congolese wetgeving; herinnert eraan dat hoewel TOTAL ermee instemde om nooit binnen de grenzen van het VNP proefboringen te verrichten (ook als de Congolese regering besluit de grenzen te verleggen) SOCO International wel in het VNP naar olie heeft geboord en in juli 2014 een seismologisch onderzoek heeft afgerond, waarvan de resultaten, die op de aanwezigheid van olie wijzen, aan de Congolese regering zijn overhandigd; vraagt de regering van de DRC om geen vergunning toe te kennen aan een andere exploitant;
4. wijst erop dat de Oegandese regering momenteel bezig is met de toekenning van een vergunning voor het Ngaji-blok, dat aan het VNP grenst en onder meer Lake Edward omvat, en onderstreept dat het VNP ook onherstelbare schade kan lijden als gevolg van olie-exploratie en -winning;
5. neemt nota van de overeenkomst die in juni 2014 werd bereikt tussen SOCO International en de natuurbeschermingsorganisatie WWF naar aanleiding van de klacht van het WWF bij het Nationaal Contactpunt (NCP) van het VK over de niet-naleving - door SOCO - van de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, volgens dewelke de onderneming zich ertoe verbindt geen exploratie- of andere booractiviteiten te verrichten of uit te besteden in het Virunga National Park tenzij UNESCO en de regering van de DRC ermee instemmen dat dergelijke activiteiten niet onverenigbaar zijn met de status van werelderfgoed; merkt op dat zo'n voorwaardelijke afspraak geen garanties biedt dat de olieboringen in het park zullen worden gestaakt; wijst erop dat de dubbelzinnige houding van SOCO International de deur openzet voor de volledige of gedeeltelijke vrijgave van het park voor olieboringen; merkt op dat de concessie waar SOCO naar olie zoekt zich in en rond Lake Edward bevindt, een gebied dat tientallen aansprekende (en sommige bedreigde) diersoorten herbergt, zoals chimpansees, olifanten, krokodillen en leeuwen; vraagt SOCO International plc en haar in de DRC geregistreerde onderneming bijgevolg om alle exploratie- en winningsactiviteiten in het Virunga National Park permanent te staken en de huidige grenzen van het park te respecteren; vraagt de regering van de DRC daarnaast om alle vergunningen die voor olie-exploratie in het grondgebied van het Virunga National Park zijn verleend, te annuleren, zoals gevraagd door de werelderfgoedcommissie;
6. onderstreept dat de visserij in Lake Edward naar schatting jaarlijks een bedrag van ongeveer 30 miljoen USD opbrengt dat ten goede komt aan de lokale bevolking in de buurt van het Virunga National Park, en verder dat, blijkens een in opdracht van het WWF uitgevoerde onafhankelijke studie, meer dan 50 000 gezinnen van het meer afhankelijk zijn voor hun zoetwatervoorziening;
7. wijst erop dat Der Spiegel, The Telegraph en The New York Times in september 2014 een rapport van Global Witness hebben gepubliceerd waarin melding wordt gemaakt van geruchten als zouden SOCO International en haar onderaannemers - in hun pogingen om zich toegang tot het oudste nationale park van Afrika te verschaffen en daar naar olie te boren - clandestiene betalingen hebben gedaan, gewapende rebellen hebben afgekocht en gebruik hebben gemaakt van de sfeer van angst en geweld die de veiligheidstroepen van de regering in het oosten van de DRC hebben gecreëerd;
8. is verheugd met de strategische milieubeoordeling van olie-exploratie/-exploitatie in het noordelijke deel van de Albertine Rift, waaronder in het VNP; is van oordeel dat de betrokken regeringen, waaronder die van de DRC, aan de hand van die beoordeling geïnformeerde besluiten moeten kunnen nemen op grond van een deugdelijke analyse van het effect van olie-exploratie en -exploitatie; betreurt evenwel dat het milieubeoordelingsproces ernstig is vertraagd en in het VNP al met de olie-exploratie is begonnen hoewel de bedoelde beoordeling nog niet klaar is;
9. onderstreept dat de kwestie van oliewinning in de DRC wordt gekenmerkt door een inadequaat en ineffectief wetgevings- en regelgevingsstelsel; vraagt de regering van de DRC de eigen wet- en regelgeving, die milieubelastende activiteiten, zoals olie-exploratie en -winning, in beschermde gebieden, zoals het Virunga National Park, verbiedt, te handhaven en na te leven, en de bestaande mazen in de ontwerpwetten voor koolwaterstoffen en natuurbescherming, die de exploratie en winning van natuurlijke rijkdommen in nationale parken en op werelderfgoedlocaties mogelijk maken, te dichten;
10. betuigt zijn waardering voor de inspanningen van het bestuur van het VNP om door de opwekking van energie uit zon en water duurzame inkomsten te genereren, wat de inkomenssituatie van heel wat lokale bevolkingsgroepen ten goede komt zonder het natuurgebied aan te tasten, en wat in het kader van de ontwikkeling van werelderfgoedlocaties ook is toegestaan;
11. wijst erop dat - sinds het begin van de jaren negentig - de conflicten met de gewapende guerrilla's die in en rond het park wonen tot ernstige mensenrechtenschendingen en veel van het geweld hebben geleid; wijst erop dat de Democratische Strijdkrachten voor de bevrijding van Rwanda (FDLR), een guerrillagroep die wordt beschuldigd van gruweldaden tijdens de genocide in Rwanda in het voorjaar van 1994 (die ook naar het oosten van de DRC is overgeslagen) zich al sinds 1996 in het VNP ophoudt en zich nog steeds over de grens in het park schuilhoudt, terwijl volgens berichten ook Mai-Mai-militieleden binnen het park veel mensen hebben gedood, verkracht en gewond, en dorpen hebben verwoest; verzoekt de regering van de DRC met klem om de rebellen te ontwapenen en de veiligheid in en rond het hele park te herstellen; betreurt daarnaast dat de repressie tegen mensenrechtenactivisten en journalisten in de DRC is toegenomen; dringt er nogmaals bij de regering van de DRC op aan de pers- en mediavrijheid te erkennen en te respecteren, en de rechtsstaat en de mensenrechten te eerbiedigen;
12. herinnert eraan dat volgens het Verdrag van Parijs voor de bescherming van cultureel en natuurlijk werelderfgoed de exploratie en de winning van olie niet samengaan met de status van werelderfgoed; onderstreept voorts dat het VNP leefgebied is voor veel bedreigde diersoorten, zoals de iconische berggorilla, waarvan de laatste exemplaren in dit park leven, en de okapi, en dat de habitats van bedreigde soorten actief moeten worden beschermd; verwelkomt het besluit van de regering van de DRC om een speciale brigade voor het bestrijden van de stroperij op te richten, en verzoekt haar om in samenwerking met het Cites-secretariaat te onderzoeken welke aanvullende juridische maatregelen kunnen worden getroffen, en deze vervolgens ook daadwerkelijk te nemen, om criminele netwerken die bij de illegale handel betrokken zijn, aan te pakken; verzoekt de regering van de DRC in bredere zin met klem om de rol van de parkopzichters uit te breiden en illegale activiteiten in het park te bestraffen;
13. onderstreept dat de regering van de DRC en SOCO International naar verluidt gesproken hebben over het wijzigen van de grenzen van het VNP met het oog op de vrijgave van een deel van het VNP, of van Virunga in zijn geheel, voor legale olieboringen, al schijnt de regering voor een dergelijke wijziging vooralsnog geen officiële toestemming bij UNESCO te hebben aangevraagd;
14. vraagt de Europese Dienst voor extern optreden een diplomatieke reactie van de EU-lidstaten en andere potentiële donors die in de DRC actief zijn, te coördineren, teneinde de regering van de DRC te helpen van olie-exploratie en -winning in het park, af te zien, alle vergunningen die voor olie-exploratie binnen het grondgebied van het Virunga National Park alsook in andere Congolese UNESCO-werelderfgoedgebieden zijn verleend, te annuleren, zoals gevraagd door het Werelderfgoedcomité, en wijzigingen aan de grenzen van het park c.q. inkrimpingen ervan af te wijzen;
15. vraagt de Commissie en de lidstaten zich voor de integriteit van het park in te zetten, bijvoorbeeld door de terbeschikkingstelling van meer financiële middelen voor duurzame natuurbescherming en economische ontwikkeling, en diversificatie van het omliggende gebied; vraagt met name de EU de regering van de DRC te helpen bij het ontwikkelen van duurzame energiebronnen en economische alternatieven voor de mijnbouw, bij het beter benutten van binnenlandse bronnen (in het bijzonder door rechtvaardige en progressieve belastingstelsels), bij het verbeteren van het bestuur, en het bestrijden van stroperij, illegale houtkap, illegale mijnbouw en corruptie, hetgeen allemaal hardnekkige euvels zijn die onomkeerbare schade aan het park dreigen te veroorzaken;
16. vraagt de Commissie en de lidstaten alle geëigende maatregelen te nemen om het milieubeoordelingsproces tot een werkelijk hulpmiddel bij de besluitvorming te maken;
17. onderstreept dat de EU-lidstaten uit hoofde van de internationale en de Europese mensenrechtenwetgeving erop toe moeten zien dat de bedrijven die op hun grondgebied actief zijn met hun bedrijfsactiviteiten noch direct, noch indirect mensenrechtenschendingen plegen of daartoe bijdragen, en dat zij zich houden aan de toepasselijke gedragscodes met sociale- en milieuprestatienormen, alsook aan instrumenten als ILO-Verdrag nr. 69, de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten; vraagt de Commissie en de lidstaten juridisch bindende maatregelen te nemen om bedrijven waarvan vaststaat dat zij de nationale wetgeving en internationale verdragen overtreden, daadwerkelijk ter verantwoording te roepen;
18. vraagt de Commissie en de lidstaten doeltreffende maatregelen te nemen voor het aanpakken van de achterliggende oorzaken van gewapende conflicten en corruptie, en ondersteuning te bieden aan duurzame ontwikkeling en vredesopbouwstrategieën en -projecten in het VNP en het omliggende gebied;
19. dringt er bij de Commissie, de lidstaten, de Democratische Republiek Congo en de oliemaatschappijen die naar olie willen boren op aan af te zien van de exploitatie van fossiele brandstoffen in het VNP en de aangrenzende gebieden;
20. vraagt de Europese Dienst voor extern optreden de nodige initiatieven te ontplooien om de regering van de DRC ertoe te bewegen onderzoeken in te stellen naar het geweld tegen mensenrechtenactivisten in de DRC, en met name in het VNP, alsook tegen parkwachters, en haar ertoe aan te zetten alles in het werk te stellen om te voorkomen dat dergelijke wreedheden zich herhalen;
21. dringt er bij de Europese dienst voor extern optreden op aan alle noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat in de eerste plaats het Britse Serious Fraud Office (SFO; Bureau voor ernstige fraudezaken) maar ook eventuele andere relevante rechtsinstanties een grondig onderzoek uitvoeren naar alle beschuldigingen van corruptie en fraude die het SFO heeft ontvangen met betrekking tot SOCO International plc en haar in de DRC geregistreerde onderneming SOCO Exploration and Production DRC SPRL (SOCO);
22. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Democratische Republiek Congo, de Republiek Oeganda en de Republiek Rwanda, het Werelderfgoedcomité, gehuisvest bij de UNESCO, het Milieuprogramma van de Verenigde Naties en het secretariaat van het Ramsar-verdrag.