Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2179(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0106/2016

Ingediende teksten :

A8-0106/2016

Debatten :

PV 27/04/2016 - 17
CRE 27/04/2016 - 17

Stemmingen :

PV 28/04/2016 - 4.44
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0180

Aangenomen teksten
PDF 186kWORD 82k
Donderdag 28 april 2016 - Brussel Definitieve uitgave
Kwijting 2014: Europees Spoorwegbureau (ERA)
P8_TA(2016)0180A8-0106/2016
Besluit
 Besluit
 Resolutie

1. Besluit van het Europees Parlement van 28 april 2016 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Spoorwegbureau voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2179(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Spoorwegbureau voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Spoorwegbureau betreffende het begrotingsjaar 2014 vergezeld van het antwoord van het Bureau(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2016 betreffende de aan het Agentschap te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05584/2016 – C8-0077/2016),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 881/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 tot oprichting van een Europees Spoorwegbureau(4), en met name artikel 39,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(6), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0106/2016),

1.  verleent de uitvoerend directeur van het Europees Spoorwegbureau kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees Spoorwegbureau, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB C 409 van 9.12.2015, blz. 238.
(2) PB C 409 van 9.12.2015, blz. 238.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 164 van 30.4.2004, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.


2. Besluit van het Europees Parlement van 28 april 2016 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Spoorwegbureau voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2179(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Spoorwegbureau voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Spoorwegbureau betreffende het begrotingsjaar 2014 vergezeld van het antwoord van het Bureau(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2016 betreffende de aan het Agentschap te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05584/2016 – C8-0077/2016),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 881/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 tot oprichting van een Europees Spoorwegbureau(4), en met name artikel 39,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(6), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0106/2016),

1.  stelt vast dat de definitieve jaarrekening van het Europees Spoorwegbureau overeenkomt met de weergave in de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Europees Spoorwegbureau voor het begrotingsjaar 2014;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees Spoorwegbureau, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB C 409 van 9.12.2015, blz. 238.
(2) PB C 409 van 9.12.2015, blz. 238.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 164 van 30.4.2004, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.


3. Resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2016 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Spoorwegbureau voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2179(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Spoorwegbureau voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0106/2016),

A.  overwegende dat de definitieve begroting van het Europees Spoorwegbureau ("het Bureau") voor het begrotingsjaar 2014 volgens zijn financiële staten 25 715 600 EUR bedroeg, hetgeen een daling van 0,55 % ten opzichte van 2013 betekent; overwegende dat de begroting van het Bureau volledig wordt gefinancierd met middelen van de begroting van de Unie;

B.  overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Europees Spoorwegbureau voor het begrotingsjaar 2014 (hierna "het verslag van de Rekenkamer") verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van het Bureau betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

Begrotings- en financieel beheer

1.  stelt vast dat de inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2014 hebben geresulteerd in een hoog uitvoeringspercentage van de begroting van 97,34 %, een daling met 0,53 % ten opzichte van 2013; stelt voorts vast dat het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten 85,82 % bedroeg, een daling van 2,3 % ten opzichte van het voorgaande jaar;

Vastleggingen en overdrachten

2.  verneemt uit het verslag van de Rekenkamer dat het niveau van overgedragen vastgelegde kredieten voor titel III (operationele uitgaven) 2 200 000 EUR (37,7 %) bedroeg; stelt voorts vast dat deze overdrachten verband houden met vertraging bij operationele en IT-projecten en het gevolg zijn van laat in het begrotingsjaar gesloten contracten vanwege aanbestedingsprocedures die pas na de vaststelling van het begrotings- en werkprogramma van het Bureau gestart werden; merkt op dat het Bureau de overdrachten nauwlettend volgt, en het uitvoeringspercentage in het volgende jaar ten minste 95 % bedraagt;

3.  dringt er bij het Bureau op aan de omvang van de naar het volgende jaar over te dragen vastgelegde kredieten in de toekomst zo laag mogelijk te houden, om de transparantie en de controleerbaarheid te versterken;

Aanbestedings- en aanwervingsprocedures

4.  maakt uit het verslag van de Rekenkamer op dat het Bureau een mededingingsprocedure heeft heropend voor de gunning van een specifiek contract in de context van de kaderovereenkomst betreffende het Europees verkeersbeheersysteem voor het spoor; merkt voorts op dat zowel de overmatige weging van kwaliteit als de hoge maximale contractwaarde in de heropende procedure geresulteerd hebben in financiële offertes die de maximale contractwaarde benaderden; heeft vernomen dat dit echter in tegenspraak is met de doelstelling van het heropenen van een mededingingsprocedure, namelijk waarborgen dat op prijs geconcurreerd wordt; onderkent dat ten tijde van de controle het Bureau voorbereidingen trof voor de opstelling van interne richtsnoeren voor het heropenen van mededingingsprocedures om betere prijsconcurrentie te waarborgen; verzoekt het Bureau de kwijtingsautoriteit van de vorderingen op dit gebied op de hoogte te houden;

5.  merkt op dat het Bureau zijn selectieprocedures heeft herzien en een aantal verbeteringen heeft aangebracht in de aanwervingsprocedure teneinde de transparantie en gelijke behandeling van kandidaten ten volle te waarborgen; stelt vast dat de dienst Interne Audit van de Commissie (IAS) enkele andere tekortkomingen heeft opgespoord met als gevolg dat het Bureau een controle vooraf heeft ingevoerd om onafhankelijk toezicht op de selectieprocedures te waarborgen;

6.  stelt vast dat het Bureau een besluit heeft genomen dat het gebruik van langdurige aanstellingen voor het operationele personeel mogelijk maakt; heeft vernomen dat op grond van de nieuwe regeling langdurige aanstellingen van het operationele personeel mogelijk zijn gemaakt omdat naar verwachting deze mogelijkheid in de nieuwe oprichtingsverordening van het Bureau(1) zal worden opgenomen;

7.  heeft vernomen dat het Bureau de cv's en de belangenverklaringen van het merendeel van de leden van de raad van bestuur heeft gepubliceerd; betreurt het evenwel dat diverse belangenverklaringen van leden van de raad van bestuur en van leidinggevend personeel nog ontbreken; wijst met klem op het feit dat deze praktijk niet overeenstemt met het beginsel van transparantie en dat het Bureau de resterende belangenverklaringen dus onverwijld moet publiceren;

8.  wijst op de resultaten van de eerste benchmarking van de posten van het Bureau, met 20,9 % van de functies gericht op administratieve ondersteuning, 67,6 % op operationele taken en 11,7 % op financiële en controletaken;

9.  onderkent dat de in 2014 uitgevoerde selectie- en wervingsprocedures geleid hebben tot een voltooiingspercentage van 96 % van het formatieplan; is ingenomen dat het grote verloop bij het operationele personeel is verminderd en verwacht dat de vaststelling van de nieuwe verordening betreffende het Europees Spoorwegbureau zal zorgen voor een passend evenwicht bij het Bureau tussen personeel met een kort en een lang dienstverband, met name in operationele eenheden, om de continuïteit van de werkzaamheden te waarborgen;

Preventie van en omgang met belangenconflicten en transparantie

10.  heeft vernomen dat het Bureau de cv's en de belangenverklaringen van het merendeel van de leden van de raad van bestuur heeft gepubliceerd; stelt vast dat het Bureau voornemens is de resterende belangenverklaringen van de leden van de raad van bestuur, alsook van het leidinggevend personeel, te publiceren;

11.  neemt kennis van het feit dat de strategie voor fraudebestrijding van het Bureau in november 2014 bij de raad van bestuur is ingediend en in maart 2015 is goedgekeurd; stelt vast dat deze fraudebestrijdingsstrategie de methodologie en richtsnoeren voor fraudebestrijdingsstrategieën voor gedecentraliseerde EU-agentschappen van het Europees Bureau voor fraudebestrijding volledig in aanmerking neemt, en doelstellingen inzake fraudebestrijding bevat voor de uitvoerend directeur en de raad van bestuur;

12.  wijst erop dat het Bureau sinds 2012 een beleid inzake belangenconflicten voert voor het personeel en gedetacheerde nationale deskundigen; onderkent dat dit beleid binnen afzienbare tijd zal worden herzien en verzoekt het Bureau om de kwijtingsautoriteit van de vorderingen op dit gebied op de hoogte te houden;

Interne audit

13.  heeft vernomen van het Bureau dat de IAS in de loop van 2014 een aanbeveling heeft gedaan die als "zeer belangrijk" aangemerkt is, en dat deze in december 2015 door het Bureau als afgesloten is beschouwd; neemt kennis van het feit dat, als resultaat van de follow-up van IAS van audit-aanbevelingen uit voorgaande jaren, twee aanbevelingen door het Bureau zijn afgesloten en eind 2015 door het Bureau aan vier aanbevelingen vervolg werd gegeven; verzoekt het Bureau om de kwijtingsautoriteit van de vorderingen van de tenuitvoerlegging van deze aanbevelingen op de hoogte te houden;

Interne controles

14.  onderkent dat in maart 2014 een coördinator voor de interne controles is benoemd om de ontwikkeling van een geïntegreerd beheersysteem en de tenuitvoerlegging van de internecontrolenormen te ondersteunen, hetgeen de kwaliteit en relevantie van de werkzaamheden van het Bureau zal verhogen;

15.  heeft vernomen dat tijdens het begrotingsjaar 2014 het Bureau de effectiviteit van zijn belangrijkste internecontrolesystemen heeft beoordeeld en tot de conclusie is gekomen dat de 16 internecontrolenormen (ICN) doeltreffend ten uitvoer gelegd worden; stelt voorts vast dat uit de door het Bureau verrichte beoordeling blijkt dat aan acht internecontrolenormen volledig en aan de andere acht ICN gedeeltelijk voldaan werd; verzoekt het Bureau de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen van de resultaten van zijn actieplannen om tot volledige naleving van de belangrijkste ICN te komen;

Resultaten

16.  neemt kennis van het grote aantal outputs (240) en kernprestatie-indicatoren (41) in het werkprogramma 2014 en het jaarverslag van het Bureau; is van mening dat een verslagleggingssysteem dat is gebaseerd op de impact van het Bureau op de spoorwegsector de transparantie en zichtbaarheid van de taak van het Bureau zou vergroten;

Overige opmerkingen

17.  stelt vast dat in 2014 de deelname van het maatschappelijk middenveld aan de werkzaamheden van het Bureau verzekerd was middels de vertegenwoordiging van de belanghebbenden van het Bureau in de raad van bestuur, en middels de raadplegingsprocedure in het kader van de opstelling van het werkprogramma; stelt vast dat het Bureau zichtbaar is door zijn aanwezigheid op sociale media, deelname aan openbare evenementen, samenwerking met de academische wereld op het gebied van spoorwegen, instelling van werkgroepen en periodieke enquêtes onder belanghebbenden met het oog op het verkrijgen en analyseren van feedback van de belangengroepen;

18.  roept op tot een algehele verbetering van de preventie en bestrijding van corruptie door middel van een holistische benadering, te beginnen bij betere toegankelijkheid van documenten voor het publiek en striktere regels voor belangenconflicten, invoering of versterking van transparantieregisters en beschikbaarstelling van voldoende middelen voor wetshandhavingsmaatregelen, alsook door middel van verbeterde samenwerking tussen de lidstaten onderling en met betrokken derde landen;

19.  stelt dat de jaarverslagen van het Bureau een belangrijke rol zouden kunnen vervullen bij de naleving van de normen inzake transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit; dringt er bij het Bureau op aan in zijn jaarverslag een standaardhoofdstuk over deze punten op te nemen;

20.  stelt vast dat het Bureau zijn rekenplichtige deelt met de Europese Autoriteit voor effecten en markten en bepaalde voorzieningen met het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie, om synergieën tot stand te brengen en kosteneffectiviteit te bereiken;

21.  merkt op dat het Bureau, hoewel het in 2005 operationeel werd, op basis van briefwisseling en uitwisselingen met de gastlidstaat werkt, aangezien er geen alomvattende overeenkomst inzake de hoofdzetel tussen het Bureau en de lidstaat is gesloten; onderkent dat de regering van de gastlidstaat onlangs over deze kwestie informele besprekingen met het Bureau is begonnen; verzoekt het Bureau en de gastlidstaat deze kwestie zo snel mogelijk op te lossen en de kwijtingsautoriteit op de hoogte te brengen van de vorderingen van de onderhandelingen;

22.  betreurt het dat er extra kosten ontstaan doordat het Bureau zijn werkzaamheden op twee plaatsen verricht en vindt dit een verkwisting van het geld van de Europese belastingbetaler; dringt erop aan dat dit probleem wordt aangepakt om verdere verspilling van belastinggeld te voorkomen en ervoor te zorgen dat het Bureau weer efficiënt kan functioneren, alsook om onnodige indirecte kosten te vermijden zoals "verloren" werkuren vanwege reizen en bijkomend administratief werk;

23.  wijst op de rol van het Bureau bij het waarborgen van de veiligheid en de interoperabiliteit van het Europese spoorwegstelsel; is ingenomen met de rol van het Bureau in de follow-up van het ontwikkelen, testen en uitvoeren van het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS) en bij het evalueren van de specifieke ERTMS-projecten; herinnert er bovendien aan dat de taak (bijv. één loket voor voertuiggoedkeuringen en veiligheidscertificaten) en de bevoegdheden van het Bureau momenteel herzien worden in het kader van het vierde spoorwegpakket; dringt erop aan dat het Bureau, als zijn takenpakket worden uitgebreid, de nodige financiële, materiële en personele middelen tot zijn beschikking krijgt om zijn nieuwe en bijkomende taken doeltreffend en efficiënt te kunnen uitvoeren; neemt met verontrusting kennis van de tegenstrijdigheid tussen de onlangs aangenomen wetgeving ter uitbreiding van het takenpakket van het Bureau en de besparingen op de begroting van het Bureau die in het kader van het meerjarig financieel kader 2014-2020 zullen worden doorgevoerd;

24.  spoort het Bureau aan met de lidstaten samen te werken om het aantal en de kwaliteit van de in het kader van het vervoersprogramma Connecting Europe Facility (CEF) voorgestelde spoorwegprojecten , met name ERTMS-projecten, te verhogen; herinnert aan het standpunt van het Parlement in de begrotingsprocedure inzake de terugwinning van de totale bedragen die zijn overgeheveld van de CEF naar het Europees Fonds voor strategische investeringen;

o
o   o

25.  verwijst voor andere opmerkingen van horizontale aard bij het kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 28 april 2016(2) over het functioneren en het financiële beheer van en de controle op de agentschappen.

(1) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004, COM(2013)0027 van 30.1.2013.
(2) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2016)0159.

Juridische mededeling - Privacybeleid