Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 4 februari 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
De mensenrechtensituatie op de Krim, met name van de Krim-Tataren
 Bahrein: het geval Mohammed Ramadan
 De zaak van de vermiste boekuitgevers in Hongkong
 Voortgangsverslag 2015 over Servië
 Europees integratieproces van Kosovo
 Situatie in Libië
 Insulaire gebieden
 De rol van lokale en regionale autoriteiten in de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF)
 Systematische massamoord op religieuze minderheden door IS

De mensenrechtensituatie op de Krim, met name van de Krim-Tataren
PDF 174kWORD 73k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 februari 2016 over de mensenrechtensituatie in de Krim, in het bijzonder van de Krim-Tataren (2016/2556(RSP))
P8_TA(2016)0043RC-B8-0173/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn vorige resoluties over het oostelijke partnerschap, Oekraïne en de Russische Federatie,

–  gezien het rapport van de Human Rights Assessment Mission naar de Krim van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) van de OVSE, en het rapport van de hoge commissaris voor de nationale minderheden (HCNM) van de OVSE,

–  gezien de besluiten van de Europese Raad (van 21 maart, 27 juni en 16 juli 2014) betreffende het opleggen van sancties aan de Russische Federatie naar aanleiding van de illegale annexatie van de Krim,

–  gezien het "Report on the human rights situation in Ukraine - 16 augustus to 15 november 2015" van het Bureau van de hoge commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten,

–  gezien resolutie 68/262 van de Algemene Vergadering van de VN van 27 maart 2014 getiteld "Territorial integrity of Ukraine",

–  gezien het rapport "Freedom in the World in 2016" van Freedom House, waarin de situatie van de politieke en burgerlijke vrijheden in de illegaal geannexeerde Krim als "niet vrij" wordt beoordeeld,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Russische Federatie de Krim en Sevastopol illegaal heeft geannexeerd en daarmee het internationaal recht, met inbegrip van het VN-Handvest, de Slotakte van Helsinki, het Memorandum van Boedapest van 1994 en het Verdrag inzake vriendschap, samenwerking en partnerschap tussen de Russische Federatie en Oekraïne van 1997, heeft geschonden;

B.  overwegende dat de Oekraïners, met inbegrip van de Krim-Tataren, en het Oekraïense leger tijdens de illegale annexatie van de Krim door de Russische Federatie in maart 2014 hebben getuigd van veel moed en trouw aan Oekraïne, en zich vreedzaam tegen deze daad van oorlog hebben verzet; overwegende dat meerdere internationale organisaties en mensenrechtengroeperingen de ernstige schendingen van de mensenrechten op het schiereiland sinds de illegale annexatie ervan door de Russische Federatie in het begin van 2014 aan de kaak hebben gesteld;

C.  overwegende dat melding is gemaakt van gerichte aanvallen op de Tataren, waarvan de meesten zich tegen de Russische overname hebben verzet en het zogenaamde referendum op 16 maart 2014 hebben geboycot, met name door de implementatie van Ruslands vage en buitensporig brede "anti-extremisten"-wetgeving, die erop is gericht critici te intimideren of het zwijgen op te leggen; overwegende dat het in dit verband tot ontvoeringen, gedwongen verdwijningen, geweld, foltering en buitengerechtelijke executies komt, en dat de de facto autoriteiten deze niet onderzoeken en vervolgen;

D.  overwegende dat verscheidene leiders van de Krim-Tataren, zoals Mustafa Dzhemiliev, lid van de Verkhovna Rada van Oekraïne, en Refat Chubarov, de voorzitter van de Mejlis, de toegang tot de Krim is ontzegd; overwegende dat zij op dit moment wel naar de Krim mogen, maar dan het gevaar lopen onder huisarrest te worden geplaatst; overwegende dat een Russische rechtbank een arrestatiebevel heeft uitgevaardigd tegen Mustafa Dzhemiliev, die eerder reeds 15 jaar in Sovjet-gevangenissen heeft doorgebracht vanwege zijn inspanningen om de Tataren naar het land van hun voorvaderen in de Krim te kunnen laten terugkeren;

E.  overwegende dat alle religieuze gemeenschappen, met inbegrip van christelijke kerken die onafhankelijk zijn van Moskou, in hun activiteiten worden beperkt; overwegende dat de problemen zich manifesteren in de vorm van ernstige inperkingen van de vrijheid van vereniging, onteigeningen, de weigering om de geldigheidsduur van documenten te verlengen en regelmatige huiszoekingen in de nog bestaande gebouwen van de religieuze organisaties in kwestie;

F.  overwegende dat personen die na de annexatie hebben geweigerd het Russische staatsburgerschap te aanvaarden, worden gediscrimineerd en op alle terreinen van het politieke, sociale en economische leven moeilijkheden ondervinden;

G.  overwegende dat de OVSE, de VN en de Raad van Europa, en eerst en vooral mensenrechten-ngo's en onafhankelijke journalisten, door Rusland de toegang tot de Krim wordt ontzegd; overwegende dat dit het erg moeilijk maakt om de mensenrechtensituatie in de Krim in kaart te brengen en er verslag over uit te brengen;

H.  overwegende dat de totale bevolking van Krim-Tataren, een inheemse bevolkingsgroep in de Krim, in 1944 naar andere delen van de USSR is gedeporteerd en pas in 1989 werd toegestaan terug te keren; overwegende dat de Verkhovna Rada van Oekraïne op 12 november 2015 een resolutie heeft aangenomen waarin de deportatie van de Krim-Tataren in 1944 als genocide wordt erkend en 18 mei tot een dag van herinnering wordt uitgeroepen;

1.  herhaalt dat het de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne binnen zijn internationaal erkende grenzen, alsook het recht van Oekraïne om vrij en soeverein voor een Europees pad te kiezen, krachtig steunt; herinnert eraan dat het de illegale annexatie van het Krim-schiereiland door Rusland met klem veroordeelt, en dat de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap onverminderd vasthouden aan het beleid van niet-erkenning van de illegale annexatie van de Krim; herinnert er daarnaast aan dat herstel van de controle van Oekraïne over het schiereiland een van de voorwaarden is voor het opnieuw aangaan van coöperatieve betrekkingen met de Russische Federatie, en voor het opheffen van de sancties die naar aanleiding van de illegale annexatie van de Krim zijn opgelegd;

2.  veroordeelt met klem de ongekende mensenrechtenschendingen die worden begaan tegen inwoners van de Krim, met name Krim-Tataren, die de macht van de zogenaamde plaatselijke autoriteiten niet accepteren, waarbij vooral het voorwendsel van bestrijding van extremisme of terrorisme wordt gebruikt;

3.  veroordeelt de ernstige inperking van de vrijheid van meningsuiting, van vereniging en van vreedzame vergadering, waaronder in het kader van traditionele herinneringsmanifestaties zoals de herdenking van de deportatie van de Krim-Tataren door het totalitaire Sovjet-regime van Stalin, en van culturele bijeenkomsten van de Krim-Tataren; onderstreept dat de Tataren, als een inheems volk van de Krim, in overeenstemming met het internationaal recht het recht hebben hun onderscheiden politieke, wettelijke, economische, sociale en culturele instituties te bewaren en te versterken; dringt erop aan de Mejlis, als de wettelijke vertegenwoordiging van de Krim-Tataren, te eerbiedigen, en de leden ervan niet te intimideren en stelselmatig te vervolgen; maakt zich zorgen over de schending van de eigendomsrechten en vrijheden van de Krim-Tataren, alsook over het feit dat deze groep wordt geïntimideerd en gevangen gezet, en over het feit dat hun burger-, politieke en culturele rechten met voeten worden getreden; vindt het ook zorgwekkend dat media en organisaties van het maatschappelijk middenveld aan restrictieve herregistratievereisten worden onderworpen;

4.  verzoekt de Russische en de de facto plaatselijke autoriteiten alle gevallen van verdwijning, foltering en mensenrechtenschending door de politie en de paramilitaire troepen die sinds februari 2014 in de Krim actief zijn, doeltreffend, onafhankelijk en transparant te onderzoeken;

5.  herinnert eraan dat de Russische Federatie, als bezettingsmacht, de plicht heeft ervoor te zorgen dat de veiligheid van de hele bevolking en de eerbiediging van de mensen-, culturele en religieuze rechten van de inheemse Tataren en alle andere minderheden in de Krim worden gerespecteerd, en dat de rechtsstaat in de Krim wordt gehandhaafd;

6.  herinnert eraan dat vertegenwoordigers en onafhankelijke deskundigen van de OVSE, de Verenigde Naties en de Raad van Europa hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk de toegang tot het Krim-schiereiland is ontzegd en derhalve niet in staat zijn geweest de mensenrechtensituatie aldaar in kaart te brengen, ondanks hun desbetreffende mandaat;

7.  verzoekt de Russische Federatie en de de facto plaatselijke autoriteiten van de Krim, die gehouden zijn aan het internationale humanitaire recht en de internationale mensenrechtenwetgeving, vertegenwoordigers en onafhankelijke deskundigen van de OVSE, de Verenigde Naties en de Raad van Europa, alsook mensenrechten-ngo's en media die het gebied willen bezoeken om de situatie in de Krim te beoordelen en er verslag over uit te brengen, onbeperkte toegang tot het schiereiland te geven; verzoekt de Raad en de EDEO met het oog hierop druk op Rusland uit te oefenen; verwelkomt het besluit van de secretaris-generaal van de Raad van Europa zijn speciale afgezant voor de mensenrechten naar de Krim te sturen, hetgeen het eerste bezoek na de Russische annexatie was, op basis waarvan de situatie ter plekken naar verwachting aan een nieuwe beoordeling kan worden onderworpen; is benieuwd naar zijn bevindingen; benadrukt dat elke internationale aanwezigheid op het terrein met Oekraïne moet worden gecoördineerd;

8.  verwelkomt het dat Oekraïne het initiatief heeft genomen voor een internationaal mechanisme - in "Genève plus-formaat", waarbij ook in rechtstreekse betrokkenheid van de EU is voorzien - voor onderhandelingen over herstel van de soevereiniteit van Oekraïne over de Krim; roept Rusland op met Oekraïne en andere partijen onderhandelingen te starten over beëindiging van de bezetting van de Krim en opheffing van de handels- en energie-embargo's, en een eind te maken aan de staat van beleg in de Krim;

9.  betreurt het dat leiders van de Tataren worden verhinderd naar de Krim terug te keren en worden vervolgd, en ook dat andere leden van de Mejlis steeds meer en op onaanvaardbare wijze onder druk worden gezet; betreurt verder de onterechte sluiting van het mediabedrijf ATR, dat door veel Tataren werd gevolgd; verzoekt de Commissie de noodzakelijke financiële hulp ter beschikking te stellen om dit mediabedrijf en andere naar Oekraïne uitgeweken mediabedrijven in staat te stellen te blijven functioneren; beschouwt de sluiting van scholen en klassen van Krim-Tataren en de beperkingen op het gebruik van het Tataars een grove schending van de grondrechten van de leden van deze bevolkingsgroep, en veroordeelt ook het feit dat het Oekraïens uit de publieke ruimte is verdwenen;

10.  dringt erop aan het multiculturele karakter van de Krim te handhaven en het Oekraïens, Tataars en andere minderheidstalen en culturen volledig te respecteren;

11.  betreurt dat het de facto bestuur de werking van de Mejlis van de Krim-Tataren, het hoogste uitvoerende en vertegenwoordigende orgaan van deze bevolkingsgroep, belemmert door de sluiting van het hoofdkantoor en de inbeslagname van zijn eigendommen, alsook andere vormen van intimidatie;

12.  veroordeelt de stelselmatige aanvallen op de onafhankelijke media, journalisten en activisten van het maatschappelijk middenveld in de Krim; betreurt de gedwongen afgifte van Russische paspoorten aan Oekraïense burgers van de Krim door de Russische Federatie; veroordeelt het verder dat de de facto autoriteiten de inwoners van de Krim het Russische staatsburgerschap opdringen;

13.  steunt eens te meer het besluit van de EU importen vanuit de Krim te verbieden, tenzij deze worden vergezeld door een certificaat van oorsprong van de Oekraïense autoriteiten, alsook het besluit betreffende restrictieve maatregelen voor de export van bepaalde goederen en technologieën naar, investeringen in, en handel en diensten met de Krim; verzoekt de Raad deze sancties te handhaven zolang als de Krim niet opnieuw volledig in het staatsbestel van Oekraïne is geïntegreerd;

14.  vraagt de Russische Federatie een onderzoek in te stellen naar alle gevallen van foltering van personen die illegaal in de Krim zijn gearresteerd, gevangenen zoals Oleg Sentsov en Oleksander Kolchenko, alsook Ahtem Chiigoz, de ondervoorzitter van de Mejlis, en Mustafa Degermendzhi en Ali Asanov, die in de Krim voor hun vreedzame protest tegen de bezetting zijn gearresteerd, vrij te laten en hun een veilige aftocht naar Oekraïne te garanderen; verzoekt de Russische Federatie met klem een eind te maken aan de politiek gemotiveerde vervolging van dissidenten en burgerrechtenactivisten; veroordeelt het dat zij in dat kader naar Rusland worden overgebracht en het feit dat zij worden gedwongen het Russische staatsburgerschap aan te nemen;

15.  veroordeelt de militarisering van het Krim-schiereiland met alle negatieve gevolgen van dien voor het sociaal-economische leven, alsook het dreigement van Rusland om in de Krim kernwapens te plaatsen, die een ernstige bedreiging vormen voor de regionale, Europese en mondiale veiligheid; roept nog eens op tot terugtrekking van alle Russische troepen van de Krim en uit het oosten van Oekraïne;

16.  beklemtoont dat economische samenwerking, alsook de levering van goederen en diensten, tussen Oekraïne en het tijdelijk bezette Krim-schiereiland, moeten plaatsvinden binnen het wettelijk en door alle partijen te respecteren kader van Oekraïne, waarmee eventuele negatieve gevolgen voor de bevolking in de Krim worden vermeden; verzoekt de autoriteiten eventuele inbreuken op dit beginsel te onderzoeken en te beëindigen;

17.  uit zijn grote bezorgdheid over de situatie van de LGBTI-gemeenschap in de Krim, die na de Russische annexatie aanzienlijk is verslechterd, alsook over de repressie en bedreigingen door de de facto autoriteiten en paramilitaire groeperingen;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de VV/HV, de Raad, de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de president, de regering en het parlement van Oekraïne, de Raad van Europa, de OVSE, de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie, en de Mejlis van de Krim-Tataren.


Bahrein: het geval Mohammed Ramadan
PDF 170kWORD 71k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 februari 2016 over Bahrein: de zaak van Mohammed Ramadan (2016/2557(RSP))
P8_TA(2016)0044RC-B8-0174/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Bahrein, in het bijzonder die van 9 juli 2015 over Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab(1),

–  gezien de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie, die bij koninklijk besluit is opgericht om de gebeurtenissen van februari 2011 in Bahrein en de gevolgen daarvan te onderzoeken en daarover verslag uit te brengen, en die in november 2011 haar verslag heeft gepubliceerd,

–  gezien de indiening van het tweede jaarverslag door dr. Abdulaziz Abul, voorzitter van het Nationaal Instituut voor de mensenrechten, aan luitenant-generaal sjeik Rashid bin Abdullah Al-Khalifa, minister van Binnenlandse Zaken, op 27 januari 2016,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 33 staten over Bahrein die is afgelegd tijdens de 30e zitting van de VN-Mensenrechtenraad op 14 september 2015,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 16 juli 2015 over Bahrein van de speciale VN-rapporteur over de situatie van mensenrechtenverdedigers, de speciale VN-rapporteur voor de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting en de speciale VN-rapporteur over de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging,

–  gezien het verslag van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie van november 2011,

–  gezien de oproep tot onmiddellijke vrijlating van dr. Abduljalil al-Singace, een politieke gevangene die in hongerstaking is,

–  gezien het besluit van de ministerraad van de Arabische Liga, dat is genomen tijdens de vergadering van 1 september 2013 in Caïro, om een pan-Arabische rechtbank voor mensenrechten op te richten in Manama, de hoofdstad van Bahrein,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst van 1989 tussen de Europese Unie en de Samenwerkingsraad van de Golf (GCC),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, die op 12 april 2013 zijn herzien,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IPPR) van 1966, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, die Bahrein allemaal heeft ondertekend,

–  gezien resolutie 68/178 van de Algemene Vergadering van de VN en resolutie 25/7 van de VN-Mensenrechtenraad over de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden bij de bestrijding van terrorisme,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Bahrein een belangrijke partner van de Europese Unie in de Perzische Golf is, onder meer op het gebied van politieke en economische betrekkingen, energie en veiligheid; overwegende dat het in ons gemeenschappelijk belang is om ons partnerschap verder te verdiepen teneinde toekomstige uitdagingen beter het hoofd te kunnen bieden;

B.  overwegende dat de Bahreinse autoriteiten sinds het begin van de opstanden in 2011 steeds meer gebruik maken van op aantijgingen van terrorisme gebaseerde repressieve maatregelen tegen vreedzame betogers, met inbegrip van de doodstraf; overwegende dat de Bahreinse rechtbanken in 2015 zeven nieuwe doodstraffen hebben uitgesproken;

C.  overwegende dat Mohammed Ramadan, een 32-jarige veiligheidsagent op de luchthaven, op 18 februari 2014 door de Bahreinse autoriteiten is gearresteerd op beschuldiging van deelname – samen met Hussain Ali Moosa, die eerder was gearresteerd – aan een bomaanslag in Al Dair op 14 februari 2014, waarbij één veiligheidsbeambte is omgekomen en verscheidene andere gewond zijn geraakt;

D.  overwegende dat de heer Ramadan naar verluidt zonder aanhoudingsbevel is gearresteerd en dat beide mannen beweren dat zij in elkaar zijn geslagen en zijn gefolterd tot zij erin toestemden te bekennen, maar dat zij hun bekentenis vervolgens voor de openbare aanklager hebben ingetrokken; overwegende dat hun bekentenis, die dus onder foltering zou zijn verkregen, het voornaamste bewijs was tijdens het proces tegen de heer Ramadan en de heer Moosa;

E.  overwegende dat een Bahreinse strafrechter de heer Ramadan en de heer Moosa op 29 december 2014 ter dood heeft veroordeeld; overwegende dat zij samen met tien andere verdachten zijn veroordeeld, van wie er negen tot zes jaar gevangenis zijn veroordeeld en één tot levenslang; overwegende dat de Bahreinse antiterrorismewet is ingeroepen om de doodstraf te rechtvaardigen;

F.  overwegende dat het Hof van Cassatie, de hoogste beroepsinstantie van Bahrein, de terdoodveroordeling van de heer Ramadan en de heer Moosa op 16 november 2015 heeft bevestigd hoewel zij hun bekentenis hadden ingetrokken en herhaalden dat die door foltering was verkregen; overwegende dat de Bahreinse rechtbanken geen rekening hebben gehouden met hun beweringen en niet eens een onderzoek hebben ingesteld;

G.  overwegende dat de heer Ramadan slechts één van de tien personen is die in Bahrein in de dodencel zitten, en de eerste is die sinds 2011 ter dood is veroordeeld; overwegende dat de heer Ramadan een van de eersten is die alle beroepsmiddelen hebben uitgeput, en dat hij het risico loopt onmiddellijk te worden terechtgesteld; overwegende dat er in de zaak van de heer Ramadan voor zover geweten is geen onderzoek is gevoerd naar de aantijgingen van foltering;

H.  overwegende dat vijf mensenrechtendeskundigen van de VN op 14 augustus 2014 bij de Bahreinse regering hun bezorgdheid hebben geuit over de aantijgingen betreffende de willekeurige arrestatie, detentie en foltering van negen Bahreinse onderdanen, onder wie de heer Ramadan, en hun veroordeling na processen die niet voldeden aan de internationale normen inzake een eerlijk proces en eerlijke rechtsbedeling;

I.  overwegende dat verscheidene mensenrechtenorganisaties bewijzen hebben van oneerlijke processen, foltering en doodstraffen in Bahrein, die inbreuken vormen op verschillende mensenrechtenverdragen, zoals het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat Bahrein in 2006 heeft ondertekend;

J.  overwegende dat de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie, die op 29 juni 2011 bij koninklijk besluit nr. 28 in het Koninkrijk Bahrein is opgericht om de gebeurtenissen van februari 2011 in Bahrein te onderzoeken en daarover verslag uit te brengen, een reeks aanbevelingen heeft geformuleerd over mensenrechten en politieke hervormingen;

K.  overwegende dat een van de 26 aanbevelingen van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie erin bestond alle doodstraffen voor daden naar aanleiding van de gebeurtenissen van februari en maart 2011 te laten omzetten; overwegende dat dit een van de twee aanbevelingen was die volledig zijn uitgevoerd, hetgeen een positieve stap was in de richting van de afschaffing van de doodstraf;

L.  overwegende dat deze aanbevelingen de Bahreinse regering er sinds 2012 toe hebben gebracht drie instanties op te richten – de Ombudsman bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken, een Afdeling speciale onderzoeken bij het Openbaar Ministerie, en de Commissie rechten van gevangenen en arrestanten – die als gemeenschappelijke opdracht hebben een einde te maken aan foltering in ondervragings- en detentiecentra;

M.  overwegende dat de Bahreinse autoriteiten met tal van recente maatregelen de rechten en vrijheden van delen van de bevolking blijven schenden en beperken, met name het recht van burgers op vreedzaam protest, vrijheid van meningsuiting en digitale vrijheid; overwegende dat mensenrechtenactivisten stelselmatig het doelwit zijn en het slachtoffer zijn van intimidatie en detentie;

N.  overwegende dat er berichten zijn dat Bahrein nog steeds een groot aantal gewetensgevangenen vasthoudt;

O.  overwegende dat de Bahreinse ordestrijdkrachten naar verluidt nog steeds gedetineerden folteren;

1.  uit zijn bezorgdheid en teleurstelling over het feit dat Bahrein opnieuw de doodstraf toepast; vraagt dat het moratorium op de doodstraf opnieuw wordt ingevoerd als eerste stap in de richting van de afschaffing van de doodstraf; vraagt de regering van Bahrein, en met name Zijne Majesteit sjeik Hamad bin Isa Al Khalifa, om Mohammed Ramadan koninklijke gratie te verlenen of zijn straf om te zetten;

2.  veroordeelt ten stelligste het aanhoudende gebruik van foltering en andere wrede of onterende behandeling of bestraffing van gevangenen door de ordestrijdkrachten; is uiterst bezorgd over de lichamelijke en geestelijke integriteit van de gevangenen;

3.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de antiterrorismewetten in Bahrein worden gebruikt om politieke opvattingen en overtuigingen te bestraffen en burgers te beletten aan politiek te doen;

4.  benadrukt dat het verplicht is ervoor te zorgen dat mensenrechtenverdedigers worden beschermd en dat zij hun werkzaamheden kunnen uitvoeren zonder daarbij te worden belemmerd, geïntimideerd of lastiggevallen;

5.  neemt er nota van dat de Bahreinse regering inspanningen doet om het strafwetboek en de wettelijke procedures van het land te hervormen, en moedigt haar ertoe aan dit proces voort te zetten; vraagt de Bahreinse regering de internationale normen inzake een eerlijk proces en eerlijke rechtsbedeling na te leven en de internationale minimumnormen als vermeld in de artikelen 9 en 14 van het ICCPR in acht te nemen;

6.  vraagt de bevoegde autoriteiten onmiddellijk een onafhankelijk onderzoek naar de aantijgingen van foltering te voeren, mensen die van foltering worden verdacht, te vervolgen en alle veroordelingen op grond van bekentenissen die door foltering zijn verkregen, ongedaan te maken;

7.  herinnert de Bahreinse autoriteiten eraan dat artikel 15 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, verbiedt dat verklaringen die door foltering zijn verkregen, tijdens een proces als bewijs worden gebruikt; vraagt om onverwijlde ratificering van het facultatieve protocol bij het Verdrag tegen foltering en het tweede facultatieve protocol bij het ICCPR, dat de afschaffing van de doodstraf tot doel heeft;

8.  vraagt de Bahreinse regering onverwijld een open uitnodiging te richten aan de speciale VN-rapporteur over foltering om het land te bezoeken, en onbelemmerde toegang te geven tot gedetineerden en alle detentiecentra;

9.  neemt kennis van de aanbevelingen van de Ombudsman, de Commissie voor de rechten van gevangenen en gedetineerden en het Nationaal Instituut voor de mensenrechten, met name wat de rechten van gedetineerden en hun verblijfsomstandigheden in de gevangenis betreft, ook met betrekking tot aantijgingen van mishandeling en foltering; vraagt de Bahreinse regering wel toe te zien op de onafhankelijkheid van de Ombudsman en de Commissie voor de rechten van gevangenen en gedetineerden, en de onafhankelijkheid van de Afdeling speciale onderzoeken bij het Openbaar Ministerie te waarborgen;

10.  benadrukt het belang van de steun die Bahrein heeft gekregen, met name voor zijn gerechtelijk apparaat, om ervoor te zorgen dat de internationale mensenrechtennormen worden nageleefd; beveelt sterk aan om een mensenrechtenwerkgroep tussen de EU en Bahrein op te richten;

11.  vraagt de Bahreinse autoriteiten het willekeurige reisverbod tegen Nabeel Rajab op te heffen en alle in behandeling zijnde aanklachten in verband met de vrijheid van meningsuiting tegen hem in te trekken;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van het Koninkrijk Bahrein en de leden van de Samenwerkingsraad van de Golf.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0279.


De zaak van de vermiste boekuitgevers in Hongkong
PDF 174kWORD 72k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 februari 2016 over de zaak van de vermiste boekhandelaars in Hongkong (2016/2558(RSP))
P8_TA(2016)0045RC-B8-0175/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in China, meer bepaald die van 16 december 2015 over de betrekkingen EU-China(1) en die van 13 maart 2014 over EU-prioriteiten voor de 25e vergadering van de VN-Raad voor de mensenrechten(2),

–  gezien de verklaring van 7 januari 2016 van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) over de verdwijning van personen die verbonden zijn aan de uitgeverij Mighty Current in Hongkong,

–  gezien de verklaring van 29 januari 2016 van de EDEO over EU-zorgen over de mensenrechtensituatie in China,

–  gezien het in april 2015 gepubliceerde jaarverslag 2014 van de Commissie over de Speciale Administratieve Regio Hongkong,

–  gezien de diplomatieke betrekkingen tussen de EU en China die op 6 mei 1975 zijn aangeknoopt,

–  gezien het in 2003 gelanceerde strategische partnerschap EU-China,

–  gezien de strategische agenda 2020 voor samenwerking tussen de EU en China, die op 21 november 2013 is aangenomen,

–  gezien de onderhandelingen over een nieuwe partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst die zijn opgeschort,

–  gezien de goedkeuring van de nieuwe wet op de nationale veiligheid door het permanente comité van het Chinese Nationale Volkscongres van 1 juli 2015 en de publicatie van het tweede ontwerp van een nieuwe wet op het beheer van buitenlandse ngo's van 5 mei 2015,

–  gezien de dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten, die is gestart in 1995, en de 34e ronde hiervan die is gehouden op 30 november en 1 december 2015 in Peking,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de slotopmerkingen van het VN-Mensenrechtencomité over het derde periodieke verslag over Hongkong, China, dat het tijdens de 107e zitting (11-28 maart 2013) heeft aangenomen,

–  gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité tegen Foltering over het vijfde periodieke verslag over China, dat het tijdens de 1391e en 1392e zitting (2 en 3 december 2015) heeft aangenomen,

–  gezien de basiswet van de Speciale Administratieve Regio Hongkong van de Volksrepubliek China, meer bepaald de artikelen over persoonlijke vrijheden en persvrijheid, en het handvest van rechten van Hongkong,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de voorbije vier maanden vijf boekhandelaars, van wie er vier in Hongkong wonen en één niet, (Lui Bo, Gui Minhai, Zhang Zhiping, Lin Rongji en Lee Po) die verbonden zijn aan de uitgeverij Mighty Current of de boekwinkel van deze uitgeverij en literair werk verkochten waarin kritiek wordt geuit op Peking, onder mysterieuze omstandigheden zijn verdwenen; overwegende dat twee van hen EU-burger zijn: Gui Minhai is Zweeds staatsburger en Lee Po is Brits staatsburger; overwegende dat in januari 2016 werd bevestigd dat beide EU-burgers op het Chinese vasteland zijn en dat er vermoedens zijn dat de drie anderen zich daar ook bevinden; overwegende dat Lee Po op 23 januari 2016 tijdelijk met zijn echtgenote werd herenigd op een onbekende locatie op het Chinese vasteland; overwegende dat het voortdurende gebrek aan informatie over hun toestand en verblijfplaats uiterst zorgwekkend is;

B.  overwegende dat er overtuigende aantijgingen zijn in de media en vermoedens bij wetgevers, mensenrechtenorganisaties en talrijke burgers dat de vijf boekhandelaars werden ontvoerd door autoriteiten van het Chinese vasteland; overwegende meer bepaald dat Lee Po werd ontvoerd uit Hongkong en Giu Minhai uit zijn huis in Thailand is verdwenen;

C.  overwegende dat duizenden betogers op 10 januari 2016 in Hongkong op straat zijn gekomen om van het stadsbestuur actie te eisen om de verdwijning van de vijf boekhandelaars op te helderen; overwegende dat deze verdwijningen plaats hebben gevonden na een reeks gewelddadige aanvallen in 2013 en 2014 op Hongkongse journalisten die kritisch zijn voor Peking;

D.  overwegende dat Hongkong de vrijheid van meningsuiting en van publicatie erkent en beschermt; overwegende dat de publicatie van materiaal waarin kritiek wordt geuit op het Chinese leiderschap, in Hongkong legaal is, maar op het Chinese vasteland wordt verboden; overwegende dat het beginsel "één land, twee systemen" de waarborg is van de autonomie van Hongkong ten aanzien van Peking met eerbiediging van dergelijke vrijheden, zoals die zijn vastgesteld in artikel 27 van de basiswet;

E.  overwegende dat uit gepubliceerde onthullingen blijkt dat 14 uitgevers en 21 publicaties in Hongkong als doelwitten werden geïdentificeerd in een intern document van april 2015 van de Communistische Partij, waarin een strategie werd bekendgemaakt om verboden boeken aan de bron in Hongkong en Macau "uit te roeien"; overwegende dat sommige boekhandelaars in Hongkong uit vrees voor represailles boeken met kritiek op China uit de rekken gehaald;

F.  overwegende dat de regering van het Chinese vasteland de vrijheid van meningsuiting sterk beperkt en criminaliseert, in het bijzonder via censuur; overwegende dat de regering door middel van de "great firewall" van het internet in China elke politiek onaanvaardbare informatie kan censureren; overwegende dat China de vrijheid van meningsuiting nauwgezet beteugelt en dat de populariteit van boeken met kritiek op China bij lezers op het vasteland als een bedreiging van de sociale stabiliteit wordt beschouwd;

G.  overwegende dat Gui Minhai op 17 januari 2016 op het Chinese vasteland een persverklaring heeft afgelegd, waarin hij verkondigt vrijwillig naar het Chinese vasteland te zijn gereisd en, in wat een gedwongen bekentenis lijkt te zijn, bekent in het verleden veroordeeld te zijn geweest voor rijden onder invloed;

H.  overwegende dat zowel de Zweedse als de Britse autoriteiten de volledige steun van de Chinese autoriteiten hebben gevraagd om de rechten van hun twee burgers te beschermen alsook van de andere "verdwenen" personen;

I.  overwegende dat het VN-Comité tegen Foltering zijn ernstige bezorgdheid heeft geuit over consistente meldingen door verschillende bronnen dat de praktijk van het illegaal vasthouden in niet-erkende en officieuze detentiecentra, de zogenaamde zwarte gevangenissen, blijft bestaan; overwegende dat het VN-Comité tegen Foltering eveneens zeer bezorgd is over consistente meldingen dat de folter- en mishandelpraktijken nog steeds stevig verankerd zijn in het strafrechtsysteem, dat te veel steunt op bekentenissen als basis voor een veroordeling;

J.  overwegende dat China officieel en in naam de universaliteit van de mensenrechten heeft geaccepteerd en de laatste dertig jaar heeft gekozen voor het internationale mensenrechtenkader door een breed scala aan mensenrechtenverdragen te ondertekenen, waardoor het land deel uitmaakt van het internationale juridische en institutionele mensenrechtenkader;

K.  overwegende dat in artikel 27 van de basiswet, de de-factogrondwet van Hongkong, "de vrijheid van meningsuiting, pers en publicatie, de vrijheid van vereniging, vergadering, optocht en demonstratie" worden gewaarborgd; overwegende dat de basiswet, waarover China en het Verenigd Koninkrijk hebben onderhandeld, deze rechten gedurende een periode van 50 jaar garanderen, tot in 2047;

L.  overwegende dat de bilaterale betrekkingen tijdens de 17e EU-China-top van 29 juni 2015 tot een nieuw niveau werden getild en overwegende dat de EU in haar strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie belooft de mensenrechten centraal te stellen in de betrekkingen met alle derde landen, ook strategische partners;

M.  overwegende dat de EU en China al sinds 1995 een dialoog over de mensenrechten voeren en overwegende dat beide partijen mensenrechten als een belangrijk onderdeel van hun bilaterale betrekkingen beschouwen;

N.  overwegende dat uit het 21e jaarverslag van de Hong Kong Journalists Association (juli 2014) blijkt dat 2014 het somberste jaar voor de persvrijheid in Hongkong sinds decennia was; overwegende dat sommige journalisten fysiek werden aangevallen of werden ontslagen, terwijl andere journalisten met een kritische mening werden overgeplaatst naar minder gevoelige gebieden;

1.  uit zijn ernstige bezorgdheid over het ontbreken van informatie over de verblijfplaats en toestand van de vijf vermiste boekhandelaars; vraagt dat onmiddellijk gedetailleerde informatie over de verblijfplaats en toestand van Lee Po en Gui Minhai wordt vrijgegeven en dat zij onmiddellijk veilig worden vrijgelaten en het recht krijgen te communiceren; vraagt de onmiddellijke vrijlating van alle andere personen die willekeurig werden gearresteerd voor de uitoefening van hun recht op vrije meningsuiting en publicatie in Hongkong, onder wie de drie andere boekhandelaars;

2.  verzoekt de Chinese regering informatie in verband met de vermiste boekhandelaars onverwijld te melden en een directe, inclusieve en transparante dialoog en communicatie over de zaak aan te gaan tussen de autoriteiten op het vasteland en die in Hongkong; beschouwt de mededeling van Lee Po en de hereniging met zijn echtgenote als een positieve ontwikkeling;

3.  vraagt de relevante autoriteiten in China en Hongkong de omstandigheden van de verdwijningen te onderzoeken en op te helderen in overeenstemming met de rechtsstaat en, in de mate van het mogelijke, mee te werken aan de veilige terugkeer van de uitgevers;

4.  uit zijn bezorgdheid over de aantijgingen dat handhavingsinstanties van het Chinese vasteland in Hongkong actief zouden zijn; herinnert eraan dat het een schending van de basiswet zou vormen, als de wetshandhavingsinstanties van het Chinese vasteland in Hongkong actief zouden zijn; is van mening dat dit indruist tegen het beginsel "één land, twee systemen"; vraagt China de in de basiswet vastgelegde waarborgen van de autonomie van Hongkong te eerbiedigen;

5.  veroordeelt krachtig alle gevallen van mensenrechtenschendingen, in het bijzonder willekeurige arrestaties, uitlevering, gedwongen bekentenissen, geheime detentie, voorarrest in isolatie en schendingen van de vrijheid van publicatie en van meningsuiting; herinnert eraan dat de onafhankelijkheid van uitgevers, journalisten en bloggers moet worden gewaarborgd; dringt aan op de onmiddellijke beëindiging van de mensenrechtenschendingen en de politieke intimidatie;

6.  veroordeelt de beperkingen en de criminalisering van de vrijheid van meningsuiting en betreurt dat de beperkingen van de vrijheid van meningsuiting worden verstrengd; roept de Chinese regering op de onderdrukking van de vrije informatiestroom, onder meer door de beperking van het gebruik van het internet, te staken;

7.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de op handen zijnde goedkeuring van de ontwerpwet inzake de omgang met buitenlandse ngo's, aangezien deze wet in haar huidige vorm de bewegingsruimte van het Chinese maatschappelijk middenveld zou beperken en de vrijheid van vereniging en meningsuiting in het land ernstig zou inperken, onder andere door te verbieden dat "buitenlandse ngo's" die niet zijn geregistreerd bij het Chinese ministerie van Openbare Veiligheid en provinciale afdelingen voor de openbare veiligheid Chinese individuen of organisaties financieren en door Chinese groepen te verbieden "activiteiten" te verrichten namens of met toestemming van niet-geregistreerde buitenlandse ngo's, inclusief ngo's die gevestigd zijn in Hongkong en Macau; verzoekt de Chinese autoriteiten deze ontwerpwet grondig te herzien om deze in overeenstemming te brengen met de internationale mensenrechtennormen, waaronder internationale verbintenissen van de Chinese Volksrepubliek;

8.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het nieuwe wetsontwerp inzake cyberveiligheid, dat de bestaande praktijken op het gebied van internetcensuur en internettoezicht versterkt en institutionaliseert, over de goedgekeurde wet op de nationale veiligheid en over de ontwerpwet inzake terrorismebestrijding; merkt op dat hervormingsgezinde Chinese juristen en verdedigers van de burgerrechten vrezen dat deze wetten de vrijheid van meningsuiting verder zullen inperken en de zelfcensuur zullen doen toenemen;

9.  is van mening dat sterke permanente betrekkingen tussen de EU en China een doeltreffend platform moeten bieden voor een volwassen, betekenisvolle en open dialoog over de mensenrechten, op basis van wederzijds respect;

10.  benadrukt het engagement van de EU voor de versterking van de democratie, met inbegrip van de rechtsstaat, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de fundamentele vrijheden en de grondrechten, transparantie en vrijheid van informatie en meningsuiting, in Hongkong;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en het parlement van de Volksrepubliek China en het hoofd van het bestuur en de Wetgevende Vergadering van de Speciale Administratieve Regio Hongkong.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0458.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0252.


Voortgangsverslag 2015 over Servië
PDF 202kWORD 95k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 februari 2016 over het verslag 2015 over Servië (2015/2892(RSP))
P8_TA(2016)0046B8-0166/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Thessaloniki van 19 en 20 juni 2003 over het vooruitzicht van de landen van de Westelijke Balkan op toetreding tot de Europese Unie,

–  gezien Besluit 2008/213/EG van de Raad van 18 februari 2008 over de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het Europese partnerschap met Servië en tot intrekking van Besluit 2006/56/EG(1),

–  gezien het advies van de Commissie van 12 oktober 2011 over het verzoek van Servië om toetreding tot de Europese Unie (SEC(2011)1208),

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO) tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Servië, anderzijds, die op 1 september 2013 in werking is getreden,

–  gezien Resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad, het advies van het Internationaal Gerechtshof van 22 juli 2010 over de vraag of de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo in overeenstemming is met het internationaal recht, en Resolutie A/RES/64/298 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 september 2010 waarin deze de inhoud van dat advies onderschreef en zich verheugd toonde over de bereidheid van de EU om de dialoog tussen Servië en Kosovo te faciliteren,

–  gezien de verklaring en aanbevelingen van de vierde bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité EU-Servië van 7-8 oktober 2015,

–  gezien de uitkomst van de Conferentie op hoog niveau over de route via het oostelijke Middellandse Zeegebied en de Westelijke Balkan, die op 8 oktober 2015 plaatsvond in Luxemburg,

–  gezien de conclusies van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 9 november 2015 over maatregelen ter beheersing van de vluchtelingen- en migratiecrisis, en de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 12 oktober 2015 over migratie,

–  gezien het zeventien-punten-plan dat overeengekomen is op de vergadering van 25 oktober 2015 over de migratieroute van de Westelijke Balkan, waaraan werd deelgenomen door de leiders van de EU-lidstaten en de leiders van de niet-lidstaten die te maken hebben met de toestroom van vluchtelingen en migranten,

–  gezien het voortgangsverslag 2015 over Servië dat de Commissie op 10 november 2015 heeft gepubliceerd (SWD(2015)0211),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over het voortgangsverslag 2014 over Servië(2),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2015 over de Internationale Dag van de Roma - zigeunerhaat en de erkenning door de EU van de herdenkingsdag van de genocide op Roma tijdens WO II(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 15 december 2015 over de uitbreiding en het stabilisatie- en associatieproces,

–  gezien de werkzaamheden van David McAllister als vaste rapporteur van de Commissie buitenlandse zaken over Servië,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Raad van 28 juni 2013 heeft besloten om de toetredingsonderhandelingen met Servië te openen; overwegende dat de eerste intergouvernementele conferentie (IGC) op 21 januari 2014 heeft plaatsgevonden; overwegende dat de screening in maart 2015 is afgerond; overwegende dat Servië in september 2015 zijn onderhandelingsteam volledig heeft samengesteld;

B.  overwegende dat de Commissie in het verslag 2015 over Servië melding maakt van de voortgang die Servië heeft geboekt op het gebied van Europese integratie en een beoordeling geeft van de inspanningen die het land levert om te voldoen aan de criteria van Kopenhagen en de voorwaarden van het stabilisatie- en associatieproces; overwegende dat de Commissie de verslaglegging op een nieuwe manier heeft benaderd, waarbij de landen in kwestie veel duidelijker geadviseerd worden over de onderwerpen waarop zij zich moeten richten;

C.  overwegende dat Servië, net als alle landen die het EU-lidmaatschap nastreven, op zijn eigen merites beoordeeld moet worden wat betreft het voldoen aan en het uitvoeren en naleven van dezelfde reeks criteria en overwegende dat de kwaliteit van de nodige hervormingen en de toewijding waarmee die worden nagestreefd het tijdspad voor de toetreding bepalen;

D.  overwegende dat Servië belangrijke stappen heeft ondernomen ter normalisering van de betrekkingen met Kosovo, hetgeen heeft geleid tot het eerste akkoord van 19 april 2013 over de beginselen voor de normalisering van de betrekkingen; overwegende dat op 25 augustus 2015 vier belangrijke overeenkomsten zijn gesloten; overwegende dat de voortgang in de onderhandelingen over de toetreding van Servië volgens het onderhandelingskader parallel moet lopen aan de normalisering van de betrekkingen met Kosovo; overwegende dat er echter nog inspanningen moeten worden geleverd om blijvend rust te brengen in die betrekkingen; overwegende dat het van het grootste belang is dat alle overeenkomsten door beide partijen volledig ten uitvoer worden gelegd;

E.  overwegende dat Servië in juli 2015 de 33e staat werd die deelneemt aan het EU-mechanisme voor burgerbescherming;

F.  overwegende dat de EU heeft benadrukt dat de economische governance, de rechtsstaat en de capaciteit van de overheid in alle landen van de Westelijke Balkan moeten worden versterkt;

G.  overwegende dat de EU de rechtsstaat tot kerncriterium van haar uitbreidingsbeleid heeft verheven;

H.  overwegende dat Servië in januari 2015 het voorzitterschap van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) op zich heeft genomen;

1.  is ingenomen met de opening van de onderhandelingen en de opening van de hoofdstukken 32 (financiële controle) en 35 (overige kwesties – punt I - normalisering van de betrekkingen tussen Servië en Kosovo) op de intergouvernementele conferentie van 14 december 2015 te Brussel; is verheugd dat Servië zich nog altijd sterk betrokken toont bij het Europese integratieproces; verzoekt Servië dit strategische besluit actief uit te dragen naar het Servische publiek; merkt met voldoening op dat Servië is begonnen met het afwerken van een ambitieuze hervormingsagenda; verzoekt Servië de systemische en sociaaleconomische hervormingen resoluut aan te pakken; dringt er bij Servië op aan om bij de tenuitvoerlegging van de hervormingen bijzondere aandacht te besteden aan zijn jongeren;

2.  is verheugd over de voorbereidingen die Servië treft om na afronding van de screening effectief van start te kunnen gaan met de toetredingsonderhandelingen, waarbij het land omvattende actieplannen voorbereidt en indient voor de hoofdstukken 23 (rechterlijke macht en grondrechten) en 24 (justitie, vrijheid en veiligheid); spreekt de hoop uit dat die hoofdstukken begin 2016 geopend kunnen worden; benadrukt dat uitvoerige onderhandelingen over de hoofdstukken 23 en 24 van essentieel belang zijn wil Servië zich kunnen richten op de hervormingen die moeten worden aangebracht en doorgevoerd op het gebied van de rechterlijke macht en de grondrechten en van justitie, vrijheid en veiligheid; herinnert eraan dat de voortgang op deze gebieden parallel moet lopen aan de algemene voortgang in de onderhandelingen; beklemtoont dat de onderhandelingen over hoofdstuk 35 van cruciaal belang zijn voor de voortgang van Servië op zijn weg naar integratie in de EU; is in dit verband van mening dat de volledige normalisering van de betrekkingen tussen Servië en Kosovo een belangrijke voorwaarde is voor toetreding van Servië tot de EU;

3.  benadrukt dat de grondige implementatie van wetgeving en beleidsmaatregelen een belangrijke indicator voor een succesvol integratieproces blijven; moedigt de politieke leiders van Servië aan door te gaan met de hervormingen die noodzakelijk zijn voor afstemming op de EU-normen; vraagt Servië de tenuitvoerlegging van nieuwe wetgeving en beleidsmaatregelen beter te plannen, te coördineren en te monitoren;

4.  is verheugd over het feit dat Servië voortgang heeft geboekt op het gebied van het ondernemingsklimaat, het terugdringen van het begrotingstekort en de arbeidsmarkt, met inbegrip van de arbeidswetgeving en het werkgelegenheidsbeleid; moedigt de Servische autoriteiten aan om het investeringsklimaat in heel Servië verder te verbeteren en de economische en sociale ongelijkheden tussen zijn regio's te verkleinen, de bescherming van buitenlandse investeringen te waarborgen en oude investeringsgeschillen te beslechten; erkent dat er sprake is van vooruitgang in de herstructurering van overheidsbedrijven en wijst op het belang van verdere significante vorderingen en van transparantie van het privatiseringsproces; benadrukt dat Servië zijn wetgeving inzake controle op staatssteun in overeenstemming moet brengen met het acquis;

5.  is ingenomen met de voortgang op het vlak van economische hervormingen, waardoor de begrotingstoestand van Servië is verbeterd, en verzoekt de Commissie de regering te blijven ondersteunen in haar plannen om verdere hervormingen door te voeren, met name om budgettaire onevenwichtigheden en hervormingen van belangrijke economische sectoren aan te pakken;

6.  spreekt zijn lof uit voor de constructieve benadering die Servië volgt bij de aanpak van de migratiecrisis; merkt echter op dat een constructieve aanpak ten aanzien van de buurlanden moet worden bevorderd; merkt op dat Servië een essentiële en behulpzame partner van de EU in de Balkan is en dat het daarom absoluut noodzakelijk is dat de EU middelen en toereikende financiële bijstand verstrekt; neemt met tevredenheid kennis van de grote inspanningen die Servië heeft geleverd om met steun van de EU en de internationale gemeenschap ingezetenen van derde landen onderdak en humanitaire hulp te bieden; verzoekt Servië zijn opvangcapaciteit snel te verhogen; merkt op dat er omvattende hervormingen nodig zijn om het gehele asielstelsel te rationaliseren en in overeenstemming te brengen met het EU-acquis en met internationale normen; merkt op dat Servië nadere maatregelen heeft getroffen om de door Servische onderdanen bij EU-lidstaten en Schengenlanden ingediende ongegronde asielaanvragen aan te pakken; verzoekt Servië zijn bijdrage te leveren aan het verder terugdringen van ongegronde asielaanvragen; onderstreept dat de capaciteit en de middelen om terugkerende personen te laten re-integreren nog steeds beperkt zijn;

7.  verzoekt Servië zich meer in te spannen en zijn buitenlands en veiligheidsbeleid, inclusief zijn beleid ten aanzien van Rusland, geleidelijk af te stemmen op het EU-beleid; vindt het in dit verband te betreuren dat Servië en Rusland gezamenlijke militaire oefeningen houden; is ingenomen met de actieve deelname van Servië aan de internationale vredeshandhavingsoperaties;

Rechtsstaat

8.  benadrukt het cruciale belang van de beginselen van de rechtsstaat; beklemtoont het vitale belang van een onafhankelijke rechterlijke macht; merkt op dat weliswaar enige voortgang is geboekt op het gebied van de rechterlijke macht, met name bij het vaststellen van regels voor de beoordeling van rechters en openbaar aanklagers, maar dat er nog steeds veel politieke inmenging is; wijst erop dat de professionele rechterlijke instanties om toereikende middelen vragen; verzoekt de autoriteiten de nationale juridische hervormingsstrategie zoals uiteengezet in het actieplan voor hoofdstuk 23 ten uitvoer te leggen, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te waarborgen en erop toe te zien dat het werk van de rechters en de openbare aanklagers gevrijwaard blijft van politieke invloed; verzoekt de regering een nieuwe wet aan te nemen inzake gratis rechtsbijstand en wetswijzigingen in te voeren om de kwaliteit en samenhang van de rechtspraktijk en de gerechtelijke opleiding te bevorderen; is bezorgd over de voortdurende achterstand bij de behandeling van rechtszaken, ondanks het programma van het Hof van Cassatie om deze achterstand weg te werken;

9.  verzoekt de Servische regering nogmaals de rehabilitatiewet volledig en op een niet-discriminerende manier toe te passen; beveelt de Servische regering aan verdere wijzigingen aan te brengen in de wet inzake teruggave om alle procedurele belemmeringen en juridische hinderpalen voor teruggave in natura weg te nemen;

10.  merkt op dat corruptie en georganiseerde misdaad wijdverspreid zijn in de regio en een obstakel vormen voor de democratische, sociale en economische ontwikkeling van Servië; constateert dat enige voortgang is geboekt bij de bestrijding van corruptie, hoewel die nog steeds een punt van zorg is in Servië, dankzij het feit dat Servië wetgeving ten uitvoer blijft leggen en de wet inzake de bescherming van klokkenluiders heeft aangenomen; benadrukt dat strafrechtelijk onderzoek naar en definitieve tenlasteleggingen in verband met corruptie geregistreerd moeten worden, met inbegrip van corruptie aan de top, en dat de volledige tenuitvoerlegging van de anti-corruptiestrategie binnen alle cruciale instellingen gecoördineerd en gemonitord moet worden, zoals uiteengezet in het actieplan voor hoofdstuk 23; verzoekt de autoriteiten erop toe te zien dat het agentschap voor de bestrijding van corruptie en de raad voor de bestrijding van corruptie ten volle en effectief uitvoering kunnen geven aan hun mandaat en dat de overheidsinstellingen hun aanbevelingen opvolgen; is van mening dat een regionale strategie en een nauwere samenwerking tussen alle landen in de regio van essentieel belang zijn om deze kwesties doeltreffender aan te pakken; verzoekt de universitaire instellingen om, samen met de overheid en het ambtelijk apparaat, op dit gebied regels vast te stellen om plagiaat te onderzoeken en dat verschijnsel in de toekomst te voorkomen;

11.  verzoekt de Servische autoriteiten de bepalingen in het hoofdstuk economische delicten en corruptie in het wetboek van strafrecht te wijzigen en ten uitvoer te leggen, zodat er een geloofwaardig en voorspelbaar strafrechtelijk kader wordt gecreëerd; benadrukt eens te meer ernstig bezorgd te zijn over de bepalingen en toepassing van artikel 234 van het wetboek van strafrecht inzake misbruik van verantwoordelijke posities; roept opnieuw op tot een onafhankelijke en grondige herziening van gereclassificeerde zaken in verband met misbruik van verantwoordelijke posities zodat reeds lang lopende onterechte vervolgingen onmiddellijk kunnen worden stopgezet;

12.  merkt op dat meer inspanningen geleverd moeten worden op het gebied van bestrijding van georganiseerde criminaliteit en dat er een register van definitieve veroordelingen moet worden opgezet, zoals uiteengezet in het actieplan voor hoofdstuk 24; verzoekt de Commissie en de lidstaten deskundige steun te bieden bij het opbouwen van een institutioneel kader en de expertise om de georganiseerde criminaliteit doeltreffend te kunnen bestrijden; roept in dit verband op tot rechtstreekse samenwerking tussen de wetshandhavingsinstanties van Servië en Kosovo en de verbindingsbureaus in Belgrado en Pristina;

Democratie

13.  neemt nota van de inspanningen om het raadplegingsproces in het parlement te verbeteren en het parlement nauwer te betrekken bij het onderhandelingsproces met het oog op de toetreding tot de EU; blijft bezorgd over de ruime mate waarin gebruik wordt gemaakt van urgentieprocedures bij het aannemen van wetgeving, waaronder ook wetgeving die verband houdt met het EU-toetredingsproces, aangezien dergelijke procedures dikwijls niet voorzien in voldoende raadpleging van belanghebbenden en het grote publiek; benadrukt dat het parlement nog meer toezicht moet gaan uitoefenen op de uitvoerende macht; benadrukt het belang van een actieve en constructieve deelname van de oppositie aan het besluitvormingsproces en de democratische instellingen; benadrukt dat de financiering van politieke partijen transparant moet zijn en moet stroken met de hoogste internationale normen;

14.  onderstreept hoe belangrijk het werk van organisaties van het maatschappelijk middenveld in een democratische samenleving is; merkt op dat de samenwerking tussen de regering en maatschappelijke organisaties verbeterd is; moedigt de Servische autoriteiten aan om aanvullende maatregelen te nemen om voor een transparante dialoog tussen het maatschappelijk middenveld en de staatsinstellingen te zorgen en voor een concretere rol van vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en van nationale minderheden in het besluitvormingsproces; vraagt de autoriteiten te waarborgen dat maatschappelijke organisaties voldoende financiële steun krijgen om doeltreffend te kunnen werken; wenst dat burgers, organisaties en het grote publiek tijdig en op transparante wijze geïnformeerd worden over de ontwikkelingen in de toetredingsonderhandelingen en dat hun brede deelname aan dit proces vergemakkelijkt wordt;

15.  herhaalt zijn verzoek aan de Servische regering om de aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissies van de OVSE/ODIHR volledig toe te passen, met name de aanbevelingen die ervoor moeten zorgen dat de campagnefinanciering en de verkiezingsprocessen transparant zijn; verzoekt de autoriteiten een deugdelijk onderzoek in te stellen naar voorvallen tijdens gemeenteraadsverkiezingen en andere campagne-evenementen waarbij zich gewelddadigheden hebben voorgedaan en geklaagd is over intimidatie en onregelmatigheden;

16.  benadrukt nogmaals hoe belangrijk onafhankelijke regelgevende instanties zijn, met inbegrip van de ombudsman, om het toezicht op en de verantwoordingsplicht van de uitvoerende macht te kunnen waarborgen; dringt er bij de autoriteiten op aan de ombudsman volledige politieke en administratieve steun te geven voor zijn werkzaamheden en hem niet bloot te stellen aan ongerechtvaardigde kritiek;

17.  is verheugd dat er een omvattend hervormingsactieplan voor het openbaar bestuur is aangenomen, een wet op inspectie, een nationale opleidingsstrategie voor lokaal bestuur en een wet inzake het maximum aantal werknemers in de publieke sector, en verzoekt om de onmiddellijke implementatie ervan; onderstreept dat depolitisering en professionalisering van het openbaar bestuur noodzakelijk is en dat aanwervings- en ontslagprocedures transparanter moeten worden om de professionaliteit, neutraliteit en continuïteit van het openbaar bestuur te garanderen;

Mensenrechten

18.  is ingenomen met het feit dat Servië een adequaat wettelijk en institutioneel kader heeft voor de bescherming van mensenrechten en fundamentele vrijheden; merkt evenwel op dat er nog altijd tekortkomingen zijn bij de tenuitvoerlegging ervan, in het bijzonder wat betreft de bestrijding van discriminatie van kwetsbare groepen, waaronder personen met een handicap, personen met HIV/AIDS en LGBTI's; is verheugd over de geslaagde Pride Mars van 20 september 2015; benadrukt echter dat discriminatie en geweld ten aanzien van LGBTI's nog steeds een punt van zorg zijn; moedigt de regering in dit verband aan Aanbeveling CM/Rec(2010)5 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten op te volgen; maakt zich zorgen over het aantal niet volledig onderzochte aanslagen op leden van kwetsbare groeperingen; maakt zich eveneens zorgen over het aanhoudende probleem van huiselijk geweld; verzoekt de autoriteiten om de eerbiediging van de mensenrechten voor iedereen actief te bevorderen;

19.  geeft uitdrukking aan zijn zorgen over het feit dat de situatie omtrent de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media nog altijd niet verbeterd is; constateert met bezorgdheid dat de aanhoudende politieke druk de onafhankelijkheid van de media ondermijnt en tot steeds meer zelfcensuur in de media leidt; maakt zich zorgen over het feit journalisten bij de uitoefening van hun beroep te maken hebben met politieke druk, intimidatie, geweld en bedreiging; verzoekt de autoriteiten een onderzoek in te stellen naar alle gevallen van aanvallen op journalisten en media, waartegen fel is geprotesteerd door de International Association of Journalists; herhaalt dat de nieuwe mediawetten onverkort moeten worden toegepast; benadrukt dat volledige transparantie over de eigendomsstructuur en financiering van de media noodzakelijk is, evenals non-discriminatie in staatsreclame;

20.  is ernstig verontrust over de herhaalde lekken naar de media betreffende lopende strafonderzoeken, die een inbreuk vormen op het vermoeden van onschuld; verzoekt de Servische autoriteiten een serieus onderzoek in te stellen naar een aantal opvallende gevallen waarbij bewijs van vermeend wangedrag door de media bekend is gemaakt;

Eerbiediging en bescherming van minderheden

21.  onderstreept dat de raden voor nationale minderheden een belangrijke rol spelen bij de bevordering van de rechten van nationale minderheden en benadrukt het democratische karakter van die raden, en dringt erop aan dat zij op passende en controleerbare wijze worden gefinancierd; is ingenomen met het feit dat Servië zich inzet voor het opstellen van een speciaal plan voor nationale minderheden, dat de uitvoering en ontwikkeling van de praktijken en het rechtskader inzake nationale minderheden verder zal verbeteren; verzoekt Servië nogmaals erop toe te zien dat het niveau van de verworven rechten en bevoegdheden wordt gehandhaafd bij de wettelijke afstemming ervan op het besluit van het Grondwettelijk Hof van Servië en dringt erop aan dat de wet op de raden voor nationale minderheden zo spoedig mogelijk wordt aangenomen zodat hun juridische status wordt verduidelijkt en zekerheid wordt verschaft over hun rechtsbevoegdheid; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de onderbreking van uitzendingen in minderheidstalen als gevolg van de aangekondigde privatisering van de media; vraagt Servië zich meer in te spannen voor de doeltreffende en consequente tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake de bescherming van minderheden en de niet-discriminerende behandeling van nationale minderheden in het hele land, ook met betrekking tot het onderwijs, vooral wat betreft het tijdig financieren en vertalen van schoolboeken in minderheidstalen, het gebruik van minderheidstalen, de vertegenwoordiging in het openbaar bestuur en in vertegenwoordigende organen op lokaal, regionaal en nationaal niveau en de toegang tot media en religieuze diensten in minderheidstalen; verzoekt de Servische regering alle internationale verdragen en bilaterale overeenkomsten inzake rechten van minderheden ten uitvoer te leggen;

22.  merkt op dat de culturele diversiteit van de provincie Vojvodina ook bijdraagt aan de Servische identiteit; benadrukt dat niet mag worden getornd aan de autonomie van Vojvodina en dat de wet inzake de middelen van Vojvodina onverwijld moet worden aangenomen, zoals bepaald is in de grondwet;

23.  verzoekt de Servische autoriteiten concrete maatregelen te treffen om de situatie van de Roma te verbeteren, in het bijzonder wat betreft de verstrekking van persoonlijke documenten, onderwijs, huisvesting, gezondheidszorg en werkgelegenheid; verzoekt de Servische autoriteiten voorts te zorgen voor gelijke vertegenwoordiging van Roma in openbare instellingen en in het openbare leven, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de inclusie van Roma-vrouwen; benadrukt dat het op de Roma gerichte integratiebeleid verder versterkt moet worden en, gezien het geweld waaraan vertegenwoordigers van ngo's van minderheden zijn blootgesteld, dat discriminatie doeltreffend moet worden bestreden; kijkt dan ook uit naar de maatregelen van de aanstaande strategie en het actieplan voor de integratie van Roma; juicht in dit verband de "Verklaring van Pristina" toe, waarin regeringen en internationale, intergouvernementele en maatschappelijke organisaties worden opgeroepen de beginselen van non-discriminatie en gelijkheid terdege toe te passen wanneer gewerkt wordt en uitvoering wordt gegeven aan de bevordering en eerbiediging van de rechten van Roma;

Regionale samenwerking en goed nabuurschap

24.  waardeert de constructieve benadering van de Servische regering ten aanzien van de betrekkingen met de buurlanden, omdat daardoor aanzienlijke vooruitgang bij de regionale samenwerking en bij de toenadering van Servië tot de EU kon worden geboekt, en verzoekt Servië door te gaan met het opbouwen van zijn goede nabuurschapsbetrekkingen; verzoekt Servië goed nabuurschap en een vreedzame oplossing van geschillen te bevorderen, wat onder meer betekent dat gestreefd wordt naar een klimaat van verdraagzaamheid, dat alle vormen van haatpraat of oorlogsretoriek veroordeeld worden en dat wordt afgezien van symbolische handelingen zoals het publiekelijk verwelkomen van de terugkeer van personen die veroordeeld zijn wegens oorlogsmisdaden; wijst erop dat onopgeloste geschillen en problemen, en met name kwesties in verband met grensafbakening, erfenis, teruggave van cultuurgoederen en de ontsluiting van Joegoslavische archieven, overeenkomstig het internationaal recht en gevestigde beginselen moeten worden opgelost, onder meer door de toepassing van juridisch bindende overeenkomsten zoals het akkoord inzake opvolgingskwesties, en dat bilaterale geschillen in een vroeg stadium van het toetredingsproces overeenkomstig het internationaal recht moeten worden beslecht; onderstreept dat Servië een constructieve rol heeft gespeeld in het kader van het 'proces van Berlijn', bij het initiatief van de "Zes landen van de Westelijke Balkan" en de bijbehorende agenda voor connectiviteit; verwelkomt andere initiatieven die gericht zijn op de toekomst van de Westelijke Balkan, met name het proces van Brdo, dat een belangrijk kader voor zowel politieke als technische samenwerking blijkt te zijn, en is van mening dat concrete samenwerking op terreinen van wederzijds belang kan bijdragen tot de stabilisering van de Westelijke Balkan; is in dit verband verheugd over de eerste gezamenlijke ministeriële vergadering van Servië en Bosnië en Herzegovina die op 4 november 2015 plaatsvond in Sarajevo; verzoekt Servië de stabilisatie en institutionele versterking van Bosnië en Herzegovina verder te bevorderen via zijn bestaande contacten en goede nabuurschapsbetrekkingen met het land; herhaalt zijn verzoek aan de Servische autoriteiten om nadere maatregelen te initiëren voor grensoverschrijdende samenwerking met de buurlanden in de EU, met inbegrip van de programma's voor grensoverschrijdende en transnationale samenwerking 2014-2020 en de EU-strategie voor het Donaugebied; verwelkomt het idee om onderhandelingen te starten voor de ondertekening van een verdrag inzake goede betrekkingen met de buurlanden en hoopt dat dit zal leiden tot een positievere regionale ontwikkeling; is verheugd over de vergadering van de eerste ministers van Bulgarije, Roemenië en Servië over samenwerking inzake energie- en transportinfrastructuur;

25.  moedigt Servië aan te blijven samenwerken met het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY), in een geest van verzoening en goed nabuurschap; onderstreept hoe belangrijk een overkoepelende nationale strategie voor de binnenlandse afhandeling van oorlogsmisdaden is; dringt er bij de autoriteiten op aan zich te blijven inzetten voor opheldering van het lot van vermiste personen, alsook voor het opstellen van een schadeloosstellingsregeling ten behoeve van slachtoffers en hun nabestaanden als belangrijke voorwaarde voor verzoening, waarbij het recht van de nabestaanden van slachtoffers om te weten wat er met hun vermiste familieleden is gebeurd wordt gewaarborgd; wijst erop dat er onverwijld een wet inzake burgerslachtoffers moet worden aangenomen, gezien het feit dat de bestaande wetgeving verschillende groepen slachtoffers van oorlogsmisdaden niet erkent; merkt op dat er nog steeds sprake is van controverses, in het bijzonder in verband met de verschillende interpretaties van de recente geschiedenis; spreekt nogmaals zijn steun uit voor het Recom-initiatief, de regionale commissie voor de vaststelling van feiten over oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die zijn begaan in het voormalige Joegoslavië;

26.  is verheugd over de publicatie van een ontwerp van nationale strategie inzake oorlogsmisdaden, waarin plannen uiteengezet worden voor de aanpak van de vervolging van misdaden die in de jaren 1990 in het voormalige Joegoslavië zijn gepleegd; onderstreept dat de Servische instellingen die oorlogsmisdaden behandelen moeten worden versterkt en gedepolitiseerd; verzoekt Servië een doeltreffend beschermingsstelsel voor getuigen en slachtoffers op te zetten en de slachtoffers en hun familie recht op schadeloosstelling toe te kennen; verzoekt om betere regionale samenwerking inzake oorlogsmisdaden; herhaalt zijn oproep aan Servië om zijn wetgeving inzake de rechtsbevoegdheid in processen over oorlogsmisdaden samen met de Commissie en zijn buurlanden te herbezien in een geest van verzoening en goed nabuurschap;

27.  is ingenomen met de voortdurende inzet van Servië voor het normaliseringsproces met Kosovo, en de voltooiing van cruciale overeenkomsten op 25 augustus 2015, in het bijzonder over de oprichting van de associatie/vereniging van gemeenten in Kosovo met een Servische meerderheid, over energie, over telecommunicatie en over de Mitrovica-brug; roept Servië op spoedig uitvoering te geven aan zijn deel van deze akkoorden en een constructieve dialoog met Kosovo aan te gaan met het oog op de opstelling en uitvoering van toekomstige akkoorden; merkt op dat voortgang is geboekt op gebieden zoals politie en burgerbescherming, verzekering van voertuigen, douane, verbindingsregelingen en het kadaster; herhaalt dat de vorderingen in de dialoog moeten worden afgemeten aan de toepassing ervan in de praktijk; verzoekt Servië en Kosovo zich te onthouden van negatieve retoriek en ernaar te blijven toewerken dat alle reeds bereikte overeenkomsten onverkort, te goeder trouw en tijdig worden uitgevoerd, en vastbesloten door te gaan met het normaliseringsproces; vraagt beide regeringen en de EU-instellingen zich voortdurend te blijven inspannen om de bepalingen van de bereikte overeenkomsten mee te delen en toe te lichten teneinde de etnische Albanese en Servische gemeenschappen in Kosovo dichter bij elkaar te brengen; is ingenomen met de inspanningen van het bedrijfsleven, aangevoerd door de kamers van koophandel, om bij te dragen tot de normalisering van de betrekkingen door een dialoog op te starten tussen de Servische kamer van koophandel en die van Kosovo, om de obstakels uit de weg te ruimen die de handelsrelaties tussen beide kanten belemmeren en contacten en samenwerking tussen bedrijven te bevorderen; verzoekt de Commissie de handhaving en ontwikkeling van deze activiteiten in de toekomst te steunen; benadrukt dat Servië en Kosovo nieuwe discussieonderwerpen voor de dialoog moeten aandragen met het oog op de verbetering van het leven van de burgers en een omvattende normalisering van de betrekkingen; verzoekt de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) de prestaties van beide partijen bij de naleving van hun verplichtingen te evalueren; verzoekt Servië in een geest van goed nabuurschap te handelen en koestert de hoop dat de dialoog en de verdere integratie van Kosovo in regionale en internationale organisaties niet belemmerd worden door de mislukte aanvraag van Unesco-lidmaatschap door Kosovo, en dat de samenwerking en de inspanningen ten behoeve van de bescherming van cultureel erfgoed zullen worden voortgezet; dringt er bij Belgrado en Pristina op aan om goede nabuurschapsbetrekkingen te onderhouden; is ingenomen met de hervatting van de besprekingen tussen de Servische minister-president Vučić en de minister-president van Kosovo Mustafa op 27 januari 2016; merkt op dat er onder meer is gesproken over de wederzijdse erkenning van universitaire en beroepsdiploma's en de verbetering van weg- en spoorwegverbindingen; onderstreept dat voortgang in de praktijk de gehele regio ten goede zal komen;

28.  ondersteunt, in het kader van het proces van Berlijn, de oprichting van een forum voor het maatschappelijk middenveld van de Westelijke Balkan, dat vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld uit de regio de kans biedt ideeën uit te wisselen, hun zorgen kenbaar te maken en concrete aanbevelingen voor beleidsmakers te formuleren; dringt aan op de voortzetting van dit proces op de volgende top, die in 2016 in Parijs zal worden gehouden, en op de organisatie van voorbereidende workshops voor maatschappelijke organisaties in de regio;

Energie, milieu en vervoer

29.  benadrukt dat Servië, als verdragsluitende partij bij de Energiegemeenschap, actief moet bijdragen aan het werk van de instellingen van de Energiegemeenschap en moet doorgaan met de tenuitvoerlegging van het acquis teneinde duurzame en veilige energiesystemen op te bouwen; verzoekt de autoriteiten een begin te maken met de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie voor de ontwikkeling van de energiesector, aangezien er niet noemenswaardig geïnvesteerd wordt in hernieuwbare energie; moedigt Servië aan de concurrentie op de gasmarkt te ontwikkelen en maatregelen te nemen ter verbetering van de aanpassing aan het acquis op het gebied van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, en verzoekt Servië meer in te zetten op groene energie; verzoekt de Commissie de Servische regering te steunen bij haar inspanningen om de afhankelijkheid van het land van energie-invoer af te bouwen en de gasleveringen aan het land te diversifiëren; merkt op dat het onlangs goedgekeurde IPA II 2015-pakket met name een programma van 155 miljoen EUR omvat als bijdrage voor de financiering van grote regionale infrastructuurprojecten in de sectoren energie en vervoer in de Westelijke Balkan; verzoekt Servië zich te richten naar de gemiddelde EU-verbintenissen inzake klimaatverandering en de op de COP21 te Parijs bereikte overeenkomst;

30.  verzoekt de Servische regering, gezien het belang van de Europese Groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) voor de verdere ontwikkeling van de grensoverschrijdende samenwerking tussen EU-lidstaten en hun buurlanden, het benodigde rechtskader te scheppen voor de Servische deelname aan de EGTS's;

31.  uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan handhaving van de afvalwetgeving en verzoekt de Servische autoriteiten meer inspanningen te leveren om de illegale afvalstortplaatsen te sluiten en te saneren, en een geloofwaardig afvalbeperkingsbeleid te ontwikkelen in overeenstemming met de Kaderrichtlijn afvalstoffen;

32.  is verheugd over het plan om delen van het spoornet opnieuw op te bouwen, op te waarderen en te moderniseren en moedigt de Servische autoriteiten aan om het openbaar vervoer verder te blijven verbeteren in samenwerking met de buurlanden;

o
o   o

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regering en het parlement van Servië.

(1) PB L 80 van 19.3.2008, blz. 46.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0065.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0095.


Europees integratieproces van Kosovo
PDF 207kWORD 101k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 februari 2016 over het verslag 2015 over Kosovo (2015/2893(RSP))
P8_TA(2016)0047B8-0167/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Thessaloniki van 19 en 20 juni 2003 over het vooruitzicht van de landen van de Westelijke Balkan op toetreding tot de Europese Unie,

–  gezien het besluit van de Raad van 22 oktober 2012 tot machtiging van de Commissie om onderhandelingen te openen over een kaderovereenkomst met Kosovo inzake de deelname aan programma's van de Unie,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 28 juni 2013 tot vaststelling van het besluit waarbij machtiging wordt verleend tot het openen van onderhandelingen over een stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Kosovo,

–  gezien de eerste overeenkomst met beginselen voor de normalisatie van de betrekkingen tussen Kosovo en Servië, die op 19 april 2013 door de premiers Hashim Thaçi en Ivica Dačić is ondertekend, en gezien de tenuitvoerlegging van het actieplan van 22 mei 2013,

–  gezien het Besluit 2014/349/GBVB van de Raad van 12 juni 2014 tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo, EULEX KOSOVO,

–  gezien de ondertekening van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Kosovo op 27 oktober 2015 en de ratificatie ervan door het parlement van Kosovo op 2 november 2015;

–  gezien de verslagen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties over de lopende activiteiten van de VN-missie voor interim-bestuur in Kosovo (UNMIK) en de daarmee verband houdende ontwikkelingen, met inbegrip van het meest recente verslag van 3 november 2015,

–  gezien de verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de EU in Kosovo, Samuel Žbogar, tot 28 februari 2017,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 november 2015 getiteld "EU-uitbreidingsstrategie" (COM(2015)0611),

–  gezien de conclusies van de Raad van 15 december 2015 over de uitbreiding en het stabilisatie- en associatieproces,

–  gezien de conclusies van de bijeenkomsten van de Raad Algemene Zaken van 7 december 2009, 14 december 2010 en 5 december 2011, waarin werd benadrukt, respectievelijk bevestigd dat ook Kosovo, onder voorbehoud van het standpunt van de lidstaten over de status van het land, op termijn in aanmerking moet komen voor visumliberalisering zodra aan alle voorwaarden is voldaan,

–  gezien de start van een visumdialoog in januari 2012, het stappenplan voor visumliberalisering van juni 2012, het tweede verslag van de Commissie van 24 juli 2014 over de vorderingen van Kosovo bij het voldoen aan de vereisten van het stappenplan voor visumliberalisering (COM(2014)0488), en de deskundigenmissie van de Commissie van juli 2015,

–  gezien resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad, het advies van het Internationaal Gerechtshof van 22 juli 2010 over de vraag of de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo in overeenstemming is met het internationaal recht, en de resolutie van de Algemene VN-Vergadering 64/298 van 9 september 2010 waarin nota werd genomen van het advies van het Internationaal Gerechtshof en de bereidheid van de EU tot medewerking aan een dialoog tussen Servië en Kosovo werd verwelkomd,

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de interparlementaire bijeenkomsten EP-Kosovo van 28-29 mei 2008, 6-7 april 2009, 22-23 juni 2010, 20 mei 2011, 14-15 maart 2012, 30-31 oktober 2013 en 29-30 april 2015,

–  gezien het voortgangsverslag over Kosovo voor 2015 dat de Commissie op 10 november 2015 heeft gepubliceerd (SWD(2015)0215),

–  gezien zijn eerdere resoluties,

–  gezien het werk van Ulrike Lunacek als de vaste rapporteur voor Kosovo van de Commissie buitenlandse zaken,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat 110 van de 193 lidstaten van de VN, waaronder 23 van de 28 lidstaten van de EU, de onafhankelijkheid van Kosovo erkennen;

B.  overwegende dat de stabilisatie- en associatieovereenkomst EU-Kosovo op 27 oktober 2015 is ondertekend en op 2 november 2015 door het parlement van Kosovo is geratificeerd; overwegende dat het Europees Parlement op 21 januari 2016 zijn goedkeuring heeft gegeven;

C.  overwegende dat (potentiële) kandidaat-lidstaten worden beoordeeld op hun eigen verdiensten, en overwegende dat het tijdschema voor toetreding wordt bepaald door de snelheid en kwaliteit van de vereiste hervormingen;

D.  overwegende dat de EU meermaals heeft verklaard bereid te zijn om de economische en politieke ontwikkeling van Kosovo via een duidelijk Europees perspectief te steunen, in overeenstemming met het Europees perspectief van de regio;

E.  overwegende dat de rechtsstaat door de EU tot speerpunt van haar uitbreidingsbeleid is gemaakt;

F.  overwegende dat de EU heeft benadrukt dat de economische governance, de rechtsstaat en de capaciteit van de overheid in alle landen van de Westelijke Balkan moeten worden versterkt;

G.  overwegende dat het EULEX-mandaat op 14 juni 2016 zal aflopen; overwegende dat de strategische evaluatie van de EULEX-missie in Kosovo nog lopende is;

1.  is ingenomen met de ondertekening van de stabilisatie- en associatieovereenkomst EU-Kosovo op 27 oktober 2015, als eerste contractuele verbintenis, alsook met de snelle ratificatie door het parlement van Kosovo op 2 november 2015; benadrukt dat de stabilisatie- en associatieovereenkomst de weg vrijmaakt voor de integratie van Kosovo in de EU, een krachtige stimulans zal vormen voor de tenuitvoerlegging en institutionalisering van hervormingen en samenwerking met de EU op uiteenlopende gebieden mogelijk zal maken, met het oog op een intensievere politieke dialoog en een diepere handelsintegratie, alsmede betere betrekkingen tussen de buurlanden en een bijdrage aan de stabiliteit in de regio mogelijk zal maken; verzoekt de regering van Kosovo zich te concentreren op de uitvoering van de brede hervormingen zonder welke het land zijn verplichtingen krachtens de SAO niet zal kunnen nakomen;

2.  is verheugd over het feit dat de Commissie een pakket heeft aangenomen om de hervormingen en regionale samenwerking in de Westelijke Balkan te steunen – een pakket dat uiting geeft aan het engagement van de EU om het politieke en economische hervormingsproces van de landen op hun weg naar EU-toetreding te steunen;

3.  benadrukt dat met de SAO wordt beoogd Europese normen op gebieden als mededinging, openbare aanbesteding, intellectuele eigendom en consumentenbescherming te bevorderen en een vrijhandelszone op te richten als eerste stap in de richting van de economische integratie van Kosovo in de EU;

4.  is ingenomen met de in 2015 geboekte vooruitgang ten aanzien van het bereiken van overeenkomsten in het kader van de normalisering van de betrekkingen tussen Kosovo en Servië, met name over de oprichting van de Vereniging van Kosovaarse gemeenten met een Servische meerderheid, over energie en over de Mitrovicë/Mitrovica-brug, en met inbegrip van de overeenkomsten van 25 augustus 2015 over telecommunicatie, van juni 2015 over voertuigverzekeringen en van februari 2015 over de rechterlijke macht; steunt de aanhoudende bemiddeling van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) met het oog op de normalisatie van de betrekkingen tussen Servië en Kosovo, die nog volledig tot stand moet worden gebracht; verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden grondig te evalueren in hoeverre de tot nu toe getekende overeenkomsten met betrekking tot de aanneming van wetten ter plaatse ten uitvoer zijn gelegd en om hiervan regelmatig verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de parlementen van Kosovo en Servië; verzoekt de VV/HV met klem de tekortkomingen vast te stellen en de partijen te vragen hun toezeggingen na te komen, en verzoekt Servië en Kosovo zich te onthouden van negatieve retoriek en de volledige tenuitvoerlegging van alle reeds bereikte overeenkomsten te goeder trouw en tijdig voort te zetten, en vastbesloten door te gaan met het normaliseringsproces; benadrukt dat een permanente en constructieve dialoog tussen Pristina en Belgrado en de volledige tenuitvoerlegging van de gesloten overeenkomsten cruciaal zijn voor de normalisering van hun betrekkingen; is ingenomen met de hervatting van de besprekingen tussen de Servische minister-president Vučić en de minister-president van Kosovo Mustafa op 27 januari 2016; merkt op dat er onder meer is gesproken over de wederzijdse erkenning van universitaire en beroepsdiploma's en de verbetering van weg- en spoorwegverbindingen; onderstreept dat voortgang in de praktijk de gehele regio ten goede zal komen;

5.  is bezorgd over het hoge aantal sinds de oorlogsperiode vermiste personen en de geringe vooruitgang op dit vlak; verzoekt de staten op dit gebied volledig samen te werken, aangezien volledige samenwerking om de waarheid over vermiste personen te achterhalen cruciaal is voor wederzijdse verzoening;

6.  neemt kennis van het besluit van het constitutioneel hof ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de Vereniging van Servische gemeenten; dringt aan op volledige en gemotiveerde tenuitvoerlegging van de gesloten overeenkomsten; dringt aan op eerbiediging van de rechtsstaat en betreurt dat oppositiekrachten geen gebruik hebben gemaakt van de opschorting om de parlementaire dialoog te hervatten, en moedigt alle politieke krachten aan om constructief te handelen in het belang van hun land, hun democratische instellingen en hun burgers; is van mening dat volledige eerbiediging van de regels van de democratie, de politieke dialoog en onbelemmerde parlementaire werkzaamheden een essentiële voorwaarde vormt voor de uitvoering van alle aspecten van de hervormingsagenda van Kosovo; veroordeelt met klem gewelddadige belemmeringen in het parlement, vraagt verdere gewelddadige protesten in het parlement te voorkomen, en benadrukt dat gekozen parlementsleden met volledige eerbiediging van de instelling moeten vergaderen en debatteren over kwesties; benadrukt dat de regering de resoluties en besluiten van het parlement moet eerbiedigen en, zoals vastgesteld door het wetgevend orgaan, moet rapporteren alvorens een besluit te nemen over de ondertekening van overeenkomsten met andere staten; is in dit verband ingenomen met het terdege voorbereide voorstel van 20 november 2015 van twee Kosovaarse parlementsleden uit respectievelijk de huidige coalitie en de oppositie; roept alle politieke actoren op de politieke dialoog te hervatten om de impasse te doorbreken en een haalbare oplossing te vinden die het mogelijk maakt de normale werking van het parlement van Kosovo te herstellen; vraagt alle Kosovaarse leiders deze situatie met bijzonder veel gewichtigheid te benaderen en hun verantwoordelijkheid te nemen, met inachtneming van het feit dat het parlement is verkozen door het volk van Kosovo, voor het volk van Kosovo; maakt zich ernstige zorgen over de herhaaldelijke uitingen van geweld en verzoekt de rechtshandhavingsinstanties bij hun werkzaamheden de wettelijke procedures volledig te eerbiedigen; neemt met bezorgdheid kennis van de gebeurtenissen die hebben geleid tot de arrestatie van sommige parlementsleden en verzoekt om een onderzoek naar de eventuele overschrijding van bevoegdheden bij de arrestaties; dringt er bij het parlement van Kosovo op aan de regels omtrent de opheffing van de onschendbaarheid van de leden te verduidelijken; neemt kennis van het verzoek van de ombudsman aan het openbaar ministerie in Pristina om een onderzoek in te stellen naar de politie-interventie van 28 november 2015;

7.  benadrukt dat het parlement efficiënter moet worden en zijn eigen reglement moet naleven, onder alle omstandigheden, en dat de regering het reglement dient na te leven; benadrukt dat de toezichthoudende rol van het parlement moet worden versterkt, en verzoekt het parlement in het bijzonder zo spoedig mogelijk wetgeving aan te nemen waardoor het Comité voor Europese Integratie een grotere rol gaat spelen in het integratieproces van Kosovo en de oppositie volledig bij dit proces wordt betrokken; moedigt het parlement aan de Commissie van Venetië regelmatig te raadplegen en te betrekken bij de behandeling van wetgeving; benadrukt dat in regelgevende en toezichthoudende organen dringend competente leden moeten worden benoemd op basis van een op verdiensten gebaseerde, transparante en niet-politieke selectieprocedure om ervoor te zorgen dat de overheidsadministratie naar behoren functioneert;

8.  neemt er kennis van dat vijf lidstaten Kosovo niet formeel hebben erkend, en is van mening dat bijkomende erkenningen kunnen bijdragen tot een versterkte stabiliteit in de regio, tot de verdere bevordering van de normalisering van de betrekkingen tussen Servië en Kosovo, alsook tot meer geloofwaardigheid van het buitenlands beleid van de EU; neemt in dit verband met genoegen kennis van het besluit van de vijf lidstaten die Kosovo niet hebben erkend, om de goedkeuring van de stabilisatie- en associatieovereenkomst in de Raad te faciliteren; verzoekt alle lidstaten zich in te spannen om economische contacten tot stand te brengen tussen de mensen, en sociale en politieke betrekkingen tussen hun burgers en die van Kosovo, in de geest van de SAO en het aangaan van formele contractuele betrekkingen; is verheugd dat Kosovo het eerste economische hervormingsprogramma heeft ingediend als eerste stap in de richting van verdieping van zijn economische dialoog met de EU;

9.  neemt met genoegen kennis van de door de Kosovaarse autoriteiten uitgevoerde werkzaamheden om de trend van irreguliere migratie, die begin 2015 een hoogtepunt bereikte, te keren; onderstreept dat kortetermijnmaatregelen om de bevolking van vertrek te doen afzien, vergezeld moeten gaan van sociaal-economische ontwikkelingen en het scheppen van banen, teneinde burgers aan te moedigen in Kosovo te blijven en een toekomst in eigen land op te bouwen; is ervan overtuigd dat visumliberalisering ook zou bijdragen tot het beperken van irreguliere immigratie – aangezien contacten tussen mensen mogelijk zouden worden en burgers zonder de lange en dure visumprocedures naar het buitenland zouden kunnen reizen als toerist of om vrienden en familie te bezoeken – en hun gevoel van isolement zou tegengaan; herhaalt het mogelijke gevaar van Kosovo dat als enige grondgebied in de regio reeds te lang "opgesloten" en "geïsoleerd" is; dringt er ook op aan dat Pristina doeltreffende maatregelen neemt tegen criminele netwerken die mensen smokkelen; is van mening dat de erkenning van Kosovo als een veilig land van herkomst op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst zou kunnen bijdragen aan de strijd tegen irreguliere immigratie;

10.  is ingenomen met de vorderingen bij de tenuitvoerlegging van het actieplan voor visumliberalisering; verzoekt de autoriteiten alle vereiste criteria spoedig en volledig ten uitvoer te leggen; doet een beroep op de Commissie om haar werkzaamheden inzake het visumliberaliseringsproces voor Kosovo te intensiveren; is bereid zijn goedkeuring te hechten aan de visumvrije regeling voor Kosovo en roept de Raad op snel hetzelfde te doen, zodra de Commissie op korte termijn heeft vastgesteld dat aan alle technische criteria is voldaan; wijst erop dat moet worden doorgegaan met de opsporing en vervolging van mensenhandelaars en -smokkelaars teneinde hun illegale activiteiten te ontmoedigen; verzoekt alle EU-instellingen, en met name de Commissie, het visumliberaliseringsproces voor Kosovo te bespoedigen, en dringt er bij de Kosovaarse autoriteiten op aan hun toezeggingen na te komen en de resterende benchmarks ten uitvoer leggen, opdat Kosovo in de loop van 2016 tot de visumvrije regeling kan toetreden waardoor de bevolking van Kosovo dichter bij de EU zal worden gebracht;

11.  steunt de voortzetting van de discussies over een kaderovereenkomst die Kosovo in staat zou stellen aan EU-programma's deel te nemen;

12.  is verheugd over de goedkeuring van het wetgevingspakket mensenrechten, dat de institutionele structuur voor het toezicht op de bescherming en de eerbiediging van de mensenrechten zal versterken; benadrukt het bijzondere belang van de tenuitvoerlegging van deze wetgeving; juicht met name toe dat er een ombudsman is benoemd, vooral met het oog op het tot stand brengen van sociaal vertrouwen in de Kosovaarse samenleving; betreurt echter dat zijn werkzaamheden worden belemmerd door het gebrek aan een passende locatie en verzoekt de autoriteiten spoedig een nieuwe locatie toe te wijzen voor zijn kantoor, in overeenstemming met de beginselen van Parijs; verzoekt de autoriteiten ervoor te zorgen dat alle bestaande onafhankelijke instellingen en regelgevende organen volledig operationeel zijn;

13.  merkt bezorgd op dat de wil van de politieke autoriteiten om daadwerkelijk met het maatschappelijk middenveld samen te werken nog steeds zeer gering is; verzoekt de autoriteiten het juridische kader voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld te goeder trouw ten uitvoer te leggen, in het bijzonder door de gezamenlijke adviesraad van alle nodige middelen te voorzien; verzoekt het EU-kantoor dergelijke raadplegingen aan te moedigen en indien nodig te vergemakkelijken;

14.  juicht voorts toe dat de wet betreffende bescherming tegen discriminatie in mei 2015 is aangenomen en dat de ombudsman het mandaat heeft gekregen op te treden als gelijkheidsorgaan; blijft bezorgd over de geringe aanpak van en onderzoek naar de haatpropaganda die met name gericht is op de LGBTI-gemeenschap en minderheidsgroepen; spoort de Groep voor advies en coördinatie voor de rechten van de LGBTI-gemeenschap ertoe aan dergelijke gevallen op de voet te volgen;

15.  is eveneens verheugd over het feit dat de Wet inzake gendergelijkheid is aangenomen, en verzoekt de Kosovaarse autoriteiten gendermainstreaming tot prioriteit te maken en erop toe te zien dat de bestuursorganen en overheidsinstellingen hierin het voortouw nemen; maakt zich zorgen over de structurele uitdagingen die de tenuitvoerlegging van deze wet belemmeren; acht het nog altijd verontrustend dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in leidinggevende functies; stelt bezorgd vast dat er geen vooruitgang is geboekt in de strijd tegen huiselijk en gendergerelateerd geweld; dringt er bij de autoriteiten op aan openlijk beschermingsmechanismen en opvangmaatregelen aan te moedigen en in te voeren ten behoeve van vrouwen die de stilte verbreken en huiselijk geweld aan de kaak te stellen; is bezorgd over het lage aantal vrouwen dat onroerend goed bezit; verzoekt de autoriteiten er actief op toe te zien dat de eigendomsrechten van vrouwen worden gewaarborgd, onder meer door alle mede-eigenaars van onroerend goed in het kadaster te registreren en door een voorlichtingscampagne op te zetten;

16.  uit zijn zorgen over de zeer geringe vooruitgang die het afgelopen jaar is geboekt op het gebied van de vrijheid van meningsuiting en van de media; is verontrust dat journalisten bij de uitoefening van hun beroep worden geconfronteerd met geweld en bedreigingen, en benadrukt dat journalisten beter moeten worden beschermd door te zorgen voor een systematische reactie en een publiekelijke veroordeling, onmiddellijk onderzoek en snelle rechtspraak wanneer zij worden aangevallen; onderstreept dat nog vooruitgang moet worden geboekt op het gebied van de onafhankelijkheid van de media; roept de autoriteiten ertoe op de systematische leemtes in de wetgeving snel op te vullen en zo te zorgen voor vrije media, in het bijzonder ten aanzien van de transparantie van media-eigendom en de houdbaarheid van de publieke omroep, na een grondige en omvattende openbare raadpleging; dringt er bij de autoriteiten op aan de wetgeving inzake smaad, haatpropaganda en laster daadwerkelijk ten uitvoer te leggen;

17.  herinnert eraan dat Kosovo en Servië duurzame oplossingen voor vluchtelingen moeten vinden overeenkomstig de bevindingen van het VN-vluchtelingenbureau (UNHCR) in dit verband en in overeenstemming met het verslag van de speciale rapporteur van de VN over de mensenrechten van binnenlandse ontheemden;

18.  merkt op dat er meer moet worden gedaan om de rechten van alle etnische minderheden in Kosovo, met inbegrip van de Roma, Askhali en Egyptische gemeenschappen alsook de Gorani-gemeenschap te beschermen en in de praktijk te waarborgen, door de desbetreffende wetgeving volledig ten uitvoer te leggen, waarbij rekening moet worden gehouden met de optimale praktijken uit de regio en de EU-lidstaten; verzoekt de nationale en lokale instanties zich meer in te spannen voor de tenuitvoerlegging van de aangenomen wetten om bij te dragen aan de verdere ontwikkeling van de multi-etnische samenleving, vooral op het vlak van onderwijs en werkgelegenheid voor minderheden, en met het doel directe en indirecte discriminatie te voorkomen; is verheugd over de "Verklaring van Pristina" die regeringen en internationale, intergouvernementele en maatschappelijke organisaties vraagt om de beginselen van non-discriminatie en gelijkheid grondig toe te passen tijdens het werk aan de bevordering en eerbiediging van de rechten van de Roma en de bestrijding van zigeunerhaat op de Westelijke Balkan;

19.  spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit over het uitblijven van substantiële vooruitgang in de bestrijding van corruptie aan de top en georganiseerde misdaad, en van degelijke resultaten bij vervolgingen en veroordelingen; onderstreept dat de georganiseerde misdaad een bron van grote zorg blijft; merkt op dat de regering van Kosovo een duidelijk en nadrukkelijk teken moet geven dat het land een systematische strijd voert tegen corruptie op alle niveaus; verzoekt de autoriteiten endemische corruptie op snelle wijze uitgebreid en strategisch aan te pakken, aangezien dit verschijnsel een grote belemmering blijft voor de democratische, maatschappelijke en economische ontwikkeling van Kosovo; verzoekt het Kosovaarse bureau voor corruptiebestrijding meer onderzoeken op gang te brengen en dringt er bij het openbaar ministerie op aan vervolging in te stellen in gevallen die door het bureau voor corruptiebestrijding worden aangedragen; onderstreept dat de transparantie van procedures een essentieel onderdeel is van de bestrijding van corruptie en van de waarborging van de grondrechten; benadrukt voorts de rol en de verantwoordelijkheid van de politieke elites in de strijd tegen corruptie;

20.  is ingenomen met de verhoogde inspanningen en het krachtige engagement om terrorisme te bestrijden, en moedigt de tenuitvoerlegging van de strategie ter bestrijding van terrorisme aan; spoort de instellingen ertoe aan de oorzaken van radicalisering aan te pakken, vooral de aanzienlijke jeugdwerkloosheid en gewelddadig extremisme; is ingenomen met de deelname van Kosovo aan de coalitie voor de bestrijding van terrorisme en met de maatregelen die de instellingen nemen om de radicalisering van de jeugd te voorkomen; doet een beroep op de autoriteiten om de mobilisatie van potentiële buitenlandse islamitische strijders en terroristen te voorkomen; is verheugd over het feit dat in de grondwet van Kosovo het beginsel is verankerd dat Kosovo een seculiere staat is die een neutrale positie inneemt ten opzichte van religieuze overtuigingen;

21.  merkt op dat volgens de minister van Binnenlandse Zaken van Kosovo ongeveer 300 Kosovaarse onderdanen zich bij de jihadisten in Syrië en Irak hebben aangesloten en dat veel van hen al naar Kosovo zijn teruggekeerd; prijst de maatregelen die de regering heeft genomen, met gevangenisstraffen voor onderdanen die aan terroristische activiteiten hebben deelgenomen;

22.  stelt vast dat enige vooruitgang is geboekt op het vlak van het gerechtelijk apparaat door passende wetgeving aan te nemen; onderstreept de noodzaak snel over te gaan tot de concrete en doeltreffende tenuitvoerlegging van die wetgeving; blijft zeer bezorgd over de trage rechtsbedeling, de grote achterstand bij lopende rechtszaken, het gebrek aan middelen van het gerechtelijk apparaat, de lage verantwoordingsplicht en verantwoordelijkheid van rechtsambtenaren en de mogelijke invloed van de politiek op rechtsstructuren, en meent dat al deze verschijnselen nog onvoldoende in wetgeving worden aangepakt en onderstreept het belang van een volledig functionerend rechtsstelsel met vaste regels voor de duur van de rechtsgang; is ingenomen met de genomen stappen voor de integratie van het gerechtelijk apparaat in het noorden, waarbij enkele functies zijn vervuld door Kosovo-Servische rechters en openbaar aanklagers; roept de politieke autoriteiten ertoe op duidelijk hun volledige steun uit te speken voor de onafhankelijkheid van rechters en openbare aanklagers, die nog steeds het doelwit zijn van pogingen om lopende onderzoeken en gerechtelijke procedures te beïnvloeden; verzoekt de autoriteiten de grondwet te wijzigen om ervoor te zorgen dat de meerderheid van de leden van de Kosovaarse Raad van Justitie door hun collega's wordt gekozen overeenkomstig de aanbevelingen van de Commissie van Venetië;

23.  doet een beroep op Kosovo om de koers van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU te volgen;

24.  neemt kennis van de goedkeuring van grondwetswijzigingen met het oog op de opzet van gespecialiseerde kamers en een gespecialiseerd openbaar ministerie; is verheugd over de afronding van de onderhandelingen tussen Kosovo en Nederland over de gastheerschapsovereenkomst, en verwacht dat de gespecialiseerde kamers onverwijld volledig operationeel zullen zijn en dat het gespecialiseerde openbaar ministerie over voldoende personeel beschikt om zijn taken te kunnen uitvoeren; verzoekt de gespecialiseerde kamers en het gespecialiseerde openbaar ministerie voort te bouwen op de ervaring en optimale praktijken van het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY), overeenkomstig de desbetreffende grondwettelijke bepalingen inzake de oprichting ervan; vraagt de Kosovaarse autoriteiten volledig samen te werken met de nieuwe rechtbank; verzoekt de EU en haar lidstaten toereikende middelen voor de werking van de kamers ter beschikking te stellen;

25.  meent dat de herziening en de uiteindelijke afbouw van EULEX gepaard moeten gaan met de versterking en uitbreiding van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de EU, teneinde ervoor te zorgen dat de speciale vertegenwoordiger van de EU over de nodige capaciteit beschikt voor monitoring, begeleiding en advies, de bevordering van het integratieproces van Kosovo in de EU, de bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie en de vervolging van oorlogsmisdaden; verzoekt tot die tijd om grotere doeltreffendheid en volledige transparantie en verantwoordelijkheid van de EULEX-missie voor de duur van zijn mandaat; neemt kennis van de conclusies van de Raad van december 2015 betreffende het mandaat van EULEX en dringt er bij Kosovo op aan bij te dragen tot de volledige en onbelemmerde uitvoering van het hernieuwde mandaat door EULEX; benadrukt dat bij de herziening van het mandaat gevolg moet worden gegeven aan de bevindingen en aanbevelingen uit het verslag van professor Jean-Paul Jacqué naar aanleiding van de beschuldigingen van corruptie binnen EULEX; dringt er bij EULEX op aan een akkoord met UNMIK te sluiten over de overhandiging van openstaande dossiers aan de desbetreffende Kosovaarse autoriteiten; doet een beroep op de lidstaten om voor de noodzakelijke duur goed opgeleide en gekwalificeerde deskundigen te detacheren en ervoor te zorgen dat zij na beëindiging van hun missie in overheidsdienst kunnen terugkeren;

26.  betreurt dat de aanvraag van Kosovo voor het lidmaatschap van Unesco is afgewezen, onder meer doordat Servië zich hier actief tegen heeft verzet – wat in strijd is met zijn verbintenis goede nabuurschapsbetrekkingen te ontwikkelen – maar ook doordat het aan eensgezindheid ontbrak tussen de lidstaten; is ingenomen met de goedkeuring van de wet ter bescherming van het historisch erfgoed van Prizren en pleit voor de volledige tenuitvoerlegging hiervan, maar wijst er ook op dat het erfgoed van de stad bedreigd wordt door de fors toenemende illegale woningbouw; is verheugd over het feit dat verschillende locaties van Servisch religieus en cultureel erfgoed die helaas in 2004 werden vernietigd, zoals de orthodoxe kathedraal, weer zijn gerenoveerd, en dringt aan op de ononderbroken renovatie van Servisch religieus en cultureel erfgoed; doet in dit verband een beroep op de belanghebbende partijen, waaronder de Kosovaarse autoriteiten, de Servische regering, de Servische gemeenschap in Kosovo en de Servische orthodoxe kerk, om een systeem te vinden voor de promotie, de bescherming en het behoud van het cultureel en religieus erfgoed van Kosovo, dat zou moeten worden behandeld als gemeenschappelijk Europees erfgoed; is verheugd over het feit dat in de grondwet van Kosovo is vastgelegd dat Kosovo zich inzet voor het behoud en de bescherming van zijn cultureel en religieus erfgoed en merkt op dat er meer moet worden gedaan om de rechten van alle religieuze minderheden te beschermen, met inbegrip van Kosovaarse christenen; onderstreept dat het voor Kosovo een prioriteit moet zijn om zich aan te sluiten bij de internationale en regionale organisaties en mechanismen; herinnert er in die context aan dat de regionale samenwerkingsovereenkomst die is bereikt moet worden nageleefd; is van oordeel dat de oprichting van het regionale bureau voor jongerensamenwerking in de Westelijke Balkan (in het kader van het proces van Berlijn), dat door velen actief wordt gesteund, tot positieve resultaten zal leiden, met name voor wat de betrekkingen tussen de jongeren uit Servië en Kosovo betreft;

27.  ondersteunt, in het kader van het proces van Berlijn, de oprichting van een forum voor het maatschappelijk middenveld van de Westelijke Balkan, dat vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld uit de regio de kans biedt ideeën uit te wisselen, hun zorgen kenbaar te maken en concrete aanbevelingen voor beleidsmakers te formuleren; dringt aan op de voortzetting van dit proces op de volgende top, die in 2016 in Parijs zal worden gehouden, en op de organisatie van voorbereidende workshops voor maatschappelijke organisaties in de regio;

28.  is ingenomen met de uitnodiging aan het parlement van Kosovo om op permanente basis, op alle niveaus en onder gelijke voorwaarden deel te nemen aan de werkzaamheden en bijeenkomsten van de Parlementaire Vergadering van het Zuidoost-Europees Samenwerkingsproces (SEECP-PA), zoals besloten in mei 2015, en acht dit een belangrijke bijdrage tot de regionale parlementaire dialoog; betreurt het feit dat het parlement van Kosovo niet is geaccepteerd als volwaardig lid van andere regionale parlementaire samenwerkingsinitiatieven, zoals de Conferentie over de Westelijke Balkan van de commissies inzake Europese integratie van de landen die aan het stabilisatie- en associatieproces deelnemen (COSAP) en het netwerk van parlementaire commissies voor economie, financiën en Europese integratie van de Westelijke Balkan (NPC); doet een beroep op alle parlementen van de regio om een meer inclusieve benadering te hanteren met betrekking tot verzoeken om lidmaatschap van regionale initiatieven door het parlement van Kosovo en aldus bij te dragen tot de versterking van de regionale samenwerking;

29.  roept Kosovo er nogmaals toe op om het rechtskader voor het ambtenarenapparaat te voltooien en om het strategisch kader voor openbaar bestuur en het actieplan volledig ten uitvoer te leggen; dringt er bij de autoriteiten op aan dat zij de politisering van het openbaar bestuur een halt toeroepen, in alle openbare instellingen een op verdiensten gebaseerde vakkundigheid stimuleren, goed financieel beheer van openbare instellingen waarborgen, en de transparantie van de parlementaire controle van de tenuitvoerlegging van de begroting garanderen;

30.  onderstreept hoe belangrijk het is de projectfinanciering te verhogen voor Kosovaarse ngo's die zich inzetten voor de bevordering van de beginselen van goed bestuur, de vergroting van de transparantie en de verantwoordingsplicht, de versterking van de institutionele mechanismen binnen het rechtsstelsel, de verdere consolidering van de institutionele en sociale democratie, en de verhoging van de inspanningen ter bescherming en bevordering van de rechten van gemarginaliseerde groepen en etnische minderheden;

31.  spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit over de hoge werkloosheidscijfers, met name onder vrouwen en jongeren, en laakt de algemene discriminatie van vrouwen in de maatschappij en op de arbeidsmarkt; onderstreept de noodzaak om de jeugd van Kosovo vooruitzichten voor de toekomst te bieden; doet een beroep op Kosovo om zich te concentreren op het dichten van de vaardigheidskloof op de arbeidsmarkt en alle administratieve belemmeringen weg te nemen die zouden kunnen leiden tot discriminerende praktijken en het algemene ondernemingsklimaat in het land te verbeteren, vooral voor kleine en middelgrote ondernemingen; verzoekt de Commissie verdere financiële steun te bieden aan jonge ondernemers in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun, met een bijzonder accent op opleidingscursussen, workshops en de uitwisseling van kennis, met inbegrip van maatregelen die de contacten met ondernemers uit de EU-lidstaten vergemakkelijken, en tegelijkertijd alles in het werk te stellen om braindrain te voorkomen, met name na de inwerkingtreding van de SAO;

32.  wijst erop dat structurele hervormingen van essentieel belang blijven om de potentiële groei te verhogen, de productiviteit te vergroten en de flexibiliteit en het concurrentievermogen van de economie van Kosovo te verbeteren; stemt in met de conclusie van de Commissie dat Kosovo zijn belastingkader op de middellange termijn moet versterken, de transparantie van de overheidsfinanciën moet verbeteren, de begrotingsuitgaven moet verleggen naar maatregelen ten behoeve van de groei, en buitenlandse directe investeringen en particuliere geldovermakingen naar de productiesectoren moet sluizen; verzoekt Kosovo de herstructurering van overheidsbedrijven te bespoedigen, de faillissements- en insolventieprocedures te verbeteren en zijn afhankelijkheid van douanerechten te verminderen door de binnenlandse belastingbasis te verbreden en de belastinginning te moderniseren;

33.  onderstreept dat hervormingen van de arbeidsmarkt, aangevuld met onderwijshervormingen, van cruciaal belang zijn in het licht van de hoge werkeloosheids- en de lage arbeidsparticipatiepercentages; benadrukt dat verdere inspanningen noodzakelijk zijn om het onderwijsstelsel beter af te stemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt, met name door het leerplan van het voorbereidende wetenschappelijk onderwijs aan te passen; onderstreept bovendien het belang van de uitbreiding van het stelsel van beroepsonderwijs, dat moet worden aangevuld met een actief arbeidsmarktbeleid;

34.  constateert dat Kosovo zich in een vroeg stadium van ontwikkeling van een functionerende economie bevindt; is verheugd dat voortgang is geboekt op het gebied van industrie en kmo's; dringt aan op een voortdurende vermindering van de lasten voor kmo's, en benadrukt de noodzaak een beoordeling uit te voeren van de effecten van de regelgeving op kmo's naast de noodzaak van het verlenen van steun aan start-ups en innoverende bedrijven die een hoge toegevoegde waarde bieden, ten einde de ondernemingsactiviteit te stimuleren, die zowel sociale als economische voordelen zal bieden; verzoekt de Commissie meer steun te verlenen aan jonge ondernemers via het instrument voor pretoetredingssteun, met inbegrip van maatregelen om de contacten met ondernemers uit de EU-lidstaten en de participatie van Kosovaarse werkgeversverenigingen in de Europese Confederatie van jonge ondernemers te vergemakkelijken, vooral na de inwerkingtreding van de SAO; dringt er bij de Kosovaarse instellingen op aan mogelijkheden voor investeringsfinanciering te bieden ten behoeve van sociale en duurzame ondernemingen om de uitdagingen op het vlak van de sociale problemen en de duurzame groei het hoofd te bieden;

35.  herhaalt dat het belangrijk is dat Kosovo op zo kort mogelijke termijn een eigen internationale telefooncode krijgt, omdat dit bevorderlijk is voor de internationale zichtbaarheid van het land; verzoekt de Internationale Unie voor Telecommunicatie (ITU) op dit punt vooruitgang te boeken;

36.  onderstreept dat het belangrijk is bij het doen van uitnodigingen de gevoeligheden van alle gemeenschappen te respecteren, zoals het geval was met generaal Diković, en verzoekt KFOR met de autoriteiten van Kosovo samen te werken om te voorkomen dat het met bepaalde handelingen de nagedachtenis aan de slachtoffers en de dialoog tussen Pristina en Belgrado schaadt; brengt in herinnering dat de verbindingsbureaus in Kosovo en Servië 48 uur vóór dergelijke bezoeken naar behoren op de hoogte moeten worden gesteld;

37.  neemt kennis van de verbetering van de infrastructuur voor het wegvervoer en de mobiliteit, met name wat de snelwegen betreft, alsmede van de recente goedkeuring van het IPA II 2015-pakket dat het belangrijkste spoorweginfrastructuurproject in Kosovo omvat; betreurt echter de hoge aanlegkosten; hoopt dat de recente leningsovereenkomst tussen Kosovo en de Europese Investeringsbank voor de modernisering van het Kosovaarse deel van perceel 10 van het Europese spoorwegnet een stimulans kan zijn voor een veelomvattend plan om het openbaar vervoer en de spoorweginfrastructuur te verbeteren; is in dit verband verheugd over het feit dat de minister-presidenten Isa Mustafa en Aleksandar Vučić op 27 januari 2016 zijn overeengekomen besprekingen te beginnen over rechtstreekse luchtvaart- en spoorwegverbindingen tussen Kosovo en Servië; doet een beroep op de autoriteiten van Kosovo, aangezien de Commissie de connectiviteitsagenda tot een van haar belangrijkste prioriteiten heeft uitgeroepen en als de sleutelfactor voor de economische ontwikkeling van de regio beschouwt, te zorgen voor de volledige en snelle toepassing van de technische normen en zachte maatregelen op het gebied van vervoer waarover tijdens de top van de Westelijke Balkan van 2015 in Wenen overeenstemming werd bereikt;

38.  geeft uiting aan zijn zorgen over de huidige precaire energiesituatie van Kosovo, die een negatief effect heeft op het dagelijks leven; wijst erop dat de elektriciteitsverliezen en daarmee samenhangende commerciële schade momenteel erg hoog zijn als gevolg van de verouderde elektriciteitsnetten, en pleit voor ingrijpende hervormingen ter verhoging van de energie-efficiëntie en de voorzieningszekerheid door in de renovatie van het huidige elektriciteitsnet te investeren, aangezien een werkend elektriciteitsnet en toereikende aardolievoorraden een eerste vereiste is voor binnenlandse en buitenlandse ondernemingen om in Kosovo een bedrijf te vestigen; spoort de energietoezichthouder ertoe aan flexibeler te zijn bij het verlenen van licenties en vergunningen aan nieuwe investeerders in de hernieuwbare-energiesector; neemt nota van het akkoord dat met het Amerikaanse bedrijf Contour Global is bereikt over de bouw van de elektriciteitscentrale Nieuw Kosovo, die een capaciteit van 500 MW zal hebben, en dringt aan op een transparant proces dat vergezeld gaat van een sociale en milieueffectrapportage van het project, onder volledige naleving van de EU-normen;

39.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede aan de Europese dienst voor extern optreden en de regering en de Nationale Assemblee van Kosovo.


Situatie in Libië
PDF 183kWORD 79k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 februari 2016 over de situatie in Libië (2016/2537(RSP))
P8_TA(2016)0048RC-B8-0146/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Libië, met name die van 15 september 2011(1), 22 november 2012(2), 18 september 2014(3) en 15 januari 2015(4),

–  gezien Besluit 2013/233/GBVB van de Raad van 22 mei 2013 tot instelling van een missie van de Europese Unie voor bijstandsverlening inzake geïntegreerd grensbeheer in Libië (EUBAM Libië),

–  gezien het op 18 mei 2015 genomen besluit tot lancering van operatie Sophia (EUNAVFOR MED) met het oog op de identificatie, inbeslagname en vernietiging van vaartuigen en de identificatie van andere middelen die worden gebruikt of vermoedelijk worden gebruikt door migrantensmokkelaars of mensenhandelaars,

–  gezien de recente verklaringen over Libië van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, onder meer die van 30 april, 26 en 27 mei, 30 juni, 12 juli, 17 augustus, 13 en 22 september, 9 oktober, 19 en 26 november en 14 en 17 december 2015 en die van 7, 11 en 18 januari 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 januari 2016 over Libië,

–  gezien het politieke akkoord over Libië dat op 17 december 2015 in Skhirat (Marokko) werd ondertekend,

–  gezien het gezamenlijke communiqué van 13 december 2015 naar aanleiding van de ministeriële bijeenkomst over Libië in Rome, dat is bekrachtigd door Algerije, China, Duitsland, Egypte, Frankrijk, Italië, Jordanië, Marokko, Qatar, Rusland, Saudi-Arabië, Spanje, Tunesië, Turkije, de Verenigde Arabische Emiraten, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, de Europese Unie, de Verenigde Naties, de Liga van Arabische Staten en de Afrikaanse Unie;

–  gezien Resolutie 2259 (2015) van de VN-Veiligheidsraad over de situatie in Libië, die op 23 december 2015 bij unanimiteit is aangenomen,

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(5),

–  gezien de nationale conferentie van Libische stammen die plaatsvond in Tripoli in juli 2011 en waarbij werd gepleit voor een wet inzake algemene amnestie om een eind te maken aan de burgeroorlog,

–  gezien de bijeenkomst van politieke leiders en activisten in Algiers op 11 maart 2015,

–  gezien de steunverklaring van de regeringen van Algerije, Duitsland, Frankrijk, Italië, Marokko, Spanje, Tunesië, de Verenigde Arabische Emiraten, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten voor een Libische regering van nationale eenheid (RNE),

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Libië onder de dictatuur van Kaddafi het grootste wapenarsenaal van alle landen aan de zuidkust van het Middellandse Zeegebied bezat en sinds de val van Kaddafi is uitgegroeid tot een belangrijk centrum van illegale wapenhandel en een bevoorradingszone voor alle terroristen en extremisten in de Sahel (Mali, Niger en Nigeria) en voor de oppositiebewegingen in Sudan, Tsjaad en Syrië;

B.  overwegende dat de Libische bevolking in februari 2011 tijdens de Arabische lente massaal de straat op ging, waarna een negen maanden durend burgerconflict volgde; overwegende dat de rebellen, die te kampen hadden met willekeurige overheidsrepressie, steun kregen van de NAVO en dat deze steun beslissend was voor de afzetting van Kaddafi;

C.  overwegende dat de Libische samenleving traditioneel - al vóór de staatsgreep en nog meer daarna - volgens een stammensysteem georganiseerd is; overwegende dat bondgenootschappen van stammen met een bepaalde etnische identiteit (Arabieren als meerderheid en Berbers, Toeboe en Toeareg als minderheden) in belangrijke mate blijven bijdragen tot de onrust die zich momenteel in Libië manifesteert;

D.  overwegende dat veel van de milities die tegen Kaddafi streden, zijn geïnfiltreerd door islamisten, die geleidelijk de bovenhand hebben gekregen en waarvan sommigen een cruciale rol hebben gespeeld in het conflict; overwegende dat Da'esh, Ansar al-Sharia en Al Qaida, alle drie aanwezig in Libië, in de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad zijn aangemerkt als terroristische organisaties;

E.  overwegende dat de Nationale Overgangsraad in augustus 2012 de macht overdroeg aan het Algemeen Nationaal Congres (ANC), een verkozen volksvertegenwoordiging, die vervolgens een tijdelijk staatshoofd aanwees; overwegende dat de stemgerechtigden in juni 2014 ter vervanging van het ANC een nieuwe volksvertegenwoordiging hebben verkozen, namelijk het Huis van Afgevaardigden (HvA), dat zich in Tobruk vestigde; overwegende dat het voormalige ANC, dat werd gedomineerd door de Moslimbroederschap, kort daarna opnieuw bijeenkwam en een eigen minister-president koos, en daarmee tijdens een periode van strijd waarbij zelfs de hoofdstad Tripoli in andere handen viel, het gezag van het HvA ondermijnde; overwegende dat beide strijdende partijen naar verluidt steun krijgen van externe machten, met name Egypte, Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten voor wat het HvA (Tobruk) betreft en Turkije en Qatar voor wat het nieuwe ANC (Tripoli) betreft;

F.  overwegende dat deze twee politieke organen (het in Tobruk gevestigde en door de internationale gemeenschap erkende HvA en het nieuwe ANC in Tripoli) sinds augustus 2014 allebei beweren het land te regeren en allebei worden gesteund door meerdere zwaar bewapende milities die verbonden zijn met regio's, steden en stammen met verschillende achtergronden;

G.  overwegende dat Da'esh gebruik heeft gemaakt van het politieke vacuüm en het ontbreken van een stabiele regering, en overwegende dat buitenlanders en Libische terroristen die zijn teruggekeerd uit de oorlog in Irak en Syrië zich bij Da'esh hebben aangesloten; overwegende dat deze teruggekeerde islamisten in november 2014 samen met jihadisten uit andere landen de stad Derna ten oosten van Benghazi hebben ingenomen en trouw hebben gezworen aan Da'esh; overwegende dat deze strijdkrachten en hun bondgenoten sindsdien actief zijn langs bijna de gehele kustlijn van Derna tot aan Tripoli, onder meer in Al Bayda, Benghazi, Ajdabiya, Abu Grein en Misrata, volledige controle hebben over een zone van ruim 200 km rond Sirte, en ten westen van Tripoli, in de buurt van de grens met Tunesië, een trainingsbasis bezitten; overwegende dat Da'esh een lokale terreurcampagne is begonnen (met onthoofdingen, beschietingen en bombardementen), bezig is met een territoriale uitbreiding, het wegennet in handen heeft gekregen en de oost-westverbindingen kan platleggen;

H.  overwegende dat Libië is uitgegroeid tot de belangrijkste thuishaven voor Da'esh buiten het Midden-Oosten en tot een belangrijke uitvalsbasis van Da'esh langs de zuidkust van het Middellandse Zeegebied, wat een uiterst groot gevaar van terroristische aanslagen inhoudt voor de buurlanden van Libië in de Sahel en de Sahara en ook voor Europa;

I.  overwegende dat Da'esh sinds 4 januari 2016 grote offensieven heeft uitgevoerd op de belangrijkste olie-installaties in Libië, met als doel haar oorlogskas te spekken en de controle te verwerven over de immense oliefaciliteiten in de oostelijke plaatsen Al-Sidra, Ras Lanuf en Marsa Al-Brega, en overwegende dat hierbij de voor de Libische economie belangrijkste infrastructuur is beschadigd en voor de heropbouw van het land noodzakelijke inkomsten in het gedrang worden gebracht;

J.  overwegende dat Libië sinds het in anarchie verkeert nog meer dan vroeger een doorvoerland is geworden voor mensenhandel richting de zuidelijke grenzen van Europa; overwegende dat er nog honderdduizenden migranten en asielzoekers van verschillende nationaliteiten in Libië verblijven, vaak in erbarmelijke levensomstandigheden, waardoor zij een prooi vormen voor mensenhandelaars;

K.  overwegende dat de mensenrechtensituatie in het hele land almaar slechter wordt, en dat gevallen van willekeurige gevangenneming, ontvoering, buitengerechtelijke executies en marteling van alsmede geweld tegen journalisten, functionarissen, politici en mensenrechtenactivisten door alle bij het conflict betrokken partijen tot de tragische werkelijkheid behoren; overwegende dat de VN-Veiligheidsraad de situatie in Libië op 26 februari 2011 heeft doorverwezen naar het Internationaal Strafhof (ICC); overwegende dat het nog altijd het ICC is dat belast is met het onderzoeken van de mensenrechtenschendingen die in het land hebben plaatsgevonden en met het vervolgen van degenen die hiervoor verantwoordelijk zijn; overwegende dat het ICC op 27 juni 2011 arrestatiebevelen heeft uitgevaardigd tegen Muammar Kaddafi en Saif al-Islam Kaddafi, en overwegende dat de resterende verdachten niet op gezag van het ICC in hechtenis worden gehouden; overwegende dat de Libische overheid erop heeft aangedrongen dat de verdachten binnen het Libische nationale rechtsstelsel worden berecht;

L.  overwegende dat bij het politieke traject van de Libische dialoog vooraanstaande leden van het Libische democratiseringsproces betrokken waren, met name leden van het Huis van Afgevaardigden (HvA), het Algemene Nationale Congres (ANC) en de Nationale Overgangsraad; overwegende dat andere onafhankelijke belanghebbenden zoals gemeenteraden, politieke partijen, stamhoofden en vrouwenorganisaties zich hebben ingezet voor de bevordering van een daadwerkelijke verzoening;

M.  overwegende dat het politieke akkoord over Libië tot doel heeft de democratische rechten van het Libische volk te waarborgen, een op consensus gebaseerde regering op te richten in overeenstemming met het beginsel van de scheiding der machten, en overheidsinstellingen zoals de RNE te empoweren; overwegende dat er, gezien de uitdagingen waarmee Libië wordt geconfronteerd, niet mag worden gewacht met de oprichting van de RNE, die zich zal inzetten voor alle inwoners van Libië en de grondslag zal leggen voor vrede en stabiliteit en voor de wederopbouw en ontwikkeling van het land;

N.  overwegende dat het Libische HvA in Tobruk op 25 januari 2016 de door de VN gesteunde eenheidsregering heeft verworpen, maar tegelijk wel zijn goedkeuring heeft gehecht aan het politieke akkoord over Libië, dat de basis vormt voor een politieke overgang in het land;

O.  overwegende dat het voor de Libische burgers alsook voor de veiligheid in de hele regio en in de Europese Unie absoluut noodzakelijk is dat Libië een veilig en politiek stabiel land wordt;

1.  is ingenomen met het door de VN ondersteunde politieke akkoord over Libië dat op 17 december 2015 is ondertekend, steunt de presidentiële raad ten volle en looft de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN, Martin Kobler, voor zijn harde werk;

2.  betreurt dat het HvA in Tobruk het eerste voorstel voor een eenheidsregering heeft afgewezen; roept de twee belangrijkste Libische instellingen ertoe op in te stemmen met het voorstel, dat cruciaal is voor de uitvoering van het politieke akkoord over Libië en het streven naar vrede en stabiliteit in Libië en de wens om alle Libische burgers te beschermen weerspiegelt; vraagt het HvA en diens voorzitter met klem blijk te geven van compromisbereidheid en te blijven discussiëren over de kabinetslijst, met het oog op de goedkeuring van de RNE, overeenkomstig het politieke akkoord over Libië;

3.  is voornemens de RNE die bij consensus door de Libische partijen zal worden gevormd, te erkennen en te ondersteunen als de enige wettige regering van Libië; benadrukt dat het politieke proces in Libische handen ligt en onderstreept het belang van het permanente inclusieve karakter van dit proces, onder meer in de vorm van constructieve betrokkenheid van de stamraden, positieve participatie van vrouwen en het maatschappelijk middenveld en bevorderlijke bijdragen van politieke en lokale actoren met het oog op de tijdige herziening en goedkeuring van een grondwet waarin de democratie, mensenrechten en burgerlijke vrijheden worden geëerbiedigd;

4.  verzoekt de internationale gemeenschap, de VN, EU, AU en de leden van de Liga van Arabische Staten zich gereed te houden om de Libische bevolking te steunen bij haar inspanningen om het akkoord naar behoren ten uitvoer te leggen; verwacht van de lidstaten en internationale instellingen dat zij uitsluitend officieel contact onderhouden met partijen bij het politieke akkoord over Libië; dringt er bij de EU op aan dat zij doelgerichte sancties – zoals reisverboden en bevriezing van tegoeden – oplegt aan personen en organisaties die het politieke akkoord over Libië boycotten;

5.  betreurt de oorlog op afstand die momenteel aan de gang is tussen buitenlandse soennitische partijen; verzoekt regionale spelers zich te onthouden van acties die voor meer verdeeldheid zouden kunnen zorgen en de overgang van Libië naar een stabiele, inclusieve en democratische staat zouden kunnen ondermijnen, en die tot instabiliteit in de buurlanden zouden kunnen leiden; herbevestigt dat het uitermate veel waarde hecht aan de soevereiniteit, territoriale integriteit, nationale eenheid en democratische overgang van Libië;

6.  veroordeelt de ontwrichtende terroristische aanslagen van Da'esh op de Libische bevolking en Libische minderheden en op de olie-infrastructuur in Al-Sidra en Ras Lanuf, alsook alle pogingen om het stabilisatieproces in het land te verstoren; dringt aan op een internationale coalitie ter bestrijding van de groeiende aanwezigheid van Da'esh in Libië, die niet alleen een bedreiging vormt voor Libië en de naburige landen in de Sahel en de Sahara, maar ook voor de EU;

7.  benadrukt dat de doorlaatbaarheid van de Libische grenzen en het ontbreken van centrale politieke controle ertoe hebben geleid dat wapens heel gemakkelijk kunnen worden verspreid en verhandeld en dat gewapende Libische en buitenlandse groeperingen zich vrijelijk kunnen bewegen; maakt zich zorgen over het overloopeffect van het Libische conflict op de buurlanden van Libië, in het bijzonder Egypte en Tunesië maar ook Algerije; is van oordeel dat de EU gebruik moet maken van haar diplomatieke en buitenlandse beleidsinstrumenten, in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en ander beleid, bijvoorbeeld op het vlak van handel en samenwerking, om die landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika ertoe aan te sporen een positieve bijdrage te leveren aan het overgangsproces in Libië;

8.  is van mening dat economisch herstel een belangrijke stap vormt in de overgang naar democratie in Libië; steunt de nieuwe Libische autoriteiten ten volle bij de bestrijding van terrorisme en hun inspanningen voor de noodzakelijke bescherming van de Libische bevolking en essentiële economische infrastructuur;

9.  brengt in herinnering dat de parlementaire dimensie van essentieel belang is om tot een politieke oplossing voor de crisis te komen; benadrukt dat de organen en leden van het Europees Parlement hun institutionele ervaring kunnen delen met Libische actoren om ze te steunen bij de totstandbrenging van een inclusieve politieke dialoog;

10.  is diep bezorgd over het lot van migranten, asielzoekers en vluchtelingen in Libië, wier zo al ondraaglijke situatie almaar slechter wordt; vraagt om meer betrokkenheid van het VN-vluchtelingenbureau (UNHCR) bij het coördineren van het VN-optreden; dringt bij de EU en haar lidstaten aan op een doeltreffende aanpak van de uit de hand lopende toevloed van migranten en vluchtelingen uit Noord-Afrika en in het bijzonder Libië; verzoekt de Libische overheid en milities om externe instanties toegang te verschaffen tot detentiecentra, met name die voor migranten;

11.  dringt er bij de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden - die het optreden van de lidstaten in Libië coördineert - op aan in de eerste plaats steun te verlenen voor de opbouw van overheidsstructuren en instellingen, en samen met de lidstaten, VN, NAVO en regionale partners te helpen bij de hervorming van de veiligheidssector en de oprichting, onder supervisie van de RNE, van een efficiënt nationaal leger en een efficiënte nationale politiemacht die in staat zijn het volledige Libische grondgebied alsook de Libische wateren te controleren en de Libische grenzen te bewaken; benadrukt dat de EU ook een prioriteit moet maken van het ondersteunen van de hervorming van het Libische rechtsstelsel en andere gebieden die cruciaal zijn voor een democratisch bestuur;

12.  steunt de inspanningen van operatie Sophia (EUNAVFOR MED) om een oplossing te vinden voor de migrantencrisis en de mensenhandelaars die migranten uitbuiten aan te pakken; brengt in herinnering dat het welslagen van de operatie onlosmakelijk verbonden is met de duurzaamheid van de politieke dialoog in Libië en het noodzakelijke herstel van de vrede en stabiliteit in het land; roept op tot een overeenkomst met de RNE die de EU-missie in staat stelt noodzakelijke operaties uit te voeren in de Libische territoriale wateren;

13.  verheugt zich over het feit dat de EU reeds een hulppakket van 100 miljoen EUR beschikbaar heeft gesteld en zich bereid heeft verklaard onmiddellijke steun te verlenen op gebieden waaraan in samenspraak met de nieuwe Libische RNE, zodra deze is gevormd, prioriteit zal worden gegeven; vraagt de EU en de VN om bijstand te plannen op het vlak van de opbouw van overheidsstructuren, veiligheid en vredeshandhaving, en op het gebied van opleiding betreffende de tenuitvoerlegging van capaciteiten op het gebied van noodmaatregelen en rampenbestrijding, eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat;

14.  dringt er bij de lidstaten op aan niet individueel in actie te komen, maar de VV/HV te ondersteunen bij het formuleren van een omvattende strategie, in samenwerking met UNSMIL en de Libische autoriteiten, ter ondersteuning van het overgangsproces en de nieuwe Libische regering; is van mening dat de hervorming van de veiligheidssector en programma's voor ontwapening, demobilisatie en re-integratie van prioritair belang zijn voor Libië, en verzoekt de Commissie, de VV/HV en de lidstaten zich klaar te houden om op deze gebieden de nodige bijstand te verlenen als de nieuwe regering daarom vraagt;

15.  benadrukt hoe belangrijk het is dat de internationale gemeenschap meer humanitaire financiering beschikbaar stelt om tegemoet te komen aan de dringendste behoeften van de mensen die zwaar door het conflict in Libië zijn getroffen; onderstreept dat er financiering moet worden verstrekt om humanitaire organisaties te helpen de situatie beter in te schatten en beter in te spelen op de behoeften ter plaatse; verzoekt de Commissie om haar toezeggingen aan het EU-noodtrustfonds voor Afrika na te komen;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Unie voor het Middellandse Zeegebied, de Liga van Arabische Staten, de Raad van de Afrikaanse Unie en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 114.
(2) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 192.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0028.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0010.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0272.


Insulaire gebieden
PDF 173kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 februari 2016 over de specifieke situatie van eilanden (2015/3014(RSP))
P8_TA(2016)0049B8-0165/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 174 en 175 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad,

–  gezien het zesde verslag van de Commissie over de economische, sociale en territoriale samenhang (COM(2014)0473,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over specifieke problemen van eilanden (1229/2011),

–  gezien de vraag aan de Commissie over insulaire gebieden (O-000013/2016 – B8-0106/2016),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat eilanden, ingedeeld als NUTS-2 en NUTS-3-regio's, permanente specifieke kenmerken hebben die hen duidelijk onderscheiden van het vasteland;

B.  overwegende dat in artikel 174 van het VWEU de permanente natuurlijke en geografische belemmeringen van de specifieke situatie van eilanden worden erkend;

C.  overwegende dat de vermindering van de economische, sociale en ecologische ongelijkheid tussen regio's en een polycentrische, harmonieuze ontwikkeling de belangrijkste doelstellingen van het cohesiebeleid zijn, en dat dit nauw samenhangt met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

D.  overwegende dat de economische crisis dramatische gevolgen heeft voor de nationale en regionale begrotingen van veel lidstaten doordat er in tal van sectoren slechts beperkte financiering beschikbaar is, wat heeft geleid tot een terugval van de overheidsinvesteringen met 20 %; overwegende dat, zoals ook wordt opgemerkt in het zesde verslag over de economische, sociale en territoriale samenhang, de crisis ernstige gevolgen heeft gehad voor de potentiële ontwikkeling van veel achtergestelde gebieden, waaronder eilanden; overwegende dat de economische crisis de langetermijntendens van convergentie van het bbp en de werkloosheid in de hele EU heeft omgekeerd, wat heeft geleid tot een toename van de armoede en de sociale uitsluiting en wat ook de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van de Unie van economische en territoriale samenhang onmogelijk heeft gemaakt;

E.  overwegende dat veel eilanden in de EU ook perifere gebieden zijn die zich in sommige gevallen aan de buitengrenzen van de EU bevinden en bijzonder kwetsbaar zijn voor de problemen waarmee Europa momenteel wordt geconfronteerd, zoals de globalisering, demografische trends, klimaatverandering, energievoorziening en, met name voor de zuidelijke gebieden, blootstelling aan de toenemende migratiestromen;

F.  overwegende dat de Europese eilanden bijdragen aan de diversiteit van de Unie, zowel op milieuvlak (specifieke habitats en inheemse soorten) als wat cultuur betreft (monumenten, vindplaatsen, landschappen, agrarische en niet-agrarische kenmerken en geografische identiteit);

G.  overwegende dat de Europese eilanden kunnen bijdragen aan meer duurzame ontwikkeling in de Unie, gezien hun grote potentieel om energie uit hernieuwbare bronnen te produceren door hun specifieke blootstelling aan windstromen, getijden en zon;

H.  overwegende dat de toegankelijkheid van gebieden en verbindingen met eilanden belangrijke factoren zijn om insulaire gebieden aantrekkelijker te maken voor gekwalificeerde werknemers en bedrijven; overwegende dat er investeringen moeten worden aangetrokken, er banen moeten worden gecreëerd en de kosten voor het vervoer van personen en goederen over zee en via de lucht moeten worden verlaagd, overeenkomstig het beginsel van territoriale continuïteit, en dat er tevens inspanningen moeten worden geleverd om de uitstoot en de verontreiniging als gevolg van zee-en luchtvervoer te verminderen;

I.  overwegende dat landbouw, veehouderij en visserij een belangrijk element van de lokale insulaire economie vormen, die een bron van aanvoer voor een aanzienlijk deel van de agro-industriële sector zijn, en overwegende dat deze sectoren lijden onder moeilijke toegankelijkheid, met name voor kmo's, een beperkte productdifferentiatie en klimaatomstandigheden;

J.  overwegende dat intensief toerisme voor de meeste eilanden een belangrijk onderdeel is van hun lokale economie, maar doorgaans slechts gedurende bepaalde periodes van het jaar een grote concentratie kent en niet adequaat is gepland buiten het seizoen, en dat dit risico's kan opleveren voor de ecologisch duurzame ontwikkeling van insulaire gebieden;

1.  verzoekt de Commissie een duidelijke definitie te verstrekken van de aard van de permanente geografische, natuurlijke en demografische belemmeringen waarmee insulaire gebieden te kampen kunnen krijgen in de zin van artikel 174 van het VWEU;

2.  verzoekt de Commissie aan te geven hoe zij van plan is de tekst van artikel 174 van het VWEU uit te voeren ten aanzien van de permanente belemmeringen van eilanden die hun natuurlijke ontwikkeling belemmeren en de verwezenlijking van economische, sociale en territoriale samenhang verhinderen;

3.  erkent dat het belangrijk is steun te verlenen om de grote ontvolkingstendens in insulaire gebieden aan te pakken; herinnert eraan dat bepaalde belemmeringen moeilijker op te vangen zijn voor eilanden, en dat dit wordt bepaald door hun geringe omvang en de grote afstand tot Europese continentale kusten;

4.  verzoekt de Commissie een grondige studie/analyse te verrichten van de extra kosten die insulaire gebieden moeten dragen voor het vervoer van personen en goederen, energievoorziening en toegang tot markten, met name voor kmo's;

5.  is van mening dat er een deugdelijke definitie/categorisering van eilanden moet komen waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de verschillen en bijzonderheden van eilanden, maar ook met de specifieke situatie ervan; verzoekt de Commissie op basis van artikel 174 van het VWEU, waarin de specifieke situatie van eilanden wordt erkend, een homogene groep van alle eilandgebieden vast te stellen; verzoekt de Commissie bovendien naast het bbp rekening te houden met andere statistische indicatoren waaruit de economische en sociale kwetsbaarheid als gevolg van permanente natuurlijke belemmeringen kan blijken;

6.  herinnert eraan dat, overeenkomstig Richtlijn 2006/112/EG van de Raad, bepaalde Europese eilanden speciale belastingregelingen hebben gekregen als compensatie voor hun permanente natuurlijke en demografische belemmeringen; onderstreept het belang van deze speciale belastingregelingen voor lokale gemeenschappen en economieën, en dringt aan op voortzetting ervan, met name in de lidstaten waarvoor een economisch aanpassingsprogramma geldt;

7.  herinnert met name aan het feit dat er nood is aan betere verbindingen via zeeroutes, betere toegang tot havens en betere luchtvaartdiensten; is van mening dat bijzondere nadruk moet worden gelegd op vervoersknooppunten, intermodaal vervoer en duurzame mobiliteit; benadrukt verder dat het noodzakelijk is de evenwichtige territoriale ontwikkeling van insulaire gebieden te ondersteunen door het bevorderen van innovatie en concurrentievermogen in deze gebieden, die ver van de grote administratieve en economische centra verwijderd zijn en niet profiteren van gemakkelijke toegang tot vervoer, en door de plaatselijke productie voor plaatselijke markten te versterken;

8.  benadrukt dat digitale capaciteit een belangrijk middel is om de connectiviteitsbelemmeringen van insulaire gebieden op te vangen; benadrukt dat investeringen in infrastructuur noodzakelijk zijn om breedbandtoegang op eilanden en de volledige deelname van eilanden aan de digitale interne markt te waarborgen;

9.  herinnert eraan dat veel eilanden in de Middellandse Zee worden overspoeld door de komst van enorme aantallen migranten en deze situatie het hoofd moeten bieden; benadrukt dat er nood is aan een omvattende aanpak van de EU, met onder meer steun van de EU en een gezamenlijke inspanning van alle lidstaten;

10.  benadrukt het belang van onderwijs op alle niveaus, indien nodig ook door meer gebruik te maken van afstandsonderwijs; herinnert eraan dat eilanden ook worden geconfronteerd met zeer ernstige gevolgen van de klimaatverandering, waaronder een toenemend aantal natuurrampen;

11.  benadrukt dat, hoewel eilanden te kampen hebben met beperkingen, zij ook profiteren van een territoriaal potentieel, dat moet worden benut als een kans tot ontwikkeling, groei en het scheppen van werkgelegenheid; onderstreept het belang van beleid dat is gericht op lage belastingen en vermindering van de bureaucratie als belangrijke prikkels om investeringen aan te trekken; wijst in dit verband op de ontwikkeling van duurzaam toerisme, naast seizoensgebonden toerisme, dat zich richt op de bevordering van het cultureel erfgoed en specifieke kleinschalige economische activiteiten; benadrukt tevens het enorme potentieel van getijden-, wind- en zonne-energie en het potentieel van eilanden om uit te groeien tot een belangrijke bron van alternatieve energie, teneinde zo energie-autonoom mogelijk te worden en, bovenal, goedkopere energievoorziening voor de eilandbewoners te waarborgen;

12.  benadrukt in dit verband dat het belangrijk is gebruik te maken van alle mogelijke synergieën tussen de Europese structuur- en investeringsfondsen en andere instrumenten van de Unie om de belemmeringen van eilanden te compenseren en hun economische groei, werkgelegenheidssituatie en duurzame ontwikkeling te verbeteren;

13.  verzoekt de Commissie een "strategisch EU-kader voor eilanden" vast te stellen om instrumenten die een grote territoriale impact kunnen hebben, op elkaar af te stemmen;

14.  verzoekt de lidstaten en de regionale en lokale overheden een belangrijke rol te spelen in de ontwikkelingsstrategieën voor eilanden, op basis van een verticale aanpak waarbij alle bestuursniveaus zijn betrokken en in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, om de duurzame ontwikkeling van de eilanden in de EU te waarborgen;

15.  stelt voor dat de Commissie binnen het directoraat-generaal voor Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling (DG REGIO) een "eilanden-desk" opricht die bestaat uit een kleine groep ambtenaren, om kwesties met betrekking tot insulaire gebieden te coördineren en te analyseren;

16.  verzoekt de Commissie een mededeling op te stellen over een "Agenda voor eilanden in de EU" en vervolgens een witboek om de ontwikkeling van insulaire gebieden te volgen, op basis van goede praktijken, waarbij lokale, regionale en nationale autoriteiten en andere relevante actoren, waaronder de economische en sociale partners en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, worden betrokken;

17.  verzoekt de Commissie een Europees Jaar van eilanden en bergen voor te stellen;

18.  verzoekt de Commissie bij de opstelling van het voorstel voor het volgende meerjarig financieel kader rekening te houden met de specifieke situatie van eilanden;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de Regio's en de lidstaten.


De rol van lokale en regionale autoriteiten in de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF)
PDF 170kWORD 69k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 februari 2016 over de rol van plaatselijke en regionale overheden bij de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) (2015/3013(RSP))
P8_TA(2016)0050B8-0171/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 174-178 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (1) (hierna: de "verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen" (GB-verordening)),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien het advies van het Europees Comité van de Regio's van 9 juli 2015 - Resultaat van de onderhandelingen over de partnerschapsovereenkomsten en de operationele programma's,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld "Investeren in banen en groei - naar een optimale bijdrage van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015)0639),

–  gezien het Witboek van het Comité van de Regio's over meerlagig bestuur,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de rol van lokale en regionale autoriteiten in de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) (O-000012/2016 – B8-0105/2016),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het cohesiebeleid van de EU in de programmeringsperiode 2014-2020 nog steeds het voornaamste investeringsinstrument is dat in alle regio's van de EU kan worden ingezet, en een kans biedt om een bottum-up proces van duurzame groei op gang te brengen, waarbij banencreatie, ondernemerschap en innovatie op het niveau van plaatselijke en regionale economieën worden bevorderd, de levenskwaliteit van burgers wordt verbeterd en voor solidariteit en een verdere ontwikkeling in de regio's van de EU wordt gezorgd;

B.  overwegende dat in het VWEU is bepaald dat het cohesiebeleid tevens gericht is op het verkleinen van de economische, sociale en territoriale ongelijkheden tussen de EU-lidstaten en hun regio's, door middel van een inclusieve strategie;

C.  overwegende dat er voor het eerst (in de periode 2014-2020) een samenhangend kader, de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening), is vastgelegd, waarbij gemeenschappelijke regels zijn vastgesteld voor alle vijf de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen): het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Cohesiefonds (CF), het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV);

D.  overwegende dat het bij de GB-verordening ingevoerde gemeenschappelijk strategisch kader (GSK) bijdraagt tot maximale impact en doeltreffendheid van de overheidsuitgaven alsook de totstandbrenging van synergieën mogelijk maakt, door de ESI-fondsen te combineren met andere door de EU gefinancierde programma's;

E.  overwegende dat in artikel 7 van de verordening betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling is bepaald dat ten minste 5 % van de EFRO-middelen moet worden bestemd voor de ondersteuning van duurzame stedelijke ontwikkeling via geïntegreerde maatregelen, waarbij steden, subregionale of lokale instanties die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van duurzame stedelijke strategieën verantwoordelijk moeten zijn voor taken die, ten minste, gerelateerd zijn aan de selectie van concrete acties;

F.  overwegende dat, in de huidige programmeringsperiode 2014-2020, door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) en lokale actiegroepen ook in aanmerking komen voor financiering uit het EFRO en het ESF;

G.  overwegende dat de beginselen van partnerschap en meerlagig bestuur, zoals uiteengezet in artikel 5 van de GB-verordening, tot de kernbeginselen van de ESI-fondsen behoren;

1.  onderstreept de belangrijke rol van de plaatselijke en regionale overheden bij de vormgeving en tenuitvoerlegging van EU-strategieën, en erkent tegelijkertijd de rol van een breed scala aan belanghebbenden, van de lidstaten tot lokale gemeenschappen; is voorts van mening dat de nabijheid van deze overheden tot de burger en de diversiteit van het bestuur op plaatselijk en regionaal niveau een troef van de EU is;

2.  is voorstander van synergieën en complementariteit tussen de ESI-fondsen en andere EU-programma's, waarin plaatselijke en regionale overheden een nuttige rol kunnen vervullen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid; benadrukt echter dat herprogrammeringen van de ESI-fondsen moeten plaatsvinden in overeenstemming met de voorschriften van de GB-verordening en dat nieuwe initiatieven de essentie van de ESI-fondsen niet mogen afzwakken;

3.  wijst op het versterkte partnerschapsbeginsel en de Europese gedragscode inzake partnerschap, waarin de juridische betrokkenheid van plaatselijke en regionale overheden wordt beschreven en minimumvereisten zijn vastgelegd voor hun betrokkenheid in alle fasen van de opstelling en uitvoering van de operationele programma's; erkent dat, hoewel plaatselijke en regionale overheden meestal werden geraadpleegd tijdens de onderhandelingen over de partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's, hun betrokkenheid niet is uitgegroeid tot een volwaardig partnerschap; dringt er daarom bij de lidstaten op aan deze vereisten volledig na te komen en hun inspanningen om de tekortkomingen aan te pakken op te voeren;

4.  benadrukt dat het versterken van de administratieve capaciteit en het aanpakken van de structurele zwaktes van plaatselijke en regionale overheden van cruciaal belang zijn voor zowel de programmerings- als de uitvoeringsfasen van de operationele programma's en voor de verwezenlijking van een hoger absorptiepercentage van de ESI-fondsen; verzoekt de Commissie daarom te waarborgen dat er steun wordt verleend aan de opbouw van capaciteit van plaatselijke en regionale overheden en hun administratieve apparaten en instellingen, opdat zij een zinvolle rol kunnen spelen in het cohesiebeleid, met name in het geval van de subdelegatie van uitvoeringstaken aan lagere overheidsniveaus, met name stedelijke overheden;

5.  wijst erop dat het EU-cohesiebeleid een goed voorbeeld van meerlagig bestuur met een bottum-up benadering is, waarbij de plaatselijke en regionale overheden - voor wat de Europese structuur- en investeringsfondsen betreft - een evenwicht bereiken tussen de EU-doelstelling van meer economische, sociale en territoriale cohesie en de territoriale impact van het EU-beleid;

6.  benadrukt het belang van het initiatief van door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling, waarbij de plaatselijke overheden partners zijn; benadrukt dat dit volgens een bottom-up benadering moet blijven verlopen, waarbij tegelijkertijd doelstellingen worden vastgesteld voor de maatregelen in verband met de plaatselijke en regionale behoeften;

7.  is van mening dat de nieuwe initiatieven van geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) trapsgewijze veranderingen inhouden ten aanzien van het vermogen van plaatselijke belanghebbenden om financieringsstromen te combineren en goed gerichte plaatselijke initiatieven te plannen;

8.  is van mening dat meerlagig bestuur de fundamentele politieke doelstellingen van de EU in de hand werkt, zoals economische groei, sociale vooruitgang en duurzame ontwikkeling, en dat het leidt tot een versterking van de democratische dimensie van de EU en een grotere doeltreffendheid van haar politieke activiteiten;

9.  vestigt de aandacht op de uitdagingen waar plaatselijke en regionale overheden mee te maken krijgen, zoals globalisering, klimaatverandering, energiezekerheid, migratiestromen en toegenomen verstedelijking, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat elke regio specifieke behoeften en kenmerken heeft;

10.  is ervan overtuigd dat stedelijke gebieden een steeds grotere rol vervullen in de wereld van vandaag en dat het EU-beleid een belangrijke rol speelt bij het vaststellen van het juiste kader waarbinnen Europese stedelijke gebieden hun groeipotentieel kunnen ontsluiten;

11.  verzoekt de Commissie nauw toe te zien op de tenuitvoerlegging van artikel 7 van de EFRO-verordening en hierover verslag uit te brengen aan het Parlement;

12.  is van mening dat de stedelijke agenda van de EU kan leiden tot een verbetering van de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van beleid en programma's en zo een meer coherente impact op en ondersteuning van steden kan waarborgen, waarbij wordt bijgedragen aan de verwezenlijking van gemeenschappelijke Europese en nationale doelstellingen, met volledige inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; onderstreept het belang van het Pact van Amsterdam en van de voortgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen die hierin worden beoogd; merkt evenwel op dat er inspanningen moeten worden geleverd om een einde te maken aan de knelpunten en onsamenhangendheden van het EU-beleid dat van invloed is op zowel stedelijke als plattelandsgebieden;

13.  verzoekt de Commissie te blijven voortbouwen op eerdere en lopende initiatieven, waaronder openbare raadplegingen, teneinde maatregelen vast te stellen om de rol van plaatselijke en regionale overheden bij het beheer en de tenuitvoerlegging van de ESI-fondsen te versterken via de partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, Raad, het Comité van de Regio's en de nationale en regionale parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.


Systematische massamoord op religieuze minderheden door IS
PDF 187kWORD 84k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 februari 2016 over de stelselmatige massamoord op religieuze minderheden door "ISIS/Da'esh" (2016/2529(RSP))
P8_TA(2016)0051RC-B8-0149/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties van 27 februari 2014 over de situatie in Irak(1), van 18 september 2014 over de situatie in Irak en Syrië, en het IS-offensief, met inbegrip van de vervolging van minderheden(2), met name paragraaf 4, van 27 november 2014 over Irak: ontvoeringen en mishandeling van vrouwen(3), van 12 februari 2015 over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS(4), met name paragraaf 27, van 12 maart 2015 over recente aanvallen en ontvoeringen door ISIS/Da'esh in het Midden-Oosten, met name van Assyriërs(5), met name paragraaf 2, van 12 maart 2015 over het jaarverslag inzake mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het beleid van de Europese Unie ter zake(6), met name de paragrafen 129 en 211, van 12 maart 2015 over de prioriteiten van de EU voor de VN-Mensenrechtenraad in 2015(7), met name de paragrafen 66 en 67, van 30 april 2015 over de vervolging van christenen in de hele wereld, naar aanleiding van de moord op studenten in Kenia door de terreurgroepering Al-Shabaab(8), met name paragraaf 10, en van 30 april 2015 over de vernieling van cultuurgoederen door ISIS/Da'esh(9),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 18 april 2013 over het VN-beginsel van "verantwoordelijkheid tot bescherming" (Responsibility to Protect, R2P)(10),

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 maart 2015 over de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die van ISIL/Da'esh uitgaat, van 20 oktober 2014 over de ISIL/Da'esh-crisis in Syrië en Irak, van 30 augustus 2014 over Irak en Syrië, van 14 april 2014 en 12 oktober 2015 over Syrië en van 15 augustus 2014 over Irak,

–  gezien Besluit 2003/335/JBZ van de Raad van 8 mei 2003 inzake opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven(11),

–  gezien: de EU-richtsnoeren over de bevordering en de bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging; de EU-richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht; de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van vrouwen; de richtsnoeren voor een EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing; de EU-richtsnoeren over kinderen en gewapende conflicten; de EU-richtsnoeren over de bevordering en bescherming van de rechten van het kind; de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline; en de EU-richtsnoeren voor de bevordering en de bescherming van alle mensenrechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI),

–  gezien de verklaringen over Irak en Syrië van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vv/hv),

–  gezien Resolutie 2091 (2016) over "buitenlandse strijders in Syrië en Irak", die op 27 januari 2016 werd aangenomen door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa,

–  gezien de verklaring van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Navi Pillay, van 25 augustus 2014 over Iraakse burgers die blootstaan aan verschrikkelijke, grootschalige en stelselmatige vervolging,

–  gezien de recente resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Irak en Syrië, met name Resolutie 2249 (2015) waarin de recente terroristische aanvallen door ISIS worden veroordeeld, en Resolutie 2254 (2015) met een stappenplan voor het vredesproces in Syrië en een tijdsschema voor gesprekken,

–  gezien Resolutie S-22/1 van 3 september 2014, aangenomen door de VN-Mensenrechtenraad, over de mensenrechtensituatie in Irak en de Levant in het licht van de wandaden van de zogenoemde Islamitische Staat in Irak en de Levant en daaraan gelieerde groeperingen,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie en overtuiging van 1981,

–  gezien het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide van 9 december 1948,

–  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, en met name de artikelen 5 t/m 8,

–  gezien het analytisch kader, opgezet door het Bureau van de speciale adviseur van de VN inzake de preventie van genocide (OSAPG),

–  gezien de verklaring van 12 augustus 2014 van de speciale adviseur van de secretaris-generaal van de VN inzake de preventie van genocide en van de speciale adviseur van de secretaris-generaal van de VN inzake de verantwoordelijkheid tot bescherming over de situatie in Irak,

–  gezien het rapport van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten over de mensenrechtensituatie in Irak in het licht van de wandaden van de zogenoemde Islamitische Staat in Irak en de Levant en daaraan gelieerde groeperingen van 27 maart 2015, en met name paragraaf 16 over mensenrechtenschendingen door ISIL – aanvallen op religieuze en etnische groepen,

–  gezien de verklaring van 13 oktober 2015 van de speciale adviseur van de secretaris-generaal van de VN inzake de preventie van genocide en van de speciale adviseur van de secretaris-generaal van de VN voor de verantwoordelijkheid tot bescherming over de escalatie van het aanzetten tot geweld op religieuze gronden in Syrië,

–  gezien het rapport van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor de Arabische Republiek Syrië, dat op 13 augustus 2015 in de Mensenrechtenraad werd toegelicht, met name de paragrafen 165 t/m 173,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de gewelddadige extremistische ideologie, de terreurdaden, de voortdurende afschuwelijke stelselmatige en wijdverspreide aanvallen op burgers, de mensenrechtenschendingen en schendingen van het internationaal humanitair recht, ook op etnische of religieuze gronden, de vernietiging van cultureel erfgoed en handel in cultuurgoederen van "ISIS/Da'esh" een mondiale en ongekende bedreiging van de internationale vrede en veiligheid vormen, zoals wordt onderschreven in Resolutie 2249 (2015) van de VN-Veiligheidsraad;

B.  overwegende dat religieuze en etnische minderheden zoals christenen (Chaldeeërs/Syriërs/Assyriërs, melkieten en Armeniërs), jezidi's, Turkmenen, Shabakken, kaka'i, Sabiërs-Mandaeërs, Koerden en sjiieten het doelwit geworden zijn van "ISIS/Da'esh", evenals vele Arabieren en soennitische moslims; overwegende dat velen vermoord, afgeslacht, geslagen, afgeperst, ontvoerd en gemarteld zijn; overwegende dat ze tot slaaf zijn gemaakt (voornamelijk vrouwen en meisjes die ook zijn blootgesteld aan andere vormen van seksueel geweld), gedwongen werden zich te bekeren en het slachtoffer zijn geworden van gedwongen huwelijken en mensenhandel; overwegende dat er ook kinderen onder dwang zijn geronseld; overwegende dat moskeeën, monumenten, heiligdommen, kerken en andere gebedsplaatsen, graftomben en begraafplaatsen zijn vernield;

C.  overwegende dat genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven, waar en wanneer ze dan ook plaatsvinden, niet ongestraft mogen blijven, en overwegende dat de doeltreffende vervolging daarvan moet worden gewaarborgd met maatregelen op nationaal niveau, betere internationale samenwerking en via het Internationaal Strafhof en het internationale strafrecht;

D.  overwegende dat oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide een bron van zorg zijn voor alle EU-lidstaten, die vastberaden zijn om samen te werken teneinde dergelijke misdrijven te voorkomen en een einde te maken aan de straffeloosheid van de daders, in overeenstemming met Gemeenschappelijk Standpunt 2003/444/GBVB van de Raad van 16 juni 2003;

E.  overwegende dat in Resolutie 2249 (2015) van de VN-Veiligheidsraad toestemming wordt gegeven aan de lidstaten die daartoe de middelen hebben om in overeenstemming met het internationale recht, in het bijzonder het Handvest van de Verenigde Naties, en de wetgeving inzake internationale mensenrechten, vluchtelingen en humanitair recht, alle nodige maatregelen te nemen op de gebieden in Syrië en Irak die in handen zijn van "ISIS/Da'esh" om hun inspanningen voor het voorkomen en beëindigen van terreurdaden op te voeren en te coördineren;

F.  overwegende dat de internationale juridische definitie van genocide, neergelegd in artikel II van het VN-Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide van 1948, luidt: "een van de volgende handelingen, gepleegd met de bedoeling om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen: a) het doden van leden van de groep; b) het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep; c) het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging; d) het nemen van maatregelen, bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen; en e) het gewelddadig overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep"; overwegende dat in artikel III van dat verdrag is bepaald dat niet alleen genocide strafbaar is, maar ook samenspanning om genocide te plegen, rechtstreeks en openbaar aanzetten tot genocide en medeplichtigheid aan genocide;

G.  overwegende dat sinds 2014 naar schatting 5 000 jezidi's zijn vermoord en talloze andere zijn gemarteld of gedwongen zich tot de islam te bekeren; overwegende dat ten minste 2 000 jezidi-vrouwen als slavin worden gehouden en het slachtoffer zijn van gedwongen huwelijken en mensenhandel; overwegende dat meisjes van soms nog maar zes jaar zijn verkracht en jezidi-kinderen onder dwang zijn geronseld als soldaat voor "ISIS/Da'esh"; overwegende dat er duidelijke bewijzen zijn van massagraven van door "ISIS/Da'esh" ontvoerde jezidi's;

H.  overwegende dat in de nacht van 6 augustus 2014 meer dan 150 000 christenen zijn gevlucht voor "ISIS/Da'esh" die oprukte naar Mosul, Qaraqosh en andere dorpen in de vlakte van Nineveh, nadat ze beroofd waren van hun bezittingen, en overwegende dat ze nog steeds ontheemd zijn en in erbarmelijke omstandigheden leven in het noorden van Irak; overwegende dat "ISIS/Da'esh" de mensen die niet konden vluchten uit Mosul en de vlakte van Nineveh gevangen heeft genomen, en overwegende dat de vrouwen en kinderen die geen moslims waren tot slaaf werden gemaakt, waarbij sommigen van hen werden verkocht en anderen op wrede wijze werden vermoord en gefilmd door de daders;

I.  overwegende dat "ISIS/Da'esh" in februari 2015 meer dan 220 Assyrische christenen heeft ontvoerd na verschillende landbouwgemeenschappen op de zuidelijke oever van de rivier de Khabur in de noordoostelijke provincie Hassakeh te hebben veroverd, en overwegende dat tot nog toe slechts enkelen van hen zijn vrijgelaten, terwijl het lot van de anderen onbekend blijft;

J.  overwegende dat in verschillende rapporten van VN-organen, met inbegrip van de speciale adviseur van de VN-secretaris-generaal inzake de preventie van genocide, de speciale adviseur van de VN-secretaris-generaal inzake de verantwoordelijkheid tot bescherming en het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, wordt verklaard dat de door "ISIS/Da'esh" begane daden als oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide kunnen worden beschouwd;

K.  overwegende dat de internationale onafhankelijke onderzoekscommissie gemeld en gedocumenteerd heeft dat personen van etnische en religieuze minderheden die zich tegen "ISIS/Da'esh" en andere terroristische groeperingen, milities en gewapende niet-overheidsgroepen verzetten in gebieden die zich de facto onder hun controle bevinden, nog altijd vervolgd worden;

L.  overwegende dat als een staat (of niet-statelijke actor) duidelijk nalaat zijn bevolking te beschermen of in feite zelf de pleger is van dergelijke misdrijven, de internationale gemeenschap volgens de beginselen van de verantwoordelijkheid tot bescherming (R2P) de verantwoordelijkheid heeft om gezamenlijk op te treden teneinde bevolkingsgroepen te beschermen, overeenkomstig het VN-Handvest;

M.  overwegende dat in overeenstemming met het internationaal recht iedereen het recht heeft te leven overeenkomstig zijn of haar geweten en vrij is er religieuze en niet-religieuze overtuigingen op na te houden en van religieuze en niet-religieuze overtuigingen te veranderen; overwegende dat het de taak is van de politieke en religieuze leiders, op alle niveaus, om alle vormen van extremisme te bestrijden en het wederzijdse respect tussen mensen en religieuze groeperingen te bevorderen;

1.  spreekt met klem zijn afkeuring uit over "ISIS/Da'esh" en diens afschuwelijke mensenrechtenschendingen, die volgens het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (ICC) kunnen worden gelijkgesteld met misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven, en is van mening dat er actie moet worden ondernomen zodat de VN-Veiligheidsraad deze daden erkent als genocide; maakt zich buitengewoon grote zorgen over het feit dat deze terroristische groepering het in het kader van haar pogingen om alle etnische en religieuze minderheden in de gebieden die zij in handen heeft, uit te roeien, uitdrukkelijk gemunt heeft op christenen (Chaldeeërs/Syriërs/Assyriërs, melkieten en Armeniërs), jezidi's, Turkmenen, sjiieten, Shabakken, Sabiërs, kaka'i en soennieten, die het oneens zijn met haar interpretatie van de islam;

2.  is van mening dat de vervolging, wreedheden en internationale misdrijven aangemerkt kunnen worden als oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid; benadrukt dat "ISIS/Da'esh" zich schuldig maakt aan het plegen van genocide jegens christenen, jezidi's en andere religieuze en etnische minderheden die het oneens zijn met de interpretatie van de islam van "ISIS/Da'esh", en dat hiervoor dus actie vereist is op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de voorkoming en bestraffing van genocide uit 1948; onderstreept dat degenen die met opzet, om etnische of religieuze redenen wreedheden beramen, plannen, aanmoedigen, begaan of pogen te begaan, hierbij betrokken zijn of deze steunen, berecht en vervolgd moeten worden voor schendingen van het internationaal recht, te weten oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide;

3.  verzoekt alle partijen bij het VN-Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide, dat op 9 december 1948 in Parijs werd ondertekend, en de partijen bij andere relevante internationale overeenkomsten, in het bijzonder de EU-lidstaten, met klem oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide op hun grondgebied te voorkomen; verzoekt Syrië en Irak met klem de jurisdictie van het Internationaal Strafhof te erkennen;

4.  dringt er bij de leden van de VN-Veiligheidsraad op aan zich te scharen achter een verwijzing door de Veiligheidsraad naar het Internationaal Strafhof om een onderzoek in te stellen naar de schendingen die door "ISIS/Da'esh" in Irak en Syrië zijn begaan jegens christenen, jezidi's en andere religieuze en etnische minderheden;

5.  verzoekt alle partijen bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de voorkoming en bestraffing van genocide uit 1948, en de partijen bij andere relevante internationale overeenkomsten ter voorkoming en bestraffing van oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide, en in het bijzonder de bevoegde autoriteiten van landen – en hun onderdanen – die deze misdrijven op enigerlei wijze steunen, financieren, daaraan meewerken of daarbij betrokken zijn, met klem om hun juridische verplichtingen uit hoofde van dit verdrag en andere soortgelijke internationale overeenkomsten volledig na te leven;

6.  dringt er bij de bevoegde autoriteiten van de landen die deze oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide op enigerlei wijze direct of indirect steunen, financieren, daaraan meewerken of daarbij betrokken zijn, met klem om hun juridische verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht volledig na te leven en een einde te maken aan deze wandaden waarmee de Iraakse en Syrische samenleving enorme schade wordt toegebracht en de buurlanden en de internationale vrede en veiligheid ernstig worden gedestabiliseerd;

7.  herinnert eraan dat de lidstaten van de VN op basis van Resolutie 2253 (2015) van de VN-Veiligheidsraad de verplichting hebben elke vorm van hulp aan "ISIS/Da'esh" en andere terroristische organisaties, in het bijzonder de levering van wapens en financiële hulp, inclusief de illegale handel in olie, te verbieden, en spoort hen met klem aan dit soort hulp in hun nationale wetgeving strafbaar te stellen; herinnert eraan dat lidstaten die zich niet aan de resolutie in kwestie houden het internationaal recht schenden en dat andere lidstaten in dat geval de juridische plicht hebben de resolutie van de VN-Veiligheidsraad ten uitvoer te leggen door de verantwoordelijke personen en entiteiten voor het gerecht te brengen;

8.  hekelt in niet mis te verstane bewoordingen de vernietiging van religieuze en culturele plaatsen en kunstvoorwerpen door "ISIS/Da'esh" en beschouwt dit als een aanval op het culturele erfgoed van alle inwoners van Syrië en Irak en van de mensheid als geheel; verzoekt alle landen meer inspanningen te leveren voor strafrechtelijke onderzoeken en gerechtelijke samenwerking om alle groepen te identificeren die verantwoordelijk zijn voor illegale handel in cultuurgoederen en de beschadiging of vernieling van cultureel erfgoed dat toebehoort aan alle mensen in Syrië, Irak en de regio's Midden-Oosten en Noord-Afrika;

9.  verzoekt alle landen van de internationale gemeenschap, met inbegrip van de EU-lidstaten met klem radicalisering actief te bestrijden en hun wettelijke en gerechtelijke stelsels te verbeteren om te voorkomen dat hun onderdanen en burgers het land kunnen verlaten om zich bij "ISIS/Da'esh" aan te sluiten en deel te hebben aan schendingen van mensenrechten en het internationaal humanitair recht, en ervoor te zorgen dat zij, indien zij dat toch doen, zo snel mogelijk strafrechtelijk worden vervolgd, ook voor het online aanzetten tot en de ondersteuning van deze misdrijven;

10.  verzoekt de EU een permanente speciale vertegenwoordiger voor vrijheid van godsdienst en levensovertuiging aan te stellen;

11.  erkent het onvervreemdbare recht van alle etnische en religieuze minderheden en anderen in Irak en Syrië om in hun historische en traditionele thuislanden te blijven leven, met garanties betreffende waardigheid, gelijkheid en veiligheid, en om hun religie en levensovertuigingen ongehinderd te belijden zonder enige vorm van dwang, geweld of discriminatie, en steunt dit recht en eist dat het door eenieder wordt gerespecteerd; is van mening dat, om een eind te maken aan het lijden en de massale uittocht van christenen, jezidi's en andere gemeenschappen uit de regio, alle politieke en religieuze leiders in de regio op duidelijke en ondubbelzinnige wijze moeten verklaren dat zij de aanwezigheid van deze groepen in de regio ten volle steunen en dat deze groepen als burgers van hun land volledige en gelijke rechten hebben;

12.  verzoekt de internationale gemeenschap en haar lidstaten, waaronder de EU en haar lidstaten, de veiligheidsvoorwaarden en -omstandigheden te creëren die nodig zijn om alle mensen die het gebied waar ze woonden gedwongen hebben verlaten of die ontheemd zijn op zo kort mogelijke termijn in staat te stellen gebruik te maken van hun recht op terugkeer, hun huizen, land, eigendommen en bezittingen, alsmede hun kerken en religieuze en culturele plaatsen te beschermen, en een waardig leven en een waardige toekomst te hebben;

13.  erkent dat de aanhoudende vervolging van religieuze en etnische groepen in het Midden-Oosten een rol speelt bij massamigratie en interne ontheemding;

14.  onderstreept dat het belangrijk is dat de internationale gemeenschap bescherming en hulp biedt, waaronder militaire bescherming en hulp, overeenkomstig het internationaal recht, aan alle mensen op wie "ISIS/Da'esh" en andere terroristische organisaties in het Midden-Oosten het gemunt hebben, zoals etnische en religieuze minderheden, en dat deze mensen een rol kunnen spelen bij toekomstige politieke, duurzame oplossingen; verzoekt alle bij het conflict betrokken partijen de universele mensenrechten te eerbiedigen en de levering van humanitaire hulp en bijstand via alle mogelijke kanalen mogelijk te maken; pleit voor de totstandbrenging van humanitaire corridors; meent dat de opvang van vluchtelingen in veilige gebieden die beschermd worden door troepen onder VN-mandaat een deel van de oplossing zou kunnen zijn voor de enorme uitdaging om tijdelijke bescherming te bieden aan miljoenen mensen die op de vlucht zijn voor het conflict in Syrië en Irak;

15.  bekrachtigt zijn volledige en actieve steun voor de internationale diplomatieke inspanningen en het werk van de speciale afgezant van de VN, Staffan de Mistura, dat erop gericht is de komende dagen in Genève vredesgesprekken tussen alle Syrische partijen op gang te brengen, waaraan wordt deelgenomen door alle relevante mondiale en regionale actoren, alsmede zijn voorstellen voor plaatselijke staakt-het-vuren; verzoekt de EU en de internationale gemeenschap druk uit te oefenen op alle donoren om hun beloften na te komen en zich volledig in te zetten voor het verlenen van financiële steun aan de landen waar de vluchtelingen worden opgevangen, in het bijzonder in de aanloop naar de donorconferentie voor Syrië die op 4 februari 2016 zal worden gehouden in Londen;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Syrië, de regering en de Raad van Volksvertegenwoordigers van Irak, de regionale regering van Koerdistan, de instellingen van de Organisatie van Islamitische Samenwerking (Organisation of Islamic Cooperation, OIC), de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten (Gulf Cooperation Council, GCC), de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de VN-Veiligheidsraad en de VN-Mensenrechtenraad.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0171.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0027.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0066.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0040.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0071.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0076.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0079.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0178.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0179.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0180.
(11) PB L 118 van 14.5.2003, blz. 12.

Juridische mededeling - Privacybeleid