Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2278(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0159/2016

Ingediende teksten :

A8-0159/2016

Debatten :

PV 12/09/2016 - 19
CRE 12/09/2016 - 19

Stemmingen :

PV 13/09/2016 - 4.1
CRE 13/09/2016 - 4.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0320

Aangenomen teksten
PDF 209kWORD 55k
Dinsdag 13 september 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Cohesiebeleid en onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie (RIS3)
P8_TA(2016)0320A8-0159/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2016 over cohesiebeleid en onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie (RIS3) (2015/2278(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 4, 162, en 174 tot en met 178,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1) (hierna de "verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen"),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad(7),

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over slimme specialisatie: expertisenetwerken voor een gedegen cohesiebeleid(8),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie(9),

–  gezien de brochure van de Commissie van 22 februari 2016 getiteld "Investeringsplan voor Europa: nieuwe richtsnoeren over de combinatie van de Europese structuur- en investeringsfondsen met het EFSI",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2014 getiteld "Onderzoek en innovatie: de bronnen van toekomstige groei" (COM(2014)0339),

–  gezien het zesde verslag van de Commissie over economische, sociale en territoriale cohesie, getiteld "Investeringen ter bevordering van banen en groei" van 23 juli 2014,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015)0639),

–  gezien de richtsnoeren van de Commissie uit 2014 getiteld "Bevordering van synergieën tussen de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere programma's van de Unie op het gebied van onderzoek, innovatie en concurrentievermogen",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2010 getiteld "Bijdrage van het regionaal beleid aan de slimme groei in het kader van de Europa 2020-strategie" (COM(2010)0553),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 september 2013 getiteld "Het meten van de innovatieresultaten in Europa: naar een nieuwe indicator" (COM(2013)0624),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 4 mei 2012 getiteld "Actief ouder worden: innovatie – slimme gezondheid – hogere levenskwaliteit"(10),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 30 mei 2013 getiteld "De innovatiekloof dichten"(11),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 7 oktober 2014 getiteld "Steunmaatregelen voor het opzetten van ecosystemen voor startende hightechbedrijven"(12),

–  gezien het in 2014 gepubliceerde werkdocument van de diensten van de Commissie met een leidraad voor beleidsmakers en uitvoeringsinstanties, getiteld "Bevordering van synergieën tussen de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere programma's van de Unie op het gebied van onderzoek, innovatie en concurrentievermogen" (SWD(2014)0205),

–  gezien het proefproject getiteld "Cohesiebeleid en synergieën met de fondsen voor onderzoek en ontwikkeling: de trap naar topkwaliteit",

–  gezien de voorbereidende actie van het Europees Parlement in de regio Oost-Macedonië en Thracië (REMTh),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0159/2016),

A.  overwegende dat de EU in deze tijden van economische, financiële en sociale crisis bijkomende inspanningen moet leveren om slimme, duurzame en inclusieve economische groei te creëren;

B.  overwegende dat de versterking van onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie (RDI) een van de investeringsprioriteiten vormt binnen het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) voor 2014-2020; overwegende dat er doorheen de EU en binnen de lidstaten grote verschillen bestaan met betrekking tot de ondersteuning van innovatie, met name wat betreft het benutten van kennis en technologie om innovatie te bevorderen;

C.  overwegende dat de lidstaten bij de ontwikkeling van nationale en/of regionale strategieën voor slimme specialisatie voor de programmeringsperiode 2014-2020 voor het eerst verplicht zijn nationale en regionale beheersautoriteiten en belanghebbenden, zoals opleidingsinstellingen voor hoger onderwijs, bedrijven en sociale partners, te betrekken bij een proces om het ondernemerspotentieel te ontginnen;

D.  overwegende dat voor slimme specialisatie verschillende beleidsdomeinen worden gecombineerd en samengebracht, waaronder beleidslijnen voor ondernemerschap, onderwijs en innovatie, zodat regio's prioriteitsgebieden voor hun ontwikkeling en de bijbehorende investeringen kunnen aanmerken en selecteren door zich toe te spitsen op hun sterke punten en comparatieve voordelen;

E.  overwegende dat onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie (RIS3) de Europese economie concurrerender moeten helpen maken, meer en kwaliteitsvollere banen moeten genereren, en een brede waaier van nieuwe ervaringen aan boord moeten nemen; overwegende dat RIS3-strategieën moeten bijdragen aan de verspreiding van beproefde methoden en aan de ontwikkeling van een nieuwe ondernemingsgeest, in combinatie met een functionerende digitale interne markt en slimme specialisatie die kunnen leiden tot nieuwe vaardigheden, kennis, innovatie en werkgelegenheid om beter gebruik te kunnen maken van onderzoeksresultaten en voordeel te kunnen halen uit alle vormen van innovatie;

F.  overwegende dat bij de ontwikkeling van een RIS3-strategie governancemechanismen met meerdere belanghebbenden moeten worden ontwikkeld waarmee de plaatsgebonden domeinen met het grootste strategische potentieel worden aangemerkt, strategische prioriteiten worden bepaald en een efficiënte ondersteuningsdienst voor bedrijven wordt opgezet om het potentieel op het vlak van op kennis gebaseerde ontwikkeling van een regio tot het uiterste te kunnen benutten;

G.  overwegende dat RIS3-strategieën bijdragen aan het efficiënt gebruik van EU-middelen, invloed hebben op alle lidstaten en regio's van de Unie en het potentieel van alle regio's aanboren, en op die manier de EU helpen in haar pogingen om de interne en externe innovatiekloven te dichten, opdat de Unie op mondiaal niveau aan concurrentievermogen zou winnen;

H.  overwegende dat de tijdige en succesvolle ontwikkeling van RIS3-strategieën in de lidstaten in belangrijke mate afhangt van hun toenemende administratieve capaciteit om binnen het beleidskader te programmeren, te begroten, uit te voeren en te evalueren met het oog op het vergroten van particuliere investeringen in RDI; overwegende dat er bij de ontwikkeling van RIS3-strategieën rekening mee moet worden gehouden dat de eerste beoordelingen van strategieën voor slimme specialisatie een gemengd beeld hebben opgeleverd, met name wat de keuze van prioriteiten betreft, die vaak wordt beschouwd als te generiek of onvoldoende verbonden met regionale economische en innovatiestructuren, hetgeen erop wijst dat strategieën voor slimme specialisatie op dit vlak voor verbetering vatbaar zijn;

I.  overwegende dat het RIS3-platform bijdraagt aan het bottom-up en peer-to-peer uitwisselen en overdragen van kennis tussen deelnemende regio's; overwegende dat het voor de toekomstige ontwikkeling en toepassing van initiatieven voor slimme specialisatie noodzakelijk is dit proces tot prioriteit te verheffen;

Centrale rol van RIS3-strategieën in de bijdrage van het cohesiebeleid aan de Europa 2020-doelstellingen

1.  onderstreept dat strategieën voor slimme specialisatie een ondersteuning zijn voor de thematische concentratie en strategische programmering van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) en een grotere prestatiegerichtheid op het terrein tot gevolg hebben, waardoor wordt bijgedragen aan het behalen van de Europa 2020‑doelstellingen; benadrukt dat deze strategieën tot doel hebben een op kennis gebaseerde en duurzame groei, een evenwichtige ontwikkeling en kwaliteitsvolle banen te genereren in alle regio's, niet alleen in goed ontwikkelde gebieden, maar ook in overgangsregio's, minder ontwikkelde regio's en plattelands- en insulaire gebieden;

2.  verzoekt om volledige eerbiediging van de nieuwe ex-antevoorwaarden voor het toekennen van ESI-fondsen, opdat de strategieën voor slimme specialisatie zouden werken;

3.  richt zich tot alle betrokken partijen om RIS3-strategieën te ontwikkelen op basis van een analyse van de bestaande capaciteiten, middelen en competenties van elke regio, om de aandacht te richten op het ontginnen van ondernemerspotentieel en zo opkomende niches of comparatieve voordelen voor slimme specialisatie op het spoor te komen, om gedwongen en kunstmatige overspecialisatie te voorkomen, en om de samenwerking tussen de openbare en particuliere sector te versterken en hierbij het risico op belangenvermenging tussen beide sectoren niet uit het oog te verliezen;

4.  is voorstander van een ruime definitie van innovatie, als zijnde de transformatie van een idee naar nieuwe of verbeterde producten of diensten die op de markt worden gebracht, naar een nieuw of verbeterd werkproces dat in de industrie en de handel wordt toegepast of naar een nieuwe aanpak voor een sociale dienst;

5.  verzoekt regio's regelingen uit te werken voor innovatieve ondersteuningsdiensten ter aanvulling of vervanging van bestaande ondersteuningsdiensten, om regio's in staat te stellen hun volledige concurrentiepotentieel aan te boren, ondernemingen te helpen nieuwe kennis en technologie te absorberen om concurrerend te kunnen blijven, en ervoor te zorgen dat de middelen voor onderzoek en innovatie een kritische massa bereiken;

6.  vraagt de Commissie de algemene groepsvrijstellingsverordening aan te passen zodat de voorwaarden van de Excellentiekeur via de ESI-fondsen kunnen worden aangeboden;

7.  vraagt nationale overheden te investeren in regionale inlichtingen en het verzamelen van big data om hun unieke concurrentievoordeel te kunnen aantonen, alsook om inzicht te krijgen in trends met betrekking tot regionale bedrijven in de mondiale waardenketen;

8.  is van mening dat het S3-platform, dat door DG REGIO van de Commissie is opgericht en in Sevilla is gevestigd, een centrale rol speelt bij het adviseren van regio's en het onderling vergelijken van hun innovatiestrategieën, bij het helpen van achterstandsgebieden en het bevorderen van meerlagig bestuur en synergieën tussen regio's door informatie, methodologieën, deskundigheid en advies te verstrekken aan nationale en regionale beleidsmakers; benadrukt dat het platform aanhoudende inspanningen moet leveren om zijn databank bij te werken en hierbij rekening te houden met de plaatselijke behoeften, specifieke kenmerken en prioriteiten van regio's en steden;

9.  is van mening dat via het S3-platform in Sevilla bijzondere aandacht moet worden besteed aan achterstandsgebieden door deze met name te helpen hun strategieën vorm en richting te geven;

10.  is van mening dat kleinere regio's meer problemen ondervinden bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van strategieën en dringt erop aan dat er voorstellen worden uitgewerkt om de steun aan dergelijke regio's te vergroten, met het oog op een betere tenuitvoerlegging van de S3-strategieën en een intensievere uitwisseling van beproefde methoden;

11.  is verheugd over de aandacht voor achterstandsgebieden waarvan de Commissie onlangs blijk heeft gegeven in de vorm van een recent proefproject verbonden aan de voorbereidende actie van het Europees Parlement in de regio Oost-Macedonië en Thracië, dat tot eind 2017 wordt uitgebreid naar regio's uit acht lidstaten;

12.  is verheugd over de voortzetting van het platform "Regional Innovation Monitor Plus" (RIM Plus), opgericht door DG GROWTH van de Commissie, over de oprichting door DG RTD van een Waarnemingscentrum voor onderzoek en innovatie (RIO), en over de verschillende beleidsgebonden kenniscentra bij DG JRC (Commissie), die uitgebreide gegevens, indicatoren en richtsnoeren verstrekken voor nationale en regionale S3‑belanghebbenden;

13.  kijkt uit naar toekomstige details over de Europese Innovatieraad (EIC), die tot doel heeft een centraal loket ("one stop shop") voor innovatoren op te richten, om zo de verwezenlijkingen van de wetenschap af te stemmen op de behoeften van bedrijven en overheden in Europa;

14.  herinnert eraan dat overheidsfinanciering een krachtige motor voor innovatie blijft; verzoekt de betrokken overheden voorzichtigheid aan de dag te leggen wanneer ze zich sterker richten op financiële instrumenten, aangezien innovatie niet alleen gericht mag zijn op subsidies, maar ook op zoek moet kunnen gaan naar alternatieve financieringswijzen zoals leningen en garanties, waarbij een evenwicht moet worden gezocht tussen subsidies en alternatieve financieringskanalen (openbare en particuliere middelen);

Meerlagig bestuur en de capaciteit ervan

15.  betreurt dat sommige lidstaten hebben besloten om voor nationale RIS3-strategieën te opteren zonder lokale en regionale overheden de kans te geven hun eigen standpunten te ontwikkelen, waardoor ze het proces ondermijnen waarbij het ondernemerspotentieel vanuit de basis wordt ontgonnen, een proces dat in RIS3-strategieën verankerd moet zijn; onderstreept het belang van een regionale benadering, aangezien de tenuitvoerlegging van RIS3-strategieën alleen kan slagen wanneer er lokale en regionale middelen aan ten grondslag liggen; verzoekt de betrokken lidstaten te overwegen de nationale RIS3-strategie te vervangen door regionale strategieën om geen groeikansen te mislopen, en dringt in voorkomend geval aan op een betere coördinatie tussen nationale en regionale S3-strategieën om ze zo nodig aan te passen aan toekomstige behoeften en vereisten inzake duurzame ontwikkeling, met name in de sectoren van voeding en energie; betreurt dat het partnerschapsbeginsel dat is verankerd in artikel 5 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen niet altijd is nageleefd; roept de lidstaten op het partnerschapsbeginsel na te leven in alle stadia van de voorbereiding en tenuitvoerlegging van de partnerschapsovereenkomst en de operationele programma's;

16.  is van mening dat de kwaliteit van de samenwerking tussen regeringen en betrokken partijen in de regio's een beslissende invloed zal hebben op de RIS3-strategie en het risico op verkeerde prioriteitskeuzes aanzienlijk zal verkleinen; benadrukt in dit verband het belang van overleg met bedrijven, en vooral met kmo's, aangezien een "visie op innovatie" alleen kans van slagen heeft als bedrijven over het geschikte potentieel beschikken om ze in de praktijk te brengen;

17.  beklemtoont het belang van een betere coördinatie tussen alle bestuursniveaus om een bottom-up visie op de regionale strategieën te stimuleren, waarbij alle autoriteiten en belanghebbenden inzake slimme specialisatie betrokken worden, samen met deskundigen, het maatschappelijk middenveld en eindgebruikers, om het "hokjesdenken" te doorbreken; wijst erop dat het verzuim van de lidstaten om relevante regelgeving aan te passen de tenuitvoerlegging van investeringen in onderzoek en innovatie in de weg staat;

18.  wijst op de beperkte rol die tot nu toe voor het maatschappelijk middenveld is weggelegd in RIS3-strategieën en dringt aan op een betere participatie via platformen en samenwerkingspartnerschappen, aangezien dit kan helpen om strategieën beter vorm te geven, samenwerking met de maatschappij te versterken en beter bestuur in de hand te werken;

19.  beklemtoont hoe belangrijk het is dat de operationele programma's en de RIS3‑strategieën gedurende de hele uitvoeringsfase goed op elkaar worden afgestemd;

20.  dringt aan op een hechtere dialoog en samenwerking tussen de EU-instellingen (het Parlement en de Raad), alsook op uitvoerend niveau (de Commissie en de nationale uitvoerende overheden), om tot een gunstig kader voor innovatie en onderzoek en tot een versterkte tenuitvoerlegging van RIS3-strategieën te komen in de context van de komende herziening van het meerjarig financieel kader 2014;

21.  verzoekt de Commissie en de andere betrokken instanties om de lidstaten die dit nodig hebben extra bijstand te verlenen bij de tenuitvoerlegging van de RIS3-strategie;

22.  dringt aan op blijvende inspanningen om aan te sporen tot een mentaliteitswijziging en om te ijveren voor innovatieve beleidsbenaderingen ter stimulering van intraregionale, interregionale, extraregionale, grensoverschrijdende en transnationale samenwerking, onder meer via macroregio's, door middel van bestaande instrumenten zoals Interreg, teneinde een Europese toegevoegde waarde in de strategieën te blijven stimuleren;

23.  herhaalt hoe belangrijk het is nadruk te leggen op sociale innovatie, aangezien die kan helpen nieuwe zakelijke modellen en culturen op te zetten, waardoor een geschikte omgeving ontstaat voor de tenuitvoerlegging van de circulaire economie;

24.  verzoekt de Commissie met een geïntegreerde mededeling te komen over de toegevoegde waarde van de RIS3-strategieën en de tenuitvoerlegging ervan in de operationele programma's, gevolgd door voorstellen voor bijkomende maatregelen in het zevende cohesieverslag;

25.  betreurt het gebrek aan interregionale samenwerking op basis van het thema slimme specialisatie; stelt vast dat het gemeenschappelijk strategisch kader de mogelijkheid biedt om tot 15 % van de fondsen uit hoofde van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij) te gebruiken voor dergelijke vormen van samenwerking buiten de eigen regio; benadrukt dat uit het krachtens artikel 16, lid 3, van de verordening vereiste verslag, getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen", blijkt dat deze mogelijkheden tot nu toe onderbenut zijn gebleven; verzoekt de lidstaten en regionale overheden meer gebruik te maken van de geboden mogelijkheden;

26.  dringt aan op de ontwikkeling van flexibiliteits- en coördinatiemechanismen om de resultaten van het RIS3-proces te koppelen aan de tenuitvoerlegging van Horizon 2020 en andere programma's; spoort de regio's aan om vormen van transnationale samenwerking aan te gaan, zoals het Vanguard-initiatief, de Excellentiekeur, het platform voor kennisuitwisseling (KEP), de S3-platformen, de "trap naar topkwaliteit" en de Regionale innovatieregelingen voor de colocatiecentra van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT); dringt erop aan om het eenvoudiger te maken strategische clusterpartnerschappen te ontwikkelen om investeringen te stimuleren, de coördinatie te verbeteren, synergieën te creëren en gedachtewisselingen te bevorderen, teneinde te voorkomen dat er overlappingen ontstaan en dat overheidsmiddelen op een inefficiënte manier worden uitgegeven;

27.  spoort nationale en Europese instellingen aan om toezicht te blijven houden op de "innovatiekloof", niet alleen tussen de EU-lidstaten onderling en in de regio's van NUTS-niveau 2, maar ook en in toenemende mate binnen de lidstaten;

28.  is van mening dat procedures moeten worden vereenvoudigd en dat het aantal knelpunten in de administratieve procedure van de strategieën moet afnemen;

29.  verzoekt de desbetreffende autoriteiten op alle niveaus om de procedures te vereenvoudigen en het aantal knelpunten in de administratieve procedure van de strategieën te doen afnemen; spoort aan tot investeringen in menselijk kapitaal, onder meer via interregionale EU-partnerschappen, om de administratieve capaciteit te versterken en het RIS3-proces met succes te beheren, uit te voeren en te controleren, zonder bijkomende bestuurslagen te creëren; spoort overheden aan om prioriteit te geven aan onderzoek en innovatie in regio's die over het nodige potentieel beschikken maar weinig investeringen op dit gebied kennen;

30.  spoort de regio's en de lidstaten aan intensiever gebruik te maken van de beschikbare begroting voor technische bijstand om een doeltreffende en efficiënte tenuitvoerlegging van de RIS3-strategieën te waarborgen;

31.  herinnert eraan dat strategieën voor slimme specialisatie ook een krachtig instrument moeten zijn om sociale, milieu-, klimaat- en energieproblemen aan te pakken en om het overloopeffect op het gebied van kennis en technologische diversificatie te bevorderen;

Betere synergieën voor groei en banencreatie

32.  uit kritiek op het gebrek aan synergieën tussen de ESI-fondsen onderling en andere financieringsinstrumenten van de EU, waardoor de coördinatie, coherentie en integratie van EU-financiering wordt bemoeilijkt en een rem wordt gezet op de resultaten en effecten van deze financiering; dringt aan op een verhoogde aandacht voor en meer onderzoek naar methoden om tot een verbeterde strategische benadering van synergieën te komen en om in die mate rekening te houden met de combinatie, de complementariteit en het potentieel van financieringsinstrumenten dat de EU-garanties voor het financieren van investeringsplatformen ten volle worden benut;

33.  benadrukt de noodzaak om de "triple" en "quadruple helix"-benaderingen van slimme specialisatie op regionaal niveau voort te zetten en te verdiepen, met medewerking van overheden, bedrijven, universiteiten en burgers; benadrukt dat de rol van die laatste twee groepen (instellingen voor hoger onderwijs/onderzoeksinstellingen en burgerorganisaties) moet worden versterkt met betrekking tot de nieuwe EU-programmering en financieringsvormen;

34.  dringt aan op verhoogde steun voor kmo's en starters, aangezien de grote meerderheid van hen een voortrekkersrol speelt op het gebied van baanbrekende innovatie en in hoge mate bijdraagt aan het opsporen van plaatselijk talent op diverse domeinen en aan de aanwerving van jongeren;

35.  spoort ertoe aan te blijven zoeken naar betrouwbare indicatoren voor toezicht op innovatieprestaties op alle bestuursniveaus door de middelen van Eurostat en andere DG's van de Commissie beter in te zetten en te coördineren, alsook door rekening te houden met de verwezenlijkingen van de OESO, het Europees waarnemingsnetwerk voor ruimtelijke ordening (ESPON) en andere spelers op dit gebied, zoals nationale bureaus voor statistiek;

36.  onderstreept dat een gecoördineerd en complementair gebruik van ESI-fondsen in combinatie met Horizon 2020 en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), in overeenstemming met de door de Commissie in februari 2016 gepubliceerde richtsnoeren voor de complementariteit tussen de ESI-fondsen en het EFSI, uitstekende mogelijkheden biedt om innovatie op regionaal, nationaal en EU-niveau te stimuleren door de aantrekkelijkheid van investeringen in onderzoek en innovatie te vergroten met het oog op het aantrekken van particulier kapitaal als aanvulling op overheidsfinanciering; verzoekt lokale en regionale overheden maximaal gebruik te maken van de mogelijkheden om deze instrumenten te combineren;

37.  dringt aan op maatregelen om de juiste informatie te verkrijgen voor het creëren van synergieën tussen de verschillende beschikbare beleidsmaatregelen en instrumenten voor RIS3-strategieën, zoals het cohesiebeleid voor 2014-2020, het platform voor slimme specialisatie, de Europese waarnemingspost voor clusters, het Europees innovatiepartnerschap, het Europees Strategieforum, sleuteltechnologieën en de onderzoeksinfrastructuur;

38.  spoort regio's aan om bij de tenuitvoerlegging van hun RIS3-strategieën de mentaliteit van open innovatie en ecosysteemsamenwerking te versterken op basis van het "quadruple helix"-model;

39.  benadrukt hoe belangrijk het is opleiding en onderzoek af te stemmen op de werkelijke behoeften van de markt, in een poging om ervoor te zorgen dat nieuwe innovaties aan de vraag voldoen en tot economische groei leiden;

Slimme steden als katalysator voor RIS3-strategieën

40.  wijst nogmaals op de centrale rol die stedelijke gebieden in de EU moeten krijgen bij de economische en sociale ontwikkeling van de Unie door te fungeren als knooppunt voor verschillende partijen en sectoren waar de uitdagingen en mogelijkheden van slimme, duurzame en inclusieve groei worden samengebracht, en door dienst te doen als voorlopers van de geïntegreerde plaatsgebonden beleidsaanpak; benadrukt het belang van stedelijke gebieden als katalysator van personele middelen, infrastructuur en investeringsmogelijkheden voor de ontwikkeling van innovatieclusters;

41.  verzoekt de Commissie om bij het ontwikkelen van de Europese stedelijke agenda rekening te houden met RIS3-strategieën en andere programma's voor innovatie, met speciale aandacht voor de geïntegreerde territoriale investeringen, zodat synergieën en sterke verbindingen tot stand worden gebracht voor een efficiënt gebruik van middelen;

42.  onderstreept hoe belangrijk het is innovatieve samenwerking mogelijk te maken over de sectoren en grenzen heen, volgens het "triple helix"-model en in samenhang met Europese uitdagingen, met als doel regio's en steden slimmer en groener te maken en aangenamer om in te leven en te werken;

43.  benadrukt dat het concept "slimme en verbonden steden" verder ontwikkeld en uitgebreid moet worden in heel Europa; is verheugd over de plannen van het Nederlandse voorzitterschap van de Raad om een bottom-up benadering te hanteren, waardoor de steden, in samenspraak met regionale overheden, de bevoegdheid krijgen de stedelijke agenda van de EU uit te werken, en om te evolueren van slimme steden naar uitmuntende steden; verleent in dit verband zijn steun aan de voorbereiding van het "Pact van Amsterdam", waarin duurzame groei en het scheppen van banen centraal staan en waarin aandacht wordt besteed aan het stimuleren van de betrekkingen tussen alle partijen, burgers en sociale organisaties en aan het bevorderen van duurzame en sociaal inclusieve ontwikkeling;

44.  vestigt de aandacht op de bevordering van andere regelingen voor samenwerking en kennisuitwisseling tussen steden op het gebied van slimme specialisatie en innovatie, zoals het initiatief "Open and Agile Smart Cities" ("open en flexibele slimme steden") dat door de Commissie wordt gesteund;

45.  steunt de initiatieven van de Commissie en de Raad voor de stedelijke agenda van de EU in de context van het Pact van Amsterdam; verzoekt de Commissie samenhang tussen stedelijk en regionaal beleid te bevorderen; vraagt de Commissie voorstellen te doen om de initiatieven en de methodologie van "slimme steden" en RIS3-strategieën in het zevende cohesieverslag op elkaar af te stemmen;

Toezicht en evaluatie

46.  wijst erop dat de meeste regio's weliswaar een RIS3-strategie hebben aangenomen, maar dat een aanzienlijk aantal onder hen nog steeds werk te verrichten heeft wat naleving van de ex-antevoorwaarden betreft, waarbij de grootste uitdagingen zich situeren op het vlak van het toezichtmechanisme, het begrotingskader en de maatregelen ter stimulering van particuliere investeringen in onderzoek en innovatie;

47.  herinnert lokale en regionale besluitvormers eraan hoe belangrijk het is zich ervoor in te zetten de RIS3-strategieën te gebruiken als een instrument voor economische transformatie binnen hun eigen regio en op die manier ook het EU-beleid te beïnvloeden;

48.  toont zich verheugd dat de aandacht in deze regionale strategieën wordt gericht op energie, gezondheid, informatie- en communicatietechnologie, geavanceerde materialen, voeding, diensten, toerisme, duurzame innovatie en duurzaam vervoer, biogebaseerde economie, productiesystemen en de culturele en creatieve sector, alsook op andere specialisaties en met name op de concurrerende sectoren van een bepaalde regio; betreurt evenwel het gebrek aan detail in vele van deze strategieën en dringt erop aan het prioriteringsproces te verfijnen om op die manier het risico te beperken dat de aandacht in alle strategieën op dezelfde onderwerpen wordt gericht; dringt erop aan niet alleen strategieën te ontwikkelen in hoogtechnologische toepassingen maar ook in laagtechnologische toepassingen en sociale innovatie en spoort alle belanghebbenden aan op zoek te gaan naar raakvlakken tussen sectoren, aangezien dergelijke cross-overs innovatie kunnen stimuleren;

49.  is van mening dat de bevordering van nationale observatoria voor slimme-specialisatiestrategieën kunnen helpen om sterkere indicatorsystemen te ontwikkelen voor toezicht op RIS3-strategieën, vooral wat methodologie en opleiding betreft;

50.  stelt vast dat sommige RIS3-strategieën weinig documentatie bevatten om de unieke concurrentievoordelen van de regio in kwestie aan te tonen, terwijl andere geen bewijzen leveren van de capaciteit van belanghebbende partijen om bedrijven te ondersteunen bij innovatie of de capaciteit van onderzoekers om toegepast onderzoek te verrichten of commerciële toepassingen te vinden voor resultaten; stelt ook vast dat sommige regio's ruime strategieën en simplistische toezichtindicatoren hebben; dringt er dan ook op aan dat overheden meer capaciteit krijgen om de ontvangen informatie te verzamelen en te beoordelen, en vraagt met klem dat regio's en centrale overheden worden gestimuleerd een gecoördineerde inspanning te leveren om bestaande databanken te inventariseren en te standaardiseren, en ze toegankelijk te maken voor belanghebbenden;

51.  verzoekt de EU en de lidstaten gebruik te maken van bestaande instrumenten zoals de communautaire innovatie-enquête (CIS) om periodiek (jaarlijks en tussentijds) toezicht te houden – zowel kwantitatief als kwalitatief – op de tenuitvoerlegging van de strategieën, en alle belanghebbenden, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld, bij het proces te betrekken; stelt vast dat zowel de regio's als de lidstaten met gelijkaardige problemen kampen wat de evaluatie van het toezicht betreft en roept de regio's op om op regelmatige basis verslagen te publiceren over de behaalde doelstellingen, teneinde de effecten van de RIS3-strategieën beter te kunnen analyseren, voor transparantie te zorgen en te waarborgen dat de via het toezicht verkregen informatie openbaar toegankelijk is; beseft evenwel dat strategieën pas na vele jaren vruchten afwerpen en dat er daarom geen al te hoge verwachtingen mogen worden gesteld aan toezicht in een vroeg stadium;

52.  spoort de regio's en de lidstaten aan tot een proactieve houding door tijdig over te gaan tot de tenuitvoerlegging van de actieplannen, met het oog op de streefdatum van december 2016 om aan de ex-antevoorwaarden te voldoen; vraagt hen om hun toezichtmechanismen in te stellen en ten uitvoer te leggen in de vorm van een permanente beoordeling van de RIS3-strategieën, gericht op een precieze omschrijving van investeringsniches waar de regionale innovatieactoren een concurrentievoordeel kunnen halen of behouden;

53.  is van mening dat het op dit gebied al een flinke stap in de goede richting kan zijn als de instrumenten in de RIS3-strategieën gezamenlijk worden gecontroleerd en geëvalueerd, en als met betrekking tot de verslaglegging over verschillende instrumenten toezicht en evaluatie op elkaar worden afgestemd; verzoekt alle belanghebbende partijen en besluitvormers daarom synergieën te creëren en regelingen uit te werken voor het verzamelen en samenbrengen van gegevens van beleidsmaatregelen en instrumenten die in specifieke RIS3-strategieën zijn opgenomen;

54.  brengt in herinnering dat een goede "strategie op papier" niet de verhoopte resultaten zal opleveren als er geen ondersteunende diensten voor ondernemingen tot stand worden gebracht;

Belangrijkste lessen en de toekomst van de RIS3-strategieën

55.  betreurt dat er in RIS3-strategieën wel vaak oog is voor de noodzaak om ondernemingen te helpen bij het benutten van innovatie in al haar vormen, maar dat er uiteindelijk alleen ondersteuning wordt geboden voor innovatie op basis van technologische kennis; stelt in dit verband voor dat ook innovatie op andere gebieden, zoals diensten en de creatieve sector, aan bod moet komen in de RIS3-strategieën en wijst op het belang van alle soorten innovatiesystemen en -instellingen, ongeacht hun omvang en hun band met lokale en regionale clusters;

56.  wijst erop dat RIS3-strategieën op een correcte manier ten uitvoer moeten worden gelegd om een antwoord te kunnen bieden op de innovatiekloof en een stimulans te kunnen geven aan banen en groei in Europa; benadrukt dat het met het oog hierop van essentieel belang is bottom-up strategieën te bevorderen en het potentieel van RIS3‑strategieën op alle bestuursniveaus nauwkeuriger te gaan onderzoeken; merkt in dit verband op dat de lidstaten een beroep moeten doen op hun nationale bureau(s) voor de statistiek om regio's te helpen bij de ontwikkeling van hun evaluatie- en toezichtmechanismen;

57.  is van mening dat de op participatie gebaseerde benadering van de strategieën deel moet uitmaken van alle procedures, ook die voor toezicht en evaluatie, aangezien de mogelijkheden voor samenwerking voor het behalen van de RIS3-doelstellingen hierdoor worden vergroot;

58.  dringt er bij de EU en de lidstaten op aan niet uit het oog te verliezen dat dit instrument uitvoerbaar, gebruiksklaar en efficiënt moet zijn om te voorkomen dat begunstigden worden overstelpt met administratieve lasten;

59.  verzoekt de Commissie aan te dringen op een beoordeling van de strategieën in 2017 om hun doeltreffendheid en efficiëntie te stimuleren en om informatie te verstrekken over de bijdrage ervan tot zowel het toekomstige cohesiebeleid als het onderzoeks- en innovatiebeleid na 2020, rekening houdend met de ervaringen die in de eerste jaren van hun tenuitvoerlegging zijn opgedaan; verzoekt de Commissie voorafgaand aan het zevende cohesieverslag een openbare raadpleging te houden en een conferentie op Europese schaal te organiseren, samen met het Parlement, het Comité van de Regio's en andere belanghebbende partijen;

60.  stelt vast dat strategieën voor slimme specialisatie krachtige instrumenten kunnen zijn om een antwoord te bieden op energieproblemen, efficiënt gebruik van de hulpbronnen en energiezekerheid;

61.  verzoekt de Commissie steun te blijven verlenen aan de functie van het S3-platform, er mee voor te zorgen dat de strategieën meer in detail worden uitgewerkt en het belang van de hefboomwerking van particuliere investeringen niet uit het oog te verliezen;

62.  verzoekt DG Regio en het S3-platform een korte beleidsnota over eerdere ervaringen met RIS3-strategieën op te stellen en ruim te verspreiden, met specifieke aandacht voor de volgende onderwerpen: 1) een SWOT-analyse van de ervaringen; 2) lessen die door regio's worden getrokken en de grootste valkuilen voor elke van de zes stappen die beschreven zijn in de RIS3-richtsnoeren; 3) aanbevelingen en gestandaardiseerde modellen voor een voortdurende verbetering van de RIS3-strategieën om ze na 2020 beter te kunnen uitwerken; en 4) het menselijk kapitaal dat vereist is om een RIS3‑strategie met succes te ontwerpen en ten uitvoer te leggen; is van mening dat regionale netwerken die betrokken zijn bij onderzoek en innovatie moeten worden aangemoedigd en ondersteund bij het uitdragen van de successen en de opgedane ervaring, om de zinvolle inzichten in de regio's op alle niveaus te verankeren;

o
o   o

63.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.
(7) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0002.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0308.
(10) PB C 225 van 27.7.2012, blz. 46.
(11) PB C 218 van 30.7.2013, blz. 12.
(12) PB C 415 van 20.11.2014, blz. 5.

Juridische mededeling - Privacybeleid