Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2058(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0232/2016

Ingediende teksten :

A8-0232/2016

Debatten :

PV 12/09/2016 - 18
CRE 12/09/2016 - 18

Stemmingen :

PV 13/09/2016 - 4.15
CRE 13/09/2016 - 4.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0334

Aangenomen teksten
PDF 236kWORD 61k
Dinsdag 13 september 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
EU-strategie voor verwarming en koeling
P8_TA(2016)0334A8-0232/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2016 over een EU-strategie betreffende verwarming en koeling (2016/2058(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194,

–  gezien de overeenkomst van Parijs, die in december 2015 op de 21e conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21) is gesloten,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 december 2011 getiteld "Stappenplan Energie 2050" (COM(2011)0885),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een EU-strategie betreffende verwarming en koeling" (COM(2016)0051),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 getiteld "Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering" (COM(2015)0080),

–  gezien de conclusies van de Raad van 23 en 24 oktober 2014 over het kader voor het klimaat- en energiebeleid tot 2030,

–  gezien het derde energiepakket,

–  gezien Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG,

–  gezien Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen,

–  gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van de Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),

–  gezien zijn resolutie van 5 februari 2014 over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG(2),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie(3),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2015 getiteld "Op weg naar een Europese energie-unie"(4),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0232/2016),

A.  overwegende dat 50 % van de eindvraag naar energie in de EU voor verwarming en koeling wordt gebruikt, waarvan 80 % wordt gebruikt in gebouwen; overwegende dat de verwarmings- en koelingssector zich moet voegen naar de overeenkomst van Parijs van 2015 over de klimaatverandering (COP21); overwegende dat een verwarmings- en koelingssector die verenigbaar is met de energie- en klimaatdoelstellingen van de EU uiterlijk in 2050 op 100 % hernieuwbare energie moet zijn gebaseerd, wat enkel kan worden bereikt door ons energieverbruik te verlagen en volledig gebruik te maken van het beginsel "energie-efficiëntie eerst/belangrijkste brandstof";

B.  overwegende dat elke extra energiebesparing met 1 % de gasinvoer met 2,6 % doet afnemen(5);

C.  overwegende dat er meer moet worden gedaan om de vraag naar verwarming in gebouwen te verminderen en voor de resterende vraag over te schakelen van het verbranden van ingevoerde fossiele brandstoffen in individuele ketels naar duurzame opties voor verwarming en koeling in overeenstemming met de EU-doelstellingen voor 2050;

D.  overwegende dat het aandeel van gebouwen in het totale eindverbruik van energie enorm is en dat een hogere energie-efficiëntie in gebouwen en vraagresponsprogramma's een cruciale rol kunnen spelen om de vraag naar energie in evenwicht te brengen en de piekbehoefte af te vlakken, wat zal leiden tot minder overcapaciteit zal afnemen en lagere opwekkings-, operationele en vervoerskosten;

E.  overwegende dat het aandeel van hernieuwbare energiebronnen langzaam toeneemt (18 % van de primaire-energievoorziening in 2012), maar dat er op alle niveaus nog een enorm potentieel bestaat en dat het aandeel van hernieuwbare energiebronnen en van teruggewonnen warmte op het gebied van verwarming en koeling in de lidstaten verder moet worden vergroot;

F.  overwegende dat de EU-markt voor verwarming en koeling gefragmenteerd is doordat het een lokale markt is en doordat er verschillende technologieën en marktdeelnemers bij betrokken zijn; overwegende dat de regionale en de lokale dimensie essentieel zijn wanneer het erom gaat het juiste beleid voor verwarming en koeling te ontwikkelen, verwarmings- en koelingsinfrastructuur te plannen en aan te leggen, en de consumenten te raadplegen teneinde obstakels uit de weg te ruimen en verwarming en koeling efficiënter en duurzamer te maken;

G.  overwegende dat biomassa goed is voor 89 % van het totale hernieuwbare warmteverbruik in de EU en 15 % van het totale warmteverbruik in de EU, en veel potentieel heeft om verdere significante en kostenefficiënte oplossingen aan te reiken voor een toenemende vraag naar warmte;

H.  overwegende dat verwarming en koeling een uitstekend voorbeeld is van de behoefte aan een holistische, geïntegreerde en systeemgebaseerde aanpak van energie-oplossingen, met een horizontale benadering van het ontwerp van energiesystemen en de ruimere economie;

I.  overwegende dat het aandeel van primaire energie uit fossiele brandstoffen op het gebied van verwarming en koeling met 75 % erg hoog blijft, wat een belangrijke belemmering vormt voor decarbonisatie, waardoor de klimaatverandering sneller verloopt en het milieu aanzienlijke schade wordt berokkend; overwegende dat de verwarmings- en koelingssector ten volle moet bijdragen tot de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU en dat subsidies voor het gebruik van fossiele brandstoffen in deze sector geleidelijk moeten worden afgeschaft, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van 22 mei 2013 en rekening houdend met de lokale omstandigheden;

J.  overwegende dat, volgens ramingen, de hoeveelheid warmte die bij industriële en andere commerciële processen wordt geproduceerd en niet op een productieve manier wordt gebruikt maar in de atmosfeer of in water verloren gaat, voldoende is om te voorzien in de volledige verwarmingsbehoeften van de Unie in woningen en tertiaire gebouwen;

K.  overwegende dat de gebouwensector goed is voor 13 % van alle CO2-emissies in de EU;

L.  overwegende dat het gebruik van vooruitstrevende, efficiënte verwarmings- of koelingssystemen in gebouwen op homogene wijze gepaard moeten gaan met een grondig proces van thermische isolatie, hetgeen de energievraag en de kosten voor de consumenten zal doen dalen, energie-armoede zal helpen lenigen en gekwalificeerde lokale banen zal helpen scheppen;

M.  overwegende dat maatregelen ter ontwikkeling van een allesomvattende en geïntegreerde strategie voor verwarming en koeling binnen de energie-unie, indien ze correct ten uitvoer worden gelegd, belangrijke mogelijkheden bieden voor zowel bedrijven als consumenten in de EU, doordat ze de totale energiekosten voor de industrie verlagen, het concurrentievermogen stimuleren en kostenbesparingen voor consumenten opleveren;

N.  overwegende dat de regelgevingskaders van de EU dienen om op algemene doelstellingen te wijzen, maar dat echte vooruitgang bij de transformatie van verwarming en koeling als onderdeel van een bredere herziening van het energiesysteem van essentieel belang is;

O.  overwegende dat de doelstelling om de rol van hernieuwbare energiebronnen, met name elektriciteit, in het algemene energienet te optimaliseren door een betere integratie met verwarmings- en koelingstoepassingen en met vervoer, bijdraagt aan de decarbonisatie van het energiesysteem, waardoor de afhankelijkheid van ingevoerde energie wordt teruggebracht, de energierekening van huishoudens wordt verlaagd en het concurrentievermogen van de industrie van de EU wordt bevorderd;

P.  overwegende dat de meest doeltreffende manier om deze gezamenlijke doelstellingen te verwezenlijken, erin bestaat lokale en regionale autoriteiten, in samenwerking met alle relevante belanghebbenden, te empoweren en te ondersteunen, en een volledig geïntegreerde, systeemgebaseerde benadering van stadsplanning, infrastructuurontwikkeling, het bouwen en renoveren van woningen en nieuwe industriële ontwikkeling toe te passen met het oog op een optimale benutting van mogelijke kruisbestuiving, efficiëntie en andere wederzijdse voordelen;

Q.  overwegende dat de energie-efficiëntie van gebouwen ook afhangt van het gebruik van geschikte energiesystemen; overwegende dat de verwarmings- en koelingssector de beginselen "energie-efficiëntie eerst" en "energie-efficiëntie als belangrijkste brandstof" in acht moet nemen;

R.  overwegende dat ambitieuze doelstellingen voor een grondige renovatie van het bestaande woningbestand miljoenen Europese banen zouden creëren, met name in het mkb, de energie-efficiëntie zouden verhogen en essentieel zouden zijn om ervoor te zorgen dat het energieverbruik van verwarming en koeling zo laag mogelijk wordt;

S.  overwegende dat bij de planning van energie-efficiënte, emissiearme openbare en woongebouwen met maximaal thermisch comfort of comfortkoeling rekening moet worden gehouden met architectuur, stadsplanning, de intensiteit van de vraag naar verwarming en de verscheidenheid aan Europese klimaatzones en soorten gebouwen;

T.  overwegende dat er een enorm onbenut potentieel bestaat om afvalwarmte en stadsverwarmingssystemen te gebruiken, aangezien de hoeveelheid overtollige warmte die in Europa beschikbaar is, groter is dan de totale vraag naar verwarming in alle Europese gebouwen en aangezien aan 50 % van de vraag naar verwarming kan worden voldaan met stadsverwarming;

U.  overwegende dat een aanzienlijk deel van de Europese bevolking woont in gebieden – met name steden – waar de normen voor luchtkwaliteit worden overschreden;

V.  overwegende dat verwarming en koeling naar verwachting de belangrijkste bronnen van de energievraag in Europa zullen blijven, dat aardgas en LPG op grote schaal worden gebruikt om aan deze vraag te voldoen en dat dit gebruik zou kunnen worden geoptimaliseerd door zeer efficiënte energieopslag; overwegende dat verdere afhankelijkheid van fossiele brandstoffen indruist tegen de klimaat- en energieverplichtingen en de decarbonisatiedoelstellingen van de EU;

W.  overwegende dat er momenteel grote verschillen zijn in de jaarlijkse energie-uitgaven voor verwarmingsdoeleinden tussen de verschillende klimaatzones in Europa, met een gemiddelde van 60 à 90 kWh/m2 in Zuid-Europa en 175 à 235 kWh/m2 in Centraal- en Noord-Europa;

X.  overwegende dat het gebruik van doeltreffende verwarmings- en koelingsoplossingen veel potentieel biedt om de ontwikkeling van de Europese industrie- en dienstensectoren, met name de hernieuwbare-energiesector, te stimuleren en om in afgelegen en landelijke gebieden meer toegevoegde waarde te creëren;

Y.  overwegende dat energie een sociaal goed is geworden waartoe de toegang moet worden gegarandeerd; overwegende dat echter niet alle burgers toegang krijgen tot energie en dat er in Europa meer dan 25 miljoen mensen zijn die daarmee grote problemen ondervinden;

Z.  overwegende dat energie-efficiëntiebeleid vooral gericht moet zijn op de meest kosteneffectieve manieren om de prestaties van gebouwen te verbeteren door de vraag naar verwarming te verlagen en/of gebouwen aan te sluiten op zeer efficiënte alternatieven;

AA.  overwegende dat de geringe mate waarin de consument op de hoogte is van het lage rendement van verwarmingssystemen een van de factoren is die nadrukkelijk tot uitdrukking komen op de energierekening;

AB.  overwegende dat thermisch goed geïsoleerde woningen zowel voordeel opleveren voor het milieu als voor de gebruiker, die een lagere energierekening heeft;

AC.  overwegende dat 72 % van de vraag naar verwarming en koeling van eengezinswoningen wordt verbruikt in landelijke en gemengde gebieden;

AD.  overwegende dat met natuurlijke oplossingen, zoals goed ontworpen openbaar groen en groene daken en muren die gebouwen van isolatie en schaduw voorzien, de vraag naar energie wordt verminderd doordat de behoefte aan verwarming en koeling wordt beperkt;

AE.  overwegende dat 85 % van de energie die in gebouwen wordt verbruikt, wordt gebruikt voor ruimteverwarming en warm water, en dat 45 % van de verwarming en koeling in de EU in woningen wordt gebruikt;

AF.  overwegende dat de industrie in samenwerking met de lokale overheden een belangrijke rol te spelen heeft in een beter gebruik van afvalwarmte en -koude;

AG.  overwegende dat verwarming en koeling goed zijn voor gemiddeld 6 % van de consumptieve bestedingen van de Europeanen en dat 11 % van de Europeanen het zich niet kan veroorloven hun huis 's winters warm genoeg te stoken;

AH.  overwegende dat de koelingssector nog grondiger moet worden geanalyseerd en meer in aanmerking moet worden genomen in de strategie van de Commissie en het beleid van de lidstaten;

AI.  overwegende dat het van belang is om studies over energiebesparing in historische gebouwen te bevorderen om, waar mogelijk, het energierendement te optimaliseren en te zorgen voor bescherming en behoud van het cultureel erfgoed;

1.  verwelkomt de mededeling van de Commissie getiteld "Een EU-strategie betreffende verwarming en koeling" als een belangrijke stap in de richting van een holistische aanpak om verwarming en koeling in de Europese Unie te transformeren en prioritaire actiegebieden in kaart te brengen; gaat volledig akkoord met de ambitie van de Commissie om de synergieën tussen de elektriciteits- en verwarmingssector te erkennen en te benutten met als doel een efficiënte sector te bewerkstelligen die de energiezekerheid vergroot en de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU op kostenefficiënte wijze helpt verwezenlijken; verzoekt de Commissie de verwarmings- en koelingssector te beschouwen als onderdeel van de opzet van de Europese energiemarkt;

2.  wijst erop dat bij de herziening van de richtlijn inzake energie-efficiëntie (2012/27/EU), de richtlijn inzake hernieuwbare energie (2009/28/EG) en de richtlijn betreffende de energieprestaties van gebouwen (2010/31/EU) specifieke maatregelen voor verwarming en koeling moeten worden overwogen;

3.  is van mening dat de strategie betreffende verwarming en koeling in gelijke mate in deze beide behoeften moet voorzien, rekening houdend met het feit dat er in Europa verschillende klimaatzones en dus ook verschillende behoeften inzake energiegebruik zijn;

4.  benadrukt dat de strategie betreffende verwarming en koeling prioriteit moet geven aan duurzame en kostenefficiënte oplossingen die de lidstaten in staat stellen om de EU-beleidsdoelstellingen inzake klimaat en energie te halen; merkt op dat de verwarmings- en koelingssectoren in de lidstaten door hun verschillende energiemix, klimatologische omstandigheden, mate van efficiëntie van het gebouwenbestand of intensiteit van de industrie zeer verscheiden zijn, en benadrukt dat daarom voor flexibiliteit moet worden gezorgd wanneer er passende strategische oplossingen worden gekozen;

5.  vraagt dat er op nationaal niveau specifieke strategieën voor duurzame verwarming en koeling worden ontwikkeld, met specifieke aandacht voor warmtekrachtkoppeling en stadsverwarming en -koeling, bij voorkeur op basis op hernieuwbare energie, zoals vermeld in artikel 14 van de richtlijn inzake energie-efficiëntie);

6.  merkt op dat een hoge energie-efficiëntie, hoogwaardige thermische isolatie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en teruggewonnen warmte essentiële prioriteiten zijn voor de EU-strategie betreffende verwarming en koeling; is dan ook van mening dat dat het beginsel "energie-efficiëntie eerst" in acht moet worden genomen, omdat energie-efficiëntie een van de hoogste en snelste beschikbare financiële rendementen biedt en een centraal onderdeel vormt van de strategie om een geslaagde overgang naar een veilige, veerkrachtige en slimme verwarmings- en koelingssector te bewerkstelligen;

7.  merkt op dat een meer gedecentraliseerd en flexibel energiesysteem, waarbij de elektriciteits- en warmtebronnen zich dichter bij de plaats van het eindverbruik bevinden, gedecentraliseerde energieopwekking kan vergemakkelijken en zo consumenten en gemeenschappen in staat stelt sterker bij de energiemarkt betrokken te zijn, hun eigen energieverbruik te beheersen en actief deel te nemen aan de vraagrespons; is van mening dat hoe korter de keten aan de hand waarvan primaire energie wordt omgezet in andere vormen om bruikbare warmte te genereren is, hoe hoger de energie-efficiëntie van het algemene energiesysteem is; erkent bovendien dat een dergelijke aanpak transmissie- en distributieverliezen verlaagt, de veerkrachtigheid van de infrastructuur vergroot en tegelijk lokale zakenkansen biedt voor het mkb;

8.  onderstreept de complementariteiten tussen de kaderrichtlijnen inzake ecologisch ontwerp en inzake energie-etikettering enerzijds en de richtlijnen inzake energie-efficiëntie en inzake de energieprestaties van gebouwen anderzijds met betrekking tot het verminderen van het gebruik van verwarming en koeling; meent dat huishoudelijk apparaten (wasmachines, afwasmachines enz.) zo efficiënt mogelijk moeten zijn en zo moeten worden ontworpen dat ze gebruik kunnen maken van de warmwatertoevoer op de plaats waar ze zijn geïnstalleerd; is daarom van mening dat de eisen inzake ecologisch ontwerp en het beleid inzake energie-etikettering regelmatig moeten worden herzien en verbeterd om extra energiebesparingen te verwezenlijken en het concurrentievermogen te verbeteren door meer innovatieve producten en lagere energiekosten;

9.  herinnert eraan dat verwarming en koeling het grootste deel van de energievraag in de EU uitmaken; benadrukt dat het belangrijk is om bij de overgang naar een koolstofarme en zekere energievoorziening voor de verwarmings- en koelingssector vast te houden aan het beginsel van technologieneutraliteit tussen de thans beschikbare hernieuwbare energiebronnen en door de markt en de overheid gestuurde stimulansen;

10.  onderstreept de noodzaak van een gunstig kader voor huurders en mensen die in gebouwen met meerdere woningen wonen om ook hen in staat te stellen voordeel te halen uit eigen productie en gebruik van hernieuwbare verwarming en koeling en maatregelen voor energie-efficiëntie, waarbij de uitdagingen van gescheiden prikkels en soms belemmerende huurregels worden aangepakt;

11.  wijst op de fundamentele rol van hernieuwbare-energietechnologieën, waaronder het gebruik van duurzame biomassa, aerothermische, geothermische en zonne-energie, en fotovoltaïsche cellen in combinatie met elektrische batterijen, om water te verwarmen en verwarming en koeling in gebouwen te leveren, in samenhang met warmteopslagvoorzieningen die kunnen worden gebruikt voor compensatie per dag of per seizoen; vraagt de lidstaten de juiste stimulansen te bieden voor de promotie en verspreiding van deze technologieën; vraagt de lidstaten de huidige richtlijnen inzake energie-efficiëntie en inzake de energieprestaties van gebouwen volledig uit te voeren, met inbegrip van de eisen inzake "bijna-energieneutrale gebouwen" (nZEB) en de langetermijnstrategieën voor renovatie, rekening houdend met de noodzaak om voldoende investeringen te mobiliseren voor de modernisering van hun gebouwenbestand; vraagt de Commissie een EU-brede visie van een bijna-energieneutrale gebouwenbestand tegen 2050 te presenteren;

12.  meent dat de kwesties in verband met energiezekerheid in de EU grotendeels betrekking hebben op de zekerheid van de warmtevoorziening; meent daarom dat het van het grootste belang is dat de bronnen voor verwarming worden gediversifieerd en verzoekt de Commissie na te gaan hoe de toegenomen invoering van hernieuwbare verwarmingstechnologieën verder kan worden ondersteund en versneld;

13.  is van mening dat het gebruik van middelen om bronnen voor verwarming in kaart te brengen, passende bouwkundige oplossingen, best practices inzake faciliteitenbeheer en beginselen van stedelijke vormgeving, met inbegrip van netwerkoplossingen op stadsniveau zoals stadsverwarming en ‑koeling, in de planning van hele woon- en commerciële gebieden ten grondslag moet liggen aan energie-efficiënte en emissiearme bouw in de diverse klimaatzones in Europa; benadrukt dat afdoende geïsoleerd bouwmateriaal een hoge warmteopslagcapaciteit heeft, wat aanzienlijke besparingen op het gebied van verwarming en koeling oplevert;

14.  benadrukt dat de energievraag in de bouwsector verantwoordelijk is voor ongeveer 40 % van het energieverbruik in de EU en voor een derde van het aardgasverbruik, en met tot wel driekwart kan worden teruggebracht als de renovatie van gebouwen wordt versneld; benadrukt dat 85 % van dit energieverbruik opgaat aan verwarming en het warmwaterverbruik in huizen, en dat derhalve de modernisering van oude en inefficiënte verwarmingssystemen, een toegenomen gebruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, een betere benutting van restwarmte door middel van hoogefficiënte systemen van stadsverwarming, en de grondige renovatie van gebouwen, waarbij de warmte-isolatie ervan wordt verbeterd, cruciaal blijven om te komen tot een zekerdere en duurzamere benadering van de warmtevoorziening; beveelt aan dat het verhogen van de energie-efficiëntienormen voor gebouwen wordt voortgezet door rekening te houden met en aan te zetten tot technische innovatie, met name om de homogeniteit van de isolatie te verzekeren; beveelt voorts aan om de bouw van bijna-energieneutrale gebouwen te blijven ondersteunen;

15.  moedigt de lidstaten aan om langetermijnstrategieën voor verwarming en koeling te ontwikkelen gebaseerd op een geïntegreerde aanpak, op geharmoniseerde kartering en op de beoordeling overeenkomstig artikel 14 van de richtlijn inzake energie-efficiëntie; benadrukt dat de strategie prioritaire gebieden voor interventie in kaart moet brengen en een geoptimaliseerde stedelijke energieplanning mogelijk moet maken; verzoekt de Commissie de lidstaten bij deze oefening te helpen door algemene richtsnoeren voor de nationale verwarmings- en koelingsstrategieën op te stellen;

16.  wijst op het economische effect van de renovatie en isolatie van gebouwen, die de verwarmings- en koelingskosten vaak met tot 50 % doen afnemen, en vraagt de Commissie initiatieven die gericht zijn op de renovatie van sociale woningen en flatgebouwen met een lage energie-efficiëntie voldoende te cofinancieren;

17.  is ingenomen met het voornemen van de Commissie om een instrumentarium te ontwikkelen om renovaties in appartementsgebouwen te vergemakkelijken; meent dat er eveneens een geharmoniseerd en breed instrumentarium moet worden ontwikkeld voor de energieplanning van steden, om het in kaart brengen van het potentieel voor lokale verwarming en koeling mogelijk te maken, evenals een geoptimaliseerde en geïntegreerde renovatie van gebouwen en de ontwikkeling van verwarmings- en koelingsinfrastructuur;

18.  herhaalt dat het belangrijk is EU-regelingen te ontwikkelen die stimulansen geven voor renovatie ter verbetering van de energie-efficiëntie van openbare gebouwen, woningen en sociale huisvesting en voor de bouw van ecologische nieuwe gebouwen die verder gaan dan de wettelijke minimumvereisten;

19.  wijst op het lokale karakter en potentieel van verwarming en koeling; vraagt de lokale en regionale overheden verdere thermische modernisering te faciliteren door de renovatie van bestaande openbare, commerciële en woongebouwen met beperkte verwarmings- of koelingsefficiëntie; wijst op het belang van bewegingen zoals het Burgemeestersconvenant, die het mogelijk maken om kennis en best practices uit te wisselen;

20.  benadrukt dat het lokale verwarmings- en koelingspotentieel in heel Europa in kaart moet worden gebracht, zodat steden hun lokaal beschikbare hulpbronnen beter kunnen identificeren en zo kunnen bijdragen tot het vergroten van de energieonafhankelijkheid van de EU, groei en concurrentiekracht kunnen bevorderen door het scheppen van lokale, niet-verplaatsbare werkgelegenheid en consumenten schone, betaalbare energie kunnen bieden;

21.  vraagt de lokale overheden de bestaande verwarmings- en koelingscapaciteit en de toekomstige vraag naar verwarming en koeling op hun grondgebied te beoordelen, rekening houdend met het potentieel van lokaal beschikbare hernieuwbare energiebronnen, thermische energie uit warmtekrachtkoppeling en de hoeveelheid stadsverwarming;

22.  meent dat een aantrekkelijk financieringssysteem moet worden opgezet voor huishoudens die buiten gebieden met gecentraliseerde verwarmings- en koelingssystemen wonen, om nieuwe technologieën te bevorderen die hernieuwbare energiebronnen gebruiken voor de verwarming van huishoudens;

23.  vraagt de lokale overheden iets te doen aan de specifieke problemen van gebouwen op het platteland, die vaak ouder, minder energie-efficiënt en minder goed voor de gezondheid zijn en minder thermisch comfort bieden;

24.  is van mening dat hoe korter de keten is waarin primaire energie in andere vormen wordt omgezet om bruikbare warmte te genereren, hoe groter de energie-efficiëntie is, en vraagt de Commissie, gezien de sterk uiteenlopende klimaat- en andere omstandigheden in de Unie, technologieneutrale instrumenten te promoten die elke gemeenschap in staat stellen kostenefficiënte oplossingen te ontwikkelen om de koolstofintensiteit van de verwarmings- en koelingssector te verminderen;

25.  merkt op dat de EU-regelgevingskaders weliswaar dienen om op algemene doelstellingen te wijzen, maar dat echte vooruitgang bij de radicale transformatie van verwarming en koeling als onderdeel van een bredere herziening van het energiesysteem van essentieel belang is;

26.  wijst erop dat de beleidsinstrumenten en capaciteiten van de EU nog niet voldoende ontwikkeld zijn om de omvorming van de verwarmings- en koelingssector aan te sturen, het potentieel optimaal te benutten of oplossingen om de vraag terug te dringen en de economie koolstofarm te maken, op de nodige schaal en in het nodige tempo in te zetten;

27.  benadrukt het belang van stadsenergienetwerken, die een alternatief vormen voor meer vervuilende systemen voor individuele verwarming omdat ze op een bijzonder efficiënte en kosteneffectieve manier duurzame verwarming en koeling leveren, hernieuwbare energiebronnen en teruggewonnen warmte en koude integreren, en overtollige elektriciteit opslaan wanneer het elektriciteitsverbruik lager is, en zo het net flexibiliteit bieden; benadrukt dat er een groter aandeel hernieuwbare energiebronnen moet worden geïntegreerd, rekening houdend met het feit dat reeds 20 % van de stadsverwarming en ‑koeling met hernieuwbare energie wordt geproduceerd, overeenkomstig artikel 14 van de richtlijn inzake energie-efficiëntie, dat uitgebreide beoordelingen van het potentieel voor efficiënte stadsverwarming voorschrijft; vraagt dat de bestaande stadsverwarmingssystemen worden gemoderniseerd en uitgebreid om over te schakelen op hoogrenderende en hernieuwbare alternatieven; moedigt de lidstaten aan om fiscale en financiële mechanismen in te voeren om de ontwikkeling en het gebruik van stadsverwarming en ‑koeling aan te moedigen, en regelgevingsbelemmeringen uit de weg te ruimen;

28.  vraagt de Commissie de door de lidstaten gemaakte uitgebreide beoordelingen van het potentieel voor warmtekrachtkoppeling en stadsverwarming krachtens artikel 14 van de richtlijn inzake energie-efficiëntie grondig te evalueren, zodat deze plannen stroken met het echte economisch potentieel van deze oplossingen en een degelijke basis vormen voor beleidsmaatregelen in overeenstemming met de doelstellingen van de EU;

29.  benadrukt dat het in dichtbevolkte stedelijke agglomeraties absoluut noodzakelijk is dat het gebruik van inefficiënte en niet-duurzame systemen voor individuele of stadsverwarming/‑koeling worden vervangen door efficiënte systemen voor stadsverwarming/‑koeling of worden gemoderniseerd met geavanceerde verwarmings- of koelingstechnologie om over te schakelen op hoogrenderende lokale warmtekrachtkoppelingssystemen en hernieuwbare alternatieven;

30.  vraagt de Commissie in haar initiatieven inzake de richtlijn hernieuwbare energie en de opzet van de elektriciteitsmarkt maatregelen voor te stellen die tot een efficiënter en flexibeler energiesysteem bijdragen door elektriciteits-, verwarmings- en koelingssystemen verder te integreren;

31.  vraagt de Commissie een gemeenschappelijk Europees kader te creëren waarin zelfopwekking wordt bevorderd en rechtszekerheid wordt gegarandeerd, met name door het aanmoedigen en steunen van buurtverenigingen die hernieuwbare energiebronnen gebruiken;

32.  vraagt om de ontwikkeling van een indicator voor de vraag naar verwarming en koeling voor gebouwen op nationaal niveau;

33.  vraagt om een strategische benadering voor de vermindering van de CO2-emissies in samenhang met de vraag naar industriële verwarming en koeling, door de efficiëntie van de processen te verbeteren, fossiele brandstoffen door duurzame energiebronnen te vervangen en industrieën in de thermische omgeving te integreren;

34.  wijst op het enorme potentieel van het bundelen van energie- en hulpbronnenstromen om op het verbruik van primaire energie te besparen, met name in industriële omgevingen waar, volgens het cascadesysteem, overtollige warmte of koude uit een proces kan worden hergebruikt voor een ander proces dat minder extreme temperaturen vereist, en zo mogelijk voor het verwarmen en koelen van gebouwen via stadsverwarmingssystemen;

35.  merkt op dat verouderde energiecentrales met een lage energie-efficiëntie dringend moeten worden vervangen door de beste beschikbare alternatieven die volledig verenigbaar zijn met de energie- en klimaatdoelstellingen van de EU, zoals milieuvriendelijkere warmtekrachtcentrales die duurzame brandstoffen gebruiken in overeenstemming met de duurzaamheidscriteria voor biomassa;

36.  merkt op dat verwarming en koeling een zeer lokale sector vormen, aangezien beschikbaarheid en infrastructuur, alsook de vraag naar verwarming, afhangen van de lokale omstandigheden;

37.  is het met de Commissie eens dat, zoals in de strategie betreffende verwarming en koeling staat, het economisch potentieel van warmtekrachtkoppeling niet wordt benut, en vraagt de Commissie en de lidstaten hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en stadsverwarming verder te promoten, in overeenstemming met de mededeling over de stand van de energie-unie (COM(2015)0572);

38.  is van oordeel dat een systeemgebonden benadering van koeling nodig is, onder meer voor de gebouwde omgeving en andere activiteiten, zoals transportkoeling;

39.  is van mening dat in de gematigde klimaatzone van Europa efficiënte omkeerbare warmtepompen voor verwarming en koeling onder bepaalde voorwaarden een zeer belangrijke rol zouden kunnen gaan spelen, omdat ze flexibel zijn; benadrukt dat hybride verwarmingssystemen, die warmte verschaffen uit twee of meer energiebronnen, de groeiende rol van hernieuwbare verwarming kunnen bevorderen, met name in bestaande gebouwen waar ze kunnen worden ingebouwd zonder dat daarvoor uitgebreide renovatie nodig is; vraagt de Commissie en de lidstaten daarom voor warmtepompen te voorzien in geschikte, aangepaste berekeningsmethoden en de uitwisseling van best practices voor steunmechanismen te bevorderen teneinde efficiënte, duurzame en koolstofarme oplossingen voor diverse behoeften op het gebied van thermische energie te ondersteunen;

40.  moedigt de Commissie aan om nauwlettend toezicht te houden op de naleving van de EU-wetgeving inzake gefluoreerde broeikasgassen teneinde de emissie van deze gassen in de atmosfeer te verminderen; vraagt de Commissie erop toe te zien dat het gebruik van alternatieve koelmiddelen veilig en kosteneffectief is en in overeenstemming is met andere EU-doelstellingen inzake milieu, klimaatverandering en energie-efficiëntie;

41.  is van oordeel dat de lidstaten moeten onderzoeken of het mogelijk is om voor verwarming (koeling) gebruik te maken van warmte uit geothermische wateren, uit teruggewonnen energie van industriële processen en uit andere warmtebronnen met een lagere temperatuur, bijvoorbeeld de in diepzeemijnen opgeslagen warmte, die met enorme warmtepompen en via bestaande en nieuwe stadsverwarmingsnetten hele steden, en niet alleen afzonderlijke gebouwen, zou kunnen verwarmen als de nodige stadsverwarmingsinfrastructuur beschikbaar is of wordt ontwikkeld;

42.  onderstreept de rol van technologieën die zowel de vraag naar thermische energie als de emissie van broeikasgassen kunnen verminderen, zoals laagenthalpische geothermische energie, op hernieuwbare energiebronnen gebaseerde stadsverwarming/‑koeling, kleinschalige trigeneratie- of warmtekrachtkoppelingscentrales op aardgas en/of biomethaan, of combinaties daarvan;

43.  is van mening dat warmteopslagfaciliteiten die tijdens de daluren elektrische weerstand gebruiken (bijvoorbeeld door energie in de vorm van warmte op te slaan), en zo de kwaliteit van de elektriciteitsvoorziening verbeteren door de integratie van variabele hernieuwbare bronnen te vergemakkelijken, een zeer belangrijke rol op het gebied van verwarming kunnen spelen, het netwerk in evenwicht kunnen brengen en de energieproductie, ‑invoer en ‑prijzen kunnen helpen verminderen;

44.  is van mening dat afvalwarmte en -koude die worden verkregen uit industriële processen en warmtekrachtkoppeling bij de productie van elektrische energie in conventionele krachtcentrales, uit goed geïsoleerde woongebouwen die gebruikmaken van terugwinningsmethoden, en uit microgeneratie, een veel grotere rol dan voorheen op het gebied van verwarming en koeling moeten gaan spelen; benadrukt dat de aanwending van industriële warmte en koude moet worden erkend en aangemoedigd via onderzoek, omdat dit een enorme kans biedt voor investeringen en innovatie; benadrukt dat de industrie en nabijgelegen woon- of dienstengebouwen moeten worden aangemoedigd om samen te werken en hun energieproductie en ‑behoeften te delen;

45.  benadrukt dat overheidsfinanciering of staatseigendom van stadsverwarmingsinfrastructuren niet mag leiden tot een dure afhankelijkheid van infrastructuur met een grote koolstofvoetafdruk; vraagt de nationale, regionale en lokale overheden openbare financiële steun voor stadsverwarmingsinfrastructuur te toetsen aan de EU-doelstellingen om tegen 2050 de uitstoot van broeikasgassen met 80 à 95 % te verminderen ten opzichte van 1990 en van een ordelijke overgang naar de energie-economie;

46.  is van mening dat de integratie van de productie, het verbruik en het hergebruik van afvalkoude het milieu en de economie ten goede kan komen en de vraag naar primaire energie voor koeling kan doen dalen;

47.  benadrukt dat energiewinning uit afval een belangrijke rol op het gebied van verwarming zal blijven spelen, aangezien het storten van afval en het gebruik van fossiele brandstoffen vaak het alternatief vormen, en herinnert eraan dat er meer moet worden gerecycleerd;

48.  vraagt de lidstaten wettelijke en economische middelen aan te wenden om de geleidelijke afschaffing te versnellen van verouderde op vaste brandstof gestookte ketels met een energie-efficiëntieniveau van minder dan 80 % en deze zo mogelijk te vervangen door efficiënte, duurzame verwarmingssystemen op lokaal niveau (zoals stadsverwarming) of op microniveau (zoals geothermische en zonne-energiesystemen);

49.  benadrukt dat de invoering van slimme verwarmingssystemen consumenten kan helpen een beter inzicht te krijgen in hun energieverbruik en kan bijdragen aan de vernieuwing van inefficiënte verwarmingssystemen en zo energiebesparing kan bevorderen;

50.  herinnert de Commissie en de lidstaten eraan dat 75 % van het bestaande Europese gebouwenbestand energie-inefficiënt is en dat volgens ramingen 90 % van deze gebouwen tegen 2050 nog steeds in gebruik zal zijn; wijst daarom op de dringende noodzaak om deze gebouwen specifiek in aanmerking te nemen voor een ingrijpende renovatie;

51.  verzoekt de Commissie in het kader van het "Waste to energy"-programma een plan op te stellen ter bevordering en benutting van de potentiële bijdrage van het duurzame gebruik van organisch afval voor verwarming en koeling in connectie met systemen voor stadsverwarming en ‑koeling;

52.  benadrukt dat biogas een belangrijke duurzame hulpbron vormt voor verwarmings- en koelingssystemen, en dat het daarom nodig is een duidelijk streefdoel voor organische recyclage vast te stellen, teneinde investeringen in de inzameling en verwerking van biologisch afval te stimuleren;

53.  vraagt de lidstaten om het gebruik van verouderde verwarmingsketels die emissies op lage hoogte (uitstoot in de atmosfeer van natuurlijke pyrolysegassen door onvolledige verbranding, NOx, roet en vliegas die via convectie worden verspreid) produceren, voor verwarmingsdoeleinden in stedelijke gebieden geleidelijk af te schaffen en door stimulansen het gebruik van duurzame – onder andere hernieuwbare – alternatieven te bevorderen;

54.  vraagt de lidstaten maatregelen te treffen om energie-inefficiënte verwarmingsketels en boilers op stookolie en steenkool die momenteel meer dan de helft van het gebouwenbestand op het platteland verwarmen, geleidelijk af te schaffen; is van oordeel dat energievoorziening afkomstig moet zijn van koolstofarmere en hernieuwbare bronnen;

55.  benadrukt dat stadsverwarming op basis van hernieuwbare energie de verbreiding van meer vervuilende individuele verwarmingssystemen tegengaat, die tot meer luchtverontreiniging in woonwijken leiden en veel moeilijker te controleren zijn dan wijdverbreide stadsverwarmingssystemen; benadrukt echter dat de infrastructuur en de klimaatomstandigheden in de Unie sterk uiteenlopen, en dat deze systemen vaak moeten worden gemoderniseerd om ze efficiënter te maken; vraagt daarom om een analyse van de noodzaak om stadsverwarmingsinfrastructuur te steunen en van de belastingheffing op hernieuwbare energiebronnen en stadsverwarming;

56.  is van oordeel dat de lidstaten dringend maatregelen moeten nemen om voor de verbranding van vaste fossiele brandstoffen en organisch afval gebruikte lagetemperatuurketels, die tijdens het verbrandingsproces allerlei schadelijke stoffen in de atmosfeer uitstoten, geleidelijk af te schaffen; is van mening dat de lidstaten zo waar mogelijk de geleidelijke afschaffing van oude en inefficiënte houthaarden in dichtbebouwde steden en gemeenten moeten aanmoedigen en de vervanging ervan door moderne, efficiënte, milieuvriendelijke en alternatieven die de gezondheid niet schaden, moeten vergemakkelijken in combinatie met bewustmaking over mogelijke gezondheidsrisico's en best practices ten aanzien van houtvuren;

57.  vraagt de Commissie en de lidstaten de lacune in de regelgeving te dichten die voortvloeit uit de richtlijn inzake ecologisch ontwerp en de richtlijn inzake middelgrote stookinstallaties en resulteert in lekkage van emissies naar installaties van minder dan 1 MW die buiten het toepassingsgebied van de richtlijnen vallen;

58.  meent dat door de toenemende behoefte aan koeling deze kwestie verdere aandacht verdient, inclusief een geïntegreerde benadering van de hele koelingsketen – van de vraag naar industriële koeling vanaf hoge temperaturen naar koeling voor huishoudens en koelingseisen in de voedingsmiddelenindustrie;

59.  merkt op dat de beschikbaarheid van kwaliteitsvolle gegevens voor consumenten en overheden een voorwaarde vormt voor het maken van rationele keuzen inzake energie-efficiëntie en verwarmingsoplossingen; wijst op het belang van het uitbreiden van de door digitalisering geboden mogelijkheden naar de verwarmings- en koelingssector; vraagt de Commissie een definitie en een methode uit te werken voor de berekening van hernieuwbare koeling;

60.  is van oordeel dat waterefficiënte warmtewisselaars een cruciale rol kunnen spelen op het gebied van koeling in industriële processen door het overdragen van warmte naar natuurlijke wateren dicht bij locaties waar producten zijn opgeslagen en waarvan de temperatuur het hele jaar door niet boven 6 °C uitkomt (gratis koeling);

61.  is van mening dat stationaire brandstofcellen met hoog vermogen in de zeer nabije toekomst een milieuvriendelijk alternatief voor steenkool als vaste brandstof zouden kunnen vormen;

62.  is van mening dat de omzetting van elektriciteit in gas veel toekomstmogelijkheden biedt om hernieuwbare energie op te slaan en te transporteren en deze te gebruiken voor centrale en decentrale warmteopwekking; wijst erop dat de omzetting van elektriciteit in gas vooral in stedelijke gebieden een doeltreffende manier is om hernieuwbare energie te gebruiken voor warmteopwekking door gebruik van de aanwezige infrastructuur; vraagt de Commissie en de lidstaten daarom onderzoeks- en proefprojecten inzake de omzetting van elektriciteit in gas passend te ondersteunen;

63.  is van mening dat de strategie van de Europese Unie betreffende innovatieve verwarming en koeling intensief onderzoek vereist als grondslag voor de oprichting van industrieën die milieuvriendelijke apparatuur hiervoor vervaardigen;

64.  benadrukt dat onderzoek en technologische innovatie het Europese bedrijfsleven ten goede komen door zijn concurrentievoordeel en commerciële levensvatbaarheid te vergroten, en ook bijdragen tot de energie- en klimaatdoelstellingen van de EU; benadrukt in dit verband dat meer onderzoek, ontwikkeling en innovatie op het gebied van energie-efficiëntie en technologieën voor hernieuwbare verwarming en koeling nodig zijn om de kosten te verminderen, de prestaties te verbeteren en het gebruik van en de integratie in het energiesysteem te bevorderen; vraagt de Commissie met de stakeholders in de sector samen te werken om stappenplannen voor technologie op het gebied van hernieuwbare verwarming en koeling up-to-date te houden teneinde hiaten in de ontwikkeling van deze technologie te coördineren, op te sporen en vast te stellen;

65.  is van oordeel dat de EU, gezien de dringende noodzaak om snelle en doeltreffende resultaten te behalen met de thermo-modernisering van de thermische sector in de EU, zich moet concentreren op onderzoek om het gebruik van de momenteel best beschikbare technologieën te vergroten;

66.  is van mening dat onderzoek uit hoofde van het Horizon 2020-kaderprogramma betrekking moet hebben op de ontwikkeling van duurzame verwarmings- en koelingsoplossingen alsook technologieën om afvalwarmte en ‑koude te benutten en nieuwe materialen met maximale thermische geleidbaarheid (warmtewisselaars), minimale geleidbaarheid – dat wil zeggen maximale thermische weerstand (thermische isolatie) – en maximale warmteaccumulatiesnelheid (warmteopslagplaatsen);

67.  is van mening dat in de context van het Horizon 2020-kaderprogramma vooruitgang moet worden geboekt met onderzoek en ontwikkeling op het gebied van duurzame en efficiënte verwarmings- en koelingssystemen en ‑materialen, zoals kleinschalige hernieuwbare productie- en opslagoplossingen, stadsverwarming en ‑koeling, warmtekrachtkoppeling, isolatiematerialen en innovatieve materialen zoals structurele vensterruiten die hoge niveaus van kortegolfstraling (zonlicht) van buiten naar binnen laten en slechts minimale thermische langegolfstraling vrijlaten die anders naar buiten zou ontsnappen;

68.  wijst op het belang van uitgebreid wetenschappelijk onderzoek naar de ontwikkeling van innovatieve technologische oplossingen voor het verschaffen van toestellen en complete verwarmings- en koelingssystemen die energie-efficiënt zijn en op hernieuwbare energiebronnen zijn gebaseerd;

69.  vraagt om een herziening van de bestaande wetgeving waarbij de nadruk ligt op technologieneutraliteit en kostenefficiëntie, zodat deze herziening de ene technologie niet bevoordeelt of benadeelt ten opzichte van een andere – zo moet bijvoorbeeld hernieuwbare energie die ter plaatse, bijvoorbeeld met zonnepanelen op woningen, of dicht bij een gebouw wordt opgewekt, in aanmerking worden genomen bij de berekening van de energieprestaties van het gebouw, ongeacht de bron;

70.  benadrukt dat het belangrijk is dat de meest geavanceerde technologieën worden gecombineerd met slim energiebeheer, bijvoorbeeld door domotica en slimme verwarmingsbedieningssystemen, met name in een verbonden wereld waarin een toestel zich vlot kan aanpassen aan weersomstandigheden en elektriciteitsprijssignalen en kan bijdragen aan de stabilisatie van het net door de vraag te verschuiven; vraagt de Commissie slimme technologieën beter in de betreffende initiatieven van de energie-unie te integreren om te zorgen voor echte interconnectiviteit van slimme toestellen, aangesloten woningen en slimme gebouwen met slimme netten; is van mening dat dergelijke oplossingen bij de renovatie van bestaande gebouwen moeten worden bevorderd omdat ze consumenten helpen meer inzicht in hun verbruikspatronen te krijgen en de werking van hun verwarmingssysteem dienovereenkomstig aan te passen;

71.  beklemtoont dat de bouwsector veel potentieel heeft om de vraag naar energie en de CO2-uitstoot te verlagen; onderstreept dat er verdere inspanningen nodig zijn om het renovatietempo van gebouwen te verhogen; merkt op dat om dit waar te maken aantrekkelijke financiële stimulansen, de beschikbaarheid van zeer bekwame deskundigen op verschillende niveaus en de uitwisseling en bevordering van best practices noodzakelijk zijn;

72.  verzoekt de Commissie om resterende hindernissen voor energie-efficiëntiemaatregelen, in het bijzonder woningrenovaties door huishoudens, te identificeren en weg te nemen, en een echte markt voor energie-efficiëntie te verwezenlijken teneinde de overdracht van best practices te ondersteunen en ervoor te zorgen dat producten en oplossingen in de hele EU beschikbaar zijn met het oog op het verwezenlijken van een echte interne markt voor energie-efficiëntieproducten en ‑diensten; wijst op de werkgelegenheid en het economische groeipotentieel die niet alleen met de aanvankelijke invoering van dergelijke producten en diensten gepaard gaan, maar ook met het doorlopende onderhoud en het dagelijkse beheer van een geïntegreerd energiesysteem voor verwarming en koeling;

73.  is van oordeel dat het bedrijfsleven eerst duidelijke signalen van de beleidsmakers moet krijgen voordat de noodzakelijke investeringen voor het verwezenlijken van de energiedoelstellingen zullen worden gedaan; wijst op de noodzaak van ambitieuze, bindende streefcijfers en een regelgevingskader dat innovatie stimuleert, zonder onnodige administratieve rompslomp te creëren, om kosteneffectieve en duurzame verwarmings- en koelingsoplossingen het beste te bevorderen;

74.  is van mening dat investeringen in de energie-efficiëntie van gebouwen gepaard moet gaan met investeringen in hernieuwbare verwarming en koeling; is van oordeel dat de tussen de energie-efficiëntie van gebouwen en hernieuwbare verwarming en koeling gevonden synergieën een belangrijke troef vormen voor de overgang naar een koolstofarme economie; is ingenomen met inspanningen op nationaal niveau om het aantal bijna-energieneutrale gebouwen te verhogen;

75.  beveelt aan om individuele systemen voor thermische renovatie van architecturale monumenten te ontwerpen, met tweeledige aandacht voor investeringen in de buitenschil van gebouwen in combinatie met de optimalisering van systemen voor gebouwbeheer en automatisering en de verstrekking van efficiënte verwarming en koeling, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de unieke architecturale stijl van de betreffende gebouwen niet in het gedrang komt;

76.  merkt op dat voor het architecturale ontwerp van slimme gebouwen een overkoepelende benadering moet worden gehanteerd om te zorgen voor thermisch comfort (koeling) middels de vorm en massa van gebouwen, de aanpassing van de ruimte en de instelling van parameters zoals de hoeveelheid daglicht en de ventilatie- en terugwinningsintensiteit, terwijl tegelijkertijd de gebruikskosten laag zijn;

77.  onderstreept het belang van gestandaardiseerde thermische-energieaudits alsook de kosteneffectiviteit van het verhelpen van problemen met industriële isolatie om energie te besparen en emissies te verminderen; is van mening dat industriële energiekosten verder zouden kunnen worden verlaagd door investeringen in bestaande en bewezen duurzame technologieën;

78.  onderstreept dat de Europese structuur- en investeringsfondsen een belangrijk hulpmiddel zijn voor het moderniseren van het energiesysteem; meent dat de tot dusver geldende beperkingen op EFRO-financiering voor de prioriteit van de overgang naar een koolstofarme economie niet effectief zijn geweest; is van oordeel dat het voor deze prioriteit bestemde percentage van de begroting in de programmeringsperiode na 2020 moet worden verhoogd;

79.  onderstreept dat het van belang is te zorgen voor toegang tot financiering, zowel op korte als op lange termijn, voor investeringen in grote en kleine projecten voor de modernisering van de verwarmings- en koelingssector, bijvoorbeeld voor stadsverwarming en ‑koeling, de verbetering van de betreffende netwerkinfrastructuur, de modernisering van verwarmingssystemen, met een overschakeling op hernieuwbare bronnen, en een snellere renovatie van gebouwen; vraagt de Commissie in dit verband krachtige, innovatieve en langlopende financieringsmechanismen te ontwikkelen; wijst op de rol die het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en andere toepasselijke Europese fondsen, die bijvoorbeeld via de Europese Investeringsbank (EIB) of het EU-emissiehandelssysteem (ETS) beschikbaar zijn, kunnen spelen bij financiering en technische bijstand, zodat projecten aantrekkelijk zijn voor investeerders dankzij stabiele regelgevingsvoorwaarden, zo weinig mogelijk bureaucratie en een doelmatige aanvraag- en goedkeuringsprocedure; verzoekt de Commissie de huidige bepalingen inzake verwarming en koeling in de programmeringsperiode na 2020 voor alle toepasselijke Europese fondsen te versterken en belemmeringen weg te nemen die lokale overheden beletten nuttige middelen uit te trekken voor de renovatie van openbare gebouwen; steunt het initiatief "Slimme financiering voor slimme gebouwen" ter bevordering van de verspreiding van energie-efficiëntie in combinatie met hernieuwbare energiebronnen in de bouwsector; meent dat de modernisering en thermische isolatie van gebouwen voorrang moeten krijgen boven andere maatregelen wat de toegang tot financiering betreft, gezien het enorme potentieel ervan voor het scheppen van banen;

80.  herhaalt dat de structuurfondsen moeten worden ingezet voor een ruimer pakket moderniseringen van gebouwen en bouwsystemen, vooral in de vorm van preferentiële leningen voor particuliere gebouweneigenaren, om meer enthousiasme op te wekken voor de hoognodige modernisering van bestaande gebouwen, met name in de minder ontwikkelde delen van de EU;

81.  onderstreept dat de Commissie, met het oog op het stimuleren van verbeteringen in de verwarmings- en koelingssector, ten volle gebruik moet maken van in artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 vermelde ex-antevoorwaarden en ervoor moet zorgen dat bestaande EU-wetgeving met betreffende maatregelen inzake verwarming en koeling adequaat wordt omgezet en uitgevoerd;

82.  is van mening dat richtsnoeren voor staatssteun voor efficiënte technologieën – die cruciaal zijn voor het koolstofvrij maken van de verwarmings- en koelingssector, met name als door de gemeenschap gedragen oplossingen – rekening moeten houden met de noodzaak van passende openbare financiering;

83.  is van mening dat initiatieven zoals de faciliteit voor Europese plaatselijke bijstand op energiegebied (ELENA), slimme steden en gemeenschappen en het nieuwe, geïntegreerde Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie, de betrokken actoren op lokaal en regionaal niveau kunnen ondersteunen bij de vernieuwing van de energiesystemen in gebouwen;

84.  vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de EU-begroting in overeenstemming met de decarbonisatie- en energie-efficiëntiedoelstellingen wordt aangewend;

85.  vraagt de lidstaten gerichte maatregelen te nemen en energie-efficiëntieverbeteringen en een ruimer gebruik van steunregelingen voor hernieuwbare energie in huishoudens met een laag inkomen en kwetsbare huishoudens sterk te stimuleren; vraagt de Commissie een veel groter aandeel van EU-middelen voor energie-efficiëntie en programma's voor hernieuwbare energiebronnen voor kwetsbare, energiearme huishoudens te reserveren en de lidstaten richtsnoeren te geven voor specifieke maatregelen op het gebied van energiearmoede;

86.  is van mening dat burgers beter moeten worden voorgelicht over het energieverbruik van hun respectieve huishoudens en over de mogelijke energiebesparingen en voordelen van op hernieuwbare energiebronnen gebaseerde verbeteringen van hun verwarmingssystemen, zoals de mogelijkheid om hun eigen hernieuwbare energie voor verwarming en koeling op te wekken en te verbruiken;

87.  is van mening dat de lidstaten er – onder meer door voorlichtingscampagnes, one-stop shops, groepsaankopen (waarbij consumenten samen voor een verlaagde prijs kopen) en het groeperen van afzonderlijke projecten (verschillende kleine projecten samenbrengen in een grotere cluster zodat ze tegen een betere rente kunnen investeren) – voor moeten zorgen dat consumenten zich terdege bewust zijn van en toegang hebben tot de technologische en economische voordelen van duurzamere verwarmings- en koelingssystemen, nieuwe energie-efficiëntieverbeteringen, zodat zij naar gelang van hun persoonlijke omstandigheden de best mogelijke keuzes kunnen maken en kunnen profiteren van de beschikbare verbeteringen op het vlak van besparingen, gezondheid en levenskwaliteit; merkt op dat voor huishoudens op afgelegen en geïsoleerde locaties wellicht bijzondere aandacht en unieke oplossingen nodig zijn; wijst op het potentieel van "prosumenten" om energiesystemen voor hernieuwbare verwarming en koeling op te zetten; wijst op het belang van permanente educatie, opleiding en certificering van en toezicht op installateurs en architecten, aangezien zij voor huishoudelijke verbruikers het eerste aanspreekpunt zijn;

88.  hecht veel belang aan de permanente educatie van deskundigen die de thermische staat van gebouwen en de efficiëntie van de wijze waarop zij worden verwarmd (gekoeld) beoordelen; is van oordeel dat optimaal gelegen servicegroepen die toegankelijk zijn voor eindgebruikers een noodzaak worden;

89.  benadrukt dat het van belang is consumenten vrij te laten kiezen uit een verscheidenheid van bijzonder energie-efficiënte en hernieuwbare verwarmingstechnologieën die het beste tegemoetkomen aan hun persoonlijke behoeften op het gebied van verwarming;

90.  dat het daarom noodzakelijk is consumenten door voorlichting en stimulansen in staat te stellen hun oude en inefficiënte verwarmingssystemen sneller te moderniseren teneinde de energie-efficiëntie sterk te verbeteren, wat nu al mogelijk is met bestaande technologieën, zoals hernieuwbare verwarmingssystemen; wijst erop dat consumenten zich onvoldoende bewust zijn van de vaak lage prestaties van hun geïnstalleerde verwarmingssystemen; vraagt de Commissie in het kader van de richtlijn inzake de energieprestaties van gebouwen voorstellen in de dienen om aan bewustmaking te helpen doen over de bestaande verwarmings- en koelingssystemen en de modernisering ervan te helpen versnellen, en te overwegen een energie-etiketteringssysteem voor geïnstalleerde verwarmings- en koelingsinstallaties in te voeren;

91.  benadrukt dat consumenten een actieve rol kunnen spelen in het proces op weg naar een duurzaam Europees verwarmings- en koelingssysteem; benadrukt dat een doeltreffend resultaat van de nieuwe verordening inzake energie-etikettering, waarbij de schalen van de nieuwe etiketten toekomstgericht zijn en de verschillen in energie-efficiëntie van verschillende producten duidelijk maken, het voor de consumenten gemakkelijker kan maken om hun keuzes te maken met het oog op energiebesparing en hun rekeningen omlaag te brengen;

92.  vraagt de Commissie en de lidstaten te komen met specifieke strategieën om het almaar groter wordende probleem van energiearmoede aan te pakken, teneinde alle consumenten, met name de meest kwetsbare, te helpen hun huisvestings-, verwarmings- en koelingsomstandigheden te verbeteren, op individuele of collectieve basis en ongeacht of zij huiseigenaar of huurder zijn;

93.  benadrukt dat een hoog niveau van energieonafhankelijkheid moet worden behaald door het prioritaire gebruik van lokale hulpbronnen;

94.  vraagt dat afvalwarmte van bestaande industriële ondernemingen wordt gebruikt voor de verwarming van woningen;

95.  is van oordeel dat de sleutel voor de bestrijding van energiearmoede het verlagen van de totale verwarmingskosten voor individuele huishoudens is door te zorgen voor een aanzienlijke verhoging van de energie-efficiëntie in de drie hoofdstadia van energieverbruik: tijdens de omzetting van primaire energie in nuttige energie, tijdens het verdere transport van die energie en, in het bijzonder, tijdens het gebruik door de eindgebruiker; vraagt de lidstaten daarom van energie-efficiëntiemaatregelen en de overstap naar hernieuwbare verwarming en koeling een echte prioriteit te maken;

96.  acht het noodzakelijk ervoor te zorgen dat een gedeelte van de financiering voor energie-efficiëntie wordt uitgetrokken voor verbeteringen voor huishoudens die door energie-armoede worden getroffen of voor mensen die in de meest achtergestelde gebieden wonen, bijvoorbeeld door ze te helpen investeren in energie-efficiëntere verwarmings- en koelingsapparatuur;

97.  is van mening dat de lidstaten, in het kader van de richtlijn inzake energie-efficiëntie, nationale plannen moeten opstellen voor de renovatie van gebouwen om deze energie-efficiënter te maken, met stimulansen voor de renovatie van particuliere gebouwen, waarbij specifiek moet worden gedacht aan maatregelen die zijn gericht op de meest kwetsbare groepen, met het oog op de bestrijding van energiearmoede;

98.  verzoekt de Commissie, in het kader van de tenuitvoerlegging van de richtlijn inzake energie-efficiëntie, personeel op te leiden voor het uitvoeren van audits en de planning van maatregelen ter bevordering van energie-efficiëntie en deze maatregelen voor particulieren te faciliteren, met name voor de meest kwetsbare groepen;

99.  benadrukt dat bijna 11 % van de EU-bevolking door energiearmoede wordt getroffen, terwijl een groot deel van de Europese gebouwen momenteel energie verspilt door slechte isolatie en oude en inefficiënte verwarmingssystemen;

100.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de lokale overheden, gezien het risico van mogelijke toekomstige gasvoorzieningscrisissen, de productie van biogas afkomstig van mestverwerking volledig te integreren in de tenuitvoerlegging van de circulaire economie;

101.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0094.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0266.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0444.
(5) Mededeling van de Commissie (2014), "Energie-efficiëntie en de bijdrage daarvan aan de energiezekerheid en het kader voor het klimaat- en energiebeleid voor de periode tot 2030" (COM(2014)0520) .

Juridische mededeling - Privacybeleid