Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2898(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1060/2016

Ingediende teksten :

B8-1060/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 06/10/2016 - 5.4
CRE 06/10/2016 - 5.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0381

Aangenomen teksten
PDF 174kWORD 46k
Donderdag 6 oktober 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Internationale standaarden voor financiële verslaglegging: IFRS 9
P8_TA(2016)0381B8-1060/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over internationale standaarden voor financiële verslaglegging: IFRS 9 (2016/2898(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen(1),

–  gezien het definitieve ontwerp van Verordening van de Commissie (EU) nr. .../... houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standard 9 betreft,

–  gezien International Financial Reporting Standard (IFRS) 9 inzake financiële instrumenten die op 24 juli 2014 is uitgebracht door de International Accounting Standards Board (IASB), het door de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG) uitgebrachte goedkeuringsadvies met betrekking tot IFRS 9(2), de door de EFRAG uitgebrachte beoordeling van IFRS 9 aan de hand van het "getrouwe beeld"-beginsel, en de brieven met commentaar van de Europese Centrale Bank (ECB) en de Europese Bankautoriteit (EBA) over de goedkeuring van IFRS 9,

–  gezien de wijzigingen op IFRS 4 die op 12 september 2016 door de IASB zijn gepresenteerd onder de titel 'Applying IFRS 9 "Financial Instruments" with IFRS 4 "Insurance Contracts"',

–  gezien het rapport van Philippe Maystadt van oktober 2013 getiteld "Should IFRS standards be more European?",

–  gezien de verklaring van de leiders van de G20 van 2 april 2009,

–  gezien het verslag van 25 februari 2009 van de door Jacques de Larosière voorgezeten groep van deskundigen op hoog niveau inzake financieel toezicht in de EU,

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 inzake de evaluatie van de internationale standaard voor jaarrekeningen (IAS) en de werkzaamheden van de International Financial Reporting Standards (IFRS) Foundation, de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG) en de Public Interest Oversight Board (PIOB)(3),

–  gezien de brief van 8 januari 2016 van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) over "De gevolgen van de invoering van IFRS 9 voor de financiële stabiliteit – verzoek om een analyse" en het schriftelijke antwoord van 29 februari 2016,

–  gezien de brief van 16 juni 2016 van de Commissie economische en monetaire zaken aan de Commissaris voor Financiële Stabiliteit, Financiële Diensten en Kapitaalmarktenunie over de goedkeuring van IFRS 9 en het schriftelijke antwoord van 15 juli 2016,

–  gezien de studies die voor de Commissie economische en monetaire zaken zijn verricht over IFRS 9 (‘IFRS Endorsement Criteria in Relation to IFRS 9’, ‘The Significance of IFRS 9 for Financial Stability and Supervisory Rules’, ‘Impairments of Greek Government Bonds under IAS 39 en IFRS 9: A Case Study’ en ‘Expected-Loss-Based Accounting for the Impairment of Financial Instruments: the FASB and IASB IFRS 9 Approaches’),

–  gezien de vraag aan de Commissie over Internationale standaarden voor financiële verslaglegging: IFRS 9 (O-000115/2016 – B8-0721/2016),

–  gezien de door de Commissie economische en monetaire zaken ingediende ontwerpresolutie,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de mondiale financiële crisis de rol van internationale standaarden voor financiële verslaglegging (IFRS) met betrekking tot financiële stabiliteit en groei op de agenda van de G20 en de EU heeft gezet, waarbij met name de regels voor de erkenning van verliezen in het bankenstelsel aandacht krijgen; overwegende dat de G20 en het verslag-de Larosière reeds voorafgaand aan de crisis op belangrijke kwesties in verband met standaarden voor jaarrekeningen hadden gewezen, zoals procycliciteit in verband met het beginsel van waardering tegen marktwaarde en de erkenning van winsten en verliezen, de tendens om de accumulatie van risico's te onderschatten tijdens conjuncturele oplevingen en het ontbreken van een gemeenschappelijke en transparante methode voor de waardering van illiquide en aan waardevermindering onderhevige activa;

B.  overwegende dat de International Accounting Standards Board (IASB) IFRS 9 inzake financiële instrumenten heeft uitgebracht als een belangrijk antwoord op bepaalde aspecten van de financiële crisis en het effect ervan op de bankensector; overwegende dat IFSR 9 in werking zal treden op 1 januari 2018 en IAS 39 gaat vervangen;

C.  overwegende dat de EFRAG een positief advies over IFRS 9 heeft uitgebracht, met een aantal opmerkingen over het gebruik van "reële waarde" bij moeilijke marktomstandigheden, het ontbreken van een conceptuele basis voor de aanpak van voorzieningen voor kredietverliezen over een tijdsduur van twaalf maanden en onbevredigende bepalingen betreffende langetermijninvesteringen; overwegende dat, omdat IFRS 9 en de toekomstige nieuwe verzekeringsstandaard IFRS 17 op verschillende data in werking treden, in het advies twijfel is geuit over de toepasbaarheid van de standaard op de verzekeringssector;

D.  overwegende dat de controverse en de discussie over het effect van verslaglegging op basis van reële waarde op langetermijninvesteringen worden aangewakkerd door het ontbreken van een kwantitatieve effectbeoordeling over dit onderwerp;

E.  overwegende dat de erkenning van tegen reële waarde gemeten niet-gerealiseerde winsten beschouwd kan worden als een schending van de richtlijn inzake kapitaalinstandhouding en de jaarrekeningrichtlijn; overwegende dat de Commissie momenteel bezig is de praktijken in de lidstaten op het gebied van dividenduitkeringen met elkaar te vergelijken;

F.  overwegende dat het voorzichtigheidsbeginsel de belangrijkste leidraad dient te zijn voor standaarden voor jaarrekeningen;

G.  overwegende dat de nieuwe standaard even complex zo niet complexer lijkt te zijn dan zijn voorganger IAS 39; overwegende dat de aanvankelijke doelstelling was om de complexiteit te verminderen;

H.  overwegende dat de toekomstige nieuwe verzekeringsstandaard IFRS 17, die IFRS 4 vervangt, waarschijnlijk na 2020 van kracht wordt; overwegende dat zorgen zijn geuit over de onderling slechte afstemming van de data waarop IFRS 9 en IFRS 17 in werking treden; overwegende dat de IASB de definitieve wijzigingen op IFRS 4 in september 2016 heeft ingediend en daarbij twee potentiële oplossingen bood: de overlay-benadering en een tijdelijke vrijstelling op het niveau van de rapporterende entiteit;

I.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken IFRS 9 inzake financiële instrumenten in detail heeft onderzocht door een hoorzitting te houden, opdracht te geven voor vier studies betreffende IFRS 9 en onderzoeksactiviteiten te organiseren binnen de commissie alsook via de activiteiten van haar permanente IFRS-team;

1.  wijst erop dat IFRS 9 inzake financiële instrumenten een van de belangrijkste antwoorden van de IASB op de financiële crisis vormt; stelt vast dat de inspanningen voor de tenuitvoerlegging reeds in gang zijn gezet;

2.  erkent dat IFRS 9 een verbetering is ten opzichte van IAS 39 voor zover de overstap van een "geleden verliezen"-model naar een "verwachte verliezen"-model het probleem van "too little, too late" in de erkenningsprocedure voor verliezen op leningen aanpakt; merkt evenwel op dat IFRS 9 een zeer goed beoordelingsvermogen in het boekhoudkundig proces vereist; onderstreept dat er enorme meningsverschillen bestaan en dat controleurs in dit opzicht weinig sturing bieden; dringt er daarom op aan dat de Europese toezichthoudende autoriteiten in samenwerking met de Commissie en de EFRAG richtsnoeren opstellen teneinde eventueel misbruik van bestuurlijke bevoegdheden te voorkomen;

3.  herinnert, hoewel het geen bezwaar heeft tegen Verordening van de Commissie houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standard 9 betreft, aan de verzoeken met betrekking tot IFRS 9 die het in eerdergenoemde resolutie van 7 juni 2016 heeft verwoord;

4.  herinnert eraan dat de op betere regelgeving gerichte aanpak een effectbeoordeling vereist; wijst erop dat het ontbreken van een gedegen kwantitatieve effectbeoordeling voor IFRS 9 deels te wijten is aan het gebrek aan betrouwbare gegevens; onderstreept dat het noodzakelijk is een beter begrip te krijgen van het effect van IFRS 9 op het bankwezen, de verzekeringssector en de financiële markten in het algemeen, maar ook op de financiële sector in zijn geheel; herhaalt daarom zijn verzoek aan de IASB en de EFFRAG om hun effectbeoordelingsvermogen te versterken, met name op macro-economisch gebied;

5.  herhaalt het verzoek van de Commissie economische en monetaire zaken aan het ESRB om een analyse te maken van de gevolgen van de invoering van IFRS 9 voor de financiële stabiliteit; herinnert aan de toezegging die het ESRB heeft gedaan om in de loop van 2017 gehoor aan dit verzoek te geven; is ingenomen met het feit dat het ESRB een nieuwe taskforce inzake IFRS 9 heeft opgezet; herinnert aan de aanbevelingen van het verslag-Maystadt betreffende de uitbreiding van het "openbaar goed"-criterium, d.w.z. dat standaarden voor jaarrekeningen noch de financiële stabiliteit van de Unie in gevaar mogen brengen noch de economische ontwikkeling van de Unie mogen belemmeren;

6.  wijst erop dat het van groot belang is om de interactie van IFRS 9 met andere regelgevingsvereisten volledig te doorgronden; is verheugd over de lopende beoordeling van het effect van IFRS 9 op banken in de EU die door de EBA wordt uitgevoerd en die bedoeld is om beter te inzicht te verkrijgen in het effect van IFRS 9 op het voorgeschreven eigen vermogen, de interactie ervan met andere prudentiële vereisten en de manier waarop instellingen zich voorbereiden op de toepassing van IFRS 9; wijst erop dat banken die de standaardbenadering hanteren waarschijnlijk het zwaarst getroffen zouden worden door een verlaging van hun tier 1-kernkapitaal; dringt er daarom bij de Commissie op aan om voor het einde van 2017 passende maatregelen in het prudentiële kader voor te stellen, bijvoorbeeld de opname in de verordening kapitaalvereisten van een geleidelijke invoeringsregeling die het effect van het nieuwe waardeverminderingsmodel gedurende een periode van drie jaar of tot er een adequate internationale oplossing is gevonden, zal verzachten, zodat plotselinge, ongerechtvaardigde effecten op de kapitaalratio's van en kredietverstrekking door banken worden voorkomen;

7.  wijst op het feit dat de inwerkingtredingsdata van IFRS 9 en de nieuwe, binnenkort te verwachten verzekeringsstandaard (IFRS 17) niet op elkaar aansluiten; merkt op dat de IASB wijzigingen op IFRS 4 heeft aangebracht waarmee aan enkele zorgen tegemoet wordt gekomen, met name wat betreft het gebruik van de optionele uitstelprocedure; dringt er bij de Commissie op aan om deze kwestie, met behulp van de EFRAG, zorgvuldig en op een bevredigende en adequate manier te behandelen om binnen de EU een gelijk speelveld te waarborgen;

8.  onderstreept het belang van langetermijninvesteringen voor economische groei; vreest dat onder IFRS 9 de boekhoudkundige behandeling van bepaalde financiële instrumenten die direct of indirect als langetermijninvesteringen worden aangehouden, met name aandelenkapitaal, de overkoepelende doelstelling om langetermijninvesteringen te bevorderen, kan ondermijnen; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat IFRS 9 in dienst staat van de EU-strategie voor langertermijninvesteringen en tegelijkertijd de procycliciteit en prikkels om buitensporige risico's te nemen, vermindert; verzoekt de Commissie om voor december 2017 met een evaluatie te komen;

9.  is ingenomen met het huidige initiatief van de Commissie om de praktijken in de lidstaten op het gebied van dividenduitkeringen met elkaar te vergelijken; dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat IFRS 9 in overeenstemming is met de richtlijn inzake kapitaalinstandhouding en de jaarrekeningrichtlijn, en om, wanneer nodig, samen te werken met de IASB en normalisatieorganen in de lidstaten en derde landen, teneinde hun steun te krijgen voor wijzigingen of, wanneer dergelijke steun uitblijft, in de EU-wetgeving in passende wijzigingen te voorzien;

10.  dringt er bij de Commissie op aan om, samen met de Europese toezichthoudende autoriteiten (ESA's), de ECB, het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) en de EFRAG, nauwlettend toe te zien op de tenuitvoerlegging van IFRS 9 in de EU, om voor juni 2019 een effectbeoordeling ex post uit te voeren en om deze beoordeling voor te leggen aan het Europees Parlement en te handelen in overeenstemming met het EP-standpunt;

11.  dringt er bij de IASB op aan IFRS 9 na afloop van de tenuitvoerlegging aan een beoordeling te onderwerpen teneinde onbedoelde effecten van de standaard in kaart te brengen en te beoordelen, in het bijzonder met betrekking tot langetermijninvesteringen;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie.

(1) PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.
(2) http://www.efrag.org/Assets/Download?assetUrl=%2Fsites%2Fwebpublishing%2FSiteAssets%2FEndorsement%2520Advice%2520on%2520IFRS%25209.pdf
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0248.

Juridische mededeling - Privacybeleid