Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2139(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0322/2016

Ingediende teksten :

A8-0322/2016

Debatten :

PV 21/11/2016 - 17
CRE 21/11/2016 - 17

Stemmingen :

PV 22/11/2016 - 5.10
CRE 22/11/2016 - 5.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0437

Aangenomen teksten
PDF 214kWORD 55k
Dinsdag 22 november 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
De doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking vergroten
P8_TA(2016)0437A8-0322/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2016 over het vergroten van de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking (2016/2139(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de VN-top inzake duurzame ontwikkeling en het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN goedgekeurde slotdocument getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development", en in het bijzonder doelstelling 17 van de daarin vastgelegde doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's), waarin VN-lidstaten ertoe worden verplicht de middelen te verhogen om de agenda ten uitvoer te leggen en het mondiale partnerschap voor duurzame ontwikkeling nieuw elan te geven(1),

–  gezien de 'Addis Abeba Actieagenda', het slotdocument dat is aangenomen op de Derde Internationale Conferentie over Financiering voor Ontwikkeling (Addis Abeba, Ethiopië, 13-16 juli 2015) en dat is goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de VN in haar resolutie van 69/313 van 27 juli 2015(2),

–  gezien het verslag aan de VN-secretaris-generaal over 'Trends en vooruitgang in internationale ontwikkelingssamenwerking', ingediend bij de vergadering van 2016 van het Ontwikkelingssamenwerkingsforum (E/2016/65)(3),

–  gezien de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, die is aangenomen op het tweede forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in 2005, de 'Accra Agenda voor Actie' die is aangenomen op het derde forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in 2008 in Accra (Ghana)(4), en het resultaat van het vierde forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in Busan (Republiek van Korea) in december 2011 waar het mondiaal partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking (GPEDC) werd opgericht(5),

–  gezien de Verklaring van Dili van 10 april 2010, die betrekking heeft op vredesopbouw en staatsopbouw, en gezien de 'Nieuwe Aanpak voor de inzet in fragiele staten' die op 30 november 2011 is gelanceerd op het vierde forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp,

–  gezien het communiqué van de eerste bijeenkomst op hoog niveau van het GPEDC, gehouden in Mexico City in april 2014(6),

–  gezien de aanstaande tweede bijeenkomst op hoog niveau van het mondiaal partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking (GPEDC), die van 28 november t/m 1 december 2016 zal plaatsvinden in Nairobi(7),

–  gezien het voortgangsverslag 2014 van de OESO/UNDP, ‘Making Development Co-operation More Effective’(8),

–  gezien de Siem Reap Consensus over het internationaal kader voor doeltreffendheid van de ontwikkelingssteun van maatschappelijke organisaties (CSO's) van 2011,

–  gezien artikel 208 van het VWEU, waarin bepaald wordt dat terugdringing en uitbanning van armoede het hoofddoel is van het EU-ontwikkelingsbeleid en dat de Unie en de lidstaten de verplichtingen nakomen die zij in het kader van de Verenigde Naties en andere internationale organisaties zijn aangegaan en rekening houden met de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking in beleid dat waarschijnlijk gevolgen heeft voor ontwikkelingslanden,

–  gezien de Europese Consensus over Ontwikkeling van 2005(9) en de plannen om een overeenkomst te bereiken over een nieuwe Consensus in 2017,

–  gezien de gedragscode van de Europese Unie inzake complementariteit en taakverdeling in het ontwikkelingsbeleid(10),

–  gezien de geconsolideerde tekst van het Operationeel kader inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp(11), dat gebaseerd is op de conclusies van de Raad van 17 november 2009 over 'Een operationeel kader inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp', de conclusies van de Raad van 14 juni 2010 over 'De taakverdeling tussen meerdere landen' en de conclusies van de Raad van 9 december 2010 over 'Transparantie en wederzijdse verantwoordingsplicht',

–  gezien het werkdocument van de Commissie van 26 maart 2015, 'Lancering van het EU-kader voor resultaten van de internationale samenwerking en ontwikkeling' (SWD(2015)0080), en de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 over dit EU-kader(12),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 maart 2014 over het gemeenschappelijk standpunt van de EU voor de eerste bijeenkomst op hoog niveau van het mondiaal partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking (GPEDC)(13),

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 over een nieuw wereldwijd partnerschap voor de uitbanning van armoede en voor duurzame ontwikkeling na 2015(14),

–  gezien de conclusies van de Raad van donderdag 12 mei 2016 over het opvoeren van gezamenlijke programmering(15),

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2016 over het jaarverslag 2016 aan de Europese Raad over de EU-doelstellingen inzake ontwikkelingshulp(16),

–  gezien het werkdocument van de Commissie van 23 juni 2015, 'Verslag van 2015 over de verantwoordingsplicht van de EU inzake ontwikkelingsfinanciering – Overzicht van de vooruitgang die geboekt is door de EU en haar lidstaten' (SWD(2015)0128),

–  gezien het document getiteld "Een mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid - gedeelde visie, gezamenlijk optreden: een sterker Europa", dat in juni 2016 is gepresenteerd door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid(17),

–  gezien zijn resolutie van 22 mei 2008 over het vervolg op de Verklaring van Parijs van 2005 over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp(18),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2011 over de toekomst van EU-begrotingssteun aan ontwikkelingslanden(19),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 inzake het vierde forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp(20),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende EU-donorcoördinatie met betrekking tot ontwikkelingshulp(21),

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2015 over financiële middelen voor ontwikkeling(22),

–  gezien zijn resolutie van donderdag 14 april 2016 over de particuliere sector en ontwikkeling(23),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2016 over de follow-up en de herziening van de Agenda 2030(24),

–  gezien zijn resolutie van dinsdag 7 juni 2016 over het verslag 2015 van de EU over de coherentie van het ontwikkelingsbeleid(25),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0322/2016),

A.  overwegende dat de beginselen die zijn vastgesteld in de Verklaring van Parijs en de Accra Agenda voor Actie volledig van kracht blijven en hebben bewezen dat zij de kwaliteit van ontwikkelingshulp hebben verhoogd, alsmede de publieke steun ervoor in donorlanden;

B.  overwegende dat de politieke verbintenissen op hoog niveau van de Consensus van Monterrey (2002), de Verklaring van Rome (2003), de Verklaring van Parijs (in 2005), de Actieagenda van Accra (2008) en het vierde forum over de doeltreffendheid van de hulp van Busan (2011) allemaal hetzelfde doel nastreven, met name de kwaliteit van de uitvoering, het beheer en het gebruik van officiële ontwikkelingshulp te verbeteren om de effecten ervan te vergroten;

C.  overwegende dat de beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in vele landen duidelijk hebben bijgedragen tot vooruitgang op het gebied van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen, maar dat niet overal dezelfde vooruitgang is geboekt en dat niet alle beginselen in alle landen volledig zijn geïmplementeerd en niet altijd door alle ontwikkelingsactoren;

D.  overwegende dat het mondiaal partnerschap een cruciale rol kan spelen in de uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de verwezenlijking van de SDG's door de aandacht te verleggen van "doeltreffendheid van ontwikkelingshulp", waarbij wordt verwezen naar de traditionele publieke ontwikkelingshulp, naar "doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking";

E.  overwegende dat officiële ontwikkelingshulp (ODA) een cruciale rol kan spelen bij de verwezenlijking van de Agenda 2030, met name in lagelonenlanden en bij de bestrijding van extreme armoede en ongelijkheid, als de hulp beter gericht wordt en de beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp worden geëerbiedigd, met name de democratische eigen inbreng van de ontwikkelingslanden, afstemming, versterking van lokale capaciteiten, transparantie en democratische verantwoordingsplicht, focus op resultaten, en inclusiviteit; overwegende dat de voorwaarden die aan hulp worden verbonden in overeenstemming moeten zijn met het beginsel van democratische eigen verantwoordelijkheid;

F.  overwegende dat naast ontwikkelingshulp en -samenwerking ook andere instrumenten van ontwikkelingsbeleid nodig zijn om armoede effectief uit te bannen en de SDG's te bevorderen;

G.  overwegende dat begrotingssteun zeer veel voordelen biedt, zoals het bijbrengen van verantwoordelijkheidsgevoel aan de staat, een preciezere evaluatie van de resultaten, een grotere samenhang van het beleid, een betere voorspelbaarheid van de steun en een optimale benutting van de middelen die rechtstreeks ten goede komt van de bevolking;

H.  overwegende dat de particuliere sector, samen met traditionele en niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties, een echte partner aan het worden is bij het tot stand brengen van inclusieve en duurzame ontwikkeling in het kader van onze ontwikkelingsstrategieën;

I.  overwegende dat het essentieel is voor de doeltreffendheid van hulp dat de ontvangende landen parallel daaraan groeibevorderend economisch beleid voeren door marktmechanismen in te voeren, particulier kapitaal meer ruimte te geven, landhervormingen door te voeren en hun markten geleidelijk open te stellen voor mondiale concurrentie;

J.  overwegende dat de versnippering van de ontwikkelingshulp volgens een studie van de Commissie de EU elk jaar 2 tot 3 miljard EUR extra kost;

K.  overwegende dat het mondiaal partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking (GPEDC) een inclusief forum vormt dat regeringen, bilaterale en multilaterale organisaties bijeenbrengt, alsmede het maatschappelijk middenveld, parlementen, vakbonden en de particuliere sector van alle landen;

L.  overwegende dat het GPEDC focust op het gedrag en de relatie tussen de ontwikkelingsactoren, de doeltreffende tenuitvoerlegging van ontwikkelingsbeleid en -programma's, en bijhoudt of er vooruitgang wordt geboekt in de eerbiediging van de cruciale beginselen die het afgelopen decennium zijn vastgesteld om de doeltreffendheid van de inspanningen van alle actoren voor ontwikkeling te verbeteren; overwegende dat moet worden verduidelijkt hoe het wordt afgestemd op de mondiale ontwikkelingsstructuur die toeziet op de implementatie van de Agenda 2030;

M.  overwegende dat landen als China, Brazilië, Turkije, Rusland en India een steeds belangrijkere rol spelen als opkomende donorlanden en voor de overdracht van ontwikkelingsexpertise en -technologie, niet in de laatste plaats dankzij hun eigen recente en huidige ervaringen met ontwikkeling; overwegende dat hun engagement met meer traditionele donorlanden bij het bevorderen van mondiale collectieve voorzieningen en hun deelname aan inclusieve samenwerking in het GPEDC kan worden versterkt;

N.  overwegende dat de Commissie een actieve rol in de stuurgroep van het GPEDC speelt, en dat een van de covoorzitters uit een EU-lidstaat kwam, nl. Nederland; overwegende dat Duitsland deze rol van covoorzitter overneemt;

O.  overwegende dat de eigen inbreng van het ontwikkelingsland vereist dat donorlanden zich richten naar de nationale ontwikkelingsplannen en de internationaal overeengekomen SDG's en doelstellingen, alsmede de binnenlandse deelname met betrekking tot de opstelling en de verantwoordingsplicht voor de tenuitvoerlegging van ontwikkelingsplannen en -programma's;

P.  overwegende dat ontwikkelingshulp dubbel dividend genereert wanneer er niet alleen ontwikkelingsprojecten mee worden gefinancierd, maar ook lokaal wordt besteed, aan lokaal geproduceerde goederen en lokaal verleende diensten; overwegende dat versterking van de systemen van landen, waaronder nationale systemen voor de plaatsing van overheidsopdrachten, derhalve een essentieel element is voor het vergroten van de doeltreffendheid van hulp overeenkomstig de Verklaring van Parijs inzake de doeltreffendheid van hulp en voor het bevorderen van goed bestuur en de democratische verantwoording in partnerlanden;

Q.  overwegende dat donorgedreven ontwikkelingssamenwerkingsagenda's en gebonden hulp, onder meer op het gebied van overheidsopdrachten, een uiting kunnen zijn van andere politieke belangen die soms strijdig zijn met het ontwikkelingsbeleid en de eigen inbreng van ontwikkelingslanden en de duurzaamheid van ontwikkelingshulp en de vooruitgang die in het verleden geboekt is kunnen ondermijnen, met ondoeltreffendheid en een grotere afhankelijkheid als gevolg; overwegende dat lokale eigen inbreng een belangrijke rol moet spelen bij het tot stand brengen van doeltreffende ontwikkeling voor burgers;

R.  overwegende dat er steeds vaker gebruik wordt gemaakt van de EU-kaders voor resultaten om te meten wat er is bereikt met de ontwikkelingssamenwerkingsprogramma's, maar dat volledige eigen inbreng en het gebruik van die kaders door de ontwikkelingslanden een grote uitdaging blijven;

S.  overwegende dat in de monitoringronde van het GPEDC 2016 werd geconstateerd dat de geboekte vooruitgang bij het gebruik van de eigen systemen van landen zeer beperkt blijft en dat de ontkoppeling van hulp is gestagneerd op het niveau van de piek van 80 % die in 2010 werd bereikt;

T.  overwegende dat parlementariërs van partnerlanden, plaatselijke autoriteiten en het maatschappelijk middenveld hun ontevredenheid blijven uiten over de mate waarin zij worden betrokken bij en geïnformeerd over de programmering en tenuitvoerlegging van ontwikkelingssamenwerking;

U.  overwegende dat de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, in de zin van doeltreffend gebruik van alle middelen en hulpbronnen voor ontwikkeling, met inbegrip van armoedevermindering, zowel afhangt van de donorlanden als van de ontvangende landen, alsmede van het bestaan van doeltreffende en adequaat reagerende instellingen, goede beleidsmaatregelen, de betrokkenheid van plaatselijke actoren en het maatschappelijk middenveld, de rechtsstaat, inclusief democratisch bestuur, het bestaan van doeltreffende en transparante follow-upmechanismen, en waarborgen tegen corruptie binnen ontwikkelingslanden en illegale geldstromen op internationaal niveau; overwegende dat het GPEDC een belangrijkere rol zou moeten spelen bij de facilitering en bevordering van vooruitgang op het gebied van bovenstaande factoren;

V.  overwegende dat de versnippering van ontwikkelingshulp een hardnekkige uitdaging blijft als gevolg van de het steeds grotere aantal donoren en hulpinstanties en het gebrek aan coördinatie tussen hun activiteiten en projecten;

W.  overwegende dat de zuid-zuidsamenwerking is blijven groeien ondanks de groeivertraging in de opkomende economieën en de dalende grondstoffenprijzen;

X.  overwegende dat het ontwikkelingslandschap steeds heterogener wordt nu er meer mensen in middeninkomenslanden wonen dan in lage-inkomenslanden; overwegende dat tegelijkertijd de aard van de ontwikkelingsuitdagingen is veranderd door de opkomst van nieuwe mondiale uitdagingen zoals migratie, voedselzekerheid, vrede en stabiliteit, en klimaatverandering;

1.  dringt er bij alle ontwikkelingsactoren op aan voort te bouwen op de afspraken die gemaakt zijn van Parijs tot Busan, en om hun inspanningen te verhogen om ontwikkelingssamenwerking zo doeltreffend mogelijk te maken om de ambitieuze doelen en doelstellingen van de Agenda 2030 te verwezenlijken en optimaal gebruik te maken van de publieke en particuliere hulpmiddelen voor ontwikkeling;

2.  roept op om voor het uitbannen van armoede en de bevordering van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling gebruik te maken van alle instrumenten van ontwikkelingsbeleid; is van mening dat de doeltreffendheid van ontwikkelingsfinanciering moet worden beoordeeld op basis van de concrete resultaten en de bijdrage ervan tot het ontwikkelingsbeleid als geheel;

3.  benadrukt de belangrijke rol van ODA bij het realiseren van de Agenda voor doeltreffendheid van ontwikkeling, het uitbannen van armoede, het verminderen van ongelijkheid, het verstrekken van essentiële openbare diensten en het ondersteunen van goed bestuur; onderstreept dat ODA flexibeler en voorspelbaarder is dan andere stromen die mogelijkerwijs bijdragen tot ontwikkeling en dat er beter verantwoording over wordt afgelegd;

4.  herinnert eraan dat voldoende financiering een voorwaarde is voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking; merkt op dat de meeste verstrekkers van ODA hun toezegging om tegen 2015 0,7 % van het bni aan ontwikkelingshulp toe te wijzen niet zijn nagekomen, waardoor meer dan 2 biljoen USD niet beschikbaar is gesteld aan ontwikkelingslanden om de millenniumontwikkelingsdoelen te verwezenlijken;

5.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om de aloude toezegging om 0,7 % van het bni te bestemmen voor ontwikkelingshulp na te komen, hun ontwikkelingshulp op te voeren, onder meer via de EU-begroting en het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), en een doeltreffende routekaart op te stellen om deze toezeggingsdoelstelling op een transparante en voorspelbare wijze en met verantwoordingsplicht te realiseren; waarschuwt tegen de verwatering van ODA-criteria met als oogmerk andere kosten te dekken dan de directe kosten van het bevorderen van duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden;

6.  merkt met bezorgdheid op dat sedert medio-2015 slechts vijf EU-lidstaten hun Busan-uitvoeringsplannen hebben gepubliceerd; dringt er bij de lidstaten op aan hun uitvoeringsplannen te publiceren en verslag uit te brengen over hun inspanningen vóór de tweede bijeenkomst op hoog niveau van het GPEDC (HLM2), die van 28 november t/m 1 december 2016 zal plaatsvinden in Nairobi;

7.  dringt erop aan dat in het slotdocument van de HLM2 op een duidelijke manier gedifferentieerde taken en verantwoordelijkheden van de ontwikkelingsactoren en instellingen voor de uitvoering van de agenda en de toepassing van de beginselen worden gedefinieerd en verdeeld, om vooruitgang te bevorderen en toekomstige samenwerking te faciliteren;

8.  neemt kennis van het Mexicaanse voorstel voor de opneming van een vijfde beginsel voor doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, te weten "niemand in de steek laten"; erkent het belang van een sterke focus op arme, kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, rekening houdend met gendergelijkheid en fragiele en conflictsituaties, in het kader van de agenda voor doeltreffende ontwikkeling; is van mening dat hoewel dit beginsel aansluit op de algehele filosofie en de hoofddoelstelling van de Agenda 2030, de eventuele opneming ervan vergezeld moet gaan van serieuze discussie over en reflectie op het operationeel maken van dit beginsel, met name op het gebied van mainstreaming en indicatoren;

9.  wijst op de noodzaak van een sterke positionering van het GPEDC in het kader van de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 en de actieagenda van Addis Abeba; is van mening dat het GPEDC voor toegevoegde waarde kan zorgen als de werkzaamheden strategisch worden gefaseerd en toegesneden op de werkzaamheden en het tijdschema van het UN ECOSOC Ontwikkelingssamenwerkingsforum, het Financing for Development Forum en het High Level Political Forum;

10.  benadrukt dat het GPEDC een sterke rol moet spelen in de op bewijs-gebaseerde aspecten van toezicht en verantwoordingsplicht met betrekking tot de doeltreffendheidsbeginselen ter verwezenlijking van de SDG's en in de ondersteuning van de volledige toepassing ervan door alle actoren op nationaal niveau; benadrukt dat het GPEDC moet zorgen voor duidelijk gedefinieerde samenwerkingskanalen voor specifieke ontwikkelingsactoren andere dan de OESO-donoren, inclusief opkomende donoren, lokale en regionale overheden, maatschappelijke organisaties, particuliere filantropen, financiële instellingen, bedrijven uit de particuliere sector en vakbonden; is van mening dat de bestuursregelingen van het GPEDC een afspiegeling moeten vormen van de diversiteit van de belanghebbenden;

11.  herinnert eraan dat 1 % van de groei in Afrika meer dan het dubbele vertegenwoordigt van de officiële ontwikkelingshulp;

12.  is van mening dat het GPEDC een leidende rol zou moeten spelen om ervoor te zorgen dat er vooruitgang wordt geboekt met betrekking tot SDG 17, namelijk toezicht en verantwoordingsplicht, grotere doeltreffendheid van de hulp, kwaliteits- en capaciteitsaspecten van financiering voor ontwikkeling, belastingen en houdbaarheid van schulden, waarbij de particuliere sector zou moeten worden gemobiliseerd en zijn verantwoordelijkheid voor duurzame ontwikkeling, transparantie, beleidssamenhang, partnerschap van meerdere belanghebbenden, zuid-zuid-samenwerking en trilaterale samenwerking;

13.  onderstreept de belangrijke rol die het GPEDC moet spelen met betrekking tot SDG-indicator 17.16.1, in het bijzonder bij het tot stand brengen van doeltreffender, inclusievere partnerschappen van meerdere belanghebbenden ter ondersteuning en versterking van de uitvoering van de Agenda 2030 door de kwaliteit van ontwikkelingsinspanningen te meten; verwelkomt de monitoringronde 2016, merkt op dat aantal ontwikkelingspartners dat hierbij is betrokken is toegenomen en ziet uit naar de publicatie van het voortgangsverslag;

14.  moedigt de partijen bij het GPEDC aan de oprichting te overwegen van een onafhankelijker en goed toegerust permanent secretariaat voor het GPEDC, dat voortbouwt op de werkzaamheden van het gezamenlijk ondersteuningsteam, en dringt er bij de EU-lidstaten en partnerlanden op aan nationale contactpunten aan te wijzen;

15.  herinnert eraan dat het Parlement in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn essentiële rol uit te oefenen als democratisch controleur van alle door de EU uitgevoerde beleidsmaatregelen, met inbegrip van het ontwikkelingsbeleid, en verzoekt met klem om regelmatig en tijdig te worden geïnformeerd over de standpunten die de Commissie inneemt in de stuurgroep van het GPEDC;

16.  is verheugd over de vooruitgang die geboekt is en beveelt de Commissie aan nadere inspanningen te leveren om alle betrokken actoren toegang te bieden tot de informatie op het gebied van transparantie van de programmering van de ontwikkelingssamenwerking, financieringsmechanismen, projecten en hulpstromen, met name in de context van het internationale initiatief inzake transparantie van ontwikkelingshulp (IATI) en het opzetten van de "EU Aid Explorer" website; herinnert er evenwel aan dat er op dit gebied nog belangrijke stappen moeten worden gezet en verzoekt alle donoren met klem om dringend aanzienlijke verdere inspanningen te leveren om hun informatie en data eerder beschikbaar te stellen en ze toegankelijker en vergelijkbaarder te maken; dringt er bij de lidstaten die nog geen bijdrage leveren aan het IATI op aan hiermee te beginnen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om gebruik te maken van de beschikbare gegevens en om tevens partnerlanden te ondersteunen door de uitwisseling van informatie en goede praktijken te bevorderen;

17.  is van mening dat de monitoring en evaluatie van en het delen van kennis over geboekte vorderingen op het gebied van ontwikkeling van het allergrootste belang zijn voor het versterken van de verantwoordingsplicht en van de effecten van samenwerking, met name op landenniveau; dringt er derhalve bij de Commissie op aan om, ten minste elke 24 maanden, verslagen in te dienen over de inspanningen en actieplannen van de EU en de lidstaten voor de volledige tenuitvoerlegging van de Busan-beginselen; verzoekt de EU om de partnerlanden te ondersteunen bij het verbeteren van hun administratieve en logistieke capaciteit, en met name hun statistische systemen;

18.  verwelkomt de initiatieven van de OESO die in potentie kunnen bijdragen tot het terugdringen van illegale geldstromen, en roept de internationale gemeenschap op tot intensivering van de samenwerking voor een grotere transparantie van fiscale regelingen en geldstromen in meer algemene zin; beklemtoont in dit verband de cruciale rol en verantwoordelijkheden van multinationale ondernemingen en financiële instellingen;

19.  verzoekt de Commissie en de EU-delegaties en de ontwikkelingsinstanties van de lidstaten om de nationale parlementen en, voor zover mogelijk, de plaatselijke en regionale autoriteiten, alsmede particuliere belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld, op de hoogte te houden van de programmering en de financiële toezeggingen met betrekking tot ontwikkelingshulp, door landenspecifieke verslagen te publiceren over de ontwikkelingssamenwerking, wat een overzicht zou moeten bieden van strategische documenten, donorcoördinatie, Jaarlijkse Actieplannen en lopende en geplande programma's, alsmede verzoeken tot indiening van subsidieprojecten en aanbestedingen of andere gebruikte financieringsinstrumenten;

20.  moedigt de parlementen van ontvangende landen aan nationale beleidsmaatregelen op het gebied van ontwikkelingshulp aan te nemen om ervoor te zorgen dat donoren en ontvangende landen, waaronder de plaatselijke autoriteiten, meer verantwoording afleggen, het financieel beheer van overheidsmiddelen en de absorptiecapaciteit te verbeteren, corruptie en alle vormen van versnippering van de hulp uit te bannen, de belastingstelsels doeltreffend te maken en de voorwaarden te verbeteren om in aanmerking te komen voor begrotingssteun en om, op de langere termijn, minder afhankelijk te worden van ontwikkelingshulp;

21.  acht het van belang te bevorderen dat alle landen zich aansluiten bij het belastinginitiatief van Addis Abeba om de technische bijstand gericht op versterking van de belastingcapaciteit van de partnerlanden tegen 2020 te verdubbelen;

22.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om zich samen met de nationale parlementen van de partnerlanden in te zetten voor constructieve ondersteuning van dergelijke beleidsmaatregelen, ze aan te vullen met regelingen voor wederzijdse verantwoordingsplicht; is verheugd over de inspanningen van de Commissie om de binnenlandse verantwoordingsplicht te verbeteren in de context van begrotingssteun door de institutionele capaciteit van nationale parlementen en hogere controlerende instanties te versterken;

23.  benadrukt de rol die burgers, plaatselijke gemeenschappen, verkozen vertegenwoordigers, confessionele organisaties, maatschappelijke organisaties (CSO's), vakbonden en de particuliere sector spelen in de ontwikkeling van een land, en benadrukt dat dat al deze actoren op verschillende niveaus moeten worden betrokken bij de bevordering en tenuitvoerlegging van de Agenda voor doeltreffendheid; is van mening dat wil hun bijdrage doeltreffend zijn, zij actief betrokken moeten worden bij de planning en tenuitvoerlegging, wederzijdse verantwoordingsplicht en transparantie, monitoring en evaluatie, en dat donoren voorspelbaarder en sneller moeten opereren wanneer zij met deze actoren werken als uitvoerende partners die basisdiensten verlenen om daadwerkelijk de meest kwetsbare groepen van de bevolking te kunnen bereiken;

24.  benadrukt dat ontwikkelingshulp alleen kan worden bestendigd wanneer de ontvangers zich krachtig inzetten en verantwoordelijkheid dragen; onderstreept het belang van gedeelde verantwoordelijkheid voor ontwikkelingsresultaten, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van de Istanbul-beginselen, en herinnert eraan dat de democratische eigen inbreng sterke instellingen veronderstelt, die de volledige deelname van de lokale overheden kunnen waarborgen aan de tenuitvoerlegging, opvolging en beoordeling van de ontwikkelingsprogramma's;

25.  onderstreept dat CSO's de mogelijkheid moet worden geboden om hun rol als onafhankelijke ontwikkelingsactoren uit te oefenen, met een specifieke focus op een stimulerende omgeving, die consistent is met internationaal overeengekomen rechten en die de bijdrage van CSO's aan ontwikkeling maximaliseert; spreekt zijn bezorgdheid uit over de afnemende ruimte voor CSO's in veel partnerlanden; verzoekt de Commissie de toegang tot financiering voor CSO's te verbeteren;

26.  is verheugd over de vooruitgang en het engagement van de EU op het gebied van Gezamenlijke Programmering; merkt op dat Gezamenlijke Programmering de versnippering van de hulp en transactiekosten zou moeten verminderen, de complementariteit zou moeten verhogen door een betere werkverdeling, de binnenlandse en onderlinge verantwoording en de voorspelbaarheid van ontwikkelingssamenwerking zou moeten verbeteren en derhalve duidelijke voordelen zou moeten bieden voor zowel de EU als de partnerlanden; merkt op dat Gezamenlijke Programmering wordt verkend in 59 van de 110 partnerlanden die EU-ontwikkelingshulp ontvangen; verzoekt de EU-lidstaten en partnerlanden om hun betrokkenheid bij Gezamenlijke Programmering te intensiveren teneinde de voordelen ervan maximaal en in zo veel mogelijk landen te benutten;

27.  herhaalt zijn verzoek(26) om de regelingen en praktijken om te zorgen voor betere complementariteit en effectieve coördinatie van ontwikkelingshulp tussen EU-lidstaten en instellingen te codificeren en te versterken, door duidelijke en afdwingbare regels in te voeren voor een democratische eigen inbreng, harmonisering, afstemming op landenstrategieën en -systemen, voorspelbaarheid van fondsen, transparantie en wederzijdse verantwoordingsplicht; verzoekt de Commissie informatie te verschaffen over het uitblijven van een reactie op dit verzoek en aan te geven welke alternatieve maatregelen zij in dit verband heeft getroffen of voornemens is te treffen;

28.  herinnert eraan dat de EU en haar lidstaten zich hebben verbonden aan het ontkoppelen van hun ontwikkelingshulp, en erkent de vooruitgang die op dit gebied is geboekt; vraagt om aanvullende inspanningen ter versnelling van de ontkoppeling van ontwikkelingshulp op mondiaal niveau door alle donoren, waaronder ook opkomende economieën; roept donoren op om als eerste optie gebruik te maken van de systemen voor de plaatsing van overheidsopdrachten van partnerlanden;

29.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan nieuwe initiatieven te ontplooien om de zuid-zuid-samenwerking en de trilaterale samenwerkingsprojecten op te zetten, in samenwerking met nieuwe opkomende donorlanden en andere landen met middeninkomens en door mondiale uitdagingen van gemeenschappelijk belang aan te pakken zonder het doel van het uitbannen van armoede uit het oog te verliezen; wijst op de noodzaak om het potentieel van gedecentraliseerde samenwerking ten volle te benutten in het kader van de Agenda voor doeltreffendheid van ontwikkeling, en daarbij alle garanties op het gebied van transparantie, doeltreffendheid en samenhang in acht te nemen en een verdere versnippering van de internationale ontwikkelingshulparchitectuur te vermijden;

30.  benadrukt dat ontwikkelingshulp een belangrijke rol kan spelen bij de bestrijding van armoede, het aanpakken van ongelijkheid, het bevorderen van ontwikkeling, met name van de minst ontwikkelde landen, en het verbeteren van de toegang tot kwalitatief hoogwaardige openbare diensten voor de meest benadeelde en kwetsbare groepen, alsmede een katalyserend effect kan hebben op andere kritieke systeemfactoren die gunstig zijn voor ontwikkeling, zoals bevordering van gendergelijkheid (als uitgewerkt in het Busan-partnerschap), onderwijs en versterking van gezondheidszorgstelsels, met inbegrip van de bestrijding van aan armoede gerelateerde ziekten, als de hulp wordt aangewend in een context van legitiem, inclusief bestuur dat gebaseerd is op de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten;

31.  benadrukt het belang van SDG 16 voor de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in het algemeen, en waarschuwt dat ontwikkelingshulp niet doeltreffend kan zijn als vrede, eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, een onpartijdig, doeltreffend en onafhankelijk rechtsstelsel, toereikende normen en waarborgen voor de integriteit van openbare instellingen en ambtsdragers, inclusieve, participatieve en representatieve besluitvorming op alle niveaus, alsmede transparantie en verantwoordingsplicht ontbreken;

32.  herinnert eraan dat corruptie in de ontvangende landen, al dan niet rechtstreeks verband houdend met ontwikkelingshulp, een ernstige inbreuk vormt op de democratische legitimiteit en de publieke steun voor ontwikkelingshulp in donorlanden; is derhalve verheugd over alle maatregelen die getroffen worden om goed financieel beheer te bevorderen en om de corruptie definitief uit te roeien, en merkt daarbij op dat de situatie in veel partnerlanden per definitie een zekere mate van risico met zich meebrengt;

33.  dringt er bij de lidstaten en andere donorlanden op aan hun inspanningen en menselijk potentieel op te schalen om een beter inzicht te krijgen in de doeltreffendheid en een grondige analyse te maken in een context van kwetsbaarheid, post-conflict en conflictpreventie, waarbij de gewenste resultaten niet altijd kunnen worden vastgesteld aan de hand van data en EU-kaders voor resultaten;

34.  is er sterk van overtuigd dat de particuliere sector een belangrijke partner is voor het verwezenlijken van de SDG's en het mobiliseren van aanvullende middelen voor ontwikkeling; onderstreept dat gezien de toenemende rol van de particuliere sector in ontwikkelingssamenwerking, particuliere actoren hun acties moeten afstemmen op de beginselen van doeltreffende ontwikkelingshulp en gedurende de hele levenscyclus van projecten de beginselen van maatschappelijke verantwoord ondernemen in acht moeten nemen; onderkent de inspanningen van bepaalde particuliere actoren om mensenrechten, sociale inclusie en duurzaamheid in te passen in de kern van hun bedrijfsmodellen, en roept op tot een veralgemening van deze aanpak; wijst erop dat de particuliere sector zich dient te houden aan de beginselen van het internationaal recht en sociale en milieunormen, alsook aan het mondiaal pact van de VN inzake mensenrechten, de leidende beginselen van de VN inzake ondernemingen en mensenrechten, de kernarbeidsnormen van de IAO en het VN-Verdrag tegen corruptie; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat bedrijven die opereren vanuit belastingparadijzen niet deelnemen aan met ODA gefinancierde activiteiten; onderstreept tegelijkertijd de noodzaak dat partnerlanden een stimulerend ondernemingsklimaat bevorderen, waaronder transparante rechts- en regelgevingsstelsels;

35.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de EDEO, het parlement en de regering van Kenia als gastheer van de tweede vergadering op hoog niveau van het GPEDC, de covoorzitters van het GPEDC, het VN-ontwikkelingsprogramma, de OESO en de Interparlementaire Unie.

(1) http://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/70/1&Lang=E
(2) http://www.un.org/esa/ffd/wp-content/uploads/2015/08/AAAA_Outcome.pdf
(3) https://documents-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/N16/132/05/PDF/N1613205.pdf?OpenElement
(4) http://www.oecd.org/dac/effectiveness/34428351.pdf
(5) http://www.oecd.org/dac/effectiveness/49650173.pdf
(6) http://effectivecooperation.org/2014/03/draft-communique-for-the-first-high-level-meeting-of-the-global-partnership/
(7) http://effectivecooperation.org/events/2016-high-level-meeting/
(8) http://effectivecooperation.org/wp-content/uploads/2016/05/4314021e.pdf
(9) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(10) Conclusies van de Raad 9558/07 van 15.5.2007.
(11) Document 18239/10 van de Raad.
(12) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9145-2015-INIT/en/pdf
(13) http://www.consilium.europa.eu/en/workarea/downloadasset.aspx?id=15603
(14) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9241-2015-INIT/en/pdf
(15) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-8831-2016-INIT/en/pdf
(16) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-8822-2016-INIT/en/pdf
(17) Document van de Raad 10715/16
(18) PB C 279E van 19.11.2009, blz. 100.
(19) PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 38.
(20) PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 80.
(21) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0558.
(22) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 2.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0137.
(24) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0224.
(25) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0246.
(26) Aangenomen teksten van 11 december 2013, P7_TA(2013)0558.

Juridische mededeling - Privacybeleid