Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 10 mei 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn
 Bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de EU ***I
 Beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie ***I
 Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de EU en Liberia ***
 Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de EU en Mauritanië: vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie ***
 Samenwerkingsovereenkomst met Korea betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (GNSS) ***
 Nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling in het cohesiebeleid 2014-2020
 Statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen ***I
 Het cohesiebeleid in de berggebieden van de EU

Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn
PDF 249kWORD 63k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 8 april 2016 houdende rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (C(2016)2002 – 2016/2656(DEA))
P8_TA(2016)0205B8-0515/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2016)2002),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 11 maart 2016, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie interne markt en consumentenbescherming aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters, van 21 april 2016,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot invoering van het douanewetboek van de Unie(1), en met name de artikelen 278 en 279 en artikel 284, lid 5,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie interne markt en consumentenbescherming,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepjes, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 28 april 2016 verstreek,

A.  overwegende dat na de goedkeuring van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341(2) werd vastgesteld dat sommige formulieren uit het deel betreffende vereenvoudiging onbedoeld uit bijlage 12 waren weggelaten, hetgeen grote negatieve gevolgen zal hebben voor douaneautoriteiten en handelaren als zij niet vóór 1 mei 2016 worden toegevoegd, wanneer de desbetreffende bepalingen van de douanewetboek en de uitvoeringsbepalingen daarbij van toepassing worden;

B.  overwegende dat in diezelfde bijlage 12, in het deel over vereenvoudiging, tevens bepaalde fouten werden ontdekt in de terminologie die in de formulieren wordt gebruikt, en dat deze fouten, als zij niet worden gecorrigeerd, de juridische duidelijkheid en toepasselijkheid van het douanewetboek en de uitvoeringsbepalingen daarbij zullen aantasten;

C.  overwegende dat Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 daarom in die zin gecorrigeerd moet worden dat in bijlage 12, in het deel over vereenvoudiging, de ontbrekende formulieren worden toegevoegd en dat in hetzelfde deel van de bijlage de bestaande formulieren worden vervangen;

D.  overwegende dat de gedelegeerde verordening per 1 mei 2016 moet worden toegepast, wil gewaarborgd zijn dat de douane-unie soepel functioneert en willen de handelsstromen niet worden belemmerd;

E.  overwegende dat de gedelegeerde verordening aan het einde van de voor de toetsing door het Parlement en de Raad vastgestelde termijn alleen in werking kan treden als Parlement noch Raad daartegen bezwaar heeft aangetekend, of als zowel Parlement als Raad voor het verstrijken van deze periode de Commissie hebben meegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken; overwegende dat de toetsingstermijn overeenkomstig artikel 284, lid 5, van Verordening (EU) nr. 952/2013 is vastgesteld op twee maanden gerekend vanaf de datum van kennisgeving, d.w.z. tot 9 juni 2016 loopt en met nog eens twee maanden kan worden verlengd;

F.  overwegende evenwel dat de Commissie op 11 maart 2016 het Parlement spoedshalve om een vervroegde bekrachtiging heeft gevraagd van de gedelegeerde verordening, en wel vóór 1 mei 2016;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (PB L 69 van 15.3.2016, blz. 1).


Bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de EU ***I
PDF 248kWORD 82k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (gecodificeerde tekst) (COM(2014)0660 – C8-0229/2014 – 2014/0305(COD))
P8_TA(2016)0206A8-0257/2015

(Gewone wetgevingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0660),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0229/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 december 2014(1),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(2),

–  gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0257/2015),

A.  overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie louter een codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 10 mei 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (codificatie)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1037.)

(1) PB C 230 van 14.7.2015, blz. 129.
(2) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie ***I
PDF 246kWORD 80k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (gecodificeerde tekst) (COM(2014)0667 – C8-0232/2014 – 2014/0309(COD))
P8_TA(2016)0207A8-0256/2015

(Gewone wetgevingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0667),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0232/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–  gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0256/2015),

A.  overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie louter een codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 10 mei 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (codificatie)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1036.)

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de EU en Liberia ***
PDF 241kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Liberia en van het protocol voor de tenuitvoerlegging daarvan (13015/2015 – C8-0402/2015 – 2015/0224(NLE))
P8_TA(2016)0208A8-0142/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (13015/2015),

–  gezien de ontwerppartnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Liberia (13014/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0402/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A8-0142/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst en het bijbehorende protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Liberia.


Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de EU en Mauritanië: vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie ***
PDF 244kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Mauritanië voor een periode van vier jaar (12773/2015 – C8-0354/2015 – 2015/0229(NLE))
P8_TA(2016)0209A8-0147/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12773/2015),

–  gezien het ontwerpprotocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Mauritanië voor een periode van vier jaar (12776/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0354/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A8-0147/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Islamitische Republiek Mauritanië.


Samenwerkingsovereenkomst met Korea betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (GNSS) ***
PDF 243kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System) (GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (05977/2016 – C8-0116/2016 – 2015/0265(NLE))
P8_TA(2016)0210A8-0065/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05977/2016),

–  gezien het ontwerp van Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System - GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (11516/2006),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 172 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0116/2016),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, artikel 108, lid 7, en artikel 50, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0065/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Korea.


Nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling in het cohesiebeleid 2014-2020
PDF 210kWORD 100k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling in het cohesiebeleid 2014-2020: geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) (2015/2224(INI))
P8_TA(2016)0211A8-0032/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name titel XVIII,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1) (hierna "de GB-verordening"),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005(3) van de Raad,

–  gezien Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(5),

–  gezien de Territoriale agenda van de EU 2020 waarover overeenstemming werd bereikt op de informele bijeenkomst van de voor ruimtelijke ordening en territoriale ontwikkeling bevoegde ministers in Gödöllő op 19 mei 2011,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 29 november 2012 getiteld "Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling"(6),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 9 juli 2015 over het resultaat van de onderhandelingen over de partnerschapsovereenkomsten en de operationele programma's(7),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 december 2014 getiteld "Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) als instrument van het cohesiebeleid 2014-2020 voor de ontwikkeling van plaatselijke gemeenschappen, plattelandsgebieden, stedelijke en voorstedelijke regio's" (verkennend advies op verzoek van het Griekse voorzitterschap)(8),

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2011 over demografische verandering en de gevolgen daarvan voor het toekomstig cohesiebeleid van de EU(9),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2013 over de optimalisering van de rol van ruimtelijke ordening in het kader van het cohesiebeleid(10),

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over de gereedheid van de EU-lidstaten voor een doeltreffende en tijdige aanvang van de nieuwe programmeringsperiode van het cohesiebeleid(11),

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 "Naar vereenvoudiging en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020"(12),

–  gezien de briefing getiteld "Instrumenten voor de ondersteuning van de territoriale en de stedelijke dimensie in het cohesiebeleid: geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD)", Directoraat-generaal intern beleid, Directoraat B: Structuur- en Cohesiebeleid, Europees Parlement, oktober 2015,

–  gezien de in juli 2015 door het Parlement gepubliceerde studie getiteld "Territoriaal bestuur en cohesiebeleid" (Directoraat-generaal intern beleid, Directoraat B: Structuur- en Cohesiebeleid, Europees Parlement, juli 2015,

–  gezien de in februari 2015 door het Parlement gepubliceerde studie getiteld "Strategische samenhang van het cohesiebeleid: vergelijking van de programmeringsperioden 2007-2013 en 2014-2020" (Directoraat-generaal intern beleid, Directoraat B: Structuur- en Cohesiebeleid),

–  gezien het zesde verslag van de Commissie inzake "Economische, sociale en territoriale cohesie: Investeren in groei en werkgelegenheid – Bevorderen van ontwikkeling en goed bestuur in regio's en steden van de EU", juli 2014,

–  gezien de in mei 2015 door de Europese Commissie gepubliceerde studie getiteld "Territorial Agenda 2020 put in practice – Enhancing the efficiency and effectiveness of Cohesion Policy by a place-based approach", deel II – casestudy's,

–  gezien het in september 2011 op verzoek van het Poolse voorzitterschap opgestelde rapport getiteld "How to strengthen the territorial dimension of "Europe 2020" and the EU Cohesion Policy based on the Territorial Agenda 2020",

–  gezien het rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van november 2014 getiteld "Job Creation and Local Economic Development",

–  gezien het rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van 2015 getiteld "Local Economic Leadership",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0032/2016),

A.  overwegende dat territoriale cohesie een basisdoelstelling van de Europese Unie is, die in het verdrag van Lissabon vervat is;

B.  overwegende dat in het cohesiebeleid voor de periode 2014-2020 gekozen is voor geïntegreerde en plaatsgerichte benaderingen, en het gebruik ervan wordt aangemoedigd om economische, sociale en territoriale cohesie te bevorderen en tezelfdertijd territoriaal bestuur te stimuleren;

C.  overwegende dat geïntegreerde en plaatsgerichte benaderingen de efficiëntie en effectiviteit van het overheidsoptreden helpen verbeteren omdat ermee wordt ingespeeld op de specifieke behoeften van een gebied en de aantrekkelijkheid ervan kan worden vergroot;

D.  overwegende dat CLLD en ITI innovatieve instrumenten in het cohesiebeleid zijn – voor sommige landen zal het de eerste keer zijn dat ze dergelijke instrumenten in deze vorm zullen invoeren – die aanzienlijk kunnen bijdragen tot het bereiken van economische, sociale en territoriale cohesie, hoogwaardige plaatselijke werkgelegenheid, duurzame ontwikkeling en het behalen van de Europa 2020-doelstellingen;

E.  overwegende dat de nieuwe ITI's en de CLLD-initiatieven een stap voorwaarts zijn ten aanzien van het vermogen van lokale belanghebbenden om financieringsstromen te combineren en goed gerichte lokale initiatieven te plannen;

F.  overwegende dat de versterking van de regionale en lokale structuren van fundamenteel belang is voor de volledige uitvoering van het sociaaleconomische en territoriale cohesiebeleid; overwegende dat innovatieve benaderingen, waarbij prioriteit wordt verleend aan lokale kennis om lokale problemen aan te pakken met lokale oplossingen, steeds belangrijker zijn geworden; overwegende dat in het kader van participatieve governance, bijvoorbeeld participatieve begrotingsplanning, de nodige instrumenten voor inspraak van het publiek beschikbaar zijn om bevoegdheid voor besluitvorming toe te kennen op het niveau van de lokale gemeenschappen;

G.  overwegende dat CLLD is gebaseerd op de ervaringen die tijdens voorgaande financieringsperioden zijn opgedaan met de uitvoering van Leader, Urban en Equal en voornamelijk voortbouwt op de Leader-benadering, die sinds de invoering in 1991 tot een exponentiële groei van lokale actiegroepen (LAG's) heeft geleid en in hoge mate heeft bijgedragen tot de verbetering van de levenskwaliteit van de bevolking, in het bijzonder op het platteland;

H.  overwegende dat CLLD alleen voor het Elfpo verplicht is en optioneel is voor het EFRO, het ESF en het EFMZV;

I.  overwegende dat deze twee nieuwe instrumenten een belangrijke rol kunnen spelen bij de aanpassing aan de demografische veranderingen en de beëindiging van de ongelijkmatige ontwikkeling in de regio's;

J.  overwegende dat CLLD een bottom-upbenadering hanteert om doelstellingen vast te stellen en projecten te financieren die verband houden met de lokale behoeften van de gemeenschap, in plaats van op nationaal niveau doelstellingen op te leggen;

K.  overwegende dat ITI's instrumenten zijn die gebruikt kunnen worden om geïntegreerde maatregelen voor duurzame stedelijke ontwikkeling in te voeren, zoals bepaald in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1301/2013;

L.  overwegende dat er tussen de lidstaten grote niveauverschillen bestaan op het vlak van bestuursstructuur en ervaring met bottom-upontwikkelingsinitiatieven;

M.  overwegende dat de capaciteit en de betrokkenheid van regionale en lokale actoren essentieel zijn voor het succes van deze instrumenten en dat de voor de verschillende niveaus vastgestelde bevoegdheden in acht moeten worden genomen;

N.  overwegende dat de regionale en lokale autoriteiten inspraak moeten hebben in beslissingen over hun eigen ontwikkeling, en synergieën tussen de publieke en private sector moeten promoten als fundamentele richtsnoeren op basis waarvan de projecten op efficiënte wijze kunnen worden beheerd en de duurzaamheid van de aangegane verbintenissen kan worden gegarandeerd;

O.  overwegende dat het cruciaal is voor lokale en regionale overheden om bij beslissingen over hun eigen ontwikkeling hun troeven en strategische voordelen juist in te schatten in overeenstemming met de bijdrage van de gemeenschap, en hierop voort te bouwen bij de uitwerking van hun strategie voor lokale ontwikkeling, wat de levenskwaliteit ten goede zou komen door problemen op te helderen, prioriteiten te stellen en samen met de burgers duurzame oplossingen uit te stippelen;

P.  overwegende dat overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1301/2013 elke lidstaat, "rekening houdend met zijn specifieke territoriale situatie, de beginselen [opstelt] voor de selectie van stedelijke gebieden waar geïntegreerde maatregelen voor duurzame stedelijke ontwikkeling moeten worden uitgevoerd en een indicatieve toewijzing voor deze maatregelen op nationaal niveau";

Q.  overwegende dat het Rurban-initiatief voor samenwerking tussen landelijke en stedelijke gebieden bijdraagt tot versterking van het regionale concurrentievermogen en de oprichting van ontwikkelingspartnerschappen;

R.  overwegende dat op het niveau van de Europese Unie prestatiegebaseerde begrotingen worden gevraagd, en overwegende dat aan ITI en CLLD toegewezen middelen efficiënt moeten worden gebruikt via de verwezenlijking van de politieke doelstellingen en de vastgestelde prioriteiten, zodat de hoogst mogelijke toegevoegde waarde voor de beoogde doelstelling wordt bereikt, en overwegende dat de behaalde resultaten tegen de laagst mogelijke kosten moeten worden geleverd;

Algemene overwegingen

1.  merkt op dat echte betrokkenheid van regionale en lokale actoren vanaf de beginfase, hun inzet en inbreng bij de strategieën voor lokale ontwikkeling en een juiste overdracht van de verantwoordelijkheden en de middelen aan lagere besluitvormingsniveaus cruciaal zijn voor het slagen van de bottom-upbenadering; is van mening dat de betrokkenheid van partners de geïntegreerde en plaatsgerichte benadering kan versterken, met name wanneer CLLD en ITI weinig worden benut; benadrukt echter dat de plaatselijke actoren technische en financiële ondersteuning van het regionale, het nationale en het EU-niveau nodig hebben, met name in de beginfase van het implementatieproces;

2.  dringt aan op de ontwikkeling van strategieën in de beginfase van het implementatieproces in samenwerking met regionale en plaatselijke actoren, die met name betrekking hebben op specifieke en gespecialiseerde opleidingen en technische en financiële ondersteuning binnen een doeltreffend partnerschap tussen de regio's, de lidstaten en de EU;

3.  is van mening dat de subdelegatie van bevoegdheden en middelen binnen de ESI-fondsen verder moet worden bevorderd en dat de terughoudendheid van administratieve instanties om dit te doen het potentieel van de twee instrumenten kan beperken; dringt er bij de lidstaten op aan de bottom-upbenadering te verdedigen en bevoegdheden aan plaatselijke groeperingen toe te vertrouwen; verzoekt de Commissie om binnen de grenzen van haar bevoegdheden aanbevelingen en alomvattende richtsnoeren te verstrekken aan de lidstaten over het ondervangen van het gebrek aan vertrouwen en het wegwerken van de administratieve obstakels tussen de verschillende bestuursniveaus die te maken hebben met de implementatie van CLLD en ITI;

4.  benadrukt dat het ontwikkelen van kwalitatief hoogstaande geïntegreerde multisectorale innovatieve strategieën op lokaal niveau een uitdaging vormt, met name wanneer dat volgens een participatieve benadering moet plaatsvinden;

5.  vestigt de aandacht op het feit dat de in het kader van deze programma's getroffen maatregelen rekening moeten houden met de prioriteiten van de lokale actoren en daarnaast ook in overeenstemming moeten zijn met de overkoepelende doelstellingen van de operationele programma's en met andere Europese, nationale, regionale en plaatselijke ontwikkelingsstrategieën en strategieën voor slimme specialisatie, en dat daarbij moet worden voorzien in flexibiliteitmarges;

6.  herinnert eraan dat niet alleen EU-programma's, maar ook het reguliere nationale en regionale beleid flexibeler moeten zijn en beter moeten worden geïntegreerd; benadrukt dat het zorgen voor een meer algemene trend van bestuurshervorming zal waarborgen dat EU-middelen niet worden verstrekt in een kader dat "parallel" loopt aan het nationale en regionale beleid, maar in plaats daarvan worden geïntegreerd in een breder streven naar duurzame economische resultaten;

7.  is van mening dat de jeugdwerkloosheid het grootste probleem is in de lidstaten, naast het gebrek aan financiering voor kmo's; benadrukt dat in plaatselijke en territoriale ontwikkelingsstrategieën deze twee kwesties tot de grootste prioriteiten moeten behoren; roept lokale en regionale overheden op om te voorzien in belastingverlichting en andere prikkels ter bevordering van de werkgelegenheid en intraregionale mobiliteit bij jongeren, en om in samenwerking met opleidingsinstellingen prioriteit geven aan beroepsopleidingen;

8.  beveelt aan dat de lokale en regionale autoriteiten bijzondere aandacht besteden aan projecten voor de aanpassing van gebieden en regio's aan de nieuwe demografische situatie en de bestrijding van de daaruit voortvloeiende ongelijkheden door: 1. de sociale en mobiliteitsinfrastructuur aan de demografische veranderingen en migratiestromen aan te passen; 2. goederen en diensten aan te bieden die specifiek op de ouder wordende bevolking zijn gericht; 3. arbeidskansen voor ouderen, vrouwen en migranten te ondersteunen en zo de sociale inclusie te bevorderen; 4. digitale verbindingen te verbeteren en platforms tot stand te brengen die de deelname van burgers in de meest afgelegen gebieden aan en hun interactie met uiteenlopende administratieve, sociale en politieke diensten mogelijk maken en bevorderen en dit op alle beleidsniveaus (lokaal, regionaal, nationaal, Europees);

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om te voorzien in bijkomende steun, opleiding en begeleiding voor de kleinere en minder ontwikkelde gebieden, die beperktere middelen en capaciteiten ter beschikking hebben en die het mogelijk moeilijk hebben met de administratieve last en complexiteit van deze instrumenten op het moment van de planning en implementatie; herinnert eraan dat territoriale cohesie van onder af aan begint en dat ook kleine administratieve entiteiten erbij moeten worden betrokken, zonder dat sprake is van uitsluiting en discriminatie bij de toegang tot ITI en CLLD; roept de Commissie op om de resultaten van de toepassing van goede praktijken in alle lidstaten te communiceren, en suggereert deze te delen via een onlinenetwerk dat de entiteiten gelijke kansen op toegang tot de beleidsmaatregelen biedt; moedigt de nationale en regionale instanties aan om oplossingen voor te stellen met het oog op de groepering van kleine administratieve entiteiten, met inachtneming van de territoriale dimensie en specifieke ontwikkelingsbehoeften;

10.  moedigt de lidstaten aan om een strategie te ontwikkelen die leidt tot een verhoogd gebruik van CLLD en ITI door financiering uit verschillende fondsen in te zetten, opdat meer doeltreffende strategieën voor regionale en lokale ontwikkeling gecreëerd worden, vooral in de in artikel 174 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie bedoelde gebieden; verzoekt de lidstaten waar mogelijk gebruik te maken van de flexibiliteit waarin is voorzien in artikel 33, lid 6, van de GB-verordening om beter in te spelen op de specifieke kenmerken van deze gebieden; moedigt specifieke maatregelen aan om steun en hulp bij capaciteitsopbouw te verlenen aan de administratieve organen in deze gebieden, gelet op hun isolement en hun soms nadelige concurrentiepositie;

11.  benadrukt dat de integratie van meervoudige fondsen een uitdaging blijft voor de betrokken partijen, vooral in de context van CLLD en ITI; is van mening dat meer inzet nodig is voor een vereenvoudiging van deze instrumenten om zo voorwaarden voor hun implementatie te creëren; is daarom verheugd over de oprichting van de deskundigengroep op hoog niveau voor toezicht op vereenvoudiging voor begunstigden van de Europese structuur- en investeringsfondsen, en de inspanningen van de Commissie op het vlak van betere regelgeving; benadrukt dat het noodzakelijk is een Europees kader te vinden bij het opstellen van aanbevelingen;

12.  benadrukt in het bijzonder dat het nodig is "gold-plating" tegen te gaan, waarbij bijkomende en vaak onnodige vereisten en belemmeringen worden gecreëerd op nationaal, regionaal en lokaal niveau; merkt op dat de vele lagen voor controle vaak de financiële en administratieve last voor de begunstigden verhogen; dringt erop aan dat administratieve taken elkaar niet mogen overlappen en wijst op het belang van het vastleggen van voorwaarden voor investeringen en publiek-private partnerschappen; beveelt aan dat de controle-activiteiten gestroomlijnd worden en dat het toezicht gericht is op de procedure en prestatiebeoordeling, evenwel met behoud van efficiëntie;

13.  roept de Commissie en de lidstaten op gerichte opleidingsactiviteiten over CLLD en ITI voor regionale en lokale actoren te ontwikkelen en in te voeren en verzoekt de Commissie aandacht te schenken aan opleidingsprogramma's die zich toespitsen op lokale begunstigden; acht het van cruciaal belang dat vertegenwoordigers van alle relevante maatschappelijke sectoren bij deze activiteiten worden betrokken; benadrukt het belang van een efficiënt en doeltreffend gebruik van technische bijstand bij het ondersteunen van deze instrumenten, zonder dubbele structuren;

14.  is verheugd over de nadruk die de Commissie legt op resultaten en uitkomsten, hetgeen de lokale beleidsmakers ook moet helpen om over te stappen van een overmatige aandacht voor de absorptie van fondsen en de catalogisering van uitvoeringsprocessen naar het vaststellen van echte, zinvolle doelstellingen die tastbare veranderingen zullen opleveren voor hun lokale ondernemingen en inwoners;

15.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan daadwerkelijke onderlinge communicatie tussen de verschillende betrokken partijen; moedigt initiatieven ter verbetering van informatie-uitwisseling aan; verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten de coördinatie en verspreiding van informatie over CLLD en ITI te verbeteren; dringt erop aan dat CLLD en ITI de burgerparticipatie in lokaal en regionaal bestuur vergroten door de burgers rechtstreeks te betrekken bij het besluitvormingsproces teneinde de verantwoordingsplicht bij besluitvorming uit te breiden, en verzoekt lokale en regionale overheden om geschikte maatregelen vast te stellen om burgers te betrekken bij openbare raadplegingen door een verder gevorderde cultuur van overleg en samenwerking te stimuleren;

16.  moedigt de Commissie, de lidstaten en de regio's aan om, waar mogelijk, ervoor te zorgen dat toereikende mechanismen voorhanden zijn om problemen tussen de beheersautoriteiten en de individuele partnerschappen te vermijden, en te garanderen dat mogelijke begunstigden voldoende geïnformeerd worden over en beschermd worden door deze mechanismen; wijst op de vertragingen die worden veroorzaakt door het beslechten van geschillen naar aanleiding van betwistingen en dringt aan op het vaststellen van een aantal specifieke regels om de procedure voor betwisting te bepalen en overheidsopdrachten snel af te handelen;

17.  verzoekt de Commissie, en in het bijzonder het directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling, om een kader voor samenwerking met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in te stellen, zodat een beroep kan gedaan worden op haar ruime ervaring met de uitvoering van het LEED-programma ("Local Economic and Employment Development"), en om synergieën tussen de instrumenten te vinden, met name betreffende het versterken van de implementatiecapaciteit van lokale actoren;

18.  onderstreept dat zowel de lidstaten als de Commissie meer inspanningen moeten leveren om het gebruik van de nieuwe instrumenten in het kader van de Europese territoriale samenwerking (ETC) uit te breiden; benadrukt dat aangrenzende gebieden die door een grens worden gescheiden vaak met dezelfde uitdagingen worden geconfronteerd, die beter gezamenlijk op lokaal niveau kunnen worden aangepakt;

19.  is bezorgd over de hoge werkloosheidscijfers in veel lidstaten en EU-regio's; moedigt de lidstaten aan om deze instrumenten te gebruiken voor projecten die gericht zijn op het creëren van hoogwaardige werkgelegenheid en kansen voor kmo's, het stimuleren van investeringen, duurzame en inclusieve groei en sociale investeringen, het bestrijden van armoede en het bevorderen van sociale inclusie, met name in die gebieden en deelgebieden waar dit het hardst nodig is; wijst in dit verband op het belang van geïntegreerde financiering, en met name de combinatie van financiering uit het ESF en uit het EFRO; wijst erop dat het opnieuw investeren van een gedeelte van de lokale belastingen in prestatiegerichte activiteiten potentieel biedt; verzoekt de Commissie een speciale investeringsstrategie te ontwikkelen, in overeenstemming met het pakket sociale-investeringsmaatregelen, omdat de regio's en subregio's met de hoogste werkloosheidsgraad hier voordeel uit kunnen halen;

20.  wijst op de mogelijkheden die een bottom-upbenadering als CLLD biedt voor het ondersteunen van lokale ontwikkelingsstrategieën, het scheppen van werkgelegenheid en het stimuleren van duurzame plattelandsontwikkeling; is van mening dat met ITI en CLLD op een doelgerichtere en geschiktere wijze rechtstreeks gereageerd kan worden op plaatselijke behoeften en uitdagingen, wijst met klem op de noodzaak om stedelijke gebieden meer te betrekken in dit mechanisme en verzoekt de Commissie deze strategie actief na te streven; merkt op dat ITI's een doeltreffend mechanisme zijn om de tenuitvoerlegging van de geïntegreerde plannen voor stadsvernieuwing en –ontwikkeling te verwezenlijken; dringt er bij de Commissie op aan de regelgeving met betrekking tot CLLD- en ITI-financiering vanuit de ESIF in haar geheel ten uitvoer te leggen om meer synergieën tot stand te brengen;

21.  verzoekt de Commissie om bij de herziening van de Europa 2020-strategie en het MFK meer rekening te houden met de regionale en lokale context en de specifieke situatie van de betrokken gebieden, zodat tastbare vooruitgang geboekt kan worden voor het behalen van de Europa 2020-doelstellingen;

Vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling (CLLD, "Community-led local development")

22.  neemt met instemming kennis van de inwerkingtreding van het nieuwe CLLD-instrument, dat verder gaat dan het Leader-initiatief in de empowerment van lokale gemeenschappen en het verstrekken van specifieke plaatselijke oplossingen, niet enkel via het Elfpo, maar ook via de andere ESI-fondsen;

23.  wijst erop dat CLLD ook mogelijkheden voor stedelijke en voorstedelijke gebieden omvat en een integraal onderdeel is van bredere stadsontwikkelingsstrategieën, onder meer via grensoverschrijdende samenwerking; herinnert eraan dat, teneinde zo doeltreffend mogelijke territoriale ontwikkelingsstrategieën vast te stellen, de ontwikkeling van de stedelijke gebieden duurzaam en samenhangend moet zijn met die welke betrekking heeft op de omliggende perifere en plattelandsgebieden;

24.  betreurt dat in een aantal lidstaten CLLD ingevoerd zal worden op basis van financiering uit één fonds, waardoor er wellicht kansen gemist worden voor het creëren van meer doeltreffende strategieën voor lokale ontwikkeling; herinnert aan het belang van een geïntegreerde benadering en de noodzaak om hierbij zo veel mogelijk belanghebbenden van het lokale maatschappelijk middenveld te betrekken;

25.  is verheugd over de oprichting van de Horizontal Working Group on Partnership, die tot stand is gekomen dankzij DG REGIO;

26.  dringt aan op nauwgezette naleving van de Code of Conduct on Partnership, vooral wat betreft de toepassing van het partnerschapsbeginsel bij de implementatie van de instrumenten ITI en CLLD;

27.  moedigt inspanningen aan gericht op de capaciteitsopbouw, de bewustwording en de actieve deelname van de sociale en economische partners en van de actoren van het maatschappelijk middenveld, zodat zo veel mogelijk partners nog voor de deadline (31 december 2017) CLLD-strategieën kunnen voorstellen;

28.  is bezorgd dat CLLD in een aantal lidstaten soms neerkomt op een "afvinkoefening" in plaats van een echte bottom-upbenadering; staat er in dit verband op dat lokale actoren echte beslissingsbevoegdheden krijgen;

29.  verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten het delen van beste praktijken voor LAG's, op basis van een voorlichtingsstrategie op Europees niveau met betrekking tot hun geslaagde projecten, te stimuleren, met gebruik van bestaande instrumenten en platformen zoals TAIEX REGIO PEER 2 PEER, URBACT en het netwerk voor stedelijke ontwikkeling;

30.  roept de Commissie en de lidstaten op om de CLLD-initiatieven ten volle te ondersteunen en meer flexibiliteit in de operationele programma's en in de context van de regionale, nationale en EU-beleidskaders te verlenen, zodat er meer rekening gehouden kan worden met de prioriteiten van de CLLD-strategieën; erkent het succes van LAG's op het gebied van projectbeheer en roept op om uitvoerigere financiering toe te kennen en een uitbreiding van het toepassingsgebied te overwegen; betreurt het feit dat CLLD in sommige lidstaten door de nationale overheid wordt beperkt tot slechts één specifieke beleidsdoelstelling; dringt er bij de Commissie op aan om de lidstaten te voorzien van richtsnoeren voor het financieren van CLLD vanuit meerdere fondsen en voor het aanmoedigen van het gebruik van financieringsinstrumenten;

31.  herinnert eraan dat de ESF-verordening voorziet in de mogelijkheid van een specifieke investeringsprioriteit voor "door de plaatselijke gemeenschappen geleide lokale ontwikkelingsstrategieën" onder thematische doelstelling 9, en spoort de lidstaten aan dit op te nemen in hun operationele programma's; wijst erop dat het fonds essentiële ondersteuning kan bieden aan territoriale werkgelegenheidspacten, strategieën voor stedelijke ontwikkeling en institutionele capaciteitsopbouw op lokaal en regionaal niveau, en verzoekt de Commissie aanvullende steun te verlenen aan de lidstaten bij de uitvoering van deze specifieke investeringsprioriteiten en informatie over de omvang van een dergelijke uitvoering op te nemen in haar jaarlijkse activiteitenverslagen; verzoekt de Commissie de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) aan te grijpen om de moeilijkheden die al gesignaleerd zijn bij de toepassing van de instrumenten aan te pakken en op zoek te gaan naar duurzame oplossingen;

32.  is van mening dat instrumenten zoals participatieve begrotingsplanning moeten worden opgenomen in de CLLD-strategie, omdat door deze democratische oefening aanzienlijk wordt bijgedragen tot grotere betrokkenheid van de sociale en economische partners om de sociale samenhang op lokaal niveau te versterken en de efficiëntie van de overheidsuitgaven te verhogen;

33.  benadrukt het fundamentele belang van een niet-discriminerende en transparante aanpak en van het tot een minimum beperken van mogelijke belangenconflicten in de interactie tussen publieke en particuliere actoren, teneinde een evenwicht te creëren tussen doeltreffendheid, vereenvoudiging en transparantie; neemt daarnaast met instemming kennis van de deelname van een breed scala aan partners bij LAG's; spreekt zijn steun uit voor de bepaling in het huidige wettelijk kader dat noch de overheden noch één enkele belangengroep meer dan 49 % van de stemrechten voor LAG's mogen hebben, omdat hierdoor de overstap van een administratieve benadering naar een resultaat- en innovatieve benadering mogelijk wordt; vraagt de Commissie om nauwlettend toezicht uit te oefenen op de implementatie van deze bepaling en een beoordeling ervan uit te voeren, met inbegrip van de omstandigheden waarin uitzonderingen mogelijk zijn, en te voorzien in gerichte ondersteuning voor capaciteitsopbouw en technische bijstand;

Geïntegreerde territoriale investering ("Integrated Territorial Investment", ITI)

34.  merkt op dat verschillende governancebenaderingen bij de implementatie van ITI's mogelijk zijn; meent desondanks dat het cruciaal is dat lokale partners als centrale actoren gezien worden bij de voorbereiding van de strategie voor territoriale ontwikkeling van een bepaalde ITI en ten volle betrokken zijn in de beheers-, toezicht- en controlebevoegdheden, wat bijdraagt tot een authentieke plaatselijke identificatie met de tussenkomsten in het kader van de ITI;

35.  benadrukt dat ITI's niet mogen worden beperkt tot stedelijke gebieden, maar in elk geografisch gebied mogelijk moeten zijn, bijvoorbeeld stadswijken, grootstedelijke gebieden, stedelijk-landelijke, subregionale of grensoverschrijdende gebieden; benadrukt dat middels ITI's het beste rekening kan worden gehouden met specifieke territoriale behoeften door de territoriale reikwijdte op flexibeler wijze te bepalen en dus een echte plaatsgerichte benadering te volgen; is van mening dat ITI's ook een passende structuur bieden om een oplossing te vinden voor gebieden waarin diensten moeilijk toegankelijk zijn en gemeenschappen geïsoleerd of benadeeld zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de menselijke en technische middelen optimaal te benutten en meer gebruik te maken van ITI's op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking;

36.  benadrukt dat het belangrijk is om de regionale en lokale overheden en de belanghebbenden, waaronder het maatschappelijk middenveld, in een vroege fase bij de strategie voor territoriale ontwikkeling te betrekken, om meer bevoegdheden aan hen over te dragen, en om hun vanuit de basis een leidende rol te geven, teneinde verdere identificatie met, deelname aan en welslagen van de op lokaal niveau te implementeren strategie voor territoriale ontwikkeling te bereiken; benadrukt dat de capaciteit voor benutting van het eigen ontwikkelingspotentieel in overeenstemming met de lokale eigenschappen versterkt moet worden;

37.  moedigt de lidstaten aan om te kiezen voor een benadering van ITI vanuit meerdere fondsen om synergieën tussen fondsen in eenzelfde gebied te creëren en de uitdagingen met een totaalaanpak aan te gaan; benadrukt dat gerichte capaciteitsopbouw nodig is om de middelen van verschillende bronnen gemakkelijker te kunnen bundelen;

38.  benadrukt dat de late beslissing op nationaal niveau om het ITI-instrument te gebruiken is aangemerkt als een groot probleem voor de vaststelling van een passend kader voor de territoriale strategie, de uitwerking van de coördinatiestructuur, de vaststelling van de begroting en de voorbereiding van de nationale rechtsgrondslag voor ITI's;

39.  is verheugd over de inspanningen die de Commissie in samenwerking met de deskundigengroep voor territoriale samenhang en stedelijke aangelegenheden (TCUM) geleverd heeft voor de voorbereiding van ITI-scenario's; is van mening dat dergelijke begeleiding in de beginfase van het programmeringsproces moet worden geboden; vindt het nodig de begeleiding uit te breiden met praktijkvoorbeelden en lessen uit de geïmplementeerde ITI's;

40.  verzoekt de Commissie om rekening te houden met de resultaten van de enquête van het Comité van de Regio's van 2015, efficiënter gebruik te maken van IT-instrumenten waardoor minder papierwerk vereist is, flexibelere regels in te voeren voor landen/gebieden met zeer lage toewijzingen, de mechanismen voor medefinanciering in de lidstaten te verbeteren en in meer opleidingen te voorzien voor diegenen die verantwoordelijk zijn voor het beheer en de absorptie van de middelen, met inbegrip van verkozen politici;

Aanbevelingen voor de toekomst

41.  is van mening dat de rol van CLLD en ITI in het nieuwe cohesiebeleid nog belangrijker moet worden; verzoekt de Commissie om vóór het nieuwe wetgevingsvoorstel een studie uit te voeren naar mogelijke scenario's na 2020 voor deze instrumenten en daarbij aandacht te besteden aan de sterke en zwakke punten, kansen en bedreigingen bij de tenuitvoerlegging van beide instrumenten (SWOT-analyse);

42.  vraagt dat in deze studie wordt onderzocht wat de impact van ITI en CLLD is, hoe effectief zij zijn en of het wenselijk is om in het cohesiebeleid na 2020 verplichtingen op te leggen betreffende deze instrumenten en te voorzien in toewijzingen voor deze instrumenten in operationele programma's; stelt voor dat de ontwikkeling van concrete stimulansen om lidstaten aan te moedigen CLLD en ITI te implementeren, wordt onderzocht, samen met de potentiële middelen om meer coherentie tussen de operationele programma's en CLLD en ITI te bereiken; benadrukt dat deze analyse aan de hand van duidelijke indicatoren moet gebeuren die zowel kwantitatieve als kwalitatieve elementen weerspiegelen;

43.  vraagt dat de bottom-upbenadering voor ITI formeel wordt opgenomen in het nieuwe cohesiebeleid, zowel tijdens de programmerings- als de uitvoeringsfase;

44.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan om in samenwerking met de bevoegde lokale autoriteiten het gebruik van ITI-middelen te controleren, aangezien deze tegenwoordig kwantitatief belangrijker zijn dan vroeger vanwege hun samensmelting; benadrukt dat dit belangrijk is om de mogelijkheid tot corruptie in de lidstaten te beperken;

45.  herhaalt dat er bij de begeleiding behoefte is aan een tweevoudige aanpak: voor lidstaten die uitsluitend nationale operationele programma's hebben enerzijds, en voor lidstaten die eveneens regionale operationele programma's hebben anderzijds;

46.  dringt erop aan dat de begeleiding voor deze instrumenten beter gecoördineerd wordt tussen de Commissie, de lidstaten en de regio's; beveelt aan dat de begeleidingsdocumenten gelijktijdig met het voorstel voor nieuwe wetgeving voor het nieuwe cohesiebeleid voor de programmeringsperiode na 2020 ontwikkeld worden, en geregeld aangepast worden; benadrukt dat dit zal helpen om de begeleidingsdocumenten tijdig af te werken, voor meer rechtszekerheid voor alle partijen zal zorgen en zal verduidelijken hoe de voorgestelde bepalingen in de praktijk zullen worden geïmplementeerd;

o
o   o

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regionale en nationale parlementen.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487.
(4) PB L 149 van 20.05.2014, blz. 1.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(6) PB C 17 van 19.1.2013, blz. 18.
(7) PB C 313 van 22.9.2015, blz. 31.
(8) PB C 230 van 14.7.2015, blz. 1.
(9) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 9.
(10) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 6.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0015.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0419.


Statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen ***I
PDF 246kWORD 69k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 184/2005 betreffende de communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen wat betreft de toekenning van gedelegeerde en uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie voor het vaststellen van bepaalde maatregelen (COM(2014)0379 – C8-0038/2014 – 2014/0194(COD))
P8_TA(2016)0212A8-0227/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0379),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 338, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0038/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 284, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 5 december 2014(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 24 februari 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0227/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 10 mei 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 184/2005 betreffende de communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1013.)

(1) PB C 31 van 30.1.2015, blz. 3.


Het cohesiebeleid in de berggebieden van de EU
PDF 226kWORD 112k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over cohesiebeleid in de berggebieden van de EU (2015/2279(INI))
P8_TA(2016)0213A8-0074/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien titel III van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in het bijzonder met betrekking tot de landbouw,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1)(hierna "de GB-verordening"),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(8),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(9),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(10),

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2015 over een nieuwe bosbouwstrategie van de Europese Unie: ten bate van de bossen en de houtsector(11),

–  gezien zijn resolutie van 22 september 2010 over een Europese strategie voor de economische en sociale ontwikkeling van berggebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden(12),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2013 over het behoud van de melkproductie in berggebieden, minder begunstigde gebieden en ultraperifere gebieden na de beëindiging van de melkquotaregeling(13),

–  gezien zijn resolutie van 23 mei 2013 over een macroregionale strategie voor de Alpen(14),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende een strategie van de Europese Unie voor het Alpengebied (COM(2015)0366) en het bijbehorende actieplan,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 3 december 2014 getiteld "Een macroregionale EU-strategie voor het Alpengebied"(15),

–  gezien zijn resolutie van 17 februari 2011 over de tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor het Donaugebied(16),

–  gezien zijn resolutie van 21 januari 2010 over een Europese strategie voor het Donaugebied(17),

–  gezien de conclusies van de Raad van 13 april 2011 over de EU-strategie voor het Donaugebied,

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende de strategie van de Europese Unie voor de Donauregio (COM(2013)0181),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Strategie van de Europese Unie voor de Donau-regio" (COM(2010)0715) en het bijbehorende indicatieve actieplan (SEC(2010)1489),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 juni 2011 over de "mededeling van de Commissie – Strategie van de Europese Unie voor de Donau-regio"(18),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 31 maart 2011 over de "Strategie voor de Donau-regio"(19),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende de toegevoegde waarde van macroregionale strategieën (COM(2013)0468) en de desbetreffende conclusies van de Raad van 22 oktober 2013,

–  gezien het zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie (COM(2014)0473),

–  gezien de Alpenovereenkomst, met inbegrip van de Protocollen bij de Alpenovereenkomst,

–  gezien de studie van Euromontana van 28 februari 2013 getiteld "Toward Mountains 2020: Step 1 – capitalising on Euromontana work to inspire programming" (Bergen in 2020: stap 1 – de werkzaamheden van Euromontana benutten als inspiratiebron voor de programmering),

–  gezien de studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid van de Unie (afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid, Regionale Ontwikkeling) van februari 2016 getiteld "Onderzoek voor de Commissie REGI – Cohesie in de berggebieden van de EU",

–  gezien het project Women-Alpnet binnen het Interreg-programma voor het Alpengebied 2001-2006: een netwerk van lokale instellingen en kenniscentra voor vrouwen: bevordering van de deelname van vrouwen aan de duurzame ontwikkeling van het Alpengebied,

–  gezien artikel 52 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0074/2016),

A.  overwegende dat berggebieden een aanzienlijk deel van het grondgebied van de EU vormen (ongeveer 30 %), en overwegende dat de gehele EU afhankelijk is van de ecosysteemdiensten van deze gebieden;

B.  overwegende dat er geen expliciete definitie van berggebieden bestaat in het regionale beleid van de EU, en overwegende dat de definitie die in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) wordt gebruikt, niet geschikt is voor het cohesiebeleid en als zodanig niet kan worden gebruikt voor het doeltreffende beheer van dit beleid;

C.  overwegende dat veel berggebieden vanwege hun extreme omstandigheden en afgelegen ligging structureel achtergesteld zijn, in dusdanige mate dat zij te maken hebben met ontvolking en vergrijzing, wat de natuurlijke cyclus van generaties kan verstoren en leidt tot lagere sociale normen en een vermindering van de levenskwaliteit; overwegende dat dit vaak leidt tot een toename van de werkloosheid, sociale uitsluiting en een trek naar de steden;

D.  overwegende dat berggebieden een aantal kansen bieden om EU-doelstellingen op het gebied van werkgelegenheid, cohesie en milieubescherming te halen, en wel door middel van het duurzame gebruik van hun natuurlijke hulpbronnen;

E.  overwegende dat berggebieden sterk van elkaar verschillen en er daarom moet worden gezorgd voor onderlinge afstemming van beleidslijnen en sectoren, zowel tussen de verschillende berggebieden (horizontaal) als binnen de afzonderlijke berggebieden (verticaal);

F.  overwegende dat de steun voor berggebieden uit verschillende EU-instrumenten zoals het Elfpo en de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) complementair moet zijn om synergieën te creëren waarmee betere en inclusievere ontwikkeling mogelijk wordt;

G.  overwegende dat berggebieden een belangrijke rol spelen in de economische, sociale en duurzame ontwikkeling van de lidstaten en talrijke ecosysteemdiensten te bieden hebben; overwegende dat gendergelijkheid van grote invloed is op de economische, sociale en territoriale cohesie in Europa; overwegende dat grensoverschrijdende samenwerking in berggebieden een duurzame manier is om de economische en sociale ontwikkeling van deze gebieden te bevorderen;

H.  overwegende dat berggebieden vanwege hun specifieke kenmerken, en met name de grote hoeveelheid aan en verscheidenheid van hernieuwbare energiebronnen en hun afhankelijkheid van hulpbronnen- en energie-efficiëntie, kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe technologieën en innovatie in het algemeen;

I.  overwegende dat berggebieden in positieve zin bijdragen aan duurzame ontwikkeling, de strijd tegen klimaatverandering, de instandhouding en bescherming van regionale ecosystemen en biodiversiteit; overwegende dat grote stukken berggebied worden beschermd via het milieunetwerk Natura 2000 en andere soorten regelingen voor natuurbehoud, waardoor aan de ene kant de economische activiteit wordt beperkt, maar aan de andere kant duurzamere landbouwvormen worden gestimuleerd en de landbouw nauwer wordt gekoppeld aan andere economische activiteiten; overwegende dat landbouw en grondbeheer in berggebieden van groot belang zijn voor de hydrogeologische stabiliteit van die gebieden;

J.  overwegende dat berggebieden kampen met grote uitdagingen op het vlak van sociale en economische ontwikkeling, klimaatverandering, vervoer en demografische vraagstukken, die moeten worden aangepakt door passende verbindingen met stedelijke en laaggelegen gebieden op te zetten en de toegang tot digitale diensten te garanderen;

K.  overwegende dat berggebieden met beschermde ecosystemen en de diensten daarvan een basis kunnen vormen voor tal van economische activiteiten, waarbij de nadruk ligt op landbouw, bosbouw, toerisme en energie, en er rekening wordt gehouden met het culturele en natuurlijke erfgoed van deze gebieden en de diversificatie van boerderijen; overwegende dat deze activiteiten gestimuleerd kunnen worden door een gecoördineerd optreden en/of grensoverschrijdende samenwerking, en overwegende dat in berggebieden unieke omstandigheden en traditionele kennis in stand worden gehouden en dat ze een groot potentieel bieden voor de overstap naar kwalitatief hoogstaande landbouwsystemen;

L.  overwegende dat gletsjers kenmerkend zijn voor Europese bergen en een cruciale rol spelen in zowel de ecosystemen als in de waterhuishouding van de bergen, overwegende dat hun afname in massa en lengte sinds het midden van de 19e eeuw zorgwekkende niveaus heeft bereikt en dat talrijke gletsjers in Europa reeds zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen vóór 2050;

M.  overwegende dat de economische, culturele en sociale ontwikkeling in berggebieden te lijden heeft onder bijkomende kosten die verband houden met klimatologische en topografische omstandigheden en met het isolement en de grote afstand van economische centra; overwegende dat het gebrek aan toereikende infrastructuur, onder meer breedbanddekking, en investeringen in berggebieden ertoe bijdraagt dat de kloof tussen deze en andere regio's steeds dieper wordt; overwegende dat de inspanningen om de economische productie in de landbouw in de berggebieden van de EU in stand te houden, ondersteund moeten worden met fysieke en digitale toegankelijkheid en infrastructuur en met de toegang voor de inwoners van dergelijke gebieden tot openbare dienstverlening en diensten van algemeen belang, zoals onderwijs, maatschappelijke dienstverlening, gezondheidszorg, vervoer en postdiensten;

N.  overwegende dat er verschillende soorten berggebieden bestaan in Europa, die met elkaar verbonden zijn omdat ze fundamentele uitdagingen gemeen hebben, zoals een slechte bereikbaarheid, weinig arbeidsmogelijkheden, een vergrijzende bevolking, een gebrek aan connectiviteit, de effecten van de klimaatverandering en intensievere menselijke productieactiviteiten; overwegende dat er actieve stappen moeten worden ondernomen om deze aspecten aan te pakken;

O.  overwegende dat het in de context van markt- en prijsschommelingen, stijgende productiekosten, grotere concurrentie, de afschaffing van de melkquota en milieuproblemen van essentieel belang is de voedselproductie en de multifunctionele rol van landbouw veilig te stellen om toegevoegde waarde in de berggebieden te behouden, duurzame werkgelegenheid te stimuleren en toegang tot andere inkomstenbronnen mogelijk te maken;

P.  overwegende dat berggebieden die deel uitmaken van de buitengrenzen van de EU extra moeilijkheden ondervinden en veel meer worden getroffen door de negatieve tendensen die alle berggebieden gemeen hebben;

Q.  overwegende dat er in Europa bergketens zijn die zich uitstrekken over meerdere lidstaten en ook tot niet-lidstaten zoals de Karpatische bergketen, die, na de laatste EU‑uitbreiding, de oostelijke grens van de EU is geworden en vandaag de dag een uitermate belangrijk geopolitiek gebied is waar grote strategische politieke belangen met betrekking tot de stabiliteit van de Unie samenkomen;

R.  overwegende dat veel berggebieden een gebrek aan basisinfrastructuur, openbare dienstverlening en onafgebroken toegang tot diensten van algemeen belang hebben, met name in gebieden met seizoensgebonden activiteiten;

S.  overwegende dat berglandbouw belangrijk is voor de identiteit en cultuur van berggebieden en blijft bijdragen aan de werkgelegenheid en specifieke economische sectoren in die gebieden, zoals de bosbouw en toerisme, waarbij niet mag worden vergeten dat er een verdere diversificatie van hun economieën en werkgelegenheid gaande is en dat zij een wezenlijke rol spelen in de circulaire economie;

T.  overwegende dat bepaalde ultraperifere gebieden ook berggebieden van vulkanische oorsprong zijn (actieve of slapende vulkanen, vulkanische massieven of ketens, en vulkanische eilanden), met een gedeelte onder water en een uitstekend gedeelte, en overwegende dat zij moeilijkheden ondervinden als gevolg van de topologie van hun grondgebied;

U.  overwegende dat vrouwen die in berggebieden wonen, vooral in achtergestelde gebieden, vaak problemen hebben om door te dringen tot hogere onderwijsniveaus en fatsoenlijke banen;

V.  overwegende dat er een antwoord moet worden gevonden voor de uiteenlopende uitdagingen die voortvloeien uit ontvolking, de gevolgen van klimaatverandering, het gebrek aan beschikbare landbouwgrond, de braaklegging van landbouwgrond en de daarmee gepaard gaande verstruiking en verbossing, en de noodzaak om berggrasland in stand te houden;

W.  overwegende dat veeteelt (voor zuivelproducten en extensieve vleesproductie) een belangrijke rol speelt in berggebieden van een groot aantal EU-landen; overwegende dat problematische marktomstandigheden en aanzienlijke kostennadelen ingrijpende gevolgen hebben voor kleinschalige landbouwbedrijven in deze gebieden;

X.  overwegende dat in artikel 174, lid 3, VWEU expliciet wordt vermeld dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan onder meer berggebieden; overwegende dat een aantal beleidsmaatregelen, programma's en strategieën van de EU indirecte gevolgen voor berggebieden heeft;

Gecoördineerde benadering en algemene overwegingen

1.  verzoekt de Commissie te beginnen met het proces voor het opstellen van een werkdefinitie van functionele berggebieden in het kader van het cohesiebeleid, als aanvulling op de definitie van berggebieden zoals die wordt gebruikt in de context van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, met het doel om de coördinatie van het beleid en de maatregelen in kwestie te verbeteren; is van mening dat een dergelijke definitie breed en inclusief moet zijn, rekening houdend met verschillende factoren zoals hoogte, bereikbaarheid en helling; verzoekt de Commissie te voorzien in een alomvattende definitie waaronder ook vulkanische gebieden op eilanden en ultraperifere gebieden vallen, alsmede gebieden die, hoewel zij geen berggebieden zijn, sterk verbonden zijn met berggebieden; merkt in dit verband op dat het idee van de EU-strategie voor het Alpengebied (EUSALP) om niet-berggebieden in de strategie op te nemen een goed initiatief is;

2.  is van mening dat het EU-beleid een specifieke benadering voor berggebieden moet omvatten, aangezien deze duidelijke structurele nadelen vertonen; wijst erop dat dergelijke gebieden aanvullende steun nodig hebben om het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen van de klimaatverandering, te kunnen zorgen voor werkgelegenheid het hele jaar door in plaats van louter seizoensgebonden werk, economische ontwikkeling, de preventie en het beheer van natuurrampen en de bescherming van het milieu, en bij te dragen aan de verwezenlijking van de EU-doelstellingen voor hernieuwbare energie; is bijgevolg van mening dat berggebieden in alle aspecten van het EU-beleid, met inbegrip van het cohesiebeleid, moeten worden geïntegreerd, door de invoering van een territoriale effectbeoordeling;

3.  beseft dat de EU geen specifiek beleid voor berggebieden heeft en merkt op dat de reeds bestaande beleidsmaatregelen, programma's en strategieën die wel indirecte gevolgen hebben voor dergelijke gebieden reden zijn om een "Agenda voor berggebieden van de EU" op te stellen, die de basis moet vormen van een EU-strategie voor de langetermijnontwikkeling van berggebieden en de daarvan afhankelijke gebieden;

4.  verzoekt de Commissie te werken aan een "Agenda voor berggebieden van de EU" als kader dat bijdraagt aan transnationaal, grensoverschrijdend en interregionaal beleid; is van mening dat in de toekomstige agenda de prioriteiten voor de ontwikkeling van deze gebieden moeten worden vastgesteld, zodat sectoraal beleid hier beter op kan worden afgestemd en de mogelijkheden om dit te financieren via EU-fondsen in goede banen kunnen worden geleid, en zodat op de lange termijn duurzaam beleid voor inclusie kan worden verwezenlijkt;

5.  verzoekt de Commissie, in het kader van dit programma, een specifiek en gedetailleerd programma op te stellen ter bescherming van de Europese gletsjers die naar verwachting zullen verdwijnen vóór 2050;

6.  verzoekt om meer synergie via de coördinatie van EU-beleidsmaatregelen, -strategieën en -programma's die indirecte gevolgen hebben voor berggebieden, zoals Horizon 2020, Cosme, LIFE, Natura 2000, de EU-breedbandstrategie, de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering, het milieuactieprogramma van de EU, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, de Europese territoriale samenwerking, de ESI-fondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), evenals initiatieven in het kader van de macroregionale strategie; verzoekt de Commissie na te denken over de specifieke toepassing en uitvoering van deze programma's in berggebieden;

7.  benadrukt dat er synergieën tot stand moeten worden gebracht tussen beleidsterreinen, instrumenten en sectoren waarvoor een geïntegreerde aanpak nodig is; benadrukt de waardevolle ervaring die is opgedaan bij de tenuitvoerlegging van de Alpenovereenkomst waarmee economische, sociale en ecologische belangen met elkaar in overeenstemming worden gebracht;

8.  wijst op de schaarste aan bruikbare grond in berggebieden, wat een mogelijke oorzaak is voor conflicten gezien de uiteenlopende of overlappende belangen met betrekking tot de classificatie en het gebruik van grond; roept de lidstaten derhalve op instrumenten voor ruimtelijke ordening te ontwikkelen en toe te passen waarmee de coördinatie van en de inspraak van het publiek bij territoriale ontwikkeling worden vergemakkelijkt; beschouwt het Protocol inzake ruimtelijke ordening en duurzame ontwikkeling van de Alpenovereenkomst als een belangrijk voorbeeld om op voort te bouwen;

9.  verzoekt de natuurparken van de lidstaten die een grens delen met een of meer andere landen om een gezamenlijke aanpak voor het beheer, de ontwikkeling en de bescherming van die natuurparken uit te werken;

10.  wijst erop dat het door de recente hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en het regionaal beleid mogelijk is geworden om de Europese financiering voor cohesie op regionaal niveau te beheren;

11.  verzoekt de beheersautoriteiten een aanzienlijke verhoging te overwegen van de toewijzingen van de ESI-fondsen op nationaal niveau om onderontwikkelde berggebieden te ondersteunen, waar mogelijk volgens een multisectorale beleidsbenadering; verzoekt de lidstaten investeringen in berggebieden aan te moedigen door middelen uit operationele programma's te benutten ten gunste van dergelijke gebieden;

12.  benadrukt dat prioriteit moet worden verleend aan de territoriale dimensie van het cohesiebeleid door middel van gerichte initiatieven voor territoriale ontwikkeling en aanvullende steun voor territoriale samenwerking op Europees niveau;

13.  benadrukt dat de lidstaten en de regio's in het kader van de verordening inzake plattelandsontwikkeling over de mogelijkheid beschikken om thematische subprogramma's in het leven te roepen die gericht zijn op de behoeften van berggebieden en die in aanmerking komen voor overheidsfinanciering met hogere steunpercentages; spoort hen aan gebruik te maken van deze mogelijkheden; merkt op dat geen enkele bevoegde autoriteit daar tot dusver voor heeft gekozen; is niettemin van mening dat een dergelijke beslissing niet hoeft te betekenen dat er geen enkele specifieke steun voor deze gebieden is voorzien;

14.  spoort de lidstaten aan gebruik te maken van instrumenten zoals geïntegreerde territoriale investeringen en vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling om de ontwikkeling van berggebieden, te weten hun specifieke ontwikkelingsmogelijkheden en -doelstellingen, te ondersteunen; moedigt de steun van lokale actiegroepen voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling aan om transnationale netwerken en coöperatieve werkmethoden te bevorderen;

15.  onderstreept het potentieel en belang van de huidige en toekomstige ontwikkeling van macroregionale strategieën voor de duurzame ontwikkeling van de berggebieden van de EU, met, indien van toepassing, een sterke dimensie voor grensoverschrijdende samenwerking; pleit ervoor om rekening te houden met ervaringen bij de tenuitvoerlegging van andere macroregionale strategieën van de EU;

16.  is verheugd over de huidige initiatieven voor de Karpaten in de EU-strategie voor het Donaugebied en de vooruitgang die is geboekt ten aanzien van de macroregionale EU‑strategie voor het Alpengebied; merkt op dat de laatstgenoemde strategie een goed voorbeeld is van een geïntegreerde benadering van territoriale ontwikkeling waarin rekening wordt gehouden met berggebieden en daarmee verbonden gebieden;

17.  is van mening dat het instrument voor Europese territoriale samenwerking een uitstekende mogelijkheid biedt voor de uitwisseling van beste praktijken en kennis tussen berggebieden, die vaak op landsgrenzen liggen, en verzoekt om een specifieke dimensie voor berggebieden in het toekomstige instrument voor Europese territoriale samenwerking; juicht initiatieven zoals "Policies against depopulation in mountainous areas" (beleidsmaatregelen tegen de ontvolking van berggebieden) toe die gericht zijn op het aanpakken van specifieke problemen waarmee berggebieden kampen; onderstreept het belang van de Interreg-programma's en andere samenwerkingsinitiatieven, zoals Europese groeperingen voor territoriale samenwerking en Europese economische samenwerkingsverbanden, om gedeelde gebieden en bergketens op een gezamenlijke en gecoördineerde manier te ontwikkelen in regio's met grensoverschrijdende berggebieden;

18.  verzoekt de Commissie te komen met een mededeling over een "Agenda voor berggebieden van de EU" en vervolgens met een witboek over de ontwikkeling van berggebieden, op basis van beste praktijken, waarbij lokale, regionale en nationale autoriteiten en andere relevante spelers, waaronder de economische en sociale partners en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, worden betrokken;

19.  dringt erop aan dat de Commissie en andere belanghebbenden een grondige en regelmatige beoordeling uitvoeren van de toestand van berggebieden in de EU, en gegevens analyseren, zoals de resultaten van de uitvoering van de operationele programma's in het kader van het cohesiebeleid en indicatoren voor veranderingen op het vlak van levenskwaliteit en demografie, om de EU-financiering en tenuitvoerlegging van het beleid op de juiste wijze af te stemmen;

20.  benadrukt de noodzaak om te kunnen vertrouwen op betrouwbare statistische uitgesplitste gegevens als basis voor beleidsinitiatieven;

21.  pleit voor samenwerking met Europese niet-lidstaten, en met regionale en lokale overheden, bij de tenuitvoerlegging van beleid voor berggebieden;

22.  verzoekt de Commissie het gebruik van financiële instrumenten in berggebieden aan te moedigen om concrete resultaten te boeken;

23.  is ingenomen met het debat dat momenteel gevoerd wordt over de vereenvoudiging van het cohesiebeleid; hoopt dat een lichter kader en de beschikbaarheid van instrumenten waarvan belanghebbenden en begunstigden gemakkelijker gebruik kunnen maken, zullen bijdragen aan de ontwikkeling van de berggebieden van de EU; wenst dat er speciale aandacht wordt besteed aan vereenvoudiging en inspanningen om investeringen in berggebieden te vergemakkelijken;

24.  verzoekt de Commissie een Europees Jaar van eilanden en bergen voor te stellen;

Werkgelegenheid en economische groei in berggebieden

25.  merkt op dat kmo's in berggebieden kampen met grote moeilijkheden vanwege een gebrek aan bereikbaarheid, infrastructuur, connectiviteit en personeel; verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan de ontwikkeling van kmo's in berggebieden, in het bijzonder gebieden die worden geteisterd door natuurrampen en rampen als gevolg van de klimaatverandering, en dringt er derhalve bij de lidstaten op aan voorrang te geven aan investeringen in infrastructuur en diensten in berggebieden; pleit voor synergieën tussen de middelen van de ESI-fondsen en de andere door de EU gesubsidieerde programma's en initiatieven om een holistische en doeltreffende beleidsaanpak op te stellen voor een maximale ondersteuning van kmo's en ondernemerschap; onderstreept dat er geïntegreerde plaatsgebonden strategieën inzake berggebieden moeten worden ontwikkeld voor het vaststellen van specifieke ontwikkelingskansen, met daarin maatregelen voor het verhogen van de connectiviteit van lokale kmo's en voor betere betrekkingen en coördinatie zowel binnen als tussen sectoren;

26.  benadrukt hoe belangrijk het is om een meervoudige landbouwproductie te ontwikkelen, in samenhang met activiteiten op het vlak van toerismebevordering en milieubescherming, en om de voedingsketens in berggebieden te structureren, hetzij in het kader van verenigingen van producentenorganisaties waardoor landbouwers een sterkere onderhandelingspositie krijgen, hetzij door lokale markten en korte toeleveringsketens op te zetten; onderstreept dat de toegang tot grote markten moet worden gegarandeerd, en dat er kwaliteits-, promotie- en beschermingsmaatregelen voor producten moeten worden ingevoerd, waardoor landbouwproducten beter aan de man kunnen worden gebracht en worden toegevoegd aan het algemene scala van toerismeproducten in een bepaald geografisch gebied; verzoekt de Commissie en de lidstaten bovendien om de discussie aan te zwengelen over de invoering van een speciale etikettering op EU-niveau voor voedingsproducten uit berggebieden, aangezien berggebieden over een groot potentieel beschikken voor de productie van hoogwaardige voedingsmiddelen;

27.  ziet in dit verband de noodzaak in van steun uit het Elfpo voor landbouwproductie in berggebieden en voor inspanningen om toegevoegde waarde te leveren via synergieën met andere EU-fondsen en -initiatieven, evenals met private financiële instrumenten, om positieve effecten teweeg te brengen in berggebieden;

28.  is verheugd over de vooruitgang die is geboekt met de EU-bosstrategie; steunt de duurzame ontwikkeling van bossen op het niveau van de Unie, met name ten aanzien van de bijdrage van bossen aan de bescherming van het milieu en de biodiversiteit en het behalen van de doelstellingen voor hernieuwbare energie; merkt op dat de nadruk in de strategie gelegd kan worden op de economische dimensie van de bosbouw;

29.  is van mening dat bosbouw kan zorgen voor werkgelegenheid en economische ontwikkeling in berggebieden en dat daarom het bosbestand op termijn moet worden gewaarborgd door het op een duurzame manier te ontginnen; herinnert eraan dat bossen van cruciaal belang zijn voor het ecosysteem en dat ze in de bergen een belangrijke rol spelen bij de preventie van lawines, aardverschuivingen en overstromingen; verzoekt om steun aan kmo's, in het bijzonder in berggebieden gevestigde kmo's, die actief zijn in de bosbouwsector en die het beginsel van milieuduurzaamheid volledig naleven; onderstreept de bijzondere economische en sociale rol van de bosbouw in berggebieden, en het belang van investeringen die gericht zijn op een efficiënt gebruik van het bosbestand in die regio's; wijst nogmaals op de belangrijke rol van bossen als leverancier van primaire en secundaire materialen voor de geneesmiddelen-, cosmetica‑ en voedingsindustrie, waardoor wordt bijgedragen aan het scheppen van banen; dringt er in dit verband op aan dat in het cohesiebeleid meer aandacht wordt besteed aan duurzaam bosbeheer;

30.  roept op tot aanvullende stimulansen voor het behoud van kleinschalige verwerkingsbedrijven en kleine en middelgrote landbouwbedrijven in berggebieden, die aanzienlijke werkgelegenheid verschaffen en producten produceren met bijzondere kwalitatieve kenmerken, maar gemiddeld hogere kosten maken en een lager rendement hebben dan landbouwbedrijven met intensieve gewassen- of veeteelt; verzoekt de Commissie proefprojecten te bevorderen om traditionele economische activiteiten in ere te herstellen, waaronder de landbouw en ambachten, in berggebieden die te lijden hebben onder ontvolking; verzoekt de Commissie en de lidstaten om gestroomlijnde administratieve procedures te bevorderen voor de aanvraag en de administratie van middelen, teneinde kleine gemeenschappen een betere toegang tot financiering te bieden om langetermijnontwikkeling, de toegankelijkheid van de markten en de oprichting van producentenorganisaties in berggebieden te stimuleren;

31.  roept de begunstigden van de ESI-fondsen in berggebieden op het potentieel en de behoefte om lokale technologie- en duurzame industrieparken te vestigen, te beoordelen en na een geschikt haalbaarheidsonderzoek en een adequate kosten-batenanalyse de bouw van dergelijke parken met EU- en nationale middelen te overwegen;

32.  onderstreept de noodzaak van slimme-specialisatiestrategieën om, indien nodig, het potentieel van berggebieden een impuls te geven;

33.  benadrukt de belangrijke rol die sociale ondernemingen en alternatieve bedrijfsmodellen zoals coöperaties en onderlinge maatschappijen kunnen spelen in de inclusieve en duurzame ontwikkeling van berggebieden, waaronder het tegengaan van de uitsluiting van gemarginaliseerde groepen, en het dichten van de genderkloof;

34.  steunt het gebruik van ESI-fondsen voor economische sectoren die niet vervuilen en toekomstgericht zijn, zoals duurzaam toerisme, cultureel erfgoed, de duurzame bosbouw, de ontwikkeling van internet met hoge snelheid, ambachten en de hernieuwbare energie; wijst erop hoe belangrijk het is om nieuwe, innovatieve toerismemodellen te ontwikkelen en succesvolle bestaande modellen te bevorderen;

De sociaaleconomische dimensie van de berggebieden

35.  merkt op dat binnen het cohesiebeleid meer de nadruk kan worden gelegd op het ondersteunen van de omschakeling naar een koolstofarme, klimaatbestendige, hulpbronnenefficiënte en ecologisch duurzame economie;

36.  is van mening dat het verbeteren van de kwalificaties van de beroepsbevolking en het creëren van nieuwe banen in de groene economie deel moeten uitmaken van de investeringsprioriteiten van de ESI-fondsen, en benadrukt dat met EU-beleidsmaatregelen opleidingen moeten worden ondersteund op het gebied van bijvoorbeeld berglandbouw, duurzaam toerisme, ambachten, duurzame bosbouw en technologieën voor hernieuwbare energie;

37.  juicht initiatieven om jonge mensen warm te maken voor de landbouwsector toe en verzoekt de Commissie soortgelijke programma's te ontwikkelen voor berggebieden; dringt erop aan maatregelen te nemen om jonge ondernemers te stimuleren ook actief te worden op terreinen die verband houden met cultureel erfgoed en zich niet uitsluitend te beperken tot seizoensgebonden activiteiten; benadrukt de rol van wetenschappelijke instituten en andere onderwijsinstellingen die zich bezighouden met landbouw in berggebieden; stimuleert de deelname van jonge landbouwers aan uitwisselingsprogramma's en platformen voor e-leren;

38.  benadrukt het belang van onderwijs voor vrouwen en meisjes en van de integratie van vrouwen en meisjes in vakgebieden zoals wetenschap, technologie, engineering, wiskunde en ondernemerschap, waaronder sectoren op het vlak van de groene economie; is van mening dat bijzondere aandacht moet uitgaan naar het ondersteunen en stimuleren van vrouwelijke landbouwers en vrouwen die als zelfstandige werken op het gebied van direct marketing, toerisme, ambachtelijke handel en projecten; wijst op het belang van de actieve aanwezigheid en rol van vrouwen in berggebieden, met name voor de bevordering van innovatie en samenwerkingsprocessen en voor het goed blijven functioneren van deze gebieden; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook gebruik te maken van bestaande middelen en procedures voor initiatieven op het gebied van microfinanciering en microkrediet voor vrouwen, en voor carrièremogelijkheden voor vrouwen, in het kader van het Europees Sociaal Fonds en transnationale projecten;

39.  benadrukt dat het belang van berggebieden en van doeltreffende maatregelen in de EU is opgenomen in de laatste hervorming van het GLB; is van oordeel dat het GLB tot doel moet hebben de natuurlijke en economische nadelen waarmee landbouwers geconfronteerd worden te compenseren, maar hun ook de middelen moet bieden om hun pluspunten te kunnen benutten;

40.  onderstreept het belang van de steun uit de eerste pijler van het GLB voor de instandhouding van de landbouwproductie en een inkomen voor landbouwers in de berggebieden; herinnert eraan dat de lidstaten gebruik kunnen maken van specifieke rechtstreekse steun en gekoppelde betalingen als hulpmiddel om deze doelstellingen te bereiken; wijst er nogmaals op dat in vele lidstaten, als gevolg van onvoldoende interne convergentie, een deel van de ontkoppelde steun uit de eerste pijler aanzienlijk lager is dan in gebieden die in agrarisch opzicht bevoordeeld zijn, hetgeen het concurrentievermogen van landbouwbedrijven nog verder beperkt;

41.  is van mening dat de maatregelen uit de tweede pijler van het GLB de duurzaamheid, het concurrentievermogen en de diversificatie van de landbouwproductie en van verwerkingsbedrijven in berggebieden moeten garanderen; is eveneens van mening dat dergelijke maatregelen kunnen bijdragen aan een "plattelandsrenaissance" door steun te verlenen aan de opkomst van projecten voor de ontwikkeling van multifunctionele landbouwbedrijven die toegevoegde waarde en innovatie opleveren, en door landbouwinvesteringen (in gebouwen, specifieke apparatuur, modernisering, enz.) en de instandhouding van lokale rassen te bevorderen;

42.  is van mening dat een sectorspecifieke aanpak voor de zuivelsector gericht moet zijn op het waarborgen van duurzame melkproductie in berggebieden, en verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale overheden om met name met behulp van de tweede pijler van het GLB te voorzien in begeleidende compenserende maatregelen voor achtergestelde melkproductie met het oog op de instandhouding en versterking van de landbouw en de doeltreffende werking van landbouwbedrijven, met name kleinschalige bedrijven, in deze regio's;

43.  benadrukt het potentieel van duaal onderwijs in berggebieden; wijst op de bemoedigende resultaten die in sommige lidstaten zijn behaald; is verheugd over bestaande projecten voor duaal onderwijs in de hele Unie;

44.  is van mening dat geschikte fysieke en ICT-infrastructuur kansen creëert voor economische, sociale, culturele en onderwijsactiviteiten en dat isolement en een perifere ligging hierdoor minder van invloed zijn; verzoekt de Commissie met specifieke aanbevelingen te komen om het tekort aan opgeleid personeel in het toerisme aan te pakken, vooral door het hoofd te bieden aan de uitdagingen van onaantrekkelijke banen en onvoldoende beloning, alsmede door mogelijkheden voor professionele loopbaanontwikkeling te stimuleren; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om via de ESI-fondsen investeringen in de infrastructuur in berggebieden toe te wijzen, met als doel ze aantrekkelijker te maken voor het uitoefenen van economische activiteiten;

45.  steunt innovatieve oplossingen, onder andere op basis van IT, voor de toegang tot kwalitatief basisonderwijs, evenals formeel en informeel onderwijs en mogelijkheden voor levenslang leren, in afgelegen berggebieden, bijvoorbeeld via samenwerking tussen berggebieden, steden en universiteiten; benadrukt de behoefte aan kwalitatief hoogwaardig hoger onderwijs en wijst op het potentieel van systemen voor afstandsonderwijs die toegang bieden tot lesgeven en leren vanuit afgelegen gebieden; benadrukt dat gelijke toegang tot onderwijs en kinderopvangvoorzieningen en de bij- en omscholing van ouderen om hun actieve integratie op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken belangrijke punten van zorg zijn die moeten worden aangepakt om het hoofd te bieden aan negatieve demografische trends in deze gebieden;

46.  verzoekt om de ontwikkeling en verbetering van gezondheidsinstellingen en -diensten in berggebieden, onder andere door middel van initiatieven voor grensoverschrijdende samenwerking, waaronder de ontwikkeling van instellingen voor grensoverschrijdende gezondheidszorg, waar nodig; pleit voor de ontwikkeling van vrijwilligerswerk voor de verlening van openbare diensten, waarbij rekening wordt gehouden met de beste praktijken in bepaalde lidstaten;

47.  herinnert aan het beginsel van universele toegang tot openbare diensten dat moet worden gegarandeerd in alle gebieden van de EU, terwijl de nadruk wordt gelegd op de behoefte voor lidstaten en gebieden om alternatieve en innovatieve oplossingen voor berggebieden aan te moedigen, met inbegrip van pasklare oplossingen die zijn aangepast aan lokale en regionale behoeften, indien nodig;

48.  benadrukt het belang van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, en van een doeltreffendere tenuitvoerlegging van de jongerengarantie, als goede mogelijkheid om het wegtrekken van jongeren uit berggebieden een halt toe te roepen, als antwoord op de demografische crisis en het probleem van vergrijzing; wenst dat jongerenwerkgelegenheidsinitiatieven speciaal worden gericht op de behoeften van onderontwikkelde berggebieden;

49.  benadrukt dat er een genderkloof blijft bestaan in berggebieden, vooral in het geval van gemarginaliseerde gemeenschappen en kwetsbare groepen; verzoekt de Commissie op horizontaal en verticaal niveau maatregelen voor genderintegratie te nemen voor alle beleidsterreinen, en met name om het connectiviteitsbeleid in deze gebieden te financieren; verzoekt om een vergelijkende analyse van de bijzondere omstandigheden van vrouwen in berggebieden, in het bijzonder in achtergestelde berggebieden;

50.  roept actief op tot steun, onder andere via het gebruik van ESI-fondsen, voor initiatieven die de sociale en culturele cohesie van en de inclusie in berggemeenschappen verbeteren, en het fysieke isolement en het gebrek aan culturele diversiteit opheffen, in het bijzonder via toegang tot en directe deelname aan kunst en het culturele leven;

51.  onderstreept het belang van geïntegreerde territoriale initiatieven die gericht zijn op de integratie van migranten in het kader van processen in verband met demografische en sociaaleconomische vernieuwing en herstel in de berggebieden, zo ook de gebieden die kampen met ontvolking; verzoekt de Commissie de verspreiding van dergelijke initiatieven te ondersteunen en te bevorderen;

Milieubescherming en de strijd tegen klimaatverandering in berggebieden

52.  herinnert aan de rijkdom, zowel wat betreft hun omvang als verscheidenheid, aan hernieuwbare energiebronnen in berggebieden; is van mening dat deze gebieden het voortouw moeten nemen bij het behalen van de EU-doelstellingen voor hernieuwbare energie; verzoekt de Commissie zich te richten op beleid waarmee het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in berggebieden wordt aangemoedigd en vergemakkelijkt;

53.  benadrukt dat de emblematische diersoorten van het hooggebergte die kunnen leven op grensoverschrijdende bergketens, zoals berggeiten, steenbokken, grote roofvogels, beren, wolven en lynxen, op Europees niveau moeten worden beschermd; verzoekt de Commissie en de lidstaten een plan op te stellen voor de bescherming en herinvoering van emblematische soorten van het hooggebergte;

54.  onderstreept eveneens het potentieel van vulkanische berggebieden en vulkanen, en dan vooral de bijdrage van de vulkanologie aan de verwezenlijking van de doelstellingen inzake hernieuwbare energie en de bijdrage van die gebieden aan de preventie en het beheer van natuurrampen, zoals vulkaanuitbarstingen;

55.  verzoekt de lidstaten en de Commissie alle vakantiegebieden in het hooggebergte in kaart te brengen waarvoor een autoverbod een positieve invloed zou hebben in de lokale strijd tegen het smelten van de gletsjers;

56.  blijft erbij dat er bij het verwezenlijken van de EU-doelstellingen voor hernieuwbare energie en de winning van hernieuwbare energie rekening moet worden gehouden met het evenwicht tussen de natuur en milieubescherming, zo ook in berggebieden; herinnert eraan dat het gebruik van waterkracht en biomassa in sommige gevallen ecosystemen kan aantasten, en dat wind- en zonne-energiecentrales het landschap zouden kunnen schaden maar tegelijkertijd een bron van lokale ontwikkeling zijn;

57.  merkt op dat berggebieden, waaronder vulkanische berggebieden en hun ecosystemen, bijzonder kwetsbaar zijn voor klimaatverandering en hydrogeologische risico's, met uiterst belangrijke gevolgen in die gebieden, mede door het stijgende aantal natuurrampen, met mogelijke milieugevolgen voor de omliggende gebieden en een negatieve weerslag op de economische ontwikkeling en het toerisme; is in dit verband van mening dat de bescherming van het milieu, het tegengaan van klimaatverandering en het nemen van passende maatregelen voor de aanpassing aan de klimaatverandering centraal moeten staan in een toekomstige "Agenda voor berggebieden van de EU", met onder andere een actieplan inzake klimaatverandering; benadrukt daarnaast dat er een netwerk moet worden ontwikkeld voor de analyse en uitwisseling van beste praktijken in deze gebieden;

58.  benadrukt dat de unieke habitat van berggebieden behouden en beschermd en op duurzame wijze ontwikkeld moet worden, mede door het herstel van de biodiversiteit en de bodem, de bevordering van het natuurlijk erfgoed en ecosysteemdiensten en de verstrekking van groene infrastructuur, hetgeen de werkgelegenheid in deze sectoren ten goede komt; wijst nogmaals op het cruciale belang van landbouw en duurzaam grond‑ en bosbeheer in berggebieden om de biodiversiteit in stand te houden en te waken voor ingrijpende gevolgen voor het milieu en het landschap;

59.  benadrukt dat berggebieden een belangrijke bron van watervoorraden zijn die moeten worden beschermd en op duurzame wijze moeten worden beheerd; merkt op dat bepaalde stedelijke gebieden afhankelijk zijn van ecosysteemdiensten uit de berggebieden, en dat deze gebieden hiervoor vaak geen fatsoenlijke vergoeding krijgen; verzoekt lokale instanties na te denken over partnerschappen in de vorm van samenwerkingsprojecten om watervoorraden voor stedelijke gemeenschappen in de buurt van berggebieden aan te leggen en te beschermen; is voorstander van de financiering van maatregelen voor de opslag van water om een duurzame en efficiënte irrigatie van landbouwgebieden en een minimale stroming in rivieren te kunnen garanderen;

60.  steunt de ontwikkeling van duurzaam toerisme als kans om werkgelegenheid te scheppen en de duurzame ontwikkeling van deze gebieden te bevorderen; onderstreept dat breedbandinternet moet worden ontwikkeld als basis voor duurzaam toerisme;

61.  benadrukt de behoefte aan een actieve en synergetische samenwerking tussen de landbouw en andere economische activiteiten in Natura 2000-zones en andere beschermde gebieden (nationale parken, landschapsparken enz.) die zich in berggebieden bevinden;

Bereikbaarheid en connectiviteit in berggebieden

62.  is van mening dat internet, en met name toegangstechnologieën van de volgende generatie, een cruciale rol spelen in het overwinnen van de uitdagingen waarmee berggebieden worden geconfronteerd; herinnert eraan dat internet gekoppeld is aan diensten van algemeen belang en dat een gebrekkige toegang tot dergelijke diensten tot ontvolking kan leiden;

63.  verzoekt de lidstaten stimulansen te creëren voor de actievere ontwikkeling van publiek‑private partnerschappen in berggebieden, op het gebied van vervoers-, telecommunicatie- en energie-infrastructuur, aangezien de verlening van deze diensten commercieel onaantrekkelijk is wegens het gebrek aan schaaleconomieën; benadrukt dat economische groei en nieuwe banen in berggebieden enkel kunnen worden verwezenlijkt via beter vervoer en andere infrastructuur van toereikende kwaliteit;

64.  merkt op dat het toerisme sterk wordt beïnvloed door de aanwezigheid van infrastructuur en de toegang tot diensten van algemeen belang; verzoekt de Commissie de mogelijkheden te bekijken voor de aanleg van infrastructuur ter ondersteuning van toerisme in berggebieden;

65.  merkt op dat de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën een rijk scala aan kansen bieden voor werkgelegenheid, sociale inclusie en zelfredzaamheid in de opkomende digitale economie; is daarom van mening dat specifieke steun uit de ESI‑fondsen nodig is ter bevordering van dergelijke kansen; verzoekt de lidstaten om telewerk, e-handel en het gebruik van digitale marketingkanalen in deze gebieden te bevorderen met het oog op een beter kostenbeheer van bedrijven; is van mening dat een betere toegang tot nieuwe informatietechnologieën kan leiden tot de ontwikkeling van programma's voor afstandsonderwijs in gebieden met een lerarentekort, evenals elektronische gezondheidsdiensten, hetgeen ontvolking van berggebieden kan helpen voorkomen; pleit ervoor om voorbeelden van goede praktijken voor te stellen en te delen en zo bij te dragen tot de economische diversificatie van berggebieden;

66.  is verheugd over de EU-satellietvoucherregeling, op basis waarvan satellietverbindingen een bruikbaar alternatief bieden voor gebieden met ontoereikende infrastructuur of een gebrek aan belangstelling van investeerders;

67.  verzoekt de Commissie bij het opstellen van beleid voor breedbandtoegang rekening te houden met het gebrek aan infrastructuur en belangstelling van investeerders als gevolg van de geringe bevolkingsdichtheid en afgelegen ligging van berggebieden; verzoekt de Commissie specifiek beleid op te stellen voor het opheffen van de digitale kloof in deze gebieden, onder andere door de noodzakelijke overheidsinvesteringen;

68.  herinnert eraan dat de sociale en economische ontwikkeling van berggebieden, die in sommige lidstaten ook afgelegen gebieden zijn, afhangt van verkeersverbindingen tussen deze en de andere gebieden in een bepaalde lidstaat of grensoverschrijdende regio's; verzoekt de nationale autoriteiten om in samenwerking met de Commissie de tenuitvoerlegging van projecten voor vervoersconnectiviteit van berggebieden met nationale en trans-Europese hoofdverkeerswegen en vervoerscorridors, met name de vervoersinfrastructuur van TEN-T, te vergemakkelijken door gebruik te maken van verschillende EU-fondsen en financiële instrumenten, waaronder EIB-investeringen;

69.  verzoekt de Europese berggebieden om middels de EFRO-fondsen te investeren in de ontwikkeling van efficiëntere en beter verbonden spoorweg- en tramnetten;

o
o   o

70.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de Regio's en de regeringen en nationale en regionale parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(7) PB L 317 van 4.11.2014, blz. 56.
(8) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(9) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.
(10) PB L 169 van 1.7.2015, blz.1.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0109.
(12) PB C 50 E van 21.2.2012, blz. 55.
(13) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0577.
(14) PB C 55 van 12.2.2016, blz. 117.
(15) PB C 19 van 21.1.2015, blz. 32.
(16) PB C 188 E van 28.6.2012, blz. 30.
(17) PB C 305 E van 11.11.2010, blz. 14.
(18) PB C 248 van 25.8.2011, blz. 81.
(19) PB C 166 van 7.6.2011, blz. 23.

Juridische mededeling - Privacybeleid