Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 9 juni 2016 - Straatsburg
Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: technische reguleringsnormen voor de passende regelingen, systemen en procedures voor openbaar makende marktdeelnemers die marktpeilingen verrichten
 Cambodja
 Tadzjikistan, situatie van politieke gevangenen
 Vietnam
 Bevordering van het vrij verkeer door vereenvoudigde aanvaarding van bepaalde openbare documenten ***II
 Overdracht aan het Gerecht van de bevoegdheid om in eerste aanleg uitspraak te doen in zaken betreffende EU-ambtenaren ***I
 Verordening betreffende een open, efficiënt en onafhankelijk bestuur van de Europese Unie
 Concurrentievermogen van de Europese spoorwegindustrie

Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: technische reguleringsnormen voor de passende regelingen, systemen en procedures voor openbaar makende marktdeelnemers die marktpeilingen verrichten
PDF 250kWORD 66k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde van verordening van de Commissie van 17 mei 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen voor de passende regelingen, systemen en procedures voor openbaar makende marktdeelnemers die marktpeilingen verrichten (C(2016)02859 – 2016/2735(DEA))
P8_TA(2016)0273B8-0691/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2016)02859),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 18 mei 2016, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien de brief van de Commissie economische en monetaire zaken van 31 mei 2016 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie(1), en met name artikel 11, lid 9, derde alinea,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepje, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 8 juni 2016 verstreek,

A.  overwegende dat artikel 39, lid 2, van de verordening marktmisbruik bepaalt dat een aantal bepalingen, waaronder artikel 11, leden 1 tot 8, met ingang van 3 juli 2016 van toepassing zijn, en dat hierbij aansluitend ook artikel 7, lid 1, van de gedelegeerde verordening bepaalt dat deze met ingang van dezelfde datum van toepassing is;

B.  overwegende dat ESMA op grond van artikel 11, lid 9, van de verordening marktmisbruik ontwerpen van technische reguleringsnormen (TRN's) kan ontwikkelen voor het vaststellen van passende regelingen, procedures en vereisten voor het bijhouden van overzichten en voor het in acht nemen van de vereisten als opgenomen in de leden 4, 5, 6 en 8 van dat artikel; overwegende dat artikel 11, lid 9, van de verordening marktmisbruik aan de Commissie de bevoegdheid toekent om die TRN's overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad(2) (ESMA-verordening) vast te stellen;

C.  overwegende dat de Commissie de gedelegeerde verordening op 17 mei 2016 heeft goedgekeurd om invulling te geven aan bovengenoemde bevoegdheidstoekenning; overwegende dat de gedelegeerde verordening belangrijke details bevat over de procedures die marktdeelnemers bij de uitvoering van marktpeilingen moeten volgen;

D.  overwegende dat de gedelegeerde verordening aan het einde van de aan Parlement en Raad toegekende toetsingstermijn alleen in werking kan treden als Parlement noch Raad daartegen bezwaar heeft aangetekend, of als zowel Parlement als Raad voor het verstrijken van deze periode de Commissie hebben meegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken;

E.  overwegende dat de in artikel 13, lid 1, van de ESMA-verordening bepaalde toetsingstermijn drie maanden bedraagt vanaf de datum van kennisgeving van de TRN's, tenzij de door de Commissie vastgestelde TRN's identiek zijn aan de door ESMA goedgekeurde ontwerpen van TRN's, in welk geval de toetsingstermijn een maand bedraagt;

F.  overwegende dat er enkele wijzigingen zijn aangebracht in de door ESMA goedgekeurde ontwerpen van TRN's, zoals de toevoeging van twee nieuwe overwegingen en een aantal wijzigingen in artikel 3 en artikel 6, lid 3, en in de bepaling over inwerkingtreding en toepassing; overwegende dat de gedelegeerde verordening op grond van deze wijzigingen niet kan worden beschouwd als identiek aan de door ESMA goedgekeurde ontwerpen van TRN's, in de zin van artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de ESMA-verordening; overwegende dat er dus een bezwaartermijn van drie maanden geldt, zoals bepaald in artikel 13, lid 1, eerste alinea, van de ESMA-verordening, hetgeen betekent dat deze termijn op 17 augustus 2016 verstrijkt;

G.  overwegende dat een soepele en tijdige tenuitvoerlegging van het kader tegen marktmisbruik per 3 juli 2016 vereist dat de marktdeelnemers en bevoegde autoriteiten zo spoedig mogelijk, en in ieder geval vóór 3 juli 2016, de nodige voorzieningen treffen en passende systemen invoeren, en dat dit overeenkomstig de gedelegeerde verordening dient te geschieden;

H.  overwegende dat de gedelegeerde verordening daarom uiterlijk op 3 juli 2016 in werking moet treden, vóór het verstrijken van de toetsingstermijn op 17 augustus 2016;

I.  overwegende dat de bepalingen van de gedelegeerde verordening inhoudelijk aansluiten bij de doelstellingen van het Parlement, zoals deze zijn geformuleerd in de verordening marktmisbruik en vervolgens tijdens de informele dialoog in het kader van de werkzaamheden ter voorbereiding van de goedkeuring van de gedelegeerde verordening, en met name bij de wens van het Parlement dat de bevoegde autoriteiten een volledig overzicht ontvangen van alle informatie die in de loop van een marktpeiling openbaar wordt gemaakt;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1.
(2) Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).


Cambodja
PDF 177kWORD 74k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2016 over Cambodja (2016/2753(RSP))
P8_TA(2016)0274RC-B8-0753/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn vorige resoluties over Cambodja, met name die van 26 november 2015 over de politieke situatie in Cambodja(1), van 9 juli 2015 over de Cambodjaanse wetsvoorstellen inzake ngo's en vakbonden(2) en van 16 januari 2014 over de situatie van de verdedigers van rechten en oppositie-activisten in Cambodja en Laos(3),

–  gezien de plaatselijke verklaring van de EU over de politieke situatie in Cambodja van 30 mei 2016,

–  gezien het verslag van de speciale rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Cambodja van 20 augustus 2015,

–  gezien de resolutie van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties van 2 oktober 2015 over Cambodja,

–  gezien de slotopmerkingen van het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties van 27 april 2015 over het tweede periodieke verslag over Cambodja,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers uit 2008,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Cambodja van 1997,

–  gezien de door de Algemene Vergadering van de VN op 8 maart 1999 aangenomen resolutie betreffende het recht en de verantwoordelijkheid van personen, groeperingen en maatschappelijke instanties voor de bevordering en bescherming van universeel erkende mensenrechten en fundamentele vrijheden,

–  gezien de verklaring van 1 april 2016 van de speciale VN-rapporteur waarin er bij Cambodja op wordt aangedrongen de bescherming van de rechten van vrouwen en inheemse volkeren te versterken,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 2 mei 2016 van organisaties van het maatschappelijk middenveld waarin de inbeschuldigingstelling van mensenrechtenactivisten wordt veroordeeld,

–  gezien het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht,

–  gezien de grondwet van Cambodja, met name artikel 41 waarin de rechten en vrijheden van meningsuiting en vergadering zijn verankerd, artikel 35 over het recht van politieke participatie en artikel 80 over parlementaire onschendbaarheid,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er in de afgelopen paar maanden sprake was van een gestage toename van het aantal arrestaties van leden van de politieke oppositie, mensenrechtenactivisten en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld;

B.  overwegende dat premier Hun Sen al meer dan 30 jaar aan de macht is; overwegende dat Sam Rainsy, de voorzitter van de belangrijkste oppositiepartij, de CNRP, zijn zelfverkozen ballingschap voortzet vanwege vroegere vervolgingen op grond van verzonnen politiek gemotiveerde aanklachten, en tegen de waarnemend voorzitter van de CNRP, Kem Sokha, nog steeds een onderzoek loopt; overwegende dat op 22 april 2016, een officier van justitie van de rechtbank in Phnom Penh aangekondigd heeft dat CNRP-voorzitter Sam Rainsy, op grond van andere politiek gemotiveerde aanklachten vanaf 28 juli 2016 bij verstek berecht zal worden;

C.  overwegende dat Sam Rainsy op 20 november 2015 door een rechtbank is opgeroepen om te worden gehoord in verband met een post op zijn openbare Facebookpagina, geplaatst door senator Hong Sok Hour van de oppositie, die sinds augustus 2015 gevangen zit op verdenking van valsheid in geschrifte en opruiing, nadat hij op de Facebookpagina van Rainsy een video had geplaatst met daarin een beweerdelijk onjuist document met betrekking tot het grensverdrag met Vietnam uit 1979;

D.  overwegende dat op 3 mei 2016 de rechtbank in Phnom Penh Kem Sokha heeft gedagvaard in verband met een aanklacht wegens laster, tezamen met de parlementsleden Pin Ratana en Tok Vanchan, niettegenstaande het feit dat zij immuniteit genieten;

E.  overwegende dat op 12 mei 2016, de bekende politieke analist Ou Virak ook gedagvaard is op verdenking van laster, nadat hij zich had uitgesproken over de zaak Kem Sokha;

F.  overwegende dat op 2 mei 2016, politiek gemotiveerde aanklachten zijn ingediend tegen Ny Sokha, Nay Vanda, Yi Soksan, (drie toonaangevende mensenrechtenadvocaten van de Cambodjaanse mensenrechten en ontwikkelingsvereniging (ADHOC)), Ny Chakrya, voormalig medewerker van ADHOC en plaatsvervangend secretaris-generaal van de nationale verkiezingscommissie (NEC), en tegen Soen Sally, medewerker van het VN-Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens, en overwegende dat zij tot maximaal 10 jaar gevangenisstraf kunnen worden veroordeeld;

G.  overwegende dat de immuniteit van Um Sam An, lid van de oppositie in de nationale assemblee, is opgeheven en hij op 11 april 2016 gearresteerd is op grond van de verzonnen beschuldiging van "aanzetting tot het veroorzaken van chaos in de maatschappij", in verband met zijn geweldloze opvattingen over de betrekkingen tussen Cambodja en Vietnam; overwegende dat hij vervolgens is vastgehouden door de afdeling terrorismebestrijding van de politie, in staat van beschuldiging is gesteld en in verband met die aanklachten in voorlopige hechtenis is genomen;

H.  overwegende dat op 26 april 2016 de rechtbank in Phnom Penh Rong Chhun in staat van beschuldiging heeft gesteld, een voormalige vakbondsleider die momenteel lid is van de NEC, op de verzonnen politiek gemotiveerde aanklacht van aanzetting tot geweld, geweld dat door de onderdrukking van stakingen van werknemers eind december 2013 en begin januari 2014 door de veiligheidstroepen van de regering is uitgelokt; overwegende dat twee belangrijke verkiezingen zullen worden gehouden (gemeenteverkiezingen in 2017 en parlementsverkiezingen in 2018) en druk uitoefenen op de NEC een middel is van de regering om deze verkiezingen te beïnvloeden;

I.  overwegende dat op 9 mei 2016 acht mensen gearresteerd zijn die vreedzaam protesteerden tegen de aanhoudingen van de medewerkers van ADHOC, waaronder Ee Sarom, directeur van de ngo Sahmakun Teang Tnaut, Thav Khimsan, plaatsvervangend directeur van de ngo LICADHO en een Zweedse en een Duitse adviseur van LICADHO, en kort daarna zijn vrijgelaten; overwegende dat op 16 mei 2016 vijf vreedzame betogers hetzelfde is overkomen;

J.  overwegende dat de EU de belangrijkste partner van Cambodja is als het gaat om ontwikkelingshulp, en dat voor de periode 2014-2020 een bedrag van 410 miljoen EUR aan Cambodja is toegewezen; overwegende dat de EU steun verleent aan diverse mensenrechteninitiatieven van Cambodjaanse ngo's en andere maatschappelijke organisaties; overwegende dat Cambodja in hoge mate afhankelijk is van ontwikkelingshulp;

K.  overwegende dat een groep regeringsgezinde demonstranten op 26 oktober 2015 in Phnom Penh twee parlementsleden van de oppositiepartij CNRP, Nhay Chamrouen en Kong Sakphea, hebben aangevallen en de veiligheid van de privéwoning van de eerste vicevoorzitter van de nationale assemblee hebben bedreigd; overwegende dat uit verslagen blijkt dat de politie en andere staatsveiligheidstroepen hierbij enkel toekeken; overwegende dat in verband met deze aanvallen aanhoudingen zijn verricht maar dat mensenrechtenngo's in Cambodja hun bezorgdheid hebben geuit dat de echte daders nog steeds op vrije voeten zijn;

L.  overwegende dat de afkondiging van de wet inzake verenigingen en niet-gouvernementele organisaties (LANGO) ondanks algemene kritiek vanuit het maatschappelijk middenveld en de internationale gemeenschap, ertoe heeft geleid dat overheidsorganen de bevoegdheid hebben naar eigen inzicht bestaande mensenrechtenorganisaties en de oprichting van nieuwe mensenrechtenorganisaties te verbieden, en er nu reeds voor zorgt dat activiteiten op het gebied van de mensenrechten in Cambodja en acties van maatschappelijke organisaties onmogelijk worden gemaakt;

M.  overwegende dat sinds de goedkeuring in 2015 van de wet inzake verenigingen en niet-gouvernementele organisaties (LANGO) de autoriteiten toestemming hebben geweigerd voor grootschalige, door ngo's geleide, publieke voorlichtingscampagnes, en de afgelopen maanden evenementen in verband met Wereld Habitat Dag, de Internationale Dag van de Rechten van de Mens, Internationale Vrouwendag en de internationale Dag van de Arbeid, allemaal, net zoals andere manifestaties, in meer of mindere mate zijn verstoord door politietroepen;

N.  overwegende dat op 12 april 2016 de Cambodjaanse senaat de wet inzake de vakbonden heeft aangenomen waarbij nieuwe beperkingen zijn gesteld aan het recht van vereniging van werknemers, en nieuwe arbitraire bevoegdheden zijn toegekend aan overheidsinstanties om de uitoefening van dit recht van vereniging door vakbonden te onderdrukken;

1.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het verslechterende klimaat voor politici van de oppositie en mensenrechtenactivisten in Cambodja en veroordeelt alle daden van geweld en politiek gemotiveerde aanklachten tegen hen en de willekeurige detenties, ondervragingen, vonnissen en veroordelingen van deze personen;

2.  betreurt de escalatie van politiek gemotiveerde aanklachten en juridische pesterijen van mensenrechtenverdedigers en activisten, en met name de politiek gemotiveerde aanklachten, vonnissen en veroordelingen in verband met de legitieme werkzaamheden van activisten, politieke dissidenten en mensenrechtenactivisten in Cambodja;

3.  dringt er bij de Cambodjaanse autoriteiten op aan het bevel tot aanhouding van en alle aanklachten tegen oppositieleider Sam Rainsy en CNRP-leden van de nationale assemblee en senaat, waaronder senator Hong Sok Hour, in te trekken; verzoekt om de onmiddellijke vrijlating van vijf mensenrechtenactivisten die nog in voorlopige hechtenis zitten, namelijk Ny Sokha, Nay Vanda, Yi Soksan, Lim Mony en Ny Chakra, en deze politici, activisten en verdedigers van mensenrechten in staat te stellen hun werkzaamheden vrij en zonder angst voor aanhouding of vervolging te laten verrichten, en aan het politieke gebruik van de rechtbanken om mensen te vervolgen op grond van politiek gemotiveerde en verzonnen aanklachten, een einde te maken; verzoekt de nationale assemblee om Sam Rainsy, Um Sam An en Hong Sok Hour onmiddellijk weer als lid zitting te laten nemen en hun parlementaire immuniteit in ere te herstellen;

4.  dringt er bij de Cambodjaanse autoriteiten op aan alle politiek gemotiveerde aanklachten en andere strafrechtelijke procedures tegen ADHOC en andere Cambodjaanse mensenrechtenactivisten in te trekken, aan alle dreigende toepassingen van de repressieve bepalingen van LANGO en andere pogingen om mensenrechtenactivisten en -organisaties, nationaal en internationaal te intimideren en lastig te vallen, een einde te maken, en onmiddellijk en onvoorwaardelijk al degenen die op grond van politiek gemotiveerde en verzonnen aanklachten gevangen worden gehouden, vrij te laten;

5.  verzoekt de regering van Cambodja met klem de legitieme en nuttige rol die het maatschappelijk middenveld, de vakbonden en de politieke oppositie vervullen in de algemene economische en politieke ontwikkeling van Cambodja te erkennen;

6.  dringt er bij de regering op aan te werken aan versterking van de democratie en de rechtsstaat, en de mensenrechten en fundamentele rechten te eerbiedigen, hetgeen ook inhoudt dat de grondwettelijke bepalingen die pluralisme en vrijheid van vereniging en meningsuiting garanderen, ten volle moeten worden nageleefd;

7.  herinnert eraan dat een veilige omgeving voor het voeren van een democratische dialoog essentieel is voor politieke stabiliteit, democratie en een vreedzame samenleving in Cambodja en dringt er bij de regering op aan alle maatregelen te nemen die nodig zijn om de veiligheid van alle democratisch gekozen vertegenwoordigers van Cambodja, van welke politieke overtuiging dan ook, te garanderen;

8.  is ingenomen met de hervorming van de NEC via een amendement op de grondwet, als gevolg van het akkoord in juli 2014 tussen de Cambodjaanse Volkspartij (CPP) en de CNRP over verkiezingshervormingen; wijst erop dat de NEC nu bestaat uit vier vertegenwoordigers van de CPP en vier van de CNRP, en een vertegenwoordiger van het maatschappelijk middenveld;

9.  dringt er bij de regering op aan om in samenwerking met de Verenigde Naties een grondig en onpartijdig onderzoek uit te voeren, teneinde alle personen voor de rechter te brengen die verantwoordelijk zijn voor de recente brute aanval op de twee CNRP-leden van de nationale assemblee door leden van de strijdkrachten en voor het buitensporige geweld dat door het leger en de politie is gebruikt om een einde te maken aan demonstraties, stakingen en sociale onrust;

10.  verzoekt de Cambodjaanse autoriteiten alle aanklachten tegen voormalige vakbondsleiders en het lid van de NEC, Rong Chhun, in te trekken;

11.  verzoekt de lidstaten, de vicevoorzitter van de Commissie/de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Commissie om duidelijke benchmarks vast te stellen voor de komende verkiezingen in Cambodja, overeenkomstig het internationaal recht inzake de vrijheid van meningsuiting, van vereniging en vergadering, en deze benchmarks publiekelijk bekend te maken aan de Cambodjaanse autoriteiten en de oppositie; verzoekt de EDEO de omvang van de financiële bijstand van de EU afhankelijk te stellen van verbeteringen van de mensenrechtensituatie in het land;

12.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de nieuwe vakbondswet; dringt er bij de regering op aan de vakbondswet, de LANGO en soortgelijke wetten in te trekken die fundamentele vrijheden beperken en de uitoefening van mensenrechten in het gedrang brengen; dringt er bij de regering op aan ervoor te zorgen dat alle wetgeving die relevant is voor de mensenrechten overeenstemt met de grondwet van Cambodja en internationale normen;

13.  dringt er bij de Cambodjaanse regering op aan een einde te maken aan alle gedwongen uitzettingen en landroof en ervoor te zorgen dat uitzettingen plaatsvinden in volledige overeenstemming met internationale normen;

14.  wijst op het belang van een verkiezingswaarnemingsmissie van de EU en de bijdrage daarvan aan eerlijke en vrije verkiezingen; verzoekt de NEC en de betreffende overheidsinstanties ervoor te zorgen dat alle kiesgerechtigden, inclusief migrantenwerknemers en gevangenen, de mogelijkheid en de tijd krijgen om zich te registreren;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en de nationale assemblee van Cambodja.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0413.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0277.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0044.


Tadzjikistan, situatie van politieke gevangenen
PDF 179kWORD 76k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2016 over Tadzjikistan: situatie van politieke gevangen (2016/2754(RSP))
P8_TA(2016)0275RC-B8-0755/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 7, 8 en 9 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien zijn resolutie van 17 september 2009 over de sluiting van een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds(1),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over de staat van de uitvoering van de EU-strategie voor Centraal-Azië(2),

–  gezien de conclusies van de Raad van 22 juni 2015 over de EU-strategie voor Centraal-Azië,

–  gezien zijn resolutie van 13 april 2016 over de tenuitvoerlegging en herziening van de EU-strategie voor Centraal-Azië(3),

–  gezien de EU-verklaring van 18 februari 2016 aan de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa over strafrechtelijke procedures in Tadzjikistan jegens de Partij voor Islamitische Wedergeboorte van Tadzjikistan (IRPT),

–  gezien de conclusies van 18 september 2015 van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor Centraal-Azië over zijn bezoek aan Tadzjikistan,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 3 juni 2016 over de veroordeling door het Tadzjieks Hooggerechtshof van vicepartijleiders van de Partij voor Islamitische Wedergeboorte tot levenslange opsluiting,

–  gezien de inleidende opmerkingen van 9 maart 2016 die door de speciale VN-rapporteur voor het recht op vrijheid van mening en meningsuiting zijn bekendgemaakt aan het einde van zijn bezoek aan Tadzjikistan,

–  gezien de aanbevelingen op grond van de universele periodieke doorlichting die Tadzjikistan tijdens de 25e vergadering van de VN-Mensenrechtenraad op 6 mei 2016 heeft gekregen,

–  gezien de jaarlijkse mensenrechtendialogen tussen de EU en Tadzjikistan,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarin de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging, het recht van het individu op eerbiediging van het privéleven en gezinsleven en het recht op gelijkheid worden gewaarborgd en discriminatie bij de uitoefening van die rechten wordt verboden,

–  gezien de regionale conferentie ter preventie van foltering van 27 t/m 29 mei 2014 en de regionale conferentie over de rol van de samenleving bij de preventie van foltering van 31 mei t/m 2 juni 2016,

–  gezien het actieplan van Tadzjikistan van augustus 2013 voor de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van het Comité tegen foltering,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Europees Parlement op 17 september 2009 zijn goedkeuring heeft gegeven voor een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Tadzjikistan; overwegende dat de PSO in 2004 is ondertekend en op 1 januari 2010 in werking is getreden; overwegende dat met name in artikel 2 van de PSO wordt gesteld dat "de eerbiediging van democratische beginselen, grondrechten en mensenrechten [...] de basis vormt van het interne en externe beleid van de partijen en een essentieel onderdeel is van deze overeenkomst";

B.  overwegende dat de samenwerking tussen de EU en Tadzjikistan sinds 1992 is uitgebreid naar een groot aantal domeinen, onder meer mensenrechten en democratie, die het fundament vormen van elk partnerschap;

C.  overwegende dat de EU wezenlijk belang heeft bij een verhoogde samenwerking op het vlak van politiek, economie en veiligheid, alsook bij samenwerking op het gebied van duurzame ontwikkeling en vrede met de Centraal-Aziatische regio via sterke en open betrekkingen tussen de EU en Tadzjikistan op basis van de rechtsstaat, democratie en mensenrechten;

D.  overwegende dat Aboebakr Azizchodzjaev, een bekende zakenman en criticus van de regering, sinds februari 2016 in hechtenis zit na kritische uitingen van bezorgdheid over corrupte handelspraktijken; overwegende dat hij overeenkomstig artikel 189 van het Strafwetboek van Tadzjikistan is beschuldigd van het aanzetten tot nationale, raciale, regionale of religieuze haat;

E.  overwegende dat leden van de Tadzjiekse politieke oppositie systematisch in het vizier worden genomen; overwegende dat de Partij voor Islamitische Wedergeboorte (IRPT) in september 2015 is verboden nadat ze in verband werd gebracht met een mislukte staatsgreep eerder die maand, geleid door een generaal, Abdoechalim Nazarzoda, die samen met 37 van zijn aanhangers werd gedood; overwegende dat al ongeveer 200 leden van de IRPT door de autoriteiten zijn gearresteerd;

F.  overwegende dat het Hooggerechtshof in februari 2016 is gestart met de behandeling van rechtszaken tegen 13 leden van de politieke raad van de IRPT, alsook tegen vier andere aan de partij gelieerde personen, die zijn beschuldigd van het misdrijf "extremisme" wegens hun vermeende betrokkenheid bij de aanvallen van september 2015; overwegende dat vele IRPT-leden zijn gearresteerd en dat hen strafrechtelijke procedures zonder garantie op een eerlijk proces te wachten staan; overwegende dat Zajd Saidov, een zakenman en bekend figuur uit de oppositie, werd veroordeeld tot 29 jaar gevangenisstraf ten gevolge van vervolgingen die te maken hebben met zijn deelname aan de presidentsverkiezingen van november 2013; overwegende dat Oemarali Koevvatov in maart 2015 werd gedood in Istanboel en dat een andere activist, Maksoed Ibragimov, in Rusland werd neergestoken en ontvoerd, waarna hij werd teruggebracht naar Tadzjikistan en in juli 2015 werd veroordeeld tot 17 jaar gevangenisstraf;

G.  overwegende dat Machmadali Chait en Saidoemar Choesajni, vicepartijleiders van de verboden IRPT, door het Hooggerechtshof in Doesjanbe op 2 juni 2016 zijn veroordeeld tot levenslange opsluiting op beschuldiging van het organiseren van een poging tot staatsgreep in 2015; overwegende dat elf andere IRPT-leden zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen; overwegende dat drie familieleden van IRPT-leider Moechiddin Kabiri in hechtenis zijn genomen wegens het verzuim een niet nader gespecifieerd misdrijf te melden; overwegende dat de gerechtelijke procedures niet transparant zijn verlopen en dat de rechten van de beschuldigden op een eerlijk proces zijn geschonden;

H.  overwegende dat verscheidene advocaten die zich kandidaat hebben gesteld om op te treden als advocaat van de verdediging voor IRPT-beklaagden doodsbedreigingen hebben ontvangen en zijn gearresteerd, aangehouden en gevangengenomen; overwegende dat de arrestaties van Boezoergmechr Jorov, Nodira Dodajanova, Noeriddin Machamov, Sjoechrat Koedratov en Firoez en Daler Tabarov grote bezorgdheid wekken met betrekking tot de naleving van internationale normen inzake de onafhankelijkheid van advocaten, geheime processen en beperkte toegang tot rechtsbijstand; overwegende dat ook verscheidene journalisten zijn aangehouden, lastiggevallen en geïntimideerd; overwegende dat vrijheid van meningsuiting, toegang tot de media en politiek en ideologisch pluralisme, onder meer op het gebied van godsdienst, moeten worden erkend in overeenstemming met de grondwet van Tadzjikistan;

I.  overwegende dat de wet inzake de "Advokatoera" van 2015 de advocatuur voor de verdediging verplicht tot een volledige hercertificering en een aantal beperkingen invoert met betrekking tot wie de advocatuur mag beoefenen, waardoor mogelijke inmenging in de onafhankelijkheid van het werk van advocaten in de hand wordt gewerkt;

J.  overwegende dat recente wijzigingen in de wet op openbare verenigingen, die in 2015 in werking is getreden, hindernissen opwerpen voor de werking van het maatschappelijk middenveld door ngo's op te leggen hun financiële bronnen openbaar te maken;

K.  overwegende dat de verkiezingswaarnemingsdelegatie van het Europees Parlement voor de parlementsverkiezingen in Tadzjikistan op 2 maart 2015 in haar verklaring op grote gebreken heeft gewezen;

L.  overwegende dat de pers, websites, de sociale media en internetproviders in Tadzjikistan moeten werken in een restrictief klimaat waarin zelfcensuur schering en inslag is; overwegende dat de regering restrictieve mediawetgeving en -regelgeving gebruikt om onafhankelijke verslaggeving aan banden te leggen en regelmatig uitingen in de online media en de sociale media blokkeert;

M.  overwegende dat de speciale VN-rapporteur voor foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing in zijn follow-upverslag voor zijn bezoek aan Tadzjikistan in februari 2014 uiting heeft gegeven aan zijn bezorgdheid met betrekking tot bestaande praktijken van foltering, mishandeling en straffeloosheid;

N.  overwegende dat de plaats van Tadzjikistan in de corruptie-index zorgwekkend hoog blijft;

O.  overwegende dat het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) een belangrijk financieringsinstrument vormt, gericht op de ondersteuning van de rechtsstaat, goed bestuur en de mensenrechten, zowel in het land als in de regio;

P.  overwegende dat in Tadzjikistan op 22 mei 2016 een referendum is gehouden over wijzigingen aan de grondwet waardoor president Emomali Rachmon zich onbeperkt kandidaat kan stellen voor herverkiezing;

1.  dringt aan op de vrijlating van al wie in hechtenis zit op basis van politiek gemotiveerde beschuldigingen, met inbegrip van onder meer Aboebakr Azizchodzjaev, Zajd Saidov, Maksoed Ibragimov, de vicepartijleiders van de IRPT Machmadali Chait en Saidoemar Choesajni, alsook elf andere IRPT-leden;

2.  vraagt de Tadzjiekse autoriteiten met klem om de veroordelingen van advocaten en pleiters te vernietigen en hen vrij te laten, met inbegrip van onder meer Boezoergmechr Jorov, Nodira Dodajanova, Noeriddin Machamov, Sjoechrat Koedratov en Firoez en Daler Tabarov;

3.  benadrukt het belang van betrekkingen tussen de EU en Tadzjikistan en van een versterkte samenwerking op alle domeinen; onderstreept het belang dat de EU heeft bij duurzame betrekkingen met Tadzjikistan in termen van politieke en economische samenwerking; benadrukt dat politieke en economische betrekkingen met de EU sterk gekoppeld zijn aan het delen van de waarden met betrekking tot de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden die de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst voorstaat;

4.  maakt zich ernstige zorgen over de toename van het aantal aanhoudingen en arrestaties van mensenrechtenadvocaten, leden van de politieke oppositie en hun verwanten, alsook over beperkingen van de mediavrijheid en de communicatie via het internet en via mobiele netwerken, alsook de beknotting van religieuze uitingen;

5.  dringt er bij de Tadzjiekse autoriteiten op aan advocaten voor de verdediging en politieke figuren eerlijke, open en transparante processen te bieden, te zorgen voor materiële bescherming en procedurele waarborgen in overeenstemming met de internationale verplichtingen van Tadzjikistan, en toestemming te verlenen aan internationale organisaties om alle gemelde schendingen van de mensenrechten en de menselijke waardigheid opnieuw te onderzoeken; dringt erop aan dat al wie in hechtenis zit of is aangehouden toegang wordt verleend tot onafhankelijke rechtsbijstand, samen met het recht om hun familieleden regelmatig te ontmoeten; herinnert eraan dat er voor elk geveld vonnis duidelijke bewijzen moeten worden voorgelegd om de aanklacht tegen de beklaagde te rechtvaardigen;

6.  verzoekt de Tadzjiekse regering oppositiegroeperingen toe te staan vrij te handelen en de vrijheid van vergadering, vereniging, meningsuiting en godsdienst uit te oefenen, in overeenstemming met de internationale normen inzake mensenrechten en de grondwet van Tadzjikistan;

7.  benadrukt dat de legitieme strijd tegen terrorisme en gewelddadig extremisme niet mag worden gebruikt als voorwendsel om oppositieactiviteiten te beteugelen, de vrijheid van meningsuiting te belemmeren of de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te ondermijnen; wijst erop dat de fundamentele vrijheden van alle Tadzjiekse burgers moet worden gegarandeerd, en dat de rechtsstaat moet worden gehandhaafd;

8.  verzoekt het Tadzjiekse parlement rekening te houden met de standpunten van onafhankelijke media en van het maatschappelijk middenveld bij de behandeling van de voorgestelde wijzigingen in de wet inzake de media met betrekking tot mediavergunningen; verzoekt de Tadzjiekse autoriteiten te stoppen met het blokkeren van nieuwswebsites;

9.  verzoekt de Tadzjiekse autoriteiten het internationaal recht na te leven, met name met betrekking tot de wet op openbare verenigingen en de wet inzake de balie en de beoefening van de advocatuur; verzoekt de Tadzjiekse regering ervoor te zorgen dat alle advocaten, met inbegrip van de advocaten die de verdediging opnemen van mensenrechtenactivisten, IRPT-leden, slachtoffers van foltering en cliënten die beschuldigd worden van extremisme, in staat zijn hun werk in alle vrijheid te verrichten, zonder angst voor bedreigingen of pesterijen;

10.  is verheugd over een aantal positieve maatregelen van de Tadzjiekse regering, zoals de decriminalisering van laster en beledigingen in 2012, en dringt aan op een behoorlijke tenuitvoerlegging van het Strafwetboek van het land; is ingenomen met de wetgeving waarmee wijzigingen worden aangebracht in het wetboek van strafvordering en de wet inzake procedures en voorwaarden voor de detentie van verdachten, beschuldigde personen en beklaagden, en verzoekt de Tadzjiekse autoriteiten ervoor te zorgen dat deze wetgevingsbepalingen onverwijld ten uitvoer worden gelegd;

11.  is verheugd over de jaarlijkse mensenrechtendialogen tussen de EU en Tadzjikistan, waarin tevens aandacht moet worden besteed aan de inhoud van deze resolutie; onderstreept het belang van doeltreffende en resultaatgerichte mensenrechtendialogen tussen de EU en de Tadzjiekse autoriteiten als een instrument om een dooi te bevorderen in de politieke situatie van het land en uitgebreide hervormingen te helpen opstarten;

12.  dringt er bij de EU, en met name bij de Europese Dienst voor extern optreden, op aan om nauw toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van de rechtsstaat in Tadzjikistan, in het bijzonder het recht op vereniging en het recht om politieke partijen op te richten, in de context van de komende parlementsverkiezingen in 2020, om waar nodig bezorgdheden te uiten bij de Tadzjiekse autoriteiten, om bijstand te bieden en om regelmatig verslag uit brengen in het Parlement; verzoekt de EU-delegatie in Doesjanbe een actieve rol te blijven spelen;

13.  spoort de autoriteiten van Tadzjikistan aan voor een behoorlijke follow-up en tenuitvoerlegging te zorgen van de aanbevelingen op grond van de universele periodieke doorlichting;

14.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het wijdverspreide gebruik van foltering, en dringt er bij de Tadzjiekse regering op aan gevolg te geven aan haar actieplan van augustus 2013 voor de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van het Comité tegen foltering;

15.  neemt kennis van de conclusies van de waarnemingsmissie die door het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten naar Tadzjikistan is gestuurd voor de verkiezingen van 1 maart 2015, waarin wordt verklaard dat deze verkiezingen "plaatsvonden in een beperkte politieke ruimte en niet in staat zijn gebleken gelijke voorwaarden te creëren voor alle kandidaten", en verzoekt de Tadzjiekse autoriteiten alle aanbevelingen uit deze conclusies te gepasten tijde aan de orde te stellen;

16.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor Centraal-Azië, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de VN-Mensenrechtenraad, de regering van Tadzjikistan en Emomali Rachmon, de president van Tadzjikistan.

(1) PB C 224 E van 19.8.2010, blz. 12.
(2) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 91.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0121.


Vietnam
PDF 185kWORD 81k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2016 over Vietnam (2016/2755(RSP))
P8_TA(2016)0276RC-B8-0754/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in Vietnam,

–  gezien de verklaring van 18 december 2015 van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden over de arrestatie van advocaat Nguyễn Văn Đài,

–  gezien de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van de EU van 7 maart 2016,

–  gezien de op 13 mei 2016 in Genève gegeven persverklaring van de woordvoerder van de Hoge VN-Commissaris voor de mensenrechten over Turkije, Gambia en Vietnam,

–  gezien de verklaring van 3 juni 2016 van de speciale VN-rapporteur voor vrijheid van godsdienst of geloofsovertuiging, Heiner Bielefeldt, en de speciale VN-rapporteur inzake foltering, Juan E. Méndez, gesteund door de speciale VN-rapporteur voor de situatie van mensenrechtenactivisten, Michel Forst, de speciale VN-rapporteur voor het recht op vreedzame vergadering en vereniging, Maina Kiai, de speciale VN-rapporteur voor de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting, David Kaye, de speciale VN-rapporteur inzake geweld tegen vrouwen en de oorzaken en gevolgen ervan, Dubravka Šimonović, alsmede de werkgroep inzake willekeurige detentie,

–  gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Vietnam die op 27 juni 2012 werd ondertekend en de jaarlijkse mensenrechtendialoog tussen de EU en de regering van Vietnam, die laatstelijk op 15 december 2015 is gehouden,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) waarbij Vietnam sinds 1982 partij is,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen waarbij Vietnam als staat sinds 1982 partij is,

–  gezien het VN-Verdrag tegen foltering, dat Vietnam in 2015 heeft geratificeerd,

–  gezien de uitslag van de universele periodieke toetsing inzake Vietnam van de VN-Mensenrechtenraad van 28 januari 2014,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU Vietnam als een belangrijke partner in Azië beschouwt; overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Vietnam in 2015 25 jaar bestonden; overwegende dat deze betrekkingen zich snel hebben uitgebreid van handel en hulp naar andere beleidsterreinen;

B.  overwegende dat Vietnam sinds 1975 een eenpartijstaat is, waar de Communistische Partij van Vietnam (CPV) geen bedreiging van haar leiderschap duldt en de controle over de Nationale Assemblee en de rechterlijke macht in handen heeft;

C.  overwegende dat de Vietnamese autoriteiten met harde hand hebben gereageerd op een reeks demonstraties die in mei 2016 in verschillende delen van het land plaatsvonden en georganiseerd waren naar aanleiding van een milieuramp die de visstand van het land gedecimeerd heeft;

D.  overwegende dat een Vietnamese advocaat en mensenrechtenactivist, Lê Thu Hà, op 16 december 2015 werd gearresteerd, samen met een prominente medestander, mensenrechtenadvocaat Nguyễn Văn Đài, die werd aangehouden wegens het verspreiden van propaganda tegen de staat; overwegende dat mensenrechtenactivist Trần Minh Nhật op 22 februari 2016 door een politieagent werd aangevallen in zijn huis in het district Lâm Hà in de provincie Lâm Đồng; overwegende dat Trần Huỳnh Duy Thức, die in 2009 gevangen werd gezet na een rechtszaak waarbij geen sprake was van noemenswaardige verdediging, tot 16 jaar gevangenisstraf is veroordeeld, gevolgd door vijf jaar huisarrest; overwegende dat de afnemende gezondheid van de boeddhistische dissident Thích Quảng Độ, die onder huisarrest staat, een reden voor ernstige bezorgdheid is;

E.  overwegende dat onafhankelijke politieke partijen, vakbonden en mensenrechtenorganisaties in Vietnam verboden zijn en dat er officiële toestemming nodig is voor publieke bijeenkomsten; overwegende dat er bij sommige vreedzame protesten een grote politie-opkomst was en dat prominente activisten huisarrest opgelegd kregen, terwijl andere demonstraties uiteengejaagd werden of simpelweg verboden;

F.  overwegende dat de uitvoerige politiemaatregelen om deelname aan demonstraties te voorkomen of te bestraffen, zijn uitgemond in talloze mensenrechtenschendingen zoals foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, alsmede schending van het recht op vreedzame vergadering en op vrijheid van beweging; overwegende dat de omstandigheden en de behandeling in gevangenissen zwaar zijn en dat er in 2015 naar verluidt ten minste zeven gevangenen in politiebewaring overleden zijn, mogelijk als gevolg van foltering door de politie of andere vormen van mishandeling;

G.  overwegende dat Vietnam weliswaar 182 van de 227 aanbevelingen die de VN-Mensenrechtenraad in zijn periodieke verslag van juni 2014 had gedaan, heeft aangenomen, maar aanbevelingen zoals de vrijlating van politieke gevangenen en personen die zonder tenlastelegging of proces worden vastgehouden, een wetsherziening om een einde te maken aan politieke gevangenschap, de oprichting van een onafhankelijke nationale mensenrechteninstantie en andere maatregelen ter bevordering van inspraak van de bevolking, heeft verworpen; overwegende dat Vietnam evenwel onlangs internationale mensenrechtengroeperingen heeft toegestaan vertegenwoordigers van de oppositie en overheidsambtenaren te ontmoeten, voor het eerst sinds het einde van de Vietnamoorlog;

H.  overwegende dat Vietnam vasthoudt aan het gebruik van vaag geformuleerde bepalingen inzake de "nationale veiligheid" in het wetboek van strafrecht, zoals "propaganda tegen de staat", "ondermijning" en "misbruik van democratische vrijheden", om politieke dissidenten, mensenrechtenactivisten en veronderstelde critici van de regering te belasten en de mond te snoeren;

I.  overwegende dat een correspondent van de BBC, Jonathan Head, in mei 2016 naar verluidt geen toestemming kreeg om verslag te doen van het bezoek van president Obama aan Vietnam en zijn accreditatie moest inleveren, zonder dat hiervoor een officiële reden werd opgegeven; overwegende dat Kim Quốc Hoa, voormalig hoofdredacteur van de krant Người Cao Tuổi, begin 2015 zijn perskaart moest inleveren en later op grond van artikel 258 van het wetboek van strafrecht vervolgd werd wegens misbruik van democratische vrijheden, nadat de krant de namen van een aantal corrupte ambtenaren had onthuld;

J.  overwegende dat Vietnam op plaats 175 van de 180 staat in de wereldwijde index van de persvrijheid 2016 van Verslaggevers zonder grenzen, aangezien de pers en de media worden gecontroleerd door de CPV, het leger of andere regeringsorganen; overwegende dat decreet 72 van 2013 uitlatingen in blogs en via de sociale media nog sterker inperkt en dat decreet 174 van 2014 in strenge straffen voorziet voor gebruikers van sociale media en internet die "propaganda tegen de staat" of "reactionaire ideologieën" verkondigen;

K.  overwegende dat de vrijheid van godsdienst of geloofsovertuiging wordt onderdrukt en dat veel religieuze minderheden te lijden hebben onder religieuze vervolging, zoals leden van de katholieke kerk en niet-erkende godsdiensten, bijvoorbeeld de Verenigde Boeddhistische Kerk van Vietnam, verschillende protestantse kerken alsmede leden van de etno-religieuze Montagnard-minderheid, zoals is vastgesteld door de speciale VN-rapporteur voor vrijheid van godsdienst of geloofsovertuiging tijdens zijn bezoek aan Vietnam;

L.  overwegende dat Vietnam in april 2016 een wet inzake de toegang tot informatie en een gewijzigde perswet heeft aangenomen die de vrijheid van meningsuiting beperken en de censuur versterken, alsmede bepalingen die demonstraties buiten de rechtbank tijdens rechtszaken verbieden;

M.  overwegende dat Vietnam op de Gender Gap Index van het Wereld Economisch Forum van plaats 42 in 2007 gezakt is naar plaats 83 in 2015, en dat het Comité tot uitbanning van discriminatie van de vrouw van de VN de Vietnamese autoriteiten bekritiseerd heeft omdat zij het concept van algemene gendergelijkheid kennelijk niet begrijpen; overwegende dat er weliswaar een zekere vooruitgang te zien is, maar dat huiselijk geweld, handel in vrouwen en meisjes, prostitutie, hiv/aids en schendingen van de seksuele en reproductieve rechten nog steeds een probleem vormen in Vietnam;

N.  overwegende dat de overeenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking gericht is op een modern, breed en wederzijds voordelig partnerschap, dat gebaseerd is op gedeelde belangen en beginselen als gelijkheid, wederzijds respect, de rechtsstaat en mensenrechten;

O.  overwegende dat de EU Vietnam heeft geprezen wegens de aanhoudende vooruitgang op het gebied van sociaaleconomische rechten maar tevens haar blijvende bezorgdheid heeft uitgesproken over de situatie omtrent de politieke en burgerrechten; overwegende dat de EU evenwel in de jaarlijkse mensenrechtendialoog de beperking van de vrijheid van meningsuiting, de mediavrijheid en de vrijheid van vergadering aan de orde heeft gesteld;

P.  overwegende dat de EU de grootste exportmarkt van Vietnam is; overwegende dat de EU samen met haar lidstaten de grootste donor is van officiële ontwikkelingshulp aan Vietnam en overwegende dat de EU-begroting voor dit doel met 30 % zal worden verhoogd tot 400 miljoen EUR in de periode 2014-2020;

1.  is ingenomen met het nauwere partnerschap en de mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam; juicht de ratificatie van het VN-Verdrag tegen foltering door Vietnam in 2015 toe;

2.  verzoekt de Vietnamese regering onmiddellijk een einde te maken aan alle pesterij, intimidatie en vervolging van mensenrechten-, maatschappij- en milieuactivisten; dringt erop aan dat de regering het recht van deze activisten op vreedzaam protest eerbiedigt en alle personen vrijlaat die nog steeds ten onrechte worden vastgehouden; verzoekt om onmiddellijke vrijlating van alle activisten die ten onrechte zijn gearresteerd en gevangen gezet, zoals Lê Thu Hà, Nguyễn Văn Đài, Trần Minh Nhật, Trần Huỳnh Duy Thức en Thích Quảng Độ;

3.  spreekt zijn grote bezorgdheid uit over het toenemende geweld tegen Vietnamese demonstranten die blijk geven van hun woede over de massale vissterfte langs de centrale kust van het land; verzoekt om publicatie van de resultaten van het onderzoek naar deze milieuramp en om het ter verantwoording roepen van de schuldigen; verzoekt de Vietnamese regering het recht op vrijheid van vergadering te eerbiedigen, overeenkomstig zijn internationale mensenrechtenverplichtingen;

4.  veroordeelt de veroordeling en strenge bestraffing van journalisten en bloggers in Vietnam zoals Nguyễn Hữu Vinh en zijn collega Nguyễn Thị Minh Thúy, alsmede Đặng Xuân Diệu, en dringt aan op hun vrijlating;

5.  betreurt de voortdurende schendingen van de mensenrechten in Vietnam, inclusief politieke intimidatie, pesterijen, geweldplegingen, willekeurige arrestaties, zware gevangenisstraffen en oneerlijke processen jegens politieke activisten, journalisten, bloggers, dissidenten en mensenrechtenactivisten, zowel online als offline, die duidelijk in strijd zijn met de internationale verplichtingen van Vietnam op het vlak van de mensenrechten;

6.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de Nationale Assemblee een wet inzake vereniging en een wet inzake geloofsovertuiging en godsdienst overweegt die in strijd zijn met de internationale normen betreffende vrijheid van vereniging en vrijheid van godsdienst of geloofsovertuiging;

7.  dringt er bij Vietnam op aan de samenwerking met mensenrechtenmechanismen verder op te voeren en de naleving van verslagleggingsmechanismen voor verdragsorganen te verbeteren; pleit andermaal voor vooruitgang bij de uitvoering van de aanbevelingen van de universele periodieke toetsing;

8.  herhaalt zijn pleidooi voor herziening van specifieke artikelen in het Vietnamese wetboek van strafrecht die worden gebruikt om de vrijheid van meningsuiting te onderdrukken; acht het betreurenswaardig dat er onder de 18 000 gevangenen aan wie op 2 september 2015 amnestie werd verleend, geen politieke gevangenen waren; veroordeelt de omstandigheden in Vietnamese gevangenissen en dringt erop aan dat de Vietnamese autoriteiten onbeperkte toegang tot rechtsbijstand garanderen;

9.  dringt er bij de Vietnamese regering op aan doeltreffende verantwoordingsmechanismen in te stellen voor de politie en de veiligheidsdiensten, met het doel een einde te maken aan wandaden jegens gevangenen;

10.  verzoekt de autoriteiten een einde te maken aan religieuze vervolging en de wet inzake de status van religieuze gemeenschappen te wijzigen met het doel de wettelijke status van niet-erkende religies opnieuw vast te stellen; verzoekt Vietnam het vijfde wetsontwerp inzake geloofsovertuiging en godsdienst, dat momenteel door de Nationale Assemblee wordt behandeld, in te trekken en een nieuw ontwerp voor te leggen dat aansluit bij de verplichtingen van Vietnam krachtens artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten; dringt aan op de vrijlating van religieuze leiders, waaronder dominee Nguyễn Công Chính, Trần Thị Hồng en Ngô Hào;

11.  dringt erop aan dat Vietnam discriminatie van vrouwen bestrijdt door wetgeving tegen mensenhandel in te voeren en doeltreffende maatregelen te nemen om huiselijk geweld en schendingen van reproductieve rechten terug te dringen;

12.  prijst Vietnam om zijn leidende rol in Azië bij de ontwikkeling van de rechten van lesbiennes, homo's, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI), met name de onlangs aangenomen wet inzake huwelijk en gezin, die huwelijksceremonies voor personen van hetzelfde geslacht toestaat;

13.  verzoekt de Intergouvernementele Commissie inzake mensenrechten van de ASEAN de toestand van de mensenrechtensituatie in Vietnam te onderzoeken, met speciale aandacht voor de vrijheid van meningsuiting, en het land aanbevelingen te doen;

14.  verzoekt de Vietnamese regering een permanente uitnodiging te richten tot de speciale procedures van de VN, en met name tot de speciale VN-rapporteur voor vrijheid van meningsuiting en de speciale VN-rapporteur voor de situatie van mensenrechtenactivisten;

15.  dringt erop aan dat de EU haar politieke dialoog met Vietnam in het kader van de brede partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst uitbreidt;

16.  verzoekt de EU-delegatie alle passende instrumenten in te zetten om de Vietnamese regering bij deze stappen te begeleiden en mensenrechtenactivisten te steunen en te beschermen; benadrukt het belang van een mensenrechtendialoog tussen de EU en de Vietnamese autoriteiten, met name als deze dialoog gevolgd wordt door concrete maatregelen; benadrukt dat deze dialoog doeltreffend en resultaatgericht moet zijn;

17.  erkent de inspanningen van de Vietnamese regering bij het verbeteren van de betrekkingen tussen de EU en de ASEAN en haar steun voor de deelname van de EU aan de Oost-Aziëtop;

18.  prijst Vietnam om het bereiken van een aanzienlijk aantal van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en verzoekt de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid om steun te blijven verlenen aan de Vietnamese autoriteiten en aan niet-gouvernementele en middenveldorganisaties in het land, in het kader van de ontwikkelingsagenda na 2015;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en de Nationale Assemblee van Vietnam, de regeringen en parlementen van de ASEAN-lidstaten, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor mensenrechten en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.


Bevordering van het vrij verkeer door vereenvoudigde aanvaarding van bepaalde openbare documenten ***II
PDF 247kWORD 61k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2016 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een Verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bevordering van het vrije verkeer van burgers en bedrijven door vereenvoudigde overlegging van bepaalde openbare documenten in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (14956/2/2015 – C8-0129/2016 – 2013/0119(COD))
P8_TA(2016)0277A8-0156/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (14956/2/2015 – C8-0129/2016),

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Roemeense Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2013(1),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0228),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken over de voorgestelde rechtsgrondslag,

–  gezien de artikelen 76 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie juridische zaken (A8-0156/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 327 van 12.11.2013, blz. 52.
(2) Aangenomen teksten van 4.2.2014, P7_TA(2014)0054.


Overdracht aan het Gerecht van de bevoegdheid om in eerste aanleg uitspraak te doen in zaken betreffende EU-ambtenaren ***I
PDF 249kWORD 63k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2016 over het ontwerp van verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de overdracht aan het Gerecht van de Europese Unie van de bevoegdheid om in eerste aanleg uitspraak te doen in geschillen tussen de Unie en haar personeelsleden (N8-0110/2015 – C8-0367/2015 – 2015/0906(COD))
P8_TA(2016)0278A8-0167/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek van het Hof van Justitie, ingediend bij het Parlement en de Raad (N8-0110/2015),

–  gezien artikel 19, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 256, lid 1, artikel 257, eerste en tweede alinea, en artikel 281, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en artikel 106 bis, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, op grond waarvan het ontwerp van handeling bij het Parlement werd ingediend (C8-0367/2015),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken over de voorgestelde rechtsgrondslag,

–  gezien artikel 294, leden 3 en 15, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 256, lid 1, artikel 257, eerste en tweede alinea, en artikel 281, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en artikel 106 bis, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2015/2422 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 tot wijziging van Protocol nr. 3 betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie(1), en met name overweging 9,

–  gezien het advies van de Commissie (COM(2016)0081)(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 18 mei 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie constitutionele zaken (A8-0167/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  wijst op het belang van de verbetering van de man-vrouwverhouding bij de rechters van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, het Hof van Justitie, de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 9 juni 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU, Euratom) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de overdracht aan het Gerecht van de bevoegdheid om in eerste aanleg uitspraak te doen in geschillen tussen de Europese Unie en haar personeelsleden

P8_TC1-COD(2015)0906


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU, Euratom) 2016/1192.)

(1) PB L 341 van 24.12.2015, blz. 14.
(2) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


Verordening betreffende een open, efficiënt en onafhankelijk bestuur van de Europese Unie
PDF 409kWORD 125k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2016 over een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat (2016/2610(RSP))
P8_TA(2016)0279B8-0685/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 298 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin het recht op behoorlijk bestuur als een grondrecht wordt erkend,

–  gezien de vraag aan de Commissie over een open, efficiënte en onafhankelijke administratie van de Europese Unie (O-000079/2016 – B8-0705/2016),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het bestuursprocesrecht van de Europese Unie(1),

–  gezien artikel 128, lid 5, artikel 123, lid 2, en artikel 46, lid 6, van zijn Reglement,

1.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 15 januari 2013 overeenkomstig artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) heeft aangedrongen op de vaststelling van een verordening betreffende een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat overeenkomstig artikel 298 VWEU, doch dat de Commissie, ondanks het feit dat deze resolutie met een overweldigende meerderheid werd aangenomen (572 voor, 16 tegen en 12 onthoudingen), naar aanleiding van dit verzoek van het Parlement geen voorstel ter zake heeft ingediend;

2.  verzoekt de Commissie bijgevoegd voorstel voor een verordening in overweging te nemen;

3.  verzoekt de Commissie in het kader van haar werkprogramma voor 2017 met een wetgevingsvoorstel te komen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie.

Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
voor een open, doeltreffend en onafhankelijk ambtenarenapparaat van de Europese Unie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 298,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Ten gevolge van de uitbreiding van de bevoegdheden van de Europese Unie krijgen de burgers steeds vaker te maken met de instellingen, organen en instanties van de Unie, maar daarbij worden hun procedurele rechten niet altijd op passende wijze beschermd.

(2)  In een Unie die de beginselen van de rechtsstaat eerbiedigt, moeten de procedurele rechten en verplichtingen altijd passend gedefinieerd en ontwikkeld zijn en worden nageleefd. De burgers mogen van de instellingen, organen en instanties van de Unie een hoog niveau van transparantie en doeltreffendheid, een snelle tenuitvoerlegging en snelle antwoorden verwachten. Daarnaast hebben de burgers recht op passende informatie over de mogelijkheid om op dit gebied zelf verder in actie te komen.

(3)  De huidige voorschriften en beginselen inzake behoorlijk bestuur zijn verspreid over een groot aantal bronnen: het primaire recht, het secundaire recht, de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zachte wetgeving en unilaterale verbintenissen van de instellingen van de Unie.

(4)  In de loop der jaren heeft de Unie een zeer groot aantal sectorale administratieve procedures ontwikkeld, in de vorm van zowel bindende bepalingen als zachte wetgeving, zonder daarbij noodzakelijkerwijs acht te slaan op de algehele samenhang van het systeem. Deze complexe veelheid aan procedures heeft geleid tot lacunes en inconsistenties in deze procedures.

(5)  Het feit dat de Unie geen coherent en omvattend stelsel van gecodificeerd bestuursrecht kent, zorgt ervoor dat de burgers moeilijk inzicht kunnen krijgen in hun administratieve rechten uit hoofde van het Unierecht.

(6)  De Europese Ombudsman heeft in april 2000 aan de instellingen een code van goed administratief gedrag voorgesteld, ervan uitgaand dat deze code zou gelden voor alle instellingen, organen en instanties van de Unie.

(7)  Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 6 september 2001 de ontwerpcode van de Europese Ombudsman met wijzigingen goedgekeurd, en de Commissie verzocht een voorstel voor een verordening houdende een code van goed administratief gedrag in te dienen op basis van artikel 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

(8)  De bestaande interne gedragscodes die daarna doorgaans op basis van die code van de Ombudsman door de verschillende instellingen zijn vastgesteld, hebben slechts een beperkte werking, verschillen van elkaar en zijn juridisch niet bindend.

(9)  Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon beschikt de Unie over een rechtsgrondslag voor de vaststelling van een verordening inzake bestuursprocesrecht. Artikel 298 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van bepalingen om te waarborgen dat de instellingen, organen en instanties van de Unie bij de vervulling van hun taken op een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat steunen. Daarnaast heeft het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ("het Handvest") met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon dezelfde rechtskracht gekregen als de Verdragen.

(10)  Titel V ("Burgerschap") van het Handvest voorziet in het recht op behoorlijk bestuur in artikel 41, dat bepaalt dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld. Daarnaast bevat artikel 41 een niet-uitputtende opsomming van elementen die deel uitmaken van de definitie van het recht op behoorlijk bestuur, zoals het recht om te worden gehoord, het recht van eenieder om inzage te krijgen in het hem betreffende dossier, de plicht van de instanties om hun beslissingen met redenen te omkleden, het recht op vergoeding van de schade die door de instellingen van de Unie of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt, en taalkundige rechten.

(11)  Een efficiënt ambtenarenapparaat van de Unie is essentieel voor het algemeen belang. Een overmaat, maar ook een gebrek aan voorschriften kan leiden tot wanbeheer, hetgeen ook het gevolg kan zijn van tegenstrijdige, onsamenhangende of onduidelijke voorschriften of procedures.

(12)  Goed gestructureerde en consistente administratieve procedures ondersteunen een doeltreffend bestuur en een gedegen handhaving van het recht op behoorlijk bestuur, dat als algemeen Unierechtelijk beginsel en uit hoofde van artikel 41 van het Handvest is gewaarborgd.

(13)  In zijn resolutie van 15 januari 2013 heeft het Europees Parlement aangedrongen op de vaststelling van een verordening houdende een Europese wet bestuursprocesrecht, met als doel het waarborgen van het recht op behoorlijk bestuur door middel van een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat. De totstandbrenging van gemeenschappelijke voorschriften op het gebied van administratieve procedures op het niveau van de instellingen, organen en instanties moet de rechtszekerheid vergroten, lacunes in het Unierechtsstelsel dichten en daarmee bijdragen aan de eerbiediging van de beginselen van de rechtsstaat.

(14)  Met deze verordening wordt beoogd een geheel van procedurele voorschriften vast te stellen waaraan het ambtenarenapparaat van de Unie zich bij de uitvoering van zijn administratieve taken dient te houden. Deze procedurele voorschriften hebben ten doel een open, doeltreffend en onafhankelijk ambtenarenapparaat en een gedegen handhaving van het recht op behoorlijk bestuur te garanderen.

(15)  Deze verordening dient, overeenkomstig artikel 298 VWEU, niet van toepassing te zijn op de ambtenarenapparaten van de lidstaten. Voorts dient deze verordening niet van toepassing te zijn op wetgevingsprocedures, gerechtelijke procedures en procedures die leiden tot de vaststelling van niet-wetgevingshandelingen die rechtstreeks gebaseerd zijn op de Verdragen, gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen.

(16)  Deze verordening dient van toepassing te zijn op het ambtenarenapparaat van de Unie, onverminderd andere rechtshandelingen van de Unie die voorzien in specifieke administratieve procedurele voorschriften. Sectorspecifieke administratieve procedures zijn evenwel niet volledig samenhangend en volledig. Om de algehele samenhang bij de uitvoering van administratieve taken door het ambtenarenapparaat van de Unie en volledige eerbiediging van het recht op behoorlijk bestuur te waarborgen, dienen rechtshandelingen die voorzien in specifieke administratieve procedurele voorschriften om die reden te worden uitgelegd in overeenstemming met deze verordening en dienen lacunes daarin te worden gedicht door de relevante bepalingen van deze verordening. Deze verordening stelt als standaardregel rechten en plichten vast voor alle administratieve procedures uit hoofde van het Unierecht, en vermindert derhalve de versnippering van de geldende procedurele voorschriften ten gevolge van sectorspecifieke wetgeving.

(17)  De procedurele administratieve voorschriften van deze verordening hebben ten doel uitvoering te geven aan de beginselen van behoorlijk bestuur die zijn vastgelegd in een groot aantal juridische bronnen, in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Deze beginselen, die hieronder worden uiteengezet, moeten als uitgangspunt dienen bij de uitlegging van de bepalingen van deze verordening.

(18)  De eerbiediging van het beginsel van de rechtsstaat, zoals vermeld in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), vormt de kern van de waarden van de Unie. Overeenkomstig dat beginsel dient ieder optreden van de Unie gebaseerd te zijn op de Verdragen, overeenkomstig het beginsel van bevoegdheidstoedeling. Voorts vereist het legaliteitsbeginsel, dat voortvloeit uit het beginsel van de rechtsstaat, dat alle activiteiten van het ambtenarenapparaat van de Unie worden verricht in volledige overeenstemming met het recht.

(19)  Alle rechtshandelingen van de Unie moeten voldoen aan het evenredigheidsbeginsel. Dit houdt in dat elke maatregel van het ambtenarenapparaat van de Unie passend en noodzakelijk moet zijn voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken maatregel worden nagestreefd, met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich meebrengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan de nagestreefde doelstellingen.

(20)  Het recht op behoorlijk bestuur vereist dat administratieve handelingen door het ambtenarenapparaat van de Unie worden vastgesteld overeenkomstig administratieve procedures die onpartijdigheid, eerlijkheid en tijdigheid waarborgen.

(21)  Het recht op behoorlijk bestuur vereist dat elk besluit tot inleiding van een administratieve procedure wordt meegedeeld aan de partijen en dat daarbij de vereiste informatie wordt verstrekt op basis waarvan zij hun rechten tijdens de administratieve procedure kunnen uitoefenen. In uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Unie, wanneer het algemeen belang dat vereist, kennisgeving van het besluit uitstellen of achterwege laten.

(22)  Indien de administratieve procedure wordt ingeleid op verzoek van een partij, houdt het recht op behoorlijk bestuur in dat het ambtenarenapparaat van de Unie schriftelijk de ontvangst van dit verzoek dient te bevestigen. De ontvangstbevestiging dient de vereiste informatie te bevatten op basis waarvan de partij tijdens de administratieve procedure haar rechten van verdediging kan uitoefenen. Het ambtenarenapparaat van de Unie dient echter het recht te hebben om zinloze of oneigenlijke verzoeken te weigeren, aangezien die de doeltreffendheid van het ambtenarenapparaat kunnen aantasten.

(23)  Ter wille van de rechtszekerheid dienen administratieve procedures te worden ingeleid binnen een redelijke termijn nadat de gebeurtenis waarop zij betrekking hebben zich heeft voorgedaan. Om die reden dient deze verordening bepalingen te bevatten over termijnen.

(24)  Het recht op behoorlijk bestuur brengt een zorgvuldigheidsplicht met zich mee, die inhoudt dat het ambtenarenapparaat gehouden is in alle fasen van de procedure alle relevante feitelijke en juridische elementen van een zaak vast te stellen en te beoordelen, met inachtneming van alle relevante belangen. Daartoe dient het ambtenarenapparaat van de Unie de bevoegdheid te hebben partijen, getuigen en deskundigen te horen, documenten en dossiers op te vragen, bezoeken af te leggen en inspecties uit te voeren. Bij de selectie van deskundigen dient het ambtenarenapparaat van de Unie te waarborgen dat de deskundigen technisch bekwaam zijn en niet door een belangenconflict worden beïnvloed.

(25)  Tijdens het onderzoek door het ambtenarenapparaat van de Unie moeten partijen verplicht zijn mee te werken, door het ambtenarenapparaat te assisteren bij de vaststelling van de feiten en omstandigheden van het geval. Het ambtenarenapparaat van de Unie dient partijen bij een verzoek om medewerking een redelijke termijn te geven om op dit verzoek te antwoorden, en dient, in gevallen waarin de administratieve procedure tot strafoplegging kan leiden, partijen erop te wijzen dat zij niet gehouden zijn zichzelf te beschuldigen.

(26)  Het recht op een onpartijdige behandeling door het ambtenarenapparaat van de Unie vloeit voort uit het fundamentele recht op behoorlijk bestuur en houdt in dat personeelsleden niet mogen deelnemen aan administratieve procedures waarin zij direct dan wel indirect een persoonlijke belang hebben, waaronder met name enig familiaal of financieel belang, dat hun onpartijdigheid in het gedrang kan brengen.

(27)  Het recht op behoorlijk bestuur kan impliceren dat in bepaalde omstandigheden door het ambtenarenapparaat inspecties worden uitgevoerd als dit nodig is met het oog op de uitvoering van een bepaalde taak of de verwezenlijking van een doelstelling van het recht van de Unie. Om de rechten van partijen te waarborgen dient bij dergelijke inspecties aan bepaalde voorwaarden en procedureregels te worden voldaan.

(28)  In elke tegen een persoon ingeleide procedure die kan leiden tot de vaststelling van een maatregel die nadelige gevolgen kan hebben voor die persoon, dient het recht om te worden gehoord te worden geëerbiedigd. Dit recht mag door geen enkele wetgevende maatregel worden uitgesloten of beperkt. Het recht om te worden gehoord vereist dat de betrokkene een nauwkeurige en volledige mededeling ontvangt betreffende de vorderingen of de punten van bezwaar, en de gelegenheid krijgt om opmerkingen in te dienen over de juistheid en de relevantie van de feiten en gebruikte documenten.

(29)  Het recht op behoorlijk bestuur omvat het recht van partijen in een administratieve procedure op toegang tot hun eigen dossier, hetgeen ook essentieel is met het oog op het recht om te worden gehoord. Indien de bescherming van de gerechtvaardigde belangen van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim ertoe leiden dat volledige toegang tot het dossier niet mogelijk is, moet de partij in ieder geval een toereikende samenvatting van de inhoud van het dossier worden verstrekt. Om de toegang tot dossiers te vergemakkelijken en zo een transparant informatiebeheer te waarborgen, dient het ambtenarenapparaat van de Unie een register bij te houden van de inkomende en uitgaande post, de documenten die het ontvangt en de maatregelen die het treft, en een index op te zetten van alle bijgehouden dossiers.

(30)  Het ambtenarenapparaat van de Unie dient administratieve handelingen binnen een redelijke termijn vast te stellen. Traag bestuur is slecht bestuur. Elke vertraging bij de vaststelling van een administratieve handeling moet worden gerechtvaardigd, de partijen bij de administratieve procedure moeten daarover naar behoren worden geïnformeerd en partijen moet worden meegedeeld op welke datum de administratieve handeling naar verwachting zal worden vastgesteld.

(31)  Het recht op behoorlijk bestuur legt het ambtenarenapparaat de verplichting op duidelijk de gronden te vermelden waarop administratieve handelingen zijn gebaseerd. De motivering van een handeling dient de rechtsgrondslag van de handeling te bevatten, alsmede een vermelding van het geheel der omstandigheden die tot de vaststelling ervan hebben geleid en de algemene doelstellingen die ermee worden nagestreefd. De motivering moet de redenering van de bevoegde autoriteit die de handeling heeft vastgesteld duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de betrokken partijen kunnen besluiten of zij hun rechten willen verdedigen door een verzoek om rechterlijke toetsing in te dienen.

(32)  Overeenkomstig het recht op een doeltreffende voorziening in rechte mogen de Unie noch de lidstaten de uitoefening van de rechten uit hoofde van het Unierecht niet nagenoeg onmogelijk of buitensporig moeilijk maken. Integendeel, zij zijn gehouden om een daadwerkelijke en doeltreffende rechtsbescherming te waarborgen en mogen geen regels of procedures toepassen die, al is het maar tijdelijk, een belemmering kunnen vormen voor de volledige werking van het Unierecht.

(33)  Om de uitoefening van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte te vergemakkelijken, dient het ambtenarenapparaat van de Unie in zijn administratieve handelingen de beroepsmogelijkheden te vermelden die ter beschikking staan van de partijen wier rechten en belangen door die handelingen worden geraakt. Aan de partijen dient naast de mogelijkheid van een gerechtelijke procedure of een klacht bij de Europese Ombudsman het recht te worden toegekend een verzoek om administratieve toetsing in te dienen, en er dient informatie te worden verstrekt over de procedure en de termijn voor de indiening van een dergelijk verzoek.

(34)  Een verzoek om administratieve toetsing laat het recht van een partij op een voorziening in rechte onverlet. Ter bepaling van de termijn voor een verzoek om rechterlijke toetsing moet een administratieve handeling als definitief worden beschouwd als de partij niet binnen de vastgestelde termijn een verzoek om administratieve toetsing indient of is, als de partij wel een verzoek om administratieve toetsing indient, de definitieve administratieve handeling de handeling waarmee die administratieve toetsing wordt afgesloten.

(35)  Op grond van de beginselen van transparantie en rechtszekerheid moeten de partijen in een administratieve procedure een helder inzicht kunnen krijgen in hun rechten en verplichtingen op grond van een tot hen gerichte administratieve handeling. Daarom moet het ambtenarenapparaat van de Unie waarborgen dat zijn administratieve handelingen in duidelijke, eenvoudige en begrijpelijke bewoordingen zijn gesteld en bij kennisgeving aan partijen van kracht worden. Bij de nakoming van die verplichting moet het ambtenarenapparaat van de Unie naar behoren gebruikmaken van informatie- en communicatietechnologieën en zich aanpassen aan de ontwikkelingen op dat gebied.

(36)  Ter wille van transparantie en bestuurlijke doelmatigheid moet het ambtenarenapparaat van de Unie waarborgen dat schrijf- en rekenfouten of andere gelijksoortige fouten in administratieve handelingen door de bevoegde autoriteit worden verbeterd.

(37)  Het legaliteitsbeginsel, dat voortvloeit uit de beginselen van de rechtsstaat, verplicht het ambtenarenapparaat van de Unie onrechtmatige administratieve handelingen te rectificeren of in te trekken. Aangezien echter elke rectificatie of intrekking van een administratieve handeling in strijd kan zijn met de bescherming van gewettigd vertrouwen en het rechtszekerheidsbeginsel, moet het ambtenarenapparaat van de Unie de gevolgen van de rectificatie of intrekking voor andere partijen op zorgvuldige en onpartijdige wijze beoordelen, en de uitkomsten van deze beoordeling opnemen in de motivering van de handeling tot rectificatie of intrekking.

(38)  Burgers van de Unie hebben het recht om de instellingen, organen of instanties van de Unie aan te schrijven in een van de talen van de Verdragen en hebben het recht om ook in die taal antwoord te krijgen. Het ambtenarenapparaat van de Unie moet de taalkundige rechten van partijen eerbiedigen door te waarborgen dat de administratieve procedure wordt uitgevoerd in één van de door de partij gekozen talen van de Verdragen. Indien een administratieve procedure wordt ingeleid door het ambtenarenapparaat van de Unie, dient de eerste kennisgeving te worden gesteld in een van de talen van de Verdragen, die de officiële taal is van de lidstaat waarin de partij is gevestigd.

(39)  Het transparantiebeginsel en het recht op toegang tot documenten zijn van bijzonder belang in het kader van een administratieve procedure, onverminderd overeenkomstig artikel 15, lid 3, VWEU vastgestelde wetgevingshandelingen. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 52, lid 1, van het Handvest moeten beperkingen van deze beginselen strikt worden uitgelegd, bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van de rechten en vrijheden eerbiedigen en in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel.

(40)  Het recht op bescherming van persoonsgegevens houdt in dat de gegevens die door het ambtenarenapparaat van de Unie worden gebruikt, onverminderd overeenkomstig artikel 16 VWEU vastgestelde wetgevingshandelingen, juist en actueel zijn en rechtmatig zijn opgeslagen.

(41)  Het vertrouwensbeginsel vloeit voort uit de beginselen van de rechtsstaat en houdt in dat het optreden van overheidsinstanties geen afbreuk mag doen aan verworven rechten en definitieve rechtssituaties, behalve wanneer dat noodzakelijk is met het oog op het algemeen belang. Bij rectificatie of intrekking van een administratieve handeling moet naar behoren rekening worden gehouden met het gewettigd vertrouwen.

(42)  Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat de voorschriften van de Unie duidelijk en nauwkeurig zijn. Dit beginsel beoogt ervoor te zorgen dat door het Unierecht beheerste rechtssituaties en -betrekkingen voorzienbaar zijn in die zin dat burgers ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen. Het rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat maatregelen, behoudens in juridisch gerechtvaardigde omstandigheden, geen terugwerkende kracht mogen hebben.

(43)  Om de algehele samenhang van het optreden van het ambtenarenapparaat van de Unie te waarborgen, moeten administratieve handelingen van algemene strekking voldoen aan de in deze verordening genoemde beginselen van behoorlijk bestuur.

(44)  Bij de uitlegging van deze verordening moet met name rekening worden gehouden met de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, die, als belangrijk voortvloeisel van het rechtsstaatbeginsel en de beginselen van een doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat, van toepassing zijn op administratieve activiteiten.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en doelstelling

1.  Deze verordening stelt procedureregels vast voor de administratieve activiteiten van het ambtenarenapparaat van de Unie.

2.  Deze verordening heeft tot doel het recht op behoorlijk bestuur, zoals neergelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, te waarborgen door middel van een open, doeltreffend en onafhankelijk ambtenarenapparaat.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Deze verordening is van toepassing op de administratieve activiteiten van de instellingen, organen en instanties van de Unie.

2.  Deze verordening is niet van toepassing op de activiteiten van het ambtenarenapparaat van de Unie in het kader van:

a)  wetgevingsprocedures;

b)  gerechtelijke procedures;

c)  procedures die leiden tot de vaststelling van niet-wetgevingshandelingen die rechtstreeks gebaseerd zijn op de Verdragen, gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen.

3.  Deze verordening is niet van toepassing op de ambtenarenapparaten van de lidstaten.

Artikel 3

De relatie tussen deze verordening en andere rechtshandelingen van de Unie

Deze verordening geldt onverminderd andere rechtshandelingen van de Unie die voorzien in specifieke administratieve procedureregels. Deze verordening vult dergelijke rechtshandelingen van de Unie, die moeten worden uitgelegd in samenhang met de relevante bepalingen van deze verordening, aan.

Artikel 4

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)  "ambtenarenapparaat van de Unie": het ambtenarenapparaat van de instellingen, organen en instanties van de Unie;

b)  "administratieve activiteiten": activiteiten die het ambtenarenapparaat van de Unie met het oog op de tenuitvoerlegging van het Unierecht verricht, met uitzondering van de in artikel 2, lid 2, bedoelde procedures;

c)  "administratieve procedure": het proces waarmee het ambtenarenapparaat van de Unie administratieve handelingen voorbereidt, vaststelt, ten uitvoer legt en handhaaft;

d)  "personeelslid": ambtenaar in de zin van artikel 1 bis van het Statuut van de ambtenaren, alsook personeelslid als gedefinieerd in artikel 1, eerste tot en met derde streepje, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie;

e)  "bevoegde autoriteit": de instelling, het orgaan of de instantie van de Unie of de entiteit daarvan of degene die binnen het ambtenarenapparaat van de Unie op grond van het toepasselijke recht verantwoordelijk is voor de administratieve procedure;

f)  "partij": iedere natuurlijke of rechtspersoon van wie de rechtspositie door de uitkomst van de administratieve procedure kan worden beïnvloed.

HOOFDSTUK II

INLEIDING VAN DE ADMINISTRATIEVE PROCEDURE

Artikel 5

Inleiding van de administratieve procedure

Een administratieve procedure kan worden ingeleid door het ambtenarenapparaat van de Unie op zijn eigen initiatief dan wel op verzoek van een partij.

Artikel 6

Inleiding door het ambtenarenapparaat van de Unie

1.  Een administratieve procedure kan, op grond van een besluit van de bevoegde autoriteit, worden ingeleid door het ambtenarenapparaat van de Unie op zijn eigen initiatief. De bevoegde autoriteit onderzoekt de bijzondere omstandigheden van het geval alvorens zij besluit de procedure in te leiden.

2.  Van het besluit tot inleiding van een administratieve procedure worden partijen in kennis gesteld. Het besluit wordt niet eerder openbaar gemaakt dan nadat deze kennisgeving heeft plaatsgevonden.

3.  Kennisgeving mag slechts worden uitgesteld of achterwege gelaten wanneer dit strikt noodzakelijk is met het oog op het algemeen belang. Het besluit tot het uitstellen of achterwege laten van kennisgeving moet naar behoren worden gemotiveerd.

4.  In het besluit tot inleiding van een administratieve worden vermeld:

a)  een referentienummer en de datum;

b)  het onderwerp en het doel van de procedure;

c)  de beschrijving van de belangrijkste procedurele stappen;

d)  de naam en de contactgegevens van het verantwoordelijke personeelslid;

e)  de bevoegde autoriteit;

f)  de termijn voor de vaststelling van de administratieve handeling en de gevolgen van overschrijding van de termijn voor vaststelling van de administratieve handeling;

g)  de beschikbare beroepsmogelijkheden;

h)  het adres van de in artikel 28 bedoelde website, indien een dergelijke website bestaat.

5.  Het besluit tot inleiding van een administratieve procedure wordt gesteld in de talen van de Verdragen, die officiële talen zijn van de lidstaten waarin partijen zijn gevestigd.

6.  Een administratieve procedure wordt ingeleid binnen een redelijke termijn nadat de gebeurtenis die ten grondslag ligt aan de procedure zich heeft voorgedaan. Een administratieve procedure wordt uiterlijk tien jaar na de datum van de gebeurtenis ingeleid.

Artikel 7

Inleiding op verzoek

1.  Een administratieve procedure kan worden ingeleid door een partij.

2.  Verzoeken zijn niet aan onnodige formele vereisten onderworpen. In het verzoek worden duidelijk vermeld: de naam van de partij, een adres voor kennisgeving, het onderwerp van het verzoek, de relevante feiten en redenen voor het verzoek, een datum en plaats, alsmede de bevoegde autoriteit waaraan het verzoek is gericht. Het verzoek wordt schriftelijk, op papier dan wel in elektronische vorm, ingediend. Het verzoek is gesteld in één van de talen van de Verdragen.

3.  Van een verzoek wordt een schriftelijke ontvangstbevestiging gegeven. Deze ontvangstbevestiging wordt gesteld in de taal van het verzoek en vermeldt:

a)  een referentienummer en de datum;

b)  de datum van ontvangst van het verzoek;

c)  een beschrijving van de belangrijkste procedurele stappen;

d)  de naam en de contactgegevens van het verantwoordelijke personeelslid;

e)  de termijn voor de vaststelling van de administratieve handeling en de gevolgen van overschrijding van de termijn voor vaststelling van de administratieve handeling;

f)  het adres van de in artikel 28 bedoelde website, indien een dergelijke website bestaat.

4.  Indien een verzoek niet aan één of meer van de in lid 2 bedoelde vereisten voldoet, vermeldt de ontvangstbevestiging een redelijke termijn waarbinnen de fout kan worden gecorrigeerd of ontbrekende documenten kunnen worden overgelegd. Zinloze of kennelijk ongegronde verzoeken kunnen niet-ontvankelijk worden verklaard door middel van een summier gemotiveerde ontvangstbevestiging. Indien dezelfde verzoeker abusievelijk herhaalde verzoeken indient, wordt geen ontvangstbevestiging verzonden.

5.  Indien het verzoek is gericht tot een autoriteit die niet bevoegd is om dit te behandelen, zendt deze autoriteit het verzoek door naar de bevoegde autoriteit en vermeldt zij in de ontvangstbevestiging de bevoegde autoriteit waaraan het verzoek is doorgezonden of vermeldt zij dat het onderwerp niet binnen de bevoegdheid van het ambtenarenapparaat van de Unie valt.

6.  Indien de bevoegde autoriteit een administratieve procedure voortzet, is artikel 6, leden 2 tot en met 4, van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK III

BEHEER VAN DE ADMINISTRATIEVE PROCEDURE

Artikel 8

Procedurele rechten

Met betrekking tot het beheer van de procedure hebben partijen het recht om:

a)  op duidelijke en begrijpelijke wijze alle relevante informatie te verkrijgen met betrekking tot de procedure;

b)  waar mogelijk en passend, op afstand en via elektronische middelen te communiceren en alle procedurele formaliteiten af te handelen;

c)  gebruik te maken van een van de talen van de Verdragen en om benaderd te worden in de taal van de Verdragen van hun keuze;

d)  in kennis te worden gesteld van alle procedurele stappen en besluiten die gevolgen voor hen kunnen hebben;

e)  door een advocaat of enige andere persoon van hun keuze te worden vertegenwoordigd;

f)  alleen kosten te hoeven betalen die redelijk zijn en evenredig zijn aan de kosten van desbetreffende procedure.

Artikel 9

Verplichting om een zorgvuldig en onpartijdig onderzoek uit te voeren

1.  De bevoegde autoriteit onderzoekt de zaak op zorgvuldige en onpartijdige wijze. Zij houdt rekening met alle relevante factoren en verzamelt alle informatie die nodig is om een besluit vast te stellen.

2.  Om de benodigde informatie te verzamelen, kan de bevoegde autoriteit in voorkomend geval:

a)  partijen, getuigen en deskundigen horen,

b)  documenten en dossiers opvragen,

c)  bezoeken afleggen en inspecties uitvoeren.

3.  Partijen kunnen elk bewijs overleggen dat zij passend achten.

Artikel 10

Verplichting tot medewerking

1.  Partijen assisteren de bevoegde autoriteit bij de vaststelling van de feiten en omstandigheden van de zaak.

2.  Aan de partijen wordt een redelijke termijn gegeven om op een verzoek tot medewerking te antwoorden, waarbij rekening wordt gehouden met de omvang en de complexiteit van het verzoek en de vereisten van het onderzoek.

3.  Indien de administratieve procedure kan leiden tot strafoplegging, worden partijen erop gewezen dat zij niet gehouden zijn zichzelf te beschuldigen.

Artikel 11

Getuigen en deskundigen

Op verzoek van de bevoegde autoriteit of op voorstel van partijen kunnen getuigen en deskundigen worden gehoord. De bevoegde autoriteit kiest deskundigen die technisch bekwaam zijn en die niet door een belangenconflict worden beïnvloed.

Artikel 12

Inspecties

1.  Inspecties kunnen worden uitgevoerd indien een wetgevingshandeling van de Unie voorziet in een bevoegdheid daartoe en indien dit noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van een bepaalde taak of de verwezenlijking van een doelstelling van het Unierecht.

2.  Inspecties worden uitgevoerd overeenkomstig de specificaties en binnen de grenzen die ten aanzien van de maatregelen die kunnen worden genomen en de locaties die kunnen worden onderzocht, zijn vastgesteld in de handeling die opdracht of toestemming geeft tot de inspectie. Inspecteurs oefenen hun bevoegdheid slechts uit op vertoon van een schriftelijke machtiging waaruit hun identiteit en hun functie blijkt.

3.  De voor de inspectie verantwoordelijke autoriteit deelt de datum en het tijdstip van aanvang van die inspectie mee aan de aan de inspectie onderworpen partij. Die partij heeft het recht om tijdens de inspectie aanwezig te zijn en over de inspectie opmerkingen te maken of vragen te stellen. De voor de inspectie verantwoordelijke autoriteit kan om naar behoren gemotiveerde redenen, indien dat strikt noodzakelijk is met het oog op het algemeen belang, de kennisgeving uitstellen of achterwege laten.

4.  Tijdens de inspectie worden de aanwezige partijen voor zover mogelijk geïnformeerd over het onderwerp en het doel van de inspectie, de procedure en de voor de inspectie geldende voorschriften, de vervolgmaatregelen en de mogelijke gevolgen van de inspectie. De inspectie wordt uitgevoerd zonder dat dit leidt tot onnodige hinder voor het voorwerp van de inspectie of de persoon die het voorwerp bezit.

5.  Inspecteurs stellen onverwijld een verslag op over de inspectie, waarin zij aangeven op welke wijze de inspectie bijdraagt aan het doel van de inspectie, en waarin zij de belangrijkste bevindingen vermelden. De voor de inspectie verantwoordelijke autoriteit stuurt een kopie van dat inspectieverslag aan de partijen die het recht hebben om tijdens de inspectie aanwezig te zijn.

6.  De voor de inspectie bevoegde autoriteit bereidt de inspectie voor en voert de inspectie uit in nauwe samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin de inspectie plaatsvindt, tenzij deze lidstaat zelf het voorwerp is van de inspectie of deze samenwerking in de weg zou staan aan de verwezenlijking van het doel van de inspectie.

7.  Bij het uitvoeren van een inspectie en het opstellen van het inspectieverslag eerbiedigt de voor de inspectie verantwoordelijke autoriteit alle in het nationale recht van de betrokken lidstaat vastgestelde procedurele voorschriften inzake de toelaatbaarheid van bewijs in administratieve of gerechtelijke procedures in de lidstaat waarvoor het inspectieverslag is opgesteld.

Artikel 13

Belangenconflicten

1.  Personeelsleden nemen geen deel aan administratieve procedures waarin zij direct dan wel indirect een persoonlijk belang hebben, waaronder met name een familiaal of financieel belang, dat hun onpartijdigheid in het gedrang kan brengen.

2.  Eventuele belangenconflicten worden door het betrokken personeelslid gemeld aan de bevoegde autoriteit, die besluit of het betrokken personeelslid, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, van de procedure dient te worden uitgesloten.

3.  Iedere partij kan verzoeken om een personeelslid wegens een belangenconflict van deelname aan een administratieve procedure uit te sluiten. Hiertoe richt deze partij schriftelijk een gemotiveerd verzoek aan de bevoegde autoriteit, die besluit na het betrokken personeelslid te hebben gehoord.

Artikel 14

Recht te worden gehoord

1.  Partijen hebben het recht om te worden gehoord voorafgaand aan de vaststelling van een individuele maatregel die voor hen nadelige gevolgen zou kunnen hebben.

2.  Partijen wordt voldoende informatie verstrekt en krijgen voldoende tijd om hun zaak voor te bereiden.

3.  Partijen worden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk dan wel mondeling toe te lichten en zich, indien zij dat wensen, door een persoon van hun keuze te laten bijstaan.

Artikel 15

Recht op toegang tot het dossier

1.  De betrokken partijen krijgen volledige toegang tot hun dossier, met inachtneming van de gerechtvaardigde belangen van de vertrouwelijkheid en van het beroeps- en het zakengeheim. Iedere beperking van dit recht wordt naar behoren gemotiveerd.

2.  Indien geen volledige toegang kan worden verleend tot het volledige dossier, wordt aan partijen een toereikende samenvatting verstrekt van de inhoud van die documenten.

Artikel 16

Verplichting om een register bij te houden

1.  Voor elk dossier houdt het ambtenarenapparaat van de Unie een register bij van de inkomende en uitgaande post, de documenten die het ontvangt en de maatregelen die het treft. Het ambtenarenapparaat zet een index op van alle bijgehouden dossiers.

2.  De gegevens worden bewaard met volledige inachtneming van het recht op gegevensbescherming.

Artikel 17

Termijnen

1.  Administratieve handelingen worden vastgesteld en administratieve procedures worden afgerond binnen een redelijke termijn en zonder onnodige vertraging. De termijn voor de vaststelling van een administratieve handeling bedraagt niet meer dan drie maanden vanaf:

a)  de kennisgeving van het besluit tot inleiding van een administratieve procedure indien de procedure werd ingeleid door het ambtenarenapparaat van de Unie, of

b)  de ontvangstbevestiging van het verzoek indien de administratieve procedure op verzoek werd ingeleid.

2.  Als binnen de toepasselijke termijn geen administratieve handeling kan worden vastgesteld, worden de betrokken partijen daarvan en van de redenen voor de vertraging in kennis gesteld en wordt hun meegedeeld op welke datum de administratieve handeling naar verwachting zal worden vastgesteld. De bevoegde autoriteit antwoordt desgevraagd op vragen met betrekking tot de voortgang van de behandeling van de zaak.

3.  Indien het ambtenarenapparaat van de Unie niet binnen drie maanden een ontvangstbevestiging verzendt, wordt het verzoek geacht te zijn geweigerd.

4.  Termijnen worden berekend in overeenstemming met Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad(2).

HOOFDSTUK IV

BEËINDIGING VAN DE ADMINISTRATIEVE PROCEDURE

Artikel 18

Vorm van administratieve handelingen

Administratieve handelingen worden op schrift gesteld en ondertekend door de bevoegde autoriteit. Zij worden gesteld in duidelijke, eenvoudige en begrijpelijke taal.

Artikel 19

Motiveringsplicht

1.  Administratieve handelingen geven duidelijk de gronden aan waarop zij berusten.

2.  Administratieve vermelden hun rechtsgrondslag, alsmede de relevante feiten en de wijze waarop met de verschillende relevante belangen rekening is gehouden.

3.  Administratieve handelingen bevatten een individuele motivering die betrekking heeft op de situatie van de partijen. Indien dit niet mogelijk is omdat de handeling betrekking heeft op een groot aantal personen, volstaat een algemene motivering. Aan partijen die dat uitdrukkelijk verzoeken, wordt in een dergelijk geval echter een individuele motivering verstrekt.

Artikel 20

Beroepsmogelijkheden

1.  Administratieve handelingen vermelden duidelijk dat administratieve toetsing mogelijk is.

2.  Partijen hebben het recht om te verzoeken om administratieve toetsing van administratieve handelingen die nadelige gevolgen hebben voor hun rechten en belangen. Verzoeken om administratieve toetsing worden ingediend bij de hiërarchisch hogere autoriteit en, indien dat niet mogelijk is, bij de autoriteit die de administratieve handeling heeft vastgesteld.

3.  Administratieve handelingen vermelden de procedure voor indiening van een verzoek om administratieve toetsing, alsmede de naam en het kantooradres van de bevoegde autoriteit of het verantwoordelijke personeelslid bij wie het verzoek om toetsing moet worden ingediend. De handeling vermeldt eveneens de termijn voor indiening van een dergelijk verzoek. Als er binnen deze termijn geen verzoek wordt ingediend, wordt de administratieve handeling geacht definitief te zijn.

4.  Waar het Unierecht in een dergelijke mogelijkheid voorziet, wordt in administratieve handelingen duidelijk gewezen op de mogelijkheid van een procedure voor de rechter of indiening van een klacht bij de Europese Ombudsman.

Artikel 21

Kennisgeving van administratieve handelingen

Van administratieve handelingen die gevolgen hebben voor de rechten en belangen van partijen wordt, zodra zij zijn vastgesteld, schriftelijk aan die partijen kennisgeving gedaan. Administratieve handelingen worden voor een partij van kracht bij kennisgeving aan die partij.

HOOFDSTUK V

RECTIFICATIE EN INTREKKING VAN HANDELINGEN

Artikel 22

Verbetering van fouten in administratieve handelingen

1.  Schrijf- en rekenfouten of andere gelijksoortige fouten worden door de bevoegde autoriteit op eigen initiatief dan wel op verzoek van de betrokken partij verbeterd.

2.  Partijen worden over elke verbetering vooraf geïnformeerd en de verbetering is van kracht vanaf het moment van kennisgeving. Indien dit vanwege het grote aantal betrokken partijen niet mogelijk is, worden de noodzakelijke maatregelen getroffen om te waarborgen dat alle partijen onverwijld worden geïnformeerd.

Artikel 23

Rectificatie of intrekking van administratieve handelingen met nadelige gevolgen voor een partij

1.  Een onrechtmatige administratieve handeling met nadelige gevolgen voor een partij wordt door de bevoegde autoriteit, op eigen initiatief dan wel op verzoek van de betrokken partij gerectificeerd of ingetrokken. De rectificatie of intrekking heeft terugwerkende kracht.

2.  Een rechtmatige administratieve handeling met nadelige gevolgen voor een partij wordt door de bevoegde autoriteit op eigen initiatief dan wel op verzoek van de betrokken partij gerectificeerd of ingetrokken als de redenen die leidden tot de vaststelling van die specifieke handeling niet langer geldig zijn. De rectificatie of intrekking heeft geen terugwerkende kracht.

3.  De rectificatie of intrekking wordt van kracht bij kennisgeving aan die partij.

4.  Wanneer een administratieve handeling nadelige gevolgen heeft voor een partij maar tegelijkertijd voordelen heeft voor een andere partij, vindt een beoordeling plaats van de mogelijke gevolgen van die handeling voor alle partijen en wordt de uitkomst daarvan vermeld in de motivering van de handeling tot rectificatie of intrekking.

Artikel 24

Rectificatie of intrekking van administratieve handelingen die voordelen hebben voor een partij

1.  Een onrechtmatige administratieve handeling die voordelen heeft voor een partij wordt door de bevoegde autoriteit op eigen initiatief dan wel op verzoek van een andere partij gerectificeerd of ingetrokken.

2.  Hierbij wordt terdege rekening gehouden met de gevolgen van de rectificatie of intrekking voor partijen die erop mochten vertrouwen dat de handeling rechtmatig was. Indien een dergelijke partij schade lijdt doordat zij op de rechtmatigheid van het besluit heeft vertrouwd, onderzoekt de bevoegde autoriteit of die partij recht heeft op schadevergoeding.

3.  Rectificatie of intrekking heeft slechts terugwerkende kracht als zij binnen een redelijke termijn plaatsvindt. Als een partij erop mocht vertrouwen dat de handeling rechtmatig was en heeft verzocht om instandhouding van de handeling, heeft de rectificatie of intrekking ten aanzien van deze partij geen terugwerkende kracht.

4.  Een rechtmatige administratieve handeling die voordelen heeft voor een partij mag door de bevoegde autoriteit op eigen initiatief dan wel op verzoek van een andere partij worden gerectificeerd of ingetrokken als de redenen die aan die handeling ten grondslag liggen niet langer geldig zijn. Er moet naar behoren rekening worden gehouden met het gewettigd vertrouwen van andere partijen.

5.  De rectificatie of intrekking wordt van kracht bij kennisgeving aan die partij.

Artikel 25

Beheer van verbetering van fouten, rectificatie en intrekking

De relevante bepalingen van de hoofdstukken III, IV en VI van deze verordening zijn tevens van toepassing op de verbetering van fouten, rectificatie en intrekking van administratieve handelingen.

HOOFDSTUK VI

ADMINISTRATIEVE HANDELINGEN VAN ALGEMENE STREKKING

Artikel 26

Eerbiediging van procedurele rechten

Administratieve handelingen van algemene strekking worden door het ambtenarenapparaat van de Unie vastgesteld overeenkomstig de procedurele rechten waarin deze verordening voorziet.

Artikel 27

Rechtsgrondslag, motivering en publicatie

1.  Administratieve handelingen van algemene strekking die door het ambtenarenapparaat van de Unie worden vastgesteld, vermelden hun rechtsgrondslag en geven duidelijk de gronden aan waarop zij berusten.

2.  Zij worden van kracht op de datum waarop zij worden bekendgemaakt via een middel dat rechtstreeks toegankelijk is voor de betrokkenen.

HOOFDSTUK VII

INFORMATIE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 28

Online-informatie over voorschriften inzake administratieve procedures

1.  Het ambtenarenapparaat van de Unie bevordert waar mogelijk en redelijk de verstrekking van bijgewerkte online-informatie over bestaande administratieve procedures via een speciaal daarvoor ontworpen website. Voorrang wordt gegeven aan procedures voor indiening van verzoeken.

2.  De online-informatie omvat:

a)  een link naar de toepasselijke wetgeving,

b)  een korte verklaring van de belangrijkste wettelijke vereisten en de administratieve interpretatie daarvan,

c)  een beschrijving van de belangrijkste procedurele stappen,

d)  vermelding van de autoriteit die bevoegd is de definitieve handeling vast te stellen,

e)  vermelding van de termijn voor vaststelling van de handeling,

f)  vermelding van beschikbare beroepsmogelijkheden,

g)  een link naar standaardformulieren die partijen kunnen gebruiken om tijdens de procedure met het ambtenarenapparaat van de Unie te communiceren.

3.  De in lid 2 bedoelde online-informatie moet op duidelijke en eenvoudige wijze worden gepresenteerd. Toegang tot deze informatie moet kosteloos zijn.

Artikel 29

Evaluatie

De Commissie dient vòòr [xx jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een evaluatie van de werking van deze verordening.

Artikel 30

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen.

Gedaan te …

Voor het Europees Parlement De voorzitter

Voor de Raad De voorzitter

(1) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 17.
(2) Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/1971 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden (PB L 124 van 8.6.1971, blz. 1).


Concurrentievermogen van de Europese spoorwegindustrie
PDF 195kWORD 90k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2016 over het concurrentievermogen van de Europese spoorwegindustrie (2015/2887(RSP))
P8_TA(2016)0280B8-0677/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel" (COM(2012)0582),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Voor een heropleving van de Europese industrie" (COM(2014)0014),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoordelijk handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–  gezien het Witboek van de Commissie "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" (COM(2011)0144),

–  gezien de studie van de Commissie inzake een overzicht van de spoorwegsector en zijn concurrentievermogen (Sector Overview and Competitiveness Survey of the Railway Supply Industry, DG ENTR, 054),

–  gezien de studie van het Europees Parlement getiteld "Freight on road: why EU shippers prefer truck to train",

–  gezien de vraag aan de Commissie over het concurrentievermogen van de Europese spoorweg-toeleveringsindustrie (O-000067/2016 – B8-0704/2016),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

Specifieke kenmerken en strategische relevantie van de Europese spoorwegindustrie voor een heropleving van de Europese industrie

1.  onderstreept dat de Europese spoorwegindustrie, die de fabricage omvat van locomotieven en rollend materieel, spoorstaven, elektrificatie, sein- en telecommunicatie-apparatuur, en voor onderhoud en reserve-onderdelen zorgt, en waarin talloze kmo werkzaam zijn, evengoed als belangrijke leidende firma's, werk verschaft aan 400 000 mensen, 2.7 % van haar jaaromzet investeert in O&O en 46 % van de wereldmarkt voor spoorwegmaterieel in handen heeft; onderstreept dat de algehele spoorwegsector, met zijn spoorwegondernemingen en infrastructuur, goed is voor meer dan 1 miljoen directe en 1,2 miljoen indirecte banen in de EU; wijst erop dat deze cijfers duidelijk doen uitkomen hoe belangrijk de spoorwegindustrie is voor groei in de Europese industrie, banen en innovatie, en welke bijdrage zij levert aan het bereiken van de ten doel gestelde herindustrialisatie van 20 %;

2.  onderstreept de specifieke kenmerken van de sector, met name de productie van onderdelen met een levensduur tot wel vijftig jaar, de grote kapitaalintensiteit, een sterke afhankelijkheid van overheidsopdrachten en de verplichting om te voldoen aan uiterst strenge veiligheidsnormen;

3.  herinnert aan de essentiële bijdrage van het railvervoer voor opvang van de klimaatverandering en van andere mega-trends zoals urbanisering en demografische verandering; vraagt de Commissie daarom dringend de in het witboek van 2011 genoemde doelstellingen voor een modale verschuiving naar railvervoer, voor zowel het passagiers- als het vrachtvervoer, te ondersteunen met concrete politieke stappen en gerichte investeringen; wijst erop dat in aansluiting op de resultaten van COP 21 en de klimaats- en energiedoelstellingen van de EU voor 2030, een verschuiving naar railvervoer en andere duurzame, energie-efficiënte, geëlektrificeerde vormen van vervoer nodig is om de ten doel gestelde koolstofvrij maken van het vervoer te realiseren; vraagt de Europese Commissie in het licht hiervan haar aanstaande mededeling inzake het koolstofvrij maken van het vervoer te benutten om nieuwe maatregelen voor te stellen inzake de steun aan de ontwikkeling van energie-efficiënte technologieën door de spoorwegindustrie;

4.  merkt op dat de spoorwegindustrie dankzij haar wereldwijde leiderschap in technologie en innovatie een sleutelrol vervult bij het bereiken van de door de Commissie voorgestelde industrialisatiedoelstelling van 20 %;

5.  merkt op dat de Europese spoorwegsector kan rekenen op een aantal gunstige factoren - niet alleen de goede ecologische prestaties van deze vervoerwijze, maar ook een grote markt en de capaciteit voor massavervoer; merkt echter op dat deze sector momenteel in drieërlei opzicht concurrentie ondervindt: intermodaal, internationaal en soms zelfs binnenshuis;

Behoud van de mondiale koppositie van de Europese spoorwegindustrie

6.  wijst erop dat het jaarlijkse groeipercentage van de toegankelijke internationale spoorwegindustriemarkten naar verwachting tot 2019 2,8 % zal bedragen; onderstreept dat terwijl de EU grotendeels openstaat voor concurrenten uit derde landen, derde landen diverse obstakels opwerpen die tot discriminatie van de Europese spoorwegindustrie leiden; benadrukt dat concurrenten uit derde landen, vooral uit China, snel en agressief terrein winnen in Europa en andere gebieden in de wereld, vaak met sterke politieke en financiële steun uit hun land van herkomst (bv. riante exportkredieten buiten de OESO-regels om); benadrukt dat deze praktijken als oneerlijke concurrentie aan te merken zijn die de werkgelegenheid in Europa bedreigt; wijst dan ook op de noodzaak van een eerlijk en gelijk speelveld voor de mondiale mededinging en van wederkerige markttoegang om het verlies van banen af te wenden en industriële know-how in Europa te beschermen;

7.  wijst er met klem op dat zelfs binnen de Europese spoorwegindustrie veel Europese bedrijven, met name kmo's, moeten ondervinden dat opereren over de grenzen heen moeilijk en begrotelijk is wegens de versnippering van de markt, zowel in administratief als in technisch opzicht; is ervan overtuigd dat het realiseren van de doelstelling inzake de oprichting van een interne Europese spoorwegruimte van vitaal belang is om de koppositie van de Europese spoorwegindustrie te behouden;

Een hernieuwde innovatieagenda voor de Europese spoorwegindustrie

8.  erkent de spoorwegindustrie als een sleutelindustrie voor het Europese concurrentievermogen en innovativiteit; dringt erop aan om maatregelen te treffen die ervoor zorgen dat Europa voorts een technologische en innovatieve voorsprong in deze sector behoudt;

9.  is ingenomen met het besluit om de gemeenschappelijke onderneming "Shift2Rail" (S2R) op te richten en met de recente eerste uitnodigingen voor het indienen van voorstellen; dringt aan op een zo snel mogelijke tenuitvoerlegging van alle O&O-activiteiten voor Shift2Rail; heeft als aanmerking dat deelname van de kmo aan S2R gering is wat deels is toe te schrijven aan de hoge kosten en de ingewikkeldheid van dit instrument; vraagt de raad van bestuur dringend de betrokkenheid van kmo's bij de tweede oproep voor geassocieerde leden te analyseren en te verbeteren en na te denken over specifieke oproepen voor de kmo; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de bepalingen van de verordening inzake een evenwichtige vertegenwoordiging van kmo's en een evenwichtige regionale vertegenwoordiging worden nageleefd;

10.  benadrukt dat innovatievermogen, investeringen in onderzoek en ontwikkeling, ontsnippering van de markt en clustering de essentiële elementen zijn voor behoud van het internationale concurrentievermogen van de Europese spoorwegindustrie;

11.  vraagt de Commissie om de verschillende EU-financieringsinstrumenten ten volle aan te spreken, om te zien naar aanvullende financieringsbronnen voor S2R en naar synergiën te zoeken tussen de verschillende EU-fondsen en particuliere investeringen; vraagt de Commissie in dit verband ook gebruik te maken van aanvullende financieringsbronnen voor railtechnologie buiten S2R (bv. speciale oproepen voor onderzoek op spoorgebied in Horizon 2020 buiten S2R, InnovFin, CEF, Structuurfondsen, EFSI), ook via een S2R proefproject dat EU-financiering samenbrengt met structuur- en andere innovatiefondsen die de EU kent;

12.  vraagt de Commissie om samen te werken met de sector teneinde een optimaal gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) – en met name het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) – te garanderen voor de ondersteuning van regionale O&O-projecten inzake het spoorwegvervoer; spoort aan om ook aandacht te schenken aan de toekomst van de Europese spoorwegindustrie na 2020;

13.  onderstreept dat clusters een belangrijk instrument uitmaken voor het bijeenbrengen van belanghebbende partijen op lokaal en regionaal niveau, waaronder overheidsinstanties, universiteiten, onderzoeksinstituten, de spoorwegindustrie, de sociale partners en andere industrieën die zich met mobiliteit bezighouden; verzoekt de Commissie voor december 2016 een clusterstrategie voor groei op te stellen; vraagt de Commissie en de lidstaten om meer steun voor innovatieprojecten van railclusters en andere initiatieven die kmo's, grotere bedrijven en onderzoeksinstituten op plaatselijk, regionaal, nationaal en Europees niveau samenbrengen; wijst erop dat publieke financieringsmogelijkheden voor clustering noodzakelijk zullen zijn; wijst in dit verband op de mogelijkheden die voortvloeien uit nieuwe financieringsmiddelen (EFSI enz.);

14.  is van mening dat de Commissie moet overwegen een forum op Europees niveau op te zetten waarop gevestigde ondernemingen en start-ups en spin-offs worden samengebracht met innovatieve ideeën voor de spoorwegsector, met name op het gebied van digitalisering en voor uitwisseling van goede voorbeelden voor partnerschappen; is van mening dat de Commissie stimuleringsmaatregelen dient te overwegen voor de samenwerking van grote ondernemingen en kmo's bij onderzoeksprojecten die voor de spoorwegindustrie relevant zijn;

15.  meent dat digitalisering een van de aandachtsvelden van deze onderzoeksactiviteiten moet zijn, met het oog op een groter prestatievermogen en geringere operationele kosten van het railvervoer (door bv automatisering, sensoren en monitoringsinstrumenten, interoperabiliteit, bijvoorbeeld met ERTMS/ETCS, gebruik van ruimtetechnologie, ook in samenwerking met de ESA, gebruik van big data en cyberbeveiliging); noemt als een tweede aandachtsveld vergroting van de hulpbronnen- en energie-efficiëntie, bijvoorbeeld met behulp van lichtere materialen en alternatieve brandstoffen; een derde aandachtsveld zijn innovaties die het spoorwegvervoer aantrekkelijker en breder geaccepteerd maken (bv. verbeterde betrouwbaarheid en lawaaivermindering, een naadloos multimodaal vervoerssysteem); onderstreept dat bij innovatie de infrastructuur, een vitaal element in de concurrentiekracht van railvervoer, niet mag worden genegeerd;

16.  vraagt de snelle toepassing van een geïntegreerd systeem voor de uitreiking van elektronische vervoerbewijzen dat gecoördineerd is met andere vervoerswijzen en andere mogelijke diensten die worden verleend door vervoersondernemingen die met dergelijke vervoerbewijzen werken;

17.  vestigt de aandacht op de dringende behoefte aan de aanleg van modern trein-, tram- en ander spoorvervoer in de interne markt, samen met alle nodige bijkomende uitrusting;

18.  vraagt de Europese Commissie om na te gaan hoe de intellectuele-eigendomsrechten van Europese spoorwegleveranciers internationaal beter beschermd kunnen worden – met inachtneming van de resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2015 over de strategie voor de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in derde landen(1);

Verwerving van de juiste vaardigheden voor een toekomstbestendige spoorwegindustrie

19.  dringt aan op een Europese opleiding- en onderwijsstrategie waarin ondernemingen, onderzoeksinstituten en sociale partners van de spoorwegindustrie worden samengebracht om gezamenlijk te onderzoeken welke vaardigheden nodig zijn voor een duurzame en innovatieve spoorwegindustrie; meent in dit verband dat er een haalbaarheidsstudie moet worden uitgevoerd naar een mogelijke Europese Raad voor bedrijfstakspecifieke vaardigheden voor de spoorwegindustrie; roept de betrokken lidstaten en regionale organen op een kader voor permanente opleiding tot stand te brengen, in de vorm van een individueel recht op opleiding, teneinde ervoor te zorgen dat de beschikbare pool van geschoolde arbeidskrachten is afgestemd op de groeiende vraag in de sector en blijft aansluiten op een nieuwe markt of, in het geval van ontslagen, inzetbaar is in een andere tak van industrie;

20.  wijst erop dat de spoorwegindustrie als gevolg van een vergrijzend personeelsbestand te kampen heeft met een tekort aan gekwalificeerde arbeidskrachten; verwelkomt daarom alle inspanningen om "een leven lang leren" en technische vaardigheden te bevorderen; dringt aan op een campagne om de zichtbaarheid en aantrekkelijkheid van de Europese spoorwegindustrie onder jonge ingenieurs te vergroten (bv. door financiering uit de ESF); wijst er op dat de sector een bijzonder laag percentage vrouwelijke werknemers kent, en benadrukt daarom dat bij die campagne speciale aandacht moet uitgaan naar herstel van deze onevenwichtigheid; dringt er bij de Commissie op aan de sociale dialoog te intensiveren, zodat sociale innovatie en hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid de sector aantrekkelijker helpen maken voor gekwalificeerd personeel;

21.  is van mening dat het bijbrengen van goed gekozen vaardigheden een onontbeerlijke investering is voor het behoud van het wereldwijde technologische leiderschap en de innovatiekracht van de Europese spoorwegindustrie voor de langere termijn;

Ondersteuning van kmo's

22.  is van mening dat toegang tot financiering een van de grootste uitdagingen voor kmo's in de spoorwegindustrie is; wijst met nadruk op de meerwaarde van COSME en de Structuurfondsen als hulp voor de kmo bij het vinden van toegang tot financiering, mede in de vorm van garanties en participatiefaciliteiten, en op de noodzaak van een krachtiger promotie van deze instrumenten; is blij met de aandacht binnen het EFSI voor kmo's en midcapbedrijven, maar benadrukt dat het fonds zijn beloften nu moet waarmaken, en herinnert eraan dat ook naar alternatieve financieringsbronnen moet worden omgezien; is ingenomen met het kmo-instrument in het kader van Horizon 2020, maar vraagt aandacht voor het probleem van overinschrijving en een laag succespercentage; verzoekt de Commissie dit probleem bij de tussentijdse evaluatie van Horizon 2020 aan te pakken; vraagt de Commissie om te werken aan een betere absorptie van financiële instrumenten en fondsen van de EU die voor kmo's beschikbaar zijn;

23.  wijst erop dat kmo's in de spoorwegindustrie vaak van één onderneming afhankelijk zijn; benadrukt dat kmo's afzien van uitbreiding wegens een gebrek aan middelen en toegenomen risico's bij grensoverschrijdende zakelijke operaties; dringt er bij de Commissie op aan om in het kader van het Enterprise Europe Network spoorwegsectorgroepen te ontwikkelen, die kmo's in de spoorwegindustrie zouden kunnen adviseren en opleiding geven over verschillende financieringsregelingen voor innovatie, subsidies en internationalisering en over het zoeken en aanspreken van mogelijke zakelijke partners en partners bij het aanvragen van gezamenlijke, door de EU gefinancierde onderzoeksprojecten;

24.  vraagt de Europese Commissie om de bestaande steunprogramma's voor de internationalisering van kmo's verder aan te wenden en ze beter zichtbaar te maken bij Europese kmo's in de spoorwegindustrie met het oog op synergiën tussen verschillende EU-fondsen; verzoekt de Commissie om opleidingsprogramma's betreffende de toegang tot specifieke buitenlandse markten verder te ontwikkelen en aan deze programma's brede bekendheid te geven onder kmo's in de spoorwegindustrie;

25.  vraagt de Commissie en de lidstaten alle opties na te gaan voor steun aan kmo's in de spoorwegindustrie, ook in het kader van een gerichte herziening van de Small Business Act, met speciale aandacht voor behoeften van industriële sub-sectoren als de spoorwegindustrie waar de inschakeling van kmo met hoge meerwaarde bijzonder belangrijk is;

26.  is bezorgd over de trage betalingen aan kmo's in de spoorwegindustrie; vraagt de Commissie om toezicht te houden op de correcte toepassing van de richtlijn betalingsachterstand (2011/7/EU);

Verbetering van het Europese marktklimaat voor leveranciers en vergroting van de vraag naar duurzame producten

27.  verwelkomt de goedkeuring van de technische pijler van het vierde spoorwegpakket en dringt aan op een spoedige tenuitvoerlegging aangezien deze van essentieel belang is om de echte eengemaakte markt voor spoorwegproducten mogelijk te maken; benadrukt dat meer interoperabiliteit en een grotere rol voor het Europees Spoorwegbureau (ESB) bij zullen dragen tot de harmonisering van het spoorwegnet waardoor de kosten voor de ontwikkeling en toelating van het rollend materieel en de uitrusting voor het ERTMS (Europees beheersysteem voor het spoorverkeer) mogelijk omlaag kunnen worden gebracht; wijst erop dat het ESB voldoende personele en financiële middelen moet krijgen om zijn nieuwe uitgebreide taken te kunnen vervullen; meent dat de politieke pijler van het vierde spoorwegpakket beslissend zal zijn voor het concurrentievermogen van vervoersmaatschappijen en meer in het algemeen van opdrachtgevers;

28.  benadrukt de behoefte aan een volledige, effectieve en eenvormige tenuitvoerlegging van de verordening inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer, hetgeen zowel de passagiers als de industrie ten goede zal komen;

29.  vraagt de Commissie de marktdefinities en de huidige EU-mededingingsregels opnieuw na te gaan teneinde rekening te houden met de evolutie van de wereldwijde spoorwegmarkt; vraagt de Commissie te bepalen hoe deze definities en regels moeten worden aangepast zodat de problemen van fusies op de mondiale markt, zoals de fusie tussen CNR en CSR, kunnen worden aangepakt en strategische partnerschappen en allianties kunnen worden gevormd;

30.  vraagt een verdere Europese normalisatie in de spoorwegsector, aangestuurd door de belanghebbenden (waaronder de Europese spoorwegindustrie) onder leiding van CEN-Cenelec; hoopt dat het nieuwe, door de Commissie voorgestelde "Gemeenschappelijk initiatief voor normalisatie" in dit verband een cruciale rol zal vervullen; beklemtoont dat het belangrijk is om meer kmo's te betrekken bij de Europese normalisatie;

31.  dringt aan op de spoedige tenuitvoerlegging van de EU-richtlijnen inzake openbare aanbestedingen van 2014; herinnert de lidstaten en de Commissie eraan dat deze richtlijnen de aanbestedende diensten ertoe verplichten hun gunningsbesluiten te baseren op het beginsel van de economisch voordeligste inschrijving waarbij de nadruk ligt op de levenscycluskosten en milieuvriendelijke en sociaal duurzame producten, mede waardoor loon- en sociale dumping worden voorkomen en daarenboven de regionale economische structuur mogelijk wordt versterkt; vraagt de Commissie en de lidstaten om in het algemeen te bevorderen dat een kostenanalyse over de gehele levenscyclus standaardpraktijk wordt bij lange-termijninvesteringen, de aanbestedende diensten hierbij te begeleiden en te blijven toezien op de toepassing ervan; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de aanbestedende diensten eraan te herinneren dat het herziene Europees kader voor overheidsopdrachten een bepaling bevat die toestaat om inschrijvingen waarbij 50 % van de waarde wordt gerealiseerd buiten de EU, af te wijzen (artikel 85 van Richtlijn 2014/25/EU);

32.  verzoekt de Commissie om toezicht te houden op niet-Europese spoorweginvesteringen in de lidstaten van de EU en te waarborgen dat de Europese regelgeving inzake overheidsopdrachten worden nageleefd, zoals met betrekking tot abnormaal lage inschrijvingen en oneerlijke concurrentie; vraagt de Commissie om informatie in te winnen omtrent mogelijke niet-Europese gegadigden die in de EU met offertes meedingen terwijl zij overheidssubsidie ontvangen van derde landen;

Stimulering van investeringen in spoorwegprojecten

33.  gaat ervan uit dat bestaande EU-financieringsinstrumenten (bv. CEF, Structuurfondsen) volledig worden benut om de vraag naar spoorwegprojecten te stimuleren, met inbegrip van EU-financieringsinstrumenten voor investeringen buiten de EU (het instrument voor pretoetredingssteun en het Europees nabuurschapsinstrument); hecht belang aan een succesvolle uitvoering van het Europese Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI), een van de instrumenten voor het mobiliseren van particulier kapitaal voor de spoorwegsector, en dringt erop aan dat nader wordt verkend hoe particuliere investeringen voor spoorwegprojecten op gang kunnen worden gebracht; meent dat er voor overheidsinstellingen voor ontwikkelingsfinanciering op nationaal en Europees niveau een belangrijke rol is weggelegd inzake steun aan de spoorwegindustrie; verzoekt de Commissie samen te werken met de multilaterale ontwikkelingsbanken om de publieke en particuliere instanties te helpen overal ter wereld te investeren in zo duurzaam en energie-efficiënt mogelijke spoorweguitrusting; vraagt de Commissie en de EIB om hun adviserende steun aan spoorwegprojecten te intensiveren via de in het kader van de EFSI opgerichte Europese advieshub, teneinde hen te helpen om particuliere investeringen aan te trekken; gelooft dat de spoorwegsector in Europa in grote mate aangewezen zal blijven op overheidsinvesteringen; dringt er in dit verband bij de lidstaten en de overheden op aan aanzienlijk in hun hoofd- en stadsspoorwegstelsels te investeren en de absorptiepercentages van middelen uit het cohesiefonds voor spoorwegprojecten te vergroten; roept niettemin op, rekening houdend met die afhankelijkheid en het feit dat de overheidsfinanciën in vele Europese landen onder druk staan, om alle mogelijke (zowel regelgevende als budgettaire) middelen te benutten om gebruik te kunnen maken van privékapitaal ten gunste van de spoorwegsector;

34.  wijst erop dat kredietverleners door de complexiteit van de spoorwegsector moeilijk inzicht krijgen in de risico's en dat deze daarom niet geneigd zijn om goedkope leningen te verstrekken; vraagt de Commissie om een Financieel forum voor de spoorwegindustrie op te richten teneinde de betrokkenheid en uitwisseling van kennis tussen de spoorwegindustrie en de financiële sector te bevorderen en aldus de spoorwegindustrie inzichtelijker te maken voor de banken zodat zij de risico's beter begrijpen en de financieringskosten verlagen;

35.  meent dat het onderhoud en de modernisering van de bestaande spoorweguitrusting niet mag worden verwaarloosd; vraagt de Commissie en de lidstaten een grootschaliger vervanging van oud materieel door moderne en duurzame producten aan te moedigen;

36.  is ingenomen met de EU-steun voor het onlineplatform "waarnemingscentrum voor stedelijke mobiliteit" (Eltis) met het oog op de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van stedelijke systemen in grootstedelijke gebieden; verzoekt de Commissie de uitwisseling van beste praktijken inzake verschillende financieringsmogelijkheden voor duurzame stedelijke mobiliteitssystemen te stimuleren en te promoten in het kader van haar toekomstige Europees platform voor duurzame stedelijke mobiliteitsplanning;

37.  vraagt de Commissie te helpen met verder geharmoniseerde inzet van het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS), in samenwerking met de ERA, binnen de EU en het gebruik van ERTMS buiten de EU te bevorderen;

38.  verwelkomt de inspanningen voor de invoering van de diensten en toepassingen van Galileo en de Europese dienst voor geostationaire navigatie (EGNOS) in de spoorwegsector; erkent in dit verband de rol van het Europees GNSS-Agentschap en zijn succesvolle beheer van de projecten uit hoofde van het zevende kaderprogramma en het Horizon 2020-programma;

Versterking van het mondiale concurrentievermogen van de spoorwegindustrie

39.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat in toekomstige handelsovereenkomsten (zoals de thans in onderhandeling zijnde overeenkomsten met Japan, China en de VS) en bij herziening van bestaande overeenkomsten specifieke bepalingen worden opgenomen om de markttoegang voor de Europese spoorwegindustrie aanzienlijk te verbeteren, met name op het punt van overheidsopdrachten met de daarbij spelende problematiek rond strengere vestigingsvereisten en wederkerige toegang voor de spoorwegindustrie tot buitenlandse markten; verzoekt de Commissie om te zorgen voor een gelijk speelveld voor marktdeelnemers binnen en buiten Europa;

40.  verzoekt de Commissie om een grotere samenhang tussen het handelsbeleid van de EU en het industrieel beleid, zodat in de handelsstrategie rekening wordt gehouden met de behoeften van de Europese industrie en zodat de nieuwe generatie handelsakkoorden geen nieuwe verplaatsingen van bedrijven en een grotere de-industrialisatie in de EU met zich meebrengt;

41.  vraagt de Commissie om te ijveren voor de opheffing van de belangrijkste niet-tarifaire handelsbelemmeringen die de toegang tot de buitenlandse markten voor de Europese spoorwegindustrie hinderen, met name de investeringsbelemmeringen (in het bijzonder de verplichtingen betreffende joint ventures) of het gebrek aan transparantie en de ongelijke behandeling in procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten (in het bijzonder de toenemende vereisten van plaatselijke inbreng);

42.  wijst met klem op de relevantie en het effect die de onderhandelingen over het internationale overheidsopdrachten-instrument en de herziening van de regelgeving inzake handelsbeschermingsinstrumenten hebben op de Europese spoorwegindustrie en dringt er bij de Raad en de Commissie op aan hier rekening mee te houden en nauw met het Europees Parlement samen te werken om snel tot overeenstemming over deze instrumenten te komen; vraagt de Commissie rekening te houden met de gevolgen die de erkenning van door de overheid geëxploiteerde economieën of andere niet-markteconomieën als markteconomie zou kunnen hebben op de werking van handelsbeschermingsinstrumenten en het concurrentievermogen van de Europese spoorwegindustrie;

43.  vraagt de Commissie om een coherente EU-handelsstrategie waarin de hand wordt gehouden aan het wederkerigheidsbeginsel, vooral tegenover Japan, China en de VS, en om steun voor verdere internationalisering van de spoorwegindustrie, vooral kmo's, mede door bevordering van Europese normen en technologie op internationaal niveau, zoals de ERTMS, en door zoeken naar betere bescherming voor de intellectuele eigendomsrechten van de Europese spoorwegindustrie (bv door wijdere promotie van de IPR-Helpdesk);

44.  verzoekt de Commissie alle tarifaire en niet-tarifaire handelsbelemmeringen te helpen wegnemen, de handelsprocedures voor kmo's in de spoorwegsector te vereenvoudigen en ervoor te zorgen dat alle beperkende handelspraktijken in derde markten geleidelijk verdwijnen; verzoekt de Commissie het verkrijgen van werkvisa te vergemakkelijken voor werknemers van Europese kmo's die tijdelijk worden gedetacheerd naar een derde land en de economische transacties voor kmo's te verminderen;

45.  benadrukt dat bepaalde derde landen onaanvaardbare marktverstoringen creëren door buitensporige steun te verlenen aan hun nationale exporteurs via de financiële voorwaarden die ze aanbieden aan mogelijke klanten; roept in dat opzicht de Commissie op om de Chinese regering te overtuigen om zich aan te sluiten bij de OESO-overeenkomst inzake exportkredieten en in het bijzonder het hoofdstuk over de spoorwegen; verzoekt de Commissie tegelijkertijd de werkzaamheden van de internationale werkgroep exportkredieten op te voeren aan de nieuwe mondiale richtsnoeren inzake exportkredieten;

Verbetering van de strategische politieke steun voor de sector

46.  vraagt de Commissie een mededeling uit te brengen over een EU-strategie voor een coherent industrieel beleid, gericht op herindustrialisering van Europa en stoelend op onder meer duurzaamheid en energie- en hulpmiddelenefficiëntie; verzoekt de Commissie om in dit document haar strategie voor belangrijke industriesectoren, met inbegrip van de spoorwegindustrie, te schetsen; vindt het belangrijk dat hierin ideeën worden opgenomen over de vraag hoe in de EU een hoog niveau van verticale productie behouden kan blijven;

47.  verzoekt de Commissie een industriële dialoog op hoog niveau over de spoorwegindustrie te organiseren, met deelname van de desbetreffende commissarissen, leden van het Europees Parlement, de Raad, de lidstaten, de industrie, de vakbonden, onderzoeksinstituten, het Europees Spoorwegbureau en Europese normalisatie-instellingen; benadrukt dat een geregelde industriële dialoog inzake de spoorwegindustrie ruimte zou bieden voor een gestructureerde discussie op Europees niveau over de horizontale uitdagingen voor de sector en het effect van EU-beleid op het concurrentievermogen van de spoorwegindustrie;

48.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het beleid dat van invloed is op het concurrentievermogen van de Europese spoorwegindustrie tot stand komt op grond van doeltreffende communicatie en coördinatie tussen de bestuurlijke instanties van de diverse betrokken beleidsterreinen;

49.  acht voor versterking en ontwikkeling van de Europese spoorwegindustrie de politieke steun van de Raad nodig; roept de Raad Concurrentievermogen daarom op de Europese spoorwegindustrie daadwerkelijk op zijn agenda te plaatsen;

o
o   o

50.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0219.

Juridische mededeling - Privacybeleid